Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Author: Various
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



DE AARDE EN HAAR VOLKEN

1906.


HAARLEM,

H. D. TJEENK WILLINK & ZOON.



Door Holland met pen en camera

Naar het Fransch van

_Lud. Georges Hamön_. [1]


Elk land heeft een eigen karakter, dat is onbetwistbaar. Holland nu
is, zoowel om den aard van zijn grondgebied als om de kleeding zijner
boeren, tegenwoordig het schilderachtigste land van Europa.

Het is de moeite waard, zich op te maken om met eigen oogen te
aanschouwen die pijpjesrookers en kermisdansers, die langzame
schuiten en reusachtige bruggen, die zwaaiende molenarmen en kalme
overpeinzingen van rustige burgers over hun glas bier, die boerin
met breede heupen, de producten der eigen boerderij naar de stad
brengend, die spannen van trekhonden, die eeuwige kanalen, bevolkt
met eenden, die nette dorpen en aardige huisjes, die zonderlinge
visschers, grillige luchten, moerassige vlakten. Men kan dan op zijn
gemak, zonder de oogen dicht te doen, vóór zich zien verschijnen
de landschappen door Ruysdael's penseel op het doek gebracht, en de
tronies der bierdrinkers die Teniers teekende.

Naar Holland gaan beteekent trouwens zooveel niet.... Men stapt
's morgens aan 't Noorderstation in een exprestrein, en 's avonds
zit men kalmpjes in een "koffiehuis" te midden van de diepe rust der
weiden en de tonen van een klokkenspel.

Als men in één adem België is doorgespoord, wat niet moeilijk is
met het oog op de kleinheid van het land, komt men te Roozendaal,
het grensstation, waar het gebruikelijk is, zijn krachten eenigszins
te herstellen. Daarna stapt men in een langzamen trein, die er
saai uitziet en op weg is naar Zeeland, het land der eilanden met
zonderlinge namen, doorsneden door vaarten, kanalen, rivieren,
slooten en booten, en bevolkt door vrouwen met bloote armen.

Maar men houde wel voor oogen, dat Holland een wanhopig vlakke en
eentonige streek is, dat het geen heftige aandoeningen wekt, noch
tot opgewonden geestdrift stemt of stille innerlijke verrukking
teweegbrengt. Holland is het land der rust, waar men zich dompelt in
het kalmste welbehagen.


I

Een hollandsche stad.--Middelburg.--De wolken.--De
"boerinnen".--Het huis.--De brugwachter.--De markt.--Een hollandsch
dorp.--Zoutelande.--Goede herbergiers.--Typische avond.--De klompjes
der kleine kinderen.--De kermis.--De vroomheid van den Hollander.


Na veel eentonige moerassen te zijn voorbijgegaan en vochtige
landerijen; na bruggen te zijn overgereden, stopt de langzame trein
te Goes en daarna te Middelburg, de hoofdstad van het eiland Walcheren.

Het was grijs, donker weêr op den morgen van mijn aankomst. In Holland
vinden de wolken geen klokkentorens om ze tegen te houden, noch boomen
of heuvels, en dus komen ze van alle kanten aandrijven, wit en rose
en zwart, bruin, oranje of rood, al naar den tijd van den dag, en
door den wind voortgestuwd. Zij lossen zich op in zware regenbuien of
vluchten in compacte massa's heen, trachtend zich hier of daar vast
te zetten; maar de molens, die steeds maar blijven zwenken en draaien,
schijnen ze uit te lachen, net als de baders, die in het water duiken,
als men ze roept.

O, hollandsche wolken, wat hebt ge mij een last bezorgd!... Moet ik
er boos om blijven?... Ik weet het niet, want gij ziet er toch niet
kwaad uit, en Holland zonder wolken zou een afschuwelijke woestijn
zijn; daarom hebben de wolken en het water samen vriendschap gesloten
ten bate van het landschap.

Het was dan grijs en leelijk weêr, toen ik in Middelburg uitstapte.

Middelburg, hoort ge wel? is een echt type van een hollandsche stad,
half en half grootsteedsch en half en half boersch. Naast Goes en
Wemeldinge is het de interessantste plaats, waar ik geweest ben.

Het was morgen. Overal ontmoette ik groenteboeren en groenteboerinnen,
sommigen in lage wagentjes, getrokken door kleine, harige paardjes,
anderen, bezig karren voort te duwen, hoog opgestapeld vol met groente,
boter, eieren of melk.

_Trip, trap, trip, trap...._ Dat stapte maar voort zonder
haast. Niemand heeft ooit haast in Holland. Het paard, in een zacht
drafje gebracht, stond dadelijk stil, als 't noodig was.

Boerinnen, jonge meisjes nog, goed gekleed in haar nauwsluitende
jakjes, met dikke heupen door de zware rokken, liepen waggelend
met een juk op de schouders en boden aan de klanten melk en boter
aan in blauwe of groene emmers met deksels, alles van de uiterste
zindelijkheid getuigend.

Het type is niet bijzonder mooi, ik bedoel, niet erg fijn; maar
schoonheid is een zaak, die moeilijk uit te maken is, en tot veel
verschil van meening aanleiding geeft. Ziet men niet dagelijks de
menschen bewonderend stilstaan voor de schilderijen van Rubens,
alles vleesch, want men weet, dat hij bijna niet anders dan dikke
Vlamingen op zijn doeken bracht.

Deze jonge dames kennen in 't geheel geen beschroomdheid. Meer dan
eene, die op mij afkwam met de handen in de zij en met de schouders
schokkend in een droge beweging van onverschilligheid, stond stil,
als ik haar aankeek, ging met een coquet airtje vóór mij staan en gaf
mij door teekens te verstaan, dat een geldstukje haar niet onwelkom
zou wezen. Als ik beproefde haar onverwacht te kieken, stiet zij een
kreet, van toorn uit en keerde mij met ostentatie den rug toe. Op
andere plaatsen, bij voorbeeld op Marken, wordt die belasting van
den vreemdeling bijna als een recht geheven; een belachelijk misbruik.

Middelburg!... Zeer net stadje, met straten die alle aan elkaâr gelijk
zijn. Rondom kanalen en, boven de daken uitstekend, twee of drie
groote molens. Enkele oude monumenten, geheel in stijl. Zangerige
klokken spelen de uren en laten hun tonen plotseling druppelen in
de doffe stilte der bijna verlaten wegen en straten, waar men weinig
winkels ziet.

Er wordt in Holland niet veel gewandeld, en aan flaneeren wordt in
het geheel niet gedaan. Men leeft te huis opgesloten in zijn dicht
en keurig, goed onderhouden vroolijk woonhuis. Geen huurhuizen van
vijf, zes of tien verdiepingen. Elk gezin heeft zijn thuis, zijn
eigen woning, waar alleen bekenden binnentreden, van wie men zeker is.

Maar wat houdt men dan ook veel van dat "home", hoe graag versiert
men het en tooit het op, wascht het, verft het en boent erop naar
hartelust! Zulk een pijnlijke bezorgdheid doet het oog goed, want
men gevoelt, dat zij één is met de plaatselijke zeden en gebruiken.

De straten, geplaveid met baksteenen, vertoonen geen enkele
onreinheid. De vensters, van zonneblinden voorzien, zijn niet
gestoffeerd met nieuwsgierige gezichten, die op den voorbijganger
neerzien met ingenomenheid of afkeuring. Men ziet geen vrouwtjes bij
de deuren staan praten of gewichtige samensprekingen houden op drukke
kruispunten van wegen. Zelfs de kinderen zijn maar juist even druk
genoeg, om te bewijzen, dat de stad niet door spoken wordt bewoond.

Alleen de spionnetjes kijken u aan, spiegels, die van buiten aan de
vensters zijn bevestigd en waarin de vrouw des huizes, gemakkelijk
achter haar _horrikje_ gezeten, dat is een groen scherm in den vorm
van een klaverblad, uren aaneen gadeslaat wat er voorbijgaat, juist
als visschen doen in het water van een goudvischkom.

O, die vriendelijke doodschheid der hollandsche woningen op een
grijzen achtermiddag in September!

Met mijn camera in de hand, ben ik de kleinste straatjes doorgegaan,
overal met mijn onbescheidenheid binnendringend, waar ik er maar kans
toe zag. Ik dwaalde langs de plechtige kaden, waar het rood der daken
zich voegde bij het bruin van 't vele hout, dat in het water dreef en
bij het rossige waas der boomen, dat den herfst verkondigde. Ik liep
langs de oevers van het groote kanaal; jonge meisjes wisselden er
teekens met de melkboeren aan den overkant, omlijst door den vlakken
horizon, waarin een molen draaide.

Ik kende spoedig tot in de kleinste bijzonderheden den korten doolhof
van wegjes en straten, die alle zonder onderscheid naar het hoofdplein
leiden, waar 't stadhuis te vinden is met al zijn beeldhouwwerk, waar
de weekmarkt wordt gehouden en waar de tram van Vlissingen stopt,
de zeehaven, waar stoombooten van allerlei naties binnenvallen.

De voorstad, die erheen leidt, brengt u aan een brug. Die brug gaat
in het midden omhoog als een dubbel luik, om de schepen met masten
door te laten. De bewerking duurt een goed kwartier, gedurende welken
tijd de weinige personen, die over de brug wenschen te gaan, in 't
minst geen blijk geven van verveling. De brugwachter leunt, als een
mandataris in het volle besef van zijn verantwoordelijkheid, tegen de
leuning; hij zwijgt en wacht op wat de schipper zal verkiezen te doen,
die zijn schuit met de plechtige langzaamheid van een voorvaderlijke
schildpad doet voortschuiven.

Die brugwachter was inderdaad op zichzelf een echt hollandsch
poëem. Rossig in de rossige omgeving, stond hij daar met zijn pijpje
tusschen de lippen geschroefd; een kalme wijsbegeerte straalde van
hem af: de philosofie van de neutrale lichamen, bij tusschenpoozen
zich bewegend naar een onduidelijk aangewezen doel. In hem herleefden
de gestorven geslachten der Nederlanders met de afgemeten gebaren,
die zwegen en droomden en eeuwen van geduld stelden tegenover de
koppige aanvallen van de verraderlijke zee.

Dit is wel echt het karakter van den Hollander. Omringd door het water,
vechtend tegen het water, gevoed door het water, heeft hij de zachte
zwaarte van het water zich eigen gemaakt, dat geluidloos nadert en
onder zijn kleurrijke oppervlakte vreemde werelden verbergt.

Met zijn glad rond gezicht, zijn naar de mode van Lodewijk XI geknipte
haren, zijn dikke handen en zijn beenen in een wijde broek, lacht de
Hollander zelden of nooit, schreeuwt nimmer, vecht niet met woorden
en schijnt in zijn ernstigen blik een wereld van gedachten of van
nevelachtig gepeins te weerspiegelen.

Rossig in de rossige omgeving, rookte de symbolische brugwachter
zijn pijpje, onbekommerd om de overdenkingen, waarin zijn beeld mij
dompelde. Toen het schip voorbij was, draaide hij een ijzeren kruk om,
en de toegang was weer open.

Dit hoekje van de stad was nog stiller dan het overige. Een peinzende
moeder liep er met haar kleinen jongen, die in een doek gewikkeld was,
en geen ander levend wezen was er te zien, geen geluid te hooren dan
het geklepper van den nabijzijnden molen.

De volgende dag was een Donderdag, marktdag te Middelburg. De zon
weigerde mij niet alles op mijn smeekingen en tintte rose de jagende
wolken, die uit den Oceaan gekomen waren. Ik ontbeet vlug met eieren en
ham, verkwikte mij met thee en bereikte de Groote Markt, het tooneel
van den handel.

Drie of vier verplaatsbare winkels, een stroom van boeren en boerinnen
en wagens met witte kappen bewees, dat er wel lust was om zaken te
doen; maar ik zocht overal tevergeefs naar de menigte, die er moet
wezen om aan den straathandel levendigheid te schenken.

In Zeeland is er om zoo te spreken noch landbouw noch industrie. Bij
gevolg kan men er niet uitstallen, als bij ons, die hoopen groenten,
eieren, vruchten of bloemen, waar omheen de huisvrouwen zich
verdringen.

In Zeeland produceert de boer niet veel anders dan melk, boter,
beetwortels en aardappels. De melk en de boter worden bij de klanten
thuis gebracht door de boerinnen, zooals wij reeds hebben gezegd. De
beetwortels gaan per schip naar de fabrieken.

Te spreken van een "markt" voor die wekelijksche bijeenkomst die ik
bijwoonde en die nog voortdurend blijft bestaan, zou eigenlijk minder
geschikt zijn. Onder voorwendsel een paar kilogrammetjes boter te
verkoopen, komen de brave luidjes in de stad hun wekelijksch uitstapje
maken, om er kennissen te ontmoeten, enkele inkoopen te doen, pijpjes
te rooken vóór het stadhuis en met de handen in de zakken te droomen
in een herberg, waar een biljard staat, zittend achter een groot glas
bier en luisterend naar het droge geluid der ballen, door zwijgende
spelers bewogen.

Welk een kalmte! Dit volk, met meel en vet gevoed, heeft geen
zenuwen. Breed, zwaar, gezet zonder dik te zijn, herinneren die mannen,
die geen begrip van gebrek en ellende hebben aan chineesche bonzen,
in rieten stoelen gezeten, die langzaam onder hun bolle oogen hun
duimen draaien boven hun buik in stille overpeinzing, zonder op den
voortgang van den tijd te letten.

De mannen voegen zich te zamen op een hoek van de markt, om elkander
hun indrukken mee te deelen over den stand van beesten of beetwortelen
en over de gezondheid van hun kinderen. Op enkele vierkante meters
staan daar een heele menigte typen, die van vreugde kunnen doen
beven de afstammelingen van Teniers, Ostade en Potter, al die goede,
overleden schilders.

Groepen oude boeren met korte broeken, gebloemde kousen en hooge
ketelhoeden, wier kaalgeschoren gelaat door losse haarvlokken omgeven
is, voeren den geest naar voorbijgegane eeuwen.

Die oudjes zien er voor 't meerendeel gezond, maar zeer mager uit,
in tegenstelling met de dikke jongelui en aantoonend, dat juist zij
het oudst worden, die wat droog van spieren zijn.

Uit die algemeene zwaarwichtigheid moet niet worden afgeleid,
dat de intellectueele vermogens beperkt zijn. De Hollander is goed
onderwezen; hij leest wel niet veel, maar onthoudt, wat hij leest. Zijn
goedaardigheid en stugge, massieve manieren zijn dikwijls slechts iets
uiterlijks; men zou, eer men er te vast op bouwde, den onmerkbaren
glimlach moeten kunnen verklaren, die soms rimpels om de ronde, blauwe
oogen doet verschijnen en om de zachte, ongerimpelde monden. Hij heeft,
wat men noemt, den moed om tegen de dingen in te gaan, voortkomend uit
gezond verstand en uit berekening. De eeuwenlange strijd, ondernomen
tegen de zee en de vernielende rivieren, heeft hem groote volharding
geschonken en een onbegrensd geduld, een echte kracht van inertie. Hij
is werkzaam, maar die activiteit is niet onstuimig en wordt aan den
dag gelegd in stillen, geregelden, volhardenden arbeid.

Spaarzaam is hij ook, en in dagen van overvloed blijft hij zuinig;
grootheid en ijdelheid toont hij alleen bij groote gelegenheden,
openbare inschrijvingen, bruiloften of kermissen.

Als een hollandsche boer zijn dochter uithuwelijkt, geeft hij een
gastmaal van stavast. Oudtijds waren de feesten bij bruiloften
zoo algemeen in de zeden doorgedrongen, dat een wet tusschenbeide
moest komen, om te bepalen hoeveel violen er mochten zijn, hoe groot
de waarde der geschenken mocht wezen, en wat de prijs per couvert
moest zijn.

Bij tweeën en drieën staan de melkboeren te praten over allerlei
kleinigheden, op neutralen toon gezegd, terwijl de rook der sigaren
hun oogen in een zilverachtig schijnsel hult, of wel, ze gaan met
langzame schreden naar de herberg en zetten hun vertrouwelijk praatje
voort op de banken langs den muur.

De herbergzaal, of liever de biljardkamer, heeft veel overeenkomst
met onze herbergen en café's. Al de ruimte wordt ingenomen door het
enorme biljard met zakken aan de vier hoeken. Verder staat er een
ronde tafel met een gestreept kleed er over, en alles, wat er noodig
is, om te schrijven; stoelen, netjes in rijen geschaard, voltooien
het eenvoudig ameublement voor de wijze klanten.

Men zou, als men daar binnentreedt, kunnen meenen, dat men in het huis
van een particulier is, die u vriendschappelijk, met de ellebogen op
de tafel geleund, een lekker glaasje zal aanbieden.

Op het marktplein ziet men beslist alleen mannen. Waar gaan wel
de vrouwen heen? Ik krijg een drietal huisvrouwen in het oog, die
voortloopen met manden aan den arm, en ik volg ze. Zij brengen mij
weldra op een groote binnenplaats, omringd door een klooster, en in
het midden geeft een oude iep koele schaduw.

Dit is het heiligdom der huisvrouwen. Zij staan er kalm en langzaam
en nauwkeurig zaken te doen in haar wijde rokken, groote boezelaars
en helder gekleurde doeken, de witte mutsen versierd met goud en
zilver. Enkele hebben hun manden neergezet op schragen, die ervoor
klaar staan, of op den grond naast de afgevallen bladeren en wachten
met eindeloos geduld, tot er een koopster opdaagt, om haar te ontlasten
van de vette koopwaar. Anderen staan stil, draaien wat heen en weer,
loopen rond en staan weer stil, zwijgend met onbeslisten blik en
dwalend oog, alsof ze er niet heel zeker van waren, dat zij den vasten
grond betreden.

Verlangt u boter?

Wij wenschen boter.

Hebt u kaas?

Wij hebben kaas; zie, hoe zacht ze is.

Die vragen, die antwoorden, suizen zachtjes met het geluid van den
wind door de takken van den grooten boom, en enkele vrouwen vertellen
elkaâr kalm, op welke wijze zij het smakelijke product bereid hebben
met de melk van dien en dien dag, afkomstig van een bepaalde koe.

Onbeduidend en bolbleek zouden die hollandsche dames zijn zonder
haar bijzondere kleeding, juist als die anderen in moderne toiletten,
die alle bekoorlijkheid missen. Met de eigenaardigheden van het land
passen zij op het archaïsche fond en blijven in haar rechte, statige
houding, alsof ze altijd en overal op doek vereeuwigd moesten worden.

Haar bloote armen, hard geworden door den wind, dragen manden, die met
roode, blauwe of gele doeken toegedekt zijn, en daar het nog zomer is,
dragen zij hoeden op het hoofd in den vorm van omgekeerde bloempotten
met groote pompons versierd.

Onder den olm met bruine takken komen haar gestreepte sjaals flink
uit, zooals zij zich buigen naar de geopende manden der boerinnen,
die mooi zijn als ze nog niet veel jaren tellen, zooals al wat jong
is, ondanks de stijve kleeding, die de buste in rechte hoeken omspant.

Haar voeten, die niet weten wat haast is, drukken de steenen van het
oude plaveisel, en dat is het eenige geluid, dat men verneemt, gedempt
nog in de algemeene stilte.... De zeeuwsche vrouwen schijnen, zou men
zoo zeggen, aanhoudend kostbare geheimen met zich rond te dragen, die
zij enkel aan elkander kunnen openbaren achter een muur, beschilderd
met lichte en donkere strepen en achter de groene zonneblinden vóór
de vensters. Haar vochtige oogen weerspiegelen de groote weiden, waar
de jonge koeien grazen, die dikwijls worden gemolken; haar smalle
voorhoofden, stijf geknepen in het kanten omhulsel, zijn blijkbaar
nog onder den indruk van het liedje van 't melken, dat tweemaal per
dag wordt afgespeeld, dat liedje van de melk, die druppel na druppel
met bobbels in den emmer valt, en haar handen zetten nog de bewegingen
als van een harpspeelster voort, waarmee zij de blanke uiers streelen.

Zouden ze zoo zacht zijn als dat voedend vocht?... Laat ons geen te
haastig oordeel vellen! In Zeeland, in Friesland en in Groningen zijn
er brunetten en blondines, rossigen en anderen met kastanjebruine
haren, en zoo de overdaad van zachte spijzen haar aderen heeft gevuld
met een flauw en waterachtig vocht, zij zullen zonder eenigen twijfel
in haar gevoelens niet verschillen van de andere dochteren Eva's.

Dat zijn overdenkingen, waartoe de marktdag in Middelburg iemand
brengt. Zonderlinge markt voorwaar, waar men op de teenen loopt in
eeuwigdurend geflaneer.

Een zeventigjarige, steunend op zijn kleinzoon, lacht mij vriendelijk
toe. Hij is het verleden, hij met zijn costuum van een vlaamsche
schilderij; het kind is het tegenwoordige, de toekomst met zijn
knellend petje en vierkant afgesneden buisje. Ik wenk en wijs op mijn
camera. De kleine wil den ouden heer wegtrekken van dat gevaar, dat
mijn instrument opraper van beelden wezen kon; maar de oude staat
stil en neemt een nobele houding aan als een groot heer, die wel
graag bewonderd wordt.

Een hevige regenbui valt plotseling neer op markt en straten en
huizen met puntdaken; een uur lang klettert het en ruischt en spat
en drijft de kalme boeren in de herbergen; dan schijnt de zon weer,
en er worden toebereidselen gemaakt voor de thuisreis.

De groote wagens in den vorm van schuiten, overdekt met witte huiven,
komen van alle kanten te voorschijn en staan in rijen geschaard. De
meisjes, blij dat ze eens uit zijn; de huisvrouwen, tevreden over
haar inkoopen en haar gezellig gebabbel; de boeren, voldaan over hun
marktwandeling en verzadigd van bier en jenever, allen stijgen in.

_Tott werziens! ... Goedag!_

De paarden schudden met de ooren, tillen de slappe beenen op en
vertrekken, trip, trep, trip, trep, langzaam door de nauwe straten die
goed geplaveid zijn, met zoo min mogelijk gedruisch, naar de stallen.

De stad, die een oogenblik druk en woelig is geweest, herneemt haar
gewone, slaperige kalmte. De zon daalt lager. De grachten schitteren
in veelkleurig licht. In de vallende schemering gaan booten voorbij,
stil met opgezette zeilen en een licht geklots van het water. De
donkere molens maken ter begeleiding van den zonsondergang stomme
teekens, voorbijgaand als de minuten. Achter de neergelaten gordijnen
der huizen verschijnen bleeke lichtschijnsels. Stilte, stilte,
stilte.... Middelburg, hoofdstad van Zeeland op het eiland Walcheren,
verdwijnt in den nacht ...

Zoutelande, een dorp verloren achter de duinen, dichtbij de zee. Een
groote molen wijst de plaats aan. De avond valt. Langs de steenachtige
wegen, met slooten er naast, huilt de wind, kondigt den naderenden
vloed aan. Aan den voet der hooge bergen van zand een hoofdstraat,
schoon als de vestibule van een hôtel, met een bruin plaveisel en
lichte, geschilderde en gewasschen huizen. Een enkele herberg, waar
ik tegen de deur stoot. Rondom het biljard vier of vijf mannen met
korte broeken, die rustig spelen. De waard, een kleine grijsaard met
een rond, verheugd gezicht; de waardin, een groote veertigjarige met
verstandige oogen. Zij gaat vóór mij staan met de handen op de heupen
en begint in 't Hollandsch een lang gesprek. Ik glimlach en maak een
beweging van spijt. Met behulp van het woordenboek, dat ik uit mijn
tasch haal, geef ik haar te verstaan, dat ik een kamer noodig heb
en voedsel.

Zij brengt een vinger aan het voorhoofd: "Begrepen!" en gaat
heen. Zij komt eenige oogenblikken later terug met haar dochter,
ook groot en forsch, en begint opnieuw een gesprek. Ik leg voor het
meisje mijn wensch bloot, en beide zijn het geheel eens, zeggende:
"Begrepen!" Helaas!... het meisje gaat den vader halen, die ja zegt
op alles, wat ik aanwijs, steeds maar lacht en met het hoofd knikt op
de manier van porseleinen poppetjes. Wanhopig doe ik mijn mond open,
steek er den voorvinger al kauwend in, en buig mij over een tafel
met de oogen dicht.

Zij vouwen de handen, zijn verrukt en kijken elkander aan: "Wat is
die man toch gek en wat doet hij dwaas!"

"Begrepen, begrepen," zeggen ze, en verwachten misschien, dat ik
nog meer door gebaren zal aanwijzen; maar ik zeg bij mij zelven, dat
ik hier toch geen Kaffers of Berbers vóór mij heb, en ik ga waardig
op een stoel zitten, de tong uitstekend als bewijs, dat ik wel zou
willen drinken.

Er wordt mij melk gebracht. De schemering wordt zwaarder. In de hoop,
dat ze wel wat voor mij zullen braden, ga ik uit. De wind is hevig,
blaast door mijn haren, en ik zie niemand buiten. Ik beklim het duin;
men kan er niet staan. De zee schuimt tegen de palen, geplaatst langs
de dikke steenen, die het zand moeten tegenhouden. In de verte vecht
een antwerpsche stoomboot tegen den wind en schuin waait haar rookpluim
achter haar aan.

Brr, wat is het koud! Ik ben wel genegen den lof der Zeeuwen te zingen
hier boven van mijn berg; maar de molen, die statig ronddraait ginds
aan 't eind van het dorp, schijnt mij uit te lachen met zijn groote,
zwaaiende armen.

Ik ga terug naar de "Roode Leeuw, logement en koffiehuis." De
biljardspelers zijn weggegaan. De baas rookt zijn pijp bij 't fornuis,
terwijl zijn dochter aardappelen zit te schillen.

De huisvrouw houdt mij haar vinger voor en wijst naar de deur van
een kamer. Ik geef gevolg aan die peremptoire uitnoodiging en vind
op een tafellaken een glas melk, twee eieren en kaas, bescheiden menu
van de kluizenaars uit Gallië in den tijd der barbaren.

Mijn maag voelde hol en leêg na zoo'n middag van beweging, en ik vroeg
luidop om meer. Er was niet meer. De vrouw keek mij met ontzetting
aan en stelde een nieuwe speech samen, waarvan ik niets begreep.

"Brood en melk, lief moeder", wees ik haar in het woordenboek, met
een gebiedende beweging.

Begrepen!

Helaas, ik kreeg dan ook niets anders dan brood met boter, besproeid
met bier en melk.

Toen ik mijn razenden honger had gestild, voegde ik mij bij de familie
om 't fornuis, waar een ketel met water stond te koken. Het meisje
schilde nog altijd aardappelen, en de moeder, met het hoofd voorover,
krabde zich den hals, terwijl de vader, diep gedoken in een houten
leunstoel, kringetjes blies uit zijn groote pijp.

O, hollandsche avond, daar in die dichte herberg, glimmend van
properheid, ik zie u nog! De geverfde hangklok scandeerde de minuten
met haar rooden slinger. De muren, behangen met porseleinen borden
met blauwe bloemen, gaven bij het schijnsel van de lamp een illusie,
alsof ze van marmer waren en een lichtende lijst vormden om de massieve
meubels van bruin mahoniehout.

Pietje is een aardig boerinnetje, en de ouders ook zijn beste
luidjes. De taal der oogen, die rijk is aan uitdrukking, vervangt
in voldoende mate die der tongen, en wij vangen weldra elkanders
gedachten op, als we ons best doen er uitdrukking aan te geven.

Die stilte en rust irriteeren echter na verloop van een uur mijn
zenuwen van levendigen Franschman. De oude is zoo tevreden, dat hij mij
ergert, en het gekrab van de moeder werkt aanstekelijk. Ik profiteer
van het oogenblik, waarop de dochter met haar werk klaar is en wijs
met een energieke beweging naar de zoldering.

De moeder heft het hoofd op en glimlacht. Dat behoort tot haar
departement. Ze legt haar breiwerk neer en voert mij naar een ladder,
achter de keuken, steekt den vinger in de hoogte en reikt mij de
kaars aan onder het uitspreken van een ingewikkelde redevoering.

"Goed, goed", zeg ik, "lief moeder, ik wensch u een goeden nacht,
u en uw ronden echtvriend en uw dochtertje en 't heele huis!"

Ik klauter de ladder op en kom op een soort van zolder, waar de rijkdom
aan groente der familie ligt opgestapeld, rechts een hoop aardappelen,
links een pyramide van wortelen, vóór mij een berg uien, elders erwten
en boonen en gereedschap; tusschen twee balken eindelijk een alcoof
van ruwe planken en daarin een matras, twee lakens en een deken.

Ik sla de armen over elkaâr, vol verontwaardiging ... maar ik bedenk,
dat in een dorpje verloren onder tegen de duinen van een afgelegen
eiland, men geen pretensies hebben moet, en ik volg Napoleon na, die,
uit vrees verrast te worden, zich geheel gekleed te slapen legde.

De wind joeg over het dak, deed de pannen kletteren met krachtige
stooten; maar mij vastklampend aan de geruststellende gedachte,
dat hij eerst het dak moest kapot hebben, vóór hij mij kon bereiken,
sloot ik de oogen en viel in slaap....

's Morgens stroomde een prachtige zonneschijn door het zolderraampje
en legde een stralenkrans om mijn hoofd. Ik haastte mij naar beneden
en naar buiten, waar ik tot mijn verbazing een abnormale drukte van
klompen hoorde.

Dat geluid van het hout op de steenen riep in mijn herinnering Bretagne
op en de kadans van de klompen op de bestrating der oude stadjes.

Maar dat is toch niet mogelijk, zei ik tot mijzelven, dat de jongens
van Guéméné en de meisjes van Fouessant de zee zijn overgestoken in
den nacht, om mij deze aubade te brengen? Misschien ook zijn het de
geesten der gestorvenen uit mijn land, die mij willen verrassen en
mij beletten, mij te laten naturalizeeren als Hollander. Ze hadden
anders in dat opzicht niet heel veel te vreezen....

Beneden aan de ladder lachten de vrouwen mij toe; de baas, weer in
zijn stoel gezeten, stiet een groote rookwolk uit en rolde met zijn
blauwe oogen.... De weg was eenvoudig vol met kleine kinderen, die
vóór schooltijd heen en weer drentelden.

Verrassend, die kinderen! In andere landen maken huns gelijken een
diabolisch lawaai, schreeuwen, stampen, loopen elkaâr achterna, spelen
krijgertje, verstoppertje of springen touwtje.... Hier wandelen ze
maar. De jongens met de handen in de zakken, de pet op één oor, duwen
elkaâr zoo'n beetje weg. De meisjes, als groote menschen gekleed,
met wijde rokjes en groote doeken, dansen in 't rond, elkander bij de
hand houdend, of loopen hard bij 't klepperen van de wijde klompjes,
terwijl ze met de dunne, bloote armpjes zwaaien.

Dit was een frisch, opwekkend gezicht. Een heldere Septemberzon, een
straat, zoo schoon en rein als 't schip van een kerk, roode, bruine of
witte huizen met roode daken, kleine meisjes, in het blauw gekleed,
in druk bewegen vol gratie; men kan er werkelijk spijt van hebben,
dat men niet met één penseelstreek al die kleuren op het doek kan
brengen, waaruit een tooneeltje van dezen aard bestaat.

De kinderen werden mij gewaar en vlogen weg als opgeschrikte vogeltjes,
toen ik de beweging maakte van hen te willen photografeeren. Ik liep
ze achterna. Zij lachten, liepen achter muren om, verborgen zich,
kwamen weer voor den dag, en ik kon mij al gauw verbeelden een wolf
te zijn, die schaapjes achtervolgde.

Klik, klak, daar had ik ze! Ik overviel hen in een schuilhoekje, waar
ze zich verbergden, en waar de meisjes de handen vouwden, als om genade
te smeeken, terwijl de jongens daarentegen mij brutaal trotseerden.

Maar de kinderwereld met haar levendige kleuren liet mij in Zoutelande
weldra alleen en trad het schoollokaal binnen.

Ik deed een omgang door het dorp. Geen levend wezen te zien. Overal
dichte deuren. Geheimzinnig gesloten vensters. Stilte. Geen
waschplaats, waar men het kloppen op het linnen hoorde. Geen enkele
huisvrouw aan 't keuvelen met een burin of aan het werk op haar
plaatsje of in haar tuintje. Nu en dan treedt een vrouw naar buiten
met emmers water en een ontzaggelijken bezem. Zij wascht haar huis
van boven tot beneden af, plechtig en ernstig, en met een ladder klimt
ze tot het dak, om de pannen af te vegen, en doet dan haar deur weer
dicht, waarachter men zich haar denkt, altijd wasschend, boenend,
vegend, poetsend en opsierend.

Er is veel gesproken over de hollandsche zindelijkheid. Die is geen
mythe. Dit volk heeft den trots der properheid. Te midden van water
levend, onder een regenrijken hemel, door wind geteisterd, gebruikt
het wind en regen, om vuil en stof weg te waaien en weg te spoelen.

Armoede schijnt in deze streken onbekend; zoo zij bestaat, is ze
zoo zindelijk, dat men haar niet herkent. Elke familie behoudt van
geslacht tot geslacht de zware, massieve meubels, waaromheen een
ongeschokt en rustig leven wordt geleid.

Het omringende water, de gedwongen beperktheid van de wegen te land,
het ontbreken van landbouw en industrie hebben tot die zeden en
gebruiken aanleiding gegeven. En Holland is een land van burgers,
van schippers en makelaars, maatschappelijke kringen, waar men aan
comfort is gewend.

De kleinste boer overbluft u nog met zijn kleeding, zijn porselein en
zijn blinkend huisraad. Hij maakt den indruk van iemand, die zeker is
van zichzelven, van zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst, in
't minst niet verontrust door een progressieve belasting, dreigende
politiek of ongemotiveerde zenuwachtigheid.

Van nature is de Hollander teruggetrokken en stil; uit gewoonte hecht
hij zich aan zijn werk, zijn zaken en het familieleven.

Hij is godsdienstig, maar zonder in uitersten te vervallen. Het
hervormde geloof, dat hij aanhangt, lokt niet uit tot vroomheidsvertoon
en staat geen weelde toe in beeldjes of heilige voorstellingen,
zooals men wel in andere landen ziet.

De kerken hebben enkel kale of gewitte muren. Men gaat er des Zondags
heen, om naar de preek te luisteren. Geen bevallige feesten of
symbolieke dagen of herinneringsplechtigheden. Men gaat naar de kerk,
omdat het nu eenmaal zoo behoort, en omdat men doen moet, wat volgens
de traditie altijd gedaan is.

De Bijbel is een nationaal monument, dat de hervorming op één lijn
stelt met de vaderlandsliefde, een gevoel, dat diep geworteld is in
't hart der Nederlanders, en toen Lodewijk XIV, na Utrecht te hebben
vermeesterd, op de groote markt alle exemplaren liet verbranden, die
men ervan kon vinden, zou hij zonder grootspraak zich hebben kunnen
beroemen, het intellectueele Holland van dien tijd aan de vlammen
te hebben overgeleverd. De vrijheid van geweten wordt echter overal
geëerbiedigd en dat wel sinds onheugelijke tijden. De godsdienstige
secten zijn ontelbaar, en alle leven in de beste verstandhouding
met elkander. Katholieken, protestanten, joden, muzelmannen, allen
genieten precies dezelfde rechten en prerogatieven.

Men is er streng van zeden. Nooit hoort men van misdaden of avonturen,
waarbij de liefde in het spel is. De jonge man, die zijn oog laat
vallen op een jong meisje, doet zijn best om het tot een huwelijk
te brengen, als ten minste het onderling belang erbij gebaat wordt;
alles blijft kalm in de polders, ook de gevoelens.

Die ingetogenheid verdwijnt één keer in het jaar en wordt tot een
deelneming aan woeste gelagen; dat is bij gelegenheid der kermissen.

Gedurende de dagen, gewijd aan deze nationale feesten, brengt de
boer naar buiten alles, wat hij in gewone tijden moet binnenhouden en
onderdrukken, namelijk de leelijke zijden van zijn natuur; hij danst
als een schuit op hooge zee, rookt als een antwerpsche stoomboot
en drinkt als den Helder op de dagen van overstrooming. Drie
dagen en drie nachten lang verlaat hij, meer bepaald in sommige
steden, het koffiehuis niet. Op de tafels en den grond uitgestrekt,
verbijsterd door de muziek en ongevoelig geworden door den drank,
blijkt hij een ander wezen geworden met buitensporige gebaren en
luid klinkende woorden, en men zou niet weten, waar men hem bij moest
vergelijken, als het niet bij Bacchus zelf was op zijn dagen van groote
uitbundigheid. De schilderijen van Rubens in het Louvre, zoo cru in
hun realisme, kunnen nog als symbolen dienen, indien een schets vol
echte waarneming symbool kan zijn voor een veeleischend geslacht.

Het bacchanaal,--dat moet erkend--verschilt naar gelang van de
provincies en krijgt meer en meer neiging, tot een familiefeest
te worden, 't geen dan weer op verlies van schilderachtigheid te
staan komt.

De kermissen hebben voor de jongelieden bijzonder groote beteekenis,
omdat ze voor hen zeer zeldzaam voorkomende gelegenheid zijn,
zich vrij te bewegen, uit te gaan. In dit moerassige land, waar van
eigenlijke velden en buiten zijn geen sprake is, kan men niet, als
bij ons, des Zondags gaan wandelen langs schaduwrijke wegen tusschen
bloeiende weiden.

Van tijd tot tijd gaat men wel eens per boot naar Rotterdam of
Zierikzee, maar die uitstapjes halen niet bij een kermisdag in de
hoofdstad der provincie. Daar gevoelt men zich te huis; men kan er
op zijn gemak okshoofden zwart bier verzwelgen en wafels verorberen,
uien eten en komkommers of geconfijte citroenen in azijn, gekruid
met harde eieren....

Wat de huwbare dochters aangaat, zij nemen ijverig deel aan de
kermis. Lang van te voren zorgen zij voor de mooie mutsen met de ronde
vleugels, die haar oogen zoo goed doen uitkomen, voor den bloedkoralen
collier, het blauw fluweelen dasje, de gouden plaatjes op het voorhoofd
en de gouden stiften op zij, met al die kleine extraatjes, waardoor
de jongens worden bekoord.

Die kostbare sieraden zijn de trots van de boerin. De droom van ieder
is, ze prachtig te kunnen vertoonen, van echt goud, opdat de wind ze
even kan bewegen en ze kan doen ruischen als de vleugels van een libel.

Te Zoutelande wordt verteld, dat een zeer mooi, maar ongelukkig
boerinnetje, dat door de gierigheid van haar vader geen sieraden
bezat, een heftig verlangen voelde om op dit punt de gelijke te
zijn van haar kermisvriendinnen, opdat zij evenals deze gevraagd zou
worden te dansen, te lachen en poffertjes te eten door de jongelui,
die de armoede minachten.

Toen zij naar de markt van Middelburg ging, om de melk en de boter
van de boerderij te verkoopen, overpeinsde ze die lastige quaestie
en was diep bedroefd, zoo geminacht te zijn, hoewel ze er aardig
genoeg uitzag.

"Ik wil schitteren", dacht ze, "want ik ben mooier dan de anderen".

Onder het voortloopen, in haar gesloten jakje met het bruine juk
op de schouders, keek ze mistroostig naar het water in de slooten,
dat de zon weerspiegelde, en zei tot zichzelve, dat, zoo dit water
melk was, zij dadelijk genoeg zou hebben, om de mooiste sieraden te
koopen van de goud- en zilversmeden in Schoonhoven.

Toen begon ze te lachen, stond stil, nam van haar geverfde emmers
het deksel af, zag, dat ze niet vol waren, deed er een weinig bij van
't water, dat in vele tinten straalde, en zette haar weg voort.

In plaats van acht liters melk te verkoopen, verkocht ze er elken
dag twaalf en verborg in een laadje de opbrengst van haar list.

Het ging zoo goed, dat ze weldra een aardig spaarpotje had en de zoo
begeerde sieraden kon koopen. Zij was uitgelaten blij en kon niet
laten, toen ze uit de stad terugkwam, tegen haar slapen de mooie
sprieten te hechten en in het water te kijken als in een spiegel.

Helaas, toen zij zich bukte, om haar gelaat te zien, raakten de
krullen, die niet goed vastzaten, los en vielen in het stroomende
water.

Reneetje, op het gras gezeten, vervuld van spijt en boosheid
en teleurstelling, schreide heete tranen, tot de wind haar deze
verstandige woorden in het oor fluisterde:

"Wat uit het water komt, moet tot het water terugkeeren."

Er wordt niet bij verteld, of het jonge meisje den troost aanvaardde.


II

Ontmoeting op straat.--De mooie ruiter.--Teleurstellend
déjeûner.--Vader Kick.


Zoodra ze getrouwd is, na de uitbundige pret van de bruiloft, bergt de
boerin in de laden alle kleine sieraden en snuisterijen, waar zij zoo
op gesteld was als jong meisje. Het gebruik wil namelijk, dat zij er
ernstig ga uitzien, juist als de vrouwen, die geen veroveringen meer
willen maken, omdat ze een levensgezel hebben gevonden. Ze bewaren
alles voor haar dochters, als die op haar beurt, bij de eeuwige
herhaling der verschijnselen, een boer aan den haak moeten slaan.

Maar kom ... ik loop te lang in Zoutelande rond, luisterend naar den
wind, die mij deze vroolijke dingen vertelt tusschen twee duwen tegen
de wieken van den grooten molen.

Een melkboer, in zijn kar als een schuit, met een groot harig paard
er voor, gaat naar het veld, en zijn wagen verbreekt de stilte.

Elders ontmoet ik even buiten het dorp een miniem klein paartje,
jongetje en meisje. Zij, zeer moederlijk en grappig, beknort den
kleinen jongen met een basstemmetje en wil hem terughouden van
den weg naar Westkapelle, waar de overmoedige Willem zich heen wil
begeven. Zij trekt hem uit alle macht bij een slip van zijn jasje,
en men herkent in haar reeds het toekomstige vrouwtje, dat haar man
afhoudt van verkeerde wegen ... beminnelijke zorg!

Een doffe galop ... Wat is dat?... Een man met blauwe oogen in een
verheugd gezicht, komt van het land terug met zijn twee paarden,
zijn vrouw en zijn meiden. Hij groet en springt op den grond,
al verblijder kijkend, wijst op zijn beesten, die er goed uitzien,
dan op mijn instrument, legt een hand op zijn borst en de andere in
de neusgaten van zijn eene paard en geeft te verstaan, dat het beeld
merkwaardig mooi moet worden.

Met een glimlach stap ik drie passen achteruit, twee naar rechts, één
naar links, mompel een goedkeuring en open het klepje van mijn camera.

"_Atsjoem!_" proest het paard nommer 1.

De ruiter, nu bepaald ten toppunt van voldaanheid, deelt mij zijn
indrukken mee, helaas, zijn ze voor mij onbegrijpelijk en gaat dan
weg met een beweging, die schijnt te zeggen: "Tot strakjes, wacht
hier op mij!"

Nieuwsgierig kijk ik eens naar de kerk, die er kaal en somber uitziet,
naar het groene veldje, waar de dooden worden begraven zonder eenige
versiering of grafteeken, want wat van de aarde komt, moet tot de aarde
terugkeeren zonder meer; heel de hollandsche philosofie ligt in dien
zin. Ik denk er juist over, het duin te gaan bestijgen, toen opnieuw
een drievoudige galop zich doet hooren. Ik bespeur mijn verheugden
ruiter, die met drie nieuwe paarden komt aanhollen. Hij zegt iets
en stijgt van het paard. Hij gaat bij het eene staan en verklaart,
dat ik nu met mijn werk kan voortgaan.

"Je maakt misbruik, vriend!" antwoord ik in het Fransch.

En om er van af te zijn, draai ik zijn hoofd om en doe alsof ik hem
kiek. Tot driemaal toe, met elk der drie paarden, herhaalde ik het
grapje; toen kreeg ik een adres, met potlood geschreven, en tegelijk
een betuiging van de grootste ingenomenheid.

_Tot werziens, tot, tot...._

Ik beklom het duin. De kinderen, uit school gekomen, toffelden in koor
op hun klompjes, klots, klots, klots.... Ik moest hen tot mij zien
te lokken door iets ongebruikelijks. Met mijn pet zwaaiend, begon ik
hard te loopen en daarbij heftig met de armen te zwaaien, het gezicht
naar de zee gekeerd, alsof ik daar iets heel bijzonders zag.

Die buitensporigheid wekte de nieuwsgierigheid. Langs alle voetpaadjes
kwamen de kinderen aanloopen; ze trokken elkander mee en kogelden in
het zand. Ik liep naar het strand tot aan den rand der golven. Zij
volgden mij. Daar nam ik plotseling een handvol centen uit mijn
zak. Zij stortten naar voren. Ik raapte wat gevallen was weer op. Een
deel van de kleinen vluchtte verschrikt weg; de rest, allen meisjes,
bleef om mij heen staan en stak de magere bloote armpjes uit.

"Hoepla!" riep ik; "dans eens voor mij!"

De een hief een liedje aan, en daar begonnen ze te dansen, blauw en
rose geteekend tegen den grijzen hemel vóór dien blauwgroenen horizon,
één en al frischheid in den koelen morgen.

Na vijf minuten werkens, gingen de kleinen om mij heen staan, en ik
legde in de roode kinderhandjes de verwachte geldstukken. Toen vlogen
ze weg als kwikstaarten en herinnerden mij tevens, dat het tijd was
voor het lunch.

Op het duin kwam de waardin uit de herberg mij zoeken. Met de handen
in de zij begon ze een lang gesprek en liet mij daarbij haar mond
en haar tanden, bijna haar maag zien. Ik ging met haar naar het
kleine kamertje met de blauwe, gebloemde borden aan den wand, waar
een hagelwit tafellaken een reeks van schaaltjes van wit porselein
droeg met deksels. Het zag er uitlokkend uit. De waard blies in alle
vriendelijkheid weer veel tabaksrook uit en bracht mij een glas bier.

Plechtig nam ik met de beste verwachtingen het deksel van het eerste
schaaltje, een taai stuk biefstuk dreef in de margarine.... Ik
ontdekte het tweede: roodbruine worteltjes.... Ik ontdekte het derde:
gekookte aardappels.... Ik deed het vierde open: gehakte kool, die
naar heliotroop rook....

De waardin lachte een goddelijk lachje, vol trots.

In verslagenheid proefde ik het vleesch en verslond het in stilte,
met ruime bijvoeging van bier, melk, eieren en boterhammen.... O,
hollandsche keuken! Wat hebt gij mij een last gegeven! Gij vindt
nergens uws gelijke, dunkt mij, of het moest zijn in de spaansche
pablas, de duitsche ham of de arabische koeskoes.

Toen ik een sigaar aanstak, om het leed over het treurig onthaal wat
te verzachten, trad er een der oude mannen binnen. Hij zag er nog
ouder uit dan alle ouden, die ik reeds had gezien. Hij ging dicht
bij het buffet zitten, liet zich een groot glas jenever geven en
ging tegenover den rustigen baas een dutje doen, afgebroken door een
paar zachte woorden. Ik had voor mijn oogen een doek van Teniers,
en ik genoot er ten volle van. Het in woorden weer te geven, is mij
onmogelijk. Geen woord zou de kalmte en rust kunnen schetsen van die
beide ouden, die al rookend hun glaasjes ledigden, en daar zaten in
hun houten leuningstoelen met rechte ruggen, alsof ze er nooit uit
zouden opstaan. Naast hen kookte de koperen ketel; door het groene
horretje vóór 't venster vloeide de zon binnen met vaag schijnsel,
dat weerkaatst werd door de borden aan den muur, en de klok, met
bedachtzame haast voortgaand, stiet met haar rooden slinger de minuten
over de hoofden van die heeren, die de kunst verstonden om het leven
te verlengen.

Na een tijd, die lang of kort of middelmatig lang duurde, wat doet
het ertoe, dronk vader Kick zijn glas tot den bodem leêg, schudde de
asch van zijn sigaar en ging heen. Hij liep omhoog in de richting van
de zee langs een voetpad tusschen groene heggen, met den rug naar de
roode pannen van de daken.

Wat zou hij daar gaan doen?... Niemand weet het denkelijk.... Op
de duinen keek hij naar den oceaan met de handen in zijn zakken en
een onverschillig gezicht. Toen ik bij hem kwam, wees hij mij een
stoomboot, welker rookpluim den horizon streepte en verzonk toen weer
in stom en diep gepeins.

En hij, vader Kick, was mij aldus een symbool van de geslachten
van Nederlanders, die als vasthoudende eilandbewoners, van de zee
hun tegenwoordig land stalen, en van eeuw tot eeuw hun steenen en
houten borstweringen, hun enorme dijken en hun eindelooze pieren
vooruitschoven in de nevelige ruimte.

In den blik, waarmee de oude vader Kick de bewegelijke eindeloosheid
peilde, scheen hij te zeggen: "Ik heb je, dochtertje, en mijn kinderen
zullen je houden!"


III

Het hollandsche land.--Het water.--De molens.--De landbouw.--De
polders.--De dijken.--Oorsprong van Holland.--Een avond te
Veere.--Wemeldinge.--De vijf jonge meisjes.--Stomme flirt.--De dronken
man.--Het leven op het water.


Een deel van Nederland ligt, zooals bekend is, ver onder het niveau
van den zeespiegel en zelfs van de rivieren, hetgeen de werken van
allerlei aard verklaart, door de inboorlingen gebouwd om het water
tegen te houden, sommige schijnbaar van weinig beteekenis, maar
kolossale werken, als men ze nader onderzoekt.

Voordat de Rijn geboren was, waren de Nederlanden een zee. Op een
goeden dag werd er in de Ardennen een bres geslagen door de meren, in
hun omtrek opgesloten; de bergen weken voor de overweldigende kracht
en hun wanden werden weggeslingerd tot op grooten afstand. De Rijn,
een nieuwe waterloop, teekende toen Nederland, zooals het hem behaagde,
met behulp van Maas en Schelde.

Aanhoudend een massa alluviaal slib aanvoerend, deed hij stapje voor
stapje de zee terugwijken, tot deze haar revanche nam en toen werd
tegengehouden door een nieuw menschengeslacht. De Rijn, zwakker
geworden door de vele zijtakken, die hij uitzond, zou in het zand
gestikt zijn, als de genialiteit der menschen hem niet te hulp was
gekomen.

De krachten van de zee en die van het stroomende water, de neiging der
rivieren, om hun mondingen te laten verzanden, de hevigheid der winden
en de overvloed van regen, van watertoevoer bij den voorjaarsdooi,
deden de drie rivieren zwellen en buiten haar oevers treden, waarbij
zij in het land veel moerassen achterlieten en meren, die drooggemaakt
moesten worden en daarna door dijken moesten worden omringd.

De geschiedenis der overstroomingen in Holland is bijgevolg een
lange, treurige historie; zonder de Hollanders zou Holland er niet
zijn; zonder hun voortdurende waakzaamheid, zou het land weldra een
waterwoestijn wezen.

Van Middelburg in Zeeland tot Amsterdam en Hoorn wordt het land, dat
eindeloos vlak is, door tallooze kanalen doorsneden, door bruggen,
slooten, moerassen en sponzige weiden, waar de beesten soms tot de
knieën inzakken.

Men moet zich een reuzendambord voorstellen, in alle richtingen
doorsneden door waterwegen, waarin zich altijd wolken spiegelen en
kleurige huizen, dikwijls van hout opgetrokken, en molens en kudden.

Smalle wegen, met steenen geplaveid, loopen langs de groote kanalen
en brengen steden en dorpen met elkander in gemeenschap.

Weinig of geen landbouw. De veeteelt is voldoende en voedt den bewoner
met vette melk, met kaas en biefstuk.

Het water heerscht alom, het overweldigende water, het water, dat
rijst of daalt met de maan, en dat, zoo ver het oog reikt, zijn zacht
vloeiend reuzennet uitbreidt, waar altijd-door de schepen en de booten
en de eenden gaan.

De weide, van een wonderbaarlijk teeder groen, trekt bij den eersten
oogopslag de aandacht, breidt ver zich uit tot aan den grijzen horizon
en is bezaaid met pyramidevormige daken, met koeien en stieren van
onbegrensde en verbazende rustigheid, die de welriekende geuren
snuiven van de bloeiende grassen en hun tong laten strijken langs
het fluweel der zachte groenheid vóór hen.

Het is eentonig, en die eentonigheid, verkwikkend voor het oog als
een licht gewasschen waterverfteekening, wekt indrukken van vredige
kalmte, welker afstraling men overal bespeurt, in de menschen zoowel
als in de dingen.

Zenuwlijders en zij, wier bitter verdriet of wier heftige
gemoedsopstand hen in onrust brengen, moeten hier bij 't dwalen langs
die duizenden van rimpellooze spiegels, te midden van die eindelooze
natuurlijke tapijten, hun hart tot rust voelen komen.

Ziehier een paar schetsen. Na een hevigen regen op den weg van
Monnikendam, een rood huis in een kring van kortdikke boomen; het
lint van den weg ligt vol plassen, heldere vlekken, waarin het blauw
van den hemel zich weerspiegelt. Andere huizen staan verderop; twee
molens draaien heftig met stooten, houden een seconde op, beginnen
weer, draaien, houden stil en draaien weer, de groote stilte brekend
met hun gevleugeld rhythme.

O, die molens!... Hun aantal brengt een mensch van de wijs. Nooit
zou men kunnen gelooven, dat er zooveel zijn. Ze dienen voor alles,
voor het uitpersen van olierijke zaden, het braken van vlas, het
zagen van hout, het pompen van water. Het minste zuchtje wind, dat
over het land strijkt, moet voor de industrie zijn dienst bewijzen,
wordt even vastgehouden om de duizend wieken te helpen draaien,
die hun bewegelijke kruisen teekenen op de grijze lucht.

Groote en kleine, ronde en vierkante, er zijn er van allerlei soort
en vorm en afmeting, van 't kleinste watermolentje, dat wanhopig en
woedend draait, tot den indrukwekkenden toren van den tolhuismolen,
begroeid met zachtgroen mos.

Die molens hebben reden van bestaan. De dijken en de sluizen, die tegen
het buitenwater zijn gemaakt, tegen de zee en de rivieren, zouden
alleen niet voldoende zijn geweest, om Holland bewoonbaar te maken,
zoo het land niet de kunst verstaan had, zich van het binnenwater
te ontdoen, dat aangevoerd wordt door de regens, de hooge vloeden,
de bronnen en de afgraving van het veen. Bij gebrek aan machines,
ging men bij den wind om hulp, en men bevond er zich wel bij.

In 1850 berekende men, dat 30.000 H.A. lands, met inbegrip van het
beroemde Haarlemmermeer, zoo van den Oceaan teruggewonnen en voor
den landbouw beschikbaar gesteld waren.

De groote moeilijkheid bestond in de handhaving van het evenwicht
tusschen de bijzondere belangen van die polders en de algemeene
belangen van het afwateringssysteem, waaraan het land zijn bestaan
te danken heeft. De verdeeling van de watermassa's moet met oordeel
geschieden, of er kunnen de grootste rampen uit voortvloeien. Maar men
voorzag erin door het in 't leven roepen van scholen voor ingenieurs,
waar het kleine leger werd gevormd, dat in opdracht heeft, het
grondgebied te verdedigen tegen den eeuwenouden vijand. Als het
al niet zoo moeilijk is, een sluis te bouwen, een dijk te dichten,
een moeras droog te leggen, er is veel wetenschap en veel oplettende
waarneming noodig, om op de goede wijze de watermassa's af te voeren
en te verdeelen.

Een ander schetsje. Te Westkapelle komen twee vrouwen uit den molen,
waarvan de ramen twee groote oogen lijken boven een deur, die een
neus verbeeldt. Eén heet Keetje; zij is getrouwd met Jocker, den
eigenaar van den molen; de andere is haar schoonzuster, Van de Eserke,
wier man boer is. Beide verbazen zij zich, dat de boot van Rotterdam
nog niet de zakken koren heeft meegenomen, waarmee men haast heeft,
als men ten minste ooit haast met iets kan maken.

De landbouw, voor zoo ver men eigenlijk hier van landbouw spreken kan,
bepaalt zich tot aardappels, kool, wortels en bieten. Weinig koren,
alleen wat tarwe en haver, en dan nog vlas, ziedaar alles. Dat is
zeker een der redenen, waarom men geen brood eet, maar zich voedt
met meelspijs, melk en boter.

De velden, waar iets verbouwd wordt, zien er slikkerig, vet, leemachtig
uit; in regenachtige perioden zakken de karren er tot de naven der
wielen in. Zoo'n land zou niet geschikt zijn voor de verschillende
producten van onze landbouwstreken.

De beetwortel wordt in Zeeland over een groote uitgestrektheid
verbouwd. Als de herfst in het land is, ziet men van alle kanten
wagens, door sterke paarden getrokken, heele bergen er van naar de
aanlegplaatsen vervoeren. Indrukwekkend verrijzen die hooge hoopen,
alsof er manna uit den hemel was gevallen, en onophoudelijk worden de
vrachten geschift en geteld door groepen, die niet veel haast maken,
terwijl de dikke kegels, die bultig of opgezwollen en log zijn,
symbolen lijken van de menschen, die ze wegen.

De schuiten, het eenig mogelijke vervoermiddel in deze vochtige
oorden, komen ze halen, om ze te brengen naar de rustige fabrieken,
waar de stoom hen zal vervormen.

Over de kanalen met de duizenden van zijtakken glijden de
vaartuigen. Den ganschen dag gaan er zoo voorbij, en men vraagt zich
af, hoe de schippers niet verdwalen te midden van die waterwegen,
die alle op elkaâr gelijken.... Maar de wind, die hen leidt, bedriegt
hen niet, en zij komen zonder ongevallen in de gewenschte havens,
waar ze hun lading lossen en haar na zorgvuldige opeenstapeling
inwisselen tegen klinkende guldens of tegen ruilwaren.

De voortglijdende schepen en de draaiende molens zijn de eenige
verlevendiging van de al te groene landschappen.

Achter de kunstmatige oevers, aangelegd om het land te beschermen,
komen de met wimpels versierde masten aanglijden, zachtjes en
voorzichtig, en het is allermerkwaardigst, die zeilen en masten te
zien passeeren boven de landen als lange, zwarte kaarsen.

Door het trillend water van 't kanaal wenden de schuiten stil
en ernstig hun steven stroomaf langs de buigende waterlelies en
trekken strepen over het water, en op den kalen oever zeulen magere,
kleine paarden ze voort, langzaam en voorzichtig door het groene
polderland. Links en rechts strekt dat zich onafzienbaar ver uit,
zeeën van groen vormend, waar het eenig teeken van menschenleven
gegeven wordt door de molens met hun wijde wiekenvluchten, als spoken
ijlend door de lucht. Zij knikken den reiziger toe, al springend en
huppelend in een rhythme als van den dans. Ernstig loopen koeien en
ossen van bruine kleuren door de velden en scheren de malsche grassen
af, terwijl door het water van de vaarten de schuiten gevolgd worden
door een stoet van eenden.

Holland is het land, waar het allerminst geluiden worden gehoord,
want alles glijdt er over 't water.

Er bestaan booten voor iedere soort van transport, dus ook voor
passagiers. Dat zijn kleine stoombooten, met hutten en dekken, die
zonder eenigen schok voortglijden door de kronkelende wateren.

Als de reis lang is, richt ieder zich in als thuis, zit te rooken
of zet zijn werk voort, als om zuinig te zijn met de stof, waaruit
het leven is gemaakt. Er wordt geschreven, gegeten, geslapen. De
vrouwen naaien, breien, vertrouwen elkander geheimen toe. Van die
haven tot die gindsche ligt voor haar de lengte van een halve kous,
van een boezelaar of een intiem verhaal.

Men vaart langs een eentonig landschap, dat is waar; maar hoe rustig en
verkwikkend is het niet, in die algemeene stilte den vorm der wolken
na te gaan en het oor te luisteren te leggen naar 't geschuifel van
het water, als het door het bootje wordt gekliefd! Dit is een feest
der diepe gewaarwordingen, feest van vloeiend water en nevel, van
't koeltje en het licht en de golfjes!

De minste afwisseling krijgt dadelijk een wonderlijk groote beteekenis,
en men gaat een molen bewonderen, die er wat sierlijk uitziet, of een
roode boerderij, een vreedzaam rund, een jongen, die voorover buigt,
om zijn bootje voort te trekken met behulp van zijn hond.

In 't voorjaar en den zomer geven waterlelies en irissen witte en gele
tinten aan het blauwgroen water van den kant der kanalen, en in de
schemering werpt de zonsondergang van mooie avonden er het geheele
gamma van zijn kleuren neer, en men krijgt de illusie, over goud,
purper en saffier te varen. Wie Holland wil leeren kennen, moet per
boot reizen liever dan per spoorweg. Het aanleggen bij de verschillende
landingsplaatsen brengt den reiziger tot in het hart van 't hollandsche
land en laat indrukken na, die een vreugde zijn voor langen tijd.

Trouwens die methode van vervoer beantwoordt zoo uitstekend aan de
natuur van het land, dat zij de eenig mogelijke schijnt te zijn. De
meeste diensten, die elders per wagen worden verricht, gaan hier door
middel van booten. De groenteboer duwt zijn schuit voort, beladen met
groenten, vrachten of bloemen, zooals hij in Frankrijk zijn ezeltje
of zijn karretje leidt.

Te Amsterdam hebben de verhuizingen te water plaats; melk, bloemen,
hout enz. worden eveneens zoo vervoerd en aan de eene gracht heeft
men de markt voor het eene, aan de andere gracht die voor het andere
product.

Nadat hij het water heeft teruggedreven, weggejaagd en met dijken
beteugeld, houdt de Hollander ervan, het overal heen te voeren; hij
leidt het door zijkanalen en slooten, maakt er de afsluiting zijner
landerijen en weiden van, de barrières voor zijn kudden, zonder dat
hij honden of herders noodig heeft.

Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de schapen, die dwaze
viervoeters, die verdrinken zouden zonder opzet, doordat ze met hun
neus al te ijverig den weidegrond besnuffelden. Men komt ze soms
tegen langs de vaarten, ijverig grazend, gehoed door hun eigenaar in
een rossige overjas.

Te Wemeldinge, ten zuiden van Goes, vindt men zulke tooneeltjes
ook, getuige dit haastige schetsje, dat mij een mijner meest typisch
hollandsche gewaarwordingen gaf: een avondhemel van lichtgrijze kleur,
een geelachtig kanaal, een langzame schuit, stijve molens, bruine
polder, witte beesten met zachte omlijning, oude man in gedachten,
stilte.... Zelfs de hond blaft niet, als een schaap den verkeerden
kant uitgaat, maar bepaalt er zich toe, zijn snuit tusschen de pooten
van de afgedwaalde te steken.

Wemeldinge is een oud plaatsje, vooruitgeschoven sluizenpost in de
wateren. Ik kwam er op een regenachtigen morgen aan, toen de hemel in
toorn zijn ganschen watervoorraad uitgestort had. Ik had Zoutelande
verlaten, om mij naar Westkapelle te begeven, waar de beroemde
westkappelsche zeedijk is, alleen te vergelijken bij die van dichtbij
den Helder. Die dijk, verscheiden duizenden meters lang, uit enorme
steenen en stevige palen bestaande, stelt een verbazende hoeveelheid
arbeid voor, wanneer men bedenkt, dat er noch steengroeven, noch wouden
in de buurt zijn. Een kolossale molen steekt er boven uit, niet ver van
de huizen met roode daken. Dat alles ziet er niet juist treffend uit,
doet ten minste niet bij den eersten aanblik verbaasd staan. De natuur
verzacht ook een beetje het bewijs der menschelijke energie, door elk
open plekje met gras te bekleeden; maar zij kan de zee niet beletten,
er onophoudelijk tegen aan te slaan, en als men zich keert naar de
vlakte, krijgt men een indruk van wat de zee heeft moeten afstaan.

Van Westkapelle naar Veere is niet ver, langs een goed onderhouden
weg. Te Veere is een oud kasteel in een hotel veranderd, onmiddellijk
aan het water gelegen. Een ronde toren is het eigenlijke hoofdblok van
het huis en dient als gezelschapszaal op de eerste verdieping. Hooge
vensters met diepe vensterbanken bieden een goede zitplaats, om den
strijd gade te slaan van de zonnestralen tegen de nevels en de wolken
en de schaduwen.

Bij het vallen van den avond vallen er subtiele, teedere kleuren in
de ruimte neer, en mooie lichteffecten worden verkregen; als dan de
avond en de nacht daar zijn, dansen overal op het water de lichtjes
en de vuren, teekenen zich eerst onduidelijk af, komen naderbij,
worden rooder, verdwijnen weer. Men hoort geen roeiriemen plassen,
noch geklepper van zeilen of liedjes van scheepsjongens, en 't is,
of het spookschepen zijn, die schatten van de diepten zoeken.

Te Veere nam ik den volgenden dag een vroege boot en voer naar
Zierikzee in een fijnen regen, wanhopig eentonig, een hollandschen
regen, die echter spoedig overging in dikke pijlvormige stralen,
met woeste vaart uit den hooge naar beneden schietend.

Ineengedoken in mijn regenmantel, onderging ik op stoïcijnsche manier
den storm, kijkend naar de wagens, die weggezakt waren in den weeken
grond der velden en nu en dan omhoog gehaald werden door de krachtige
inspanning van paardenheupen en pooten, met vet slib bezoedeld.

Maar ten slotte werd het toch weer helder; ik besteeg mijn fiets en
rolde door het land, overal rondkijkend en tegen den wind in trappend.

Ik legde vele kilometers af, reed over ophaalbruggen en dammen, langs
weiden en stukken bouwland, door dorpen, die alle aan elkaar gelijk
waren, en kwam te Wemeldinge op den tijd toen mijn maag luide riep
om nieuwen voorraad.

Wemeldinge heeft een hoofdstraat, beplant met geschoren olmen. Geleid
door een klein meisje, kwam ik al gauw in 't eenige logement der
plaats.

De waard, een groote, magere man met een profiel voor een medaille,
ontving mij vriendelijk. Hij waarschuwde zijn vrouw. Deze was niet bij
machte mij te begrijpen en riep haar dochters. Vijf jonge, frissche
deerntjes, lachend en rose en mooi, kwamen te voorschijn en stonden
met haar bloote armen en haar gevleugelde mutsen om mij heen. Ik
nam een blad papier en teekende een koe, toen een brood, een karn en
andere ingrediënten, die als symbolen konden dienen van voedsel, dat
ik wenschte te verorberen. Zij vouwden de handen, lachten zeer luid
en spraken allen tegelijk onder druk bewegen van haar kleine handen,
om mij een massa geheimen te onthullen.

Ik haalde mijn woordenboek voor den dag. Dat wekte sensatie.

"Lief boerin ... aardige meisjes..."

Zij dansten van pret. De moeder liet ze op een rij staan, telde ze
met den voorvinger en klopte zichzelve op de borst.

"Ik heb ze het leven gegeven."

"Mijn compliment... Bekoorlijk... Ik heb zoo'n honger!"

Nu haastten zij zich. Eén bracht melk, een ander roastbeef, een
derde brood, een vierde kaas. De vijfde, die heel mooi was, een Martha
gelijk, bleef stil bij mij en hielp mij den weg vinden in het labyrinth
van mijn zinnetjes, die zulk duister Nederlandsch bleken te zijn.

Als een pacha ging ik aan de tafel zitten, bediend door de bekoorlijke
schoonen, wier rustige gratie en frischheid mij kalm stemden. Ik
verscheurde het taaie vleesch met mijn tanden en verslond met mijn
oogen de aardige tronies. Inderdaad ben ik nooit het voorwerp geweest
van zooveel attenties, zelfs niet in mijn vaderland, waar de jonge
meisjes toch heel lief zijn.

Toen ik verzadigd was, stak ik een sigaret aan en beloofde den jongen
dames waar te zeggen. Het was vermakelijk. Zij kwamen dicht bij mij
staan, terwijl ik met gefronste wenkbrauwen als een wijze sybille de
lijnen van haar handjes bestudeerde.

Daarop wilde ik weten, hoe oud ze waren. De handjes gingen omhoog en
als kleine kinderen, die op de vingertjes optellen, rekenden zij de
lentes na, die ze achter zich hadden.

Ik vroeg ze, mij een hollandsch liedje voor te zingen. Ze vatten
elkander om het middel, traden terug tot achter in de kamer en liepen
naar mij toe onder het zingen van een airtje, tra la la.... Toen
bukten ze allen en lachten, dat ze schaterden, om daarna haastig weg
te loopen. De vader, die tusschen zijn glazen en blaadjes kalm zijn
pijpje zat te rooken, lachte mee.

"Waar zijn zij heen?" vroeg ik in armzalig Duitsch.

"Naar boven," zei hij, wijzend naar 't plafond.

"Ik wou haar portret wel maken."

"Wacht een oogenblik."

Beneden aan de trap wezen vijf paar zwarte pantoffeltjes, met kralen
versierd, op een overhaaste vlucht. Hoewel ik er lust toe gevoelde,
durfde ik niet naar den harem opstijgen; dus vergenoegde ik mij met
wachten en een sigaartje te rooken.

Een kwartier ging aldus voorbij; daarna hoorde ik achter de deur een
onderdrukt geluid. Ik deed de deur open. De oudste drie stonden daar,
uitgedost in de beste spullen.

"En de beide anderen?"

Zij schudden het hoofd, wezen op haar kapsel, haalden de schouders op,
en ik meende uit de bewegingen te moeten opmaken, dat een aanleiding
van coquetten aard ze belette, naar beneden te komen.

"Maar wij zijn er, wij!" beduidden ze mij.

Ik volgde de meisjes in den tuin, waar een groen hek dien afsloot,
begroeid met klimrozen en loopend langs een wegje. De zon scheurde
bij tusschenpoozen de zware wolken, die in troepen langs den hemel
draafden, en verlichtte dan plotseling den violetten horizon met een
geelachtig schijnsel; maar de mutsjes met de ronde vleugels vulden
voor mij de gansche ruimte, zooals ze daar boven de levendige oogen een
geheimzinnige taal spraken. De jonge meisjes lachten en lieten de armen
hangen. Ik nam ze om beurten bij de pink en bracht ze naar het hekje,
waar ik tegen leunde, om haar in oud Fransch een fijn complimentje te
maken, waarvan zij enkel den klank begrepen; maar die was aangenaam,
want het was dit versje van Ronsard:



	"Donc, si vous me croyez, mignonnes,
	Tandis que votre âge fleuronne
	En sa plus fraiche nouveauté,
	Cueillez, cueillez votre jeunesse;
	Comme à cette fleur la vieillesse
	Fera ternir votre beauté."



Toen zette ik de drie gezichtjes door mijn voorbeeld in de gewenschte
plooi van ernstige vriendelijkheid, en ik ging wandelen, na even mijn
vinger gelegd te hebben op de gouden vlindertjes bij haar voorhoofd.

Ik liep langs het groote kanaal. De sluizen, die ieder oogenblik
opengaan, lieten langzame schepen door, die, met de zeilen geheschen,
zich verwijderden in de groene omgeving tegen den bewegelijken
achtergrond der lucht, waar zware wolken voortjoegen. Wagens waren
in de buurt bezig hoopen beetwortelen af te laden. Een oude man
hoedde de schapen op de hellingen van den wal. En overal stilte,
altijd stilte ... toen weer avond.

In de biljardkamer zie ik mij vervolgens, passend bij de omgeving,
gezeten in een hoek en sigaretten rookend met tegenover mij twee van
mijn jonge meisjes, die met droge tikjes aan het breien zijn. Wij
lachen nu en dan tegen elkander met in onze oogen werelden van
onuitgesproken dingen. Ik geniet van de witheid harer aardige huiven,
van de blankheid van haar teint, de lenigheid harer bloote armen,
mooi uitkomend tegen 't zwart fluweel der korte mouwtjes. En die stomme
flirt in het koffiehuis van het verloren dorp bij den rook van sigaren
en de schokjes van de biljardballen, bewogen door ernstige spelers,
bij de kolossale glazen bier en de verbleekte chromo's aan de muren,
wekt allerlei illusies in mijn geest.

Ik denk, dat ik een der boeren ben, en dat ik hier in huis aan de tafel
zit, om mijn hof te maken aan Reneetje Korstanje, dochter van Frans
Korstanje, waard te Wemeldinge. Reneetje is met de laatste kermis
zestien jaar geweest, en ik heb haar onder de anderen uitverkoren
om haar oogen, die een gouden glans bezitten. Ik heb haar te dansen
gevraagd, heb haar poffertjes laten eten, en aan haar pink heb ik een
zilveren ringetje laten glijden, uit de schatten van een marskramer
opgezocht. Den volgenden dag ben ik aan 't venster komen kloppen,
en ik heb mijn eerlijke bedoelingen aan den vader blootgelegd. De
oudere zusters zijn een beetje jaloersch geweest, want zij wachten met
ongeduld, dat voor haar de tijd van trouwen komt; maar 't zijn goede
kinderen, en ze hebben vriendelijk tegen mij gelachen, nauwkeurig
lettend op mijn manieren, om te zien hoe een minnaar doet.

Ik ben in het bezit van drie schuiten, en ik vaar van Goes en de andere
plaatsen van de eilanden naar Rotterdam. Ik passeer alle twee of drie
dagen Wemeldinge, en dat zal heel gemakkelijk zijn, want ik zal daar
dan een mooi huishoudstertje op mij vinden wachten. De bruiloft moet
binnen een maand gevierd worden; er zal een groot feest zijn; we zullen
violen hebben en lange linten, jenever, rundvleesch en zwart bier.

Reneetje zit nog altijd te breien. In Holland breit men niet, als
in Frankrijk, met de punten der vingers. De breisters hebben in de
ceintuur een scheede van gesneden hout; ze steken daar een naald in
en de wol wordt tot breisteken met een verbazingwekkende snelheid,
begeleid door een aanhoudend gegons.... Reneetje breit. Ik schets haar
portret. Zij houdt nu en dan even op, om haar vingers rust te geven,
en ziet met open blik zonder schroomvalligheid of brutaliteit naar
den franschen meneer, wiens baard veel indruk op haar maakt.

De oudste, een mooie blondine, komt binnen en wenkt mij, haar te
volgen. Zij brengt mij naar een zaal en wijst naar de tafel, waar
vijf porseleinen dekschalen op staan met melk en thee en boter.

Ik licht bevend die bedriegelijke deksels op en word bijna flauw
van de geparfumeerde geuren, die opstijgen van de voor mij bereide
gerechten. Maar ik moet dapper zijn, want elk oogenblik gaat de deur
half open, en een der vijf gezichtjes komt eens kijken naar wat ik
doe. Ik voel mij door blikken omringd.... Ze kijken stellig door
het sleutelgat, door het venster en glinsteren, om mij te dwingen,
die dingen daar in te slikken. Ik tracht mij te onderwerpen; maar ik
stik bijna en bepaal er mij toe den biefstuk te eten, het gekookte
vleesch en 't brood, die alle redelijk smaken.

De avond gaat om met langzamen tred. Een jonge onderwijzer, die
brokjes kent van Fransch, Engelsch en Duitsch, heeft met mij gepraat
over zijn toekomstplannen, zijn vrije gedachte en zijn familie. Om
elf uur gaan de klanten opstaan en vertrekken. Alleen een kleine,
ronde, oude man, wiens ambitie bij 't biljarten ik had opgemerkt,
bleef zitten en snorkte kalm.

De herbergier schudt hem heen en weer; verloren moeite. Men schreeuwt
hem iets in 't oor; hij beweegt niet. Men zet hem overeind; hij slaat
zijn zware oogleden op en is op 't punt te vallen. Hij wordt naar de
deur geloodst; maar hij doet drie schreden, om dan op den vloer te
vallen als een lijk. Zijn witte schedel met enkele gele lokken dreunt
dof op den grond, en hij blijft liggen, weer in slaap vallend....

De vijf boerinnetjes zijn doodverschrikt en vouwen de handen. De vader,
die het lastig vindt om de politie, gooit water in het bleeke gezicht
van den dronken man, terwijl de moeder mij geschiedenissen vertelt,
die zeker wel interessant zijn, maar waarvan ik geen woord begrijp.

Daarom neemt de waard een heldhaftig besluit; hij vat de beenen
van den oude, wijst mij het hoofd, en samen hijschen we hem op het
biljard, waar hij lekker blijft doorslapen, als lag hij in een veêren
bed. Buiten valt de regen met zacht geluid. Daar wordt kort op de deur
geklopt. Een stem vraagt iets. Er wordt open gedaan. Een jonge boer
met het ronde hoedje en het vest met metalen knoopen, komt binnen. Het
oudste meisje keert zich blozend om. Hij kijkt naar zijn oom, want
hij is, schijnt het, een neef, die zoo twee van de drie avonden den
dronken man komt halen. Hij schudt meewarig het hoofd, neemt hem
op zijn schouders en gaat heen, begeleid door een straal van licht,
die uit het koffiehuis over den weg valt onder de ronde, geschoren
olmen naar de donkerheid, het water, de zee, het onbekende. En ieder
volgt in stilte de schreden van den jongen man, den schutsengel,
die den als dooden grijsaard meevoert.

Den volgenden morgen ging ik, na een ruime uitdeeling van handdrukken
aan het geheele huishouden en slechts eenige guldens armer, aan boord
van de eerste stoomboot en voer over de kronkelende kanalen tusschen
molens, weiden en dijken naar Noord-Holland.

Die stoomboot zag er verbazend huiselijk uit, en ik voelde, toen ik
mijn voet op het dek zette, dat ik er zou kunnen slapen, zooveel ik
wilde, zonder te worden gestoord. De kapitein, een droog en ernstig
heer, stelde mij voor om naar beneden te gaan, daar het boven koud en
winderig was. Zijn vrouw, een jonge blondine met blauwe oogen, die er
met haar krulletjes en een kleine rose boezelaar kinderlijk uitzag,
zat er en streelde een dikke poes. Zij stond op bij een teeken van haar
man en trad een klein keukentje binnen, achter een schot verborgen,
bracht ververschingen en terwijl de rook der sigaretten haar blauwe
oogen verzachtte, er iets wazigs aan bijzette, zooals de ziel is van
haar volk, liet ik mij zachtjes door het bootje schommelen.

Des avonds, toen de lichten werden aangestoken, verschenen dokken
en bruggen en vele masten van schepen; klokkenspel weerklonk, en
het stoombootje gleed als een vlindertje tusschen reuzengevaarten
Rotterdam binnen bij het slaperig geluid van de stoomfluit....


IV

De hollandsche visscher.--Volendam.--De wasch.--De kinderen.--De
eenden.--De haringvangst.--De zoon van den visscher.--Een zonderling
eiland: Marken.--Te midden van het water.--De huizen.--De zeden.--De
jonge meisjes.--Vooruitzichten.--De turf en de veenderijen.--Nationaal
product.--Hoogveen en laagveen.--Plaatselijke steenkool.


Als men visschers wil vinden, moet men ze niet in Zeeland zoeken,
ondanks de drukte in Vlissingen. Men neme liever de boot, doe Kortgene,
Stavenisse en Zierikzee aan en ga van Rotterdam over den Haag, Haarlem
en Amsterdam, kalmpjes naar Volendam aan het strand der Zuiderzee;
dat is de goede manier.

Volendam is langs den straatweg 16 K.M. van Amsterdam verwijderd. Het
is een punt van bijeenkomst van schilders uit alle landen, die zich
van het havenstadje hebben meester gemaakt, om er hun kunstproducten
aan te ontleenen.

De kleederdrachten, de menschen en de huizen zijn alle geschikt om
een kunstenaarsoog, dat het schilderachtige liefheeft, te boeien.

De huizen, die door elkander gebouwd zijn langs de pier, omgeven
meertjes en binnenzeeën, kanalen, plassen en slooten, waar ze hun
steunpilaren in drijven. Door het vettige water, zwaar en vuil van
afval en allerlei ander ontuig, duikelen luidruchtige, onbeschaamde,
vraatzuchtige eenden; zij proesten en snuiven, zonder zich te storen
aan de schuiten en en bootjes, waarmee de kooplieden de nabijzijnde
dorpen bezoeken.

In de verte is de grijze, vlakke, nevelige horizon versierd met
molens, die hun vluggewiekte kruisen zwaaien, en met zilveren linten
van kanalen.

Op waschdagen wapperen linnengoed en veelkleurige bovenkleêren overal
in den wind; de huizen zijn er mee gedrapeerd, reeksen palen behangt
men er mee, en alles bolt en klatert, alsof het vlaggen waren.

Volendam is eerst echt Volendam bij stormachtige lucht en op
waschdag. Ieder is buiten. In tegenstelling met gewone steden, waar
men alleen bij noodzaak uitgaat, wordt er hier met pleizier gewandeld,
zooals in alle visschersplaatsen. Er wordt namelijk door de mannen
tusschen twee vischperioden het gemakkelijke, kalme leven geleid van
een solied rentenier. Ze zitten te praten of loopen op klompen rond,
slap en lui, tot de klok van den afslag hen roept en, als het ware,
verzamelen blaast.

In zijn buitensporig wijde broek, zijn buis en das en bontmuts,
heeft de visscher uit Volendam iets aparts, dat niet te beschrijven
is. Hij heeft iets van een Rus, een Laplander en een Mongool, maar
toont zich Hollander door de duizenderlei kleine eigenaardigheden
van zijn houding en bewegingen en woorden.

Buiten de tijden, waarop hij op de Zuiderzee zwalkt, met zijn netten
werkend in de nog al kalme golven, is er weinig verscheidenheid in
zijn werk. Zijn langzaamheid is een gewoonte. Hij flaneert altijd;
dat zegt alles. Hij heeft niet, als menschen uit andere deelen van
het land, kleine zorgen voor zijn tuintje, voor den oogst of voor
zijn industrie, en de vrouwen kunnen het huiswerk best af.

Hij flaneert dus maar, of maakt zonder haast zijn aas voor 't visschen
in orde en zijn netten; hij hurkt in de zon neer met zijn vrienden,
om welbehagelijk te rooken, of zit met zijn massieve zwaarte op de
steenen pieren en zware houten beschoeiingen, die over de zee zijn
uitgebouwd door zijn gestorven voorvaderen.

Toch is hij bezig, maar in volslagen kalmte en geniet genoegelijk de
rust der stille uren.

Dit schetsje symboliseert hem: Op een achtergrond van vastgemeerde
booten en een golvende deining, waar de wolken zich in spiegelen,
laat Frans, liggend op den achtersteven van zijn boot, zich zachtjes
wiegelen als een kindje, wachtend, tot men hem manden brengt, om
de zilverkleurige visch in te bergen, die schittert in het ruim van
zijn schuit.... Met de handen in zijn zakken, de pijp in den mond,
rust hij daar uitstekend, en men weet niet vooruit, wanneer die zoete
kalmte een eind zal nemen.

Enkele zeelui echter--maar er zijn niet vele zoo--zijn wat actiever,
laten groenten en andere levensmiddelen uit de naburige stad komen
en schuiven kalmpjes hun handkarren voort, die er mee beladen zijn,
en waarmee ze bij de huizen venten.

Kinderen loopen in troepjes rond, met veel drukte van klompengeklots,
maar zonder roepen of schreeuwen, net als in Zeeland. De kleine
meisjes dragen het kanten mutsje van den eigenaardigen om het hoofd
sluitenden vorm, de jongetjes dragen, evenals hun vaders, een wijde
broek, kort buis en bonten muts.

Het is wezenlijk een genot voor de oogen. Als zij in een lange rij
dansen over de planken van de pier of vroolijk huppelen met de ronde,
tevreden gezichtjes, moet men op mijn woord wel belang in hen stellen,
en men krijgt grooten lust ze mee te nemen, die aapjes van Volendam, om
ze in zijn vaderland eens te laten zien als zeldzaamheden van waarde.

Er zijn verrukkelijke paartjes, precies gelijkend op personnages van
oude schilderijen, die ons doen glimlachen, omdat er zooveel goed
humeur en vroolijkheid van hen afstralen, zooveel gezondheid ook
en gemoedsrust.

De vrouwen zijn zeer druk in beweging in Volendam, drukker dan op
andere plaatsen. Zij leven veel minder binnenshuis opgesloten en
doen meer mee aan wat buitenshuis geschiedt. Sommigen wasschen het
huishoudwaschgoed in zeewater aan den rand der op een rij liggende
booten, anderen hangen de stukken uitgespreid op aan lijnen, die
daarvoor tusschen palen zijn gespannen, terwijl de wind om haar
henen blaast.

Onze fransche visschersvrouwen babbelen, met het breiwerk in de hand,
uren aaneen; maar deze vrouwen zijn alleen uit noodzaak buiten. Waar
zouden ze ook gaan praten? Aan alle kanten is slechts water, in
slooten en plassen en vaarten. Buiten de pier en de beide wegen van
Edam en Monnikendam, is alles water of moeras.

De eenden, die bij duizenden tusschen houten hekwerk gehouden worden,
kwaken onafgebroken. Het plaatselijke leven concentreert zich op de
pier, waar de mannen rondloopen bij het gebouw van den vischafslag.

Zijn dit dus de afstammelingen van de beroemde hollandsche zeelieden,
die oudtijds de wereld vervulden met den klank van hunne heldendaden,
toen zij den bezem voerden in den mast, om de zee schoon te vegen,
en die de vloten van Frankrijk en van Engeland konden weerstaan?

Mijn God, ja ze zijn het wel, en hun schijnbare apathie verbergt
waarschijnlijk een verrassende wilskracht. Is Nederland niet
door hen groot geworden; heeft het aan hen niet zijn bestaan te
danken?... Het vlakke, vochtige land had geen koren, geen steenen
en geen hout; zij hebben er die noodzakelijke dingen aan geschonken,
door er den buit der zee voor in te ruilen. Zij hebben van de zee en
haar rijkdommen geprofiteerd en profiteeren er nog van, als van een
grooten voorraadsschuur vol geconserveerde levensmiddelen.

Naar den aard der visschen, die in iedere haven het veelvuldigst
voorkomen, onderscheidt men verschillende takken van de vischvangst. De
haring is door den overvloed, die ervan gevangen wordt, en door zijn
goeden naam in het verleden, een echt nationaal product, zoo goed
als turf en tulpen.

De Hollanders onderscheiden drie soorten van haringen, den pekelharing
of gekaakte haring (kaken is het opensnijden van den haring met
een mes en de visschen dan in lagen leggen, in vaten, op zout);
den steurharing, die in den herfst op de kusten van Engeland wordt
gevischt, en den panharing of versche haring, dien men in de Zuiderzee
vangt en die tot voedsel dient van de armere klassen der bevolking.

Die laatste categorie is het interessantst, want zij is het groote
middel van bestaan voor de visschers van Volendam, van de andere
havens der kust en van de bewoners der eilanden Urk en Marken.

De haven van Vlissingen hield zich het eerst met de haringvangst
bezig in lang vervlogen tijden, zoo in de buurt van de 12_de_
eeuw. In 1360 vond een man uit Zeeland, genaamd Willem Beukelszoon,
de kunst uit van het haringkaken, dus het bereiden van den haring
en het bewaren in zout, waardoor hij een grooten stoot gaf aan de
plaatselijke industrie. Die ontdekking werd het uitgangspunt voor
de ontwikkeling van geheele streken en legde den grond tot dien
publieken rijkdom, waardoor de bataafsche natie in staat is gesteld,
de enorme belastingen te betalen, noodig geworden door het onderhoud
van de werken, tegen de zee opgericht.

Te Hoorn werd in 1416 het eerste groote net gemaakt, waarvan het nut,
gevoegd bij dat van het inzouten, tot in 't oneindige de opbrengst
der zee vermeerderde.

Die netten, echte reuzen in hun soort, wekken de gedachte aan de
milliarden visschen, eeuwen aan een door de naburige volken verslonden,
en men begrijpt, waardoor Holland ondanks de armoede van zijn grond
een rijk, soliede en welbehagelijk land heeft kunnen worden.

Er gebeurde bovenmatig veel voor de haringvangst. Geschiedschrijvers
zijn er niet over uitgepraat en geven wonderbaarlijke statistieken,
volgens welke men moet aannemen, dat het geheele volk zich bezighield
met het vangen, zouten en verkoopen van haring.... In verordeningen
werd het manna van de zee genoemd het Peru van de Bataafsche
Republiek.... Premies tot aanmoediging werden tot aanzienlijke bedragen
gegeven aan de Broederschap der Haringvisschers, tot schade van andere
takken van vischvangst. Geen ander dan een geboren Hollander mocht zich
met het kaken bezighouden.... In 't kort, de uitvoerigste reglementen
beschermden op allerlei manieren deze al te interessante industrie.

De nederlandsche haring trotseerde aldus langen tijd alle vreemde
concurrentie en deed meer voor de grootheid van het land dan de
beste kanonnen.

Toen volgden de oorlogen van het Rijk. Groot-Brittannië, altijd
zoekend naar de beste gelegenheden om handel te drijven, verleende
vrijstelling aan de geheele vischvangst, schafte het systeem der
premies af en bracht, door den haring voor minder geld te verkoopen,
aan den hollandschen handel groot nadeel toe.

In hun weelde als verstijfd, gingen de eigenaars der hollandsche
haringbuizen niet met hun tijd mee en zagen langzamerhand hun handel
verloopen. De zaken gingen zelfs zoozeer achteruit, dat de regeering
op haar beurt de premies moest afschaffen.

Tegenwoordig heeft de haringvangst geen nationale beteekenis meer,
en al is zij nog voor den visscher een bron van eerlijke inkomsten,
zij is niet meer een voorwerp van algemeene zorg.

De echte haringvisscher brengt zoo weinig mogelijk tijd aan den wal
door. De zee is voor hem alles: zijn bruid, zijn vrouw, zijn wieg. Met
zijn bijbel en zijn pijp zou hij naar het eind der wereld gaan en
weer nieuwe werelden ontdekken, als er nog nieuwe waren. Er werd te
Volendam met eerbied gesproken over een zekeren Hans Ouderke, tegen
wien men eens in een herberg gezegd had: "Je moest eens naar Indië
gaan." De brave man ging zijn logger de volgende dagen bemannen en
ging er heen.... Een anderen keer vond hij den weg naar Californië,
zonder andere hulp dan zijn kompas.

Als de visscher niet op den gewonen tijd thuis komt, beschouwt men hem
als verloren, en zijn vrouw mag, als er drie jaren zijn voorbij gegaan,
een nieuw huwelijk sluiten. Vroeger schreef de wet een tusschentijd
van tien jaren voor; maar toen de zedelijkheid daaronder leed, werd
de bepaling verzacht.

De zoon van den visscher wordt visscher. Van den leeftijd van vijftien
jaar af kent hij volkomen de kunst van 't ophalen der volle netten,
het omgaan met de zeilen en de beheersching van het roer.

Zeer onafhankelijk, zeer godsdienstig en zeer aan oude gewoonten
gehecht, volgt hij in alles 't voorbeeld van zijn vader, die
zelf dat van den zijnen volgde. Op zee drinkt hij nooit; aan land
drinkt hij betrekkelijk weinig, behalve op de kermisdagen, die echte
bacchanaliën met zich brengen. Op die dagen nemen de herbergiers de
meubels weg uit hun zalen en laten er enkel een tafel staan en stoelen
en banken. Nacht en dag verzonken in een onrustbarende dommeligheid,
met tusschenpoozende oogenblikken van groote bewegelijkheid, waarin
hij hartstochtelijk aan het dansen deelneemt, gaat de visscher zich
in zulke tijden te buiten aan sterken drank en slaap.

Hij trouwt al vroeg.

De kustvischvangst omvat de vangst van versche visch van allerlei
soort en die van den haring, bestemd om te worden gerookt.

Een gewone boot voor die vangst kost drie tot vijf duizend gulden. Zij
behoort òf aan den visscher zelven òf aan den reeder. De bemanning
krijgt een groot net met touwen; het overige moet zij zich zelve
aanschaffen en zij moet in haar eigen onderhoud voorzien. De
onderhouds- en reparatiekosten van het schip worden gelijk verdeeld;
wat boven de klamp is, dat is buiten het water, komt voor rekening
van de bemanning en wat onder water is, voor dat van den eigenaar of
reeder, op grond van het beginsel, dat het eerste door veronachtzaming
kan lijden, en dat het laatste geleidelijk slijt. Voor de zeilen
zorgt de eigenaar.

De vangst van versche visch maakt slechts vrij korte tochten
noodig. Zoodra ze terug zijn, ontschepen de mannen hun buit en
verkoopen dien dadelijk op het strand aan de kooplieden uit de buurt of
brengen de vangst naar den vischafslag, als er zulk eene inrichting
bestaat. De visch wordt dan naar de naburige steden vervoerd in
wagens met sterke honden er voor, die met merkwaardigen ijver hun
werk doen. Die ambitie heeft ons wel eens een glimlach ontlokt over
de sentimentaliteit van onze landgenooten, die een verbod hebben
uitgevaardigd tegen het gebruik van trekhonden.

De vangst van versche visch houdt op met het einde van den zomer en
maakt plaats voor de haringvangst tot in December.

Daarna is de tijd der gedwongen werkstaking daar, en daar de visscher
zelden zich eenigen welstand heeft kunnen verwerven, ontstaat er groote
armoede en ellende, die door de autoriteiten moet worden weggenomen
door geregelde ondersteuning.

De Zuiderzee vormt, zooals bekend is, een golf van de Noordzee. De
massa harer wateren beslaat een ruimte van 54 vierkante mijlen en
bespoelt de provincies Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland,
waarvan zij indertijd bij hooge vloeden groote stukken heeft
afgeslagen, daarbij op alle kusten dood en vernieling brengend.

In de open zee vormen de eilanden Urk en Marken nog overblijfselen
van die verzwolgen landen.

Marken, het grootste, ligt tegenover de stad Monnikendam. In één uur
kan men met goeden wind er per boot worden heengebracht.

Dat uur legt vele eeuwen tusschen de bewoners van het eiland en die
van het vasteland. Het verschil in kleeding en zeden en gewoonten
is zelfs zoo groot bij dien verbazend kleinen afstand, dat men
aan verschillende afkomst heeft gedacht. Sommigen beweren, dat de
eilandbewoners afstammelingen zijn van de Marsotten, van wie Plinius
en Tacitus melding maken. Zij bezetten een stuk gronds dicht bij het
meer Flevo. Een overstrooming scheidde dit deel van het vasteland op
't eind van de 13_de_ eeuw.

De ruimte er tusschen was eerst slechts smal en een gewone houten
brug onderhield de gemeenschap; maar langzamerhand vrat de zee meer
land weg, meer velden en polders, en de boeren moesten, om te kunnen
leven, visschers worden....

Ik nam de boot naar dat eiland tegen vijf uur 's avonds en voer weg
van de aanlegplaats te Monnikendam. Twee jonge knapen met korte, wijde
broeken en buizen van een grove stof en ronde hoeden, zijn aan het
laden van allerlei eetwaren; zij hebben met hun vader een geregelden
dienst tusschen het eiland en den vasten wal in 't leven geroepen.

Met een voor Hollanders ongewone vlugheid voerden zij de verschillende
handgrepen uit voor 't zeilklaar maken van de boot, heschen het groote,
bruine zeil, maakten de touwen in orde, tot eindelijk de schuit bewoog
en zich naar de open zee wendde.

De oudste der matrozen had de boom in de hand genomen en stond
te duwen, kijkend naar de stad, die achteruit week in het rossige
schijnsel.

Er hing een nevel over 't water, voorbode van de vallende schemering;
het klokkenspel in den toren gaf in heldere klanken den tijd aan;
daartusschen hoorde ik 't geklots der golven, door ons scheepje
uiteen gedreven, en dit oogenblik had iets geheimzinnig ernstigs,
alsof wij naar een onbekend land gingen.

Langzamerhand hadden wij niet anders om ons heen dan water en
nevels. Een der jongens floot een wijsje. De touwen van den mast
knarsten onder den druk van den koelen wind; toen doken schaduwen op,
eerst onduidelijk, toen helderder. Het waren puntdaken van huizen en
masten, uit zee oprijzend; zonder duinen of rotsen lag Marken daar,
als een zeer groot vlot op het water, half ondergedoken.

De boot stopte aan de kade en werd vastgelegd. Ik sprong aan land. Er
waren daar twee of drie mannen, gekleed als mijn varensgasten, en
jonge meisjes met lange losse haartressen leunden tegen een brug. Een
groote stilte heerschte er in het haventje, dat daar lag te midden der
bewegelijke zee. Ik moet er wel een zonderlingen indruk hebben gemaakt,
zoo weinig was ik in harmonie met die houten huizen, op palen gebouwd,
en die zonderlinge menschen.

De meisjes keken mij aan. In de avondschemering hadden haar oogen
met de lange wimpers tusschen de hangende krullen langs hun hoofd
diepten als van den oceaan, en toen zij ernstig het hoofd bogen bij
mijn voorbijgaan, kon ik denken, dat ik zeegodinnen vóór mij had,
jonkvrouwen, zoo dikwijls door dichters bezongen. Ik haastte mij,
mijn weinige bagage te deponeeren in het eenige logement, en ik
stapte de straatjes binnen, met steenen geplaveid, die naar de zeven
buurtschappen voeren, kunstmatige hoogten van leem en veen, waar de
huizen der bewoners staan.

De zee had, zooals dikwijls gebeurt, den vorigen dag de magere
weiden overstroomd, die om de terpen tusschen de lage dijken lagen,
zoodat ik aan beide zijden door water was omringd, en de huizen
in den echten zin des woords uit het water opstaken zonder eenigen
horizon van land. Hoog gras groeide op sommige plaatsen en herbergde
kakelende eenden, terwijl de halmen ritselden in den wind en de
intense somberheid verhoogden van dat waterland.

Zoo liep ik een uurtje rond, tot het volkomen donker was, en nam
die duizenderlei gevoelens in mij op, die het onmogelijk is om weer
te geven, gevormd door 't onverwachte, 't onbekende, plotselinge
kleurnuances, en altijd groetten mij de vrouwen met de diepe oogen,
die zonder woorden spraken. Toen keerde ik naar de herberg terug,
waar een vroolijke dienstmeid, forsch en in kleurige kleedij, mij
een stevig maal voorzette.

Den volgenden dag had het water zich teruggetrokken, en ik kon het
eiland bekijken, want het is, in 't groot beschouwd, één eiland.

De haven is het meest vaste deel van Marken. Overal door steen en
hout stevig omringd, liggen er een honderdtal visschersschuiten veilig
voor anker.

De huizen, geteerd en met pannen daken, zijn uit planken opgetrokken en
staan op een veenbedding. De woningen van binnen te bekijken, behoort
tot de werkzaamheden der vreemdelingen. De grootste zindelijkheid
heerscht er tot in alle hoekjes; glimmen doet het vaatwerk aan de
wanden, en alle koper straalt u tegen als een spiegel. Het is de glorie
van ieder huisgezin, en ik zag telkens jonge meisjes mij met den vinger
wenken, dat ik de mooie properheid van de woningen zou bewonderen. Die
teekens en de glimlachjes, die er bij behoorden, waren, helaas,
slechts vermomde verzoeken om geld, en ik moest met mijn bezoeken
zuinig zijn, uit vrees van anders al mijn geld er achter te laten.

De meeste huizen hebben slechts één vertrek, waar geslapen, gekookt
en gewerkt wordt; vele hebben geen plafond en staan rechtstreeks met
den zolder in gemeenschap. Ook zijn er, die geen schoorsteen hebben;
tegenover het grootste venster ligt een steenen of ijzeren plaat met
een rij steenen er omheen; een opening in het dak laat den rook door,
die zich over den zolder verspreidt, waar de netten drogen en de
voorraad wordt bewaard.

Borden en schotels van oud porselein zijn er in de kleinste woning
te vinden. Die smaak voor porselein en kristal, voor gestreepte
bedgordijnen en kleurige dekens is een eigenaardige trek in het
hollandsch karakter en komt vooral sterk uit op Marken. Hij wijst op
de bekrompenheid van het bestaan der bewoners.

De bodem van het eiland is vrij vruchtbare kleigrond. Hij brengt hooi
en riet voort, waarvan door de bewoners groote hoeveelheden worden
uitgevoerd. Het hooi wordt verkocht en dient voor een deel voor de
voeding der weinige koeien van het eiland.

Daar de putten van Marken slechts zoutig water leveren, zijn de
bewoners genoodzaakt, regenwater te gebruiken, om hun beesten mee te
drenken en hun eigen voedsel te bereiden.

Ze zijn zeer onontwikkeld in maatschappelijke aangelegenheden. Zij
leven van vischvangst en brengen het overige van den tijd door
met onbeduidende werkjes, die alleen voor henzelven van belang
zijn. Ze hebben in 't geheel geen handel; aardappels, groenten,
kruidenierswaren, turf, drank, alles wordt hun uit Monnikendam gebracht
of uit Hoorn of Amsterdam.

De bewoners van Marken trouwen altijd onder elkander. Er wordt verteld,
dat ze vroeger bij gebrek aan vrouwen eens hun booten bewapenden en
een razzia hielden, om vrouwen uit Edam te halen, maar die geschiedenis
is niet te bewijzen.

Gewoonlijk trouwt men tusschen het vier-en-twintigste en het
acht-en-twintigste jaar, en er wordt gelet op overeenkomst in leeftijd
en neiging.

Over 't algemeen zijn de meisjes lomp en ruw; maar er zijn wel
aankomende deerntjes, die iets expressiefs hebben en door hun half
wilde gratie de leelijkheid der anderen doen vergeten. Timide zijn
ze niet en lachen doen ze graag.

Op mijn wandelingen kwamen ze in hun bonte kleeding dikwijls om
mij heen staan, ze drongen mij tegen een muur en hielden mij met
uitgestrekte armen tegen, of stelden mij, terwijl haar krullen tegen
mij aanwoeien, allerlei vragen, die ik niet verstond, maar die zeker
grappig waren, want ze lieten haar tanden zien en lachten vroolijk. Ik
gaf in het Engelsch antwoord of in 't Duitsch en 't Arabisch en kneep
haar in de armen. Toen ik even de kin van een meisje in de hand had
genomen, begonnen twee anderen verbaasd te gillen en riepen een paar
huismoeders te hulp. Toen omhelsde ik het kind bij verrassing. Nooit
heb ik zulk een gekrijsch gehoord. Zij stonden om mij heen, zwaaiden
met de bloote armen, de lange lokken in den wind, de japonnen wijd
uitslaande, den hemel tot getuige roepend bij mijn onbeschaamdheid. De
omhelsde vooral zette woedende oogen op; deze brutaliteit riep om een
voorbeeldige straf voor den misdadiger, een bliksemslag bij voorbeeld
of een verzinking in den grond.

Daarom klom ik op een vat en sprak ze aldus aan:

"Vrouwen van Marken," riep ik, "ik ben hier gekomen, om uwe
gastvrijheid in te roepen. Mijn hoedanigheid van vreemdeling geeft
mij dus het recht, te proeven van uwe vruchten, ook van de perziken
uwer wangen.... Ik verzoek stilte en beloof, u presentjes te zullen
geven ... boem, boem, boem!"

"Boem, boem!" herhaalden de geestdriftige jonge meisjes, zonder dat
ze een woord verstaan hadden.

Daar zij mij nog altijd tegenhielden, begreep ik wel, dat ze tolgeld
wenschten te ontvangen; maar ik zwaaide mijn camera op de manier van
een tomahawk, uitte een gil en sprong op den dijk. Daar richtte ik
het instrument, en de menigte zette het op een loopen als haringen,
door de haringbuizen achtervolgd, behalve de drie jonge kinderen,
die bleven en die in stijve houdingen door mij zouden gekiekt worden.

"Ik zie, jonge meisjes," ging ik voort, genietend van de heerlijkheid,
te kunnen praten zonder te worden verstaan, "ik zie, dat mijn
edelmoedig aanbod welwillend is ontvangen. Sla dus uw oogen op mij
en gun mij glimlachjes."

Toen ik met centen geschud had in mijn zak, spitsten zij de ooren,
gingen met mij in den zonneschijn en ik legde voor de toekomst haar
vreemde trekken vast, waarna ik haar een handvol centen gaf en zij
verheugd verdwenen.

Soms zijn de kleine meisjes heel aardig. Als ze naar school gaan
met jongens, de kleurige pakjes boven de polders vertoonend als in
een groen décor, arm in arm voortstappend, krijgt men er pleizier
in, zooals voor een schilderij vol frissche kleuren en prettige
gezichten. Sommigen dragen in plaats van rokjes de wijde broeken van
de broertjes, wat ze er kluchtig doet uitzien.

Op bruiloften, verlovingsfeesten en kermissen ziet men een
kleurenrijkdom als nergens elders. Alle tinten uit een kleurendoos
voor waterverfteekening zijn uitgestrooid over de jurken, de mutsen
en de boezelaars, en men knipt met de oogen, zonder te weten waar
men ze rust zal geven.

Maar die dagen zijn uitzonderingen. Gewoonlijk is het op het eiland
nog al somber, en het leven vloeit er voort bij peuterigen arbeid,
die altijd eender is.

De mannen visschen of halen de ponten of schuiten binnen met turf
en proviand, boeten de netten, schilderen hun muren over, terwijl de
vrouwen het huis schoonhouden, linnen wasschen, met de kleine kinderen
buiten wandelen of aan het lossen van de booten helpen.

Langs de vaarten ziet men ze soms rustig voortglijden, in booten
gezeten, waar ze dan even uitstappen, om telkens de ophaalbruggen
op te lichten, die bij de overgangen en kruisingen van wegen over
't water liggen.

In den winter staat de helft van het eiland onder water, en de
menschen gaan in booten naar elkander toe, bezoeken op die manier de
kerk en de school, en worden per boot begraven. Het kerkhof ligt op
de hoogste werf of terp van het eiland.

Men vraagt zich wel eens af, waarom toch de dijken zoo laag zijn; als
men ze ophoogde, zou men die lastige overstroomingen vermijden. Maar
kenners beweren, dat de grond, die niet heel vast is, geen zwaardere
belasting dragen kan.

De gewoonte is een tweede natuur. Als men van de Markers ging
vertellen, dat zij er slecht aan toe zijn, zou dat verloren moeite
zijn. Zij voelen er zich op hun gemak; zooveel te beter.

Bij den toeloop van toeristen, die in den laatsten tijd al grooter en
grooter wordt, vooral in den zomer, beginnen zij zich als merkwaardige
curiositeiten te beschouwen en droomen misschien den uitlokkenden
droom van geheel onderhouden en verzorgd te worden door de penningen
der vreemdelingen. Zij verkoopen hun kleêren al, en het zal wel niet
lang duren, of ze verruilen ze tegen hoeden en moderne broeken....

Het eiland Marken zal zijn bescheiden plaatsje wel blijven innemen
tegenover het vasteland; zijn huizen, in het zoute water staande;
zijn steenen straatjes in den mist; zijn hoogste punt, waar de dooden
rusten, en zijn vier gehoornde beesten, wadend door den sponsachtigen
grond ... tenzij op een dag, gelijk aan dien, waarop de Zuiderzee
ontstond, het ook op zijn beurt worde weggevaagd, verzwolgen in den
storm en neergelegd op den bodem van de Zuiderzee.

Zoo'n einde zou voor zulk een plekje uit het verleden, dat onder de
modernen is verzeild geraakt, een natuurlijk en passend slot zijn,
en men zou dan mogelijk een verklaring hebben van die zonderlinge
aantrekkingskracht, die de oogen der meisjes van Marken bezitten
des avonds, wanneer zij het hoofd buigen en den vinger waarschuwend
opheffen, als spoken uit een wereld, die reeds afgedaan heeft,
opgestaan uit hun graven, om u een groet te brengen....

De Hollander heeft ongetwijfeld minder verbeeldingskracht dan de
Franschman. Hij is realist in den echten zin des woords en rekent in
plaats van te droomen. Zoo denkt hij er niet aan, dat met de turf die
hij dagelijks uit het water haalt, hij ook de overblijfselen van zijn
bloedverwanten en vrienden opneemt, om aan hen de warmte te ontleenen,
die ze bij hun leven hadden. Hij vindt de turf een geschikte brandstof,
gebruikt die en heeft daar gelijk in, zooals hij ook, in tegenstelling
met onze soms onverstandige gevoeligheid, zijn honden gebruikt voor
het trekken van geriefelijke karretjes.

Van Holland spreken zonder het over de turf te hebben, zou zijn een
der eigenaardigste karaktertrekken van het land over 't hoofd te zien.

Uit geologisch oogpunt is de bodem zeer arm; hij bevat geen steenkool,
noch ijzer, noch andere mineralen. Bosschen zijn er weinig en men
moest, om dijken en huizen te bouwen, zijn toevlucht nemen tot
pijnboomen uit Noorwegen en tot duitsche boomen, langs den Rijn
aangevoerd.

Men kon er niet aan denken, dat hout te gebruiken als brandstof; dat
zou te schadelijk zijn geweest. Daarom ging men het veen gebruiken,
na er turf van te hebben gemaakt.

Veen is een soort van zachte, zwartachtige aarde, die men aantreft
onder lagen leem of zand, 't zij bij den aanleg van kanalen, 't zij
bij het bouwen der huizen. Op enkele plaatsen blijkt de aanwezigheid
van veen door den onvasten toestand van den grond. De veerkrachtige
bodem, opgezwollen en verzadigd van water, buigt door onder den voet
en herstelt zich dadelijk weer. Dan zeggen de menschen: "Hier zit
veen in den grond."

De opgraving van het veen is een kunst, die al sinds overoude tijden
bekend is. Plinius en Tacitus gewagen ervan, de eene met een zucht,
omdat een volk genoodzaakt is zijn eigen land te verbranden, de tweede
met bewondering voor zooveel snuggerheid.

De veengraverij verschaft werk aan duizenden individuen. Het is
een brandstof van niet heel veel beteekenis, donker en lastig in 't
gebruik; daarbij verkoolt ze meer, dan dat ze vlamt en brengt zwaren
rook voort.

Veen wordt zoo wat overal in Holland aangetroffen. Men behoeft maar
een weinig te graven om het te ontdekken.

Als de eigenaar van een stuk grond besloten heeft, zijn akker tot een
veld van exploitatie te maken, laat hij parallelle insnijdingen maken
om de aarde te ontlasten van het water, waarmee zij gedrenkt is. Die
slooten, die eerst ondiep zijn, worden dieper en dieper gemaakt,
tot het water er uit is.

Er zijn zes à acht jaren noodig om het land droog te leggen en het
water met slooten en sluizen te leiden naar het toekomstige kanaal.

Daarna gaat men het veen te lijf met daarvoor bestemde schoppen,
snijdt het in brokken, die men als steenen laat drogen en die op
elkaar gestapeld worden en gedroogd in den wind.

Niet zelden vindt men in de veenlagen, diep in den grond, boomen,
die goed geconserveerd zijn, overblijfselen van oude bosschen, door
overstroomingen of hooge vloeden verwoest. Ze worden gebruikt voor
wat ze waard zijn, meestal als brandstof, soms ook voor fundeeringen.

De lagen aarde, die den veengrond bedekten, worden op het land
teruggebracht, vlak uitgespreid en leveren den bebouwbaren grond,
waarop aardappelen en koren zullen worden verbouwd.

Zoo gaat het bij de hooge venen. In de lage venen gaat alles gauwer,
en men behoeft zich daar geen moeite te geven, het land eerst te
draineeren. Men tast direct den grond aan. Als gras en leem eerst
zijn verwijderd, dus als twee of drie voet van den bouwgrond zijn
afgegraven, legt men de veenlaag bloot, die doortrokken is met water,
een soort van vette brij. De arbeiders, met groote laarzen aan,
scheppen dan de toekomstige brandstof zoo maar op en plonsen die in
groote schuiten. Het veen ziet er dan bruin uit, en men herkent er nog
wortels in en verrotte takken. Het wordt in groote bakken geschept,
gemengd en bewerkt, gestampt met zware stampers of getreden met groote
platte trappers, ontdaan van steenen en wortels, gekneed als deeg
en te drogen uitgespreid op riet. Als het begint droog te worden,
snijdt men het in brokken en stapelt de turf in hoopen op elkaâr.

Drie maanden zijn ongeveer noodig, om de brandstof volkomen droog te
maken. Dan wordt de turf in schuiten geladen en naar de verschillende
markten gebracht, waar zij koopers vindt.

De hoedanigheid der turf is zeer uiteenloopend. Er is turf met meer of
minder houtige bestanddeelen, meer of minder poreus van aard, zwaarder
of lichter op 't gewicht. De huisvrouwen herkennen snel aan de kleur
en den vorm de eigenaardige hoedanigheden van de brandstof. Er is een
soort, die voor de keuken dient, een andere voor de open haarden,
een derde voor fabrieken. In 't algemeen geeft men de voorkeur aan
de turf uit de lage venen boven die uit de hooge venen. De bakkers
bakken hun brood met turven, die niet zeer dicht zijn en daardoor
spoedig vlam vatten. De turf dient ook nog als voedsel voor kalkovens,
pannebakkerijen en wordt in bierbrouwerijen enz. gebruikt.

Bij steenkool vergeleken, geeft de turf wel de helft minder warmte;
maar alles in aanmerking genomen, is zij als brandstof toch veel
goedkooper.

Het grootste bezwaar is het volume, dat lastig en bezwarend wordt. Turf
neemt drie- of viermaal zooveel ruimte in als steenkool. Men heeft
geprobeerd de turf samen te persen, en men is daarin goed geslaagd,
maar naar beweerd wordt, is de moeite te groot voor de belooning;
de kosten overtroffen de waarde der koopwaar, en de eigenschappen
van die laatste verbeterden er niet genoeg door.

Voor stoombooten en voor de grootindustrie moest men wel weer tot de
steenkool terugkeeren.

Hoe het ook zij, turf is eeuwen lang bijna de eenige brandstof der
bewoners geweest. De kool van turf heeft aanleiding gegeven tot de
zuiver nationale gewoonte der warme stoven. In den winter hebben de
hollandsche dames in haar eigen vertrekken, zoowel als in de kerk,
onder haar rokken een stoof met een kool er in, wat, naar men zegt,
het teint van de dames een gele tint geeft. Zij, die deze opvatting
koesteren, zijn ernstige menschen, kalm gezeten in hun groote stoelen
van riet of mandwerk, met een groote pijp in den mond en een glas
bier vóór zich, hoog schuimend in het glas. Zij zouden toch iets
dergelijks niet beweren, als ze er niet volkomen zeker van waren
door allerlei gezegden en opmerkingen, zorgvuldig bijeenverzameld
uit intieme gesprekken, en men zou verkeerd doen, zich bij zulk een
oordeel sceptisch te toonen. De rook van de turf maakt het teint der
hollandsche dames geel, zooals de rook van droog hout aan hammen die
bruine kleur geeft, die ze zoo lekker doet smaken. Ze worden er dus
geen haar minder om; integendeel.

De asch dient bovendien tot mest; met het roet reinigt men ijzerwaren
en tin; de rook dient tot conserveering van gezouten vleesch en haring,
tot bereiding van beenzwart, inkt en vernis; kortom, het veen is een
der grondslagen van de hollandsche huishouding.

Inderdaad maakt men er de fondamenten van het huis van. Daartoe
brengt men de steenen en het metselwerk aan op een onderlaag van
stukken brandbare aarde, in den vorm van een pyramide opgestapeld. Die
veenlaag zwelt op onder het water en vormt zoo een onwankelbare basis,
die door het vocht niet meer wordt aangetast. Na eeuwen, als het huis
van ouderdom bezweken is, vindt men de veenachtige substantie zoo goed
bewaard als op den eersten dag en nog geschikt, om verstookt te worden.

Uit een en ander volgt, dat veen het product is van de langzame
vertering van plantaardige stoffen, van riet en biezen en mossen,
die, op elkander gestapeld, vergingen en door de vochtigheid ontbonden
werden.

De provincies, die het meest te danken hebben aan het bestaan van
veengrond, zijn Friesland, Groningen, Drenthe en Overijsel.

Als de veenlaag geëxploiteerd is, blijft er ongelukkig veel water
over, dat moet worden verwijderd met behulp van veel molens en veel
slooten. Daar het onderhoud van die molens nog al kosten meebrengt,
moet men zich er niet over verbazen, dat in Holland de prijzen der
levensmiddelen tamelijk hoog zijn....

Desondanks heeft een oud dichter, Vondel genaamd, in geestdrift
over het succes, met de turf verkregen, aan het hoofd van een zijner
werken dit hoog welsprekend woord geplaatst: "Gelukkig het land, waar
't kind zijn moêr verbrandt!"

Besluit.--Dit alles toont duidelijk aan, dat er volstrekt niet in
Holland alleen water is, zooals men zou kunnen gelooven, als men
zich slechts onderrichten liet door fantastische berichten. Holland,
door duizenden kanalen doorsneden, omgeven door eilanden, golven,
inhammen, heeft inderdaad wel zeer veel water, maar dit oppermachtige
water, dat alles kan overweldigen, dat rijst en daalt en tot zoo
ver het oog reikt, zijn net van bewegelijke wegen uitspreidt, waar
onophoudelijk booten, schuiten, ponten, stoombooten en eenden varen,
dat water is de onuitputtelijke bron van den bataafschen rijkdom,
en men zou wel een prachtig, kostelijk woord willen vinden, in een
lijst van metalen lettergrepen, om dat kleurloos, vloeibaar ding mee
aan te duiden, dat alle tinten van de wolken overneemt, dat de molens
en de polders weerspiegelt en dat van Holland maakt het waterrijkste
van de waterrijke en 't merkwaardigste van alle vlakke landen.



NOOTEN

[1] Wij hebben den franschen schrijver in zijn reisverhaal op den
voet gevolgd, al kwam soms de lust boven, hem eens even in de rede
te vallen, waar hij in zijn gevolgtrekkingen te ver ging en, naar
het weinige dat hij zag, oordeelde ook over het vele, dat hij niet
zag. Het zal onzen lezers zeker evenzoo gaan, maar om der curiositeits
wille zal het oordeel van den Franschman hen interesseeren en zijn
aardige verteltrant zal hen boeien.

Vert.



Reis door Tunis en Algiers

Door

M. G. Brondgeest.



Voor ons Nederlanders, bewoners van noordelijke koude luchtstreken,
hebben de woorden "het Zuiden, de Middellandsche zee" een betooverenden
klank. Zij doen ons zoo denken aan schitterend zonnelicht, aan
koesterenden zonnegloed, waar wij vooral in den winter met zijn korte,
vaak zoo sombere dagen zoo reikhalzend naar kunnen verlangen. Ook
onvergelijkelijke kleurenpracht, bonte kleederdrachten en sappige
zuidvruchten roepen zij voor onzen geest. Wie, al is hij nog zoo
hokvast, heeft niet eenmaal in zijn leven het verlangen, eenige
weken in het diepe blauw der Middellandsche zee te staren, aan hare
schilderachtige kusten te droomen en te dwepen? Welke zee, met al de
kuststreken, die hare golven bespoelen, biedt den reiziger zooveel
natuurschoon aan als de Middellandsche zee, kan op een verleden, op
een geschiedenis bogen als de hare? Te vergeefs zou men in dit opzicht
haar gelijke zoeken. Tot haar gebied toch telde zij het kleine, met
zeldzamen kunstzin begaafde volk der Grieken, welks edele scheppingen
zelfs nu nog ons geslacht met bewondering vervullen en voor een deel
nooit overtroffen zijn; zij zag dit volk politiek, ja, ten onder gaan,
maar op cultuurgebied zijn schoonste lauweren behalen, daar zijn
overweldiger zelf het voornaamste werktuig werd voor de verbreiding
van zijn hoogstaande kunst en wetenschap over de geheele toenmaals
beschaafde wereld; zij beleefde het, hoe een enkele maal haar kusten
en eilanden onder één heerschappij, die der Romeinen kwamen, waardoor
aan al die kusten de vaan des kruises geplant werd; zij aanschouwde
met ontzetting de verwoesting van dit vermolmde en wankelende rijk
door de blonde zonen van het Noorden, die het een ander, maar jonger,
frisscher, nieuwer leven inbliezen; met onuitsprekelijke droefheid was
zij er getuige van, dat het zegenrijke kruis bijna aan al hare kusten
verdrongen werd door de troostelooze halve maan; maar ook met groote
vreugde, dat het weer een rijk van haar gebied was, het kunstlievende
Italië, waar oude kunsten en wetenschappen herleefden; ten slotte
werd de halve maan allengs weder van hare kusten verdrongen, terwijl
vooral in de laatste helft der vorige eeuw, Westersche beschaving
en menschelijkheid de overhand verkregen. Vooral in de landen,
gelegen aan Afrika's Noordkust, heeft de Europeesche invloed zich
doen gelden en hebben orde en goed bestuur Mohammedaansch wanbeheer
vervangen of verbeterd. Engeland heeft zich vooral met het oog op 't
Suezkanaal voor goed in het Nijldal gevestigd. Frankrijk, dat zulke
groote belangen heeft aan het kustgebied der Middellandsche zee,
vestigde in 't bijzonder zijn aandacht op Tunis en Algiers en in den
laatsten tijd ook op Marokko. Bekend is de moeite, die Duitschland en
in 't bijzonder de Duitsche regeering zich geeft, om met den Sultan van
Turkije vriendschappelijke betrekkingen aan te houden en te versterken,
teneinde zoodoende den Duitschen invloed in Klein-Azië, Syrië en
Palestina uit te breiden. Voor den Europeaan is in die streken een
ruim arbeidsveld geopend op het gebied van handel en nijverheid. Het
spreekt van zelf, dat verbetering en uitbreiding van het verkeerswezen
een der eerste zaken waren, die men met ijver ter hand nam.

Aldus worden ook voor het reizend publiek landen, rijk aan
natuurschoon geopend, die tot nog toe slechts door eenige weinige
bevoorrechten bezocht werden. Reisbureaux wedijveren met spoorweg-
en stoomvaartmaatschappij en om het den reizigers gemakkelijk en
aangenaam te maken. Zoo komt het, dat men tegenwoordig in Algiers
en Tunis even goed reist als in Europa. Daar wij voor eenigen tijd
gelegenheid hadden deze beide landen te bezoeken, is het ons aangenaam
er in dit tijdschrift het een en ander van mede te deelen. Wij doen
dit ook in de hoop, dat het enkele landgenooten, die anders hun tijd
in een dolce far niente aan de Riviera doorbrengen, moge bewegen eens
een kijkje aan den overkant te gaan nemen. Zij zullen zich niet te
beklagen hebben.

Aan gene zijde vinden zij een prachtige, dikwerf nog maagdelijke
natuur, een oorspronkelijke bevolking, oude volkrijke steden en
... geen speelbank, waar zij hun geld kunnen kwijt raken.



Algiers en Tunis, te zamen iets kleiner dan Frankrijk, vormen met
Marokko en Tripoli het oude Barbarye, reeds uit de tijden onzer
Republiek bekend om zijn zeeroovers. Na onder de heerschappij van
verschillende volken, Oostersche en Romeinsche, Germaansche en
Byzantijnsche, gestaan te hebben, werd het omstreeks 700 veroverd
door de Arabieren. In afzonderlijke rijken gesplitst, bleven de
Mohammedanen er meester tot in de eerste helft der vorige eeuw. Tijdens
hun bestuur of liever wanbestuur zonken deze landen, eertijds parels
aan de Romeinsche imperatorenkroon, hoe langer hoe meer weg in het
diepste verval. Het land werd verscheurd door onderlinge twisten der
verschillende emirs, beys en stamhoofden, elk spoor van Christelijke
beschaving uitgeroeid en in de havensteden, als Tunis en Algiers,
troonden vorsten, die hun residenties verrijkten met den buit,
welken hun roofschepen daar aanbrachten. Gedurende eeuwen waren de
Barbarijsche zeeroovers de schrik der Europeesche koopvaardijschepen,
niet het minst der Hollandsche, die hun vlag zoo dikwijls in de
wateren der Middellandsche zee vertoonden. Herhaalde expedities en
veroveringen hadden wel een aanvankelijk doch geen blijvend resultaat.

Meer dan eens werd de Ruijter uitgezonden om de Barbarijsche zeeroovers
te tuchtigen en nog in 1816 bombardeerde een Engelsch-Nederlandsche
vloot, onder bevel der admiraals Lord Exmouth en van de Capellen,
de stad Algiers naar aanleiding van zeerooverij.

Eerst in 1830 kwam aan dit schreeuwende misbruik een einde door
de verovering van de stad Algiers door de Franschen onder generaal
Bourmont. Tevens bezetten zij de naaste omgeving der stad.

Maar eerst in 1857 werd de verovering van het geheele land tot aan
de grenzen der Sahara door maarschalk Randon voltooid.

Algerië, verdeeld in 3 provincies, Algiers, Constantine en Oran
met gelijknamige hoofdsteden, is thans geheel een Fransche kolonie
met Fransch bestuur, Fransche wetten en rechtspraak en Fransch
bezettingsleger. Tunis is protectoraat. Na herhaalde expedities en
verschillende moeilijkheden met den Bey, kwam in 1881 het tractaat
van Kasr-Saïd of van Bardo tot stand, waardoor aan de autocratische
macht van dezen een einde kwam. De Fransche regeering verkreeg
het diplomatieke en militaire bewind, benevens de controle over
administratie en financiën. De Bey bleef souverein en regeert in
overleg met een gevolmachtigd Fransch minister, die te Tunis resideert;
bovendien ontvangt hij van het Fransche gouvernement een jaarlijksche
toelage van 1.200.000 frs.

De Franschen, die in Tunis wonen, zijn vnl. burgerlijke ambtenaren,
militairen en kooplieden. Het grootste deel er van, ongeveer 10.000
wonen in de stad Tunis, waar dus de Muselmannen met hun aantal van
65.000 inwoners verre de meerderheid hebben. Daarom vindt men aldaar
nog het Arabische leven en drijven in al zijn oorspronkelijkheid en
heeft de stad voor den toerist vele en belangwekkende eigenaardigheden,
die hij in Algerië te vergeefs zou zoeken. Algiers, Constantine,
Oran en verreweg de meeste kustplaatsen hebben hun oorspronkelijk
cachet grootendeels verloren, zijn bijna geheel Europeesche steden
geworden. De Arabier schijnt hier eerder vreemdeling dan inboorling te
zijn. Tunis daarentegen is gebleven wat de Arabieren het gaarne noemen:
"de bloem van het Oosten."

Het was het eerste doel van onze reis.



Mogen sommige bewoners van Noordelijke streken de reis naar
Afrika's Noordkust bedenkelijk ver vinden, met de Franschen is dit
niet het geval. "l'Algérie c'est la France," zeggen zij. Trouwens
zij zijn ook dichter bij, al bedraagt dit niet veel meer dan een
halven dag sporens. Van uit Parijs bereikt men met den sneltrein in
korten tijd Marseille, van waar goed ingerichte booten der Compagnie
Transatlantique, die ook op Amerika varen, den reiziger in anderhalven
dag over de blauwe watervlakte naar Tunis brengen.

Er is veel waarheid in het gezegde van Professor Martins: "ce n'est pas
la mer, c'est le mal de mer, qui sépare la France de l'Algérie". Maar
men moet de kans van zeeziekte loopen. Hij die op reis tegen eenige
moeite en ontbering opziet, blijve liever thuis. Wij troffen het
echter bijzonder voor de maand Maart, die gewoonlijk nog al ruw is en
volbrachten den overtocht met prachtig stil weer en een schitterende
zon. Een verrukkelijk gezicht was het, toen onze boot, de _Ville de
Naples_, na het verlaten der haven van Marseille de rotsachtige kust
met haar vele eilandjes al verder en verder achter zich liet. Daar
de weg door de grootste breedte der Middellandsche zee ging, kwam
men weinig vaartuigen tegen, slechts enkele visschersbooten en
eenige kleine koopvaarders. Nog waren de kusten van Sardinië niet
geheel verdwenen, of reeds kwam de Afrikaansche kust in 't gezicht,
bergachtig, met vele eilandjes, en als evenzooveel voorposten van het
Mohammedanisme zagen wij hier en daar op de heuvels zich verheffen
de gekoepelde, witgepleisterde graven van verscheidene Marabouts
(priesters) tot de zon onder de onbenevelde kim dook en de lichten van
Tunis ons tegemoet flikkerden. Nog meer dan een uur moest de boot door
het Canal de la Goulette, een uitgediepte geul in de ondiepe golf van
Tunis varen, voor de aanlegplaats bereikt werd. Het ontschepen ging
lang niet zoo spoedig en kalm als het inschepen. Want voor de boot
goed vastgemeerd lag, kwamen reeds in verscheidene bootjes de echte,
onvervalschte afstammelingen der vroeger zoo beruchte zeeroovers
van Tunis opzetten, de witte of gekleurde tulband of de helroode
fez scherp afstekend tegen het donkerbruine gelaat. Er waren echte
galgentronies onder, die duidelijk den stempel der herediteit droegen
en zij waren brutaal als de beul. Spoedig krioelde het op het dek van
allerlei bruine kerels, die op de wijze hunner vroede voorvaderen
de boot geënterd hadden en aan boord geklauterd waren. Kortom
echt zeerooversgespuis, hetwelk den passagiers zijn diensten als
pakjesdragers en gidsen aanbood. Met Argusoogen werd de longroom èn de
bagage door den hofmeester en de bedienden bewaakt. Bij het aan land
gaan begon het ongeluk eerst recht. Want nauwelijks de loopplank over,
werden wij omringd door een zestal Arabieren, mannen en jongens, die
zich, luid schreeuwende, van onze bagage trachtten meester te maken
om ze te dragen. Eenmaal afgegeven, zouden wij er waarschijnlijk
nooit veel van terug gezien hebben.

Dat krioelde om ons heen, trok aan onze bagage en kleederen, kroop
tusschen beenen en armen door en schreeuwde ons toe in een natuurlijk
onverstaanbaar Arabisch. Zoo goed als wij konden verweerden wij ons
tegen de aanvallers tot een Turco, een tolsoldaat, en de gids-tolk van
het hôtel waar wij kamers hadden besproken, ons van hen verlosten. De
laatste bracht ons naar de omnibus, waarmede wij spoedig ons hôtel
bereikten.

Dit was gelegen in het zoogenaamde quartier Franc, dat eerst dagteekent
van de laatste 20 jaren en de verbinding vormt tusschen de haven en de
eigenlijke oude stad Tunis. Voornamelijk wordt die verbinding gevormd
door de Avenue de la Marine en de Avenue de France, prachtige breede
straten, waarop verschillende zijstraten uitmonden. De reiziger staat
er over versteld, welk een groote verandering de Franschen in nog
geen 20 jaar in de stad gebracht hebben.

Aanvankelijk zou men denken, in een welvarende Fransche stad te
zijn. Electrische trams onderhouden het verkeer, elektrisch licht
zorgt voor de verlichting, terwijl de reinheid der straten niets te
wenschen overlaat.

In de Fransche wijk wonen de Europeanen en bevinden zich de voornaamste
Europeesche gebouwen, zooals het theater, de kathedraal, het paleis
van den Franschen minister-resident, de voornaamste winkels en hôtels.

Het hôtel, waar wij onzen intrek genomen hadden, gelegen in de Avenue
de France, bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der Porte de
France, die toegang verleende tot de Arabische stad. Deze bestaat uit
drie deelen, nl. de middenstad, cité of Medina, die zich aansluit
aan het quartier Franc, en twee buitenwijken, een ten N. de Rebat
bab-el-souika en een ten Z. de Rebat bab-ed-djazira, (rebat-wijk en
bab-poort). De Medina is de voornaamste. Want in deze bevinden zich
de beroemde Souks, de bazars of markthallen. Deze bezochten wij den
dag na onze aankomst het eerst onder geleide van een gids-tolk, een
Tunesiër van geboorte, die echter de schilderachtige Arabische kleedij
voor de gemakkelijker Europeesche verwisseld had. Wil men Tunis en
speciaal het volksleven goed zien, dan is zoo'n persoon onmisbaar.

Met behulp van een papieren gids kan men slechts de voornaamste
merkwaardigheden uitvinden; wie meer wil zien, is in de grootste
verlegenheid, daar hij de landstaal, het Arabisch, verstaat noch
spreekt. De tolk weet echter alles, wat noodig is, zooals: waar men
te voet en met een rijtuig heen moet, tot wien men zich wenden moet
om deze of gene merkwaardigheid te zien, hij weet den weg door den
doolhof van nauwe straten en stegen, weet wat alles kost (behoudens de
noodige provisie voor hem zelf) en laat ons meermalen merkwaardigheden
zien, die men alleen nooit ontdekt zou hebben. De besparing in tijd,
moeite en kosten wegen ruimschoots op tegen het matige daggeld,
dat hij vraagt.

Zoodra wij door de Porte de France de Souks binnengetreden waren, viel
ons op, dat wij ons in een zeer oud stadsgedeelte bevonden. Nauwe
kronkelende straatjes en steegjes, te zamen één groot doolhof
vormend, waar men zonder gids deugdelijk in verdwalen kon, nu eens
uitloopend op een klein pleintje, dan weer doodloopend in een donker
gangetje. Somtijds moest men vrij steile trappen op, dan weer daalde
de straat zeer sterk.

Een liefhebber van oude gebouwen, van schilderachtige kijkjes en
verrassende eigenaardigheden kon op deze wandeling veel genieten. Naast
armoedige krotten verhieven de woningen van rijke Arabieren trotsch en
ongenaakbaar hun platte daken, de groote deuren van massief cederhout
dikwijls met ijzer- of koperwerk versierd, de ramen van onder- en
bovenverdieping van stevig en kunstig traliewerk voorzien, opdat
vrouwen en meisjes goed bewaard mochten zijn.

Sommige huizen zijn van balcons voorzien, die dikwijls zóóver
uitsteken, dat de bovenste verdiepingen der aan beide kanten der straat
staande huizen elkander aanraken. Dikwijls zijn de bazars overwelfd,
het gewelf gesteund door slanke Moorsche pilaren. Komt men in een
onoverdekte straat, zoo valt de blik op de slanke torens der moskeeën,
die ijl in de lucht stijgend, een schilderachtigen aanblik bieden en
het geheel als 't ware beheerschen. Vooral de Djama-ez-Zitouna, de
groote moskee, verrukt het oog door haar slanke vormen en kunstig op
de muren _en relief_ aangebracht complex van miniatuurbogen. Ofschoon
hobbelig geplaveid, viel de reinheid der straten ons erg mede, hoewel
men er niet tegen op moest zien af en toe een doode hond of kat te
ontmoeten, die zoo maar neergeworpen was. In die bazars wordt van
's morgens vroeg tot laat in den middag levendige handel gedreven. De
verschillende kooplieden hebben er, met uitzondering van eenige zeer
rijke, slechts kleine winkeltjes, sommige slechts eenige M_2_ groot,
waar zij, in 't halfduister neergehurkt, hun waren uitstallen. Eenige
wachten met Mohammedaansch fatalisme af, of er een kooper komt opdagen,
anderen prijzen luid schreeuwend hun waar aan, loopen een eind met u
mede, en zijn niet van u af te slaan. Elk artikel en handwerk heeft
zijn vaste bazar. Een geur van rozen, geranium of wierook verraadt,
dat men in de Souk der parfums is; de lucht van leer, dat men zich
in die der leerlooiers bevindt. Prachtige uitstallingen van zijde
en fluweel, kunstig met goud en zilver geborduurd, afgewisseld
met lange fijne burnous en helroode fezs, wijzen er op, dat men
de duurste wijk, die der voortbrengselen om welke Tunis beroemd is
nadert en dat het zaak is, zijn kooplust te bedwingen. In een andere
bazar weer worden kunstig bewerkte koperen voorwerpen en geciseleerde
wapenen verkocht of kan men het hart ophalen aan de vruchten van het
Zuiden. Timmerlieden, schoenmakers, schrijnwerkers en kleermakers,
allen hebben hier hun vaste wijk en standplaats. En tusschen al die
uitstallingen beweegt zich de bontste menigte, die men zich denken
kan. Rijke, gezette Arabieren in prachtige gewaden, zich ten volle
bewust van het gewicht hunner persoonlijkheid, met glanzend witte
burnous, wisselen af met bedelaars in lompen gehuld. Jonge mannen,
krachtig en slank gebouwd, met fijn besneden gezichten en sprekende
oogen, prachtige typen van het Arabische ras en donkerbruine Mooren met
trotschen en fanatieken blik en zwarten baard; pikzwarte negers, echte
knechtjes van St. Nicolaas, zich statig in een burnou van het grofste
zakkenlinnen hullend, op het hoofd een fez, die eens rood was, maar nu
meer op hun gelaatskleur lijkt, als eerste dandys een sigaret rookend
of luidkeels lachend met een mond tot aan de ooren en dikke lippen,
terwijl de hagelwitte tanden zichtbaar worden; Arabische vrouwen,
zich schuchter het gelaat bedekkend, de arme en onbemiddelde met
een slip van haar kleed, de rijke zich hullend in een lange kostbare
shawl van fijne, doorschijnende zijde--dit zijn de typen, die men het
meest tegenkomt. Niet alle vrouwen zijn echter gesluierd, slechts de
Arabische, maar de Joodsche niet. Voor 't overige hebben deze geheel
de Arabische kleeding overgenomen, ook de houten pantoffels met zeer
hooge hakken, waarop de vrouwen hier als 't ware loopen te balanceeren.

