Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"
Author: Verne, Jules, 1828-1905
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                         WONDERREIZEN.

                          JULES VERNE


                         CESAR CASCABEL

                     "DE SCHOONE ZWERFSTER"


                           AMSTERDAM
                UITGEVERS-MAATSCHAPPY "ELSEVIER"



INHOUD.



    I.     Een man van fortuin
    II.    De familie Cascabel
    III.   De Sierra Nevada
    IV.    Een gewichtig besluit
    V.     Op reis
    VI.    Vervolg van de reis
    VII.   Dwars door Caribou
    VIII.  Het "Schurkendorp"
    IX.    Niemand passeert hier
    X.     Kayette
    XI.    Sitka
    XII.   Van Sitka tot het Fort Youkon
    XIII.  Een inval van Cornelia Cascabel
    XIV.   Van Fort Youkon naar Port-Clarence
    XV.    Port-Clarence
    XVI.   Vaarwel aan de Nieuwe Wereld



I.

EEN MAN VAN FORTUIN.


--Heeft er niemand geld meer bij zich? Komaan kinderen, zoekt eens
in uwe zakken!

--Hier heb ik nog wat, vader, antwoordde het meisje.

Uit haar zak bracht zij een groen papiertje te voorschijn, vierkant,
vet en beduimeld. De woorden _United States fractional currency_
die er op gedrukt stonden als randschrift rondom het borstbeeld van
een heer in burgerkleeding, met het cijfer 10 zesmaal herhaald in de
hoeken, waren nauwelijks meer te lezen. Dit beteekende dat het tien
Amerikaansche centen, of ongeveer een hollandsch kwartje waard was.

--Hoe komt ge daaraan? vroeg de moeder.

--Dat heb ik den laatsten keer opgehaald, was het antwoord van
Napoleona.

--Hebt gij niets meer, Sander?

--Niemendal vader.

--En Jan?

--Geen cent.

--Hoeveel moet ge dan nog hebben Cesar? vroeg Cornelia aan haar man.

--Als wij eene ronde som hebben willen, komen er twee centen te kort,
verklaarde mijnheer Cascabel.

--Hier zijn ze, patroon, kwam Kruidnagel vertellen terwijl hij een stuk
kopergeld, dat hij uit de diepte van een zijner zakken had opgedoken,
door de lucht liet vliegen.

--Mooi zoo, Nageltje! riep de kleine meid.

--Mooi, nu zijn wij er! liet Cascabel volgen.

Inderdaad: »hij was er«, om de woorden van den braven kunstenmaker
te gebruiken. In het geheel had hij twee duizend dollars bijeen,
dat is ten naasten bij vijf duizend gulden.

Vijf duizend gulden, door eigen talent en vlijt aan de goedgeefschheid
van jan en alleman afgedwongen, is dat niet een fortuintje?

Cornelia gaf haar man een zoen en al de kinderen volgden een voor
een haar voorbeeld.

--Nu moeten wij ons eene brandkast aanschaffen, hernam Cascabel,
een mooie brandkast met een geheim slot, om onzen schat te bewaren.

--Is dat werkelijk noodig? vroeg Cornelia, altijd een weinig bang
voor buitensporige uitgaven.

--Cornelia, wij kunnen er niet buiten.

--Zou een geldtrommel niet voldoende zijn?

--Dat is nu weer zoo'n vrouwenpraatje! riep Cascabel. Een trommel,
dat is goed om oorringen en armbanden in te bewaren. Voor baar geld
is eene brandkast noodig of op zijn minst een geldkist, vooral omdat
wij met onze vijfduizend gulden eene lange reis hebben te maken.

--Nu, koop dan een geldkist, maar denk er aan dat ge
afdingt! waarschuwde de zuinige Cornelia.

Het hoofd des gezins opende de deur, die toegang gaf tot het »prachtige
en sterke rijtuig«, dat de reizende familie tot woning diende. Hij
stapte de ijzeren trede af die vóór de deur hing en sloeg eene der
straten in welke naar het hart der stad Sacramento voerden.

Het kan in de maand Februari koud zijn in den staat Californië,
ofschoon die op gelijke aardrijkskundige breedte ligt als Spanje. Maar
gewikkeld in zijn wijden mantel met nagemaakt marterbont gevoerd
en met zijne pelsmuts over de ooren, kon mijnheer Cascabel de koude
weinig deren en stapte hij vroolijk voort. Een geldkist, eindelijk een
geldkist te bezitten, was iets waar hij zijn leven lang van gedroomd
had. Die droom stond op het punt werkelijkheid te worden!

Hetgeen wij bezig zijn te vertellen viel voor in de tweede maand van
het jaar 1867.

Negentien jaren vóór dat tijdstip was de plek waar tegenwoordig de
stad Sacramento staat, nog niets dan eene groote, ledige vlakte met
een fortje in het midden, een soort van versterkt blokhuis, dat door
de _Settlers_ en de eerste reizende kooplieden gebouwd was om tegen
de aanvallen der West-Amerikaansche Indianen beveiligd te zijn. Maar
nadat de Amerikanen het land van de Mexicanen afgenomen hadden,
die te zwak waren om het naar behooren te verdedigen, was er in den
toestand van Californië spoedig verandering gekomen. Het fortje had
plaats gemaakt voor eene stad en die was na nog geen twintig jaren
eene van de aanzienlijkste steden in de Vereenigde Staten geworden,
zonder dat herhaalde branden en overstroomingen in staat waren geweest
dien snel wassenden omvang te stuiten.

In 1869 had mijnheer Cascabel dus niets meer te vreezen van vijandige
Indiaansche stammen. Ook werd de publieke weg niet langer onveilig
gemaakt door roofzuchtige vagebonden uit alle landen der aarde, die in
1849 Californië kwamen overstroomen. In dat jaar werden de goudmijnen
ontdekt, die een weinig meer naar het noordwesten, op de vlakte
van Grass-Valley gelegen zijn en onder welke de beroemde mijn van
Allison-Ranch, waarvan het gesteente gemiddeld een halven gulden aan
goud op iedere kilogram erts bevatte, het meest vermaard is geworden.

Die tijd, met zijne ongehoorde fortuinmakerij, vaak gevolgd door een
nog sneller ondergang, gepaard met de diepste armoede, was thans
voorbij. Geen goudzoeker was er meer te vinden, zelfs niet in het
district Caribou, een gedeelte van engelsch Columbia, noordelijk
van het Washington-territorium, waar nog in 1863 de mijnwerkers
bij duizenden werden aangetroffen. Geen gevaar dus dat Cascabel's
spaarduitje, in den letterlijken zin van het woord door hem in het
zweet zijns aanschijns bijeengebracht en nu met zorg in de zakken
van zijnen mantel geborgen, hem onderweg ontstolen kon worden. Om
de waarheid te zeggen was het aanschaffen van eene geldkist dan ook
voor het veilige bewaren van zijnen schat niet zóó onontbeerlijk
als hij voorgaf. Maar hij hechtte er aan omdat hij voornemens was
eene groote reis te ondernemen door de weinig bezochte streken van
het verre Westen, waar het misschien minder veilig zou zijn dan in
Californië. Het doel dier reis was naar Europa terug te keeren.

Onbekommerd vervolgde mijnheer Cascabel dus zijnen weg door de breede
en nette straten van Sacramento. Hij ging over statige vierkante
pleinen, in den zomer beschaduwd door zware boomen die nu hun
bladerenkroon misten, omringd van weelderige hôtels en particuliere
huizen, sierlijk en geriefelijk gebouwd, van openbare gebouwen in
nieuw-engelschen stijl, van monumentale kerken vooral, door welk
een en ander de hoofdplaats van Californië geheel het voorkomen van
eene groote stad heeft. De straten waren vol bedrijvige menschen,
kooplieden, reeders, fabrikanten, sommige het hoofd vol van de
scheepsladingen die over de breede rivier of naar den Stillen Oceaan
op reis waren, andere op weg naar den Folson-spoorweg, die de kortste
gemeenschap met het hart der Vereenigde Staten vormt.

Onder het fluiten van een franschen militairen marsch richtte
Cascabel zijne schreden naar de High-Street. Daar had zijn vorschend
oog eenen winkel opgemerkt waar een mededinger van de beroemdste
brandkastenmakers der wereld zijne waren te koop bood. Wat in het
magazijn van William J. Morlan verkocht werd, had den naam van goed
en niet duur te zijn, in betrekkelijken zin altijd en in aanmerking
genomen den hoogen prijs van alle fabrieks-artikelen in de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika.

William J. Morlan bevond zich in zijn magazijn toen Cascabel daar
binnentrad.

--Uw dienaar, mijnheer Morlan, begon hij. Ik zou mij wel eene geldkist
willen aanschaffen.

William Morlan kende Cascabel, even als ieder in Sacramento hem
kende. Was hij niet sedert drie weken de beste straatkunstenaar die
zich in de stad bevond! Heel beleefd antwoordde de fabrikant dus:

--Eene geldkist mijnheer Cascabel? nu, daar wensch ik u van harte
geluk mede.

--Hoe bedoelt gij dat?

--Wel, omdat iemand die eene geldkist komt koopen, wel eenige zakken
dollars te bewaren moet hebben.

--Dat zal wel waar zijn, mijnheer Morlan.

--Welnu neem dan deze, antwoordde de winkelier, terwijl hij op eene
manshooge brandkast wees, die goed op hare plaats geweest zou zijn
in het kantoor van de gebroeders Rothschild of van andere bankiers,
die in den regel goed van geld voorzien zijn.

--Bedaard wat! hernam Cascabel. Die zou groot genoeg zijn om er mijn
geheele gezin in te bergen. Nu is dat wel mijne kostbaarste bezitting,
maar die behoef ik niet achter slot te bewaren. Zeg eens, mijnheer
Morlan, hoeveel geld zou er wel in die verbazende kast gaan?