Vroolijk komen hier en daar de kleurige uniformen der Fransche
soldaten, vooral die der zouaven uit, met hun wijde roode broeken
en blauwe korte jassen, de fez met de bengelende kwast op een oor,
geheel het beeld van "vive la bagatelle". Hier en daar ziet men
een bruingebranden Bedouïn uit de woestijn voortschrijden met
onderzoekenden blik, het lange geweer aan den bandelier over den
schouder. Kleine meisjes en aardige jongens met groote verwonderde
kijkers loopen overal door het gewoel, dat somtijds zoo dicht is,
dat men er zich met de ellebogen door heen moet wringen, en vragen u
onophoudelijk om sous. Jongens en mannen op ezels laten u aanhoudend
uitwijken, want langoor wordt hier niet gespaard, maar eigenlijk
afgebeuld. Ook kameelen bezoeken de bazars, en somtijds liggen zij in
rijen van 10 of meer uit te rusten van hun tocht uit de binnenlanden,
van waar zij houtskool, dadels en andere voortbrengselen naar de
hoofdstad brengen. Daarbij is het dikwijls een geschreeuw, dat men
elkander niet verstaan kan, kooplieden, die hun waren aanprijzen,
koopers, die afdingen, druk redeneerende en gesticuleerende Arabieren
en Mooren. Kortom het is een tooneel vol Oostersche levendigheid
en Oostersche kleurenpracht, dat door zijn bontheid en telkens
afwisselende indrukken, mede door de bekoring van het nieuwe, den
vreemdeling van het Westen ten zeerste boeit en verrukt.



Hoewel de Bey van Tunis in de hoofdstad een paleis heeft, Dar-el-Bey
(huis van den Bey) genaamd, houdt hij daar zelden verblijf. Hij
vertoeft er slechts voor regeeringszaken en bewoont liever het
schoone buitenverblijf Kasr-Saïd of El-Bardo, in de nabijheid van
Tunis. Geregeld eens per maand komt hij in de hoofdstad om in den
voorhof van zijn paleis in hoogste instantie recht te spreken. Dit
gebeurde juist eenige dagen na onze aankomst, en hiervan tijdig door
onzen gids verwittigd, maakten wij aanstalten van zijnen intocht
getuigen te zijn. Reeds te half acht begaven wij ons daartoe naar het
plein van de Kasba (de burcht), waar ook het paleis gelegen is en waren
getuige van de aankomst der verschillende hoogwaardigheidsbekleeders
van den Bey. Militaire en burgerlijke autoriteiten, allen het hoofd
bedekt met de onvermijdelijke fez, stelden zich bij de poort op,
velen versierd met de orde der Beys, de Nicham-Iftikhar. Beambten van
gelijken rang begroetten elkander plechtig met een kus op elke wang; de
jongeren de ouderen met eerbiedigen handkus. Na eenigen tijd wachtens
kondigden eenige Fransche officieren van de Chasseurs d'Afrique,
als ordonnansen, de komst van den Bey aan. Weldra kwam een afdeeling
cavalerie in Turksche uniformen, op kleine vlugge paarden, wit van
het stof, aandraven, daarop volgden eenige rijtuigen met hofbeambten
en ten slotte de Bey zelf in een à la daumont gereden rijtuig met 6
muilezels. Bij 't uitstappen vertoonde hij zich een oogenblik. Een man
van middelbare lengte, met korten grijzen baard, geelachtig, streng
gelaat en ernstige sombere oogen. Er wordt van hem verteld, dat hij
nooit lacht. Niet onwaarschijnlijk, zoo men de gebeurtenissen der
laatste jaren in aanmerking neemt. Na de Fransche bezetting toch is
het met de onbeperkte heerschappij van den Bey voor goed gedaan. Reden
genoeg voor een Oostersch despoot om over te treuren.

Wie zich wel degelijk nog in 't bezit van hun onbeperkte heerschappij
mogen verheugen, al is het dan maar over redelooze dieren, zijn
de Arabische slangenbezweerders, die nog steeds de giftigste
exemplaren van het, den menschen zoo weinig sympathieke ras, in
letterlijken zin, naar hun pijpen laten dansen. Ongeveer eens om
de 14 dagen kan men te Tunis een dergelijke vertooning bijwonen,
die gegeven wordt door een derwisch, een soort van armen priester of
monnik uit de binnenlanden. Het is in zekeren zin een godsdienstige
plechtigheid. Maar dan toch zeker een van een weinig ernstig en meer
vroolijk karakter, want het in grooten getale toegestroomde publiek
vermaakt zich er goed bij. Voor den vreemdeling gaat natuurlijk
de godsdienstige beteekenis door onbekendheid met Arabische taal
en Mohammedaansche gebruiken verloren; hij beschouwt het als een
kermis-voorstelling, een merkwaardig schouwspel, nl. om de groote
moreele kracht, die de mensch op de dieren kan uitoefenen. De
voorstelling heeft plaats in de open lucht, meestal op een plein
voor een Arabisch café, waarvan het in Tunis krioelt. Deze keer op
het plein Halfoüin.

Hier worden in de maand Ramadan, die der vasten, de groote Arabische
feesten gevierd. In gewone tijden is het de plaats van samenkomst van
Arabieren uit alle standen. Men vindt er dan ook vele koffiehuizen,
zoowel voor Arabieren uit de volksklasse, negers en kleurlingen als
die, welke door de rijken en dandys bezocht worden. Een groote menigte
Arabieren, Mooren en negers, benevens een aantal vreemdelingen had
zich om een opene ruimte in een kring opgesteld. Daar binnen bevond
zich de bezweerder met zijn helpers, een drietal Arabieren, die op
de hurken gezeten, een oorverdoovende muziek maakten. Een bespeelde
een soort van herdersfluit, een tweede een Arabische viool, terwijl
degene die in 't midden zat, uit alle macht met duim en handpalm op
een groote tamboerijn trommelde. Deze laatste beantwoordde ook de
vragen, die de derwisch telkens tot hem richtte. Deze, donkerbruin,
forsch gebouwd en toch lenig, met katachtige snelle bewegingen, de
donkere schitterende oogen onophoudelijk in beweging, het beenige
gezicht met een dun baardje omgeven, het geschoren hoofd slechts op
de kruin bedekt met een ruigen, zwarten scalplok, geleek veel op een
der fanatieke krijgslieden van den Mahdi, die in een wit kleed en
met een breed zwaard in de vuist op de Engelsche carré's losstormden,
een wissen dood tegemoet. De voorstelling, die tamelijk lang duurde,
had in 't kort 't volgende verloop: Uit een der bruinlederen zakken,
die hij bij zich had, haalde de derwisch een zeer vergiftige slang
ter lengte van ongeveer een M., licht bruin van kleur en aan den buik
voorzien van gele ringen, de naâdja of slang van Cleopatra, door de
Arabieren Bouftira genoemd. Deze schijnbaar levenlooze slang legde hij
op een kleedje, iets grooter dan een M_2_. neer. Daarop danste hij,
op een klein herdersfluitje blazend, om haar heen, tot zij hoe langer
hoe levendiger werd en zich eindelijk met een schok oprichtend, met
de kleinste helft van haar lichaam op het kleedje overeind kwam te
staan. In die houding danste de slang nu, op de maat van de muziek,
steeds met den derwisch mede; bewoog hij zich naar rechts of links, zoo
deed zij 't zelfde. Het opmerkelijkste daarbij was, dat zij het kleedje
niet verliet en, ofschoon zij door al het gesar van den bezweerder
tot de hoogste woede geprikkeld was, er niet aan dacht, iemand aan te
vallen. De derwisch, die weldra droop van 't zweet, was voortdurend
in beweging, dansend en springend, lachte onophoudelijk met breeden
mond, hevig gesticuleerend, nu eens tot de omstanders of den man met
de tamboerijn vragen richtend, welke met toestemmend geschreeuw of
gelach beantwoord werden, dan weer de armen zwaaiend of ten hemel
heffend, luide gebeden tot Allah of den een of anderen heilige
opzendende. Vooral voor Ab-del-Kader, den bekenden vrijheidsheld,
scheen hij groote vereering te gevoelen, want herhaaldelijk riep hij
hem aan. Zooals de meeste Oostersche voorstellingen en plechtigheden,
werd ook deze ten laatste eentonig. Wij verlieten het plein om ons
naar het gerechtsgebouw te begeven, met het doel daar een nieuwen
kijk op het Tunesische leven te krijgen.

Zooals reeds vermeld, heeft de Fransche regeering aan de Arabieren in
Tunis hun eigen rechtspraak gelaten. Een zeer wijze maatregel, die haar
eindelooze moeilijkheden en wrijvingen met de inboorlingen bespaart. De
Arabier wordt dus gevonnist door zijn eigen rechter of raëse.

Op verzoek zijn de zittingen ook toegankelijk voor vreemdelingen,
die hier gelegenheid hebben menig tafereel van echt oorspronkelijk
Arabisch leven te zien. De gids-tolk stelde ons hiertoe gemakkelijk
in de gelegenheid. Toen wij het gerechtsgebouw, waar gevallen van
echtscheiding en andere civiele zaken behandeld werden, binnentraden,
bevonden wij ons op een ruime binnenplaats, omringd door een
zuilengaanderij en aan de kanten voorzien van steenen banken. Daarop
hadden aan de eene zijde plaats genomen een aantal dicht gesluierde
vrouwen in 't zwart gekleed, die zich over haar echtgenooten te
beklagen hadden en zich wilden laten scheiden, aan den anderen kant
de echtgenooten dier dames, allen wachtend tot zij opgeroepen zouden
worden, om beurtelings voor den rechter te verschijnen. Aan den
ingang der gerechtszaal, die op de eerste verdieping was, stond een
zeer zwaarlijvige gendarme in een blauwe uniform op wacht, die ons,
na een kort onderhoud met den gids, welwillend binnen liet en voor
den rechter leidde, dien hij het verzoek overbracht om een zitting
te mogen bijwonen. Beleefd beantwoordde de magistraat onze buiging,
heette ons met een vriendelijken glimlach welkom en noodigde ons uit,
dicht bij hem plaats te nemen aan den kant der toehoorders.

Daartegenover zaten in een bonte groep de getuigen. Nadat de
woordvoerder van ons gezelschap den rechter bedankt en zijne vreugde
te kennen gegeven had, dat wij als vreemdelingen mochten kennis
maken met de Arabische wijsheid, van ouds beroemd uit de tijden
van Kalief-Harun-al-Raschid, namen wij plaats en de zitting werd
voortgezet.

Een sprekende kop die rechter, met beschaafde vormen en schitterende,
doordringende oogen, waarvoor de beklaagden bijzonder veel ontzag
hadden. Geschoeid met gele pantoffels, het witte gewaad met een langen,
lichtbruinen gendorah (opperkleed) bedekt, droeg hij aan een zijner
vingers een ring met smaragd, als teeken zijner waardigheid. Hij
was gezeten aan een met allerlei papieren bedekte tafel, waarvoor
de beklaagden en getuigen zich plaatsten om hun relaas te doen. Wij
woonden eenige zaakjes bij, waarvan de gids ons de toedracht vertelde
en kregen eenige zeer ongure schelmengezichten te zien. Allen zonder
onderscheid hadden echter grooten eerbied voor den rechter. Met
een diepe buiging, de armen over de borst gekruist, naderden zij
hem en hieven deze onder 't spreken tot aan de schouders op, de
handpalmen vlak naar hem toegekeerd. Met zachte stem begonnen, werd
hun spreeklust hun al spoedig te machtig; al radder ging hun tong,
al luider werd hun stem en zelfs de eerbied voor den rechter kon hun
woordenvloed niet stuiten.

Zij lieten dezen zelfs niet uitspreken en vielen hem herhaaldelijk
pardoes in de rede, zoodat een tweede, insgelijks zeer welgedane
gerechtsdienaar hun herhaaldelijk de zware hand op den schouder
moest leggen en hun een gebiedend "barka, barka" (genoeg, genoeg)
toeroepen. Deze had zelfs moeite hen de zaal uit te krijgen, nadat hun
vonnis uitgesproken was. De raëse hoorde alles met Mohammedaansche
kalmte aan, zeide van tijd tot tijd een enkel woord, stelde een
enkele vraag, terwijl hij den spreker doordringend aanzag of volgens
de rozenkrans, die hij in de hand hield, den grooten profeet bad,
hem wijsheid te geven. Hij had blijkbaar de zaken grondig bestudeerd
en sprak kort recht. Zoo kreeg een Arabier wegens mishandeling 5
maanden gevangenis; een Arabische vrouw, die kamers verhuurde en hare
huurster, die één termijn vooruit betalen moest en dit gedaan had,
daarop terstond haar huis uit gezet had, 2 maanden; een jongmensch,
die wijn gedronken had, moest dit met 5 dagen opsluiting boeten, een
bewijs dat in Tunis aan de wet van den Koran streng de hand gehouden
wordt, hetgeen in Algerië niet zoozeer 't geval is. De vrouwen waren
het breedsprakigst en drukst en moesten door den gendarme nog veel meer
tot de orde geroepen worden dan de mannen. Eenige dagen later woonden
wij ook een zitting voor strafzaken bij, waar dezelfde rechter als de
hierbovenvermelde de rechtbank presideerde. Een eivolle zaal, een lange
rij beschuldigden, een menigte getuigen. Een viertal advokaten voerden
het woord, waar wij natuurlijk niets van begrepen; echter bleek uit
't vuur, waarmede zij spraken, dat zij de zaak hunner cliënten wel
ter harte namen.

De vreemdeling, die eenigen tijd te Tunis verblijft, komt herhaaldelijk
in de Souks, want telkens en telkens weer wordt hij aangetrokken
door het bonte, opgewekte, oorspronkelijke volksleven, dat hij daar
aantreft. Bij die herhaalde bezoeken is het af en toe betreden van een
winkelmagazijn moeilijk te vermijden, zelfs al bestaat daartegen bij
hem principiëel bezwaar, hetgeen meestal niet het geval is. Integendeel
de kooper is meestal maar al te gewillig, en vrienden en verwanten in
't vaderland willen ook wel bedacht zijn.

Ook ontbreekt het niet aan uitnoodigingen en aanmoedigingen van de
zijde der winkeliers om binnen te treden. Reeds aan de deur, zelfs
op de straat, noodigen ze u met vele plichtplegingen en buigingen als
knipmessen daartoe uit. De argelooze vreemdeling, die toestemt, treedt
in het hol van den leeuw, een leeuw met fluweelen pootjes. Vriendelijk
wordt hij uitgenoodigd plaats te nemen en op de kennismaking een
geurig kopje Arabische koffie, echte Mokka, in kleine porceleinen
kopjes voorgediend, te drinken. Dit mag men niet weigeren, want het
is een bewijs van gastvrijheid. Bovendien gelooven de winkeliers,
dat het hun geluk aanbrengt, want zij zijn zeer bijgeloovig en zouden
zich door een weigering beleedigd gevoelen.

Middelerwijl stallen de bedienden allerlei fraaie voorwerpen voor
u uit en wordt men door den winkelier overladen met de vleiendste
opmerkingen over zich zelf, zijn land en volk en met verzekeringen,
dat hij zich zoo vereerd gevoelt door uw bezoek. Al die poes-lievigheid
is echter maar schijn. Want in werkelijkheid is hij er slechts op
uit, u zooveel mogelijk af te zetten. De voorwerpen in de Tunesische
winkels zijn niet vast geprijsd, de verkoopers vragen een buitensporig
hoogen prijs. Vandaar een loven en bieden zonder eind, waarbij de
vreemdeling gewoonlijk aan 't kortste eind trekt. Zelfs al krijgt
hij de voorwerpen voor een 3_de_ of 4_de_ van den gevraagden prijs,
hetgeen geen zeldzaamheid is, dan is hij nog bekocht. Zelfs gebeurde
het ons eens, dat wij een kleedje voor een zesde van den gevraagden
prijs behielden.

Kortom, het is de grofste afzetterij. De fraaiste winkels zijn die
der zijdewevers en zijdeborduurders, die de artikelen vervaardigen,
waar Tunis beroemd om is en die het in groote hoeveelheid uitvoert. Men
vindt deze in "de Souk des Femmes", waar voor 40 jaar nog slavenhandel
gedreven werd, en de prachtige magazijnen van Boccara père et fils en
van Barbouchi gelegen zijn. Men vindt daar inderdaad een rijkdom van
zijde en fluweel, shawls en doorzichtige sluiers, kleeden en kleedjes
van damast, waarvan de randen met gouden of zilveren lovertjes en
bloemen omzoomd zijn, in de fijnste, afwisselendste en teederste
kleuren. Als een stuk van groote waarde toonde men ons een lange
looper uit den tijd van Lodewijk XIV, geheel stijf van zilver en met
gouden bloemtrossen ingelegd.

In andere winkels ziet men weer verschillende wapenen van allerlei
vorm en afmetingen, met zilver en ivoor ingelegd of zwaar met koper
beslagen; de sabels en dolken rijk gedamascineerd. Evenmin ontbreken
rijke uitstallingen van lederwerk en met fijne figuren geïncrusteerd
koper. Een belangrijk artikel van uitvoer zijn ook de parfumerieën
en aetherische oliën, die volgens oude Oostersche gewoonte meestal
bereid worden door de vrouwen uit den harem van den gegoeden parfumeur.

Niet alleen door haar bonte verscheidenheid van bevolking,
door haar eigenaardige zeden en gewoonten biedt de stad Tunis den
vreemdeling veel bezienswaardigs, maar ook hare omstreken hebben groote
aantrekkelijkheid en verlokken tot menig heerlijk uitstapje. Daartoe
moet men zich steeds op eenigen afstand van de stad begeven.

In de naaste omgeving is er alleen het stadspark "le Belveder" met zijn
statig wuivende palmen en groene Oostersche gewassen, waar inwoner en
vreemdeling eenige koelte en schaduw kunnen vinden. Overigens is de
omgeving nagenoeg boomloos, vooral des zomers een groot nadeel. Want in
Tunis, dat evenals Algiers het klimaat der Regio Mediterranee heeft,
kan het afmattend heet zijn. Reeds in Maart is het er in den middag
als bij ons in Augustus, en midden in den zomer kunnen de bewoners
alleen aan de zeekust eenige koelte vinden.

De winters, voor zoover zij dien naam verdienen, zijn in Tunis
zeer zacht. Sneeuw kent men er niet dan bij overlevering; 't laatst
had men die in 1883 gezien. Tegen zonsondergang komt echter meest
de koude N. wind, de mistral opzetten, waartegen de reiziger zich
steeds met mantel en shawl moet wapenen. Als de verzengende Sirocco,
de heete woestijnwind blaast, kan men nauwelijks ademhalen. Soms
bereikte deze 40° Celsius, zoodat de streek waar zijn verzengende
adem overheen gegaan is, als 't ware verbrand ter neder ligt. Ook de
Bey vertoeft niet geregeld in Tunis, maar heeft zijn residentie in
de nabijheid, het paleis het Bardo. Dit gebouw, waaraan verbonden is
het oudheidkundig museum Aloüi, is wel een bezoek waard.

Een monumentale leeuwentrap voert naar een rijkversierde vestibule,
die toegang tot de verschillende zalen verleent. Onder deze zijn het
opmerkelijkst de groote receptiezaal, waar de feesten aan het corps
diplomatique gegeven worden, benevens de troonzaal, die aan de wanden
versierd is met twee rijen rijk vergulde pendules uit verschillende
tijdperken; op consoles; dit laatste meer rijk dan smaakvol.

Verder kan de reiziger te Manouba de overblijfselen van de grootsche
waterleiding voor Carthago bewonderen, de ruïnen van Utica, de
havenwerken van Bizerta of de badplaats Hammam-El-Lif bezoeken.

Vóór alles zal hij echter naar een plaats gaan, waarheen de stemmen
uit het verleden hem met onweerstaanbare kracht geroepen hebben. Geen
vreemdeling, al vertoeft hij nog zoo kort te Tunis, kan nalaten de
ruïnen van Carthago te bezoeken. Hoe worden echter zijn verwachtingen
omtrent hetgeen hij te zien zal krijgen teleurgesteld, zoo hij niet van
te voren ingelicht is! Want van de eenmaal zoo bloeiende en trotsche
hoofdstad der Karthagers, eertijds de koningin der Middellandsche zee,
is bedroefd weinig meer over. Wel is de vloek van den meedoogenloozen
Cato: "delenda est Carthago!" in vervulling gegaan. Niet eenmaal,
maar drie keer is de stad grondig verwoest. Na de Romeinen kwamen de
Vandalen, daarna de Arabieren. De laatsten vooral hielden deerlijk
huis; hun dolzinnig fanatisme wilde elk spoor van de toenmaals
christelijke stad met wortel en tak uitroeien. Geen steen werd op
den anderen gelaten, alles kort en klein geslagen. De tocht naar
Carthago is een verrukkelijke rit langs de ondiepe golf van Tunis,
Bahira geheeten.

De onafzienbare zee verkwikt het oog door hare tallooze wisselende
tinten van donker- en helderblauw tot smaragd-groen en lichtgrijs. Het
strand wordt verlevendigd door groote troepen reigers, flamingo's en
andere zeevogels, die nu eens onbeweeglijk op een hunner lange pooten
om zich heen staan te zien, dan weer onder krijschend geschreeuw
hoog in de lucht opvliegen. Verblindend schitteren de witte huizen,
slanke torens en gekoepelde daken van het verdwijnende Tunis in 't
felle zonlicht. Het schiereiland, waarop de bouwvallen van Karthago
gelegen zijn, verheft zich vrij steil uit zee. Het hoogste punt vormt
het terrein, waar vroeger de sterke burcht van Karthago, de Byrsa,
gelegen was. Op den top van dien heuvel is het museum, waar alles
verzameld is, wat aan de verwoesting geheel of gedeeltelijk ontkomen
en door ijverige opgravingen aan 't licht gebracht is. Het zijn de
zoogen. Pères Blancs, die zich hiermede bezig houden, in opdracht
van kardinaal Lavigerie. Deze ijverige priester-zendeling, die van
de Fransche regeering voor ongeveer 25 jaar verlof kreeg, bij de
bouwvallen van Karthago een kathedraal te bouwen, gaf aan de monniken
last, nevens hun godsdienstige plichten het werk der opgravingen met
kracht ter hand te nemen. Dit leverde de beste resultaten op. Het
museum is verdeeld in drie afdeelingen: voorwerpen uit den Punischen
tijd, die uit den tijd van Romeinsch-Karthago, en ten slotte hetgeen
er uit de Christelijke periode overgebleven is. Die uit de eerste
periode zijn het meest bezienswaardig. Daaronder treft men menig
fraai voorwerp aan, dat door eigenaardigen, dikwijls grilligen vorm
en bewerking verraadt, dat in den Punischen voortijd Phoenicische en
Oostersche invloeden zich in de kunst sterk deden gelden.

De bouwvallen van Karthago zijn voor de Fransche pelgrims een
bedevaartplaats, daar er een kapel gebouwd is ter herinnering aan
Lodewijk den Heilige, die hier op den 7_den_ Kruistocht, te midden van
zijn leger, door de pest werd weggerukt. Hoog boven dit bescheiden
monument verheft zich een gebouw uit later tijd, eveneens aan hem
gewijd, de basilica of kathedraal van Lodewijk den Heiligen. Fier
en statig rijst zij met hare vier gekoepelde witte torens in de
wolkenlooze lucht omhoog, en het kruis op den top weerspiegelt
zich in de blauwe golven aan haren voet, zoo vredig en kalm, alsof
die zee nooit iets anders, nimmer de verschrikkingen van oorlog en
verwoesting aanschouwd had. Moge dit voortaan zoo blijven en Tunis
en haar omgeving onder Fransch gezag een tijdperk van ongestoorden
bloei en ontwikkeling deelachtig worden.



Sedert de vestiging van het Fransche protectoraat in Tunis, zijn
de verkeerswegen aldaar enorm verbeterd. Dit geldt zoowel van de
straatwegen als wat betreft den aanleg van spoor- en tramwegen. Door
de stad Tunis snorren de electrische trams en meer en meer breidt
het spoorwegnet op het platte land zich uit. De hoofdlijnen
zijn aangesloten bij de Algiersche lijnen. De maatschappijen, wel
inziende hoe bevorderlijk een goede inrichting voor de toename van 't
vreemdelingenverkeer is, nemen dit zeer ter harte, zoodat men in Tunis
en Algiers even goed en even geriefelijk, ja soms nog beter reist dan
in Frankrijk en in sommige streken van Europa. De hoofdlijn loopt van
't Oosten naar 't Westen en verbindt de voornaamste plaatsen, o.a. de
hoofdplaatsen der provincies. Deze liggen ver van elkander af, en daar
de treinen overal ophouden, zijn de trajecten lang. Meestal rijdt er
slechts een per dag. Vroeg begonnen, eindigt de reis eerst 's avonds
of in den nacht. Soms is er gelegenheid in den trein te dineeren,
zoo niet, dan wordt deze op bepaalde haltestations opengesteld,
na voorafgegane bekendmaking. Men ziet, alles evenals in Europa. Al
duurt de reis wat lang, zoo behoeft de reiziger zich niet te vervelen,
want steeds biedt het landschap hem de grootste afwisseling. Meermalen
gaat de weg langs een schilderachtige rivier. Een enkele orographische
opmerking vinde hier haar plaats. Tunis en Algerië worden, wat de
gesteldheid van den bodem betreft, in vier gordels verdeeld. De eerste
gordel, de zoogenaamde Tell, strekt zich langs de zeekust uit en wordt
landwaarts in begrensd door het Atlasgebergte, dat met zijn machtige
keten, van oostelijk Tunis, door geheel Algerië, tot aan de westelijke
grens van Marokko doordringt. De tell is het vruchtbare gedeelte bij
uitnemendheid, waar veel graan en ooft geteeld wordt en de wijnstok
rijke oogsten geeft. Men denke slechts aan den Algierschen wijn,
die ook hier het burgerrecht verkregen heeft en aan de meer dan 40
millioen sinaasappelen, die Algerië nu reeds uitvoert. De tweede gordel
is de Atlasketen. Daarop volgt de streek der hoogvlakten en steppen,
waar de bodem onvruchtbaar en rotsachtig is, afgewisseld met vele
zoutmeren. Ten slotte de woestijn, de Algerijnsche Sahara, die slechts
een klein deel vormt van de groote woestijn van dien naam. Omdat het
Atlasgebergte nagenoeg evenwijdig met de zee loopt en de waterscheiding
vormt voor de rivieren, die Noordelijk in zee en naar 't Zuiden in de
zoutmeren uitmonden, hebben deze geen langen loop, hetgeen niet in
't voordeel is van de besproeiing des lands. De voornaamste rivier
van Tunesië is de Medjerda, die van Algerië de Seybouse. De eerste
doorsnijdt Tunis van W. naar O., de tweede ontspringt op den Atlas
en stroomt bij Bône in de zee. De spoorweg van Tunis naar Bône loopt
voor 't grootste deel door de dalen der beide stroomen, waardoor het
natuurschoon langs den weg niet weinig verhoogd wordt. Van tijd tot
tijd vernauwt het dal zich zoo zeer, dat de spoorweg het karakter van
een echte bergbaan aanneemt en men hem met geweld een doortocht door
de rotsen heeft moeten banen. Een ander maal doorsnijdt de spoorbaan
een onafzienbare vlakte, gedeeltelijk met hoog gras bedekt, op andere
plaatsen prijkend met den rijksten kleurenschat der meest verschillende
bloemen. Men zou zich verplaatst wanen in de hyacinthen en tulpenvelden
van Haarlem in 't voorjaar, behalve, dat hier de verscheidenheid van
kleuren grooter, de groepeering minder regelmatig is. Ongekunsteld
schitteren de bloembedden in onvergelijkelijke pracht, zooals de natuur
ze er neergezet heeft. Velden met donkergele goudsbloemen wisselen
af met witte plekken, waar trotsche Aronskelken haar witte hoofden
fier verheffen. Hier wedijveren teeder rose Malva's met helroode
klaprozen, ginds paren zich bescheiden witte madeliefjes met blauwe
convolvulussen in teedere kleurenharmonie. Aan den oever der rivier
wiegen oleanderstruiken hun witte en rose kelken op slanken stengel
heen en weer, schitteren bloesems van perzik- en amandelboomen
tusschen het donkere groen der laurierboomen, of wel het is een
mimosastruik, die, om zijn schoonheid des te meer te doen uitkomen,
niet beëngd door omringend geboomte, zijn volle gele trossen in het
zonlicht laat schitteren en het oog verrukt. Somtijds ook kleine
oerwouden van knoestige steen- en kurkeiken, machtige cederboomen,
donkere cypressen en hoog opgeschoten eucalyptussen, waar alles
verward door elkander staat en met klimplanten omstrengeld is. Ook
levende wezens ziet men langs den weg. Nieuwsgierige inboorlingen in
kleine Arabische dorpen; karavanen met groote en kleine kudden vee, de
eigenaar op een vurigen Arabier voorop; tenten van nomaden, soms niet
veel meer dan lappendekens op palen, waaronder alles, menschen en vee,
eendrachtiglijk te zamen huist. En steeds wordt het geheel omlijst
door de eindelooze, golvende keten der Algerijnsche gebergten, wier
golvingen zoo zacht zijn, dat zij geen horizon schijnen te bezitten.

Bône, met een bekoorlijke ligging aan zee, bevindt zich in de
onmiddellijke nabijheid van het "massif de l'Edough", een bergketen,
die vrij steil in zee afdaalt en voor 't grootste deel begroeid is
met prachtige bosschen van kurkeiken, een rijke bron van inkomsten
voor de exploiteerende maatschappijen.

Geheel anders is de ligging van Constantine te midden van een
heuvelland op hooge rotsen. Als hoofdstad van het aloude Numedië,
was het eens de residentie van den krijgshaftigen koning Massinissa,
den bondgenoot van Scipio tegen de Karthagers en getuige van den
fieren dood van Hannibals' dochter Sophonisbe, die als een echte
afstammelinge van den stam der Barciden geen schande verdragen
wilde. Daarna zetelde er de wreede, roofzuchtige Jugurtha, die geheel
Rome omkoopbaar achtte. Zijn geest scheen weer levendig te worden,
nadat de Arabieren zich van de stad hadden meester gemaakt. Ten
minste tot aan de verovering door de Franschen in 1837 was en
bleef het een roofnest van de ergste soort. Hierbij werd de stad
vooral begunstigd door haar eigenaardige ligging. Deze is inderdaad
zeer bijzonder. Van het Oosten loopt het riviertje de Roumel op de
stad toe door een uitgestrekte, vruchtbare vlakte, aan weerskanten
met kalkrotsen omzoomd. Vlak voor de stad stroomt de Roumel door
de groenende pépinière, den botanischen tuin, die elke Algiersche
stad van beteekenis bezit. Plotseling houdt de vlakte op en ziet de
rivier zich den loop versperd door de rotsen, waarop de stad gebouwd
is. Het is een werk van eeuwen geweest, eer zij zich met geweld een
weg daar doorheen gebaand had en hetzelfde geval als met den Rijn
tusschen Coblentz en Bingen. Met dit verschil echter, dat de Roumel
zich slechts een nauwe spleet tusschen de rotsen gewrongen heeft,
die loodrecht oprijzen en op sommige plaatsen een hoogte van meer dan
100 M. bereiken. De stad, die den vorm van een ongelijkbeenig trapezium
heeft, wordt aan twee der langste zijden door de Roumel omgeven, aan de
twee andere zijden door hooge rotsen, met uitzondering van één punt,
van waar zij uit de vlakte toegankelijk is. Een nagenoeg onneembare
ligging dus, uiterst geschikt voor een roofnest. Langs de Roumel,
van de Porte du Diable af, waar zij uit de vlakte komt, tot aan den
waterval, waarmede zij zich weder, na doorbraak der rotsen, in de
vlakte uitstrekt, is een smalle, van een balustrade voorziene weg
gemaakt, "le chemin des touristes". Deze, die volstrekt geen gevaar
oplevert, is interessant en bijzonder mooi. Nu eens is de rivier
slechts enkele meters breed, dan weer verwijdt zij zich als 't ware
tot kleine meertjes; hier is zij kalm, ginds schiet zij schuimend
tusschen grillig opeen gestapelde rotsblokken door. Nu eens stroomt
zij in 't volle daglicht, een andermaal baant zij zich een weg onder
den bodem en vormt indrukwekkende gewelven en wondervolle grotten,
waaruit de puntige rotsmassa's als stalactieten neerhangen. Door de
vele bochten biedt de wandeling de bekoorlijkste en meest afwisselende
gezichtspunten. Aan het einde, dicht bij den waterval, bereiken de
rotsen haar hoogste punt en eindigen in een naakten steilen top. Na
inneming der stad poogde hier een deel der verdedigers zich te redden
door zich met touwen naar beneden te laten zakken. Maar de touwen
braken en vele mannen, ook vrouwen en kinderen, kwamen om in de Roumel.

Door de ontoegankelijke ligging heeft de verovering den Franschen
veel moeite gekost. Zij geschiedde tijdens een wapenstilstand met
Ab-del-Kader, toen de onderwerping der provincie Constantine ter
hand genomen werd. Een eerste aanval op de stad onder maarschalk
Clauzel mislukte. Het volgend jaar werd een nieuwe expeditie onder
't opperbevel van den hertog van Nemours en vier generaals uitgezonden.

De sultan Ahmed-Bey en diens fanatieke Arabieren, steunend op de
onneembare ligging, weigerden hardnekkig elke capitulatie en zonden den
parlementair spottend terug. Na voorafgegane beschieting bestormden de
Franschen met groote dapperheid de stad en maakten zich na een hevig
straatgevecht er van meester. Maar ten koste van groote offers, want
de generaals Damrémont, Perrégaux en Combes sneuvelden. De bey, met
klein gevolg ontvlucht, gaf zich, na eenige jaren den guerilla-oorlog
gevoerd te hebben, over en verbleef als gevangene te Algiers.

Behalve haar ligging heeft de stad niet veel bijzonders. Er ligt
een groot garnizoen. Met hun kleurige uniformen en de opgewektheid
den Franschen soldaat eigen, brengt het militair veel vroolijkheid
aan. Aanhoudend ziet men troepen door de straten trekken. Nu eens zijn
het chasseurs d'Afrique op hun vurige, kleine Arabische schimmels, dan
weer bruine turco's met de korte blauwe jasjes en dito wijde pofbroeken
of het is een bataillon kranige zouaven, dat voorbij marcheert. Ook
ligt er een kleine afdeeling spahi's, dat keurkorps bij uitnemend,
in garnizoen. Dit zijn Arabieren, die een bijzonder goeden staat
van dienst hebben en gebruikt worden als ordonnansen, estafettes en
lijfwachten van den generaal. Gehuld in hun roode of blauwe mantels,
een breeden tulband op het hoofd, maken zij met hun hooge laarzen
en kromme lange sabels een zeer krijgshaftigen indruk. Men vindt er
menig type van den echten, fieren, mannelijken Arabier onder.

Op het groote plein midden in de stad is het paleis van den generaal,
den militairen commandant, voorheen de residentie van Ahmed-Bey. Dit
paleis, dat zeer bezienswaardig is, bevat nog vele bijeengeroofde
kunstschatten uit de oudheid. De binnengalerij is versierd met 265
slanke pilaren van Corinthische bouworde, van Carthago geroofd,
maar bovenal wordt het oog getroffen door een buste van Julia Domna,
de vrouw van keizer Alexander Severus. Van wit marmer, is deze zoo
fijn uitgevoerd, dat men als 't ware den arm onder den mantel kan zien
doorschemeren. Een der façaden van het binnenplein wordt bedekt door
één enkelen rozenboom, zoo weelderig, dat hij van boven tot onder
met de schoonste witte rozen bedekt is.

Het plein voor 't paleis is de plaats van samenkomst voor de bewoners
van Constantine. Het is er des middags van 5 tot 6 een vroolijk en
levendig gedoe. Want dan speelt de militaire muziek, eerst de Fransche
kapel, daarna de Arabische. De laatste, waar veel snerpende fluiten den
boventoon voeren, is voor Europeesche ooren nu niet bepaald aangenaam
om te hooren.

De provincie Constantine is niet alleen de boschrijkste, maar ook de
meest bergachtige van Algerië. Daar toch komt de Atlasketen te zamen
met een andere bergreeks, die uit het Zuiden komt en tot het gebied
der hoogvlakten en steppen behoort. Die bergreeks is samengesteld
uit verschillende gebergten; o.a. het gebergte der Ksour, de bergen
der Ouled Nayl, die der Zibans (zoo genoemd naar verschillende
Bedouïnenstammen van denzelfden naam) en de Djebel-Aoures
(djebelberg). Sommigen bereiken een aanzienlijke hoogte. De
Djebel-Aoures b.v. heeft toppen van 2000 M., waarop de sneeuw des
zomers niet smelt. Dit gebergte onderscheidt zich door groote woestheid
en ruwheid van vormen, maar ook door indrukwekkendheid. Het is zeer
verlaten en weinig bewoond. In de rotskloven huizen somtijds nog
beren en leeuwen, die elders reeds lang verdwenen zijn.

Toen de Arabieren zich van Algerië meester maakten,  hebben  de
bergvolken  van  den Aurès het langst hun onafhankelijkheid  bewaard
en ook de Franschen hadden met de daarheen uitgeweken oproerige
Bedouïnenstammen veel te stellen. Het Zuiden grenst aan de Algerijnsche
Sahara.

Ten einde nu den toegang tot de woestijn tegen een mogelijken aanval
van roofzuchtige stammen te verdedigen, bouwden de Franschen de
militaire stad Batna aan de uitloopers van het Aurès-gebergte en
aan de spoorlijn, die van Constantine naar het Zuiden, naar Biskra
loopt. In dat gebergte nu ligt een der grootste merkwaardigheden op
oudheidkundig gebied van geheel Algerië verborgen.

Het zijn de bouwvallen van Timgad, eertijds Thamugadi geheeten,
een der bloeiendste Afrikaansche steden van het Romeinsche keizerrijk.

Oorspronkelijk slechts een militaire post met bestemming de woestijn
te bewaken, werd eerst onder de regeering van keizer Trajanus de
eigenlijke stad gesticht door den legaat en propraetor Lucius Munatius
Gallus. Door de gunst van haar beschermer, Trajanus, tot municipium
verheven, breidde zij zich hoe langer hoe meer uit en geraakte tot
grooten bloei. Zij deelde in de afwisselende lotgevallen van Afrika's
Noordkust, die beurtelings onder Romeinsch, Vandaalsch, Byzantijnsch
en Arabisch gezag kwam. Maar in 698 sloeg voor haar het uur van
ondergang. Ingenomen door de volgers van Mohammed, werd zij in brand
gestoken en verwoest. Gedurende meer dan 12 eeuwen sliep de stad haar
doodslaap onder de asch, tot het tegenwoordige geslacht, bezield met
ijver voor wetenschappelijke onderzoekingen, haar daaruit opwekte, om,
al is het dan slechts gedeeltelijk, hare vroegere heerlijkheid aan den
dag te brengen en van hare voormalige grootheid te getuigen. Timgad
noemt men wel het Afrikaansch Pompeï, maar er is wel eenig verschil
tusschen die twee. Terwijl men te Pompeï een duidelijker beeld krijgt
van de inwendige inrichting der huizen en van het huiselijk leven
der Romeinen, ontvangt de bezoeker van de bouwvallen van het oude
Thamugadi een juister indruk van een groote, bloeiende stad uit den
keizertijd, van haar gansche bouworde en inrichting. Licht zal men
vragen, hoe het komt, dat van Timgad zooveel bewaard gebleven is,
terwijl van andere oude steden van Afrika b.v. Carthago, niets meer
over is? Dit komt door hare afgelegen ligging midden in een bergland,
ver van de zeekust. Want deze omstandigheid verhinderde de Grieken,
de Genueezen, de inwoners van Pisa en den bey van Constantine om van
de stad, zooals zij van Karthago en andere plaatsen deden, een dépôt
van bouwmateriaal te maken. Timgad bereikt men van Batna uit; het
is ruim 10 uur rijdens heen en terug. Een lange tocht dus, maar die
wel de moeite loont. De goed onderhouden straatweg dagteekent reeds
gedeeltelijk uit den Romeinschen tijd, daar hier vroeger de heerbaan
liep van Lambesse naar Timgad. Lambesse, dat men na een uur rijdens
voorbij gaat, diende vroeger tot versterkt kamp van het derde legioen
van Augustus, dat met de verdediging van Afrika belast was. Er is nog
een tamelijk goed behouden hoofdingang van het praetorium te zien, dat
tot woning diende voor den keizerlijken legaat of onderbevelhebber,
benevens overblijfselen van een tempel van Esculapius en van een
triomfboog van Alexander Severus. Het is frisch in het dal waar men
doorrijdt, want Batna ligt op meer dan 1000 M. en de bergen van den
Aurès, die men niet uit 't gezicht verliest, zijn hier en daar met
sneeuw bedekt. Na onderweg nog de ruïne van den triomfboog van Markouna
(met ziet, men is en plein pays de l'antiquité) voorbijgereden te zijn,
dagen eindelijk de bouwvallen van Timgad in het nevelachtig verschiet
op als een moeilijk te beschrijven verwarde massa. Dit wordt echter
anders, als men naderbij gekomen is. Dan bespeurt men dadelijk, dat de
stad volgens een vast plan gebouwd is. Niet alléén echter bezoeken de
reizigers de bouwvallen. Hun wordt een gids medegegeven en niet tot
hun nadeel, want anders zouden zij kans loopen te verdwalen tusschen
de talrijke overblijfselen der verschillende monumenten en bovendien
menige nuttige aanwijzing missen. Men kan zich een klein denkbeeld
vormen van de uitgestrektheid, die de stad vroeger besloeg en tevens
van haren bloei, uit de vermelding dat wij een rondgang maakten van
meer dan 3 uur en toen nog alleen maar de voornaamste dingen gezien
hadden. Daarbij komt nog, dat men aanhoudend nieuwe ontdekkingen doet,
nieuwe schatten uit den bodem toovert. De gids bracht ons het eerst
naar het middelpunt der stad, het snijpunt der beide hoofdwegen, den
Decumanus maximus en den Cardo. Deze snijden elkander rechthoekig
en dit snijpunt bepaalt de plaats der voornaamste gebouwen. Alles
in navolging van Rome. Dicht bij het snijpunt ligt het schoonste
en best behouden monument der geheele ruïne, de triomfboog van
Trajanus. Opgetrokken uit grijzen baksteen, maakt het met zijn drie
bogen, ter hoogte van 16 M., een indrukwekkend effect. De middelste
boog, juist ter breedte van de straat, was voor wagens bestemd,
de andere, kleinere voor de voetgangers, die zich op de trottoirs
bewogen. Voor de bestrating droegen de Romeinen veel zorg. Dit blijkt
ook uit die te Timgad, die nog uitstekend behouden is. Zij bestaat
uit groote platte steenen, waar men nog duidelijk het wagenspoor in
zien kan, door de wielen er in gegroefd.

Van het Forum, het politieke middelpunt der stad, de verzamelplaats
van alle burgers, is niet veel meer over. Slechts een paar zuilen ter
hoogte van 13 M. en een menigte opschriften getuigen van vroegere
heerlijkheid. Onder die opschriften is er één, dat de aandacht
trekt. Het is de luchtige levensopvatting van een Romeinschen
nietsdoener: "venari, lavari, ludere, ridere, hoc et vivere", in goed
hollandsch: "jagen, baden, spelen, lachen, dat is leven".

Het theater is beter bewaard gebleven. Tegen een heuvel aangebouwd of
liever in de rots uitgehouwen, zijn de rijen zitplaatsen in den vorm
van een halve maan nog vrij volledig aanwezig. Ook de zuilengaanderij,
die achter het tooneel liep, staat, hoewel de meeste zuilen afgeknot
en afgebrokkeld zijn, tamelijk goed overeind. Het theater kon meer dan
4000 toeschouwers bevatten, behalve die nog op den heuvel plaats namen.

Natuurlijk bezat Timgad zijn Kapitool of burcht, tevens tempel van
Jupiter, Juno en Minerva. Latere onderzoekingen hebben uitgemaakt, dat
hij een oppervlakte van 840 M_2_. moet beslagen hebben. Over 't geheel
moet alles er van reusachtige afmetingen geweest zijn. Dit bewijzen
twee zuilen, die indertijd tot de propylaeën, een zuilengaanderij, die
om den tempel heen liep, behoord hebben. Deze lagen in 8 brokstukken
verspreid. De reconstructie daarvan heeft niet minder dan f 10,000
frs. bedragen, waarvan 3000 frs. voor een hijschtoestel. De opgezette
zuilen zijn 16 M. hoog en hebben aan de basis een breedte van 1 M. 50
cM. Voorts zijn door de opgravingen nog aan het licht gebracht de
thermen of baden, die bij de Romeinen zoo'n voorname rol speelden. Vier
zijn er tot nog toe te Timgad ontdekt, 2 groote en 2 kleine. Natuurlijk
is alleen de onderbouw gedeeltelijk bewaard gebleven, maar juist
daaraan kon men zien, op wat voor vernuftige wijze de Romeinen den aan-
en afvoer van water, benevens de verdeeling van heete en koude lucht
ten behoeve der verschillende vertrekken regelden. De kleine thermen
beslaan te zamen een oppervlakte van ruim 2000 M_2_.; de riolen ten
behoeve van den waterafvoer doen heden nog dienst om het overtollige
water van de bergen naar de vlakte te leiden.

In een museum zijn al de kunstschatten bijeengebracht, door
de opgravingen aan het licht gekomen. Deze zijn van den meest
verschillenden aard en meestal geschonden. Voortreffelijk behouden is
een beeldig bronzen Venuskopje, dat aan den bloeitijd der Grieksche
kunst doet denken.

Wij zeiden het reeds, ijverig worden de opgravingen voortgezet,
begunstigd en aangemoedigd door de Fransche regeering. Zij worden
verricht onder toezicht van den bekwamen heer Ballu, chef van den
archaëologischen dienst voor Afrika. Hare subsidies heeft de regeering
vermeerderd van frs. 25,000 tot 100,000 frs. Zoo poogt zij dus ook
hier een verzuim der Arabieren te herstellen en blijft door het
bevorderen van wetenschappelijke en geschiedkundige onderzoekingen
haar roeping van beschaving brengende mogendheid getrouw, daarbij de
schoone kunsten niet vergetend.

Ten zuiden van Batna ondergaat niet alleen het landschap, maar
ook de gesteldheid van den bodem en het klimaat spoedig een groote
verandering. Geen wonder, want men verlaat de hoogvlakte en nadert de
woestijn, die haar invloed doet gevoelen. Van Batna loopt een spoorlijn
naar het Zuiden, die de verbinding tot stand brengt tusschen Biskra,
een voornaam punt van samenkomst van verschillende karavaanwegen
uit de Sahara, en de noordelijker gelegen streek der Tell. Op korten
afstand van Batna neemt het landschap reeds een woestijnkarakter aan,
dat voortdurend ruwer en onherbergzamer wordt. De bergen en heuvels
vertoonen de grilligste vormen, nu eens spits toeloopend, dan weer met
een breeden, ronden koepel gekroond. Soms staan zij in groepjes, in
langere of kortere ketenen bij elkander; op andere plaatsen verrijzen
eenzame kegels en toppen plotseling uit de vlakte. Het is als 't
ware, of de natuur nu eens moeite gedaan heeft, deze landstreek
in den meest chaötischen toestand te brengen, er alles onderste
boven te keeren. De bodem, nu eens rotsachtig dan weer klaar zand,
vertoont met uitzondering van eenige mossoorten niet den minsten
plantengroei. Zoutmeren met lage, bruine, half uitgedroogde oevers
verhoogen slechts de intense treurigheid van het landschap. Dit duurt
zoo voort tot aan de halte El-Kantara, waar de bergen hooger worden
maar het landschap iets vriendelijker, want er is een riviertje in
de nabijheid.

In het nauwe dal, waardoor de oued El-Kantara (oued = rivier) stroomt,
ligt, door hooge rotsen ingesloten, het vriendelijke, geriefelijke
hôtel Bertrand, waar de bestoven en verhitte reiziger gaarne
afstapt. Volgt men nu de goed onderhouden chaussee door het dal naar
het Zuiden, zoo schijnt het, dat de bergketen van den djebel-Gaouss
dit weldra geheel zal afsluiten. Er is slechts ruimte voor den weg
en het riviertje; de spoor heeft zich door een tunnel baan moeten
breken. Maar plotseling, op een punt, waar de berg slechts een nauwe
spleet vormt, met wanden, die onder een hoek van 60° steil naar boven
rijzen, wijken de rotsen terug en laten den verrasten reiziger den
blik slaan op een breed dal, waarin de uitgestrekte en bekoorlijke
oase van El-Kantara ligt. Voor hem die dit voor 't eerst aanschouwt,
een tooneel van natuurschoon om nooit te vergeten. Het opmerkelijkste
is de schrille tegenstelling tusschen de absolute onvruchtbaarheid der
naakte rotsen en de oase met haar donkergroenen bladerdos van statig
wuivende palmen, waartusschen het kleine, vruchtbaarheid brengende
stroompje zich een weg baant. De Arabieren noemen de bergspleet van
El-Kantara den mond der woestijn, en de geleerden hebben uitgemaakt,
dat hier de grens der Sahara is. Neemt men van meer nabij een kijkje
in de oase en bezoekt men het dorp El-Kantara, zoo geraakt men meer en
meer in verrukking. De huizen, uit grijze leem opgetrokken, gelijken
op kleine vestingen, met smalle vensters als schietgaten. De tuintjes,
door leemen muren van elkander gescheiden, zijn slechts eenige M_2_
groot, doch bevatten voor den eigenaar zijn levensonderhoud, de
onwaardeerbare dadelpalmen. De dadelpalmen, in 't Zuiden van Europa
en aan Afrika's Noordkust, geven, hoezeer zij de schoonheid van
het landschap ook verhoogen, geen vruchten. Deze rijpen eerst veel
zuidelijker, op ongeveer 38° breedte en hebben daartoe gedurende de
zomermaanden een warmte van 40° a 50° Celsius noodig. De dadelpalm,
zegt de Arabier, "moet met het hoofd in 't vuur, met de voeten in 't
water staan." Daarom groeit de dadel ook alleen dáár in de woestijn,
waar water voorkomt, n.l. in de oase, hetzij natuurlijke, hetzij
kunstmatige. De laatste komt verreweg het meest voor, daar zij zeer
veel zorg behoeft wat de besproeiing betreft, en de eerste bij gebreke
daarvan spoedig te gronde gaat. Evenals elders, stonden de dadels in
de tuintjes te El-Kantara met den voet in een kegelvormig gat, waar
men het water in laat loopen. Door de geheele oase loopt een kunstig
net van kleine stroompjes tot aan en afvoer van water, en zijn lage
dijken aangebracht tot afdamming. Men moet spaarzaam met het kostbare
water omgaan, daarom worden alle tuinen beurtelings eens om de 14 dagen
besproeid. Onder het dichte bladerdak wordt de dadel in de zoele hitte
veilig rijp en dragen andere boomen, ook Europeesche gewassen rijke
vrucht; vijge-, abrikozen- en perzikboomen verrukten het oog door
den rijken kleurenschat hunner bloesems, terwijl de wijngaardranken
en clematis zich door de toppen heenslingeren. Ook verschillende
groentesoorten tieren er welig. Een steenachtig, hobbelig pad voert
door de oase; af en toe moet men de rivier doorwaden, die bijna droog
is en geniet dan een schilderachtigen aanblik op de rotsachtige, met
bloeiende oleanders en cactussen omzoomde oevers. Arabische jongens
en meisjes komen u tegemoet, willen u met alle geweld den weg wijzen
en doen aanslagen op uw beurs. De avond valt. In groepen zitten de
Arabieren, jonge en oudere mannen, voor de lage huizen bijeen, allen
in de witte burnou gehuld, waaronder menige grijsaard door zijn statig
voorkomen de aandacht trekt. Waarlijk een eerste bezoek aan een oase
in de woestijn maakt op den reiziger een onuitwischbaren indruk en
doet hem denken aan de schoonste tafereelen der 1001 nacht.

Veel heeft het Fransche gouvernement sinds de bezetting van
Algerië voor het behoud, de stichting en de uitbreiding der oasen
gedaan. Natuurlijk was zulks eerst mogelijk, nadat de Fransche troepen
tot aan den rand der Sahara waren doorgedrongen. Zooals men weet is de
Sahara vroeger zee geweest. Het water is in 't zand weggezonken, zoodat
zich in verschillende streken uitgestrekte onderaardsche meren gevormd
hebben, die somtijds meer dan 200 M. diep liggen. Elders verkrijgt men
bij 't graven reeds op 6 M. diepte water. Het geldt nu, dit water te
voorschijn te brengen en door bevloeiing den naasten omtrek vruchtbaar
te maken. Den Arabier staan daartoe slechts gebrekkige hulpmiddelen
ten dienste. Daarom moet de Franschman met zijn machines voor 't
boren van artesische putten hem te hulp komen. In 1856 liet kolonel
Desvaux, commandant van Batna, de eerste boringen doen te Tumerna,
waar men een put aanboorde, die 4010 L. water per minuut gaf. Somtijds
spuit het water met zoo'n geweldigen aandrang en in zoo'n rijkelijke
hoeveelheid uit den bodem, dat het een deel der landstreek onder water
zet en de aanwezigen zich in allerijl moeten bergen, ten einde niet
verzwolgen te worden. Dit duurt echter maar kort, waarna de toevloed
vermindert. Het water wordt afgedamd en door kunstige kanaliseering
wordt een zoo groot mogelijke streek bevloeid.

Uitbundige vreugde heerscht er bij de bevolking. Fantasia's worden
gehouden, saluutschoten in de lucht afgevuurd en de dorpcheik betuigt
den "vader van het water" (naam, dien de Arabieren aan den ingenieur,
met de boringen belast, geven) de dankbaarheid der bevolking. Alle
nood is vergeten, de toekomst der oase, der bewoners verzekerd,
nieuwe bronnen van bestaan geopend, de arbeid vermeerderd, de welvaart
toegenomen. Alleen van 1856-'66 liet de Fransche regeering 150,000
palmen planten. Zij legt den bewoners der oase slechts de matige
belasting van 20 à 30 centimes per dadelboom op. Eenige jaren geleden
schonk zij aan een dorp 2/5 der belasting kwijt wegens mislukking der
oogst. Men houde wel in 't oog, dat de geduldige, vlijtige bebouwer
der oase niet is de luie, rondzwervende Arabier, maar tot den stam
der vroegere inwoners, der Berbers behoort.

Vroeger was het gewoonte, dat de Arabier tegen den oogsttijd zijn
tenten in de nabijheid der oase kwam opslaan, om van den oasebewoner
schatting van den oogst te eischen. Deze schatting bedroeg dikwijls
meer dan de helft. Aan dit misbruik heeft het Fransche gouvernement
een einde gemaakt, en dit is dus ook in dit opzicht den inboorling
tot zegen geweest.

Niet alleen echter voor het stoffelijk welzijn, ook voor het
geestelijk heil der bevolking wordt goed gezorgd. Dit bewijzen de
vele scholen, die overal in steden, dorpen, ja zelfs in afgelegen
oasen opgericht zijn. Ook El-Kantara bezit een school. Jaarlijks
wordt uit de schranderste dorpskinderen van ongeveer een jaar of 6
een keus gedaan ten getale van 10 of 12, om een cursus van 6 à 7 jaar
te volgen. Het onderwijs, dat 's winters gegeven wordt, bestaat in
Fransch (dat de Arabieren zeer gemakkelijk leeren), teekenen, hand-
en tuinarbeid en rekenkunde. Desverkiezende kunnen leergierigen op hun
13de of 14de jaar nog een hoogeren cursus volgen, waar ook geschiedenis
onderwezen wordt. De schoollokalen te El-Kantara zijn voldoende en
ruim ingericht. Aan de wanden prijken, behalve vele schoolprenten,
de teekeningen van jeugdige Berbertjes, die van goede opmerkingsgave
getuigen. Zelfs te Ouargla, een oase midden in de Algerijnsche Sahara
gelegen, is een Fransche school. Van Biskra uit moet de schoolmeester
per kameel de reis daarheen doen, welke 14 dagen duurt. Wel een bewijs,
dat zelfs afgelegen plaatsen op onderwijsgebied niet vergeten worden.

El-Kantara is zeer gezocht door hartstochtelijke jagers, die in de
kloven van het gebergte en in de valleien der woestijn jacht maken
op de mouflon, het ruige bergschaap met breede, gekrulde hoorns
en de snelvoetige antilope. Wij, toeristen, maakten een interessant
uitstapje naar het schilderachtige dal van Tilatou. 's Morgens vroeg op
muilezels onder geleide van een levendigen Arabier, een dorpsjongen uit
El-Kantara, vertrokken, drongen wij in een zijdal der rivier door, dat
hoe langer hoe nauwer toeliep. Slechts een smal voetpad voerde langs
den steilen oever, ontbrak soms ook geheel. Dan daalden de muilezels
in de rivier af en vervolgden daarin hun weg. Een andermaal klauterden
zij als katten tegen de steile hellingen op of daalden behoedzaam
tusschen groote rotsblokken naar beneden. Voortdurend riep de jonge
Arabier ons toe: "Laissez le mulet, il sait son chemin." Waarlijk,
men kon niets beter doen dan zich lijdelijk aan zijn muildier overgeven
en de kalme, behoedzame zekerheid bewonderen, waarmede het steeds den
reeds vroeger afgelegden weg terug vond. Tegen 't middaguur stapten
wij af op een plaats, waar het dal, door hooge krijtrotsen omgeven,
breeder werd. Was het vroeger woest en onbegroeid, hier heerschte
een weelderige plantengroei. Langs de rotsoevers der beek bloeiden en
geurden om strijd oleanders en wilde rozen, hoogerop vormden vijge-
en laurierboomen, amandel-, perzik- en abrikozenboomen, omstrengeld
met wijngaardranken en lianen, een dicht bosch, waarboven een enkele
palm zijn trotsche kruin verhief.

Na een bezwaarlijke klimpartij tegen een met rotsblokken bezaaide
berghelling was het punt bereikt, waar wij op korten afstand het
gezicht op het doel van onzen tocht hadden, een dorp van holbewoners
of oermenschen. De natuur heeft hier n.l. in de krijtrotsen vrij
diepe holen en grotten gevormd, die door de gemakzuchtige Arabieren
met geringe moeite tot woningen voor zich zelf en stallen voor
hun vee ingericht zijn. Tegen de rotsen aangeleund, verheft zich de
afgebrokkelde toren van een moskee. Daar leven ongeveer een 300 mannen,
vrouwen en kinderen, ver van de wereld, met bijna geen behoeften, zich
voedend met de opbrengst hunner kudden en der weinige vruchtboomen die
zij verzorgen onder het aartsvaderlijk opzicht van een kadi (rechter)
en een marabout (priester). Een idyllische toestand voorwaar, die
ons Westerlingen, vermoeid door het gejaagde, de zenuwen op de proef
stellende, dikwerf zoo ongezonde leven der hedendaagsche maatschappij,
jaloersch zou kunnen maken, zoo ... wij wat meer van 't karakter van
den Arabier in ons hadden.



Biskra, ongeveer twee uur sporens ten Zuiden van El-Kantara, is het
eindpunt van de lijn van Constantine naar de Sahara. Het is een
oase, die, wat uitgestrektheid en schoonheid betreft, El-Kantara
nog ver overtreft. Juister gezegd, bestaat het uit elf oasen van
uiteenloopende uitgestrektheid, die schilderachtig verspreid aan
den voet van twee massieve bergmassa's liggen, den reeds vroeger
vermelden Djebel Aoures en den berg der Zibans (ziban-dorpen,
enkelv. zab). De Arabieren, steeds er op uit om alles, wat door
bijzondere schoonheid of bekoorlijkheid uitmunt, bij een koningin,
sultane of prinses te vergelijken, noemen daarom Biskra de koningin
der Zibans. En terecht verdient het dien naam. Want als een koningin,
stralend van schoonheid, de trotsche kruinen van zijn 160,000 palmen
badend in den zonnegloed, ligt het daar aan den ingang der woestijn
bij de grenzen der beschaafde wereld. Het is als 't ware of het aan de
wereld toonen wil, dat ook de woestijn hare overweldigende schoonheid
bezit. En niet alleen schoonheid is haar deel, ook leven, rusteloos en
bedrijvig leven, drukte en vroolijkheid vol Oostersche levendigheid
en schitterende kleurenpracht. Wat Tunis voor het Noorden is, dat is
Biskra voor het Zuiden. Heeft men daar het Arabische leven in al zijn
oorspronkelijkheid, hier kan men den nomadiseerenden Arabier in zijn
ware natuur aanschouwen.

Biskra is het knooppunt van karavaanwegen bij uitnemendheid. Daar toch
komen tallooze wegen uit de Sahara te zamen; daarlangs loopt sinds
eeuwen de hoofdweg van het binnenland door de poort van El-Kantara
naar Tunis. Van Biskra uit gaat ook de groote karavaanweg over de
oasen Tougourt en Ouargla dwars door de Sahara naar het geheimzinnige
Tomboktou aan den Niger. Het ideaal van het Fransche gouvernement is,
dien weg binnen niet al te langen tijd, van oase tot oase, te vervangen
door een spoorweg, den Transsaharien. De 60,000 inwoners van de oase
bestaan uit de meest verschillende rassen uit de woestijn en het
gebergte afkomstig, n.l. negers uit de Sahara en Centraal-Afrika,
Berbers uit den djebel-Aoures, Arabieren uit het Noorden en uit
de Zibans benevens een menigte nomaden, die overal hun tenten in
't vrije veld opslaan.

De Europeanen te Biskra bestaan voor 't grootste deel uit ambtenaren,
militairen en vreemdelingen. Om het gezonde klimaat, de droge,
reine, uitstekende lucht wordt Biskra meer en meer gezocht als
winterverblijf voor vreemdelingen, die er evenals in Egypte genezing
voor longaandoeningen komen zoeken. De toeloop van vreemdelingen
heeft te Biskra paleizen van hôtels doen verrijzen, die in niets
voor Europeesche behoeven onder te doen. Vooral het Victoria-hôtel
en Hôtel Royal munten uit door hun ruime bouworde, prachtige ligging
en uitstekend ingerichte lees- en gezelschapszalen. Daar treft men
ook nomaden aan, maar Europeesche, nl. globe-trotters en mondaines
in de elegantste toiletten. In het voor- en najaar is het te Biskra
het drukst, en wordt het ook het meest bezocht door de karavanen.

In 't voorjaar, als de hitte zich in de woestijn doet gevoelen, de
zonnebrand het schaarsche gras verdort, maken de nomaden zich op, om
met hunne kudden naar de noordelijker gelegen bergstreken te trekken,
waar zij voedsel voor hun vee vinden. In 't najaar heeft de trek in
omgekeerde richting plaats. Daar wij juist in 't voorjaar te Biskra
waren, konden wij getuigen zijn van het drukke verkeer, dat er dien
tijd heerscht. In lange rij kwamen de karavanen uit de binnenlanden
opzetten, al naarmate van den rijkdom des eigenaars door groote of
kleinere kudden schapen, geiten en kameelen vergezeld. Meestal reed de
eigenaar op een vurig paard voorop, dan volgden vrouwen en kinderen
op den rug der kameelen, de vrouwen nu eens gesluierd, dan weer
door een palankijn van bont gestreept doek voor onbescheiden blikken
verborgen. Huisraad en koopwaren, zooals dadels, harst en houtskool,
waren eveneens op kameelen en ezels verpakt. Vlugge, slanke, bruine
jongens en mannen liepen hier en daar naast den stoet, een wakend oog
op de kudden zwarte schapen en geiten houdend. Voor de kameelen is
dit niet noodig, die volgen van zelf een enkele moederkameel vergezeld
van een jong, dat gedwee bij de moeder blijft en er in zijn schonkige
magerheid onoogelijk uitziet. Herbergen, gelijk bij ons, kent men in
't Oosten niet. De karavanen moeten hun toevlucht zoeken in een gebouw,
karavanserai genoemd, bestaande uit vier vleugels, rondom een vierkante
plaats. Op dit plein verzorgt men het lastvee en in het gebouw betrekt
de Bedouïn een cel, waarin hij niets vindt dan een mat. Het is een
schilderachtig tafereel, een drukke karavanserai, maar de zindelijkheid
laat er veel te wenschen over. Natuurlijk vinden in den drukken tijd
lang niet alle karavanen er plaats, en daar de toegang aan de vrouwen
verboden is, geven de meeste Bedouïnen er de voorkeur aan, in de open
lucht te kampeeren. Onder een paar palmboomen wordt de tent opgezet,
en broederlijk huist de geheele familie daar te zamen met honden,
schapen en geiten. Sommige dier tenten zijn van zeildoek of linnen,
en men kan zien, dat daar binnen eenige welgesteldheid heerscht;
de eigenaar ligt in zijn volle waardigheid zijn pijp te rooken,
vrouwen en meisjes zijn bezig met den maaltijd toe te bereiden,
of weven doeken en shawls uit kleurige stoffen.

Andere tenten zijn niets dan een lappendeken van vodden op eenige
staken, omringd met een doornhaag (zeriba) ter bescherming van het
vee; groezelige vrouwen zitten neergehurkt voor den ingang, of werpen
den vreemdeling schuwe blikken door de scheuren der tent toe; magere
half wilde honden blaffen hem toe, en havelooze, smerige, halfnaakte
kinderen stuiven op hem af, onder 't geroep van "donnez un sou, m'siou"
('t eerste wat elk Arabierenkind leert), waarbij zij zoo onbeschaamd
aanhouden, dat men ze bijna met geweld verjagen moet.

Evenals in alle steden, die zich kenmerken door een internationaal
va-et-vient van reizigers, is ook te Biskra voor de noodige afleiding
en ontspanning gezorgd.

Na zijn zwerven door de woestijn, dikwijls gekweld door hitte, dorst
en den verraderlijken woestijnwind, den simoun, wil de Arabier,
zelfs de meest nomadisch aangelegde, wel weer eens de genietingen
der beschaafde wereld smaken.

Daarbij komt, dat het drukke vreemdelingenverkeer nu niet bepaald
voordeelig op de zeden gewerkt heeft, zoodat te Biskra druk aan Venus
en aan 't spel geofferd wordt; ook houden de Arabieren zich daar niet
zoo streng aan de wet van den profeet als hun voorgeschreven is ten
opzichte van wijn en alcoholische dranken, zooals wij zelf eenmaal aan
onzen gids konden bemerken. Des avonds en gedurende een deel van den
nacht is het in sommige straten vrij druk en rumoerig; danshuizen en
café's stralen van licht, harde snerpende muziek weerklinkt, in 't kort
een soort oostersch boulevard-leven in 't klein. Dit concentreert zich
voornamelijk in de zoogenaamde straat der Oulad-Nayl. De Oulad-Nayl is
een Bedouïnenstam, die in het gebergte van dien naam ten westen van
Biskra huist. Tegen den winter gaan de dochters van dien stam naar
die plaats toe, om er zich in de arabische café's als dansmeisjes te
verhuren, tevens haar harten zoo wijd mogelijk voor alle vreemdelingen
openstellend. In 't Oosten wordt de danskunst in 't openbaar slechts
uitgeoefend door meisjes van twijfelachtige zeden.

Dit doet echter der dochters der Oulad-Nayl geen
kwaad. Integendeel. Want evenals de japansche Greishameisjes, zijn
zij bij haar terugkeer naar haar stam met de opgespaarde verdiensten
als bruiden zeer gezocht.

In tegenstelling met de andere Arabische vrouwen ongesluierd, zitten
zij voor de deuren van haar lage huizen, in lange bonte kleederen
gehuld, den kleurigen tulband op 't hoofd, dat aan weerskanten omlijst
is met een dikken dot valsche krullen van dunne zwarte wol, hals en
borst behangen met tallooze kettingen van louis d'or, munten, steenen
en schelpen; armen, polsen en enkels met armbanden en ringen versierd,
de nagels rood geverfd met hennéh, de wenkbrauwen met kohl tot één
dikke zwarte streep getrokken, die de donkere oogen onnatuurlijk groot
maakt. De vreemdelingen gaan natuurlijk een kijkje in deze wijk nemen,
omdat zij hier een eigenaardig stuk oostersch leven te zien krijgen
en niets dat tegen de borst stuit. In 't café binnengetreden, waar een
talrijk publiek van allerlei stand en landaard is, zetten zij zich op
de met tapijten belegde steenen banken neer, om naar het dansen toe te
zien. Op een soort estrade maken eenige muzikanten eentonige muziek,
eerst zacht en slepend, om eensklaps over te gaan tot fortissimo in
een razend tempo, dat eindigt met den Europeaan wanhopig te maken. Op
de maat dier muziek voeren de dochters der Oulad-Nayl hare gracieuse
dansen uit, met voorzichtige schuifelende passen, lenige lende-
en heupbewegingen en sierlijk soms statig armgebaar.

Een kunststukje daarbij is, een ontvangen geldstuk op het voorhoofd
te plaatsen en dit onder 't dansen en 't achteroverbuigen van het
bovenlichaam steeds daarop te houden.

Uren lang kan de Arabier naar die dansen toezien; voor den Europeaan
worden zij spoedig eentonig. In een ander café worden krijgsdansen
uitgevoerd door negers uit Centraal-Afrika, die zich daarbij zoo
afschuwelijk mogelijk toegetakeld hebben, behangen als zij zijn met
lynx- en vossevellen. Onder het uitstoot en van rauwe, brullende
kreten, die niets menschelijks meer hebben, draaien zij met snelle
sprongen en bewegingen om elkander heen, onder 't zwaaien van kromme
sabels, met klapperende castagnetten en een kleine oorlogstrom een
oorverdoovend lawaai makend.

Zoodanig tooneel biedt de straat der Oulad-Nayl den vreemdeling
des avonds. Door zijn licht en leven, zijn oostersche vrouwen en
kleurenpracht en al het exotische maakt deze plek een eigenaardigen
indruk, dien hij niet licht vergeet.

Zeer loonend en vol afwisseling is een wandeling door het dorp
oud-Biskra, bewoond door de eigenlijke inwoners der oase. Men bewondert
hier even als te El-Kantara het kunstige irrigatie-stelsel en de hoog
opschietende dadelpalmen, terwijl de nettere, ruimere woningen van
meer welstand dan ginds getuigen.

Niet ver van daar liggen op een lagen heuvel de overblijfselen van een
turksch fort, dagteekenende uit den tijd dat het gezag van den Grooten
Heer te Constantinopel zich nog over Tunis tot aan de grenzen der
Sahara uitstrekte. Van den top heeft men een gezicht op het zuidelijk
gedeelte van Biskra en tevens op den Col des sfa (sfa: kameelen),
waar een vale, golvende streek te kennen geeft, dat hier het ruwste
en onvruchtbaarste deel der Sahara, de zandwoestijn, waar de simoun
heerscht, door de Arabieren El Erg genoemd, een aanvang neemt.

Beter nog dan van den heuvel bij oud-Biskra kan de reiziger de
zandwoestijn aanschouwen van den toren der moskee van Sidi-Okba. Dit
is een dorp geheel bewoond door Arabieren, op 3 uur rijdens van
Biskra verwijderd. Het is voor hen een beroemde bedevaartplaats,
want in de moskee ligt begraven Sidi-Okba, een neef van Mahommed en
fanatiek strijder voor 't geloof van den profeet, die in den strijd
met de Berbers sneuvelde. Hier ziet men geen Europeesch gebouw,
geen spoor van westersche beschaving. Men is geheel in een Arabisch
milieu, hetgeen het interessante van het bezoek verhoogt, maar in
hooge mate de vrijheid van beweging belemmeren zou, als niet de
Fransche regeering speciaal een Arabier als beambte aangesteld had,
om de vreemdelingen als gids te dienen en tegen de al te groote
indringerigheid en bedelzucht van zijn landgenooten te beschermen.

Bij 't bezoek aan het graf, dat met kostbare wijgeschenken en fraai
met goud en zilver bestikte tapijten versierd is, bestijgt men
ook den toren der moskee; en van den omgang, waar de muezzins bij
't ondergaan der zon met luidklinkende stem de geloovigen tot het
avondgebed oproepen, heeft men een onmetelijk uitzicht op de golvende
zandzee, die zoo veel drama's en verschrikkingen in haren schoot
bergt en waarvan het kleine, in het zonlicht schitterende dorp met
zijn slanke palmen slechts een verlaten post schijnt te zijn. Toch
is het bewoond door ongeveer 3000 Arabieren en negers.



Een der voornaamste aantrekkelijkheden van het reizen in Algerië is
de groote afwisseling, die de natuur telkenmale aanbiedt. Een halve
dagreis is dikwijls voldoende om den reiziger in een landstreek te
brengen, die zoo in alle opzichten verschilt van die, waar hij den
vorigen nacht het moede hoofd ter ruste legde, dat hij zich zelf
bijna verwonderd afvraagt, of deze verandering toch werkelijk in zoo
korten tijd heeft plaats gehad. Grooter tegenstelling dan tusschen het
landschap van Biskra en Kabylië is wel niet denkbaar. Kon ginds de blik
een onmetelijken horizon bevatten, zoo wordt hij hier op korten afstand
gestuit door massieve bergmassa's waarvan de toppen met sneeuw bekroond
zijn, want Kabylië is het hoogste en meest uitgestrekte bergland
van geheel Algerië. Het behoort tot twee provincies. De oostelijke
helft is de grootste en ligt in de provincie Constantine. De bergen
bereiken er echter niet zoo'n hoogte als die der westelijke helft,
in de provincie Algiers gelegen. Van Constantine naar het Westen
sporend, komt de reiziger eerst in de door graan vruchtbare maar
eentonige vlakte van Sétif. Langzamerhand, bij 't naderen van den
Biban-keten, wordt het landschap woester en meer bergachtig; steunend
en hijgend zwoegt de machine tegen de berghelling op, van tijd tot
tijd stil houdend, waar werklieden bezig zijn den veel onderhoud
vereischenden weg te herstellen. Het is of men in een Zwitsersch
landschap verplaatst is. Verdwenen zijn de karavanen met Bedouïnen en
kameelen, als waren zij door den sirocco weggevaagd, verdwenen ook de
palmen met hun sierlijke bladerkronen. De beambten en arbeiders langs
den weg zijn bijna allen van Europeeschen stam en de schilderachtige
oasen zijn vervangen door spaarzame boomgroepen van het soort dat men
"pin d'Aleppe" (een variatie van den den) noemt en naakte, loodrecht
oprijzende rotswanden. Steiler wordt de weg, langzamer kruipt de trein
naar boven, tot hij bij de Portes de Fer het hoogste punt bereikt
heeft. Van daar daalt de weg dan weder met vele zig-zagwendingen
en slingeringen in de vruchtbare vlakte van de Sahel, waar talrijke
olijfboomgaarden en velden met wijnstokken en graan beplant, van de
vruchtbaarheid getuigen. Steeds breeder en liefelijker wordt het dal,
tot de spoorweg zijn eindpunt, het aan zee gelegen Bougie bereikt,
waar ook de Sahel zich in zee stort. Geen plaats in Algerië is schooner
gelegen dan Bougie, amphitheatersgewijze tegen de heuvels gebouwd,
die een tamelijk groote golf omringen. Het gezicht, dat men op de golf
heeft van de balkons van het in Zwitserschen trant gebouwde hôtel,
is werkelijk eenig mooi. Op den voorgrond de kleine haven, waar slanke
vaartuigen met driehoekige zeilen op de donkerblauwe watervlakte heen
en weer schommelen; aan den overkant bergketenen uit de zee oprijzend,
steeds hooger en hooger, de voorste lagere, met groenenden wasdom, de
achterste hoogere, witgekuifd door sneeuw; aan de linkerhand de volle
zee, aan de rechter de vruchtbare vlakte der Sahel, hier en daar door
verschillend genuanceerde, groenende boomgroepen onderbroken. Op een
eenzame, ver in zee uitstekende rots, kaap Carbon, staat een vuurtoren
met draaiend licht, hetwelk op 45 K.M. van uit zee te zien is. Want
de kust is hier zeer gevaarlijk, daar er dikwijls zoo'n sterke mist
heerscht, dat men geen twee passen voor zich uit kan zien.

Bougie is het uitgangspunt voor tochten te voet en per rijtuig door
Groot- en Klein Kabylië. Wegen, hôtels en middelen van vervoer laten
er echter nog veel te wenschen over, zoodat de Arabieren met dien
primitieven toestand hun voordeel doen en er geen streek is, waar de
reiziger meer op zijn tellen en op zijn beurs moet passen dan in dit
deel van het beschaafde Algerië.

Onderscheidt Kabylië zich, wat de natuur en de gesteldheid van den
bodem betreft, van het Zuiden, ja men kan veilig zeggen van geheel
het overige Algerië, zoo is er ook op het gebied van bevolking
groot verschil. De Kabyl is een afzonderlijk type, dat zich door
de afgeslotenheid van zijn ontoegankelijke bergen door vele eeuwen
heen zeer zuiver gehandhaafd heeft, weinig vermengd als het is
door nauwere aanraking met de verschillende volksstammen, die
achtereenvolgens het land overstroomden. Van middelbare gestalte,
lenig, welgemaakt en gespierd, met blauwe oogen en rosachtig haar,
vertoont hij een geheel ander type dan de Arabier. Hij behoort tot
de oorspronkelijke Berberstammen, die voor de komst der Romeinen
het land bewoonden en zich gedurende de onophoudelijke oorlogen en
vervolgingen in het ontoegankelijke gebergte terugtrokken. Ook in
het Aôures-gebergte vindt men dergelijke stammen. Fanatiek, sober,
dapper en vrijheidslievend, met open, vrijen oogopslag, heeft de
Kabyl al de deugden van den bergbewoner. Een langen, hardnekkigen
oorlog hebben de Franschen in Kabylië moeten voeren, eer het voor
goed onderworpen was. Telkens verslagen, trokken de bewoners zich
weder in ontoegankelijke streken terug, om den aanval onverwacht te
hervatten als de kans hun gunstig scheen. Vele Fransche veldheeren
hebben hun sporen in dezen veldtocht verdiend. Ook de hertog van
Aumale, later stadhouder van Algerië, heeft er als dapper soldaat
zijn plicht gedaan. Onder de dweepzieke leiding van den bekenden
emir Abd-el-Kader was Kabylië een brandpunt van verzet. Een treurige
vermaardheid verwierf er door zijn wreedheid de overste Pelissier,
later voor zijn verdienste bij Sebastopol tot hertog van Malakoff
benoemd. In 1845 liet hij een geheelen Kabylenstam ten getale van 800,
die met vrouwen en kinderen in een ruime rotsspelonk gevlucht waren
en van overgave niets weten wilden, door den rook van een brandende
houtmijt door verstikking om 't leven komen. Eerst in 1857 gelukte
het generaal Randon den taaien tegenstand der Kabylen te breken en
daarmede Algerië tot aan de Sahara te onderwerpen. In 't midden des
lands werd een sterkte, Fort National, gebouwd, van waaruit excursies
ondernomen werden om het land tot rust te brengen. Een wijs en gematigd
bestuur heeft er zeer toe bijgedragen de onderwerping te bevorderen. Na
verloop van tijd hebben de Kabylen zich in 't onvermijdelijke geschikt,
zoodat de regeering van Algerië hen thans onder haar beste onderdanen
moet rekenen. Geen nomaden, als de Arabieren, zijn zij aan hun bergen,
aan vaste woonplaatsen gehecht en houden zich met goed gevolg met
landbouw en veeteelt bezig.



Is Tunis een echte Arabische stad, waar men de Mooren (zoo noemde
men vooral ten tijde der Republiek de inwoners der steden aan
de Noord-Afrikaansche kust) nog in al hun oorspronkelijkheid kan
gadeslaan, geheel anders is het met Algiers gesteld. Algiers is
geheel en al een Fransche stad. Men zou denken in de een of andere
Fransche havenstad der Middellandsche zee te zijn, zoo Europeesch is
het uiterlijk met de ruime haven, uitgestrekte kaden en prachtige, uit
vele verdiepingen opgetrokken, hôtels en gouvernementsgebouwen. Wandelt
men dieper de stad in, zoo wordt die indruk nog versterkt. Van een
uitgestrekte Arabische wijk, zooals te Tunis, geen spoor en bijna
met verbazing beschouwt men de moskee El-Djedid met haar in 't felle
zonlicht schitterende muren en met een halve maan gekroonde koepeldaken
op de Place du Gouvernement, juist tegenover het ruiterstandbeeld
van den hertog van Orleans, alsof men dit gebouw nu het allerminst
hier verwachtte. Eigenlijk is het niet meer dan natuurlijk, dat de
stad Algiers haar oorspronkelijk karakter nagenoeg geheel verloren
heeft, zoo men bedenkt dat de Franschen zich daar het eerst gevestigd
hebben. De bezetting dateert van 1830.

In dat jaar had in de kasbah van den bey de befaamde audiëntie plaats,
verleend aan den Franschen consul. Deze had zich over eenige rooverijen
en andere schendingen van 't volkenrecht door Algerijnsche onderdanen
ernstig te beklagen, welke klachten door den despoot met zeer ongepaste
woorden beantwoord werden. In zijn toorn liet hij zich zelf vervoeren,
den consul met zijn waaier in 't aangezicht te slaan, een daad, die
hem zijn heerschappij kostte. Daar elke voldoening geweigerd werd,
landde een Fransch leger onder maarschalk Bourmont aan de kust,
maakte zich zonder veel moeite van de stad en omgeving meester en
zette den bey af. Nog heden ten dage toont men op de kasbah aan de
vreemdelingen het Pavillon du coup d'éventail, waar die gedenkwaardige
audiëntie plaats greep. De omstandigheid, dat Algiers de residentie
der geheele kolonie werd, droeg er eveneens toe bij de stad meer en
meer Fransch te maken in de 70 jaar, sinds de bezetting verloopen.

Bovendien is Algiers zeer gezocht, om het heerlijke klimaat als
winterverblijf, door tallooze vreemdelingen, een reden te meer,
waarom het inlandsche element op den achtergrond treedt.

De ligging aan een ruime baai, die het volle uitzicht op de zee
verleent en met haar rechteroever in een zachten boog naar het
Noord-Oosten loopt, is eenig schoon.

Niet weinig dragen daartoe bij de twee voorsteden, Mustapha inférieur
en Mustapha supérieur, juist in die boog gelegen, de landstreek
aan zee en de glooiende heuvels bedekkend met vroolijke landhuizen
en prachtvolle villa's, afgewisseld door welige boomgroepen en
boschpartijen. De beide Mustaphas worden bij voorkeur door de
vreemdelingen gezocht.

Ook de gouverneur-generaal van Algerië heeft zijn zomerpaleis in
Mustapha supérieur. Op een heuvel gelegen, biedt het, tusschen de
breede bladeren der palmen door, een verrukkelijk uitzicht op de zee en
is door een uitgestrekt park omgeven. Voor den ingang staan op zuilen
de marmeren busten van eenige vroegere gouverneurs, meest militairen,
die een groot aandeel gehad hebben in de verovering. Men leest de namen
van Bugeaud, den grooten generaal-pacificateur, Randon, Mac-Mahon,
Chanzy, die Frankrijks eer en wapenroem redde in den rampspoedigen
veldtocht aan de Loire, en van zoovele anderen. Tegenover het
paleis vindt men het museum van oudheden, met vele schatten op
oudheidkundig gebied, door de opgravingen der laatste 25 jaren aan
't licht gebracht. In 't bijzonder zijn hier eenige zeer fraaie
mozaïeken te zien, geheel ongeschonden en van groote afmeting. Deze
komen in grooten getale in Algerië voor.

Het mooiste in de omstreken van Algiers, en geen vreemdeling verzuime
dit te gaan zien, is de Botanische tuin van le Hamma.

Op korten afstand van de stad, onmiddellijk aan zee gelegen, is
deze tuin eenig in haar soort, en hij wordt slechts door dien van
Buitenzorg overtroffen. Van al de proeftuinen, overal in Algerië door
de Franschen aangelegd, is deze tuin van Hamma (zoo wordt hij genoemd
naar een dorpje in zijn nabijheid) de oudste en de belangrijkste. Door
een breeden schaduwrijken rijweg omgeven, bedraagt de uitgestrektheid
84 hectaren, welke in twee deelen verdeeld is, waarvan het aan zee
gelegen gedeelte den eigenlijken tuin uitmaakt, terwijl het andere
bestaat uit met verschillende houtsoorten bewassen heuvels. De ingang
is in de onmiddellijke nabijheid der zee, op een historische plek. Want
in 1541 mislukte hier een strafexpeditie van Karel V tegen den dey van
Algiers. Zijn kostbaar uitgeruste vloot werd door geweldige stormen
deels op het strand geworpen, deels door de zee verzwolgen. Zelfs met
moeite gelukte het den machtigen keizer zich te redden. Het heerlijke
klimaat van Algiers kwam den tuin zeer ten goede en bracht de vele
uitheemsche tropische gewassen tot snellen wasdom. Bij 't binnenkomen
betreedt de bezoeker een der vier prachtige lanen, die deze tuin rijk
is en die hem in verschillende richtingen doorkruisen.

Het is de palmenlaan, afwisselend bestaande uit Amerikaansche
palmen die de aandacht trekken door hun forschen, knoestigen stam en
kolossale waaiervormige bladen, en uit kaarsrechte, slanke dadelpalmen,
hun wuivende kruin hoog in de reine lucht verheffend. Voorts is er
een laan eeuwenoude platanen, van den voet tot hoog in de takken
met klimop omrankt. In de bamboes-laan buigen de stammen met het
dun uitloopende eind naar elkander toe tot zij elkander aanraken,
zoodat het den bezoeker toeschijnt als wandelt hij in het schip eener
kathedraal. Het meest wordt hij echter getroffen door de prachtige
laan van ficussen, 20 minuten gaans lang, waar elke boom afzonderlijk
een weelde der oogen is. Vijftien tot twintig luchtwortels, meer of
minder dik, hangen bij den stam neer, omstrengelen hem met forsche
omarmingen, of richten zich bij den voet weer omhoog, zoodat het geheel
een grillig complex van wortels en takken vormt, overschaduwd door
de machtige bladerkroon. Men is verrukt door de zeldzame sycadaëen,
door de musa's met hun breede, laag neerhangende bladeren en purperen
vrucht. Een wonderlijken indruk maakt de pinangboom, met kegelvormigen
stam, licht grijs van kleur, hard en glad als steen. In 't bijzonder
munt deze tuin uit door het groote getal exemplaren van eene zelfde
boomsoort in één groep bijeengeplant. Zoo ziet men b.v. een groep
van 40 verschillende palmen uit alle deelen der wereld afkomstig. Op
groote schaal worden in den tuin allerlei gewassen aangekweekt,
die door de kolonisten in cultuur kunnen gebracht en voor hen tegen
matigen prijs verkrijgbaar worden gesteld.

De provincie Algiers is de vruchtbaarste van geheel Algerië en
wordt door de provincie Oran alleen wat betreft den rijkdom van graan
overtroffen. De tel, het bebouwbare land, heeft er de grootste breedte
en de vlakten van de Sahel en van de Metidja leveren de grootste
verscheidenheid van producten op. Rijk aan wijn, heeft dit edele
vocht al sinds jaren in geheel Europa, ook in ons land het burgerrecht
verkregen. Keeds in 1865 bedroeg de uitvoer 3 millioen H.L. en in jaren
van misgewas zijn de wijnboeren uit Frankrijk blijde, hun voorraad uit
de Algiersche wijnen te kunnen aanvullen. Overal in de omstreken van
Algiers uitgestrekte velden met Europeesche groenten en breedbladerige
artisjokken, waarmede des winters de markt van Parijs voorzien wordt.



Niet alleen om hare snelle, gestadige ontwikkeling, maar ook uit
een politiek oogpunt neemt de provincie Oran, meer dan de andere, de
aandacht van het bestuur van Algerië en van de regeering te Parijs in
beslag. Zij is niet veilig tusschen twee andere gelegen, als Algiers,
grenst evenmin aan een land als Tunis, waarover Frankrijk door zijn
protectoraat de beschermende en strenge hand uitstrekt, maar heeft
tot nabuur het woelige Marokko, waar de heerscher slechts in schijn
gezag uitoefent. Vooral in 't zuiden zijn de nagenoeg onafhankelijke
Bedouïnenstammen, die zich aan bevelen en vertoogen uit Fez niets
gelegen laten liggen, bij voortduring een onrustig en beroering
brengend element.

Want ook in 't Zuiden der provincie Oran wordt onverdroten voortgegaan
met het scheppen van oasen en het devies van generaal Bugeaud
opgevolgd: "refoulez le désert." Langzamerhand heeft Frankrijk zich
reeds op vreedzame wijze gevestigd op verschillende punten in de
Marokkaansche Sahara, met 't oog op den verbindingsweg dwars door
die woestijn naar den Niger en om zijn invloed in Marokko uit te
breiden. Onlangs nog is met de noodige praal, in tegenwoordigheid van
den minister Etienne en den gouverneur-generaal Jonnart, de spoorweg
geopend naar het zuidelijkste punt in de Sahara, een heel eind voorbij
Figuig, naar Colomb-Bechar, hetgeen op de nog voor zoo korten tijd
oproerige Bedouïnen een beslisten indruk gemaakt heeft.

Rust heeft het gouvernement voor de provincie Oran en hare grenzen
noodig, rust en vrede voor hare reusachtige ontwikkeling. De hoofdstad
Oran is de eerste handelstad van de kolonie. Telde zij in 1866
vier-en-dertig-duizend inwoners, dit aantal was in 1886 verdubbeld en
bedroeg in 1901 reeds over de 100,000. Slechts Amerikaansche steden
bieden hiervan een voorbeeld. De voorstad Karguentua is de eigenlijke
handelstad. Van daar uit wordt met de haven, die een deel uitmaakt van
de nieuwe Fransche stad, een druk verkeer onderhouden. Treinen stoomen
af en aan, en van 's morgens tot zonsondergang trekken de volgeladen
sleeperskarren, met 5 à 6 paarden voor elkander gespannen, in lange
rijen door de hoofdstraten naar de kaden. Want voor den uitvoer van
graan en wijn is de provincie Oran de belangrijkste. Ten Westen van
de Fransche stad ligt het oudste gedeelte van Oran, de vroegere
Spaansche stad, aan den voet van den steil uit zee oprijzenden,
barren Djebel-Mordjado, bekroond door het fort en de kathedraal van
Santa-Cruz. Niet alleen in de stad Oran, maar in de geheele provincie
is het Spaansche element sterk overwegend, geen gering punt van zorg
voor de regeering. Aan de haven en kaden, in de hoofdstraten, waar
het verkeer het drukst is, wemelt het van lieden uit de volksklasse
van allerlei slag, voerlieden, schepelingen, sjouwerlieden en
arbeiders, die zich door hun luidruchtig, schreeuwerig optreden
en barbaarsch, rauw klinkend mengelmoes van Spaansch en Arabisch
als niet-Franschen doen kennen. Vooral de koetsiers zien er met hun
kort geknipte stoppelbaarden en weinig verzorgde kleeding als echte
bandieten uit. Van vijf tot zeven uur in den namiddag heerscht er in
de hoofdstraten een vrij wat aangenamer drukte. Op de Promenade de
l'Etang, heerlijk aan zee gelegen, bewegen zich talrijke wandelaars
met hunne dames in lichte, kleurige toiletten, die komen luisteren
naar de militaire muziek in het Casino der officieren op de Place
d'Armes. Op den Boulevard Seguin, met fraaie, ruime winkelmagazijnen,
moet men voetje voor voetje gaan en heeft men ruimschoots gelegenheid
de Spaansche schoonen te bewonderen, die met kleinen, sierlijken
voet over de trottoirs schijnen te zweven en wier donkere, vurige
oogen en blauwzwarten haartooi op bewoners van noordelijker streken
zoo'n diepen indruk maken. Het Spaansche karakter, dat Oran zoo
sterk vertoont, is nog een overblijfsel uit vroeger eeuwen. Want
van 1509 af, toen de troepen van Kardinaal Ximenes Oran veroverden,
is de stad meer dan eens met tusschenpoozen geruimen tijd in 't bezit
der Spanjaarden geweest. Maar dat alles behoort tot het verleden, want
nooit konden zij er zich op den duur handhaven en het eenige monument,
dat aan de Spaansche bezetting herinnert, is het fraai uitgevoerde,
in steen gebeitelde Spaansche wapen boven de kasbah der stad. Maar
dit is door den tijd verweerd, geschonden, gebarsten en verbrokkeld,
een treurig beeld van alles wat Spanje hier en elders over de geheele
wereld ondernam op koloniaal gebied.

Ver in 't Westen der provincie Oran, in de nabijheid der Marokkaansche
grens, ligt de oude emirstad Tlemcen, een heilige stad. Zij is in
zekeren zin voor Tunesië en Algiers, wat Mekka voor Arabië, en Fez
voor Marokko is. Eens de trotsche residentie van de machtige koningen
van Tlemcen, ging in de onophoudelijke binnenlandsche twisten veel
van haar ouden luister verloren, maar in tegenstelling met bijna alle
andere emir-residenties uit de binnenlanden, wist zij zich toch tot
in den nieuweren tijd staande te houden. Gelegen in een uitgestrekt
bergland, dat op sommige plaatsen een hoogte van bijna 2000 M. bereikt,
biedt zij door haar sterke muren en voordeelige ligging den Franschen
een welkom steunpunt in de nabijheid der Marokkaansche grens. Tlemcen
bezit eenige zeer merkwaardige gebouwen.

De oude Medersa, Arabische school, is vervallen, maar werd door de
Fransche regeering gerestaureerd en is tot museum ingericht. Gesteund
door prachtige zuilen van onyx, bestaat het gewelf en de bogen
daarvan uit het fransche stucadoorwerk, met tallooze Arabische
spreuken, woorden en karakterteekens bezaaid. Het werken in stuc is
een kunst, waarin de Arabieren een hoogte bereikt hebben, die later
nooit overtroffen is en waarvan men vooral in Tlemcen en omgeving
de schoonste specimina kan bewonderen. Op sommige plaatsen zijn de
fijne krulletters bijna ter lengte van een vinger ingesneden. Dat
Tlemcen een heilige stad voor de Arabieren is, bemerkt men uit
de vele gekoepelde minarets, die boven de stad zelve en overal
boven de verschillende dorpen in de omgeving verheffen. De mannen
meten den giaour (christenhond) met somberen, trotschen blik, de
vrouwen wikkelen zich bij eene ontmoeting dichter in haren sluier of
wenden met een minachtend schoudergebaar het hoofd af. Het grootste
heiligdom in den omtrek is de moskee van Sidi-Bou-Medine, in het dorp
van dien naam op eenige uren van Tlemcen, dat men bereikt langs den
schilderachtigen waterval van de Mefrouch-el-Ourit, die zich schuimend
met breeden stroom in twee trappen in het dal stort. Het heiligdom
van Sidi-Bou-Medine is er een, een groot marabout waardig. Reeds het
trotsche voorportaal, weder geheel uit fijn bewerkt stuc opgetrokken,
wekt de hoogste bewondering, die nog stijgt als men den ruimen tempel
zelf binnentreedt, onder geleide natuurlijk. Een marmeren preekstoel en
een mihrab van stuc zijn van zeer ouden datum. De mihrab ontbreekt in
geen enkele Arabische moskee. Het is een boogvormige nis in den muur
aan de oostzijde van den tempel, naar den kant naar Mekka gekeerd,
waarheen de Arabier bij 't verrichten van zijn gebed het aangezicht
wendt. Aan de zoldering der moskee hangen talrijke kroonluchters van
glas en koper, waaronder sommige zeer oud en van hooge waarde.

Ten Oosten van Tlemcen liggen, dicht bij de stad, de overblijfselen
van den ringmuur van het oude Mansourah. Met ruig struikgewas begroeid,
waaruit hier en daar afgebrokkelde kanteelen opsteken, omspannen zij de
stad in een wijden boog, doorsnijden vruchtbare akkers en schaduwrijke
olijfboomgaarden. Zij herinneren aan een episode uit den strijd
tegen de vijandelijke emirs, die zoo dikwijls het overheerschende
Tlemcen met verderf en verwoesting bedreigden. De emirs Yacoub en
Youssef belegerden de stad en hadden gezworen haar met den grond
gelijk te maken. Dapper verdedigd door den koning, werden echter
drie achtereenvolgende stormaanvallen afgeslagen. Toen bemerkten de
inwoners op zekeren morgen bij 't ontwaken, dat er om den ringmuur
hunner stad een tweede muur gebouwd was, die al hooger en hooger werd.

Achter dien ringmuur verhief zich weldra de massieve toren eener
reusachtige moskee, daarna paleizen voor de belegerende emirs, huizen
voor hunne bevelhebbers, voor het voetvolk en voor de ruiterij,
stallen voor de paarden en ten slotte woningen voor allen, die zich
in de nieuwe stad kwamen vestigen. Want een stad was het, Mansourah
genaamd, die zich om het in 't nauw gebrachte Tlemcen, belegerd,
van alle verbinding afgesneden, in een omtrek van 3400 M. verhief,
een nieuwe stad, die aan de oude den dood gezworen had. Acht lange
jaren duurde de belegering. Maar het was niet het belegerde Tlemcen,
dat met den grond gelijkgemaakt werd, maar hare jeugdige, trotsche
mededingster. Zóó groot was de haat der inwoners van Tlemcen tegen de
overwonnen stad, dat zij na de verwoesting den inwoners op straffe
des doods verboden, ooit haren naam weder uit te spreken, en ook nu
nog durft de Arabier, die te midden der grootsche bouwvallen woont,
door den vreemdeling ondervraagd, nauwelijks met fluisterende stem
den naam "Mansourah" uitspreken.

Maar, is Mansourah verwoest, ook de macht der koningen van Tlemcen
nam een einde, en met verbazing aanschouwt de vreemdeling de
overblijfselen van Bab-el-Karmdir, het oude paleis dier koningen, dat
eens een cyclopisch indrukwekkend bouwwerk geweest moet zijn, zooals
de verlaten ingestorte torens, muurstukken en bolwerken nog bewijzen.

De geheele omgeving en de geschiedenis der oude emirstad Tlemcen
wekken bij den bezoeker eigenaardige gewaarwordingen en gedachten
op. Zij schijnt hem een beeld te zijn van het Mohammedanisme aan
Afrika's noordkust, van haren verdwenen invloed en heerschappij,
waarvan ook slechts bouwvallen over zijn. Is niet het beeld van
verwoesting aldaar hetzelfde, wat men overal in de streken van den
Islam aantreft, verdelging van alles wat niet tot haar behoort? En
doet niet dat Tlemcen, in zijn trotsche afzondering te midden van
bijna ontoegankelijke bergen, met zijn fanatieke, zelfgenoegzame,
indolente bevolking, met de torens van zijn eeuwenoude moskeeën,
zijn graven van marabouts en heiligen, met al de bouwvallen van zijn
vroegere grootheid, denken aan het Mohammedanisme, dat ook meende,
dat het steeds op de hoogte van zijn macht zou blijven tronen en dat
de loop der geschiedenis, de stroom der wereldgebeurtenissen steeds
aan hetzelve zouden voorbij gaan. Maar de wereldgeschiedenis stoort
zich niet aan 't geen de volken willen, maar vervolgt onweerstaanbaar
haren loop. Zoo verdween de Muzelmansche heerschappij, om plaats te
maken voor de Christelijke, de Westersche, de Fransche. En geenszins
ten nadeele van land en volk. Want als er één indruk, één waarheid is,
die de vreemdeling bij zijn vertrek uit Tunis en Algiers medeneemt,
dan is het wel deze, dat de Fransche bezetting voor die landen een
zegen is. Voor land en volk beiden. Door het zwaard gewonnen, hebben
de Arabieren deze landen ook weder door het zwaard verloren. Maar
de Franschen hebben van hun overwinning een geheel ander, een beter
gebruik gemaakt, dat in den loop der jaren land en volk tot heil, hun
zelven tot eer, de menschheid en de beschaving tot voordeel geweest is.



Pondichéry, hoofdstad van Fransch-Indië.

Naar het Fransch van G. Verschuur.

	Pondichéry, moeilijk te naderen over zee.--Witte stad en
	Indische stad.--Het Regeeringspaleis.--De hôtels in onze
	koloniën.--Engelsche enclaves.--De bevolking; de kinderen.
	--Bouwkunst en godsdienst.--Handel.--De toekomst van
	Pondichéry.--De markt.--De scholen.--Politieke koortshitte.


Een klein strookje gronds vertegenwoordigt op dit oogenblik het
belangrijkste gedeelte van 't geen Frankrijk heeft weten te behouden
uit zijn oud Indisch Rijk, dat thans een der machtigste koloniën van
de britsche kroon is. Op die alluviale strook gronds ligt de stad
Pondichéry, hoofdstad der fransche bezittingen, waarvan de groote
Dupleix zich gansch andere horizons gedroomd had.

Het bescheiden grondgebied van Pondichéry omvat niet meer dan 29145
H.A. De dépendances van wat men gewoonlijk Fransch-Indië noemt, zijn
de volgende vier: Chandernagor, Karikal, Mahé en Yanaon. Zij liggen
verspreid over verschillende deelen van het groote schiereiland,
de drie laatstgenoemde op korten afstand van het grondgebied van
Pondichéry, het eerste in de onmiddellijke nabijheid van Calcutta.

De gouverneur der Fransche nederzettingen in Indië woont te Pondichéry,
maar zijn ambt brengt mee, dat hij zich dikwijls moet verplaatsen naar
de verschillende andere fransche plaatsen, waar de leiding der zaken in
handen is van administreerende ambtenaren, die aan hem ondergeschikt
zijn. Het spreekt vanzelf, dat er verscheiden lagere ambtenaren zijn,
dat er een Plaatselijke Raad is evenals een Algemeene Raad, dat de
kolonie te Parijs een afgevaardigde in den Senaat heeft, zoowel als
in de Kamer, en dat op het grondgebied van Pondichéry de politiek
de spil is, waarom alles draait en de voortdurende zorg van iederen
dag. Wij zullen nog wel meer een woordje te zeggen hebben over die
noodlottige politiek, dien knagenden kanker, waarvan zeker geen enkele
fransche kolonie zooveel te lijden heeft als dat arme Pondichéry.

Laat ons eerst voet aan wal zetten, wat niet altijd gemakkelijk
gaat, als men, zooals met mij 't geval is, over zee aankomt. Daar de
golven dikwijls hoog gaan op de reede, kan de ontscheping soms zoo
moeilijk zijn, dat het onmogelijk wordt, gemeenschap met de kust te
krijgen. Het is vaak gebeurd, dat ten gevolge van het stormachtige
weer de paketboot, die Pondichéry aandoet op haar reis heen en
terug tusschen Colombo en Calcutta, niet met den wal gemeenschap kon
krijgen en zich genoodzaakt zag, met passagiers en lading haren weg
te vervolgen. Weinige jaren geleden heeft dat geval zich driemaal
achtereen voorgedaan. Met platboomde vaartuigen, _chelingues_
genoemd, die geen inhouten (ribben) hebben, nadert men de kust. Er
wordt aangelegd bij een pier, die 252 M. lang is en recht in zee
vooruitsteekt; staat de zee hoog, dan heeft men de behendigheid van
een acrobaat noodig, om zijn evenwicht te bewaren bij het vastgrijpen
van het touw, waarmee men de ladder kan bereiken. Om aan dien last te
ontkomen, geeft de toerist er veelal de voorkeur aan, zich per spoor
naar Pondichéry te begeven, want de kolonie is sinds 1877 aan het
groote Engelsch-Indië verbonden en staat door zijlijnen in verbinding
met de van Frankrijk afhankelijke gebieden.

Pondichéry is een vrijhaven. Levensmiddelen en koopwaren van allerlei
streken afkomstig, mogen over zee binnenkomen en uitgaan, zonder
eenige douanerechten te betalen, onverschillig onder welke vlag
zij varen. Alleen zout en opium zijn van deze gunstige beschikking
uitgesloten, want bij verdragen zijn die voortbrengselen verboden;
noch de productie ervan noch de handel erin zijn geoorloofd.

Moet ik de geschiedenis in herinnering brengen? Pottoutchéri
of Poultchéri, het "nieuwe dorp", door menschen van hooge kaste
Poudou-nagar of "Nieuw Kasteel" genoemd, is in 1693 gekocht van koning
Vidjayanagar door den beroemden commandant Martin, ter vergoeding voor
Sint-Thomas, waarvan de Hollanders zich hadden meester gemaakt. Het
dorpje van paria's nam snel toe in grootte en werd het middelpunt van
een aanzienlijke handelsbeweging trots de wederwaardigheden van zijn
politieke geschiedenis.

Al dadelijk in den aanvang werd het door de Hollanders vermeesterd;
maar in 1699 werd het ons teruggegeven. Daarna werd het viermaal door
de Engelschen belegerd; admiraal Boscawen werd in 1748 teruggeslagen
door Dupleix; in 1760-61 gaf Lally-Tolendal, door hongersnood
gedwongen, zich over, na een hardnekkigen tegenstand te hebben geboden,
en de vrede van Parijs in 1763 herstelde ons in het bezit van de stad.

In 1778 maakten de Engelschen zich er opnieuw van meester, om de stad
in 1785 bij den vrede van Versailles terug te geven en haar daarna
voor de derde maal in 1793 te veroveren. Voor goed herkregen wij deze
bezitting in 1816-17, met verbod er eenige versterking aan te leggen
of er een andere gewapende macht te onderhouden dan de politie.

De stad is in twee deelen verdeeld, de witte stad en de indische stad,
door een gracht gescheiden. De eerste, aan de oostzijde en aan zee
gelegen, is regelmatig gebouwd; de straten zijn breed en recht, wat
ook het geval is met de tweede, die echter over grooter uitgestrektheid
zich uitstrekt.

Ik kende Pondichéry, doordien ik er op een vroegere reis een week
had doorgebracht, en met waar genoegen zette ik er weer den voet
op vasten grond, na mijn aankomst aan die lange pier van slecht
ineengevoegde planken. Sinds mijn vorig bezoek was het aanzien
der plaats niet veranderd. Ik zie weer het nog al indrukwekkende
standbeeld van den grooten Dupleix, dat dichtbij het strand zich
verheft, en na eenige honderden meters te zijn voortgegaan, bereik
ik het Gouvernementspaleis, waar de tegenwoordige bewoner, dien ik de
eer heb te kennen, mij gastvrijheid heeft aangeboden. Ik voel er mij
te huis, want in de prettige kamer, die voor mij in orde gebracht is,
heb ik ook eenige jaren vroeger gelogeerd.

Het Gouvernementspaleis te Pondichéry is een alleraardigste residentie,
en de gouverneur, de heer Lemaire, is er, evenals zijn beminnelijke
echtgenoote, veel meer naar zijn zin dan in het sombere huis, dat ze
twee jaren geleden op Martinique bewoonden, waar ik 't genoegen had
hun een bezoek te brengen. De ligging en de indeeling van het huis
zijn uitstekend; het lange balkon, dat langs de groote ontvangzaal
loopt, biedt een verrukkelijk uitzicht over een groote, vierkante
ruimte, aan de overzij begrensd door een rij sierlijke en regelmatige
gebouwen, en als men er 's avonds gemakkelijk is gezeten, geniet
men met welbehagen dien verrukkelijken geur der tropische landen,
die een temperatuur bezitten, door 't verdwijnen van de zon heerlijk
en verkwikkend geworden.

Het klimaat van dit gedeelte van Indië is over 't geheel gezond. In
gewone tijden is de gemiddelde temperatuur 30° C. over dag en 26
's nachts. In de maanden December en Januari daalt zij tot 3 à 5°
C. over dag, terwijl van Mei tot September de thermometer tusschen 32°
en 40° C. staat; dat is de periode van de zeer heete westenwinden, die
op onaangename manier de lucht oververhitten. Het droge jaargetijde
duurt van het begin van Januari tot omstreeks den 15_den_ October;
de rest van het jaar heet dan de winter. In 't algemeen gesproken,
regent het zelden in dit deel van Indië; slechts in November en
December komt nog al dikwijls regen voor.

Als men te Pondichéry een zindelijk en goed verzorgd hôtel vond,
dat bij een goede keuken voor het moderne comfort zorgde, zou ik niet
aarzelen, de stad een zeer aantrekkelijk verblijf te noemen voor de
europeesche wintermaanden, wanneer zooveel menschen zich afvragen,
in welk hoekje van de wereld men aangenaam verblijven kan in zachte
lucht. Ongelukkig ontbreekt dit materiëele gerief; de beide hôtels,
die men er vindt, zijn beneden het middelmatige, en als men niet
van de gastvrijheid van bloedverwanten of vrienden kan genieten,
zal men er niet gauw toe komen, er eenigen tijd te vertoeven.

Het gebrek aan goede hôtels in de koloniën is onbetwistbaar een
hinderpaal voor de ontwikkeling van het toerisme. De Engelschen hebben
dat goed begrepen; nemen wij als voorbeelden de eilanden van de keten
der Antillen en de engelsche bezittingen in Azië. Op Trinidad, Jamaica,
Ceylon, in geheel Indië vindt men prachtige hôtels, even comfortabel
als ergens in Europa, en wat zien wij op Martinique, Guadeloupe, te
Nouméa, op Bourbon? Niets dan bescheiden herbergen! Daaruit volgt,
dat geen enkel toerist, die niet door een vriend is uitgenoodigd,
er langer blijft dan volstrekt noodig is. De arme stad Saint-Pierre
maakte in zekeren zin een uitzondering op den regel; men had er twee
nette, goed ingerichte en goed bestuurde hôtels, maar de uitbarsting
van den Mont-Pelé heeft ze voor altijd gesloten.

Al wandelend, nu eens door de stad zelve, dan in de omstreken
van Pondichéry, is het mij, of ik in een aardig provinciestadje
ben of ergens buiten, waar het mooi is. De woningen zijn sierlijk,
getuigen van een zekeren welstand en hebben een zindelijk voorkomen,
dat in verschillende andere koloniën ontbreekt. De gouverneur is zoo
goed geweest, een tweewielig wagentje, _pousse-pousse_, te mijner
beschikking te stellen, dat ik dikwijls in den morgen gebruik, en een
victoria, waarmee ik grooter afstanden kan afleggen, 's Avonds vóór
het diner zijn de heer en mevrouw Lemaire zoo vriendelijk, mij per
rijtuig in verschillende richtingen den omtrek te laten zien.

Wat die ritjes wel merkwaardig maakt is, dat ik nu eens over fransch
dan over engelsch grondgebied voortrol, en in een minimum van tijd dien
overgang verscheiden malen maak. Het grondgebied van Pondichéry is
door het tractaat van 1816 op de zonderlingste manier verdeeld, toen
de kolonie na verscheiden malen in engelsch bezit te zijn overgegaan,
voor goed aan Frankrijk kwam. Overal, tot voor de poorten der stad,
zijn enclaves van britsch grondgebied in het fransche land uitgesneden,
zóó, dat de Engelschen juist die hooge stellingen bezitten, die
geschikt zijn voor de plaatsing van batterijen. Hier behoort de weg
aan Engeland, terwijl de slooten onder fransche jurisdictie staan;
ginds behoort een waterplas tot Madras, terwijl het land, dat er door
geïrrigeerd wordt, onder Pondichéry ressorteert. Er is zelfs ergens
een stuk gronds, welks eigenaar onbekend is. De Engelschen zijn
bekwame politici; bij de sluiting van het tractaat van 1816 hebben
zij zich er niet mee tevreden gesteld, aan de fransche regeering de
verplichting op te leggen, nergens eenige versterking aan te leggen
en geen gewapende macht te onderhouden buiten de politie, maar zij
hebben ook het middel gevonden, het terrein zoo te splitsen en in
stukken te deelen, dat er hoeken volkomen onverdeeld zijn gebleven.

Wat mij onbegrijpelijk voorkomt is, dat na het dîner de stad geheel
uitgestorven is. Men strekt zich gemakkelijk uit op zijn balcon of in
zijn tuintje, maar gaat niet uit, en men schijnt er geen prijs op te
stellen, op de pier of aan het strand de zuivere versterkende zeelucht
te gaan inademen. Het is mij tweemaal gebeurd, dat ik 's avonds ging
wandelen en lange overpeinzingen hield op een bank van de pier; maar
ik heb geen enkelen Europeaan ontmoet. Alleen een inboorling heeft
mij aangesproken in een taal, die ik niet verstond; waarschijnlijk
vroeg hij een aalmoes.

Een dame, die ik den volgenden dag ontmoette en wie ik mijn verbazing
te kennen gaf over die wonderlijke afzondering, begreep niet, wat
ik voor bekoorlijks vinden kon in die rust van het tropische land
en dat gemis aan afleiding. Voor haar was het een leven als in de
hel; hoe miste ze haar Parijs! Ik heb later gehoord, dat haar man,
die ambtenaar was, verlof had gevraagd, daar zijn vrouw het klimaat
niet kon verdragen! Trouwens men zou een merkwaardig boek kunnen
schrijven over die quaestie van de verloven in de koloniën, alsook
over de verschillende redenen, die de belanghebbenden aanvoeren,
om ze te krijgen.

De bevolking van Pondichéry is zachtzinnig, onderdanig en beleefd. Welk
een treffend verschil met den onaangenamen neger, dien ik zoo dikwijls
heb bestudeerd op de Antillen en elders! Het zijn zelfs sympathieke
menschen, als men ze aan 't werk ziet op het veld, of hen gadeslaat
bij hun kleinhandel, rustig loopend zonder geraas te maken. De kinderen
kruipen over den grond, scharrelen langs de wegen tusschen de kippen,
en zijn talrijk in de struiken als de konijnen in Australië. Ik kan
niet laten, hen juweeltjes te noemen, als ik denk aan de europeesche
kinderen, die mij de laatste drie maanden het leven vergald hebben op
twee booten van de _Messageries Maritimes_. Die indische kinderen zijn,
net als maleische, chineesche en japansche, lief en aardig, schreien
nooit, en of er vijf of vijftig onmiddellijk bij u in de buurt zijn,
ge bespeurt hun aanwezigheid nauwelijks. Ik zie ze met genoegen aan,
die kleine onschadelijke negertjes, naakt als wormen, en die als eenig
kleedingstuk een touwtje om de lenden dragen, waaraan in 't midden
een soort van medaillon hangt bij wijze van vijgeblad, meestal uit
metaal vervaardigd, koper, zilver of goud, al naar het vermogen der
ouders. Wat heb ik hun vaak stuivers en lekkers toegegooid en wat
had ik een schik in hun lachende gezichtjes!

Men kan merkwaardige zedenstudies maken in die landen van overzee, waar
godsdienst en gebruiken zooveel van de onze verschillen. Verscheiden
malen reden wij 's avonds vóór den eten langs begrafenissen, waarvan
de schikking tot vermakelijke verrassingen aanleiding gaf. Eens
gingen we voorbij den stoet van een inlandsche vrouw van katholiek
geloof. Zij lag in groot toilet, met bloemen en sieraden getooid en
met zorg gekapt, op een, door de familie gedragen paradebed. Van een
doodkist was geen sprake. Ze gingen haar eenvoudig aan den schoot
der aarde toevertrouwen en haar met zand bedekken. Een anderen keer
zagen we een mohammedaansche begrafenis, door zang en muziek begeleid.

Het aantal tot den christelijken godsdienst bekeerde Indiërs is
nog slechts zeer gering. De groote meerderheid der inboorlingen
heeft den eeredienst van het Brahmaïsme bewaard, waar luidruchtige
feesten, processies met tamtams en andere muziekinstrumenten, die
een helsch lawaai maken, bij behooren. Den dag na mijn aankomst is
er een groot feest bij een Brahmaan van aanzien, waar de gouverneur
genoodigd is. Op het oogenblik, dat ons rijtuig vóór de woning
van den jubilaris stilhoudt, laat zich de _Marseillaise_ hooren,
en men voert ons naar de voor ons vrijgehouden zetels. Er wordt op
onze knieën een reuzenbouquet gezet, die misschien wel een meter
in omtrek is, en men hangt ons een krans van bloemen om den hals,
die ons niet weinig prikkelt. De locale kleur, versterkt door de
opgewonden uitroepen van de menigte, is typisch; maar de geuren,
die uit het publiek opstijgen, laten veel te wenschen over, te meer
daar bijna zonder uitzondering allen naakt zijn, op het vereischte
bandje of touwtje na. IJs en ijskoude dranken gaan overvloedig rond;
de warmte in de beperkte ruimte wordt ondragelijk; het is tijd dat
wij ons rijtuig en de open lucht weer bereiken.

Er zou tijd en veel geduld noodig zijn, om het verschil te leeren
kennen in de gewoonten en wetten en maatschappelijke vormen, geldend
voor de onderscheiden kasten van Brahmanen, en die hen in streng
afgesloten klassen splitsen. De een zal nooit dit doen, de ander
nooit dat; een handwerk, door deze kaste uitgeoefend, mag door een
andere kaste niet worden ter hand genomen. De taak voor iedere kaste
is zoo nauwkeurig voorgeschreven, dat het bepaald absurd wordt in
onze oogen, en het komt mij voor, dat er zelfs voor deze menschen een
lange, moeilijke leertijd wordt vereischt, als zij zich niet zullen
schuldig maken aan eenige inbreuk op de velerlei voorschriften van
hun godsdienst.

Bouw- en beeldhouwkunst hebben het in de gebouwen, die aan den
hindoeschen en den brahmaanschen godsdienst zijn gewijd, tot een
zeldzame hoogte gebracht. Vele auteurs hebben ze reeds beschreven;
maar toch schijnt het ons van belang, erop te wijzen, dat die van Indië
door de artistieke zijde van hun architectuur en den rijkdom van hun
versiering uitmunten boven vele tempels, die wij in andere landen
van Azië hebben kunnen bezoeken. Men vindt wel niet te Pondichéry
zulke prachtige tempels als te Tanjore, Trichinopoly en Madura, maar
dat neemt niet weg, dat die van Villenour en andere plaatsen in den
omtrek een nauwlettend bezoek verdienen.

Ik ben verscheiden malen naar dien van Villenour gegaan, die op
eenige kilometers afstands van de residentie is gelegen. Een zeer
groote wagen of kar onder een breed afdak, die nu en dan dienst doet
bij processies voor den eeredienst, geeft blijk van de bekwaamheid
van deze inboorlingen en hun kunstvaardigheid in het handwerk. Die
wagen, geheel van hout gemaakt, stelt een gansche boeddhistische
geschiedenis voor, door middel van fijne werktuigen gegraveerd in
vierkante blokken van dezelfde afmeting en aan elkander sluitend met
onberispelijke symmetrie. Het gewicht van het geheel moet verbazend
zijn, want op de hooge feestdagen zijn er 1200 à 1500 menschen noodig
om het kolossale voertuig te trekken.

De kunstvaardigheid van deze inboorlingen is nog niet verloren gegaan,
zooals men geneigd zou zijn te veronderstellen, als men bespeurt
dat al die indische tempels tot de oudheid opklimmen, en dat men in
onze dagen nooit eens den bouw van een nieuw, even grootsch bouwwerk
bijwoont. Ik heb er het bewijs van gezien, toen de gouverneur mij
naar een plaats bracht dichtbij Villenour, waar wij een wagen zagen,
die bijna af was en met evenveel talent vervaardigd was, als die uit
voorbijgegane tijden.

Het ware meesterstuk, dat wij voor oogen hebben, is uit zeer hard
hout gesneden en stelt met merkwaardige fijnheid een boeddhistische
processie voor, waarvan ons de beteekenis natuurlijk ontgaat, maar
die ons met bewondering vervult. Een inlandsch beambte legt ons uit,
dat er ten minste 500 menschen zullen noodig zijn, om den wagen te
trekken. Hij laat ons het touw zien, dat men zal moeten gebruiken;
het is zoo dik als een reuzenslang. Wij waren het niet alleen, die in
verrukking raakten over dit mooie werk; een hoop kinderen omringde ons
en was vervuld van eerbied. Ik vermoed, dat de heer Piot voldaan zou
zijn over een bezoek aan een land, waar zijn leer zooveel aanhangers
heeft gevonden.

Wat Pondichéry en de grond, die er bij behoort, aan
landbouwvoortbrengselen opleveren, beteekent weinig. De geheele
uitvoer heeft slechts een waarde van 27 à 28 millioen francs; katoenen
weefsels zijn daarin opgenomen voor een som van bij de 9 millioen
en de aardnoten voor 15. Volgens het jaarverslag van 1904 hebben 48
stoombooten van verschillende nationaliteit 581562 zakken aardnoten
ingenomen van 75 kilo per zak. De aardnoten worden ook in den vorm
van aardnotenkoeken uitgevoerd. Verleden jaar is de uitvoer van dit
artikel gestegen tot een totaal bedrag van 4376 ton, hetgeen een waarde
vertegenwoordigt van bij de 400,000 francs. Daarna volgen de katoenen
weefsels, die in de laatste statistiek voorkomen voor de som van bij
de 9 millioen; de rijstsoorten voor 2 1/4 millioen en de huiden voor
1 1/2 millioen francs. De andere uitvoerartikelen bereiken slechts
een onbeduidend cijfer. Er wordt een kleine hoeveelheid vanille
uitgevoerd, zooals ook kokosnoten en vruchten. Het verbouwen van
aardnoten heeft in den laatsten tijd een groote vlucht genomen en zou
nog aanmerkelijk kunnen toenemen. Die handel is voortaan een zaak van
gewicht voor Fransch-Indië, daar Pondichéry voor die oliehoudende
zaden een groote opslagplaats geworden is, die niet enkel gevoed
wordt door de directe voortbrenging in de buurt; reeds beginnen de
producten uit de omliggende engelsche bezittingen toe te stroomen,
waardoor de handelsbeweging vertienvoudigd wordt.

De landbouwers uit het Zuiden van Indië, vooral uit de provincie
Tanjore en uit de omstreken van Trichinopoly maken meestal voor hun
verzendingen gebruik van Pondichéry, daar het de beste haven van de
kust is, minder dan Madras aan cyclonen blootgesteld. De laatste,
waarvan men de herinnering nog heeft behouden, is die van 1863;
zeven schepen, die op korten afstand van het strand ten anker lagen,
werden verzwolgen bij de groote ramp.

Wat de vanille aangaat, men is er met de cultuur nog pas sinds een
dozijn jaren bezig; vrij groote velden zijn ermee beplant in den
Kolonialen Tuin, waar de onderdirecteur mij wel de inlichtingen wil
geven, die mij belang inboezemen. In het begin had men met groote
zorgeloosheid te strijden. De inboorlingen, die bij het kweeken van
het kostbare gewas gebruikt worden, moeten voortdurend onder toezicht
zijn; in het begin lagen massa's vanille in kisten te verrotten, alsof
er een hoop hooi in lag. De tegenwoordige gouverneur heeft er orde
op gesteld, zooals uit de verkregen resultaten blijkt. De vrucht van
Pondichéry is dunner dan die uit Mexico en van Réunion, maar de geur
der stokjes doet naar mijne meening niet voor de andere onder. De
vanille wordt hier voor tien roepijen, dat is 17 francs, per kilo
verkocht. Er zijn te Pondichéry kweekers met een ruim geweten, die hun
welverzorgden en goed ingepakten oogst naar Bourbon hebben gezonden,
om van daar als echte Bourbonvanille naar Europa te worden verscheept.

De geheele bevolking van de fransche nederzettingen in Indië bedroeg
op 31 December 1903 het aantal van 273748 inwoners, onder wie slechts
1408 Europeanen, en wel 492 mannen, 546 vrouwen en 370 kinderen. De
europeesche bevolking wisselt natuurlijk voortdurend, daar de meesten
slechts zeer kort in de kolonie blijven. Dit geldt vooral van de
ambtenaren en hun gezinnen, wier _chassé-croisé_ over alle oceanen
voldoende bekend is. Het aantal Europeanen of kleurlingen, die er
wortel hebben geschoten en behagen vinden in de carrière, welke zij
hebben gekozen, of in den handel, waarin zij bezig zijn, is slechts
zeer klein. Men kan de vooroordeelen van een volk niet veranderen,
zoo min als de begrippen, die gangbaar, zijn in het moederland. Een
kolonie is nu eenmaal een oord van ballingschap, en het klimaat moet er
noodzakelijk ongezond zijn. En hoeveel menschen, veroordeeld om in het
land, dat hen heeft zien geboren worden, te leven in een voortdurenden
strijd ter verkrijging van de meest dringende levensbehoeften,
zouden zich een veel vrijer en ruimer bestaan kunnen verschaffen,
als zij, zoo zij vlijt en volharding bezaten, besloten het routinejuk
af te schudden, en iets te ondernemen, 't zij landbouw of handel,
in landen van onbetwistbare vruchtbaarheid, waar men nog zooveel
handen kan gebruiken! Voor den groothandel, de banken, industriëele
ondernemingen zouden er onmetelijke velden te exploiteeren blijven.

Wij behoeven slechts een afstand van 160 kilometer per spoor af
te leggen, om Madras te bereiken, gelegen aan diezelfde kust van
Coromandel, en we stappen uit in een groote handelsstad, waar het
drukke leven zich in allerlei vormen voordoet, en waar men alles
kan genieten, wat een bloeiende europeesche stad aanbiedt. Bombay en
Calcutta zijn evenals veel steden van het Uiterste Oosten volkrijke,
bloeiende centra, die in niets onderdoen voor de groote steden
van onze oude wereld, en zij, die er zich gevestigd hebben in den
handel, het bankwezen of de industrie, klagen niet over de zoogenaamde
ballingschap. Trouwens in veertien of achttien dagen voeren de trein
en de paketboot hen naar den geboortegrond terug voor een kleine
vacantie, waartoe gemakkelijk besloten wordt door die inwoners,
wier middelen hun de onbeteekenende verplaatsing toestaan.

Als men het leven van den inboorling nagaat met het oog op zijn
behoeften en zijn intellectueele ontwikkeling, moet men wel inzien,
dat hij veel gelukkiger is dan menig Europeaan of kleurling, die
verkeert in wat wij overeengekomen zijn, beter levensomstandigheden
te noemen. Wij vinden hem doorgaans vroolijk en tevreden; hij klaagt
zelden, leeft op de primitiefste manier, wonend in een krotje of hutje
met zijn meestal talrijk gezin, zich dekkend met een strook stof,
die hem eenige stuivers heeft gekost, zich op de soberste manier
voedend met de producten, die hij dikwijls zelf verbouwt zonder zorg
voor den komenden dag. Is zoo'n man uit philosofisch oogpunt niet
veel gelukkiger dan de meesten onzer?

Een van mijn grootste genoegens in de koloniën bestaat in een
bezoek aan de markt, dien levenden kaleidoscoop, die altijd een
verschillend veld van waarnemingen is, al naar de omgeving waarin men
zich bevindt. De markten van Indië bieden niet zoo'n weerzinwekkend,
kwalijk riekend schouwspel als de markten in negerlanden. De menschen
zijn er minder vuil en maken minder leven dan de zwarten van de
Antillen of Zuid-Amerika; zij passen met hun bonte doeken bij hun
omgeving, die niet zoo carnavalachtig is als ginder. Rood is de meest
geliefde kleur; men zou bijna kunnen zeggen de eenige, door mannen
en vrouwen gedragen, zoowel wanneer zij zich een groot deel van het
lichaam bedekken, als wanneer ze zich tot een eenvoudigen band bepalen,
aangebracht naar de wetten der welvoegelijkheid.

Hier ook weer is er geen gebrek aan kinderen; maar de ouders behoeven
zich niet om hen te bekommeren, want het talrijk kroost kan het goed
vinden met de kippen aan den weg, en verdwaalt niet in de drukke
menigte. Wat ik vurig hoop voor de inlandsche bevolking van Pondichéry
en zelfs voor heel Indië, is dat men er de invoering van automobielen
verbiede, die er zeker spoedig veel kwaad zouden stichten. Ten tijde
van mijn verblijf in de kolonie had een parijsch automobielfabrikant
zich tot een ambtenaar in Pondichéry gewend, om inlichtingen te
erlangen omtrent de mogelijkheid, het moordend instrument er in te
voeren. De inboorling heeft de betreurenswaardige gewoonte, altijd
op het midden van den weg te loopen, en zelfs als men in een gewoon
rijtuig zit, moet men herhaaldelijk roepen, om hem naar den een of
den anderen kant van den weg te doen gaan; wat de kinderen betreft,
ze loopen voortdurend gevaar, in stukjes te worden gereden. Nergens
ter wereld hebben de koetsiers zulk een moeilijke taak bij het mennen
van hun paarden. Wat zou er gebeuren, als men op een dag den invoer
van die wagens toeliet, die, al zouden ze enkele bevoorrechten
gelukkig maken, een moorddadige werking zouden uitoefenen en de
bevolking zouden decimeeren! De Europeaan zou, ook al kon bij zich
bergen en zijn bestaan verdedigen, oproerige kreten uiten bij het
zien van het monster, vooral om den aard van den grond. De bodem in
het zuiden van Indië verkruimelt tot een rood poeder, dat bij het
geringste zuchtje van den wind in wolken opvliegt. Nu reeds in onze
europeesche landen het stof, door dit middel van vervoer opgejaagd,
vrij gerechtvaardigde klachten doet rijzen, zou men te Pondichéry
ware wanhoopskreten slaken. Hoe dikwijls is het mij gebeurd, dat ik
na een wandeling van een paar uur moest constateeren, dat mijn wit
costuum een saffraan kleurige tint had gekregen!

De heer Delale, hoofd van het openbaar onderwijs, is zoo welwillend,
mij tot gids te strekken bij het bezoek, dat ik mij voorgesteld had
te brengen aan de voornaamste scholen van de stad. De quaestie van
het onderwijs, dat in de koloniën aan de inlandsche bevolking wordt
gegeven, heeft mij altijd veel belang ingeboezemd en leidde mij tot
merkwaardige vergelijkingen. Er zijn koloniën, waar het oprechten
lof verdient, en andere, waar het, eerlijk gezegd, bedroevend is,
waar het op niets, op geen onderwijs neerkomt. Te Pondichéry, waar
verscheiden scholen zijn, heb ik aan vijf een bezoek gebracht. Het
onderwijs staat onder het toezicht van een zeer intelligenten leider,
die uitstekend samenwerkt met den gouverneur. Wat mij het meest heeft
getroffen, is de practische manier, waarop de onderwijzers in de
jeugdige hersens de dingen doen doordringen, die hun onderwezen moeten
worden, niet door het domme systeem van machinaal de kinderen zinnen
te laten herhalen, die ze niet begrijpen, maar door het kraantje van
hun intelligentie te openen door verklaringen, die ze kunnen vatten,
en die ze daarom niet vergeten. In die verschillende scholen ga ik door
alle klassen heen en vraag verlof, die kinderen te mogen ondervragen,
die toeval of intuïtie mij doen kiezen, daar ik altijd de keus van een
onderwijzer een beetje wantrouw in de gevallen, dat de school aan een
bezoeker moet worden vertoond. Het is mij aangenaam te kunnen zeggen,
tot eer van den heer Delale, dat het bezoek aan die inrichtingen
te Pondichéry zeer goede herinneringen bij mij heeft achtergelaten,
en dat het te wenschen ware, dat men in enkele andere koloniën zijn
goede methode volgde en tevens het aanhoudende toezicht, dat hij
uitoefent in het hem toevertrouwde departement.

In de laatste school, die ik bezocht, en die alleen voor jonge
meisjes bestemd is, woonde ik verschillende naailessen bij, waar het
werk op zeer lofwaardige wijze werd gedaan. Ik ben verbaasd over de
gemakkelijkheid, waarmee die meisjes in goed Fransch antwoorden op
de vragen, die ik tot haar richt. In Engelsch-Indië had ik in twee
scholen kunnen opmerken, dat de kinderen zich bijna alleen in hun
moedertaal konden uitdrukken, doorspekt met enkele engelsche woorden,
verhaspeld op een wijze, die ze onbegrijpelijk maakte.

Ach, indien het mogelijk was, al die kinderen in hun vroegste jeugd
te doen begrijpen, dat er een studie is, waar de hersens door in de
war raken en die de rust des levens verwoest, zou dat een weldaad
zijn voor de kolonie! Ik heb het oog op de politiek, die dit arme
land verwoest, de ontwikkeling tegenhoudt en op betreurenswaardige
wijze de europeesche bevolking verdeelt.

Ik wil liever niet stilstaan bij de pijnlijke zijden van de politiek,
waar zij tot minder fraaie resultaten leidt en vooral vroeger
geleid heeft.... Buitendien, niet enkel in Indië houdt men zich
op met verkiezingspraktijken die afkeurenswaardig en verderfelijk
zijn. Er zijn in Frankrijk ook steden bekend, waar de kiezers zich
tot voorbeeld schijnen te stellen wat er plaats grijpt om en bij de
stembussen van de hoofdstad onzer indische bezittingen....

De grappige kant van de zaak is de terugslag der politieke meeningen
op de onderlinge betrekkingen van de Europeanen, die te Pondichéry
gevestigd zijn. Ik heb daar merkwaardige herinneringen aan behouden, en
ik kan geen weerstand bieden aan den lust er enkele van mee te deelen.

Een ambtenaar, pas ontscheept in de kolonie, brengt een bezoek aan den
heer A, maar kan, daar hij den volgenden dag ongesteld wordt, niet naar
den heer B gaan.... Hij wordt dadelijk door dien laatste beschouwd
als te behooren tot een hem vijandelijke clan en op zij geschoven;
men vertrouwt hem niet. Een ander ambtenaar, die op dezelfden dag
gezien is geworden in gesprek met twee menschen van tegengestelde
politieke overtuiging, wordt door beide voor een halve gehouden,
een middenman, dien men goed zal doen te mijden.

Aan de zijde der dames werkt de jaloezie met de allernietigste
argumenten, de ongerijmdste voorwendsels, waarbij dan een gebabbel
komt, zoo als men zich bijna niet kan voorstellen. Een dame uit
Pondichéry heeft mij verteld, dat men vond dat zij haar rang niet
voldoende kon ophouden, omdat zij in plaats van een pousse-pousse te
nemen (kosten 20 centimes) te voet een boodschap was gaan doen op 100
M. afstands. Het schijnt wel, dat een vrouw die zichzelve respecteert,
in dat land in 't geheel niet mag loopen!

Een tocht naar Karikal en naar Mahé, die betrekkelijk niet ver
van Pondichéry liggen, lachte mij niet toe. Daarentegen heb ik,
toen ik eenigen tijd vóór mijn bezoek aan Zuid-Indië in Calcutta
vertoefde, een uitstapje gemaakt naar Chandernagor, slechts op een
uur afstands per spoor verwijderd van de hoofdstad der engelsche
bezittingen. Chandernagor, gebouwd op den rechteroever van de Hoogly
aan een schilderachtige baai, herinnert aan de schoonste tijden
van de fransche heerschappij in Indië. De stad heeft gedurende de
geheele eerste helft der 18_de_ eeuw de schepen bij honderden aan
haar kaden ten anker zien komen; daar zetelde de gansche handel van
Bengalen. Zij heeft haar voorspoed zien verdwijnen door de opkomst
en de groote ontwikkeling van Calcutta. Maar nog is het een stad,
die indruk maakt, een aardige plaats met breede, rechte straten en
sierlijke huizen. Verscheiden ruïnen van paleizen en tempels getuigen
van den vroegeren luister. Het grondgebied is niet zeer groot,
namelijk 6 K.M. over de grootste lengte bij een breedte van 2 K.M.,
een oppervlakte van 1000 H.A. Het klimaat is er, dank zij den meren
en bosschen om de stad, koeler dan in de omringende deelen des lands,
maar de temperatuur is er veel veranderlijker en veel koeler dan te
Pondichéry, ofschoon men in Mei zeer dikwijls een warmte heeft van
40 tot 45° C.

Er wordt, eigenlijk gezegd, te Chandernagor niets verbouwd, daar
de beschikbare grond zoo beperkt is, dat men geen ernstige pogingen
kan beginnen; maar de politiek is er wel doorgedrongen, evenals te
Pondichéry, en zij vormt het hoofdonderwerp van alle gesprekken.

Ik bracht er twee heerlijke dagen door bij den vriendelijken
administrateur, den heer Bertrand en zijn lieve vrouw, en ik genoot
van de heerlijke wandelingen aan den oever der rivier in de zuivere,
opwekkende lucht.

Er bestaat verschil van meening over de duurzaamheid van het engelsch
bestuur in Indië. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de Engelschen
er geen wortel gevat. Een volksuitdrukking zegt: "De Engelschman
en de Hindoe gaan samen als olie en water", dat wil zeggen, dat ze
in 't geheel niet samengaan. De Hindoes verwijten den Engelschen,
dat zij hen opeten, zooals de rupsen bladeren vernielen en zoo den
boomen het sap ontstelen. Maar de Engelschen maken zich ook geen
illusies omtrent de gevoelens, die zij den Hindoes inboezemen. "De
intelligentste inboorlingen", schrijft een engelsch reiziger, "erkennen
de weldaden van ons bestuur; maar de massa wil liever slecht geregeerd
worden door haar eigen hoofden dan goed door ons".