--Eenige millioenen goudgeld.

--Eenige millioenen zegt gij? Dan zal ik later wel eens terugkomen
als ik die heb. Wat ik zoek is een kleine stevige kist, die ik onder
mijn arm nemen en achter in mijn wagen zetten kan als wij op reis zijn.

--Die heb ik ook voor u, mijnheer Cascabel.

De fabrikant haalde eene geldkist met een veiligheidsslot voor den
dag. Het gewicht er van was niet meer dan een pond of twintig. Van
binnen was de kist in laden en loketten verdeeld, evenals de kasten
waar geld en geldswaardig papier in de banken in bewaard wordt.

--Bovendien is zij tegen het vuur bestand, waar wij bij den verkoop
voor instaan, voegde Morlan er bij.

--Uitstekend, uitstekend! hernam Cascabel. Indien gij ook voor de
deugdelijkheid van het slot instaat, wil ik die kist wel hebben.

--Het is een slot met geheime sluiting, hernam de koopman, Het bestaat
uit vier letters, waarvan uit vier alfabetten een woord gekozen kan
worden, zoodat er bijna vier maal honderd duizend samenvoegingen te
bedenken zijn. In den tijd dien een dief noodig zou hebben om het
woord te vinden, zou hij een millioen keeren in de gevangenis gezet
kunnen worden.

--Een millioen keeren, zegt gij, mijnheer Morlan? Dat is waarlijk
verbazend! Maar wat is de prijs er van? Gij begrijpt dat een geldkist
te duur betaald zou zijn wanneer zij meer kostte dan hetgeen iemand
er in te bergen heeft.

--Volkomen juist, mijnheer Cascabel. Ik vraag er dan ook niet meer
dan zes en een halven dollar voor.

--Zes en een halven dollar? hernam Cascabel. Dat staat mij maar half
aan, die zes en een halve dollar. Komaan mijnheer Morlan, om zaken
te doen moet men wat toegeven. Zullen wij voor vijf dollars den
koop sluiten?

--Nu dan, omdat gij het zijt, mijnheer Cascabel.

Met eenen handslag werd de koop bezegeld. Toen vroeg de fabrikant of
hij de kist naar de rollende woning van den kunstenmaker wilde laten
brengen, aangezien het niet te pas kwam dat de eigenaar zelf er mede
onder den arm liep.

--Hoe heb ik het nu met u, mijnheer Morlan? Een man als ik, die met
gewichten van veertig pond speelt alsof het noten waren!

--Word maar niet boos. Onder ons gezegd en gebleven, hoeveel wegen
eigenlijk uwe gewichten van veertig pond?

--Precies vijftien pond, maar vertel het aan niemand anders! antwoordde
Cascabel.

Lachende en als een paar goede vrienden namen de fabrikant en de
kunstenmaker van elkander afscheid.

Een half uur later hield de gelukkige bezitter van de geldkist
zijnen intocht op het pleintje waar zijn wagen stond. Met niet weinig
zelfvoldoening zette hij »de kas van de firma Cascabel« op hare plaats.

Wat was het jonge volkje trotsch op het nieuwe meubel! Hoe blijde
waren zij er mede! Zij werden niet moede de kist open te maken en
weer te sluiten. De kleine Sander had er wel in willen kruipen om
verstoppertje te spelen. Maar dat kon niet want Sander was te lang
en om er krom in te liggen was de kist niet breed genoeg!

Kruidnagel verklaarde nooit zoo iets moois gezien te hebben, zelfs
niet in zijne droomen.

--Wat een moeite moet het kosten om dat ding open te maken, zeide
hij. Ten minste als het goed sluit, want anders moet het heel
makkelijk gaan.

--Dat is eene waarheid als eene koe, antwoordde de patroon. Op
eenen toon van gezag waar niets op te antwoorden viel en met een
veelbeteekenend gebaar, waarvan de bedoeling voor niemand twijfelachtig
kon zijn, liet hij toen volgen:

--Komaan kinderen, neemt uwe beenen op en gaat het een en ander halen
waar wij als koningen van smullen kunnen! Hier is een dollar waar gij
voor koopen moogt wat gij wilt. Ik ben de man die van daag trakteert!

Alsof de brave kerel niet iederen dag »trakteerde«! Maar dat was
een van de grappen die hij het liefst uithaalde en waar hij zelf het
hartelijkst om lachte.

In een oogenblik waren Jan, Sander en Napoleona uit zicht, gevolgd
door Kruidnagel met eene groote mand onder zijn arm om alles wat zij
gingen aanschaffen te dragen.

--Nu zijn wij alleen Cornelia, begon Cascabel. Laat ons nu een
oogenblik praten.

--Waarover Cesar?

--Waarover? Wel over het woord dat wij kiezen moeten om het
slot van onze geldkist toe te maken. Niet dat ik de kinderen niet
vertrouw. Lieve hemel dat zijn engelen, en evenmin om dien onnoozelen
Kruidnagel, want die is de eerlijkheid in persoon. Maar zulke woorden
moeten toch geheim gehouden worden.

--Neem maar een woord dat u het beste voorkomt, antwoordde
Cornelia. Wat gij wilt, vind ik goed.

--Hebt gij in 't geheel geene keus?

--Och neen.

--Ik voor mij zou liefst den naam van iemand nemen.

--Ja, ja ..., dat is goed. Den Uwen, Cesar.

--Dat kan niet want die is te lang! Het moet een naam zijn van niet
meer dan vier letters.

--Laat dan eene letter van den uwen weg. Cesar is even goed zonder R,
zou ik denken! Wij kunnen immers precies doen wat wij willen?

--Bravo, Cornelia! Dat is een goede inval, een van die invallen zooals
gij er dikwijls hebt. Maar als wij het er over eens zijn dat wij eene
letter uit eenen naam kunnen nemen, zie ik niet in waarom wij er geen
vier zouden weglaten en dan uit den uwen.

--Uit mijn naam?

--Wel zeker! De laatste vier letters er van: E L I A. Dat klinkt
zelfs nog mooier, vind ik.

--Hoe bedenkt ge het, Cesar?

--Zult ge het niet pleizierig vinden als uw naam de sluiting van onze
geldkist wordt?

--Zeker, vooral omdat hij in uw hart reeds geschreven staat, antwoordde
Cornelia innig en vol geestdrift.

Met ongehuichelde verrukking zoende zij haar braven man dat het klapte.

Zoodoende gebeurde het dat wie ter wereld het woord ELIA niet kende,
er nimmer in slagen zou de geldkist van de familie Cascabel open
te krijgen.

Na een half uur kwamen de kinderen terug met mondkost beladen. Het
waren heerlijke sneden ham en pekelvleesch, en van die verbazende
groenten zooals de vruchtbare grond van Californië ze voortbrengt,
koolen met stronken als boomen, aardappelen als meloenen, wortelen ter
lengte van een halven meter, die met geen andere te vergelijken zijn,
was Cascabel gewoon te zeggen, dan met die welke men onderweg uit den
grond trekt zonder de moeite te hebben van ze eerst te planten. Voor
de dranken is er in Californië eene rijke keus uit alles wat eene
amerikaansche keel kan streelen. Op het feestmaal der Cascabel's had
ieder een groot glas schuimend bier tot zijne beschikking en aan het
dessert eene fijne flesch sherry voor allen.

Cornelia had niet veel tijd noodig om, door Kruidnagel, haar gewonen
koksknecht, geholpen, het maal te bereiden. De tafel werd gedekt
in de tweede afdeeling van den reiswagen, gewoonlijk de woonkamer
genoemd, waarin eene aangename warmte heerschte tengevolge van het
in de aangrenzende ruimte brandende keukenfornuis. De eetlust van
vader, moeder en kinderen, die nooit te wenschen overliet, was dezen
dag buitengewoon. De omstandigheden in aanmerking genomen, was dat
geen wonder.

Toen het eten afgeloopen was, richtte mijnheer Cascabel tot allen het
woord, waarbij hij den plechtigen toon aansloeg waarmede hij gewoon
was het »geëerde publiek« toe te spreken.

--Morgen, kinderen, zeide hij, verlaten wij Sacramento, die nobele
stad, met hare nobele ingezetenen, over wie wij niet anders dan roemen
kunnen, onverschillig of hunne huid blank, rood of zwart ziet. Maar
Sacramento ligt in Californië; Californië is een stuk van Amerika en
Amerika is Europa niet. Een mensch heeft maar één vaderland. Europa,
dat is Frankrijk en het is waarlijk niet te vroeg wanneer wij naar
Frankrijk terug verlangen na er zoovele jaren van gescheiden te zijn
geweest. Hebben wij in dien tijd fortuin gemaakt? Om de waarheid te
zeggen: neen! Intusschen zijn wij eigenaars van een zeker aantal
dollars, die in onze geldkist een goed figuur zullen maken nadat
wij ze in fransch goud- of zilvergeld ingewisseld zullen hebben. Een
deel van dat bedrag zullen wij besteden om den Atlantischen Oceaan
over te steken op een der snelvarende stoomschepen van wier top de
driekleur wappert die onze Napoleon weleer in de hoofdsteden aller
landen geplant heeft. Cornelia, ik drink op uwe gezondheid!

Moeder Cascabel knikte vriendelijk met het hoofd, in antwoord op deze
beleefdheid die haar man haar dikwijls bewees, als wilde hij zijne
dankbaarheid toonen voor de moeite die zij zich gegeven had om hem in
de personen zijner kinderen de evenbeelden van Hercules en Achilles
te schenken.

Toen sprak hij weder:

--Ook drink ik op onze behouden reis! Mogen gunstige winden onze
zeilen doen zwellen!

Hij zweeg teneinde gelegenheid te hebben allen voor het laatst uit
de heerlijke sherry-flesch nog eens in te schenken.

--Intusschen, mijn vriend Kruidnagel, zult gij misschien de opmerking
maken dat er na het betalen van onze passage niets meer in de geldkist
over zal zijn?

--Daar ben ik niet bang voor patroon..... ten minste als de plaatskaart
op de booten, gevoegd bij die op de spoorwegen niet zóóveel kost.......

--Wat praat ge van spoorwegen, van _rail-roads_, zooals de Yankees
zeggen, riep Cascabel. Maar onnoozel schepsel, onbekwaam tot eenige
redeneering, daar reizen wij niet mede! Van Sacramento tot New-York
reken ik dat het vervoer ons niets kosten zal, want daar gebruiken wij
ons huis op wielen voor. Een honderd of wat mijlen rijdens, daar zal,
vermoed ik, de familie Cascabel zich niet door laten afschrikken,
zij die nooit anders gewoon is geweest dan de wereld door te rollen!

--Dat spreekt van zelf, bevestigde Jan.

--Wat eene vreugde zal het voor ons zijn, Frankrijk terug te
zien! zeide moeder Cascabel.

--Frankrijk, kinderen, begon haar man weder, dat gij geen van allen
kent, want gij zijt in Amerika geboren; het schoone Frankrijk dat gij
eindelijk zult aanschouwen. Welk een geluk, Cornelia, voor u die uit
Provence, en voor mij die uit Normandië ben, er weder heen te gaan
na eene afwezigheid van twintig jaren!

--Ja, Cesar, wat een geluk!

--Zie Cornelia, al werd mij nu eene plaats aangeboden in den
kunstenmakerstroep van Barnum, ik zou er voor bedanken. Niets is langer
in staat mij hier te houden. Ik wil naar mijn land terug, al moest ik
er op mijne handen naar toe loopen. Ik voel dat ik het heimwee heb,
en dat is niet anders te genezen dan door naar het vaderland terug
te gaan. Dus moeten wij er zonder uitstel heen!

Wat Cesar Cascabel zeide, was de waarheid. Hij en zijne vrouw dachten
aan niets anders meer dan aan hunnen terugkeer naar Frankrijk. Welk
eene zelfvoldoening was het voor beiden, het geld er voor eindelijk
bijeen te hebben!

--Morgen gaan wij op marsch, zeide Cascabel.

--Zou dat misschien onze laatste reis niet kunnen zijn? vroeg Cornelia.

--Vrouw, antwoordde haar man met waardigheid, ik ken maar ééne laatste
reis, dat is die waarvoor er van onzen Lieven Heer geen retourbiljet
te krijgen is.

--Nu ja, Cesar, maar zullen wij niet, vóór dat wij die reis ondernemen,
fortuin gemaakt hebben en van het werken kunnen uitrusten?

--Rusten, Cornelia? Nooit. Ik wil geen fortuin maken indien het gevolg
daarvan moet zijn dat ik stil moet gaan zitten. Gelooft gij dat ge het
recht hebt de talenten ongebruikt te laten waarmede de natuur u zoo
mild begiftigd heeft? Denkt gij dat ik met mijne armen over elkaar
zal gaan loopen, op gevaar af dat mijne gewrichten hunne lenigheid
verliezen zullen? Kunt gij het u voorstellen dat Jan zijne kunsten
als equilibrist verzaken zal; dat Napoleona zal ophouden te dansen
op het gespannen koord, met of zonder balanceerstok; dat Sander niet
langer gezien zal worden als het toppunt der menschen-piramide, en dat
zelfs Kruidnagel niet meer zijn half dozijn muilperen in de minuut zal
waarnemen, tot groote verlustiging van het geëerde publiek? Neen, mijne
Cornelia! Zeg mij dat de zon zal worden uitgedoofd door den regen, dat
de oceaan verdwijnen zal in de maag der visschen, maar zeg mij niet dat
er een oogenblik komen zal waarop de familie Cascabel rust zal nemen!

Zij hadden nu niets anders meer te doen dan alles gereed te maken
voor de reis, teneinde den volgenden ochtend, zoodra de zon boven
Sacramento zou opgaan, den tocht te aanvaarden.

De namiddag werd daartoe besteed. Onnoodig te zeggen dat de vermaarde
geldkist op eene veilige plek in de achterste afdeeling van den wagen
neergezet was.

--Op deze manier, merkte Cascabel op, kunnen wij dag en nacht het
oog er op houden.

--Ik begin hoe langer hoe meer in te zien dat het eene goede gedachte
van u geweest is, Cesar, antwoordde Cornelia. Ik heb geen spijt van
het geld dat wij er voor betaald hebben.

--De kist is alleen misschien wat klein, vrouw. Maar als onze »sok«
grooter wordt, kunnen wij er altijd eene ruimere aanschaffen.



II.

DE FAMILIE CASCABEL.


Cascabel! Die naam was bekend, ja vermaard in alle vijf
werelddeelen,--»en in andere plaatsen«, was de man gewoon te zeggen
die de eer had hem te dragen.

Cesar Cascabel was afkomstig uit Pontorson in het hart van Normandië,
en al de gauwigheid, al de slimme streken, door welke het Normandische
ras beroemd is, waren hem eigen. Maar zoo geslepen en gevat als hij
zijn mocht, hij was altijd een eerlijk man gebleven, en niemand had
het recht hem te tellen onder de schurftige schapen van de zwervende
kudde der straatkunstenmakers. Hij was een oppassend huisvader, die
door zijne goede eigenschappen als mensch ruimschoots goed maakte
wat zijne nederige afkomst en zijn ongeregeld beroep hem misschien
te kort mochten doen komen.

Hij was op het tijdstip waarop wij hem leeren kennen, vijf-en-veertig
jaren oud en zag er ook uit als een man van dien leeftijd. Onder den
blooten hemel geboren, in letterlijken zin, was de mand, die zijn vader
op den rug droeg en waarmede hij de dorpskermissen en jaarmarkten in
Normandië afreisde, zijne wieg geweest. Zijne moeder was kort na zijne
geboorte gestorven, eenige jaren later verloor hij ook zijnen vader en
toen had een rondreizende kunstenmakerstroep, die juist voorbijtrok,
hem tot zich genomen. Zoo had hij zijne kinderjaren doorgebracht met
op zijn hoofd te staan, op zijne handen te loopen en sprongen in
de lucht te maken. Hij werd achtereenvolgens paljas, kunstenmaker
in alle vakken en verdiende met de vlugheid zijner ledematen en de
kracht zijner spieren voor zichzelf den kost, tot op het oogenblik
toen hij kennis maakte met de tegenwoordige mevrouw Cascabel, van
haarzelve Cornelia Vadarasse genaamd, uit Martigues in Provence
geboortig, die hem achtereenvolgens drie kinderen schonk. Zoo was
hij zelf de bestuurder van eenen troep geworden, waarvan zijn gezin
de sujetten leverde.

Hij was schrander en vernuftig, sterk en lenig, meer dan de meeste
andere menschen; maar zijne zedelijke eigenschappen deden niet onder
voor die van zijn lichaam en verstand. Het is wel waar dat een rollende
steen geen blijvende plaats bekomt, maar onder het schuren tegen de
andere steenen en de distelen van den weg wordt hij ten minste glad
en glimmend en slijten de scherpe hoeken er af. In de vijf-en-veertig
jaren dat hij aan 't rollen was, had Cesar Cascabel zooveel geleerd
en ondervonden, dat hij van het leven alles wist wat iemand er van
te weten kan komen. Hij verwonderde zich over niets meer en niets
was meer in staat hem van zijn stuk te brengen. Al zwervende van
de eene kermis naar de andere in alle landen van Europa, in Amerika
zoowel als in de nederlandsche en spaansche koloniën, had hij bijna
alle talen leeren verstaan en wist hij er zich ten naastenbij ook in
verstaanbaar te maken, »zelfs in die welke hij niet sprak« was hij
gewoon te beweren. Want als de taal hem in den steek liet, had hij
altijd zijne zeer sprekende gebaren tot zijne beschikking.

Cesar Cascabel was iets meer dan middelmatig van lengte, krachtig van
lichaamsbouw, goed geëvenredigd van ledematen. Zijn onderkaak stak
een weinig naar voren, hetgeen een teeken van geestkracht is; hij had
een stevigen kop, dicht bezet met een dichten haarbos; zijn gelaat was
door de zon verbrand en door den wind verweerd; onder zijn grooten neus
droeg hij een knevel zonder punten en aan zijne gebruinde wangen een
paar heele korte bakkebaarden; zijne oogen waren blauw, levendig en
doordringend en hadden eene goedaardige uitdrukking; in zijnen mond
ontbrak nog maar één van de drie-en-dertig tanden en kiezen die er
in behoorden. Tegenover het »geëerde publiek« was hij niet zuinig met
geweldige gebaren, theatrale houdingen en bluffende volzinnen; maar in
het gewone leven was hij de eenvoud en de natuurlijkheid zelve. Geen
huisvader overtrof hem in hartelijke liefde voor zijn gezin.

Van een ijzersterk gestel, bezat hij thans de noodige lenigheid niet
meer voor het dansen op de koord of voor de kunsten aan den rekstok;
maar waar het op spierkracht aankwam behoorde hij altijd nog onder
de besten in zijn beroep. Buitendien was hij een meester in de edele
kunst van buikspreken, eene soort van kermisvertooning welke reeds
van overouden tijd dagteekent, want de kerkvader Eustachius verzekert
dat de priesteres van Endor, die voor Saul waarzegde, niets anders
was dan eene buikspreekster. Als Cesar het goedvond, zakten zijne
stembanden tot ver beneden zijne maag. Of hij met zichzelf een duo
had kunnen zingen, had hij nog nooit beproefd; maar wie weet of hij
er niet toe in staat ware geweest!