Het schijnt, dat de fransche invloed dieper doorgewerkt heeft op de
te weinig talrijke stammen, door oude verdragen onder ons bestuur
gelaten. Ik kan de verzoeking niet weerstaan, enkele regels aan te
halen, die door Pierre Loti in zijn _Propos d'exil_ gewijd zijn aan
de boeren uit den omtrek van Mahé (en die toegepast zouden kunnen
worden op alle Hindoes, die fransch grondgebied bewonen), omdat zij
uitstekend de gevoelens weergeven, die de inboorling te onzen opzichte
koestert: "Zij zeggen in het Fransch _bonjour_, als de boeren bij ons
en schijnen er trotsch op te zijn, bij ons te zijn gebleven; men ziet,
dat ze lust hebben te blijven staan en een praatje te maken. Diegenen,
die onze taal een weinig kennen, glimlachen en beginnen een gesprek,
altijd pratend van: 'Onze matrozen ... onze soldaten.' Ja, men is
hier toch wel in Frankrijk." En ik moet denken aan een geval voor
de rechtbank te Saigon, waar een van die Indiërs, beschuldigd van
ik weet niet welke euveldaad, aan een magistraat uit Corsica, die
hem als wilde toesprak, ten antwoord gaf: "Wij waren al Franschen
tweehonderd jaar vroeger dan gij."



Bij de ruïnen van Angkor.


Naar het Fransch van den Vicomte De Miramon-Fargues
met photografieën van mevrouw de M.-F.


Van Saigon naar Pnom-penh en naar Compong-Cjuang.--Roeitocht op
het Groote Meer.--Karren uit Cambodja.--Siem-Reap.--De tempel van
Angkor.--Angkor-Tom.--Verval der khmersche beschaving.--Ontmoeting
met den tweeden koning van Cambodja.--Oedong-de-Verhevene, hoofdstad
van Norodom's vader.--Het paleis van Norodom te Pnom-penh.--Waarom
Frankrijk niet aan Siam het grondgebied van Angkor kon overlaten.


Tegen het einde van Januari 1903 gingen mevrouw de Miramon-Fargues
en ik te Pnom-penh, de hoofdstad van Cambodja aan wal, in gezelschap
van twee commissarissen van de tentoonstelling van Hanoï, de heeren
Bonaparte-Wyse en den heer Rouget. Een stoomboot van de _Messageries
fluviales_, die de Mekong in vier-en-twintig uur was opgevaren,
had ons van Saigon erheen gebracht. Maar wij kwamen veertien dagen
te laat aan; in dezen tijd van het jaar ledigt zich het reuzenbekken
van de Tonlé-Sap, een echte binnenzee, en vloeit af naar de monding
der rivier.

Het lage water maakt, dat de sloepen er niet kunnen binnenvaren,
en onze tocht naar Angkor zou onmogelijk zijn geweest, als de
resident-generaal niet de goedheid had gehad, een platboom-vaartuig
te onzer beschikking te stellen, waarop in het midden een hut was
aangebracht en dat in 't geheel 12 M. lang en 2 1/2 M. breed was. Zoo
konden wij worden opgesleept tot Compong-Cjuang. Maar van dat punt
af moesten wij gedurende twee dagen en drie nachten onze reis al
roeiend voortzetten met niets voor oogen dan de eentonige vlakte van
het meer. Onze drijvende woning was eigenlijk niet groot genoeg, om
de zes-en-twintig bedienden en roeiers te bevatten, die rondom ons
heen wriemelden, Cambodjanen, Chineezen, Siameezen, Annamieten, die
vier verscheidenheden van huidskleur vertegenwoordigden, buiten onze
eigene, 's Avonds werd er geen lamp aangestoken, om geen nachtvlinders
en muskieten te lokken, maar om den tijd te dooden, vergastte ieder
de omgeving met een liedje uit zijn vaderland, en daar de Têtfeesten
nabij waren in de op den oever verspreide dorpen, beantwoordde de
tam-tam het gezang, dat veel van een cacophonie had.

Eindelijk deed zich op een morgen de rivier Siem-Reap voor, en een
zucht van voldoening ontsnapte ons, want die naam riep de koelte van
de bosschen voor ons op en de wonderen van den tropischen plantengroei.

Maar bij aankomst wachtte ons een teleurstelling. De ossenkarren,
die de mandarijn voor ons had gezonden, hadden pas de oevers der
rivier verlaten, of reeds waren wij in een woestijnachtige streek
gekomen. Wij reden langs lage, leelijk gevormde dwergboomen, vuil
nog en bespat van het nu gezakte water; vervolgens geeft zelfs dat
mager boom- en struikgewas het op en maakt plaats voor droog gras, en
kort daarop is de grond, door de zon tot stof verpoeierd, bijna geheel
kaal, met slechts hier en daar wat toefjes rijst, pas geplant en reeds
overstoven met het fijne zand van den bodem, hetwelk reeds opstuift,
als er maar een vogel overheen vliegt. Onze optocht bestaat uit tien
zeer primitieve karren van planken en bamboelatten op een onderstel
geplaatst zonder zijwanden. Alleen onze zucht tot zelfbehoud maakt,
dat wij niet bij ieder stootje van het voertuig eraf rollen. Gelukkig
heeft de weekelijke beschaving van ons Westerlingen een remedie voor de
kwaal meegebracht in den vorm van een matras, die op het voorhistorisch
voertuig werdt gelegd en die de ruwe schokken een weinig tempert.

Samengehurkt op onze matrassen als op een bed van heete asch,
altijd maar pogingen doende, om geheel en al weg te kruipen onder
onze zonneschermen, zien wij nu en dan eens even vaag de trotsche
koepels van eenige khmersche ruïnen, die op den top staan van een
brandend heeten heuvel of onduidelijk afsteken tegen de vlakte. De
verschijning van die grootsche monumenten te midden der armzalige
natuur werkt bemoedigend, maar toch is het tegelijkertijd een
bedroevende aanblik. Welke adem is er over dezen bodem gestreken
en over al die vroegere grootheid? En wie is van dit diepe verval,
waarvan de aanblik ons in de ziel grijpt, de oorzaak geweest, wie
gaf er den eersten stoot toe, de mensch of de natuur?

Eindelijk vinden wij de boorden der rivier terug, en als met een
tooverslag is alles veranderd. Tusschen kokos- en arecapalmen, bananen
en de verdere sappig groene massa van den exotischen plantengroei,
staan op een rij de hutten van een eindeloos dorp. Op palen gebouwd,
van bamboes en van stroo, zien ze er armoedig, maar toch wel zindelijk
uit. Groote bruine menschen wonen in die lage verblijven met hun
vrouwen, die regelmatige trekken hebben en hard, borstelig haar;
met waardige gratie dragen al die personen doeken en gordels van
verschillende kleuren. In de bedding der rivier draaien wielen met
lichte schoepen, door den stroom in beweging gebracht, en voeren het
water naar de woningen aan den oever door lange bamboekokers. Rondom
de hutten speelden kinderen met groote buffels, wier horens, die
zoo vaak gevaarlijk zijn voor Europeanen, in 't minst geen booze
bedoelingen schenen te hebben ten opzichte van het vuile kindertroepje.

Daar zijn we bij de "sala", de herberg, die vriendelijk ter beschikking
van de reizigers gesteld is; 't is een blauw geverfde stellage van
planken, en met haar estrade lijkt ze veel op het tooneeltje van een
café-concert. Daarnaast woont de gouverneur, een stroohut, die zich
enkel door haar grootte van de andere onderscheidt.

Dit groote dorp heet Siem-reap, provinciale hoofdstad; dus eerbied als
't u blieft!

Wij wandelen nog een heelen tijd langs de hutten en de tuinen, waar
alle arbeid aan de natuur blijft overgelaten en waar dit eenvoudig
volkje de bevrediging van al zijn behoeften vindt. Dan treden wij
een bosch binnen met dicht struikgewas, waarboven zich reuzenboomen
verheffen, echte boomen uit het oerwoud.

En terwijl wij daar gaan en, boven ons, de apen zwaar door de boomen
hooren springen, terwijl luid schreeuwende vogels aan 't gillen zijn,
en om ons heen de hanen en de wilde pauwen opvliegen, zien wij stil
en bedaard die gebronsde mannen en vrouwen langs ons gaan, zoo flink
en goed gebouwd en met iets zoo rustigs in den blik.

Zorgeloos volkje, door geen onvervulbare behoeften gehinderd! Gelukkig
volk, dat geen geschiedenis heeft!

Het bosch, dat plotseling afgebroken wordt door een open ruimte, wijkt,
als het ware, terug om een onmetelijken cirkel te omsluiten, waar als
zuilen de stammen der reuzenboomen omheen staan. Toen aanschouwden
wij in het te felle licht van die te wijde vlakte zwarte massa's van
onbekende, onbepaalde vormen, die tot in verre verte reeksen vormden
of hier en daar zonderlinge punten omhoog staken. Een lange lijn
van gevels loopt ongeordend langs den voet van drie hooge torens en
wijkt in de verte, zooals groote schepen doen, die achter de gebogen
lijn der zee het eerst hun masten vertoonen. Men voelt iets van
teleurstelling opkomen, maar men herinnert zich dan al spoedig, dat
juist de reuzenafmetingen van deze monumenten hen, om zoo te zeggen,
neerdrukken door hun eigen onmetelijkheid.

Onze karren bestijgen een terras, beschermd door twee monsterdieren,
die leeuwen voorstellen. Een steenen pad loopt voort tot dichtbij
de vijvers, bedekt met lotusbloemen, en dan verder naar een wijde,
omsloten ruimte, waar lange gangen doorloopen tusschen hooge,
vierkante zalen. Door een eerepoort traden wij binnen en waren aldus
in het heiligdom aangekomen. Vóór ons, maar nog op grooten afstand
en over de toppen der kokospalmen heen, verhief zich de tempel van
Angkor met zijn formidabele massa, waarboven drie koepels verrezen,
die wij perspectivisch alle drie in één rij zagen.

De met groote platte steenen geplaveide weg voert erheen, streng,
rechtlijnig en statig, en aan den kant staan twee kleine tempels, twee
artistieke gebouwtjes, met hun voeten weggedoken in de modder van de
plassen. Ginder, in de verte, heel aan het eind van den langen weg,
ziet men verschillende achter elkaâr gelegen portieken, en reeksen
van stoepen en trappen leiden naar den centralen koepel, waarheen de
aandacht wordt getrokken door middel van al die andere monumenten,
deel uitmakend van het reusachtige plan.

Zoo is de pelgrim, gekomen uit het diepste van de bosschen, die de
vlakte omzoomen, niet verlegen welken weg te kiezen. Te midden van de
vele heiligdommen en ondanks de drievoudige omheining weet hij door
de donkere gangen over de zonnige pleinen en tusschen de velerlei
kloosters den weg te vinden; hij wordt, als 't ware, meegetroond door
de geheimzinnige eenheid dezer plaats, door een macht, die hem van
godsdienstigen eerbied vervult en niets anders is dan de suggestie
van de rechte lijn.

Wij zagen gevels, die zoo ver ons oog reikte, de een op den ander
volgden; sierlijke portieken waakten twee aan twee op de hoeken dier
gevels en verbraken er de eentonigheid van naar het midden; er waren
zuilengalerijen, waar een overvloed van ornamenten als een levend
klimop zich om de pilaren slingerde en waartusschen door in breede
stroomen het licht naar binnen viel. Dat maakte het mogelijk op de
wanden van de galerijen de bas-reliëfs te onderscheiden, waarin de
geschiedenis te lezen was van 't volk, dat deze monumenten bouwde, en
verder volgden donkere zalen en lichte gangen, boogvormige en vlakke
zolderingen, geheimzinnige hoekjes, waar de een of andere misvormde
Boeddha troonde onder de bescherming van veel vleermuizen. En elders
zag men vijvers, door galerijen omgeven; vierkante pilaren, in strenge
rijen geschaard, om zolderingen en daken te dragen, of tot sieraad
in hoeken aangebracht; afgesloten binnenplaatsen met kloosterramen
en open pleinen, die als tuinen waren en waar, als bloemen op een
bloembed, sierlijke, kleine tempeltjes stonden, om door hun fijn
en fraai voorkomen de verpletterende schoonheid van het grootste
heiligdom te temperen. Overal vielen in deze wonderlijke wereld van
monumenten ingestorte gebouwen en deelen van bouwwerken in het oog,
zooals zij daar half uitgewischt beeldhouwwerk droegen en met den
aanslag van de eeuwen waren overdekt.

Hoe zal men al die wonderen met voldoenden eerbied bespreken? Is het
niet, alsof men heiligschennis begaat, als men door de beschrijving
der détails de bewonderenswaardige eenheid van dit meesterwerk
verduistert? Die eenheid dringt zich op aan ons oog en staat levendig
voor onze verbeelding al den tijd van het bezoek aan de monumenten;
zij zal de hoofdindruk blijven, dien wij van hier meenemen, een diepen
indruk van een werk uit één stuk, dat boeit door de grootschheid der
proporties en daarna pas bekoort door de bevallige schikking van de
versierselen, terwijl een grootsch genie niet enkel de hoofdlijnen
trok, maar tevens de aantrekkelijke détails bepaalde en schikte.

Twee vierkanten bevatten boven elkander aangelegde terrassen,
wier zuilen en kapiteelen in harmonieuse lijnen rijzen en overal
met bas-reliëfs bedekt zijn. Het grootste en eerste van die beide
vierkante pleinen heeft een omtrek van twee kilometer; er loopt
een lange kruisgang langs, waarvan de zuilen aan den buitenkant,
gekeerd naar het bosch en de tuinen, een interessante historische
galerij vormen. Het tweede, dat er strenger uitziet, herbergt onder
de gewelven van zijn gangen en zalen, vol angstwekkende schaduwen,
een massa steenen godheden, het Pantheon uit den vervaltijd. In
't midden van het tweede terras ziet men met verbazing een berg
van gebeeldhouwde steenen, prachtig fijn bewerkt. Op dat reusachtig
voetstuk staat de eigenlijke tempel.

In de hoeken verrijzen vier koepels, schitterende schildwachten,
die den centralen koepel, den reus, het opperheilige, bewaken. Het
zijn pyramiden met vele trappen, waarvan de omtrekken en de scherpe
lijnen alle aan het oog onttrokken worden door een overvloed van
ornamenten. Zij dragen op den top een vreemde bekroning, op een
tiara gelijkend, een der oude tiaren uit den tijd der Middeleeuwen,
waar wonderlijk gevormde steenen in bevestigd zijn en ruw gegraveerde
cameeën. De gidsen geven er den naam van _prea-sat_ aan, maar ik vrees,
dat ik, door dien barbaarschen term te gebruiken, met een uitstalling
van geleerdheid den diepen indruk van kunst en genie zal schaden,
dien nog in mij wekt de herinnering aan het wonderwerk.

Men moet zich met behulp van handen en voeten opwerken tegen den
heiligen berg, zoo steil en lastig is de beklimming langs ongelijke
trappen met smalle treden, die bijna niet naar voren komen. De
majesteit van het heiligdom wordt door dien moeilijken tocht
verhoogd, en men krijgt meer eerbied voor wat men met zoo groote
moeite moet bereiken. Boven krijgt men weer gewelven te zien en
kapellen en kloostergangen, alle uitkomend bij den centralen koepel,
het geheimzinnige middelpunt, dat boven het geheel zijn hoofd, met
diamanten getooid, opsteekt. Daar zijn, naar men zegt, de heilige
voorwerpen opgeborgen en de documenten, die de annalen bevatten van een
ras, dat tot den sagentijd opklimt. Noch deuren, noch trappen stellen
in staat, ook maar het minste of geringste van die geheimzinnigheden
te doorgronden. Maar aan de vier hoeken en in het midden der gevels
laten groote portieken stroomen licht binnenvallen, naar 't schijnt
om van alle punten van den horizon de eerbewijzen der natuur en der
menschen in ontvangst te nemen.

Gezeten op de treden van een dezer portieken, met de voeten op een
kroonlijst met afgebrokkelde beeldjes, zien wij de zon ondergaan
achter het gebladerte van het bosch. Onder ons worden pleinen en
gangen langzamerhand in duisternis gehuld, terwijl op de hoogte,
waar wij ons bevinden, de laatste zonnestralen nog het heiligdom
treffen. Eén voor één verdwijnen de zuilen, de kapiteelen en de
bas-reliëfs, die men overal herhaald vindt, met de rijen, eindeloos
lang, van heilige bayadères. Spoedig kunnen wij nauwelijks meer de
daken onderscheiden met de zware, lange, afgeronde steenen, die rij
aan rij zich uitstrekken met de eentonige regelmaat der voren in onze
akkers. Eenzaam verschijnt soms nog, oplichtend, het gele kleed van
een bonze, die bij zijn ronde langs een muur strijkt.

Toen kwam 't ons voor, dat al die dingen, die wij nu zoo dicht vóór
ons zien, en die zoo oneindig ver van ons oude Europa zijn, iets
bekends hadden. Op het oogenblik, toen het plotseling invallenden
duisternis, dat eigen is aan oostersche landen, waar men de bekoorlijke
schemeruurtjes niet kent, ze aan ons oog geheel onttrekt, wekken hun
verwarde vormen in ons een wereld van onverwachte herinneringen.

De architectuur van deze monumenten is niet geheel nieuw voor ons. In
streken, die minder ver van Europa verwijderd zijn, Babylon en Niniveh,
vindt men diezelfde terrassen met bouwwerken er omheen, die breede
wegen, met platte steenen geplaveid, en de assyrische muren vertoonen
een dergelijke overvloed van bas-reliëfs.

Wat zijn het voor majestueuse figuren, die er zoo priesterlijk uitzien
en aangebracht zijn op den voorgevel van een paleis of den rand van een
toren? Egypte heeft daar zijn stempel op gedrukt. En die verrukkelijke
tempeltjes met hun portieken en hun zuilen van zoo zuiveren stijl,
waarin de harmonie der lijnen zoo goed past bij de soberheid der
versieringen, moet men daarvan niet in het klassieke Griekenland de
prototypen zoeken of misschien, wie weet het, de navolgingen?

Wat zijn er een dingen hier, die ons vertrouwd en bekend lijken! Wij
herkennen de kleine klosvormige zuiltjes, die het traliewerk der
vensters vormen, omdat wij ze reeds ontmoet hebben in oude huizen
uit Bretagne.

Alles in één woord wijst op een van elders gekomen ras, dat zijn
inspiratie heeft moeten halen van de wieg der wereld zelve, die
grenzen van Europa en Azië, waar de oudste beschavingen geboren werden.

Niet ver van den tempel in het bosch ligt de koninklijke stad
Angkor-tom begraven, welker reuzenomtrek 4 K.M. lang was aan elke
zijde van het vierkant. Wij lieten den volgenden morgen onze karretjes
weer aanspannen, om ons erheen te laten brengen. Helaas, indien de
godheid al den tempel, haar gewijd, in stand heeft kunnen houden,
zij heeft het niet kunnen of willen doen met de paleizen der menschen,
en te midden van onontwarbaar struikgewas moet men er nu de ruïnen van
zoeken. Plotseling staken de wielen der kar den arbeid in den zandigen
grond; een schok schrikt den toerist op uit zijn mijmeringen bij het
zien der apen, spelend in de hooge boomen. We gaan met de kleine ossen
dapper een steenen trap beklimmen en rijden onder een eereboog door,
van waar een impassibel steenen beeld ons schijnt te bewaken. Door het
gebladerte kan men nog een lange reeks van zwarte muren onderscheiden,
die in het struikgewas voortloopen; maar als op enkele plaatsen de
boschjes minder dicht worden, ziet men opeens met verbazing, dat de
muur, die als omheining diende, gebeeldhouwd is als een bas-reliëf
in een tempel.

Op den rand van een open terreintje zien wij een heuvel, dicht met
planten begroeid, reuzenboomen steken er hun kruinen in de hoogte,
en te midden van hen rijzen donkere, statige steenmassa's, die hun
een plaats in de zon schijnen te betwisten. De heuvel zelf blijkt een
monument van khmersche kunst, een tempel, een paleis of een graf,
en op de forsche gewelven is als op vasten, effen bodem het levend
bosch gegroeid. De pleinen, portieken en sierlijke zuilenrijen, de
terrassen en trappen, steil als ladders, het labyrinth van zalen, de
ingestorte verdiepingen, alles is overweldigd door dien plantengroei,
die zelf zijn voetstuk weer vernielt.

Boven een drievoudige verdieping van gewelven loopt men over
een vlakte, bedekt met enorme stukken puin, deelen van zuilen
en reuzensteenen. Overal verrijzen koepels boven de ruïnen als
onwrikbare bewakers. Veelal zijn het vier reuzenhoofden, onder een
zelfde hoofddeksel gevangen, en niets heeft van die priesterlijke
aangezichten de uitdrukking van hooge kalmte kunnen wegnemen, noch
het nadeel, dat de boomen eraan hebben toegebracht, die in de spleten
van 't gesteente groeien en hun statige coiffure in een woeste pruik
veranderen, noch het oneerbiedig spel der apen, die hun over het
hoofd wandelen en geen eerbied toonen voor het gelaat.

Te midden der geheimenissen van het woud, bij al die ruïnen, waar
tijgers soms hun jongen komen verbergen, onder de oogen van de steenen
figuren, in hun eeuwigen droom verzonken, gaat onze verbeelding aan
het werk, tracht het verleden op te roepen, en onder al die doode
dingen treedt het leven naar voren, als een laatste vonk uit het
beeldhouwwerk, waarmee de losse steenen versierd en als ten leven
gewekt zijn. Zie, daar zijn koningen te herkennen, monarchen in
triomf gezeten op hun zegewagens, door met goud gestikte dekkleeden
versierde paarden voortgetrokken; een stoet van priesters en hovelingen
vergezelt hen. Dan volgt het leger der krijgers, dat der slaven en,
den optocht sluitend, de wonderlange stoet van olifanten.

Op den eindeloozen weg tusschen het paleis en den tempel van Angkor-Wat
vertoont zich zulk een reuzenprocessie; maar zij leeft niet meer;
zelfs de legenden erover zijn verdwenen uit de herinnering van het
volk, dat zijn eigen roemrijke geschiedenis niet meer kent, nu het
verwoestingswerk van den tijd, door plunderingen geholpen, er een
eind aan heeft gemaakt.

De hutten, waar de bonzen of priesters rondom den tempel wonen, vormen
met de monumenten een aangrijpende tegenstelling. Het dorp is niets
dan een verzameling stroohutten. Wij logeerden onder een groot afdak,
in een aan alle kanten open ruimte. De vloer rustte op hooge palen en
bestond uit een open vlechtwerk van bamboes, terwijl de bamboeladder
toegang gaf tot dit hôtel. 's Nachts, toen wij ons op onze matrassen
telkens omkeerden, gekweld door ontzagwekkende droomen, klonken
overal om ons heen de neusklanken van 't psalmgezang der bonzen,
die een soort van litanie aanhieven. Dat duurde lang en begon al
vroeg weer in den morgen als antwoord op het gekraai der ontwakende
hanen. En gedurende de enkele uren van rust, ons gelaten door die
vrome zangen, waren er allerlei vreemde geluiden, wel geschikt om den
reiziger te verschrikken, die daar in de open lucht ligt in het land
van schorpioenen en slangen. Het waren onze ossen, die onder ons afdak
vastgemaakt waren en die telkens bewogen of kauwden of zich zacht de
lenden wreven.

Toch is dit volk, dat in hutjes van hout en stroo woont en dat meer
gelijkt op een primitief volk dan op een, dat gedegenereerd is, wel
stellig het nakroost van de groote bouwmeesters van Angkor. Zij zijn
forsch en groot, hebben sterk geaccentueerde trekken, die op de onze
gelijken, wijd geopende oogen, 't geen alles erop wijst, dat ze van
verre zijn gekomen. Stellig zijn deze menschen van hetzelfde ras als
de Indiërs, die op datzelfde tijdstip, dat tot den fabeltijd schijnt
op te klimmen, dezelfde reusachtige bouwwerken aanlegden. Zij kunnen
elkander niet negeeren, want zij zijn nog tegenwoordig broeders door
hun gelaatstrekken, zooals zij het vroeger waren door hun genie. Maar
hoe dan dat totaal verval te verklaren, achteruitgang, die geen hoop
laat en geen spijt? Helaas, dat zulk een verschijnsel niet tot de
zeldzaamheden behoort!

Hebben de fellahs niet de pyramiden gebouwd? Hebben wij niet aan de
Singhaleezen de kolossale werken van Anuradhapura te danken op het
eiland Ceylon? Die onderworpen volken arbeidden voor hun meester en
door de kracht van hun millioenen armen stelden zij hem in staat,
de wonderen tot stand te brengen, waaraan hun intellect geen deel
had. Zij waren menschelijke machines en werden voortgedreven door
een klein aantal begaafden onder hen, en ze keerden terug tot den
eenvoud der natuur, zoodra die aristocratie van gezag en genie uit
hun midden verdween.

Op den morgen van den vierden dag waren wij vroeg bij de hand, om voor
de laatste maal een bezoek aan den tempel te brengen, eer wij naar onze
jonk terugkeerden. De zon ging op achter het heiligdom. De koepels
straalden boven onze hoofden en de kolossus verscheen in een krans
van rooden morgengloed. Om ons heen was alles nog in schaduw gehuld;
de hutten, de ossenkarren, onze cambodja'sche gidsen, de troep bonzen,
die waren komen aanloopen om van de uitdeeling van gekleurde potlooden
te profiteeren. Wij meenden een beeld te zien van het verleden van dit
volk. Een verheven licht is op één punt des tijds boven deze streken
opgegaan en heeft voor een oogenblik de bewoners uit de schaduw naar
voren gebracht, om hen te doen deelen in zijn luister, zooals de
slaven deelden in 't geluk van den meester. Dat licht was slechts de
weerschijn eener vreemde beschaving, en zoo lang de souvereinen van
Angkor in gemeenschap bleven met de wieg van hun geslacht, gaven zij
hun genie nieuwe kracht door het voorbeeld van een kunst, die langen
tijd over de oude wereld heeft gestraald. Van daar haalden zij hun
bouwmeesters en schilders en beeldhouwers. Maar op een dag werd de
gemeenschap verbroken door noodlottige oorlogen en mogelijk ook door
het terugwijken van de zee, want het is boven allen twijfel verheven,
dat in dat ver verleden de Tonlé-sap een volkomen toegankelijke golf
was. Toen het bloed niet meer van het hart toestroomde, gingen de leden
kwijnen, en de koningen, in het nauw gebracht door de invallen der
noordelijker wonende volken, verloren macht en aanzien. Zij verloren
die zoo geheel, dat zij voor altijd de plaats van hun glorie uit het
oog verloren, en dat op dit oogenblik een met hen wedijverend volk
het land in bezit heeft. Siam bezit namelijk deze ruïnen, en het doet
weinig of niets voor het onderhoud. Toen wij door Siem-reap reisden,
kwam een siameesche gouverneur onze paspoorten opvragen en noteerde
onze namen, om ze naar Bangkok te zenden.

Na een laatsten blik op den kolossus van Angkor-Wat, een blik, die
het geheel niet kon omvatten, begaven wij ons naar beneden naar onze
boot. Sedert vier dagen wachtten onze roeiers daar op ons, getrouw
op hun post. De koelies belastten zich met matrassen en proviand,
met de bagage en de toeristen zelven, en in minder dan een half uur
was alles aan boord. Vooruit nu maar!

Twee dagen daarna, tegen den avond, zijn wij bij
Compong-Chuang. Jonken, gelijk aan de onze, maar mooier versierd,
wiegelen op de golven bij de aanlegplaats. Het zijn de equipages
van den tweeden koning van Cambodja, die den resident een bezoek is
komen brengen. Het gevolg van den monarch _in partibus_ bestaat uit
de vrouwen en de dames van het ballet. De prinsessen dragen het lange
kleed van siameesche mode, de danseressen alleen een gordel als in
Cambodja. Wij worden aan Zijne Majesteit, broeder van koning Norodom,
voorgesteld, die naar landsgebruik den vorst heeft opgevolgd. Hij
is een man van vijf-en-zestig jaar, gedrongen, krachtig, nog maar
even grijs wordend en zich flink voordoend in zijn grijs jasje en
wit vest. Zijn beenen zijn half bloot, als die van kinderen en hij
draagt kousen en halfhooge laarsjes. Zijne Majesteit ontvangt ons
uiterst vriendelijk; een onwankelbare glimlach speelt om zijn mond
en onthult het mooiste gebit, dat eenig dentist voor zijn étalage
zou kunnen verlangen.

"U is in Angkor geweest?" vraagt hij ons. "Dat is de wieg van ons ras,
en mijn broeder en ik zullen altijd aanspraak blijven maken op het
bezit ervan."

Daarna boog de vriendelijke man en lachte, wisselde handdrukken met
ons en ging in zijn drijvend paleis.

Moet ik de waarheid bekennen? Wij waren wel een weinig teleurgesteld
over dien sympathieken maar zoo weinig majestueuzen afstammeling der
groote vorsten van Angkor. De resident, onze vriendelijke gastheer,
wien wij onze indrukken meedeelden, ried ons aan, in 't voorbijgaan
Compong-luong te gaan zien. "Van daar zult u Oedong kunnen bezoeken,
de voorlaatste hoofdstad, en u zult u een juister voorstelling kunnen
maken van wat een koning van Cambodja wezen kan".

Den volgenden morgen heel in de vroegte deed onze jonk den oever van
Compong-luong aan. De inlandsche gouverneur liet ossenkarren voor ons
komen, en wij reden over een weg, breed en mooi als een uit Europa,
naar Oedong de verhevene, het Versailles van Cambodja. Waarlijk,
deze laan ziet er mooi uit, met dien rand van kokospalmen, die uit
de vruchtbare vlakte rijzen, en de omgeving geeft ons al van te voren
een hoog denkbeeld van de paleizen, waar zij toegang toe geeft.

Hoe verbaasd waren wij dan ook, toen plotseling de breede weg smal werd
en doodliep in een rijstveld. Tegenover ons leek iets als een pleintje
te liggen en na een omheining van groote palen gepasseerd te zijn
met een soort van poort erin, bevonden wij ons in het oude koninklijk
paleis. Achter een kleinen vijver ziet men eerst een "sala" of loods
van twee verdiepingen, op in het water staande palen. Drie kleine
tribunes zijn ervoor aangebracht, gesteund door drie groote palen,
die aan het dak bevestigd zijn en wel 10 meter lengte hebben. Al
hadden ze wel een beetje van een galg, toch dienden die stellages
en pilaren nergens anders voor, dan om den vorst aan zijn volk
te vertoonen. Ernaast stond een gewone tempel, wit met goud, die
verbrokkelde en afschilferde en een grooten Boeddha bevatte achter
een gebloemd katoenen gordijn van een paar stuivers de meter. Een
groep bonzen bedient dit heiligdom en woont in de gebouwen van het
eigenlijke paleis. Teleurstelling! Het paleis is slechts een hut van
stroo, een groote hut wel, lang en diep, maar toch op verre na geen
vorstelijk verblijf.

In het inwendige vertoonden de vertrekken van den koning, vader
van Norodom, tusschenschotten van planken en witkalk, waar nog
overblijfselen van fresco's op te zien waren. Maar er is geen enkele
steen gebruikt voor den bouw van deze koninklijke residentie en
geen stukje beeldhouwwerk wekt eenig idee van kunst. Geheimzinnige
bouwmeester van Angkor, wat is er uit uwe afstammelingen geworden!

Rondom het koninklijk paleis, en waar vroeger de volkrijke stad lag,
breiden zich velden en moerassen uit. Toch lag daar nog in de eerste
helft der 19_de_ eeuw een groote stad. De bewoners zijn geëmigreerd,
zonder zelfs ruïnen achter te laten als sporen van hun verblijf, want
bamboes en stroo verrotten spoedig, en de woning der koningen wekt geen
schitterende voorstelling van de hutten hunner nederige onderdanen.

In een hoekje van de vlakte heeft de koningin-moeder een gedenkteeken
voor haar echtgenoot opgericht, een mausoleum voor den slecht
behuisden monarch. Het is een vierkante toren, omgeven door slanke
zuilen, zooals 't geval is bij alle heiligdommen in het land. Het
opgewipte dak is gedekt met gekleurde pannen. Een drievoudig terras
met een balustrade dient tot voetstuk voor het monument, en op de
treden zijn allerlei godenfiguren aangebracht, ook monsters, die er
als vogelverschrikkers uitzien. Zij houden de wacht bij elke trede
van de trappen, aan iederen hoek van een muur, als om de schatten
van het heiligdom te beschermen. Noodelooze moeite, er is niets te
halen, en men moet er binnen treden, als men een echt voorbeeld van
slechten smaak wil zien. Fresco's zijn op de wanden aangebracht in
schreeuwende kleuren, door spiegels in vergulde lijsten, die aan de
pilaren hangen, schril weerkaatst. Op de verhooging, waar Boeddha
is gezeten, ligt een kermisuitstalling van allerlei voorwerpen uit
goedkoope winkels, bloempotjes met papieren bloemen erin, blauwe
en gele glazen knikkers, dieren van verguld pleister, poppetjes van
beschilderd karton, en eindelijk als pronkstukken van de etalage vier
prachtige apothekers-uitstalflesschen, twee roode en twee groene.

Toch bevat Oedong-de-Verhevene nog enkele interessante
overblijfselen. Er ligt niet ver van het grafteeken een groep heuvels,
oprijzend midden uit de rijstvelden. Het woud, dat door den landbouw
teruggedrongen is tot den voet der heuvels, beklimt ze, en te midden
van 't geboomte ziet men scherpe spitsen van bouwwerken. Dat zijn
obelisken van een eigenaardigen vorm, dikker en lomper dan die
uit Egypte, met massief vierkant voetstuk en afgeronde punt. Ze
worden _pnoms_ genoemd, en 't gebruik wil, dat ze op hooggelegen
punten worden geplaatst. Een eindelooze reeks van treden bracht
ons naar den top. Daar stonden op een groot terras twee pnoms naast
elkander, precies gelijk, alleen was de eene ingelegd met guirlanden
en rozetten van gekleurd porselein. Rondom ieder voetstuk droegen
enorme olifantskoppen het zware monument.

Van dit punt is het uitzicht over de vlakte van rijstvelden en plassen
prachtig mooi; het oog reikt van Pnom-penh tot aan de grens van
Siam. Op de golvende kruinen der andere heuvels stonden een tiental
pnoms, die hun spitse toppen verhieven boven de boomen, zoodat die
voorgrond den indruk maakte van een doodenstad. Ik weet niet juist,
of die monumenten gebouwd zijn om heiligen-relieken te bewaren
of voor de asch van een koning. Maar die tweede veronderstelling
doet mij het aangenaamst aan, en ik mag gaarne denken, dat, om tot
de onsterflijkheid in te gaan, de souvereinen van Cambodja tot de
grootheid van hun voorvaderen meenden te moeten terugkeeren.

Van Oedong bracht de sloep ons, door den stroom geholpen, tot
Pnom-penh. Daar resideert de tegenwoordige koning van het land,
Norodom met zijn populairen naam; en nog vol van de pas opgedane
indrukken over zijn vader, legden we bij hem onze eerste visite
af. Wij treden in de omheinde ruimte van de koninklijke verblijven. In
plaats van een eigenlijk gezegd paleis, zooals wij, Europeanen, ons
dat voorstellen, bevinden wij ons tusschen een complex van allerlei
kunstelooze gebouwen. Overal groeit gras tusschen de steenen, stukken
puin liggen op den grond; op de binnenpleinen loopt gevogelte. Eerst
was er dan de troonzaal, een lange loods, die mij denken doet aan
de zaal, waar in onze jeugd de prijzen op school werden uitgereikt;
verder allerlei goedkoope meubels in de andere vertrekken, verkleurd
parijsch goedje, leelijk brons en onecht porselein, want de handelaars
beschikken over een groot deel van de civiele lijst des konings,
door hem die zoogenaamde kunstvoorwerpen duur te verkoopen.

Iets verder wijst men ons een huisje, leelijk en burgerlijk van stijl,
zeker kant en klaar op de eene of andere tentoonstelling gekocht. In
een villa van die soort woont de vorst, met veranda en gekleurde ramen,
juist zooals een koopman in ruste het verlangt.

Een enkele maal krijgt Norodom verlangen naar iets groots; dan kwellen
hem de groote ruimten van het oude Angkor in den droom. Zoo heeft hij
nu een bouwwerk opgericht, dat zijn bestuur tot eer moet strekken,
een vergulde pagode, en de inwijding van dit monument verleent aan
de Têtfeesten dit jaar een ongewonen glans.

Vóór den tempel prijkt het standbeeld van Norodom I. Hij is te paard
voorgesteld in generaalscostuum met den hoed in de hand. De monarch
is geheel van goud, en zijn paard is hemelsblauw gekleurd. De houding
is niet kwaad, maar zoo bekend! Waar kunnen wij die toch meer hebben
gezien? Een woord van onzen gids helpt ons terecht. Het is het
standbeeld van Napoleon III, door de republikeinsche regeering op
zij gezet, en waarvan men een presentabelen Norodom heeft gemaakt,
door het baardje weg te laten en den neus wat af te platten.

Namaak, het standbeeld van den vorst! Namaak, zijn paleizen en zijn
tempels! Namaak, alles in Cambodja, zoozeer dat die tot beginsel
schijnt geworden.

Het gebeurt, dat volken, evenals oude menschen, kindsch worden. De
rijpe leeftijd van dit ras was ook zijn gouden tijd. Sinds dien ouden
tijd hebben de ontaarde afstammelingen van de Khmers uit hun roemrijk
verleden slechts onbewuste herinneringen overgehouden, een soort
van instinct, dat hen van groote gebouwen doet houden. Zij voelen
veel voor al wat blinkt en schittert, en verbergen hun gebrek aan
inspiratie onder indigo en goud en oker. Bij de bouwkunstige wonderen
van Angkor vergeleken, lijken hun monumenten op kinderspeelgoed.

Zij werken niet voor de toekomst, en soliditeit is niet van
hun gading. Het tegenwoordige is hun genoeg, de duur van een
menschenleeftijd of van een koningsgril. Als de muren maar wit zijn,
als de daken en de sieraden maar schitteren in de zon, is alles in
orde. De koning, die een monument heeft laten bouwen, zal mogelijk
voor het onderhoud zorgen; zijn opvolger zal het zeker verwaarloozen.

Die onvastheid schijnt altijd een kenmerk van het ras geweest te zijn;
zij is de oorzaak van de verwaarloozing, waaraan de Khmers zooveel
grootsche monumenten ten prooi hebben gelaten, en hun afstammelingen,
door het voorbeeld van vroegere geslachten gewaarschuwd, hebben
de gewoonte verloren, degelijk materiaal te gebruiken voor werken,
die toch bestemd zijn spoedig te vervallen.

Pnom-penh zal hoofdstad worden van Cambodja. Wij hebben er huizen
gebouwd van degelijke steenen, en wij hebben er westersch streven
naar ontwikkeling ingevoerd. Nu moeten wij verder gaan en voor koning
Norodom opkomen, dien wij onder ons protectoraat hebben genomen,
en trachten, hem weer in 't bezit te stellen van de oude ruïnen,
die zijn voorgeslacht heeft achtergelaten.



In Zuid-Bretagne

Naar het Fransch van Gustave Geffroy.


Het stadje Quimperlé kan heel goed als type dienen voor Zuid-Bretagne,
hier in dit hoekje van Finistère, zooals Morlaix en Saint-Pol-de-Léon
Noord-Bretagne typeeren. Men kan te Quimperlé van allerlei
eigenaardigheden der natuur en van ieder aanzicht, dat een landschap
bieden kan, genieten.

Als men aankomt op een avond van helderen maneschijn, vindt men
een vreedzaam, stil stadje, dat er fantastisch uitziet, met ledige
straten en kronkelende steegjes, gevels, die voorover hangen en
terugwijkende benedenhuizen. De klokkentoren van Saint-Michel drukt
als een domper op de huizen der bovenstad. Als het blauwe maanlicht
over het steenen gevaarte strijkt, ziet de toren er met zijn hoeken
en bogen en balustrades uit als een reuzenuil met een vierkante kroon
en de witte vlek van 't uurwerk over zijn eene oog. De uil staat daar
reeds op zijn steenen nest sinds de 15de eeuw, en de klokkestem, die
zijn stem is, blijkt wel een stem te zijn uit het grijs verleden,
zoo oud en vreemd en gesluierd klinkt zij, beverig en grommend en
langzaam de tonen uitgietend over de stad en de rivier.

Dat is het eenige nachtelijke geluid in Quimperlé, die stem van lang
geleden. Alles slaapt den slaap der kleine steden, dien slaap, die
werkelijk slaap is, de dood der menschheid. Geen enkele tred op het
plaveisel van de straten, geen geratel van een rijtuig bij 't begin
van den straatweg, zelfs niet het fluiten van een spoortrein op de
hoogte. Alles zwijgt tegelijk, en als men opmerkzaam toeluistert,
hoort men zoo nu en dan 't geritsel van den wind in het gebladerte
der boomen van het plein, of 't zacht geklots van het water tegen den
oever, of den doffen bons van een boot tegen de steenen kade. Zulke
nachten kent het groote Parijs niet, welks holle bodem, waarin de
buizen en leidingen van allerlei diensten elkander kruisen, het geluid
van al wat in beweging is, meedoogenloos terugzendt.

De fiacres van drie uur in den morgen rijden nog, nachtelijke
feestgangers zijn nog onderweg, of reeds komen uit alle voorsteden de
wagens van de groenten- en fruitverkoopers en gaan met de snelheid,
die hun slaperige paarden bereiken, naar de hallen. Doch dat is nog
maar een rustig, regelmatig, bijna gedempt geluid. Later behoort de
stad aan de slagerskarren en de melkrondbrengers, die vliegensvlug
door de straten daveren; gillend en met hun zweep omhoog, gedragen
de koetsiers zich, of ze aan een wedstrijd met triomfwagens deelnamen.

Zulke genoegens kent Quimperlé niet, en de doortrekkende reiziger, die
uit de groote steden komt, moet het stadje dankbaar zijn, dat hij er
de décors der onbewegelijkheid en de stemmen der stilte mag bewonderen.

De menschen staan vroeg op; dan begint de vroolijke symphonie der
klompen, en de verandering treedt op in 't aanzien der stad. Die
schijnt met den blauwen rook uit de schoorsteenen mee te gaan vliegen
door de op terrassen liggende tuinen. Als de blinden en de vensters
opengaan, verschijnen vriendelijk lachende gezichten met heldere oogen
en praatlustige monden, de witte mutsjes reeds geplant op blonde en
kastanjebruine haren. De koopvrouwen van visch loopen rond met den neus
in den wind en een breeden roependen mond, die, daar ben ik zeker van,
niemand het laatste woord zouden gunnen en voor haar zusters in het
paviljoen der hallen van Parijs niet onderdoen in woordenrijkheid.

Als gij buitendien nog Quimperlé op een Zondag bezoekt, en als er in
de buurt de een of andere vergadering is, zal het u gegeven zijn, de
mooiste verzameling goed opgetrokken kousen, korte rokjes en kleurige
boezelaars te zien. Die boezelaars! Men moet ze twee aan twee of drie
aan drie of bij halve en heele dozijnen in de straten der stad hebben
waargenomen en op de wegen in den omtrek, om zich een denkbeeld te
vormen van hun belangrijkheid en hun luister. In de uitstalkasten van
de winkels, beschaduwd door de overhangende luiken, zijn ze niet zoo
schitterend welsprekend; maar als de vrouwen en meisjes van Quimperlé
ze dragen en in haar wandelpasjes er fleurig mee flaneeren, bewust
van eigen schoon aangekleed zijn, worden ze buitengewoon aardig en
klinken hoog als een fanfare bij een marsch in den zonneschijn van een
feestdag. Er zijn blauwe als korenbloemen, als maagdepalm en andere
als hoekjes van den hemel na den regen of als blauwe kinderoogen. Er
zijn violette als een onweershemel, als de zee in den zomer tegen
den avond. Dan ziet men roode, vurig als bloed, en rose als rozen en
gele als gouden knoopen. Men heeft er, die afwisselende tinten hebben
als de borst van een duif en witte zijden boezelaars, die in de zon
verguld lijken en blauwachtig zijn in de schaduw, en het lijkt wel,
of die wandelaarsters het erop hebben gezet, op feestdagen alle
kleuren der natuur na te bootsen op alle uren van den dag.

Quimperlé is naar mijn smaak een der mooiste stadjes van Bretagne,
niet enkel om den bloei der mooie boezelaars, maar ook om zijn gunstige
ligging aan de samenvloeiing van de Ellé en de Isole, die de Laïta
worden, om de aardige huizen en de vroolijkheid der bewoners. Overal
ziet men tuinen en boomen. Als men den heuvel Penarven is afgedaald,
treedt men de stad binnen, komt op het pleintje van den Bourg Neuf,
dan op de oude Place Royale en bij de merkwaardige kerk van het Heilige
Kruis. Te Quimperlé is, evenals te Hennebont, de stad weer verdeeld;
hier heeft men de hooge en de lage stad, en de laatste bestaat op haar
beurt weer uit twee wijken, de eene, omsloten door de twee rivieren,
vormt een gesloten stadsdeel, de andere wijk op den linkeroever der
Ellé, heet Vannes, daar het riviertje, de Ellé, vroeger de grens
vormde tusschen het diocees Vannes en Quimper. Tegenwoordig behoort
alles bij het departement Finistère.

Op het terrein tusschen de beide rivieren ligt het eigenlijke
Quimperlé. Evenals in vele plaatsen van Bretagne is het oudste huis
een kluizenaarswoning geweest, geen hermitage van een heilige,
maar de kluis van een onttroonden monarch, Gunthiern, prins van
Groot-Bretagne, koning van Cambrië, die in een gevecht zijn hem
onbekenden neef doodde. Smart en wroeging deden hem de heerschappij
neerleggen. Eerst ging hij naar het eiland Groix, daarna naar den
grond tusschen de Ellé en de Isole. De legende wil, dat hij er een
klooster heeft gesticht; Albert le Grand bevestigt dat, Dom Lobineau
spreekt het tegen. Wat met meer zekerheid kan beweerd worden, is dat
hier een der kasteelen stond van de graven van Cornwallis. Een van die,
Alain Canhiart, die op het punt was, het gezichtsvermogen te verliezen,
werd genezen door een droom, waarin hij een gouden kruis zag. De paus,
die geraadpleegd werd, raadde aan, een klooster te bouwen ter eere
van het Heilige Kruis, dat op 14 September 1029 werd gesticht, dag
der aanbidding van het kruis. In dien tijd werden Belle-Ile-en-Mer
en andere leenen door Alain Canhiart aan de monniken afgestaan. Die
laatsten lieten hun klooster in 1678 herbouwen.

Thans zijn er de rechtbank en het gemeentehuis, de onderprefectuur, een
gemeenteschool en een politiepost gevestigd. Een deel der bibliotheek
bevindt zich te Quimper. Een copie van het kloosterregister wordt in
den vreemde bewaard. Maar gebleven is de kerk van het Heilige Kruis,
die beroemd is in de kunstgeschiedenis als een der weinige navolgingen
van de kerk van 't Heilige Graf in Jeruzalem. Ik heb reeds als zulk
een imitatie aangewezen de kerk van Lanleff bij Saint-Brieux; maar
dat is een ruïne; en Sainte-Croix, de kerk die hersteld en herbouwd
is in 1476, blijft door vele van haar deelen een merkwaardig monument
uit de 12de eeuw. De algemeene vorm is rond; maar door uitbouwsels
heeft zij den kruisvorm gekregen, eigen aan zooveel kerken. De meening
der archeologen is, dat het koor nieuwer is dan het middengedeelte,
en dat het oude koor zich bevond tusschen de vier enorme pilaren van
het midden.

Sainte-Croix doet afbreuk aan Saint-Michel, een kapel, die tot
kerk geworden is en een zeer belangwekkend gebouw moet heeten uit
de 14de en 15de eeuw. De vierkante toren met zuilen en zuiltjes en
open galerijen, siert Quimperlé met zijn ernstige lijnen en fijn
beeldhouwwerk. Saint-Colomban ligt in puin. Het Jacobijnenklooster,
waar nu nonnen wonen, heeft enkel nog een poort uit de 15de eeuw,
en het heeft zijn prachtige tuinen behouden.

Dit is zoowat alles, wat met enkele oude huizen overgebleven is van
de oude stad. De vestingwerken en de poorten zijn verdwenen. Veel
bruggen vindt men in de straten, zooals te verwachten is bij een
stad, gebouwd aan twee rivieren. Kermissen en markten worden op het
Saint-Michelplein gehouden, waarvan een gedeelte het Zonneplein en
een ander het Varkensplein of de Varkensmarkt heet. De gemeenteschool
is gevestigd in een oud Capucijnerklooster. Daar werden in ouden tijd
de inwoners genoodigd, om op Goeden Vrijdag kabeljauw te komen eten,
zooals men op Sint-Jan sardines ging nuttigen bij de Jacobijnen.

Het kerkhof omgeeft de Sint-Davidkapel. Er bestaat een zoo goed als
volledige lijst van de burgemeesters der stad van de eerste jaren
der 16de eeuw tot 1790. De zeehandel is afgenomen, schepen van dertig
tonnen kunnen niet meer de rivier opvaren door de ondiepten.

Twee Benedictijner monniken, die beroemd zijn geworden, werden te
Quimperlé geboren, Gurheden, geschiedschrijver van het klooster
Sainte-Croix in de 12de eeuw, en Dom Morice, schrijver van de
Geschiedenis van Bretagne, uitgegeven in 1750. Ook zijn er geboren
generaal Hervé en de prediker Boursoul, terwijl de zeevaarder Du
Conëdic ook dichtbij Quimperlé het levenslicht aanschouwde.

Ofschoon er nogal toeristen komen en enkele Engelschen zich er
gevestigd hebben, blijft de streek toch eenzaam en een heerlijk oord
voor wandelaars door het groote bosch van Clohars-Carnoët, een domein
van 724 H.A.

Het begint aan het benedeneind der stad en strekt zich uit tot aan het
dorp Clohars, en hier en daar liggen brokken verspreid, eikenlanen,
hoekjes dennebosch en boomgroepen. De groote wegen worden dikwijls door
pleizierrijtuigen bereden; maar de wegjes en voetpaden zijn eenzaam
en verlaten, verlicht door 't groene schijnsel, dat door de boomen
valt. De plantengroei op den grond en op de hellingen der wegen is
dicht en weelderig; hooge varens en distels staan er tusschen rose
en paarse heide, en al die lage gewassen herbergen een wereld van de
grootste verscheidenheid en ongehoorden vormenrijkdom, een wereld van
insecten en vliegen en vlugge mieren, die lasten torsen grooter dan
zij zelve. Vlinders van allerlei gedaante en kleur, morgenvlinders
en avondvlinders, kleine bleekblauwe kapelletjes, die als fladderende
viooltjes zijn, legers gestreepte en gebronsde kevers van kopergroen en
gevlamde tinten, sommige met helmen en zwarte kurassen en horens als
van een hert, dat alles leeft hier als in een klein bosch onder het
groote. Men krijgt het alles te zien, als men zich maar onbewegelijk
houden kan en op dezelfde plek oplettend alles wil gadeslaan, zonder
de eindelooze tochten te storen van al die kruipers en vliegers en
van de velen, die elk doorgangetje tusschen de grassprietjes kennen.

Heft men het hoofd op, dan krijgt men een indruk van den tempel van
ongekorven hout; de boomstammen gaan rechter en losser en fierder de
hoogte in dan de zuilen van gothische kathedralen. Zij hebben vorm en
kleur en hardheid als van steen; de tijd heeft hun hout verhard als tot
graniet. Er is een plekje, waar het aantal woudreuzen bijzonder groot
is. Men ziet het van den grooten weg, die het bosch recht doorsnijdt
in de richting van Clohars. Het bosch loopt hier over heuvels en door
dalen en op een der hoogten ziet men een groep pijnboomen van edelen
vorm en onvergelijkelijke gratie. Daar ze hun naaldenkroon enkel op
den top dragen en geen lage takken hebben, beheerschen zij als reuzen
het woud. In de ondergaande zon en het rose schijnsel doen hun rechte
stammen denken aan masten van schepen; hun graniet wordt tot porfier,
en de wind ontlokt klanken als van een orgel van hun donkere kronen.

Het eenige geluid, dat aanhoudt bij dit windgesuis, dat toeneemt en
vermindert, zucht en fluistert en in golven aanbruist, is het gezang
der vogels in de heggen en de boomen. Zij houden zelfs niet stil,
als men voorbijgaat, of als er een roofvogel over het bosch vliegt,
tot hun plotseling het zwijgen wordt opgelegd, als de wreede roover op
een open plek in 't bosch zijn prooi uitkiest. Alle andere geluiden
zijn kort van duur en toevallig, en om ze te hooren, moet men goed
opletten als een jager, en tevens met het geduld en de voorzichtigheid
van een hengelaar. 's Nachts vooral kan men lichte of zware schreden
hooren van de dieren in het bosch, of plotseling verschrikt worden
door vormen, die eensklaps uit het kreupelhout voor den dag komen en
in een paar sprongen weer verdwenen zijn. Dan heeft het bosch zijn
zwarte en zijn twijfelachtige, doorschijnende plekken; het is vol
ongeziene dingen, vol van het geheimzinnige in de natuur, dat altijd
den mensch schrik heeft aangejaagd.

Over dag ziet het er vriendelijker uit, vooral hier en daar aan
den rand of op enkele hoogten, waar de hutten van kolenbranders en
klompenmakers zijn gelegen. Daar vindt ge ze, de ware heeren van het
woud, evengoed er meesters als de wachters, die bij bochten in den
weg u voorbijgaan met het geweer op schouder en in den correcten pas
van den soldaat. Die bijeenstaande hutten, die er geïnstalleerd zijn
als in een Indianenkamp, die rook, die keukens in de open lucht, die
werkende mannen, die lachende kinders in het groen, alles spreekt tot
den beschaafde van instinctieve vreugde, van een onbezorgd voortleven
van den eenen dag op den anderen, van de aanvaarding van een bescheiden
bestaan, nederig en vrij en zoo gelukkig mogelijk.

Dit mooie bosch van Carnoët kent levendige feestvreugde, en wel eens
per jaar, op Pinkstermaandag. In Toulfouën bij den ingang van het bosch
wordt vogelmarkt gehouden, een waar feest voor den heelen omtrek. In
de buurt zijn de ruïnen van het kasteel Carnoët, waar Con-Mor huisde,
een der Blauwbaarden van Bretagne.

Maar de stad is het uitgangspunt van nog andere uitstapjes.

Quimperlé, dat de stilte van den nacht en de vroolijkheid van den
dag kent, heeft niet alleen een bosch, het heeft ook een rivier en
op twaalf kilometer afstands de zee.

Die twaalf kilometer kan men afleggen door het woud van Clohars-Carnoët
of langs de rivier, de Laïta, gevormd beneden het stadje door
de vereeniging van de Ellé en de Isole. 't Is waar, dat men op die
rivier zich nog in het bosch bevindt. Het water der Laïta stroomt onder
struiken door en tusschen eiken en beuken. Het is blauwachtig en helder
bij 't verlaten van Quimperlé, wordt dan onder het kreupelhout groener
en donkerder, weerspiegelt het gebladerte en laat heel in de diepte een
streep over van de lucht, schittert dan weer vrij op de open plekken
en wordt bij de bochten gelijk aan een liefelijk meertje. Stelt u het
bosch van Fontainebleau voor, doorstroomd door een rivier. Die stroom
wordt breeder en breeder, laat zijn oevers droog in den tijd van eb,
vloeit tusschen door rotsen versterkte kanten, met pijnbosschen bedekt
en boschjes van kastanjeboomen. Na een oponthoud te Saint-Maurice,
waar men voorbij een kasteel uit de 18de eeuw gaat, dat zich spiegelt
in een vijver, en waar men de ruïnen der abdij Saint-Maurice bezoekt,
omgeven door de gebouwen van een boerenhuis, gaat de rivier met
korte golfjes verder. Die eerste elastische golfjes schijnen de boot
aangenaam aan te doen, nadat zij lui den kalmen loop van 't water
heeft gevolgd. Men wordt herinnerd aan een paard, dat eerst op een
moeilijken weg dommelig en traag heeft geloopen en dan, door zweep
en woord aangemoedigd, een mooien weg vóór zich ziet, waar het flink
en ferm lang achtereen vlug zal kunnen draven.

Zoo komt de boot, die het eerst al te gemakkelijk had in tegenstelling
met het paard, opgewekt te Pouldu, dat tegelijk aan de rivier en de
zee is gelegen.

Het is een gehucht, waar het goed rusten is voor hen, die villa's aan
de kust hebben gebouwd en hun met vijgenboomen beplante tuinen door
hooge muren hebben omgeven. Het strand der zee is hier omzoomd met
struikgewas vol bloemen en in den herfst met vruchten overladen. Nu
kweelen er de vogels in. De rotsen zijn laag, en hier en daar dalen
lange, zachte, zandige hellingen af naar zee. Aan den horizon ziet men
het eiland Groix, als een steenen tafel oprijzend uit de golven. In
de zachte lucht komt een aroma van bloemen naar ons toe door de zilte
zeelucht heen.

Ten tijde van mijn verblijf te Pouldu en te Quimperlé hadden het
dorp en het stadje een eigenaardig karakter, dat ik niet verborgen
wil laten, al moet de nationale trots er onder lijden. Het een en
't ander vormen samen een badplaats, die een soort van engelsche
kolonie is, een volledige kolonie, waar men zich niet zou verbazen,
als men er een consulaat vond en een engelsche vlag.

De hôtels van Quimperlé waren ingenomen door engelsche families
of door engelsche jonge meisjes met haar gouvernantes. Meer dan de
helft der plaats, ja bijna de geheele stad, was bezet door John Bull
met vrouw en kinderen, en John Bull leefde hier als in Australië of
in Indië. Hij heeft zin voor cosmopolitisme, en dat toont hij in een
hoekje van een stil, kalm stadje in Bretagne, waar hij zijn zomerrust
geniet, even duidelijk als in die streken, waar hij regeert in naam
van zijn koning-keizer. Hij is overal op zijn gemak, en als men zegt,
dat de Engelschman zoo aan zijn home gehecht is, sluit dat tevens in,
dat hij zijn tehuis overal kan vinden en dat alle plaatsen geschikt
zijn, om er zijn thee en zijn biefstuk met smaak te gebruiken.

Te Pouldu was alles vol, net als te Quimperlé, en veel Engelschen,
die het klimaat boven dat van Londen verkiezen, blijven er het geheele
jaar. Zij hebben hier hun huis, hun boot, hun rijtuig; ze dwalen
langs de kust, loopen door het bosch, en overal ziet men hun witte
hoeden, groene voiles en geruite pakken. Want zij geven zich hier
het uiterlijk van de Engelschen uit onze vaudevilles, en de dames en
kinderen overdrijven eveneens de anglomanie. En daarom ook ontmoet
men in het land der vroolijke klompen en der mooie boezelaars zooveel
groote meisjes, die als kinderen van Kate Greenaway gekleed gaan,
en die veel te ernstig kijken, als ze naar huis gaan van een zitje
bij het teekenen van een aquarel of van een levendige vlinderjacht.

Er is wel een verklaring van te geven, waarom de Engelschen en
villégiature zich er dadelijk zoo stevig installeeren, waarom onze
buren van overzee terstond de omgeving verengelschen, het stadje, 't
hôtel, het strand en alle plaatsen, waar zij hun tenten opslaan voor
korteren of langeren tijd. De eigenaardige zeden en gebruiken geven
er de waarde aan van een _home_, dat de Engelschen zoozeer op prijs
stellen, evenals al degenen, die over Engeland spreken. Het bestaat
wel, dat gevoel, maar niet alleen op de gevoelige, dichterlijke en
romaneske manier, zooals allen zich dat voorstellen. Het is ver
uitgebreid, gegeneraliseerd, algemeen geworden. Het _home_ is de
plaats, waar de Engelschman zich bevindt. Ook de plaats, die de zee
voor hem inneemt, is daardoor aangewezen; zij vooral is zijn domein,
waar de andere volken zich eigenlijk niet mogen vertoonen. Het is
vrij gemakkelijk in te zien, hoe dit gevoel hem is aangeboren en zich
altijd bij hem heeft ontwikkeld. De dubbele verklaring hangt samen
met de aardrijkskundige gesteldheid van Engeland, met zijn rol in de
wereld en ook met den zin voor het reëele, die een der karaktertrekken
is van het handeldrijvende volk.

Het moederhuis is een eiland. Het was voor de daar gevestigde
menschen volstrekt noodig, hun fortuin op het water te beproeven. Hun
continentale uitbreiding in Europa is hun onmogelijk gemaakt door het
verzet van Frankrijk; zij hebben in ons een levensfrischheid en kracht
gevonden, waarop hun pogingen zijn afgestuit, en dus hebben zij hun
horizon elders moeten uitbreiden. En dan was er de zee! Die hebben zij
golf na golf veroverd; ze hebben haar geheel geëxploreerd; zij hebben
alle landen op alle breedten aangedaan, overal hun vlag geplant, waar
nog een zandbank was te vinden. De bewoners van het europeesche eiland
zijn ten slotte in het bezit geraakt van een onmetelijk rijk, dat met
zorg uitgekozen koloniën omvat, die op het budget prijken met baten,
niet met nadeelige saldo's. Dan, na dien zegetocht over de wereld, na
die vestiging hier en elders verschijnt de zin voor de werkelijkheid,
en de practische geest gaat aan het werk.

De Engelschman verstaat, zooals men heeft gezegd en dikwijls herhaald,
de kunst van reizen, en het denkbeeld, dat men leert door reizen
is aan hem bewaarheid. Zoo heeft hij leeren begrijpen, dat de aarde
heel klein is, och zoo'n klein planeetje, dat men gemakkelijk naar
alle zijden kan bereizen, terwijl het engelsche volk talrijk genoeg
zou wezen, om het geheel te bezetten. Maar die onderneming biedt wel
eenige moeilijkheid, en nu hij de aarde niet geheel voor zich kan
nemen, stelt hij zich tevreden met een gedeeltelijke bezetting en
inbezitneming. Toch is het gevoel van die universeele souvereiniteit,
die niet tot de onmogelijkheden behoort, hem bij en uit zich altijd
en overal, in de kleine bretonsche steden, uitgekozen als geschikte
punten, daar het klimaat er heerlijk is, en op de groote, wijde zee,
die er slechts schijnt te zijn, om de Britsche eilanden met water
te omringen.

Te Pouldu hield ik mij eenigen tijd op in het oranjekleurige zand en
de holle wegen, waar de hellingen met wilde aardbeien en viooltjes
zijn begroeid. Toen ging ik per boot naar Douëlan en Pont-Aven. Het
eerste is een haven, waarin enkele booten liggen. Pont-Aven "stad van
naam, veertien molens en vijftien huizen, meldt de faam", zegt het
spreekwoord. Er zijn inderdaad molens te Pont-Aven, maar er zijn nog
meer rotsen en 't allermeeste schilders; schilders van alle naties
en 't meest amerikaansche schilders. Het heet, dat een Amerikaan
Pont-Aven heeft ontdekt in 1872. Welk een hôtel en wat voor table
d'hôte toentertijd! Maar het landschap vloeide over van tooneeltjes,
door die heeren als motieven aangeduid. De rivier is verrukkelijk
door haar watervalletjes en scherpe bochten, door groene oevers en
kleine strandjes, waar men een schildersezel kan neerzetten.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde
reputatie van behaagzucht. Ze besteden veel geld aan degelijke
stoffen voor haar japonnetjes, vooral het bruidskleed moet prachtig
zijn. Haar nationale dracht vertoont veel fluweel en borduursel,
goud- en zilvergarnituur en allerlei versiering.

Niet ver van Pont-Aven ligt de kapel Trémalo, een laag gebouwtje,
waarvan de muur maar even boven den grond reikt met een hoog dak erop
en een klein klokkentorentje, zoodat het geheel er als een schuur
uitziet; verder het kasteel Hénan, dan veel dolmens of hunebedden, een
ingestorte toren en begroeid plateautje, die de ruïnen van Rustephan
moeten zijn, gesticht in de 12de eeuw.

Dan bereikte ik Bannalec, het land der zwarte mutsjes, dan Rosporden,
waar ik in den namiddag aankwam en waar alles mij doodsch en verlaten
scheen met het stille marktpleintje en de zwarte huizen, en Concarneau,
dat mij aan Pont-Aven deed denken.

De aankomst in den zomer tegen het vallen van den avond te Concarneau
in een der hôtels, die op de haven uitzien, geeft een goed denkbeeld
van de villégiatures in die visschersplaatsjes. De dame van 't hôtel
heeft, zoo al niet de nationale dracht, toch het karakteristieke
mutsje behouden, maar er is veel schijn bij die vertooningen, en
de bretonsche meubels zijn in Parijs gemaakt en toen verzonden naar
de handelaars in oudheden in die kleine stadjes. Hier bijvoorbeeld
is gelukkig de eetzaal echt engelsch en modern, vernist hout en
electrische verlichting, maar de costumes der dames, wit en rood en
fleurig, de mannen met hooge witte boorden, alsof ze een rol in een
blijspel speelden, waarin het leven op een kasteel voorkwam, en geen
middagmaal in een dorpsherberg vlak bij de schepen met sardines.

Concarneau gelijkt teveel op een deftige badplaats; maar als men
het plaatselijke leven nagaat, is het bestaan der visschers altijd
interessant. Ruwe, sterke heftige mannen zijn het, die soms een
wedstrijd houden met volle booten, om maar het eerst hun visch te
verkoopen. Daarna wordt alles weer kalm, als de booten op een rij
liggen in de haven, en de netten drogen.

Ik ben hier gekomen in een tijd van feestelijkheden; en ik meng mij
onder de menigte, die kijkt naar wilde-beestenspellen en luistert
naar straatzangers. Er zijn veel vrouwen bij met bretonsche mutsjes
en mannen met snorren, uit het régiment meegebracht.

De beide stadjes staan met elkander door een brug in gemeenschap. De
nieuwe stad is slechts een voorstad, maar die neemt toe in aanzien
en wint het van de moederstad. Deze heeft een geschiedenis, verhaald
door de stevige muren. Zij is bezet geweest door de Engelschen,
werd bevrijd door Du Guesclin en had te lijden in de oorlogen der
Liga. Tusschen de hooge wallen, en in de vesting met gekanteelde
muren is thans een visscherijschool gevestigd.

Buiten Concarneau kan men een bezoek brengen aan het museum Keryolet,
aan het departement vermaakt door de gravin Chauveau Narischkine. Het
uitwendige is een slechte nabootsing van werk der 15de eeuw, maar er
zijn enkele mooie dingen, oud borduursel, aardewerk en een verzameling
mutsjes. Toch is het prettiger, door de velden te loopen, waar de
natuur prachtig is.

Deze heele streek van Bretagne is als een tuin, gelegen op de
zuidelijke helling der Zwarte bergen, een oude, liefelijke tuin met
eeuwenoude boomen, bloeiende velden en omlijnd door het saffierblauw
van de zee. Van Quimperlé tot Douarnenez ademt alles rust, bekoring
en vroolijkheid, met uitzondering alleen van de vooruitstekende
rotspunten, die van Penmarch en du Raz.

In deze opmerking is niets overdrevens. Er is in Bretagne een
eigenaardige tevredenheid, een natuurlijke vroolijkheid bij de
bewoners. Reeds in het noorden van het land, aan het Kanaal, waar
men den ernst verwachten zou in de straatjes der kloosterachtige
steden, heeft de melancholie haar glimlach. Ik denk vooral aan de
vrouwen van het land, nu ik dit schrijf, de vrouwen, die het leven
zoo kalm opnemen, zoo aanhoudend bezig zijn en zoo bevallig zich
bewegen met onveranderlijk, kalm gelaat. Zij kunnen echter ook
wel haar genoegen er af nemen, en niet alleen de jonge meisjes,
ook de oude vrouwen dragen dikwijls den gelukkigen glimlach, die
aantoont, dat zij 's levens zorgen niet zwaar nemen. Op feestdagen,
bij bruiloften en boetedagen ontmoet men altijd bekoorlijke oudjes,
zacht, eenvoudig en welwillend, die u een tot weerziens toeroepen,
haar "kennavo!" alsof ze wilden zeggen, dat men ze misschien niet zal
terugzien in de vroolijke gezelschappen, maar dat zij niettemin zeer
gelukkig zouden zijn, als ze nog één- of tweemaal mochten terugkeeren.

Nog duidelijker komt het opgewekte humeur aan den dag in het zuiden
in de streken aan den Atlantischen Oceaan; de taal is er levendiger;
de menschen spreken haastiger en luider, en er wordt meer gezongen. Op
de wegen hoort men lachen en zingen en praten; elk kruispunt van
wegen wordt een societeit, soms een danszaal. Een muzikant, op een
ton staande, is voldoende, en men danst de oude boerendansen met de
vastgestelde figuren en de deftige buigingen.

Ik heb zulke menuets zelfs zien dansen op den weg naar Raz in dat
sombere landschap, waar de velden door steenen zijn omsloten. Er
moet een groot weerstandsvermogen in het ras aanwezig zijn, om zoo
de nederige en bescheiden algemeene vroolijkheid te kunnen handhaven
bij de vijandige natuur tegenover die zee, die zoo dikwijls wreed en
woest is. Maar het landschap is daarentegen vertrouwd en vriendelijk
langs de holle, door groen beschaduwde wegen, de voetpaden, tusschen
hagen ingesloten en de velden, bloeiend afloopend naar zee.

Mij treft die luchthartigheid in het land, dat met zijn schoone
boomen de baai de la Forêt omzoomt en dat tot Concarneau en de in
zee uitstekende punt Beg-Meil voortloopt, terwijl ik door het dorp La
Forêt en 't gehucht Fouesnant ga. Men beschrijft, als 't ware, al dat
groen, die rose en blauwe velden en den glanzigen zeespiegel voor zich
zelven, alleen als men die dagen herroept en zich de aardige gesprekken
weer te binnen brengt. Ik weet wel, dat de strijd om het bestaan ook
hier als elders een onaangenamen kant kan hebben; maar ondanks alles,
ondanks de kwaal van het snobisme, hier en daar opgetreden op bepaalde
plaatsen aan de kust, ondanks de kwade praktijken, met de beschaving in
de veelbezochte dorpen gebracht, ondanks de noodzakelijke laagheden,
die met het bezit van geld worden aangevoerd, is dit toch het land,
waar men nog 't best een eigen, vrije manier van leven behoudt en
een belangelooze vreugde aan het schoone der natuur.

De Glenans-archipel, ten westen van de Woudbaai gelegen, telt negen
eilandjes, waarvan één, Cigogne, een fort draagt. De belangrijkste
daarna zijn Loch, Penfret, waar een vuurtoren en een semafoor
zijn opgericht, en 't eiland Sint-Nicolaas, waar men tevergeefs
beproefd heeft, een kapel te bouwen voor het honderdtal bewoners,
allen visschers, die er in hutten wonen. Dit is niet Belle-Ile, noch
Groix. Al deze eilandjes vormden vroeger samen één eiland, zegt men;
maar de zee heeft zich tot taak gesteld, die eenheid te verdeelen,
den grond vaneen te scheuren en de rotsen uiteen te doen wijken. Het
is nu niet anders dan een hoop boven water uitstekende rotsen, een
golfbreker voor de baai van La Forêt.

Fouesnant ten noordwesten van die baai is een bloeiend dorp, waar
veel drukte heerscht op marktdagen, op het plein bij 't kerkhof en
de kerk. Men kan er varkens te zien krijgen, zoo groot als kleine
ezels. Er wordt een massa boter verkocht en appelen vent men er;
de appelwijn van Fouesnant heeft een goeden naam, en hij verdient
dien. Een der belangwekkendste personen, die ik ooit in mijn
leven heb ontmoet, is een appelenkoopman, die te Roscoff woonde,
en die te Fouesnant kwam, toen ik er vertoefde, om een deel van den
oogst of misschien wel alles, op te koopen. Hij was, zoo gij wilt,
commis-voyageur, want hij reisde voor zijn handel en hij nam gaarne
het woord aan de table d'hôte van het kleine hôtel, waar hij was
afgestapt en waar ik ook logeerde.

Hij was er een bewijs van, dat de commis-voyageurs niet allen, zooals
beweerd wordt, zoutelooze verhalen doen of opsnijders en kletsers
zijn. Deze was een goed spreker, zeker, maar hij praatte niet,
om niets te zeggen. Hij had heel wat van de wereld gezien, Europa,
de kusten van Afrika, Amerika, Azië en Oceanië. Het bijzondere was,
dat hij goed had gezien al wat hem onder de oogen kwam. Ik heb eenige
avonden met hem gesleten, niet om met hem een gesprek te voeren,
maar eerder om naar hem te luisteren, hem slechts een woordje tot
antwoord gevend, om hem op te wekken, door te gaan.

Nooit heb ik zulk een verzamelaar van feiten ontmoet en ik ben
nog al met menschen in aanraking geweest, maar deze was waarlijk
verrassend. Hij was begiftigd met een geheugen, dat geen aarzeling,
noch weigering kende, en dat, naar men terstond merkte, niet door
boeken was gevoed. Hij had in zich de herinnering bewaard aan alle
landen, die hij bezocht had, alle zeden en gewoonten, die hij had
waargenomen. Hij was op de hoogte van regeeringen en wetgevingen en
handelstoestanden en kende allerlei bijzonderheden, die zich aan hem
hadden voorgedaan. Wat Bretagne aangaat, daar kende hij alle steden,
alle dorpen, alle gehuchten, wist wat er op de velden groeide,
waarmee de bewoners zich voedden, hoe zij zich kleedden en welke
hun karaktertrekken waren. Hij beschreef den vorm der mutsen, het
borduursel van 't corsage, de manier, waarop ceintuurgespen werden
gesloten, en tegelijk gaf hij wenken over de geschiktheid voor den
handel, den stoutmoedigen of schroomvalligen geest der menschen,
hun somber of opgewekt humeur. En met hoeveel menschen had hij niet
zaken gedaan! Deze appelkoopman was van gemiddelde lengte en ook van
middelbaren leeftijd, gedrongen, met breede schouders, een forsch,
welgebouwd hoofd had, een kleinen zwarten knevel met enkele witte
haren erin en kleine, zwarte, onderzoekende en zeer scherpziende oogen.

Als gij hem ontmoet en hem aan dit signalement herkent, schroom dan
niet, een gesprek met hem aan te knoopen; ge zult u den tijd niet
beklagen, dien gij hem schenkt, en ge zult u niet vervelen bij dien
verzamelaar van feiten, die altijd bereid is, u zijn collecties te
laten zien en steeds eenvoudig, overtuigd en met geest het woord voert.

Des middags en des avonds bleef ik langen tijd bij dien sympathieken
prater. Maar toch vond ik 's morgens en in den namiddag den tijd, de
omstreken te gaan zien en 't land van Fouesnant te leeren kennen. Ik
wandelde dikwijls naar Beg-Meil, een zomerstadje aan den westkant van
de baai, met kleine huisjes, zandige tuinen en veel groen. De kust is
er laag met kleine duinen en zacht gras bedekt. Daar tegenover zag
men de grijze, violette of in het licht schitterende rotsen van de
Glenans-eilanden. Maar mijn liefste wandelingen waren de schaduwrijke
wegen naar den achtergrond der baai. De zee, door al het groen gezien,
is onvergelijkelijk mooi, en de baai, die zoo weinig wordt bezocht,
doet voor geen inham in schoonheid onder; men geniet daar in de buurt
de schoonheid van een met zorg aangelegd park. De zuidelijke natuur,
zoo hoog geprezen, schijnt een schouwburgdecoratie, vergeleken bij
dit frissche, intieme landelijk schoon. Hier niet meer de gratie van
Quimperlé of de schilderachtigheid van Pont-Aven; maar in ernstige
lijnen en donker groen zijn er de wegen en de dalen getrokken, alles
uitloopend op het witte strand en de blauwe oneindigheid der zee.

De vrouwen van Fouesnant zijn mooi, evenals die van Pont-Aven, dat wil
zeggen, ze zijn forsch en statig en soms vertoonen ze rijke kleedij,
als de omstandigheden het zoo meebrengen. Haar gewoon costuum is
maar eenvoudig; een rok, een boezelaar met banden en een lijfje,
maar alles is met borduursel overladen, borduursel van goud en zilver
en gekleurde zijde. Er bestaan van die costuums uit oude tijden,
die ware meesterstukken zijn, en de vrouw, die ze draagt, schijnt een
standbeeld, stijf en schitterend voor een processie naar buiten gekomen
als een heiligenbeeld. Zij loopt dan ook met afgemeten schreden, in
het volle besef harer gewichtigheid. Het mutsje met de linten ligt
op het voorhoofd, de beide vleugels sluiten bij twee zijden van het
gelaat aan. Dat laatste heeft mooie trekken, lange, zachte oogen,
maar het is dikwijls mager met een langen neus en dan heeft het met
den kleinen mond een uitdrukking van een listig muisje.

Van Fouesnant ga ik naar de Forêtkapel dichtbij, tusschen hooge boomen
met een lijdensberg erbij, en dan naar Benodet.

Er was feest te Benodet op een Zondag. Gekleurde boezelaars kwamen uit
alle holle wegen aanloopen. Kleine meisjes in lange jurken en met roode
boezelaars als standbeelden in nissen zijn op het oog de aardigste
oude vrouwtjes, die men zich kan denken. Zij vereenigen de grappige
komiekheid van de jeugd, die zich voor 't eerst verkleedt, met die
van kleine meisjes, die haar poppen dragen met de zorg van oplettende
moedertjes. Achter haar loopen de vrouwen met haar klokrokken en de
weinig lenige lijven, als uit hout in het corsage gesloten.

Het is een bewonderenswaardig land; men ziet er velden met tarwe
en aardappelen, vlas en rogge en veel boomen als in een park of
een boomgaard.

"Vroeger, toen wij Lotharingen nog hadden", zei de koetsier, die mij
reed, "noemde men dat den tuin van Frankrijk. Nu is dit land hier
zoo gelukkig".

Ik geloof, dat de koetsier Lorraine met Touraine verwart, dat wij nog
altijd bezitten; maar ik help hem niet uit den droom. En deze streek
is toch ook inderdaad een prachtige tuin.

Wij komen te Benodet. De kermis aan het water gelijkt op alle andere
kermissen; maar men heeft er hier de zee bij met haar witte zeilen als
achtergrond. Het spel met de stokken, het worstelen van den sterken
man met den liefhebber, het zijn gewone kermisvermakelijkheden. Maar
de liefhebber, een jonge boer, die gedronken heeft en niet weg wil,
staat met open mond te wachten op een tweeden slag en geeft iets
eigenaardigs aan de voorstelling.

Ook de vrouwen en meisjes van Fouesnant met de muizenprofielen en den
kleinen mond, met de mutsjes boven op het hoofd, die heel wat donker
haar onbedekt laten, zijn geen alledaagsche toeschouwsters en geven met
de naïeve, gezonde en geamuseerde trekken aan alles een eigen karakter.

Anderen loopen ernstig rond, laten zich kijken meer dan zij
rondzien. Dat zijn de schoonheden uit het land van Fouesnant
met goudborduursel op hun jakjes. Daar zijn er twee, een met
kastanjebruinen boezelaar, de ander met een bleek lilaschortje met
bloemen erop; ze beslaan den geheelen weg en zijn breed en forsch
in haar rijken tooi. En het geheele bretonsche land, alle typen
dooreen, ziet men op een hoekje van het feestterrein vóór een tent,
met dit opschrift: "Mevrouw Anézel, somnambule van den eersten rang,
consulten over het verleden, het heden en de toekomst, voor civiele
en militaire zaken, handelsaangelegenheden of liefde...."

Op den drempel verschijnt te midden van een troep Zigeuners de
oostersche schoone, een mooi donker meisje met gekroesde haren, een
koperkleurige gelaatskleur en brutale, fluweelen oogen. Zij loopt heen
en weer met de handen in de zij, bewegelijk in haar lenige manieren
tusschen dit stijve volkje van Bretagne. Ze staat stil, noodigt een
boer binnen te treden in de tent en dringt bij hem aan met woord en
gebaar en zachten drang. De vierkante boer met zijn ringbaardje om
de kin blijft onverzettelijk, doof en stom, een schuine, wantrouwige
beer, die een poesje ziet rondscharrelen.

Benodet ligt aan de rivier en aan de zee; de eerste is de Odet,
die hier komt, na Quimper te zijn voorbijgestroomd en de baai van
Benodet ligt wijd open naar de zee. De burgerij van Quimper komt
hier uitspanning zoeken; er zijn veel mooie huizen midden in tuinen
en een breed en veilig strand, waar de baders druk aan 't wandelen
zijn. Plotseling wordt de lucht donker, het weêr verandert; blauwgrijs
wordt het uitspansel en in den regen loop ik de Odet over.

Aan den anderen kant heeft men het land van Pont-Labbé en Penmarch,
waar ik een bezoek zal brengen, vóór ik naar Quimper terugkeer. Vóór
Pont-Labbé liggen de eilanden Tudy en Loctudy. Het eerste is geen
eiland meer, want de zee heeft zooveel zand aangevoerd, dat het met
de kust is verbonden; maar als men er den voet zet op dien grond,
die met de zee gelijk staat, heeft men een gevoel, van in het water
te zijn. De kleine lage huizen met hun tuintjes zijn als vastgemeerde
bootjes, waaromheen de netten hangen te drogen. Er zijn nog andere
eilanden in de buurt, Chevalier, Garo, het Gemzeneiland; 't is een
soort van archipel in een ondiepe, woelige zee. Het dorp Loctudy aan
de overzijde van de Pont-Labbérivier, is beroemd om zijn romaansche
kerk, men kan er gemakkelijk komen van het eiland Tudy, als men een
voorbijvarende boot neemt. De kerk is wel dat korte reisje waard om
haar zuilen met versierde kapiteelen, en ook de bevolking verdient
een bezoek, de mannen met de versierde vesten en de vrouwen met de
hoog op het hoofd gedragen mutsen.

Van daar bereikt men Pont-Labbé per rijtuig of per boot naar
verkiezing; maar nu het weer begint te regenen, is het verstandiger
een rijtuig te kiezen. Men rijdt een tijdlang langs de zee, maar
dan wordt het bevallige landschap doodscher; de boomen staan wijder
uit elkaâr, en het land wordt moerassig en arm, met kleine stukjes
bouwland ertusschen.

Pont-Labbé is thans niet meer dan een klein visschers- en
ankerplaatsje. Vroeger heeft de stad haar dagen van glorie gehad. Het
is het centrum geweest van een der machtigste baronnieën van Bretagne,
heeft een vestingwal van muren gehad, waarvan nog sporen over zijn. De
vesting werd ontmanteld, want zij onderwierp zich niet zonder weerstand
te bieden aan de koninklijke macht, en in 1501 moest een edict den
heeren van Pont-Labbé gelasten, zich voortaan niet meer te noemen
heeren van het hertogdom Bretagne en niet meer de wapens van dat
hertogdom te voeren.

In 1673 woedde te Pont-Labbé een oproer als verzet tegen het verzegeld
papier, ingevoerd door Lodewijk XIV. De stad is er goed blijven
uitzien, en 't is een genot, er binnen te komen na een vermoeienden
rit, zelfs als het regent. De huizen van graniet, oud van voorkomen,
hebben al den ernst van gebouwen, die al twee- of driehonderd jaar
oud zijn en zoo goed gebouwd werden, dat ze nog soliede zijn. Langs
de kade staan schaduwgevende boomen, en de haven levert een aardig
tooneeltje op met de vele booten, de rij van huizen en den hoogen
klokkentoren. De gebouwen van het Karmelieterklooster zijn afgebroken,
en het klooster is later te Quimper weer opgericht, ingewijd 17 Maart
1902. De kerk is de oude kapel van dat klooster uit het einde van de
14de eeuw, gerestaureerd in de 16de.

Alle vrouwenhoofden dragen hier den _bigouden_, waar men nog
teekeningen van phoenicischen oorsprong op meent te herkennen, en
van laken of fluweel vervaardigd. Dat mutsje wordt boven op het hoofd
gedragen en laat het haar van het achterhoofd vrij. De rokken hebben
meestal een fluweelen rand, de mouwen van het lijfje zijn bewerkt en
kleurrijk evenals de boezelaars. De mannen dragen ronde hoeden met
smalle randen en met fluweelen linten versierd. De vrouwen met haar
wijde rokken lijken op laplandsche vrouwen. Zij gaan voor leelijk door,
maar er zijn toch wel aardige bij; men moet ze niet vergelijken bij
vooraf gemaakte schoonheidsvoorstellingen met haar korte, platte
neuzen en blauwe, starende oogen. Ze hebben geen gebruinde tint,
maar zien er blank en rose uit, als vrouwen uit het Noorden.

De weg van Penmarch volgt eene zuidwestelijke richting, bestijgt
een hoogte door de landes, door dennenbosschen en bouwland. Men kan
zich ophouden in het kasteel Kernuz, toebehoorende aan de familie
Châtellier, en het museum bezoeken, waar talrijke belangwekkende
voorwerpen zijn, zooals de druïdische diademen van massief goud en
veel romeinsche beeldjes van gebakken aarde, te Tronoën gevonden,
en door romeinsche soldaten in Gallië gebracht. Zij stelden huisgoden
voor en fetisjen, ook Venussen en Juno's, onder welke één bijzonder
bekoorlijk was, een rijzige, slanke Venus, de eene hand omhoog geheven,
de andere op de heup gesteund, met een kapsel, verdeeld in golvende
bandeaux. Ook is er een gallisch graf te zien, een vreemde dolmen,
waarop de figuren zijn gebeeldhouwd van Mars, Mercurius en Hercules.

Te Plomeur wordt het land nog armer. Het is een effen vlakte zonder
boomen, waar enkel druïdische steenen en torens boven lage huisjes
de aandacht trekken. Dat terrein van rotsen en moerassen en heiden,
waar de wind vrij spel heeft, is het gebied van Penmarch, dat op een
ondergegane wereld gelijkt. De volksfantazie heeft er een mooie stad
geplaatst, met veel kerken en een bloeienden handel. Gustave Flaubert,
die zijn indrukken opschreef over een reis door Bretagne, heeft
herhaald, na Emile Souvestre, dat de straten ieder aan een bepaalden
handel waren gewijd, de straat der goudsmeden, die der geldwisselaars,
die der galanterieën enz. André Le Braz heeft niet veel moeite gehad,
om den geringen grond voor die veronderstellingen aan te toonen,
en ik ga de zaak niet opnieuw onderzoeken uit historisch oogpunt. Ik
kan alleen vertellen, wat ik van hoorenzeggen heb.

Buitendien schijnt de natuur erop te wijzen, dat hier nooit zulk een
groote stad heeft kunnen verrijzen en standhouden. Het aantal kerken
doet er niet veel toe en haar grootte ook niet. Een kerk werd niet
alleen voor een stad gebouwd, maar ook voor de omgeving. Een kerkelijke
gemeente kon zeer groot zijn, al was ook de kerk slechts door enkele
weinige huizen omgeven. Het was voldoende, dat de toren van verre
zichtbaar was, en dat de boeren, in hun hutjes of werkend op den
akker, de tonen konden hooren, hun door den zeewind toegevoerd. De
wind wierp wel eens den toren omver, maar dan werd hij herbouwd,
omdat hij iets heiligs was.

Maar het is niet waarschijnlijk, dat men met alle geweld een stad zou
hebben willen bouwen, waar die toch niet kon blijven bestaan, op dien
onvruchtbaren grond, gebeukt door wind en golven. Steden ontstaan op
natuurlijke wijze aan den oever van rivieren, in vruchtbare dalen en op
heuvelhellingen. Als het moet, vindt een dorp nog wel een plaatsje,
onverschillig waar, als het maar in de buurt der bebouwde velden
is. Overal waar de grond voor bebouwing geschikt is, verrijst een
huis. Een tweede voegt zich bij het eerste, dan een derde; er vormt
zich een groepje en men heeft het gehucht, het dorp. Het voetpad
wordt tot weg verbreed, en de weg kan tot hoofdroute worden.

Geen stad echter zal ontstaan op een plateau, waar veel sneeuw valt,
noch op een vooruitspringende rots, die aan de woede der zee is
blootgesteld. Men zal dus denkelijk de belangrijkheid van Penmarch
in den ouden tijd sterk overdrijven; de stad zou bij een hoogen vloed
verzwolgen zijn of ten minste teruggebracht tot de afmetingen van een
bescheiden dorp of liever van enkele dorpjes en gehuchten. Maar alle
watervloeden zouden niet kunnen teweegbrengen, dat hier vruchtbare
grond was geweest en een omgeving, geschikt voor het bestaan van
een groote stad. Aan den anderen kant kan echter een veilige, goed
beschutte zeehaven een stad doen ontstaan. De booten roepen huizen
en pakhuizen. Men kan dus zonder bezwaar, in plaats van een stad,
die het geheele schiereiland overdekte, een groote stad aan zee
veronderstellen met veel klokkentorens, een stad van visschers,
reeders en kooplieden. Er wordt gesproken van vijftien duizend
inwoners van Penmarch, van achthonderd schepen, die op de kust
aan kabeljauwvangst deden. Zoo groot is ongeveer de beteekenis van
Douarnenez en Concarneau, die ongeveer zevenhonderd schepen hebben. Nu
zijn er zoowat tienduizend inwoners in Douarnenez en zesduizend in
Concarneau. Het oude Penmarch heeft een stad van dien aard kunnen
zijn. Maar de legende heeft er zich mee bemoeid. Men heeft onder het
water een stad meenen te zien, nog ouder dan Penmarch, begraven in de
golven. Dat is de stad Is, welker klokken men op sommige tijden hoort
luiden. Vroeger werd de mis bediend op het schip, boven de golven, die
een wereld begraven hadden, en wel voor de zielsrust der begravenen.

Een haven, schepen en kabeljauwvangst, die vormen het vaststaand
verleden van de streek. De aanwezigheid van de kabeljauwen op de banken
in de wateren van Penmarch had visschers gelokt, en hertog Jan V moest
in 1494 een edict uitvaardigen, waarbij aan de landbouwers verboden
werd hun huis en hof te verlaten, op straffe van de strop. Toch wilden
allen fortuin maken, ten minste leven van die natuurlijke winst,
desnoods door den handel in visch, het "vastenvleesch", een handel,
die meer voordeelen afwierp dan de landbouw op het schiereiland.

Emile Souvestre, die wat er verteld werd, heeft verzameld en er
een geschiedenis van heeft trachten te maken, schrijft hierover:
"Penmarch had toen een haven, gevormd door een lange pier, waarvan
men de overblijfselen nog kan zien, en die van Kerity liep tot de
rots La Chaise genoemd. Wat de stad betreft, zij bedekte het terrein,
waar nu de kleine gehuchten Penmarch en Kerity liggen, zooals blijkt
uit het puin, dat daar overal verspreid ligt. De groote uitbreiding
der stad was oorzaak, dat men haar niet had versterkt, maar daar de
ligging gevaarlijk was met het oog op de Engelschen en de zeeroovers,
hadden de meeste rijke bewoners hun huizen voor aanvallen trachten
te beschutten, door er een gekanteelden muur om te laten bouwen en
er een toren op aan te brengen.

De ontdekking van de groote Newfoundlandbank voor de kabeljauwvangst
was de eerste slag, aan Penmarch toegebracht. De stad behield echter
nog haar handel met Spanje, handel in geweven stoffen, hennep,
vee enz. Toen volgde de vreeselijke ramp, de groote springvloed,
die de haven deed verzanden en oorzaak was van de verplaatsing
der kabeljauwbanken. Toch gaat Souvestre voort: "In het begin van
de 16de eeuw was het nog een belangrijke stad. Hendrik II stond
in 1557 aan zijn gelukkigsten boogschutter het recht toe, onbelast
vijf en veertig vaten wijn te verkoopen, een voorrecht, dat Rennes en
Nantes niet hadden kunnen verwerven. Maar tegen dien tijd begonnen de
zeeroovers meer aanvallen te doen en brachten der stad groote schade
toe". Ten slotte noemt Souvestre een ramp, misschien een springvloed,
die driehonderd booten deed schipbreuk lijden, op elk waarvan zich
zeven man bevonden. Veel kooplieden verlieten toen Penmarch met al
wat zij bezaten, om zich te gaan vestigen te Roscoff, Quimper, Brest
en Audierne.

Tijdens de Ligue wilden de bewoners zich bij geen enkele partij
aansluiten; zij bouwden een fort te Kerity, stelden enkele der op
de gevaarlijkste plaatsen gelegen huizen in staat van verdediging en
veranderden de kerk van Tréoultré in een arsenaal en een schuilplaats
voor de vrouwen, kinderen en grijsaards. Dit was niet voldoende, om
Fontenelle tegen te houden, die door list de stad binnendrong, waar
zijn volk zonder mededoogen plunderde en moordde. Moreau zegt, dat de
heftigste moordtooneelen in de kerk plaats hadden, waar de bedden der
stedelingen tot bij het altaar stonden. De rooverhoofdman liet naar het
eiland Tristan in de baai van Douarnenez driehonderd booten met buit
brengen. Ondanks die ramp ging Penmarch niet aanhoudend meer achteruit.

Op het tijdstip, toen Souvestre zijn reisverhaal deed, telden
de beide dorpjes slechts achttienhonderd inwoners; nu wonen er
zesduizend. Men heeft te Kerity en te Saint-Guénolé visschersbooten en
sardinebereiding. Er zijn uit den tijd, dien wij hebben opgeroepen, nog
enkele oude huizen over, die hun gordel van verdedigende muren hebben
behouden en ook torentjes bezitten. Er zijn ook zes kerken of kapellen,
waarvan Sint-Nonna de voornaamste is. Een opschrift boven de deur
vermeldt: "Op den dag van den Heilige Renatus in 1508 werd deze kerk
gesticht, en de toren in het jaar 1509". Het gebouw ziet er massief en
indrukwekkend uit en is versierd met grappig beeldhouwwerk, figuren,
druiventrossen, scheepjes. Het heeft een grooten vierkanten toren
met slanke torenspits. Binnen in de kerk vindt men een gebeeldhouwd
doopvont en een schilderij bij het hoofdaltaar, voorstellend het bezoek
van Lodewijk XIII te Penmarch. De kerk van Kerity, die het oudst is,
heeft als buurvrouw de kerk van de Tempeliers, die in zeer slechten
staat is, maar toch nog stevig in elkaâr zit.

Ik heb al gezegd, dat er hier veel kerken zijn, de Sint-Pieterskerk,
de Notre Dame en de Saint-Guénolé, een der mooiste met haar vierkanten
toren, haar kijkgaten voor de bewakers en haar deur met gebeeldhouwde
scheepjes. Doch er zijn heel andere versterkingen aan het strand
der zee, reuzengroote, vlakke steenen, waar de golven over bruisen,
grillig uitgetande rotsen, waar de zee tegen breekt. Bij laag water
zijn het velden met verspreide steenbrokken, gelijkend op kudden van
dieren, die er weiden of er hun prooi beloeren. Als de vloed opkomt,
krijgt men den indruk van een voortdurend werkende, onweerstaanbare
macht. De vloed komt eerst met kleine witte randjes, die het zand
omzoomen als met witte kant. Dan neemt de beweging toe, de wind stuwt
de golven op, de golven worstelen tegen hinderpalen, en langzamerhand
schijnen van den verren horizon reusachtige golven op te komen, de
"witte paarden van de zee", waar een grieksch dichter van spreekt. Nu
moet er worden opgepast. De golven zijn vraatzuchtig, zelfs in tijden
van mooi weêr. Er komen slechts kleine rimpelingen aan de oppervlakte,
regelmatige golfjes, die harmonieus op elkander volgen, en waar men
voor kan wegloopen, als zij wat hoog komen of haast maken en teveel
terrein winnen.

Maar er is iets anders. Onder de kalmste zee, bij den vriendelijksten
zonneschijn, als een zachte koelte alles liefkoost en de vlinders uit
de heggen aan het strand der zee komen vliegen tot boven de eerste
golfjes, die met het zand spelen, kan zich in open zee op groote
diepten een onmetelijke golf vormen, die haar beweging vervolgt, zonder
zich door iets te verraden op de altijd kalme oppervlakte. Plotseling
rijst dan die verborgen golf omlaag, heel dicht bij het strand,
wordt hooger en hooger, tot zij reusachtig is en zwaar en op het
land neerploft met onweerstaanbare kracht, alles verpletterend en
meesleurend. Zoo werden op een dag in den herfst, October 1870,
de vrouw van een ambtenaar uit Quimper met haar dochtertjes en de
kindermeid, in 't geheel vijf personen, van een vlakken steen aan
het strand, waar zij zich volkomen veilig waanden, meegesleurd naar
de open zee. Er is een kruis in de rots gespijkerd als herinnering
aan die gebeurtenis.

Bij Penmarch ziet men den oceaan reeds in zijn volle kracht, zonder dat
iets hem tegenhoudt. Vooruit staat Torcherots, een hol geraamte, waarin
de zee weerklinkt als in een schelp. Bij de Philopenrots laat men u
een grot zien, waar Girondijnen zich in 1793 hebben verscholen. Men
is ook inderdaad te Penmarch aan het eindje van de wereld, en men
moet wel op zijn schreden terugkeeren, als men de kust niet wil
volgen tot Audierne. Ik moet trouwens naar Quimper. Dien weg langs
de kust wil ik een andere maal in tegengestelde richting volgen,
als ik van Audierne kom. Men kan toch niet altijd tusschen groote
steenen leven en het is mij aangenaam, eens weer naar een echte,
groote stad te gaan, waar wat meer te genieten valt dan te Penmarch,
juist als men na een zeker aantal dagen, in een stad doorgebracht,
blij is naar een rustige streek te vertrekken.

Dus vooruit naar Pont-Labbé des avonds, en van daar naar Quimper
per spoor. Ik ben er aangekomen in den avond, dus heb ik den eersten
aanblik van een mooie stad in 't volle daglicht gemist. Doch dien kreeg
ik den volgenden dag, een Zondag, en ik heb de sobere genoegens van
dien dag met voldoening genoten, mij amuseerend met militaire muziek
en met de families van de militairen: papa's, mama's en jonge meisjes,
sterk zich bewust van de contrôle waaronder zij worden gehouden! Wie
zal de kleine drama's tellen en de groote comedies, die daar worden
afgespeeld op zoo'n marktplein in een provinciestad, terwijl het
koper zich waagt aan marschen en ouvertures van opera's.

Maar laat ons over Quimper spreken, de oude hoofdstad van het
graafschap Cornwallis, aan de samenvloeiing van de Steir en de Odet
tegenover het exercitieterrein.

Het eerste feit, dat de geschiedenis van Quimper verhaalt, is een
opstand van de plaats tegen het romeinsche juk aan het einde van
de 14de eeuw, toen zendelingen beproefd hadden de bewoners tot het
christendom te bekeeren. De zendeling werd bisschop, en dit was het
begin van de macht der geestelijkheid in dit land; het gezag der
bisschoppen werd zoo groot, dat zij in de elfde eeuw over de stad
een onbeperkt gezag uitoefenden en den naam van heeren droegen,
rechtstreeks onder den hertog geplaatst, met een staf, die zoowel
in het tijdelijke als in het eeuwige alles bestierde. De stad, die
in de 13de eeuw door Pierre de Dreux versterkt was, werd ingenomen
en in 1344 geplunderd door Karel van Blois. Montfoort sloeg er het
beleg voor in het volgend jaar; hij werd afgeslagen, maar zijn zoon
werd er ontvangen en erkend. Bij het oproer van 1489 versloegen de
gewapende boeren de Spanjaarden, die Quimper te hulp waren gekomen,
plunderden hun tenten, en daarna werden de opstandelingen op hun beurt
verslagen door de hertogelijke troepen in de velden rondom Pont-Labbé.

Quimper is een licht en vroolijk stadje, schilderachtig door zijn oude
wijken, die met de nieuwe afwisselen. Eerst was het alleen op den
rechterover van de Odet gebouwd, smal bij de Steir en voorzien van
kaden. Maar de noodzakelijkheid maakte, dat de stad zich uitbreidde
op den linkeroever, waar men nu rechte en breede straten vindt met
fabrieken, werkplaatsen en woonhuizen, overal met brugjes, om van
den eenen oever naar den anderen te komen.

In 1901 is in de stad een kunstmuseum voor den godsdienst opgericht;
men vindt er beeldhouwwerk, schilderijen, geschilderde kerkglazen,
borduurwerk en heilige boeken. In 't stadhuis is een rijke bibliotheek,
met ongeveer dertig duizend deelen, waaronder veel zeldzame uitgaven,
zooals een bretonsch woordenboek, een der oudste die bekend zijn, te
Tréguier gedrukt in 1499. Het museum heeft ook buiten beeldhouwwerk en
schilderijen archaeologische verzamelingen en belangrijke collecties
ethnografica, waarvan een deel geschonken is door den heer Silguy. De
heer Bougeard heeft aan de stad een schoone collectie gravures
geschonken.

De oude gebouwen zijn er talrijk; het Sint-Katharinahospitaal
dateert van 1645; het lyceum, nog altijd in de gebouwen van het
Jezuietencollege is onder Lodewijk XIV gesticht; de kerk van Locmaria,
een voorstad van Quimper, is van de elfde eeuw, de kerk van den
H. Mattheus van de 13de, en dan is er nog de kathedraal van Quimper,
een der mooiste bouwwerken uit Bretagne. Als men er naar ziet van uit
de Groote Straat, die smal is en met vooroverhangende gevels een zeer
mooien indruk maakt, is het een imposant en rijk gebouw. Van het plein
gezien, maakt het een nog beteren indruk. Sommige gedeelten zijn uit
de eerste helft der 13de eeuw. De spitsen, die modern zijn en van 1854
dagteekenen, passen uitstekend bij de torens uit de 14de eeuw. Het
geheel vormt een der schoonste gothische bouwwerken uit Bretagne.

Door de oude straten wandelt men verder naar de kade langs oude
huizen met veel beeldhouwwerk, terwijl op den drempel de eene
of andere vrouw, in gedachten verzonken, den nieuweren tijd te
binnen brengt. Maar laat eens een buurvrouw of een toevallige
voorbijgangster een praatje beginnen, dan wordt de peinzende een
drukke babbelaarster. Al die menschen uit de straten van Quimper,
het personeel, dat kleine handelsbelangen heeft, huisvrouwen, die
op de Woensdagmarkt inkoopen gaan doen of op de kermissen van den
derden Zaterdag van iedere maand, jonge arbeidsters uit Locmaria,
allen zijn vlug en vroolijk. Ik heb enkele dagen gewoond in een der
kleine straten tusschen de Steir en de Odet, en daar heb ik tegen het
vallen van den avond, als ieder rust neemt en verademing zoekt na
de volbrachte dagtaak, hetzelfde gevoel gehad als te Morlaix en te
Quimperlé, bewonderend den goeden, opgewekten geest. De verdiensten
zijn gering; maar de menschen hebben weinig noodig, en hun gelukkige
aard doet de zorgen vergeten. Men behoeft den gang en het gelaat der
vrouwen maar te zien, om den opgewekten en toch zachten geest waar
te nemen van de vrouwen en meisjes, klein, een weinig dik, meestal
flink gebouwd en met heldere, open oogen.

Van af den berg Frugy heeft men onder de mooie beuken, die er heerlijke
lanen vormen, een prachtig uitzicht op de stad, de kaden, de beide
rivieren en de omstreken. Quimper is het middelpunt van een groen
land. Uit dicht opeenstaande daken stijgt blauwachtige rook omhoog;
de groote kathedraal schijnt als een groot schip op de zee van lage
daken te drijven. Dichterbij ziet men de voorstad Locmaria.

Daar wordt het bretonsche aardewerk gemaakt. Er is veel namaaksel,
en dikwijls ontmoet men teekeningen en versieringen, afkomstig
uit Rouaan. Maar er is ook een originaliteit, en die vind ik in de
gewoonste dingen. Men kent, omdat men ze in alle steden van Bretagne
heeft gezien en ze ook in de parijsche winkels heeft ontmoet, borden
en inktkokers, wijwaterbakjes, schotels, kandelaars en al die andere
voorwerpen, die de reizigers blij zijn aan te treffen, en die zij
meenemen als herinneringen aan de doorreisde streken. Maar er zijn
ook doodgewone borden, zooals ik er voor een kwartje gekocht heb op de
markt en die toch bekoorlijk zijn van levendige harmonische kleuren,
op de manier van veldbouquetten dooreengemengd. Ik heb ook kopjes
gezien in den vorm van klaverblaadjes met blauwe versierselen. Onder
de beeldjes ontmoette ik veel Heilige Anna's en Maria's en heiligen
in den vorm van kandelaars, geknield soms en in hermelijn gekleed,
met een bril op den neus.

Er wordt niet enkel aardewerk te Quimper gemaakt, maar ook porselein;
dan worden er metalen bewerkt en leder; er wordt bier bereid en men
kan er ingemaakte voedingsmiddelen krijgen; er wordt koren gemalen
en op enkele kilometers afstands, te Ergué-Gaberic, is een groote
papierfabriek. De handel is vooral graanhandel; ook wordt er handel
gedreven in was en honig, linnen en touw, vee en boter.

Buiten Quimper is de omgeving allerliefst. Deze streek alleen zou al
voldoende zijn, om de al te veel verbreide meening te niet te doen van
de eentonigheid van Bretagne's binnenland. Hier niet de gelijkheid van
de landes en ook niet de trotsche natuur van La Forêt. Laat men maar
eens de Odet volgen, niet naar de monding, maar stroomop; men zal dan
spoedig te Stangala blijven, doel van alle wandelaars uit Quimper,
die wat meer verlangen dan het zondagsche militaire concert. Dat is
een alleraardigst plaatsje met overvloed van bloemen, die op rotsen
groeien, zoo mooi, alsof men opzettelijk tuinen op het gesteente
had aangelegd.

Verscheiden malen ben ik naar de in zee ver uitstekende punt du
Raz gegaan, toen de spoorweg nog niet tot Audierne liep, en langs
verschillende wegen, maar altijd met Douarnenez als uitgangspunt. Eerst
is er een weg over Comfort, Pont-Croix, Audierne, dat is zelfs de ware
weg, de eenige, de klassieke weg naar du Raz. Buiten dien weg zijn er
alleen voetpaden en dwarswegen; dus gaan rijtuigen en voetgangers, die
wel eens een herberg willen aandoen, er alle over. Ik voor mij volgde
een andere route, mooier naar mijn smaak, langs de kust over Tréboul,
waar ik de zee heb zien zegenen door de priesters, en over Beuzec.

Toch is de weg over comfort en Pont-Croix niet zonder bekoring en ook
niet oninteressant. De natuur is er ernstig, zelfs somber, maar men
komt ook geen lachende landschappen zoeken bij du Raz. Trouwens de
vroolijkheid en de somberheid van een landschap zijn betrekkelijk. Zij
hangen van de stemming van den reiziger af, van toevallige
ontmoetingen, van een zonnestraal, die door den grijzen hemel breekt
en de bloemen der distels doet schitteren boven de vale kleur van
den grond. En dan, hoe schunnig en armoedig ook een gehuchtje is,
dat men passeert, 't is toch altijd een vereeniging van menschen, die
hun huizen bij elkander plaatsten, om samen 't lot het hoofd te bieden.

Met ziet vrouwen en kinderen op de drempels der huizen, mannen, die
van het land naar huis komen; men kan eens een winkel binnengaan, een
groet met menschen wisselen en een oogje slaan op wezens, die nuttig
werk verrichten en gevoel van solidariteit bezitten. Om te Audierne
te komen, behoeft men slechts den weg te volgen, die langs de rivier
loopt. Dan plotseling maakt die een bocht, en de weg gaat stijgen;
men ziet een visschersdorp met huizen langs de kade en heel veel
booten. Bij mijn eerste reis heb ik gelogeerd in een klein hôtel aan
de kade, bestuurd door het echtpaar Batifoulier. De Batifouliers waren
geen Bretagners, maar Auvergnaten; er zijn veel Auvergnaten in Bretagne
en allen hebben de gemeenschappelijke kenmerken van het keltische ras.

De Auvergnaat is meer handelsman en zuiniger is hij ook, zoodat het
hem meestal beter gaat in zaken. Maar Batifoulier was beroemd om
iets anders; hij had zijn bekendheid te danken aan zijn persoon, en
inderdaad was hij, dunkt mij, een eenig type. Hij was lang, maar niet
daardoor trok hij de aandacht; zelfs leek hij, oppervlakkig beschouwd,
van gewone lengte. Maar hij was buitengewoon breed; ik zou haast durven
zeggen, dat hij even breed als lang was, een bewegende toren en een,
die langzaam bewoog, een olifant of een hippopotamus, dien men gekleed
had in een broek en buis en met een klein hoedje. Alle vergelijkingen
met groote gebouwen en zware beesten kwamen iemand in den zin, als ze
dien forschen man zagen met zijn enorme ledematen. Maar het gezicht! Ik
heb nooit zoo'n groot gezicht gezien met zijn twee reuzenwangen,
een waterval van kinnen, een knevel en een puntbaard en alles vrij
regelmatig, met kleine boosaardige oogjes in die vetmassa. De kleur
was niet rose, ook niet rood, maar paars.

Die kolossus had tot vrouw een oud, in 't zwart gekleed mensch, met
een zwart doekje om het hoofd en een mager lijfje. Zij bestuurde de
zaak en ze deed dat goed. Hij, Batifoulier, was een volmaakte waard;
zijn huis en hij waren één. Men moest hem zien op het trottoir, als hij
belde voor de maaltijden. Met hoeveel overtuiging ging dat. Nooit zag
een redenaar op de tribune, een priester bij het altaar er ernstiger
uit. Dus men kan begrijpen, hoe het was, als hij voorzat aan de
table d'hôte, want hij gebruikte zijn maaltijd met de gasten. In het
midden van de tafel gezeten, drie plaatsen vullend voor zich alleen,
diende hij den gasten de koolsoep voor en zat voor bij de maaltijden
der ambtenaren, die er geregeld tweemaal per dag kwamen.

Hij presenteerde ook de sardines, wijzend, hoe men die moest eten,
in één hap ze verslindend, na kop en graat behendig te hebben
verwijderd. Hoeveel at hij ervan? Dat weet ik niet. Maar 't was
afgrijselijk. En het kwam mij voor, dat de booten, welker masten ik
gezien had in de haven vóór 't hôtel, alleen daar kwamen, om sardines
te lossen, bestemd den honger te stillen van den auvergnaatschen
reus. Hij sneed ook het gebraad voor en schonk den appelwijn. Goedig
van aard en zeer voorkomend, trotsch op zijn rol in 't leven, had
hij bij het waarnemen der honneurs van zijn huis iets van den grand
seigneur, van Porthos, den musketier, ontsnapt uit de grotten van
Locmaria en hotelier geworden te Audierne.

Men had het dus goed bij Batifoulier, ondanks de sardines aan alle
maaltijden, en die men niet kon weigeren onder de allesziende oogen in
het groote, paarse gelaat. Er werden ook heerlijke dingen gebraden in
den jachttijd, en alle ambtenaren van de belasting en de griffie en
de politie waren, dat begrijpt men, niet achterlijk in 't vertellen
van hun jachtavonturen.

Dan had men er de zee in de buurt, die heel uitlokkend was, die
ongebogen lijn van de Audierne-baai, die van kaap du Raz tot de
Torchebaai gaat en de rotsen van Penmarch. Van de pier, die moedig
in de open zee is uitgebouwd, heeft men een prachtig gezicht op de
open baai. De haven is niet van zooveel beteekenis als Douarnenez en
Concarneau. Er zijn niet meer dan honderd visschersschepen te Audierne;
maar ze zijn voldoende om levendigheid te brengen, als ze uitgaan of
thuiskomen of stil liggen in de baai.

Ze zijn bemand met ruwe kerels, die stil en bedaard zijn bij hun werk,
maar die luidruchtig en geweldig zijn des Zondags en op vrije dagen,
als ze herberg in, herberg uit loopen. Ik herinner mij een Zondag,
toen ik was gaan wandelen naar Plouhinec aan de overzij van de rivier
Goayen. Daar ik mij wat verlaat had, ging ik niet weer den omweg over
de brug, maar wou den overtocht doen met een bootje van een man uit
Audierne. Ik kreeg gauw spijt van dat besluit en dacht honderdmaal,
dat we op dat korte eindje naar den kelder zouden gaan met het bootje
vol dronken menschen, dat tusschen andere luidruchtige bootjes door
moest varen. Voor 't vervolg ging ik liever des Zondags naar Plouhinec
terug langs den langsten weg. En ik ging nog verder dan dat tusschen
een overvloed van steenen liggend dorp, altijd langs de kust, den
weg der douane volgend. Het is een troostelooze route. Ik heb er,
geloof ik, wel een dag geloopen, zonder een menschelijk wezen te
ontmoeten buiten de weinige dorpen, en die dorpen zelf maakten ook
nog den indruk van eenzaamheid, zoo somber waren ze met alle mannen
op zee, alle vrouwen op het veld en kinders op de drempels van de
huizen. Achter een toonbank soms een vrouw, en hier en daar een paar
gezichten achter de ramen.

Om bij een dier dorpen te komen, moest men zich van de zee verwijderen
en langs een pad gaan tusschen steenen muurtjes of over een dorre
vlakte met het weinige groen, dat de scherpte van den zeewind kan
verduren. Men zag alleen hier en daar een armoedig aardappelland,
waar men kon zien met hoeveel moeite de landman wat voedsel haalde
uit dien misdeelden grond.

Een dier dorpen was Plozenet, dat bijna niet den naam van dorp
verdiende. De huizen staan er om een kerkje geschaard, en even
voorbij Plozenet naar den kant der zee draagt een groote gedenksteen
van wel vijf meter hoogte een opschrift, dat de schipbreuk in de
herinnering roept van 't schip de _Droits de l'homme_ in 1797. De
schipbreukelingen werden door de zee verzwolgen, en velen van hen, op
't strand gespoeld, zijn hier begraven bij den menhir van de Rechten
van den Mensch. Het opschrift luidt: "Hier bij dezen Druïdensteen
zijn ongeveer zeshonderd schipbreukelingen begraven van het schip
_De Rechten van den Mensch_, gestrand in den storm van 14 Januari
1797. Majoor Piron, te Jersey geboren, die op wonderdadige wijze
aan de ramp ontkwam, is naar deze plek teruggekeerd op 21 Juli 1840,
en toen hij daartoe de toestemming had verkregen, heeft hij op den
steen dit getuigenis van zijn dankbaarheid laten graveeren."

Daarna keerde ik terug naar het strand, dat kaal was als te Audierne,
met wit zand en groote rolsteenen en hier en daar een kleinen inham of
een nietig dal, waar planten groeien en zacht gras. Ik bleef een dag te
Plovan, toen te Treguennec en in de Onze-Lieve-Vrouwenkerk te Tronoën,
waar ik in de schemering aankwam. Het was echter nog licht genoeg,
om het kerkje te zien en den lijdensberg, den oudsten van Bretagne,
met twee rijen van beelden en daarboven de drie kruisen.

Daar bespeurde ik, dat ik dichter bij Penmarch was dan bij Audierne,
waar ik zou logeeren, en ik besloot naar Pont-Labbé terug te gaan, waar
ik gemakkelijker een rijtuig zou kunnen krijgen naar Audierne. Op den
terugweg waren mijn gedachten vol van de zee, de nimmer vervelende, die
zooveel prettiger onze droomen begeleidt, dan de onbewegelijke dingen
doen, zoodat er een soort van verwantschap moet bestaan tusschen haar
en onze diepste gedachten. De reden van onze liefde voor de zee moet
zijn, dat zij het schouwspel biedt van altijddurende beweging, als
was zij de steeds onrustige ziel der golven. "De oceaan spreekt tot
de gedachten", heeft Victor Hugo gezegd, en hij helpt ons inderdaad
de raadselen en problemen van dit moeilijk leven te ontcijferen. Ik
voelde dat alles aan dit strand van Bretagne, toen ik mij verder begaf
van Audierne naar Esquibien en Saint-Tugean, waar de gothische kerk in
een reliekenkastje een ijzeren sleuteltje bezit, dat aan Saint-Tugean
heeft behoord en waarmee kleine broodjes worden doorboord, die dienen
om dolle honden op de vlucht te jagen. Met het sleuteltje bewaart
men er ook de tanden van den heilige in een kaak van verguld zilver,
die men slechts behoeft aan te raken, om van kiespijn te genezen. Ter
eere van den heilige dragen nog verscheiden mannen in die streek een
sleutel, geborduurd op den rug van hun jas en hoeden, waar een looden
sleutel aan een lint bij neerbengelt.

Tot hier toe heb ik niet anders gezien dan wat eiken en dennen. Na
Saint-Tugean en Primelin zijn die er niet meer. Er zijn windmolens,
want het waait op de hoogten, van waar men de schuimende zee
overziet. Ook zijn er dolmens, en het dorp Plogoff, gesticht door den
heiligen Collédor, bisschop, die kluizenaar geworden was en die hier
gelukkiger zich voelde dan aan het hof van koning Arthur. Plogoff is
geen onaardig dorp. Verbeeldt u de huizen verspreid over de heuvels;
hier één huisje, daar een paar andere, drie of vier ginds en een half
dozijn rondom het kerkje. Te Lescoff heeft men voor het laatst zulk
een huizengroep vóór kaap du Raz.

Nog twee kilometer door de landes, en men komt aan den vuurtoren. Dit
is nog niet het eindje der wereld, want men krijgt nog het eiland Sein,
en 't is zelfs niet de laatste vuurtoren, want in de wijde zee staan
nog de vuurtoren La Veille met groen licht, de Tevennecvuurtoren en
die van Armen, ook in de open zee gebouwd vóór 't eiland Sein. Maar
dit is het eind van het vasteland en 't verste punt van Bretagne
met Saint-Mathieu.

Deze eerste maal, dat ik naar du Raz ging, heb ik allereerst dien
vuurtoren bewonderd op de hooge kaap, en ik heb mij vermaakt met een
gesprek met een der wachters. Het was een man, die al grijs werd,
en nog altijd trouw zijn wachterstaak vervulde tusschen hier en den
toren in de open zee. Hij las couranten, had boeken, drukte zijn
meening zeer verstandig uit over wat er in de wereld voorviel, en
ik was zeer verbaasd, toen ik later vernam, dat die kalme, rustige
man krankzinnig was geworden en dat hij de misdaad had begaan, zijn
vrouw te worgen, die op een dorp bij de kaap woonde.

Ik herinner mij nog, of het gisteren was, hoe hij mij zorgvuldig
geleidde en tot gids diende bij mijn wandeling om de kaap. Dat is niet
gevaarlijk voor wie vast van voet is en niet aan duizelingen lijdt;
maar dan moet men nog met zorg de steenen uitkiezen en de trappen,
die den omgang mogelijk maken om het enorme, verweerde rotsblok vol
spleten en afgronden. De weg is niet gemakkelijk en er is maar één
weg. De straatjongens, die ons volgen, geven er echter niet om, laten
zich langs de hellingen afglijden, houden zich vast aan vooruitstekende
steenen, verdwijnen in holten en komen op eenmaal weer te voorschijn,
alsof ze een luik oplichten, en maken al die gymnastische toeren,
waar ik wel voor zou bedanken, om mij een bouquetje welriekende, gele
bloemen te brengen, geplukt op de helling van een gapenden afgrond.

Ik kan die oefeningen niet meemaken; dat heeft mij het draven door
de straten van Parijs niet geleerd. Dus volg ik voorzichtig mijn
metgezel, die mij aanwijzingen geeft en mij soms bij de hand neemt,
als het pad te glad en te moeilijk is. Het begin der reis valt het
zwaarst langs het noordelijk deel der kaap. Dat is ook het mooiste
gedeelte, namelijk het meest grootsche en schrikwekkende. De Hel
van Plogoff is een gat, waar het gevaarlijk zou zijn in te storten;
de roode wanden van de kloof zouden nergens den val breken, en de zee
daarbeneden met haar golven en haar schuim en haar donderend geweld
doet denken aan een troep wilde beesten, opgesloten in een te enge
ruimte, wier woede naar een prooi verlangt.

Het schouwspel van dit punt is over de zee niet zooveel dreigender dan
van Penmarch; maar hier is alles op één plek geconcentreerd, terwijl
Sein in de buurt is, en de woedende zee tusschen dat eiland en het
continent. Dat is een eenig en aangrijpend schouwspel, die woede van de
zee tusschen het vasteland en het eiland, waar de zee onbeschrijfelijk
heftig is. Het verrast, als men er toch visschersbooten en groote
schepen ziet passeeren. De mensch levert er een bewijs van zijn moed
en zijn verstand. Hij vertrouwt zich toe aan het razend snelle water,
omdat hij het in al zijn grillen en nukken heeft leeren kennen.

_Enez Sizun_ heet het eiland Sein, de legendarische verblijfplaats
der druïdische priesteressen. Het is een rots, die al meer door de
zee wordt afgebrokkeld, met een vuurtoren erop en een kleine haven
voor reddingbooten en voor een dertigtal visschersschuiten. Daarbij
zijn de kleine huisjes van het dorp gebouwd. Hevige stormen zijn
gedenkwaardig gebleven in de geschiedenis van Sein, waar het licht,
dat wijd uitschijnt over de zee, het einde van Bretagne aangeeft.



Taormina

Door Johanna G. Lugt.


                Io voglio il sole, io voglio il sole ardente.

                Annie Vivanti.



Wanneer men Italië herhaaldelijk heeft bereisd en zich eenigszins
gemeenzaam heeft gemaakt met zijn volk en zijn taal, met zijne zeden en
gewoonten, wanneer men daarbij zijn hollandsche pietluttigheid heeft
achtergelaten en zich heeft afgewend om met laatdunkendheid op het
eerste gezicht iedere plaats over de grens "een vuil gat" te noemen,
wanneer men in het italiaansche volk iets anders heeft leeren zien
dan een volk van bedelaars en men op prijs heeft leeren stellen zijn
vriendelijkheid, zijn beleefdheid, zijn vroolijkheid, in één woord
wanneer men is gekomen onder de bekoring van het zonnig Italië, dan
begrijpt men eerst recht den hartstocht van de in Engeland geboren
en opgevoede dichteres Annie Vivanti voor haar eigenlijk vaderland en
voor haar italiaansche zon, dan begint men iets te gevoelen van haar
"ebbrezza del sole", van haar "zonneroes".

Als die zon opgaat achter de bergen van Calabrië en haar schitterschijf
langzaam komt kijken over den hoogen Aspromonte, dan is almee het
eerste wat zij ziet het liefelijk Taormina aan de Oostkust van Sicilië
tusschen Messina en Catania.

Hoog boven de zee, gekleefd tegen de rotsen, ligt het daar te
wachten om zich opnieuw te verkneukelen in het zonnetje dat straks
zijn druiventrossen zal komen rijp stoven, zijn oranjebloesem zal
laten geuren, zijn lucht zal komen verwarmen, het zal maken tot een
paradijsje op aarde.

Wilt gij een onvergetelijken indruk opdoen, kom dan eens vroeg uit
de veeren, zoo tusschen vier uur en half vijf, trek de hoogst noodige
plunje aan en spoed u naar de hoogte boven het Teatro greco. Verzuim
echter niet den vorigen dag kennis te geven van uw komst aan den
"Custode" daar gij anders het hek gesloten zult vinden van dit
"monumento nazionale". Maar hebt gij hem kennis gegeven dan zal hij
niet aarzelen vroeg voor u op te staan en te zorgen dat gij het hek
open vindt, ook zal hij u niet boos aankijken als gij hem daarvoor
een lira in de hand drukt, wie weet of gij, verrukt over hetgeen gij
gezien hebt, hem straks niet twee lire zult toestoppen.

Zet u nu eens rustig neder op het hoogste punt, dáár waar vroeger het
volk een plaatsje vond, eerst bij de grieksche drama's, later bij de
wilde en bloeddorstige romeinsche schouwspelen, en wacht nu eens op
de dingen die komen zullen.

Beneden u is het water van de Straat van Messina nog donker van kleur,
de kustlijn strekt zich naar beide zijden uit noordelijk tot Kaap Sant'
Alessio, zuidelijk tot Kaap Schisò en is nog weggedoezeld in de flauwe
ochtendschemering. Maar in het Oosten boven Calabrië begint de hemel
reeds een lichtgeele tint aan te nemen, allengs gaat die tint over in
oranje, van oranje wordt zij goud, het water beneden u krijgt meer
en meer die diep azuurblauwe kleur die het tot zonsondergang zal
behouden, de zon is op het punt boven de bergen te verrijzen. Haar
stralen schieten reeds in alle richtingen boven de scherp geteekende
berglijn uit, de hooge top achter u, waarop het dorp Castelmola ligt,
is reeds schitterend verlicht, langzamerhand wordt de geheele atmosfeer
om u heen een en al vuur, de zon verschijnt boven de bergen.

En zoo is zij er dan weer, de zon van Italië, de zon van
Taormina! Reeds voelt gij haar warmte en werpt gij de sjaal af die gij
voor de ochtendkoelte had medegenomen. Zie nu eens om u heen! Aan uwe
voeten het teatro greco, met zijn reusachtige afmeting, zijn heele en
halve zuilen, zijn nissen en doorgangen, zijn scena en zijn orchestra,
hoe verplaatst het u in eens in de klassieke tijden der Grieken,
in de historische tijden der Romeinen. Recht voor u door de groote
opening van de Scena ziet gij den kolossalen kegel van de Etna, met
haar rookpluim overhellend naar het N.O. Diep onder u Giardini, het
spoorwegstation van Taormina, iets verder het dorp Calatabiano en daar
tusschen het stroompje de Alcantara, dat zich in zee stort. Westelijk
op gindsche rotspunt Castelmola, een armoedig doch schilderachtig
dorp dat als een steenen kroon geplaatst is op den top van een berg,
zoodat men al evenmin begrijpt hoe de bewoners er komen als wat zij er
uitvoeren. Onmiddelijk onder u eindelijk schittert thans in de felle
ochtendzon het huizencomplex van Taormina met zijn duomo en kerken,
zijn hôtels en ruïnes. Reeds begint het aardige plaatsje teekenen
van leven te geven, het hanengekraai wordt gevolgd door het balken
van talrijke ezels die er reeds naar verlangen de bezoekers op hunne
geduldige ruggen de bergen op te dragen naar Castelmola of Monte Venere
of naar ieder ander punt waar men van het heerlijke vergezicht wenscht
te gaan genieten. Hier en daar wordt een deur geopend, er komt leven
en bedrijf in de straten, Taormina is ontwaakt.

Wij spoeden ons terug naar ons hôtel om ons te kleeden en, na een
echt italiaansch ontbijt met versche vijgen en druiven of wat de
tijd van het jaar oplevert, maken wij ons op om te gaan genieten
van het vele dat Taormina te genieten geeft. Wij bevinden ons hier
op klassieken bodem. Taormina heeft eene geschiedenis zooals geheel
Sicilië, het Trinacria der ouden, er eene heeft. Laten wij, alvorens
onze wandeling te beginnen, ons eerst door de "Guida di Taormina"
zéér vluchtig op de hoogte laten brengen van die geschiedenis.

Naar alle waarschijnlijkheid was Taormina reeds ruim 700 jaar v. C. de
acropolis van Naxos, terwijl een versterking der Cartagers als de
eigenlijke grondslag van het tegenwoordige Taormina mag beschouwd
worden. (392 v. C.).

Aan de vele oorlogen tusschen Cartagers, Messineezen, Syracusers en
de overige Sicilianen, ontsnapte Taormina niet; voortdurend was het
de dupe van den strijdlust der omwonenden, die het afwisselend in
bezit namen, met den grond gelijk maakten en weer opbouwden.

Gedurende het beleg door Marcellus in 241 v. C., in welk beleg
Archimedes zulk een groote rol speelde, verleende Taormina doortocht
aan de Romeinen op voorwaarde bevrijd te blijven van romeinsch
garnizoen en vrijgesteld te worden van het leveren van schepen aan
Rome, waarop de Romeinen na Sicilië te hebben veroverd, Taormina
onafhankelijk verklaarden.

Twee eeuwen later, 36 v. C. werd Taormina, dat zich vóór Pompejus en
tegen Octavianus had verklaard, de basis van Pompejus' oorlogsoperaties
en 't was juist op de zee vóór Taormina dat Octavianus in persoon
Pompejus versloeg in den later zoo beroemd geworden zeeslag. Sicilië
kreeg toen een constitutie, maar Taormina, door Octavianus gehaat,
werd tot romeinsch garnizoen gemaakt en bleef toen vele jaren in de
geschiedenis een ondergeschikte rol spelen.

Na den ondergang van het romeinsche rijk bleef het door zijn ligging
langen tijd bevrijd van de aanvallen der Saraceenen.

Die naam van Saraceen werd aan de Arabieren gegeven en is afgeleid
van het arabische woord sarako dat stelen beteekent. Nog heden ten
dage wordt in Taormina het woord Saraceen als een scheldnaam beschouwd.

Na in 902 n. C. toch eindelijk in handen der Muzelmannen te zijn
gevallen, kwam het in 1078 in de macht der Noormannen, nam het in
1282 deel aan de Siciliaansche vespers en ruim anderhalve eeuw later
aan den burgeroorlog onder de regeering van Lodewijk van Aragon.

In 1535 door Karel V verkocht wist het zich dadelijk weer vrij
te koopen.

Onder de regeering van Karel II werd Taormina in 1675 door de
Franschen stormenderhand genomen, doch vanuit het kasteel Mola door
de Taormineezen zelf beschoten die hunne stad heroverden en van de
vreemde indringers bevrijdden.

Tengevolge van den vrede van 1720 kwam Sicilië in het bezit van
Oostenrijk en later van de spaansche Bourbons.

In 1806 hadden de Engelschen in Taormina een sterk garnizoen.

Met de italiaansche omwenteling van 1848-1849 liet Taormina zich
weinig in, doch in 1860 op den 9 April ontscheepte zich Garibaldi op
het eiland Sicilië, dat toen van de overheerschers werd verlost en
voor goed bij het Koninkrijk Italië werd gevoegd.

Geen wonder dat de vele volken die achtereenvolgens op dit plekje
grond zijn gevestigd geweest daarop hun stempel hebben gedrukt en
hunne herinneringen hebben achtergelaten.

Het allerschoonste en interessantste op dit gebied is zeker het reeds
vermelde Teatro Greco. Maar voor wij dat van naderbij beschouwen willen
wij, zooals aan nieuwe bewoners eener plaats, al zal hun verblijf
ook niet van langen duur zijn, betaamt, ons eerst gemeenzaam maken
met de plaats dier tijdelijke inwoning.

Beginnen wij met ons hôtel. Het is geen gewoon hôtel, het hôtel
_Victoria_, zooals men dat in alle plaatsen met eenig verkeer
vindt. Taormina, dit moet niet uit het oog worden verloren, ligt
niet op vlakken grond, doch is tegen steile rotsen aangebouwd. Tegen
die rotsen nu was amper plaats te vinden om er een straat op aan
te leggen die, zooals de hoofdstraat de Corso Umberto, van poort
tot poort doorloopt zonder trapjes of zonder scherpe rijzingen en
dalingen. Maar er een huis laat staan een hôtel te bouwen welks basis
geheel op effen terrein kwam te staan, dit was een taak zelfs voor den
bekwaamsten architect onuitvoerbaar. Hôtel _Victoria_ heeft dan ook
niet minder dan vier uitgangen in vier verschillende boven elkander
evenwijdig liggende of dwars tegen den berg oploopende elkander
kruisende straten. De tuinen liggen op de derde verdieping, de eet-
en leeszalen op de vierde, vele kamers op de vijfde verdieping, alles
tusschen, naast, onder en over elkaar gebouwd, zóó dat het onmogelijk
zou zijn er een behoorlijken plattegrond van te teekenen. Wil men
het hôtel verlaten dan kiest men dien uitgang die u brengt in de
straat die u het spoedigst naar uw doel voert. Logeert men op de
vijfde verdieping, de meest begeerde wegens het heerlijke uitzicht,
men laat zijn rijtuig of ezel op de vijfde verdieping voorkomen als
men een bergtocht wil maken. Men zal daarentegen liever de eerste
verdieping kiezen als men naar beneden wenscht te gaan.

Wij verlaten het hôtel thans ook door dien uitgang voor deze
eerste wandeling in het stadje. Wij bevinden ons dan dadelijk
in de hoofdstraat de Corso Umberto, breedte p.m. 5 meter zoodat,
als de voorbijgangers zich tijdelijk in de open deuren bergen, twee
rijtuigen elkander zonder ongelukken kunnen voorbijrijden. Het is een
typisch italiaansche straat, onmogelijk dikwijls te zeggen waar het
eene huis begint waar het andere eindigt, evenmin is het altijd uit
te maken of een huis één dan wel tien eeuwen oud is; alles is grijs,
grauw, groezelig, aan den beganen grond geene vensters, alleen groote
deuren, wijd openstaande, toegang gevende tot de zoogenaamde _bassi_,
ruime gewelven, waarin de winkels, café's, scheersalons en tutti quanti
worden gehouden. Achter in de _bassi_ bevindt zich een trap van steen
of marmer toegang gevende tot de kamers in de bovenverdieping. Dikwijls
ook zijn die _bassi_ tevens de woning van het gezin en ziet men bij
dag de bedden opgerold in een hoek liggen.

Menig huis getuigt van vroegere weelde door een fraai gothisch of
romaansch poortje of raamomlijsting, door enkele brokstukken marmer
heerlijk ingelegd hetzij met zwarte lava, hetzij met veelkleurige
marmersoorten, een bewijs dat de thans veelal verarmde of verwaarloosde
huizen vroeger een deel uitmaakten van rijke en fraai gebouwde
_palazzi_. En dat is een van de dingen die niet alleen op Sicilië
maar in geheel Italië het meest treffen en iedereen dadelijk in het
oog springen, dat men overal tot in de kleinste plaatsjes monumenten
vindt van vroegere grootheid, rijkdom en weelde, monumenten die Italië
maken tot een reusachtig museum, waar overal iets valt te genieten
en te bestudeeren, waar ieder stadje, ieder dorp waard is bezocht te
worden en de reiziger gedurende eenige uren zich aangenaam of leerzaam
zal kunnen bezig houden.

Het kost werkelijk eenige zelfbeheersching Taormina's hoofdstraat ten
einde te loopen zonder links of rechts een trap af te dalen of op te
klimmen. Bij ieder zijstraatje toch wordt men aangetrokken hetzij door
een pitoresk groepje, hetzij door een geestige fontein of door een
fraaie ruïne. Wij bieden echter weerstand aan de verleiding en gaan,
al kijkende en bestudeerende, door tot de Piazza Nove Aprile, vroeger
Piazza Sant' Agostino. En wij willen hier in het voorbijgaan even
opmerken dat het gemeentebestuur van Taormina al even dom is als dat
van een zekere hoofdstad van een zeker land, met zijn neiging om oude
historische namen te veranderen in dien van onbeduidende vorsten en
weinig zeggende data, op die wijze een interessant geschiedenisboek,
waarin de historie van de plaats voor alle eeuwen is vastgelegd,
veranderende in een vulgaire Almanach de Gotha. Laat men in een zich
uitbreidende stad in dezelfde lijn voortwerken en in de namen der
nieuwe straten voor het nageslacht de herinnering bewaren aan de
gebeurtenissen der nieuwe tijden, desnoods aan de toen regeerende
vorsten en aan de bekende mannen, mits zij werkelijk die herinnering
verdiend hebben, er is niets tegen, maar de oude namen moeten in
iedere plaats heilig gehouden worden.

Wij willen dus Taormina's gemeentebestuur niet op dien weg volgen en
houden ons halstarrig aan den ouden naam Piazza Sant' Agostino. Het is
een genot daar een oogenblik te verwijlen want schilderachtiger plekje
is nauw denkbaar. Aan de eene zijde de oude klokketoren, de aardige
renaissance gevel van de San Giuseppe en het gothische kerkje Sant'
Agostino; ten oosten een heerlijk terras met ijzeren hek, vanwaar men
opziet naar de Etna en onder zich heeft een 200 M. diepen afgrond,
welks bijna loodrechte rotsen alleen nog toegankelijk zijn voor eenige
geiten en welks voet bespoeld wordt door de blauwe golfjes van de
zee. Op dit punt is het stadje om zoo te zeggen in tweeën verdeeld
door een ouden vervallen muur in moorschen stijl, over bergen en door
ravijnen afdalende van de ruïnes van het kasteel van Taormina dat de
rots ten westen der stad bekroont.

Door de poort onder den klokketoren voortschrijdende vervolgen wij
onzen weg tot de Piazza del Duomo, een kerk van gemengd gothische en
renaissance bouw met een fraaien ingang in Siciliaansch gothischen
stijl aan de noordzijde.

Vóór den Duomo bevindt zich een allergeestigste fontein, de fontein
der Vier Beesten, zoo genaamd naar vier gedrochtelijke dieren uit
welker bekken het water vloeit in den steenen bak, waarin de vrouwen
uit de buurt, naar italiaansche zeden, hare kleeren komen spoelen.

Ook deze Piazza is weder afgesloten door eene poort, de Toca-poort,
die nog niet het einde der plaats vormt, daar eenige weinige schreden
verder de hoogst schilderachtige Catania-poort de werkelijke uitgang
is aan de zuidzijde der stad.

Wij keeren dus op onze schreden terug, zien opnieuw met welgevallen
op naar zoo menig aardig motief, naar de balcons veelal voorzien van
fraai gedreven ijzeren hekken, naar het taormineesche leven dat op
al die balcons wordt afgespeeld.