Om zijne beeltenis volledig te maken moeten wij hier nog bijvoegen
dat Cesar Cascabel een zwak had voor beroemde krijgshelden en vooral
voor Napoleon I. Zoo hoog als hij dien veroveraar vereerde, zoo
diep verachtte hij diens beulen, de Engelschen, die hij allen voor
nakomelingen van den gemeenen Hudson Lowe, Napoleon's gevangenbewaarder
op Sint Helena, hield. Hij had dan ook nooit verkozen te »werken«
voor de koningin van Engeland, verzekerde hij, »niettegenstaande
die vorstin hem door haren opperhofmeester persoonlijk had doen
uitnoodigen.« Dit laatste had hij zoo dikwijls verteld, dat hij
eindelijk zelf geloofde dat het waar was.

Met dat al had Cascabel het nog niet kunnen brengen tot de
waardigheid van directeur van een groot paardenspel, zooals een
Franconi, een Carré of een Myers, met heel hunnen stoet van rijders
en rijderessen, van clowns en goochelaars. Hij was niets meer dan
een gewone kermisreiziger, die als het mooi weer was op de pleinen
en markten in de open lucht, en als het regende onder eene tent zijne
kunsten vertoonde. Met dit beroep, dat hij met zeer afwisselend geluk
gedurende het vierde eener eeuw had uitgeoefend, had hij zooals wij
verteld hebben het spaarduitje bijeengegaard dat thans in de kist
met het letterslot bewaard lag.

Hoeveel arbeid, hoeveel vermoeienis, hoeveel ellende zelfs,
vertegenwoordigde dat beetje geld! Nu echter was het ergste achter
den rug. De familie Cascabel maakte zich gereed naar Europa terug
te keeren. Na de Vereenigde Staten over bijna hunne geheele breedte
doorgetrokken te zijn, zouden zij plaats nemen op eene fransche of
amerikaansche pakketboot. Van eene engelsche mocht natuurlijk geen
sprake zijn.

Cascabel was iemand die op alles raad wist. Hinderpalen kende hij
niet; hij beschouwde die op zijn hoogst als moeielijkheden die
overwonnen moesten worden. Zijnen weg door het leven te vinden,
beschouwde hij als zijne bestemming. Even als de hertog van Dantzig,
een der maarschalken van zijn keizerlijken held, had hij kunnen zeggen:
»Waar een gaatje te vinden is, zal ik er doorheen kruipen«.

Door hoeveel gaten was hij dan ook in zijn leven niet reeds gekropen!

»Mevrouw Cascabel, geboren Cornelia Vadarasse, provençaalsche van het
zuiverste bloed, zonder wedergade in het voorspellen van de toekomst,
_clairvoyante_ en _somnambule_, de koningin aller electrische vrouwen,
gesierd door alle bekoorlijkheden harer sekse, bezitster aller deugden
die de kroon uitmaken eener huismoeder, met den krans der overwinning
uit den grooten vrouwen-worstelstrijd te Chicago gekomen, waar de
beroemdste vrouwelijke athleten der wereld waren saamgestroomd!«

Dit waren de bewoordingen waarmede mijnheer Cascabel gewoon was zijne
echtgenoote aan het publiek voor te stellen. Nu twintig jaar geleden
was hij te New-York met haar in het huwelijk getreden. Of hij er aan
gedacht had de toestemming van zijnen vader te vragen vóór dat hij tot
dien stap overging? Geen oogenblik, vooreerst, zeide hij, dewijl zijn
vader ook hem niet geraadpleegd had toen hij in het huwelijk trad,
en in de tweede plaats dewijl die brave man niet meer leefde. Het
geval was doodeenvoudig in zijn werk gegaan, met minder omslag dan in
het achterlijke Europa, waar twee wezens die bestemd schijnen om met
elkander vereenigd te worden, door een aantal formaliteiten daarin
belemmerd worden.

Op een goeden avond als toeschouwer in het Barnum-theater te New-York
zijnde, was Cesar Cascabel levendig getroffen geworden door de
bevalligheid, de lenigheid en de kracht, door eene jeugdige fransche
kunstenmaakster, mejuffrouw Cornelia Vadarasse, aan den rekstok ten
toon gespreid. Dit bekoorlijke vrouwspersoon aan zich te verbinden,
hun beider levens tot één te maken, in de toekomst eene reeks van
kleine Cascabels te voorschijn te roepen, die hunne ouders in alles
waardig zouden zijn, dat scheen den gemoedelijken straatkunstenaar
eene zaak die als van zelve sprak. Gedurende eene pauze snelde hij
het tooneel op, liet zich aan Cornelia Vadarasse voorstellen en
gaf haar terstond te verstaan dat zij beiden als franschen bestemd
waren, elkander hart en hand te schenken. Onder de toeschouwers
bevond zich een geestelijke; deze werd naar de gezelschapszaal der
artisten getroond en daar werd hem gevraagd op eenen band, die zoo
in alle opzichten in den hemel gelegd scheen te zijn, het zegel
der kerk te drukken. In het vrije en gelukkige Amerika bestaat daar
geenerlei bezwaar tegen en het geschiedde alzoo. Zijn zulke met stoom
gesloten huwelijken er minder goed om? Dit moge zijn zooals het wil,
dat van Cesar Cascabel en Cornelia Vadarasse was eene der gelukkigste
echtverbintenissen, ooit op dit ondermaansche gesloten.

De eerstgeborene uit dit huwelijk van twee straatkunstenmakers was Jan,
thans negentien jaar oud. Het was alsof hij aan zijne afkomst ontrouw
was geworden wat betreft de sterkte der spieren en den aanleg voor
koorddansen, gymnastische toeren of paljas-aardigheden. Daarentegen
was hij uiterst behendig in de handen en had hij eene gave van scherp
opmerken, door welke eigenschappen hij het ver gebracht had in alle
kunsten waar handigheid en vlugheid bij te pas kwamen, zonder dat hij
zich op dit talent het minste liet voorstaan. Het was een zachtaardige,
stille jongen, bruin van gelaatskleur als zijne moeder, doch met blauwe
oogen. Hij had veel pleizier in lezen en maakte van alle voorkomende
gelegenheden gebruik om iets te leeren. Zonder dat hij zich over het
beroep zijner ouders schaamde, geloofde hij toch dat er iets beters
voor hem te doen was dan kunsten voor de menschen te maken en in het
geheim koesterde hij de hoop, zoodra hij in Frankrijk teruggekeerd
mocht wezen, zijn tegenwoordig bedrijf te laten varen. Hij hield echter
te veel van zijne ouders om zich over dit onderwerp anders dan met
de grootste omzichtigheid uit te laten; trouwens op welke manier hem
eene gelegenheid geopend zou kunnen worden om op eene andere wijze
door de wereld te komen, wist hij in de verte niet te zeggen.

In leeftijd volgde op den oudste de tweede zoon. Deze was in den
volsten zin van het woord een spruit van vader en moeder Cascabel
en voor kunstenmaken in de wieg gelegd. Hij was twaalf jaar oud, zoo
lenig als eene kat, zoo vlug als een aap, en zoo glad als een aal. Hij
was nog maar drie voet zes duim lang en niet groot dus voor zijnen
leeftijd, maar hij was naar het zeggen van zijnen vader met éénen
luchtsprong in de wereld gekomen en nu reeds een echte clown, daarbij
een straatjongen vol grappen en streken, maar met een goed hart. Een
pak slaag verdiende hij af en toe, maar hij nam dat al lachende aan,
want de klappen kwamen zelden hard aan en waren nooit valsch gemeend.

Wij hebben reeds gezegd dat de oudste van Cascabel's kinderen Jan
heette. Dien naam had zijne moeder hem gegeven als eene herinnering
aan eenen oud-oom te Marseille, Jan Vadarasse, een zeeman die door
menschen-eters heette opgegeten te zijn, iets waar zijne achternicht
niet weinig trotsch op was. Jan's vader, die zichzelf in den naam Cesar
verheugen mocht, had voor zijn oudsten zoon zeker iets anders verlangd,
iets meer in overeenstemming met de bewondering die hij voor beroemde
krijgshelden koesterde, maar hij had bij het kiezen van eenen naam voor
hunnen eerstgeborene zijne vrouw niet willen tegenspreken. Daarom had
hij er in toegestemd dat de jongen eenvoudig Jan zou heeten, maar met
het stille voornemen om indien hun meer spruiten geschonken werden,
zich voor zijne inschikkelijkheid schadeloos te stellen.

Dit gebeurde ook zoodra hem een tweede zoon geboren werd. Na eenigen
tijd geaarzeld te hebben tusschen Hamilcar, Attila of Hannibal,
eindigde Cesar met hem Alexander te doen doopen. Bij verkorting werd
hij gewoonlijk Sander genoemd.

Op de twee jongens volgde mettertijd een meisje. Moeder Cascabel
had deze Hersilia willen noemen, maar haar man stond er op dat zij
Napoleona zou heeten als eene hulde aan den martelaar van Sint Helena.

Napoleona was nu acht jaar oud. Het was een lief kind dat een mooi
meisje beloofde te worden. Zij was blond en had eene frissche kleur,
met een gelaat vol uitdrukking en leven. Bevallig in al hare bewegingen
en goed van aanleg, bracht zij het in de edele kunst van koorddansen
spoedig tot eene aanmerkelijke hoogte. Zooals zij met hare welgevormde
voetjes over den stijf gespannen metalen draad zweefde, huppelend en
sierlijke passen makend, was het alsof het schepseltje vleugels had
om zich recht te houden.

Ieder begrijpt dat Napoleona het liefste kind van het gezin was. Zij
was aller oogappel en toch geen bedorven kind in den slechten zin van
het woord. Hare moeder koesterde de stille hoop dat haar dochtertje
eenmaal een voornaam huwelijk zou doen. Dat is immers een van die
dingen welke in het wisselvallige leven van straatkunstenaars af en
toe voorkomen. Waarom zou Napoleona, volwassen en eene knappe jonge
dochter geworden, niet eenen prins of baron kunnen ontmoeten die op
haar verlieven en haar trouwen zou?