Italië toch is evenals Spanje het land der balcons, geen raam zonder
balcon, geen balcon zonder menschen die daarop hunne huiselijke
bezigheden verrichten, hun wasch behandelen, een buurpraatje houden,
hunne op straat spelende kinderen nagaan en zoo noodig waarschuwende
of bestraffende woorden toeroepen, hunne etenswaren of andere kleine
inkoopen met een mandje aan een touw van de venters op straat ophalen,
de liefdesverklaringen en serenades hunner aanbidders, want ook die
spaansche gewoonte is hier inheemsch, aanhooren.

Wij gaan ons hôtel weder voorbij om het noordelijk einde van den Corso
Umberto te bekijken. Dit brengt ons al spoedig op de Piazza Vittorio
Emanuele waar wij getroffen worden door de middeleeuwsche lijnen van
het Palazzo Corvaia. Nog draagt het in ieder opzicht het stempel zijner
vroegere grootheid, maar het is een vervallen grootheid. De rez de
chaussée is doorgebroken en vervormd tot verscheidene _bassi_, winkels
van het eenvoudigste type waar koopwaren van de allergoedkoopste soort
zijn uitgestald. Treedt men het paleis binnen dan vindt men nog een
aardig binnenhof, waar een fraaie marmeren trap op slanken boog naar
boven voert. Langs een gedeelte van de steenen trapleuning ziet men nog
een soort lambrizeering met een zeer goed gebeeldhouwd relief, waarop
drie bijbelsche voorstellingen: de schepping van Eva, de Zondenval,
Adam en Eva aan den arbeid. Het dak van het palazzo wordt gekroond
door de zoogenaamde "merluzzi" een arabisch bouwmotief, een soort
kanteelen, dat men hier overal terugvindt, en ook bij nieuwe huizen
en hôtels een geliefde gevel-bekroning is geworden. De achterzijde van
het paleis is gebouwd op de ruïnes van een tempel aan Minerva gewijd,
en het geheel maakt nog den indruk een sterk gebouw te zijn geweest,
waarin de normandische heeren die het eenmaal hebben bewoond, zich
weken en maanden hebben kunnen verdedigen tegen de aanvallen van
Saracenen of andere naburige volken, en dat meer had van een vesting
dan van een comfortabel paleis.

Naast het Palazzo Corvaia de kerk Santa Catarina en een klein, eerst
onlangs opgegraven romeinsch theater, waarin de twee vomatorien,
toegangen tot de hoogere rangen, nog duidelijk te zien zijn. Aan de
andere zijde van het pleintje het Teatro Margherita en een kleine
kazerne voor "Carabinieri". De Porta di Messina sluit hier het stadje
af. Rechts van deze poort brengt de Via del Teatro Greco ons naar de
belangrijke overblijfselen van het grieksche theater, dat een nadere en
aandachtige beschouwing overwaard is. Wij willen dus aan de hand van
den Custode of bewaarder, die daarvan een lezenswaardige beschrijving
in drie talen heeft uitgegeven, dit oude grieksche theater eens wat
van naderbij bezien.

Het is niet met zekerheid te zeggen in welken tijd de bouw van het
theater gesteld moet worden; men gelooft echter te kunnen aannemen
dat het omstreeks 358 v. C. ten tijde van Andromachus van Taormina
werd opgericht. De halve cirkelvorm doet ons geen oogenblik aan zijn
griekschen oorsprong twijfelen, waar tegenover staat dat alle ruïnes
geheel het karakter van de romeinsche bouworde hebben. Hieruit blijkt
dat toen de Romeinen zich in Taormina vestigden, zij het theater
veranderden en vergroot hebben, zoodat wel de grieksche grondvorm
overbleef, maar de onderdeelen veranderd werden in romeinschen
trant. Voor deze verbouwing vond men een treffend bewijs in een klein
grieksch tempeltje, in de bovengalerijen opgegraven, dat den Grieken
gediend had tot offerplaats en voor wasschingen.

De Romeinen braken dit tempeltje bij de verbouwing van het theater
gedeeltelijk af, om op zijn sterke muren de fondamenten van de
bovengalerij te doen rusten.

Maar niet alleen vindt de geometrische grondvorm zijn oorsprong
bij de Grieken, ook de fondamenten en muren van het Proscenium "het
voortooneel" wijzen op helleensche afkomst. Na de laatste opgravingen
heeft men pas kunnen bewijzen, dat slechts de bovendeelen van het
theater aan de Romeinen kunnen worden toegeschreven.

Een breede trap, Scala regia genaamd, was de algemeene toegang tot
het theater. Later werd hierin door Keizer Augustus een verandering
gebracht. Hij liet voor de vrouwen een afzonderlijke trap bouwen
aan het tegenovergestelde uiterste van de buitenste zuilengang,
welke trap echter nooit geheel voltooid werd.

De Scala regia bestond uit met steenen geplaveide bordessen, welke
telkens onderling door drie treden verbonden waren. Boven gekomen
gaf een deur toegang tot een kleine overdekte gang die uitkwam op de
eerste praecinctio of half-cirkelvormige rij zitplaatsen, die rijk
gedrapeerd en, van curulische en beweegbare stoelen voorzien, bestemd
waren voor de senatoren, de magistraten en de vestaalsche maagden.

Naast het tweede bordes begint een andere kleinere trap, die
toegang verschafte aan adel en patriciers, voor wie de tweede
praecinctio bestemd was, en op welks zetels somtijds de eigennamen
der rechthebbenden waren aangegeven. Van deze zetels liggen in de
arena nog brokstukken die de namen der eigenaars dragen.

Langs deze zelfde trap moesten de artisten en de burgers nog hooger
stijgen, en gaande door de bovenste galerijen, daalden zij dan door
vomitori, d.i. openingen, aangebracht in den grooten muur die de
cavea omringt, naar de derde of laatste praecinctio.

Deze drie rijen zitplaatsen vormden te zamen de Cavea, die door een
groote overdekte galerij, welke uit twee zuilengangen bestond, omringd
was. De binnenste werd gedragen door vijf-en-veertig zuilen, terwijl de
buitenste door pilasters werd gesteund. Te zamen boden zij het publiek
een toevlucht bij regen. In gewone omstandigheden werd de buitenste
gebruikt om zich te vertreden of wel als marktplaats, en diende de
binnenste tot doorgang naar de derde praecinctio. Op de overdekking
dezer twee zuilengangen bevond zich een groot terras dat voor het
volk bestemd was. Het bestaan van dit terras lijdt geen twijfel,
waar nog heden ten dage restanten worden gevonden van een trap die
buitenom er heen voert. Deze zuilengangen waren gebouwd op een zwaren
muur die de geheele cavea omringde en door welken op tien plaatsen op
gelijken afstand uitgangen waren aangebracht. Deze muur was versierd
met zes-en-dertig nissen waarin vazen of beelden waren geplaatst.

Beneden bevond zich het podium, dat de arena omsloot. Onder dit podium
kwam een overdekte gang door drie deuren in de arena uit, door welke
gang naar alle waarschijnlijkheid de wilde dieren in de arena werden
gelaten, om hunne bloedige gevechten tegen de gladiatoren te leveren.

De eigenlijke arena is de ruimte tusschen het podium en het tooneel
of scena. Het proscenium, dat bij de Romeinen verplaatsbaar was,
besloeg van de altaren op het tooneel af nog bijna een derde van de
arena. Op dit proscenium of voortooneel voerden de Romeinen hunne
tooneelspelen, hunne drama's en dansen op.

Het grieksche orchest bevond zich tegenover het tooneel, doch de
Romeinen verplaatsten het op den muur van het podium, dus eigenlijk
ter zijde van het tooneel, daar waar het podium in een elliptische
vorm eindigde en waar ook de timele of plaats voor het koor was.

Onder het proscenium bevond zich een onderaardsch kanaal dat achter het
tooneel eindigde. De constructie van dit kanaal laat ten duidelijkste
zien dat het voor den afvoer van regenwater bestemd was of om een
groote hoeveelheid water te bevatten dat voor het theater gebruikt
werd. Er zijn echter geleerden die meenen dat dit kanaal voor de
acoustiek diende, misschien ook--wat ons echter zeer twijfelachtig
voorkomt--tot bergplaats van diegenen uit het publiek, die tijdens
de voorstellingen stoornis veroorzaakten. Twee andere onderaardsche
gewelven, die aan den muur van het theater parallel loopen, staan
met eerstgenoemd gewelf in verbinding en dienden voor hen die belast
waren met de tooneel veranderingen. Men ziet er nog duidelijk zeven
vierkante gaten in, op gelijken afstand, die rechtstandig oploopen
tot de grondvlakte van de arena en waarin de balken geplaatst werden,
dienende tot steun van het groote plankier van het proscenium.

Het tooneel bestond dus uit het proscenium of voortooneel en het
eigenlijke tooneel. Op dit laatste bevonden zich twee altaren,
gewijd aan de goden, waarboven de eerste zuilenrij die het tooneel
versierde. Elk der twee altaren telde drie nissen; voor de middelste,
grooter dan de anderen en ook afwijkend van vorm, hing een gordijn,
waarachter de beelden van Apollo en Bacchus. Deze twee altaren waren
door drie deuren gescheiden; door de middelste, thans door den bliksem
verwoest, kwam de hoofdpersoon op, door de beide anderen kwamen de
andere personen ten tooneele.

Onder deze deuren, welker drempels op gelijke hoogte lagen met den
vloer van het tooneel, bevonden zich nog drie kleine deurtjes aan
de voorzijde van het tooneel, die in gemeenschap stonden met een
onderaardsche gang, die den medewerkers in het treurspel tot doorgang
dienden en hen op het achtertooneel of postscenium brachten. Deze
gang werd bij de opgravingen in 1853 en 1854 ontdekt. Een hooge breede
gang, ook onder het tooneel gelegen, gaf toegang aan de vrouwen die,
langs een trap links van het tooneel, hunne plaatsen op de bovenste
galerijen wilden bereiken.

Aan beide zijden van het tooneel bevonden zich nog twee kamers, die
zonder twijfel dienden tot bergplaatsen voor alles wat op het tooneel
betrekking had, of misschien ook als kleedkamers voor de artisten.

De voorzijde van het tooneel was met kostbaar veelkleurig marmer
bekleed; de zuilenrijen in corintischen en jonischen stijl, waren
van cippolijnsch graniet en afrikaansch marmer, de voetstukken der
altaren van wit marmer.

Na deze beschrijving van de voornaamste deelen van het theater, nog
een enkel woord over de verschillende doeleinden waartoe het gebezigd
werd. Behalve de tragedie beoefende men er de satire, het tooneelspel,
de pantomime en den dans. In de arena vonden de bloedige gevechten
der gladiatoren plaats. Maar men behandelde er ook de publieke zaken,
men ontving er de vreemde afgezanten, men besliste er over de zaken
der republiek, dikwijls werd er recht gesproken, men beraadslaagde
er over te verleenen eerbewijzen en op te leggen straffen en hield
er redevoeringen tot het volk. Hier redetwistten de wijsgeeren, hier
werden de veroordeelden ter dood gebracht, hier traden de dichters
en schrijvers voor het volk op.

Wanneer men bedenkt dat de stad Taormina een theater kon oprichten
van die grootte en pracht, zal men zich gemakkelijk een denkbeeld
kunnen maken van den rijkdom en intelectueele ontwikkeling die daar
in de oudheid heerschten.

Slechts eenige van de grieksche republieken uit die tijden zijn,
dank zij haar macht en haar hooge ontwikkeling, in staat geweest
een dergelijk theater te stichten. Het waren steden als Syracuste,
Catania, Segesta, Gela, Agira en enkele anderen.

Wie, door denzelfden gids geleid als wij, het theater bezoekt, zal
kalm het schitterend natuurtafereel kunnen genieten dat zich voor
zijne oogen ontplooit, en zal in hem een uitstekend geleider vinden,
die niet zal nalaten weer met dezelfde verontwaardiging te vertellen
dat, nog geen halve eeuw geleden, de inwoners van Taormina de steenen
uit het Teatro Greco haalden om er hunne woningen mee te bouwen,
hij zal ook stellig wijzen op het verschil in den baksteen van voor
2000 jaar en den nieuwen tot restauratie gebruikten, die nu reeds
verweerd is en afgebrokkeld.

Het heeft ons dikwijls in Italië getroffen dat de gidsen met
onvermoeiden ijver u alles trachten uit te leggen en begrijpelijk
te maken, ja zelfs oogenschijnlijk nog in vuur en verrukking raken
als stonden zij, evenals wij, voor het eerst vóór hun "monumento
nazionale".

En dit trof ons niet alleen op de minder bezochte plaatsen van Sicilië,
maar evenzeer te Pompeï, te Rome en elders.

Met moeite scheiden wij van deze heerlijke en aangename plaats, maar er
is nog zóóveel te zien dat wij ons hier niet langer mogen ophouden. Wel
zijn het op nieuw gevallen grootheden die onze aandacht vragen, maar
zij zijn zóó belangwekkend, zóó typisch, dat men nauwelijks den wensch
in zich voelt opkomen ze anders te zien dan in den toestand waarin
ze thans verkeeren. Zie de Badia Vecchia of oude abdij en het Palazzo
del Duca di S. Stefano, die beide niet veel meer dan ruïnes zijn.

De Badia Vecchia vertoont nog hare fijne gothische spitsboog vensters,
de reeds meergenoemde "merluzzi", haar inlegwerk van zwart-bruine
lava, dat men nog fraaier kan zien aan de dakomlijsting van het
Palazzo S. Stefano uit de 15e eeuw.

Uit veel later tijd zijn kerk en klooster San Domenico uit de 17e eeuw,
en eigenlijk de eenige meer moderne gebouwen van het plaatsje.

Het klooster is thans tot hôtel ingericht en maakt geen uitzondering
op den regel, integendeel bevestigt weder het feit dat de monniken
er bijzonder slag van hadden voor hunne kloosters de meest idylische
plekjes uit te zoeken, waar zij, afgezonderd van de menschen, de
natuur in al haar heerlijkheid konden genieten. Wie èn ligging èn
hôtel heeft gezien, doet beter er in onze wintermaanden niet aan te
denken, tenzij hij, ongevoelig voor Annie Vivanti's blauwen hemel
en zonneroes, de voorkeur geeft aan de trieste en zonlooze dagen van
ons vochtig vaderland.

Laat ons thans niet in den steek om, als echte haastige sight-seeërs,
Taormina na een of twee dagen weer te verlaten. Ga nog eens mee naar
Giardini en bekijk onderweg de oude saraceensche graven die als een
hooge muur met nissen aan eene zijde onzen weg begrenzen. Ook zult
gij op die wandeling wel gelegenheid hebben de siciliaansche karren
eens te bezien, die trouwens door hun eigenaardige vorm en kleur
wel niet aan uwe opmerkzaamheid zullen ontsnappen. Wij zouden ze het
best kunnen vergelijken bij een van boven van voren en van achteren
open vierkante bak op twee hooge wielen; zij zijn zonder banken,
de koetsier zit op den bodem van zijne kar en laat zijne beenen vrij
naar beneden bungelen. De wielen en de beide randen der zijkanten zijn
hel geel geschilderd, terwijl de paneelen van beide zijden prijken
met bonte voorstellingen, meer of minder goed van teekening, dan eens
van schitterende steekspelen, een andermaal van bloedige veldslagen
of bijbelsche tafereelen, zoodat men ze rijdende prenteboeken zou
kunnen noemen. Ook aan den ezel of het paard zijn de kleuren niet
vergeten. Het roode hoofdstel is fijn benaaid met zilveren lovertjes en
kleurige kralen, op den kop en midden op den rug verheft zich een pluim
in sprekende tinten, terwijl belletjes veelal voor de muziek zorgen.

Zoo nadert men Giardini dalend langs den breeden zig-zagweg, wandelend
langs vijgen of amandelboomen, nu en dan verrast door de heerlijke
geuren van bloeiende citroen- of sinaasappelboomen. En bij iedere
bocht van den weg verandert ons uitzicht; wij zien de Etna met
haar rookenden top, de zwarte lavamassa's die tot op uren afstand
voortgevloeid, donkere rivieren lijken die zich in zee ontlasten,
of in het noorden de Straat van Messina, Calabrië, de uitgetande
kust van Sicilië, waarlangs de spoor als kinderspeelgoed voortglijd,
verdwijnend, verschijnend, tunnel in, tunnel uit.

Zoo genietende en bewonderende komen wij aan het strand en bieden
geen weerstand aan de verzoeking een klein tochtje op zee te
maken. Roeibootjes genoeg en geen gebrek aan overvragende roeiers
die u gaarne naar de Grotta Amato of Grotta del Giorno zullen
brengen. Roep hun uit de verte reeds toe dat gij geen Engelschman
of Amerikaan zijt, wij durven u verzekeren dat hij u de helft zal
vragen, en dat niet alléén, hij zal ook verrast opzien als hij
zijn eigen taal hoort, en al hebt gij ook dikwijls moeite uit zijn
eigenaardig dialect wijs te worden, gij zult toch na vijf minuten in
een interessant gesprek gewikkeld zijn over zijn land, zijn gezin,
zijn leven, zijn lijden. Opgewektheid zult gij bij hem niet vinden;
de Siciliaan is over het algemeen somber; zang en lach der Napolitanen
zal men tevergeefs bij hen zoeken, maar zijn fond is beter en hij is
meer ontwikkeld. Trots kijkt hij uit de donkere oogen, ridderlijk is
zijne houding.

Moet ons zijne mindere opgeruimdheid verbazen als wij zijn land
hebben gezien? Ons lachen zon en blauwe hemel toe, wij vinden de
schitterende oude gebouwen en ruïnes interessant, de lavavelden en
cactussen eveneens. Maar die onafzienbare rotsenmassa's waarop dier
noch plant kunnen leven, al die rivieren en stroompjes die des zomers
hun waterlooze steenen bedding vertoonen, de menschen en kinderen
moordende zwavelmijnen bij Caltanisetta, de alles vernielende druifluis
die op onmetelijke velden allen wijnbouw onmogelijk maakt, hoe zouden
die ons lijken als wij, in plaats van toeristen, bewoners van Sicilië
waren? Maak u geen illusie dat heel Sicilië is als Taormina, en wie
nooit dit liefelijk oord aanschouwde doch alléén Palermo bezocht,
moet ook niet zijn Conca d'Oro of goudenschelp, de heerlijk groene
vallei waarin die stad ligt, als bewijs van Sicilië's vruchtbaarheid
aanhalen. Neen, Trinacria deed ons dikwijls denken aan een vergeten,
verongelijkt kind van het moederland Italië.

Na het zeetochtje moet gij ook nog een dag de bergen met ons in,
te voet of op een ezel, al naar verkiezing, maar raden doen wij u
in deze niet. De keuze is moeilijk, wilt gij zelf zoeken waar op de
steile bergpaden met vallende steenen uw voet te zetten, of wilt gij
het overlaten aan uwen ezel, die, daar kunt ge op aan, nooit vallen
zal maar altijd de beste plekjes zal weten te vinden. Maar dan moet
gij het stootende gevoel er voor over hebben dat, vooral berg af,
aller onaangenaamst is.

Tusschen twee muurtjes van los op elkaar gestapelde steenen,
waarachter de wijnvelden liggen, bestijgen wij de trapsgewijze
ruw aangelegde wegen. Links en rechts hooge cactussen zwaar van de
rijpe cactusvijgen, een geliefkoosd volksvoedsel der Sicilianen,
die ondoordringbare hagen vormen tusschen de verschillende bezittingen.

Wij wagen ons aan geen beschrijving van de cactus, overtuigd geen
betere te zullen kunnen geven dan die van Selma Lagerlöf in haar
"Wonderen van den Anti-Christ" waarin zij haar beschrijft als iets dat
"strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën,
op 't hoofd en de ellebogen. Het was binnen en buiten 't dal, het
had slechts stekels en knobbels, had een mantel van spinnewebben en
poeier op zijn pruik en leden zooveel als een worm. Wist Gaetano
dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een
boer? Wist hij dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen? De
cactus was de beste toovenaar die op de Etna woonde."

Ja, wat volgens de legende bedoeld was als een vloek voor Sicilië,
is het ten zegen geworden. Volgens de overlevering toch meenden
de Saraceenen geen beter middel te kunnen bedenken tot uitroeiing
van de bewoners van Sicilië dan het invoeren en aanplanten van de
cactus. Hare vruchten toch kunnen, wanneer men er niet aan gewend is,
bij onmatig gebruik den dood veroorzaken. Doch de Sicilianen vielen
niet in de hun gespannen strik; zij begonnen met de cactusvijgen met
mate te gebruiken en eerst toen zij er behoorlijk aan gewend waren,
werden zij langzamerhand een volksvoedsel. De prijs is vier stuks
voor twee centimes, wel een bewijs hoe overvloedig zij zijn, en het
is dan ook niet ongewoon er 60 à 80 op één dag van te verorberen. De
flauwe smaak bracht ons niet in verzoeking er ons aan te buiten te
gaan. Als een aardige bizonderheid zij hier nog vermeld dat wij ze
later eens te Hamburg in een delicatessen-winkel zagen liggen, doch
daar kostten zij 72 cents per stuk, dus 288 maal zoo duur!--De naam
"fighi d'India" vindt dus zijn oorsprong in den invoer van de cactus
uit het land der Saraceenen, dat de Sicilianen India noemden.--En
Selma Lagerlöf noemt haar met recht den toovenaar van de Etna omdat,
wanneer de velden op dien berg door lava onbruikbaar zijn geworden
voor wijn- of landbouw, zij beplant worden met cactus, die den grond
breekt en allengs weder geschikt maakt voor andere doeleinden.

Na een uur stijgens bereiken wij Mola, een klein dorp op den top van
een kale rots. Reeds op den weg buiten om den steilen steenklomp, door
de oude vervallen poortjes, genoten wij het verrukkelijk vergezicht,
dat nog ruimer werd op het zonnig dorpspleintje. Maar hoezeer ons
het panorama bekoorde, wij zouden het niet wenschen ten koste van
Mola als woonplaats. Ongeplaveide niet meer dan 1 1/2 meter breede
straten, die nauwelijks den weidschen naam straat verdienen, liggen
tusschen de armelijke en schamele huisjes; logge zwarte varkens
loopen overal onbeheerd rond of liggen zich midden in de straat
in het zonnetje te koesteren. Treurig is het gezicht op de kale,
bruin gekleurde wijnvelden, waar de gevreesde druifluis alles heeft
verwoest en de bewoners heeft verarmd. Een oude man, die ons van de
tallooze kinderen wilde verlossen die zich tot gids hadden opgeworpen,
vertelde ons van zijn vreeselijken achteruitgang, hoe hij vroeger
jaarlijks 100 H.L. wijn verkocht voor 20 lire per H.L. en nu niets
meer. De alles vernielende philoxera had niets gespaard.

Vijf, zes kinderen huppelden aan alle kanten om ons heen, aangevoerd
als hoofdwegwijzers door Saviotto Francesco di Francesco en zijn
nichtje Angela, een donker gebrand bruinoogig kind van een jaar of
tien. Saviotto beklaagde zich over zijn weinige kennis van vreemde
talen en vertelde ons vol trots van een neefje dat gids kon zijn in
't fransch, duitsch en engelsch. Op een der vele varkens wijzend zeide
hij: ik weet alleen pig, schwein, cochon en wat de signore op zijn
neus heeft zijn spectacles. Half smeekend vroeg hij ons of wij hem
niet een fransche grammatica wilden sturen, want genoemde neef had
boeken en die had hij niet. Angela vroeg ons voor iederen persoon
dien wij tegenkwamen om een soldo, en het scheen wel of iedereen
familie van haar was.

"Da un piccolo soldo a mia sorella" (geef een stuivertje aan mijn
zusje). Twee minuten later: "Da un piccolo soldo a quest' uomo, è
mio nonno, non vede dagli occhi" (geef een stuivertje aan dien man,
hij is mijn grootvader, hij ziet niet uit zijn oogen). Haar eigen
woning voorbijgaande "Ecco la mamma e il piccolo fratello, da loro
un piccolo soldo", en zoo ging het maar door. Op ons uitgangspunt
teruggekeerd waar drijver en ezel wachtten, stond een groot gedeelte
van de kinderbevolking om ons heen en de tevredenheid was algemeen
toen een regen van piccoli soldi op de vuile handjes nederdaalde. Nog
lang daarna hoorden wij hun gejuich en hun geroep van "buon giorno,
buon giorno, buon viaggio, a rivederci!"

Saviotto's laatste woorden waren: "mandatemi un libro francese,
si sa il nome, per indirizzo basta Mola presso Taormina". (Zend mij
een fransch boek, gij weet mijn naam, als adres is voldoende Mola
bij Taormina). Aan zijn wensch hebben wij voldaan en hem later uit
Holland een fransch-italiaansche grammatica toegezonden, maar of zij
in zijn bezit is gekomen en of hij ijverig studeert, dat hebben wij
tot onze spijt nooit gehoord.

Van Mola gaat de tocht opwaarts naar den top van de Monte Venere, waar
alweder een veelomvattend, overschoon uitzicht onze moeite ruimschoots
beloont. Daar ziet men niet alleen de blauwe zee, de bergen van
Calabrië, de dorpen en stadjes langs de kust, het grootsche massief
van de Etna, maar ook het golvend binnenland met zijn eindelooze
bergreeksen in het blauwend verschiet. Langen tijd verdiepen wij ons
in de aanschouwing van dit grootsche tooneel, tot onze steeds langer
wordende schaduwen en het blijkbare ongeduld van onzen ezeldrijver
ons waarschuwen dat het tijd wordt naar Taormina af te dalen.

Terug dus naar Hôtel Victoria en een plaatsje gezocht op een der
vele terrassen om daar plannen te maken voor verdere tochten. Wij
ondervinden hier in Taormina weer hoe moeilijk het is aan zijne
oorspronkelijke plannen getrouw te blijven, en geen gehoor te geven
aan verleidelijke voorstellingen van medereizigers die ons nieuwe
heerlijkheden voorspiegelen van andere oorden doch die buiten ons
bestek liggen, al worden die dan ook afgeschilderd als nog mooier
en interessanter dan wij tot dusver zagen. Zoo staan wij nu voor de
moeilijke keus of wij het binnenland zullen ingaan, de kust zullen
volgen of om de Etna trekken.

Na rijp beraad kiezen wij dezen laatsten weg en besluiten met de
Circum-Etneaspoor om en over de Etna een bezoek te brengen aan Catania
en langs de kust terug te keeren naar Taormina.

Andermaal dalen wij langs den heerlijken zig-zag weg af naar Giardini
en sporen van daar naar Giarre. Hier geen dorre omgeving zooals bij
Mola, geen braakliggende landen; vruchtbare wijnvelden liggen aan
beide zijden van de spoorbaan, het oog verlustigt zich in het warme
donkergroen der uitgestrekte citroen-aanplantingen en in het diepe
blauw van de zee.

Wij stappen te Giarre over in de Circum-Etneaspoor, het kleine
armelijke rammelende treintje, dat in 5 1/2 tot 7 1/2 uur
Catania bereikt. De wagens van dit spoortje hebben de bizondere
eigenaardigheid dat een eens gesloten raampje niet meer geopend en
een geopend niet gesloten kan worden; de deuren gaan aan hetzelfde
euvel mank. De stations, veelal uit lava opgetrokken, verkeeren in
den meest armoedigen en primitieven toestand en wij kunnen een gevoel
van deernis niet onderdrukken met de ongelukkige aandeelhouders
in deze onderneming. Eene aangename gewaarwording daarentegen
maakt zich onwillekeurig meester van hem die zonder ongevallen ter
bestemmingsplaats is uitgestegen, na over de slecht-liggende rails
op de woeste lavavelden te zijn gehobbeld. Intusschen de weg dien
men aflegt doet alle ongeriefelijkheden zoo niet vergeten, dan toch
getroost dragen.

Reeds dadelijk na het verlaten van Giarre begint de baan aanmerkelijk
te stijgen en al spoedig bevinden wij ons tusschen de lava. Een
bruinzwarte dikke vloeistof in haar loop plotseling tot steen gestold,
een donkere hardgeworden zee met hare golven en kolken, alom de
meest phantastische krullen en vormen vertoonend, omringt ons aan
alle zijden. Van afstand tot afstand is de steenharde lava geschikt
gemaakt voor den wijnbouw en in vruchtbare velden herschapen. Zooals
reeds vroeger werd opgemerkt komt bij deze bewerking een eereplaats toe
aan den "toovenaar van de Etna", aan de Cactus die, hoe raadselachtig
het moge schijnen, die harde massa weet te doorbreken en weder aarde
weet te vormen in dezen, voor menschen onbewerkbaren grond. Als zij
haar eerste werk verricht heeft, plant men de brem die de lava nog
meer doorbreekt en scheurt, ten slotte de vijg die alles uit elkaar
rukt en den grond weder geschikt maakt voor den wijnbouw. Een boeiend
schouwspel vormen de plotselinge overgangen van de meest desolate
wildernissen tot de groene en vruchtbare landouwen en omgekeerd weder
van deze in een streek van verschrikking en verwoesting.

Voortdurend stijgt de spoor, links ziet men op tegen den berg,
rechts wordt het uitzicht op het golvend binnenland al fraaier en
fraaier. Wij gaan dwars door den inktzwarten lavastroom van 1879,
gevloeid uit den meest noordelijken krater van de Etna, stijgen
hooger en hooger en bereiken na 2 1/2 uur sporens op een hoogte van
750 M. het stadje Randazzo.

Al spoedig blijkt ons dat wij hier worden verwacht. Een station
vroeger stijgt een jongmensch in den trein en vraagt ons of wij de
Hollanders zijn die naar Randazzo reizen. Niet weinig verbaasd kijken
wij elkander aan, doch al spoedig komen wij tot de ontdekking dat een
Belg en zijne vrouw, met wie wij te Taormina kennis maakten, ons bezoek
hebben aangekondigd in den Albergo Italia. De hôtelhouder, bevreesd
dat de zeldzame gasten zijn eenigen concurrent zouden bevoordeelen,
zond ons zijnen boodschapper tegemoet, om zeker te zijn dat wij hem
niet zouden ontsnappen. De jonge man, waarschijnlijk bevreesd dat de
jongen van het andere hôtel de lucht van zijn plan zou krijgen, had
zich van twee petten voorzien, en eerst toen hij zich van ons bezit
had verzekerd, werd zijn gewone pet voor zijn hôtel-pet verwisseld
en trad hij als officieel persoon voor ons op.

De Belgen, die Sicilië reeds vroeger hadden bereisd en dus het
klappen van de zweep kenden, hadden hunne komst te Randazzo vooraf
aangekondigd en den hôtelhouder ook op ons bezoek voorbereid, daar wij
dan allicht de kamers iets schooner zouden vinden dan dit gewoonlijk
voor onverwachte gasten is weggelegd.

Onbevreesd dus wandelen wij met den jongen man naar den bewusten
Albergo. Niettegenstaande de vreemde omgeving, hebben wij een
oogenblik het gevoel of wij een hollandsch stadje binnentrekken, immers
evenals daar te doen gebruikelijk is, stroomen ook hier de inwoners
van alle zijden toe om onzen plechtigen intocht bij te wonen, er
vormt zich achter ons een kleine optocht en begeleid door een flink
escorte trekken wij voorbij het andere hôtel, welks eigenaar ons
met donkere blikken nakijkt, en komen weldra aan voor een groot oud
palazzo.--Breede marmeren trappen leiden naar een ruime vestibule op
de eerste verdieping; het geheel getuigt alweer van vroegere weelde
en grootheid, doch is thans overtogen door een waas van verarming en
vervuiling. De waard heet ons welkom, laat ons in de groote eetzaal
en vervolgens in onze daarop uitkomende slaapkamers. Het zijn alle
groote en zeer hooge vertrekken met uitzicht op de Etna.

De hôtelier is blijkbaar niet zeker genoeg geweest van onze komst om
daarvoor iets in huis te nemen of in gereedheid te brengen. Hij zit er
erg mee in wat hij zoo op eens klaar moet maken, maar heeft gelukkig
zooals een rechtgeaard Italiaan betaamt, macaroni in huis. Terwijl de
jongen in ruwe aarden kannen water op onze kamers brengt, wordt met
den heer waard overeengekomen dat hij ons gedurende vier en twintig
uren zal herbergen en verzorgen en met den noodigen goeden wijn onze
dorst zal lesschen voor de somma van zeven lire de persoon. Wij
houden een nauwkeurige inspectie over slaapkamers en bedden, die
na onzen eersten indruk van het hôtel gelukkig nog al meevallen,
en wachten met belangstelling af welk maal men ons zal opdisschen.

Al spoedig worden wij aan tafel genoodigd en na een diep bord met
macaroni en tomaten te hebben genuttigd, worden wij onthaald op kip. De
waard blijft heen en weer loopen, vraagt telkens belangstellend of
het smaakt en herinnert ons herhaaldelijk aan het feit dat wij op het
land zijn, waar men geen hooge eischen kan stellen. Wij verklaren ons
dan ook volkomen tevreden, doch van de oogenblikken dat de man zich
omdraait maken wij behendig gebruik om eenige varkens, die onder de
ramen loopen te knorren, mee te laten genieten van de ongare kip. 's
 Mans verbazing moet groot geweest zijn zelfs de beentjes niet op onze
borden terug te hebben gevonden, doch of hij dit heeft toegeschreven
aan hollandsche zeden, hij heeft met italiaansche wellevendheid over
de zaak gezwegen. Intusschen laat u door dergelijke kleinigheden toch
niet afschrikken een nacht in Randazzo te blijven, niet alleen dat
het stadje zelf een bezoek overwaard is, maar tenzij gij vóór dag
en vóór dauw op weg wilt gaan, moet gij er dit voor over hebben,
indien gij de Circum-Etnea toer geheel bij daglicht maken wilt.

En nu de stad in. Randazzo is de plaats die het dichtst nabij
den Etna-krater gelegen is. Het dateert uit de middeleeuwen,
heeft een bevolking van ongeveer 12000 zielen, en is grootendeels
uit lava gebouwd. Hoewel deze hier en daar is beschilderd hebben
de gebouwen die hun oorspronkelijke kleur behielden een somber en
droevig aanzien. Aan al die bruin-zwarte kerken, scholen en huizen,
aan die vervallen gebouwen die nooit worden opgeruimd, maar overal
als ruïnes blijven staan, kan zelfs de italiaansche zon geen vroolijk
tintje geven. Wij bezoeken de hoofdkerk de Santa Maria, een gebouw uit
de dertiende eeuw, met een negentiende eeuwsche toren in den stijl
van de kerk opgetrokken. Oude paleizen als dat van Baron Fisauli,
het palazzo Finochiaro, het stadhuis trekken onze aandacht en zijn
nog een sieraad van de stad. Het vroegere hertogelijke paleis is
in een gevangenis veranderd en de hôteljongen wijst ons de puntige
ijzers die uit den gevel steken en waarop men vroeger de hoofden der
onthalsden ten toon stelde.

De kerk San Nicolo is geheel van steen gebouwd met vroolijke
afwisseling van witte en zwarte kleur en komt dus aangenaam uit tegen
de sombere omgeving. Van de hoofdstraat bereikt men die kerk door
een zeer fraaie overwelfde gang.

Onze waard had ons medegedeeld dat een rijk particulier, Baron
Vagliasindi del Castello, eigenaar was van een groote verzameling
oudheden, een waar museum vormend. Wij zenden dus onzen jongen naar hem
toe om belet voor ons te vragen, en komt deze ons spoedig berichten
dat wij welkom zullen zijn. Met groote vriendelijkheid worden wij
ontvangen door den heer des huizes die ons zelf zijne schatten wil
laten zien. Een aangenaam onderhoud ontspint zich waarin de heer
Vagliasindi ons mededeelt dat hij behalve grondbezitter en oeconoom
ook oculist is. Hij heeft te Parijs gestudeerd, doch tot nu toe
was het hem nog niet gelukt zijne fransche vrienden over te halen
hem in het binnenland van Sicilië te komen bezoeken; de Franschen,
zegt hij, beschouwen Sicilië nog als het land van roovers en van de
Maffia, waar geen christenmensch zich wagen kan, en hij constateerde
met genoegen dat de Hollanders op dat punt meer verlichte begrippen
hadden. Op onze vraag of er dan werkelijk van al die verhalen niets
waar is, deelt hij ons mede dat de toestand werkelijk niet rooskleurig
genoemd kan worden, doch dat reizende vreemdelingen niets te vreezen
hebben zoolang zij stil huns weegs gaan, zich niet te veel bemoeien
met het volk en vooral geen nieuwsgierige vragen doen of een kijkje
willen nemen in de woningen. Dan krijgt men argwaan, beschouwt die
indringers als lieden door het gouvernement gezonden om na te gaan
of er ook nog nieuwe belastingen kunnen worden opgelegd, en zou men
hen misschien een leelijke kool stoven. Geheel anders echter wordt
de zaak voor grondbezitters en landheeren, die moeten steeds op hun
hoede zijn, zich niet ongewapend of onverzeld te ver van hun veilige
woonplaats wagen, willen zij niet de kans loopen te worden opgelicht
en slechts tegen een flink losgeld te worden vrijgelaten.

Het museum van onzen vriendelijken gastheer, uitsluitend bestaande
uit voorwerpen, op zijne eigene bezittingen opgegraven, is werkelijk
overrijk en belangwekkend en bevat grootendeels dezelfde zaken die
men bij duizenden ziet in de musea van Palermo, Messina en de  andere
steden van Sicilië. Lange reeksen grieksche en phoenicische vazen en
aardewerk, vele overblijfselen uit het steenen en bronzen tijdperk,
hamers, pijlpunten enz. twee prachtige gouden slangen, waarschijnlijk
armbanden, ontelbare romeinsche lampjes en beeldjes en eenige arabische
voorwerpen. Met groot geduld wordt ons alles uitgelegd en vertoond
en men kan aan alles merken dat wij den wellevenden Italiaan met ons
bezoek een groot genoegen doen.

Daar wij nog een paar uur daglicht te goed hebben, wandelen wij
de stad uit een landweg op, knoopen hier en daar een praatje aan
met dezen en genen die ons daartoe 't meest geschikt voorkomt,
om zoodoende nog eens iets meer te hooren aangaande de bewoners
dezer lava-stad. Zij zijn voor een groot deel landbouwers en het
is een eigenaardige bizonderheid van Sicilië dat die niet evenals
bij ons op het land wonen, maar zooveel mogelijk in de steden. Zij,
die hun land in de nabijheid dier steden hebben, verlaten des morgens
vroeg hunne woonplaatsen en keeren daarin des avonds terug. Anderen
wier landerijen op grooter afstand zijn gelegen, gaan des Maandags
ochtends daarheen, bewonen de geheele week hunne armelijke steenen
hutjes en komen Zaterdagavond weer naar de stad om den Zondag bij
vrouw en kinderen te slijten.

Het is de moeite waard bij het vallen van den avond deze
schilderachtige figuren naar de stad te zien terugkomen over den ouden
heirweg van Messina naar Palermo die langs Randazzo loopt. Dan een
landheer hoog te paard, zijn mantel tot op zijne voeten afhangende,
in gestrekte galop, dan een tweewielig wagentje getrokken door een
muildier dat moeite heeft de talrijke passagiers voort te zeulen,
dan een ezel niet zelden bereden door twee of drie volwassen mannen
en bovendien beladen met eenige takkenbossen of zakken hooi. In
eindelooze karavaan trekt dit alles aan ons oog voorbij en eerst
als het bijna volslagen duister is, begint de stroom te minderen
en keeren wij terug naar ons hôtel. Daar worden wij blijkbaar niet
verwacht, want op onze komst geraakt alles in rep en roer, de waard
roept: licht, licht, vlug! en boven aan de trap verschijnt een klein
petroleumlampje waarmee men ons voorlicht naar de eetzaal.

Tot onze verbazing bericht hij ons dat er bezoek voor ons is geweest
en overhandigt ons ieder een reusachtig groote visitekaart. Het was de
Heer Vagliasindi del Castello die ons met ouderwetsche hoffelijkheid
een uur geleden een contra-bezoek had gebracht.

Na een avondmaaltijd, niet veel beter dan het diner, gaan wij nog even
genieten van den prachtigen avond en het natuurgenot doet ons alras
de kleine hôtelmisères vergeten. Een heldere, diep-blauwe hemel,
waarin de sterren schitteren met veel grooter glans dan wij dit in
onze waterachtige atmosfeer gewend zijn, welft zich boven de Etna die
met haar pluim van rook daar zoo vredig ligt alsof zij nooit eenig
onheil had gesticht.

De waard roemt zichzelf als uitstekende gids, hij vertelt van zijn
verschillende tochten, van de uitmuntende paarden, muildieren en tenten
die hij te zijner beschikking heeft. Maar als wij hem voorstellen den
volgenden dag met ons zijn trots, zijn Etna te beklimmen, dan weigert
hij. Hij schijnt op ons voorstel niet in 't minste verdacht te zijn,
want plotseling krijgen zijne verhalen een ander tintje. In dezen
tijd van het jaar de Etna op, waaraan denken wij! Het is veel te koud,
storm en sneeuwjachten kunnen ons overvallen! Vooral de koude schijnt
hij te vreezen en voor geld noch goede woorden is hij tot de excursie
te bewegen.

Hoe aanbevelenswaardig een bezoek aan Randazzo ook moge zijn, zonder
al te veel hartzeer zal men toch den volgenden dag dit sombere stadje
weer verlaten. Weder door vele bewoners uitgeleide gedaan begeven wij
ons spoorwaarts, bemerken nog op onze wandeling daarheen dat de pleinen
der stad worden gebruikt tot droging van mais en andere granen, en is
het een eigenaardig gezicht groote oppervlakten, met deze goudgele
voedingsmiddelen bedekt, in de zon te zien schitteren. Of er door
de stad voor dit gebruik ook precario geheven wordt, zijn wij niet
gewaar kunnen worden.

Wij bestijgen weder het kleine, schuddende treintje om onze reis om
de Etna te vervolgen. De verdere weg is niet minder afwisselend in
grondgesteldheid en natuurschoon dan het eerste gedeelte, en van uit
onze eerste klasse coupé, welks frischheid het best is te vergelijken
bij een hollandsche derde klasse wagen, rooken, op een marktdag,
zien wij het grootsche panorama aan ons voorbij glijden. Nog steeds
gaan wij hooger den berg op, tusschen korenvelden door, die aan
het glooiend terrein om Randazzo het aanzien geven van een groote
lappendeken, in alle kleurschakeeringen van bruin tot geel; dan wordt
het landschap eenzaam en verlaten en sporen wij door onafzienbare
lavavelden zonder eenig groen, zonder een enkele woning, van tijd
tot tijd door een kleinen tunnel, in de lava geboord. Hier bereiken
wij het hoogste punt ± 1000 M. en dalen van daar naar Bronte 793 M.,
een welvarend plaatsje van 20000 inwoners. Voorbij Bronte begint
de weg snel te dalen; nog steeds over breede lavastroomen, over
onbewegelijke eeuwenoude steenmassa's, naderen wij meer en meer de
bewoonde wereld. Allengs wordt het land weder vruchtbaarder; wij zien
weer groote velden grijs-blauwe cactussen overladen met vruchten,
daarna brem en eindelijk weder wijngaarden, olijf- en amandelboomen
die een verkwikking zijn voor het oog. Langs de bloeiende stadjes
Adernó en Paternò naderen wij het einde van onzen tocht; in de verte
verrijzen de torens van Catania, de boomen van het park Bellini en
eindelijk achter dit alles doemt aan den horizont de heerlijk blauwe
zee weder op. En langs deze eeuwig schoone spooren wij nu weder terug
naar ons punt van uitgang; steeds volgen wij de kust en belangwekkend
is het te zien hoe aan de gloeiende lavastroomen die zich in woeste
vaart van uit den krater op den berg hadden gestort, alles in hun
vaart vernielende en medesleepende, door de nog machtiger zee een
tot hiertoe en niet verder werd toegeroepen, hoe zij door het water
gebluscht, zich in groote rotsgevaarten en onmetelijke steenkolossen
langs de kust hebben opgestapeld, daaraan een afwisseling gevende
van wondere grilligheid en onvergelijkelijke schoonheid die het oog
voortdurend geboeid houdt.

Teruggekeerd te Taormina zien wij met welgevallen terug op het door
ons gemaakte uitstapje, nog één dag rusten wij uit, genietend van
het goede hôtel Victoria en zijn vriendelijke bewoners.

Ons verblijf aldaar spoedt helaas ten einde, en alleen de gedachte
dat nieuwe heerlijkheden ons wachten, dat Syracuse, Malta en Tunis
nog op ons reisprogram staan, kan ons doen besluiten dit schoone oord
te verlaten.

Doch niet dan nadat wij nog een bezoek hebben gebracht aan den kunst-
en smaakvollen photograaf, die van deze prachtige natuur in combinatie
met de vele schoone gestalten der jeugdige mannen en vrouwen die haar
bevolken, de heerlijkste groepen in de fraaiste omgeving heeft weten
te maken. En vooral heeft hij een open oog voor de schilderachtige
groepjes die men bij iederen stap ontmoet, voor de aardige meisjes
in kleurigen dracht die in druk gesprek aan gindschen fontein hare
waterkruiken komen vullen, voor den minnaar die zijne beminde een
lied voorzingt onder begeleiding der guitaar, voor den prachtigen
monnik in onderhandeling over de reparatie van een paar schoenen, en
voor wat niet al! Een aardiger herinnering aan dit liefelijk plaatsje
zou moeilijk zijn te vinden.

Mogen bijgaande reproducties en deze korte beschrijving, die slechts
in zwakke klanken de werkelijkheid teruggeeft, velen doen besluiten
een bezoek te brengen aan Taormina.



Abessynië en de berichten van het duitsche gezantschap naar dat land.


Abessynië is in de laatste jaren het doel van een reeks buitengewone
missies geweest; de eene heeft de andere afgelost, en de volken van
West-Europa, zoowel als de Vereenigde Staten, hebben een koortsachtigen
ijver aan den dag gelegd, om het maagdelijke land met hun handel en
industrie in verbinding te brengen. Uit die veelzijdige belangstelling
blijkt al de beteekenis, die men hecht aan de nog niet geëxploiteerde
schatten van dit bijna aan den uitersten rand der heete luchtstreek
gelegen hoogland, en blijkt tevens, hoe bij de bevolking aldaar
de behoefte aan de voortbrengselen der industrie met de ontwakende
beschaving verondersteld wordt.

Een zeer aanschouwelijke voorstelling van de algemeene, economische
toestanden in dit op den voorgrond tredende afrikaansche land en van
zijn beteekenis als afzetmarkt en leverancier van tropische producten
geeft een door de duitsche regeering onlangs gepubliceerd overzicht
in de "_Berichten over handel en industrie_" van de mededeelingen,
die het buitengewone gezantschap naar Abessynië had gedaan.

Dr. Rosen ging in 't begin van 1905 van Djiboeti uit over Harrar naar
het hof van koning Menelik te Adis Abeba, heeft daarna het land naar
het Noorden in de richting van het Tanameer, Goudar en Adua doorkruist,
en keerde over de italiaansche haven Massowah naar huis terug.

In de vier maanden, die de expeditie in Abessynië doorbracht, heeft
zij overvloedig materiaal verzameld, dat een helder licht verspreidt
over de algemeene toestanden, over ligging en grondgesteldheid,
bodem, klimaat, bevolking, talen, steden, hoofdbronnen van bestaan,
toegangen naar Abessynië, verkeerswegen in het binnenland, waterwegen,
middelen van vervoer, karavaangelden, tollen, post- en muntwezen,
maten en gewichten, de abessynische bank, uit- en invoer. Veel waren
zijn bijeengebracht, ten einde duidelijk te maken, hoe het met den
tegenwoordigen handel staat en hoe die uitgebreid kan worden, zoowel
wat den uitvoer naar als den invoer uit Europa betreft.

De voornaamste middelen van bestaan van het abessynische volk zijn
veeteelt, landbouw en jacht. Aan het ministerie van Binnenlandsche
Zaken is een soort van tentoonstelling georganiseerd van abessynische
producten, zoo meldt de _Deutsche Kolonialzeitung_ van 6 Januari 1906,
en daar kan men de voor de wereldmarkt beschikbare runder-, schapen-
en geitenvellen zien, die, naar kenners beweren, de hoedanigheden
bezitten, welke hen gewild doen zijn bij de gebruikers. Over Djiboeti
werden in het jaar 1903 voor 1,351,467 francs huiden van allerlei
soort, en over Massowah voor 174,911 lire runderhuiden en voor 828,542
lire geiten- en schapenvellen uitgevoerd.

De landbouwproducten zijn er vele. Er moeten wel 16 soorten van gerst
en 20 soorten van tarwe in Abessynië voorkomen, en de zaden van gerst
en tarwe vallen met de vele oliehoudende zaden sterk in het oog. Ook
aan peulvruchten en specerijen is het land rijk. Wat de vezelplanten
betreft, munten eenige bijzonder goede katoensoorten uit. Koffie komt
in twee soorten in den handel. De Harrarikoffie wordt in de provincie
Harrari gekweekt, terwijl de zoogenaamde abessynische koffie gewonnen
wordt in de zuidwestelijke provincies, waar ze in het oerwoud ook in
't wild groeit. Beide soorten zijn van uitstekende qualiteit, niet
onderdoend voor de mokka van de overzij der Roode Zee.

De jacht levert er kostbare artikelen als ivoor, huiden van leeuwen,
panthers, otters, apen, giraffen, zebra's, antilopen, slangen en
krokodillen. Ook op den neushoorn en het nijlpaard wordt jacht gemaakt.

Klimaat, regenhoeveelheid en grondgesteldheid zijn over 't algemeen
geschikt voor landbouw. De berglucht, die bij het karakter van
hoogland, dat Abessynië bezit, voor elken Europeaan het verblijf in
het land mogelijk maakt, weert ook malaria en tropische ziekten en
werkt gunstig op de ontwikkeling der bevolking. De verschillen in de
bevolking zullen op den duur voor een goede verdeeling van arbeid
zorgen en zullen hier den landbouw, ginds de veeteelt, elders de
industrie of de zorg voor het verkeerswezen op den voorgrond brengen.

Belemmerend voor de ontwikkeling van het economische leven werken het
gebrek aan verkeerswegen in het land, de dure karavaanvrachten, de
onzekere tollen, het slecht geordende muntwezen, waarbij staven zout
en geweerpatronen nog als ruilmiddelen dienst doen, het gebrekkige
postwezen en de afgezonderde ligging van het land. Voor het verkeer
van en met Abessynië heeft op dit oogenblik Djiboeti, de fransche
Roode-Zeehaven, nog de grootste beteekenis. De spoorweg tot Harrar
heeft die beteekenis nog vergroot.

Het industriëele leven is in het land nog minder ontwikkeld dan
landbouw en veeteelt. De weverij, het kleêr en schoenmaken, het
korenmalen en broodbakken zijn nog huisbedrijven. Bij het maken van
aardewerk ontbreekt nog de overal reeds gebruikelijke draaischijf. In
metaal- en lederbewerking heeft men het iets verder gebracht. Van
eigenlijke industrie in europeeschen zin is nauwelijks het eerste
begin aanwezig. Ook over den rijkdom aan mineralen moet men zich het
oordeel nog voorbehouden, tot het land beter geologisch onderzocht
zal zijn. Vastgesteld is intusschen reeds het voorkomen van goud,
zilver, ijzer, tin, zink en kool.

Onder deze omstandigheden is het land, voor zoo ver zijn koopkracht
reikt, en voor zoover de behoeften der bevolking aan de voortbrengselen
der beschaving reeds gewekt zijn, aangewezen op den invoer van
producten uit het buitenland. Het meest staan daarbij de geweven
stoffen op den voorgrond.

Het klimaat doet de behoefte aan die stoffen ontstaan, en vooral katoen
is een gewild artikel; het meest worden ingevoerd de uit Britsch-Indië
en de Vereenigde Staten komende, ruwe, ongebleekte stoffen. Zeer
overvloedig is ook het gebruik van gebleekte, geverfde en bedrukte
katoenen stoffen, waarbij Duitschland zal kunnen mededingen. Kousen
en tricotbuizen worden reeds veel ingevoerd uit Duitschland.

Onder de in Berlijn tentoongestelde voorwerpen ziet men stukken
mousseline en calico, witte stoffen voor hemden en andere
onderkleedingstukken, dril, damast, percal en andere. Wollen en
katoenen garens worden in de huisweverij in Abessynië veel gebruikt,
en naaigarens bij de vervaardiging van kleedingstukken. Het gebruik
van zijden stoffen is niet van veel beteekenis, omdat het zich bepaalt
tot de voorname klassen der bevolking. Ook wollen stoffen vinden niet
veel aftrek. Wel zouden als invoerartikelen in aanmerking kunnen komen
dekens en tapijten, die ook in halfwol en katoen gewild zouden zijn. De
invoer van ruw ijzer is van weinig belang, omdat er zoo weinig ruwe
metalen in het land worden bewerkt. Men gebruikt bij den bouw der
woningen veel plaatijzer. Als maar eenmaal het land eenige stapjes
verder op den weg der ontwikkeling heeft gedaan, zullen werktuigen
en gereedschappen van allerlei soort in veel grooteren getale aftrek
vinden. Tafelmessen, vorken en lepels worden nog lang niet algemeen
gebruikt; zakmessen beginnen reeds veel gewenscht te worden. Van
meer beteekenis is reeds de aanwending van glazen, pannen, borden
enz. terwijl de grootste rol de geëmailleerde ijzerwaren spelen. Wapens
en degengevesten vinden steeds aftrek.

Glas, steengoed, porselein, spiegels, petroleum, hoeden, naaimachines,
leêr, papier, klokken, parasols, schoenen, voedings- en genotmiddelen
zijn allen dingen, die nu reeds bij den invoer in Abessynië eene
meer of minder gewichtige rol spelen. Onder de genotmiddelen zou
misschien vooral suiker voor den duitschen uitvoer naar Abessynië in
aanmerking komen. De behoefte daaraan is tot nu toe door Frankrijk
en Oostenrijk gedekt.

Voor Duitschlands handel en industrie worden dus in Abessynië op de
meest uiteenloopende gebieden uitzichten geopend, en wij kunnen ons
aandeel erlangen aan de openstelling van het land voor den handel. De
wegen zijn nu geeffend door het handelsverdrag, dat de buitengewone
zending naar Abessynië met de regeering heeft gesloten; verder door
onze deelneming aan de oprichting van de in het leven te roepen
ethiopische bank en aan toekomstige spoorwegondernemingen.

Toevallig komen juist in dezen tijd van vriendelijke toenadering van
Duitschland tot Abessynië berichten over een belangwekkende toenadering
van Abessynië tot Egypte. De stoot daartoe heet uitgegaan te zijn van
den sultan van Turkije; maar of Engeland niet mee een klein duwtje
heeft gegeven?

Een zending althans van Mac Millan naar Menelik van Abessynië schijnt
nog al goede resultaten te hebben gehad en tot een voortdurende
vriendschappelijke verhouding tusschen de twee staten aanleiding te
zullen geven. Het handelsverkeer tusschen den egyptischen Soedan en
Abessynië zal ervan profiteeren en het verkeer op den Boven-Nijl zal
erdoor toenemen.

De goedwilligheid van den sultan in dezen is tezelfdertijd
gebleken bij een geschil tusschen de Ethiopiërs en de Kopten over
het klooster Deir es Sultan te Jeruzalem, dat door de christelijke
Kopten opgeeischt werd, nadat het door de Mohammedaansche Ethiopiërs
bezet was. Tot regeling van deze zaak werd Sadik-pacha naar keizer
Menelik afgevaardigd met een eigenhandigen brief van den sultan en
rijke geschenken. De zaak werd in het voordeel der Kopten beslist.

Men ziet, Menelik laat zich het hof maken, en hij zendt van
zijn kant telkens ook gezanten naar Europa voor het aanknoopen
van betrekkingen. Een zijner buitengewone gezanten was o.a. in
October in Roemenië voor het aankoopen van meel, tarwe en haver
voor Abessynië, wat niet geheel klopt met de hoopvolle mededeelingen
over den graanrijkdom van Abessynië in het boven weergegeven duitsche
rapport. De negus was intusschen heel vriendelijk voor Dr. Rosen en de
zijnen, en voor keizer Wilhelm kreeg de gezant de Ster van Aethiopië
mee, de hoogste orde van het land in goud en brillanten, plus een
kostbaar abessynisch schild, antieke kruisen met belangwekkende
opschriften uit het oude christenland, dat Abessynië is, en eenige
zware olifantstanden.

Het duitsch-abessynisch handelsverdrag, dat 7 Maart in Adis Abeba
is geteekend, heeft handelsovereenkomsten met Engeland, Frankrijk en
Italië in zijn nasleep gekregen.

Geen wonder, dat er telkens geruchten opduiken van Menelik's aanstaande
komst in Europa; hij zou naar Rome, Parijs en Londen gaan. Zelfs
Rusland interesseert zich voor het land der bruine Christenen; het
heeft dezer dagen een zending ingenieurs erheen gestuurd, die er
rijke goudmijnen constateerden en Menelik den raad gaven de mijnen
voor eigen rekening te ontginnen.

"_Surtout pas trop de zèle_" mag hier wel gelden!



Indrukken van Finland

Door Jonkvrouwe Clara Engelen.


Suomi is de zachte, welluidende, droomerige naam, dien de Finnen hun
land hebben gegeven. Het is de naam van het land, dat in den laatsten
tijd onze aandacht tot zich trekt, welks strijd voor vrijheid en oude
rechten onze belangstelling gaande houdt.

Finland is voor ons, Hollanders, betrekkelijk onbekend. Waarschijnlijk
zou het dat voor mij ook gebleven zijn, als het gelukkige toeval mij
niet met eene Finsche had samengebracht, en ik niet in de gelegenheid
ware geweest om Finland tweemaal te bezoeken.

Een paar jaar geleden nam ik het besluit, mijne finsche vriendin naar
haar land te vergezellen en weinige dagen later waren we te Lübeck,
om des avonds van daar met de _Storfürsten_ [1] naar Helsingfors te
vertrekken. Voor dat we ons plaatsbewijs voor den overtocht kregen,
moesten wij onzen pas laten zien en hem later op de boot dadelijk
afgeven. Groot was de _Storfürsten_ niet; zij leek mij zelfs in 't
oogvallend klein, maar ik wist toen nog niet bij ondervinding, dat
de Oostzee zeer weinig golfslag heeft en dus ook door betrekkelijk
kleine schepen kan bevaren worden. De zeventien passagiers waren
voor het meerendeel Finnen, die naar hun land terugkeerden, blij het
conservatieve Midden-Europa, zooals zij dat uitdrukken, te kunnen
verlaten. Mijn vriendin had spoedig een paar kennissen gevonden,
bij wie we ons gedurende de reis aansloten en met wie ik heel wat
heb afgepraat. Bij meer dan één gelegenheid hebben we het Noorden
en Midden-Europa met elkaar vergeleken, en telkens viel het mij op,
hoe er door deze lieden met een zekere minachting gesproken werd over
het laatste, dat als zeer behoudend en overbeschaafd bestempeld wordt.

Een ander thema dat ter sprake kwam, was de emancipatie. De Finnen
zijn wat dit punt aangaat, zeer vooruitstrevend. Co-educatie b.v. is
iets dat van zelf spreekt. Bijna alle meisjes doen hun "baccalaureat",
[2] studeeren eenige jaren en zoeken vervolgens eene betrekking. De
Finnen stellen er een groote eer in, dat zij andere landen zooveel
vooruit zijn, maar hebben tevens de neiging om alles af te keuren,
wat niet òf uit Zweden, òf uit hun eigen land stamt.

Opmerkelijk is het, dat de Finnen zich buiten hun land nooit recht
thuis voelen; zij zijn geen kosmopolieten en het best te waardeeren
in hun eigen omgeving; daar zijn ze gezellig en buitengewoon gastvrij
voor vreemdelingen. Zoo hebben zij tijdens de reis al het mogelijke
gedaan om mij niet buiten hunne gesprekken te sluiten en mij van hun
land alles te vertellen, waarin ik belang kon stellen. Om mij genoegen
te doen spraken ze ook onder elkaar duitsch, en werd er eens wat in
't zweedsch of finsch gezegd, dan was er altijd iemand die als tolk
dienst deed.

De avonden op de _Storfürsten_ waren wel het gezelligst. Het weer
was bizonder goed en dus konden we tot laat in den avond op het dek
zitten. Eerst werd er gepraat, en als de late schemering begon te
vallen, werden er liederen gezongen met een langzamen rhythmus, in een
voor mij onbekende weeke, zoetvloeiende taal. Geruischloos stoomde de
_Storfürsten_ over het water, dat effen was als een ijsvlak en waarin,
aan den kant van het Noorden de lichte streep der ondergaande zon werd
weerspiegeld. Nog later steeg de maan uit de zee op en vertoonde zich
als een groote schijf aan den wolkeloozen hemel. In de verte, aan den
horizon, zag men de lichten der vuurtorens van Gothland, Dagö en Ösel.

Ook den laatsten avond zouden we op het dek doorbrengen, maar
... om drie uur 's middags kwam er mist, tegen vijf uur begon
de boot eigenaardig te schommelen en om acht uur was de storm in
vollen gang. Dienzelfden nacht voeren wij de Finsche golf binnen en
in den morgen bereikten we Reval. Hier kwam de douane aan boord en
inspecteerde niet alleen de bagage maar ook onze passen. Ze zagen
er krijgshaftig uit die grenswachters met hunne uniformen, hooge
laarzen en groote slagzwaarden. Toen ik me hierover eene opmerking
veroorloofde, werd mij dadelijk het zwijgen opgelegd met een: hou je
stil, anders krijg je last van hen! In Reval hadden we een uur tijd om
de stad te bezichtigen. De alles overheerschende indruk, dien ik kreeg,
was, dat huizen, straten en menschen onbeschrijfelijk vuil zijn. De
bevolking heeft het bizondere type, dat aan den russischen moeijik
herinnert: een goedige, domme, slaperige uitdrukking van het gezicht,
lange baarden, recht afgesneden haar; een roode kiel, die tot de knieën
reikt, en de voor een Rus onmisbare hooge vetlaarzen. Verder vielen me
de kleine rijtuigen op, getrokken door paarden, die gespannen zijn in
een hoog halsstel en bestuurd worden door een koetsier met een langen,
blauwen jas aan en een platten, hoogen hoed op. Gaarne waren wij wat
langer in Reval gebleven, doch we moesten naar de boot terug.

Om twaalf uur kwam Helsingfors in 't gezicht; eerst als een witte
streep aan den gezichteinder, maar spoedig kon men enkele gebouwen
onderscheiden, zooals de russische kerk met haar blinkende koperen
koepels. We voeren nu niet meer door de open zee, maar tusschen de
talrijke eilandjes, die voor de finsche kust liggen. Dit zijn de
"scheren", die Helsingfors een natuurlijke haven geven. Sommige
van die scheren zijn bewoond, andere niet; er zijn er begroeid met
boomen, en ook die als kale klippen boven het water uitsteken. Voor
men te Helsingfors aankomt, vaart men langs Sveåborg, de vesting,
vroeger door de Zweden en nu door de Russen bezet. Zij wordt streng
bewaakt en de toegang is voor ieder verboden. [3] Er wordt beweerd,
dat er staatsgevangenen onder in de kelders zitten opgesloten; van
andere zijde heb ik dit beslist hooren tegenspreken. In de nabijheid
van Sveåborg ligt nog een eilandje, door militairen bezet. Men
zegt dat ook daar gevangenen zijn; niemand mag het eiland naderen;
te middernacht legt er een boot aan, om de bezetting van voedsel
te voorzien. Er werd gefluisterd, dat de vader van Schumann [4] daar
gevangen zat. Een andere persoon verzekerde mij, dat er niets bizonders
aan het eiland is en dat het tot Sveåborg behoort; hij voegde er bij:
de Finnen houden van mysterieuse geschiedenissen en nemen dikwijls
zeer onzekere dingen voor waar aan.

We konden niet te Helsingfors aan land komen voordat de douane ons de
passen had teruggegeven. De namen van de passagiers werden afgeroepen
en ieder moest maar zorgen zijn pas terug te krijgen, want zonder
pas wordt men nergens toegelaten, waar de Russen hunne oppermacht
doen gelden.

Helsingfors is in 1550 gesticht en sedert 1817 de hoofdstad van het
finsche groothertogdom. Eerst na dien tijd is het een stad van eenige
beteekenis geworden. Het is een moderne stad, als 't ware volgens
een vast schema gebouwd, met rechte straten, afgewisseld door mooi
aangelegde en goed onderhouden parken. De groote beweging is op de
Esplanade: daar zijn de cafés en daar is elken avond muziek. In de
nabijheid van Helsingfors zijn talrijke gelegenheden om des avonds
te soupeeren, of de middaghitte te ontloopen. Wie in Helsingfors
is geweest, kent ongetwijfeld: Klippan (de klip), Alphyddan (de
alpenhut) Brunsparken en Högholmen. Klippan is een van de scheren;
vooral des avonds heeft men er een prachtig uitzicht: aan den eenen
kant de zee met de vele eilanden, aan de andere zijde het silhouet
van de stad en de haven. Als men eenmaal des avonds op Klippan is,
vergeet men den tijd; zoo tenminste ging het mij, want zelfs om 11
uur was het nog niet geheel donker. Als men dan laat in den avond in
Helsingfors terugkomt, zijn de straten meer bevolkt dan midden op
den dag. De stad is namelijk in den zomer zeer warm; wie kan, gaat
van Mei af naar buiten, en zij die in Helsingfors moeten blijven,
gaan eerst tegen den avond uit. De familie waar ik zou logeeren,
was ook met de geheele huishouding buiten, en alleen de heer des
huizes was naar Helsingfors gekomen, om met zijne dochter mij de
stad te laten zien. Omdat we dus geen bediening in huis hadden,
namen we onze maaltijden in een restaurant. Zoo maakte ik in
Brunsparken nader kennis met de zweedsche keuken, [5] waarvan ik
op de _Storfürsten_ al een voorproefje had gehad. Men begint het
middagmaal met smörgos, [6] dat gedekt staat op eene groote tafel in
't midden van de eetzaal. Bedien u zelf! heet het hier. Men neemt een
bordje, vork en mes en begint van al de lekkernijen, die gereed staan,
wat op te pikken; een radijs, een stukje knäckebröd, [7] wat gerookt
rendiervleesch, wat wittebrood; maar pas op, het brood zoowel als de
gemarineerde sardines zijn zoet van smaak! Het smörgos wordt staande
gegeten en het kost heel wat moeite eer men leert, handig met vork en
mes te manoeuvreeren en ook om de lekkerste beetjes te vinden. Voor de
heeren staat er brandewijn klaar, dames drinken nooit daarvan. Na het
"smörgos" begint het eigenlijke middagmaal. Volgens het menu kan men
als eerste gerecht kiezen, soep of "tilbunke". Heeft men den moed dit
laatste te bestellen, dan komt er eene glazen kom met ... "hangop";
in Zweden en Finland eet men deze spijs des zomers in plaats van
soep. Verdere verrassingen komen er met het eten niet dikwijls voor,
alleen is alles met veel vet klaargemaakt, maar daar went men aan.

Alphyddan is een meer bescheiden uitspanningsoord, maar ligt heel
mooi te midden van een bosch. Zoo dicht bij een stad zou men niet
een dergelijke "wildernis" verwachten. Alleen de rijwegen zijn goed
onderhouden, voetpaden vindt men er bijna niet. Het bosch staat voor
iedereen open, men mag loopen waar men wil, verboden wegen zijn er
niet, men mag er bloemen plukken zooveel men lust heeft; maar van
't vernielen van planten is geen sprake, want de Finnen leeren van
hunne jeugd af aan zorg te dragen voor het algemeen eigendom.

Högholmen, het "hooge eiland", is de dierentuin, waar de rendieren,
die daar in vrijheid rondloopen, wel het merkwaardigst zijn.

Ik trof het niet, dat in Helsingfors alle openbare gebouwen wegens de
zomervacantie gesloten waren. Oude gebouwen vindt men er in 't geheel
niet; maar de moderne vertoonen een zeer merkwaardigen stijl. Dit
is de "nieuwe finsche stijl", die voornamelijk symbolistisch is;
de huizen zijn versierd met allerlei mystieke gedrochten, die in
het Kalevala, de Volkssage der Finnen, worden genoemd. De bouw van
de huizen schijnt terug te gaan op een stijl, die in overoude tijden
in Finland gebruikt werd; dit heeft mij de bekende finsche architekt
Eliel Saarinen zelf verteld. Al die nieuwe huizen hebben een naam, aan
het Kalevala ontleend. Een van die gebouwen is de finsche schouwburg,
waarop de Finnen zeer trotsch zijn en waarin nationale stukken gespeeld
worden door hun groote tooneelspeelster Aino Acté.

Mist men in Helsingfors de oude gebouwen, nog eigenaardiger is het
wellicht, dat er geene achterbuurten zijn: de huizen van rijken en
armen staan naast en door elkaar.

Als vervoermiddel in de stad heeft men de electrische tram, maar
meestal maakt men gebruik van een van de vele rijtuigen, die overal
gereed staan. Het rijden in Helsingfors is zoo goedkoop, dat ook
de volksklasse er gebruik van maakt. De rijtuigen, alle voorzien
van gummibanden, zijn kleine victoria's, waarin slechts voor twee
magere personen plaats is; de rugleuning is bizonder laag. Het paard,
op russische manier aangespannen, loopt vlug, zelfs daar, waar het
in de heuvelachtige straten bergop gaat. De koetsier heeft ongeveer
dezelfde kleeding als die, welke ik in Reval zag en bedient zich zeer
zelden van het korte zweepje, waar hij gewoonlijk op zit.

De winkels leveren over 't algemeen niets eigenaardigs op, behalve
die waar slöjd-voorwerpen en homespun kleeden worden verkocht. Die
kleeden zijn dikwijls versierd met kunstige steken of met
applicatiewerk. Meestal worden hiervoor heldere kleuren uitgezocht,
groen, blauw, rood, geel, oranje, nog des te meer sprekend door
de zwarte omlijning. De zelfde kleuren komen voor op de houten
slöjd-voorwerpen, die meestal zeer eenvoudig van vorm zijn. Zij
worden, evenals de kleeden, gemaakt door de boeren tijdens de lange
winteravonden. Zoo ook de voorwerpen uit gevlochten berkenschors
vervaardigd, waaronder zelfs schoenen zijn.

Om Helsingfors te leeren kennen heeft men niet zoo heel veel
tijd noodig, en we besloten dus vrij spoedig de reis naar buiten
te ondernemen. We gingen tegen den avond uit Helsingfors. Eerst
spoorden we langen tijd door een bosch, toen door eene vlakte waar
niet heel veel moois of merkwaardigs te zien was. Tegen middernacht
bereikten we een dorp, van waar een boot vertrok naar de plaats
onzer bestemming. Het meer maakt een zeer bizonderen indruk,
vooral als men het voor de eerste maal ziet in het schemerachtige
middernachtslicht. Zwarte dennen staan er om heen, hun silhouet teekent
zich in krachtige lijnen tegen de rood-oranjekleurige lucht. Het
meer is zoo kalm, dat het geheele landschap er zich duidelijk in
weerspiegelt en het water dezelfde oranjekleur krijgt als de lucht. Het
landschap geeft den indruk van groote rust; ineens wordt het duidelijk,
waarom de Finnen zoo poëtisch zijn en zoolang droomend voor zich uit
kunnen staren. Men begrijpt dat deze natuur de Finnen gemaakt heeft tot
wat zij zijn: een volk van sagen en poëzie. Zoo stoomde de boot voort
in de eigenaardige schemering der noordernachten, en de natuur zou iets
kouds, zelf iets griezeligs gehad hebben, als niet de oranjetint van
de lucht meer warmte aan het landschap had gegeven. Langer dan twee
uur duurde de bootreis langs de tallooze eilandjes en landtongen,
die allerlei grillige vormen aan het meer geven. Tegen drie uur in
den nacht bereikten we het buiten waar ik zou logeeren.

Voor we aan wal stapten werd ik opmerkzaam gemaakt op een sluis. "Zijn
er wel sluizen in Holland?" vroeg men mij. Ik kon niet nalaten even
te glimlachen over deze vraag.

Bizonder hartelijk was de ontvangst; het nachtelijk uur werd niet in
aanmerking genomen, want de Finnen zijn er aan gewoon dat men den nacht
voor reizen gebruikt. De vrouw des huizes was op, zij had koffie voor
ons klaar gemaakt, maar na deze en enkele zoete beschuitjes gebruikt
te hebben, werd ik beleefd verzocht zoo gauw mogelijk naar bed te
gaan en den volgenden morgen niet al te vroeg voor den dag te komen.

Ik had een aardige kamer, die zeer eenvoudig was ingericht;
de meubels waren van licht blauw geverfd hout; het bed bestond
uit een plank op twee schragen; de tafel was op dezelfde manier
gemaakt en een vriendelijke hand had er een grooten ruiker met
veldbloemen opgezet. Voor het groote openslaande raam hing een donker
gordijn. Eigenwijs, vond ik het volstrekt niet noodig het naar beneden
te laten en werd, tot mijn straf, een half uur later wakker door
de zon, die fel in mijne kamer scheen. Om negen uur kwam een keurig
gekleed dienstmeisje me een kopje slappe thee brengen, ook alweer met
zoet brood. Ik knikte haar toe; zij beduidde mij vriendelijk, van haar
kant, dat ik nemen moest wat ze mij bracht. Die pantomime herhaalden
we elken morgen, want ik heb geen woord tegen haar kunnen spreken.

Toen ik me gekleed had, werd ik afgehaald om mee te gaan zwemmen;
dat doen de Finnen, ook het volk, in den zomer eens of ook twee keer
per dag. De boeren gebruiken elken Zaterdag hun dampbad, waarvoor
eene schuur nabij de boerderij is ingericht. Daar staat een groote
steenen kachel, waarboven een kamertje is voor drie of vier personen
om het dampbad te gebruiken. Daarna nemen zij gewoonlijk, soms zelfs
in den winter, eene koude onderdompeling in het meer. Ook de knechts
der boerderij hebben recht op hun wekelijksch dampbad.

De dagindeeling was verder als volgt:

Elken dag kreeg ik tot elf uur niets anders dan het kopje thee,
maar dan werd het wachten vergoed door een ontbijt, dat meer leek op
middageten. Tot twee uur gingen we wandelen of aan het meer zitten,
en dan werd buiten koffie gedronken met allerlei soorten van zelf
gebakken brood en koek. Des middags werd ik meestal aan me zelf
overgelaten. Om vier uur werd gegeten. Bij dezen maaltijd werd een
drank gebruikt, die naar zuur bier smaakte en in huis wordt bereid. Na
het eten maakten we samen eene wandeling of we roeiden op het meer. Wij
bleven dan uit tot middernacht, of nog later; waarom zouden we ook
eerder naar huis gaan, want donker werd het niet? Eens hebben we een
avond doorgebracht op een eiland. Op een vuur van gesprokkeld hout
maakten wij zelf ons avondeten klaar. Alle handen kregen wat te doen,
want er moest voor een groot gezelschap gezorgd worden. Na gedanen
arbeid mochten wij rusten. We gingen bij het vuur zitten en er werd
gepraat en gezongen; weer hoorde ik dezelfde melodieën, die op de
_Storfürsten_ zoo diepen indruk op mij gemaakt hadden.

Op een anderen avond heb ik een boerenfamilie bezocht. We reden er
heen op een paar kleine karretjes met woeste paarden er voor; de weg
was slecht en bij gedeelten heel steil, zoodat ik er verbaasd over
was, dat we niet omrolden. Mijne vrienden echter vonden den weg nog
betrekkelijk goed: "buiten kan men geene betere wegen verwachten!" Ik
werd zeer hartelijk ontvangen op de boerderij, maar ik kon met niemand
praten. Later hoorde ik, dat de bewoners der hoeve zeer vooruitstrevend
zijn; twee zoons studeeren.

Zooals de meeste finsche buitenhuizen, is het huis waar ik gelogeerd
heb, van hout; bijna alle kamers zijn gelijkvloers. Het ligt op een
heuvel en van uit de woonkamer heeft men een aardig uitzicht op den
tuin, het bosch en het meer. Die kamer is zeer eenvoudig ingericht
en wordt alleen voor de maaltijden gebruikt en als het regent. Bij
goed weer is men den geheelen dag buiten of op de galerij voor het
huis. Voor regendagen is er een welvoorziene boekenkast en vindt
men een paar gemakkelijke stoelen; ook de schommelstoel, die in het
noorden zooveel gebruikt wordt, is voorhanden. De buitendeur heeft
geen nachtslot, ook blinden ontbreken; de huissleutel hangt zelfs dag
en nacht aan een spijker buiten aan de deur; wel een bewijs, dat de
bewoners der dorpen te vertrouwen zijn. Men hoort slechts zeer zelden
van inbraak of diefstal, werd mij verteld.

Het buiten leek mij een klein paradijs in de wildernis, geheel van
de buitenwereld afgesloten. Maar dat werd me met een spottenden
blik dadelijk tegengesproken; dat was echt midden-europeesch
gezegd. Afgezonderd leeft men volstrekt niet, zoo werd ik onderwezen,
als men twee maal per dag de boot ziet voorbij varen. En nu werd
me verteld van een plaats, waar men slechts eens per week de "post"
kon halen in een dorp, dat eerst na twee uur roeien te bereiken is.

De dorpen in de buurt liggen in eene boschrijke, heuvelachtige en
waterrijke streek; daar, waar men de meren niet ziet, doet de natuur
heel even aan Zwitserland denken. De boerenwoningen zijn donkerrood
geverfd met witte raam- en deurkozijnen en gootlijst. Van binnen zijn
ze zeer eenvoudig ingericht en buitengewoon zindelijk. Een groot
gedeelte van het vertrek wordt door de steenen kachel ingenomen,
waarop verschillende zitplaatsen zijn aangebracht. De meubels
zijn eenvoudig en hebben geen bizonderen stijl; antieke stukken
komen zeer zelden voor, ik zelf heb er geen gezien. Bijna elk huis
heeft zijn weeftoestel, dat gedurende de lange winteravonden wordt
gebruikt. Nergens ontbreekt bij het huis de voorgeschreven brandladder
en de ton, die altijd met water gevuld moet zijn.

De Finnen behooren tot een tak van het Mongoolsche ras, die de
Oeral-Altaïsche volksstam heet. Toen de Indo-Europeesche volken Europa
zijn binnengedrongen, begaf deze stam zich naar het noorden. Hun land
werd Suomi of Suomenmaa genoemd: het land der zeeën en moerassen. Die
naam is later door de Duitschers vertaald in "ven-land" (ven = moeras,
veen), wat later Finland werd.

Het finsche ras is klein, slank en lenig. Het draagt min of meer de
kenmerken van de mongoolsche afstamming: de schuinstaande oogen, het
ronde hoofd, het lage voorhoofd, de hoekige jukbeenderen en de sterk
ontwikkelde onderkaak. De neus is meestal kort, de oogen liggen diep
in de kassen en zijn het meest expressieve gedeelte van het gelaat. De
kleur van het haar is meestal blond en de oogen blauw of grijs, maar
ook donkere typen zijn niet zeldzaam. In het westen, waar ook Zweden
wonen, is het finsche type verloren gegaan. De nationale kleederdracht
wordt niet veel meer gedragen; alleen Karelië, een provincie bij de
russische grens, maakt hierop eene uitzondering. De vrouwen dragen
meestal alleen den korten blauwen rok, de gekleurde schort, een linnen
blouse met gewerkte manchetten, boord en borststuk, en tot sieraad
de ronde finsche speld. De kleeding der mannen is nog minder in
't oogvallend.

De Finnen zijn geneigd tot droomen en dichten, zooals ik reeds
schreef. Waarschijnlijk brengt de natuur die hen omgeeft, hier veel
toe bij, want voor natuurschoon zijn zij zeer gevoelig. Reeds in
hunne oude volksliederen worden de natuurkrachten bezongen. Het
zijn droefgeestige balladen, even zwaarmoedig en geheimzinnig als
het landschap, wanneer het omgeven is van den nevel die opstijgt uit
de tallooze meren. Finland is rijk aan mondelinge overleveringen, de
Runen, in het finsch Runot, die vooral in Karelië voortleefden. Elias
Lönnrot heeft ze vereenigd tot een nationaal epos, dat hij het Kalevala
noemde. De hoofdinhoud er van is de strijd tusschen twee volken, de
Finnen (Kaleva) en de Lappen (Pohjola). De held is Wäinämöinen, de god
der zangers en tevens de personificatie der natuur. Hij begeleidt de
liederen, die hij zingend dicht, met de kantele, een soort van cither,
die men nu nog slechts zeer zelden bij de boeren aantreft.

De taal is, zooals ik in het begin reeds opmerkte, bizonder
zoetvloeiend. Zij herinnert, wat klank aangaat, aan het italiaansch. Er
is niets van te begrijpen en sommige woorden zijn zoo lang dat
men ze niet kan uitspreken. Een zin wordt soms gevormd door één
woord, met behulp van allerlei voor- en achtervoegsels; er zijn er
veertien, die alle een verschillende verbuiging vragen. De u wordt
als oe uitgesproken, en de klemtoon valt altijd op den eersten
lettergreep. "Tule tanne" beteekent: kom hier; "pikku" is: klein;
"kulta poike" is: lieve jongen; "ei kytos" is: dank u zeer; "hyvästi"
is: goeden dag, "hyvää päivää" is: goeden avond. "Vastaanotettavaksenne
saapunut", wil zeggen: dit is uw vrachtbrief. Alle letters worden
afzonderlijk uitgesproken, ook dubbele klinkers en medeklinkers. De
meeste Finnen spreken ook zweedsch, vooral daar waar de Zweden de
overhand hebben. In de 18de eeuw behoorde het tot den goeden toon
om zweedsch te spreken. Daardoor zijn tal van woorden, vooral die,
welke uitvindingen van de laatste honderd jaar aanduiden, alleen in
de zweedsche taal bekend. Nu het Finsch meer in gebruik komt, worden
deze woorden "verfinscht". De finsche taal is rijk aan symbolen,
allegorieën en pleonasmen, waardoor zij reeds in het dagelijksch leven
poëtisch klinkt; ook de dikwijls voorkomende alliteratie draagt hiertoe
bij. Daarentegen komen rijmwoorden zelden voor en wordt de versvorm
bijna uitsluitend in de maat gevonden. Het herhalen van dezelfde
gedachte in opeenvolgende verzen en ook de rijke beeldspraak schijnt
te wijzen op den orientaalschen oorsprong van het Finsch. In de 12de
eeuw brachten de Zweden met het Christendom hunne taal in Finland,
waardoor het Finsch veel van zijn oorspronkelijkheid verloor.

Reeds in 1175 kwamen de Finnen met de Zweden in aanraking. Koning Erik
de Heilige van Zweden zocht hen te onderwerpen en tot het Christendom
te bekeeren. Dit gelukte echter eerst in 1249 door Birger Jarl. Finland
werd toen een hertogdom en mocht sedert 1362 afgevaardigden zenden
naar Zweden, als daar een koning moest gekozen worden. Dikwijls
gebeurde het, dat een zweedsche prins Finland in leen kreeg. Gustaaf
Wasa maakte Finland protestant. Telkens hebben de Russen getracht
het land te veroveren, maar zij werden gewoonlijk door de vereenigde
Zweden en Finnen verslagen. Eerst na het verdrag van Tilsit, 1807,
werd de keizer van Rusland groothertog van Finland. Gustaaf IV Adolf
van Zweden, n.l. was de tegenstander van Napoleon. Deze wilde door
middel van Alexander I den koning van Zweden dwingen, toe te treden
tot het Continentale stelsel. Het plan mislukte en Alexander veroverde
Finland. Den elfden Februari 1809 beloofden de Finnen op den landdag te
Borgå trouw aan den Keizer van Rusland en deze beloofde de rechten en
wetten van Finland te eerbiedigen. Zijne navolgers hebben bij hunne
troonsbestijging deze belofte moeten herhalen.

Na 1809 is de ontwikkeling van Finland met rassche schreden
vooruitgegaan en kwam er tevens eene beweging om het finsche element
krachtiger te doen worden dan het zweedsche. Snellmann, de professor
aan de universiteit, gaf hieraan den stoot en werd gevolgd door de
dichters Rüneberg, Topelius en Lönnrot.

Het was Rüneberg, die het volkslied der Finnen maakte:



Maa isänmaamme suomenmaa,
Sei sana kultainen!
Ei laaksoa, ei kukkulaa,
Ei vettä, rentaa rakkaampaa,
Kuin kotimaatää pohjainen
Maa kallis isien.



On maamme köyhä, siksi jää
Jos kultaa kaipaa ken.
Sen kyllä vieras hylkäjää,
Mut nuillekallein maa ontää
Kauss' salojen ja saarien
Se meist on ultainen.



O, land, o vaderland,
Klink luid, gij dierbaar woord!
Geen berg, die zich naar den hemel verheft,
Geen dal, geen groene oever
Is meer geliefd, dan ons noorden,
Het land onzer vaderen.



En hoe arm dit land ook is
Voor hem, die goud begeert,
Al gaat de vreemdeling trotsch ons voorbij,
Wij blijven aan ons land getrouw
Het is ons, met wat het ons geeft,
Meer waard dan goud.



Om het gewicht van die finsche beweging te begrijpen, moet men weten,
dat het land in verschillende partijen verdeeld is. De zweedsche
partij vormen de Zweden, die sedert eeuwen in Finland gevestigd
zijn. Zij wonen aan de westkust en staan op goeden voet met de
Oud-Finnen. Deze doen alles om de finsche nationaliteit te bewaren,
maar zij verzetten zich niet noodeloos tegen Rusland. Dan is er
nog de Jong-finsche partij; deze wil Finland geheel op zich zelf
houden; daarom is zij èn tegen de zweedsche partij èn tegen Rusland,
en noemt de Oud-Finnen zeer conservatief. Maar het streven naar het
instandhouden der finsche taal gaat van beide finsche partijen uit. De
universiteit te Helsingfors werkt in die richting mede.

Het opwekken van nationaal gevoel is begonnen, toen Rusland pogingen
aanwendde om Finland te russificeeren. Waarschijnlijk worden nu
twee vragen gedaan: wat is de reden dat Rusland aan Finland zijn
vrijheid wil ontnemen, en waarom heeft dat land er tegen russisch
te worden? Die vragen heb ik door verscheidene Finnen op de zelfde
manier hooren beantwoorden. De kwestie van russificatie, zeggen zij,
berust op jaloezie van den kant der Russen. Finland heeft zijn rechten
behouden, die het vroeger door Zweden gekregen heeft en heeft daardoor
meer vrijheid dan de Russen. Het heeft zich kunnen ontwikkelen en
geheel de zweedsche beschaving kunnen volgen. De Russen hebben geen
vrijheid, en al wilde de keizer ook toegeven, hij zou niet kunnen,
omdat de grootvorsten en de hofpartij het tegen zouden gaan. Deze
hebben, om de liberale stemmen in Rusland te smoren, den keizer
gedwongen strenger tegen Finland op te treden.

En nu, waarom zou Finland niet gerussificeerd willen worden? Ten
eerste om zijne nationaliteit niet te verliezen, maar vooral ook,
omdat het Rusland ver vooruit is in beschaving. Wij zijn een oud
cultuurvolk, zeggen zij. De Russen hebben vele slechte eigenschappen
(o.a. het drinken van wotka-brandewijn) en die zouden spoedig door
de Finnen overgenomen kunnen worden, als zij in het russische leger
moesten dienen. Verder is er het verschil van ras en godsdienst.

De zweedsche Finnen, die veel energieker zijn dan de eigenlijke Finnen,
zagen het eerst het gevaar waarin hun land verkeerde en zij begonnen
in de steden van het westen lezingen en vergaderingen te houden,
ten einde dit gevaar af te wenden. Dadelijk werden zij geholpen door
de Finnen, die in Helsingfors studeerden en, op het oogenblik is het
voornamelijk de finsche stam, die tracht de boeren in het oosten wakker
te schudden. Mannen zoowel als vrouwen (voornamelijk de studenten)
werken er op, het volk te laten voelen, welke waarde voor hen de
vrijheid heeft. Niet alleen in de steden, maar ook op het platte
land worden lezingen gehouden. Dit doen de studenten gedurende de
zomervacantie. Zij stellen zich tot doel het volk zooveel mogelijk te
ontwikkelen en het schijnt hen ook werkelijk te gelukken, de boeren
uit hun flegma op te heffen. Ook worden er volksfeesten gehouden,
waar ieder verzocht wordt in nationaal kostuum te verschijnen. De
studenten zijn in Finland zeer gezien; alles wat de studentenpet
draagt, wordt met zekeren eerbied behandeld. Het is een feest
voor geheel Helsingfors, als de pet wordt uitgereikt aan de nieuwe
studenten; dat gebeurt op 1 Mei; daarna begint de zomervacantie, die
tot September duurt. De nieuwe studenten, jongens zoowel als meisjes,
krijgen van elk hunner vrienden een bouquetje, dat zij op de borst
vast hechten en zoo, met bloemen behangen, nemen zij deel aan het bal,
dat te hunner eere wordt gegeven.

Finland is een zeer democratisch land, er is geen adel en er bestaat
weinig verschil van stand. Tot de aristocratie behooren alleen enkele
zweedsche families en eenige Russen. De meisjes en jongens gaan samen
op de lagere school en blijven ook op lateren leeftijd als student
zeer vrij met elkaar omgaan.

Dit alles was het, wat ik bij mijn eerste bezoek aan Finland opmerkte
en waardoor bij mij de lust werd opgewekt het land nog eens nader
als toerist te leeren kennen.

Bij mijn tweede bezoek kwam ik in Helsingfors van uit Stockholm
over Åbo.

Wederom brachten we, ditmaal drie personen, eenige dagen door onder
het gastvrije dak van vroeger. Hier kregen we allerlei inlichtingen
voor de reis, die we door Finland wilden ondernemen. Met goeden
moed om het onbekende land te zien, waar niemand ons zou verstaan,
verlieten wij onze vrienden, en den zelfden avond bereikten we
de Imatra. Aan het station wachtte ons een soort van omnibus; we
stapten er in met verscheidene andere menschen; hoe ze er uitzagen
konden we in de duisternis niet zien, hun taal niet verstaan en
intusschen kletterde de regen lustig op het gesloten zeildoek van
het rijtuig. Eensklaps werd mijne oplettendheid gaande gemaakt door
het bruisen van snelstroomend water, toen reden we een brug over en
zag ik, even tusschen de reten van het zeildoek door, een woesten
stroom die zijn smallen weg baant tusschen twee rotswanden. Eenige
oogenblikken daarna hielden we stil voor het hotel, een groot gebouw,
geheel naar moderne eischen ingericht.

Toen ik den volgenden morgen de Imatra zag, kwam een gevoel van
teleurstelling bij mij op. Zóó had ik me dien beroemden waterval
niet voorgesteld en in geen geval zóó smal; men krijgt een gevoel
"er over heen te kunnen stappen", want door de diepe bedding lijkt
de kloof minder breed, al is zij toch nog een 45 meter; de Imatra
is eigenlijk geen waterval maar een stroomversnelling. Misschien
bracht ook het nevelachtige weer en het vroege morgenuur er toe bij
om den indruk minder grootsch te maken. Daarbij is de omgeving van
den stroom in de buurt van het hotel niet gunstig; alle groote boomen
zijn weggekapt en daarvoor is jong hout in de plaats gekomen. Van af
de brug is de indruk beter; daar ziet men welk een massa water er
in de nauwe gang geperst wordt; in woeste vaart spat het op tegen
de groote rotsblokken die het trachten te stuiten; de snelheid van
den stroom is duizelingwekkend. De Imatra is de afvoer naar het
Ladoga-meer, van het water der meren die te zamen het Saimagebied
vormen. Zij zijn verbonden door het Saima-kanaal, dat gegraven is
tusschen Villmannsstrand en Wiborg (1844).

Om tien uur in den morgen zouden we uit Imatra vertrekken met den
eersten en laatsten trein, want na veel moeite werd het ons duidelijk
gemaakt dat er maar eens per dag gelegenheid is om van Imatra weg
te komen. De slechte communicaties maken het reizen in Finland zeer
moeilijk; en was het dat maar alleen; maar de spoorboekjes verschillen
soms zeer in de opgaven van vertrek en aankomst. Men weet nooit of
een trein ook een half uur eerder of later vertrekt en of er ook
eene verandering in de dienstregeling is gekomen, die niet op de
lijst van aankomst en vertrek der treinen is opgegeven. Dat alles
zou men nog wel gewaar worden, als men de taal van het land kende;
we konden ons slechts zeer gebrekkig verstaanbaar maken. Toevallig
kende iemand wel eens duitsch, of wel we bedienden ons van enkele
zweedsche uitdrukkingen, wat soms nog meer verwarring aanbracht,
omdat wij ook deze taal niet voldoende machtig waren. De trein, die
ons van Imatra naar Wuoxenissa zou voeren, liet ongeveer drie kwartier
wachten. Gelukkig kwamen we nog juist bij tijds aan, om vandaar de
boot naar Villmannsstrand te kunnen nemen. Als het niet zoo koud en
stormachtig was geweest, hadden we zeker van den boottocht genoten. Ook
de koude heeft er het hare toe bijgebracht, dat Villmannsstrand,
eene badplaats, ons niet kon bekoren. Die koude in Finland was iets
zeer bizonders, gewoonlijk zijn de zomers er zeer warm, hoewel de
temperatuur des nachts sterk afkoelt. Van verscheidene kanten hoorde
ik, dat men bang was voor een slechten oogst, als de koude bleef
aanhouden. Van Villmannsstrand gingen we per boot naar Punkaharju,
de plaats die de Finnen als een van de mooiste plekjes van hun land
aanduiden en waar tal van Russen den zomer doorbrengen. Om tijd te
winnen reisden we ook nu weer des nachts; als men per boot gaat heeft
dit weinig bezwaren. Alleen is het zeer onaangenaam om 's morgens
vroeg van boot te moeten verwisselen, of op een nog nachtelijk uur
op de plaats der bestemming aan te komen, zooals ditmaal het geval
was. Om vijf uur moesten we te Nyslott aan wal, om daar tot negen uur
op eene boot te wachten. 't Was al weer erg koud, maar de zon scheen
lekker. Gelukkig zijn de Finnen goed te vertrouwen, want, daar er
bij de landingsplaats der booten niets was dat op een bagage-bureau
leek, besloten we, onze bagage maar bij een bank neer te zetten en
vervolgens de stad in te gaan. Bij onze terugkomst bevonden we, dat
alles er nog lag en dat ook nog iemand anders er zijne reistasschen
had bijgevoegd. Nyslott heeft een vriendelijker aanzien dan de andere
finsche steden; het heeft niet het sombere en verlatene van Åbo,
van Wiborg en Villmannsstrand. Er is een oud slot, dat van binnen
nog al merkwaardig zijn moet; maar zoo vroeg in de morgen kon men
zich geen toegang verschaffen.

Naar Punkaharju bracht ons binnen weinig uren een bootje, waarop
verscheidene passagiers waren, die we al eerder hadden ontmoet,
o.a. eene finsche dame met twee dochtertjes. Toevallig raakten we
met haar in gesprek en zij deden ons de vraag, die mij vroeger al
zoo dikwijls door Finnen werd gedaan, of wij Prof. van der Vlugt uit
Leiden ook persoonlijk kenden. Zij vertelde ons hoe haar dochtertje
hem in 1900 een bouquet had aangeboden en hoe zij tot dank daarvoor
van hem een kus kreeg. "Dat noemen wij nu den historischen kus van
Prof. van der Vlugt," voegde zij er bij.

Was de Imatra me tegengevallen, Punkaharju zeker niet. Ik had er echter
langer moeten blijven, om er ten volle van te kunnen genieten. Groote
wandelingen zoekt men er te vergeefs, telkens stuit men op water. Maar
roeien en zeilen kan men er des te meer, en er zijn een menigte van
mooie plekjes, waar men van onder de boomen een ver uitzicht heeft
over de watervlakte met hare tallooze eilandjes.

Van Punkaharju af volgde een reis van acht uur rijden. In het hotel
hadden we zoo goed het kon alles over de rijtuigen, de koetsiers en
den prijs afgesproken. Wij zouden met de post reizen, de prijs was 8
cent per kilometer, niet te veel naar ons voorkwam. Van het oogenblik
af, dat we in de wagentjes waren gaan zitten, konden we geen woord
meer tegen de voerlieden zeggen, omdat zij eenvoudige boertjes waren,
die niet anders dan Finsch spraken. Daar zaten we nu, wetend, dat we
om vijf uur te Elisenwaara zijn moesten, om den eenigen trein naar
Sortavala te halen. We vertrouwden maar op ons geluk, verder viel er
ook niets te doen, dan te zorgen, dat men zoo min mogelijk schokte in
den wagen, want de weg was slecht en de voertuigen niet de beste. 't
Was alweer koud, maar gelukkig niet regenachtig. De paardjes liepen
onvermoeid door en we hadden alle hoop op een goede reis. Bij een
veer kwam de eerste moeilijkheid: we moesten betalen. Gelukkig is
de gebarentaal overal dezelfde en hebben de Finnen nog niet geleerd
vreemdelingen te exploiteeren; ze gaven ons dus netjes ons geld terug,
toen het bleek dat we te veel betalen wilden.

Gedurende de reis moesten we vijf keer van paarden en koetsier
verwisselen. Meestal kregen we vader en zoon mee, en nu was het
opmerkelijk dat de weg en de wagens hoe langer hoe slechter werden
en de zoons hoe langer hoe jonger. Het laatste koetsiertje was
zeker niet ouder dan acht jaar. Hij was een alleraardigst ventje,
dat altijd door wilde praten en erg verbaasd was, dat we hem niet
verstonden. Tegelijkertijd lette hij goed op zijn paard en was
bizonder tevreden over zichzelf, toen hij den vader een heel eind
vooruit was. Hij zat op een laag bankje voor ons, maar was zoo klein,
dat hij er telkens afzakte. Eindelijk heb ik onzen koetsier maar op
schoot genomen.

't Ging als van een leien dakje tot het laatste station. Toen was er
geen paard te krijgen. We konden niets zeggen of vragen, en als we
boos keken, lachten de boeren ons vriendelijk toe. De boerin vroeg
ons zelfs binnen te gaan en deed al het mogelijke om ons goed te
ontvangen. Na eenigen tijd van ongeduldig wachten hoorde ik het woord
"tule". "Nu komt het paard", zeide ik, want "tule tanne" beteekent
"kom hier". En ik had gelijk: daar kwam het aan. Tot aandenken wilde
ik de familie photographeeren. Dit was het eenige woord, dat ze van
ons begrepen. Nauwelijks had ik "photographie" gezegd, of het heele
huishouden kwam aanloopen, ook de grootvader, die zeker nog nooit
gephotographeerd was.

Te goeder ure kwamen we in Elisenwaara. De weg, dien we gereden
hadden, was slechts bij gedeelten mooi, want witte berken vervelen
op den duur, als ze door geen ander hout worden afgewisseld en een
meer met dennen er om heen verliest zijn bekoorlijkheid, als twee uur
lang geen verandering in het landschap komt. Nog eens, Finland is geen
land voor toeristen, maar een land om op één plaats stil te blijven;
het is een land om te rusten en te droomen.

De trein bracht ons naar Sortavala, eene stad die op 't eerste
gezicht niet aanlokkelijk scheen en ook in werkelijkheid niet anders
is dan een kleine, vervelende provinciestad, aan een groot meer, het
Ladoga-meer. In verband met het vervolg van onze reis moesten we den
geheelen Zaterdag daar doorbrengen. Van geen enkele finsche stad,
behalve Helsingfors, heb ik een indruk van levendigheid gekregen,
maar Sortavala was het ergst van alle. In de hoofdstraat was niemand
te zien en de verlatenheid kwam nog sterker uit doordat de straat,
evenals alle finsche en russische straten, buitengewoon breed is. De
huizen zijn in de breedte gebouwd en meestal maar van één verdieping,
de voordeur is niet te zien, zij ligt achter de houten schutting,
die den tuin omgeeft en waar men door een overdekt hek binnenkomt. Aan
alles merkt men, dat de Finnen in huis leven, waarvan waarschijnlijk
de lange winters de naaste oorzaak zijn. Maar hoe vervelend Sortavala
ook is, het heeft een museum van finsche kunstnijverheid, dat zeer
de moeite waard is, gezien te worden en een schoolgebouw zoo groot
en goed ingericht, dat menige stad bij ons er een voorbeeld aan zou
kunnen nemen.

Na Sortavala bezochten we Walamo; zoo heet een eilanden-groep in het
Ladoga-meer. Sedert het jaar 992 is er een klooster op Walamo, door
russische monniken bewoond. Het werd gesticht door twee priesters
van den berg Athos, German en Sergej, die, volgens de legende op een
molensteen naar het eiland kwamen drijven; zij vonden het bevolkt met
geheimzinnige wezens, die door hen werden verdreven. Er zijn weinig
berichten over de eerste tien eeuwen, gedurende welke het klooster
bestond. Men kan echter aannemen, dat het toen nog niet streng
georganiseerd was en voornamelijk diende als toevluchtsoord voor
kluizenaars. Later hebben de monniken getracht den grieksch-orthodoxen
godsdienst te verbreiden. Hun bekeeringswerk begon in Karelië in het
jaar 1227. In 1350 beproefde de zweedsche koning Magnus Erikson Walamo
te veroveren, maar door de gebeden der monniken verging de vloot en
alleen de koning wist zich te redden. Hij werd in de kloosterorde
opgenomen, maar stierf kort daarna.

Het nieuwe Walamo met zijne groote gebouwen en rijke kerken dateert
van 1842 en is gesticht door den Ignumen Damaskin, die toen aan het
hoofd van het klooster stond. Hij liet de oude kerken afbreken en er
nieuwe voor in de plaats zetten. De monniken kregen een beter woonhuis
en er werd een "hotel" gebouwd om de pelgrims te herbergen.

Na langdurig informeeren gelukte het ons te weten te komen wanneer de
boot, die tot het klooster behoort en onder directie der priesters
staat, van Sortavala naar Walamo zou vertrekken. Men raadde ons
echter aan, eenige dagen te wachten op de finsche boot, omdat deze
meer comfort biedt. 't Was echter juist ons plan den Zondag op Walamo
door te brengen; wij konden dan aan een pelgrimstocht deelnemen en
zoodoende verscheidene heilige eilanden in de buurt bezoeken.

De _Walaam_, het priesterschip, waarop we dus terecht kwamen, was
alles behalve geriefelijk en daarbij in 't oogvallend vuil. Het
eten was er ook niet best en het was moeilijk om de stewardes,
die tevens als kellner fungeerde, te beduiden wat we wilden
eten; het ging al even weinig gemakkelijk haar aan 't verstand
te brengen dat we drie slaapplaatsen noodig hadden. Om haar aan
te roepen wisten we niet anders te doen dan het woord "baboushka"
te gebruiken, d.i. grootmoeder. Neen, men had ons niet voor niets
tegen de _Walaam_ gewaarschuwd. Ook ons reukorgaan werd in 't begin
onaangenaam geprikkeld door de lucht van juchtleeren vetlaarzen,
die alle Russen dragen, en waarmee de boot als 't ware doortrokken was.

In den avond bezocht ik het ruim, waar de bedevaartgangers een
plaats hadden gevonden. Verbaasd bleef ik bij den ingang staan;
wat was dat voor een bonte opeen gehoopte menschenmassa in een
onverdragelijk warme atmosfeer! Daar zaten zij, dom, genoegelijk, met
een passieve uitdrukking op het gelaat, enkelen waren neergehurkt op
den grond, anderen zaten op hun bagage. Wat me dadelijk opviel was de
geëmailleerde theepot, die in geen van de groepen ontbrak. De russische
moeijik neemt dit artikel altijd mee op reis en aan alle stations kan
hij voor niets kokend water nemen uit een groot reservoir. Ook hier,
op deze boot, was die inrichting voorhanden. Tusschen al die menschen,
zoo verschillend van ons westersch ras, bewogen zich de priesters. Zij
waren te herkennen aan hun lange haren, die bij sommigen tot aan hun
middel reikten, aan de hooge priestermuts en de lange jas met een band
om het middel vastgehouden, afhangend tot halfweg de hooge laarzen.

Reeds vroeg in den morgen bracht de "baboushka" ons het ontbijt,
dank zij een vriendelijke dame uit Kuopio (Finland), die met de
russische taal bekend was. Zij bood zich ook aan om als tolk te dienen
op Walamo, en zonder haar hulp zou de dag niet half zoo interessant
geweest zijn. Vóór de hoogmis kwamen we daar aan, nadat we al langs
verscheidene eilanden gevaren waren, waar hier en daar een kapel
haar koepel tusschen de dennen verheft. We liepen met den stroom der
pelgrims mee en kwamen zoo binnen de kloostermuren. Eigenlijk had
ik verwacht, dat er nog wel wat van het vroegere klooster of van de
oude kerk over zou zijn, maar dat is het geval niet; de gebouwen op
Walamo zijn banaal-nieuw.

De hoofdkerk, die we binnen traden om de mis bij te wonen, is
overweldigend door haar groote afmetingen en het decor van goud.

En nu een enkel woord over de russische kerken in 't algemeen. Haar
plattegrond heeft den vorm van het grieksche kruis. Boven het
midden-vierkant is een groote koepel en op elke der vier kruisarmen
staan kleinere, die evenals de groote koepel gekleurd of van
koper zijn. De absis wordt ingenomen door het "Allerheiligste" en
afgesloten door den "iconostas", die op Walamo bizonder rijk versierd
is. De iconostas is een wand met drie deuren, waarvan de middelste de
"heilige deur" is. Geen vrouw mag achter den iconostas komen. Tijdens
de mis wordt de heilige deur geopend, en ziet men het altaar.

Beelden komen in de russische kerk niet voor; dat verbiedt de
ritus. Wel treft men er geschilderde afbeeldingen aan, die alle volgens
een vast type zijn gemaakt. De madonna met het Christuskind ziet men
in alle kerken steeds op de zelfde wijze voorgesteld.

De gemeente staat gedurende de godsdienstoefening, (er zijn
zelfs geen banken in de kerk); zij stemt niet in met het koor der
geestelijken. Men wordt getroffen door den vollen toon der stemmen,
die door de gewelven dreunt of die, zacht-mystiek, even de woorden
van hem, die de mis leest, accentueert. Een orgel is in de russische
kerk niet aanwezig. De liturgie neemt een groot gedeelte van de
godsdienstoefening in beslag. Gepreekt wordt er niet, slechts enkele
bijbelteksten leest de priester aan de gemeente voor. Na de mis houdt
hij een kruisbeeld op, dat door de vrome aanwezigen, die in file
langs hem gaan, wordt gekust. Op Walamo zagen wij ook vele pelgrims,
na elkaar, dezelfde glasruit waaronder relequien bewaard werden,
met de lippen aanraken. Geruimen tijd lagen geloovigen gedurende
de mis op den grond, met het voorhoofd den steenen vloer aanrakend;
voor een Rus evenwel is dit niets bizonders.

Na de mis trachtte onze vriendelijke tolk uit Kuopio te weten te komen,
wanneer de pelgrimstocht naar de eilanden zou plaats hebben. "Als
het middagmaal afgeloopen is", antwoordde de priester tot wien zij
zich gewend had. Deze monnik, die wat Duitsch kende, stelde zich
beschikbaar om ons de naaste omgeving van het klooster te laten
zien. Hij vertelde ons allerlei dingen betreffende Walamo. Er wordt
hard gewerkt, want het klooster voorziet in zijn eigen behoeften door
den landbouw. Ook allerlei andere handwerken oefenen de monniken
uit. Wetenschappelijk werk wordt niet noodig geoordeeld; zij staan
geheel buiten de maatschappij. De hoogere geestelijken lezen de
couranten en vertellen enkele gebeurtenissen, die zij wetenswaardig
vinden, aan de overige monniken. Andere dan geestelijke boeken zijn
in het klooster niet aanwezig. De bevolking telt ongeveer duizend
bewoners. Boter en vleesch wordt door de broeders niet gegeten. Omdat
de kloosterorde zeer streng is, sturen de Russen er dikwijls voor
eenigen tijd jongens heen, die tehuis moeilijk zijn op te voeden.

Intusschen was de tijd gekomen voor het middagmaal, dat kosteloos
wordt aangeboden aan ieder die het eiland bezoekt. Ik werd geleid
naar de eetzaal voor de vrouwelijke pelgrims. Ieder had een bord met
een snee brood en een houten lepel. Niet ieder kreeg een servet, maar
daarvoor diende één lange lap voor een groep van menschen. In de 12de
en de 13de eeuw was dat overal de gewoonte; heel eigenaardig, dat dit
gebruik hier zoolang in stand is gebleven. Voor elke vier personen
stond er een groote tinnen bak klaar, met gehakte wortels, erwten,
rijst, zoute visch en biet. Dit mengelmoes werd op het bord vermengd
met een vloeistof uit een anderen tinnen bak,--zuur bier, de russische
kwash. Ze aten er allen smakelijk van: het is de nationale spijs. Wat
op de borden overbleef ging weer in den grooten pot. Voor ons was
dit eten nog al vreemd, de smaak onbeschrijfelijk. Na den eersten
hap was het me onmogelijk een tweeden te nemen, en hoe hongerig ik
me ook voelde, ik had geen lust het verdere menu af te werken. Toen
de priester, die door de zaal liep en gebeden voorlas, mij den rug
had toegekeerd, was ik, en nog een paar andere vreemdelingen met mij,
zoo vrij uit de bank te stappen en de eetzaal te verlaten. Ik hoorde
later dat de mannen hetzelfde eten hadden gekregen. Iemand, moediger
dan ik, had drie gerechten getrotseerd; na het eerste kwam een vrij
eetbare soep en dan, als derde gerecht alweer een soep, getrokken
van visch, met macaroni. De mannen aten met hun vieren uit één bak;
dat gebeurt bij de russische soldaten ook.

Is het klooster en zijne onmiddellijke omgeving weinig pitoresk, de
eilanden vergoeden in dit opzicht alles; ze zijn bizonder aantrekkelijk
met hunne prachtige dennenbosschen, waarin diepe rust heerscht. Zoo nu
en dan ziet men een konijntje of ander wild, dat nieuwsgierig rondkijkt
en in 't geheel niet schuw schijnt te zijn. Er wordt zelfs verteld, dat
de herten en reeën naar de menschen toekomen. De kloosterwet verbiedt
de jacht, zoodat de dieren nooit gestoord of verschrikt worden.

De bedevaart werd per boot gemaakt. De kleine stoomboot, met monniken
bemand en waarop ook wij een plaatsje hadden veroverd, trok drie groote
schuiten, waarin de pelgrims zaten. Bij verscheidene eilanden, waarop
kapellen waren, legden we aan. Voor deze kapellen werd de mis gelezen
en daarna bezochten we de hutten, waar heiligen in gewoond hebben. Op
de boot teruggekeerd, verhieven de priesters een veelstemmig kerklied,
dat plechtig klonk over de watervlakte. Gaarne had ik eens met hen
gepraat, maar geen van allen sprak eene mij bekende taal. Zoo kon ik
hen ook alleen door gebaren vragen, of ik hen fotografeeren mocht,
hetgeen zij me dadelijk toestonden.

Tegen den avond vertrok de _Walaam_, om koers te zetten naar
Petersburg. Vóór het vertrek werd er nog een mis bediend en lieten
velen zich afzonderlijk door de priesters zegenen. Tijdens het
weggaan maakten de pelgrims verscheidene malen het kruisteeken en
herhaalden dat telkens als wij een kapel voorbij voeren. De vaart
op het Ladoga-meer was weinig afwisselend, want het watervlak is zoo
groot, dat men de oevers niet duidelijk kan zien, en scheepvaart is
er bijna niet. Interessant was het echter de bedevaartgangers in hun
doen en laten gade te slaan. Zij bleven nu niet meer in het ruim,
maar besloegen het geheele schip, overal zag men groepjes menschen
bij elkaar zitten. Dikwijls werden we aangekeken, als wilden zij
vragen wat die vreemdelingen wel bij hen zochten.

Bijna ongemerkt vernauwt zich het Ladoga-meer, totdat het eindelijk
eene rivier is geworden, de Newa. Eenigen tijd voor we aanlandden,
kwamen we Schlüsselburg voorbij, de beruchte en geheimzinnige
vesting-gevangenis, die nu naar men zegt is opgeheven.

Te St. Petersburg aangekomen, mochten we de _Walaam_ niet verlaten,
voor wij onzen pas terug hadden gekregen. Nu werd onze bagage
gevisiteerd. Alles moest uitgepakt worden, alle doozen moesten we
openmaken, elk boek werd geinspecteerd. Thackeray wekte wantrouwen
op, maar werd na eenig onderhandelen teruggegeven. De doosjes met
films schenen ook verdacht, en het ging niet gemakkelijk om uit te
leggen, dat zij bij het fotografie-toestel hoorden. Niettegenstaande
hun drukke werkzaamheden waren de grenswachters bizonder beleefd en
hielpen overal de koffers en kisten weer dicht maken.

Met eenige moeite gelukte het ons een paar rijtuigjes te bemachtigen,
en na een "pantomime" gevoerd te hebben over den prijs, zeide de
koetsier: da, da (ja) en klom op den bok. Zoo waren we van het rustige
Walamo verplaatst in de drukke hoofdstad van het Tsarenrijk.


_Zutphen_, Febr. 1906.



AANTEEKENINGEN

[1] Storfürsten is een Zweedsch woord en beteekent grootvorst. "Stor"
is ons "stoer"; de o wordt als oe uitgesproken.

[2] Baccalaureat is het eindexamen van het gymnasium.

[3] Kort geleden verzocht ik, dat men mij uit Helsingfors eene
photographie van Sveåborg te sturen, maar ik kreeg ten antwoord dat
er geen van het fort bestaat.

[4] Schumann was de moordenaar van Bobrikof.

[5] In Finland wordt het eten op zweedsche manier bereid.

[6] Smörgos is een zeer uitgebreid hors d'oeuvre.

[7] Knäckebröd is hard, bruin brood van ongerezen meel gemaakt,
en het best te vergelijken met het joden-paaschbrood.



Van het grieksche koningshuis.


Toen een plechtige deputatie verleden jaar naar Noorwegen kwam,
om aan den kleinzoon van den onlangs overleden koning Christiaan IX
de koningskroon van Noorwegen aan te bieden, die door Karel, tweeden
zoon van den kroonprins gracelijk werd aanvaard, toen moet bij velen
de herinnering zijn gewekt aan een dergelijk voorval, dat van groote
beteekenis is gebleken.

Twee-en-veertig jaar vroeger toch werd een grieksche deputatie
door den deenschen koning Frederik VII op 25 April 1863 ontvangen,
een gezantschap, dat naar de stad aan de Sont was gesneld om den
toenmaligen kroonprins Wilhelm van Denemarken de grieksche koningskroon
aan te bieden.

Maar veel, veel grooter moeilijkheden wachtten den toenmaals
achttienjarigen Wilhelm, die als koning den naam van George I aannam,
dan Karel, die zich den koningsnaam Haakon VII zag verleend, in
Noorwegen vond. Hij toch, George, kwam in een land, welks taal en zeden
hem onbekend waren, heerscher zou hij zijn over een volk, waarop de
spreuk van den oud-egyptischen priester nog altijd van toepassing is:
"Gij, Hellenen, blijft eeuwig kinderen, jong en onervaren zijt ge,
en ge hebt geen kennis of ervaring in den loop der jaren opgedaan".

Alle schrikbeelden der meest woeste anarchie hadden na de
onttroning van koning Otto den rustigen en kalmen gang van zaken
verstoord. Daarbij kwam een vernielend, op de spits gedreven woeden
der partijen, dat zich in alle hoeken van het land openbaarde en
onuitroeibaar scheen. En het grieksche volk bevond zich toentertijd
nog op een betrekkelijk lagen trap van beschaving.

Er waren immers pas dertig jaren verloopen, sedert de beiersche majoor
Von Predl van het eerste in een moskee te Nauplia gegeven hofbal de
volgende schildering had ontworpen: "Een mislukte fanfare begroette
het verschijnen van den door jongelingen in schitterend witte gewaden
omstuwden koning. Toen de aanwezige heeren uitgenoodigd werden, de
toen zelfs in de kerk altijd op het hoofd gehouden fez af te zetten,
gaven de meesten er de voorkeur aan, zich met booze gezichten
te verwijderen. De dames zaten in een dichte groep bij elkaâr,
ineengedoken op de stoelen, met de knieën tot de kin opgetrokken. Zij
steunden op de handen een hoofd met een ongehoorde massa zwart haar,
dat niet sierlijk was om aan te zien, en stopten zich den mond
voortdurend vol zoetigheden".

Niettegenstaande dien weinig gekuischten vorm van optreden, waaraan
het volk gewend was, wist de jonge koning der Hellenen het met hen
te vinden, werkte zich meer en meer in zijn moeilijke plichten in
en maakte zich vertrouwd met de meest gecompliceerde verhoudingen,
zoodat het schip van staat gelukkig voorbij een aantal met vernieling
dreigende klippen werd gevoerd.

Dat er inderdaad veel van die klippen waren, blijkt uit een terugblik
op de voornaamste gebeurtenissen van de grieksche geschiedenis in de
afgeloopen vier tientallen van jaren.

Op de in Mei 1864 voltrokken vereeniging van de Jonische eilanden
met het moederland volgde twee jaren later de opstand op Kreta,
die Griekenland voor de ergste verwikkelingen stelde. Eerst in 1881
zag de koning, die de nationale wenschen steeds met liefde en juist
begrip kon navoelen en er zooveel mogelijk aan tegemoet kwam, de op de
aanhechting van Thessalië en Epirus aan Griekenland gerichte hoop van
zijn volk in zoo ver verwezenlijkt, dat Griekenland een vergrooting
van grondgebied erlangde van 13369 KM2 met 300.000 inwoners.

Maar het jaar 1886 bracht de blokkade der grieksche havens door
de vlooten der groote mogendheden. Het jaar 1893 moet met zijn
staatsbankroet dan verder als een zeer noodlottig jaar worden
aangewezen en het jaar 1897 leidde tot de oorlogstoestanden, die
begonnen met de bezetting van Kreta door grieksche troepen. De
gebeurtenissen voerden, zooals nog allen versch in het geheugen
ligt, tot de benoeming van prins George tot hoogen commissaris der
mogendheden op Kreta en tot instelling der internationale financiëele
contrôle ter bescherming van de bezitters van grieksche staatspapieren.

Men kan van den koning der Hellenen niet anders getuigen, dan dat hij
gedurende zijn aan zooveel gebeurtenissen rijk bestuur veel overleg
en veel diplomatiek talent heeft aan den dag gelegd. De zaak van
het hellenisme heeft echter het allermeest geprofiteerd door zijn
jaarlijks gehouden groote reizen naar de europeesche hoven, die hem
in persoonlijke aanraking brachten met de leidende ministers, en die
door bloedverwantschap met zooveel vorstelijke personen een beslist
vriendschappelijk karakter hadden.

Er is wel eens wat gebeurd, wat niet had moeten geschieden, maar
dat was het gevolg van het gebrekkige inzicht, dat het altijd nog
oppermachtige partijbelang achterstaan moest bij de zaak van het
algemeen belang.

De grootsche ontwikkeling, die het land op de meest uiteenloopende
gebieden heeft verkregen, is voor een zeer groot deel verdienste van
den koning. Zoo heeft hij, met onbuigbare wilskracht, onafgebroken
gewerkt voor de verheffing van den verwaarloosden landbouw, van
het schoolwezen, de kunstbeoefening en de wetenschap. Voor dien
verrassenden vooruitgang van het land pleit ook de omstandigheid,
dat, terwijl de eerste in Griekenland aanwezige straatweg tusschen
Athene en den Piraeus in de jaren tusschen 1830 en 1840 van de
vorige eeuw door beiersche soldaten was aangelegd, tegenwoordig de
voornaamste plaatsen van eenige beteekenis in Griekenland door een
flink spoorwegnet aan elkaâr zijn verbonden. De lijn, door de fransche
Batignolle-maatschappij in aanleg genomen tusschen Athene en Larissa
nadert mede haar voltooiing.

Koning George behoort ongetwijfeld tot de vlijtige vorsten van
Europa. Nadat hij tot laat in den nacht aan zijn schrijftafel heeft
gezeten, staat hij 's winters en 's zomers den volgenden morgen om
zeven uur op. Bij audiënties legt hij een groote levendigheid aan den
dag en is in het uitspreken van zijn oordeel bijzonder openhartig,
terwijl zijn meening altijd doordringt tot de kern der zaak. Zijne
tot in de kleinste kleinigheden voldoende kennis van zaken is
verwonderlijk. Dikwijls glijdt in den loop van het gesprek een hem
eigen ironisch, maar toegefelijk lachje over zijn gezicht.

Bij plezierritten op zijn mooien, zilverkleurigen schimmel beantwoordt
hij de groeten ook van de eenvoudigste menschen met aantrekkelijke
vriendelijkheid. Een aanslag op zijn leven heeft niet ontbroken
onder zijn ervaringen, en van grooten persoonlijken moed getuigde
toen zijn mannelijk optreden, toen hij in het rijtuig zijn dochter
met zijn eigen lichaam tegen de kogels trachtte te beschermen.

Er was een eigenaardig piëteitsgevoel in de gewoonte van den koning,
om op den verjaardag van wijlen zijn vader, koning Christiaan IX van
Denemarken alle in Athene wonende Denen op een maaltijd ten paleize
uit te noodigen.

Sedert het jaar 1867 is koning George getrouwd met de russische
grootvorstin Olga, die zeer godsdienstig is en opgaat in de talrijke,
door haar in het leven geroepen en steeds met ruime hand onderhouden
instellingen van weldadigheid. De troonopvolger Constantijn, die een
voortreffelijk duitsche opvoeding heeft genoten van den tegenwoordigen
consul-generaal Dr. Lüders, wijdt zich met geheel zijn ziel aan
zijn groote en moeilijke taak, de reorganisatie van het leger naar
duitsch model.

Zijn voortreffelijk karakter, zijn ridderlijk wezen en zijn
vriendelijke aard hebben hem in de harten van het grieksche volk een
groote plaats doen innemen. Ook de kroonprinses, de zuster van den
duitschen keizer, is buitengewoon populair. Het kroonprinselijk paar
woont met de vier kinderen, van wie de oudste prins in aard veel op
den duitschen keizer moet gelijken, in zijn marmeren slot, gelegen
aan den Slissos. De tweede zoon van den koning, prins George, is
regeeringscommissaris op Kreta en heeft nog niet zijn vurig verlangen
tot vereeniging van Kreta met Griekenland vervuld mogen zien.

De met grootvorstin Helene van Rusland getrouwde prins Nicolaas
schrijft als overste veel over de krijgskunde, zijn vak bij
uitnemendheid. Hij is overste bij een artillerieregement en heeft veel
geschriften van duitsche militaire schrijvers in het Nieuw-Grieksch
vertaald.

Prins Andreas, de vierde zoon, is met prinses Alice van Battenberg
getrouwd, en prins Christophorus is pas negentien. Van de beide
dochters van het koninklijke paar is de met grootvorst Constantijn
getrouwde prinses Alexandra vroeg gestorven, terwijl prinses Marie
met grootvorst George getrouwd is.

In het begin van het jaar spreidt het hof in Griekenland veel pracht
en staatsie ten toon. In het koninklijk paleis hebben dan hofbals
plaats, die met grooten luister zijn omgeven. Ook de viering van
den Nieuwjaarsdag heeft met bij zonder veel glans plaats, en de
gezamenlijke koninklijke familie hoort dan in de metropolitaankerk
de mis. Er is daarbij altijd een eigenaardige gehechtheid aan de
traditie als er een wijding plaats heeft in de open lucht, en de
geestelijkheid zich vertoont in van goud schitterende gewaden.

Om een goede voorstelling te krijgen van Athene's wondersnelle
ontwikkeling onder koning George, moet men zich herinneren, dat de
oude Muzenstad Athene nog in de eerste jaren der vorige eeuw niet
veel meer was dan een puinhoop, waarop hier en daar een cypres en
een palm verrezen, een aanblik die een droevigen indruk maakte.

De huizenzee, die zich daar nu verheft, schittert in de zon, en de
stad met meer dan 130.000 inwoners kijkt uit over hoogten en laagten
met den Piraeus als bloeiende havenstad van 50.000 inwoners.

Het somberste gedeelte van deze stad vol marmeren gebouwen van
oogverblindende pracht is de psyri, waar de vrouwen den heelen dag
op de velden eetbare kruiden zoeken tot voedsel voor haar gezinnen,
waar de knapen voor een vergoeding in eens van 300 tot 500 drachmen,
het latere uitzet hunner zusters, in dienst treden bij een ondernemer,
terwijl de mannen dikwijls onder het mes van een zoogenaamden vriend
in de eene of andere spelonk den dood vinden. In dat donkere Athene
blijven der politie nog veel geheimen ononthuld. In die psyri woont
ook het meerendeel der ongeveer 300 zielen tellende joodsche gemeente
van Athene, in wier synagoge de godsdienst in het Hebreeuwsch wordt
gehouden, terwijl de joden thuis en bij hun handel Spaansch spreken.

Van de Atheensche bouwresten, die aan de donkerste periode in
Griekenlands geschiedenis herinneren, toen de vlag van den profeet
gebiedend over de onderworpen stad waaide, is de laatste moskee het
interessantst.

Voor dat gebouw gebruikte in het jaar 1750 de toenmalige woiwode
van Athene een der korintische reuzenzuilen van het Olympieion,
den geweldigen, door Hadrianus opgerichten tempel. Volgens een
veelzeggende overlevering klaagden de overige zuilen 's nachts zoo
lang om de geroofde zuster, tot de woiwode, die gewaagd had, haar
aan te raken en mee te voeren, voor de losgebarsten volkswoede moest
vluchten. Verder zijn er overblijfselen te vinden van het paleis van
den woiwode, dat zich binnen de muren van het gymnasium of renperk
van Hadrianus breed en forsch verhief, en een turksch bedehuis heeft
zijn metamorphose moeten beleven in een katholieke kerk, die ligt
aan de ontgraven ruïnen der romeinsche markt.

De stad en de Attische vlakte worden, om zoo te zeggen, door de
Acropolis beheerscht en geadeld, door dien burcht, waar de adem van
grootsche herinneringen en verheven zwaarmoedigheid overheen zweeft,
en waar de schoonheid op haar snellen, vluchtigen gang door de tijden
en de volken zich voor een poos neergelaten heeft.

Het meest onweerstaanbaar openbaart zich de bekoring van den Acropolis,
als de vlammende verlichting van een griekschen zonsondergang zee en
hemel met een tooverachtig kleurenspel gloeiend overdekt, terwijl
de stad met haar kerken en torens in dien magischen gloed van de
dalende zon ligt, en over de attische vlakte en de bergen de bontste
kleuren sidderen, of als het droomerig zilveren licht der maan over
de uitgebreide, witte ruïnenwereld wordt uitgegoten en haar hallen
vervult met den wonderbaarlijksten glans. Als geen geluid de heilige
stilte verbreekt dan de klacht van den nachtwind, die nu en dan met
kleine huiveringen over de gevels van 't verwoeste huis van Pallas
Athene strijkt.

Als doel van pelgrimstochten voor archaeologen uit alle deelen der
wereld werd deze verheven rots reeds dikwijls uitgekozen, maar in de
lente van het vorige jaar was zij dat voor allen samen, toen in het
Parthenon de eerste internationale archaeologenbijeenkomst plaats had,
een congres dat vooral aan de warme belangstelling van den koning
zijn ontstaan te danken had.

Het grieksche volk weet, wat het zijn koning heeft te danken;
het waardeert in hooge mate diens verdiensten voor de zaak van het
Hellenisme en daarom is het niet te verwonderen, dat het hem liefde
en vereering toedraagt.



In Roemenië.

Naar het Fransch van Th. Hebbelynck.



I.

Van Boeda-Pest naar Pétrozény.--Een stukje geschiedenis.--Het dal van
de Jiul.--De Bojaren en de Zigeuners.--De markt van Targa Jiu.--Het
klooster Tismana.


"Zijn de heeren ingenieurs?"

"Pardon, mevrouw."

"Inspecteurs van het boschwezen?"

"Ook dat niet; wij zijn gewone reizigers."

"Toeristen? Hier in Roemenië, en zonder dat er eenig voordeel van te
halen is?"

"Geen ander dan de voldoening, interessante zeden en gebruiken waar
te nemen, een mooi land te bewonderen en er aangename herinneringen
uit mee te nemen."

Zoo ongeveer werden wij op een dag ondervraagd door een deftige dame,
vrouw van een roemeensch generaal, die op een bekoorlijk plaatsje
midden in het bergland van Walachije en villégiature was. Uit het
gesprek blijkt wel, dat de toeristen tot nu toe Roemenië nog onbezocht
hebben gelaten, en dat noch de Alpenclub, noch de agentschappen van
Cook beslag hebben gelegd op de mooie bosschen van de Karpathen en
de schilderachtige dalen, die van daar naar de Donau loopen.

Wij deden onze reis in de maand Augustus 1901. Eerst hebben wij het
nog primitieve gedeelte van Roemenië doorreisd, dat tot in deze laatste
jaren bijna precies gelijk gebleven is, als het twintig eeuwen geleden
was en dat te vinden is in de bergstreken van Walachije. Vervolgens
hebben wij een bezoek gebracht aan het moderne Roemenië, dat een
industrieel land is, tegelijk met het nieuwe régime ontstaan en
waarvan Boekarest de ziel is en het middelpunt.

De kunst heeft in Roemenië door de eeuwen heen slechts zeer zwakke
sporen achtergelaten. Alle oude herinneringen, die men zou verwachten
in een door de Romeinen gekolonizeerd land, zijn vernietigd geworden
door den stroom van barbaren, die telkens over deze provinciën werd
uitgegoten in de volgende twaalf eeuwen en die alles heeft weggevaagd
en meegenomen. Alleen een paar kloosters, die in de Middeleeuwen onder
de vorsten of woiwoden gebouwd werden en waarvan dat van Curte de Arges
het beroemdste is, trekken tegenwoordig nog de aandacht. Maar de groote
aantrekkelijkheid voor den reiziger is gelegen in het landschap, dat
dikwijls grootsch en altijd poëtisch is, verder in de originaliteit
der kleederdrachten en in de zeden der bewoners.

Wij vertrekken van Boeda-Pesth naar ons doel. Die stad, de heerlijke
hoofstad van Hongarije, neemt sedert 1896 een plaats in onder de
schoonste steden van Europa. Er werd in dat jaar door een schitterende
tentoonstelling en door de inwijding van veel monumentale gebouwen
o.a. het Parlementsgebouw feest gevierd ter eere van het duizendjarig
bestaan van Hongarije. Het was tien eeuwen geleden, dat de Magyaren
onder Arpad het land vermeesterden.

Bij het verlaten van Boeda-Pesth voert de trein ons door de
vruchtbare vlakten van Hongarije, tusschen velden van blonde maïs,
die eindeloos ver zich uitstrekken. Reusachtige bergen van koren zijn
om de boerenhoeven gegroepeerd, waar dorschmachines aan het werk zijn,
en waar men groote scharen arbeiders en arbeidsters, in 't wit gekleed,
bezig kan zien. Verderop zagen wij tallooze kudden ossen met groote,
wijd uitstaande horens; daarna varkens met lang krullend, zijdeachtig
haar, die er onder zulk een vacht allerkoddigst uitzagen en die men,
in de verte gezien, voor schapen zou houden.

In die hongaarsche vlakten kregen wij in de buurt van Arad voor
de eerste maal tamme buffels onder de oogen. Terwijl de ossen
in melancholieke stemming in de wei liepen, waren de buffels met
welbehagen bezig, een bad te nemen in het lauwe water der rivier. Die
dieren worden op hoogen prijs gesteld in Hongarije en Roemenië. Hun
melk is uitstekend; ze zijn gehard tegen vermoeienis, kunnen even
goed als ossen worden gespannen voor de karren en wagens der boeren,
maar zijn uiterst gevoelig, zoowel voor warmte als voor koude, hebben
in den zomer zeer veel noodig en moeten in den winter in speciaal
voor hen bestemde stallen een onderkomen vinden. In Transsylvanië en
in Roemenië, waar de winters streng zijn, stalt men ze dan ook onder
de boerenhuizen in goed beschutte kelders.

Dit gedeelte van Hongarije, het gebied der poeszta's, is zeer dun
bevolkt; maar de grond is er wel vruchtbaar en wordt goed bebouwd. De
boerenhoeven zijn niet talrijk, maar er behooren uitgestrektheden
land bij. Men doet er aan den grooten landbouw in elken zin des woords.

Maar daar zijn we bij de grenzen van de vlakte: we naderen de wouden
van Transsylvanië. Te Piski, waar wij onze eerste indrukken krijgen
van de woeste bergbewoners, die wij eenige dagen lang van dichtbij
zullen kunnen waarnemen, verlaten wij den grooten weg, om in het
echte bergland door te dringen en dat deel der zuidelijke Karpathen te
bestijgen, dat in zijn geheele lengte slechts één enkelen natuurlijken
doorgang biedt, namelijk de IJzeren Poort. Hoe hooger men komt, des
te armoediger zien de boerenhuizen eruit. Het zijn allen huizen van
leem, gedekt met wat riet of droge maïsstengels, en gegroepeerd om
sjofele kerken, geheel van hout opgetrokken. Weldra verdwijnt ieder
spoor van menschelijke woningen, en de weg neemt een echt grootsch
karakter aan. Het leek wel een chaos, waar wij doorheen moesten.

De eene tunnel volgde op den anderen, en tegen de hellingen der rotsen
waren met groote koenheid wegen in de bergen uitgehouwen. Het is
avond geworden, als wij stil houden op enkele schreden afstands van
de roemeensche grens in een gebied, waar steenkolen gevonden worden,
en waar zich rotsen van 2500 M. verheffen. Wij zijn te Pétrozény. De
stad ligt op eenigen afstand van het station. Slechts twee of drie
fiacres, die dadelijk bezet zijn, staan er ter beschikking van de
reizigers, en als een onbekende niet de buitengewone beleefdheid had
gehad, om zeer gracieus zijn rijtuig aan te bieden, zouden wij den
weg te voet hebben moeten gaan.

Twintig minuten, in vluggen draf door onze paarden afgelegd, en daar
zijn we op het groote plein tegenover het voornaamste hôtel van de
plaats, waar een vroolijk concert wordt gegeven ten genoegen van de
élite der inwoners.

Tegen twee uur in den morgen worden wij met schrik wakker door geroep
en kreten van wanhoop. Een reuzenvlam stijgt boven het groote plein
omhoog. Een zigeunertent, tegen het hotel aangebouwd, is aan het
branden.

Reeds wordt de achtertrap van het hôtel bedreigd, en het personeel
stapelt, zonder er aan te denken, dat de reizigers gewekt moeten
worden, de corridors vol met kasten, matrassen en tapijten. Met
groote moeite banen wij ons een weg er doorheen, om het binnenplein
te bereiken, waar wij veilig zijn voor de hitte van het vuur.

De bevolking van Pétrozény is voor een groot deel roemeensch. Maar
daar het een industriëele stad is, zijn een menigte vreemde elementen
zich onder de oorspronkelijke bevolking komen mengen. Daarom ziet
men er naast de frissche en sierlijke roemeensche kleederdrachten
een menigte menschen, wier kleeding van geen bepaalde nationaliteit is.

Het stadje is in 't minst niet origineel. Huizen van steen en andere,
van leem opgetrokken, wisselen met houten huizen af, en uit elken
gevel steken palen naar buiten, waaraan allerlei zaken heen en weer
schommelen, hier een uithangbord, daar schapenhuiden, braadpannen,
worsten, zelfs hemden. Het is een echte étalagewedstrijd.

Pétrozény heeft een onzindelijk voorkomen. De bewoners hebben geen
andere coquetterie dan die van hun gesteven wit linnen. Bij de mannen
zijn broek en overhemd van verblindende witheid, en de vrouwen dragen
onberispelijke jakjes en sluiers. Alleen de Zigeuner veroorlooft
zich linnen van twijfelachtige tint, en ik acht het niet onmogelijk,
dat hij zijn onderkleêren pas aflegt als zij het afleggen, dat is,
als ze in lompen uiteenvallen. Het inwendige der woningen ontbeert
alle gerief. Deze menschen kennen zoo weinig behoeften, dat zij
volstrekt geen begrip hebben van de rechtmatige eischen der weinige
vreemdelingen, die onder hen verzeild raken.

Het marktplein vertoont een zeer eigenaardige soort van drukte. Men
krijgt den indruk van op een groote boerderij te zijn. De ganzen en de
varkens hebben er burgerschapsrechten; de laatste zijn er in allerlei
verscheidenheden. Er zijn witte, zwarte en rossige in allerlei nuances
en allerlei grootte, naarmate zij tot het moldavische of servische
ras behooren, of moerasvarkens zijn, zooals men zooveel aantreft in
de buurt van de Donau. Die belangwekkende dieren leven in vrijheid
en zoeken eikels in de naburige eikenbosschen, waarmee de naburige
hoogten bedekt zijn.

Volgens de statistische opgaven van het Ministerie van Financiën
bestond de bevolking van Roemenië in 1894 uit vier millioen
inwoners. Maar de berekeningen van den heer Stoerdza, die, naar men
zegt, nauwkeuriger zijn, komen voor dienzelfden tijd tot 6100000
inwoners.