--Dat gebeurt alleen in sprookjes, meende Cesar, die de zaken kalmer
opnam dan zijne vrouw.

--Neen Cesar, het gebeurt ook in het werkelijke leven.

--Helaas, mijn goede Cornelia, de tijd is voorbij toen koningen
herderinnen tot vrouw namen. Trouwens, zooals de zaken tegenwoordig
gesteld zijn, weet ik niet of iedere herderin wel met eenen koning
zou willen trouwen.

Dit was dus de familie Cascabel, vader, moeder en drie kinderen. Met
het oog op de vereischten voor de vertooning eener menschen-pyramide,
waarbij de artisten twee aan twee op elkanders schouders gaan staan,
ware het misschien wenschelijk geweest dat er nog een vierde kind
bij was gekomen. Maar nummer vier verkoos niet te komen.

Gelukkig hadden zij Kruidnagel. Deze was altijd beschikbaar om bij
buitengewone gelegenheden in de bres te springen.

Kruidnagel was inderdaad een onmisbaar aanhangsel van de Cascabels
en maakte de familie voltallig niettegenstaande hij een amerikaan
van geboorte was. Hij was een dier arme drommels die hunne ouders
nooit gekend hebben; die te nauwernood de plek weten waar zij geboren
zijn; die door de liefdadigheid van vreemden groot worden gebracht
en te eten krijgen voor zoover er iets voor hen overblijft; die tot
oppassende menschen kunnen opgroeien wanneer hunne inborst goed is,
zoodat zij weerstand weten te bieden aan de slechte voorbeelden en aan
de booze inblazingen, waar de armoede maar al te gul mede is. Zulke
verwaarloosde schepsels gaan meestal den verkeerden kant op en komen
slecht terecht; maar is er geen reden om medelijden met hen te hebben?

Met Ned Harley, die van mijnheer Cascabel den bijnaam Kruidnagel
gekregen had, was het goed afgeloopen. Dien bijnaam had hij te danken
aan zijn figuur, want hij was zoo mager als een spijker. Zij hadden
hem dus even goed Draadnagel kunnen noemen, maar Kruidnagel klonk
meer uitheemsch en kreeg de voorkeur omdat onwillekeurig de gedachte
aan eene afkomst uit de Specery-eilanden er zich aan verbond.

Het was nu twee jaar geleden dat Cascabel op zijne reis door de
Vereenigde Staten den armen vondeling ontmoet had. Ned Harley had op
dat tijdstip letterlijk niet meer te eten. De troep kunstenmakers waar
hij aan verbonden was, ging uit elkander nadat de directeur er van op
den loop gegaan was. Ned speelde er voor »minstreel«, zooals het in
de engelsch sprekende kunstenmakerswereld heet. Dat is een treurig
bestaan, al verdient men er ook ten naaste bij den kost mede. Zich
insmeeren met schoensmeer, zich tot een »neger« maken, zich in een
zwarten rok en broek, een wit vest en eene witte das steken, om zoo
toegetakeld de malste liedjes te zingen en op eene akelige viool
te krassen, vergezeld en begeleid door nog vier of vijf van zulke
hansworsten, welk eene maatschappelijke bestemming! Deze bestemming
was het echter, die Ned Harley tot zijne bittere droefheid kwijt was
op het oogenblik toen hij zoo gelukkig was een reddenden engel te
ontmoeten in den persoon van Cesar Cascabel.

Deze had juist eenen helper weggestuurd die bij de voorstellingen in
den regel voor paljas speelde. Wat dat voor een bedrieger was, kan
iemand zich nauwelijks voorstellen. Verbeeld u dat hij zich voor een
amerikaan had uitgegeven terwijl hij een geboren engelschman was! Een
landgenoot van John Bull in eenen troep fransche kunstenmakers! Een
afstammeling van dien beul, die Napoleon..... Wij behoeven er niets
bij te voegen om te doen begrijpen hoe Cascabel zich voelde op den
dag toen hij te weten kwam wat voor een landsman zijn paljas was.

--Mijn goede mijnheer Warburton, voegde hij hem toe, aangezien gij
een engelschman zijt, verzoek ik u in den kortst mogelijken tijd uwe
biezen te pakken, indien gij niet wilt dat ik u, in uw paljassenpak
zooals gij daar staat, de deur uitsmijt.

Mijnheer Warburton maakte dat hij uit de voeten kwam, want hij had
anders op het breedste gedeelte van zijne paljassenbroek eenen schop
gekregen die hem het wegloopen al te gemakkelijk gemaakt zou hebben.

Kruidnagel kwam dus in zijne plaats. Hij werd aangenomen om van
alles te doen, paljasdienst zoowel als het werk van stalknecht bij de
paarden of van keukenjongen als Cornelia hulp noodig had. Natuurlijk
sprak hij fransch, maar met een sterken uitheemschen tongval.

Ofschoon reeds om en bij de vijf-en-dertig jaren was het toch nog een
onnoozele knaap, uitgelaten genoeg als hij met zijne potsen het publiek
bezig hield, maar in het gewone leven eer droefgeestig van aard. Hij
bezag de meeste dingen van den donkeren kant en goed beschouwd was dat
geen wonder, want hij had geene reden om zich onder de troetelkinderen
der fortuin te tellen. Hij was een wonderlijk schepsel, met zijn
puntig toeloopend hoofd, zijne geelachtige haren, zijne ronde, domme
oogen, zijn vervaarlijk langen neus, waar hij een half dozijn brillen
op wist te zetten hetgeen altijd een groot gelach onder het publiek
deed opgaan, zijne wijd uitstaande ooren, zijn ooievaarshals en zijn
mageren romp op een paar spillebeenen. Toch hoorde niemand hem klagen,
ten minste--dit voorbehoud maakte hij gewoonlijk--als het hem niet zóó
erg tegenliep dat hij wel klagen moest. Van het oogenblik af dat hij
aan den troep van Cascabel verbonden was geworden, was hij begonnen
zich aan het gezin te hechten en zij hadden het op dit oogenblik
nauwelijks meer zonder Kruidnagel kunnen stellen.

Hiermede hebben wij, als het geoorloofd is dit te zeggen, alles wat
er menschelijks was in den kunstenmakerstroep aan onze lezers te
zien gegeven.

Er waren echter ook dierlijke bestanddeelen. In de eerste plaats een
patrijshond van het echte ras, goed op de jacht, maar onmisbaar om
op de rollende woning te passen. Vervolgens een poedel, een aardig
en vernuftig dier, die zeker, zoodra er eene academie van geleerde
honden gesticht mocht worden, daarin eene plaats zal krijgen.

Behalve de beide honden moeten wij nog melding maken van een aap, die
als het op potsen maken aankwam alle recht had om met Kruidnagel op
ééne lijn gesteld te worden, zóó zelfs dat de toeschouwers niet zelden
aarzelden aan wien van de twee zij de voorkeur moesten geven. Dan
was er een Javaansche papegaai, antwoordende op den naam Jako, die
door zijnen vriend Sander vlijtig onderricht werd en dank zij diens
lessen, tien uren van de twaalf snaterde, zong of floot. Eindelijk
nog twee paarden, een paar goede beesten, vrij hoog op jaren, die
den kermiswagen voorttrokken. Zij hadden er sedert lang de heugenis
van verloren hoeveel honderden mijlen zij met hunne gaandeweg stijf
geworden beenen den wagen reeds over allerlei gebaande of ongebaande
wegen hadden voortgezeuld.

Is iemand er op gesteld de namen dezer kostelijke dieren te weten? Zij
heetten Vermout en Gladiator, naar twee beroemde raspaarden, die
op wedrennen te Parijs op engelsche mededingers den prijs behaald
hebben. Maar eenige andere overeenkomst met deze wereldvermaarde
rossen dan die van den naam, vertoonden de geduldige viervoeters,
die den wagen der Cascabel's trokken, niet.

Van de twee honden antwoordde de poedel op den naam Marengo en de
patrijshond op dien van Wagram. Niemand behoeft te vragen hoe het
kwam dat zij naar deze historische plaatsen vernoemd waren.

De aap heette John Bull, welke onderscheiding hij aan zijne
buitengewone leelijkheid te danken had.

Hieraan kunnen wij niets veranderen; het was een zwak van Cesar
Cascabel dat voortsproot uit een loffelijk gevoel van vaderlandsliefde,
al erkennen wij dat zulke gevoelens van haat tegen personen van
anderen landaard in onzen tijd eigenlijk niet meer te pas komen.

--Hoe is het mogelijk, zeide hij wel eens, dat iemand geen afgod
maakt van dien grooten man, die onder eene hagelbui van kogels zijne
soldaten toeriep: »Volgt de witte pluim op mijnen helm; gij vindt
hem altijd in het midden der vijanden!«

Iemand had hem eens doen opmerken dat het Hendrik de Vierde en niet
Napoleon geweest was, die deze woorden gebruikt had.

--Wel mogelijk, antwoordde hij. Maar Napoleon was er de man naar om
hetzelfde te zeggen!



III.

DE SIERRA NEVADA.


Hoevelen hebben niet wel eens verlangd eene reis te doen in een huis op
wielen, op de manier van reizende kunstenmakers! Geen zorgen te hebben
over logement of herberg, over het bed waar men nooit te voren zeker
van kan zijn en over het middagmaal waar men nog minder op rekenen
kan, ten minste wanneer de reis gaat door een land waar de dorpen
en gehuchten dun gezaaid zijn. Er zijn wel enkele pleizier-reizigers
die iets dergelijks doen aan boord van hunne eigen jachten, waar zij
al de geriefelijkheden eener woning op medenemen, maar zeldzaam zijn
zij die met een eigen reis-rijtuig een eenigszins aanmerkelijk eind
weegs afleggen. Toch is zulk een reiswagen inderdaad een huis dat
zich beweegt. Hoe komt het dan dat het genoegen van »eene zeereis op
vasten wal« tot kermiskunstenaars beperkt blijft?