De geschiedenis van het roemeensche volk is die van een ongelukkige
natie, die door onderdrukking, oorlogen en lijfeigenschap alle
initiatief heeft verloren, een volk, welks verstand en wilskracht
afgestompt zijn onder de eeuwenlange heerschappij der Turken.

Het tegenwoordige Roemenië, dat is Walachije, Moldavië en Dobroedsja,
neemt de plaats in van het oude Dacië, dat door Trajanus op het eind
der eerste eeuw van de christelijke jaartelling veroverd werd. Daar
het land zeer dun bevolkt was ten gevolge van de vele oorlogen, bracht
Trajanus er romeinsche kolonisten heen, die zich vermengden met de
oorspronkelijke bevolking en het nog tegenwoordig bestaande ras der
Daco-Romeinen of der Roemenen deden ontstaan. Later trekken Gothen,
Hunnen, Bulgaren, Hongaren, Tartaren beurtelings door het oude Dacië,
dat zij verwoesten en plunderen, en terwijl veel van die Daco-Romeinen
over de Karpathen gaan en in Transsylvanië een schuilplaats vinden,
stemt de andere helft van de jonge natie er na een wanhopigen strijd
in toe, het terrein, dat zij den anderen niet weer kan afhandig maken,
voortaan met hen te deelen.

In de 13_de_ eeuw overvallen de Tartaren Hongarije en
Transsylvanië. Vluchtend voor hun barbaarsche horden, besluiten de
Daco-Romeinen, die in Transsylvanië een toevlucht hadden gezocht,
tot een nieuwen uittocht. Zij trekken opnieuw de Karpathen over en
keeren naar hun vroeger vaderland terug. Radu-Negru, dat is Rudolf de
Zwarte, hoofd der kolonne van Togaras, vestigt zich te Kampolung en
wordt de eerste woiwode van Walachije, terwijl een ander hoofd, Bogdan
geheeten, zich laat uitroepen tot woiwode van Moldavië. Zoo ontstonden
de beide onafhankelijke romaansche of roemeensche vorstendommen,
maar de onafhankelijkheid was niet van langen duur.

In 1393 wordt Walachije en in 1511 Moldavië een vazalstaat van de
Turken. In den aanvang worden die provincies geregeerd door inlandsche
hoofden onder de suzereiniteit van de sultans in Byzantium; maar in
de 18_de_ eeuw zonden dezen er vreemde vorsten heen, gekozen uit de
machtige grieksche financiers van Konstantinopel. Dat is de tijd der
Fanarioten van 1716 tot 1822. Zij heeten naar Fanar, een wijk van het
oude Konstantinopel, waar na de verovering door de Turken de Grieken
bleven wonen. Bij hun troonsbestijging moesten de fanariotische
vorsten buiten de gewone jaarlijksche schatting nog een belangrijke
som aan de Porte opbrengen. Van toen af ging de bevolking gebukt
onder zware lasten, en terwijl zij in naam haar vrijheid behield,
werd zij op onmenschelijke wijze uitgezogen.

In 1820 echter werd de Roemeniër het juk moede; hij ontwaakte uit zijn
dofheid en stond op tegen den sultan, eischend met een geestkracht,
waartoe men hem niet in staat zou hebben geacht, zijn eigen inlandsch
bestuur terug te erlangen, hetgeen geschiedde. Die vorsten wisten het
nationaal gevoel te doen herleven, en na den Krimoorlog verwierven zij
voor de roemeensche provinciën een betrekkelijke onafhankelijkheid,
gewaarborgd door de mogendheden, die het verdrag van Parijs in 1856
hadden geteekend.

De vereeniging der provinciën werd in 1861 afgekondigd, en kolonel
Couza werd tot vorst gekozen onder den naam Alexander-Jan I. Samen
met zijn ministers kondigde hij tegelijkertijd de secularisatie van
de kloosters af, die een vierde deel van al het grondgebied bezaten,
en de afschaffing der slavernij van de boeren. Maar in 1866 werd hij
gedwongen, afstand te doen van den troon, en de Kamers riepen, nadat
zij tevergeefs een beroep hadden gedaan op Zijne Hoogheid den graaf van
Vlaanderen, prins Karel van Hohenzollern tot vorst van Roemenië uit.

Bij zijn troonbestijging moest alles van voren af aan worden
opgebouwd. De steden leverden een schouwspel van volslagen armoede
op. Overal heerschten omkooping en diefstal. De vorst hield zich dan
ook van het begin af bezig met de reorganisatie van de verschillende
takken van staatsdienst, en in 1877, tijdens den turksch-russischen
oorlog, was Roemenië reeds met groote schreden vooruitgegaan en kon
een machtige steun zijn voor Rusland.

Het werd maar kaaltjes beloond voor zijn edelmoedige hulp. Men
gaf Dobroedsja met de haven Constanza; maar in ruil moest Roemenië
dat deel van Bessarabië afstaan, dat in 1856 verkregen was, en waar
Rusland al sinds langen tijd een begeerig oog op hield gevestigd. Het
is waar, dat tevens de volledige onafhankelijkheid van Roemenië door
de verschillende europeesche staten werd erkend, en in 1881 verkreeg
vorst Karel van Hohenzollern den titel van koning van Roemenië.

In dit geschiedverhaal wordt de uittocht van Fogaras door verschillende
schrijvers tegengesproken. Zij houden vol, dat Radu-Negru slechts een
legendarische persoonlijkheid is. Volgens hen zouden Tugomer Bassarab,
die een dynastie in Walachije stichtte en zijn zoon Alexander Bassarab,
die het volk van herders in een zelfbewuste, onafhankelijke natie
herschiep, de grondleggers van den staat zijn.

Wij betreden Walachije langs den nieuwen weg, die door de Karpathen
leidt en te Targu Jiul uitkomt. Daarna, als wij ons successievelijk
hebben opgehouden in de kloosters van Tismana, Horezu, Curtea de Arges
en Kampolung, begeven we ons naar Boekarest, de hoofdstad van Roemenië,
van waar we een bezoek zullen brengen aan het petroleumgebied van
Doftana en aan de mijnen van steenzout van Slanic. Wij zullen den
tocht besluiten met Sinaïa, de poëtische residentie van Roemenië's
souvereinen.

Tegenwoordig reist men in Roemenië nog per victoria, met twee, drie
of vier paarden bespannen. Onder de kap is een ruime bergplaats voor
alles, wat men kan noodig hebben onderweg, en er hangt een emmer aan,
om den paarden te drinken te geven, want al die dingen kan men onderweg
niet krijgen. De zak met maïs, waaruit de paarden gevoerd worden, die
maïs in plaats van haver krijgen, bevindt zich naast den koetsier. De
laatste neemt ook rijkelijk voorraad mee en is dan eindelijk wel zoo
goed, uwe bagage op te laden.

De paarden zijn vlug en opgewekt en bestand tegen groote
vermoeienis. Zij leggen 80, soms zelfs 100 kilometer per dag af en 10
kilometer per uur. De koetsiers hebben een eigen, bijzondere manier
van hen aan te zetten, door de zweepslagen te doen vergezellen door
woeste, zeer eigenaardige geluiden.

Voor vijf-en-twintig jaar was de victoria in het land onbekend; men
reisde enkel met de _birdj_, het nationale voertuig, dat nu nog bij
de boeren in gebruik is. Het is een kist van houten latten zonder
veêren op vier wielen, aan de achterzijde is de onvermijdelijke bak
voor berging en een groote huif is er overheen gespannen, ondersteund
door breede hoepels. Door een smalle, lage opening stapt men er binnen
en heeft daar dan als zitplaats zijn eigen bagage of een hoop hooi.

Het dal der Jiul, dat bij 't vertrek uit Pétrozény voor ons open ligt,
werd langen tijd voor volkomen onbruikbaar gehouden, want zelfs de
bergbewoners beschouwden het als onbegaanbaar, en om over dit deel
der Karpathen heen te komen, gaven zij nog ondanks de hinderpalen van
allerlei aard, de voorkeur aan het ruwe pad over den Vulkaan-pas. Maar
door groote en vernuftige werken, voor 't meerendeel aangelegd door
belgische ingenieurs, loopt er thans een der mooiste wegen door en
een der veiligste uit de zuidelijke Karpathen.

Men rijdt er door een nauwe spleet, met aan beide zijden hooge bergen,
die van boven volkomen kaal zijn en die in de lagere gedeelten met
groote, nog niet geëxploiteerde bosschen zijn bedekt, waardoor de
bergen een prachtig maar somber aanzien krijgen. Heel in de diepte van
de kloof stuwt de hongaarsche Jiul, gevoed met de roemeensche rivier
van dien naam, haar onstuimig water tusschen al de hindernissen door,
die in de rotsachtige bedding in den weg komen. Nu eens in het nauw
gebracht tusschen rotswanden, schuimt en bruist en springt de rivier
voort; dan weer breidt zij zich rustig uit te midden van het groen,
dat tot het water voortloopt.

Soms is de rivier zoo woedend, dat zij een stuk van den nieuwen,
met groote kosten aangelegden weg met zich mee sleurt. Men kan in
West-Europa zich geen denkbeeld maken van dat snelle wassen der
rivieren, en het komt niet alleen in de lente voor, als de sneeuw op
de bergen smelt, maar ook in het hartje van den zomer.

De weg is wel niet te vergelijken bij de wonderschoone wegen in
Zwitserland, maar hij roept de herinnering wakker aan de mooiste dalen
van Schwarzwald en Jura en heeft nog woester, grootscher karakter.

Dicht bij den uitgang van het dal staat in een omheinde ruimte het
nederige klooster Naïch. Dat witte kloostertje, waarvan het aardige
kerkje met de driedeelige vensters van buiten aan alle kanten met
mooie fresco's is versierd, wordt op 't oogenblik nog door enkele
monniken bewoond.

Weldra worden de bergen lager en staan verder uiteen. De Jiul, die
niet langer door rotsen beperkt wordt, stroomt door een bedding, die
tienmaal te breed is voor haar wateren, en de wouden verdwijnen, om
plaats te maken voor gewoon bouwland. Eerst nadat wij dertig kilometer
hadden afgelegd, ontdekten wij enkele houten huisjes met puntige daken
op zijn Turksch en bedekt met planken van berkenhout. Hoe armoedig ze
ook mogen wezen, alle huisjes zijn van elkander afgescheiden en zijn
door een schutting omgeven. In Roemenië zijn, evenals in de meeste
oostersche landen, levende hagen onbekend. Men maakt afsluitingen
van planken of palen, van doode takken of van rijswerk. Die kleine
boerenhoeven hebben, al zien ze er ook nog zoo ellendig uit, toch een
echte verbetering gebracht in het lot van den Roemeniër. Hij heeft
thans een eigen huis, een stal, een maïszolder, een varkenshok, terwijl
hij te voren eeuwen lang onder de heerschappij der Bojaren gewoond
heeft in holen, die twee meter diep in den grond waren uitgegraven
en onder een dak van rijswerk met aardkluiten belegd. Voor elk van
deze woningen ligt nu een veranda, waar het gezin des zomers slaapt,
omdat de groote hitte het huis van binnen onbewoonbaar maakt. Des
avonds worden er matrassen en dekens neergelegd, die 's morgens weer
worden weggenomen.

Oudtijds wilde een vroom gebruik, dat ieder boer vóór de deur van zijn
huis een schotel met water plaatste ten gebruike der voorbijgangers
en der reizigers; tegenwoordig ziet men vóór elke hoeve een pomp,
waarbij ieder naar welgevallen zijn dorst kan lesschen.

De monumentale deur, die de omheining afsluit, is een der sieraden
van een roemeensch huis; men vindt zoo'n deur overal, bij de
grootste, zoowel als bij de kleinste hoeven, bij de villa's en bij
de kloosters. Die deuren zijn op eigenaardige en soms zeer artistieke
wijze uitgesneden.

De Bojarenheerschappij werd eerst in het land gevestigd op het
eind der 14_de_ eeuw. Radu of Rudolf XIV kwam, met den steun van
den griekschen patriarch Niphon, op het denkbeeld een adelstand in
het leven te roepen op het voorbeeld van den byzantijnschen adel en
veranderde de hofambten zóó, dat ze recht gaven op adellijke titels.

Dit was de aanleiding tot het ontstaan van den stand der Bojaren. Later
kwam onder de Fanarioten een stroom van grieksche avonturiers het land
binnen, in het gevolg der vorsten, die hen bij voorkeur tot eereambten
riepen. Zoo ontstond er in het land zelf een vreemde aristocratie, een
lage, verdorven, winzuchtige klasse, die de inboorlingen onderdrukte
en ze onbeschaamd uitmergelde. Die nieuwe adel was erfelijk tot in
het tweede geslacht.

Elke Bojarentitel gaf recht op een zeker aantal boeren, die alleen aan
hun heer belasting hadden te betalen. Zestig duizend gezinnen werden
aldus in den dienst der Bojaren gesteld. Die ongelukkige landbouwers,
hoewel niet precies gebonden aan den grond, hadden niet het recht,
van heer te veranderen en mochten hun grond alleen verlaten met
toestemming van den eigenaar.

"Nog in 1856", zegt Elisé Reclus, "waren 5 à 6000 Bojaren heeren
en meesters van het land en zijn bewoners. Maar er bestond groote
ongelijkheid onder hen; de meesten waren slechts kleine grondbezitters,
terwijl 70 vazallen in Walachije en 300 in Moldavië met de kloosters
bijna al den grond onderling hadden verdeeld.

In 1864 kwam er, met de secularisatie van de kloosters, ook een einde
aan de lijfeigenschap der boeren. Elk gezin verkreeg een stuk land,
afwisselend tusschen 3 en 6 H.A., naar gelang het één koe hield,
twee ossen en een koe, of vier ossen en een koe. De hectare werd hun
eigendom tegen den prijs van 60 gulden, betaalbaar aan den staat in
vijftien jaarlijksche aflossingen.

Het aantal boeren, dat op die manier land in bezit kreeg, steeg in
't begin tot 450000, maar in 1880, toen er een nieuwe verdeeling van
den grond door den staat plaats had, kwamen er nog 100000 bij.

Ondanks die hervorming behooren de groote bronnen van rijkdom nog aan
den staat en de oude Bojaren. De staat exploiteert namelijk zelf de
onuitputtelijke zoutmijnen, hij is eigenaar van de petroleumhoudende
terreinen; voor het grootste deel zijn de bosschen, die een vijfde van
het grondgebied bedekken, in zijn bezit. Wat de Bojaren betreft, zij
hebben enorme eigendommen in handen, hun door de woiwoden afgestaan,
en waarvan de uitgestrektheid van 4 tot 8000 H.A. bedraagt.

Die eigendommen kunnen niet dan in hun geheel verkocht of vervreemd
worden; de wet verbiedt hun verbrokkeling. Buitendien is door art. 7
der grondwet bepaald, dat vreemdelingen geen vaste goederen in Roemenië
mogen bezitten. Zij kunnen niettemin van een Roemeniër erven; maar in
dat geval heeft de staat het recht, hen te verplichten hun bezittingen
te verkoopen, tenzij ze zich laten naturaliseeren. Dat kan geschieden
bij Parlementsbesluit na tien jaren verblijf in het land. Er zijn
nog andere verzachtingen van de bepalingen, die op vreemdelingen
betrekking hebben. Zoo kunnen ze bijvoorbeeld huizen bezitten in de
steden, en er bestaat plan, om de verkrijging van vaste goederen
mogelijk te maken voor buitenlandsche maatschappijen, in geval de
meerderheid der aandeelhouders uit roemeensche burgers bestaat.

De wijze, waarop die groote bezittingen worden geëxploiteerd is nog
al eigenaardig. Op een vastgestelden dag roept de burgemeester de
gezinnen uit zijn dorp op en verdeelt onder hen, tegen een dikwijls
belachelijk laag loon, de gronden, die bebouwd moeten worden. Het
loon wordt vooruit betaald, maar de geheele oogst valt toe aan den
eigenaar. Behoef ik nog te zeggen, dat de ongelukkige boeren, die
vroeger zoo slecht behandeld werden, dat tegenwoordig nog worden? In
vele gevallen worden ze lomp bejegend en zelfs wel geslagen.

Verscheiden oude Bojaren, vooral in Moldavië, besturen zelf de
landbouwondernemingen op hun goederen en hebben uitgebreide corpsen
arbeiders in het werk, terwijl zij tien maanden van het jaar er
wonen. Maar in het hartje van den winter gaan ze reizen en gaan hun
inkomsten te Boekarest, Weenen en Parijs verteren.

Op den weg van Targu Jiul komen wij groote wagens tegen. Zeven of
acht paar ossen, het eene paar achter het andere en bestuurd door
in het wit gekleede boeren, trekken landbouwmachines en zware karren
met nieuwerwetsche artikelen voor den modernen landbouw. Vroeger ging
het dorschen in Roemenië met behulp van ossen, die het koren op den
dorschvloer trapten. Tegenwoordig is de dorschmachine er doorgedrongen,
en de kleine eigenaars vereenigen zich, om samen stoomdorschmachines
te koopen.

Mannen en vrouwen te paard gaan naar de stad; spiernaakte kinderen
vluchten bij onze nadering. De dorpen worden grooter; de huizen
zijn netter onderhouden, en op de palen van de afsluitingen staan
allermerkwaardigste potten en vazen omgekeerd, om uit te lekken en
te drogen. Aardewerkfabricatie is inderdaad een der belangwekkendste
takken van de roemeensche klein-industrie. Er worden zelfs markten
van aardewerk gehouden, en men vraagt zich af, hoe de Roemeniërs zoo'n
oneindige verscheidenheid van gebruiksvoorwerpen kunnen aanwenden.

Bij den ingang der stad waren geheele gezinnen aan den wegrand gezeten,
in een kring op den grond gehurkt in volkomen sans gêne. Zedigheid is
waarschijnlijk niet de hoofddeugd der roemeensche boerinnen; misschien
ook bestaan er daar andere begrippen op dat punt dan bij ons, en het
is waar, dat hoe meer men het Oosten nadert, des te inschikkelijker
wordt men voor het déshabillé.

Wij zijn te Targu Jiul, de eerste belangrijke plaats in Roemenië. Het
is een stad van 3000 inwoners, waar een school in aanbouw de aandacht
trekt, omdat zij als modelschool aangewezen wordt.

Het hôtel, waar wij afstappen, ziet er zeer goed uit en, hoogst
aangename verrassing, de eigenaar spreekt Fransch. Maar wij moeten nu
kennis maken met de roemeensche keuken! O, die roemeensche keuken! Zure
soepen, waar een half dozijn sardines in drijven. Is dat niet iets,
om u op slag den gretigsten eetlust te benemen?... Geen roastbeef,
noch biefstuk.... Runderen worden niet geslacht; zij dienen enkel als
trekdieren. Varkens loopen op straat rond, maar ze worden evenmin
geslacht, in den zomer ten minste niet, onder voorgeven, dat het
vleesch maar twee of drie dagen goed blijft. Kippen krijgt men meer
dan genoeg, maar die welke ons aan tafel werden voorgezet, zijn
magere beestjes, zoo hard gebraden, dat ze bijna geheel uitgedroogd
zijn. Schapenvleesch, trossen gekookte maïs en een gerecht, dat
koukouroute heet, schijnen de meest aanbevelenswaardige onderdeelen
van 't menu.

In de hôtels eet men met muziek. Als gij een orkest van Zigeuners
treft, hoort ge woeste, heftige, hartstochtelijke muziek; hebt ge een
roemeensch orkest, dan blijven vuur en gloed achterwege, om plaats te
maken voor klacht en melancholie. Het is om te schreien, zoo droevig;
't is in muziek omgezette smart.

Midden in den nacht worden wij gewekt door een hevig onweêr, zooals
er bij ons zelden voorkomen. Het is een opeenvolging van lange,
witachtige bliksemstralen, uitgaande van alle punten van den horizon
tegelijk en, in éénen door, de markt en de straten der stad met licht
overstroomend. Tegelijkertijd storten de watervallen van den hemel
op de aarde neer, en de straten worden tot ware rivieren. 's Morgens
waren de straten weer droog, en de lucht was zuiver en geurig.

Niettegenstaande den nachtelijken storm was van vier uur af de
markt, die tegenover ons hôtel werd gehouden, buitengewoon druk en
levendig. Men kan zich niets aardigers en schilderachtigers denken dan
die markten, waar de bewoners uit de naburige dalen samenkomen. Die
laatsten komen naar de stad in met een paar ossen bespannen karren,
of op den rug van een muilezel, door de vrouwen bereden op dezelfde
wijze als door de mannen. Zij hebben vaak een reeks van een vijftiental
bijeengebonden kippen bij zich, die er erbarmelijk uitzien. Enkele
vrouwen komen op de markt met leêge handen; maar met zeer gevuld
jakje. Als ze ter plaatse zijn, steken ze de hand vóór in hun
halfgeopend gewaad, dat daar trouwens altijd voor zak dient en halen
er, 't zij een kip, 't zij een eend uit; ik heb er zelfs gezien,
die uit die bergplaats een speenvarkentje voor den dag haalden,
dat daarna moederlijk in de armen werd gedragen.

Doch het origineelste zijn zij, die uit de stad terugkeeren met de
meest uiteenloopende voorwerpen in haar geïmproviseerden zak. Die
hangt dan zwaar omlaag op den boezelaar, en maakt bij elke schrede een
rinkelend geluid van aardewerk of men hoort er den triomfkreet van een
haan uit opstijgen, die op de markt een koopster heeft gevonden. De
vrouwen staan of zitten er langs de trottoirs met haar koopwaar vóór
zich. De verkoop van de producten is niet zeer winstgevend. Men betaalt
30 centimes voor een kip, 10 centimes voor vier eieren, en 15 centimes
voor vier liter wijn. Toch zien ze er niet uit, of ze gebrek lijden. Ze
zijn vroolijk en vriendelijk en gaan naar de markt als naar een feest.

Haar kleeding, van onberispelijke netheid, is tevens niet
onelegant. Zij dragen een zeer wijd linnen hemd, versierd met
borduursel van blauwe en roode wol. Vóór en achter wappert een
boezelaar, de catrinza, van wol met breede strepen. In andere plaatsen
hullen ze zich bij wijze van japon in een stuk geweven stof, die zeer
stijf is en rijk versierd met motieven in kleuren. De jonge meisjes
loopen altijd blootshoofds met een op den rug hangende vlecht. Alleen
de getrouwde vrouwen dragen over het hoofd en de schouders een sluier
van zeer lichte stof en in enkele steden hebben zij een mannenhoed op,
die niet zeer gracieus staat.

De kleeding van de mannen herinnert aan de oude dracht der Daciërs,
zooals zij op de Trojanus-zuil is weergegeven. Zij bestaat uit een hemd
van grof linnen, om het middel bevestigd met een breeden leêren gordel,
die voor zak dient. Onder het hemd wordt de linnen broek gedragen,
gewoonlijk sluitend van de knie tot den enkel.

De Roemeniër uit het laagland, vooral de Walach, heeft zwarte oogen,
een gebronsde tint en een zacht, sterk sprekend gezicht. Nog in onze
dagen vertoont hij de sporen van het droevig lot, dat hij zoo lang
heeft moeten dragen. Hij is tegelijk beschroomd, geduldig, bijgeloovig
en fatalistisch.

Al vroeg in den morgen wacht onze met drie paarden bespannen victoria
aan de deur van het hôtel, en na ons van mondvoorraad voor den dag
te hebben voorzien, gaan wij op weg naar Tismana.

Het landschap, waar we door rijden, is zeer schilderachtig. Op dichte
groepen hoog eiken hakhout langs den weg volgen de groote wouden,
reuzenbosschen, waar de boomen prachtige afmetingen erlangen. De dorpen
zijn armoedig en vuil, en het geeft een bedrukkend gevoel, te rijden
door die vruchtbare dalen der Karpathen, en te constateeren, dat er
alle sporen van werkzaamheid ontbreken. Maar de arme heeft in dit land
bijna geen behoeften; hij heeft maïs in huis en uien en brood, een brok
zout en kaas, en hieraan heeft hij genoeg. Het bosch levert hem hout
en zijn kleêren worden thuis door de vrouwen gesponnen, geweven en
genaaid. Elke woning heeft dan ook haar weefgetouw. Van hennep wordt
het grove linnen gemaakt, waaruit in hoofdzaak kleederen van mannen
zoowel als van vrouwen zijn vervaardigd. Gesponnen wol dient voor het
maken der lakensche mantels voor de boeren en voor huishouddekens. Met
meekrap of lakmoes gekleurd, dient die wol ook voor het weven van de
veelkleurige boezelaars, die de vrouwen dragen en voor de versiering
van de linnen hemden met allerlei curieuse en artistieke borduursels.

Ik kan hier nog bijvoegen, dat tot op den leeftijd van zes à zeven
jaar de meeste kinderen geheel naakt loopen, wat practisch en zuinig
moet heeten. Des avonds alleen trekt men hun een hemdje aan tegen de
koude van den nacht.

Vlak bij Tismana ontmoeten wij talrijke groepen, los en vrij op
den grond gelegen vóór hun deuren. Als bij instinct staan ze op,
als ze ons zien naderen en blijven staan als teeken van eerbied,
tot we voorbij zijn. Die groepen zijn voor 't meerendeel Zigeuners.

De oorsprong van dit eigenaardige ras is lang een punt van strijd
gebleven. Het schijnt tegenwoordig vast te staan, dat ze uit Hindostan
afkomstig zijn. Oude charters, die te Tismana teruggevonden zijn,
spreken al van Zigeuners, die in de 14de eeuw in slavernij naar
Walachije werden gekracht.

Werkelijk zijn de Zigeuners in Roemenië eeuwen lang in een toestand
van smadelijke dienstbaarheid gehouden, terwijl ze overal elders reeds
de vrijheid hadden gekregen. Zij bleven het eigendom van den staat,
de Bojaren en de kloosters tot 1827, het jaar van hun bevrijding. Hun
aantal is betrekkelijk gering; in heel Roemenië komen er tegenwoordig
niet meer dan 260000 voor.

Onder al de wisselvalligheden van hun treurig bestaan hebben de
Zigeuners hun type, hun taal en hun gewoonten behouden. Het type is
zeer bijzonder en is merkwaardig zuiver door de eeuwen heen bewaard
gebleven. De taal, die zij spreken onder elkander, is een hindoesch
dialect, dat veel op eenige sanscrietsche tongvallen gelijkt. Eerst
sedert hun vrijverklaring komen gemengde huwelijken tusschen hen en
Roemeniërs voor. Ze hebben een ovaal gelaat en prachtige, schitterende,
zwarte oogen. Het zeer zwarte haar laten zij als een bos groeien en
nooit maakt het kennis met een kam. De neus is recht, met een lichte
arendswelving; de tanden behouden hun schitterende witheid in alle
omstandigheden, zelfs bij het overmatig gebruik van tabak, waaraan
mannen en vrouwen zich overgeven.

Velen van hen zijn landbouwers en anderen beoefenen het smids- of
het koperslagersbedrijf. Maar ze zijn vooral muzikanten, en zonder
eenige theoretische kennis brengen ze met veel gevoel en uitnemend
talent de liefelijkste melodieën ten gehoore.

Wij gaan nu door bekoorlijke boschjes, waar aan alle kanten beekjes
onder de struiken ritselen, zooals zij neergedaald komen van de
naburige hoogten en den stoffigen weg met hun gemurmel begeleiden.

Links van ons wordt het landschap beheerscht door het klooster van
Tismana, zooals het daar leunt tegen den dichtbegroeiden berg en op
een vooruitspringend gedeelte van de rotsen is aangelegd. Een waterval
vloeit schuimend onder het klooster naar beneden en stort zich met
één sprong in het dal, waar hij nog trillend van den val in de diepte,
zijn loop vervolgt tusschen de donkere boschjes naast ons.

De abdij van Tismana, die vroeger zoo beroemd was, bezit thans geen
anderen rijkdom meer dan zijn prachtige ligging en heerlijke omgeving.

Een vijftiental monniken leiden er nog een armoedig bestaan. Sinds
de secularisatie van de kloosters in 1864, dat is dus sinds den tijd
toen zij beroofd werden van hun bezittingen en kostbaarheden, bepaalt
de regeering zich ertoe, aan elken monnik 70 centimes per dag te geven
voor hun voeding en 50 francs per jaar voor kleeding. De rijke sieraden
en kostbare ikons zijn hun afgenomen en worden thans tentoongesteld in
het museum te Boekarest, waar ze hun typische belangrijkheid natuurlijk
hebben verloren. Er heerscht dan ook groote ellende in die kloosters,
en de cel van een der monniken, waar men ons heen brengt, om van het
prachtig uitzicht te genieten over het dal, is een akelig verblijf
met geen andere meubels dan een stroozak.

Vroeger, in den tijd van hun grootheid, toen herbergen in Roemenië iets
onbekends waren, boden de mannen- en de vrouwenkloosters de ruimste
gastvrijheid aan, en vriendelijk werd ieder vreemdeling opgenomen,
die aan hun deur klopte.

Zij waren zelfs het doel geworden voor kortere of langere uitstapjes,
en de burgerij uit de steden kwam er samen, om er den zomer te slijten.
Er slopen allerlei misbruiken in bij dat leven van wereldsche
ledigheid, dat daar langzaam aan binnendrong in het kloosterleven en
dat zelfs, naar het schijnt, een der redenen was van de secularisatie
der kloostergoederen. Tegenwoordig, nu de monniken het armoedig
hebben en zelf alle werkzaamheden op het veld moeten verrichten,
zijn de kloosters stil en verlaten geworden. Enkele kalme gezinnen,
die de hitte in de vlakte willen ontloopen, komen er nog wel eens
rust en koelte zoeken. De monniken verhuren hun kamers, maar zij
bieden niet anders aan dan een legerstede in die ruimten. De logés
moeten zelf in al hun andere behoeften voorzien.

Men komt het klooster binnen langs een vierkant voorplein, waar
men de gebouwen ziet, bestemd voor de vreemdelingen. Er zijn op dit
oogenblik twee welgestelde families uit Krajowa, waarvan de dames ons
vriendelijk als tolk dienden bij den portier, een prachtigen monnik
met lange haren en zwarten baard.

Er is een tafel neergezet in het klooster ten gebruike van
de vreemdelingen die hun ontbijt in het klooster wenschen te
gebruiken. Maar wij mochten ons inderdaad gelukkig achten, omdat wij
er aan gedacht hadden proviand mede te nemen, en niet vertrouwd te
hebben op den regel, die al zeer oud is en die de kloosters verplicht
vreemdelingen drie dagen lang te herbergen en te voeden. De portier,
die ons bediende, had zelfs geen brood ons aan te bieden. Alleen had
hij ronde, harde, platte beschuiten als enorme medailles, met een
afbeelding van het klooster op den eenen en een van den patroon der
abdij Sint Nicodemus op den anderen kant.

De monniken houden zich bezig met de eenvoudigste en meest vermoeiende
werkzaamheden; maar zij behouden zelfs bij het nederigste werk een
waardigheid, die eerbied afdwingt. Armoede is geen schande.

Zij belijden den orthodox griekschen godsdienst. Tot 1864 was de
kerk onderworpen aan het patriarchaat van Konstantinopel; sinds
dien werd zij een onafhankelijke, nationale kerk. Haar hoofd is de
metropolitaan-primaat van Roemenië, die te Boekarest resideert. De
roemeensche geestelijkheid wordt in twee categorieën verdeeld,
de monniken van den H. Basilius, die aan het celibaat gebonden
zijn, en de wereldlijke priesters, die mogen huwen. Uit de eerste
categorie alleen wordt de hooge geestelijkheid gerecruteerd. Zelfs
onder het turksche protectoraat zijn de Roemeniërs er in geslaagd,
het verdrag te doen eerbiedigen, waarbij het verboden was moskeeën
op hun grondgebied te bouwen. Nooit hebben de Turken, het zij tot
hun eer gezegd, de minste poging gedaan, om dat verbod te overtreden.



II.

Het klooster van Horezu.--Uitstapje naar Bistritza.--Romnicu en de
pas van den Rooden Toren.--Van Curtea de Arges naar Kampolung.--Pas
van Dimbo-viciora.


Op 25 K.M. af stands van Targu Jiul ligt het klooster van Horezu,
onmiddellijk bij het stadje van denzelfden naam. Daar de weg nog al
vermoeiend is, heeft men voor ons gewoon klein rijtuigje vier paarden
gespannen, alle vóór elkander. Wij volgen juist de tegenovergestelde
richting van die naar Tismava; doch evenals gisteren rijden we langs de
hooge bergen van de Karpathen en wij steken dwars over een eindeloos
aantal dalen, die van de groote hoofdketen afdwalen, om zich in de
roemeensche poeszta te gaan verliezen.

De dalen zelf zien er niet merkwaardig uit, maar bij elke hoogte
ontdekken wij ruime vergezichten, die den tempel van dichterlijke
melancholie dragen. Nu eens gaan we voorbij prachtige eikenbosschen,
die kolossale hoogten bereiken, dan langs verrukkelijke berkenbosschen
met zilveren stammen en levend loof. Wij houden halt, soms onder
een boschje in de diepe schaduw bij een van die groote putten, wier
eenige arm ten hemel wijst en waar onze arme paarden met lange teugen
zuiver en kristal-helder water drinken, en dan weer bij een bescheiden
dorpsherberg, waar we binnengaan, om ons eens te vertreden en ook om
van die dorpsbinnenhuizen een voorstelling te krijgen.

En terwijl in de gelagkamer onze koetsier zijn fleschje tzuica drinkt,
of pruimelikeur, die uit zeer kleine fleschjes geschonken wordt,
in één teug te ledigen, brengt de waard ons naar de achterkamer,
de eerezaal. Wij zien er als voornaamste meubel een divan, die als
bed kan dienen en in den vloer is vastgeschroefd. Een mooi gestreept
tapijt ligt erover en kussens met allerlei borduursels en roode en
witte letters. Tegen de muren hangen chromolithografieën, afwisselend
met groote strikken van wit linnen, op dezelfde wijze geborduurd en
van initialen en datums voorzien. Er is in het geheele huis geen
kast, noch in den muur, noch los in de vertrekken. Daarvoor in de
plaats staan er langwerpige houten koffers of kisten naar turksch
en servisch gebruik, waar men door elkaâr schoenen en vaatwerk en
juweelen in bergt, kortom al wat men bezit.

De middenzaal wordt door het gezin bewoond. Men ziet daar
de weefstoelen, dan divans, allerlei aardewerk, heel eenvoudig
keukengereedschap en een langwerpige tobbe, in den vorm van een boot in
een boomstam uitgehold. Die tobbe, die men in alle huizen terugvindt,
bewijst de meest verschillende diensten. Het is de draagbare wieg
der kinderen, de waschtobbe van de moeders en de etensbak der beesten.

In het algemeen koken de Roemeniërs bij mooi weêr in de open lucht,
's Avonds groepeeren zich geheele gezinnen om een vuur, waarop de
mammaliga kookt, de nationale schotel, een dikke brij van maïsmeel
in zout water gekookt, en tegen den nacht geeft het roode schijnsel
van het vuur, dat al die witte gedaanten, die er zich omheen dringen,
verlicht, aan het landschap iets sombers en dreigends.

De waard zet ons, na de honneurs van zijn huis te hebben waargenomen,
zijn besten wijn voor, die _entre nous_ niet drinkbaar is, daarna
brengt hij ons naar de plaats bij zijn huis, waar een soort van rad is
opgericht, een russische schommel, hier het Groote Rad van de parijsche
tentoonstelling in zijn eenvoudigsten en meest rustieken vorm. Men
ziet die raderen nog al eens, zoowel in Moldavië als in Walachije.

De dorpen, die wij door trekken,--de weinige dorpen, zou men moeten
zeggen, want het land is dun bevolkt,--lijken alle op elkander. Het
zijn altijd dezelfde boerenhuizen, die men er ziet, met planken
daken, en waar varkens van allerlei kleuren voor rondloopen met een
driehoekigen ijzeren ring door den neus, dan ganzen en eenden en
daartusschen naakte kinderen. Uit die hoeven stuiven vaak groote
honden te voorschijn, die tegen het rijtuig blaffen en achter ons
aan hollen, tot de koetsier met een flinken zweepslag hen tot orde
en welvoegelijkheid roept.

De dorpskerken, alle gelijk, zijn in nieuw-byzantijnschen stijl
opgetrokken en trekken van verre de aandacht door hun metalen koepels
en hun hooge, achthoekige torens met groote boogvensters. Vele zijn
van buiten met groote fresco's versierd, die er een zeer bijzonderen
stempel op drukken. De kerkhoven, die meestal afgezonderd liggen
te midden van de velden, zijn vol van zware byzantijnsche kruisen,
beschilderd en versierd met vrome figuren op gouden fond. Ook langs
den weg staan veel kruisen, die niets met graven te maken hebben,
kruisen, die als in veel berglanden, door vrome geloovigen zijn
opgericht. Zoo ziet men vaak een kruis naast een bron of zelfs wel
bij een eenvoudigen put.

Op den middag houden we stil te Podovraj, een aardig plaatsje,
middelpunt, van waar uit men verscheiden belangwekkende uitstapjes
kan maken. Wij vinden er veel roemeensche familiën, die er hun
zomerverblijf hebben opgeslagen.

De Roemeniërs gaan op eenvoudige en goedkoope manier _en
villégiatura_. Zij hebben eigenlijk geen ander koel zomerplaatsje
dan Sinaïa, de koninklijke residentie, waar de élite van 't
gezelschapsleven samenkomt; enkele badplaatsen als Slanic in Moldavië
en Calimanesti, en een paar deftige lustoorden in de bergen, als
Kampolung, Ocna en nog enkele. Daarom gaan families met beperkte
middelen, die de brandende hitte der vlakte willen ontvlieden, bij
voorkeur naar de dorpen. Daar gaan ze een accoord aan met de eene of
andere Zigeunerfamilie, die hun haar woning voor één of twee maanden
afstaat. Men installeert zich dan in zoo'n primitief huis en brengt er
de vacantie door te midden der bosschen en der woeste Karpathennatuur,
gelukkig als er een herberg in de buurt is, van waar ze hun eten
kunnen laten komen. In dien tijd kampeeren de Zigeuners hier of daar;
die nemen het zoo nauw niet en hebben hun nomadenbloed behouden.

Te Horezu moesten wij de keus van ons logement aan den koetsier
overlaten. Hij brengt ons in een soort van hoeve, die volkomen
ledig is. Niemand in de herbergzaal, niemand in de kamers, waar
wij haastig en tersluiks een blik in werpen. Maar alles ziet er zoo
vuil, zoo afschuwelijk vuil uit, dat wij niet kunnen besluiten, er
den nacht door te brengen en op de zoek gaan naar een meer passend
verblijf. Na veel zoekens vinden wij een minder voorhistorische,
zelfs bijna moderne herberg. De waard laat ons kamers zien, waar de
bedden wel door divans zijn vervangen op roemeensche manier, maar
waar de lakens van een witheid zijn, die een uitstekend voorteeken is.

Helaas! het voorteeken heeft bedrogen. Den geheelen nacht zijn de
springende insecten in de weer. Noch ammonia, noch eau de cologne
helpt er iets tegen en slapeloos brengen wij den nacht door.

Het stadje Horezu is bekoorlijk en druk. De huizen, minder op zichzelf
staand dan te Targu Jiul, zien er beter uit met hun in de straat
naar voren springende balkons. De bewoners, vooral de vrouwen, zien
er vroolijker uit, hebben zelfs iets joligs. Des avonds dringen naar
het eind van de hoofdstraat, waar wij logeeren, vreemde liederen tot
ons door, gezongen door van het werk terugkeerende meisjes. Het zijn
turksche melodieën met zeer bijzondere modulaties, en het gezang is
werkelijk boeiend, zoo boeiend, dat wij de groepen volgen tot op het
oogenblik, dat zij uit ons oog verdwijnen, altijd nog zingend en de
echo's voortstuwend van hun trillers en hun hooge noten.

Op twintig minuten afstands van de stad ligt het klooster van
Horezu. Men gaat per rijtuig langs den grooten weg tot aan den
heuvel, waarboven de indrukwekkende steenmassa's van de oude abdij
verrijzen. Daar wordt de weg zoo steil en steenachtig, dat wij te
voet verder moeten gaan. Halverwege de helling zien we een monnik van
gemiddelde grootte, die met ons den lijdensberg bestijgt. Wij gaan
schrede voor schrede achter hem aan, zooals hij ons daartoe schijnt uit
te noodigen met den vriendelijken glimlach, zich afteekenend onder den
fijnen knevel, en spoedig betreden wij na hem het groote binnenplein
van het klooster, waar op dit oogenblik veel menschen bijeen zijn. Een
leekenbroeder treedt op ons toe, en na een korte samenspraak met
den monnik, die ons had binnengeleid, wendt hij zich tot ons en zegt
in zeer correct Fransch: "Mevrouw, de overste noodigt u uit in het
salon te gaan." Wij waren grootelijks verrast. Wij wisten niet, dat
het klooster van Horezu, dat ten allen tijde een mannenklooster was
geweest, een nonnenklooster was geworden, de kleeding en de knevel
van de overste hadden ons geheel op een dwaalspoor gebracht. Werkelijk
is de kleeding van de nonnen in Roemenië volkomen gelijk aan die der
monniken. Zij dragen dezelfde zeer ruime zwarte pij met wijde mouwen
met een zwart wollen koord om het middel gesloten. Daaraan hangt
de rozenkrans en op het hoofd hebben ze op de kortgeknipte haren
hetzelfde stijve, ronde mutsje, iets lager echter dan bij de mannen.

Voor profane menschen, zooals wij, zou de vergissing noodlottig
kunnen worden, te meer daar, toen wij de superieure ontmoetten, zij
ongesluierd was. De sluier wordt alleen bij plechtige gelegenheden
gedragen en bij het zingen in het koor.

Daar zij tegenover ons de plichten der gastvrijheid wil nakomen, gaat
zij ons vóór naar de bovenverdieping en brengt ons in een eenvoudig
salon, op oostersche wijze gemeubeld, dus langs den geheelen wand
voorzien van breede divans. Een jeugdig nonnetje gaat naar turkschen
trant rond met een blaadje, waar confituren en glazen ijswater op
staan. Na eenige minuten pratens geven wij den wensch te kennen,
eenige photografieën te nemen, waarna de overste dadelijk allen om
zich verzamelt en wij ze weldra in plechtgewaad vóór den hoofdingang
der kerk bijeen vinden.

De abdij van Horezu is een der indrukwekkendste en best in stand
gebleven kloosters van Roemenië. Eertijds een mannenklooster, is het
nu in een hospitaal veranderd onder leiding van grieksch-orthodoxe
zusters. Men moet zich dan ook niet verbazen over den droevigen
aanblik, dien op sommige tijden de pleinen en de toegangen van het
klooster aanbieden. De menschelijke ellende in haar meest afzichtelijke
vormen en van den meest weerzinwekkenden aard komt hier verlichting
van haar lijden zoeken. De zusters ontvangen ieder van den staat
niet meer dan 35 centimes per dag, terwijl de monniken het dubbele
krijgen. De regeering beweert, dat vanwege den van haar gevorderden
arbeid zij gemakkelijker in hun behoeften voorzien.

Het klooster van Horezu werd gesticht in de laatste helft der 17_de_
eeuw door Constantin Brancovan, voorlaatsten inlandschen woiwode
van Walachije, die in het geheim er naar streefde, zijn land van
het turksche juk te bevrijden en door de Bojaren aan den sultan werd
overgeleverd. Hij stierf te Konstantinopel den marteldood.

Uit de verte lijkt het klooster een middeleeuwsch kasteel, met zijn
grooten toren en de overblijfselen van versterkingen. Maar pas heeft
men het binnenplein betreden, of alles verandert van aanzien.

Prachtige boomen werpen er hun schaduw over de gebouwen, welker
bovenverdiepingen uitkomen op een rijke zuilengalerij, en naast
de vroegere appartementen van den vorst springt een keurig klein
paviljoentje naar voren.

De kerk staat, als bij de meeste kloosters hier, midden op het
plein. Zij is in zeer zuiveren romaanschen stijl opgetrokken, naar
ons wordt verzekerd. Feitelijk is het de byzantijnsche, eenvoudig en
streng van aanzien, zonder overlading met versierselen. Het portaal
is rijk versierd met schilderwerk op gouden grond. Dit mooie kerkje
diende met dat van Curtea de Arges als model voor het roemeensche
paviljoen op de laatste parijsche tentoonstelling.

Op den weg naar Romnicu waren verscheiden dorpen feestelijk getooid. Er
is iets origineels in die kalme feestelijkheden, in dolce far niente
gesleten. De vrouwen groepeeren zich aan den eenen kant van den weg,
de mannen aan den anderen. Als de tijd voor dansen daar is, voegen
zich de groepen te zamen, en men kan zich moeilijk iets bekoorlijkers
voorstellen dan die aardige dorpstooneeltjes. Maar de menschen zijn
uiterst beschroomd en verlegen, en als men van hun pleizier getuige
wil zijn, moet men de grootste discretie in acht nemen.

Wij houden stil in het dorp Tomsani; en omdat het moet, maar ook om
de stijfheid uit onze beenen te loopen, leggen wij te voet een visite
af in het klooster van Bistritza.

Dat uitstapje, zoo hoog geprezen door onze gidsen, en waarvan het
heette, dat er een uur mee gemoeid was, kost ons drie volle uren. Daar
wij het midden op den dag waren, in de brandende zon, worden we er
haast wanhopig onder.

Maar er is veel schoons in het dal te bewonderen. Hooge, met
bosschen bedekte bergen omsluiten den horizon en langs den weg staan
boerenhoeven, waarin en waaromheen alles welvaart ademt. Op de rustieke
binnenplaatsen zijn in de dichte schaduw vrouwen in haar bijbelsche
kleederdracht bezig. Ze hebben volle klossen in de hand en spinnen
de voor 't huisgezin bestemde wol.

Maar de aanblik dier bekoorlijke tooneeltjes stelt mij niet schadeloos
voor de vermoeienis, die de slecht gebaande weg mij bezorgt, een weg
vol kuilen en zonder eenige schaduw.

De abdij van Bistritza, tegenwoordig in een militaire school
herschapen, bezorgt ons een heele ontgoocheling. Bij 't binnenkomen
krijgt men den indruk van een imposant gebouw, doch het is stijlloos
en, laat ons het maar zeggen, onbelangrijk. De dienstdoende officier
is daarvan zoozeer overtuigd, dat hij zich ertoe bepaalt, ons een
bezoek aan den waterval voor te stellen, die in een holte van de
rots achter het klooster neerschuimt. Na de teleurstelling, zoo juist
ondervonden, lacht ons die tocht niet toe, en wij keeren haastig op
onze schreden terug.

Wij ontmoeten een boer, die na wat heen en weer praten erin toestemt,
ons zijn karretje te leenen en zijn paard, terwijl zijn buurman ons een
pony zal bezorgen, om de zaak volledig te maken. De kar is een soort
van birdj; twee planken, aan beide kanten met touwen vastgemaakt,
zijn de banken en bij wijze van tapijt hebben we een dik bed van
geurig hooi.

Wij rijden hortend en stootend weg. Bij elken modderpoel, en er waren
nog al zoo eenige, worden wij door elkander geslingerd, en tot tweemaal
toe werd onze koetsier, een kereltje van een jaar of vijftien, buiten
den wagen geworpen; maar hij klemt zich vast aan den dissel en springt
weer vlug op zijn plaats met een lenigheid als van een eekhoorn. Wat
ons aangaat, wij klemmen ons aan de banken vast met het vooruitzicht,
ons als geradbraakt te zullen voelen, wanneer we onze plaats van
bestemming hebben bereikt.

Plotseling, _krak_, gaat het, _krak_! De achterbank is gebroken,
daar liggen wij op het hooi onder in den wagen. In dien hopeloozen
toestand vindt ons eindelijk onze koetsier van Horezu, die, ongerust
over ons lang uitblijven, ons tegemoet gereden was, zoo ver als de
slechte toestand van den weg het hem vergunde.

Tusschen Pomsani en Romnicu is het landschap prachtig, vol dichterlijke
woestheid. Het is een reusachtige steenwoestijn, waar wij doorheen
moeten. De hooge keten der Karpathen blijft ons links op zij, en
de voorbijgangers zijn al even zeldzaam als de woningen langs den
weg. Zwervende honden loopen er rond, en enkelen zagen wij bezig bij
het lijk van een onderweg achtergelaten paard. Er is in het landschap
iets sombers en doodsch. Eerst als wij het dal der Olt naderen, begint
de streek er anders uit te zien, en de groote kruisen, aan den weg
geplant, toonen dat er dorpen in de buurt zijn en dat de woestijn
ten einde is.

Bij een dier dorpen houden wij stil vóór een boerenherberg, die er
vrij onzindelijk uitziet. Bij den ingang liggen bloedende resten van
de slacht, en honden, veel honden zwerven er rond, om zich op die
walgelijke prooi te werpen.

Maar in het dal der Olt wordt het landschap vroolijk en vriendelijk,
en aan den horizon verrijzen met bosschen bedekte bergen. Boerenwagens,
met vurige kleine paardjes bespannen en overhuifd door een grooten kap,
komen uit de stad terug en uit de wijde vooropening kijken aardige,
kleine, bruine gezichtjes, waar groote, zwarte, intelligente oogen
uit lichten. Iets verder toonen zware karren met blokken steenzout,
dat wij in de nabijheid der beroemde zoutbergwerken van Ocna zijn. Wij
hadden ons voorgesteld, er een bezoek te brengen; maar reeds valt
de avond, en om zes uur worden de zoutwerken gesloten. Wij zullen
bovendien nog gelegenheid hebben, die van Slanic in Prahova te zien,
die, naar het heet, de belangrijkste en mooiste uit Roemenië zijn.

Het stadje Ocna, waarvan wij spoedig de eenige en zeer breede straat
doorrijden, schijnt wel druk en aantrekkelijk. Mag ik het bekennen? Na
het slechte logies van de laatste dagen voelen we ons een beetje
treurig, dat wij hier niet bij de geneugten van Ocna kunnen blijven,
tusschen die lachende villa's, waar elegante menschen op de balkons
en veranda's te zien zijn. Wij hebben echter pas onzen spijt onder
woorden gebracht, of daar zijn we alweer in het open veld tusschen
gescheurde en vuile en gelapte tenten, waaromheen een dichte menigte
Zigeuners krioelt. Zij zien er verbazend woest en onheilspellend uit,
en hun optreden verschilt veel van de zachtheid en goedmoedigheid
der Zigeuners, die wij tot nu toe in Roemenië hebben ontmoet.

Na drie kwartier rijdens komen we in Romnicu. Dat is een echt
roemeensche stad. De hôtels met hun galerijen langs de eerste étage,
gebouwd om binnenpleinen als echte, oostersche karavanserai's;
de theaters in de open lucht, waar drama's en vaudevilles worden
opgevoerd; de restauraties, waar Turken met reukwerk uit het serail
rondgaan; tot de nachtwachts toe, die met geregelde tusschenpoozen
een scherp en snijdend gefluit doen hooren, dat in de slapende stad
de echo's wekt juist als 't geroep der schildwachten in vestingen,
dat alles geeft aan Romnicu een zeer bijzonder karakter.

Geleund tegen het gebergte, ziet het stadje de rijke vlakte van de Olt
vóór zich uitgespreid met reuzenvelden van tarwe en maïs. Roemenië
brengt, naar men weet, in overvloed koren voort en voert jaarlijks
een massa daarvan uit. Maar de boeren bebouwen het land slecht; ze
verbranden mest en vertrouwen enkel en alleen op de vruchtbaarheid
van den grond. Daar zij buitendien in 't geheel geen begrip hebben
van sparen of van zuinigheid, komt er, indien de oogsten door
overstrooming, hagel of droogte mislukken, dadelijk hongersnood in
het land.

In Servië is bij een wet van 1889 vastgesteld, dat in elke landelijke
gemeente gemeenschappelijke voorraadsschuren moeten worden aangelegd,
die bestemd zijn de gevolgen van schaarschte aan voedingsmiddelen
te voorkomen, en die in geval van oorlog ook moeten dienen voor de
behoeften van het leger.

Ieder belastingplichtig Serviër moet jaarlijks 90 K.G. maïs en
evenveel kilo's graan storten. Als een boer door het een of ander
ongeval gebrek heeft aan levensmiddelen, ontvangt hij van den
gemeenschappelijken voorraad wat hij voor voeding en zaaisel noodig
heeft, op voorwaarde, dat hij het volgend jaar teruggeeft, 't geen
hij voor zijn oogenblikkelijke behoeften in voorschot heeft gekregen.

Die instelling bleek van onbetwistbaar nut in den servisch-bulgaarschen
oorlog en bij de overstroomingen van 1897, die even noodlottig waren
voor Servië als voor Roemenië. Bij de Roemeniërs echter vond men niets
van dat alles, en dit gebrek aan voorzorgen plaatst hen op een lager
standpunt. Gelukkig is thans een wetsontwerp aangeboden in den geest
der servische wet.

Graan is niet het eenige uitvoerartikel uit het district Romnicu. Deze
geheele hoek van de Karpathen bezit mineralen in overvloed, goud,
zilver, kwikzilver, ijzer, koper, arsenicum en lood; maar tot nu toe
worden die schatten bijna niet geëxploiteerd.

Van Romnicu uit wordt meestal het uitstapje gemaakt naar den pas van
den Rooden Toren. Die weg is te allen tijde de groote strategische
route naar Walachije geweest; hij gaat over de Alpen op de plaats,
waar zij hun grootste hoogte bereiken en waar zij den indruk van de
grootste woestheid maken. Het is de natuurlijke weg voor invallen in
het land, en Trajanus volgde hem, toen hij de Daciërs overwon, evenals
de Turken er gebruik van maakten bij de verovering van Hongarije.

Die lange bergpas, waar wij door zullen gaan, is door alle eeuwen der
geschiedenis heen telkens getuige geweest van heldhaftigen strijd. Maar
van dat verleden vol bloed en vol glorie zijn nu nog maar zeer weinig
sporen over.

Vier lustige paardjes, vóór elkander aangespannen, brengen ons in
vier-en-een-half uur bij den Rooden Toren, op 64 K.M. afstands van
Romnicu. Bij 't verlaten der stad heeft men een zeer ruim uitzicht
over het dal van de Olt, dat op die plek bijzonder breed is. Daarna
nadert men snel de donkere Karpathen, en welkom is het oponthoud in
het aardige, kleine stadje Calimanesti, bekoorlijk gelegen en met
minerale, zwavelhoudende bronnen in de buurt en andere, die staal en
jodium bevatten, zoodat ze jaarlijks een groot aantal badgasten lokken.

De kleeding der vrouwen heeft in dit deel van het dal een eigen
karakter. Haar _castrinza's_ zijn met veelkleurige pailletten bestikt
en fonkelen daardoor, als de zon erop schijnt, en haar sluiers, altijd
van zeer licht en doorschijnend weefsel, vertoonen allerlei tinten;
men ziet ze in groen en geel, in rose en bruin.

Dichtbij Cozia wordt het landschap grootsch; vulkanisch gesteente in
zware vreemd gevormde rotsen komt tot dichtbij den weg. Wij passeeren
het klooster van Cozia, welks kerkje op de rots ter linkerzijde troont,
terwijl rechts zich de oude, nu gerestaureerde en in gevangenis
herschapen kloosters verheffen. Voorbij Cozia sluiten hooge, steile
rotsen den weg al nauwer in, terwijl de Olt ernaast voorbij bruist,
zooals zij ons langs den geheelen pas zal blijven vergezellen.

Aan den anderen oever vestigt de koetsier onze aandacht op de nog zeer
duidelijke sporen van den grooten, romeinschen weg op een grooten,
afzonderlijk liggenden steen, die, van den berg losgeraakt, over
de rivier hangt. Het is de Tafel van Trajanus. De legende zegt,
dat boven van dien steen af, waar hij zijn tent had opgeslagen,
Trajanus toezag op het voorbijtrekken van zijn zegevierende legioenen.

Arenden zweven boven onze hoofden en dalen langzaam op en tusschen
de verbrokkelde rotsen om ons heen. Dichte boomen overschaduwen den
eenzamen weg, en de zeer in 't nauw gebrachte Olt bruist en schuimt
als een woedende bergstroom.

De weg behoudt dat woeste en grootsche karakter over een afstand van
17 à 18 K.M. Het is altijd de strijd tusschen den stroom, die zich
een doortocht banen wil, en de rots, die hem den weg verspert. Vandaar
de tallooze bochten en kronkelingen, die wij hebben te volgen in den
loop van de rivier.

Daarna treden langzamerhand de bergen weer terug, en armoedige
dorpjes krijgen ruimte aan de kalmer geworden Olt. Daar ligt vlak
aan de rivier een ruïne van een romeinsch fort, waar een herberg zich
geïnstalleerd heeft. Hooger, op den top van een heuvel vindt men de
overblijfselen van het kasteel Landskron, van waar het gezicht op het
dal buitengewoon prachtig is. Veel kudden ossen, buffels en schapen
vinden er uitstekende weiden. Wij komen nu bij de Fogarasbergen, den
Surul en den Negoï met scherpe toppen, waarvan de uitgetande vormen
somber afsteken tegen een donkeren onweêrshemel. Bij een vernauwing
van het dal doen zich, gekleefd aan de rots en over den weg hangend,
de ruïnen voor van den Rooden Toren, die zijn naam aan den bergpas
heeft gegeven. Volgens de legende was dat fort eenmaal zoo rood van
het bloed der Turken, dat de witte muren onder de roode kleur als
verdwenen, en ter herinnering aan dien bloedigen dag heeft men de
muren helder rood geverfd.

Romnicu is 34 K.M. verwijderd van Curtea de Arges, dat herinnert aan
Radu Negru, den eersten woiwode van Walachije, die in 1244 er zijn hof,
_curtea_, aan de rivier de Argis vestigen kwam. Hij is echter niet,
zooals de overlevering wil, de stichter van het klooster, dat niet
hooger dan tot 1512 opklimt. De kerk, gebouwd door Radu Negru, is
de "Biserica Domneasca," vorstelijke kerk, in het midden der stad
gelegen. Zij dreigt in puin te vallen, en daar ze noodzakelijke
reparaties moet ondergaan, wordt zij aan alle zijden gestut.

Maar de parel van Curtea is de prachtige, witte kerk, die schittert
onder haar vergulde koepels en, een kwartier van de stad verwijderd,
op een alleenstaanden heuvel ligt, de kerk namelijk van het klooster
en waarvan beweerd is, dat zij alleen de reis naar Roemenië waard was.

De schepper van dit architectonisch kunstwerk, waarin de byzantijnsche
kunst iets moois geleverd heeft, met herinneringen aan arabische en
perzische bouwwerken, is vorst Neagu Voda Bessaraba, die in 1513 in
Walachije regeerde. In zijn jeugd werd hij als gijzelaar mee naar
Konstantinopel genomen. De sultan vatte genegenheid voor hem op
en liet hem in de bouwkunde onderrichten door een man van talent,
Manoli de Niaesia, met wien hij o.a. een der groote moskeeën van
Konstantinopel bouwde. In zijn land teruggekeerd, ontwierp hij de
kerk van het klooster. Hij gebruikte er een zeer fijnen zandsteen
voor uit de in de buurt zijnde groeven van Albesci.

Behalve haar kerken heeft Curtea de Arges weinig aantrekkelijks voor
den vreemdeling. Monniken met lange haren en lange baarden ziet men
overal loopen. Hun kleeding is onberispelijk en vormt een sterke
tegenstelling met het armoedig aanzien van de monniken der andere
kloosters. Zij treden echter zeer eenvoudig op, spreken graag met
het volk, dat groote achting voor hen schijnt te koesteren en hen
met den diepsten eerbied behandelt.

In de eenige straat van de stad wordt op het oogenblik een groote
vischmarkt gehouden. Er waren hoopen kolossale karpers onder zware
blokken ijs, karpers, die de Donau bij het hooge water van de laatste
dagen in haar zijtakken heeft opgestuwd en die toen spoedig in de
netten van de visschers zijn geraakt. Die visschen, waarvan het
gemiddeld gewicht tien à twintig kilo bedraagt, worden in groote
mooten verkocht. Men betaalt 30 centimes per kilo.

Wij moeten nog een tocht maken, voor we te Boekarest komen, namelijk
naar Kampolung. Gewoonlijk gaan de reizigers daarheen per spoor over
Pitesci en Golesci; maar wij geven de voorkeur aan den rijweg, die
afwisselend en eigenaardig moet zijn.

Om half acht 's morgens zijn we voor de expeditie gereed. Nauwelijks
zijn we een uur onderweg, of wij ondervinden een reeks van
teleurstellingen. De rivieren, door de laatste regens verbazend
gezwollen, zijn niet over te trekken, omdat een paar bruggen zijn
weggeslagen, en wij moeten een lastigen omweg maken en toch nog per
rijtuig door de bedding van een stroom gaan, waar het water zoo hevig
bruist, dat wij kans loopen meegesleurd te worden. Rondom ons is niets
dan een zeer armoedige streek, de hoeven en hutten en kapelletjes
zijn in den treurigsten staat van verval, en men vraagt zich af, of
de een of andere ramp dit stukje aarde geteisterd heeft, waar niets
overeind staat en alles aan vernieling schijnt prijs gegeven. Buiten
een paar visschers, die naar de rivier zijn afgedaald en groote netten
vasthouden, zien wij geen enkelen bewoner. Eerst bij Domnesci begint
er weer leven in de omgeving te komen.

Dat is intusschen slechts een arm dorpje, doch bij gelegenheid van
den Zondag zijn allen er op hun mooist uitgedost. Zoodra wij onze
photografietoestellen voor den dag halen, gaan ze op de vriendelijkste
manier om ons heen staan. Wij hebben slechts een wenk te geven,
en de brave menschen plaatsen zich in een groepje, blij voor ons te
mogen poseeren. Er zijn zelfs enkele jongelui, voor wie het objectief
zooveel aantrekkelijks heeft, dat ze ons op den voet volgen, zoodat
wij genoodzaakt zijn listen te gebruiken, ten einde hen niet op al
onze cliché's terug te vinden. De dorpskerk, sierlijk overschaduwd
door een groep groote boomen, staat op een plein, waartoe een poort
van eigenaardigen stijl toegang geeft. Ofschoon die poort bij een
ellendig dorpje, verloren in de bergen, behoort, is zij versierd met
bekoorlijke engelen-figuurtjes en beelden van heiligen met opschriften
en bloemslingers, werkelijk van kunstzin getuigend. Ze zijn afkomstig
van rondtrekkende kunstenaars, die, door dezelfde figuren herhaaldelijk
te maken, er groote geoefendheid in kregen.

De pope van het dorp stak den weg over en kwam juist bij zijn huis
met een brood onder den arm. Hij zag er zeer armoedig uit in zijn
verkleurd geestelijk gewaad en met zijn hooge, bruine muts, zoodat wij
instinctief onze camera op hem richtten. Maar 't was of een beschroomde
eerbied ons weerhield tegenover die waardige en fiere armoê, die zich
voor onze blikken scheen te willen verbergen. Die dorpsgeestelijken
zijn brave, waardige menschen, niet geleerd, meestal bemind bij hun
medeburgers, wier droevig lot zij deelen, maar op wie zij gewoonlijk
weinig invloed hebben.

Als men de hellingen van het dal van Domnesci bestijgt, bespeurt
men bijna op den top van een berg de schitterende koepels van een
dorpskerk. Dat is de kerk van Slanic, een net en sierlijk dorpje,
dat sterk afsteekt tegen de armoedige en weinig bevolkte streek, die
wij pas zijn doorgereden. Dit heele dorpje is een beeld van welvaart
en opgewektheid. Groote boerderijen bestaan uit veel gebouwen met
flinke binnenpleinen, waar alles goed is onderhouden. Mooie jonge
meisjes loopen af en aan, in huishoudelijke drukte, te midden van
kippen, eenden en kalkoenen, op 't oogenblik de eenige aanwezige
dieren. Gedurende den geheelen zomer is het groote vee afwezig;
het graast in vrijheid op de bergen, 's Avonds wordt het binnen
omheiningen opgeborgen zonder eenige beschutting tegen het weder.

Zoodra wij Slanic achter ons hebben gelaten, begint weer de
eenzaamheid. Herders met hun kudden en troepjes arbeiders, die onder
boomen liggen te rusten van den zwaren veldarbeid, zijn de eenige
levende wezens, die wij onderweg ontmoeten op het laatste traject,
dat ons nog van Kampolung scheidt. De weg loopt door een reeks van
poëtische dalen op de Karpathenhellingen, en in de verte zien wij
de koeien grazen in de schaduw van forsche berken. Links altijd de
wazige en blauwe keten der Transsylvanische Alpen. Maar nergens huizen
of hutten, en rondom doodelijke stilte. Eindelijk, tegen vier uur in
den namiddag, rijden wij Kampolung binnen.

Dat is een aardige plaats, al belangrijk ten tijde van Radu Negru,
den stichter van het vorstendom Walachije. Er bestaan nog slechts
enkele sporen van het oude vorstelijk paleis, maar het groote
klooster, dat hij aan den ingang van de stad liet bouwen, bestaat
nog, al heeft het groote veranderingen ondergaan. Een 40 M. hooge
en 6 M. breede romaansche toren geeft toegang tot het binnenplein
van het klooster. Die imposante toren, welks stijl den invloed van
de Longobarden in de herinnering roept, heeft veel karakter. Het is
dan ook een der oudste en beroemdste monumenten in Roemenië. De stad
is zoo zindelijk, ligt zoo mooi, en de lucht is er zoo opmerkelijk
zuiver, dat jaar op jaar veel burgers uit de groote steden er den
zomer komen slijten.

Van de hoogten rondom het plaatsje heeft men een prachtig bergpanorama
voor oogen. Wij zijn hier zeer dicht bij de Karpathen, en de dalen,
die daarvan uitgaan, zijn evenveel aanleidingen voor afwisselende
uitstapjes. Het stadje, hoewel niet groot, heeft toch zijn
Zigeunerwijk, een heele straat, niet ver van het klooster. Wat dat
een zonderlinge straat is, vooral tegen den avond, als alle woningen
wijd openstaan en de roode schijnsels van hun smidsvuren naar buiten
werpen, waar schoone vrouwen in lompen, maar met prachtige zwarte
oogen in het bleeke gelaat en engelachtige halfnaakte babies voor
heen en weer loopen. Groote, magere mannen met gebronsd gelaat slaan
in de helle verlichting van de vuren het ijzer; anderen bewegen
de blaasbalgen. Dit is de werktijd van die paria's, want hun zware
arbeid is niet doenlijk tijdens de hitte van den dag, en eerst tegen
het vallen van den avond wordt het levendig in die wijk.

Het uitstapje naar den pas van Dimbo-viciora is de verplichte
aanvulling van elk verblijf te Kampolung. Die kloof is een der
beroemdste en meest bezochte van dit deel der Karpathen.

Van Kampolung af is het een aanhoudende reeks van prachtige uitzichten,
vreemde horizons, waar de bergketenen achter elkander schuiven tot in
de verste verte. In het dorp Rocaru rijden wij over de Dimbovitza,
die wij naast ons zullen houden op den weg tot aan de grot van
Dimbo-viciora. De witte rots, die opstijgt uit de bedding en geheel
met groen begroeid is, vormt een aardige omlijsting van dit mooie
riviertje met kristalhelder water.

Dan naderen wij snel den hoogen, verweerden muur, die ons al eenigen
tijd het uitzicht beneemt en waarin wij den ingang moeten zoeken van
de beroemde kloof. Pas zijn wij er binnen getreden, of een wondermooi
schouwspel treft ons oog. Torens en spitsen en ruïnen van schoone,
lichtrose tint staan om ons heen in de engte der spleet en boven ons
hoofd hangen slingers van groen langs de steile wanden.

Bij den uitgang der kloof wordt het landschap rustiger; wij zien er
weiden en enkele houten hutten. Bij een dier laatste houden wij stil,
en een jonge knaap geleidt ons naar de grot van Dimbo-viciora, weer
door een doolhof van rotsen. De opening van de grot ligt in een woeste
omgeving, maar de geestdriftige beschrijvingen, die men ervan leest,
zijn overdreven en wij vinden haar nauwelijks een bezoek waard. Een
paar bergbewoners met dunne kaarsen bieden aan, mee te gaan; men
verwacht iets fantastisch en ziet niets dan een hol van 15 à 20
M. diepte, met enkele stalactieten en geelwitte stalagmieten.

Na dit uitstapje, waarvan enkele gedeelten aan de Bastei
in Saksisch Zwitserland herinneren, bezoeken wij een klein
bescheiden nonnenklooster, de abdij van Namaesci, dat door deze
bijzonderheid gekenmerkt wordt dat de kerk geheel is uitgehouwen
uit een monolieth. Alleen de toren en een klein voorportaal zijn
metselwerk. Al het inwendige is in de rots uitgehouwen, waar men
overheen kan loopen en waar men een prachtig panorama vóór zich
ziet. Wij zeggen Kampolung vaarwel. Een zijlijn van den spoorweg voert
ons naar Golesci, waar wij de groote lijn naar Boekarest terugvinden.



III.

Boekarest, aanzien van de stad.--De zoutmijnen van Slanic.--De
petroleumbronnen van Doftana.--Sinaïa, wandeling in het bosch.--Busteni
in het kroondomein.


De entrée in Boekarest is voor den vreemdeling een teleurstelling. Van
het station zich begevend naar het midden der stad, gaat men door
straten, die tot de primitiefste dorpen konden behooren, straten,
waar instortende huizen en schunnige winkels aan gelegen zijn en waar
de trottoirs onder hoopen vruchten en groenten verborgen zijn. Maar
spoedig wordt die indruk weggevaagd. Op die onfrissche voorsteden
volgen prachtige straten, waaraan weelderige gebouwen staan, niet
onderdoend voor die der grootste europeesche steden.

De Roemeniërs zijn zeer trotsch op hun hoofdstad en roemen graag
het comfort, dat men er geniet. Zij vergelijken met een zekeren
nationalen trots hun bewonderenswaardig geplaveide straten en hun
openbare pleinen met de afschuwelijke straten van Belgrado, waar men
na een kwartiertje rijdens in al zijn leden pijn gevoelt. Ze noemen
Boekarest dan ook graag het Parijs van het Oosten. Reeds in 1864 zei
de heer de Blowitz, toen hij terugkeerde van een oostersche reis:
"Ik geloof niet, dat er in de wereld een tweede stad bestaat, die
even trouw als Boekarest het land, waarvan zij de hoofdstad is,
weerspiegelt.... Boekarest levert thans een levend en merkwaardig
beeld van Roemenië. De stad wikkelt zich los uit den chaos van
gisteren en haakt naar den luister van morgen. De lompen nemen de
kleur van het purper aan; de eerzucht wordt grooter en grooter;
dit is de nieuwgeboren hoofdstad van een nieuwgeboren koninkrijk."

Met niet minder recht zei Carmen Sylva, de koningin van Roemenië,
in 1892: "Het oostersche en schilderachtige Boekarest, het Boekarest
met kleine, in het groen verscholen huisjes, waar men zei "het huis
van den heer Zus of van mevrouw Zoo", terwijl men de menschen bij
hun voornamen noemde, dat Boekarest verdwijnt, om plaats te maken
voor een stad als alle andere. Het heeft nog alleen een oostersch
karakter voor hen, die pas uit het Westen komen. Zij, die uit Azië
naderen, gaan met een zucht van voldoening de Donau over en zeggen:
"Gelukkig, nu zijn we in Europa!"

Ons schijnt Boekarest nog heden den hoogmoed en de eerzucht te bezitten
van den pas onlangs vrijverklaarde, die door gloednieuwe weelde zijn
pas overwonnen staat van dienstbaarheid wil doen vergeten. Vandaar die
treffende tegenstellingen, die men telkens in de stad ontmoet, hier
lage huizen, echte zwerverskrotten, waar halfnaakte menschen uit te
voorschijn komen; daar prachtige paleizen als het Spaarbankgebouw en 't
Postkantoor, rijk versierde café's, waar de voorname roemeensche wereld
samenkomt. Aan den eenen kant winkels van oud roest als in de Leipziger
straat, waar de kooplui hun schatten zoo maar op straat uitspreiden,
en aan den anderen weelderige magazijnen van den modernsten smaak,
die met de mooiste winkels van Parijs kunnen wedijveren.

De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde
tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft
kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd
der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling
op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde
uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter
mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van
plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in
zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al
zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd,
de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl
opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch
wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die
oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de
eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.

Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte
heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het
siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie
maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt
de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen
soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam;
die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet,
en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van
den winter.

De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden,
worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken;
de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om
het middel en een platte pet op het hoofd.

Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte
der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M_2_. Als men dan ook van
de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het
groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen
en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts
een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen
armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de
Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen
en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen
van weldadigheid.

Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de
Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij
ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig
uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster
staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van
links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts
het gebouw der volksvertegenwoordiging.

Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat
zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van
Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die
kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste
uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.

Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door
de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen
woiwode van Walachije.

Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde
hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor
het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van
Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van
de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten,
van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.

Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om
haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft
een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen
bij hun terugkeer uit Konstantinopel.

Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de
Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van
het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader
der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de
russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877-78.

Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze
straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het
bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries,
de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en
vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs
de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de
grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea
Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.

Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de
meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht,
er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt
op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen
winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte,
een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer
zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder
schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt
den reiziger niet in verrukking.

Bij 't begin van den weg staat het paleis van den oud-minister
Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel
wat overladen versierd, is toch een zeer indrukwekkend gebouw. Het
staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men
ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen
bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar
net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van
die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest
gezochte lustverblijven.

Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien,
hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel
betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest
op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware
woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor
van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard,
vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op
te tooien.

Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn
vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt
wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is
opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen
arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die
aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den
arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en
vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.

Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan
de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der
theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor
de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende
musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude
fresco's uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde
tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders
gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien
stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij
werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan
voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den
aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen
stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in
't museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen,
moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met
edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De
ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.

Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het
eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den
erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen,
ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.

Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het
grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer
verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het
ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door
een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de
cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden
op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen
is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.

Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk
en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote
hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen,
arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten,
doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en
de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de
eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons,
leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar
speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote
tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.

Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der
belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den
spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.

De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op
verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche
hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië
een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de
zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien,
twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet
dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.

Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land,
en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen
voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend,
maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste
zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op
de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de
consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms
ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die
een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men
zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.

Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan
zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie
in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de
mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton
op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus
zijn op 't oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic,
van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.

De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van
den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte
een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die
uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent
in een marmeren kathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in
den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken
verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie
volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten
uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.

Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime
zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer
inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem,
die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het
smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden
met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van
elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men
door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen,
groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden
verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door
vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders
bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn
waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen
van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier
jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks,
in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren
zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning
van 60 à 80 _bani_ per dag.

Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze
groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei
vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in
zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste
afzetgebieden.

Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het
petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen
stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten
rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.

Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana,
om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het
dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een
vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele
middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is,
dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water
snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om
die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen
rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd
van hoogen waterstand tegenhoudt.

Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen,
moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs
allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier
zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle
kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan,
die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum;
de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn
alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt
het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts
zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen
de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft
men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem-
of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In
het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum
verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door
een zuigpomp.

Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen,
of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen
put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de
boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische
putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à
20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die
cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een
boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met
tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen;
hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer
naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort
zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens
voeren.

De petroleum is bij 't verlaten van den put een dikke vloeistof, die
troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen
weerschijn.

Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond
komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het
dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om
de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld
af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale
pompen, die soms verbazend krachtig werken.

In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge
temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats,
waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.

De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum
is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke
diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet
dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet
anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten,
welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie,
die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk
vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven
door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij
van petroleumexploitatie.

Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid
der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende
maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de
vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden
zijn voor Roemenië's industriëelen vooruitgang.

De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten
denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog
voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt
roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen
bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de
bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden,
en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als
geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.

Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen
om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart
in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie
wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door
fabrieksrook.

Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en
kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water
der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de
zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen
van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden
komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar
de weg doorheen leidt.

Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme
rots van 2500 M. Sinaïa.

Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te
danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van
Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen
als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de
aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten,
hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in
Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.

Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa's;
dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons,
watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa
liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd
overvol; het kost ons moeite logies te vinden.

In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij
onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in
een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen
wij genoegen meê.

Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor
ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar
divans, die 's nachts in legersteden worden veranderd en over dag de
gewone diensten bewijzen.

In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt
Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen
het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast,
dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.

De roemeensche wijnen zijn over 't algemeen zacht en fijn. De
witte wijnen van Dragashani en Cotnar zijn dadelijk bij ons in de
gunst. Wij kunnen de roode wijnen minder prijzen, hoewel ze hier
veel lof inoogsten en men tracht, ze in waarde gelijk te stellen
met Bordeauxwijn. Ofschoon de Roemeniërs lofwaardige pogingen in het
werk hebben gesteld voor het welzijn van hun wijngaarden, ofschoon
ze zelfs uit Frankrijk veel wijnbouwers hebben laten overkomen, om
de roode wijnen te bereiden, toch zal de roemeensche wijn nooit met
den franschen kunnen wedijveren.

Te Sinaïa is het leven weelderig en duur; trouwens de rijke Roemeniër
geeft graag geld uit, hij houdt van mooie kleeding en van pleizier;
hij is een beschaafd man in elken zin des woords.

De wereld in dit hôtel is een officiëele wereld. Het is het hôtel der
gezanten en ministers. Er zijn hier roemeensche families, die op zeer
grooten voet leven en geheel in de mondaine wereld op hun plaats zijn.

De groote namen, die men hoort, doen mij denken aan een eigenaardige
bijzonderheid van den roemeenschen burgerlijken stand. Niet dat men
de echtheid van hun hooge afkomst behoeft in twijfel te trekken;
maar tot in den laatsten tijd bestond nog niet de erfelijkheid der
familienamen. Gewoonlijk noemde men zich maar doodeenvoudig Jan,
Filipszoon of Philepsco, zooals men in Servië Pavitsj zegt voor den
zoon van Paul. Ieder kan naar believen bij zijn voornaam den naam
van zijn buurman voegen, of zelfs dien van een vorst of een beroemd
generaal en dien tot zijn eigen maken, ook voor zijn erfgenamen die
hem wilden behouden. Zoodat die groote namen, die ons aan beroemde
personen doen denken, niet het idee moeten wekken, dat we ons in de
tegenwoordigheid bevinden van afstammelingen dier grootheden, doch
alleen van afstammelingen hunner bewonderaars, die den beroemden naam
hebben aangenomen.

Een verschrikkelijke storm met diluviaanschen regen heeft den geheelen
nacht onze vensters geschud, en 's morgens bij het opstaan zien wij
de treurig slikkerige wegen gehuld in een niets goeds voorspellenden
mist. Wat te doen in Sinaïa, als het regent? Er is geen kurzaal,
noch casino, en in de hôtels, die te klein zijn voor het aantal
reizigers, dat zich er ophoopt, vindt men slechts een klein lees-
en biljartzaaltje. Ondanks den fijnen, aanhoudenden regen besluiten
wij een exploratietocht te doen.

Bij het stijgen in de boschjes achter het hôtel komen we al spoedig aan
het klooster. In 1695 gesticht door Michaël Cantacuzenos, bestaat het
als alle kloosters van eenige beteekenis uit twee pleinen, waar rond
omheen de woningen der monniken en de bijgebouwen van het klooster
zich groepeeren. Midden op ieder van de beide pleinen staat een
klein byzantijnsch kerkje. Een werd op dat oogenblik gerestaureerd,
en dank zij der vrijgevigheid van den koning kan de restauratie zeer
goed geschieden.

Lang diende het klooster in troebele tijden als schuilplaats voor de
bewoners van het laagland, die in de bergen een toevlucht zochten,
terwijl het tevens gastvrijheid bood aan reizigers.

Toen koning Karel en koningin Elizabeth, aangetrokken door de machtige
bekoring en de vreemde poëzie van het woud te Sinaïa, voor de eerste
maal er een deel van den zomer kwamen doorbrengen, namen zij hun
intrek in een der bijgebouwen van het klooster.

Eerst na eenige jaarlijksche bezoeken besloten zij in een liefelijk
dal achter het klooster een paleisje te bouwen, dat door den kunstzin
en den goeden smaak der koningin een der juweeltjes van Roemenië
werd. Weldra werd het voorbeeld gevolgd, en midden in het bosch
verrezen aan alle kanten sierlijke villa's en optrekjes. De regeering
bouwde een paar hôtels voor reizigers, en het begin van Sinaïa was er.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, heet naar den berg waarop
het ligt. Uit de verte gezien, treedt het naar voren uit een dicht
dennebosch, dat de rooskleurige rotsen van het Bucegi-gebergte
kroont. Het prachtige gebouw van steen en hout, waar gothische
en byzantijnsche elementen in vereenigd zijn, is een harmonieus
geheel, met sierlijke torentjes, mooie balcons en terrassen, een
dichterdroom van de kunstenares Carmen Sylva. Inderdaad, wie Sinaïa
noemt, roept dadelijk zich het beeld van de vorstin voor oogen, van
haar, die dit lustoord in het leven riep. De koningin van Roemenië is,
zooals ieder weet, een dier superieure vrouwen, die van kunst, poëzie
en melancholie leven. Zij is graag in het woud, kent er alle paden,
en om er naar hartelust te kunnen droomen, heeft zij zich een hoog
verblijf laten inrichten, een huisje, hangend in de boomen hoog op den
top van een der bergen, die Sinaïa omgeven. Het Nestje der Koningin,
zoo noemt men hier die plek. Van daar overziet zij den gansenen omtrek.

Eenige jaren geleden zag men haar dikwijls met de dames van haar
gevolg gekleed in de nationale kleederdracht, die zoo goed past bij
haar hooge, majestueuse gestalte. Maar de poging, om het bekoorlijke
costuum weer in eere te brengen onder de deftige dames, heeft niet
het succes gehad, die de sierlijke witte, met byzantijnsch borduursel
getooide dracht verdiende.

De roemeensche dames, minder dichterlijk van aanleg dan haar
souvereine, worden bekoord door de parijsche modes, en men ziet heel
zelden de nationale kleeding meer te Sinaïa. Eigenlijk treft men die
alleen aan als historische merkwaardigheid en wel vooral op de markt,
die des Zondagsmorgens gehouden wordt in de groote laan. Boerinnen
spreiden er op het gras langs den weg en op de hekken der tuinen
de mooie borduursels uit, doorschijnende sluiers, halsdoekjes en
lijfjes met rijke patronen en andere fraaie toiletartikelen. Sinaïa is
eigenlijk een wonderlijke badplaats! Men zou er dépendances verwachten
van alle groote huizen te Boekarest en winkels, waar de elegante
dames al haar luimen konden bevredigen, maar er is niets van dat alles.

Wij hebben het dorp Sinaïa bekeken. Het bestaat enkel uit een
kronkelende, sterk hellende straat. Een gewone kruidenierswinkel is
er, met een paar winkeltjes van visch en groenten. Te Sinaïa boven
vindt ge een kapper, een photograaf en een paar banketbakkers; maar
artikelen van dagelijksch gebruik kan men er niet krijgen.

Wat de bijzondere aantrekkelijkheid van de plaats uitmaakt, zijn
de verrukkelijke wandelingen, die men in 't oneindige variëeren
kan in de dalen en op de hellingen der bergen. Bij het verlaten
van den grooten weg is men dadelijk op goed onderhouden voetpaden,
die tot in het diepste van het woud voeren, en hier begrijpt men de
koninklijke gril van Carmen Sylva; men kan zich niets woesters en
dichterlijkers en idealers denken. Dit is het maagdelijke woud in
den besten zin. Boomen van zes meters in omtrek en vijftig meter
hoog staan er in grooten getale. Meest zijn het dennen en beuken,
die met hun groen de bergen tot groote hoogte bedekken.

De grond is geheel bedekt met heide en mos. Hier en daar blijven
omgevallen stammen op den bodem liggen, zooals de storm ze velde. De
koning, tot wiens domeingoederen het bosch behoort, wil niet, dat
iemand eraan raakt.

Elk voetpad leidt naar een mooi uitzicht. Het toeval voert ons naar de
Promenade der H. Anna aan de grenzen van het woud. Boven ons hoofd op
een kalen top van rood gesteente, die wel ontoegankelijk lijkt, staat
een sierlijk paviljoentje, dat ons schijnt uit te tarten. Maar 't is
al laat, en het weêr is onzeker. Wij durven ons niet verder wagen.

Op regendagen is het stil en somber te Sinaïa; maar als de zon
schijnt, hoort men overal muziek in de tuinen, militaire muziek en
Zigeunerliederen, die de echo's wekken van de donkere bergen.

Het kroondomein heeft overal een goeden invloed op de
boerenbevolking. Door de vele scholen, die het bestuur der domeinen
opricht, ook vak- en landbouwscholen, worden de boeren op de hoogte
gebracht van een rationeele manier om den grond te bebouwen en gebruik
te maken van machines en andere verbeteringen. Zij krijgen onderricht
in de behandeling van het vee en van allerlei aanplantingen. Alle
pogingen worden door de kroon in het werk gesteld voor de verheffing
van den boerenstand.

In den loop zijner regeering heeft de koning veel wegen laten
aanleggen, en hij heeft daarbij dikwijls een beroep gedaan op
buitenlandsche ingenieurs, ook voor den aanleg van spoorwegen. Niets
wordt verwaarloosd, wat den boer vooruit kan brengen en hem in staat
stelt zijn woning gezonder en zijn leven rijker te maken. Maar de
slavernij heeft diepe sporen nagelaten, en al zijn sommige streken,
vooral die tusschen Predeal en Boekarest, krachtig ontwikkeld, aan de
bergachtige randen van Roemenië is de bevolking nog niet veel verder
gekomen, dan zij was onder de turksche heerschappij.



Kijkjes in een mooi werk over Chili

Marie Robinson Wright



Aan de vrouwen van Chili draagt "met waardeering en bewondering van
haar uitstekende hoedanigheden van geest en hart" de schrijfster, Marie
Robinson Wright van Philadelphia, haar groot werk _The Republic Chile_
op. Het rijk uitgemonsterde en keurig uitgegeven boek is tegelijk te
Philadelphia en te Londen verschenen. Het geeft geen reisverhaal,
maar behandelt in een reeks van aangenaam geschreven hoofdstukken
Chili's geschiedenis en zijn tegenwoordige regeering, zijn financiëelen
toestand en zijn buitenlandschen handel, de hoofdstad Santiago en den
heuvel Santa Lucia, de vloot, het leger, het maatschappelijk leven,
kerken en liefdadigheid, de universiteit met bibliotheken en musea, het
opvoedingssysteem en den stand van schilder- en van beeldhouwkunst. 't
Gewaagt van de drie zones, waarin Chili natuurkundig en dus ook uit het
oogpunt van zijn flora en zijn fauna te verdeelen valt, van Valparaiso,
Chili's eerste handelsstad, en van het chileensch Trouville, 't mooie
Vina del Mar; van 't leven op een hacienda, van de wijnproductie en
de warme bronnen; van den rijkdom aan salpeter en de Lota-mijnen;
van de opbrengst aan delfstoffen als goud, zilver, ijzer, koper en
steenkool; van spoorwegen en stoombooten, landbouw en industrie, en ten
slotte van die verre zuidelijke streken in de langgerekte republiek,
Patagonië met Punta Arenas, Vuurland en het eenzame Juan Fernandez.

Wellicht zal het den nederlandschen lezer thans in 't bijzonder
interesseeren, nu onze minister van Waterstaat er vertoeft om het
land van zijn bekwaamheid als ingenieur te doen profiteeren volgens
een reeds vroeger aanvaarde verplichting.

Wij zullen hier en daar een greep doen uit de rijke stof, die door
de schrijfster degelijk wordt beheerscht, hetgeen niet behoeft
te verwonderen, daar zij vijf jaren aaneen in Zuid-Amerika heeft
gereisd en groote tochten ondernam van den Boven-Amazonenstroom tot
Vuurland en van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan. Driemaal deed
zij de spoorreis over de Andes-keten, en Chili trok haar van alle
zuid-amerikaansche republieken het meest aan. Daar bracht zij twee
jaren door en leerde er land en volk grondig kennen. Beide looft
en prijst zij, en het is haar een genoegen, heldere denkbeelden
over de interessante republiek en hare hulpmiddelen te mogen helpen
verspreiden.

"Het doet mij leed," schrijft zij, "dat ik, bij de meer uitvoerige
behandeling van Chili's jongste geschiedenis, genoodzaakt ben geweest,
de annalen van het roemrijke verleden kort samen te vatten. Daar toch
vindt men in overvloed bewijzen van groote dapperheid en opofferende
vaderlandsliefde. Dezelfde karakteristieke trekken, die het chileensche
volk sterk hebben gemaakt in de verdediging zijner nationale rechten,
hebben het ook de geestkracht en den ondernemingslust gegeven, die
noodig zijn, om het in handel en industrie tot een flinke hoogte te
brengen, en er is thans geen enkel land in Zuid-Amerika, waar de
algemeene vooruitgang gestadiger en degelijker is geweest en waar
men zijn betrekkingen tot buitenlandsche machten op beter en hechter
grondvesten heeft kunnen bouwen. Wat intellectueele beschaving betreft,
nemen de Chileenen een eereplaats in onder de meest vooruitstrevende
volken, en hun geleerden, schilders en beeldhouwers hebben zich naam
gemaakt in de hoogste kringen van Europa en Amerika."

De vooruitzichten zijn bijzonder gunstig voor den vooruitgang van
de republiek, want de twintigste eeuw ziet den handel meer dan ooit
vroeger zijn aandacht wijden aan de havens van den Stillen Oceaan.

Aan Santiago valt daarbij een eereplaats ten deel, de mooie stad
met haar witte kroon van de Andesketen. De stad ligt in prachtige,
schilderachtige omgeving, als een koningin in een reuzenkasteel,
haar door de natuur geschonken, waar de muren van het onvergankelijke
graniet der Cordillera's opgetrokken zijn, en torens tot den hemel
reiken. Zij ligt open naar het Westen, als wachtte zij van daar de
groote toekomst, die in dit land van belofte voor haar is weggelegd. En
van de met sneeuw bedekte toppen achter haar, die scherp tegen den
blauwen hemel afsteken, ligt zonder eenige begrenzing vóór haar de
eindelooze Stille Oceaan, waar geen vreemde mogendheid de uitbreiding
van Santiago's handel kan beperken.

Het is onmogelijk, zich een liefelijker beeld te denken, dan dat,
hetwelk Santiago aanbiedt bij zonsondergang, als de stad gehuld is
in het purper en het goud, dat op de Andestoppen straalt en hen
in warmen gloed zet. Er is iets, dat aan Rome herinnert in deze
chileensche hoofdstad met haar mooien heuvel, die als een koepel van
een kerk midden uit haar straten oprijst; maar terwijl de heuvel van
het Quirinaal de macht en 't aanzien van het koningschap belichaamt,
is Santa Lucia, de tegenhanger in Chili, een symbool van den geest der
vrijheid, heerschend in de Nieuwe Wereld. De paleizen van grooten en
van souvereinen worden hier vervangen door de schouwburgen en villa's
van een vrij en onafhankelijk volk.

De Alameda is wel genoemd de Via Appia van dit westersch Rome. In de
dagen, toen Chili nog een spaansche kolonie was, hielden de spaansche
gouverneurs langs dien weg hun luisterrijken intocht. Later, in de
opwindende dagen van den vrijheidsoorlog, hadden de overwinnende
legers hier het eerst de welkomstgroeten in ontvangst te nemen, die
hen later zoo overvloedig op de openbare pleinen der hoofdstad te
beurt vielen. Langs dezen weg, die nu de mooiste straat der stad is,
treedt ook tegenwoordig de bezoeker Santiago binnen in de schaduw
van statige boomen, voorbij fonteinen en standbeelden en prachtige
bloemen, bekoord door het fraaie uitzicht op den Santa Lucia met de
trotsche toppen der Cordillera's op den achtergrond.

Die Alameda de las Delicias is bijna drie mijlen lang en
driehonderdvijftig voet breed en loopt door de stad van Santa Lucia
naar het Centrale Spoorwegstation. Van een eenvoudigen straatweg
naar de oude koloniale hoofdstad is het de voornaamste boulevard der
moderne metropolis geworden, die zelve zich uit een plaatsje van weinig
beteekenis tot een der meest bekoorlijke steden heeft ontwikkeld.

Gelegen in het dal der Mapocho, heeft de stad vroeger veel te lijden
gehad van de overstroomingen der rivier, en eerst door de geheele
kanalizatie van het rivierbed, die in 1891 werd voltooid, is de
tegenwoordige toestand verkregen, waardoor men voor alle invloeden
van storm en overstrooming veilig is.

Vóór den onafhankelijkheidsoorlog, waardoor op 18 September 1810
de republiek Chili werd geboren, was Santiago niet veel meer dan
een spaansch dorp, bestaande uit huizen van één verdieping en met
geen andere aantrekkelijkheid dan een paar pleinen en parken en de
particuliere patio's, bekend uit alle spaansche steden. De plaats
breidde zich gaandeweg uit, maar altijd naar gewone, traditioneele
begrippen, zonder de moderne verbeteringen der steden van den nieuweren
tijd. De Alameda de las Delicias was gedurende twee eeuwen na de
verovering een gewone weg, belangrijker wordend, naarmate de stad
zich uitbreidde, maar toch geen drukke verkeersweg.

Daar zij was aangelegd in de oude bedding van een tak der Mapocho,
werd de Almeda met haar moerassigen grond en oneffen bestrating eerder
beschouwd als een gebrek dan als een sieraad van de hoofdstad. De
mooiste straat in koloniale tijden en de populaire wandelweg was de
Paseo de la Piramide, die langs den zuidelijken oever van de Mapocho
liep en door treurwilgen werd ingesloten.

Eerst in de laatste helft der 19de eeuw had de verandering plaats,
die de hoofdstad maakte tot de tegenwoordige moderne stad met
haar welonderhouden parken en pleinen, mooie huizen en breede
straten. Tijdens het bestuur van Don Benjamin Vicuna Mackenna werd
de stad in 1872 geplaveid en kreeg een betere verlichting, de Alameda
werd verbeterd en de Santa-Luciaheuvel werd van een onoogelijke hoogte
midden in de stad tot een heerlijk park. Deze verbeteringen waren
noodzakelijk geworden met den nieuwen stijl en de sierlijkheid der
rijke woonhuizen en der openbare gebouwen van de stad. Het vroegere
verouderde voorkomen maakte plaats voor de moderniteit van heden,
en de toewijding der bewoners van Santiago aan hun stad bleek uit tal
van particuliere bijdragen voor de verfraaiing. Zoo is het geliefde
Cousino-park genoemd naar den schenker, den millionair Don Luis
Cousino, die den grond aan de gemeente afstond.

Het groote fortuin van de Cousino's werd een halve eeuw geleden
gemaakt, toen de chileensche kapitalist de groote onderneming waagde
van de exploitatie der steenkolenmijnen in het Lotadistrict. Lota
is nu het bloeiende middelpunt van een nijverheidsgebied en ligt
dichtbij Coronel in de provincie Concepcion. De geheele bevolking
van 15000 zielen is afhankelijk van de mijnmaatschappij, waarin de
familie Cousino den toon aangeeft. Senor Don Matias Cousino kocht in
1852 den grond en begon terstond op energieke wijze de exploitatie.

Bij zijn dood, tien jaren later, ging de bezitting over in handen
van zijn zoon Senor Don Luis Cousino, die in 1869 de maatschappij
Esplotadora de Lota y Coronel stichtte en 't grootste getal aandeelen
zelf behield. Hij bracht de onderneming tot groote hoogte en veel
andere giften aan de gemeenschap getuigen, met het Cousino-park
in Santiago, van zijn mildheid. Zijn weduwe Senora Dona Isidora
Goyenechea de Cousino kocht alle aandeelen op en werd eenige
eigenares van de Lota-maatschappij. Zij was een tijdlang de rijkste
vrouw ter wereld, toen haar vermogen op zeventig millioen dollars
werd geschat. Eenige malen stak zij den oceaan over, om eenigen
tijd in Europa te vertoeven, en in Parijs was zij als de door de
fortuin meest begunstigde vrouw bekend, terwijl de _Rue Lota_ naar
haar werd genoemd. Met haar eigen schip deed Senora Cousino een reis
naar het Oosten, bezocht de Sandwich-eilanden en werd overal als een
koninklijke gast gehuldigd. Bij haar dood in 1898 werd de bezitting
geërfd door haar zes kinderen, van wie vier, Don Alberto, Don Carlos,
Dona Adriana en Dona Loreto, nog in leven zijn.

Het stadje Lota ligt op vijf mijlen afstands van Coronel, waarmee het
door den Arauco-spoorweg is verbonden. Het is verdeeld in Lota Alta
of de bovenstad en Lota Abajo, de benedenstad aan den voet van den
heuvel. De bovenstad behoort aan de Compania Esplotadora de Lota,
en men vindt er de kantoren der maatschappij met de woningen der
beambten en werklieden, hun kerk en school en hospitaal. In een kleine
dagreis per spoor bereikt men Santiago, waar de eigenaars der mijnen
resideeren. Maar te Lota hebben zij ook een paleisje met een prachtig
park, dat met de grootste zorg wordt onderhouden, in tegenstelling
met het huis, dat na den dood van Senora Cousino onbewoond is gebleven.

Maar om op Santiago en de Alameda terug te komen, die rijweg is de
bekoorlijkste van alle zuid-amerikaansche _paseo's_. Men ziet er
niet enkel weelde en mooie equipages, maar tevens is men er als in
een museum, in Chili's _Ruhmeshalle_, niet besloten binnen vier muren,
maar in de open lucht tusschen boomen en bloemen, fonteinen en vijvers,
waar de vogels zingen, en de kinderen spelen en waar de geschiedenis,
verteld in brons en marmer, de menschen kan opwekken tot moed en
vaderlandsliefde. Het edele voorbeeld van de vereeuwigde helden
wordt er den jongen menschen voortdurend voor oogen gesteld. Niet
alleen als werken van kunst wekken de standbeelden en de monumenten
van de Alameda onze bewondering, maar ook als blijken van de nobele
gevoelens der natie, die dit middel heeft te baat genomen, om haar
dankbaarheid te toonen jegens de helden uit de bevrijdingsoorlogen.

Een trotsch monument herinnert aan den grooten generaal Don José
San Martin, te paard voorgesteld met het vrijheidsvaandel in de
rechterhand. Het werd onthuld op 5 April 1863, den verjaardag
van Maipo. Die slag van 5 April 1818 in de vlakte van Maipo,
eenige mijlen ten zuiden van de hoofdstad, was een schitterende
overwinning van de republikeinen over het leger van de royalisten,
tegen wie de jonge republiek zich telkens weer had te wapenen na
haar onafhankelijkheidsverklaring.

Een ander ruiterstandbeeld is er verrezen voor den grootsten
chileenschen generaal Bernardo O'Higgins, wiens dapperheid en
vaderlandsliefde indrukwekkend gesymbolizeerd zijn in de bronzen
figuur, die hem voorstelt, zooals hij Rancagua ontruimt met zijn
dappere soldaten en, wijzend op Santiago, uitroept: "Wij geven noch
vragen kwartier". Het standbeeld staat op een voetstuk van wit
marmer met basreliefs, die de belangrijkste gevechten weergeven,
waarin generaal O'Higgins zich onderscheidde.

De vader van dezen generaal was Ambrosio O'Higgins, die in 1788 door
den koning van Spanje tot gouverneur van Chili benoemd was. Hij zocht
niet, als zijn voorgangers, onophoudelijk zijn voldoening in den
strijd tegen de Araucaniërs, de oorspronkelijke bevolking, maar hij
trachtte den vrede te bevestigen en het land tot bloei te brengen. Hij
was Ier van geboorte, ging naar Spanje en vestigde zich als koopman in
Peru. Hij verloor zijn vermogen, stelde zich in dienst des konings en
ging naar Chili. Zijn eerlijkheid en zijn scherp verstand vestigden
de aandacht op hem en in een voorspoedige carrière bracht hij het
tot het ambt van gouverneur van Chili. De noordelijke provincies,
die over 't geheel verwaarloosd waren, bezocht hij in persoon, deed
onderzoekingen in de woestijn van Atocama en keerde over Valparaiso
naar Santiago terug.

Als gevolg van die reis kwamen er een groot aantal verbeteringen in
den toestand der Indianen, die op het land of in de mijnen werkten, en
zijn uitstekend bewind bleek ook uit de wijze, waarop hij tegenover de
Araucaniërs handelde. Hij verbood, hen zonder noodzaak aan te vallen
of te beleedigen, en ofschoon de troepen ten allen tijde op oorlog
voorbereid moesten zijn, mocht geen poging worden verzuimd, om den
vrede te handhaven. De uitslag bewees, hoe beleidvol zijn optreden was,
want de Indianen, die zagen hoe de Spanjaarden op hun hoede waren,
zorgden wel, dat ze geen aanval waagden, en in het veilige gevoel,
dat hen geen gevaar dreigde, als zij zich rustig hielden, begonnen ze
hun velden ijverig te bebouwen. Aan de openbare wegen liet gouverneur
O'Higgins groote zorg besteden, en tegen de overstroomingen der
Mapocho beveiligde hij de hoofdstad door doelmatig aangebrachte dammen.

In 1789 vaardigde hij een decreet uit, waarbij alle indiaansche slaven
vrij werden verklaard, hoewel hij de landeigenaars daardoor tegen
zich in het harnas joeg en zich den haat op den hals haalde van de
eigenaars der mijnen, waarin slaven werkten. Het belastingstelsel
onderging allerlei verbeteringen en altijd was hij in de weer, den
weg te effenen voor handel, industrie en landbouw.

De hoogste positie, die de kroon in die dagen in Zuid-Amerika te
vergeven had, viel hem als blijk van de bijzondere tevredenheid
des konings in 1795 ten deel, namelijk den post van onderkoning van
Peru. Het volgend jaar reisde hij naar Lima, maar hij liet in zijn
geliefd Chili zijn zoon Bernardo achter, die bestemd was, zulk een
groote rol te spelen in de latere politiek van Chili. Hij toch werd een
der helden uit den vrijheidsoorlog, een der stichters van de republiek.

Want door de grootere ontwikkeling in staatkundig en maatschappelijk
opzicht, door het betere onderwijs vooral, begonnen de Chilenen
het onrecht in te zien van sommige spaansche regeeringsmaatregelen
en van het dwangstelsel, dat hen in allerlei richting hinderde in
den vooruitgang. Bemoeilijking van den handel, overmatige invloed
van de geestelijkheid, verbod van lectuur, gemis aan vrijheid van
drukpers en van vereeniging en vergadering, dat alles werd meer
en meer als een belemmering gevoeld, vooral na de ontroerende
voorbeelden van den vrijheidsoorlog in Noord-Amerika en van de
Fransche Revolutie. De begeerte, om meer te weten te komen van de
buitenwereld, was een prikkel tot het koopen der verboden lectuur
en gaf tevens een verklaring van de populariteit der _tertulia's_
of avondbijeenkomsten in de salons der personen, die in Europa hadden
gereisd en op de hoogte waren der nieuwere vrijheidsbegrippen, en de
boeken der bekende fransche schrijvers uit die dagen hadden meegenomen.

Tijdens de regeering van gouverneur Carrasco, van 1808 tot 1810,
nam de zucht naar vrijheid een meer definitieven vorm aan; Napoleons
verovering van Spanje en de gevangenneming van den spaanschen koning
steunden den geest van vrijheid, en op 16 Juni 1810 moest gouverneur
Carrasco afstand doen, vooral onder pressie van den _cabildo_ of het
stadsbestuur van Santiago.

Er werd een Administratieve Raad gekozen, die de regeeringsmacht zou
in handen hebben tot een Nationaal Congres bijeengekomen zou zijn,
om den regeeringsvorm vast te stellen. De openbare vergadering van 18
September 1810 besloot tot de instelling van de Junta Gubernativa,
de eerste onafhankelijke regeering in Chili. Een dag van glorie
was die geboortedag der republiek, de opwinding in de hoofdstad
was buitengewoon groot en de straten waren vroolijk en luidruchtig,
overstraald door de lichten der illuminatie, omgolfd door de tonen
der muziek.

Enkele maanden later kwam het eerste Congres, de vergadering van
afgevaardigden des volks bijeen. Onder de allereerst aangenomen wetten
was er een tot volkomen afschaffing der slavernij. Tot eer van de
jonge natie zij gezegd, dat nu zij zelve als volk haar vrijheid had
gewonnen, zij ook begeerde, dat ieder individu op chileenschen grond
de rechten van de vrijheid zou genieten. Van de republiek Chili kan
evenals van Mexico worden gezegd, dat haar vrije vlag nooit boven
slaven heeft gewapperd.

Toen kwam er echter, als zoo dikwijls in dergelijke omstandigheden,
persoonlijke eerzucht in het spel, die dreigde, 't goed begonnen werk
te storen, en bij de twisten en oneenigheden tusschen de leiders van
het burgerlijk bestuur moest men gedoogen, dat een spaansch leger
uit Peru een inval deed, om het land voor Spanje te heroveren.

In Januari 1813 landden de spaansche troepen onder generaal Pareja te
Ancud op het eiland Chiloë en spoedig daarna te Valdivia, Talcahuano en
Concepcion. In die meer afgelegen provincies waren, als indertijd in
de Vendée in Frankrijk, veel royalisten, die zich nu bij de spaansche
troepen voegden en op de hoofdstad Santiago aantrokken.

Doch de voortgang van Pareja's leger werd gestuit te Chillan door het
patriottenleger onder generaal Carrera, die al spoedig als bevelhebber
plaats maakte voor O'Higgins, wiens talenten de aandacht van de Junta
hadden getrokken en die in den strijd veel steun vond bij kolonel Juan
Mackenna. Er werd een wapenstilstand gesloten, dat men de legers zou
kunnen reorganizeeren, en op 1 October 1814 werd de strijd hervat met
het gevecht bij Rancagua, toen het spaansche leger, dat versterking
uit Peru had gekregen, onder generaal Osorio tegen O'Higgins optrad
met een vijfmaal zoo sterke macht als die der republiek.

Er volgde een noodlottige nederlaag na een tweedaagschen strijd en
een heftige verdediging van Rancagua, waarna de spaansche generaal
er zijn intocht hield en O'Higgins zijn beroemden terugtocht ondernam.

Weldra volgde de intocht der Spanjaarden in Santiago en drie jaren
lang heerschten zij opnieuw over Chili.

Die jaren waren echter de voorbereiding voor nieuwen strijd, en de
beide helden O'Higgins en generaal San Martin wachtten met andere naar
Argentinië uitgewekenen den geschikten tijd af. In Januari 1817 begon
de marsch over het Andesgebergte door den Uspallata-pas. Het was een
lange en moeilijke tocht, maar de uitslag van het op 12 Februari bij
Chacabuco geleverde gevecht beloonde de moeite. Daar werd opnieuw voor
de vrijheid van Chili met schitterenden uitslag gestreden, en het daar
gegeven voorbeeld werkte aanstekelijk in de andere zuid-amerikaansche
koloniën van Spanje.

Nog eenmaal probeerde een spaansch leger de herovering. Generaal San
Martin trok het tegemoet, en in de vlakte van Maipo, enkele mijlen
ten zuiden van de hoofdstad, had op 5 April 1818 een beslissende slag
plaats, die den royalisten alle verdere kansen ontnam.

O'Higgins was tot Opperdirecteur van den Regeeringsraad benoemd en
leidde het bestuur in Chili tot 1823. Hij was met dictatoriale macht
bekleed en velen verweten hem een te eigenmachtig optreden. De held
van Chacabuco moest zijn gezag neerleggen en generaal Ramon Freire
nam zijn plaats in. O'Higgins stierf een jaar later. Een praalgraf op
het kerkhof van Santiago wijst de plaats aan, waar hij ligt begraven
en, zooals wij reeds zagen, op de Alameda van Santiago staat zijn
ruiterstandbeeld.

Het eigenlijk middelpunt der hoofdstad is de Plaza de la Independencia
of de Plaza de Armas. Bloemen vormen het centrum van dat plein,
waaromheen men fraaie gebouwen ziet als de kathedraal en het
bisschoppelijk paleis, het postkantoor, 't gemeentehuis, telegraaf
kantoor e.a. Twee der zijden worden door winkels ingenomen, onder hun
schilderachtige booggalerijen, de _portales_. 's Avonds wandelt er
de deftige chileensche wereld, zooals in andere spaansche landen ook
de _paseo_ of wandeling op de Plaza een dagelijksch verschijnsel is.

Een droevige gebeurtenis had op het plein plaats in 1863, toen een
vreeselijke brand de Compania-kerk verwoestte, bij welke gelegenheid
meer dan duizend menschen, voor het meerendeel vrouwen, omkwamen. De
stad is meermalen door hevige branden geteisterd. Nog pas, op 27
Februari van dit jaar 1906, brandde de schouwburg van San Martin af,
waarbij ook eenige dooden vielen te betreuren en honderden gekwetst
werden.

Het nieuwe Congresgebouw, ook aan het plein, werd juist gebouwd,
toen de brand der Compania-kerk voorviel; toen het in 1875 voltooid
was, besloeg het mee de terreinen, die door den kerkbrand vrijgekomen
waren. Het is een der fraaiste openbare gebouwen van Zuid-Amerika. Ook
het Caso de Moneda, de Munt, maakt veel indruk, vooral door zijn
grootte; het bevat ook de gouvernementszalen voor den ministerraad. De
vele _patio's_ of binnenpleinen, tusschen de afzonderlijke gedeelten,
verminderen de strenge somberheid van het zware monumentale gebouw.

Rondom Santiago zijn allerlei aardige plaatsjes gelegen, die men per
tram of trein of omnibus bereiken kan. Apoquindo is allerliefelijkst
gelegen als in een nestje tusschen heuvels. San Bernardo is een
schilderachtig stadje te midden van weiden en dicht genoeg bij de
Cordillera's, om 't genot te hebben van den koelen bergwind. Ook
Santiago, dat bijna twee duizend voet boven het niveau der zee ligt,
kan zelfs midden in den zomer koel zijn, want de grootste bekoring
van Santiago is niet gelegen in de mooie huizen en de statige
openbare gebouwen, ook niet in de aangename omgeving, maar in de
onvergelijkelijke atmosfeer. Zoowel de winters als de zomers hebben een
prettige temperatuur, ondanks de dichte nabijheid van de Cordillera's,
die vele maanden van het jaar een zwaren mantel van sneeuw dragen en
welker hoogste toppen onder eeuwige sneeuw verscholen liggen.

Als een gulden lint omboordt Chili een groot deel van de kust
van Zuid-Amerika. Het is een verwonderlijk smal land, bijna drie
duizend mijlen lang en minder dan gemiddeld honderd mijlen breed. Uit
natuurkundig oogpunt biedt het de grootste verscheidenheid aan. In
't Noorden de groote, woeste salpeterdistricten, in Midden Chili
de prachtige, begroeide berghellingen met wijngaarden en heerlijke
oofttuinen, zonnige korenvelden, en in het Zuiden de woeste fjorden aan
de straat van Magellaens, met Vuurland en de verlaten eilandenwereld
er omheen.

Ook het klimaat van Chili biedt groote verschillen aan, niet enkel
doordien het zich over dertig breedtegraden uitstrekt, maar ook door
den invloed van de winden der Cordillera's en de zeestroomingen
van den Grooten Oceaan. In het Noorden wisselt de temperatuur het
geheele jaar door binnen een verschil van niet meer dan tien graden
Celsius. Er valt bijna geen regen ten noorden van 27° Z.B., en in de
woestijn bij Tarapaca is de laatste hevige regenval bijna honderd
jaar geleden. Door zwaren dauw wordt echter de grond er nu en dan
bevochtigd. De koude stroom van den Zuid-Pacifischen Oceaan oefent
in den zomer een verkwikkenden invloed uit op de temperatuur, zoodat
de hitte nooit buitengewoon groot is.

In Midden-Chili is het klimaat gematigd en heerlijk; men kan juist
even de vier jaargetijden onderscheiden, maar groote verschillen
merkt men niet. Het regent alleen een weinig in den winter, en sneeuw
valt zelden elders dan op de bergen. Zoowel aan de kust als in het
binnenland is het land zeer gezond.

In het Zuiden regent het in iedere maand en den grootsten tijd van
het jaar is de lucht bewolkt. Vooral geldt dit voor de streek rondom
Valdivia en Chiloe; in de Straat van Magellaens sneeuwt het veel in
den winter, die van Mei tot Augustus duurt.

Door de geheele lengte van het land strekken zich twee bergketenen
uit, het Andesgebergte en het Kustgebergte, met kortere transversale
ketenen daartusschen, zoodat als men het groote centrale dal volgt,
dat van het Noorden naar het Zuiden loopt, men dat in een aantal
kortere dalen gesplitst vindt, terwijl dwarsdalen van de Andes af de
zee bereiken. Het resultaat is een groote verscheidenheid van heuvels
en dalen.

De Atacama-woestijn in het Noorden is, hoe woest en verlaten ook,
niet zonder schilderachtigheid. De kale rotsen en de enkele afgelegen
bosschen omgeven de roodbruine vlakte, en in de nauwe kloven en dalen,
waar als-het-ware een lint van groen langs de rivieren ligt, treft
de frischheid door de tegenstelling met de omringende dorheid.

Slechts twee belangrijke rivieren vindt men in de provincie Tarapaca:
de Camarones en de Loa met hun zijtakken, en twee in de provincie
Atacama de Huasco en de Copiapo. Het landschap in de bergstreken van
Coquimbo is prachtig, en waar de rivieren de Coquimbo, de Limari en
de Choapa vloeien, treft men boomgaarden en schoone boerenhofsteden
aan. De vruchtbaarheid van deze provincie en de rijkdom aan mineralen
maken haar tot een kostbare schatkamer voor de republiek. De valleien
van de Huasco en de Elqui zijn beroemd om hun edele druiven, en een
groot aantal wijngaarden bedekken er de berghellingen. De provincie
Coquimbo heeft voor een deel den aard van het noordelijke gebied en
voor een ander deel dien van Centraal Chili, daar zij zoowel minerale
producten als landbouwvoortbrengselen oplevert. Het klimaat heeft er
sommige eigenaardigheden van de regenlooze streken, ofschoon met eenige
wijziging. Drie of vier dagen van regen nu en dan is het allermeeste,
wat er valt, en een gansche week van regen is iets ongehoords. Verder
naar het Zuiden, te beginnen in de provincie Aconcagua, zoo genoemd
naar den hoogsten top der Andesketen, beroemd geworden door de
beklimmingen van Sir Martin Conway, den heer Fitzgerald en den heer
Rankin, wordt de groote middenvallei breeder en zet zich voort over
de geheele lengte van Chili tot bij den Chiloë-archipel.

Sommige geologen meenen, dat de eilanden van den archipel van
Patagonië een voortzetting zijn van het kustgebergte, en dat de zee,
die ze scheidt van het vaste land, een ondergeloopen voortzetting
is van het centrale dal. Dat dal is nergens schooner dan bij zijn
begin. Het landschap is er boven alle beschrijving prachtig. In
deze provincie ligt het schilderachtige dal Llai-Llai, of "hevige
wind", zooals de indiaansche naam luidt, besproeid door de rivier de
Aconcagua, die langs den noordrand vloeit. Deze rivier, die op den
berg van denzelfden naam ontspringt, stroomt door een groot deel der
provincie. Het is een forsche stroom, snel vlietend door de hoogere
Cordillera's, waar hij bewonderd wordt door alle reizigers, die van
Argentinië naar Chili reizen over den Uspallata-pas.

De plantengroei is weelderig in de middenvallei, waar veel aan wijnbouw
wordt gedaan en waar men tallooze _hacienda's_ of landgoederen
vindt. Sommige daarvan hebben een groote uitgestrektheid; er wordt
aan veeteelt gedaan en men ziet er korenvelden en olijvengaarden, met
prachtige lanen van populieren er omheen. Rivieren en meren geven hier
afwisseling aan het landschap en zijn voor de vruchtbaarheid van den
grond van de grootste beteekenis. Het tegenwoordige besproeiingsstelsel
dateert al uit den spaanschen tijd, ja was reeds bij de Indianen in
gebruik vóór de verovering. De waarde van een farm wordt berekend
niet naar haar grootte, maar naar de hoeveelheid water, die voor
irrigatie dienen kan.

De rivier de Maipo besproeit de provincie Santiago en over haar
geheele lengte verschaft zij water aan vele der beste landerijen en
wijngaarden. De groote _hacienda's_ Puenta Alto, Santa Ines, Guindos,
Buin en Hospital worden door deze rivier besproeid, die bij de kleine
haven San Antonia de zee bereikt, even ten zuiden van Valparaiso. De
Mapocho, een zijtak van de Maipo, stroomt door Santiago, en is door
een aantal mooie bruggen overspannen.

Van de vrij groote meren in de Cordillera's is het Zwarte Meer of de
Laguna Negra het best bekend als de bron der Maipo en omdat het gezien
kan worden door de reizigers, die den Cumbrapas overgaan. Andere meren
zijn het Yeso-meer in de hoogere Cordillera's, en het Aculeo-meer
aan den voet der kustketen. Het laatste, zestien vierkante mijlen
groot, wordt druk bezocht, om de goede vischgelegenheid, die het
water aanbiedt, en om de rijke jachtterreinen in den omtrek.

Overal in die middenprovincies Santiago, O'Higgins, Colchagua, Curico,
Talca, Maule, Linares en Nuble wordt het landschap verfraaid door
heuvels, dikwijls met prachtige bosschen bedekt. Mooi is ook daar de
rivier, de Maule, de eenige, die over een vrij groote lengte bevaarbaar
is en den Stillen Oceaan bij de haven Constitucion bereikt. De streek,
waardoor zij loopt, is een tuin gelijk, en in den zomer is over de
geheele lengte van haar dal de oever bedekt met bloeiende boomen
en struiken. De monding van de Maule is beroemd om de rotsen en
klippen, die hooge zuilen en pilaren vormen, vreemd uitgesleten door
de werking van de winden en getijden. De _Piedras de las Ventana's_
of Vensterrotsen vertoonen de grilligste vormen, en de Iglesia of
Kathedraalrots, die op een mijl afstands van de overige staat, ziet
er uit als een kerk. Dit verrukkelijk plekje, waar een ruime grot
midden in de rots aan het schip der kerk doet denken, is een geliefd
oord voor zomeruitstapjes, en men kan het gemakkelijk per spoor of
stoomboot bereiken.

Behalve de rivier, de Maule, zijn er in deze buurt een aantal
dergelijke stroomen, als de Rupel met haar onstuimigen zijtak, de
Cachapoal, vloeiend door de streek der beroemde warme bronnen van
Cauquenes; de Mataquito en de Itata, samenkomend dichtbij de badplaats
Chillan. Geen land in Zuid-Amerika heeft beter gelegenheid voor
verbinding der rivieren door kanalen. De overvloed aan waterkracht,
die men met weinig moeite in gebruik zal kunnen stellen, belooft
het land een groote toekomst wat zijn industrie betreft. Er worden
reeds plannen gemaakt voor de exploitatie van de Laja-watervallen,
den Niagara van Chili, zooals men wel zegt. De val is in de provincie
Concepcion in een tak van de rivier de Bio Bio.

Die provincie Concepcion is de belangrijkste van Centraal Chili;
zij heeft een uitgebreiden handel en verscheiden goede zeehavens. De
grootste baaien van Chili, die van Talcahuano en van Arauco, behooren
er toe. De grond wordt er voldoende besproeid door de Bio Bio en
haar talrijke zijtakken. Ten noorden van het dal der rivier vindt
men uitstekende wijnbergen en in het Zuiden der provincie Concepcion
leveren de staatsbosschen goede inkomsten. De Bio Bio is bevaarbaar
tot 150 mijlen van haar monding; zij komt uit een der bergmeren van
het Andesgebergte en vloeit noordwestelijk, besproeit de provincies
Malleco en Concepcion op haar weg naar den Stillen Oceaan, en bereikt
dat einddoel bij de stad Concepcion. Daar is de rivier bijna twee
mijlen breed.

De stroom is behalve om zijn schilderachtige dalen en den weelderigen
plantengroei langs zijn oevers ook bekend uit historisch oogpunt,
namelijk als de scheidingslijn, die tijdens de verovering en in de
koloniale periode de zuidgrens aangaf van de spaansche bezittingen
in Chili en het begin van het territorium der Araucaniërs.

Aan de oevers der Bio werden groote gevechten geleverd tegen
de Indianen, en haar naam is verbonden met gebeurtenissen uit de
krijgsgeschiedenis vanaf den tijd, toen Pedro de Valdivia zijn dood
vond in een gevecht met de Indianen in de 16de eeuw, totdat er,
nog pas vijftig jaar geleden, een eind kwam aan den strijd tegen
de Araucaniërs.

Van Conception af zuidwaarts houden de natuurlijke rijkdommen van
het land op, zoo rijkelijk te vloeien, en de provincies Valdivia,
Llanquihue en Chiloë vormen den overgang naar het leven aan de
Magellaens-straat. De producten veranderen van aard, en in plaats van
het zachte klimaat, dat weinig verandert in de vier jaargetijden,
heerscht er een lagere gemiddelde temperatuur en worden de winters
langer. Nog vindt men er goede graanvelden en rijke veestapels,
terwijl de appelboomgaarden van Valdivia bewijzen, dat meer gehard
fruit er uitstekend groeit.

De houtopbrengst is in deze zuidelijke provinciën overvloedig, en het
landschap is bijzonder mooi, vooral door den rijkdom aan meren. Het
Lajameer ligt tusschen twee hooge bergen en in de buurt van den vulkaan
Antuco; het vormt de bron van de rivier de Laja met haar prachtigen
waterval. Veel vulkanen verrijzen langs de zuidelijke deelen der
westkust, ook werkzame, zooals die van Villa Rica. Jammer genoeg
zijn de heldere dagen, waarop men de schoonheid van het landschap
ten volle kan genieten, weinig in aantal.

Het eigenaardig kenmerk van de streek aan de straat van Magellaens
zijn de archipels, de tallooze eilandengroepen die men er vindt en
de hooge bergen. Op Vuurland en in een deel der kuststreken vindt men
natuurlijk weiden, voor schapenteelt geschikt. Over 't geheel vertoont
het land overeenkomst met de Schotsche hooglanden. Lange reeksen van
duinen strekken zich mijlen ver uit, omzoomd door de bosschen meer
binnenwaarts, waarachter de hoogere bergen oprijzen. Zeer weinig
stoombooten varen tegenwoordig langs de kust aan de binnenzij der
eilandengroepen, als zij de reis doen langs het chileensche Patagonië;
maar wie in de gelegenheid is geweest, dien tocht te maken, dien gaat
hij nooit uit de herinnering. De fjorden van Noorwegen doen in menig
opzicht in schoonheid onder voor het Smythkanaal.

Aan de oevers vindt men hier en daar sporen van indiaansche woningen,
maar het aantal Indianen vermindert er van jaar tot jaar. De Indiaan
uit deze streken draagt niet anders dan het vel van den guanaco of van
den otter als kleeding, en hij staat gemakkelijk een kleedingstuk af in
ruil van een mes of eenig wapen. Otters zijn er veel bij Vuurland en
in de Magellaensstraat; de vellen vormen een hoofdbron van inkomsten
voor de streek. Weinig vogels ziet men er; nog 't meest den albatros
en de rotsduif.

De flora en fauna zijn overigens in de drie deelen van Chili zeer
verschillend. De woestijnen van het Noorden vertoonen weinig
plantenleven; alleen in de oasen sieren prachtige bloemen het
landschap. Het centrale gedeelte heeft een rijke flora; op de helling
der Andesketen groeien fuchsia's in grooten overvloed in het wild,
zooals men ze in de bosschen van Midden-Chili overal vindt. Over
't geheel is de dierenwereld niet sterk vertegenwoordigd; de
opmerkelijkste vogel is wel de condor van het Andesgebergte, symbool
van macht, en als zoodanig in 't chileensche wapen opgenomen.

Onder de groote handelssteden van Zuid-Amerika kan Chili bogen op 't
bezit van Valparaiso, de belangrijkste zeehaven aan de westkust. Van
zee uit gezien, lijkt de stad een groot amphitheater; zij is gebouwd
op de helling van een berg, die het smalle strand in een kring
omgeeft. Diepe kloven verdeelen den berg in afzonderlijke heuvels of
_cerro's_, en hier en daar dringen de hoogten zoo dicht naar de zee,
dat er bijna geen ruimte overblijft voor een landingsplaats. Men heeft
daarom een groot, kunstmatig strand, een breed _embankment_ aangelegd,
waardoor de weg langs de baai verbreed wordt, en dat tevens bij ruw
weêr de kracht der zware zeeën breekt.

Evenwijdig met het strand loopen de hoofdstraten in de lengte door de
stad, talrijker, waar de _cerro's_ nog al wat ruimte laten, weinig in
aantal, waar de heuvels dicht naar de zee dringen en nauwelijks plaats
bieden voor de tram, die Valparaiso met zijn voorstad Vina del Mar
verbindt. Kabelspoorwegen brengen de gemeenschap tot stand tusschen de
benedenstad met de _cerro's_, waar een groot deel der bevolking woont.

De naam Valparaiso beteekent Paradijsdal, hij moet echter uit een ver
achter ons gelegen verleden afkomstig zijn, want eigenlijk past hij
niet bij de drukke metropolis van thans, met haar haven vol schepen
uit alle landen en haar straten, waar zich handelslui van elke
nationaliteit verdringen. Toch is het een zeer liefelijke stad, zeer
gezond en met de aangenaamste vormen van 't maatschappelijk leven. De
koele zeewind maakt het verblijf er 't heele jaar door prettig.

De stormen, die in de baai woeden, kunnen soms groote schade in
Valparaiso aanrichten en maken belangrijke havenwerken noodig, die
voortdurend verbeterd en uitgebreid worden en waarvoor ons land zijn
minister Kraus, den kundigen ingenieur, voor eenige maanden afstaat
aan de chileensche regeering. Zijne Excellentie, die op den 3den
Maart jl. ons land verliet, zal den President van advies dienen bij
de gunning van de werken voor de haven, door hem in 1901 ontworpen. In
1890 had de heer Kraus de benoeming tot hoogleeraar aan de technische
hoogeschool te Santiago aangenomen. Ook aan den bouw van een droogdok
in de hoofdstad en aan den aanleg der havenwerken van Talcahuano had
hij als ontwerper een groot aandeel.

In den zomer, dat is van Januari tot Maart wordt de zetel van het
bestuur van Santiago naar Valparaiso overgebracht; de president en de
ministers houden dan verblijf in Vina del Mar, terwijl hun officiëele
hoofdkwartieren zich bevinden in de havenwijk van Valparaiso,
waar men veel openbare gebouwen aantreft en die nu tevens de drukke
handelswijk is, nu bij de uitbreiding der bevolking ook op de _cerro's_
woonhuizen zijn gebouwd en dikwijls de allerfraaiste en rijkste. Op
den Cerro Concepcion en den Cerro Alegre vindt men prachtige huizen
en allerliefste châlets, die schilderachtig tusschen boomen en bloemen
gelegen zijn. Een vijf minuten rijdens met de spoor, en men is van de
benedenstad op de hoogten gekomen, terwijl men op den rit een steeds
mooier wordend uitzicht op de haven geniet en op de geheele baai,
die met haar vele schepen een prachtig panorama oplevert.

De gezelschappen zijn in Valparaiso echt kosmopolitisch en opmerkelijk
is het, hoe de vreemdelingen zich met de stad en hare instellingen
vereenzelvigd hebben, hoe zij in hun belangen opgaan. Als er
weldadigheid moet worden beoefend, als kerkelijk werk hulp en zorg
vereischt, bij nationale feesten en gedenkdagen, altijd zijn alle
nationaliteiten erbij betrokken en algemeene sympathie verlicht en
veraangenaamt de samenwerking.

De stad was een der eerste steden van Zuid-Amerika, die een uitstekende
waterleiding bezaten; de dam, gebouwd in de hooggelegen heuvelstreek
ten behoeve der watervoorziening van Valparaiso, dateert al van
1849. Onlangs is weer een groot réservoir voor regenwater te Penuelas
gebouwd, omstreeks op tien mijlen afstands, en ter hoogte van duizend
voet boven het niveau der zee. Honderd millioen tonnen water worden op
die wijze verzameld, genoeg om de stad voor drie jaar te voorzien,
als 't noodig is. De kosten van deze onderneming bedroegen zes
millioen dollars.

Valparaiso is allen anderen steden in Zuid-Amerika voorgegaan in
't gebruik der nieuwe vindingen, die het leven vergemakkelijken en
veraangenamen. Het was de eerste spaansch-amerikaansche stad, die
telegraaflijnen aanlegde en gas gebruikte in 1856; de eerste, die
drijvende dokken had voor het repareeren van schepen in 1860. Hier
verschenen de eerste trams in de straten, en de onderhandelingen
over den aanleg van den eersten Zuid-Amerikaanschen spoorweg
begonnen in deze stad meer dan een halve eeuw geleden. De naam
van een Noord-Amerikaan, William Wheelwright, is verbonden aan de
inwijding dier lijn van Caldera naar Copiapo. Dezelfde ondernemende
Amerikaan organizeerde in 1840 de _Pacific Steam Navigation Company_,
en aan zijn initiatief is Chili veel verplicht voor de ontwikkeling
der steenkolenexploitatie, want de eerste nationale steenkool werd
door hem gebruikt op de stoombooten van die lijn.

Door Wheelwright's bemiddeling werden de eerste stappen gedaan voor den
aanleg van een spoorweg, die Buenos Aires zou verbinden met Valparaiso
dwars over de Andes, een werk, dat nu voltooid is op een kort eind na
van den trans-andischen spoorweg, waar deze over den bergpas gaat. De
concessie voor de voltooiing van de Trans-andeslijn is verleend aan
een new-yorksche firma, die aan de westkust van Zuid-Amerika groote
belangen heeft. Oorspronkelijk, en wel sinds 1881, was de firma te
Valparaiso gevestigd met vertakkingen in Santiago, Concepcion en
Iquique. De naam van den onlangs overleden stichter, Mr. W.R. Grace,
zal altijd in Chili in dankbare herinnering blijven als die van een
der pioniers van den buitenlandschen handel van Zuid-Amerika aan
de kust der Stille Zuidzee. In de toekomst der republieken van de
westkust stelde de heer Grace het volste vertrouwen.

De vreemdeling, die engelsche namen ziet op de uithangborden der
meeste winkels in Valparaiso, komt op het idee, dat de handelsstand
in deze stad bijna geheel uit vreemdelingen bestaat. Maar als hij
zich meer met de menschen vertrouwd heeft gemaakt, bespeurt hij,
dat zelfs in die inrichtingen, die een onmiskenbaar buitenlandsch
karakter dragen, de plaatselijke chefs gewoonlijk Chilenen van
geboorte zijn, of menschen, die zoo lang in Chili hebben gewoond,
dat zij hun aangenomen vaderland geheel als het hunne beschouwen.

Een halve eeuw geleden, toen de meeste van de nu bloeiende
handelshuizen pas begonnen, waren de toestanden zeer verschillend van
wat ze nu zijn. De herinneringen van kooplieden uit dien tijd zijn
dikwijls onderhoudend, om aan te hooren. Een van die pioniers, wijlen
Stephen Williamson, die in 1903 stierf, en die vijftig jaren lang hoofd
was van de firma Williamson, Balfour en Co., wist alles, wat samenhing
met de geschiedenis van de kustvaart langs den Stillen Oceaan.

"In de vijftig jaren," zei hij eens, toen hij zich op verzoek van
zijn vrienden in herinneringen verdiepte, "zonden wij tarwemeel van
Constitucion naar Australië, en als onze schepen terugkeerden, brachten
ze betaling in goudstof en muntspecie," De heer Williamson woonde in
Chili, toen groote fortuinen plotseling met de exploitatie der mijnen
werden gemaakt, en zijn schepen brachten menigen armen drommel naar
Copiapo en Iquique, die er in weinige jaren rijk werd. Kolonel North,
de nitraatkoning, had de gelegenheid, waardoor hij zijn grooten
rijkdom verwierf, te danken aan een vrijkaartje voor een reis met
een van Mr. Williamson's schepen. Jaren daarna, toen kolonel North
millionnair was geworden door zijn welgeslaagde ondernemingen in de
Tarapacamijnen, bezocht hij zijn weldoener, om hem nog eens te danken
voor die indertijd bewezen gunst.

Het groote aantal Engelschen onder de rijke kooplieden is oorzaak,
dat er te Valparaiso zeer veel Engelsch wordt gesproken. Het komt maar
zelden voor, dat iemand in een gezelschap die taal niet verstaat. In
alle scholen wordt Engelsch onderwezen, en er zijn buiten de spaansche
een aantal geheel engelsche scholen.

Elke nationaliteit is intusschen vertegenwoordigd in de clubs
van Valparaiso, Engelschen, Duitschers, Franschen, Spanjaarden en
Italianen. Vooral de politieke clubs zijn zeer werkzaam, en in den
tijd der verkiezingen is aller belangstelling levendig. Dan is er
geen dorp, zoo klein of onbeduidend, of het heeft zijn politieke
vereeniging. Vrouwenclubs heeft Chili ook, maar in het politiek
tournooi spelen de chileensche vrouwen nog slechts een onbeduidende
rol. In den salon en in de arbeiderswoning dringen nog slechts
weinig vrouwen op gelijkheid van rechten met den man aan. Zij zeggen
waarschijnlijk, dat ze liever de meerderen willen blijven, dat ze er
niets tegen hebben de _superior sex_ te zijn.

Valparaiso heeft een groote beurs, zeven nationale banken en drie
buitenlandsche. De stad is het handelsmiddenpunt van Chili en staat
door een netwerk van telegraaflijnen, particuliere en door den
staat geëxploiteerde, met alle steden van Chili in gemeenschap. De
verbazend drukke zaken tusschen Valparaiso en Santiago hebben
verscheiden particuliere telefoonlijnen in 't leven geroepen, daar
alle groote huizen van Valparaiso afdeelingen hebben in Santiago en
vice versa. Onderzeesche kabels verbinden de stad met de geheele
wereld. De verschillende stoomvaartmaatschappijen, die de steden
van Zuid-Amerika's westkust aandoen, hebben hun hoofdkwartieren
in Valparaiso. Als het Panamakanaal eens gereed zal wezen, hoopt
men op nog snelleren vooruitgang voor den handel der westkust van
Zuid-Amerika, al zijn er pessimisten, die zich de verliezen door
den achteruitgang van 't verkeer om Kaap Hoorn als vrij ernstig
voorstellen.

Als de warme zomerzon het plaveisel van de stad gloeiend maakt, en
in de mooie parken de boomen en bloemen onder een stoflaag rusten,
verlaten de welvarende Chilenen de stad, om aan het strand of in
de bergen verkwikking te zoeken. Chili heeft zijn Trouville in het
schilderachtig stadje Vina del Mar. Ofschoon het zoo ver verwijderd is
van de fashionable centra van West-Europa, weerkaatst het badplaatsje
toch de laatste modes in kleeding en gebruiken even trouw als welke
europeesche badplaats ook.

De dames zijn keurig gekleed, en dikwijls in parijsche toiletten, voor
het Vina del Mar-seizoen besteld. Men geniet in de mooie omgeving,
waar groene guirlanden zich slingeren om kleine, groene huisjes en om
de stammen van de boomen in de schaduwrijke straten. De lanen hebben
druk bebloemde randen en aan het strand der zee worden de rotsen
beschuimd en bespat, tot ze fonkelen in een glorie van diamanten. De
kleuren van den regenboog zijn 's avonds alle weer te vinden in 't
gordijn van 't Westen, waar de zon zich achter ter ruste begeeft;
in één woord Vina del Mar is een gezegend plekje gronds.

Het ligt op slechts vijf mijlen afstands van Valparaiso, op het punt
waar de baai, zich verwijdend, overgaat in den Oceaan, zoodat het
gedeeltelijk beschut is voor de open zee en toch het volle genot heeft
van den zeewind. 't Riviertje, de Quilpué, op welks zuidelijken oever
Vina del Mar ligt, bereikt er de zee, terwijl de lage bergen er, in
een halven kring geschaard, op neerzien. De straten loopen evenwijdig
aan het riviertje en worden verfraaid door veel boomen; een plein
vormt het midden van de stad, en eigenaardig genoeg verrijst aan dat
plein niet alleen een kerk, maar staat er ook het spoorwegstation
met een promenade ervoor langs. Het is de gewoonte in Vina del Mar,
zoowel als aan de meeste spoorwegstations van Midden-Chili, dat de
jongelui een half uur vóór de aankomst der avondtreinen aan 't station
samenkomen en op het perron heen en weer wandelen. Heele gezinnen
nemen dikwijls aan die wandelingen deel, en er zijn evenveel ouden
van dagen als jongen bij de groepen, die er slenteren en pratend en
lachend zich amuseeren. Als de trein binnenkomt, wordt het tooneel
met welkomstgroeten en afscheidswoorden nog verlevendigd. In kleine
stadjes heeft dat stationsbezoek bepaald een sociale beteekenis;
de mooiste japonnen worden vertoond en de gezelligheid, ook de
babbelzucht, viert er hoogtij.