De wagen van zulk een zwerver is inderdaad eene volledige woning,
in vertrekken afgedeeld en van meubelen voorzien, een rollend dag-
en nachtverblijf. Die van Cesar Cascabel bevatte alle gemakken die
voor zijn zwervend bestaan onontbeerlijk waren.

De wagen had eenen naam, _De schoone Zwerfster_, even alsof het een
schip was, en de verschillende tochten door onderscheidene deelen
der nieuwe wereld, die zij reeds had helpen doen, rechtvaardigden die
dichterlijke benaming. Drie jaar geleden was het rijtuig nieuw gekocht
van de spaarpenningen die het echtpaar toen had overgegaard. Het had
gediend om de oude kar te vervangen, waar zij tot dien tijd zich mede
hadden beholpen, een ruw en hortend ding zonder veeren, alleen maar
met een lap geteerd zeildoek overdekt, waaronder het gezin de nachten
doorbracht. Met dit gebrekkige vervoermiddel hadden de Cascabels
twintig jaren lang de kermissen en jaarmarkten in de amerikaansche
Unie afgereisd. Het spreekt dus van zelf dat hun nieuwe rijtuig van
amerikaansch maaksel was.

De _Schoone Zwerfster_ was een wagen op vier wielen, rustende op
beste stalen veeren, licht en toch stevig van bouw. Zij werd met
zorg onderhouden, op haar tijd gewasschen, gepoetst en gepolijst,
zoodat de met schitterende kleuren, goudgeel en cochenille-rood,
beschilderde wanden in het zonnelicht blonken. Daarop prijkten met
groote letters de woorden: _Familie Cesar Cascabel_. Zij was even
lang als de groote reis- en goederenwagens, die gebruikt worden voor
tochten door de prairieën in het verre westen, waar de spoorwegen,
die in de richting van San Francisco de beide oceanen verbinden, nog
niet met hunne vertakkingen zijn doorgedrongen. Twee paarden konden
niet anders dan in den stap het zware voertuig voortkrijgen. De last
dien zij te trekken hadden, was niet gering. Behalve de reizigers,
een zeildoeksche tent met palen, touwen, en toebehooren, die boven op
den wagen geborgen werd, en daar beneden, tusschen de wielen, een kleed
van zeildoek, dat onder het rijden heen en weder slingerde en waarin
allerlei geborgen werd, de turksche trom en de roffeltrom, de klephoorn
en de trompet, en al de andere benoodigdheden die voor de vertooningen
van kunstenmakers vereischt worden. Daartoe behoorden ook de kostuums
voor eene vermaarde pantomime, genaamd: _De roovers van het Zwarte
Woud_, welke sedert lang den roem der familie Cascabel uitmaakte.

Het binnenste van den wagen was zeer doelmatig ingericht en zoo netjes
en zindelijk als eene hollandsche boerenwoning, want Cornelia verstond,
waar het op orde en reinheid aankwam, geen gekscheren.

Achterin, van de buitenlucht gescheiden door eene glazen schuifdeur,
bevond zich de afdeeling voor keuken bestemd, waar het fornuis
stond te branden. Dan kwam het huisvertrek, tevens eetkamer, waar
ook de lieden werden ontvangen die zich de toekomst wilden doen
voorspellen. Vervolgens een slaapvertrek, waar de slaapplaatsen
twee aan twee tegenover en boven elkaar getimmerd waren even als
de kooien in een schip. Daar sliepen aan den linkerkant de twee
jongens en aan de overzijde, door een gordijn van hen gescheiden,
hun zusje. Voorin eindelijk was de slaapkamer van Cascabel en zijne
vrouw, wier beddegoed bestond uit een mooie matras en een veelkleurige
gestikte deken. Daar had ook de lang begeerde geldkist nu eene plaats
gekregen. In alle hoeken waren plankjes getimmerd, die opgeslagen en
neergelaten konden worden teneinde als tafeltjes te dienen, en kleine
kasten tot berging van de kleederen, de pruiken, de valsche baarden en
wat verder bij de pantomime te pas kwam. Aan de zoldering hingen twee
petroleumlampen, die evenals scheepslampen al de bewegingen van het
rijtuig op de hobbelige wegen mede maakten. Bij dag drong het licht
naar binnen door een half dozijn in de wanden gemaakte openingen,
met in lood gevatte glasruiten gesloten, waar dunne gordijntjes voor
hingen die door gekleurde linten werden opgehouden. Het geheel geleek
van binnen op de roef eener oud-hollandsche trekschuit.

Kruidnagel was voor zijn persoon met weinig tevreden. Gewoonlijk sliep
hij in de keuken, waar hij des avonds aan twee in de wanden geslagen
haken zijne hangmat ophing, die 's morgens bij het krieken van den
ochtend weder door hem opgerold werd.

De twee honden, Wagram en Marengo, die 's nachts de wacht te houden
hadden, sliepen in het dekkleed onder den wagen. De aap John Bull hield
hen daar gezelschap en maakte het hun, met zijne ongepaste aardigheden,
wel eens lastiger dan noodig was. Jako de papegaai eindelijk hing in
eene kooi aan de zoldering van het woonvertrek.

De paarden, Gladiator en Vermout, werden gewoonlijk in de nabijheid
van de _Schoone Zwerfster_ in vrijheid aan het grazen gelaten. Zelden
was het noodig ze vast te binden. In de uitgestrekte prairieën vonden
zij voedsel in overvloed, en na zich den buik volgegeten te hebben,
behoefden zij maar te gaan liggen om het even goed te hebben als in
eenen stal.

Aldus toegerust, met geweren en revolvers onder het bereik der
slapenden en met de twee honden als schildwachten, was de _Schoone
Zwerfster_ een even veilig als geriefelijk nachtverblijf.

Er waren reeds ontelbare mijlen mede afgereisd in de drie jaren dat zij
dienst had gedaan. Van New-York naar Albany, van Niagara naar Buffalo,
naar Saint Louis, naar Philadelphia, naar Boston, naar Washington,
langs de Mississippi naar Nieuw-Orleans, langs de spoorweglijn van de
Great-Trunk tot het hart van het Rotsachtige Gebergte, in het land
der Mormonen en tot achter in Californië! Het scheen wel voor eene
gezondheidsreis te mogen doorgaan, want niemand van den troep was ooit
een oogenblik ziek geweest, alleen de gulzige John Bull uitgezonderd,
die nooit eene gelegenheid verzuimde om zich de maag te overladen en
daar dan ook de gevolgen van ondervond.

Zij stelden zich er heel wat van voor, de _Schoone Zwerfster_ naar
Europa te brengen en met dit voertuig over de straatwegen van het
vaderland te rijden. Wat een bekijks zouden zij hebben in geheel
Frankrijk, vooral onder de landelijke bevolking. Cesar Cascabel dacht
aan niets anders dan aan zijn geliefd geboorteland, zijn Normandië,
dat hij zijn leven lang gehoopt had terug te zien en dat hij nu
werkelijk in zijne verbeelding reeds vóór zich had.

Te New-York aankomende, waren zij voornemens den reiswagen uit
elkaar te nemen en in te pakken en hem vervolgens als vrachtgoed
met de stoomboot naar Hâvre mede te nemen. Daar kon hij weer op de
wielen gezet worden en hoopten zij er de reis door Frankrijk mede
te aanvaarden.

Het geheele gezin, man, vrouw en kinderen had slechts éénen wensch:
den tocht te beginnen. Het was alsof hunne viervoetige vrienden hun
ongeduld deelden. Den 15den Februari, des ochtends heel in de vroegte
braken zij dus gezamenlijk van het pleintje te Sacramento op, sommigen
te voet, anderen in den wagen, ieder zooals het hem goed dacht.

Het weder was zeer koel, maar mooi. Onnoodig te zeggen dat er gezorgd
was voor den noodigen leeftocht, bestaande in ingelegd vleesch en
groenten. Zij rekenden er echter op dat de voorraad in steden en
dorpen, welke zij door moesten trekken, aangevuld zou kunnen worden,
en bovendien is er in deze streken overvloed van allerlei wild, bisons,
herten, hazen en patrijzen. Jan was een geoefend schutter en zou zijn
geweer niet laten roesten, terwijl hij voor geene jacht-akte behoefde
te zorgen want in de uitgestrekte prairieën van het verre Westen is
er geen koddebeier of veldwachter die u daar naar vraagt. De poedel
Marengo deugde voor dit soort van werk niet, maar de patrijshond
Wagram was zoo goed afgericht als de beste jachthond en nooit beter
in zijn schik dan wanneer hij een stuk wild achterna mocht zitten.

Buiten Sacramento gekomen, reed de _Schoone Zwerfster_ in de richting
van het Noord-Oosten. Zij wilden langs den kortsten weg de grens over
en het gebergte der Sierra Nevada doortrekken. Dit was ongeveer een
paar honderd kilometers, tot waar de Sonora-pas tusschen de bergen
doorgaat en in de onafzienbare vlakte aan de oostzijde uitkomt.