Vina del Mar is niet altijd het pretstadje geweest, dat het nu is,
en nog niet zoo heel veel jaren geleden is het tot een afzonderlijke
gemeente verheven. Tijdens de eerste dagen na de spaansche verovering
was het alleen belangrijk als monding van de Rio de las Minas,
de Mijnrivier, nu Quilpué geheeten, die de streek der groote
Malga-Malgamijnen besproeide, waaruit zij met een rijken oogst aan
goud te voorschijn kwam. De tooneelen, die toen het meest in Vina del
Mar werden afgespeeld, waren dikwijls gruwelijk, want de slavernij
heerschte in barbaarschen vorm, en de zweep werd ijverig gebruikt,
als middel om 't gezag te handhaven, terwijl elke insubordinatie met
een wreeden dood gestraft werd. Wel groot verschil dus met het heden,
dat van rust en van levensgenot een beeld geeft.

Toch was de plaats toen een belangrijk bezit, en Pedro de Valdivia,
Chili's veroveraar, beschouwde de toewijzing als een zeer te waardeeren
gift, toen hij de rechten en titels van eigenaars schonk aan twee van
zijn grootste veldheeren en intiemste vrienden, Don Juan Jufré, eerste
alcalde van Santiago, en Don Francisco de Riveros. De traditie schrijft
aan den zoon van Riveros de eer toe, den wijngaard te hebben geplant,
die den naam aan 't stadje heeft geschonken, "wijngaard der zee".

De grond, waarop de jonge de Riveros zijn druiven plantte en waar
het deel van Juan Jufré bij werd gevoegd, nadat hij het van de
weduwe van zijn vaders deelgenoot gekocht had, werd met groote zorg
bebouwd en was weldra een kostbaar bezit. Na den dood van de Riveros
kwam hij in handen van de Jezuiëtenzendelingen, toen het hoofd der
Valparaiso-zendelingen hem in 1690 kocht. De Jezuiëten bleven er
eigenaars van, tot hun orde uit alle spaansche bezittingen in 1767
verbannen werd.

Na hun vertrek werd de bezitting bij openbaren verkoop verdeeld in
verschillende kleinere deelen, waaruit zich langzamerhand een stadje
ontwikkelde. Een familie van naam, de Carrera's, bezaten de hacienda
van Vina del Mar in de eerste jaren van de 19de eeuw, en zij was
toen het tooneel van veel vroolijk en luidruchtig leven. De admiraal
Cochrane bezocht met zijn vrouw dikwijls het mooie landgoed, als zij
in Chili vertoefden, en zij waren zeer gehecht aan de beminnelijke
familie, die uit drie zoons en zeven dochters bestond. In de dagen
van den onafhankelijkheidsoorlog was dit patriottisch gezinde huis
punt van samenkomst voor de vrijheidsvrienden, en veel plannen van
groote politieke beteekenis werden vastgesteld te midden der vonken
van geest en vernuft, die op de mooie zomeravonden in dit lustverblijf
de hoogte ingingen.

Al vroeg was Vina del Mar bekend om zijn producten van landbouw en
veeteelt en door de voordeelen, die het trok uit de nabijheid van
Valparaiso. Doch eerst bij de inwijding van den spoorweg tusschen
Valparaiso en Santiago in 1855 begon men de stad te zien in het licht
van schoone mogelijkheden, en niet vóór 1874, toen de voornaamste
eigenaars van den grond Senor Don José Francisco Vergara en zijn vrouw
den grond afstonden voor de uitbreiding der stad naar een systematisch
plan van straten en openbare gebouwen, werd Vina del Mar een bloeiende
en vooruitgaande gemeente.

In de laatste dertig jaren is die vooruitgang geregeld blijven
vorderen, dank zij de voortvarendheid van het bestuur der stad, en
zoo is het de populaire badplaats van thans geworden, met breede,
rechte straten en schaduwrijke lanen, waar allerlei liefelijks te
zien is, en keurige villa's in tuinen vol bloemen geschaard staan.

De prachtige villa van Senora Dona Blanca Vergara de Errazuriz,
dochter van Don Jozé Francisco Vergara en een der schoonste vrouwen uit
Chili, ligt bijzonder mooi aan den voet van den cerro; het landgoed
heet Quinta Vergana en is zeer uitgestrekt. Prachtige grasvelden en
bloemvelden worden door fonteinen besproeid, en schaduwrijke lanen
voeren naar donkere boschplekjes, terwijl tegen den heuvel op veel
paden kronkelen, omzoomd door een rijke bloemenpracht en leidend naar
een uitzichtspunt, waar men den ganschen omtrek en de stad met de baai
overziet. De weelderig ingerichte woning, een der rijkste uit Chili,
heeft veel interessante gasten geherbergd, en de vreemdelingen van
beteekenis, die Chili bezochten, waren er meestal genoodigden. Toen
de hertog der Abruzzen in 1903 in Chili was, werd er te zijner eer
een groot bal gegeven door Senora Dona Blanca Vergara de Errazuriz.

Veel families uit Santiago en Valparaiso hebben zich elegante
zomerwoningen in Vina del Mar laten bouwen, en de gezochtheid der
plaats neemt telken jare toe. Het is de gewone zomerresidentie van
het diplomatieke corps, en bijna alle hooge staatsambtenaren houden
er verblijf gedurende de maanden, waarin de zetel der regeering naar
Valparaiso is overgebracht.

De wedrennen vormen steeds een groote aantrekkelijkheid. Zij worden
op een groot veld, de _Cancha_, even buiten de stad gehouden en de
toevloed van gasten is dan verbazend. De sportclub van Valparaiso heeft
bij die gelegenheden de leiding; zij organiseert de voorjaarsraces
in October en November, de herfstrennen in Februari. Geen renbaan ter
wereld heeft haar tribunes mooier ingericht met bloemen en klimplanten,
en als de uitgaande wereld zich er in haar volle glorie en pracht van
toiletten vertoont, krijgt men een onvergetelijk schouwspel te zien.

Na de wedrennen gaat de genotzoekende menigte naar het strand, en een
stroom van equipages begeeft zich zeewaarts. Van zes tot zeven uur des
avonds gaat ieder van het zonnig strand genieten, en dikwijls blijft
men in zijn rijtuig zitten, dat tot dicht aan zee mag rijden. Muziek
geeft in dat uurtje afwisseling en dient tot verlevendiging van het
tooneel. Men is voornemens, den rijweg langs het strand te verbreeden,
om er een _corso_ van te maken; de ruimte tusschen de heuvels en de
zee is nu te klein.

Als men zoo langs de _playa_ of het strand rijdt, wordt men getroffen
door de groote rotsen, die bijna loodrecht oprijzen en door de blokken
van allerlei vorm en grootte, die als in zee zijn gestrooid. Het
is altijd het buitenleven, dat men te Vina del Mar geniet, deftige
uitgangen zijn er weinig te doen, en de menschen, die gasten zien,
geven aan de feesten liefst een zoo weinig mogelijk vormelijk
karakter. Golf en lawntennis worden druk beoefend op de Cancha. Het
beste seizoen daarvoor is Januari en Februari, ook voetbal is er dan
populair en internationale wedstrijden van voetbal en cricket zijn
er dikwijls gehouden, waaraan ook de club uit Buenos Aires deelnam.

Midden in 't seizoen is alles vol en druk in Vina del Mar; de hôtels
hebben evenmin ruimte meer als de particuliere woningen en de menigte
is steeds talrijk op Cancha, strand en bij 't lawntennisveld. Het
Grand Hôtel, het ideale zomerhôtel, mag men wel zeggen, heeft een
sierlijk park, groote tuinen en de uitlokkendste gelegenheid voor
tuinpartijen. Ook na het seizoen keert Vina del Mar niet tot stilte
en eenzaamheid terug, want als voorstad van Valparaiso heeft het zijn
aandeel aan de levendigheid van die handelsplaats. Er ontbreekt alleen
een mooie, breede verbindingsweg tusschen beide steden, maar daartoe
moeten de rotsen van den _cerro_ springen; zij dringen te ver naar
voren naar de zee en zijn tot nu toe een beletsel geweest voor den
aanleg van een der schoonste strandpromenades.

Vreemdelingen, die lang genoeg in Chili hebben gewoond, om goed bekend
te raken met het land en de menschen, zijn eenstemmig van oordeel,
dat de aangenaamste huizen niet in de hoofdstad of in een der andere
steden worden gevonden, maar op de groote _hacienda's_ of plantages,
gelegen in de centrale vallei.

De mooiste huizen in Santiago zijn op enkele uitzonderingen na
slechts tijdelijke woningen voor de eigenaars, die er verblijf houden,
zoolang het uitgaande leven duurt, dus van Mei tot October, wanneer
zij er kostbare partijen geven en zich in de opera en bij de races
vertoonen, om zoodra de schouwburgen gesloten zijn en de hoofstad
haar vroolijkheid begint te verliezen, te vluchten naar den echten
_hogar_ of huiselijken haard, op de hacienda, met haar breede lanen
en grasvelden, waar het leven zoo genoegelijk is, dat de stad met
haar drukke straten en talrijke sociale verplichtingen den rijke een
noodzakelijk kwaad moet schijnen.

De landelijke bezittingen van de rijke chileensche families zijn
soms zeer uitgestrekt; er behooren boerderijen bij en bosschen, die
een rijke bron van inkomsten leveren, en voor den aesthetischen en
sportlievenden smaak wordt gezorgd door bloem- en vruchtentuinen, mooie
boschhoekjes, velden voor croquet en lawntennis. Iets eigenaardigs
bij die hacienda's van 't centrale dal zijn de randen van populieren,
waar binnen ze veelal besloten zijn. Er zijn millioenen populieren
in Chili, en op sommige der grootste hacienda's staan ze in dubbele
rijen en vormen mooie, schaduwrijke lanen. Het effect, van uit den
spoorweg gezien, is alleraardigst, vrij wat aantrekkelijker dan
de heiningen van prikkeldraad, die u van de farms in Noord-Amerika
dreigend aanstaren. De chileensche eigenaar heeft echter soms ook zijn
draadversperring aangebracht, maar dan tegelijk met de populierenlaan,
zoodat het nuttige en het aangename samengaan. De landwegen langs
den voet der Cordillera's zijn bijna alle met populieren beplant,
en men kan zich geen prettiger uitspanning denken dan een rit te
paard door die schaduwrijke lanen.

Een typische chileensche hacienda, in uitgestrektheid zoowel als in den
aard harer ontwikkeling, is die van Santa Ana te Graneros, bezitting
van Senor Don Gregorio Donoso, die er den naam aan gaf van zijn vrouw
Anna Foster. Senora Donoso is de dochter van een Amerikaan, den heer
Julio M. Foster, die een halve eeuw lang in Chili heeft gewoond en die
er trotsch op is, dat zijn schoonzoon op de hacienda de allernieuwste
en beste verbeteringen heeft aangebracht. Hij is zeer bemind bij
het chileensche volk, trouwde een dame uit Chili en heeft talrijke
kinderen en kleinkinderen. Hij houdt van het buitenleven en is nooit
gelukkiger dan wanneer hij logeert op de hacienda van Senor Donoso.

Een bezoek aan dit mooie verblijf is een gebeurtenis, die men
niet vergeet. Na twee uur rijdens van Santiago zuidwaarts door een
uitstekend bebouwde en vruchtbare streek bereikt men het station
Graneros, waar een break den bezoeker afhaalt, die dan langs een
fraaien, met populieren omzoomden landweg en door het fraaie park
van de plaats vóór het bordes van het huis wordt gebracht.

Het huis is een modern landhuis, omgeven door veranda's en overal
een prachtig uitzicht biedend. Maar wat het meest hier treft, is het
moderne karakter van alle onderdeelen der landbouwonderneming. De
verscheidenheid van producten, die er verbouwd worden, is
verrassend. Meer dan twee duizend acres (1 HA. = 2.45 acre) is de
Santa-Ana-hacienda groot en men zou een halven dag werk hebben, als
men om het landgoed heen wilde wandelen. Van het huis rijdt een tram
over een smal spoor ongeveer drie mijlen lang door een breede laan van
italiaansche populieren, midden door de bezitting loopend en een mooi
uitzicht biedend op de velden links en rechts. Van het spoorlijntje
gaan zijtakken naar de verschillende velden, om het transport der
producten te vergemakkelijken, en het loopt uit op den oever van een
rivier, die door de bezitting vloeit.

De tram of spoor sluit aan bij de staatsspoor en zoo is zij een middel,
om de producten der farm naar de plaats van inscheping te brengen. Zij
vervoert bovendien de arbeiders 's avonds en 's morgens naar hun werk,
aldus een uur uitwinnend op den tijd van elken werkman. De tram bedient
de voornaamste onderdeelen van het groote landbouwbedrijf. Daartoe
behoort bij voorbeeld een groote molen; de stallen zijn keurig
ingericht; één heeft o.a. ruimte voor voedering en stalling van
veertienhonderd stuks vee.

De silo voor de bewaring van het wintervoêr moet de grootste
ter wereld zijn; zij is twintig voet breed, twaalf voet diep en
driehonderd-vijftig voet lang. Buiten schapen, varkens en kippen
worden op deze hacienda 3000 stuks vee gehouden.

De melkerij is een der belangwekkendste onderdeelen. Zij is gevestigd
in een schuur, die ruimte biedt voor duizend koeien. Daar wordt
gemolken, en de melkkannen worden door de trams meegenomen naar de
boter- en kaasfabrieken, waar het altijd druk en levendig toegaat. Ten
behoeve der fabriek is er een ijsmachine, die dagelijks twee tonnen
ijs levert, een voldoend bedrag voor de behoeften der hacienda en nog
in den zomer voor de liefhebbers uit de stad en de hospitalen aldaar.

De talrijke gebouwen en velerlei reparaties, die telkens noodig zijn,
leggen beslag op den arbeid van een timmerwinkel, een houtzaagmolen, en
overal waar er machines in gebruik zijn, worden die door electriciteit
gedreven. De elektriciteit wordt verkregen door waterkracht op twee
mijlen afstands. Ook het huis wordt electrisch verlicht.

Bij feestelijke gelegenheden maakt het prachtige landhuis den indruk
van een stadspaleis in een schitterend verlicht park. De vreemdeling,
die op school heeft geleerd, dat Chili op sociaal gebied nog weinig
beteekent, vindt het bijna ongeloofelijk, dat een boerderij, mijlen
ver het land in, zooveel moderne gemakken en nieuwerwetsche vindingen
toepast. Senor Donoso is voornemens, de geheele hacienda electrisch
te verlichten, zoodat het boerenwerk, zoo noodig, onafgebroken dag
en nacht kan voortgaan. Al de gebouwen zijn op dit oogenblik reeds
voorzien van geleidingen, zoodat men de electriciteit er kan brengen,
als het verlangd wordt.

Melken geschiedt bij electrisch licht en het is belangwekkend op
te merken, hoe systematisch alles wordt verricht. Besproeiïng en
bemesting van den grond hebben plaats met de grootste zorg en volgens
de allernieuwste opvattingen, in de landbouwwetenschap bereikt. Uit
alles blijken des eigenaars groote gaven voor den landbouw en zijn
helder inzicht in de vooruitzichten, die zulk een hacienda biedt en
die in geen ander bedrijf te bereiken zijn.

De pachters, zes en vijftig in getal, hebben het uitstekend; hun
huizen zijn geriefelijk ingericht met een acre tuingrond erbij,
terwijl buitendien ieder pachter nog twee-en-een-halve acre jaarlijks
in gebruik krijgt, om voor eigen gebruik groenten te telen, waarbij
de patroon, Senor Donoso, hun gereedschap en paarden ter leen geeft.

De eigenaar is niet altijd heereboer geweest, hij heeft gestudeerd aan
de universiteit, verwierf den meesterstitel en is civiel-ingenieur;
eenigen tijd is hij minister geweest, maar hij geeft aan het landelijke
leven de voorkeur boven een politieke loopbaan en is nooit gelukkiger,
dan als hij mag experimenteeren met de nieuwste vindingen in
landbouwwerktuigen of de moderne ideeën over cultuur en grondbewerking.

Het landgoed Santa Ana gelijkt zooveel op andere van denzelfden
aard, dat een beschrijving een juist algemeen denkbeeld geeft van
het leven en werken op een typische chileensche hacienda. Niet alle
dagen worden er bij harden arbeid gesleten, en er valt nog wel een
andere geschiedenis van te vertellen, dan alleen die van materiëelen
voorspoed. In die gelukkige landhuizen kan men tooneelen bijwonen
van vroolijkheid en zorgelooze uitgelatenheid, die veel hartelijker
gemeend worden opgevoerd dan eenig vermaak of wat ervoor doorgaat in
de overvolle deftige salons der stad.

Het mooie landgoed Lo Aguila, dat dichtbij het spoorwegstation van
Hospital gelegen is, verwierf zich naam door de prettige partijen, die
er van tijd tot tijd uit verren omtrek de menschen samenbrengen. De
hacienda van Senor Letelier te Aculeo is een der meest gezegende
uit het oogpunt van landschappelijk schoon, en alles is er zoo goed
ingericht, dat men haar wel eens de modelhoeve van Chili noemt.

Het is gebruik onder de families van deze landgoederen, samen
uitstapjes te paard te maken, dikwijls om van de eene hacienda aan
de andere een bezoek te brengen, en menigmaal kan men een vroolijke
cavalcade de hekken der plantages zien binnenrijden. De kleeding der
heeren heeft iets eigenaardigs; zij dragen namelijk buiten een _manta_
of shawl van heldere kleur, die aan zoo'n gezelschap een levendig
aanzien geeft.

Die _manta_ is een echt chileensch kleedingstuk, kleiner en zwaarder
dan de _poncho_ uit Argentinië, en in den regel niet van franjes
voorzien, zooals de reeds genoemde poncho, maar geboord met lint
van een andere kleur. Enkele manta's worden gemaakt van ongeverfde
vigognewol van de vicuna-lama, gesponnen tot een draad, die bijzonder
fijn en toch sterk is; andere zijn geweven in vele kleuren met strepen
van rood, blauw en geel.

De manta heeft geen naden; er is in 't midden een opening in voor het
hoofd, en het kleedingstuk kan aan den hals nog worden bevestigd met
knoopen, ofschoon het meestal zoo gedragen wordt, als het over het
hoofd is aangetrokken met een open gedeelte aan den hals.

Vele der manta's zijn waterdicht, en ze moeten bij het rijden bijzonder
gemakkelijk zijn. De administrateur van een groote hacienda kan vaak
zijn menschen op grooten afstand aan hun manta's onderscheiden. Op
enkele hacienda's is het de gewoonte, dat de administrateur op
Zondagmorgen de hoofden der verschillende afdeelingen bij elkaâr roept,
om hun het noodzakelijke werk voor de volgende week aan te wijzen
en ook om nota te nemen van klachten of gewenschte veranderingen
of eenige zaak, die met de routine der groote onderneming verband
houdt. Nadat aan dien plicht is voldaan, zijn de employé's vrij en
kunnen het overige van den dag doorbrengen, zooals zij willen.

De feestelijkheden van een vrijen dag worden op een hacienda bijna
altijd opgeluisterd door den geliefden dans, de Zamacueca. Het groote
aantal landgoederen in Centraal Chili van dezen aard bewijst wel,
dat de Chileen zijn bronnen van geluk liefst zoekt in de natuur,
en het pleit voor het nationale karakter, dat zooveel menschen het
buitenleven aantrekkelijk en aangenaam vinden en het grootste deel
van het jaar liever op hun landgoed zijn dan in hun huis in de stad.

De streek rondom Santiago, vooral zuidwaarts langs de spoorlijn, die
de hoofdstad met Concepcion verbindt, vertoont overal van die mooie
landhuizen op waardevolle gronden. Graneros is het spoorwegstation
voor vele hacienda's, gelijkend op die van Senor Gregorio Donoso,
en er zijn vele andere in de buurt der tusschenliggende stations,
Hospital, Buin, Linderos, Guindos, Nos en San Bernardo.

Het is gewoonte, aan elke hacienda een eigen naam te geven: de omgeving
wordt veelal bij dien naam genoemd, eerder dan bij den naam van het
spoorwegstation of de nabijgelegen stad. Lo Hermida, het mooie huis
van Senor Don Belisario Espinola; Santa Ines, het eigendom van Senor
Don Salvador Izquierde; San Isidro, het landgoed van de familie van
Senora Dona Maria Luisa Mac-clure de Edwarts; en hacienda Limache,
waar Senora Dona Sofia Cox de Eastman haar uitgebreide gronden heeft,
zijn namen, die even goed bekend zijn als de meest gewone adressen
in de hoofdstad. Hacienda Limache wordt bestuurd door de zoons van
Senora Eastman en onderscheidt zich door een melkerij met toebehooren,
zoo groot als er geen andere in Chili is, waar alle moderne vindingen
worden toegepast, en die dan ook voor een groot deel in de behoeften
der stad Valparaiso voorziet.

Die melkerij is een onderneming van Senor Don Tomas Eastman, die een
kantoor in Valparaiso heeft met depôts, van waar dagelijks bijna twee
duizend gallons melk worden afgeleverd. Het tooneel, dat die hacienda
in den vroegen morgen aanbiedt, is bijzonder levendig. Van twee tot
zes uur wordt er bij kunstlicht gemolken, en daarna wordt de melk in
kannen per spoor vervoerd naar Valparaiso op dertig mijlen afstands,
om er door een staf van beambten te worden in ontvangst genomen,
die de melk wegen en in de wagentjes en kannen voor de aflevering
gereed maken.

Ook boter maakt men op die hacienda, maar melk is hoofdzaak, omdat
het gebleken is, dat voor farms dichtbij een dichtbevolkte plaats de
melkleverantie het meeste voordeel oplevert. De onderneming neemt nog
steeds in bloei toe, en Senor Eastman denkt zijn zaken uit te breiden
door de hacienda's San Isidro en El Cajon de San Pedro, die hij gekocht
heeft, ook op dezelfde wijze te exploiteeren. Het is opmerkelijk, dat
zooveel rijke menschen in Chili ernstig hun aandacht wijden aan de
ontwikkeling van hun landgoederen, en het jongere geslacht vertoont
minder neiging tot geldverteren door weelderig buitenlands te leven,
dan het geval is in andere landen, waar het geld gemakkelijk is
verdiend en van vader op zoon is overgegaan. Senor Tomas Eastman,
ofschoon een jongmensch van rijkdom en aanzienlijke familie, die,
zoo hij wilde, een leven van nietsdoen en amusement kon leiden, is
een der energiekste werkers en tracht niet enkel zijn eigen goederen
te verbeteren, maar ook den standaard van landbouw en veeteelt in
Chili in 't algemeen te verheffen.

Bijna elke hacienda heeft haar specialiteit. Op de eene is het de
teelt van graangewassen; op een andere de melkerij, en weer op een
andere de teelt van mooie koeien en paarden. Op de hacienda's van
Ucuquer en La Pena in de provincie Quillota richtte men in 1879 een
farm in voor de productie van Durhamsch vee. De resultaten waren zoo
gunstig, dat de tegenwoordige eigenaar van deze bezittingen, Senor
Don Carlos Hopfenblatt, aan de verschillende hacienda's van het land
jaarlijks honderden mooie dieren levert, en er bestaat geen enkele
reden, om in het buitenland voortaan echt Durhamsch vee te koopen.

Van geheel anderen aard is de specialiteit der zeer uitgestrekte
hacienda Santa Ines te Nos, eenige mijlen ten zuiden van Santiago
aan den spoorweg. De bezoekers van dit prachtige landgoed stappen
uit den trein; een particuliere tram, die bij de hacienda Santa Ines
behoort, wacht, om hen naar hun bestemming te brengen op vele mijlen
afstands. De tram rijdt door een streek vol afwisseling, langs weiden
en langs het riviertje, dat het landgoed van water voorziet; dan door
zware lanen van populieren tot vlak bij den ingang van het huis, waar
een breede veranda, omhangen met wilden wingerd, aan ideale rust doet
denken. Overal valt het oog op groote, hooge boomen, mooie struiken en
velerhande bloemen. Door lanen van ceders en dennen brengt men u naar
den kweektuin, waar duizenden jonge plantjes staan, gereed om vervoerd
te worden, zoodra ze groot genoeg zijn voor de markt. Tuinbouw is hier
hoofdzaak en op Santa Ines van Senor Don Salvador Izquierdo wordt
groote aandacht gewijd aan wat de wetenschap daaromtrent leert. De
hier gekweekte chrysanthemums zijn buitengewoon groot, en men kan
er bijna elke bestaande variëteit bewonderen. Rozen, anjelieren,
violieren groeien er in overvloed en van de edelste variëteiten.

Het drogen van vruchten is een industrie, die in Chili steeds in omvang
toeneemt, en ofschoon in elke streek de methode weer verschilt, toch
bewijzen de resultaten, dat het een winstgevende bron van inkomsten
is. Op de hacienda's in het Elqui-dal worden druiven, perziken en
andere vruchten machinaal gedroogd, en in het centrale dal, waar de
zomers heet en regenloos zijn, worden de vruchten in de zon behandeld
en verliezen daardoor haar vochtgehalte.

Het leven is druk op een chileensche hacienda, maar het heeft
groote bekoring en aantrekkelijkheid, waartoe het heerlijke klimaat
niet weinig meewerkt. De chileensche landheer is een toonbeeld
van athletische mannelijkheid; hij rijdt veel paard en zou die
sport niet kunnen ontberen. Dikwijls hebben jachtpartijen plaats,
die soms een week duren en die in het Andesgebergte, nog ten deele
ongeëxploreerd terrein, iets zeer opwekkends hebben. Vaak vergeet men
het wild, om de streek zelve te onderzoeken. In het laatst van 1904
ging een jachtgezelschap in de hoogere deelen van de Andesketen een
expeditie ondernemen. Men kwam van een der hacienda's bij Santiago,
en na allerlei stoute klimpartijen en ongewone avonturen ontdekte
een deel van het gezelschap een meer van twintig mijlen in omtrek;
dertien duizend voet ongeveer hoog gelegen, een meer, waar geen enkel
aardrijkskundig werk melding van maakt, en dat zich in den krater
van een uitgedoofde vulkaan scheen te bevinden. Er was veel wild,
ganzen en eenden in overvloed; ook zag men er flamingo's. Een der
heeren nam verscheiden photografieën van de plek, en toen de expeditie
huiswaarts keerde, had zij de voldoening van den gelukkigen jager,
gevoegd bij die van den met succes werkenden ontdekker.

Op vele der hacienda's kan men in de riviertjes en meertjes
heerlijk visschen en bootje varen; groote zwembassins met moderne
geriefelijkheden zijn voor het gebruik der familie ingericht en
verschaffen de prettigste gelegenheid voor een koele onderdompeling.

Veel oude spaansche namen treft men aan onder die der eigenaars van
hacienda's, maar eveneens komen buitenlanders er op voor, met name
vrij wat Engelschen. Een der rijkste hacienda-bezitsters, Senora
Dona Juana Ross de Edwards is de dochter van engelsche ouders. Haar
goederen zijn enorm winstgevend; maar een groot deel der opbrengst
wordt voor liefdadige doeleinden besteed. Een familie Swinburne,
nauw verwant met den engelschen dichter van dien naam, heeft al drie
geslachten lang in Chili gewoond, meestal op de hacienda.

Een leger van arbeiders is op zulk een landgoed werkzaam. De
administrateur leidt de geheele inrichting, en onder hem staan
_capataces_ of opzichters, die toezicht houden op de gewone
landarbeiders. De _guaso_ uit Chili is een type, dat veel gelijkt op
den _gaucho_ uit Argentinië en den _cowboy_ van Noord-Amerika. De
werklieden leven zeer eenvoudig; _mote_ of gekookte maïs is hun
hoofdvoedsel; maar op feestdagen nemen zij hun kans waar. Vooral de
verjaardag van den patroon wordt luisterrijk gevierd.

Wie van het buitenleven houdt, ziet op zoo'n hacienda een aardige
vereeniging van winstgevend werk en gezond levensgenot, en het is
onmogelijk, zich een juist denkbeeld te maken van het chileensche
volkskarakter, zonder de Chilenen te zien in de meest representatieve
van alle chileensche woningen, de hacienda.



DOOR OOST-PERZIË

Reis van Majoor Percy Molesworth Sykes,
Consul-Generaal van Engeland te Khorassan.



I

	Aankomst te Astrabad.--Vroegere belangrijkheid der stad.--Het
	land der Turkomannen.--Mesjed, zijn moskee en zijn handel.--De
	Loetwoestijn.--Op den weg naar Kirman.


Perzië heeft altijd een groote bekoring uitgeoefend op mijn geest. Ik
had lang in Indië gediend, zonder gelegenheid te hebben, er een bezoek
aan te brengen. Het werd Januari 1893 eer ik, na mijn Kerstvacantie
in Engeland te hebben doorgebracht, mijn plan ten uitvoer brengen
kon en een reis door Perzië kon maken, om te Boesjir de boot, die
mij daar wachtte, te bereiken.

Uit Engeland komend, was ik per spoor over Weenen naar Odessa gereisd,
waar ik mij naar Batoem inscheepte; van Batoem naar Bakoe volgde ik
de bekende transkaukasische lijn. Daarna scheepte ik mij te Bakoe in,
niet voor Enzeli en Resjd, wat de gewone weg is, maar voor Bandar-Gaz.

De stoomboot op de Kaspische Zee moest eerst stoppen te Oezoen-Ada,
toen nog uitgangspunt van den transkaspischen spoorweg. Na een ruwen
overtocht, waar een heele dag mee heenging, voeren wij langzaam
het smalle kanaal binnen, waar een voor anker liggend schip ons
waarschuwde, voorzichtig te zijn, en ofschoon wij slechts negen meter
diepgang hadden, moesten wij voortdurend van den oever afhouden,
om niet vast te raken. De ondiepe zee was bedekt met een dun laagje
ijs. In elk opzicht leek Oezoen-Ada mij een zeer slechte basis voor
een spoorweg. Dus vernam ik dan ook een jaar daarna met genoegen,
dat Krasowodsk, veel dichter bij de open zee en in 't bezit van een
diepe haven, ten slotte gekozen was, om Oezoen-Ada te vervangen.

Wij verlieten met moeite het nauwe toegangskanaal en wendden den steven
zuidwaarts, om na vijftien uren de russische grensstad Tsjitsjikar
te bereiken. De aanlegplaats is bijna buiten het gezicht der stad;
dus kon ik er geen bezoek aan brengen. Maar er is niet veel te zien,
en zij heeft geen beste reputatie, wat betreft den bodem en het
klimaat. Door Astrabad staat Tsjitsjikan met het telegraafnet van
Perzië in gemeenschap; maar de transkaspische spoorweg heeft aan
dezen militairen post al zijn belangrijkheid ontnomen.

Toen wij onzen weg naar het zuiden vervolgden, zagen wij al spoedig,
hoe het klimaat snel veranderde. Na het dejeuner bevonden wij ons
tegenover het russische marine-station Asjoer-Ada, en vóór ons lag,
in dichte nevelen gehuld, Iran.

De Asjoer-Ada-eilanden maken deel uit van een zandbank, door den
noordenwind gevormd, die de heerschende is in deze streken. Daarachter
breidt zich een wijde lagune uit, _Murdal_ of dood water geheeten,
waarin zich veel rivieren uitstorten, die alluviale aanslibbing
aanvoeren. Men treft veel van die lagunen langs de kust aan; die
van Enzeli is het meest bekend; maar de baai van Astrabad, om ons
te bedienen van den naam die gewoonlijk op de kaarten staat, is het
diepst. De stoombooten kunnen er tot vlak aan de kust komen en zijn
niet genoodzaakt te lossen vóór de zandbank, zooals te Enzeli.

Asjoer-Ada, dat een verschrikkelijk ongezonde post moet zijn, werd
in 1858 door Rusland bezet, toen men besloot een eind te maken aan
de zeerooverijen van de Turkomannen. De regeering van den czar is
herhaaldelijk uitgenoodigd, zich terug te trekken van de plek, die,
in strikten zin genomen, nog perzisch grondgebied is; maar zoo zij aan
dien wensch gevolg gaf, zou de zeerooverij maar al te spoedig weer
het hoofd opsteken. Daar tengevolge van het tractaat van Gerlistan
de perzische vlag niet over de Kaspische Zee mag waaien, wordt alle
politie daar uitgeoefend door de groote mogendheid van het Noorden.

Drie aanlegplaatsen waren bij het eiland aangebracht, 'twelk zoo smal
is, dat het schuim der golven er bij slecht weer overheen vliegt. Na
een langzame vaart door de stille en rustige lagune, legden wij aan
bij een vuurtoren tegenover Bandar-Gaz. Wij namen onze bagage bijeen
en werden in een roeiboot overgebracht naar een havenplaatsje in een
treurigen staat van verval. Tegen het vallen van den avond bevonden
wij ons op perzischen grond, bestaande uit dikke, glibberige modder.

Ik had geen voorkeur, waar wij zouden heengaan; maar Joessoef Abbas,
een geleerde Pers, dien ik te Odessa aan mij had verbonden, en die meer
gereisd moet hebben dan iemand van zijn leeftijd, zei, dat we zouden
kunnen logeeren bij een ambtenaar van de telegraaf. Deze ontving ons
inderdaad zeer vriendelijk en ik kon weldra ten zijnent genieten van
een echten pilaw, het perzische gerecht bij uitnemendheid.

Bij dag kwam Bandar-Graz mij als een zeer melancholiek plaatsje
voor. Er is zooveel slijk, dat een paar stelten van nut zouden kunnen
zijn. De hutten van boomstammen zien er vuil en ellendig uit.

Mazanderan, de perzische provincie die met Ghilan de zuidkust van de
Kaspische Zee inneemt, is een belangrijke provincie, al was het maar om
het sprekend contrast, dat zij maakt met de andere deelen van Perzië,
of zelfs met de andere districten aan de binnenzee gelegen. Als men
uit de lagune komt, waar men veel rottende planten ziet, heeft men
eerst een strook jungle van afwisselende breedte, dicht struikgewas,
waar het van allerlei insecten, vooral muskieten, krioelt, die er
in den zomer iemand het leven ondragelijk maken. Het heet ook, dat
er nog veel tijgers zijn, maar het gebeurt niet dikwijls, dat er een
geschoten wordt.

Als men de bergen heeft bereikt, verandert het land plotseling van
aanzien, en de reiziger kan zich in Kaschmir verplaatst wanen. Hij
vindt er dezelfde boomen en weiden, en hooger de kale hellingen
der bergen. Een prachtig soort van hert komt, evenals daar ook hier
veelvuldig voor.

De bewoners der provincie Mazanderan hebben een geelachtige, ongezonde
gelaatskleur, maar ze zijn niet klein of lichamelijk slecht ontwikkeld,
zooals men verwachten zou in dat arme land. Zij kleeden zich in wol
en voeden zich met rijst, die ze in groote hoeveelheden tot zich
nemen. Het is een gelukkig volkje, en ik ontmoette niemand, die het
land zou willen verlaten; zij kunnen in andere streken van Perzië
niet aarden.

In twee dagen bereikten wij Astrabad langs een zeer slechten weg. De
zon ging onder; wij kwamen de stad binnen door een ingang zonder poort
en zonder bewaking, en het eerste wezen, waar ons oog op viel, was
een jakhals. Eindelijk zagen wij een man in de verlaten straten. Hij
bracht ons op de vriendelijkste manier naar het huis van Mirza Taki,
den engelschen agent, waar wij de groote voldoening smaakten, droge
kleêren te kunnen aantrekken. De vereeniging van vocht en koude is
zeer onaangenaam, om niet te zeggen gevaarlijk in het Oosten, nog
meer dan elders, en ik gevoelde mij gelukkig, dat ik zonder slechte
gevolgen de streek van de koorts was doorgekomen en een der bekendste
steden van Perzië had bereikt.

Astrabad, dat in den bloemrijken stijl van het Oosten _Dar-ul-Muminin_,
dat is de Woning der Geloovigen heet, is voor zoover men kan nagaan,
geen oude stad, hoewel de plaats volgens de legende gesticht is
door Nosjirevan, met geld, gegeven door Azad Mahan, gouverneur
der Keronans. Voor Engeland is de stad buitendien interessant om de
mislukte poging, in de 18de eeuw gedaan, om er een engelsch-perzischen
handel te vestigen.

In het begin der 19de eeuw heeft men zich van het belang van Astrabad
te veel voorgesteld. Napoleon en czar Paul I hadden het plan gevormd,
langs dien weg een aanval te wagen op Britsch-Indië. Het werd weer
opgevat door Rusland tijdens den Krim-oorlog; maar zoowel in het eene
als in het andere geval zou de uitvoering zeker op een noodlottige
ramp zijn uitgeloopen.

Thans heeft de transkaspische spoorweg het stadje alle gewicht
ontnomen, ofschoon bij een aanval op Perzië uit het Noorden de
bezetting van Sjahroed, na de verovering van Astrabad, de hoofdstad
zou afscheiden van Medsjed.

Astrabad beslaat nu misschien de helft van de oorspronkelijke
oppervlakte, en er wordt mij gezegd, dat de bevolking niet meer
dan tien duizend zielen bedraagt. De meeste straten zijn geplaveid,
waarschijnlijk door shah Abbas, en de huizen zijn van natuursteen of
van gebakken steen opgetrokken met daken van roode pannen, wat een
vroolijk gezicht geeft zelfs in den winter; daar op de muren overal
bloemen zijn geplant, moet het er in het voorjaar aardig uitzien. Er
zijn in de stad veel zeepfabrieken; potasch wordt er bereid uit
planten van den oever der rivier. Ook kruit wordt bereid in Astrabad,
maar dat is dan ook alle plaatselijke industrie.

Er begon veel sneeuw te vallen, een zonderling gezicht, terwijl de
oranje-appels aan de boomen hingen. Ik vertrok op de jacht, hopende
dat de sneeuw de herten uit de bergstreken naar beneden drijven
zou. Ik zag er niet één, hoeveel moeite ik mij ook een heele week lang
gaf. Daarentegen zag ik wel veel wilde zwijnen, en ik doodde er een,
om mijn nieuw geweer te probeeren.

Toen ik te Astrabad terugkeerde, waren de toebereidselen voor mijn
bescheiden expeditie in het turkmeensche land afgeloopen, en ik begaf
mij in noordelijke richting op reis. Terwijl het woud bijna den
zuidkant der stad bereikt, is het land in 't noorden vlak en open
en veelal bebouwd. Na door een paar gehuchten te zijn getrokken,
bereikten wij de Kara Soe of Zwart Water, een rivier met langzaam
stroomend, slijkerig water. Er ligt een brug over naar het land der
Turkomannen. Enkele mijlen trokken wij voort door een zeer vruchtbare
vlakte en kwamen toen aan de oevers der Gurgan, een rivier, waarvan de
naam denzelfden wortel heeft als het woord Hyrcanië. Een tweede brug,
even stevig als de eerste, ligt bij het fort Akkala of het Witte Fort,
een oude plaats van de Kadjaren, waar nog een garnizoen is en die er
indrukwekkend uitziet. Wij gingen den stroom niet over, maar trokken
langs den linker oever, om zoo te komen in het kamp van Moesa khan,
hoofd der Ak-Atabai, voor wien ik een brief had van kolonel Stewart.

Om u een alasjoek of Turkomannen-woning voor te stellen, moet ge
denken aan een kring van omgebogen takken, min of meer in den vorm
van een bijenkorf en zoowat twintig voet in diameter; zwart vilt is
over alles heen getrokken, en het resultaat is een beweegbaar huis,
dat ten minste als het koud weêr is, de voorkeur verdient boven een
tent. Binnenin wordt het hebben en houden van den eigenaar bewaard
in reuzenpakken, terwijl de karabijn van den heer des huizes binnen
het bereik van zijn hand is. Stukken tapijt bedekken de reten en
spleten van het vilt, en als er vuur brandt op den open haard, kan men
zich comfortabel voelen in zulk een verblijf. Alleen de rook blijft
een groot bezwaar. Ieder kamp werd bewoond door een aantal gezinnen
tusschen tien en dertig. Zij brengen zoo vijf maanden door ten zuiden
van de Gurgan, halen hun oogst binnen en laten daarna weer hun kudden
weiden dichtbij de Atrek.

Men kan als vaderland der Turkomannen beschouwen een strook gronds,
die beginnend bij de baai van Astrabad doorloopt tot het punt, waar
de drie staten Rusland, Perzië en Afghanistan samenkomen.

Hun eerste belangrijk optreden in de geschiedenis dagteekent van de
12de eeuw, toen zij sultan Sandjar van den troon stieten. In de 19de
eeuw gaf Shah Abbas bij zijn troonsbestijging aan talrijke koloniën
van Koerden grondgebied in die streken, wat een slag was voor de
turkmeensche roovers; maar zij bleven tot hun definitieven val, na de
inneming van Khiwa en van Merw, een ware plaag voor Perzië. Men kan
daar goed over oordeelen, als men, zooals ik, vroegere gevangenen
van hen heeft gezien en gehoord heeft wat zij hadden te verdragen,
te meer daar bij de natuurlijke wreedheid der Turkomannen zich de
haat voegde van de Sunnieten tegen de Sjiïeten. De heer Vambéry heeft
mij verteld, dat, hoewel hijzelf tijdens zijn gevangenschap aan de
Atrek heel goed werd behandeld, hij getuige moest zijn van allerlei
tooneelen, die hem de Turkomannen deden verfoeien.

Zeer tegen mijn zin was Moesa khan voor den nacht naar Astrabad
gegaan. Ik maakte van den dag, dien ik wachtende moest doorbrengen,
gebruik, om de ruïnen van de stad Kizil-Alan te gaan zien. Er zijn
ook verschillende hoogten, die verspreid in het dal der Gurgan
liggen, waar door reizigers veel onderzoekingen zijn gedaan. Enkelen
hebben er reeksen van seinposten in willen zien. Het is eenvoudiger,
te veronderstellen, dat het ruïnen van dorpen of steden zijn. Wij
kunnen er niet meer van zeggen, vóór men systematische opgravingen
zal hebben gedaan. Dan zal een rijke oogst de exploratie van het oude
Hyrcanië beloonen.

Zoodra hij was aangekomen, liet Moesa khan mij door Joessoef weten,
dat hij het niet op zich durfde nemen, mij door het turkmeensche land
te laten gaan. Ik kon er zeker van zijn, te worden gedood of bestolen,
en hij zou er door de perzische regeering voor aansprakelijk worden
gesteld. Het kostte mij zeer veel moeite, hem op zijn besluit te
doen terugkomen. Eindelijk, na verloop van drie dagen, gaf hij toe op
de bedreiging, dat zijn naam van gezaghebbend hoofdman er in Europa
onder zou lijden, en zoo beloofde hij, mij een geleide te bezorgen
tot de Atrek. Drie bloedverwanten van hem zouden mijn verdere reis
organiseeren.

Dus scheidde ik van mijn gastheer op de plek, waar wij de Gurgan
over moesten trekken, en wij trokken noordwaarts door de besneeuwde
steppe. Eerst was die geheel vlak, maar bij het naderen van de Atrek
gingen wij over een keten van lage bergen, bekend onder den naam
Kara-tapa of Zwarte heuvels. 's Avonds bereikten wij in een sneeuwstorm
een kamp van den stam der Atabaï, waar wij den nacht doorbrachten. Die
stam telt ongeveer twee duizend gezinnen in Perzië en duizend in
Rusland. Wij zetten toen den tocht langs de Atrek voort onder het
geleide van een turkmeenschen mollah, Hak Nafas, die niet erg zeker
van zijn zaak was. Ik vernam van Joessoef, dat het een roover was,
die niet viel te vertrouwen.

Vóór hij van ons wegging, had hij op fluisterenden toon een gesprek
gevoerd met enkele mannen van ons gevolg, 's Avonds van dien dag,
toen wij de rivier waren overgegaan, kampeerden wij bij een groep van
vijf tenten. Wij kregen niet als gewoonlijk een uitnoodiging om binnen
te komen in de alasjoeks, en het viel niet moeilijk, uit een en ander
op te maken, dat men iets tegen ons in den zin had. Ik barricadeerde
dus mijn tent en bleef wakker, wat niet al te moeilijk was, aangezien
ik gekweld werd door hevige kiespijn. Tegen middernacht kwamen de
Turkomannen op onze tent af, kruipend en met geladen geweren. Toen
ze op vijfhonderd meters afstands waren, ging Joessoef zeer beleefd
naar hun gezondheid informeeren. Waarop zij, zonder een woord te
zeggen, verdwenen. Wij belaadden onze muildieren vóór zonsopgang,
en Joessoef, die al dien tijd zich kranig en dapper hield, sprak
de dieven in partibus, die bij ons gebleven waren, krachtig toe en
verweet hun de schending van de wetten der gastvrijheid, hen dreigend
met allerlei verschrikkelijke straffen. Ten slotte verdwenen zij ook
en lieten ons met rust. Denzelfden dag waren wij bijna overvallen door
onze gidsen van den vorigen dag, die ons op den anderen oever van de
Atrek volgden. Maar zij trokken zich terug, waarschijnlijk overtuigd,
dat de Sahib machtige beschermers hebben moest, en dat hij anders
zich ook nooit in deze streken zou hebben gewaagd.

Te Aksjanim, beneden een kloof, waar de Atrek door vloeit, kwam ik op
het grondgebied van de Goklan-Turkomannen. Dit was de eerste plek,
waar mij een vriendelijke ontvangst bereid werd. Mijn gastheer,
Mustapha Koeli, was in 1874 verbonden geweest aan de zending van den
Honorable G. Napier naar de Gurgan.

Wij passeerden daarna langs een zeer sterke helling den doorgang,
die bekend is onder den naam Hanaki-pas; de top is 1020 M. hoog. Van
daar deed het dal, dat wij juist waren doorgegaan, zich voor als een
reliëfkaart; op den achtergrond verhief zich de Sonar Dagh. Overal
om ons heen waren sneeuwvelden, en de wolken dreigden met nieuwen
voorraad. Dus haastten wij ons, en toch was het maar even vóór
zonsondergang, dat wij het fort Amend, waarvan niet veel meer dan
een puinhoop over is, bereikten. Er waren enkele tenten der Toktimasj
omheen gegroepeerd.

Den volgenden dag ging het met moeite door het dal der Insja, om daarna
weer over een pas te trekken en den daarop volgenden dag bereikten
wij in een bebouwde streek en op den weg van Astrabad naar Boesjnoert
het dorp Semalgan, waarschijnlijk Samangan van sjah Nameh, een der
talrijke dorpen, die aan de Koerden behooren. Onnoodig te zeggen,
dat ik blij was, het land der Turkomannen achter mij te hebben,
maar ook dat het mij aangenaam was, een blik te hebben mogen werpen
op hun gewoonten en hun denkbeelden, wat mij nooit zou zijn gelukt,
als ik met een uitgebreid escorte had gereisd.

De Koerden ontvingen mij vriendelijk. Zij hadden nog veel herinneringen
bewaard van kolonel Napier. Maar ik werd er een weinig verlegen mee,
dat ik na hem dit bezoek aflegde; hij had edelmoedig geschenken
uitgedeeld en ik trok door met ledige handen.

Over den Halinurpas gaand, die door een hooge bergketen een weg
opent, kwamen wij eindelijk in het stadje Boesjnoert. Ik werd er zeer
vriendelijk door den gouverneur ontvangen, die mij geluk wenschte met
het ongedeerd volbrengen van zulk een gevaarlijke reis. En inderdaad,
nu eerst begon ik mij rekenschap te geven van de gevaren, die ik had
geloopen. Kolonel Yate, die een jaar later met zeventig man door
deze streek trok en een gewapend geleide bij zich had, noemt haar
"het meest woeste en onafhankelijke gedeelte van het gebied der
Turkomannen, waar de Perzen geen voet durven zetten."

De provincie Khorassan, die wij nu pas hadden betreden, ligt in
den noord-oosthoek van Perzië; de naam beteekent Land der Zon. Zij
besloeg vroeger een verbazende uitgestrektheid; ze strekte zich van
de Kaspische Zee tot Samarkand uit en zuidelijk tot de grenzen van
Sind. Tegenwoordig reikt zij van den transkaspischen spoorweg in het
Noorden tot Seïstan in het Zuiden en van Afghanistan in het Oosten
tot Astrabad in het Westen. De oppervlakte is door lord Curzon geschat
op 375,000 tot 435,000 vierkante kilometers.

Op den avond van mijn aankomst legde ik een bezoek af bij den
Saham-u-dola, een hoofd, dat hoog in aanzien stond. Ik zei hem eerst
niet, dat ik een officier was, die voor mijn genoegen reisde; maar
toen ik bemerkte, dat hij in mij een deelgenoot zag van de een of
andere bijzondere zending, vertelde ik hem de waarheid. Hij geloofde
mij niet, natuurlijk. Een Oosterling reist nooit anders, dan om geld
te verdienen of als pelgrim.

Boesjnoert is een stadje van misschien tien duizend inwoners. Er is
maar één lange straat; de plaats is door een telegraaflijn met Mesjed
verbonden, en er gaat wekelijks een post tusschen beide steden. De
straat is vol winkels, waar men russische samovars en manchestersch
katoen ziet. Ik kocht er drie turkmeensche tapijten voor ongeveer
zeven pond. Een goed gesternte had mij bij den koop geleid, want ze
waren in Engeland vier- of vijfmaal die som waard.

Daar drie dagen voldoende bleken, om alle merkwaardigheden van
Boesjnoert te bekijken, huurden wij versche muildieren en gingen
op weg naar Koetsjan. Door de Mesjedpoort vertrokken, reisden wij
langs de oude stad, waar nog slechts ruïnen van over zijn en daalden
af naar de Atrek. Onder de vele dorpen, waar wij doorheen trokken,
hadden enkele vierkante torens, gelijkend op die van engelsche kerken;
overal was welvaart te bespeuren, veel meer dan wij hadden gevonden in
het door de natuur rijker bedeelde district Astrabad. Den volgenden
dag gingen wij over een in goeden staat zijnde brug, en bij Sissah
betraden wij het gebied van Koetsjan. Het dal wordt breeder; de grond
is zeer vruchtbaar, en de dorpen zijn even talrijk als in sommige
deelen van Pendsjab.

Op onzen tocht waren wij getuigen van een nog in wezen zijnd oud
gebruik, het huwelijk bij roof. Wij ontmoetten eerst het geleide
van een bruid te paard; zij was gekleed in een rijk wit met rood
gewaad. Iets verder vonden wij andere ruiters, die bij de nadering der
dame een soort van gevecht nabootsten, tot zij een teeken had gegeven,
dat zij zich overgaf.

Te Sjirwan kwam ik weer in bekende streken en wel op den weg naar
Koetsjan daar, waar een levendige handel wordt gedreven met Geok
Tepe, het punt, dat het dichtst bij den transkaspischen spoorweg is
gelegen. De Atrek was hier niet veel meer dan een groote beek. Een
tocht van 35,000 mijlen door een der vruchtbaarste dalen van
Perzië bracht ons te Koetsjan. Het district, waar die plaats de
hoofdstad van is, moet als het belangrijkste der drie koerdische
districten worden beschouwd; tot in den jongsten tijd was het half
onafhankelijk. Nadir Shah werd vermoord in 1747, toen hij een poging
deed, het te onderwerpen. De _ilkhani_ is reeds door lord Curzon op
amusante manier beschreven; hij is gewoonlijk in een toestand van
ontoerekenbaarheid door de uitwerking van opium of alcohol, en men
moet hem altijd drie dagen van te voren, een bezoek aankondigen. Ik
onthield mij van een visite, daar ik geen tijd wilde verliezen.

Ik vond te Koetsjan een brief van den engelschen consul-generaal
te Mesjed, den heer Elias, die zoo vriendelijk was, mij te melden,
dat hij mij op een dagreis afstands van de stad een _sowar_ en twee
paarden had tegemoet gezonden. Wij namen een wagen, om ons met onze
bagage naar de stad te brengen.

Het land was vruchtbaar maar eentonig. Door de strenge vorst was de weg
hard en vlak. In den namiddag van den derden dag ontdekte ik een man
in de verte, die de sowar bleek te zijn, en in minder dan vijf minuten
draafde ik in de richting van Mesjed, terwijl Joessoef in het rijtuig
volgde. Vóór ons schitterde op vele mijlen afstands de prachtige
vergulde koepel als een vuurzee in de stralen van de ondergaande zon.

Een nieuwsgierige menigte wachtte ons af op de pleinen der stad. Door
de Khiaban, de hoofdstraat, iets als het _Unter den Linden_ der
plaats, daarna door de kronkelende straatjes, kwamen wij aan het
Consulaat-generaal, waar wij hartelijk werden ontvangen. Nu ik
twee maanden lang buiten de beschaafde wereld had verkeerd, was
ik onuitsprekelijk gelukkig, mij weer in een bevriende omgeving
te bevinden.

Mesjed, welks naam beteekent "Graf eens Martelaars", heet zoo,
omdat men er het graf vindt van een heilige Reza, den achtsten
iman. Zijn monument behoort tot de rijkste en meest bezochte van
Azië. De schatten, die er bewaard worden, bestaan niet alleen uit
ruime jaarlijksche schenkingen van geld en kostbaarheden, maar het
graf ontvangt ook giften en legaten in grond en tuinen, en wel van
alle klassen der bevolking. Het is niet toegankelijk voor christelijke
bezoekers, een regel, waaraan men zich in Perzië bij vele instellingen
houdt. Toch is hij niet steeds in acht genomen, en de spaansche gezant
aan het hof van Timoer, Ruy Gonzalez de Clavyo, vertelt, dat hij de
moskee te Mesjed heeft bezocht.

Het tegenwoordige heiligdom ligt, naar ik hoor, in het midden tusschen
drie groote pleinen. De bouwtrant, de opengewerkte lantaarn en het
gouden traliewerk geven er van buiten een ernstige schoonheid aan,
geschikt om een diepen indruk op vrome gemoederen te maken.

Mesjed is tegenwoordig een belangrijke stad uit het oogpunt van den
handel en de politiek. Van engelsch standpunt gezien, zou het een goede
post zijn ter bewaking van westelijk Afghanistan en een bruikbaar
entrepôt voor den engelsch-indischen handel. Maar voor Rusland is
de post van nog veel grooter beteekenis, daar Mesjed de hoofdstad
is van de provincie Khorassan, waarvan Askhabad voor zijn onderhoud
afhankelijk is. Zooals men wel kan begrijpen, zijn de bazars voor
't meerendeel gevuld met russische goederen, maar de voorwerpen van
engelsche herkomst worden op niet minder hoogen prijs gesteld. Men kan
hier een beeld vinden van den strijd tusschen de beide mogendheden,
die elkaâr den invloed in Perzië betwisten.

Ten tijde van mijn bezoek werd het ambt van britsch consul-generaal
waargenomen door den sedert overleden heer Ney Elias, den deken van
een reeks van bekende reizigers in Centraal-Azië. De belangen van
Rusland waren toevertrouwd aan den heer Vlassof, die nu een ruimer
arbeidsveld gevonden heeft in Abessynië. Zooals dat dikwijls het
geval is, hadden hij en zijn secretaris engelsche vrouwen getrouwd,
wat voor mij de genoegens van het samenzijn nog grooter maakte. Ik ben
nooit ergens vriendelijker ontvangen dan in die kleine maatschappij,
de europeesche kolonie van Mesjed. En toen ik dan ook na verloop van
een week vertrok, om mij naar Kirman te begeven door de Loetwoestijn,
deed het mij innig leed de vrienden te verlaten, van wie ik een week
te voren geen enkele kende.

Na het verlaten van Mesjed volgden wij den weg van Teheran naar
Sjerifabad. Hij loopt door een golvend terrein en maakt een bocht op
het punt, waar de uit het Zuiden komende pelgrims voor de eerste maal
den heiligen koepel der groote moskee aanschouwen.

Den tweeden dag na ons vertrek ging het over den Bidarpas, waar wij tot
onze groote verbazing een dikke sneeuwlaag vonden. Van dien pas, die
bijna 2000 M. hoog is, daalden wij naar een rivierdal. De benedenloop
van den stroom heet Kal-i-Sala. Er ligt een pas gebouwde brug over,
een vreemd verschijnsel in Perzië.

Na weer door heuvelachtige streken te zijn getrokken, kwamen wij
te Turbat, stad van 15000 inwoners, nog op ouderwetsche manier
Turbat-i-Haidari genoemd, naar het graf van rooden steen van een
beroemd heilige, Kutb-u-Din-Haider. Tegenwoordig gebruikt men meestal
den naam Turbat-i-Ichak-Khan, naar een hoofd van de Karaï's, die ter
dood gebracht werd nadat hij beproefd had, Mesjed te veroveren aan
de spits van een vereeniging van stammen.

Turbat, dat te midden van tuinen ligt, is sinds 1901 een belangrijk
russisch centrum geworden; een russisch dokter is er gevestigd
onder bescherming van Kozakken voor de gevallen van pest- en
cholera-epidemieën. Zijde was oudtijds het hoofdproduct van deze
streek, en tegenwoordig begint men weer meer aan die cultuur te
doen, hoewel de nawerking der ziekte van de zijderupsen zich nog
doet gevoelen.

Na Turbat volgden wij den loop der Kal-i-Sala en moesten dikwijls van
richting veranderen. Het was belangrijk op te merken, hoe alle op de
kaart aangegeven dorpen verwoest waren, terwijl er in de nabijheid
nieuwe gehuchten waren ontstaan, en tot onze nog grootere verbazing
was de rivier, die zich naar het Westen wendt, voorgesteld als naar
het Zuidoosten stroomend.

Vervolgens reden wij naar Djangal, Bimurgh, Beidukht. Het laatste
dorp is bekend als de woning van den groot-murschid van Perzië, een
man, die zeer grooten invloed uitoefent, vooral op de kooplieden van
Teheran. Zijn naam is Hadji Mullah sultan Alé, hij heeft een mooie
school of _mederssch_ laten bouwen, waar hij dagelijksch lessen geeft
en preekt. Hij moet ongeveer zestig jaar zijn.

Djouvein, de hoofdstad van het district Gunabad, bestuurd door den
gouverneur van Turbat, heeft een bevolking van 8000 inwoners en een
kleinen bazar. Men maakt er een soort van aardewerk, zoo grof en zoo
leelijk, dat ik geen enkel stuk ervan kon koopen.

De vlakte van Gunabad ligt aan den voet van een bergketen, die van
het Zuidoosten naar het Noordwesten loopt, en hier het betrekkelijke
hooggelegen land, dat ik doorreisd had, scheidt van de sombere
Loetwoestijn, die ik weldra zou betreden. Verder naar het Westen sluit
het terrein zich aan bij het noordelijk deel van die woestijn. Na
die keten te zijn doorgetrokken, kwamen wij te Toen, een ommuurde
stad van 4000 inwoners. Binnen de stad zelf waren veel tuinen, en
het algemeene aanzien van de plaats was niet onbehagelijk.

Zoo had ik dan de noordgrens bereikt van de groote woestijn, die
ik voor de eerste maal zou doorgaan, en waar ik nog dikwijls zou
terugkeeren. Laat ik er een korte beschrijving van geven. Eerst moet
ik meedeelen, dat verschillende aardrijkskundigen zonder voldoende
reden de groote perzische woestijn verdeeld hebben in twee deelen, een
noordelijk, het Dasjt-i-Kavir, en een zuidelijk, het Dasjt-i-Loet. Lord
Curzon, die drie afleidingen mogelijk acht van het woord _havir_, kiest
terecht het arabische _hafr_, dat beteekent "zoutmoeras". Dat woord is
nog voortdurend in gebruik in Zuid-Perzië. Wat de uitdrukking _Loet_
betreft, die is stellig afgeleid van Lot, en de gidsen wijzen nog
dikwijls in de groote woestijn de Sjahr-i-Loet of "steden van Lot". Zij
leggen dan uit, dat de Almachtige ze door hemelvuur verwoestte,
juist als de plaatsen, die nu bedolven liggen in de Doode Zee.

Na langdurige onderzoekingen ben ik tot het besluit gekomen, dat de
geheele woestijn van Perzië niet anders heet dan Loet (Dasjt-i-Loet
is een weinig gebruikte uitbreiding), en dat zij een aantal _kavirs_
bevat, die alle eenzelfde karakter hebben. Ik geef intusschen toe,
dat zij talrijker zijn in het Noorden, waar nog het meeste water
wordt aangetroffen. Een Pers, in Engeland opgevoed, heeft mij gezegd,
dat hij wel den weg Yezd-Pabas had aangewezen gezien op de kaart als
het punt, waar twee woestijnen bij elkander komen, maar dat al zijn
pogingen, om op de plaats zelve zich te overtuigen van het bestaan
eener woestijn Dasjt-i-Kavir, mislukt waren. Dat had zijn eerbied
voor de europeesche kaarten aan het wankelen gebracht.

De groote Loetwoestijn breidt zich van de buurt van Teheran tot de
grens van britsch Beloetsjistan uit over een lengte van meer dan 100
KM. Het is de oostelijke afhelling van die groote uitgestrektheid, die
het dorp Basiran draagt, het hoogste punt op 1400 M. Ik heb het dorp in
1899 bezocht. De gemiddelde hoogte der woestijn is ongeveer 600 M.; de
laagste punten bij Khabis liggen ter hoogte van 300 M. Het slechtste
gedeelte van de Loetwoestijn is dat tusschen oostelijk Perzië en
Khabis, dat in het midden der 19de eeuw door Khemikoff doorreisd werd.

Ziehier wat hij schrijft: "Men zal zich gemakkelijk ons genoegen
kunnen voorstellen, dat wij veilig en ongedeerd waren, nadat wij
een woestijn waren doorgetrokken, die in dorheid door geen andere
in Azië overtroffen wordt; vergeleken bij den Loet, zijn de Gobi en
de Kizel-Koem inderdaad vruchtbare weiden. Ik heb den troosteloozen
aanblik van de landengte van Suez gezien. Veel gedeelten van die
dorre streek schijnen getroffen door dezelfde onvruchtbaarheid als
de Loetwoestijn; maar dit karakter is dan nooit over zoo groote
uitgestrektheden heerschend."

Gemeenlijk neemt men aan, dat de Loet een oude binnenzee is
geweest. Die meening is onder anderen gegrond op het bestaan van
een werkzamen vulkaan, te Sarhad, van den uitgedoofden vulkaan
Koeh-i-Bazamn, en op veel legenden.

Ik ben ook van oordeel, dat door de moordende oorlogen, waar
Perzië onder heeft geleden, de grenzen der woestijnachtige streken
uitgebreid zijn. Perzië is een woestijn met dorpen, waartusschen zich
enkele bebouwde mijlen uitstrekken en die met moeite door middel van
irrigatie worden in stand gehouden. Als er geen water meer is, gaan de
dorpelingen heen, en omgekeerd, als de dorpsbewoners gedood zijn, raken
de kanalen en waterleidingen verstopt, en de woestijn wordt grooter.

Buiten de Loetwoestijn zijn er gebieden in Perzië, waar men drie of
vier dagreizen lang geen enkel dorp ziet. Al die kleine woestijntjes
lijken op de groote. Ik moet er bijvoegen, dat, zooals uit alles
blijkt, de regenhoeveelheid verminderd is. Oorzaak en gevolg van dat
feit is, dat het land zoo goed als in 't geheel geen boomen heeft. De
twee groote zaken, waaraan Perzië behoefte heeft, om materiëel een
herleving te ondergaan, zijn het water en het woud.

Ik heb de pretentie, die ik meen dat gerechtvaardigd is, dat ik de
eerste Europeaan ben, die dit deel van de Loetwoestijn doorkruist heb,
hoewel ik op het oogenblik dat ik de zaak in studie nam, meende,
dat ik de sporen van Marco Polo volgde. Buitendien biedt de weg,
als men de noodige voorzorgen neemt, geen groote moeilijkheden aan,
ten minste gedurende zeven maanden van het jaar. Het is de hoofdweg
van Kirman naar Mesjed, en bij gevolg wordt hij nu door duizenden
reizigers, vooral pelgrims, betreden.

Voorbij Toen sloegen wij de richting van het Zuiden in, en nadat
wij de bebouwde streken achter ons hadden gelaten, kwamen we in een
district van lage, door de zon verbrande, zwarte heuvels. Alle vier
mijlen troffen wij waterreservoirs, bekend onder den naam van _hauz_
en bestaande uit onderaardsche gewelven, waarin men langs trappen
neerdaalt. Het water, dat erin is, smaakt gewoonlijk slecht en in
droge jaren vindt men er vaak niets in.

Gedurende den tweeden dag zagen wij, terwijl we met moeite door de
vlakte voortsukkelden, een keten met besneeuwde bergen, die op geen
enkele kaart stond aangeduid. Den dag daarna waren we bij het dorp
Dahuk in een inzinking van dat gebergte, dat wel 2700 M. hoog moet
zijn en Moer Koesj heet.

De inwoners vertoonden een verbazende nieuwsgierigheid, en geen
wonder, want zij zagen voor het eerst Europeanen in hun land. Die
belangstelling was nog grooter geworden, daar ze, naar hun zeggen,
van pelgrims hadden gehoord, wat voor wonderen de Farangi's konden
verrichten en tot stand hadden gebracht, vooral te Bombay.

Dit deel van de Loetwoestijn was veel dichter bevolkt, dan wij gedacht
hadden. Wij gingen door de dorpen Arababad en Zenagoen, van waar
een vijftig mijlen lange weg ons naar Naïband voerde. Wij hielden
stil te Ab-i-Garm, een echte _havir_ maar van een abnormaal type. Het
omliggend district werd gedraineerd door het moeras, waarin zich brak
water bevond. Er waren veel tamarinden, enkele stuks hoornvee aten
van het harde gras en wij schoten eenige eenden.

In den avond verloren wij in een storm het paadje, dat onzen weg
verbeeldde. Toen ik bespeurde dat we geen water meer hadden, en
daar wij niet wisten hoe ver Naïband nog verwijderd was, ging ik den
volgenden morgen bij het aanbreken van den dag er alleen op uit te
paard, om mijn gezelschap water te kunnen toevoeren.

Bij een bocht van den weg had ik eensklaps een vizioen van een
feeënland. De bergen aan de overzijde waren bedekt met palmboomen,
die hun kruinen wiegden op de lucht en waarmee het groene koren de
liefelijkste tegenstelling vormde. Op een hoogte stond schilderachtig
een oud rood fort. In het bosch van palmen binnentredend, zag ik in
alle richtingen waterstroomen. Ruime grotten maakten de omgeving nog
aantrekkelijker en mooier.

Ik zond mijn reisgezellen een hoeveelheid water, en weldra kwamen
zij ook zelf. Wij sloegen ons kamp op bij den top van den berg,
waar wij tusschen de groene palmen de gele woestijn zagen liggen,
de brandende Loetwoestijn, die zich tot den horizon uitbreidde. Ik
hoorde, dat het dorp Naïband twee eeuwen geleden als vooruitgeschoven
post tegen de Beloetsjen gebouwd werd. Wij kwamen nu in het gebied
der strooptochten van dat volk.

Daar de muildieren rust behoefden, bracht ik twee dagen door met een
onderzoek van het naburig gebergte, dat bijna 2800 M. hoog was. Water
vond men er zoo goed als niet.

Onze volgende etappe zou veertig mijlen bedragen. Zij voerde
ons door echte steden van Lot, heuvels met steile hellingen, die
vizioenen wekten van torens en huizen en menschelijke gedaanten in
een schitterenden maneschijn. Wij bereikten dien dag de karavanseraï
Darband, bewaakt door een eenzamen soldaat, die zijn kost verdient met
het verkoopen van proviand tegen hongersnoodprijzen. Den volgenden
dag kwamen we in 't stadje Rawar, dat 8000 inwoners telt en beroemd
is om zijn vijgen en granaatappels, terwijl het tevens een middelpunt
is van de tapijtindustrie. Te Ab-Bid zagen wij ons plotseling omringd
door een bende Arabieren, die, nadat ze bij ons tevergeefs om geld
hadden aangeklopt, besloten de karavanseraï te plunderen. Twee mannen
kwamen ons dat vertellen en smeekten ons hen te helpen, om hun bezit
terug te krijgen. "Heel graag," was ons antwoord, en het was een waar
genoegen de bandieten te dwingen het gestolene terug te geven. In het
begin trokken ze hun messen, maar het zien van onze revolvers joeg
hun schrik aan en ten slotte gaven ze alles af wat ze gestolen hadden.

Ons volgend kamp lag te Hur, een gehuchtje, waar oorspronkelijk enkele
soldatengezinnen woonden, die daar waren geplaatst om het land te
bewaren voor de invallen en strooptochten der Beloetsjen. Vervolgens
kwamen onze etapen van Gwark en Tejen. Vóór we Khabis bereikten,
ging de weg door den beroemden pas Kar-i-Sjikan of pas van den Dood
der ezels. Een enorme rots sluit hier den weg af, zoodat men alle
lastdieren moet ontlasten en hun lichte vrachten moet laten dragen. Een
weinig dynamiet zou voldoende zijn, om dadelijk dat euvel te verhelpen.

Het stadje Khabis, waar wij toen aankwamen, heeft ongeveer 8000
inwoners; het brengt uitnemende dadels voort, oranjes, henneh, de
veelgebruikte verfstof, en is een druk bezocht winterstation. Het
stadje was vele malen in handen der Afghanen, voor de Kadjaren-dynastie
in Perzië stevig gevestigd was. De reverend A.R. Blackett van de
_Church Missionary Society_, die als predikant en zendeling Khabis in
1900 heeft bezocht, vertelt mij, dat hij er de ruïnen heeft gevonden
van wat waarschijnlijk een christelijke kerk was, onder een groep
gebouwen een mijl ten oosten van de plaats.

Vóór wij te Kirman kwamen, moesten wij nog de Koehpara-keten passeeren
over een hoogen pas; we kampeerden in het dorpje Amarestan en bereikten
den volgenden morgen de Kirman-vlakte. Het aanzien der oude, perzische
stad is niet zeer indrukwekkend, alles is er khaki-kleurig. Langs
enkele tuinen en huizen buiten de muren, traden wij voor 't eerst
Kirman binnen, zonder dat ik vermoedde later zooveel met die stad
uit te staan te zullen krijgen.



II

	De provincie Kirman.--Aardrijkskunde: de flora, de
	fauna, het bestuur, het leger.--Geschiedenis: invallen
	en verwoestingen.--De stad Kirman, de hoofdstad der
	provincie.--Een seizoen op het Sardoe-plateau.


De provincie Kirman is altijd belangrijk geweest sedert haar eerste
optreden in de geschiedenis. Waarschijnlijk is, in aanmerking genomen
de physieke gesteldheid van het land, hare uitgebreidheid zoo ongeveer
dezelfde als voor twee duizend jaar. Aan den anderen kant is ook
het verschil uiterst gering tusschen den naam der klassieke oudheid
_Kermania_ en dien van Kirman.

Uit aardrijkskundig oogpunt is de provincie, bijna even
groot als Frankrijk, van veel belang, al was het alleen om de
klimaatsverschillen, de natuurlijke voortbrengselen en de volksstammen,
die men er aantreft. Over een groote uitgestrektheid is het land
vlak; de palmen groeien er goed; tarwe en gerst rijpen in den winter
en worden geoogst in het begin der lente. In sommige streken, in
Djiruft bij voorbeeld, vormen mooie plateaux, die tot 2700 M. hoog
worden, het zuidelijkste gedeelte van het perzische bergstelsel,
waarin de bergketenen zoo ongeveer in noordwestelijke richting
loopen. In het Zuiden van Kirman treft men toppen aan, die bijna tot
5000 M. reiken. In het Noorden en Oosten der provincie vermindert de
hoogte geleidelijk, maar de bergen dicht bij de hoofdstad zijn hoog,
om echter al spoedig voor de lage, eenzame vlakte van de Loetwoestijn
plaats te maken.

De beste beschrijving, die men van de geheele provincie kan geven,
is, dat zij voor een deel zuiver woestijnachtig is en voor een ander
deel verscheiden oasen vertoont. Zoo breidt zich de woestijn wel ten
westen, ten zuiden en ten oosten van Kirman uit, maar op een afstand
van eenige mijlen vindt men kleine dorpen en hier en daar grootere
nederzettingen, in stand gehouden door bronnen, die in 't bergland
opborrelen en welker water door _kanats_ naar de vlakte wordt geleid.

In sommige gevallen kan de eerste bron zich wel op 120 M. diepte
bevinden, en nieuwe putten moeten dan gegraven worden op kleine
onderlinge afstanden. Het is onmogelijk, de geduldige vlijt der boeren
niet te bewonderen, die erin slagen hun bestaan te verzekeren met zoo
groote inspanning. Dikwijls kan een hevige regen of een zandhoos de
kanalen verstoppen.

Natuurlijk zijn de rivieren van geen beteekenis. Alleen de Halil Roed
verdient te worden genoemd. Zij ontspringt ten zuiden van de groote
keten, die ik noemde, loopt door het district Djiruft en stort zich
in de Bampoer. Er is tot heden geen poging gedaan, om het water voor
besproeiïng te gebruiken.

Ook heeft men geen voordeel weten te trekken van den regenval. Daar
die te Teheran ongeveer 25 cM. bedraagt, mag men voor Kirman een
gemiddelde hoeveelheid van 17 cM. aannemen of iets minder. Maar er
zijn op dat punt groote verschillen tusschen de districten. Dat van
Djiruft is het meest begunstigd.

Op de hooge plateaux wordt het begin van 't voorjaar bedorven door
aanhoudende hevige winden en stormen, die uit het zuidwesten geweldige
massa's stof aanvoeren. De onweersbuien zijn in goede jaren talrijk. Te
Kirman zijn de dagen in het midden van den zomer warm, maar de nachten
zijn aangenaam, en er is in den namiddag meestal wat wind. De hitte
is voorbij tegen het einde van September. Na de herfstnachtevening is
er meestal eenige dagen lang mist en nevel. Dat zal wel de mist zijn,
waarvan Marco Polo zegt: "En gij moet weten, dat als de Caraona's
een strooptocht willen doen, zij sommige tooverspreuken bezitten,
waardoor ze duisternis kunnen brengen over het aangezicht van den dag,
zóó dat ge nauwelijks uw buurman, die naast u rijdt kunt herkennen,
en zij kunnen die verduistering tot zeven dagen doen duren."

Op deze uitzondering na is de herfst verrukkelijk, ofschoon de Perzen
de temperatuur te laag vinden en er koorts van krijgen. Dat laat
zich verklaren, daar zij teveel vruchten eten. In den winter vriest
het sterk en meestal is de lucht volkomen helder. Gewoonlijk valt er
eenige regen tegen het eind van November en een weinig sneeuw valt
in December. In Januari heeft men, als het een goed jaar is, drie of
vier dagen van zwaren sneeuwval; maar de sneeuw smelt spoedig in de
vlakte. Zoo zingt de dichter Omar Khaygam: "De hoop der wereld, waar
de menschen hun hart op stellen, wordt asch of wordt werkelijkheid;
maar dan, evenals de sneeuw op de stoffige woestijnoppervlakte,
schittert zij een kort oogenblik en verdwijnt."

Maar toch zou zonder de bergen, die de schatten aan sneeuw bewaren voor
de tijden van nood, zuidoostelijk Perzië volkomen onbewoonbaar zijn. In
Garmsir zijn de wintermaanden zeer aangenaam, maar zelfs in Maart
wordt een tent verbazend warm, en de zomer is drukkend en ongezond,
ofschoon op vele plaatsen gemakkelijk bestijgbare bergen koelte bieden.

De bevolking van deze groote provincie telt misschien 750,000 inwoners,
die men kan verdeelen in lieden met vaste woonplaatsen en in nomaden;
de laatsten zijn zeer talrijk. De menschen uit de steden en dorpen
zijn voor het meerendeel Iraniërs. De horden der overweldigers, die
achtereenvolgens kwamen opdagen, hebben bijna altijd een zwervend
leven geleid, een leven zoo ongeveer als ons in het Boek Job wordt
beschreven.

De reiziger, die uit Europa komt, vindt de onvruchtbaarheid van het
land verschrikkelijk, en wat treurig mag heeten, zij is bezig toe
te nemen. Naarmate de bevolking zich meer aan vaste woonplaatsen
gewent, raakt de voorraad hout meer uitgeput, vooral door het werk
der kolenbranders. Steenkolen zijn er in het land niet, en op bijna
geen enkelen berg vindt men een echt bosch. Meestal treft men min of
meer verspreide boschjes aan van struiken; die de gomsoort tragacanth
leveren of de _assa foetida_, die in de apotheek gebruikt wordt. Op
de bergen groeien, naar men mij zeide, allerlei Alpenplanten.

Reizen in Zuid-Perzië beteekent gewoonlijk gaan over een grond, die
een verblindend licht terugkaatst tusschen steenachtige hoogten. De
vermoeide reiziger begroet met geestdrift elk klein beekje, zelfs een
stumperige wilg lijkt hem een bewonderenswaardig ding bij zoo groote
uitgestrektheden zonder boomen.

Tegenwoordig wordt nog, als in de oudste tijden der perzische
monarchie, elke provincie bestuurd door een gouverneur-generaal, die
voor de inning der belastingen aansprakelijk is en zich verplicht,
aan den shah een pikasj of officieel geschenk aan te bieden. De
ministers ontvangen daarbij ook gratificaties. Dank zij der gewoonte,
om salarissen uit te betalen aan de afstammelingen van bijna alle
ambtenaren en aan elken khan, kan het gebeuren, dat alle inkomsten
eener provincie op de plaats zelve worden opgebruikt. Er is mij
verzekerd, dat een der ambtenaren 172 jaargelden genoot voor zich en
zijn bloedverwanten.

Om in de provincies de orde te bewaren, zijn in elk twee regimenten
infanterie geplaatst, waarvan vier compagnieën ongeveer altijd onder
de wapens zijn. Er zijn ook een klein aantal artilleristen met enkele
veldbatterijen. Bam en Narmasjir hebben te zamen één regiment, waarvan
de helft in garnizoen is in Beloetsjistan. De soldaten zien er over
't algemeen goed uit en zijn flink gehard. Maar hun wapens laten te
wenschen over, terwijl de roovers meestal Martini-geweren bezitten.

Volgens Herodotus vormden de Kermanii een der twaalf stammen van
Perzië, en de provincie Kirman maakte deel uit van de veertiende
satrapie. Strabo beschrijft ze reeds als vruchtbaar. Zooals wij
zoo aanstonds zullen zien trok Alexander er doorheen van 't Oosten
naar het Westen. Ik heb in 't geheel geen melding zien maken van
Kirman in den tijd der Parthen; maar de provincie werd beroemd,
toen na de verovering van Fars zij vermeesterd werd door Ardechis,
zoon van Papak, stichter van de nationale dynastie der Sassaniden,
die stand hield tot den tijd der arabische overheersching. Gedurende
de regeering van dit vorstengeslacht genoot deze provincie, die van
de west- en de noordgrens verwijderd lag, een volkomen vrede.

Op het tijdstip, toen de Nestorianen in Perzië veel aanhang kregen,
werd Kirman een diocees, dat afhankelijk was van den metropolitaan
van Fars. Merkwaardig genoeg, was Perzië zoozeer één geworden met
het christendom, dat in China een decreet van keizer Iwentsoeng de
kerken aanduidt met den naam van "perzische tempels".

De laatste der sassanidische koningen, de ongelukkige Yezdigerd,
terug moetende trekken voor de soldaten van Omar, hield eenigen tijd
te Kirman verblijf, vóór hij naar de woestijn vluchtte.

De opstand, die in Perzië plaats had na Omars dood, hechtte de banden,
door de verovering door de Arabieren gelegd, nog steviger vast, vooral
voor de provincies, die het dichtst bij het centrum van het bestuur
lagen, zooals met Kirman het geval was. Er werden forten gebouwd en
arabische kolonies gesticht, met name in de warmste deelen van het
land, daar de aanhangers van Zoroaster nog de hooge plateaux bezet
hielden, die te koud waren voor de Arabieren.

Wij zullen de geschiedenis van Kirman niet vervolgen gedurende de
twee eeuwen van arabische overheersching en na de stichting van
nationale dynastieën, onafhankelijk van het kalifaat. Dat zou de
geheele historie van Perzië uit dien tijd moeten zijn. Kirman zelf
had enkele onafhankelijke bestuurders, Aboe Ali, een rooverhoofdman
en de dynastie der Deïlamiten. En dan in den tijd der veroveringen
door de Seldsjukken, die op den dood van sultan Mahmoed de Ghazna
volgden, stichtte Malik Kaward, zoon van Sjaker-Beg, zich een
rijk uit de provincie Kirman; zijn dynastie hield anderhalve eeuw
stand. Deze periode heeft twee historie-schrijvers zien geboren
worden, wier werken niet in een europeesche taal zijn vertaald. De
twee belangrijkste souvereinen van deze dynastie waren Malik Shah en
Arslan Sjah. Die laatste bracht gedurende een regeering van veertig
jaren veel verbeteringen in Kirman aan, zoodat men die provincie
best bij Khorassan kon vergelijken en bij Iran. Karavanen kwamen er
heen uit alle richtingen en trokken door het land, terwijl Fars en
Oman aan Kirman onderworpen waren. Togroe Shah volgde hem op; maar
bij zijn dood bracht de oneenigheid tusschen zijn drie broeders de
provincie tot een staat van verval.

Zij werd toen vermeesterd door den stam der Ghazzen, die Merw
hadden geplunderd en de streek binnen korten tijd tot een woestijn
maakten. Deze stam werd ten slotte ten onder gebracht door het
leger van den atabeg Sed-bin-Zangi, en van dien tijd af herstelde
zij zich niet weer van de geleden rampen. Thans wonen er de Raï's,
een onbelangrijke nomadenstam.

Kirman had het zeldzame voorrecht te ontsnappen aan de verwoestingen
van een verovering door Mongolen, het ergste lot, waarvan de
geschiedenis gewaagt. Maar toch bleef de inval van Gengis-Khan niet
zonder indirecten invloed op zijn lot. Een officier van den khan der
Kara-Kitaï, namelijk Borak Hadjib, die door de provincie trok en zich
verbeeldde haar gouverneur te zijn, vroeg en verkreeg de erkenning van
Gengis-Khan. Hij stierf in 1234. Hij werd vervangen door zijn neef en
schoonzoon Koet-boe-din, die, nadat hem het gezag betwist was door
zijn schoonbroeder, de nieuwe gouverneur werd en in 1258 stierf aan
de gevolgen van een wond, hem door den stoot van een bok toegebracht
in de Djoeparketen in hetzelfde jaar, waarin khalief Mostasim-Billa
ter dood was gebracht door Hoelagoe, zoon van Gengis-Khan.

Op Koet-boe-din volgde zijn vrouw, onder wie het land tot bloei
kwam. Zij stichtte dorpen en liet putten graven, en zij zetelde op
den troon, toen Marco Polo door het land reisde op zijn terugweg. Zij
stierf in het jaar 1282. Een andere vrouw, die over Kirman regeerde,
was Padsjah Katoem, een merkwaardige vorstin, die een goeden naam had
als dichteres. In deze periode werd het eiland Ormoezd schatplichtig
aan Kirman. In 1470 werd de provincie Kain vereenigd met Kirman, en
drie jaar later werden beide bij Fars gevoegd onder het gouverneurschap
van Shah Kalib. Zij deelden in het lot van het overige rijk.

In October 1894 kreeg ik de opdracht een consulaat te vestigen te
Kirman en in Perzisch Beloetsjistan. Ik nam die met genoegen aan,
ofschoon er geen groote financiëele voordeelen aan verbonden waren,
en ik begaf mij erheen in gezelschap van mijn zuster, die haar
reisindrukken heeft weergegeven in haar werk, dat den titel draagt
_Through Persia on a side saddle_. Wij begaven ons naar onzen post
over Enzeli, Teheran, waar wij eenigen tijd bleven, Koem, Kasjan,
Yezd en Bahramabad.

Op vier mijlen afstands van Kirman kwam een generaal mij welkom
heeten en bood mij thee aan in zijn tent. De omstreken der stad hebben
buitendien ook eenige theehuizen. Tot mijn groote verbazing zag ik een
microscopisch paardje aankomen, met schitterend fluweelen dekkleed en
gouden tuig. Op dat beestje moest ik mijn entree maken in de stad. De
_Sahib Dwan_ had het speciaal voor mij gezonden. Gelukkig kon ik
die moeilijke verplichting van de hand wijzen, door te zeggen, dat,
daar ik in uniform gekleed was, ik genoodzaakt was, mij te bedienen
van een militair zadel, en dat mijn zadel natuurlijk niet paste voor
zulk een kleinen pony.

Toen wij het daaromtrent eens waren geworden, ging het in optocht
naar de stad met wanhopige langzaamheid en voorafgegaan door een
troep van ongeveer tweehonderd ruiters en talrijke bij den teugel
geleide paarden. De hindoesche kooplieden en de zoroastrische gemeente
heetten ons welkom. Bij de westelijke poort klonk een fanfare, en
een honderdtal menschen liep mee met den stoet, die langzaam door de
nauwe bazars ging, waar alle handel stilstond.

De tuin, die voor het consulaat gehuurd was, lag een mijl buiten de
wallen, maar ten slotte bereikten wij dien toch. Wij werden een trap
opgeleid en weer werd ons thee gepresenteerd. Daarna vertrokken tot
mijn groote verlichting allen, die aan de _istikbal_ of receptie
luister hadden trachten bij te zetten.

De hoofdstad van de provincie Kirman is reeds van den aanvang af
een belangrijk middelpunt geweest; maar het is zeker, dat het oude
_Karmana_ niet op dezelfde plek lag als de tegenwoordige stad. Zooals
met zooveel steden in Perzië het geval is, hangt ook Kirman van de
putten of kanats af voor zijn watervoorziening. De plaats ligt in
een inzinking, nog altijd 1730 M. boven het niveau der zee, aan den
voet van een kalkgebergte, dat geheel door woestijnen omgeven is;
maar daar er veel wegen samenkomen, is er een middelpunt voor den
handel ontstaan.

Als men van het Oosten te Kirman komt, lijkt de stad een vrij verwarde
opeenhooping van minarets en moskeeën, met bijna overal ruïnen
eromheen. De beide forten, die de stad beheerschen, waren vroeger
middelpunten van verkeer. Aan de westzij ligt een mooier gedeelte, de
Bag-i-Ziriss, waar veel tuinen zijn, een soort van uitspanningsoord,
dat een oppervlakte van 250 hectaren beslaat. De tegenwoordige stad
Kirman is omgeven door een muur in goeden staat, met zes poorten,
waarvan één, bekend onder den naam _Sultani_, het werk moet zijn
van Sjah Roek. De vorm der stad is onregelmatig; de middellijn van
oost naar west bedraagt juist een engelsche mijl of 1609 M., die
van noord naar zuid is een paar honderd meters langer. Er zijn vijf
wijken, met de namen Sjahr, Khodja-Khizr, Koetbabad, Meidan-i-Kala
en Sjah-Actil; men kan er de drie buitenwijken Gabri, Mahoeni en
Yoe-Moedi nog bijvoegen.

Aan den westelijken muur grenst het Fort, waar de gouverneur-generaal
resideert. Daar zijn ook het telegraafkantoor, de kazernen en het
arsenaal. Die gebouwen zijn voor het meerendeel modern; ze zijn mooi
en goed onderhouden. Een groote tuin omgeeft de particuliere vertrekken
van Zijne Excellentie.

Tot 1896, het jaar toen het door een aardbeving verwoest werd, was
het merkwaardigste gebouw van Kirman de Koeba Sabz of Groene Dom. Het
was het graf van de dynastie der Karakhiten; het was een eigenaardig
cylindrisch monument, bijna 16 M. hoog met groenachtige mozaieken,
terwijl de vloer van binnen sporen van veel goud vertoonde.

Niet ver van daar is een steen, die prachtig gebeeldhouwd is en
waarop verzen van den Koran staan. Hij is gevoegd in den muur van een
vierkant gebouw, gedekt door een koepel en op dezelfde wijze versierd
als de Koeba Sabz. Een gewelf eronder schijnt er op te wijzen, dat
het ook een graf is geweest, maar de eenige inlichting, die ik op dit
punt te Kirman krijgen kon, was dat het gebouw der Khodja-Atabeg of
Sang-i-Atabeg heette.

Kirman, dat in de oostersche talen _Das-ul-Aman_ heet, dat is "Woning
des Vredes" kan met de voorsteden een bevolking van een weinig minder
dan 50,000 zielen tellen. Uit godsdienstig oogpunt is zij aldus over
de verschillende secten verdeeld: sjiiëtische Mohammedanen 37,000,
sunnietische 70, Babi's Behaï 3000, Babi's Ezeli 60, Sjeikhi's 6000,
Soefi's 1200, Joden 70, Zoroastriërs of Persen 1700, Hindoes 20.

De Babi's, aanhangers van Mirza-Ali-Mohammed van Sjiraz, in 1848 ter
dood gebracht, maken in 't geheim tal van proselieten. Zij hebben
verheven principes, willen vriendschappelijke betrekkingen tusschen
alle menschen, afschaffing van godsdienstoorlogen, studie van nuttige
wetenschappen enz. De uitbreiding van de leer der Babi's zou voor de
wedergeboorte van Perzië veel goed kunnen doen. Zij zijn verdeeld
in Ezeli's of Behaï's, al naarmate zij de leer van Mirza-Yahia,
sub-i-Ezel, den opvolger door den stichter der leer zelf aangewezen,
zijn toegedaan of volgelingen van Mirza-Husein-Ali, Beha Ulla, zijn
ouderen broeder, die zich in 1866 tot hoofd der sectie opwierp.

De secte van de Sjeikhi's heeft, ofschoon men het tegendeel heeft
beweerd, veel overeenkomst met die der Babi's. Zij is gesticht door
Sjeik Ahmad, d'Ahsa of Lahsa op de Bahreineilanden, die ongeveer 1750
werd geboren. De secte telt 7000 volgelingen in de provincie Kirman
en 50,000 in Perzië. Het tegenwoordige hoofd is Hadji Mohammed Khan,
een man met vriendelijke, wellevende manieren, die een uitgebreide
wereld- en menschenkennis bezit, aangenaam is in den omgang en vrij
blijkt van alle dweepzucht.

De Joden uit Kirman zijn er ongelukkig aan toe. Het zijn kleine
kooplui, bespottelijk inhalig en op hun voordeel uit. 't Is een tak
van een grootere kolonie, te Yezd gevestigd en die uit Bagdad gekomen
moet zijn.

De Zoroastriërs, interessant omdat zij aanhangers zijn van zulk
een ouden eeredienst, zijn ook belangwekkend om de zuiverheid van
hun bloed. Het zijn echte Iraniërs zonder die mengeling van arabisch
bloed of van mongoolsche en turksche elementen, door achtereenvolgende
invallen in Perzië ingevoerd. Zij vormen een schooner en gezonder ras
dan hun muzelmansche geloofsgenooten. Hun broeders in den geloove uit
Bombay geven een voorbeeld van physieken achteruitgang, waarschijnlijk
teweeggebracht door het klimaat van Indië.

Uit industriëel oogpunt was Kirman tot voor weinige jaren uitsluitend
bekend om zijn sjaals, maar tegenwoordig nog meer om de tapijten. Die
weergaloos mooie producten van zijn weefstoelen worden geweven
uit zijde en wol, en de fijnheid, de schitterende kleuren maken ze
inderdaad tot de schoonste ter wereld; alle andere weefsels schijnen
daarnaast banaal. De modellen zijn zeer oud en dagteekenen blijkbaar
uit den vóór-mohammedaanschen tijd. Er komen dikwijls menschenfiguren
op voor, maar meer gestyliseerde bloemen, alles met een prachtige
mengeling van kleuren.

Te Kirman zelf telt men ongeveer een duizendtal van die
weefstoelen. Elk tapijt wordt gemaakt door een meester-wever en
twee of drie kleine jongens, die naar een formule werken, welke zij
opzeggen en die veel verouderde woorden bevat. Het wordt beweerd,
dat die formules van mond tot mond zijn gegaan, overgeleverd van den
vader op den zoon, eeuwen en eeuwen lang. Er worden geen vrouwen,
noch meisjes aan dit werk gezet.

Anilineverfstoffen, die de tapijtindustrie onder de nomaden bijna
onmogelijk hebben gemaakt, worden zorgvuldig vermeden.

De sjaal wordt geweven uit geitehaar of wol. Evenals bij de tapijten,
worden de modellen van buiten geleerd; maar het werk is veel fijner
en kan alleen door kinderhanden worden verricht.

Andere industrieën van minder beteekenis zijn de fabrieken van vilt,
van _abba's_, dat zijn overkleeden van arabischen oorsprong en veel
door de Perzen gedragen, van voorwerpen uit brons gemaakt, enz.

Mijn verblijf te Kirman is altijd zeer aangenaam geweest; nergens ter
wereld zouden wij met meer achting behandeld hebben kunnen worden, en
naar mijne meening zijn de beleedigingen, die Europeanen zoo dikwijls
den Perzen naar het hoofd slingeren, volkomen onverdiend. De Perzen
zijn over 't algemeen bijzonder beleefd en geestig, en hun vlugheid
van begrip en repartie zijn spreekwoordelijk. Ze zijn als Franschen
door hun beleefdheid en hun zin voor complimentjes, en als Engelschen
in zoo ver zij het 't beste gebruik van geld achten, als ze het aan
voedsel en aan kleêren besteden.

De opvoeding der jeugd is tot hiertoe schandelijk verwaarloosd; maar
men kan tegenwoordig daaromtrent een heilzame ontevredenheid opmerken,
waardoor men later aan de kinderen nog wat anders zal onderwijzen
dan spreuken uit den Koran, die, daar ze in 't arabisch vervat
zijn, niet eens door hen begrepen worden. Thans is de positie van
een schoolmeester er even slecht als in het Engeland der 17de eeuw,
en de betaling gelijkt op die van een huisbediende. Het is dus niet
verwonderlijk, als men meesters ontmoet, die leeren, dat Londen de
naam is van een land, waarvan een der steden de Atlantische Oceaan is!

In Juni begonnen de nachten warm te worden, en mijn zuster leed veel
onder de aanvallen der muskieten. Dus besloten wij van verblijfplaats
te veranderen. Men had ons een koeler streek aangeraden. Daar ik er
zeer op gesteld was, den weg van Marco Polo terug te vinden, besloten
wij, ons eerst naar Koeh-i-Hazar te begeven of den "berg der tulpen",
daarna Sardoe een bezoek te brengen, waar ik zeker was, dat de groote
Venetiaan vertoefd had.

In vier étapes waren wij aan het dorp Hazar gekomen, en wij kampeerden
middenin de bergen op een hoogte van 3300 M. Ik kon er heerlijk jagen;
de bergstreek was bewaard gebleven voor den gouverneur-generaal,
en er was in verscheiden jaren geen jachtgeweer afgeschoten.

Op een dag volbrachten wij met mijn zuster de bestijging van den
berg met den langen oosterschen naam die "Heiligenberg" beduidt. Het
was de tweede in hoogte van de toppen van Zuidoostelijk Perzië, 4180
M. hoog. Op den top was een kapelletje, waarin een collectie munten
werd bewaard, waaronder één met het beeld van koningin Victoria en
het jaartal 1837.

De lucht was volkomen helder, en het panorama verrukkelijk mooi. In
het Noorden zagen wij de hoekige keten, aan welker voet Kirman ligt;
in het Oosten de reusachtige Koeh-i-Hazar, die hooger is dan 4000
M. Het is een prachtige berg, op den weg naar Beloetsjistan op meer
dan 100 mijlen afstands zichtbaar en in staat om de oogen van meer
dan één Kermani van trots te doen stralen. In het Zuiden liggen Sardoe
en de reeks groote ketenen, die onder verschillende namen het plateau
van Iran dragen. Bijna naar elke richting van den horizon hadden wij
een inderdaad nooit door Europeanen betreden land voor ons; op de
kaarten zijn enkel hoofdwegen aangegeven, en aan beide kanten ervan
heeft men op korten afstand totaal onbekende streken.

Van daar gingen wij naar het plateau van Sardoe. Te Rahboer brachten
wij een bezoek aan den gouverneur, en we ontmoetten ten zijnent
een grijsaard van den stam der Mehni, die beweerde 125 jaar oud
te wezen. Zijn gelaat had de kleur van was; zijn haren geleken
zilverdraad.

Bij het verlaten van Rahboer hielden wij bij benadering een oostelijke
richting en gingen over verschillende armen der Halil Roed, waarvan
één vrijwat dieper was, dan wij hadden gewenscht. Des nachts hielden we
stil bij een tuin, waaromheen een vijftigtal gezinnen kampeerden. Het
was de maand Moharram, en uren aaneen moesten wij het klaaglied uit
de Lijdensweek aanhooren. Toch kwam er tot onze groote voldoening een
eind aan, en het had wel iets van een grappige vertooning, toen wij de
opvoeringen overal weer aantroffen. Dit was eigenlijk de eenige maal,
dat ik in Perzië iets anders dan echte vroomheid bij de godsdienstige
plechtigheden zag; maar de nomaden zijn over 't algemeen minder stipt
in de opvolging der voorschriften van den godsdienst dan de menschen
met vaste woonplaatsen.

De volgende dagreis voerde ons door het vruchtbare district Herza,
waar de vele boomen een aangename tegenstelling vormden met de gewone
kaalheid der velden. Over een pas van 2700 M. gaande, bereikten
wij geleidelijk door golvende tarwevelden Dar-i-Mazar, hoofdstad
van Sardoe. Men ziet er een goed onderhouden heiligdom ter eere
van sultan Sejid-Ahmad-Saghis, die van den imam Moesa afstamt. Het
omringende terrein is eigendom van het heilige gebouw, en boeren, die
zich sjeiks noemen, zijn zoo goed als de eenige vaste bewoners van het
district, daar de nomaden, ten getale van vierhonderd gezinnen ruim,
in deze streken slechts de weinige zomermaanden doorbrengen. Rondom
het heiligdom ziet men een twaalftal winkels, en een badhuis is er
onlangs verrezen. Eenige Kermani waren er van het heerlijk koele
klimaat komen genieten.

Wij kampeerden verderop bij den pas van Sarbizan, waar men de ruïnen
van een karavanseraï vindt, gebouwd door den zevenden Seldsjukkensultan
Malik Mohammed. Het was er best jagen, en wij zouden er wel een
maand hebben willen blijven. Maar de Sahib Dwan was teruggeroepen,
en zijn opvolger werd plechtig geïnstalleerd, en dus moesten wij te
Kirman terugkeeren vóór de aankomst van Zijne Hoogheid.

Een weinig vóór Kerstmis 1895 kwamen twee Duitschers, die gewed hadden
een reis om de wereld te doen en daarbij hun eigen kost te verdienen,
te Kirman aan. Het zou voor onze kolonie een slechten indruk hebben
gemaakt, dat Europeanen bedelden, dus achtte ik mij verplicht den
reizigers zooveel mogelijk hulp te bieden. Maar ik kan niet zeggen,
dat het mij gespeten heeft te hebben vernomen, dat hun onderneming
ten slotte mislukt was; zulke zonderlinge, excentrieke menschen doen
niets dan kwaad, vooral in het Oosten. De inlichtingen, die zij geven,
hebben meestal geen waarde en kunnen gevaarlijk worden. Bovendien is
er geen enkele oosterling, die geen minderwaardige voorstelling van
Europeanen krijgt, als hij er ziet, die zonder bedienden reizen en
in de eerste de beste plaats hun logies goed genoeg vinden.



III

	In Beloetsjistan.--Makran, geschiedenis en aardrijkskunde
	van de streek.--Sachad.


Op zijn eerste reis in 1893 vertrok majoor Sykes van Kirman, om zich
naar Boesjir te begeven aan de Perzische Golf. Van daar volgde hij
de kust tot Karatsji, welken post hij verliet, om zijn tweede reis te
ondernemen. Toen werd hij vergezeld door majoor Brazier Creagh van den
gezondheidsdienst bij 't leger, door sultan Soekhroe, officier van
een cavalerie-regiment uit Pendsjab, door twee sowars van het corps
gidsen en door twee hindoesche bedienden. Hij vertelt het volgende
van die tweede reis.

Uit Karatsji vertrokken, was onze eerste tocht naar Gwadoer, een
bezitting van den sultan van Mascate, waar zich veel ontvluchte
perzische slaven ophouden. Den volgenden dag voer onze stoomboot
bij mooi, stil weêr de baai van Sjahbar binnen, de veiligste en best
toegankelijke haven aan de kust. Voor den zuidwestmoesson is men er
beschut door het land van Oman, waar zich het lange voorgebergte Ras
Koelab uitstrekt, terwijl in het westen een lange klip een natuurlijken
golfbreker vormt. Maar bij de breedte van twaalf KM. en de diepte
van wel twintig KM. is het toch nog geen volkomen veilige ankerplaats.

Onze ontscheping ging niet zonder moeite door middel van een inlandsche
boot of _baggala_. Toen we aan land waren, brachten we al onze
_impedimenta_ naar 't naastbij zijnde postkantoor.

Beloetsjistan is de gewoonlijk gebruikte naam van een uitgestrekt
gebied, dat maar dun bevolkt is en verdeeld is tusschen Engeland
en Perzië. De afgelegen provincie beantwoordt zoo ongeveer aan
de zeventiende satrapie van Darius, waarvan Herodotus gewaagt. De
groote koning vermeesterde Hapta Sindoe of Pendsjab, waarschijnlijk
langs den weg van Beloetsjistan, terwijl een vloot onder bevel van
den griekschen admiraal Scylax den Indus afzakte en, zonder zich om
de gevaren ter zee te bekommeren, de kusten van Gedrosië en Arabië
exploreerde. Die expeditie had plaats in 512 vóór Jezus Christus,
en in zekeren zin vermindert zij den roem van Alexander, die zeker
niet wist, dat de Grieken al in de zee van Erythrea hadden gevaren,
verondersteld, dat zij het hebben gedaan, wat niet bewezen is.

In den tijd van Alexander was de Makrankust bekend als 't land
der Ichthyophagen, en het binnenland heette Gedrosië. Sir Thomas
Holdich ziet in het  woord Makran een samentrekking van de beide
perzische woorden _Mahi_ en _Khoeran_, vischeters of ichtyophagen
beteekenend. Maar ik geloof, dat het woord veel ouder is en ik zou de
volgende etymologie voorslaan. De Assyriologen verschillen van meening
op het punt of de naam _Magan_ beteekent het Sinaï-schiereiland of de
kust van Arabië achter de Bahrein-eilanden met Oman er in begrepen;
in elk geval hebben wij het _Maka_ der opschriften, een vorm, die met
weinig verandering terug te vinden is in de Mykians of Mekians van
Herodotus. Nu was Makran in 't bijzonder bekend om zijn wortelboomen
of mangroven, want het land was gelijk aan de naburige kust, die men
de _Ran_ van Katsj noemt, een woord, dat afkomt van het Sanskriet
_aranya_ of _irina_ en dat een woestijn of een moeras beteekent. Is
het dus niet aan te nemen, dat de oorsprong van dit welbesproken woord
_Maka irina_ zal zijn, wat beteekent "de woestijn van Maka"? In Sind
is de uitspraak thans Makaran, juist de vorm, dien de beide woorden
vereenigd moesten aannemen.

Uit natuurkundig oogpunt breidt Makran zich uit tot de eerste
belangrijke keten, die een waterscheiding is. Tot op een dertigtal
kilometers van de kust vindt men een zandige vlakte, waar verschillende
waterloopen door gaan en die op vele plaatsen met tamarinden is
begroeid. Behalve na den regen loopen die rivieren maar voor een deel
aan de oppervlakte van den grond. Haar loop wordt dan onderaardsch,
't geen intusschen het voordeel heeft het water aan de verdamping
te onttrekken. Het district moest minder arm zijn dan het is, want
de grond is vruchtbaar en wordt voldoende besproeid, terwijl men er
uitstekende weiden voor kameelen vindt. Daarachter strekt zich een
reeks heuvels uit, laag en afgerond, die meer landwaarts in voor ruwe
kalksteenbergen plaats maken, de waterscheiding van Makran.

Sir Thomas Holdich beschrijft het landschap Makran uitstekend in
zijn werk _The Indian Borderland_ aldus: "Een eentonige reeks van
ketenen, de eene achter de andere als de ribben van een walvisch,
zich verheffend boven lage slijkheuvels met hier en daar een zoutige
plas en, als eenig versiersel, wat tamarinden met neutrale tinten
en gele stengels van vergeten gras van 't vorig jaar, zoo zag het
landschap er uit, dat wij maar al te dikwijls onder de oogen hadden".

De noordelijke hellingen van het kalkgebergte dalen af naar de
rivieren Bampoer en Mesjkil, die geen van beide de zee bereiken. In
het Noordwesten loopt de Loetwoestijn tot de rivier Bampoer, terwijl
in het Oosten van de Fahradsjvlakte de perzische bergketenen, die
van het Noordwesten naar 't Zuidwesten liepen, eene oost-westelijke
richting nemen, die zoo karakteristiek is in Zuid-Beloetsjistan en
die voor een deel den achterlijken toestand van die streek verklaart
door van de kust den toegang erheen zeer moeilijk maken. Meer naar
het Noorden eindelijk ligt het district Sarhad, waar twee naar het
Noordwesten gerichte evenwijdige ketenen deze hooge streek afscheiden
van de Loetwoestijn in 't Westen en van de eveneens lage Kharanwoestijn
in het Oosten.

Het centrale gedeelte van Beloetsjistan is zeer bergachtig; maar er
zijn geen maatregelen genomen, om van den aanwezigen watervoorraad
partij te trekken, en het land bestaat uit niet veel anders dan magere
weiden. De rivier, de Bampoer, zou tegen een geringe uitgaaf voor
irrigatiewerken met gemak een aanzienlijk aantal inwoners kunnen
voeden.

Sarhad, dat enkele jaren geleden nog een echt rooversnest was en nu
nog niet veel beters is geworden, heeft veel latente hulpmiddelen op
zijn hooge vlakten, die tot Koeh-i-Taftan loopen. Toch is het district
bijna niet bevolkt, ofschoon het graven van _kanats_ reeds eenige
resultaten heeft gehad en men in het land veel overblijfselen vindt
van vroegere cultures. De opening van de spoorlijn van Quettah naar
Seïstan zal wel haar werking uitoefenen, langzaam maar zeker. De
Engelsche regeering kan niet meer zooals vroeger onverschillig
blijven voor de razzia's. Buitendien begint Perzië zelf er ook de
orde te herstellen, en de razzia's zijn al niet meer, wat ze vroeger
waren, toen de Beloetsjen allen doodden, die zij gevangen namen of
bij uitzondering hen hielden als slaven en hen verminkten, om hen de
lust te benemen, naar hun vroegere woonplaats terug te keeren.

Wij weten niets zekers omtrent den oorsprong der Beloetsjen, want zij
hebben geen oude boeken, zijn zeer onwetend en zijn daar trotsch op,
zooals de baronnen uit de Middeleeuwen het waren. Sir Henry Pottinger
schrijft hun een turkmeensche afkomst toe; maar volgens professor
Rawlinson is het woord Beloetsje afgeleid van den naam Belus, dien
van een koning van Babylonië, dien men beschouwt als den Nimrod,
zoon van den Koesj uit de Schrift. Het woord _koesj_ komt ook wel
onder den vorm _koessoen_ voor. In Sjah Nameh van Firdoesi worden de
Beloetsjen genoemd als een stam, in Ghilan gevestigd onder de regeering
van Nosjirwan. Van daar zijn ze geëmigreerd naar Beloetsjistan door
Seïstan. Zeer waarschijnlijk zijn ze van arische afkomst; maar het ras
is veranderd door kruising met arabische immigranten, vluchtelingen
voor de vervolgingen, die na Hussein's dood plaats hadden. De hoofden
beweren, dat zij van arabische voorouders afstammen, en zij maken ook
den indruk te behooren tot een menschensoort, verschillend van die
der boeren. De Brahoeïs, die er dan nog zijn, hebben een eigen type;
ze zijn klein en hebben een rood gelaat, terwijl de Beloetsjen lang
en slank zijn met een langen vorm van hoofd. Die Brahoeïs spreken een
taal aan het Tamoel verwant en moeten van dravictischen oorsprong zijn.

Het is belangrijk op te merken, dat verscheiden duizenden Beloetsjen
wonen buiten Beloetsjistan, men treft ze veel aan in de grensprovincies
van Indië.

De eenige voorislamietische ruïnen, die ik ontmoet heb, zijn de
_Gorbasta_, dikwijls vergeleken bij de Cyclopenmuren van de Grieken. Ze
zijn gewoonlijk gebouwd bij den uitgang van een pas en dikwijls moesten
zij stuwen zijn voor het water, dat ter irrigatie dient. In sommige
gevallen vindt men ze op hellingen, en in vorstelijk Beloetsjistan
schijnt een talrijke bevolking voor haar levensonderhoud afhankelijk
te zijn geweest van deze dammen.

Maar kolonel Mockler heeft, toen hij een zestigtal kilometers ten
noordwesten van Gwadoer reisde, enkele oude steenen gebouwen opgegraven
en heeft ook steenen stuwwerken gevonden. Hij heeft mede beenderen
ontdekt en aardewerk en steenen messen. In andere gedeelten van Makran
heeft hij steenen graven gevonden, maar hij trekt geen enkel besluit
uit die ontdekkingen, evenmin als uit de opgravingen, door hem verricht
te Bahrein, waar ook gemetselde graven aan het licht zijn gekomen.

Beloetsjistan was schatplichtig aan het oude perzische rijk. Het is
zeker, dat Alexander de Groote het van het Oosten naar het Westen
doortrok, maar daarna heeft men het eenige honderdtallen van jaren
uit het oog verloren. Er is eerst weer sprake van, als men onder de
regeering van Nosjirwan besluit, de Beloetsjen voor hun strooptochten
te straffen en er groote moordpartijen aanrichtte. Zij hielden zich
toen rustig, ten minste gedurende één geslacht, hernamen daarna echter
weer hun roofzuchtige gewoonten, en hun onafhankelijkheid is nooit
duurzaam bedreigd geworden.

Toen de Mohammedanen kwamen opdagen, werd de provincie Kirman veroverd
in de eerste jaren na de Hedsjra, en Beloetsjistan trof weldra
hetzelfde lot. Maar het is twijfelachtig, dat het land permanent
door de Muzelmannen bestuurd is, vóór het veroverd werd door Yakoeb
bin Lais van de Saffaren-dynastie. Deze regeerde over een rijk, dat
zich uitstrekte van den Indus tot den Sjat el Arab, maar de voorspoed
duurde niet lang, want zijn broeder Amz werd gevangen genomen door
Ismaël van het geslacht der Samaniden en te Bagdad ter dood gebracht.

Intusschen bleven de Saffaren nog verscheiden eeuwen in het bezit van
Beloetsjistan, en zij vormden in den loop der tijden een vereeniging
van opperhoofden. Verschillende arabische reizigers, Masoedi, Istakhri
en Ibn Hankal bij voorbeeld, hebbens ons Makran in dien tijd als een
bloeiend land geschilderd.

Ten tijde van den inval der Mongolen kwam Djelaleddin van Kheiva uit
Indië naar Makran, om zich met de overweldigers te meten, en in 1223
zond Gengis-Khan, toen hij Herat had verwoest, Dehagataï erheen, om
Makran te verwoesten, ten einde de verbindingslijnen met Djelaleddin
af te snijden.

Op het einde van de 13de eeuw voer Marco Polo op zijn terugweg van
China langs Makran; maar het is niet zeer waarschijnlijk, dat de
groote Venetiaan op eenige plaats de kust heeft aangedaan.

In 1839 spreekt een intelligent reiziger Hadji Abdoel Nali van de
verschillende beloetsjistansche hoofden, die razzia's houden in Perzië
en lachen om de bedreigingen van den gouverneur-generaal van Kirman.

Maar sedert 1844 begint Beloetsjistan zijn vrijheid te verliezen. Twee
leden van den stam der Kadjaren werden aangewezen, om het woelige
district te besturen, maar zij slaagden niet in hun pogen, en het
was de verdienste van Ibrahim Khan, de verovering te voltooien van
wat tegenwoordig perzisch Beloetsjistan is. Hij wordt van wreedheid
beschuldigd, en hij had inderdaad een zekere neiging om de slaven te
exploiteeren; maar men moet rekening houden met alle geschenken, die
van hem gevorderd werden en alle geldsommen, die hij moest opbrengen.

Ibrahim Khan ontving de grensregelingscommissie onder bevel van
Sir Frederick Goldsmith niet al te vriendelijk, en pas was de
commissie, die de perzisch-beloetsjistansche grens geregeld had,
vertrokken, of hij maakte zich van Koehak meester, dat niet aan hem
was toegewezen. Hij stierf in 1884, na dertig jaren in dezen hoek
van Perzië het bestuur te hebben gevoerd. Zijn zoon stierf eenige
maanden na hem, en zijn schoonzoon werd gouverneur, maar werd in 1887
vervangen door een Turk, Aboel Fath Khan, om echter weldra weer tot
gouverneur te worden uitgeroepen. Deze Zein ul Abidin Khan regeerde,
toen ik er in 1893 kwam, en hij had later twee opstanden der Beloetsjen
te onderdrukken, één na den moord op den Sjah in 1896, en den anderen
in het daarna volgende jaar.

Tegenwoordig, nu de britsche regeering den verkoop van geweren
verboden heeft, is Beloetsjistan afhankelijker dan ooit; maar het
vooruitzicht is niet schitterend. De luiheid en onverschilligheid
van dit volk zijn zoodanig, dat ik meen te kunnen voorspellen, dat
binnen honderd jaar na dezen hun leven niet meer dan thans van dat
der patriarchen zal verschillen.

Voor onze reis waren, dank zij den heer Lovell, de kameelen
gereed. Maar de Beloetsjen hadden geen touwen, en buitendien bleek
het uiterst moeilijk, de lasten te verdeelen. Zij beklaagden
zich buitendien over de zwaarte der vrachten, die een perzisch
muilezeldrijver licht zou hebben gevonden. Wij deden hierbij de
belangwekkende waarneming, dat ieder kameel een eigenaar had, en dat
er soms een viertal aanspraak maakte op hetzelfde dier.

Wij besloten eindelijk onszelven met de verdeeling der vrachten te
belasten, en wij vertrokken laat in den namiddag, om tot Tiz te gaan
op twaalf kilometer afstands. Eerst gingen wij door het dorp Sjahbar,
waar veel hindoesche kooplieden woonden en waar alles vuil en leelijk
was, behalve de enkele boomen, die er stonden; vervolgens bestegen
wij geleidelijk het rotsachtige gebergte, dat het dorp scheidt van
Tiz. Die laatste plaats is veel beter gelegen dan Sjahbar, daar zij
zich bevindt aan den uitgang van den hoofdweg naar het binnenland
over Kasakand, die volkomen den weg langs de kust beheerscht, welke
oostwaarts in zigzag van het gebergte daalt en naar het Westen door
een opening tusschen de rotsen de zee bereikt.

Het was te laat, om de ruïnen te gaan zien, die trouwens nu uit niet
anders bestaan dan een duizendtal graven. Wij hadden nog juist den
tijd een blik te slaan op het oude perzische fort, twintig jaar geleden
gebouwd, om Sjahbar, door de Perzen veroverd op een arabischen sjeik,
te beschermen; kort daarna werd het reeds door het garnizoen verlaten.

In 1188 van onze jaartelling was Tiz blijkbaar een groote haven; de
karavanen, die van het Westen kwamen, volgden dien weg, toen tengevolge
van plaatselijke troebelen de haven van Ormoezd geblokkeerd was. Hun
weg leidde blijkbaar van Irak naar Kirman en van daar naar Bampoer,
Kasakand en Tiz; de andere weg, die mogelijk was, namelijk over
Geh bood teveel moeilijkheden voor de karavanen. De belangrijkheid
van Tiz lag ook hierin, dat de plaats het middelpunt was van den
suikerhandel in Makran en misschien de uitvoerplaats van het graan
uit Seïstan; stellig was het de zetel der kooplieden, die niet tot
Ormoezd wilden gaan.

Daar wij ons kamp hadden moeten opslaan in een nauw dal, waar
alleen wat water was in een paar vuile poelen, vertrokken wij
den volgenden dag in gloeiende hitte en richtten ons naar Parag,
een vuil dorpje. Daar wendden we onzen rug naar de zee en naar de
telegraaflijn, die dicht langs het strand loopt en veel van vocht
te lijden heeft. Daar onze paarden vermoeid waren door hun reis per
spoor en per boot, rustten wij eenigen tijd uit in de schaduw der
tamarinden, en wij zetten onze reis eerst voort in den koelen avond,
waarbij we over een lavavlakte gingen, waar enkele magere katoenvelden
te zien waren.

Ons kamp voor dien dag werd opgeslagen in het gehuchtje
Noer-Moehamedi. Den volgenden dag dwongen onze Beloetsjen onder
voorwendsel, dat hun kameelen, die 's avonds laat waren aangekomen,
rust behoefden, om stil te houden.

Een nieuwe marsch van 25 KM. bracht ons te Pich-Mant, welke naam
beduidt "plaats van den dwergpalm". De bladeren van dien daar veel
voorkomenden boom worden voor verschillende doeleinden gebruikt; men
maakt er sandalen van, matwerk en manden, daken, touwen enz. "en", zegt
de schrijver van _Eastern Persia_, "ook mutsen, sabelscheeden, zweepen
enz. De gedroogde bessen dienen voor het maken van rozenkransen;
de jonge spruiten worden gegeten, en de wortels zijn een uitstekende
brandstof, wat een groot voordeel is in het aan hout zoo arme land".

Toen wij de vlakte achter ons lieten, kwamen wij in een steenachtig
dal en van daar over een lagen pas op een plateau. Dien dag streek
een zwerm horzels op ons ontbijt neer en at het voor ons op.

De volgende dag bracht ons tot Ziarat, een gelukkig oord, omdat wij
er stroomend water vonden, waar onze paarden zich heerlijk aan te
goed deden.

De eenige Europeaan, die vóór ons in deze streek is geweest, is
kapitein Grant, een van de wetenschappelijke onderzoekers, op aandrang
van Sir John Malcolm naar Perzië gezonden in het eerste tiental jaren
van de 19_de_ eeuw. Zijn mededeelingen beteekenen niet veel.

Te Ziarat hadden wij de noordgrens bereikt van het kustdistrict,
waarvan de versterking, naar ons gezegd werd, voor ongeveer 5000
francs per jaar is toegezegd. Het water der rivier, die een paar
mijlen geheel verdwenen was, kwam wat hoogerop weer te voorschijn, en
wij gingen door een reeks kleine gehuchtjes en dadelboschjes, om ten
slotte te Nokinja stil te houden, waar wij ons bundels groene rijst
konden aanschaffen voor de paarden en eieren en melk voor onszelven.

Wij waren nu eindelijk buiten het gebied van de afgeronde heuvels,
en de bergketens, waardoor onze weg leidde, eindigden in spitse
kapen boven de bedding der rivier. Onmiddellijk boven Nokinja volgt
de samenvloeiing met de Sirha. Hooger nog was het ons een genoegen,
Geh te bereiken, de hoofdplaats van het district. Ik heb honderden
beloetsjische dorpen gezien, maar Geh, het _Bih_ van den reiziger
uit Arabië, blijft in mijn herinnering gegrift als het mooiste. Een
prachtig boschje van dadelpalmen verrijst bij de bron van twee
rivieren, de Gung en de Kisji; een oud schilderachtig fort staat op
een rots, en alleenstaande, kale heuvels in den omtrek verhoogen den
indruk, dien de frischgroene rijstvelden maken.

Het dorp ligt ongeveer 450 M. hoog. Hoewel wij op het einde van
October waren, wees de thermometer 's middags bij de 38° C.

Geh met Kasakand ten oosten en Bint ten westen vormen de drie steden
van perzisch Makran, waar de reiziger aankomt, als hij van de kust het
land in gaat. Ze moeten alle drie hetzelfde aantal inwoners hebben,
dat de twee duizend niet te boven gaat, naar het ons scheen.

Wij kregen een bezoek van Sjakar Khan, oudsten broeder van Sardar
Hussein Khan, die den ouden staat van zaken in de provincie
vertegenwoordigt en zich Beloetsjistan herinnert op den tijd, toen
het onafhankelijk was van Perzië; natuurlijk keurt hij de opgetreden
verandering af. Enkele inwoners spraken het Hindostansch, en wij
hoorden, dat zij een weinig handel dreven met de kust. Visch was een
der handelsartikelen; zij wordt nog verkocht, als ze reeds vrij oud is
geworden. De toestand der bevolking was er treurig, want de gouverneur,
die niet als in Perzië wordt in bedwang gehouden door de openbare
meening, noch de telegraaf heeft te vreezen, onderdrukte de menschen,
en veel inwoners verhuisden naar Karatsji, Maskate of Zanzibar.

Wij vertrokken, na onze kameelen te hebben weggezonden en eenige
gidsen uit Lasjar te hebben gehuurd, de sterkste en beste geleiders
voor reizen in het bergland. Wij moesten nu door het nog onbekende
district, dat ons van Fanoch scheidde. Wij volgden de steenachtige
bedding van de Gung stroomop en kwamen daarna in het gebied van de
Sirha, op welker beide oevers veel dorpen liggen. Wij hielden stil
te Maloeran aan een zijtak van de Rapsj. De bewoners, die blijkbaar
nooit van Europeanen hadden hooren spreken, keken ons achterdochtig
aan. Toen zij binnen het bereik van onze stem waren, beproefden wij
het middel, dat ons gewoonlijk gelukte en dat bestond in het geven
van een roepij aan een man, om hem te toonen, dat wij wenschten te
betalen voor wat wij zouden noodig hebben.

Dezen keer gelukte het niet. Een levendig gesprek begon; ik trachtte
van mijn kant duidelijk te maken, dat wij zouden betalen en dat wij hun
vrienden waren; maar het hoofd der bende, een schelm met een bijzonder
ongunstig uiterlijk, bleef bij zijn weigering. Ten slotte vloog een
der onzen op hem af en duwde hem in de rivier, waaruit de schurk
weer opdook met den mond vol slijk. Maar dadelijk daarna arriveerden
de gevraagde levensmiddelen. Men kan de tegenwerping maken, dat wij
geen recht hadden, tot geweld onze toevlucht te nemen; maar ik zou
mijn bedillers wel eens in een dergelijk geval geplaatst willen zien
en zou dan eens kijken, hoe zij te werk gingen. Bij slot van rekening
werden de menschen uit Maloeran onze beste vrienden en wij brachten een
geheelen dag onder hen door. Wij merkten de eigenaardige bijzonderheid
op, dat zij konden fluiten, een talent, dat in het Oosten zeldzaam is,
waar fluiten gemeenlijk voor een "taal des duivels" doorgaat.

Een moeilijke tocht was het naar de rivier Fanoch of Rapsj. In de
plaats van dien naam werden wij zeer vriendschappelijk ontvangen;
de zoons van Sjakar Khan waren er gouverneurs, en zij toonden zich
bijzonder geïnteresseerd bij het zien van onze geweren.

Begeerig, om het onbekende land in het Westen althans eenigszins te
leeren kennen, beklommen wij den Koeh-i-Fanoch, een lastige bestijging,
die vier uren duurde. De laatste 150 M. worden gevormd door een rots
van witten kalksteen, die bijna loodrecht is. Van den top konden
wij met gemak de vijf afzonderlijke stroomen volgen, die te zamen
de Fanoch vormen. Het was een prachtig panorama, en het gaf ons,
wat wij zoo vurig verlangden, een denkbeeld van de formatie van het
land. Naar het Westen werd het uitzicht voor een gedeelte beperkt
door hooge bergen; maar naar het Noorden zagen wij den prachtigen
Koeh-i-Bogman, die eenzaam tot 2700 M. boven de vlakte oprijst. Naar
het Oosten breiden zich het Azabadbergland uit en het district Lasjar.

Fanoch, waar wij een dag bleven rusten, om over onze vermoeienis heen
te komen, ziet er veel welvarender uit dan Geh, en verscheiden huizen
waren er van steen gebouwd. Er is een fort, dat zeer oud schijnt te
zijn; maar zooals gewoonlijk in Beloetsjistan konden wij volstrekt
geen inlichtingen krijgen over de geschiedenis van het gebouw.

Er waren in Fanoch schapen en gevogelte, eieren, melk, gerst, rijst
en tarwe in overvloed, en de dadels uit Beloetsjistan zijn beroemd;
maar het eenige industrie-artikel, dat er gemaakt wordt, zijn kleine,
met roode zijde geborduurde petten. Ik vroeg of Fanoch in Makran
lag. Er werd mij gezegd, dat de grens gevormd wordt door den kam van
den Band-i-Linag, ten noorden waarvan zich de stad bevindt; Basjkird
ten westen ervan wordt niet meer beschouwd als tot Beloetsjistan
te behooren.

Wij keerden terug langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, maar
voorbij Sartab sloegen wij een meer noordelijke richting in naar Tehan,
een welvarend dorp van wel duizend inwoners.

Te Geh terug zijnde, vonden we ons reisgezelschap goed uitgerust,
en toen wij twee dagen na onze terugkomst ons gereed maakten om naar
Fahradsj te vertrekken, werden wij aangenaam verrast door de aankomst
van twee Beloetsjen, die de gouverneur van perzisch Beloetsjistan
gezonden had, om ons tot gidsen te dienen, Mir khan Mohammed en
Moellah Basjan.

Eerst volgden wij een zijtak van de Sirha en daarna bereikten we den
hoofdstroom, aan welks oevers een weinig aan landbouw werd gedaan. Wij
kampeerden in de bedding zelve der rivier, en den volgenden dag hadden
wij den ellendigsten weg, dien ik ooit heb gezien. Een mijl stroomop
wordt het rivierdal nauwer, tot het niet veel meer dan 30 M. breed is
en wij kwamen bij rotsachtige trappen, waar de rivier in een waterval
bij neer viel. Iets verder weer een ander pretje, namelijk in de
bedding blokken rots van allerlei afmeting, van de grootte van een
omnibus tot die van een voetbal. Toen eindelijk verscheen een diepe
plas, die de gansche breedte van het dal vulde. Daarlangs liep een
smal pad, als voor geiten gemaakt, waar het ons onmogelijk leek voor
onze beladen beesten om zich op voort te bewegen. Maar tot mijn groote
verbazing liep alles zonder ongelukken af.

Onze paarden waren doodop, toen we bij de bron van de rivier
kwamen, in het dadelbosch van de Sirha, een groot, maar geheel
verwaarloosd terrein. Wij kampeerden ter hoogte van 990 M., en dit
was de eerste dag, waarop wij een temperatuur hadden van onder de 30°
C. Den volgenden dag was het ook betrekkelijk koel; wij stegen tot de
waterscheiding in Makran, op ongeveer 1100 M., en van daar begonnen we
te dalen rondom de hellingen van de groote massa van den Azbag, dien
wij gezien hadden vanaf den top Koeh-i-Fanoch. 's Avonds kampeerden
wij te Pip, de hoofdstad van Lasjar.

De gouverneur kwam ons begroeten. Hij was eerst zeer beschroomd. Zijn
gezicht klaarde echter op, toen wij hem naar de geschiedenis van
zijn geslacht vroegen. Hij was een jongen van zestien jaar. Pip is
een dorp van tweehonderd huizen, die rondom een versterkte vesting
gegroepeerd staan, op een zekeren afstand van een mooi dadelbosch. In
Beloetsjistan zijn de dorpen altijd gebouwd op boomlooze terreinen,
waaromheen koren verbouwd wordt. De verandering van lucht, van de
droge warmte der woestijn naar de betrekkelijk koele vochtigheid
van het dadelbosch, was zeer aangenaam, maar misschien gevaarlijk
voor hen, die vatbaar zijn voor koorts. Maar als men uren aaneen in
den brandenden zonnegloed heeft gereden, is de schaduw zoo welkom,
dat wij altijd zoo dicht mogelijk bij boomen kampeerden, en voor zoo
ver ik weet, heeft niemand onzer er leed van ondervonden.

Mijn reisgezel en ik waren van oordeel, dat de Lasjaren boven alle
andere Beloetsjen, die wij hadden ontmoet, uitmuntten. Physiek
waren het krachtige staaltjes van het menschenras en daarbij waren
ze altijd vroolijk en opgewekt, wat niet het geval is met de meeste
Beloetsjen, die begeerig en ijdel en niet zeer hulpvaardig zijn, en
daarbij stug en koppig als kameelen. Maar het is billijk er bij te
voegen, dat de Beloetsjen buitengewoon eerlijk zijn, en dat als men
hun brieven of dingen van waarde toevertrouwt, zij ze met gevaar van
eigen leven zullen verdedigen. Uit zedelijkheidsoogpunt staan ze ook
niet laag en hun vrouwen behandelen ze bijna als huns gelijken. Men
kan als voorbeeld van hun eerlijkheid het feit noemen, dat, om de
telegraafbeambten te betalen, men gewoon was een zak met roepijen
van den eenen post naar den anderen langs de lijn te verzenden, waar
ieder op zijn beurt zijn soldij uit nam. Een enkele maal maakte een
ambtenaar misbruik van dit vertrouwen, en hij moest zijn land verlaten,
wat voor een Beloetsje de zwaarste straf is.

Na een dag van welverdiende rust daalden wij verder langs het
vruchtbare dal der Pip. Te Ispaka waren we aangekomen in het district
Fahradsj, en wij ontdekten de eerste vertegenwoordigers van het
perzische element, in de gedaante van twee of drie soldaten en een
sergeant. Daar de Beloetsjen nooit met andere Perzen in aanraking
komen, dan met menschen, die belasting komen innen, zijn de Perzen
er zeer gehaat. Ze worden Gagars genoemd, verbastering van Kadjaren,
de naam der regeerende dynastie.

Den volgenden dag kwamen we op onzen tocht naar de rivier, de Bampoer,
in het dorp Kasimabad en daarna te Bampoer, het vroegere stadje,
dat de oude hoofdstad van Beloetsjistan is en waar nu niet meer dan
een paar honderd vuile hutten staan; een dadelbosch was er niet en
wij moesten kampeeren in een slordige omgeving, die oudtijds een tuin
zal zijn geweest.

Zein ul Abidin Khan, de gouverneur, had mij geschreven, dat hij
mij te Fahradsj wachtte, dat op vier mijlen afstands lag en veel
belangrijker is, daar het ongeveer twee duizend zielen telt, het
garnizoen erin begrepen. Zein ul Abidin Khan ontving ons vrij koel;
onze belangstelling kwam hem blijkbaar wat verdacht voor, zooals zij
dat veel Oosterlingen doet, maar na enkele moeilijkheden werden wij
ten slotte goede vrienden.

Ons doel was nu eerst het district Sarhad, waarvan nog zoo weinig
bekend is en waarheen wij den eersten December 1895 ons op weg
begaven. Een der eerste dagen, toen wij, na het dal der Konar
Rud te zijn doorgegaan, te Sonar waren, werden wij eenige dagen
opgehouden door een aanval van dysenterie van Brazier Creagh. Met
twee kameeldrijvers deed ik de volgende dagen de bestijging van
den Hamant, om het land te verkennen. Die berg is 2320 M. hoog, hij
is ten onrechte voor een vulkaan gehouden. De tocht was moeilijk,
vooral het dalen ging bezwaarlijk. Van den top hadden wij een ruim
uitzicht over het zuiderdistrict, dat een eentonig veld van lage
bergen geleek; maar in alle richtingen was het panorama prachtig,
al konden wij tot onze spijt den grooten vulkaan Sahrad niet zien.

Twee dagen later overschreden wij op 1680 M. hoogte de waterscheiding
tusschen de Bampoer en de Mesjkil, en daalden af naar het dorp Magaz,
dat ongeveer 2000 inwoners telt en 't beste klimaat heeft van heel
Beloetsjistan. Den weg naar het Noorden inslaand, trof onze blik
den Koeh-i-Taftan, die op den afstand van honderd mijlen ongeveer,
waarop wij hem zagen, op een witten kegel geleek.

Het district Sarhad deed zich het eerst aan ons voor van een pas,
van waar het ons voorkwam, niets dan kale bergen te bezitten, zonder
eenig dorp, zelfs zonder een tent van nomaden. Toch vonden wij er het
fort Kïvasj met een garnizoen van ongeveer 450 soldaten, infanterie
en cavalerie. Met enkele zwarte tenten was dat fort de hoofdstad van
het district. Landbouw werd er niet beoefend.

De verwaarloozing van Sarhad is droevig, want het is de eenige streek
tusschen Quettah en Kirman, die koel mag worden genoemd. In vroegeren
tijd woonde er een dichtere bevolking, zooals ook uit de overblijfselen
van putten of kanats blijkt, en men mag de hoop koesteren, dat het land
later een belangrijke weg zal zijn tusschen Quettah en Zuid-Perzië.

Van Kivasj uit wilde ik den Koeh-i-Taftan bestijgen, ofschoon de
gouverneur het mij afried. Twee dagen later echter kampeerden wij
op bijna 2000 M. hoogte in het kleine dorp Waradji, en den volgenden
dag klauterde ik tegen den top op, ongelukkig zonder Bazier Creagh,
die een zweer aan zijn voet had. De laatste uren der bestijging waren
lastig en onaangenaam. Eerst moest men over groote rotsblokken klimmen,
en daarna ging het door een dikke laag witte asch, die uit de verte aan
den berg het voorkomen had gegeven, alsof hij met eeuwige sneeuw bedekt
was. Wij bereikten den top eerst om twee uur in den namiddag, na acht
uren bijna aanhoudend te hebben geklommen. De Koeh-i-Taftan eindigt
in twee toppen, den noordelijken of hoogsten en den zuidelijken,
den vulkaan, dien wij wenschten te bezoeken.

De krater, waaruit verblindende zuilen van zwavelachtigen damp
opstegen, heeft twee openingen, ieder ongeveer drie meter in omtrek
en van boven gescheiden door een afstand van één meter. Er was
geen enkele versche lavastroom te zien, en er wordt van geen enkele
uitbarsting melding gemaakt. Het gezicht, dat men van den top had,
was 't mooiste, dat ik ooit in Perzië heb gezien; alle bergtoppen
waren duidelijk zichtbaar. Zooveel ik heb kunnen nagaan, vereeren de
bewoners van het dal den vulkaan al sinds overoude tijden.

Bij het dorp Bagman voegde zich onze colonne weer bij de bagage en
de reis door Sarhad leerde ons, dat het district water genoeg heeft,
om bij een goed bestuur een welvarend land te worden.



IV

	Grensregeling tusschen Perzië en Beloetsjistan.--Van Kirman
	naar de grensstad Koeak--De grensregelingscommissie.--Vraag
	naar den voorrang.--Het werk der commissie.--Van Koeak
	naar Kelat.


Ik was in Kirman in December 1895. Sinds eenige maanden hadden
onderhandelingen plaats met de perzische regeering ter zake van
de grenslijn tusschen Malik Sia en Koeak, die nog niet juist was
afgebakend, maar de winter was begonnen, zonder dat men tot een
beslissing was gekomen. Toen reisde in de laatste dagen van December
de perzische commissaris Ali Achraf Khan door Kirman, en enkele
dagen na zijn vertrek werd mij uit Teheran getelegrafeerd, dat ik
benoemd was tot de post van assistent-commissaris. Mijn zuster gaf
er de voorkeur aan, mijn reis, die vermoeiend en oncomfortabel was,
met mij mee te maken, liever dan de vriendelijke aanbieding van lady
Durand aan te nemen, bij haar te komen logeeren.

De toebereidselen voor den tocht waren nog al omslachtig, het was
een lange reis en wij moesten vooraf zorgen, hier en daar proviand
te vinden en daarbij hulpkameelen, als de andere vermoeid waren;
onderzoeken, waar water te krijgen was enz. enz. Bovendien waren
onze bedienden niet ingenomen met het denkbeeld van de reis door
Beloetsjistan en moesten telkens aangemoedigd worden.

Het was reeds zeer koud te Mahoen, onze pleisterplaats; te Hanaka,
waar de karavanseraï op een hoogte van bij de 2400 M. ligt, was
het werkelijk arctisch koud, maar te Rain, op de zuidelijke helling
van den Djoeparketen, werd het weêr gelukkig minder ijzig. Langs de
rivier, de Sandoe, ging het naar Abarik een moeilijk eindweegs door
het geaccidenteerde terrein. In de warmere streken gekomen, voelden
wij ons vermoeid en niet in staat tot eenige inspanning. Wij waren
in het district Fehroed, en Abarik en Fehroed zijn in Perzië berucht
om den hevigen wind die er veelal heerscht. In een gedicht heet het
dat, den wind wordt gevraagd, waar hij woont en dat hij antwoordt:
"Mijn armzalige woning is in Fehroed en ik bezoek dikwijls Abarik en
Sarbistan." Dit laatste dorp ligt aan den rechteroever van de rivier,
waar ik in 1894 bij hevigen storm kampeerde.

Een nog al vervelende rit langs de droge rivierbedding bracht ons te
Darzin. Het dorp is bekend om zijn vroegeren rijkdom. In de 12de eeuw
zegt een schrijver: "Wij stonden op het dak van het paleis te Darzin,
en wij zagen een groot aantal dorpen, die bijna elkander raakten
en heerlijke geuren verspreidden. Zein ed Din maakte de opmerking,
dat Fars een groot en vruchtbaar land was en dat hij het geheel had
doorreisd, maar dat hij zweren kon in heel Fars niet zulk een mooi
plekje te hebben gezien."

Helaas, hoe is alles veranderd! Darzin ligt in een ellendige
woestijn. Toch is er eenige vooruitgang, want een der oude kanats of
putten is hersteld, en daardoor zal het bebouwbare land toenemen.

Te Bam vonden wij een onderkomen in een nieuw gebouwd huis, dat uitzag
op een schaduwrijken tuin vol palmen. Bam is al sinds de oudste tijden
in Perzië een beroemde stad; een mijl van het tegenwoordige fort,
liggen de ruïnen van de oude stad. Ten tijde van de verovering door de
Arabieren was de stad zeer belangrijk en hoofdplaats der provincie. Bam
is herhaaldelijk belegerd en de moderne stad dateert van den jongsten
tijd. Het is nu het middelpunt van een rijk district, ligt op een
hoogte van 1100 M, heeft een bevolking van 13.000 inwoners, een
vruchtbaren bodem en een klimaat, dat even gunstig is voor de cultuur
van palmboomen als voor die van de producten der hoogere streken.

De zomerwarmte is er gematigd, want er waait dan een koele wind uit
het Noorden, en de belangrijkheid der stad wordt nog grooter door
het feit, dat zij in Oost-Perzië het laatste handelscentrum is vóór
Quettah. De bloei der plaats vloeit voort uit de productie van henneh,
want bijna de geheele opbrengst van die kostbare verfstof wordt in dat
district verkregen. De garnizoenen in Beloetsjistan bestaan gewoonlijk
uit soldaten uit die provincie, en de gouverneur is meestal een Bami.

Een reiziger verhaalt, dat Bam op een indische stad gelijkt. Die
opmerking heb ik niet gemaakt. Misschien zag men er dertig jaar geleden
op het tijdstip van die reis nog geen palmen, en zoo zou dan die indruk
zijn te verklaren. Ingevolge een bijzondere uitnoodiging bezochten wij
het beroemde fort, en wij constateerden, dat de oude stad nog stond,
omgeven door een hoogen muur en een gracht. Boven was de woning
van den gouverneur. Men heeft er een prachtig uitzicht. Achter ons
werden onze blikken getrokken door den Koeh-i-Hazar met zijn mantel
van versch gevallen sneeuw, en aan beide kanten van het dal teekenden
de bergen zich scherp af op den turkooizen hemel. Boven ons wuifden
de bouquetten van de dadelpalmen van Bam, en wij konden de rivier
van dien naam naar het Noordoosten volgen.

Vier mijlen van Bam verwijderd, bracht een steile daling ons tusschen
de gehuchten, die het dorp Bora samenstellen; er is een bevolking
van 5000 inwoners en het voert jaarlijks 120,000 pond henneh uit,
behalve granen en dadels.

Te Vakilabad, waar wij aankwamen, na langs een mooi, beschaduwd
riviertje te zijn gegaan, hadden wij het district Narmasjir
bereikt. Met zijn sierlijke tamarinden en mimosa's schijnt het land
een losgeraakt stukje van Sind. Het is er veel warmer dan in Bam. Tot
in het midden der 19_de_ eeuw was het in 't bezit van de Afghanen,
en tegenwoordig begint het eerst weer een weinig vooruit te gaan.

Ook verder bleef de streek goed besproeid, en er groeiden echte boomen,
tot we bij een reuzenuitgestrektheid jungle kwamen en van daar in
de woestijn, die weer door jungle gevolgd werd, te midden waarvan
het dorp Rigan is gelegen. Het lijkt nog al wat op de kaart, maar
het bestaat in werkelijkheid slechts uit een fort van gebakken leem,
waar een garnizoen ligt van tien soldaten, en uit eenige huizen voor
een bevolking van niet meer dan tweehonderd zielen. Te Rigan vonden
wij een wanhoopsboodschap van den perzischen commissaris, dien wij
bijna overvallen hadden, met verzoek onze komst uit te stellen. Wij
hielden met die smeekbede geen rekening.

Tusschen ons en Bampoer strekken zich 250 K.M. van de Loetwoestijn
uit. Maar daar het de beide vorige dagen zwaar geregend had, konden
wij over meer en beter water beschikken dan meestal de reizigers kunnen
doen, en wij legden den weg in negen dagen, bijna zonder ophouden, af.

Te Grazak, ongeveer op twee derden van den weg, verbaasde het ons,
eenige tenten van nomaden te zien en een boschje van palmen. Ten slotte
bereikten wij de rivier Bampoer bij Koesjgardan, waar ik reeds geweest
was. Daar ontmoetten wij eene afdeeling gewapende kameeldrijvers, en
ik heb zelden een woester en ongeregelder troep aanschouwd. Beschermd
door dat escorte en door onze cavalerie van kleine pony's, bereikten
wij Bampoer en van daar Fahradsj.

Op die plaats werden wij met groote staatsie ontvangen; het garnizoen
stond langs den weg geschaard, en de muziek speelde het volkslied. De
commissaris kwam kort na ons aan.

Wij huurden hier dertig beloetsjistansche kameelen, en kwamen overeen,
dat ik een dagreis vooruit zou gaan, om aan de grens tegenwoordig te
zijn, als de Perzen kwamen. De dagen begonnen zeer warm te worden. Te
Soran meldde een bericht van kolonel Holdich mij, dat zij Pandsjgoer
naderde, en dat hij de grens in het midden van Februari hoopte te
bereiken.

Te Isfandak vonden wij een bekoorlijk bosch van dadelpalmen, een
rivier met kristalhelder water, maar geen bewoners. Het dorpshoofd
had zich niet op zijn gemak gevoeld bij het idee, den commissaris
te ontmoeten, want hij was in verschillende plunderingen en andere
wandaden betrokken geweest. Bij gevolg bivouakkeerden hij en zijn
dorpelingen nu in de bergen, afwachtend, wat er zou gebeuren, en
ongetwijfeld der Commissie de schuld gevend van hun ballingschap.

Wij waren nu op den linkeroever van de rivier Mesjked of Mesjkil. Men
kan nog aan haar breede bedding en steile oevers zien, dat het vroeger
een groote waterloop geweest is, terwijl men nu, zelfs in den tijd van
hoog water, er gemakkelijk door kan waden. De wateren van de rivier
worden door de woestijn ingedronken, en ten oosten van Djalsk voeden
zij een gedeelte van de dadelboschjes.

Wij waren slechts twee uren nog verwijderd van ons doel, toen een
boodschapper ons kwam berichten, dat de britsche commissie aangekomen
was, en weldra konden wij de hand van landgenooten drukken na een
reis van meer dan 1000 KM., voor 't meerendeel door woestijnen, met
zeer weinig comfort te onzer beschikking, hetgeen wel een heldenstuk
mag heeten voor een per karavaan reizende dame.

Ik wil hier eenige bijzonderheden meedeelen over de grenscommissie,
die tusschen Perzië en Beloetsjistan werkte, of zooals zij wel genoemd
wordt, de perzisch-kelatsche commissie.

Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat toen er sprake was van een
telegraaflijn van Britsch-Indië over land, Sir Frederick Goldsmith dat
afgelegen gebied bereisde, en het eindresultaat was toen, dat er een
grenslijn getraceerd werd van Koeak naar de zee. Koeak, dat toen als
een sterke vesting werd beschouwd, was te dien tijde onafhankelijk en
bleef dat ook. In het Noorden tot Seïstan was het land nog onbekend,
en men wist eigenlijk niet, aan wien het behoorde, zoodat men daar geen
moeite deed voor de vaststelling der grens. Perzië had toen het geluk,
er een uitmuntende gouverneur te hebben in den persoon van Ibrahim
Khan. Hij deed al wat hij kon, opdat men zich van de vaststelling
der grens zou onthouden; maar toen hij het niet kon verhinderen,
maakte hij zich van Koeak meester, zoodra de engelsche commissaris
vertrokken was. Die daad werd niet erkend door onzen minister van
Buitenlandsche Zaken; maar daar wij nog tien jaren lang geen notitie
namen van ons protectoraat over Kelat, bleef alles bij het oude.

Maar toen wij troepen te Pandsjgoer hadden liggen, en de razzia's
ondragelijk werden, gaven wij Zijner Majesteit Nasr ed Din in
overweging, het nog onbepaalde gedeelte der grens definitief vast
te stellen, terwijl wij terzelfdertijd de quaestie van Koeak zouden
oplossen. Er had op die punten een drukke briefwisseling plaats; een
oogenblik dreigden de onderhandelingen te zullen worden afgebroken,
daar de shah er tegen opzag, zich de kosten te getroosten voor een
commissie, die niet ten doel had, zijn inkomsten te vergrooten,
toen plotseling Naoroz, khan van Kharan, de palmboschjes van Mesjkil
bezette. Dit nieuws bereikte Kirman, waarna de gouverneur mij een
officiëelen brief schreef, om mij te verzoeken, de indringers van
den perzischen bodem te verdrijven. In mijn antwoord deed ik hem
opmerken, dat dergelijke incidenten onvermijdelijk waren, zoolang de
grens niet vastgesteld was, en dat het mij onmogelijk was, in dien
tusschentijd handelend op te treden. Een copie van dien brief werd
door den gouverneur naar Teheran gezonden, en Zijne Majesteit kon zich
dus rekenschap geven van de gevaren zijner onverschilligheid. Toen
besloot de shah toe te geven en de commissie te benoemen, die op het
einde van Februari te Koeah bijeenkwam.

Onze commissie was niet zeer talrijk; voorzitter was kolonel, thans
Sir Thomas Holdich, de commissieleden waren kapitein A.C. Kemball
en mijn persoon. Luitenant-kolonel R. Wahab leidde de topografische
expeditie, en luitenant C.V. Price voerde het bevel over het escorte,
dat uit twee compagnieën fuseliers en eenige sowars bestond.

Wij waren te Koeak aangekomen vier dagen na de engelsche commissie
en het perzische commissielid kwam den volgenden dag, doch als wij
geen haast hadden gemaakt, zouden we ons werk niet voltooid hebben
in het koude seizoen. Zelfs op dat oogenblik was de zon om ruim tien
uur reeds te brandend heet, om niet gevaarlijk te zijn, en de tijd
van helderen hemel, zoo noodig voor topografische opnemingen, duurt
slechts tot einde Maart en wordt gevolgd door zes maanden nevel.

Toen allen bijeen waren, deed zich de moeilijke vraag voor, wie het
eerste bezoek moest brengen. Onze meening was, dat omdat wij het
eerst waren aangekomen, het de Perzen waren; maar dezen, zich op
hun etiquette beroepend, hielden een redeneering in tegengestelden
zin. Kolonel Holdich, beweerden ze, was slechts een afgevaardigde
van den onderkoning van Indië, terwijl de perzische afgevaardigde
den koning der koningen zelven vertegenwoordigde. Het debat zou zich
dagen aaneen hebben kunnen voortzetten; het liep hierop uit, dat,
daar de perzische commissaris en de gouverneur van Beloetsjistan mij
te Kirman een bezoek hadden gebracht en te Fahradsj, zij niet konden
nalaten, nu hun opwachting bij mijn superieur te maken.

Toen de Perzen kwamen, bewezen wij hun alle mogelijke eer. Maar wij
hadden samen slechts een zeer kort gesprek, wat voor een deel het
gevolg was van het feit, dat het Perzisch, 't welk in Indië wordt
gesproken en dat van Iran twee geheel verschillende talen zijn. Men
had in Indië niet genoeg met dat verschil rekening gehouden, zoodat
onze tolk, die voor zijn bemoeiïngen een zeer hoog salaris kreeg,
zelfs niet in staat was een brief te vertalen, en dat de geheele taak
der vertolking op mij neerkwam.

Het uitgangspunt voor het werk der commissie lag aan de Mesjkil
tegenover Koeak; een kunstmatige heuvel werd op den linkeroever
opgericht, niet zonder eenigen tegenstand. Maar voor de plaatsing
van den tweeden grenspaal was langere discussie noodig. Als mijn
zuster den heuvel niet beklommen had, waar wij den hoop steenen
opstapelden, zou nooit de dikke gouverneur van Beloetsjistan in de
beklimming hebben toegestemd. Eenmaal boven, werd hij, na op adem te
zijn gekomen, weerspannig en verklaarde, dat wij hem een kostelijke en
vruchtbare provincie afnamen; feitelijk was het een lapje van twintig
aren. Het feit, dat de grenzen reeds zóó te Teheran waren getraceerd,
beteekende voor hem niets; wij lieten zijn vrienden hem kalmeeren.

De onvermoeide kolonel Wahab verliet ons hier, om de Siaharketen te
bestijgen, en wij gaven hem het denkbeeld aan de hand, zich te doen
vergezellen door Soliman Mirza, vertegenwoordiger van den gouverneur
van Kirman. Deze stemde daar slechts noode in toe; maar hij besteeg
toch piek na piek met zijn engelschen collega, die een volleerd
bergbestijger was.

De beide commissies begaven zich toen in twee étapes naar Isfandak
en van daar naar Djalsk over den Bonsazpas, aan welks begin
wij kampeerden. Daar deed zich een nieuw incident voor, want de
perzische commissaris had laten rondstrooien, dat een grenspaal ten
westen van den pas was geplaatst, hetgeen de gemoederen ten hoogste
verontrustte. Wij gingen ons overtuigen, dat het niets anders was dan
een paal voor de triangulatie, en wij drukten er onze spijt over uit,
dat men ons van zulk een daad verdacht had, waarover de Perzen zich
op hun beurt teleurgesteld toonden.

De beide commissies waren uit de meest verschillende elementen
samengesteld, Engelschen, Perzen, Beloetsjen, soldaten der geregelde
en ongeregelde troepen. Wij hadden veel kameelen bij ons en ezels en
muildieren, alsook een kudde schapen en geiten.

Wij bleven veertien dagen te Djalsk, gedurende welken tijd men de
grenspalen zette, die de palmboschjes van Mesjkil bij Kelat voegden,
zooals te Teheran was afgesproken. Het meer noordelijk gelegen
district was slechts woestijn, en kolonel Holdich stelde, om een
nieuwe wintercampagne te vermijden, voor, als grens de ketenen aan
te nemen, die naar 't Zuidoosten liepen van den Koeh-i-Malik-Sia af
en dan alleen een vliegende colonne uit te zenden voor de exploratie.

Toen de Pers dat goed had gevonden, bleef er niet anders te doen dan
te beschikken over enkele niet belangrijke palmbosschen. Daar ik er
in 1893 in Sarhad over had hooren spreken en ik enkele aanteekeningen
over die quaestie had gemaakt, ging de zaak gemakkelijk.

De oase van Djalsk is zeer groot, zij beslaat een tiental vierkante
kilometers. Men vindt er overal dadelpalmen, waaronder gerst en
tarwe en boonen groeien, en in de tuinen treft men granaatappelen,
vijgenboomen en wijnstokken aan. Een moerassige plas ligt midden in
de oase, die acht verspreid liggende dorpen telt.

In de oase zijn een zeker aantal bouwwerken in het bezit van koepels;
zij bevatten de graven van een oud vorstengeslacht, dat over
Beloetsjistan heeft geregeerd.

Op het perzische Nieuwjaar 21 Maart, even vóór wij uiteen zouden
gaan, onstonden nog weer quaesties over den voorrang tusschen den
gouverneur van Beloetsjistan en den vertegenwoordiger van den Shah,
maar door wat schikken en plooien liep alles goed af.

Den volgenden dag vertrokken wij vroeg van Koeak na een
allerhartelijkst afscheid. Zoo eindigde het werk van de
perzisch-beloetsjistansche commissie.

Wij moesten nu tot Quettah door Britsch Beloetsjistan reizen. Dat
land heeft nog geen historieschrijver gevonden tot heden, ofschoon het
materiaal voor zijn historie gereed ligt. Aardrijkskundig breidt het
westelijk deel zich als woestijn naar het Noorden uit tot de woestijn
Helmand en bestaat in het midden en het Zuiden uit lange, smalle dalen,
die met de grootste regelmaat van het Noordoosten naar het Zuidwesten
loopen. Meer oostwaarts komt men in de beloetsjistansche bergen,
takken van den machtigen Hindoekoesj en op die groote hoogvlakte
liggen Kelat en Quettah. Zooals men kan begrijpen, is het klimaat
van het westelijk deel des lands bijna gelijk aan dat van perzisch
Beloetsjistan, en men vindt te Pandsjgoer dadels, die tot de beste der
wereld behooren; maar tusschen Kelat en Quettah is de koude soms vrij
hevig, en ik herinner mij, dat de kolonel Wahab mij een plek wees,
waar zijn expeditie door een storm was overvallen. In de duisternis
hadden zij hun tenten geplaatst achter een heuvel, naar zij meenden,
en den volgenden dag bleek het, dat het een hoop ossen waren, die
door de vorst waren omgekomen.

De bevolking van britsch Beloetsjistan is zeer gemengd, en zij is
nog in 't geheel niet gewend aan de beperkingen die het leven in de
beschaafde maatschappij meebrengt. Men vergeet echter wel eens, dat
de eerste vertegenwoordiger van Groot-Brittannië pas voor nog geen
twintig jaar te Pandsjgoer verscheen in den persoon van Sir Robert
Sandeman. Daar de Indische regeering niet graag noodeloos groote
uitgaven wilde doen, begon zij gedurende vele winters alleen een
officier op expeditie naar het land te zenden. De Beloetsjen wachtten
dan slechts op zijn vertrek, om hun onderlinge twisten te hervatten.

In 1891 beval majoor Muir, die de rechtspraak in handen had, de
gevangenneming van Mir Sjahdad, een bekend roover. Deze verzette
zich met zijn aanhangers; een ongewapende bediende werd gedood, en de
majoor zelf ernstig gewond, terwijl Shahdad er in slaagde, zich uit de
voeten te maken. Toen hij daarna op de hoogte was gebracht van mijne
aanwezigheid te Kirman, gaf hij zich ten laatste over aan Kemball,
toen deze zijn reis ondernam in 1894 en 1895. Er werd toen een paar
jaar lang een klein garnizoen te Pandsjgoer onderhouden; maar dat
werd in 1896 ingetrokken, daar het land tot rust gebracht scheen.

Eenige kilometers van Koeak verwijderd, werd de eentonigheid van de
reis op aangename wijze verbroken door de verschijning van twee beren,
de eerste, die ik in Beloetsjistan onder de oogen kreeg; zij joegen
Tumbull, die hen had ontmoet, op de vlucht. Wij gingen ze achtervolgen,
maar konden ze niet onder schot krijgen. Beren moeten er zeer zeldzaam
zijn, en ik heb buiten dezen eenen keer nog slechts een enkele maal
hun sporen gezien.

Wij gingen over de Mesjkil, die ongeveer een voet diep was en
koffiekleurig water had en betraden toen het Raksjandal. Die rivier
is breed en ondiep, maar had ziltig water, dat ook de minst verwende
onzer soldaten ondrinkbaar vonden, en het speet ons zeer, dat wij
een vat bier aan onze perzische collega's hadden afgestaan en dat
ons meel beschimmeld en oneetbaar was.

Wij stegen intusschen aanhoudend, zooals ook onze aneroïde barometers
aanwezen. De tochten waren uiterst eentonig; de eene dag volgde
den anderen, zonder dat men ergens een teeken van leven te zien
kreeg. Intusschen waagden wij ons aan gissingen omtrent de oorzaken,
die de bevolking uit het dal hadden doen vluchten. Wij zagen op
de terrasvormige hellingen hier en daar nog hoopen aardewerk
en gereedschap. Natuurlijk had de krijg velen verdreven; maar
buitendien had in dit district, zoowel als in de naburige provincies,
de vernieling der bosschen een vermindering in de hoeveelheid regen,
die er viel, teweeggebracht, had de bronnen doen opdrogen en had ten
laatste de bevolking op de vlucht gedreven.

Toch kan men zich hier wel water verschaffen, en artesische
putten zouden zeker uitstekende diensten kunnen bewijzen; maar wat
mij vooral trof, was de geschiktheid van het land voor de teelt
van kameelen. Overal was de grond dicht bedekt met kreupelhout,
terwijl het klimaat deed denken aan dat van een groot deel van
Afghanistan. Kameelen, die daar werden grootgebracht, zouden zeker
den dienst over de grenzen kunnen waarnemen, wat niet het geval is
met de kameelen uit de vlakte. Zelfs in den jongsten afghaanschen
oorlog heeft, zegt men, de miskenning van deze waarheid den dood van
zes-en-dertig duizend kameelen veroorzaakt, en niet alleen bracht dat
verlies den geheelen transportdienst in de war, maar het veroorzaakte
ook veel ziekten. Het blijft in elk geval te betreuren, dat men geen
gebruik maakt van deze woeste streek, waar wij 320 K.M. ver geen
teeken van leven zagen.

Te Nagha Kelat, waar wij twee dagen bleven, om onze kameelen te laten
uitrusten, maakten wij van het oponthoud gebruik, om de reusachtige
ruïnen, die er zich bevinden, te gaan zien; vooral die van groote
waterréservoirs of _gobasta's_ waren interessant.

Het werd einde April, toen we Kelat bereikten, de hoofdstad van
Beloetsjistan, op de aanzienlijke hoogte van 2100 M. gelegen. De
stad heeft een bevolking van bij de 50,000 inwoners, die in aantal
wisselt met de seizoenen; midden in den winter is de stad zoo goed als
verlaten. De bazars zijn zeer middelmatig, en men ziet aan alles, dat
de hier wonende menschen ver beneden de Perzen staan in de vorderingen
der beschaving.

In 1838, in den eersten oorlog met Afghanistan, werden britsche
officieren naar Kelat gezonden, om de medewerking van den khan te
krijgen bij het noodzakelijk reizen door zijn land op den tocht
naar Kandahar. Men kreeg eenig wantrouwen, dacht aan verraad, en in
November 1839 viel een britsche krijgsmacht Kelat aan en maakte er
zich bij verrassing van meester.

In 1877 kochten de Engelschen Quettah, en in den volgenden oorlog met
Afghanistan bewees Khoedabad, khan van Kelat, ons groote diensten. Zijn
zoon Mahmoed Khan is hem opgevolgd en regeert thans over Kelat.

Maar om mijn verhaal te vervolgen. Wij trokken over een niet zeer
hoogen pas in de bergen en kwamen tegenover een schilderachtig gelegen
fort, waar zich de broeder van den khan bij de britsche commissarissen
aansloot met eenige juist aangeworven lansiers. Ons bivak werd dichtbij
de armoedige gebouwen opgeslagen, waar de politieke agent woont; maar
wij hadden geen reden tot klagen, want de tuin leverde ons de beste
groenten, die wij sinds we te Djalsk waren, hadden geproefd. Daar
had men ons een heerlijken schotel linzen voorgezet. Wij waren nu
weer aan de telegraaflijn, die wij te Kharan hadden verlaten, en
twee étapes verder, na door het heerlijke Mastangdal te zijn gegaan,
bereikten wij den weg van Kelat, die toen in aanleg was en die nooit
geheel voltooid is geworden.

In ons laatste kamp konden we den spoorweg zien over den Bolanpas,
zoo goed als geheel voltooid. Onze perzische bedienden kwamen zeggen,
wat het was, blij dat ze ons wat nieuws konden vertellen. Onze
paarden namen hier met niet veel genoegen de noodige rust en gingen
bijna op hol, toen ze eerst een spoorwaggon en toen het station
zagen. Wijzelven waren verrukt van de frischgroene omgeving en de
mooie lanen, en toen wij eindelijk het consulaat van Quettah hadden
bereikt, voelden wij neiging, om uit te roepen: "Hier moet werkelijk
het paradijs zijn geweest!"

De vriendelijke ontvangst van Sir James Brown, zijn mooi huis met
het echt engelsche aanzien en vol van smaakvolle weelde, besloten
op aangename wijze deze reis, en mijn zuster kon voortaan aanspraak
maken op de eer, de eerste vrouw te zijn geweest, die te paard van de
Kaspische Zee naar Indië reed over een afstand van meer dan 3000 K.M.



V

	Seïstan.--Zijn geschiedenis.--De delta van de
	Helmand.--Vergelijking van Seïstan met Egypte.--Uitstapjes
	in Helmand.--Terugkeer van Yezd naar Kirman.


Een nieuwe tocht ter grensvaststelling was noodig, om het werk te
voltooien van de engelsch-perzische commissie, tusschen Afghanistan,
Beloetsjistan en Perzië. Op 2 Januari 1899 waren wij te Robat-Kelat
aangekomen, dichtbij den zuidwesthoek van Afghanistan, en we zouden
Seïstan binnentreden. Zonder weer het werk der grensregeling te
beschrijven, wil ik een en ander meedeelen over de aardrijkskundige
gesteldheid van dit land, dat tot nu toe zoo onvoldoende bestudeerd is.

Seïstan is het land der roemrijke geslachten van krijgers, waar Rustem
uit is voortgekomen, de held van Firdoesi's heldendicht, die nu nog,
als vóór duizend jaren, de nationale held der Perzen is. Al wat men
niet begrijpt, wordt aan hem toegeschreven, zelfs bij voorbeeld de
sassanidische beeldhouwwerken op de rotsen te Persepolis.

De tijd der dynastieën van Parthen en Sassaniden wordt in die
provincie door geen merkwaardige gebeurtenissen gekenmerkt; maar
de arabische veroveraars zijn er misschien verantwoordelijk voor,
dat de zeer oude steden Keikobad en Garsjap totaal verwoest zijn,
en dat op die plekken arabische steden zijn verrezen.

In 1363 maakte hij, die later de beroemde Timoer worden zou, zich van
verscheiden dorpen meester; maar hij werd verslagen en moest zich in
Makran terugtrekken. In dezen veldtocht deed hij de wonde op aan den
voet, die hem den bijnaam _lang_, den kreupele, bezorgde, waardoor hij
Timoerlang of Tamerlan werd. Hij verscheen weer één-en-twintig jaren
later, maar als veroveraar en moordenaar en maakte zich van Zirra,
daarna van Zalidan meester, dat toen waarschijnlijk de hoofdstad der
provincie was. Het garnizoen der stad werd aan zijn degen geregen, en
de ruïnen bleven aan de jakhalzen overgelaten, die er nog leven. Tot
overmaat van ramp vernielde Timoer het groote afdammingswerk, dat
den naam van _Band-i-Rustem_ droeg.

Door zulke rampen veranderde geheel het voorkomen der
provincie. Seïstan, bestaande uit het meer en de delta, door de
Helmand gevormd, was op dat oogenblik door aanslibbing der rivieren
aan de noordzij van het meer ontstaan, terwijl het latere bewoonde
Seïstan op de plaats lag van het verdwenen en uitgedroogde meer.

Dat Alexander de Groote op zijn tocht deze streken passeerde, bewijst,
dat zij toen niet zoo droog waren als tegenwoordig, en op een groot
deel van Azië is ditzelfde van toepassing.

Het tegenwoordige Seïstan heeft de Helmand of Hilmend tot oostgrens,
terwijl zich in het Noorden en Westen de hamoen uitstrekt, de
lagune. In het Zuidoosten van het bewoonde Seïstan bevindt zich de
_Gand i Zirra_ of het Zirrahol, waarin het water der lagune gebracht
wordt door den Sjelag, een waterloop van 350 M. breedte met 15 M. hooge
oevers, waar ik er overheen trok. Het groote bekken zelf is minstens
160 KM. lang en 50 KM. breed; het heeft zeker al het water opgenomen,
dat men nu in het meer vindt, of ten minste al het overvloedige
van de hooge waterstanden, anders kan men zich onmogelijk de groote
uitgestrektheid verklaren. Als het meer veel water heeft, is de Sjelag
een rivier met zout water, die met de Helmand evenwijdig loopt maar
in tegengestelde richting en daarvan gescheiden is door zandduinen. In
't algemeen is er niet anders dan een moeras in de laagste inzinking,
en zelfs in het voorjaar bedekken de wateren geen tiende deel van
zijn oppervlakte. Volgens Istakhri liep de Helmand uit in het meer
Zirra. Vóór de aankomst van Tamerlan was de rivier afgedamd en van
dien dam, de Band-i-Aok of Akoa ging een breed kanaal uit, dat diep
was en waaruit het district in het Zuiden werd besproeid. Men vindt
er nu niet anders dan de resten van groote steden. De grootste was
Hauzdar, waar volgens de legende de zoon van Rustem gedood werd.

De hoofdarm van de delta vloeide toen naar het Noordwesten, maar toen
na den inval der Tartaren en de verwoesting der kanalen Hauzdar zijn
toevoer van water verloor, werd Sekoeba de hoofdstad van Seïstan.

Voor zoo ver wij weten, hadden er geen groote veranderingen plaats,
tot een zestigtal jaren geleden volgens Conolly, die er kort daarna
een reis ondernam, de nieuwe afdammingen door het water weggesleurd
werden en Seïstan tot droogte veroordeelden. Tusschen 1840 en 1850
heeft men weer nieuwe leidingen aangelegd.

Toen Sir Frederick Goldsmith als scheidsrechter was benoemd tusschen
Perzië en Afghanistan, plaatste hij de grens aan de rivier, waarvan
de loop niet was veranderd. Maar acht jaren geleden baande zij zich,
door de alluviale aanslibbingen waarschijnlijk, een doorgang naar
het Westen, en op den tijd van ons bezoek stroomde de hoofdarm van de
Helmand onder den naam van Roed Perian naar het Oosten en evenwijdig
met de Roed Nasroe, die Djahanabad, Ibrahimbad en Djalalabad had
verwoest, de wieg der kejanische dynastie. Men begrijpt, dat de rivier,
die geen tegenstand meer ontmoette, haar oorspronkelijken loop hernam,
en van toen af konden de Afghanen zich terecht beklagen, dat zij op
een droogje werden gelaten, daar de arm de Nad-i-Ali slechts weinig
water had.

Om op de geschiedenis terug te komen, het land werd na Tamerlan
bestuurd door den stam der Kejaniërs, die voorgeeft, af te stammen
van de koninklijke familie der Achemeniden. Het hoofd was nu en dan
onafhankelijk, maar toen de dynastie der Saffaren haar hoogtepunt
van macht had bereikt, moest hij zich onderwerpen en erkende het
oppergezag van Perzië.

Toen Isfahan belegerd was geworden door de Afghanen, kwam Malik
Mahmoed, de regeerende vorst, te hulp met 10,000 soldaten, maar daar
de overweldigers hem het bezit van Khorassan hadden beloofd, liet hij
de koningsstad aan haar lot over. Kort daarna werd hij te Mesjed door
Nadir gevangen genomen, die zich op de eerste plaats begon te dringen,
en zijn erfgenamen, twee broeders, hielden een beleg van zeven jaren
uit op den Koeh-i-Khoya; maar zij verzoenden zich ten laatste met
den overheerscher en onderwierpen zich.

Bij den dood van Nadir Sjah werd het koninkrijk Afghanistan gesticht
door shah Ahmed, die geheel Oost-Perzië in bezit had, met Kain
en Seïstan erin begrepen, provincies, die van Herat uit bestuurd
werden. De stam van de Kejani's verdween langzamerhand; op het eind der
18de eeuw werd de stam der Nahrveï's uit Beloetsjistan uitgenoodigd,
zich in Seïstan te vestigen, om een tegenwicht te vormen tegen de
Sjahreki's en Sarbandi's.

Tegen 1850 werd Ali khan, het hoofd der Sarbandi's, schatplichtig
aan Perzië en verkreeg de hand der dochter van Bahram Mirza, een
bloedverwant van den shah. Doch deze werd overwonnen en gedood door
een van zijn neven Tadsj Mohammed, die eerst erkend werd, doch later
in de gevangenis geworpen, toen ontsnapte en verder een zwervend
leven leidde, dat hij te Quettah eindigde.

Daarna nam de perzische regeering geleidelijk Seïstan in bezit en
begon de forten aan de overzij van de Helmand weer te bezetten. Maar
Sjïr Ali, de beheerscher van Afghanistan trachtte dat te beletten,
en om een oorlog tusschen Perzië en Afghanistan te voorkomen, stemde
de britsche regeering erin toe, scheidsrechterlijk op te treden,
volgens het tractaat van Parijs.

Het was een moeilijk geval. De scheidsrechter had niet alleen
tusschen tegenstrijdige eischen te kiezen, maar moest ook den waren
_status quo_ vaststellen. Toen generaal Goldsmith echter inzag, dat
een volledige enquête onmogelijk was, kwam hij naar Teheran terug en
liet van daar zijn beslissing vallen, waardoor de Helmand de grens
werd, en Perzië het geheele gedeelte kreeg, waar eenige opbrengst
van was te verwachten. Toch kwamen beide partijen in hooger beroep,
en de beslissing werd uitgesteld.

Seïstan werd een weinig uit het oog verloren. Maar de openstelling
van den weg Quettah-Noesjki-Khorassan, een der resultaten van de
perzisch-afghaansche onderneming tot vaststelling der grens, vestigde
er weer de aandacht op, en kapitein Webb Ware bracht er een bezoek
aan in 1897. Er werd een russische vice-consul benoemd in den herfst
van 1898, en in datzelfde jaar kreeg ik de opdracht, er een britsch
consulaat te vestigen.

Intusschen waren wij aangekomen bij de zwarte, lage bergketen
Koeh-i-Malik-Sia, die alleen belangrijk is, omdat daar de drie rijken,
Groot-Brittannië, Perzië en Afghanistan aan elkander grenzen.

Ik ontmoette Wood en zijn expeditie bij het station Hoermak, het
laatste waar wij vóór Helmand nog versch water zouden vinden. Dan zou
een eindelooze, dorre vlakte volgen, die een troosteloozen aanblik
opleverde.

Den volgenden morgen kwamen wij aan den oever der Sjelag, die groote
zoutwaterplassen vormde, waar eenige eenden in rondzwommen. In een
diagonaal passeerden wij de breede, diepe bedding der rivier, en na den
linkeroever te hebben bereikt, zagen wij de eerste ruïnen. Wij sloegen
ons kamp op te Girdi-Sjah, waar ik mijn post moest vestigen niet ver
van de Ramroed-ruïnen, waar de huizen, van leem opgetrokken en reeds
zoo lang verlaten, nog zoo goed als bewoonbaar waren. Girdi-Sjah,
de eenige plaats, die mijlen ver in 't rond drinkbaar water had aan
te bieden, wordt altijd aangedaan door de karavanen, die uit Perzië
of uit Afghanistan komen. Mijn sowars hebben er wat koren gezaaid en
hebben de putten en bronnen schoon gemaakt, zoodat daar later een dorp
zal kunnen ontstaan, wat een groote weldaad voor de karavanen zal zijn.

De volgende etape bracht ons door een gebied van verlaten steden
en dorpen. We passeerden de ruïnen van Koendar en Hauzdar, en we
kampeerden te Asak-Sjah, waar wij eenige bronnen met vrij goed water
aantroffen, in de buurt waarvan groote kudden schapen graasden. We
waren nu dicht bij het bewoonde Seïstan.

Over een grasvlakte rijdend, kregen wij weldra het eerste
besproeiïngskanaal te zien, dat wel 5 M. diep was. Onze paarden waren
overgelukkig, en zij dronken zoo begeerig, dat wij hen wel tot hun
eigen heil moesten weghalen. Langs door het water afgesleten rotsen
kwamen we bij Varmal, een groot dorp, bevolkt met een duizendtal
inwoners. In ons kamp aangekomen, genoten we van de verrassing, daar
zakken met gerst en meel te vinden; we waren nu weer in een land
van overvloed.

Ik ben getroffen geworden door de overeenkomst, die er bestaat tusschen
Seïstan en Egypte aan den eenen kant, en Sarhad en Palestina aan
den anderen. Seïstan is even afhankelijk van de rivier de Helmand
of Hilmend als Egypte van den Nijl, en de beide districten zijn de
korenschuren voor de omringende gebieden. Eveneens maakt de droogte
juist als in Palestina het land in Sarhad onbewoonbaar; de kudden
schapen en geiten sterven door gebrek aan voedsel. Als ik in Sarhad
onderzoek deed naar een stam, die er vroeger had gewoond, luidde
onveranderlijk het antwoord, dat hij naar Seïstan was gegaan.

Zooals Abraham en Jacob genoodzaakt waren naar Egypte te gaan, om
het bestaan van hun gezinnen te verzekeren, zoo vereenigen de nomaden
zich in Seïstan en in de buurt. Om de vergelijking te voltooien nog
dit, dat, zooals de reiziger in Egypte door de arabische woestijn
trok met het oog gericht op de Middellandsche Zee, zoo sleepen zich
de herders, die van hongersnood te lijden hebben, met moeite door de
woestijn naar Seïstan en zien daar de breede Helmand en de moerassen,
het vochtige land, dat herders en kudden van den dood zal redden.

Ons eerste bezoek aan het meer vertoonde ons een groote uitgestrektheid
water, volkomen open en bedekt met myriaden wilde vogels. Als ze
opvlogen maakte dat hetzelfde geluid als de zee kan maken, als de
golven breken op de kust. Zij waren buiten het bereik van onze geweren,
en wij hadden geen boot om erbij te komen.

In het kamp teruggekeerd, vonden wij er een ambtenaar, dien
de gouverneur gezonden had, om ons naar zijn residentie te
geleiden. Gedurende den tocht naar Nasratabad vielen velen onzer
kameelen met hun lasten neer, soms in de irrigatie-kanalen. Er is
geen treuriger aanblik, dan zoo'n arm schip der woestijn in het water
te zien.

Op zes kilometer afstands van Nasratabad voegde zich de gouverneur,
Mir Masoem Khan, bij ons. Maar na enkele begroetingen en wat muziek
ter eere van den avond, die aan den Ramadan voorafgaat, liet men ons
in ons kamp met rust.

Het fort van Nasratabad, vroeger Nasirabad, is gebouwd door den emir
van Kain, nu zoowat dertig jaar geleden, in den tijd toen Perzië zich
in Seïstan vestigde, in de onmiddellijke nabijheid van Husseinabad,
een belangrijk dorp van twintig duizend zielen. Het bestaat in een
omsloten ruimte van een weinig meer dan 50 HA. oppervlakte, omringd
door negen meter hooge muren van aanzienlijke dikte, waar torens op
zijn geplaatst dicht bij elkaâr. Daaromheen een overdekte weg met
schietgaten en een diepe gracht, die soms vol water is.

In het inwendige ziet men van vijftig tot honderd winkels, waar
soldaten zich met den handel bezig houden tijdens hun verblijf in
Seïstan. Ook treft men hier en daar enkele kleine, bebouwde velden
aan en overal ontmoet men ezels als rij- en lastdieren. Het garnizoen
van Nasratabad bestaat uit twee regimenten.

Mir Masoen Khan, de gouverneur, is een jonge man van negentien jaren,
wien ik op 't eerste gezicht vijf-en-twintig zou hebben gegeven,
misschien gedeeltelijk omdat hij een blauwen bril droeg. Wij brachten
hem den dag na onze aankomst een bezoek. Hij had een bleeke, ongezonde
tint, en ik vond hem zeer onwetend en lichtelijk ijdel, wat in die
omgeving van perzische hovelingen niet te verwonderen was.

Van Nasratabad keerden wij naar Varmal terug, waar ik samen zou komen
met de expeditie Webb Ware. Twee dagen later verliet zij ons, en om
het gevoel van eenzaamheid te overwinnen, besloot ik den Koeh-i-Khoya
te gaan bezoeken.

Het is de eenige berg van Seïstan, en hij speelt een groote rol in
de oude heldengeschiedenis van het land. De berg is niet hoog en
vlak, en men zou hem zeker den Tafelberg hebben genoemd, als de
Perzen tafels hadden. Alleen van het zuiden en zuidoosten was de
berg toegankelijk. De geheele oppervlakte was overdekt met openingen,
resten van mijnen en grachten, van waterleidingen en réservoirs van het
regenwater, of men vond er gesloten graven, waar ruw opeengestapelde
steenblokken op lagen of een koepeltje van leem was gebouwd.

Van den Koeh-i-Khoya ging ik naar Band-i-Seïstan aan de Helmand. Te
Dolatabad, stond de omgeving onder water en het dorp was een eiland
geworden. De huizen zijn ellendige leemen hutten met modderpoelen
ervoor en een ezel ernaast. Zoo is het heel Seïstan, ook te Sehkoeba,
het volgende dorp, dat doorgaat voor de hoofdstad van Seïstan.

Wij brachten meer dan één bezoek aan de Helmand, de Etymander uit
de oude aardrijkskunde. Het is een mooie rivier, even breed als de
Theems vóór den Tower van Londen, en na vele maanden reizens door de
woestijnen, was voor ons de aanblik bijzonder verkwikkend.

De dam bij Band-i-Seïstan scheen zeer weinig soliede. Maar misschien
ligt zijn kracht in zijn zwakheid, want hij kan gemakkelijk hersteld
worden, terwijl een steenen dam, op die plek aangelegd, een verandering
zou kunnen teweegbrengen in den loop der rivier.

Ten tijde van de expeditie naar Seïstan had hij de volgende
afmetingen. De totale lengte was 220 M. de grootste breedte 33 M.,
de hoogte 5 1/2 M. Op den tijd van mijn bezoek waren breedte en hoogte
van den dam sterk verminderd, en ofschoon het laag water was, vloeide
de stroom erdoor of er overheen. Het eenige hout, dat erbij gebruikt
was geworden, was dat der tamarinde; palen van geringe dikte waren
in de bedding der rivier geslagen en dunne takken waren er doorheen
gevlochten. Om de constructie steviger te maken, worden er takkebossen
aan toegevoegd, die ieder jaar vernieuwd moeten worden. Zoo is Seïstan
feitelijk zonder water, als de toevloed, teweeggebracht door het
smelten der sneeuw op de Berberbergen opgehouden heeft, en duizenden
dorpelingen moeten dan aan het werk gaan, om den dam te herstellen.

Er wordt beweerd, dat de Helmand uitstekende visch levert; maar die
wij vingen, was altijd flauw en smakeloos. De oevers van het kanaal,
dat Madar Ab of Moeder der wateren wordt genoemd, zijn bedekt met
een dichten plantengroei van lage tamarinde, een der weinige jungles,
die ik in Perzië heb gezien.

Wij gingen in den omtrek op snippen en eenden jagen. Het was geen
kwaad jachtterrein; maar wij liepen onophoudelijk door het water,
en zoo werd het zwaar werk. Al dit land, dat nu met tamarindestruiken
en hoog riet bedekt is, was nog slechts enkele jaren bebouwd.

Men vindt er ook nog ruïnen van oude steden, als Sjahristan en
Zahidan. De belangwekkendste waren die van een toren van gebakken
steen, omstreeks twintig meter hoog. Een breede bres aan de zuidzijde
bedreigt hem met verval en instorting, welke ramp niet lang meer kan
uitblijven. De toren, waarop koefische opschriften zijn te lezen,
was blijkbaar de minaret van een verdwenen moskee.

Nadat wij weer eenige dagen in het kamp te Nasratabad hadden
doorgebracht, toog ik er op uit voor eene nieuwe excursie, waarbij
ik mij voorstelde, de lagune te bezoeken. Rondom het dorp Haldimi
woont aan de oevers der lagune de stam der Sajaden, die mij belang
inboezemden, omdat ze waarschijnlijk tot de oorspronkelijke bevolking
van het land behoorden. Dat beweren ze ten minste, en hun uiterlijk
schijnt het te bevestigen.

Dichtbij hen wonen de Gaudars, wier kudden zich te goed doen aan
het jonge riet van de lagune. De koeien van Seïstan genieten een
goede reputatie.

De Sajaden zijn volgens hun zeggen de eenige echte Seïstani's,
en dat is mogelijk, want zij alleen hebben kunnen ontkomen aan de
mongoolsche horden, door voorraden mee te nemen aan boord van de
groote vlotten en zich ermee in het riet te verbergen. De stam telt
ongeveer vierhonderd gezinnen.

Wij gingen door Djalalabad, vroegere bezitting van den stam der Kejans,
nu een onbeteekenend plaatsje. De nieuwe loop van de rivier heeft het
dorp gespaard, maar 't bouwland vernield. Wij bezochten de ruïnen aan
de Roed Nasroe. Men vindt daar overblijfselen van steenen huizen, die
op een beteren bouwtrant wijzen dan de gewone leemen verblijven. Zeker
hebben Timoer en shah Roek aan de perzische beschaving een zwaren
slag toegebracht, waardoor de loop der geschiedenis een wijziging
heeft ondergaan.

Mian Kangi bleek een dichte jungle van tamarindestruiken tusschen die
Roed Persian en de Helmand, waar op de open plekken dorpen lagen. De
rivier, de Helmand, is er zeer ondiep; de bedding was bijna droog,
toen wij erdoor trokken. Daar wij niet door de dichte struiken konden
marcheeren, moesten wij wel de rivier volgen, en in de weinige dorpen
hoorden wij telkens verhalen over de onderdrukking door de Afghanen.

De uit Europa gekomen schrijvers zijn naar mijn bescheiden meening veel
te streng, als zij over toestanden in Perzië oordeelen. Om alleen maar
over deze provincie Seïstan te spreken, vóór de perzische regeering
er bezit van nam, was het leven van geen enkel reiziger er veilig. En
ten tijde van de eerste zending naar Seïstan was daarin reeds veel
verbetering gekomen, terwijl men nu in het district even veilig is
als in de meeste landen van Europa. Een geregelde immigratie heeft
er plaats uit Afghanistan, en zoo neemt het bebouwde deel van het
land steeds toe; het is wel verviervoudigd onder de regeering van
Nasr ed Din.

Mijn beide excursies hadden mij Seïstan goed doen zien, en ik kan er nu
met kennis van zaken over oordeelen. Het wordt, zooals ik heb gezegd,
in twee deelen verdeeld, de boomlooze streek en de jungle. In beide is
de grond dezelfde en bestaat in hoofdzaak uit een lichte leemsoort. Op
sommige einden treft men veel vierkante kilometers van zandheuvels, die
toch wel voor bebouwing geschikt zouden zijn. Rondom Nasratabad bevat
de grond veel zout en men vindt er veel gaten en kuilen en ondiepe
plassen, die een opperbeste kweekplaats opleveren voor schadelijke
muskieten. Gelukkig dat er van April tot Juni in Seïstan een nog al
krachtige wind waait, die het district bewoonbaar maakt en, hoewel
warm en niet aangenaam, toch de malariadampen wegvoert.

Lord Curzon behandelt in zijn boek over Perzië uitvoerig de quaestie
van Seïstan uit politiek oogpunt. Ik heb haar slechts beschouwd met het
oog van den geograaf. Er is reeds opgemerkt, dat het een klein Egypte
was, een korenschuur voor de omliggende streken. Dat karakter wordt nog
meer in het oog vallend door de ligging van het land halfweg tusschen
de russische bezittingen en de Perzische Golf, met aan beide zijden
zeer weinig bevolkte landstreken. Daarbij is het 't eenige bebouwde
district tusschen Quettah en de provincie Kirman. Aan den anderen kant
bestaat het bebouwbare Seïstan met een bevolking van nauwelijks 100,000
inwoners, 7000 nomaden daaronder begrepen, uit niet veel meer dan de
delta der Helmand. Ik geloof niet, dat de groote hoeveelheden water,
die tegenwoordig ongebruikt worden gelaten door een andere mogendheid
dan die, welke den bovenloop der rivier in haar bezit heeft, kunnen
worden gebruikt, en in die omstandigheden kan men niet verwachten,
dat de bebouwde gronden sterk zullen toenemen in den eersten tijd.



Auvergne.

(Puy de Dôme en Cantal).

Door G. Bosch.



In den afgeloopen winter speelde het toeval mij kort na elkaar boeken
en tijdschriften in de hand, die den geologischen toestand van het
hoogland van Auvergne behandelden.

Het gelezene wekte zoo zeer de belangstelling op, dat uitgebreider
lektuur over dit onderwep gezocht en gevonden werd, en langzamerhand
het plan tot rijpheid kwam om in den zomer die streken eens te gaan
bezoeken.

De eerste bronnen, die voor de reis geraadpleegd werden, waren
natuurlijk reisgidsen en onder deze bijzonder die van Ioanne "Auvergne
et Centre", omdat voor eene streek in Frankrijk een fransche reisgids
het beste geacht moest worden. Toch bleek later dat dit niet geheel
uitkomt. De schrijver toch van dien gids is niet kunnen ontsnappen
van het algemeen gebrek zijner landgenooten. De Franschen houden
namelijk zoo verbazend veel van hun land, dat zij niet kunnen nalaten
zich aan overdrijving schuldig te maken, als zij er over spreken
of schrijven. Wat bekoorlijk en lief is, wordt prachtig; wat minder
goed en minder fraai is, wordt verzwegen. Mijn indruk van het land,
in korte woorden saâmgevat, is, dat de vorming van het land, bijna
aan alle zijden en bij elken stap herinnerende aan zijnen vulkanischen
oorsprong, zoo hoogst belangwekkend is, en dat daarnaast de historische
gebouwen, zoowel de nog in hun geheel aanwezige als de bouwvallen, zóó
mooi en zóó belangrijk zijn, dat de reiziger niet eens de inderdaad
fraaie natuurtafereelen, die niet zelden naast en dikwijls boven
het andere de aandacht trekken, noodig heeft om zich schadeloos te
stellen voor het minder aangename dat eene minder bereisde streek
hem soms bieden kan.

Wanneer de fransche gids (uitgave van 1904) zegt, dat men, buiten
de meer bezochte streken komende, verstandig zal doen een inwoner
mede te nemen als gids, omdat de bevolking in opschudding zou komen
indien een toerist zich alleen vertoonde, en omdat de politie zich
verontrusten zou en hij zich aan vervelende onaangenaamheden zou
blootstellen,--waarom men in elk geval van een soort van paspoort of
ander officieel stuk voorzien dient te zijn,--dan maakt die fransche
schrijver zich, ten koste van zijn eigen volk, schuldig aan eene
flauwe overdrijving. Gedurende een veertiendaagschen tocht heen en
weer door 't gansche land, alléén en als toerist, met den ransel
op den rug, afgelegd, had ik mij nergens minder over te beklagen,
dan over de plattelandsbevolking. De menschen waren overal even
vriendelijk en beleefd. Bij het maken van een praatje in eene
herberg of op eene boerderij,--langs den weg ontmoet men er weinig
menschen,--deed zich echter een ander, minder prettig verschijnsel
voor. De menschen verstonden mij wel, maar konden dikwijls niet in
het fransch antwoorden. Kinderen en jongelieden, die ik bijv. naar
den weg vroeg, gaven altijd vlug, nauwkeurig en beleefd antwoord
in een benijdenswaardig zuiver fransch; zij leeren dat op de
school; maar de Auvergnaten hebben van ouds hunne eigene taal, de
"langue d'Oc". Zoo lang zij in de steden of op de buitenplaatsen
als dienstboden verkeeren, of zoo lang de mannen hunnen dienstplicht
vervullen, onderhouden zij hun fransch; maar in de dorpen teruggekeerd,
vergeten zij het op lateren leeftijd en spreken onderling alléén de
eigen taal. Het is mij meermalen voorgekomen, dat men mij in een
gesprek, dat al dadelijk niet vlotten wilde, zeide: "ik heb mijn
fransch vergeten". Misschien hebben zij aan dat onbeholpene den naam
van stuursch en teruggetrokken te zijn te danken.

"De guide Ioanne" overdrijft nog aan eene andere zijde. Opzettelijk
prijst hij de hotels, zelfs op de kleine plaatsen, en noemt maar een
paar dorpen op, waar de zindelijkheid twijfelachtig zoude zijn. Nu
is mijne ondervinding wel eenigzins anders. Op het platteland
en in de kleinere steden krijgt men overal in de herbergen goede
maaltijden. Heerlijk grappig waren de zelden ontbrekende menu's, met
onbeholpen hand geschreven en, met minachting van alle taalregels,
zuiver naar den klank gespeld! De bedden zijn ook in den regel goed;
maar de netheid der vertrekken laat wel eens te wenschen over. De wijze
van ontvangst is evenwel overal zoo echt fransch beleefd en aangenaam;
de gesprekken waarin men door waard of waardin gewikkeld wordt zijn
zoo gezellig, dat men ongemerkt veel over 't hoofd ziet. Als heer
alléén kan men zich overal redden, en er is aan alle zaken ook een
vroolijken kant,--maar aan dames zoude ik niet aanraden in Auvergne
op andere plaatsen te logeeren, dan in de grootere badplaatsen en
verder te Clermont Ferrand, te Vic-sur-Cère en te Lioran. In deze
beide laatste plaatsen vindt men hotels van den Orleans-spoorweg,
die niets te wenschen overlaten. Gelukkig kunnen de belangrijkste
punten van die plaatsen uit bezocht, en kunnen van daar uit prachtige
bergtoeren ondernomen worden, zoodat Auvergne met glans op de lijst
der pleizier-reizigers gehandhaafd blijft.

Naast deze opmerkingen nog eenige algemeene zaken.

Wat gaat men in Auvergne zien?--De vulkanische vormingen en de
monumenten van middeneeuwsche bouwkunde.

In de eerste plaats de vulkanische vorming van het land. Ik geloof niet
dat er een streek in Europa is, die den leek na eenige voorloopige
lectuur over vulkanen, zoo goed op de hoogte kan stellen van de
vervormingsgeschiedenis der aarde. Ik wil niet verbergen, dat toen
Auvergne op mijn reisprogram kwam, mijne vulkanische wetenschap niet
van aanbelang was. Vesuvius en Krakatau, met Gruadaloupe, ziedaar de
voornaamste punten; eene duidelijke voorstelling van wat ik er moest
gaan zien, had ik niet. Gelukkig kwam ik in aanraking met een geoloog,
die zoo vriendelijk was, mij in algemeene en zeer juiste trekken een
en ander mede te deelen. De lezer houde mij eenige vreemd klinkende
woorden ten goede, de toelichting is zonder die lastige namen niet
te geven; ze zijn trouwens niet talrijk.

De vulkanen, zoo zeide mijn deskundige, worden verdeeld in
_massa_-vulkanen, en in _strato_-vulkanen. De _massa_-vulkanen voeren
in hunne gloeiende lava geene gassen en dampen mede; ze breiden zich
rustig uit en de lava bouwt de kegels op. De _strato_-vulkanen voeren
daarentegen in de lava vele dampen en ontploffende gassen mede. Het
gevolg daarvan is onverhoedsche en heftige uitbarstingen, waarbij
steenen, asch en waterdampen de lucht ingeslingerd worden. Bij
het terugvallen der vaste stoffen, bouwen deze dan ook weder de
kegels op. De meeste vulkanen van den tegenwoordigen tijd zijn
_strato_-vulkanen, en hiertoe behooren ook de nu uitgedoofde in
Auvergne. De plotselinge uitbarstingen der _strato_-vulkanen hebben
eene voortdurende verandering der kegels ten gevolge, en dikwijls
vernielen zij de bestaande. Bij de _massa_-vulkanen is de voortdurend
betrekkelijk rustig uitvloeiende lava oorzaak, dat de kegels steeds
hooger op gebouwd worden. De meeste vulkanen hebben meer dan één
krater, of eene reeks er van, die om den hoofdkrater zijn geschaard. De
Vesuvius bijv. heeft ongeveer 900 van die bijkraters. Soms ook is er
geen hoofdkrater, en vloeit de lava uit spleten naar buiten.

De kegel van een _strato_-vulkaan is dus opgebouwd uit eene
onzamenhangende massa asch en steenen. Komt er aandrang van binnen,
dan zijn de wanden van den kegel dikwijls niet stevig genoeg om
weerstand te bieden tot de lava zich boven ontlasten kan, en men
krijgt dan zijdelingsche ontladingen, die instorting der kegels
tengevolge hebben. De kegels krijgen dan den vorm van een hoefijzer,
dat op het overblijvende deel van den kegel rust. Dergelijken heb ik
in Auvergne veel gezien.

_Strato_-vulkanen staan altijd langs de zeekust of bij groote
binnenmeren; over den geheelen aardbodem vindt men daar voorbeelden
van, zooals Japan, Formosa, de Sunda-eilanden. In Auvergne treft
men als 't ware twee reeksen van vulkanen aan, en die hebben dan ook
vroeger aan de kust gestaan. Door de nabijheid van water worden de
_massa_-vulkanen _strato_-vulkanen; de waterdampen hebben dan spoedig
heftige uitbarstingen tengevolge. De vulkanen in Auvergne werkten toen
Noord-Frankrijk, België en Nederland nog niet bestonden en Auvergne een
kustland was. Zij werkten--nu komen een paar erg vreemde woorden--in
het jonge tertiaire tijdvak. Nederland is in 't opvolgende tijdperk,
het quaternaire, ontstaan.

Ziedaar wat ik vernam, en wat voldoende was, om 't geen ik later
zag te begrijpen. Eene verdere vraag, aangaande de kenteekenen der
verschillende voorkomende gesteenten, als daar zijn graniet, basalt,
lava en nog heel veel andere, kan voor een leek niet voldoende
beantwoord worden. In het algemeen is lava niet zoo vast van vorm;
het heeft poriën, dikwijls grootere holten en gaten, en ziet er
soms ook weer glasachtig uit; maar er zijn tal van soorten, wier
bijzondere kenmerken alleen door den deskundige te vatten zijn. De
overige vulkanische gesteenten zijn niet zoo eenvoudig aan te duiden;
zij gaan buitendien te veel in elkander over; de kleuren zijn ook
niet vast, maar wijzigen zich naar den warmtegraad waaronder zij
gevormd werden, en later onder den invloed der lucht.

De ouderdom der vulkanen; de tijd waarin zij werkten en sinds wanneer
zij rusten, laat zich niet anders dan bij duizendtallen eeuwen meten.

Wat nu aangaat 't geen men in Auvergne in de tweede plaats gaat
zien, de monumenten der middeneeuwsche bouwkunde, daarover kan beter
gesproken worden bij het bezoeken der monumenten zelve.

Zijn deze aanduidingen omtrent de vulkanen wellicht te algemeen,
bij latere bespreking der landstreek valt er wellicht nog meer ter
toelichting te zeggen. Van harte hoop ik dat de lezer aan 't gegevene
genoeg heeft;--zoo niet, dan helpe hem verdere studie en een onderzoek
ter plaatse!

Ik noodig u thans uit, de reis met mij te aanvaarden,--zonder paspoort
en zonder zorg voor onaangename ontmoetingen, als gevolg van dien. Nog
eene aangename mededeeling vooraf. Het reizen in Auvergne is zeer
goedkoop, en gidsen zijn overal overbodig; men komt er wel.

En nu van Amsterdam met den morgentrein naar Parijs, denzelfden avond
nog van het P.L.M. station naar Clermont-Ferrand, om daar tegen 4
uur in den ochtend aan te komen en nog een aangename nachtrust te
genieten eer we de stad gaan bezichtigen. In het Hôtel de la Poste,
op de Place de Jaude, vinden we alles wat we wenschen kunnen.

Clermont-Ferrand is eene aangename, ruim gebouwde stad met 52000
inwoners. Het oude gedeelte, dat tegen en over de hoogte gebouwd is,
heeft zeer schilderachtige hoekjes, en hier en daar mooie oude huizen,
een enkel in romaanschen, meest alle in renaissance-stijl. 't Zijn
echter gewoonlijk maar enkele deelen die de aandacht trekken: eene
fraai gebeeldhouwde deur, eenige mooie vensters, eene binnenplaats met
een wenteltrap. Want er is in Clermont maar weinig geheel onaangeroerd
gebleven; 't meeste is sterk vernieuwd of geheel nieuw.

De stad is gebouwd ter plaatse van eene oude gallische nederzetting,
en zelfs in de latere tijden gaven enkele opgedolven voorwerpen
recht tot de onderstelling, dat er vóór de Galliërs reeds een ouder
oorspronkelijk volk woonde. De Romeinen noemden het Augusta Nimetum;
de tegenwoordige naam komt eerst in de achtste eeuw voor. Spoedig na
de stichting werd het de zetel van een bisdom, en niettegenstaande de
inwoners zich in den loop der tijden herhaaldelijk eenige zelfregeering
trachtten te verschaffen, is hun dit eigenlijk nooit voor in den
nieuwen tijd gelukt. Zij kregen eerst een eigen bestuur tijdens
de groote omwenteling, en zijn daar toen wel wat ruw bij te werk
gegaan. Een zelfde geschiedenis is die van geheel Auvergne; bij de
verwisseling van de overmacht der geestelijken heeren tegen die van den
adel kwam de bevolking altijd van den regen in den drop; dat dit tot
het einde der 18de eeuw heeft kunnen duren, mag ons eenige verwondering
baren, omdat het bij ons meer geleidelijk is gegaan, en daarom bij
ons dan ook het overgangstijdperk niet zoo heftig is geweest.

Museums zijn er te keur in Clermont, maar er worden geene groote
merkwaardigheden in bewaard, en daarom ging ik ze voorbij. Op den
Cours Sablon bewonderde ik de fontein van Amboise, een keurig monument
uit de 16de eeuw, bestaande uit een achthoekigen staander, die in
een kleine gotische lantaarn uitloopt. Zij heeft twee bassins boven
elkaar, keurig in steen gebeeldhouwd. Het is een sierlijk stuk werk.

Het middenpunt van verkeer is de Place de Jaude, een ruim plein,
versierd met een ruiterstandbeeld van Vercingetorix in steen en een
bronzen standbeeld van generaal Dessaix. Het uitzicht op den Puy
de Dôme, dat men van dit plein heeft is opmerkelijk mooi. Behalve
het monument "du Centenaire", dat men bijna in elke fransche stad
van eenige beteekenis heeft, is er nog een standbeeld van Blaise
Pascal: de beroemde schrijver is geplaatst in een bloemrijk parkje,
in smaakvolle omgeving.

De cathedraal, in 1248 begonnen, is in zuiver gothischen stijl,
maar maakt geen indruk; ze werd gerestaureerd door Violet le Duc en
is van buiten geheel in donkere Auvergne-steen. 't Inwendige is kaal;
de mannen der revolutie hebben ook daar huisgehouden. Het beeldhouwwerk
is ook niet bijzonder. De gothische stijl is in Auvergne nooit gewild
geweest, wellicht omdat hij opkwam toen het land in oorlogen gewikkeld
was. De romaansche stijl kwam er vroeger, in voorspoedige dagen, tot
hoogen bloei, en een keurig voorbeeld is de Nôtre Dame du Port, een
juweel van bouwkunst, thans verscholen in onaanzienlijke straten en
staande in eene diepte,--en met alle juwelen dit gemeen hebbend, dat
de leek in de bouwkunst het schoone er van begrijpen en genieten kan.

Wat is nu het bijzondere dier romaansche bouwkunst? Natuurlijk zou
daar niet zoo bijzonder bij stilgestaan worden, indien de schrijver
niet eene bijzondere voorliefde voor dien bouwstijl had. Eene
voorliefde te omschrijven is moeielijk, maar 't kwam mij altijd
voor, dat die uiting der kunst in de middeneeuwen zoo beminnelijk
eenvoudig was; dat zij alles gaf wat men toen kon daarstellen, en
nooit naar kunstmiddelen van verdacht gehalte zocht, om 't geen men
zich toch wel bewust was dat er aan ontbrak te bedekken. Dat werd in
latere tijden wel eens over 't hoofd gezien, en men verkreeg daardoor
gebouwen die niet bevredigen. De romaansche bouwstijl uitte zich het
meest volkomen in de kerken, en werd daarin ook het best bewaard. In
den eersten tijd van het Christendom was de grondvorm van alle kerken
een langwerpig vierkant [1]; de binnenruimte werd door twee of meer
rijen van pijlers in drie of meer afdeelingen (beuken) overlangs
verdeeld. De wanden werden versierd met kleuren en figuren; het dak
was een gewoon schuin dak, zooals men zich dat in den eenvoudigsten
vorm op ieder huis denkt; de dakgebinten waren gewoonlijk geheel
zichtbaar. Van die monumentale kerken--men noemde ze "basilica"--zijn
nog enkelen uit dien vroegeren tijd over in Klein-Azië, maar vooral in
Italië; te Rome nog uit den tijd van keizer Constantijn. Later in de
middeneeuwen, en wel tijdens en onmiddellijk na Karel den Grooten,
ontwikkelde zich voor de kerken een nieuwe bouwstijl; hij had de
oud-romeinsche kunst tot grondslag en ontleende daaraan zijn naam
"romaansch". Een zijner voornaamste kenmerken,	de ronde bogen,
werd uit de romeinsche bouwkunst overgenomen.

In plaats van het langwerpig vierkant kreeg nu de kerk den vorm van
een kruis. De korte bovenarm werd het koor; de zijarmen heetten het
transept; de lange arm het schip. Aan weêrszijden van het schip waren
zijgangen, evenals in de basilica, alleen er van afgescheiden door
kolommen. Langs het transept en het koor werden spoedig kapellen
bijgebouwd; later werden de zijgangen ook om het koor heen gebouwd,
en nog weêr later ook om de zij-armen van het transept heen; overal
kwam daardoor langs die zijbeuken gelegenheid tot het aanbrengen
van kapellen. De ronde bogen werden niet alleen aangebracht boven
ramen en deuren, maar ook tusschen de pijlers;	en de gewelven die
schip en koor en zijbeuken bedekten, in afwijking van het vroegere
schuine dak, waren ook rond; aanvankelijk zoogenaamde tongewelven,
later kruisgewelven, maar alles altijd half cirkelvormig.

De krypten of onderkerken, die zich aanvankelijk alleen onder het
koor, later onder de geheele kerk uitstrekken, werden algemeen. De
ingangen tot die onderkerken zijn meestal naast het koor. De krypten
zijn allen overwelfd; zij zijn zeer eenvoudig gehouden,  met wel de
soberste versiering die men zich denken kan: een enkel gebeeldhouwd
kapiteel aan eene kolom. Maar dat is dan ook alles.

De torens waren aanvankelijk achthoekig en laag, geplaatst boven de
vierkante ruimte waar de armen van het kruis elkander snijden. Bij
latere kerken komen ook torens voor aan weerszijden van den ingang,
en die ingang was dikwijls uitgebouwd en daksgewijze afgedekt, of tot
een karakteristiek klokkentorentje opgetrokken. Was eene romaansche
kerk inwendig arm aan versieringen, des te meer werk werd er gewoonlijk
van den ingang gemaakt.

We hebben dus, in afwijking van het vroegere, een kerk in kruisvorm
en eene overspanning door gemetselde gewelven, waar in de vroegere
kerken de bedekking eenvoudig uit een gewoon schuin dak bestond,
iets dat trouwens bij de romaansche kerk als buitenste afdekking
bleef bestaan, 't Spreekt van zelf dat bij de uitsluitende toepassing
van halfronde bogen en gewelven, de kerken altijd wat lager bleven;
zoodra men in later tijd voor goed had bevonden, dat een gemetselde
boog ook spits kon toeloopen en dientengevolge ook spitsbooggewelven
gebouwd konden worden, werd de vorm der gebouwen ook slanker;  en toen
er eenmaal slankere kerken ontstonden, maakten de vroegere den indruk
van plomp en gedrukt te zijn. De bouwmeesters in Auvergne hebben dat
niet kunnen overwinnen; langs den Rijn en in Engeland waren ze in
dat opzicht wat gelukkiger.

Er zijn nog meer bijzonderheden aan den toenmaligen bouwstijl
eigen. Bijv. de kolommen, die de zijbeuken van het schip scheiden,
zijn nooit allen gelijk, maar om den anderen werd eene doorloopende
zuil geplaatst. De versieringen aan de kapiteelen en den voet der
kolommen waren allen hoogst eenvoudig en steeds weinig uitspringend,
de groote muurpanden die ontstonden boven de halfronde bogen waren
vlak en later dikwijls beschilderd. Na de 12_de_ eeuw kwam de tijd
der spitsbogen; de bouworde bleef in hoofdzaak romaansch, maar de
nieuwe bogen kwamen steeds meer op den voorgrond en de wijze van
constructie der gebouwen moest dientengevolge gewijzigd worden;
gedurende een betrekkelijk lang tijdperk kreeg men een gemengden
stijl. De bouwmeesters zochten naar verbetering en brachten allerlei
versieringen aan, waaruit ten laatste de gothische stijl ontstond;
deze ontwikkelde zich uit het romaansch, zooals het romaansch zich uit
het romeinsch ontwikkeld had, maar nam weer van zijnen voorganger over.

In Auvergne waren weinig overblijfselen van romeinsche bouwkunst; in
het naburige Provence en elders juist veel; de Auvergnaten konden dus
minder van de romeinsche voorbeelden overnemen, en zoodoende kregen
hunne gebouwen een bijzonder karakter; en dit te meer omdat zij,
arm aan voorbeelden, rijk waren aan goede bouwstoffen en daardoor een
anderen weg opgingen bij het versieren van hunne gebouwen. Al dadelijk
door verschillende steensoorten te gebruiken, sommige glad, sommige
poreus, dan weer van verschillende kleuren, die zij alle in hunne
bergen voor het nemen hadden. Het bijzonder karakter der monumenten in
Auvergne moet dus meer beschouwd worden als een gevolg van bestaande
toestanden, dan wel als de gewilde uitkomst van eene kunstschool.

De Notre-Dame-du-Port beantwoordt geheel aan de gegeven algemeene
trekken van den romaanschen bouwstijl. De geheele kerk is overwelfd, de
zijbeuken  zijn door halve tongewelven gedekt. De kapiteelen der zuilen
dragen als versiering bloemen, fantastische voorstellingen van dieren;
enkele dragen menschelijke figuren met opschriften. Prachtig is dit
beeldhouwwerk niet; de beeldhouwers in Auvergne stonden niet zoo hoog
in kunstvaardigheid als de bouwmeesters; maar de kinderlijke eenvoud
der voorstelling houdt gelijken tred met de wijze van uitvoering,
en maakt een zeer aangenamen indruk. De muurvakken zijn alle wit;
hier en daar zijn met zachtgekleurde steenen figuren aangebracht,
geen van alle buiten het vlak der muur uittredende. Eene ruit,
een vierkant, een cirkel, een kruis, een klaverblad, alles in
heerlijken eenvoud, maar aardig doende in die stemmige omgeving. De
buitenmuren van het schip vertoonen kleurige figuren, verkregen door
het inmetselen van verschillende steensoorten. De kerk is gebouwd
in de 11de en begin der 12de eeuw. De hoofdingang is eene dubbele
deur, door een gebeeldhouwden stijl gescheiden. Aan de zuidzijde is
nog een ingang, met aan weerszijden groote figuren in laag relief;
het halfcirkelvormige boogschild boven de deur (het tympaan) is rijk
met kleine figuren voorzien; jammer genoeg zijn deze wat geschonden.

De Notre-Dame-du-Port te Clermont, de kerk te Issoire en die te Orcival
zijn de fraaiste typen van den romaanschen stijl in deze streken.

Er zijn te Clermont twee versteenende bronnen, die de moeite van
een bezoek overwaard zijn. Het bronwater bevat veel koolzuur en kan
daardoor eene groote hoeveelheid ijzer- en kalkverbindingen opgelost
houden. Zoodra het koolzuur aan de lucht ontsnapt, slaan de ijzer-
en kalkzouten neer; van deze eigenschappen heeft men gebruik gemaakt
tot het vervaardigen van aardige voorwerpen. Men voert het water door
buizen, waarin men er eerst zoo veel mogelijk het ijzer aan ontneemt,
en laat het dan als regen neerkomen op de voorwerpen die men versteenen
of, beter gezegd, met eene kalklaag overdekken wil, zooals mandjes met
vruchten, druiventrossen,  vogelnestjes met eieren, enz. De uitkomst
is inderdaad verrassend. In de tuinen om de bronnen heen zijn allerlei
versteende wonderen tentoongesteld; menschen, vee, paarden; natuurlijk
waren het poppen of opgezette exemplaren, en daar nu het verkalken van
dergelijke voorwerpen langen tijd vordert en op de eene plaats al wat
dikker uitvalt dan op de andere, winnen de voorwerpen niet in losheid
en natuurlijkheid, 't Kwam mij voor, dat deze reeds van af de straat
zichtbare lokvogels wel wat al te veel van een boerenkermis hadden.

Eene andere merkwaardigheid van Clermont-Ferrand is niet daar, maar
te Mont-Ferrand te vinden, dat ongeveer drie kwartier van de stad
ligt. De tramrit er heen geeft weder een verrassend mooi uitzicht op
den Puy de Dôme. Mont-Ferrand is een stadje van 3500 inwoners, dat men
alleen bezoekt om enkele oude huizen te zien. Het huis _l'Elephant_,
aldus genaamd naar een geschilderden dikhuid boven een der ramen,
dagteekent waarschijnlijk uit de 12_de_ eeuw. Het huis _Adam_ en _Eva_,
naar een gevelsteen. Het huis van den apotheker is, evenals het vorige,
uit de 16_de_ eeuw; de eerste verdieping is in steen, de twee volgende
in houten vakwerk, telkens boven elkaar vooruitspringend; boven in den
topgevel zijn een paar beeldjes aangebracht, die aan het huis zijn
naam gaven. Er zijn nog verscheidene andere merkwaardige huizen, 't
eene bekend om een deur met keurig smeedwerk, 't andere om eene aardig
versierde binnenplaats; dan weer een met een fraaie wenteltrap. Jammer
is het dat van instandhouding geen sprake is. Die huizen zijn thans
alle in gedeelten door kleine neringdoenden bewoond, en inzonderheid de
binnenplaatsen en wenteltrappen van eene ongeëvenaarde onzindelijkheid
en in diep verval.

Met het bezichtigen van dit alles bracht ik den eersten dag door. Den
volgenden ochtend vroeg zou ik uitgaan op eene wandeling in den omtrek
en de bestijging van den Puy de Dôme. Daartoe wenschte ik, gelijk ook
voor de verdere reis, eenige nadere inlichtingen te hebben en begaf me
naar het kantoor van het "Syndicat" (Vereeniging ter bevordering van
het vreemdenverkeer) van Clermont. Al mijne vragen werden voorkomend
en beleefd beantwoord,	en de inlichtingen bleken naderhand geheel
juist te zijn. Kaarten kon ik niet koopen, maar men gaf mij 't adres
van den besten winkel voor die zaken op. Doch eene fout mag ik niet
onvermeld laten. Men ontraadde mij een diligence-rit over Beaumont
naar Montdore, en beval mij aan om per spoor tot Issoire en van
daar per diligence naar Montdore te gaan. De beide routen zijn goed,
maar 't bleek me later op de diligence, onder een vriendschappelijk
gesprek met den koetsier, dat de aanbevolen rit eene onderneming van
het Syndicat was, en de rit over Beaumont eene van een mededinger
te Montdore. 't Is te betreuren dat zulke syndicaten zich niet
buiten dergelijke ondernemingen houden; zij verliezen daardoor
het zoo hoog noodige onzijdig karakter. Onder het gesprek met den
beambte van het syndicat bleek mij ook, dat voetreizigers hier tot
de uitzonderingen behooren; in den tijd der auto's krijgen ze een al
te sterke ouderwetsche tint. Ik ontmoette dan ook op den geheelen
tocht geen collega's en in de meeste hotels (herbergen) werd ik
duidelijkshalve als "le Touriste" aangeduid.

Behoorlijk uitgerust met eene kaart, uitgave van het Ministère de
l'Intérieur, toog ik er den volgenden ochtend op uit; van Clermont den
weg naar Royat op, naar Chamalières en van daar langs voetpaden naar
Villars. De omgeving was mooi, maar de wegen waren ongemakkelijk en
hier en daar bitter slecht onderhouden. Gunstig stak daarbij af een
deel van eene oud-romeinsche heerbaan, die me tot Villars bracht;
het is een stuk van den ouden weg van Clermont naar Limoges. Aan
weêrskanten een flink verhoogd voetpad; de rijweg belegd met regelmatig
behakte, langwerpig vierkante lavablokken, trots de eeuwen van zijn
bestaan nog een voorbeeld hoe wegen gelegd moeten worden. Van Villars
loopt het pad verder over La Baraque, maar men kan ook door het dorpje
Cheix gaan, al naar dat de vele kronkelingen er u heenleiden. Ik trof
onderweg een vriendelijk oud vrouwtje uit Cheix aan, die mij in de
hitte niet verder wilde laten gaan, eer ik bij haar eene verfrissching
had gebruikt. Na Cheix heeft men nog een aardig kijkje op het dorp
Orcines en gaat dan over den straatweg voorbij het kruispunt Le Font
de l'Arbre naar den Col de Ceyssat. Gedurende die wandeling heeft
men den Puy de Dôme steeds rechts voor zich en begint het hoe langer
hoe duidelijker te vinden hoe hij aan dien naam kwam. Op den Col de
Ceyssat staan een drietal herbergen, die zich alle drie met den naam
van hotel tooien, en waar men u keur van maaltijden aanbiedt. Men
heeft dan nog 432 M. te klimmen, en hoe de meeste reizigers er toe
komen om daar eerst een dejeuner te gebruiken voor men met klimmen
begint, wilde mij niet recht duidelijk worden.

Het pad naar den top (1465 M.) is vol afwisseling en een aangenaam
bergpad. Eerst door weiden, spoedig in dennenbosch, om later wat
steiler, over en langs rotspartijen, boven te komen. De uitzichten
worden bij elke kronkeling in het pad mooier, en hier en daar is voor
eene bank gezorgd. Men krijgt spoedig den indruk dat geen der bergen
daar hoog is, het uitzicht gelijkt meer op eene vlakte met heuvels.

Bij Villars was ik reeds langs eene _cheire_ gekomen; dat zijn
oude lavastroomen, die, nog onverweerd, volkomen onvruchtbaar
bleven. Wanneer men er zoo van boven opziet en de kronkelingen
waarneemt,--de gladde, bruinroode oppervlakte spiegelt zelfs hier en
daar in de zon,--dan krijgt men eerst voor goed den indruk van zoo'n
lavastroom, en heeft men een voorproef van de vele overblijfselen
van het vulkanisch tijdperk in Auvergne. Hier en daar langs het
pad ziet men ook rotsblokken op en door elkaar, die u doen denken
aan uitgebrande steenkoolslakken. In deze omgeving maken ze echter
meer den indruk van merkwaardig grillige vormen, dan van vulkanische
overblijfselen.

Boven op den Dôme is ook eene cantine, waar het eenvoudige maal zeer
goed smaakt.

Op het hoogste punt staat het meteorologisch observatorium,  dat als
eerste plaats van waarneming van dien aard in Europa, in 1876 ingewijd
werd. In 1648 had de Puy de Dôme reeds gediend om uit het verschil
in hoogte van eene kwikkolom den druk der atmosferische lucht aan
te toonen. Périer nam de proef op verzoek van Pascal. Nu bevindt er
zich, in ruime gebouwen, de meest volkomen inrichting tot het doen
van allerlei weerkundige waarnemingen. Het merkwaardigste van den
Puy de Dôme is echter de tempel van Mercurius, helaas wat te veel
een bouwval. Hij werd in 1874 ontdekt,	toen men begon te bouwen
aan het observatorium. Eene heerlijke plek hebben die romeinsche
bouwheeren uitgezocht; het moet een treffend gezicht zijn geweest van
uit de vlakte, toen die gebouwenmassa zich daar verhief. Mij dunkt,
de bewoners van het dal hadden in de oude dagen grootscher uitzicht
op dien heidentempel daarboven, dan wij nu hebben van de hoogte af
op de cathedraal van Clermont, wier fijne omtrekken door den afstand
geheel verdwijnen, en wier twee slanke torens maar een onbeduidenden
indruk maken.

Van den Puy de Dôme heeft men een prachtig uitzicht op het hoogland van
Auvergne; de Franschen noemen het met groote ingenomenheid "une des
plus curieuses du monde". Zonder hen dit na te zeggen, want de heele
wereld heb ik niet gezien, geef ik hun gaarne toe dat het bijzonder
mooi is. 't Geen er vooral aantrekkelijk van is, is het neerzien op de
uitgebrande vulkanen van de bergketen, met hunne kraters, zoo duidelijk
zichtbaar, en op de zoo even reeds besproken lavastroomen. De geheele
vlakte van Limoges ligt voor ons, noordwaarts schijnt zij onbegrensd;
naar het oosten toe loopt ze op tegen de hoogten van Forez. Men zegt
dat bij gunstig weder de Mont-Blanc van hier zichtbaar is,--maar ik
had het genoegen niet. In het Zuid-oosten de bergen van Livradois
en de ketens van Velay. Zuidelijk de omtrekken van de Mont-dores en
westelijk de granietruggen van Limousin. Noordwaarts omlaag ziende,
heeft men vlak aan zijne voeten een ouden krater, de Nid de la Poule;
rechts den Puy de Dôme, de groote en de kleine Suchet, en weêr meer
links den Puy Pariou en den Puy des Gaules, waarvan men duidelijk de
vroegere krateropeningen waarneemt. Men denke zich echter daarbij geen
woest tafereel en geene wildernis; de vulkanen zijn allen met gras
begroeid, hier en daar met boschpartijen; de valleien zijn akkers en
de kraters vruchtbare weiden. Dat men aan een dier kraters den naam
van het hoendernest gaf, komt zeer begrijpelijk voor. De wetenschap
kan hier van vulkanen en kraters spreken; de toerist heeft voorloopig
nog het geloovig toekijken.

Ik bleef nog lang boven, om goed thuis te komen in de verschillende
toppen en hunne onderlinge ligging.

Bergafwaarts volgde ik denzelfden weg tot aan Le Font de l'Arbre,
maar stak daar den straatweg over in de richting van Fontanat,
een schilderachtig dorpje, waar ik geene levende ziel tegenkwam en
daarom met te meer aandacht de aankondigingen van het gemeentebestuur
las, voorschrijvende dat men rechts moest loopen en dat rij- en
voertuigen niet draven mochten. Waarschijnlijk maakte die gemeente zich
weerbaar tegen auto's. Voorbij Fontanat werd de weg zeer lommerrijk
en in de nabijheid van Royat, langs de oevers der Tiretaine, zeer
schilderachtig;  hier en daar watervalletjes, prachtige boomgroepen,
kastanjes vooral, frissche boomgaarden, heerlijk groen en diepe
schaduw.

Royat is een der sierlijkste badplaatsen van hoog-Auvergne. Van
Fontanat afdalende, komt men eerst in de oude stad, beroemd om zijne
vestingkerk. Omstreeks de 13de eeuw werd zij tot eene versterking
omgebouwd, iets dat men toen meer deed. Een zonderling gezicht zoo'n
kerk met schietgaten en kanteelen boven het dak uit. Men had vooral
die versterkingen geheel gerestaureerd, en nam daartoe de steensoort
waaruit de kerk indertijd opgetrokken was, een materiaal dat men
in den naasten omtrek nog voor 't grijpen had. Mij scheen het toe,
dat de ligging der kerk haar weinig tot verdedigingspunt eigende,
en ik voelde de booze verdenking bovenkomen, dat hierbij meer
aan de fantasie van den bouwmeester gedacht moest worden, dan aan
den drang der omstandigheden. Ook de steenen der restauratie waren
fantastisch, want ze waren nog niet met het stof der eeuwen overtogen,
en vertoonden nog de grillige vlammen van pas uitgehakte lava. Dat
ontnam aan 't geheel de stemming. Het nieuwe Royat, de badplaats,
is zeer sierlijk en vol levendig en weelderig gedoe, maar heeft geen
bijzonder karakter. Ik keerde per tram van Royat naar Clermont terug.

De volgende dag was bestemd voor den tocht naar Montdore; eerst per
trein tot Issoire, en dan per diligence (_car alpin_)naar Montdore. De
reis was te ver om te voet te worden afgelegd.

Van plaatsbeschrijvingen van streken die men per spoor doorvliegt,
ben ik geen vriend. De snelheid waarmede 't eene 't andere opvolgt
kan in den regel niet dan verwarde algemeene indrukken geven. Daarom
slechts de vluchtige opmerking, dat de weg schilderachtig is, vooral
wanneer men de rivier de Allier kruist of op korten afstand de oevers
volgt. Bij de stadjes, die men langs komt, heeft men nog eene sierlijke
hangbrug over de rivier. Men komt voorbij Vic-le-Comte, voorheen de
hoofdplaats van Auvergne, waar de bloedigste tafereelen uit zijne
middeneeuwsche geschiedenis afgespeeld werden. Dan voorbij Coudes,
met bouwvallen van abdijen en kasteelen, verlaat dan de Allier weder
en komt in de vlakte van Issoire. 't Speet me zeer, dat ik geen tijd
had om te Issoire de groote kerk te gaan zien, die veel overeenkomst
heeft met de Notre Dame du Port te Clermont, doch deze in afmeting en
versiering overtreft, maar de car alpin waarmede ik naar Montdore zoude
rijden, staat aan 't station klaar, en hoewel de postillon op de vraag
of er plaats was, antwoordde dat er alleen gebrek aan reizigers was,
werd de reis met groote overhaasting aanvaard.

Een plaatsje naast den postillon werd door mij ingenomen, en spoedig
vernam ik van hem, dat ik maar 10 K.G. bagage vrij had, en dat mijn
handkoffer wel meer zoude wegen, maar dat hij zoo onheusch niet was,
om daar dadelijk op 't kantoor over te spreken. Alweder het oude type,
door dezen jongen man ten tooneele gevoerd; in één opzicht evenwel
verschillen die heeren daar, van het bij ons inheemsche soort. Zij
staan in de eerste plaats op den titel van postillon; koetsier is hun
wat min. En dan, ze zijn wondergraag met monsieur aangesproken. Dat was
me al meer opgevallen, een tramconducteur hoort ook gaarne monsieur,
ze laten dit spoedig merken; en wanneer men den koetsier van eene
car alpin of gewone diligence maar altijd met monsieur aanspreekt,
dan behoeft de fooi later nog niet eens zoo heel ruim te zijn, om op
voorkomendheid,  ook aangaande het overwicht van den koffer te kunnen
rekenen. Niet dat die vrienden hooger geacht willen worden dan zij
zijn, maar ze zijn gaarne even hoog als ieder ander.

Bij het verlaten van Issoire stijgt de weg westwaarts langs den
linkeroever van de Causse d'Issoire. In 't verschiet teekenen
zich de omtrekken der Dore-bergen tegen den gezichteinder; rechts
verheffen zich de wanden der hoogvlakte van Pradines als muren steil
omhoog. Links enkele bergspitsen. Die steile wanden der hoogvlakte
van Pradines vertoonen op den rand de eerste vulkanische vorming
van eenigen omvang die ik nog zag; die bovenranden bestaan alle uit
rotsblokken, blijkbaar in vuurgloed gevormd; het zijn uitgedoofde
slakken in de grilligste gedaanten en van reusachtige afmetingen. Wat
verder, voorbij het dorpje Perrier, ziet men in de wanden vierkant
gehakte gaten; het zijn de overblijfselen van vóórhistorische woningen,
waarvan eenige nog bewoond worden door de gezinnen der bewakers van
de wijnbergen. Daar is ook eene pyramidaal omhoog gaande rots, die
te meer de aandacht trekt omdat er een torentje op gebouwd is; 't is
thans een bouwval, die toren van Maurifolet, en men kan hem volgens
de inlichtingen van mijnheer den postillon alleen bereiken door een
inwendig in de rots uitgebroken wenteltrap. De weg loopt overigens
tot St. Nectaire door eene zeer welvarende streek. De gedeeltelijk
ingehaalde oogst was van goede hoedanigheid en meestal tarwe. Ik
zag er verscheidene kweektuinen voor druiven, met opschriften dat
er puike gezonde stekken uit Californië, Australië en meer afgelegen
oorden te krijgen waren. De druivenziekte schijnt daar dus onder de
inheemsche boomen sterk huis te houden. Er werd veel geploegd, eene
zeer ondiepe voor, en 't trok mijn aandacht dat op dien vetten grond de
ploeg altijd maar met ééne koe--en 't vee is er niet zwaar--bespannen
was. Waarschijnlijk kon dit, omdat de grond sterk gemengd was met
lavagruis, en daardoor wat losser. Eigenaardig was het hanteeren
van den ploeg. Bij den kop der koe eene vrouw met een langen staak,
waaraan een platte beitel; daarmede stak zij voortdurend de vette
klei van de eene zijde der ploegschaar af en maakte daartoe met den
staak steeds een zwaai boven haar hoofd. De man die den ploeg stuurde,
verrichte bovendien dezelfde zwaai-beweging, om met zijn staakbeitel
de ploegschaar aan de andere zijde te bevrijden. Wanneer men dat werk
zoo aan den gang ziet, kan men zich aanvankelijk dat zotte gezwaai
met die staken niet verklaren.

Na een rit van 4 uur kwamen we te St. Nectaire, waar twee uur stil
gehouden werd voor het middagmaal. Ik liet mijn koffer doorgaan naar
Montdore en besloot het overige van den weg, nog 28 kilometer te voet
af te leggen en tevens St. Nectaire wat nader te bezien. We waren
te St. Nectaire-le-bas aangekomen, dat geen dorp is maar alleen eene
bad-inrichting, waaromheen hotels. Zijne bijzondere merkwaardigheid is
een _dolmen_, een steen van 4 M. lang en ruim 2 M. breed en 70 cM. dik,
rustende op drie steenbrokken; eenige schreden van daar vindt men
nog eene verzameling geplante steenen, die geheel den indruk geven
van een verwoest hunebed.

Men vindt er verder ook eene grot met versteenend water, en
verder doorgaande, steeds langzaam stijgend, ziet men spoedig
St. Nectaire-le-haut sierlijk tegen een berg aangeleund, en op den top
van dien berg de fraaie kerk, een merkwaardig monument uit de 11de en
12de eeuw, in 1878 geheel gerestaureerd, met twee stompe torens aan
de voorzijde en een achthoekigen op het kruis. De gewelven rusten
ook hier niet alleen op gemetselde pijlers, maar bij afwisseling
op kolommen, en de versiering der kapiteelen is zeer opvallend; op
een er van komt de kerk zelf voor. In de sacristij bewaart men een
allermerkwaardigst beeld van St. Bauduin, van eikenhout, bekleed met
verguld koper; het hoofd en de hals van gedreven koper, met beweegbare
oogen van ivoor en hoorn. Al verder stijgende komt men te Boissières,
gebouwd op vulkanische gesteenten, waarin men hier en daar ook weder
holenwoningen ziet; dan weder afdalend in het dal der Couze, met een
zeer kale _Cheire_, zoo troosteloos als ik er nog geene zag, en dan
Murols, een smerig dorp, bekend om de prachtige bouwvallen van zijn
kasteel, thans eigendom van het departement. Sommigen schrijven deze
bouwvallen een zeer hoogen ouderdom toe, anderen gaan niet verder terug
dan de 15de eeuw. Ze staan op een bazaltheuvel van 729 m. hoogte,
en zijn een der merkwaardigste overblijfselen van den franschen
vestingbouw in deze streken. Een bewaarder vraagt u 50 centimes
toegang, maar laat u overigens vrij. Eerst komt men in een kring
van vestingwerken op eene ruimte, die het geheele kasteel omringt,
dan leidt een steil pad omhoog, en ziet men bij eene poort naast den
grooten toren twee romaansche kapelletjes, één uit de 11de en een
uit de 12de eeuw, tegen elkaar gebouwd. Het kasteel is dus om die
bestaande kapelletjes heen gebouwd, of het is zelf van nog ouderen
datum. De eigenlijke kasteelpoort is uit de 15de eeuw, en uit dien
tijd stammen ook de vestingwerken. Er is nog een klein gebouw, dat er
wat vroolijker uitziet en uit lateren tijd dagteekent. Het beklimmen
van den toren is zeer aan te raden, om het goede overzicht over het
geheel der gebouwen en om het prachtige uitzicht op den omtrek.

Voorbij Murols krijgt men een boschrijk dal, zoo bezaaid met
vulkanische brokken, dat men haast zou gaan denken aan eene
vóórhistorische verzameling van slakken-steenen; dan bereikt men
spoedig het verrukkelijk gelegen meer van Chambon, een waterplas van
ongeveer 60 hect. ter diepte van bijna 6 M., op 880 M. hoogte. Men
beweert dat dit meer gevormd is door een lavastroom, neerkomende
van den Tartaret, die de Couse afdamde. De oppervlakte vermindert
voortdurend; naar men zegt ontsnapt het water door spleten die in den
lavadam ontstaan. Spoedig zal dat meer echter nog wel niet verdwijnen,
en nog menigeen zal zich in de allerbekoorlijkste ligging kunnen
verheugen. Op den achtergrond ontwaart men de allergrilligst gevormde
rotsen van den Dent du Marais. Voorbij het meer krijgt men een prachtig
uitzicht op het dal van Chaudefour, en het dorp Chambon naderende,
ziet men eerst op het kerkhof eene kleine romaansche grafkapel, zoo
eerlijk en zuiver van stijl en zoo goed bewaard gebleven als maar
mogelijk is; zij dateert uit de 11de eeuw en wordt in de wandeling
zeer oneigenlijk het Baptistère genoemd.

Chambon is niet groot en niet zindelijk, maar aan de samenvloeiing
der Couze en der Surain zoo schilderachtig gebouwd, en zoo allerliefst
tusschen de boomen gelegen, dat men de onzindelijkheid spoedig vergeet
en besluit den maaltijd maar elders te nemen, om hier zijne oogen
met toenemenden lust te gast laat gaan. Alles is bij het bouwen aan
het toeval overgelaten, maar daaruit is een geheel ontstaan, dat de
bouwers niet droomden en niet bedoelden. De huizen op zichzelf hebben
niets bijzonders, maar het geheel aan de beide stroompjes en onder
het hout is bekoorlijk.

Van Chambon gaat het verder door het diepe dal van de Surain, overal
met dennenbosschen bedekt, met groote slingers omhoog tot aan het
gehucht Bressouleille. Ditmaal is het een gelukkig verschijnsel als
de wandelaar wat moede wordt, want bij het rusten is de klimmer altijd
geneigd om eens achteruit te zien hoe hoog hij al gekomen is; en juist
achteruit zijn hier de heerlijkste vergezichten. Een kleine bergstroom,
de Diane, ziet men van val tot val vooruit springen, en zijnen loop
volgende krijgt het oog een prachtig rustpunt in het meer van Chambon
en op zijne mooie omgeving. Het is van deze hoogte bijna nog mooier,
dan wanneer men aan de oevers staat! Van Bressouleille gaat het al
maar met groote slingers over eene hoogvlakte, dan door weiden, dan
door bosschen omhoog; verderop is de weg uitgekapt in de wanden van
den Puy de la Croix Morand; 't landschap wordt eentonig en somber, tot
men op den bergrug komende, den Col de Diane (1360 M.) bereikt en, na
zich eene korte wijle verheugd te hebben in een effen weg, op eenmaal
het prachtige dal der Dordogne voor zich heeft. Men ziet de badplaats
Bourboule in de verte, de meren Guéry en La Roche-Tuillière, hoewel op
grooten afstand, bijna aan zijne voeten. Nu met korte slingers snel
omlaag; in de weiden, voor 't eerst op deze reis, tal van bloemen;
om een rotsachtig voorgebergte heen, en daar ligt het vriendelijke
Mont-Dore voor u.

De wandeling was aangenaam geweest; de afwisseling groot en de laatste
verrassing: het uitzicht op het dal der Dordogne, zette de kroon op
het werk. Daar kon wel een tegenvaller op overschieten, en die kwam
ook. Ik vraag u, wat heeft een voetreiziger met den ransel op den
rug te verwachten, wanneer hij daar zoo om licht en donker in eene
fransche modebadplaats aankomt? Ik stapte naar het Hôtel des Etrangers,
waarvoor ik eene aanbeveling had van het Syndicat te Clermont,--maar
't was precies of men dacht dat ik niet eerlijk aan die aanbeveling
gekomen was; ik kon ternauwernood eene kamer krijgen, en toen mij
die niet beviel, was 't nagenoeg heel en al mis. Niet prettig in eene
plaats die ik wist dat overvol was! 't Is mij eerst aan 't einde van
mijn verblijf aldaar mogen gelukken, de madame een anderen indruk te
geven; een reiziger die, met zijne spoorwegbiljetten in den zak, toch
te voet het land doorkruist, is iets dat buiten den gedachtenkring
van die menschen ligt.

Le Montdore is een plaatsje met slechts 1866 inwoners, maar een
zeer druk bezochte badplaats; het ligt aan het einde van het dal
der Dordogne, die niet ver van de plaats haar oorsprong neemt. Twee
beekjes vloeien uit de bergen, de Dore en de Dogne en vereenigen
zich ongeveer een uur boven de plaats. De achtergrond van het dal
wordt gevormd door de donkere spitse uitloopers van den Puy de
Sancy. De omgeving van het bad is weelderig; groote, rijke hotels,
een aardig park en een casino, dat voor iedereen toegankelijk is;
maar de weelderige omgeving is klein, en wat verder Montdore uitmaakt
is meer dan eenvoudig. De omstreken zijn mooi, maar alléén gezonden
kunnen ze bereiken; de fraaiste punten zijn slechts met inspanning
toegankelijk. Een bergspoorbaantje komt hier aan tegemoet. Intusschen,
men behoeft slechts een avondbezoek aan het Casino te brengen om te
zien, dat er ook gezonden te Montdore verblijven, die langs allerlei
wegen hun tijdverdrijf zoeken.

's Morgens vroeg ging ik er weer op uit, en had het genot de
badgasten in de onmogelijkste costumes naar de thermes te zien
gaan; 't is grappig om te zien hoe men in badmantels nog mode kan
hebben! Versieringen aan die kleedij schijnen ook al een punt van
studie te zijn en aanleiding te geven tot eene "dernière création". Een
oude heer op klompen, in een badmantel met een sleep, naast eene
jonge dame met een mantel die heelemaal geen sleep had, terwijl zij
zich overigens vreemd toegetakeld had met eene prachtige badmuts en
zich een zeker cachet verschafte door in het vroege morgenuur eene
cigarette te rooken,--was wel 't koddigste van wat er zooal over de
Grande Place kwam. Ik ging met het bergspoortje als eenige passagier
naar boven, naar het Salon du Capucin, eene aardige uitspanning
onder prachtig hout; daar kocht ik van een kellner een courant van
den vorigen dag, en las daarin met alleraardigste schrijffouten de
namen van ons nieuwe ministerie. De kellner begreep er niets van,
dat ik in die oude courant zoo'n schik had. Van het Salon du Capucin
ging de weg, door een prachtig eiken- en mastbosch, langzaam omhoog
tot aan den voet van den Capucin, een rotsgevaarte dat daar steil
omhoog rees. Een pad er om heen brengt u aan de andere zijde, waar
een zachte helling het bestijgen gemakkelijk maakt. Van den top
(1463 m.) heeft men een goed uitzicht op Montdore, den Sancy en de
bergen van Bozat. Men vraagt u aan een herbergje aan den voet van den
Capucin 25 centimes voor het beklimmen. De meeste dier bergtoppen hier
zijn particulier eigendom, en worden aan kasteleins verpacht. Van de
herberg ging ik verder door in de richting van den Puy de Clièrgue,
die men voor zich ziet liggen en zoo over de kammen der bergen,
die doorloopen tot den Puy de Sancy, tot aan het Val de la Cour en
het Val de l'Enfer. Voor wandelaars, die niet gesteld zijn op een
paadje langs de diepte, is er nog een aangename weg om den top van
den Clièrgue heen,--maar hij is wat langer.

De Val de la Cour ligt tusschen een kring van bergkammen; de bodem
is een keurig gebloemd grastapijt. De Val de l'Enfer is van de eerste
gescheiden door een scherpen bergkam; het dal is als 't ware uitgehold
in vulkanische gesteenten, niet altijd rotsblokken, maar soms ook
wanden van los op elkaar gestapelde vulkanische overblijfselen. De
wanden zijn bijna geheel ontdaan van plantengroei; het zijn naakte
rotsen, die den vulkanischen stempel op het aangezicht dragen. Dit dal
schijnt een der oudste kraters van den grooten vulkaan der Dore-groep
te zijn; uit den bodem steken hier en daar soms geheele muren op;
men noemt ze hier _dykes_. Dit landschap, dat den Val del Bove van den
Etna moet evenaren, is zeer schilderachtig, maar tevens buitengewoon
somber en draagt zijn naam met eere. Plantenkenners kunnen hier een
rijken oogst vergaren. Van uit den Val de l'Enfer kwam ik weêr in
het dal der Dordogne en zoo, langzaam aan, terug te Mont Dore.

Langzaam aan, want het was drukkend warm dien dag, en in die enge
rotsdalen was geen schaduw en geen 't minste tochtje. 't Was daarom
eene aangename verrassing, 's avonds aan tafel te hooren vertellen dat
't begon te regenen. Die regen hield aan en werd een wilde donderbui,
en verstoorde den dampkring dermate, dat ik er nog een dag later
pleizier van had. De volgende dag toch was bestemd om den Puy de
Sancy te beklimmen en langs de andere zijde over Vassivières af te
dalen tot Besse.

Daar hadt ge 't alweêr: iemand die 's morgens vroeg uit zoo'n nette
badplaats per allereersten langzamen trein vertrekt, beteekent
niet veel; en ik moest naar het station om mijn koffer naar Bort te
verzenden. De hotelomnibus kon ik niet krijgen, en ik was al heel
blijde een der hotelknechts eene fooi vooruit te kunnen betalen,
waarvoor hij mijn koffer wel naar 't station wilde brengen.

De regen had opgehouden, maar 't weêr was zoo zoel gebleven, dat ik mij
op allen tegenspoed voorbereidde. De wandeling ging aanvankelijk langs
den zelfden weg, die me gister terugbracht van den Val de l'Enfer, maar
ik had nu het genoegen van een waterval te zien, la cascade du Serpent,
een der waarteekens van Montdore, maar die den vorigen dag droog
was. Spoedig kwam ik onder hoog masthout; sierlijke boomen die bijna
allen den eigenaardigen woekervorm vertoonden van doorgeschoten takjes,
die als miniatuurboompjes loodrecht op de grootere takken stonden.

Op 1200 M. hoogte houdt de straatweg op, en begint het gemakkelijke
slingerpad, dat tot bijna aan den top brengt. De bestijging was weinig
vroolijk, want o jammer! er kwam een dikke mist opzetten; ik liep in
eene wolk en bleef daarin tot bijna boven, toen het zachtjes begon te
regenen. Achter mij aan kwam een gezelschap, dat er erger aan toe was;
de lieden haddend en Puy de Sancy voor hunnen laatsten dag bewaard,
en moesten nu den zoo hoog geprezen weg, ten tweede-male afleggen,
zonder ook maar vijfentwintig pas van zich af te kunnen zien. Hoewel
we allen wisten dat het op den top niets beter zou zijn, bestegen
we toch moedig de spits (1886 M.); een slecht en door den regen
glibberig pad, waarvan de eenige deugd was, dat 't maar een kwartier
ver was. Spijtig! want van den top van den Puy de Sancy, den hoogsten
berg van midden-Frankrijk, moet men bij helder weder een wondermooi
uitzicht hebben, te aanlokkelijker voor mij, omdat daar de geheele
streek zichtbaar was, die ik van St. Nectaire af doorloopen had.

Onder de treurigste voorteekenen zette ik aan de andere zijde van
den berg de reis voort. Er was langs de verschillende hellingen
maar één bergpad, en dat had ik te volgen. Aanvankelijk teekende dat
pad zich duidelijk, maar spoedig begon het in 't gras te verloopen,
en het regende zoo hard, dat elk spoor van een pad een beekje werd,
en dus geen weg meer te onderkennen was. Eerst had ik nog een paar
bergtoppen waar ik koers op kon houden, maar die gingen ook schuil
achter de regenwolken. Geen geluid van mensch of dier was te vernemen;
van tijd tot tijd meende ik de bellen van grazend vee te hooren,
maar dat geluid kwam ook al uit dat grauwe voorhangsel, dat evenveel
achteruit ging als ik vooruit. Dank zij de voortreffelijke kaarten,
die ik te Clermont gekocht had, en dank zij mijn zakkompas, kwam ik
echter goed terecht. Na een paar uur geloopen te hebben zag ik rechts
beneden mij een meer, volgens de kaart dat van Chauvet; toen moest ik
links van mij een alleen staanden berg, den Puy de Pailleret krijgen;
en dat kwam ook uit, en daar midden tusschen lag het dorp Vassivières,
maar dat kwam niet uit, en ik was dankbaar eene kleine schapenhoedster
te treffen, die mij vertelde dat het onnoozele kleine kerkje met
die drie kleine huizen er om heen, daar beneden ons, de beroemde
bedevaartsplaats Notre Dame de Vassivières was. Ik kwam ongeveer 600
M. meer oostelijk uit, dan 't behoorde, en vergat onder dat geluk,
dat ik doornat was geworden.

Hooger in de bergen waren de weiden, waardoor het pad heette te
gaan, nog al flink, maar lager werden zij van minder gehalte en waren
daarentegen sierlijk doorstreept met bloeiende heide; deze vriendelijke
plantjes zag ik daarna overal in Auvergne weer. Behalve dat waren er
opvallend veel donkere viooltjes en wilde anjers van een heldere kleur;
zij stonden in die armoedige omgeving zoo vriendelijk te bloeien,
dat ik een der dichters van het land begon te begrijpen, die zegt:
"men kan mij naar hartelust uitlachen, maar ik trap er nooit op ... 't
lijkt me of hun dat pijn zoude doen!"

Zoo kwam ik dan te Vassivières. Het wonderdoende  beeldje staat in een
bouwvallig kapelletje langs een voetpad; het is eene zoogenaamde zwarte
maagd. De hoogere waarde van dat zwarte heeft me niemand kunnen of
willen verklaren; het beeldje was van hout, en scheen me toe zwart van
ouderdom te zijn. De beeldsnijders uit die vroegere dagen in Auvergne
waren menschen van eenvoudige opvatting, en beeldden de moedermaagd
af als eene vrouw uit hunne omgeving, zoodat men de evenbeelden nog
overal en dagelijks ontmoet.

Voor vele jaren had men zich verstout dat beeldje van Vassivières, waar
nooit voldoende gelegenheid was om de bedevaartgangers te herbergen,
tot hun meerder gemak naar Besse over te brengen. De overlevering
zegt, dat het beeld echter telkens weder des nachts naar Vassivières
terugkeerde. Om aan de daaruit ontstaande beroeringen een einde te
maken, besloten de gezaghebbenden het beeld des winters in Besse te
plaatsen en des zomers te Vassivières. De rust was hersteld, en zoo
geschiedt nog tot op heden.

De herberg waar ik dien dag te Vassivières middagmalen moest, was het
huis van een kaaskoopman, wiens vrouw in den zomer de kaaspakhuizen
ontruimde en voor gelagkamers voor de bedevaartgangers inrichtte. Alle
kaas heet daar "St. Nectaire", en de gelagkamers getuigden van zijn
bijzonderen geur. De waardin had medelijden met mijn natte pak;
dadelijk werd het vuur opgestookt en werden mijn kleêren zooveel als
't kon te drogen gehangen, terwijl ik achter den gloeienden kachel
plaats nam en mij, onder de bedrijven door, met woord en daad zag
aangetoond, hoe heerlijk mijn maal toebereid werd.

Zoo'n huis daar is aardig ingericht, en bij veel grooter afmetingen
herinnerde het mij sterk aan de oud-saksische boerderijen in sommige
deelen van ons land. De stal voor 't vee is altijd klein; het vee wordt
gefokt of jong gekocht, in het voorjaar de bergen ingezonden en in
't najaar verkocht. Men komt met de buitendeur in een ruim vierkant
vertrek; de voorkant, waarin de deur is, heeft ook de ramen. De zijde,
waar de kachel tegen staat, ook de provisiekamers, de beide andere
zijden bestaan geheel uit deuren, die ten deele bedsteden of kasten
zijn en de toegangen tot verdere ruimten, hier de kaasbewaarplaatsen,
of tijdelijk de gelagkamers voor de bedevaartgangers. Toen de waardin
de tafel gedekt had, vroeg ze mij of ik mineraalwater uit flesschen,
of bronwater wilde drinken; ze kon mij het "eau de la Vierge" zeer
aanbevelen, eensdeels om zijn goeden smaak en anderdeels om zijne
wonderdoende kracht. Twee der kinderen werden uitgezonden om eene
frissche kruik aan de bron te halen, en 't kwam mij voor dat de
bijzondere aanbeveling steunde op het fooitje dat de kinderen voor
dat dienstbetoon ontvingen. Het maal smaakte, niettegenstaande de
opvallend rustieke samenstelling, na den bergtocht heerlijk, en toen
de regen wat op begon te trekken, talmde ik nog wat om te zien of er
soms nog een zonnestraaltje doorkwam. En zie, het kwam! Eerste gevolg
aan mijn dronk "eau de la Vierge".

Nog twee uur wandelens bracht mij te Besse, in het Hôtel de la
Providence. Na eene korte rust besloot ik dien avond nog de grotten
van Jonas te bezoeken. 't Werd wel een vermoeiende dag, maar den
volgenden dag had ik een gemakkelijke reis, en bij ongunstig weêr
was er eene diligence.

De weg naar Cheix, waar die grotten zijn, gaat van Besse in een
eng dal omlaag; in de diepte heeft de Couse de Besse zich een weg
gebaand; zij dringt onstuimig met vele aardige watervallen tusschen
hare rotsachtige oevers voort.	De overzijde is vooral dicht
hij de beek prachtig begroeid; de andere zijde levert een geheel
verschillenden aanblik. De eerste indruk is die van verbazing; de
steile berghelling is ontzettend ruw; groote en kleine rotsblokken
betwisten elkander hunne plaats; hier en daar bergpuin, waarin men
getracht heeft op aangelegde terrassen wijn aan te planten; maar alles
is verdord, en gedeeltelijk weer onder nastortend bergpuin begraven.
De kleur der rotsen is donker roodbruin; ze zijn allen in den vorm van
uitgesmolten slakken; er staan ruggen van steen uit de berghelling op
als reuzenhanenkammen, en die ruggen dragen ook de kenteekenen van in
vuurgloed gevormd te zijn. 't Is ontzagwekkend en somber. Men gelooft
in een heksen brouwketel beland te zijn en geen wonder, want we hebben
hier te doen met een lavastroom, die uit een der omringende Puys, of
misschien uit een verdwenen vulkaan naar dit dal vloeide. Het verloop
van eeuwen heeft hier nog weinig doen verweeren; wat hoogerop wel, waar
men tal van dorpen vindt in zeer vruchtbare omgeving. Bij een draai in
den straatweg heeft men een aardig kijkje op het dorpje Cheix met zijn
landelijk torentje en op het gehucht St. Pierre Colamme; iets verder
verheft zich op eens uit het groen de helling van den Puy St. Pierre,
waarin men dadelijk de grottenwoningen ontdekt. Deze woningen zijn
uitgekapt in de bazalttuf, waaruit de berg gedeeltelijk bestaat; ze
zijn tot 30 en 40 m. boven elkaar aangebracht; thans zijn er nog 60
holen; door het voortdurend afstorten van den bergwand zijn er echter
veel verwoest en nog meer begraven. De holen zijn in een moeielijk
aan te wijzen tijdperk door menschenhanden gemaakt,--misschien zijn
ze wel uit het vóór-historische tijdperk,--en zij werden eeuwen lang
bewoond. De uitgekapte paden, die de verdiepingen onderling verbinden,
dagteekenen waarschijnlijk uit de middeneeuwen. In de rots ziet men
hier en daar nog sporen van leuningen, die ook in de rots uitgehouwen
zijn; in dienzelfden tijd werd er ook een soort van ridderburcht
uitgekapt, met een kapel (de muurschilderingen komen mij verdacht
voor), een keurige wenteltrap is vooral merkwaardig. In de grotten en
in de omgeving heeft men eenige oudheden gevonden, vooral munten en
enkele beeldjes. De grotten zijn nu staatseigendom en worden sedert
een twintigtal jaren wetenschappelijk onderzocht, tot nu toe zonder
belangrijke uitkomsten; men begint er wel achter te komen wat het
niet geweest is, maar verder is men nog niet. Sommigen zeggen dat
de ridderburcht met de wenteltrap en de kapel het werk zijn van
tempelridders, die na de vernietiging hunner orde hierheen vluchtten.

Op de terugwandeling heb ik mijne oogen nog eens te gast laten gaan
aan den ouden lavastroom. De indruk van woestheid werd vergroot, en 't
was inderdaad eene opluchting toen ik, hooger in het dal komende, het
vriendelijke Besse weder voor mij zag. Besse--'t heet eigenlijk "Besse
en Chandesse"--is een bijzonder plaatsje, dat nog al door zomergasten
bezocht wordt. Er was dan ook een goed bezette tafel in de eetzaal. Een
der gasten trok mijne aandacht; naar zijne vrouw te oordeelen was hij
een gegoed werkman of klein fabrikant; maar zijne handen waren zóó
net van vorm, dat daar toch ook weêr niet aan te denken viel. Hij nam
de leiding van een deel der tafel op zich, diende soep, sneed voor,
voerde onder de bedrijven door een luidruchtig algemeen gesprek;
de man bleef mij een raadsel; zou hij soms een kellner met verlof
zijn? Maar het raadsel werd spoedig opgelost; er werd eene ommelette
binnengebracht op een grooten schotel, te midden van brandenden rum,
tot groot ongerief der dienstmeisjes, die de vlam ten laatste niet
meer meester waren. Al de gasten waren opgetogen--de schrijver telt
niet mede--en madame nam de hulde over dien prachtigen schotel met
koninklijke bescheidenheid aan. De raadselachtige gast diende weêr,
en toen hij eindelijk wat van zijn eigen portie proefde, sprong hij
op, liep naar het dienstmeisje en riep vol ongeveinsde geestdrift uit:
"Zeg aan den kok, dat hij mij overtroffen heeft, ik heb nooit zoo iets
heerlijks gemaakt." De man was kok en liet er zich bij de omgeving
op voorstaan, dat hij chef was in een der groote hotels te Parijs!

Ik deel dit mede, niet om met mijn gebrek aan kokkennis te pralen,
ook niet om uwe bewondering op te wekken voor de ommelette in haren
waarlijk helschen vuurgloed, maar om u het gehalte der zomergasten
daar te leeren kennen.

Na dezen langen en aan gebeurtenissen rijken dag, als: het beklimmen
van den Puy de Sancy in den nevel; het afdalen in den regen; de
maaltijd te Vassevières met het "eau de la Vierge", het doorkruisen
van een dal der verschrikking op den weg naar Cheix; het bezoeken
van eene vóór-historische kazerne-woning, en het gebruiken van eene
ommelette brulée onder de leiding van een kok en villeggiatura,
genoot ik een welverdiende rust.

's Ochtends vroeg de stad in; 't is maar een stedeke van 1800 inwoners,
met eenige kronkelige straten, maar in deze vele eigenaardige
fraaie gevels. Eén huis, gezegd dat van Koningin Margaretha, munt
vooral uit; op de markt zag ik een betrekkelijk laag huis--ze zijn
allen uit de 15de en 16de eeuw--met eenvoudige, allerkeurigste
versieringen, eene deur om te stelen, zwaar eikenhout met gesmeed
ijzeren beslag. Een zonderlingen indruk maakte voor die deftige fraaie
vensters de uitstalling eener slagerij. De stad heeft nog ééne poort
met klokkentoren, een aardig gebouwtje uit de 16de eeuw. Zeer mooi
was de kerk, of liever zeer merkwaardig. Het oudste deel, het schip,
natuurlijk romaansch; de zuilen waren aardig versierd, zoo opvallend
eenvoudig en lief, men zou haast zeggen kinderlijk. Aan de eene
zijde der kerk zijn later kapellen aangebouwd in gothischen stijl. De
beschildering der muren in de kerk wordt zeer geroemd. Ze was kleurig
en druk. De eenvoudige versieringen in de kerken te Clermont en te
St. Nectaire vond ik echter veel mooier. De andere buitenzijde der
kerk had uitstaande muren, beneden ongeveer 3 M. dikker dan boven.

Besse is een middenpunt voor bergtochten; dien naar de grotten
van Jonas maakten wij reeds; de richting naar Vassivières had ik
afgewandeld, die naar het noorden met Murols als eindpunt had ook niets
bijzonders. Bleef nog die naar Condat en Feniers, juist de reisweg
dien ik mij voorgenomen had. Ik verliet het stadje door de oude poort
met den klokkentoren en had aanvankelijk den weg terug, waarlangs ik
den dag tevoren gekomen was. Een breed dal; de weg liep aan de eene
zijde ter halver hoogte van den bergrug; in de diepte een riviertje,
maar met zoo weinig water, dat 't gehoopte aangename gezelschap van
zoo'n druk bergstroompje ditmaal ontbrak. Aan de wegzijde enkele zeer
fraaie boschpartijen, en voorts langs bebouwde akkers; eene overoude
landhoeve, door esschen omringd, met prachtige roode vruchten, kwam
tegen den achtergrond van donker eikenloof mooi uit. Beneden in het
dal weidevelden,  ook tegen de hellingen aan de andere zijde, zoo ver
men van berg tot berg zien kan; maar ditmaal magere, natte weiden; de
boerderijen lagen daarom ook ver uit elkaar; hier en daar een kaashuis,
"burons" worden die hier genoemd. Na een drie kwartier loopens een mooi
uitzicht op den Puy de Chambourget en den Puy de Montchal; langs een
voetpad de helling op, spoedig weder hout, en dan een der lieflijkste
landschappen die ik nog ooit zag: het meer Pavin (1197 M.) Dit meer is
bijna cirkelrond, en heeft 750 M. middellijn; de diepte bedraagt 97
M. en de oevers loopen bijna loodrecht omlaag. Langs de oevers gaan
de dicht begroeide hellingen omhoog. Aangaande het ontstaan van dit
meer, en van vele andere in Auvergne, geven de geleerden verschillende
verklaringen, die te ingewikkeld zijn voor den leek en ook voor hem
hare waarde verliezen, omdat ze met elkaar in strijd zijn; met de
wonderlijke volksoverleveringen komt men ook tot geene bevredigende
uitkomst, en daarom noodig ik u uit, alle wetenschappelijk geknutsel
op zijde te stellen en u te verkneuteren aan 't heerlijke natuur
tafereel. Het weêr was buiig, de waterplas, donkergroen van kleur,
was gewoonlijk sterk beschaduwd, en stak statig af tegen de dartele
lijnen van het veelsoortig groen langs de oevers; de zon brak door
en overgoot alles met haar heerlijk licht, om in een anderen vorm nog
mooier te geven. Er staat een visschershuisje, oud en schilderachtig;
daarlangs een pad onder hooge boomen, om het meer heen; we volgen
dat, aldoor genietende van de bevallige lijnen en keurige licht- en
kleurschakeeringen, tot we komen op een punt tegenover het bergpad
dat ons aan het meer bracht. Daar was de oever open; eene beek voerde
het water af en sprong met vervaarlijke sprongen van den eenen steen
op den anderen naar beneden, om onder in het dal de beek te gaan
versterken. De in het licht schitterende waterband vereenigt zich
met de sierlijke oploopende lijnen van den Puy de Chambourget. 't Is
heerlijk mooi; nog eens links het pad op, en nog weêr eens rechts,
en dan weêr eens onder de boomen gaan liggen; 't is en blijft mooi.

Langs de beek ging ik, of liever klauterde ik omlaag en toog verder
den straatweg op naar Condat. Het landschap werd boschrijker, de weg
loopt omlaag langs eene beek. Men komt door het dorpje Eglise neuve
d'Entraignies. De rivier verandert van naam en heet nu Rhue; in den
omtrek zijn vele minerale bronnen; naar aanleiding daarvan zij in 't
voorbijgaan gemeld, dat zich in de omgeving van die minerale bronnen
altijd eene zoutwaterflora ontwikkelt: vreemd is het dezelfde planten
als aan de zeekust, hier op eene beperkte plek midden in het land te
zien! De bewoners van dit Eglise Neuve hebben eene bijzondere manier
om hunne dooden te eeren; zij bouwen boven de graven kapelletjes
in den vorm van kleine huizen met kruisen er op; het kerkhof maakt
daardoor den onwillekeurigen indruk van eene verzameling poppenhuisjes.

De weg wordt al mooier en mooier; prachtig opgaand hout, vooral
eiken; de rivier door toevloeiing van beken krachtiger geworden,
wringt zich hier en daar door rotskloven en biedt een reeks van
schitterende landschappen. Na eenigen tijd wordt het dal ruimer en
ziet men "Condat en Feniers" in een breed bekken voor zich  liggen. Op
zichzelf biedt de plaats niets bijzonders  aan, 't is een stadje van
2600 inwoners, en het  ligt in Cantal; er is veel handel in hout;
maar de ligging is tooverachtig mooi, drie berggroepen loopen daar
in een groot dal samen, 't Was heerlijk weêr, stil en niet te warm;
eene avondwandeling om de plaats heen gaf eene heerlijke ontspanning.

Met boos humeur trok ik er den volgenden ochtend op uit; de menschen
zijn zeer ijverig te Condat, maar ze hebben er geen spoorwegen en
daarom geen haast. Men kan zich in dat goede land geen goed begrip
vormen	van iemand die 's morgens om 4 uur op wil staan, om dan
voor zijn genoegen te gaan wandelen, en laat hem daarom ook maar
kalmpjes slapen; en ik moest dien dag naar Bort (32 K.M.), zoodat
het er op aankwam om den dag goed te verdeelen. Eenmaal op marsch,
kwam de goede stemming spoedig terug; de omgeving was prachtig! De
weg loopt bij het verlaten  van Condat hoog boven de rivier, maar
altijd naast haar; eerst heeft men prachtige uitzichten op het bekken
van Condat, dat afwisselt bij elke kronkeling van den weg. Eindelijk
wordt het dal enger en komt men onder hoog geboomte langs prachtige
rotspartijen; aan de zijde der rivier ook steeds hoog opgaand hout,
zoodat men over de toppen der boomen de andere zijde van het dal ziet,
geheel bedekt met statige dennenbosschen, hier en daar onderbroken
door grillig gevormde rotspartijen. Bij Cornilloux heeft men de
eerste houtzagerijen, die altijd eene schilderachtige groep aan
de rivier vormen. De rotsen stapelen zich aan weerszijden hooger
en hooger op; dan slingert de weg van de rivier af tusschen woeste
rotsvormingen door, om haar weder te naderen waar ze bij een bocht
opnieuw een schilderachtige beek opneemt. Bij de "Pont de Soutre"
nog weer houtzagerijen; eene tweede Rhue, die van Cheylade, vereenigt
zich met de Rhue, die ik nu reeds, van Eglise Neuve volgde. Dit punt
is wel het schoonste van den geheelen weg, en alles was zoo heerlijk
mooi! Bij herhaling kruist men de rivier. Nog een prachtig punt ontmoet
men bij de "Rocher des Faux monnayeurs", een grot waarin volgens de
overlevering eens eene bende valsche munters langen tijd haar bedrijf
straffeloos uitoefende. Nu wordt het dal ruimer; nog een paar beken
komen de Rhue versterken en men ziet het gehucht Embort door de boomen
schemeren. Te Embort rustte ik wat en trof er een jongen kastelein,
die verzot was op photografeeren; hij maakte aardige dingen, die hij
altijd kwijt kon raken aan de fabrikanten van prentbriefkaarten. Maar,
vreemd, er waren in den omtrek zijner woning zulke allermerkwaardigste
vulkanische overblijfselen, en geen enkel dier punten werd door hem
genomen. Hij zeide mij telkens, als ik er op terugkwam: "maar mijnheer,
dat is toch leelijk, niemand wil dat koopen. Maar zie daar eens die
beek, en daar dat watervalletje, en dat groepje forellenvisschers! Dat
is mooi! en dat is mijn land!" Ik wilde hem vooruit betalen, als hij
kiekjes wilde nemen van de plaatsen, die ik hem aanwees; maar hij
liet zich met de dwaasheden van zoo'n tourist niet in.

Voorbij Embort, waar men aan alle zijden van uit het breede, vlakke dal
statige berguitzichten heeft, hielden de bosschen langzamerhand op;
de rivier kronkelde door sappig groene weiden; hoogerop werd alles
veel schraler, er staken in de velden overal rotsbrokken omhoog,
en hier en daar zag het er zelfs woest uit; vooral bij het hooger
gelegen gehucht Sarrau. Het was Zondag en de kerkgangers gaven eenige
gelegenheid tot een praatje. De zomer was er zeer droog geweest, de
oogst was tegengevallen en vooral de weiden waren treurig verbrand; de
laag teelaarde op den rotsbodem was hier nog te dun en dientengevolge
zeer gevoelig voor de uitersten van het weêrgetij. Daar waar ik meende
dat men de tweede snede maaide,--men werkt daar ook des Zondags in
het veld--bleek het de eerste te zijn; er zou van eene tweede snede
wel niets komen.

Toen ik Champs de Bort naderde, trok het klokgelui mijn aandacht. Dat
klonk opgewekt en gaf stemming aan de omgeving. De Guide Ioanne gaf
hier het Hôtel des Voyageurs aan als de plaats waar men verblijven
kon. Ik wenschte er mijn twaalfuurtje te nemen en minstens tot 3 uur
stil te zijn, om de grootste middaghitte te laten voorbijgaan. Daarom
naar de herberg des Voyageurs,	eene niet al te weidsche kroeg; ik
kreeg tot bescheid dat ik tot na kerk moest wachten, en dat ik dan
aan de table d'hôte mede kon eten; onderwijl gebruikte ik een glas
vruchtensap en wachtte gelaten, maar niet zonder zorg, op de dingen
die komen zouden. De kastelein had ook een winkel van ellegoederen
en kruidenierswaren; na kerk stroomden de menschen er heen, mannen,
vrouwen en kinderen allen in 't zwart. De vrouwen eerst in den
winkel, later ook in de gelagkamer, waar de heeren dadelijk plaats
namen. Eerst een flesch wijn van het vat; dan brood en kaas en bier,
en dan nog eens, als de vrouwen en kinderen kwamen, afgetapte wijn
in oude champagne-flesschen, met harst of pik over den kurk en den
hals gesloten. Onder het genot van de tweede portie wijn werd het
gesprek levendiger en bereikte later, toen ik reeds aan tafel zat,
eene onrustbarende hoogte. De kastelein, die voorzat aan tafel,
verzekerde mij echter dat er nooit ongenoegen kwam, zoolang ze maar
geen spiritualiën dronken, en die waren alleen te verkrijgen in
kroegen van mindere soort.

Dat verblijf in die gelagkamer was wel interessant maar niet amusant;
te meer indruk maakte de nette eenvoudige kamer, waar een vrij
talrijk gezelschap heeren en dames de komst wachtte van den laatsten
gast. Het was een goed en allergezelligst maal; de gasten waren
eenvoudige menschen en gaven zich geheel zooals zij waren. Drie jonge
onderwijzeressen onder de hoede van eene oudere dame; de ontvanger der
registratie met zijne vrouw; de griffier van het kantongerecht, nog
twee ongenummerde paren; de kastelein en ik, ziedaar het gezelschap.

Het was nog drie uur ver, en 't was broeiend heet; van schaduw
was geen spraak meer. Aanvankelijk golfde de weg; op een der
hooge punten een prachtig uitzicht op de bazaltruggen van Bort;
vervaarlijke rotsblokken liggen langs den weg verspreid; dan het
dal der Dordogne. Een heerlijk landschap: het bekken van Bort, de
bazaltruggen,  het orgel van Bort genoemd, en de diepe rotsbedding
der Rhue, vragen om strijd de aandacht. Naar de zijde van het dal der
Dordogne fraaie lijnen, afgeronde heuvels dikwijls met prachtig bosch
getooid, een heerlijk golvend landschap. Aan de andere zijde van alles
het tegendeel. Het was langs dien kant dat in den voorhistorischen
tijd de gletschers zich bewogen; men ziet niets dan strakke lijnen,
scherpe rotskanten, hoekige en loodrechtige wanden. Niet ver af,
bij een wilde rotspartij een merkwaardig voorbeeld van rotsen door
het ijs afgevlakt en gestriemd, de diepe gleuven zijn duidelijk
zichtbaar. Wat verder naar de Rhue afdalende,  eene woestenij van
bergpuin, in 't oog vallend woest en kaal. Op deze plaats hebben de
natuurkrachten een ontzettenden strijd gevoerd, en het slagveld is
sinds dien in denzelfden desolaten toestand gebleven. Het uitzicht
op de Orgues de Bort trekt bij toeneming de aandacht, tot men,
neergedaald tot aan de rivier, in het stadje aankomt. Ik sloeg mijne
tent op in het hotel Amblart, waar ik eene aardige kamer kreeg, met
een prettig uitzicht op de Dordogne en op het oude stadje. De avond
en morgen te Bort waren allergezelligst; aan de middagtafel maakte
ik aangename kennissen en besloot den dag in hun gezelschap en met
eene avondwandeling door de stad en langs de Dordogne; in een café
maakte ik onder anderen kennis met een fabrikant van vilten hoeden,
die mij uitnoodigde den volgenden morgen zijn fabriek te komen zien.

Bort heeft 4000 inwoners, een paar flinke fabrieken en veel handel; de
uitzichten langs de rivier zijn zeer mooi, en die op de bazaltruggen,
de Orgues, zijn van zeer bijzonderen aard. 's Morgens vroeg trok ik
er reeds op uit; het is, na eene korte wandeling buiten de stad,
een flinke klim van ongeveer een uur, waarbij men des voormiddags
alles heeft, behalve het eenige noodige: schaduw. De boomen aan
den voet van de bazaltmuren zijn daarom dubbel welkom, en men
heeft daar reeds fraaie uitzichten, een voorproefje van 't geen men
boven zien zal. De bazaltzuilen te Bort--en er zijn er zoo meer in
Auvergne--zijn ontzagwekkend van afmeting. Men kent de stukken van
bazaltzuilen, die hier van den Rijn aangevoerd worden tot het maken van
sluismuren, zeeweringen en dergelijken. De kristalvorm is dezelfde;
maar wanneer zoo'n zuil van den Rijn eene grootste doorsnede heeft
van 40 centim. dan is het al een zwaar stuk. Hier zijn ze 8 tot 10
meter in doorsnede, die van 4 meter zijn stroohalmpjes. De lengte
is gemiddeld 90 meter, en men kan zich ter nauwernood den indruk
voorstellen, wanneer men dergelijke wanden ziet, die zich voor u
opheffen en zich verder uitstrekken dan men zien kan. De geologie
leert ons, dat die zuilen bij afkoeling gekristalliseerd worden uit
een gloeiende, vloeibare massa; wat moet dat voor een gloed geweest
zijn, toen zich daar kristallen vormden van die afmetingen! Hier
en daar zijn er enkele zuilen ingestort en de brokken, waar men
tusschen door klauteren kan, geven nog beter denkbeeld van de
reuzenafmetingen. Na eene korte rust in de lommer volgde ik het
voetpad naar boven en kwam op den top der kolommen (760 m.). Langs
de kanten komen die koppen bloot, maar op eenige meters van den kant
bestaat de bodem reeds uit goed bouwland, hier en daar afgewisseld
met weiden en bosch. Van den rand der bergvlakte geniet men een
der prachtigste uitzichten van midden-Frankrijk; men staat in het
middenpunt van een groot halfrond, gevormd door drie berggroepen,
van den Mont-Dore, van de Cezallier en van de Cantalgroep. Aan de
andere zijde van Bort, waar men 350 M. boven verheven is, over de
Dordogne heen en over het spiegelgladde, schitterende meer van Madic,
eene opeenvolging van heuvelruggen met diepe insnijdingen, die aan
den horizon afgesloten worden door de genoemde berggroepen. Bosschen,
heidevlakten in prachtig paarsen tooi; weidevelden en bebouwde akkers
versieren de heuvelen in allergelukkigste afwisseling. Enkele witte
vlekken, dorpen en stadjes, eene helle weêrkaatsing van een waterval,
schijnen kunstmatig aangebracht om dien fraaien tuin nog grooter
bekoorlijkheid te verleenen. Het kost den wandelaar meer dan een uur,
eer hij zich van dat vergezicht kan afwenden! De terugwegen naar Bort
zijn talrijk en men kan op goed geluk af elk pad kiezen; onder het
afdalen is de toren van Bort een onfeilbare wegwijzer.

Na het dejeuner toog ik naar de hoedenfabriek. Ik zal u niet vermoeien
met eene uitgebreide omschrijving van dit fabrikaat, dat we allen,
oud en jong, op het hoofd hebben of gehad hebben. Het meerendeel
van de fransche hazenhuidjes wordt te Bort verwerkt, dat wil zeggen
alléén het haar; maar de millioenen konijnenvellen, die jaarlijks uit
Australië naar Europa verscheept worden, komen allen in de fabrieken
van vilten hoeden terecht. Is het haar eenmaal gesorteerd, dan wordt
de hoed gemaakt uit water en haar, dat op een koperen vlechtwerk
gespoten wordt; dat vlechtwerk is in den vorm van een suikerbrood
en zoowat 75 c.M. hoog en 40 c.M. doorsnede aan het grondvlak. De
eerste vorm van een hoed is dus een reuzenhoed; nu wordt hij door
behandeling met heeten stoom, door pletten en vouwen en hameren inéén
gewerkt en verkrijgt zoo de vereischte vastheid, terwijl hij hoe
langer hoe kleiner wordt. Verder zullen we de fabrikatie maar niet
volgen; er wordt nog geverfd; er wordt nog gewasschen; er worden
zachte fijne vilten gemaakt; er komen dikke en minder plooibare te
voorschijn; het einde van alles is een opgemaakte hoed, dien men zoo
maar dragen kan. Door het bezichtigen van dat alles ben ik dan ook
tot het medeweten van een groot geheim gekomen; namelijk welk model
van hoeden in 1906 gedragen zal worden, zoowel door dames als door
heeren. De fabrikant legde mij echter daaromtrent het zwijgen op;
moeielijk te bewaren is dit niet, want waarschijnlijk hebben bij
't lezen dezer regelen de meesten het nieuwe model reeds gezien
of in gebruik. Als algemeene indruk der vilten hoedenfabrikaten,
kan men zeggen dat zij volkomen in strijd is met den gewonen loop
van zaken. Hoe grooter de hoed is bij zijn geboorte en hoe kleiner
hij is wanneer hij in gebruik genomen wordt, hoe beter hij aan de
gestelde eischen zal beantwoorden.

Het bleef dien dag broeiend heet, en ik had na de wandeling
over het "orgel" geen lust om nog meer te loopen; dus per spoor
naar Mauriac. Een genotvol ritje, want dat gedeelte van 't net der
Orleans-spoorwegmaatschappij is zeer bergachtig en wordt dientengevolge
uiterst langzaam bereden; het is een merkwaardig staaltje van
spoorwegbouw. Tal van heuvels, dikwijls door viaducten onderling
verbonden, hebben de ingenieurs niet afgeschrikt; op twee punten
hadden ze zelfs de lijn met slingers tegen de berghelling op moeten
brengen, en zag men de sporen die men bereden had, weder naast en onder
zich. Eene verbazend groote omnibus bracht mij van 't station naar
het hotel l'Ecu de France, een echt ouderwetsch plattelands-logement:
eenvoudig maar in de puntjes, en eene eerwaardige waardin, met een
vriendelijk praatje. Terwijl ik mij verfrischte, zuiverde eene heftige
droge donderbui de lucht, en woei het stof uit de straten, zoodat ik
voor donker nog eene wandeling door het stadje maken kon. Mauriac is
met Salers, dat ik den volgenden dag bezoeken zoude, het merkwaardigste
stadje van Auvergne; het ligt op 900 M., heeft 3500 inwoners, en
bezit belangrijke overblijfselen van vroeger aanzien; gesticht werd
het als klooster, omstreeks het jaar 560, door een kleindochter van
Clovis, op eene plaats van oudsher door de Gallo-Romeinen bewoond;
in de stad zelf en in hare omgeving werden tal van voorwerpen uit
dien tijd opgedolven; van de kloosterkerk van 't jaar 560 werden de
laatste overblijfselen in 1825 opgeruimd;--het was niet alléén in
Nederland dat in die dagen eene verwoestingswoede heerschte; maar
in de kerk Notre-Dame des Miracles bezit de stad nog een schitterend
overblijfsel van eenvoudige romaansche bouwkunde. De achthoekige toren
werd in de vorige eeuw nog al eerlijk hersteld. Het beeldhouwwerk
aan den hoofdingang is bijzonder merkwaardig; de gebeeldhouwde deuren
van 1582 zijn prachtige voorbeelden van de houtsnijkunst dier dagen,
al zijn ze wat geschonden. Inwendig trekt een doopvont de aandacht,
en eene zwarte madonna is ook hier weder het brandpunt der vereering
in wijden omtrek. Hier en daar trekken nog andere oude gebouwen de
aandacht, en de algemeene indruk is prettig; kronkelende straatjes;
huizen met terrassen, dikwijls alleraardigst begroeid of met planten
versierd; een stadje waar men zich dadelijk thuis gevoelt, en dat
den indruk geeft alsof de bouwmeesters van toen bedoeld hadden om,
zonder overdadige versiering en zonder in het oog-vallende middelen,
eens een keurig klein geheel te vormen.