Deze streek was eigenlijk nog niet wat men het verre Westen noemt. Dáár
zijn de dorpen en gehuchten zeldzamer. Het was ook niet de prairie,
met haar onbegrensden gezichteinder, haar eindeloos grasveld,
bewoond door zwervende Indiaansche stammen, die naarmate de beschaving
voortschrijdt, meer naar de minst bevolkte gewesten van Noord-Amerika
worden teruggedrongen. Bijna dadelijk nadat zij Sacramento achter
zich hadden, begon de grond reeds te rijzen. Dit waren de eerste
golvingen der Sierra Nevada, die het rijke Californië omringt met eene
aaneengeschakelde reeks bergen, door donkere dennenwouden overdekt,
waarboven hier en daar toppen uitsteken van een vijfduizend meters
hoogte. Het is alsof de natuur dit land, waar zij zoovele schatten
verborgen heeft die thans reeds door de op buit beluste hand der
menschen geroofd zijn, achter een zwaar gordijn van eeuwig groen
heeft willen verbergen. In de richting welke de _Schoone Zwerfster_
was ingeslagen, kwamen zij langs verscheidene steden van beteekenis,
zooals Jackson, Mocquelenne, Placerville, voorposten als het ware
van het goudland en van het district Calavaras. Maar de familie
Cascabel hield alleen op waar zij inkoopen had te doen of waar zij
eenen rustigen nacht wilde doorbrengen. Cesar maakte haast om den
Nevada-bergketen, vervolgens de woeste streek van het Groote Zoutmeer
en daarna de hooge passen van het Rotsachtige Gebergte door te
komen. Gedurende dit gedeelte van den tocht moest er van het rijtuig
en de paarden het meeste gevergd worden. Eenmaal in de nabijheid van
Erie of Ontario gekomen, hadden zij slechts de vlakte door te trekken
waar de wielsporen van andere voertuigen en de door de hoeven van
andere paarden platgetreden paden hun van zelf den weg zouden wijzen.

Niet dan langzaam kwamen zij in deze bergachtige streek vooruit. Ook
hadden zij vrij wat last van koude want de laatste weken van den
winter deden zich terdege voelen, al bevonden zij zich pas op den
acht-en-dertigsten breedtegraad, dat is op gelijke aardrijkskundige
hoogte als Sicilië en Spanje in Europa. Zooals bekend is ondervindt
Amerika de werking niet van den Golfstroom, dien warmen zee-arm, die
uit de Golf van Mexico komende, zich in oostelijke richting dwars door
den oceaan naar Europa wendt. Hierdoor is het amerikaansche klimaat,
op gelijke breedte, veel kouder dan dat der europeesche landen. Dit
zou echter nog slechts eenige weken duren. Dan was de winter voorbij
en de vruchtbare bodem van Californië zou zich weder vertoonen in
al zijnen rijkdom, als het land waar het graan een honderdvoudigen
oogst brengt, waar alle voortbrengselen der heete zoowel als der
gematigde luchtstreek in weelderigen overvloed tieren, suikerriet,
rijst, tabak, oranjeappelen, olijven, citroenen, ananassen, bananen
en andere vruchten. Niet het goud maakt Californië rijk, maar de
ongeëvenaarde vruchtbaarheid zijner uitgestrekte landouwen.

--Wij zullen nog wel eens aan dit heerlijke land denken, merkte
Cornelia op, die voor eene welvoorziene keuken lang niet onverschillig
was.

--Snoepster die gij zijt! antwoordde Cesar.

--Ik zeg het niet voor mij, maar voor de kinderen.

Menige dag ging voorbij terwijl zij langs den rand der wouden en dwars
door de groene vlakten hunnen weg zochten. Ontelbaar waren de troepen
vee die zij in het wild tegenkwamen, en die hier overvloed van voedsel
vinden zonder dat op eenige plek het weelderige grastapijt een spoor
vertoont van afgegraasd te zijn. Den onuitputtelijken plantengroei van
Californië, die zich zonder ophouden telkens vernieuwt, kan niemand
zich voorstellen die hem niet aanschouwd heeft. Het is de korenschuur
van het land langs den stillen Oceaan; alle handelsvloten, zoo die
vereenigd werden om de oogsten er van weg te voeren, zouden niet in
staat zijn de opbrengst uit te putten. De _Schoone Zwerfster_ schreed
voort met dezelfde snelheid waarmede zij in den regel hare reizen
maakte, dat was eene mijl of zes, zeven daags, zelden meer. Zoo was
zij met haar levenden last reeds in alle staten der Unie geweest en
had zij den troep van Cascabel overal bekend gemaakt, van de monden
der Mississippi tot in Nieuw-Engeland. Maar op hare vroegere tochten
werd er in iedere stad halt gehouden teneinde er voorstellingen te
geven en geld op te halen. Thans ging het in eene rechte lijn van het
Westen naar het Oosten, zonder dat er moeite gedaan werd om op eenige
manier de aandacht der bewoners te trekken. Geene kunstreis deden zij
ditmaal, maar het was in de eerste plaats om het oude Europa te doen
en daarna om de vriendelijke dorpen van het goede Normandië.

Het was dan ook een vroolijke tocht en menig stevig gebouwd huis,
dat zij tegenkwamen, had den goeden geest die in de voorbijtrekkende
woning op wielen heerschte, kunnen benijden. Er werd heel wat
gelachen, gezongen en gekheid gemaakt, ook maakte Sander nu en dan
met zijn klephoorn de vogels aan het schrikken, wier onbezorgdheid
voor het overige veel overeenkomst had met de gemoedsstemming van
het zwervende gezin.

Dit alles nam echter niet weg dat de dagen, gedurende welke zij op
reis waren, niet in ledigheid mochten worden doorgebracht.

--Kinderen, zeide Cascabel telkens, wij moeten oppassen dat wij
niet verroesten!

Zoo dikwijls er halt gemaakt werd om de paarden te laten rusten, was
het dus met de rust der reizigers gedaan. Niet zelden gebeurde het
dat er Indianen nieuwsgierig kwamen kijken, terwijl Jan zich in het
balanceeren oefende, de kleine Napoleona eenige nieuwe danspassen en
toeren probeerde en Sander zijne ledematen uitrekte en boog alsof ze
van guttapercha waren. Dan toonde ook Cornelia de kracht harer spieren
en liet haar man de zeldzaamste geluiden uit zijne buik komen, terwijl
Jako zat te snateren in zijne kooi, de twee honden samen allerlei
kunsten uitvoerden en John Bull, door het voorbeeld aangestoken,
zijne malste grimassen vertoonde.

Hierbij moeten wij echter niet verzuimen te vertellen dat Jan ook op
andere wijze den tijd niet ongebruikt voorbij liet gaan. De enkele
boeken die hij in de _Schoone Zwerfster_ bergen kon, werd hij niet
moede te lezen en te herlezen. Het waren nieuwe leerboeken voor
aardrijkskunde en cijferkunst, benevens eenige reisbeschrijvingen. Ook
hield hij wat op eene zeereis het »Scheepsjournaal« genoemd zou worden
en menig reisavontuur werd op onderhoudende manier daarin verhaald.

--Ge zult nog veel te knap worden, zei zijn vader wel eens. Maar ge
moogt doen wat ge goed vindt.

Het kwam bij Cascabel niet op den leerlust van zijn eerstgeborene
tegentegaan. Hij en zijne vrouw waren er in den grond van hun hart
niet weinig trotsch op dat een hunner spruiten een »geleerde« scheen
te willen worden.

In den namiddag van den 27sten Februari bereikte de _Schoone Zwerfster_
den ingang van een der passen door de Sierra Nevada. Daar doorheen
te komen was een vermoeiend vooruitzicht en zou wel een dag of vier
duren. Menschen en dieren moesten tot halfweg de hoogte van den berg
onafgebroken klimmen. Om den wagen naar boven te krijgen langs het
nauwe pad, dat zich zigzagsgewijs om de wanden van den berg slingerde,
moesten de reizigers telkens de handen aan de wielen slaan. Daarbij
kwam dat naarmate zij hooger kwamen, het weer minder gunstig dreigde te
worden, al begonnen zij reeds den invloed van de vroegtijdig invallende
Californische lente te gevoelen. Geweldige regens, hagelbuien en
sneeuwstormen maken deze bergpassen dikwijls onveilig, vooral op
plaatsen waar de weg, plotseling eenen scherpen hoek makende tusschen
hooge rotsen, als in eenen trechter doordringt. Het hoogste punt der
passen ligt boven de grens der nimmer smeltende sneeuw, en eerst na
ruim een paar duizend meters op deze hoogte te zijn voortgeschreden,
begint de reiziger in het land der Mormonen langzaam te dalen.

Cascabel was echter voornemens te werk te gaan zooals hij bij
dergelijke gelegenheden gewoon was te doen en hulp-paarden te
huren. Die kon hij gewoonlijk in het eene of andere gehucht aan den
voet der bergen wel krijgen, evenals een paar mannen, hetzij Indianen
of Amerikanen, om als voerlieden dienst te doen. Dit kostte wel eenig
geld, maar het was onvermijdelijk indien hij zijn eigen tweespan niet
wilde bederven.

Des avonds van den 27sten bevonden zij zich bij den ingang van den
Sonora-pas. De valleien welke zij tot dusver doorgetrokken waren,
hadden geen bijzondere moeilijkheden opgeleverd en het was dus nog niet
noodig geweest de taak van Vermout en Gladiator te verlichten. Maar
al ware het geheele gezelschap hen te hulp gekomen, dan waren hunne
vereende krachten nog niet toereikend geweest voor hetgeen hun thans
te doen stond.

Op korten afstand van een klein gehucht, verloren te midden der
eenzaamheid van het gebergte, werd halt gehouden. Het waren slechts
enkele huizen, en op een paar geweerschoten afstands stond eene
landhoeve, waarheen Cascabel plan maakte zich dienzelfden avond te
begeven, teneinde te zien of hij voor den volgenden dag daar paarden
kon bekomen om de zijne te helpen.

Eerst moesten er echter de noodige maatregelen genomen worden om hier
den nacht door te brengen.

Nadat alles gereed gemaakt was zooals zij het gewoon waren, gingen
er een paar op uit om in het gehucht een en ander te koopen, spijs
voor de menschen en voeder voor het vee.

Dien avond was er geen sprake van oefeningen of toeren te maken, want
allen waren moede. Het was een zware dag geweest; een groot gedeelte
van den weg hadden zij te voet moeten afleggen teneinde den last voor
de paarden te verlichten. Cascabel bepaalde dus dat ieder rust moest
houden en tevens dat daarin geen verandering zou komen zoo lang zij
in de Sierra aan het stijgen waren.