Men kan van hier aangename uitstapjes maken naar de kloven der
Dordogne, naar St. Projet le Desert; mijn plan echter lag nu eenmaal
een anderen weg uit, en zoo liet ik die plaatsen onbezocht; andere
reizigers zullen echter wèl doen, ze in hun reisplan op te nemen. Ik
wandelde over Anglards-de-Salers naar Salers, eene wandeling die ik
om hare groote eentonigheid niemand aanbevelen kan; men doet beter
van Mauriac per spoor naar Drugeac te gaan en vandaar naar Salers te
wandelen. Na, buiten Mauriac, onder den spoorweg door te zijn gegaan,
komt men in eene kale, onvruchtbare glooiende vlakte; magere weiden met
veel rotsblokken; geen boomen; gelukkig veel bloeiende heide; hier en
daar eene kleine woning en eene verlaten kaashut. Anglards ligt aardig
op eene hoogte onder boomen; toevallig trof ik er eene kerkelijke
processie, een treurig streven om iets indrukwekkends te vertoonen;
te veel tooi om van eenvoudige onbeholpenheid te spreken. Het beste
gedeelte der bevolking woonde den optocht als toeschouwer bij en
verbaasde mij, voor zoover ik het verstaan kon, door zijne scherpe
opmerkingen; de vrouwen vertegenwoordigden daarbij het radicale
beginsel. Trouwens de bevolking dezer streek is van oudsher bekend
om haar stuggen onafhankelijkheidszin; als voorbeeld daarvan in den
nieuweren tijd dient, dat na den laatsten Fransch-Duitschen oorlog,
1870-71, te Bort als hoofdplaats, de republiek 24 uur eerder werd
afgekondigd dan te Parijs.

Naar Salers toe wordt de omgeving vruchtbaarder, er staan meer en
flinke boerderijen, men komt zelfs van tijd tot tijd iemand tegen en
het landschap trekt weder de aandacht. De uitzichten op de omliggende
bergen worden mooi. Salers ligt in een bekken, waar de dalen der
Maronne en der Aspre tezamen komen, op eene hoogte. Vreemd is de
indruk, dien het stadje--het heeft niet voluit 1000 inwoners--maakt
met zijne vele poorten, zware logge wallen en de grillige omtrekken der
daken, aanhoudend afgebroken door kleine torens. De bevreemding stijgt
met elken stap, wanneer men, door een der poorten binnengetreden,
die smalle straatjes doorloopt tusschen die oude hooge gebouwen.

Ik zocht het hotel Faure Serre; bij de kerk gekomen op de "Grande
place," een zeer beperkt pleintje, moest ik het opgeven en den weg
vragen, want niets duidde aan, dat ik nog een hotel zoude vinden;
een inwoner was zoo vriendelijk met mij mede te gaan, en bracht
mij in een achterbuurtje voor een oud, vervallen gebouw, waar met
groote vergulde letters in den voorgevel stond Faure Serre. Die
gulden letters waren het eenige frissche dat ik in Salers zag, en
toch was het er prachtig. Het hotel was donker en somber;  uit eene
herberg-gelagkamer werd ik trapop, trapaf gebracht in een groote ruime
gang met booggewelven, om te komen aan een vroeger stellig prachtige
wenteltrap; na eenige treden geklommen te zijn,stond ik in eens in
de open lucht op een terrasje, en daar kwam de deur der voor mij
bestemde kamer op uit, een ruim vertrek met mooi uitzicht op tal van
tuintjes en binnenplaatsjes in Salers. Na eenige rust genomen te hebben
verliet ik mijne kamer weêr, naar ik meende langs denzelfden weg,
dien ik gekomen was, maar ik had op de wenteltrap een verkeerd bordes
genomen,  kwam weer in een lange gang en voor eene zware houten deur,
die gelukkig niet op slot was. Buiten komende, stond ik in eene andere
stadsbuurt, en bespeurde dat de deur waardoor ik het hôtel verliet, ook
al eene merkwaardigheid was, fraai getimmerd en geheel met eenvoudig
maar keurig snijwerk versierd. Op goed geluk door een steegje verder
gaande, kwam ik op een ruim grasveld; dit was de Promenade de Barrouge,
op den top van eene steile bazaltrots met een verrukkelijk uitzicht
in de omringende dalen. Het plein was met fraaie boomen beplant en
omringd door een muurtje en was aan drie zijden vrij. De jeugd van
Salers vermaakte zich daar met kegelen; van de ongevraagde verklaring
van hun spel kon ik bijna niets verstaan. Verder gaande stond ik
bijna bij elken stap voor een ander monument van bouwkunde. Al die
huizen zijn uit de 15de en 16de eeuw; Auvergne leefde toen, met bijna
geheel Frankrijk op, na het eindigen van den honderdjarigen oorlog
met Engeland en werd aan zichzelven teruggegeven. Die oorlog had
ook de macht van adel en geestelijkheid gebroken, en de ontwakende
volksgeest gaf ook hier de hand aan de hervorming; de steden en het
platteland namen hunne belangen in eigen beheer; het land leefde op en
bloeide, en de welvaart uitte zich spoedig in prachtige woonhuizen. De
hervormingsoorlogen maakten verweer noodzakelijk, en door zijne
natuurlijke ligging was Salers aangewezen tot een middenpunt van
aanval en verdediging. Vandaar die gordel van oude vestingwallen,
nu in bloem- en groententuinen herschapen; vandaar die versterkte
poorten, zooals die van l'Horloge en der Martille, vestingen op
zichzelf. Maar zoolang men nog de kracht bezat om zich tegen de booze
machten van vroeger te verzetten, bleef de voorspoed bestaan en met
dien voorspoed de weelde in het bouwen. Het zoogenaamde Maison Lizet,
met een mooi portaal van jonger dagteekening, op de markt het Maison
du Notaire, en vlak daarbij het Maison des Templiers, en nog tal
van andere prachtige gebouwen zijn de bewijzen van dat korte tijdvak
van bloei. De kerk is uit de 15de eeuw en dus reeds uit het tijdperk
van den overgang van de romaansche tot de gothische bouworde; zij is
gedeeltelijk gerestaureerd, zeer fraai, maar door de restauratie te
nieuw in die omgeving. De ingang der kerk is een flink voorbeeld van
wijziging van den bouwstijl. Waren de deuren der romaansche kerken
aanvankelijk klein, zoodat men ze gemakkelijk openen en sluiten kon,
later werden die aan de hoofdingangen grooter en door een middenstijl
in tweeën verdeeld; ook liet men de portaalwanden schuins uitloopen,
zoodat er voor de binnentredenden meer ruimte ontstond. De daardoor
ontstaande vergroote zijvleugels werden hoe langer hoe kunstiger
versierd, nu eens met kolommen in verschillenden vorm, dan eens met
beelden in nissen; ook de middenstijl der deuren werd veelal een beeld.

Ik bleef aan 't ronddolen in dat allermerkwaardigste stadje; liep hier
en daar eene poort in, om op ruime binnenplaatsen te komen, die overal
de resten vertoonden van keurige bouwkundige versieringen. Treurig
echter was het, den diepen staat van verval te zien, waarin al dat
schoons gekomen was. Geen dier groote prachtige gebouwen werd nog in
zijn geheel bewoond, en hoewel ik niet mag beweren dat er armoede
heerschte, zoo was de levensstandaard zoo laag, en 't gebrek aan
orde en zindelijkheid zoo groot, dat men toch aan volslagen armoede
moest denken.

's Avonds aan tafel--want te Salers komen veel reizigers--maakte ik
kennis met een aangename familie, en zette na tafel het gesprek voort;
tot mijne verbazing vernam ik dat er geene plaatselijke verzameling
van oudheden of kunst was, en dat de overblijfselen van zulk een
schitterend verleden eerst sedert een veertigtal jaren de aandacht
hadden getrokken, om bijna allen hunnen weg te vinden naar Parijs,
in handen der oudheid-handelaren. Geen der merkwaardige gebouwen,
ook niet de oude kasteeltjes in den omtrek, waren nog in handen van
de oorspronkelijke families, en inwendig was er ook niets meer te
vinden. De prachtige betimmeringen waren uitgebroken en verkocht; hen
volgden de schoorsteenen, de trapleuningen, de versieringen van deuren
en vensters, het ijzer- en koper smeedwerk, tot er niets overbleef
dan bijna onbewoonbare vertrekken, die dan bij gedeelten verhuurd
werden. Men zeide, dat in vele gevallen de tegenwoordige bewoners, door
't langdurig bewonen, eigenaars werden en dat van vroegere eigenaren
dikwijls niets bekend was. Men verklaarde deze vreemde feiten altijd
door het tooverwoord "La grande Revolution". Ik werd in het levendig
gesprek met de pas gemaakte kennissen verrast door de waardin, die ons
tegen negen uur de brandende blakers bracht; het duurde haar te lang en
we moesten maar naar bed. Maar ook wij maakten "une grande revolution"
en onttrokken ons aan den druk der over ons gestelde machten; we
ontsnapten met de brandende blakers in de hand naar buiten. 't Was
heerlijk maanlicht; de blakers werden uitgeblazen en op de groote
markt in een der raamkozijnen van het maison du Notaire neêrgezet,
en we maakten een wandeling door de reeds in diepe rust gedompelde
stad. Niet licht zal ik die heerlijke avondwandeling vergeten,
en vooral dat prachtige uitzicht van de Promenade de Barrouze;
tegen half elf bereikte ons de arm der hoogste macht; de nachtwacht
kwam opdagen, en wij begrepen dat verder verzet onmogelijk werd;
we zochten onze blakers weder op, en sloopen door de zijdeur, die ik
's middags gevonden had, het hotel weer binnen.

Den volgenden dag stond mij eene inspannende wandeling te wachten. De
tocht van Salers naar den Puy Mary, en van dezen naar Murat, staat
bekend als de schoonste in Cantal, maar hij heeft het groote gebrek van
43 K.M. lang te zijn. Dat was een marsch van 11 uren! Zeer vroeg op;
vroeger dan het hotelpersoneel; met aanvankelijk treurige gevolgen. Ik
werd voor 't ontbijt in eene binnenkamer gelaten maar dit vertrek--de
woonkamer van het gezin--was erg bedompt en waarschijnlijk sedert
de grondvesting van het gebouw niet meer bijgeveegd; het was mij
ondoenlijk het ontbijt daar te voltooien, en ik was blijde, na mijne
rekening betaald te hebben, weder naar buiten te kunnen.

Er was een dikke mist; de weg loopt langs de berghelling boven het
dal der Maronne; van al de prachtige vergezichten en het heerlijke
landschap zag ik niets, dan van tijd tot tijd een kijkje door eene
opening in den nevel, maar dat was ook voldoende om mij te doen
beseffen wat ik door het slechte weer verloor. Op den Col hetzelfde;
de nevel begon regen te worden. Nu kwam ik, afdalende, in prachtige
bosschen; de weg kronkelde steeds voort; eenige vage omtrekken en
het luiden van klokken bewezen de nabijheid van dorpen; ik was in
de kloof van Falgoux. Gelukkig veroorloofde mij een flauw zonnetje
ter hoogte van den Roc des Ombres en den Roc du Merle, de fraaie
omtrekken dezer rotsgevaarten waar te nemen. Daar kwam ik aan den
voet van den Puy Mary, bij den Pas de Peyrol. Nu zou ik, behalve een
prachtig uitzicht, een der merkwaardigste punten van de reis zien;
van af den Puy Mary ziet men neer in een der grootste kratervormingen
van Europa. Wel te verstaan, buiten den mist en den regen gerekend,
die mij het beklimmen van den top vrijwel onmogelijk maakten en mij
in den vollen zin des woords druipstaartend naar beneden dreven. Ik
zag het beloofde land, maar mocht het niet betreden.

Bij den Col de l'Eglac was eene herberg, waar ik hoopte de schade
van mijn verzuimd ontbijt in te halen; maar 't ongeluk vervolgde mij,
men had daar niet op gasten gerekend. Als de kippen ook daar niet de
heilzame gewoonte hadden gehad van eieren te leggen, dan had ik mij,
na 21 K.M. geloopen te hebben, met een stuk oud brood en een brokje
kaas tevreden moeten stellen.

Over steeds terugkeerende kronkelingen ging de weg over den Col de
Serres; altijd door regen, maar nu onbetwistbaren stortregen; door het
gehucht Lauvegirie naar het dorp Dienne. Bij goed weder moet in deze
boomrijke streek het landschap mooi zijn--nu droop alles. Te Dienne--ik
was toen nog 10 K.M. van Murat--moest gemiddagmaald worden, en ik zocht
daartoe de best uitziende herberg uit; maar de maat der tegenspoeden
was nog niet volgemeten! Stellig kon men mij een warm dejeuner geven,
er kwamen veel menschen en allen waren altijd tevreden! Nu, ik heb bij
't heengaan ook maar zoo gedaan, maar 't was een allerwonderlijkste
maaltijd; de gerechten, die men mij voordiende, kende ik noch op
't uiterlijk noch naar den smaak.

Eindelijk klaarde het weêr wat op en ik stapte door naar Murat;
een mooie weg. Te Murat trof ik in het Hotel des Messageries een
aangenaam onderkomen. De stad is tegen eene hoogte aan gebouwd, op
den top waarvan vroeger een kasteel stond; in de plaats daarvan nu
een reusachtig Mariabeeld, als kunst van geen waarde; de wandeling er
heen loont echter zeer, omdat langs de hoogte weder zoo'n bazalt-orgel
te zien is. Hoe dikwijls men die vreemde vormingen ook ziet, ze maken
altijd denzelfden diepen indruk.

In de stad zelf--zij heeft 3000 inw.--heeft men de oude
O.L. Vrouwekerk, uit de 15de eeuw, maar herhaaldelijk gerestaureerd
en bijgebouwd, en een aantal mooie huizen in renaissance-stijl;
de straten zijn meestal glooiend, en de stad maakt een aangenamen
indruk. 's Morgens vroeg trof ik er de weekmarkt. Allerlei land-
en tuinbouwproducten werden er door de boeren en boerinnen te koop
aangeboden, en al de dames uit de stad schenen wel tegenwoordig te
zijn, om hare inkoopen te doen. Onder dat gewoel en gedrang viel
me een geestelijke op, die zelf zijne inkoopen deed; hij scheen
een goede bekende van de buitenlui te zijn en was volstrekt niet
verlegen om een kwinkslag met gelijke munt te betalen, die opgewekte
oude heer! Op de kaasmarkt was niet anders aangevoerd dan de soort,
genaamd St. Nectaire en kleine platte geitenkaasjes. Zooveel van
die kaas was mijn reukorgaan te machtig in die half natgeregende
menschenmenigte; hun beider kracht vereenigd verdreef mij uit die
overigens schilderachtige omgeving.

Dien namiddag trok ik per spoor naar Vic sur Cère, eene
aardig gelegen en druk bezochte badplaats; het groote hotel der
Orleans-spoorwegmaatschappij is aardig tusschen de heuvels gelegen
en eene eerste-klasse inrichting. Vic bestaat uit een oud en een
nieuw gedeelte; in het oude vindt men weêr enkele fraaie huizen,
maar de doorgaande reiziger komt te Vic om den Pas de la Serre te
zien. De weg er heen is overal door bordjes aangegeven; het is een
alleraardigst pad, dat u na een half uur in een weideveld brengt,
om dan spoedig in de kloof te komen. Het riviertje de Cère heeft zich
daar door rotsmassa's heen een moeielijken weg gebaand. De rotsen zijn
gedeeltelijk met mos bedekt en op de kammen weelderig begroeid. Het
geheel is allerliefst, 't maakt geen woesten, maar, bij het kalm
stroomen van 't riviertje door de eenmaal gevormde bedding, een indruk
van bevalligheid; jammer dat men vlak bij de kloof den stroom afgedamd
heeft ten behoeve van eene lichtfabriek. Men kan door de kloof heen
klauteren en komt dan door een steeds aanvalliger wordend dal bij de
kasteelen Tremoulet en Espinasse, beiden verrukkelijk gelegen.

Des namiddags maakte ik nog een wandeling naar de Mongudo, een klein
bergvlak, vermaard om de planten-fossielen die men er vindt. Die
overblijfselen der plantenwereld zijn uit een vroeger tijdperk
der aardvorming; de meeste soorten zijn sinds dien terplaatse
uitgestorven. Men vindt er prachtige afdruksels van beuken, van
esschen en van wijngaardloof, en van verscheiden bamboes-rietsoorten;
men vindt er zelfs veel afdrukken van pas ontloken knoppen, die recht
geven tot de onderstelling dat de vernielende vulkanische uitbarsting
in de lente plaats had; men ziet nog staande verkoolde stammen, die
groeiend begraven werden; ook aardige brokken versteend hout komen
voor. De wandeling terug naar Cère is weêr van zeldzame schoonheid;
de lijnen der bergen loopen van alle zijden op naar het hoogste punt,
den Plomb du Cantal, die den volgenden morgen beklommen zoude worden.

't Was weer regenachtig toen ik, voor dag en dauw, de wandeling begon;
't ging langs den straatweg naar Lioran, met verrukkelijke uitzichten
op het dal der Cère; een heerlijke wandeling die eindigt in den tunnel
van Lioran, een fraai bouwstuk van 1410 M. lengte, door den Puy van
Lioran heen; vlak bij den uitgang is het Hôtel des Touristes, ook
van de Orleans-spoorwegmaatschappij en een zeer aanbevelenswaardig
verblijf.

Denzelfden dag beklom ik nog den Plomb de Cantal (1858 M.). Een
keurig bergpad zonder bezwarend klimmen; aanvankelijk door fraaie
dichte bosschen, met hier en daar open plaatsen, van waar men dan
goede uitzichten heeft op den Puy de Griou en den Puy Mary. Tal
van beekjes stroomen u te gemoet, en voortdurend hoort men onder
't loover het kabbelend geluid van de vele kleine watervallen. Op
de hooger gelegen punten, die een ruimer uitzicht geven, zijn banken
geplaatst. Men komt, al wandelend en al rustend, langs dat fraaie pad
onder die prachtige boomen, ongemerkt op een uitgestrekt weidevlak,
waar twee groote kaashutten staan. Van hier uit heeft men een bijzonder
goed uitzicht op een ruim en diep bekken, begrensd door hoogere toppen
en onregelmatig rond van omtrek; 't is een oude krater, waarover
later meer. Voorbij de kaashutten, de burons van den Rambarter, gaat
men verder door weiden een smal bergpad op, dat hooger en hooger
eindelijk op een bergrug uitloopt, dien men al geruimen tijd als
een steilen wand voor zich zag. Die rug is weder de rand van eene
niet zeer uitgestrekte bergvlakte, aan 't einde waarvan de Plomb
du Cantal zich verheft. 't Is een zonderlinge bergvorm, een plompe
heuvel van bazalt, met gras bedekt. De Plomb is op één na de hoogste
top van midden-Frankrijk, en wordt van al de bergen daar het meest
bezocht. Er was dan ook een talrijk gezelschap en wij wedijverden
met elkander in het aanwijzen van de fraaiste punten van 't fraaie
panorama. Midden op den top stond een zwaar ijzeren geraamte van een
huis, met een opschrift, meldend dat het daar gebracht was door die
en die transportonderneming. Stellig een moeielijk werk en eene goede
reclame, maar 't was een schreeuwende wanklank in die omgeving.

Na in den ochtend wat regen te hebben gehad, was het in den voormiddag
iets helderder geworden, om in den namiddag weer aan 't pruilen
te geraken; onderweg raadde een herder mij nog aan, om maar niet
door te gaan, want 't zou boven niet helder zijn. Maar ik had het
uitzicht van den Puy de Sancy gemist, den Puy Mary had ik niet eens
kunnen beklimmen; ik wilde nu een laatste kans wagen. Gelukkig, want
boven was het helder tot de kimmen toe! Maar op eens begon het hard
te waaien, een paar tellens later te stormen, en die luchtstroom was
ijskoud. Men had haast geen tijd om te bedenken wat dat worden moest;
onder den wind bleef alles helder en mooi, maar in den wind was in
een oogenblik alles grauw en zwart geworden; 't volgende oogenblik
waren we in een dikken nevel gehuld, en een ieder zocht een goed
heenkomen. De wolk die ons bedekte was zóó dik, dat ik al spoedig
mijn gezelschap kwijt was en we elkaar eerst halverweg beneden weder
ontmoetten. Toen ik weer bij de burons van den Rambarter terugkwam,
werd het weer helder. Dat verrukkelijke uitzicht met den Puy Mary
en den Puy Griou aan de overzijde, deed mij watertanden. 'k Moest
nog naar den Puy Mary, om de hellingen waarop ik nu liep, in haar
geheel waar te kunnen nemen en mij eene duidelijke voorstelling van
den ouden krater te kunnen vormen. In dat bekken waren ontzettende
vulkanische bedrijven afgespeeld. Dat moest ik toch in zijn geheel
gezien hebben, en mijn laatsten dag wilde ik aan dat zware werk
besteden. Het inderdaad prachtige en zoo hoogst belangwekkende
landschap, dat zich voor mijne voeten ontplooide, was er de schuld
van dat ik besloot, als het den volgenden ochtend om 4 uur droog was,
nog van Lioran uit den Puy Mary te beklimmen.

In het hotel teruggekeerd, moesten de kleederen gedroogd
worden. Gelukkig had men in 't hotel de uittrekkende schapen geteld,
en bij 't lieve regenweer een flink houtvuur aangelegd, om de kleederen
spoedig weer draagbaar te maken. Die geen tweede pak bij zich had,
moest in zijn kamer verblijven tot na het drogen.

Gezelschap kon ik niet mede krijgen; niemand vertrouwde het weer
nog, zoodat ik den volgenden ochtend de reis alleen aanvaardde,
en met helder weer. Aanvankelijk ging het door bosschen en weiden
met indrukwekkende bergpanorama's aan alle zijden, over den Col
de Rombières tot aan den voet van de Roc de Bataillouze (1686 M.),
dan afdalen naar den Col de Cabre (1539 M.) waar men een merkwaardig
uitzicht heeft op het bekken van Mandailles, een halfrond en een deel
van den ouden krater. De bodem en de wanden bestaan uit verschillende
lavasoorten, die als 't ware eene staalkaart vormen van wat de
vulkaan gedurende eene reeks van tijden uitbraakte. Dat bekken heeft
eene doorsnede van 4 à 5 KM., de diepte wisselt af van 1787 tot 860
M. De omringende rotswanden zijn ongeveer 1600 M. hoog. Tal van beken
spoelen van den bergwand omlaag, de grootste, de Jordanne, ontspringt
op den Col de Cabre; de wanden zijn overigens afwisselend bedekt met
weiden en bosschen; de plantengroei is rijk, dank zij die vele beken;
de vele verspreide boerderijen getuigen van een vruchtbaren bodem. Van
den Col de Cabre loopt het pad naar den top van den Peyre-Arse, een
kalen top, dan langs een betrekkelijk smalle bergkam tot aan den Puy
Mary. Daar was ik er, en nu met goed helder weer; zonder te aarzelen,
had ik gewaagd en gewonnen!

De Puy Mary (1787 M.) heeft eene driehoekige spits, de beken vloeien
in drie richtingen af. Het uitzicht op de verschillende berggroepen
was schoon, mooier dan dat van den Puy de Dôme, of dat van den Plomb du
Cantal. Vlakten en bergen wisselen steeds af, en hier en daar ziet men
de rechte, horizontale lijnen der bazaltruggen, waaronder de orgels
van Bort duidelijk te onderkennen zijn. Aan zijne voeten heeft men
echter het mooiste uitzicht, de van den berg uitstralende dalen zijn
rijk in afwisseling; aan het einde van elk dal dichte dennenbosschen,
waarop dan helder gekleurde weiden volgen, met woningen bezaaid.

De geologen deelen ons mede, dat de verschillende bekkens of
bergkommen, waarin we van den top van den Puy Mary neêrzien,
de plaatsen zijn geweest waarboven zich vroeger de reuzenvulkaan
verhief. De toppen, die zich aan den rand verheffen, zijn oude
bijkraters, aan de zijwanden doorgebroken, ver beneden den top. De
eerste uitwerpselen van den vulkaan werden langzamerhand om den
hoofdkrater opgestapeld, en vormden het reusachtig omhulsel van den
kegel, een koek van ongeveer 80 KM. middellijn, waarvan de gezamenlijke
Cantalbergen nu de overblijfselen zijn. De koek is ongeveer 1000 meter
dik en bestaat uit eene groote verscheidenheid van lavagesteenten.

Dat alles was niet het werk van één dag; de vulkaan had langdurige
tijden van rust, gedurende welke zich een weelderige plantengroei
op zijne hellingen ontwikkelde. We bespraken dat reeds bij het
bezoek aan de bergvlakte van Mongudo. Dergelijke overblijfselen
worden op tal van plaatsen in Cantal gevonden. Daarna volgden de
uitbarstingen, die als vaste rotsen op de hellingen afkoelden:
het zijn de tegenwoordige Puy's, waarvan we enkele beklommen. Eene
derde reeks van uitbarstingen volgde, om weder andere rotsgevaarten
te vormen, tot eindelijk de vulkanische werking zich in eene vierde
reeks van uitbarstingen uitputte, en de licht vloeibare bazalt langs
alle zijden af deed stroomen; deze laag bazalt bedekte niet alleen de
vroegere lavagesteenten, maar ook de voor deze bestaande terreinen,
zoomede de heuvelen in wijden omtrek. Daaraan hebben de vlakten in
Cantal, bijv. de Planèze, haren oorsprong te danken.

Nadat de vulkanische werkingen opgehouden hadden,  stortte de
hoofdkrater in en was de woeste massa verder aan de invloeden van den
dampkring onderworpen. De vervorming ging toen langzaam maar even zeker
voort. Groote sneeuwvelden bleven op de bergtoppen liggen en stortten
neer langs de hellingen, alles hullende in een vervaarlijk ijskleed,
dat aan geheel Cantal en Auvergne een aanzien gaf als nu bijv. in
Alaska. Men vindt overal onbetwistbare sporen van een ijstijdperk;
afgeronde heuvelbulten, ijsgleuven in de rotsen; opeenhoopingen van
bergpuin aan weêrszijden van vroegere gletscherbanen; ontzettende
zoogenaamde zwervende rotsblokken. De gletschers moesten echter ook
hunne heerschappij opgeven; hun gebied werd steeds kleiner, en wilde
waterstroomen ploegden de tegenwoordige dalen in de berghellingen. Nog
eens behaalde het ijs de overhand en verzamelde zich nu meer in de
dalen; van dit laatste gletscher-tijdperk was de mensch getuige, en het
land nam langzamerhand de vormen aan, die het nu ongeveer nog heeft.

Toen ik daar op den Puy Mary stond en in de berg- en dalvormingen om
mij heen zoo duidelijk voor mij zag wat de geologen leeren, stond
het bij mij vast, dat ik zou trachten eene korte beschrijving te
geven van de wordingsgeschiedenis dezer streek, tevens de algemeene
type van andere bergvormen, die zich vroeger en later evenzoo
ontwikkelden. Zooveel mogelijk vermeed ik het gebruik van vreemde
uitdrukkingen, en ik hoop dat mijn relaas den lezer van eenige nut
moge zijn, al zal de geoloog er de schouders bij ophalen.

Met deze laatste wandeling van Lioran naar den Puy Mary en terug,
was mijne voetreis in Auvergne afgeloopen. Langs den kortsten weg,
over Arvant en Clermont-Ferrand, spoorde ik terug naar Parijs en
naar Nederland.

Nog ten slotte een paar voorbeelden van de oude taal van Auvergne,
in zegswijzen, die nog al eens gebruikt worden.

De taal zelf is eene vertakking der "langue d'Oc", die tot in de
15_de_ eeuw in alle officieele stukken gebruikt werd, en eene niet
onbelangrijke litteratuur heeft; toen zij ophield de officieele
taal te zijn, geraakte ze naast het fransch in vergetelheid, men
hoorde er weinig meer van, tot in de 19_de_ eeuw, toen er wat nieuw
leven ontstond. Thans hebben de vrienden dier taal een eigen orgaan:
"Lo Cobreto"; zij werken krachtig samen met de Félibres van Provence,
en hun dichter Arsène Vermenouze schrijft verzen, die elke letterkunde
eer aan zouden doen.

En nu: _fransch_: Rien aussi bien reparti que l'esprit et les impôts;
chacun trouve qu'il en a assez.

Oud Auvergne'sch: N'ya re de si bhin parthi couma l'aima et la
tailla. Tsaum troba que n'a prou.

Fransch: Une chèvre et deux femmes, il y en a assez pour tenir
une foire.

Oud-Auvergne'sch: Na tsobra et dua feinnas, ni za prou pour tene
na feira.

Deze zegswijzen bewijzen u tevens dat de Auvergnaten toegerust zijn,
met wat men wel eens galgenhumor noemt; en de vreemdheid der taal
maakt het ook duidelijk, dat pogingen om gesprekken aan te knoopen
met Auvergnaten, die hun fransch vergeten hadden,--op niets uit
moesten loopen.



AANTEEKENING

[1] De gegevens omtrent de bouwkunde zijn ontleend aan Professor
Gugel's geschiedenis der bouwstijlen.



Abydos

Naar het Fransch van E. Amelineau.

    De legende van Osiris.--Geschiedenis van Abydos in den tijd
    der egyptische dynastieën en in den christelijken tijd.--De
    monumenten der stad en hun berooving.--De tegenwoordige inwoners
    en hunne zeden.


Allereerst wil ik een woord van dankbare herinnering wijden aan het
stadje, waar ik vier jaren van mijn leven heb doorgebracht en dat
mij belangrijke gegevens heeft verschaft, welker gewicht plotseling
voor de oogen der minst helderzienden een tijdvak heeft onthuld,
waarvan men tot nu toe weinig wist en waaromtrent nu veel onwrikbaar
vaststaat. Ik ga dus van het stadje Abydos in Egypte vertellen, om
de herinneringen op te halen, die mij gebleven zijn uit dat deel van
mijn leven en die den lezer van dienst kunnen zijn.

Zoo er ergens ter wereld een stad is, welker overlevering en
geschiedenis tot die primitieve tijden opklimmen, waarin de gedachte
van den nog kinderlijken mensch haar eerste levende stapjes deed op
den weg van de beschaving, dan is die stad Abydos. Ten minste vijf
duizend jaren vóór onze jaartelling was de plaats reeds van voldoende
beteekenis, dat er de meeste kunsten bloeiden die te zamen het leven
der menschen mooier maken, en reeds hadden zij een groote en zeldzame
volmaking bereikt.

Sedert dien zoo ver achter ons liggenden tijd hebben heilige
bedevaarten op een bepaalden tijd van het jaar, en wel den dag van
den winterzonnestand, er een massa vreemden heen gevoerd, die de hulp
kwamen inroepen van den weldadigen, in het bezit van Abydos zijnden,
God of hem kwamen danken voor verleende gunsten; want als alle zeer
oude steden en met hetzelfde recht had Abydos zijn gansche verleden
met de legende van Osiris in verband gebracht, die zoo bekend is wat
de gebeurtenissen in het groot betreft, en zoo onbekend is gebleven
in de bijzonderheden.

Volgens de legende regeerde, op een tijdstip dat niet nader is vast
te stellen, over Egypte een geslacht, waarvan het hoofd Seb was en de
moeder Noet; later zouden de Egyptenaren van Seb den aardgod en Noet de
hemelgodin maken. In dien tijd lieten de plichten van het koningschap
den dragers veel vrijen tijd en verhinderden hen evenmin als in
onze dagen, zorg te dragen voor een voldoende nakomelingschap. Seb
en Noet hadden vier kinderen, twee zoons en twee dochters, die
volgens het gebruik met elkander moesten trouwen, Osiris met Isis,
Set met Nephthys; maar het waren ongelukkige huwelijken, en er
kwamen burgeroorlogen uit voort, die lang zouden duren en droevige
moordtooneelen zouden veroorzaken.

Osiris en Set zijn inderdaad de vertegenwoordigers van twee
uiteenloopende systemen van het koningschap. Osiris is de god, die
door zachte middelen wil beschaven, door den landbouw en door kunst
en wetenschap; hij is een tegenstander van geweld, van oorlogdienende
uitvindingen en strenge wetten, het tegendeel van Set, dien de Grieken
Typhon noemden, om zijn boosaardige rol aan te duiden.

Osiris is Abel, Set is Kaïn en tegelijk Tubalkaïn uit Egypte, de
god der krijgers, der metaalzuiveraars en van al die industrieën,
die de menschen de diensten, die ze hun hebben bewezen, duur hebben
laten betalen. Twee zulke verschillende naturen, twee geesten,
zoo vol tegenstellingen, moesten elkander wel vijandig zijn. Eerst
heerschte er vrede; maar toen Osiris, terugkeerend van zijn glorierijke
overwinningen door de verspreiding van de kennis van den landbouw en
der kunsten, die de menschelijke ziel tot zachtheid stemmen, gevierd
en toegejuicht werd, brak de noodlottige strijd uit.

Tijdens een feest, dat aan zijn broeder en zijn zusters door hem werd
aangeboden, verscheen te midden van een talrijk gezelschap vreedzame
en krijgshaftige goden Set, die, zijn duistere plannen verbergend,
een kist vertoonde, waar hij al zijn kunst op had aangewend. Hij
stelde den verbaasden goden voor, het kunstwerk te willen vereeren
aan dengene, die de kist precies zou vullen. De goden beproefden het
bij beurten, maar niemand slaagde erin. Toen de beurt aan Osiris was
gekomen, ging hij in de kist liggen en, wonderlijk geval, hij vulde die
geheel. Reeds meende hij er heer en meester van te wezen; maar Set,
de listige en wraakgierige, sloeg onmiddellijk het deksel dicht en
sloot de kist. Osiris werd gestikt. Dat had zijn broeder Set voorzien
en gewild, want hij kon het niet verdragen, dat Osiris de stervelingen
beschermde, hun middelen aangaf, die hun leven vroolijker konden maken;
hij wilde integendeel oorlog en vernieling. Hij had allerlei middelen
bedacht, om tot zijn doel te geraken en de eerste plaats in te nemen
in de gedachten en het leven der menschen. Zijn plan gelukte, en van
dat oogenblik af heeft de mensch, al te trouw die eerste dwaasheid
aanhangend, maar al te goed zijn lessen gevolgd. De kunsten des vredes
zijn daarom in den steek gelaten, ten minste ondergeschikt gemaakt
aan de kunsten van den oorlog; het leven is een prooi geworden van
verwoestende machten, en aan alle zijden overstemt het geluid der
hamers, die ketenen smeden en het ijzer bewerken dat vernietigen moet,
de vreedzame klanken van het werk des landbouwers, die de aarde vrucht
doet dragen en de menschheid voedt. Overal hoort men oorlogsklanken
en nauwelijks durft het lied des vredes schroomvallig, klagelijk zich
doen hooren.

Maar Osiris liet zijn vrouw en zuster Isis na, die hem zou
wreken. Isis, die haar man geen zoon geschonken had, aan wien de wraak
kon worden toevertrouwd, stelde zich ten plicht het lichaam van Osiris
op te zoeken en, als zij het teruggevonden had, het te doen herleven,
opdat hij zijn werk kon hervatten. Set had, nadat hij zijn mededinger
overweldigd had, de kist in den Nijl geworpen onder de toejuichingen
van zijn helpers, de lachende geesten. De Nijl had de kist naar zee
gevoerd en de golven hadden haar teruggeworpen op het strand van
Byblos, waar een boom was opgeschoten, die de kist geheel omsloot
en haar in zijn stam opnam. Isis, die het lijk van haar man zocht,
kwam te Byblos, werd door een gelukkig toeval eigenares van den boom
en de kist, en keerde naar Egypte terug met den kostbaren last. Doch
op een avond, dat Set bij maneschijn op de jacht was, ontdekte hij de
kist tusschen het riet in Beneden-Egypte, maakte zich ervan meester,
en om te beletten dat Isis haar weer krijgen zou, sneed hij het lijk
van zijn broeder in stukken en verspreidde de deelen over de provincies
van Egypte. Isis vond ze terug, begroef elk der veertien fragmenten
op de plek, waar zij het ontdekte, nadat zij ze eerst aan elkaâr
had gepast. Op elk gedeelte van het heilige lijk liet zij een graf
oprichten, en Abydos stelde er een eer in, dat het een stuk van het
goddelijk opperhoofd bezat, en wel de doos met het hoofd van Osiris.

De plek, waar het stadje was gelegen,--want Abydos was altijd een
kleine plaats,--zal niet veel verschillen van die, waar tegenwoordig
de arme dorpjes liggen, ontstaan op de puinhoopen der oude stad. De
Nijl stroomde op vrij grooten afstand van het graf van Osiris, maar
zocht dan verder al meer de nabijheid van het arabisch bergland en
verwijderde zich van de Lybische bergen, zooals nu nog altijd het
geval is tengevolge van den aard van het terrein.

Tusschen de rivier en de heilige stad van Osiris lag toen al een wijde
vlakte, doorsneden door enkele kanalen, en vijf of zes maanden van het
jaar groen en bloeiend en welriekend door de geuren, die uit bloemen
opstegen. Er werden veel boonen verbouwd en linzen en andere planten,
die men er nu nog kweekt. Jaarlijks kwamen er menschen en dieren
in dien tijd van overvloed. De menschen bouwden er, te midden van
hun voedende gewassen, ezbehs en andere primitieve gebouwen, waarin
zij met de dieren samen genoten van het leven in de open lucht bij
betrekkelijken overvloed, beschenen door de weldadige zonnestralen en
met geen andere taak dan te genieten van de warmte, het zich voeden
met de producten van den grond, het opsnuiven der geuren uit de lucht,
en het aan niets anders denken dan aan spel en vreugd; dus juist te
leven als het stomme dier, alleen met dit verschil, dat de fellah
met de spraak begiftigd is. En dan is die taal nog zoo primitief;
ze bestaat slechts uit een luttel aantal woorden, zoodat men haast
geneigd zou zijn, de stilte en het zwijgen van de dieren te verkiezen,
die de mooie dingen, die zij denken, althans vóór zich houden.

Dicht bij de dorpen groeien boomen en boompjes, acacia's en tamarisken,
palmen en die vruchtboomen, die de achterlijke bewoners hebben leeren
kennen. Achter een gordijn van die boomen en geheel ingesloten door
hun gebladerte, heeft Abydos nu zoo goed als in den ouden tijd een
armoedig voorkomen met zijn huizen van ruwe steenen of van aarde,
staande op heuvels van puin. Het ligt ten westen van den Nijl dicht bij
't onvruchtbare gebergte, altijd binnen het bereik van rooversbenden,
geneigd om op de onverdedigde plaats neer te strijken.

Misschien dat de gezeten bevolking der heilige plaats uit die
rooverbenden is voortgekomen, die ook eens de genoegens van het
bezit eener vaste woonplaats wilden smaken; de nomaden gaven daarom
de vermaken van roof en plundering niet op en maakten zich tot heeren
van de ongelukkige fellahs, die het dal bebouwden. Set heeft opnieuw
zijn broeder Osiris op deze plaats overmeesterd. Dit alles klinkt des
te meer waarschijnlijk, daar in alle tijdperken der geschiedenis,
van de oudste tijden tot op onze dagen, de bewoners der heilige
stad weerstand hebben geboden aan de eerste regelen der moraal van
de gewone maatschappijen. Zij hebben altijd slechts middelmatigen
eerbied gehad voor den eigendom, hebben altijd gemeend dat andermans
goed een zeer bijzondere bekoorlijkheid bezat en hebben nooit verzuimd,
zich er van meester te maken, als zij het maar even konden doen.

Voor hen is een man eigenlijk eerst een man, als hij ook een dief is;
diefstal is de toetssteen van eerbiedwaardigheid, en hij alleen is
braaf mensch, die proeven van bekwaamheid heeft afgelegd door in eigen
handen te doen overgaan wat in die van zijn buurman zich bevond. Dus
kan men licht begrijpen, dat de godin Isis dacht, dat zij in den geest
van Osiris handelde, als zij dien wilden eenige begrippen bijbracht,
thuis behoorend in beschaafde maatschappijen. Wie niet gelooft,
dat de groote godenmoeder Isis zulk een gedachte heeft gehad, moet
dan maar denken aan de scheppers der legende, aan de priesters, die
zich den zegen van het bijgeloof der menschen ten nutte maakten, door
datzelfde bijgeloof te doen strekken tot den algemeenen vooruitgang
der maatschappij.

Abydos was dus nooit een groote stad, de resten van de oude plaats,
die nog ten deele door de moderne dorpen worden ingenomen, toonen dat
voldoende aan. De stad strekte zich in de lengte van het Noorden naar
het Zuiden uit langs de zandige strook naast het gebergte, die dat
laatste volgt in zijn bochten en krommingen, over een afstand van
één of anderhalven kilometer, ter breedte van niet meer dan 300 of
400 M. Er was deze bijzonderheid, dat de stad der dooden en die der
levenden één waren. De kleine huizen, opgetrokken van ruwe steenen
of van aarde, drongen zich tegen elkander aan, als om in elkanders
schaduw te staan en de warmte te ontvlieden.

Enkele weinige tuinen met hun naar den hemel strevende palmen en de
andere in het land te huis behoorende boomen waren het eigendom van de
gelukkigen, die in de gunst waren van den regeerenden vorst. In de stad
Abydos, juist als in alle egyptische steden, kende men een adel met
klinkende namen, zonneschermdragers, die rechts van den koning gingen,
groote profeten van de verschillende hoogvereerde goden uit de stad
en uit de hoofdstad der provincie, namelijk uit Thinis, hoofden ook
van alle werken, die de Pharao's ondernamen, koninklijke goudsmeden,
graveurs en beeldhouwers, die groote verdiensten heetten te hebben;
maar al die titels hielden geen gelijken tred met de rijkdommen der
personen, en de menschen uit Abydos leefden zoo goed zij konden,
hoofdzakelijk van roof. Ofschoon verwoesting en plundering van bijna
alle monumenten, door de egyptische kunst gebouwd en versierd, ten
allen tijde een endemische ziekte zijn geweest en overal voorkwamen,
kan geen andere plaats er zich op beroemen, Abydos in dat opzicht te
zijn vóór geweest.

De doodenstad is daar, om het te bewijzen; de plunderaars hebben er in
alle tijden weggehaald, wat vorige geslachten er met de grootste zorg
hadden verborgen, en de fout kwam voor, zoo wel boven als beneden
aan de maatschappelijke ladder. Hooge officieren van den koning,
priesters van Osiris, waren er niet voor teruggedeinsd, de dooden ten
eigen bate te berooven, en menig graf heeft twee- of driemaal voor
verschillende familiën gediend, of wel, als men de fijnheid van geweten
tot waarlijk buitengewone hoogte wilde opvoeren, nam men de steenen,
keerde ze om en graveerde op de vrijgelaten zijde de titels, waar de
nakomelingschap prijs op kon stellen. Indien in 't vagevuur vóór den
heiligen rechterstoel van Osiris de twee-en-veertig assessoren van den
god en de god zelf onverbiddelijk zijn gebleven voor diegenen, die de
misdaad van gravenschennis hadden begaan, zullen zeer weinig inwoners
van de heilige stad genade hebben gevonden voor den Heer van het
heelal, of zij moeten een middel hebben geweten, om den Onomkoopbare
om te koopen, wat niet verbazingwekkend zijn zou in het Nijldal.

De groote godsdienstige gebouwen, die te Abydos de vroomheid der
beroemde Pharao's had opgericht, zooals de tempel van Osiris, die
van Seti I, van Ramses II, om slechts de bekendste te noemen, waren
zelf niet veilig voor de roofzucht, die als een ziekte rondging,
en, wat eerst verrassend schijnen zal, maar wat toch niet behoeft
te verbazen, zij, die de eersten waren om 't verkeerde voorbeeld te
geven, waren de opvolgers der Pharao's-oprichters. De tempel van
Seti I bijvoorbeeld werd voor een deel geplunderd door Ramses II,
den eigen zoon van Seti, en daar hij het werk niet volledig genoeg
had volbracht, deden zijn opvolger en anderen, zooals hij gedaan had,
zoodat de tempel, die nooit geheel voltooid werd, platen vertoont van
drie of vier koningen, die zich de een na den ander de eer toeëigenen,
hem onvoltooid te hebben gelaten.

In de jaren, die volgden toen de plechtigheden van den eeredienst
nog slechts voor een gedeelte werden uitgevoerd, oordeelden de
priesters het goed, zoo dicht mogelijk bij de plaats, waar zij hun
werk uitoefenden, zich te vestigen en in den heiligen tempel te
gaan wonen. Het was ook op zulk een heilige plek, dat de dweepzieke
monniken, die het egyptisch christendom beleden, hen vonden, toen
zij het vorstelijke, gewijde gebouw vernielden, en drie-en-twintig
priesters onder het puin begraven werden. Het kan dus niet verwonderen,
dat de lagere volksklasse, het voorbeeld volgend van de geestelijken,
er haar leemen hutten bouwde en de heilige plaatsen op alle mogelijke
manieren ontwijdde, zoodat deze ten slotte nog voor een deel gespaard
zijn gebleven door de vuilheid en de onverschilligheid der bewoners.

Toen dan ook Mariette in 1859 de ontgraving begon van de gebouwen
van Abydos, moest hij eerst de bewoners uitdrijven, die er sinds
onheuglijke tijden woonden, en hij heeft nog niet eens alles gedaan,
wat er te doen was, want de eerste groote zaal van den tempel van Seti
 I ligt onder een puinheuvel, waar nog steeds de woningen op staan,
die men er gebouwd heeft.

Abydos nam zonder eenigen twijfel deel aan het eerste ontluiken van
het Egyptische rijk in den historischen tijd; maar vóór dien van
wel zestig eeuwen vóór onze jaartelling dagteekenenden tijd, was de
plaats reeds bevolkt, zooals ik heb gezegd, en ook reeds eenigszins
gevorderd op den weg van de beschaving. Daar kan men niet langer aan
twijfelen, na wat ik er heb voor den dag gebracht en na wat anderen
er later hebben gewerkt.

Zoo men van die alleroudste tijden zeer weinig weet, een tijd
nog vijftien à twintig eeuwen den vroeger genoemden voorafgaand,
toch weet men reeds veel over de vreedzame of oorlogszuchtige
gewoonten van de menschen, die in Abydos leefden. Aan de kunst werd
er met merkwaardig succes gedaan; de industrie maakte er prachtige
vorderingen. De voorwerpen, die de opgravingen hebben aan het licht
gebracht, pleiten daar sterk voor en toonen aan, dat men reeds in dien
zeer vroegen tijd het hieroglyphenschrift had uitgevonden. Dezelfde
onzekerheid bestaat ook thans nog omtrent de gebeurtenissen, die men
historisch noemt onder de eerste dynastieën; men weet intusschen, dat
de dienst van Osiris er reeds gevestigd was en er werd uitgeoefend,
dat men een groote rechthoekige vesting had moeten maken, die nog
bestaat en die men tegenwoordig de Schoenet-eg-Zibib noemt.

Toch moet men tot de 6_de_ dynastie opklimmen, om in de historie van
Abydos namen te vinden, die tot ons gekomen zijn en die een waardige
plaats hebben ingenomen in wat men de geschiedenis der menschheid
noemt. Dank zij den talrijken zuilen, die Mariette bij zijn opgravingen
vond, kennen wij enkele gebeurtenissen uit de geschiedenis van Abydos,
en enkele hooge ambten, toevertrouwd aan leden der bevolking van het
stadje. De talrijke egyptische bureaucratie had er zich als overal
elders ontwikkeld, en men vereenigde er ook reeds burgerlijke en
geestelijke ambten, alsof de brave geloovigen van dien tijd reeds
hadden overwogen, dat God te dienen wel iets is, maar dat den Pharao
zijn diensten te bewijzen, hem, het beeld van den onzichtbaren god,
echten afstammeling van den in het niet der tijden teruggezonken
heer, nog veel beter was, want de een kon niets geven, en de andere
daarentegen gaf zeer veel, daar de tempels, ofschoon ze rijk begiftigd
werden en met tijdelijke goederen werden gezegend, van den Pharao
afhankelijk waren.

Onder de 6_de_ dynastie wist een der inwoners van Abydos, Oena genaamd,
iemand, die op een der laagste sporten stond van de ladder der eere,
zich op te werken tot den hoogsten post, die ooit aan een eenvoudig
sterveling was toevertrouwd. Onder de sprekendste feiten van zijn
bestuur noemt die gelukkige sterveling, die eerste minister werd,
de omstandigheid, dat een der Pepi's van de zesde dynastie het bevel
gaf, een leger bijeen te brengen, waarover hij bevel zou voeren,
om de volksstammen te gaan bestrijden, die reeds vaste woonplaatsen
hadden, die steden bezaten, velden, waar de oogst rijpte, en tuinen
met wijngaarden en olijfboomen. Oena, aan de spits van zijn leger,
drong binnen in het land der Heroesjaïtoe, de "meesters van het
zand", verwoestte het, vernielde de steden en het menschenwerk, velde
vijgenboomen en wijndruiven, verbrandde wat hij niet op andere manier
vernietigen kon, lichtte mannen, vrouwen en kinderen op, "wat zijn
meester nog meer genoegen deed dan al het andere", en in den zegezang,
dien hij op zijn grafzuil liet graveeren, werd al het ongeluk, dat
hij had gebracht over den weerspannigen en onwilligen volksstam,
zooveel geluk voor hemzelven, wat hij uitdrukt in deze woorden:
"Dit leger ging in vrede heen", terwijl het verwoestte en doodde en
in slavernij wegvoerde alles, wat door het zwaard was ontzien.

Als belooning voor zooveel geluk en succes werd de roemrijke Oena
benoemd tot gouverneur van Boven-Egypte en genoot de groote eer,
van voor den Pharao te mogen verschijnen met sandalen aan zijn
voeten. Hij had zijn tijd en zijn kracht vrijwillig gegeven, had
zijn leven bij honderden gelegenheden in de waagschaal gesteld en
achtte zich voldoende beloond! Als de menschen uit onze dagen niet
anders dan die eer tot belooning kregen, zouden zij zich stellig niet
zooveel moeite geven als de oude Oena.

Na die overmaat van eer voor een bewoner van Abydos daalt er nog eens
stilte neer op de geschiedenis  van de stad van Osiris, en men moet
tot de 12de dynastie gaan onder het middelste egyptische keizerrijk, om
de stad Abydos weer in bloeienden staat aan te treffen. Te dien tijde
had het gezins -en familiegevoel een groote ontwikkeling gekregen;
een behoefte aan rechtvaardigheid en gelijkheid scheen zich van alle
weldenkenden te hebben meester gemaakt.

Inderdaad begonnen de bewoners van Abydos toen, evenals nog heden
ten dage het geval is, groote clans te vormen, door het hoofd der
familie met vaste hand en met liefde bestierd, maar zóó, dat die
liefde niet de grenzen overschreed van eigen woonplaats, en tegenover
de andere familiën van de maatschappij was zulk een hoofd bezield met
de gevoelens,  die Robert Macaire in zijn land had voor de menschen
uit zijn tijd.

Onder de regeering van de 12de en 13de dynastie had Abydos veel
rijkdommen en een hoogen rang verkregen. Dat viel terstond in het oog,
want veertig jaren later kon men in de doodenstad de mastaba's zien
met kleine, witte pyramiden erboven als tenten van het leger van den
dood, waar deze domicilie had gekozen in de buurt der stad van Osiris.

Men moet dan voortschrijden tot de 19de dynastie, om Abydos weer
tot een periode van bloei te zien komen. Het is niet uit te maken,
of de stad vóór Seti I geen tempels en andere groote monumenten
bezat; er waren er zeker wel. De tempel van Osiris, heer van Abydos,
bestond reeds bij den heuvel zooals tegenwoordig, onder den naam
_Kom-es-soeltan_, dat is "de heuvel van den Sultan", waaruit
ik meen te moeten begrijpen: den heuvel van den heer van Abydos,
Osiris. Maar die tempels waren zeker niet van natuursteenen gebouwd,
want steenen, die voor architectorale gebouwen gebruikt kunnen worden,
zijn schaarsch in het bergland van Abydos. Men heeft daar niet anders
dan losse zandsteen, die zich niet goed voor versiering leent, en om
andere materialen van grooten afstand te laten komen, moest men nog
iets meer dan welwillendheid voor Abydos gevoelen.

Wel natuurlijk dus, dat alle bouwwerken, die men te Abydos tot den
eersten of tweeden keizertijd moet rekenen, van gebakken steenen
zijn. Seti I liet voor het allereerst een tempel oprichten geheel van
zandsteen of van kalkgesteente. Het gebouw, dat verrees ter eere van
de goden en de vorsten, die hem waren voorafgegaan op den dubbelen
troon van het dubbele Egypte, is niet alleen een wonder van bouwkunst
en inrichting, maar ook van echte kunst van allerlei aard.

De Pharao had er alle schatten van Egypte aan ten koste gelegd,
kunstschatten en materiëele schatten. Niet enkel verblindde het goud
het oog, zooals het in overvloed was aangebracht in de gouden zaal,
waarvan de muren, de zuilen, de zoldering elkander den matten glans
van het kostbare metaal toezonden, doch bovendien straalde het
geheele gebouw in kunstglans door de schoone basreliefs, die alle
muren bedekten en die tot de schoonste voorbeelden der decoratieve
kunst in Egypte behooren.

Het is niet waarschijnlijk, dat de inwoners van Abydos ooit hebben
begrepen, hoe groot de eer was, door den Pharao Seti I hun stad bewezen
door den bouw van dien tempel op hun gebied; maar wat zij wel duidelijk
inzagen, was het voordeel, dat zij zouden hebben van de pelgrims,
door het wonder naar hun stad gelokt, en van de prachtige feesten,
die binnen het rijke gebouw zouden worden gehouden.

Toen de leidende gedachte, die bij den bouw van den tempel had
voorgezeten, verloren was gegaan met den dood van Seti I, was het
gebouw nog niet voltooid. Ramses II was, zooals ik reeds gezegd heb,
de eerste, die aan het werk van zijn vader roof pleegde, die het zonder
schaamte bedierf, zooveel hij kon, door het onvoltooid te laten in
die gedeelten, die men niet bij den eersten aanblik bemerkte, en waar
alleen de hooge personnages van hof en geestelijkheid binnentraden,
meestal dezelfde personen.

De tempel van Seti I is niet de eenige uit Abydos; Ramses II moest er
wel uiting geven aan zijn bouwmanie. Hij heeft er inderdaad een tempel
doen verrijzen, die zijn naam draagt, en die ondanks de historische
tooneelen, op de muren aangebracht, een duidelijk getuigenis aflegt
van de minderwaardigheid der kunstenaars, aan wie de versiering
werd opgedragen.

Hij beperkte zijn eerzucht niet tot een bleeke navolging van het
vaderlijk paleis, hij liet ten zuiden van den Kom-es-Soeltan een
tweeden tempel bouwen ten westen van den tempel van Osiris; maar hij
had de onvoorzichtigheid, die beide gebouwen van kalksteen te laten
optrekken, en nu is er bijna niets meer van overgebleven, daar de
kalkbranderijen er bruikbaar materiaal in vonden voor hun industrie.

Buitendien bouwde hij te Abydos een kleine kapel dichtbij het
westelijke gebergte, middenin de doodenstad. Daarvan is nu niets
meer over dan het gebroken voetstuk van een kolossaal beeld van
Nekhao. Abydos is dus uit het oogpunt van monumenten in 't geheel niet
te vergelijken met enkele andere steden, zooals Thebe bij voorbeeld,
omdat Memphis is verwoest; wat dit betreft, kan men de stad niet
op één lijn stellen met de beide hoofdsteden van het oude Egypte;
maar van het standpunt der decoratieve kunst, der intieme kunst,
die tot het hart meer spreekt dan tot het verstand, is Abydos zonder
weêrga in geheel Egypte, en alle reizigers, die den tempel van Seti
 I hebben bezocht, zijn onder de bekoring gekomen en hebben van daar
de levendigste herinnering aan hun reis in Egypte medegenomen.

Doch wat het meest bewonderenswaardig was in Abydos, was zijn
reusachtige doodenstad, necropool van meer dan twee mijlen lengte
bij een gemiddelde breedte van ongeveer een kilometer. Daar zijn,
het eene na het andere, alle geslachten ter ruste gegaan, die sinds
het ontstaan der stad in Abydos hebben geleefd. Mariette heeft
er negentien jaren aaneen opgravingen gedaan; hij hield ermee op,
omdat het werk hem tegenstond, juist op een plek, waar het bijzonder
interessant werd; maar de doodenstad had hem bij de vijftienhonderd
gedenkzuilen opgeleverd, die op hun manier de geschiedenis van de
stad bevatten. En toch, hetgeen Mariette vond in de negentien jaar,
door zijn opgravingen ingenomen, gevoegd bij hetgeen men onlangs
heeft gevonden, is slechts een zeer klein, ongelukkig gedeelte van
de rijkdommen, die er begraven waren. De inboorlingen zijn, van den
ouden keizertijd af tot op onze dagen, de grootste vernielers der
monumenten geweest; er is geen enkel graf in deze doodenstad, dat
niet geschonden is, zoo het niet twee keer aan roof heeft blootgestaan.

Maar het is recht en billijk, naast die eerste oorzaak van verwoesting,
die terstond moet opvallen, een tweede te stellen, namelijk de
dweepzucht der christenen, die even ruw en dom en bijgeloovig te werk
gingen, en vooral van die christenen, die reikhalzend naar een leven,
dat volmaakter moest zijn dan dat van andere stervelingen, schitterende
daden wilden doen, waardoor ze op eenmaal zouden uitmunten boven hun
gewone medemenschen. Wat de christelijke monniken al kwaads hebben
gedaan in Egypte en vooral te Abydos, is eenvoudig onberekenbaar, en
ik wil nu nog alleen spreken van den roof, gepleegd aan de grootsche
bouwwerken, door het genie van 't oude Egypte nagelaten aan de
bewonderende nakomelingschap. Hun domme woede keerde zich vooral
tegen de groote beelden der groote goden, alsof die kunstwerken den
nieuwen god, in wien zij geloofden, op zijn troon zouden hebben kunnen
doen beven.

Tot de zesde eeuw van onze jaartelling was Abydos zoo goed
als bevrijd gebleven van den ijver der christenen, ofschoon
de monumenten niet voltooid waren en niemand acht sloeg op hun
verval en ofschoon de inboorlingen, die behoefte hadden aan goud
en zilver, en de geslachten, die elkander rijkdommen betwistten,
vernield hadden wat zij konden. Toch werd er in de tempels, vooral in
dien van Seti I nog dienst gehouden, en een deel der pracht was in
stand gebleven. Vreemdelingen kwamen van heinde en ver de wonderen
zien, en ten bewijze van hun bewondering namen ze de toevlucht tot
kleineering van wat zij bewonderden, door te schrijven op de muren,
op de voorstellingen der godentafereelen, zelfs in de geheimste
kapellen. Daar prijkten dan hun aanmatigende, onbeduidende namen als
schitterende blijken van hun dwaasheid. Ondanks die parasietische
vereering, die altijd toenam, was de tempel van Seti I nog zetel
van den pharaonischen eeredienst, dat is van den dienst, dien heel
Egypte voor zijn grootste koningen hield en die hier vooral den vader
van Ramses II betrof; de plechtigheden legden nog op veel personeel
beslag, toen tegen de eerste jaren van de zesde eeuw een monnik,
die zijn klooster ten noordwesten van de stad gebouwd had en die
Mozes heette, met één slag èn den tempel èn den eeredienst, dien men
den ouden koningen van Egypte wijdde, wilde vernietigen,  zoowel
als den invloed,  dien de aan den tempel verbonden geestelijkheid
nog bezat. Het was een grootsche strijd, en de dweepzieke monnik
wist de zege te behalen. Op een dag van bloed en tranen ging de
schijnheilige Mozes bidden, riep den toorn van zijn god in over den
tempel en de priesters van den tempel, en even daarna schudde een
aardbeving het huis tot in zijn diepste diepten, en alles stortte in,
waarbij drie-en-twintig gewone en zes hooge offerpriesters omkwamen.

Als men dat zoo vertelt, lijkt het een wonder; maar de werkelijkheid
is anders geweest. De monniken, geleid door hun opperhoofd Mozes,
kwamen uit het Noordwesten; zij openden een bres, wat betrekkelijk
gemakkelijk was, en, gewapend met zware ijzeren staven, beproefden
zij, in grooten getale opgekomen en gerecruteerd uit alle aanhangers
der nieuwe leer, die zich in de stad bevonden, een aanval. Op de
stevige steenen van het gebouw vermocht de brand niet veel, maar de
schilderingen op de muren werden een gemakkelijke prooi van het vuur,
en al wat zij verder konden vernielen, bezweek onder de slagen.

Toch stieten zij op weerstand, en hoewel de tegenstanders een
gruwelijken dood stierven, ook de dweepzieke bende had veel verliezen
te lijden. Als men nog maar kon denken, dat het vernielingswerk
plaats had in een oogenblik van toorn en opgewekte volkswoede!
Maar de vernielingsarbeid duurde een heelen tijd, de woede was al
lang bekoeld, toen nog de dweepzucht bleef gelden.

Te midden van de oude pracht, die zooveel herinneringen wekt,
doorleefde ik een viertal winters. Het moderne leven der bewoners
van Abydos was niet zoo begeerlijk voor mij, dat het mij weg kon
lokken van de oude ruïnen. Elken dag en ieder oogenblik werd mijn
aandacht getrokken door tooneelen uit de oudheid, die hun stempel
hebben gedrukt op de tegenwoordige geslachten.

De dorpen, die thans verrijzen op de plek der oude stad van Osiris,
zijn altijd in twee kampen verdeeld, dat der heftigen en dat der
vreedzamen. Set heeft zelfs nog meer aanhangers dan de goede god,
Osiris. De heftigen zijn goed georganiseerd onder leiders, die
even slim zijn als geveinsd. Er bevond zich tijdens mijn verblijf
in Abydos een bende boosdoeners, die werkte onder eene bij allen
bekende leiding. Zij verwoestten het land tien mijlen in den omtrek,
en de plaatselijke autoriteit onderhandelde met die menschen, blij,
dat ze er met weinig kosten af was en daarbij nog haar deel ontvangend
van den buit, door nachtelijke expedities opgebracht.

Als de leden van de bende van iemand in den omtrek hoorden spreken,
die door slimmen handel en groote spaarzaamheid eenig geld had gewonnen
en het zoo goed mogelijk had verborgen, en hun spionnen waren daarvan
spoedig op de hoogte, dan begaven zich zestig of tachtig man, met
goede geweren gewapend, naar de plek, sloten de huizen in, verwekten
schrik en angst in de nabuurschap, traden overal binnen, zonder verlof
te vragen en maakten zich van de begeerde schatten meester, alsof dat
de eenvoudigste en billijkste zaak ter wereld was. Tijdens mijn derde
verblijf plunderde die schrikwekkende bende een huis in een dorp, ten
noorden van Abydos gelegen, en dreigde den oudsten zoon van het gezin,
hem in stukken te snijden, als hij niet aanwees, waar zijn vader zijn
geld bewaarde. De zoon hechtte meer aan zijn leven dan aan het geld,
zooals te begrijpen is; hij wees den boosdoeners wat zij zochten,
en de schurken trokken af met hun buit.

Zij gingen toen hun plunderingen zuidelijker vervolgen, en toen
daar de man, op wiens geld zij het voorzien hadden, erin slaagde te
ontvluchten, doodden zij hem den volgenden dag. Deze beide voorvallen
hadden plaats in een tijdsbestek van veertien dagen. De plaatselijke
autoriteit, ik bedoel den provincialen gouverneur, werd opgeschrikt
door deze voorvallen en schreef een enquête uit, terwijl hij een bezoek
ter plaatse bracht. De justitie kwam in beweging; er werd geschreven
aan het hoofd der politie van het district, die op zijn beurt den
magistraat van Abydos interpelleerde; en deze waardige man had niets
haastigers te doen, dan de misdadigers te waarschuwen, dat zij al,
wat tegen hen kon pleiten, moesten opruimen. Den volgenden dag kwam de
politie, en de dieven en moordenaars hadden de volledigste ontkenningen
klaar en de duidelijkste muzelmansche onschuld, in hun vuistje lachend
om het gek figuur, dat de ambtenaren der regeering maakten.

Naast deze aanhangers van Set staan dan de aanhangers van Osiris, waar
de eersten altijd mee lachen, nu zoowel als vroeger. Die vreedzame
luidjes leverden het hoofdcontingent der werklieden bij de door
mij geleide werken; maar ook zij zijn aangestoken door de leer van
Osiris' tegenstander, zij hebben slechts matigen eerbied voor eens
anders eigendom. Zij betoonden mij grooten eerbied, dankbaar dat ik
hun iets liet verdienen, en soms noodigden ze mij uit, om enkele
voorstellingen bij te wonen, gelijk aan die, welke op de graven
waren afgebeeld, zoodat ik mij kon voorstellen, dat de godin Isis,
de groote toovenares, nog altijd zooveel macht had als haar in 't
verleden werd toegeschreven.

Wanneer ik des avonds thuis kwam, en hun dagtaak was volbracht,
vergezelden ze mij al zingend, en als ik mijn verbeelding den vrijen
loop liet, kon ik mij een zegevierenden intocht voorstellen in mijn
goede stad Abydos. Indien bij het werk dien dag een goede vondst was
gedaan van een of ander forsch steenen monument, brachten ze dat in
mijn huis en trokken het met zestig of honderd man op een slede aan een
touw voort, hun schreden afpassend naar de maat eener oude melodie,
tevreden en gelukkig in hun armoedig bestaan. Bij het werk zag ik
de opzichters nog dezelfde slagen toedienen met dezelfde zweepen,
als er op de oude basreliefs te zien waren.

De zwarte aarde van Egypte heeft maar één gebrek: dat zij haar eigen
bewoners zoo slecht voedt; maar overigens is dat land een aardsch
paradijs. De natuur schenkt er, wat men maar wenschen kan. Zij biedt
de allerschoonste tooneelen aan, en als des avonds de zon achter
de bergen was verdwenen, was de stille rust van den schoonen nacht
heerlijke balsem voor de ziel. Men zou hier eeuwig hebben willen leven.



Een kijkje op de Tentoonstelling te Milaan

Door PH. J. KETNER.


_Settimana di gloria_!--Wie had vóór eenige weken, toen de geweldenaar
aan de golf van Napels dood en verschrikking bracht over het land;
toen de Natuur, die Italië zoo mild heeft bedacht, die er zoo veel in
schoonheid heeft hersteld en geheeld, wat door den Tijd was getroffen,
met wreede hand in weinige uren in een woestenij verkeerde de velden
en gaarden die de menschen door jarenlangen noesten arbeid in het
zweet huns aanschijns tot vruchtbare landouwen hadden weten te maken;
toen 1906 óók voor Italië een rampjaar dreigde te worden,... wie had
toen durven denken, dat zóó kort daarop in datzelfde land een week
van glorie zou aanbreken als inzet van een jubelfeest ter eere van
de overwinning van den mensch _op de natuur_!?

Maar Italië is altijd het land van scherpe contrasten en snelle
overgangen geweest, en geen natie ter wereld die zich zoo spoedig over
leed en ellende heenzet als dit lachende volk onder zijn lachenden
hemel!

En zóó kwam het, dat, terwijl in het zuiden van het land de nood-
en doodsklokken nog luidden en rouwwaden werden gespreid in kerken en
huizen, in het noorden al weêr de beiaard jubelklanken deed trillen
door de lucht en het rood-wit-groen met het witte kruis van Savoye
werd ontplooid ten teeken van nationale vreugde.

Ginds de mensch stil, nietig, verslagen, machteloos tegenover de
vreeselijke, ontembare werking der natuurkrachten; hier de trotsche
overwinnaar, zich van zijn genie en heerschappij over de stof bewust,
met bazuingeschal de gansche wereld toegalmend: _Milano a nome d'Italia
chiama le genti a le pacifiche gare del lavore_; "Milaan roept in naam
van Italië de volkeren op tot den vreedzamen wedstrijd van den arbeid".

Wèl mocht Milaan die eer voor zich opeischen!

Want meer dan in eenige andere stad van Italië treden in deze
metropolis de _mensch_ en _das Gebild der Menschenhand_ op den
voorgrond. En altijd zal den reiziger die van over de Alpen Italië
binnenkomt treffen de tegenstelling tusschen de gewijde stilte en de
majesteit van het hooggebergte, waar de Natuur heerschappij voert en
de wufte, wereldsche drukte, inhaerent aan den eeredienst van den
mensch, in de stad, waar alle groote volkerenstraten, die Noord en
Zuid verbinden, hun eindpunt vinden.

In Milaan klopt het hart van het herboren Italië; noemde Plinius
de stad, waarover Cicero, de groote redenaar, eens als stedehouder
regeerde, reeds "het nieuwe Athene", thans mag zij de geestelijke
en zedelijke hoofdstad van Italië genoemd worden. Na de overwinning
der Fransch-Piëmontsche wapenen op de Oostenrijkers bij Magenta in
1859--vereeuwigd in het prachtige ruiterstandbeeld op het reusachtige
Domplein, een der schoonste van Europa, dat Victor Emanuel II
voorstelt midden in het gevecht, zijn paard inhoudend om bevelen
uit te deelen--heeft de stad, bevrijd van het vreemde juk, zich snel
ontwikkeld tot een centrum van handel en nijverheid.

Milaan is de _werk_stad van Italië; drie machtige bondgenooten hebben
haar daarbij geholpen om de positie te veroveren, die zij thans onder
de eerste steden van het Apenijnsche schiereiland inneemt. Deze "triple
alliantie" bestaat uit: het verstand, de werkzaamheid en het geluk.

Aan die drie elementen dankt Milaan zijn enorme uitbreiding en zijn
toenemende welvaart.

De stad telt nu meer dan een half millioen inwoners en is het
middelpunt van het intellectueele en artistieke leven van dit begaafde
volk; de verzamelplaats van tal van zangers, toonkunstenaars en
tooneelspelers uit alle landen der wereld; hier is de markt voor
impressario's en operadirecties. Maar boven alles verheugt zich
de industrie hier in hoogen bloei. Milaan is het middelpunt van de
Lombardijsche zijdeweverijen, die haar grondstof te danken hebben aan
de duizenden moerbeiboomen in deze vruchtbaarste laagvlakte van Europa
met wier bladeren de zijdewormen zich voeden. Ook fluweel, tapijten,
papier en gummi vormen hier belangrijke export-artikelen, terwijl
uitgevers als de gebr. Treves en de firma Sonzogno een Europeesche
vermaardheid genieten.

Moet men niet toegeven dat alle omstandigheden Milaan hebben
voorbeschikt om binnen zijn muren (in letterlijken zin, want de
oude wallen met hun trotsche poorten zijn, schoon tot lommerrijke
plantsoenen aangelegd, nog in stand gehouden), temidden van zijn
eeuwenoude _palazza's_, zijn indrukwekkende baselieken en prachtige
monumenten, en in de schaduw van zijn machtigen Dom--kostelijkste
nalatenschap van de christelijke kunst!--de eerste internationale
tentoonstelling aan deze zijde der Alpen te herbergen?...

Trouwens, de aanleiding tot het houden der tentoonstelling knoopt
zich onmiddellijk vast aan de commercieele belangen van Milaan.

In 1881 opende het, onder de auspiciën van den beminden Umberto I,
de nationale tentoonstelling ter viering van de voltooiing van het
reuzenwerk van den _St. Gotthard_-tunnel en thans, na 25 jaren, is het
op nieuw het tooneel van een uitgebreider en grootscher feest van den
arbeid, met medewerking van de bevriende natiën tot stand gebracht,
ter eere van de opening van den nog belangrijker _Simplon_-tunnel.

Naast de steden van West-Zwitserland (vooral Genève) zal Milaan toch
de meeste vruchten plukken van de totstandkoming van dezen tweeden
tunnel tusschen Zwitserland en Italië, want het groote vervoer langs
dezen nieuwen en hoogst noodigen verkeersweg, die het spoorwegtraject
Parijs-Milaan b.v. met 83 K.M. zal verkorten, zal ten slotte op Milaan
uitloopen, zoo goed als het de terminus is van het enorm-drukke vervoer
langs den St. Gotthard-spoorweg van alles wat via Basel-Luzern naar
het zuiden stroomt.

Het feest van den Simplontunnel mag dan ook het feest van de stad
Milaan genoemd worden, maar tevens jubelt Italië, dat van den nieuwen
verkeersweg een belangrijke uitbreiding zijner handelsbetrekkingen,
vooral met Frankrijk, verwacht, daarmeê ten aanhoore van heel de
wereld uit zijn vooruitgang en zijn bloei, zijn gevoel van verjongd
leven, zijn geloof in de toekomst onder de bezielende leuze: _Sempre
avanti l'Italia!_



Het tentoonstellingsplan dateert eigenlijk reeds van 1901. De werken
van den Simplontunnel, in Augustus 1898 aangevangen, zouden in 5 jaar
gereedkomen, dus in begin 1904. Voor een goede voorbereiding was men
dan ook niets te vroeg. De ondernemers van den tunnelbouw--omtrent
welk werk indertijd een geïllustreerde beschrijving in deze kolommen
is opgenomen--de heeren Brand, Brandon en Co., hebben echter met
reusachtige moeilijkheden te worstelen gehad, waardoor de arbeid
telkens werd vertraagd en de opening herhaaldelijk moest worden
uitgesteld.

Het tentoonstellingsplan ondervond daarvan den terugslag en zoo
werd het daarmee een ware lijdensgeschiedenis, die het, zoo al
niet verschoonbaar, dan toch verklaarbaar maakt, dat er allengs
een stadium van verslapping aanbrak, dat zich, toen de solemneele
ure naderde, begon te wreken in eindelooze verwarring en hopeloozen
achterstand. De uitbarsting van den Vesuvius werd aangegrepen als een
welkom voorwendsel om de opening nog een 8 dagen uit te stellen, maar
eindelijk begrepen de Italiaansche leiders toch, dat zij er met een:
"_Fortuna, e dormi!_", "heb geluk en slaap maar!" niet komen zouden. En
zoo zag ik, in die dagen van de barensweeën der tentoonstelling reeds
hier aanwezig, bevestigd wat een landgenoot, die hier reeds jaren woont
en het volkskarakter uitnemend kent, mij voorspeld had: "In de laatste
dagen, als 't er op aankomt, zult gij de Italianen wonderen zien doen."

Inderdaad, toen de dag der plechtige opening dáár was, scheen het of
goede feeën in de stilte en de duisternis van den nacht rondgezweefd
hadden over de terreinen en met tooverstaven in het leven hadden
geroepen, wat luierende werklieden die liever in het zonnetje lagen
te slapen en soldaten die wel onder tucht werkten maar wier handen
verkeerd stonden voor dezen ongewonen arbeid, maar niet klaar konden
krijgen, al stonden de commissieleden er ook handenwringend bij.

Het Uitvoerend Comité mocht van geluk spreken, dat het zóó ... den
schijn wist te redden!

Trouwens, de kunst om het uiterlijk op te houden verstaan de Italianen
uitnemend!

En wie zou niet gaarne veel vergeven aan een volk, dat, bij al zijn
gebreken, zoo nauw verband houdend met zijn aard en opvoeding, aan
den anderen kant zulke voortreffelijke eigenschappen toont!?...

Want te ontkennen valt het niet dat de tentoonstelling,  zooals
zij zich daar nu voordoet, getuigt van het scheppingsgenie en den
hoog-ontwikkelden smaak der Italianen.

Zoowel in uitgebreidheid als in conceptie maakt de tentoonstelling
een grootschen indruk. Indien men voor haar een ligging had kunnen
vinden, zoo schilderachtig als de oevers van de Seine in Parijs
en van de Maas in Luik, dan ware het panorama van deze tooverstad,
marmerwit als het _Lipara_, dat Couperus' kunstenaarsoog zag, onder
Italië's diepblauwen hemelkoepel met de intense lichtschittering van
de zuidelijke zon onvergelijkelijk heerlijk geweest.

Het oorspronkelijk tentoonstellingsplan omvatte alleen het
transportwezen: spoorwegen, scheepvaart, rijwielen en automobielen,
luchtballons enz. Maar als gewoonlijk groeide het spoedig den
ontwerpers boven het hoofd en kreeg het een omvang als men nimmer had
vermoed of bedoeld. Decoratieve kunst, schilder- en beeldhouwkunst,
kunstnijverheid, landbouw en vischteelt, telegrafie en telefonie,
hygiëne, coöperatie en verzekeringswezen, dat alles werd in het
definitieve plan opgenomen, welks uitvoering ruim 12 millioen
lire heeft gekost. En naast die permanente tentoonstelling zullen
nog tijdelijke tentoonstellingen gedurende de zomermaanden worden
gehouden van voedingsmiddelen, chemische en pharmaceutisehe producten,
fotografie, muziek-instrumenten, jachtwapenen enz.

Het eenige, wat deze internationale tentoonstelling dan nu ook
onderscheidt van een _wereld_-tentoonstelling, dat is haar _niet
algemeen_ karakter; de groot-industrie bv. is tot veler teleurstelling
buitengesloten, daar slechts machines van een beperkt aantal
paardenkrachten in gebruik bij de kunstnijverheid mochten ingezonden
worden, terwijl in eenige afdeelingen, o.a. in die van schilder-
en beeldhouwkunst, geen internationale mededinging is toegelaten,
een maatregel die de beteekenis dezer sectie niet heeft verhoogd.

In uitgestrektheid doet de Milaansche tentoonstelling echter niet
onder voor die van Luik en Düsseldorf, welke wereldtentoonstellingen
werden genoemd; zij heeft een grootte van 980,000 M_2_, terwijl de
overdekte hallen tezamen een oppervlakte beslaan van 245,000 M_2_,
verdeeld over 125 groote gebouwen en kleinere paviljoenen.

Teneinde den lezers eenigszins een maatstaf ter vergelijking te geven,
wil ik er hier aan herinneren, dat de Luiksche wereldtentoonstelling
van 1905 een terrein van 11 H.A. besloeg met een overdekte ruimte van
110,000 M_2_; het aantal gebouwen en paviljoenen bedroeg in Luik 98.

In een stad, geheel in de vlakte gelegen en met oude vestingmuren
omringd, viel het niet gemakkelijk voor een zóó groote tentoonstelling
een geschikt terrein te vinden. De ruimte van het binnen de enceinte
gelegen Park bood nauwelijks een derde van de oppervlakte die men
noodig had. De aandacht viel toen op het buiten de bastions gelegen
exercitieterrein van Milaan's groote garnizoen, de _Piazza d'Armi_,
maar ook dit was nog te klein. Toen kwamen de ingenieurs op het
lumineuze denkbeeld om de beide terreinen, door een nieuwe stadswijk
van niet geringen omvang van elkander gescheiden, in gebruik te nemen
en ze onderling te verbinden door een electrischen spoorweg over een
viaduct, bijna lijnrecht loopend van het midden van het eene naar
dat van het andere.

Met medewerking van de militaire en burgerlijke autoriteiten slaagde
dit plan volkomen. En daaraan is het nu te danken, dat de hoofdingang
van de tentoonstelling op nog geen 20 minuten afstands van het centrum
der stad is gelegen.

Wanneer men van het _Cordusioplein_, waar het monumentale Beursgebouw
en het paleis van de "Algemeene Verzekerings-Maatschappij"
in elliptischen vorm rondgebouwd zijn, en dat vlak achter de
noordwestelijke zijde van het Domplein, het centrum der oude stad,
gelegen is, de _Via Dante_ ingaat, een der breedste en fraaiste
hoofdstraten van Milaan, dan ziet men aan het einde daarvan op het
_Foro Bonaparte_, dat een halven cirkel vormt, recht voor zich het
beroemde en indrukwekkende _Castello Sforzesca_ met zijn massieve
torens en heerlijke versieringen van Leonardo da Vinci en Bramante,
de voormalige woonplaats der Visconti's, meermalen in den loop der
eeuwen verwoest en weer opgebouwd, telkens weer verwaarloosd maar nu
weer bijna geheel gerestaureerd tot een grootsch historisch monument en
inwendig ingericht tot archeologisch en kunst-museum, verrijzen. Door
de hoofdpoort, de _Torre del Filarete_, het _Castello_ binnentredende
en recht overstekende door den eersten en tweeden binnenhof (_Piazza
d'Armi_ en _Corte Ducale_) bereikt men door de tegenoverliggende poort
aan de achterzijde het fraai aangelegde _Parco_, dat geheel beheerscht
wordt door den ver op den achtergrond verrijzenden triomfboog met zijn
mooie _bas-reliefs_, de _Arco della Pace_, oorspronkelijk bestemd
om de heldendaden van Napoleon te eeren, maar later gewijd aan een
herdenking van de nederlagen van den grooten Keizer, die bekroond
wordt door het wonder-mooie werk van den beeldhouwer Sangiorgio, in
brons gegoten door de gebroeders Manfredini en voorstellende de godin
des vredes staande op haar met zes vurige paarden bespannen zegekar.

In dit park, begrensd door die beide monumenten en omringd door
een voornaam kwartier van patricische huizen en villa's, ligt,
schuilgaande grootendeels onder donkere cypressen en ander zwaar
geboomte, het eene gedeelte der tentoonstelling en vandaar leidt de
electrische spoorweg naar het grootere terrein, dat ruim 20 minuten
loopens verder is gelegen.

Links van het _Castello_, aan het einde van het breede
_Foro Bonaparte_, ligt de hoofdingang der tentoonstelling, een
architectonisch goed gelukt bouwwerk, waarvan onze foto een duidelijk
beeld geeft.

In dit ranke bouwwerk met zijn zuilengalerij, zijn sprekende
versieringen en beelden, hebben de architecten--aan wier hoofd de
bekwame Besana staat--veel vergoed van het gemis van een monumentaal
hoofdgebouw en een panorama over heel de tentoonstelling. Toch ligt
de beteekenis van deze rijke façade die 's avonds met duizenden
gloeilampjes wordt verlicht meer in de beide Simplontunnels, waarvan
zij de omlijsting vormt.

Aardiger _clou_ ware voor deze tentoonstelling wel niet uit te vinden
geweest dan de bezoekers te doen binnengaan door een tunnel, waarmeê
op bedriegelijke wijze de Simplontunnel nagebootst is. Dat is dan ook
de groote attractie, het nieuwe en wonderbare. Het is dan ook aardig
gedaan; de illusie is volkomen. Men schuift het zwarte gordijn even op
zij en treedt de onbekende duisternis in; in de verte gloeien kleine
lichtjes tegen den van kristallen glinsterenden rotswand; bij hun
zwak schijnsel ziet men op den bodem de vage evenwijdige lijnen van de
rails. Men hoort het gekletter van water en het snorren en stampen van
machines. Het zijn de boormachine en de luchtververschingsinstallatie
die hier in werking worden getoond. Door nauwe zijgangen, waarin men
de scherven van rotsblokken onder de voeten hoort kraken, komt men
in den tweeden tunnel, evenwijdig aan den eersten loopende, die,
evenals in de werkelijkheid, met den eersten halverwege een punt
van samenkomst heeft. In dezen tweeden tunnel heeft men kans gezien
op vernuftige wijze duidelijk te maken, hoeveel last men bij den
bouw gehad heeft met het van boven door de aderen in den bergwand
doorsijpelende water, dat menigmaal de gangen blank zette. Uit den
rotswand springt hier met geweldige kracht het heldere water van den
bergstroom dat bruisend en schuimspattend zich neerstort temidden
van de rotsblokken, juist zooals men dat in het hooggebergte ziet.

Men behoeft thans niet naar Iselle te reizen om zich een begrip
te kunnen vormen van het grootsche werk, dat daar is geschied en
welks voltooiing hier wordt gevierd. De kunst van nabootsen tracht
de wezenlijke techniek in haar hooge vlucht te achterhalen. Alles
toch is zoo natuurgetrouw, dat men werkelijk meent in het hart van
de Hoog-Alpen te verkeeren.

Tusschen de beide tunnelingangen heeft de gevierde beeldhouwer
Butti een beeldengroep aangebracht, die den moeizamen tunnel-arbeid
voorstelt. Een mooi afgietsel in brons van deze sprekende groep is
door het Uitvoerend Comité aan Z.M. den Koning als een aandenken aan
de plechtige opening aangeboden.

De beide tunnelpoorten worden bekroond door een eleganten toren,
dragende een Mercurius-beeld, en welks versieringen de beteekenis van
het werk des vredes, door de samenwerking van Zwitserland en Italië
tot stand gebracht, symboliseeren.

Aan weerszijden van den hoofdingang sluiten langwerpige vleugels zich
aan dit smaakvolle bouwwerk aan. Rechts is de afdeeling "Visscherij",
waarin Duitschland schitterend voor den dag is gekomen, ondergebracht,
waarbij zich weer aansluit een zeer interessant aquarium; links
vindt men een reeks van ineenloopende zalen, waar bijeengebracht is
een hoogst belangwekkende verzameling oudheidkundige voorwerpen die
betrekking hebben op het transportwezen te water en te land. Aan de
medewerking zoowel van het Quirinaal als van het Vaticaan is het te
danken, dat het een waar genot is deze retrospectieve afdeeling te
doorwandelen, waaraan bovendien prof. Fumagalli door een methodische
groepeering zekere wetenschappelijke waarde gegeven heeft. Men vindt
er zoowel de draagstoel van Leopold II, Groot-hertog van Toscane
als de staatsiekaros waarmee Paus Pius VII in 1814 zijn intocht
hield in Modena; de berlina met koperen paneelen, rijk met zilver
beslagen, van Ferdinand II van Bourbon (Corte di Napoli: 1839)
als de rijk-gebeeldhouwde gala-koets, die gediend heeft in den
begrafenisstoet van Victor Emanuel II in 1878 bij de overbrenging
van het stoffelijk overschot van het Quirinaal naar het Panthéon;
vergulde kardinaalskarossen en met acht paarden bespannen trouwkoetsen
met beschilderde paneelen en van binnen met satijn bekleed van het
Huis van Savoye.

Niet minder de moeite waard zijn de modellen van oude schepen; o.a. van
de galjoen, waarmeê Maria de Medici in 1600 van Livorno naar Frankrijk
is gevaren.

Ook het "voorheen en thans" op het gebied van de rijwielen wordt
in een apart zaaltje vrij volledig te zien gegeven, terwijl de
Italiaansche Posterijen en de Duitsche Rijkspost een belangrijke
historische inzending hebben samengebracht, bestaande in modellen
van oude postkoetsen, uniformen, gereedschappen, documenten enz.

Men kan gerust zeggen, dat deze afdeeling tot de best-geslaagde van
de tentoonstelling behoort.

Na deze uitstapjes rechts en links van den hoofdingang gaan
we nu het Park in, waarvan de aanleg getuigt van den smaak der
Milaneesche tuinbouwkundigen; frisch en fleurig ziet er alles uit
en de breed-uitgespreide waaierpalmen en bloeiende camelia's zouden
wij wel zoo naar ons land willen meênemen! De stoomwals heeft de
breede wegen geëffend, waarin de zware vrachtwagens diepe voren
hadden getrokken; aan den rechterkant krijgen we nu de voornaamste
tentoonstellingsgebouwen in het oog; zij rijzen geen van alle hoog
op tusschen het geboomte en hun hagelwitte kleur zal bij den fellen
Italiaanschen zonnebrand verblindend zijn voor de oogen, al helpt
zij de hitte _buiten_ de zalen houden, maar overigens ... wat een
superieuren smaak hebben de Italiaansche architecten getoond bij het
ontwerpen dezer paleizen en paviljoenen! Schoon ook hier in hoofdzaak
het onduurzaam tentoonstellingsmateriaal slechts dienst kon doen,
wint Milaan het in dit opzicht verre van Luik en Düsseldorf en wordt
Parijs van 1900 naar de kroon gestoken.

De liefde voor de schoone klassieke vormen was hier de leidstar van
mannen als Besana, Bongi en Locati, meestere in hun vak. Hier wordt
men herinnerd aan het Parthenon met zijn zuilen en bogen, daar aan
Romeinsche thermen; ginds aan de Byzantijnsche bouwkunst, elders
weer aan het Arabische Alhambra. Aan de Italiaansche en Fransche
renaissance wordt recht gedaan; kortom, de historische architectuur
viert hier hoogtij! En toch, hoe frisch, hoe oorspronkelijk
bleven de ontwerpers daarbij; hoe gelukkig wisten zij in bouworde
en versieringen uitdrukking te geven aan de bestemming van de
verschillende gebouwen! Zeker, dat alles is _klein_ tegenover dien
machtigen kolossus, den Dom, dien de christelijke kunst, als een
prediking in marmer, midden in deze stad heeft gebouwd; en te _druk_
tegenover den stroeven ernst der middeleeuwsche kunst die spreekt
uit de _palazza's_, welke de eeuwen hier hebben nagelaten en die
thans de omlijsting vormen van deze onwezenlijke droomstad, waar
alles klatergoud en namaak is en die straks weer zal verdwijnen,
even spoedig als zij gekomen is.

Maar ... wie ontkomt aan de machtige bekoring die van dit alles
uitgaat!? Die mengeling van architectuur en sculptuur, zij is een
weelde voor het oog en spreekt tot de verbeelding van oorden, waar
de schoonheid godheid is, waar het ideaal triumfeert in marmerwit
en kronegoud!

Van het beeldhouwwerk gesproken: Al heeft de Italiaansche plastiek
de schoone traditiën van het verleden niet weten hoog te houden,
men mocht toch bij deze gelegenheid van de beeldhouwers in het land
van Michel Angelo en Canova iets goeds verwachten.

In qualiteit hebben zij dan ook niet teleurgesteld, maar in de
quantiteit hadden zij meer matiging kunnen betrachten. Overlading
schaadt overal, zelfs op een tentoonstelling. Alle Olympische goden
zijn er aan te pas gekomen. Het is of men een concurrentie heeft willen
ondernemen met de permanente beelden-uitstalling op het beroemde,
maar mij en velen, die onder een andere dan de zuidelijke zon zijn
geboren, weinig sympathieke _Campo Santo_.

Maar zonder nu alles op gezag mooi te vinden, alleen omdat het van
kunstenaars als Butti en Brivio, die op dit oogenblik in de gunst
staan, afkomstig is, moet ik toch erkennen, dat er kracht en realiteit
zit in menig beeld en in meer dan één groep.

Ga natuurlijk zoo'n compositiebeeld niet van nabij bekijken, dan
is alle illusie weg! Maar een tentoonstelling hangt nu eenmaal van
bedriegelijk decoratief aan elkaar. En niemand zal aan zoo'n _Victoria_
of _Mercurius_, die straks op een electrisch verlicht voetstuk zullen
staan, hooge kunsteischen stellen!

Het is al veel waard, wanneer het gevoel niet wordt gekwetst door
groven wansmaak of jammerlijke banaliteit. En daartegen hebben de
artistieke en technische leiders der tentoonstelling met veel zorg
gewaakt. Binnen die grenzen heeft men echter het eigen initiatief
zooveel mogelijk vrijheid gelaten en zoo is er tusschen al die groote
paleizen en paviljoenen een aardige afwisseling van Zwitsersche
châlets, Schwartzwalder huisjes; Oostersche kiosken enz. Telkens wordt
het oog weer geboeid door iets eigens en karakteristieks. Hoe jammer,
dat ook Nederland, als te St.-Louis, niet met iets eigens, met een
pittigen oud-hollandschen trapjesgevel bv., is kunnen komen! Maar
de Milaneesche aannemers vroegen fabelachtige prijzen en de middelen
waren gering. Nu heeft het Nederlandsch comité zich tevreden moeten
stellen met 800 M_2_ in de gemengde afdeeling der decoratieve kunst,
waar het Japan tot buurman heeft, en 200 M_2_ elders voor op zichzelf
staande inzendingen als die van den baggermolen-fabrikant Smulders uit
Schiedam. Het is nu maar te hopen, dat het inwendige (de versiering
is bij den heer Kromhout uit Amsterdam zeker in goede handen) en de
inzendingen goed zullen maken wat aan het uiterlijk ontbreekt. Maar
daarvoor is nog wat geduld noodig. Niet vóór half Juni zal de
Nederlandsche afdeeling geopend kunnen worden. Met dit wat achteraf
gelegen gebouw schenen de heeren van de bouw-commissie het minste
haast te hebben. En toen de gedelegeerde commissaris van Nederland
herhaaldelijk aandrong op meer spoed, wijzende op het ergerlijk
luieren der Italiaansche werklieden, die, als 't koud is, zich rond
een houtvuurtje gaan warmen en als 't warm is, in 't zonnetje liggen
te slapen, antwoordde men zoo philosophisch-laconiek als Italianen
dat alleen kunnen: "Laat dan Nederlandsche werklieden komen om het
gebouw af te maken. Zwitserland heeft ook eigen werklieden ontboden!"

Biedt een tentoonstelling kans van welslagen, al geeft ze ook nog
zooveel interessants te zien, waar de leiders dergelijke luchthartige
opvattingen koesteren?...  De vertegenwoordigers van het buitenland,
die ervaring hebben op dit gebied twijfelen er wel eens aan. Maar de
Italianen zijn onverbeterlijke optimisten; zij kloppen de mopperaars
gemoedelijk op den schouder en zeggen glimlachend: "_Al levar della
tende si vedra_", of te wel: als de boel weer afgebroken wordt,
zal _alles_ je duidelijk zijn. Een troost!?...

Wij zijn nu in de groote middenlaan van het Park, die dit gedeelte
der toonstelling in twee groepen scheidt: rechts wetenschap en kunst;
links de vermakelijkheden. Even wippen we binnen in het gebouw der
"Schoone Kunsten". Dat was inwendig het eerst gereed omdat de Koning
er doorheen wandelen zou op den openingsdag. Een openbaring is deze
zuiver-nationale afdeeling niet; ook zijn vele doeken verkeerd of
veel te sterk belicht. Er is in 't algemeen te veel gelegenheidswerk
zoowel van schilders als beeldhouwers.

Eén zaal is geheel gereserveerd voor de productieve familie Ciardi,
bestaande uit vader en twee zoons, die 32 werken heeft ingezonden,
een andere zaal bevat alleen 28 stukken van den grooten Venetiaanschen
meester, Ettore Tito. Ook Carcano heeft een zaal voor zich, terwijl
Carlandi, bekend door zijn fijne zeegezichten, 84 aquarellen heeft
ingezonden.

Onder het beeldhouwwerk is meer knappe copie dan oorspronkelijk
werk. De _Unione artisti romani_ leverde hier het leeuwendeel,
o.a. een reusachtige groep van Lazio.

Het paleis van de _Belle Arti_ bestaat uit twee vleugels in
hoefijzervorm die samenkomen in een koepelvormige zaal. In deze
feestzaal, waarvan wij een reproductie geven, had de plechtige
opening der tentoonstelling plaats. Jammer genoeg mochten er toen
geen photografische opnamen worden gemaakt--een maatregel die als
vele andere verband hield met de veiligheid van den Vorst. Want
toen langs alle lijnen electrische lichtjes fonkelden, ook in de
lauwerkransen door de engelenfiguurtjes omhoog gehouden, en heel de
zaal bezet met schitterende uniformen en galagewaden, waartusschen
de bekoorlijkste damestoiletten in teere kleuren,--allen omringend de
met bloemenguirlandes versierde estrade, waarop de Vorstelijke stoet
had plaats genomen--toen bood dat geheel een betooverend gezicht,
hoe weinig indrukwekkend de ceremonie ook overigens was, die onder
een geestdriftige ovatie aan het Koninklijk Paar eindigde met een
symbolische opening van de tentoonstelling door Koningin Elene, die
een rood lint losmaakte, dat de estrade had afgesloten van den uitgang.

Uit den rechtervleugel de feestzaal binnengekomen treden wij nu
door den hoofdingang, door zinrijke beeldengroepen geflankeerd,
weer naar buiten. Aan de overzijde van de breede allée zien wij,
verscholen in het frissche groen, drie kleine gebouwen liggen,
evenveel verschillend van stijl als van bestemming; voornaam en mooi
is de façade van het kleine paleis der stad Milaan, in Italiaansche
renaissancestijl gebouwd, waarin het gemeentebestuur, dat een ruim
aandeel genomen heeft in de totstandkoming der tentoonstelling en
bij feestelijke gelegenheden de honneurs tegenover de gasten uit den
vreemde waarneemt, een volledig overzicht geeft van de inrichting
zijner model-bedrijven en van het vele wat Milaan doet op het gebied
van onderwijs, armenzorg, hygiène en volkswelvaart. Zij die ook om
iets te leeren de tentoonstelling bezoeken zullen hier een nuttig
uurtje kunnen vertoeven in deze rustige omgeving.

Van een heel ander karakter is het Zwitsersche paviljoen dat
natuurlijk van wege "de onverbrekelijke vriendschapsbanden" op deze
tentoonstelling een eereplaats kreeg.

Het is een echt Zwitsersch châlet, in wit rood en bruin geschilderd
hout met balcons en een luifeldak en pittig torentje; een juweeltje
van dien karakteristieken bouwstijl van het Alpenland. "Een bescheiden
huisje" noemde de Zwitsersche commissaris-generaal Siemen het, toen
hij er uit naam van de Bondsregeering den Koning van Italië begroette,
maar de jonge Vorst die zijn oogen altijd goed den kost geeft had
het bij het rechte eind, toen hij den bescheiden Zwitser warme hulde
bracht voor dat smaakvol paviljoen, een sieraad van de tentoonstelling.

Natuurlijk is de inhoud van het gebouw grootendeels  gewijd aan de
werken van St. Gotthard en Simplon, gesymboliseerd in een groot fresco
in den voorgevel, en de vermaarde Zwitsersche kunstnijverheid.

Een honderd schreden verder ligt op een heuveltje, gelijk in hoogte
aan de viaduct, het Park-station van den electrischen spoorweg,
ook een aardig, luchtig gebouwtje, waaraan veel zorg is besteed.

Vóór wij uitstappen echter nog even een kijkje genomen aan het
uiterste einde van het Park bij den Vredesboog in het complex van
gebouwen, dat gewijd is aan een der belangrijkste afdeelingen van de
tentoonstelling: de versieringskunst; het zijn eigenlijk twee reeksen
van gebouwen, door binnenhoven met zuilengalerijen, aardige beelden
en fonteintjes, onderling met elkaâr in gemeenschap, gescheiden door
een smal laantje; het is hier, dat ook Nederland zijn beste beentje
voor zal zetten. Maar de strijd zal zwaar zijn. Op dit oogenblik zijn
de gebouwen nog nauwelijks onder dak en is de chaotische toestand
nergens zoo wanhopig als hier in dit hoekje; van étaleeren kan dus
nog geen sprake zijn. Maar de ingenieur die hier de leiding heeft,
de heer Gatti-Casazza, weet schitterende dingen van deze afdeeling
te vertellen. Na de welgeslaagde proefneming in Turijn met de
tentoonstelling van versieringskunst in 1902 zal Italië hier nu
eens met 500 van zijn eerste architecten en artisten (grootendeels
uit Lombardije) uitkomen; een ruimte van maar eventjes 12000 M_2_
heeft het daarvoor noodig; Hongarije, dat in de laatste jaren een
reusachtige vlucht nam op het gebied der kunstnijverheid, zal 3500
M_2_ innemen; Engeland 1000; Zwitserland, Japan en Nederland elk
800; Duitschland 500; Turkije 350 en Noorwegen 100. Nederland maakt
dus quantitatief geen slecht figuur. Jammer echter, dat onze eerste
firma's op dit gebied geen lust tot deelneming gevoelden.

Frankrijk, Oostenrijk, Rusland en België hebben ook hun afdeeling
versieringskunst ondergebracht in hun eigen gebouwen op de _Piazza
d'Armi_. Ofschoon de Commissie van toelating lang niet gemakkelijk is
geweest, hebben de aanbiedingen zóó de verwachting overtroffen, dat
zij heeft moeten laten varen het denkbeeld om ook een retrospectieve
tentoonstelling van de ontwikkeling der toegepaste kunst in den loop
der eeuwen te geven. Een eereplaats zal echter gegeven worden aan
den vrouwenarbeid, waarvan, onder de auspiciën van de Hertogin Maria
Anna Visconti di Modrone Gropallo, presidente van het damescomité,
evenals te Luik, veel belangwekkends zal te zien gegeven worden.

Een zware taak wacht de jury maar ook een aangename, want de Koning
heeft een eereprijs van 10,000 lire uitgeloofd voor de fraaiste
"complete moderne inrichting".

Aan den anderen kant van het park, nog een groote uitgestrektheid
met mooie gazons en waterpartijen, zetelt het Vermaak. Daar kan
men een reis naar het hooge noorden maken en zich verbeelden op de
ijsberenjacht te zijn, of de geneugten smaken van een montagne russe;
daar kan men zich in aardige bars en kiosken door gebronsde zuidelijke
schoonen met uitdagende, donkere oogen champagne en vruchtenijs laten
bedienen; daar kan men voor een halve lire heel Tyrol of het Berner
Oberland doorreizen onder 't genot van Münchener Hofbräu, Chianti of
Capri, Marsala of Vermouth van fratelli Cora; daar kan men 's avonds
tusschen de donkere cypressen in den maneschijn zitten mijmeren bij
"American drinks", zoo echt als in de eerste Broadway-bars; daar kan
men zich van een helling in een bootje met duizelingwekkende vaart
in een meer laten storten of, wanneer men 't op dit ondermaansche
te benauwd krijgt, hoog in de lucht rondvliegen in een _Aëroplan_
en in jolige pret lachen om dat Castello en dien Dom die daar zoo
eigenwijs en roerloos staan te droomen midden in dat wereldsche,
lawaaierige Milaan; daar klinken muziek en zang; daar raakt men de
zilverstukjes kwijt....

Daar mist men alleen Lucas Bols of Wynand Fockink, anders trouwe
comparanten op groote tentoonstellingen, die hier met een "Oude
Schiedammer" en een jonge Zeeuwsche boerendeern toch zeker al even
veel succes zouden hebben als overal elders in de wereld.



Maar het wordt tijd, dat wij het Park verlaten en naar de _Piazza
d'Armi_ trekken, waar wij in vogelvlucht hebben te overzien _veel_
dat nog niet àf is en heel _weinig_ dat wèl gereed is. Konden wij
maar werkelijk in een luchtballon er over heen zweven! Dan liepen we
geen kans overreden te worden door zwaargeladen goederentreinen en
in dolle vaart rondsnorrende auto's, die voor de snelle verplaatsing
van comité-leden zorgen als zij lastige reclamanten uit de voeten
willen blijven.

Het electrische treintje, comfortabel ingericht--een voorbeeld voor de
directie der Italiaansche spoorwegen die, sedert de staatsexploitatie
in vollen gang is, nog niet veel gedaan heeft om het spoorwegverkeer
uit zijn achterlijkheid te verlossen--brengt ons, hoog over straten
en lanen en pleinen, over de ranke en sierlijke viaduct in een paar
minuten daar.

Ook deze terminus doet ons kennismaken met een aardig, rustiek
station met bloemperken en heesters omgeven; ruim, ongevaarlijk en met
zacht-glooiende op- en afgangen. De maatschappij die dat goedkoope
lijntje van 5 cent per rit exploiteert heeft eer van haar werk en
succes; het aantal abonnés loopt al in de tienduizenden.

Recht voor ons ligt in het midden van het vierkante terrein, dat
een omtrek heeft van ruim drie kwartier loopen en doorsneden is van
lange rechte lanen, waartusschen nu de vakken tot weelderig plantsoen
met rotsen en vijvertjes, fonteinen en bloembedden zijn aangelegd,
het groote paleis van het "Transport te water" met den reusachtigen
vuurtoren op natuurlijke grootte, die 's avonds een intens licht over
tentoonstelling en stad verspreidt, op den voorgrond. Handelsvloot en
passagiersschepen worden in deze afdeeling wel erg op den achtergrond
gedrongen door de Marine, die toch eigenlijk slechts in verwijderd
verband staat met "transport te water." Maar hiermeê kon Italië
meer geuren dan met zijn scheepvaart, die niet sterk vooruitgaat,
hoewel, na de jongste Marine-rapporten, deze tentoonstelling van
model-materiaal een bitter bijsmaakje voor de Italianen heeft gekregen.

Ook het buitenland heeft in deze afdeeling _acte de présence_
gegeven. Krupp en Armstrong vervullen u hier met bewondering voor hun
werken maar ook met een tikje wrevel; die onheilspellende kanonnen
storen de vredes-gedachten, die de ideëele achtergrond vormen van
dit jubelfeest van den arbeid, waar de natiën komen getuigen van hun
grootheid en hun kracht ... in de werken der beschaving en des vredes.

Enkele modellen van Oceanflyers, van moderne luxe-schepen, van
reusachtige vrachtbooten, zeesleepbooten en baggermolens gaan
hier bijna verloren voor 't oog tusschen de vernielingswerktuigen,
torpedobooten, torpedo's, pantsertorens enz.

Trouwens, hier en daar verspreid over het terrein vindt men nog
onderdeelen van deze sectie. Zoo heeft de groote Italiaansche
Stoomvaart-Maatschappij, die ook de dagelijksche diensten tusschen
het vasteland en Sicilië verzorgt, haar eigen, kranig gebouw en is
er een zeer bezienswaardige inzending van motorvaartuigen, elegante
gondeltjes, waarmeê men lust zou gevoelen zich te laten voortglijden
over de smaragden golfjes van de Zwitsersche en Italiaansche bergmeren.

Links van "Marine" ligt het grootste tentoonstellingspaleis, de
"Galerij van den Arbeid", een complex  van reusachtige hallen
met drie koepelvormige ingangen. In de voornaamste daarvan was
een prachtig  plaatsje gereserveerd voor een inzending van de
Amsterdamsche diamantindustrie, waarop men aanvankelijk scheen te
mogen rekenen. Jammer, want die zou hier _furore_ gemaakt hebben! Over
de inzendingen in deze afdeeling valt nog zoo goed als niets te
zeggen; behalve een paar mooie kleurendrukpersen en een reusachtige
rotatiepers, waarop een tentoonstellingsuitgave van het grootste
dagblad van Milaan, de uitnemend geredigeerde en snel-ingelichte
_Corriere della Sera_, tot stomme verbazing der toeschouwers wordt
gedrukt en gevouwen, staan er slechts rijen van onopengemaakte
kisten, waarin de schatten van de machinale kunstnijverheid verborgen
zijn. Meer dan een schoone belofte is dit Arbeidspaleis dus nog niet.

Wij naderen nu bekend en bevriend terrein. Een gebouw met frisschen
vriendelijken baksteengevel zegt ons terstond, dat wij hier te doen
hebben met iets uit gewesten, dichter bij Nederland; het doet zelfs
vreemd in deze omgeving van witte paleizen met blauwe koepels en veel
verguld. Het verwondert ons dan ook niet uit het dak de Belgische vlag
te zien wapperen. Wij zijn thuis; die rustige lijnen van de Vlaamsche
renaissance, die symmetrie welke geen oogenblik stijf wordt, zij
doen ons Nederlandsch hart goed. Onze naburen zijn hier schitterend
voor den dag gekomen, om jaloersch van te worden. Ook de Italianen,
die wel eens meenen het monopolie van stijl en smaak te hebben,
kunnen hun bewondering niet verbergen.

Inderdaad, dit gebouw--werk van den Brusselschen architect Henry
Vaes--is opgericht _à la gloire de la patrie_, zooals op een
gedenksteen in den muur van een der torens is gebeiteld. Maar ... de
Belgische  regeering, zich dankbaar herinnerend de ruime deelneming
van Italië aan de wereldtentoonstelling te Luik, stelde dan ook
een bedrag van fr. 300.000 ter beschikking van de commissie van dat
land. Met zoo'n sommetje kan men wat beginnen!

Ook de inzendingen der Belgische kunstnijverheid die het gebouw en
een daarnaast gelegen hal zullen vullen, beloven het beste te geven
wat het nijvere land kan voortbrengen, vooral kant en smedewerk.

Langs de achterzijde van het terrein liggen drie groote gebouwen,
die samen één reuzenstation vormen met uitgestrekte overkappingen.

Wij hebben hier te doen met de kern der tentoonstelling, de wortel
van de reuzenplant: het spoorwegwezen. Vier landen domineeren hier;
Duitschland, Oostenrijk, Hongarije en Italië zelf, dat zeker, al komt
het hier met mooie dingen uit, op dit gebied eenige bescheidenheid
mag in acht nemen. Reusachtige locomotieven en prachtig-ingerichte
slaap- en salonwagens vormen het hoofdbestanddeel dezer afdeeling,
terwijl Italië zeer interessante nieuwe uitvindingen op het gebied van
seinwezen en veiligheidsinrichtingen in werking te aanschouwen geeft.

Van groot practisch belang voor berglanden zijn o.a. de optische en
gehoor-signalen voor tunnels en de nieuwste tandradbaan-locomotieven.

Een zeer sympathieken indruk maakt de iets verder onder hangars
geherbergde inzending van het Italiaansche  _Roode Kruis_,
waarvan vooral de aandacht verdienen de met veel zorg ingerichte
transportwaggons  en booten voor gewonden. Ook Duitschland's
_Sanitätswesen_ komt hier schitterend voor den dag met ziekenbarakken,
vervoerbare barakken en vriendelijke paviljoentjes.

Van de ziekenverpleging naar de hygiène _il n'y a qu'un pas_. Hier
óók in letterlijken zin. Heerlijk is weer die frontgevel van den
architect Bongi, aan het paviljoen,  waar Aesculapius' vriendelijke
dochter troont, gegeven. Van het zinnebeeld der gezondheid, de slang,
heeft hij bij de versieringen een gelukkig gebruik gemaakt.

Welke schatten Hygieia in haar tempel tentoonspreidt  is nog
een geheim. Alleen is mij bekend, dat onder de inzenders ook een
Nederlander is. Onze consul te Milaan, de ingenieur H.J. Van der
Schalk, exposeert er modellen van hygiënisch ingerichte boerenwoningen
en veestallen volgens een nieuw systeem.

Uit het gebied waar de godin der gezondheid heerscht, over te gaan
naar Caïro is nog al een sprong. De oosterlingen staan gewoonlijk
met Hygieia op een gespannen voet. Maar het tentoonstellings-Caïro
in miniatuur is nog al onschuldig! 't Ziet er alles zelfs te
onnatuurlijk zindelijk uit, het ruikt er te frisch om de illusie
volkomen te doen zijn. Maar aardig is die exotische omgeving voor
ons, westerlingen, toch altijd. Hoe verrukkelijk doen die glanzende
koepel en die fijne minaret van de Hasinin-moskee tegen het zuidelijk
azuur! Hoe schilderachtig zijn die kleine straatjes en de bazar,
waar de oosterlingen bezig zijn hun snuisterijen uit te pakken! Nu is
't nog rustig en leeg hier, maar weldra zal de moslem zijn gebeden
prevelen in den toren; zal er vreemdsoortige, lawaaierige muziek
klinken bij de Arabische danseres, die de Italianen zal laten genieten
van een nerveusen _danse du ventre_; dan zullen de kooplieden met
hun roode fez u met een "_bon marché, monsieur!_" naloopen om u hun
waren aan te prijzen en bruine jongens op bloote voeten u trachten
over te halen om op een witten ezel of een hoogen kameelenrug rond te
rijden. En nog lang daarna zal de geur van de rozenolie u herinneren
aan die oostersche atmosfeer van de nagebootste  Nijlstad hier midden
in Lombardije.

Langs Bulgarije, dat zich de weelde van een eigen fraai paviljoen
kon veroorloven evenals vorig jaar te Luik, keeren we weer naar
Midden- en West-Europa terug. We hebben nu het langwerpige paleis
van Frankrijks decoratieve kunst met de 4 smaakvolle ingangen vóór
ons liggen. Uitwendig en inwendig viert de Fransche kunst hier weer
haar triomfen. Wie kan zich daarmeê meten!? Een glans van voornaamheid
ligt over al dat werk.

In een boog om dit gebouw heen liggen drie afdeelingen  die, eenmaal
gereed, tot de belangrijkste der tentoonstelling zullen behooren. Het
zijn: "Automobilisme  en Cyclisme", "Rijtuigfabricage" en "Landbouw";
rococostijl was hier wel de meest aangewezene, maar toch hebben de
architecten de bestemming van de gebouwen gelukkig uitgedrukt in
attributen, symbolische fresco's enz.

Over den inhoud valt nog weinig te zeggen; de automobiel-fabricage
heeft in Italië groote vlucht  genomen en schijnt dan ook kranig te
zullen uitkomen, vooral met luxe-auto's en omnibussen, zooals er hier
thans reeds verscheidene in dienst zijn.

De Landbouw beschikt over uitgestrekte hallen van groote wijdte. Juist
nu het ideaal van den Koning: "een internationaal Landbouw-instituut
te Rome" het eerste stadium van verwezenlijking is ingetreden,
wil Italië eens laten zien hoe ver het op dit gebied is. Dat had
misschien ook op den weg van Nederland gelegen, maar onze landbouw
zal in deze afdeeling slechts vertegenwoordigd worden door een magere
inzending van zuivelproducten en ... een Turksche sigarettenfabriek uit
Amsterdam. Verkeerde indrukken worden op die wijze wèl bevorderd! Te
leeren zal er in deze afdeeling veel zijn, want vooral in Lombardije
staat de landbouw op een hoogen trap. De Italiaansche landbouwer is
een zorgzaam arbeider; dat kan men, door deze vruchtbare laagvlakte
reizende, overal waarnemen.

Wij zijn nu weêr bij het punt van uitgang: het station,
teruggekeerd. Overal stilstaan konden wij natuurlijk niet; men zal
mij de opsomming van reclame-inzendingen, van azuren grotten en een
Afrikaansch dorp, wel willen schenken. Dat alles is _schon dagewesen_
op iedere wereldkermis.

Maar wij mogen toch geen afscheid nemen van de _Piazza d'Armi_ zonder
even binnengeloopen te zijn in het mooie, sprekende paviljoen van
de latijnsche staten van Zuid-Amerika. Deze staten: Peru, Chili,
Uruguay, Guatemala, San Domingo, Brazilië en Argentinië hebben van
praktischen zin blijk gegeven. Hoe ook onderling steeds verdeeld,
heeft ditmaal een zeker ras-instinct hen er toe gedreven om de handen
ineen te slaan tot het verrichten van datgene, waartoe elk op zichzelf
niet krachtig genoeg zou zijn. Elke van de regeeringen dezer landsn
heeft 6000 francs beschikbaar gesteld voor een collectieve inzending,
die er van getuigt, dat men op het zuid-westelijk halfrond nog iets
anders verstaat dan staatsgrepen en omwentelingen op touw te zetten.

De in Italië gevestigde consuls van deze staten, aan wie het
voornamelijk te danken is, dat Zuid-Amerika hier meer op den voorgrond
treedt dan op de laatste wereldtentoonstellingen in Europa, hebben
eer van hun werk, zoo goed als de beeldhouwer Laforet, auteur van
het standbeeld van Christoforus Columbus in de vestibule van het
paviljoen en reeds bekend door het mooie Verdi-monument te Triëst. De
400-jarige sterfdag van den koenen ontdekker van Amerika wordt op 21
Mei bij dat standbeeld plechtig herdacht, o.a. met een redevoering
van Edmond de Amicis.

Op onzen weg naar den uitgang van het terrein passeeren wij
de afdeelingen luchtscheepvaart en meteorologie, die zeker in
nauwe betrekking tot elkaar staan, al is het den vernuftigsten
en stoutmoedigsten luchtschipper nooit gelukt in letterlijken zin
"naar de maan" te gaan. Van tijd tot tijd worden hier op een met
tribunes omringd terrein luchtballons  opgelaten, zoowel bestuurbare
als vrij in het luchtruim zwevende; ook het Duitsche militaire
luchtscheepvaartcorps  doet daaraan meê met zijn sigaarvormige
uitkijkballons; deze zeer vreedzame verkenning van Lombardije vindt bij
het publiek wegens de  bewonderenswaardige vlugheid  en nauwkeurigheid
der exercitiën grooten bijval. Geen wonder; de kleine, weinig gespierde
Italiaansche officieren en soldaten missen dat stramme en stroeve!



Milaan heeft zijn "_settimana di gloria_" gehad! De feesten, waarmede
de blijde begroeting van de jong-geborene is gevierd,  zijn nu weer
voorbij,  de Koning en de Koningin naar Rome teruggekeerd; ook de
vertegenwoordigers van de buitenlandsche dagbladen  en tijdschriften
pakken hun koffers; de tentoonstelling wordt verder  afgewerkt en
Milaan bereidt zich voor op de ontvangst der duizenden vreemdelingen
uit het zuiden  en van over de Alpen.

Veel reclame in het buitenland maakt het Propaganda-comité van de
tentoonstelling niet; het is waarschijnlijk overtuigd,  dat de 120
internationale  congressen, ingezet met het groote en luidruchtige
studentencongres, de automobielen-wedstrijden en gymnastiek-feesten,
de wedrennen en andere hippische feesten, de concerten en historische
optochten, de vuurwerken en illuminaties, de diner's en recepties
onder de auspiciën van Milaan's gastvrije en royale vroedschap,
genoeg aantrekkingskracht zullen oefenen op de duizenden, die een
gelegenheid zoeken om hun zomervacantie aangenaam door te brengen.

"Naar Milaan!" zal het parool zijn van alle toeristen en
toeristenbureaux in het komend seizoen.

De lezer make, na mijn indrukken van de eerste levensdagen der
tentoonstelling, die ik getracht heb zoo objectief mogelijk weer te
geven, gelezen te hebben, voor zichzelf uit of er aanleiding is om
aan dat wachtwoord te gehoorzamen ook voor dengene die geen modeslaaf
wil zijn.

Maar ik ben er zóó zeker van, dat wie het voorrecht  zal hebben deze
tentoonstelling in een later stadium van ontwikkeling of wèl, eerlang
tot vollen wasdom gekomen, te aanschouwen, hier rijke schatten van
leering en genieting zal vergaren, dat ik straks mijn laatsten groet
van de toppen der Alpen aan de tegen den horizont vervagende spitsen
van den Dom niet zal brengen zonder een: "_A rivederci, Milano!_"

_Milaan, Mei 1906_.



Een vliegreisje in het Land der Rijzende Zon

Door T. TJ. DE BOER.


Onlangs gaf een mijner collega's een' al te enthousiasten
aspirant-zeeman den raad: "Als je wat van de wereld wilt zien, ga
dan niet naar zee."

Dit nu klinkt paradoxaal, maar er ligt toch een grond van waarheid
in. Weliswaar bezoeken wij vele plaatsen, doch de zeehavens der wereld
zijn tot op zekere hoogte allen gelijk.

Eerstens is er altijd een groote categorie van menschen, met wie
wij niet in aanraking komen, omdat wij meestal geene introductie
hebben. Dan zijn er de kooplui, die, zoowel aan wal als aan boord,
den armen zeeman steeds trachten af te zetten, hetgeen hij zich met
werkelijk verwonderlijke onverschilligheid laat welgevallen. Verder
zijn er de koelie's, die onder ons toezicht het schip moeten lossen en
laden, en evenmin een hoog als een juist denkbeeld geven van het volk
waartoe zij behooren. En ten slotte is er de buurt waar de zeeman op
de meest ergerlijke wijze wordt geplukt, en die het maar het best is
te mijden.

Bovendien hebben wij vaak weinig tijd en blijft de gelegenheid om
aan land iets te zien wat de moeite loont, gewoonlijk beperkt tot des
avonds of tot een enkelen vrijen Zondag; juist genoeg om ons te doen
wenschen er meer van te kunnen genieten.

Stoomen wij b.v. van Aboji (straat van Simonoseki) naar Kobe door
de Binnenzee van Japan, eene reis van één etmaal, dan valt er veel
te bewonderen. Het kalme, spiegelgladde water, de honderden groene
eilanden en eilandjes, de witte dorpjes, die soms als een vlucht
rustende vogels aan den rotswand schijnen te hangen, en 's avonds het
glanzende maanlicht, de blauw-lichtende zee en de ontelbare lichtjes
der vreemdsoortig gevormde visschersvaartuigen ... dat alles vormt
een bekoorlijk geheel, en wekt in ons het verlangen op, dieper in
het onbekende land door te dringen, een verlangen, dat slechts zelden
bevredigd wordt en, gevoegd bij de kleine ongemakken, aan ons beroep
onvermijdelijk verbonden, een zekere onvoldaanheid teweegbrengt, die
aanleiding geeft tot overdreven verzuchtingen. Want hoe vroolijk de
zeeman ook aan land moge zijn, aan boord is hij een onverbeterlijke
mopperaar.

Slechts aan een geluksvogel, zooals ik was, is het soms gegeven,
land en volk beter te leeren kennen.

Ik lag nl. in September j.l. met mijn schip te Kobe. Wij hadden één
passagier aan boord, een jongmensch, die voor zijn genoegen een reis
met ons meemaakte. Deze wilde eenige dagen in Japan reizen en door
de goedheid van den gezagvoerder kreeg ik verlof, met hem mee te
gaan. Het schip moest nog naar Yokohama en daarna weer terug naar
Kobe. Tot zoolang mocht ik wegblijven.

Door dezen samenloop van omstandigheden ben ik in staat gesteld, mijnen
lezers eene beschrijving te geven van mijn reis door Japan, het land,
dat door zijn ongekend aanpassingsvermogen de geheele wereld heeft
verbaasd en vooral in dezen tijd ieders belangstelling opwekt. Uit
den aard der zaak is deze beschrijving  vluchtig en onvolkomen;
zij maakt volstrekt geen aanspraak op volledigheid, want om een goed
denkbeeld te kunnen geven van dit vreemde en unieke land, moet men
er veel langer vertoeven.

Wij vertrokken 's morgens om 8 uur van boord en lieten ons met een
bootje naar den wal roeien. Een ambtenaar van de douane visiteerde
onze koffers en liet, toen ik mijn kwaliteit bekend maakte, ons met
een ongewoon groote hoeveelheid sigaren ongehinderd door.

Kobe is de drukste havenstad van het land en ligt heel mooi tegen de
bergen aan. Doch wij konden ons hier niet ophouden, lieten ons per
"jinrickisja" naar een kennis brengen, die ons eenige waardevolle
inlichtingen verstrekte, en daarna naar het station.

De jinrickisja (letterlijk: man-kracht-rijtuig), kortweg genoemd
"ricksja", is een hoog, tweewielig voertuig, voorzien van een opzetbare
kap, dat door een man getrokken wordt met een vrij groote snelheid. Het
is het vervoermiddel bij uitnemendheid in Japan, tenminste over niet
te groote afstanden, en heeft van hier zijn weg gevonden naar bijna
alle plaatsen in Oost-Azië. Wij namen een biljet 1ste klasse naar
Tokyo en vertrokken om 10 uur van Kobe.

Het land is over 't algemeen bergachtig en ziet er vruchtbaar
uit. Eigenaardig zijn de vele reclames, op groote borden overal
langs den spoorweg geplaatst. Soms zijn het meer dan levensgroote
menschenfiguren, dan weer enorme flesschen of theepotten of rijwielen,
niet altijd even artistiek, ook ziet men wel hoog tegen de groene
bergen geweldig groote, witte Japansche karakters afsteken,
die den roem van de eene of andere bier- of theesoort mijlen ver
verkondigen. Ten 12.25 verlieten wij te Kyoto den trein. Dat gaat in
Japan zeer gemakkelijk: zoo'n biljet is nl. vijf dagen geldig, het te
laten afteekenen onnoodig. Ook hebben de reizigers 50 kilo bagage vrij.

Kyoto is een groote stad met ± 350000 inwoners. Bijna elf eeuwen
lang was het de hoofdstad van het rijk, totdat in 1869 de zetel der
regeering naar Tokyo verlegd werd.

Wij reden, natuurlijk weder per ricksja, de geheele stad door naar
het Kyoto-hôtel. Dit is zeer mooi gelegen, en biedt een ruim uitzicht
aan over de stad met hare ontelbare, grillig gevormde daken, en met
de bergen tot achtergrond.

Na de lunch gingen wij er op uit, om wat van Kyoto te zien. Het eerst
naar de Hongan-ji, een Boeddha-tempel.

Het Boeddhisme, in de 6de eeuw uit Voor-Indië via China in Japan
ingevoerd, is heden ten dage de meest populaire godsdienst. Het is
verdeeld in 12 secten, die tezamen meer dan 70000 tempels bezitten,
met 60000 bonzen (priesters).

Een vlucht van drie breede, steenen trappen bracht ons bij den
eigenlijken tempel, waaromheen weer kleinere gebouwen zijn, die
tezamen eene groote uitgestrektheid beslaan met tuinen er rondom,
waarin vijvers, bloemperken, enz. Vóór wij binnengingen, werden ons
een paar rood-linnen overschoenen aangetrokken met vervaarlijke punten
(zoo ongeveer als de hofnar van Lodewijk XIV moet hebben gehad),
en daarna werden we in het binnenste van den tempel toegelaten.

Het daglicht drong slechts getemperd tot hier door en het was er
doodstil. Bewonderend keken wij rond. Een altaar, schitterende
van goud, zilver, koper en lakwerk in alle kleuren, een prachtige
troonhemel voor den opperpriester, groote bronzen stellages met tal
van koperen klokjes behangen, vreemdsoortig snij- en  lofwerk, nooit
geziene muziekinstrumenten ... dat alles bracht ons in verwarring.

Ter zijde van het altaar een groot, koperen beeld van Boeddha, de
beenen gekruist onder het lijf en de handen in den schoot met de
palmen naar boven en de knokkels tegen elkaar, den indruk gevende
van intense, passieve, passielooze rust.

Doch daar werd de stilte verbroken. Een op de hurken zittende bonze
sloeg met een stok met dikken knop op een trom van zeer bijzonderen
vorm; met dezelfde regelmatigheid als de balans eener machine ging zijn
arm op en neer, terwijl hij met eentonige stem uit een voor hem liggend
boek half zong, half las. Dof en somber weerklonken de slagen in de
hooge gewelven. Wij haalden diep adem toen wij weer buiten kwamen,
het contrast was ook zeer groot. Een vroolijk zonnetje scheen, vogels
zongen in de boomen en bloemen geurden langs groenomzoomde vijvers,
vol dartelende goudvischjes.

In een afzonderlijk gebouw hing een enorme bronzen klok, wegende
60000 kilo's. Een dikke, horizontale paal, op halver hoogte der
klok opgehangen, kan er door middel van een touw tegenaan gerammeid
worden. Het geluid moet zeer sterk zijn.

We reden voorts nog door een mooi park en daarna naar het station,
teneinde een uitstapje te maken naar Kameoka, een klein plaatsje,
een uur sporens van Kyoto gelegen.

De weg was steeds stijgende en we bevonden ons spoedig te midden
der bergen. Prachtig was het uitzicht. Langs de spoorlijn stroomde
de Hodzu-gawa, een woeste bergstroom, die, vooral waar steenen
en rotsblokken zijn weg willen belemmeren, bruisend opstuift en
schuimend verder gaat. Achtereenvolgens passeerden we acht tunnels,
enkele zeer lang, en een brug over bovengenoemde rivier, die uit een
enkele 85 Meter lange spanning bestaat. Ons plan was, van Kameoka
met een bootje de Hodzu af te varen, een terecht vermaarde tocht,
die geen enkel toerist mag verzuimen.

Om halfzes staken wij van wal in een platboôm-vaartuig, met vier Japs
bemand. Twee roeiden langs de meer kalme gedeelten, één stond voorin
met een stok, en één achterin, sturende met een riem. In 't begin
was er weinig stroom, maar weldra begonnen de stroomversnellingen,
en wanneer wij dan met vliegende vaart langs de overal verspreide
rotsblokken schoten, terwijl het water onder ons en om ons kookte en
ziedde en spatte, had de stuurman al zijne kalmte en koelbloedigheid
noodig, om geen ongelukken te veroorzaken. Soms leek het ons toe,
dat er geen uitweg was, als zouden wij te pletter slaan tegen een'
grooten steen, die dreigend den weg versperde. Doch juist op het
kritieke moment gaf een duw van den man vóór in de boot, of een
behendige draai van den stuurman den steven eene andere wending,
dadelijk gevolgd door dezelfde manoeuvre den tegenovergestelden
kant uit, en het volgende oogenblik--rakelings langs de scherpe
granietmassa's schietende, terwijl de platte bodem op en neer golfde
door de aanraking met de bedding der rivier en het melkwitte schuim
ons bespatte--waren wij de gevaarlijke bocht reeds gepasseerd.

Het was heerlijk, een nieuwe, geheel eenige emotie! En bij de
kronkelingen van den stroom telkens een ander uitzicht, telkens een
nieuw panorama van bergen. In de lente, als de oevers bezaaid zijn
met roode azalea's, moet het bovenal mooi zijn.

Intusschen werd het reeds duister, doch nog geenszins verveelde ons
de tocht. En toen spoedig daarna de volle maan boven de bergen rees
en met zilveren licht en fluweelen schaduw speelde, werd het tooneel
tooverachtig en maakte een diepen indruk op ons.

Eindelijk waren de stroomversnellingen achter den rug en dreven
wij over den zich verbreedenden vloed kalm voort. Uit de theehuizen
aan den waterkant klonk zang en dans van "geisja's", en bootjes vol
jongelui voeren ons voorbij met muziek, die zachte, droomerige muziek
der Japanners.

Het was zeven uur toen wij te Saga weer aan wal stapten en naar Kyoto
terugspoorden. Wij aten in een Japansch restaurant, gelegen op een
zeer druk punt, uitgebouwd boven de rivier en verlicht door kleurige
lampions, waar wij door jonge meisjes in nationaal kostuum bediend
werden--zooals trouwens in alle hôtels, restaurants, logementen en
theehuizen in Japan;--daarna wandelden wij de stad eens door.

Indien het mooi weer is--en dat is het bijna altijd in dit
bloemenland--heerscht er tot diep in den nacht voortdurend een
vroolijke drukte op straat. Alles is uniek en zonderling en oefent eene
ongewone bekoring uit op den vreemdeling, die hier voor het eerst komt.

Krijgt men van de koelies aan boord, met hunne half brutale, half
bevreesde houding en eene mengeling van arrogantie en nieuwsgierigheid,
geen gunstigen indruk, die indruk verdwijnt spoedig, indien men nader
met het volk in aanraking komt. Hunne beleefdheid, ook jegens elkander,
is spreekwoordelijk; nergens heb ik zóóveel zien buigen; zelfs wanneer
twee ricksjakoelies elkander iets mededeelen, gaat zulks met vele
strijkages gepaard; en het is werkelijk een typisch gezicht, als men
eene familie eenige kennissen van den trein ziet halen. Waarlijk,
in dit opzicht kunnen wij met onze westersche beschaving veel van
hen leeren. En die beleefdheid gaat hen zoo natuurlijk af, dat men
voelt dat zij uit het hart komt.

Het levendige gewoel door de meestal nauwe straten, de vreemde kleeding
en typen die men ziet, de rijk voorziene winkels, waar zooveel moois
uitgestald wordt dat men in Europa zelden of nooit tegenkomt,... dat
alles maakte ons het scheiden moeilijk; eindelijk zochten wij toch
ons hôtel op en begaven ons ter ruste.

De tweede dag was bestemd voor een bezoek aan Nara, een aardig stadje,
2 uren sporens van Kyoto. De weg er heen biedt mooie vergezichten aan;
men vindt er uitgestrekte theeplantages.

Midden in het stadje is een groote vijver, die wemelt van schildpadden
en roode en bruine karpers. Klapt men in de handen, dan komen zij
allen aanzwemmen, en werpt men ze brood toe, dan is het een leuk
gewemel van pooten en koppen en schilden en vinnen; en 't is geen
ongewoon gezicht, een karper boven op een kluwen van schildpadden
te zien spartelen,  één voet boven het water. De visschen, met hun
grooteren bek, zijn er het best aan toe; men zou dus gevoegelijk van
karper-aandeel kunnen spreken. Na hier lang genoeg vertoefd te hebben,
lieten wij ons naar den Kasuga-Miya brengen, een Shinto-tempel.

De Shinto-dienst is een inlandsche godsdienst en bestaat in de
vereering der keizerlijke voorvaderen, helden of geleerde mannen, die
veel voor het rijk opgeofferd hebben. Er zijn bijna 200.000 altaren
en tempels, over geheel Japan verspreid, waarin meer dan 800 goden,
halfgoden en heroën worden gehuldigd.

Men kan een Shinto-tempel altijd gemakkelijk van een Boeddha-tempel
onderscheiden door de "Torii", een poort van bijzonderen vorm en van
hout of steen vervaardigd; terwijl men tot de laatste toegang verkrijgt
door de "Sanmon", een poort van twee verdiepingen. Ook zijn de eerste
gewoonlijk veel eenvoudiger van constructie en minder mooi versierd.

Onder de rood-verlakte Torii doorgaande, voert een smalle weg,
aan weerskanten beplant met eeuwenoude denneboomen, naar den
tempel. Honderden tamme, heilige herten loopen hier vrij rond
en eten uit onze hand de koekjes, die in kraampjes te koop worden
aangeboden. Overal langs de lanen van het park, waarin deze tempel met
nog eenige andere gelegen is, staan ijzeren of steenen lantarens van
drie voet tot drie meter hoogte, die tezamen het respectabel aantal van
3000 bereiken, welke ééns per jaar van lampjes voorzien en aangestoken
worden, het park herscheppende in een feeëntuin. Verder vindt men er
gansche straten van winkels, waarin alleen voorwerpen worden verkocht,
vervaardigd uit de geweien der heilige herten.

Geheele scharen bezoekers dwaalden door de kronkelende laantjes en
bleven soms voor een of ander altaar staan, ten einde een kort gebed
te doen of een handjevol rijst te offeren.

Het merkwaardigste was wel een stal met een heilig paard er in, dat men
voor een paar centen een zekere hoeveelheid boonen te eten kon geven,
benevens eenige gepoederde dansmeisjes, die, ook al weer voor geld,
een heiligen dans uitvoerden.

Vervolgens reden wij naar het eigenlijke doel van den tocht: de
Daibutsu of groote Boeddha, die zich bevindt in den tempel genaamd
Todai-ji, gesticht in de 8ste eeuw. Deze tempel is 50 meter hoog,
90 meter lang en 55 meter breed en bevat weinig meer dan het enorme
beeld, het grootste in geheel Japan. Met de beenen gekruist onder
het lijf, zit de Boeddha op een lotus-bloem, die eveneens van koper
is. In drie jaren tijds is men er, na herhaalde mislukkingen, in
geslaagd dit beeld te gieten.

Wederom trof mij die massale rust, die glimlach van absolute
onpersoonlijkheid; hier echter is de rechterhand waarschuwend
opgeheven. De oogen staren oneindig ver weg, als om aan te duiden,
dat de ziel van den Boeddha in het Nirwâna vertoeft.

Overweldigend moet de indruk van het beeld zijn op den eenvoudigen
geloovige, die opziet naar zijn Meester. Niet de vrees van den wilden
heiden, die slechts aarzelend zijn angstaanjagend afgodsbeeld nadert
en door allerlei formules diens toorn en wraak zoekt te bezweren, maar
eerbied en bewondering vervullen hem voor den mensch, voor Gautama,
den Boeddha, den Indischen prins, die vóór vierentwintig eeuwen vrouw
en kind, rijkdom en macht, troon en vaderland verliet om de Waarheid
te zoeken, en Haar eindelijk, na lange jaren van lijden en ontbering,
twijfel en dwaling, vallen en opstaan, vond in zijn eigen hart....

Niet ver van dezen tempel staat een pagode van vijf verdiepingen
(er zijn er wel met tien), waarvan de fraaie lijnen onze bewondering
afdwongen. De spits is zeer eigenaardig en doet denken aan een
kurketrekker.

Daar hiermede het voornaamste van Nara was gezien, zochten wij
een Japansch restaurant op. Hier vroeg men ons, zooals trouwens
bijna overal, of wij Amerikanen waren; niet, omdat wij er zoo echt
Yankee-achtig uitzagen, maar, naar ik veronderstel, omdat van de
touristen de Amerikanen het grootste percentage vormen. Ze kenden
echter allen Holland, ook al hadden ze dikwijls nooit van Amsterdam
gehoord.

Doch niet alleen uit het Oosten, ook uit het Westen komen jaarlijks
vele vreemdelingen Japan bezoeken. Het verwonderde mij daarom, dat
wij altijd nog de aandacht trokken. Vaak merkte ik op, dat moeders
ons hunnen kinderen aanwezen. Of dat steeds met even vleiende woorden
gepaard ging, durf ik betwijfelen. Misschien vertelden zij de kleinen
wel, dat dat nu "die blanke barbaren met hunne leelijke, ronde oogen"
waren, of dat zoo ongeveer de groote Russen er uitzagen, die van de
kleine Japanners zoo leelijk op hun gezicht kregen.

Stonden wij b.v. in een winkel, die veelal over dag aan de straatzijde
geheel open is, dan verzamelde zich al spoedig een groepje menschen
er voor en keek nieuwsgierig naar ons, maar week beleefd op zijde,
als wij weer op straat kwamen. Was de winkelier soms aan het einde van
zijn Engelsch gekomen, dan trad gewoonlijk iemand uit het publiek, die
zich daartoe bekwaam achtte, naar voren en deed dienst als tolk. Hij
glom dan van genoegen, zeker evenveel door het toonen van zijn kennis
als het believen van den vreemdeling.

Over het algemeen spreken in Japan de lieden, die met Europeanen in
aanraking komen, vrij goed Engelsch en dat is maar goed ook. Want
hunne taal leert men niet spoedig, vooral omdat zij vreemde
karakters gebruiken. In de havenplaatsen worden op uithangborden,
naamplaatjes enz. wel altijd de gewone letters er onder gezet--waarbij
soms vermakelijke fouten worden gemaakt--doch in het binnenland
ziet men zulks zelden. En met gebarentaal ondervond ik altijd
moeilijkheden. Niemand heeft die taal geleerd, hoewel elk haar kent,
maar ieder