Cesar wierp een laatsten blik op de toebereidselen voor den nacht en
overtuigde zich dat alles in orde was. Toen vertrouwde hij de _Schoone
Zwerfster_ aan de waakzaamheid van zijne vrouw en kinderen, en sloeg
hij met Kruidnagel den weg in naar de hoeve, uit wier schoorsteenen
blauwe rookwolken tusschen de boomen naar boven stegen.

De boerderij bleek bewoond te worden door een Californisch gezin, dat
de vreemdelingen vriendschappelijk ontving. De eigenaar beloofde drie
paarden met twee geleiders te zullen leveren. De beide mannen zouden
tevens als wegwijzers dienen tot aan de plek waar de helling van het
gebergte naar den oostkant eenen aanvang neemt. Van daar af had de
_Schoone Zwerfster_ geene hulp meer noodig en de mannen zouden dan de
paarden terugbrengen, maar het een en ander zou vrij wat geld kosten.

Cesar Cascabel dong en pingelde als een man die er niet van houdt om
zijn geld weg te gooien. In het eind werden zij het eens tot eenen
prijs, die de som niet te boven ging welke hij voor dit gedeelte der
reis had bestemd.

Den volgenden ochtend te zes uren waren de mannen met de drie paarden
op het appèl. De dieren werden vóór Vermout en Gladiator aangespannen
en spoedig was de _Schoone Zwerfster_ in een nauwen bergpas, waarvan
de wanden aan weerszijden met dichte bosschen overdekt waren. Een
paar uren verder maakte de weg een scherpen hoek en de weelderige
landouwen van Californië, die onze reizigers niet zonder een gevoel
van spijt vaarwel zeiden, verdwenen achter de geweldige berggevaarten
der Sierra Nevada.

De drie paarden van den Californischen boer waren stevige beesten,
op wier trekkracht zij staat konden maken, maar of hunne geleiders
even goed te vertrouwen waren, scheen tamelijk twijfelachtig.

Het waren een paar sterke kerels van gemengd bloed, half Indianen en
half Engelschen. Had Cascabel dat geweten, hij had hen zeker zonder
verder vragen naar huis gestuurd.

Cornelia vond ten minste dat zij er alles behalve eerlijk uitzagen,
Jan was het met zijne moeder eens en Kruidnagel stemde met hen
in. Cesar scheen het ditmaal niet gelukkig getroffen te hebben,
maar in het ergste geval waren zij toch maar met hun tweeën en als
zij iets kwaads in den zin mochten hebben zouden zij ondervinden dat
zij niet met weerlooze lieden te doen hadden.

Op het ontmoeten van slecht volk bestond in de Sierra niet veel kans,
want de wegen stonden als veilig bekend. De tijd was voorbij toen de
ruwe Californische mijnwerkers, die destijds _loafers_ en _rowdies_
bijgenaamd werden, met allerlei zwervend gespuis, uit alle deelen
der wereld derwaarts gekomen, samenspanden om reizigers en eenzaam
wonende lieden te plunderen. De goedgezinde bevolking had zoo dikwijls
de lynch-wet op hen toegepast, dat er een einde was gekomen aan deze
straatrooverijen.

Intusschen was Cascabel een te voorzichtig man om tegenover de twee
vreemden niet op zijne hoede te wezen.

Dit viel niet tegen te spreken, dat het een paar flinke karrevoerders
waren. De dag liep dan ook zonder eenig ongeval ten einde en dit
was toch maar de hoofdzaak. Hadden zij het ongeluk gehad een wiel
te verliezen of eene as te breken, dan zouden de bewoners van de
_Schoonste Zwerfster_, op zulk eenen afstand van iedere menschelijke
woning en zonder gereedschap om eenige avarij van beteekenis te
herstellen, in de grootste verlegenheid geraakt zijn.

De bergpas was uitermate wild en woest. Aan weerszijden niets dan
dennenstammen, bijna zwart van kleur, waartusschen de steenachtige
grond met een dik tapijt van mos bekleed was. Verbazende rotsklompen
lagen telkens in den weg en moesten omgetrokken worden. Vooral was dit
het geval langs een der zijtakken van de Walkner-rivier, die zelve
haren oorsprong neemt in het meer van dien naam en wier wateren met
geweldige sprongen hunnen weg nemen naar diepe afgronden. In de verte,
hoog tusschen de wolken, schemerde de Castle-piek, een puntige rots,
van lagere spitsen omgeven die in de grilligste fatsoenen uit diepe
ravijnen oprijzen.

Tegen vijf uur des namiddags begon het in den door hooge bergwanden
ingesloten bergpas reeds donker te worden. De weg maakte hier weder
een scherpen hoek en de helling was zoo steil dat een gedeelte der
lading van den wagen moest genomen worden om hem te verlichten. Het
onderaan hangende dekkleed met al wat er in was en bijna de geheele
bovenlast werden voorloopig achtergelaten.

Ieder stak zijne handen uit om te helpen en het moest erkend worden
dat de twee karrevoerders zich niet lui toonden, waardoor Cascabel en
de zijnen eenigszins terugkwamen van den ongunstigen indruk, dien de
mannen aanvankelijk op hen gemaakt hadden. De tocht door de bergpas
zou trouwens nog slechts twee dagen duren, dan zouden zij het hoogste
punt bereiken en konden de hulppaarden met hunne geleiders weder naar
de hoeve terugkeeren.

Toen er eene geschikte plaats gevonden was om des nachts verblijf
te houden, gingen de karrevoerders ook eene plek zoeken om hunne
paarden vast te binden. Terwijl zij hierop uit waren, ging Cascabel
met zijne twee zonen en Kruidnagel terug naar het punt van den weg,
waar de afgeladen voorwerpen zoo lang waren neergelegd.

Na den vermoeienden dag smaakte het avond-eten dubbel. Niemand talmde
lang om te gaan slapen.

Cascabel bood de twee vreemden eene slaapplaats aan in eene der
afdeelingen van de _Schoone Zwerfster_, maar daarvan wilden zij niet
gediend zijn. Zij zeiden dat zij onder de boomen een beter onderkomen
konden vinden om in hunne dikke dekens gewikkeld tevens de paarden
goed onder hun bereik te hebben.

Korten tijd nadat dit aldus geregeld was, lag niemand in het kampement
meer met open oogen.

Zoodra het den volgenden ochtend licht begon te worden waren groot
en klein weder op de been.

Cascabel met Jan en Kruidnagel kwamen het eerst uit de _Schoone
Zwerfster_ voor den dag en gingen den kant op waar Gladiator en
Vermout den vorigen avond vastgezet waren.

Hunne paarden waren daar ook, maar die van den boer waren nergens
te zien.

Zij konden echter niet ver afgedwaald wezen en Jan keerde naar den
wagen terug om de karrevoerders te gelasten hunne beesten weder op
te zoeken. Maar ook de twee mannen waren niet bij de hand.

--Waar zouden zij zitten? vroeg Jan.

--Ik denk, zeide Cesar, dat zij er reeds op uit zijn om hunne paarden
terug te halen.

--Ohé!... Ohé!... riep Kruidnagel met zijne schelle stem, die ver in
den bergpas teruggekaatst werd.

Er kwam geen antwoord.

Nu begonnen Jan en zijn vader samen te schreeuwen zoo hard zij konden,
ook gingen zij een eind naar beide kanten den weg op, heen en weer
terug.

De twee karrevoerders kwamen niet te voorschijn.

--Zouden wij nu toch gelijk gehad hebben toen hun tronie ons zoo
weinig aanstond? zeide Cascabel.

--Maar wat voor reden zouden zij hebben om ons in den steek te
laten? merkte Jan op.

--Zeker om ons eene leelijke poets te bakken.

--Maar wat hebben zij er aan om van ons van daan te loopen?

--Ja, wat hebben zij daar aan?... Wacht eens, misschien kunnen wij
er gemakkelijk genoeg achter komen!

Door Jan en Kruidnagel gevolgd, snelde Cascabel zoo hard hij loopen
kon naar den reiswagen.

De trede opvliegen, de deur openstooten, alle vertrekken doorrennen
om in het achterste te gaan kijken of de goedbewaakte geldkist nog
op hare plaats stond, was het werk van een oogenblik. Eene seconde
later kwam Cesar weder voor den dag, met den uitroep:

--Wij zijn bestolen!

--De geldkist? vroeg Cornelia.

--De schoeljes hebben die meegepakt!



IV.

EEN GEWICHTIG BESLUIT.


Zulke schavuiten!

Zij verdienden met alle recht dien naam. De familie Cascabel was
helaas het slachtoffer van hunne schurkerij.

Elken avond was Cesar gewoon zich te overtuigen of de geldkist nog
op hare plaats stond... Maar nu herinnerde hij zich dat hij den
vorigen avond, doodmoede van den zwaren tocht en bijna niet meer
kunnende zien van slaperigheid, van die gewoonte was afgeweken. Het
was duidelijk dat de twee karrevoerders, gebruik makende van het
oogenblik dat Jan en Sander met hun vader, vergezeld van Kruidnagel,
waren teruggeloopen om het goed te halen dat op een lager gedeelte van
den weg was achtergelaten, in het achterste gedeelte van den reiswagen
waren doorgedrongen zonder dat iemand dit had opgemerkt. Daar hadden
zij zich van de geldkist meester gemaakt en die tusschen de struiken
langs den weg verborgen. Dat was de reden geweest waarom zij den nacht
niet binnen de _Schoone Zwerfster_ hadden willen doorbrengen. Zij
hadden gewacht tot alle leden van het gezin in slaap waren en zich
toen met de hulp-paarden uit de voeten gemaakt.

Van de spaarpenningen van den troep was geen cent meer over. Alleen had
Cascabel zelf nog eenige dollars bij zich. Het was nog een geluk dat de
roovers de paarden, Vermout en Gladiator, ook niet medegevoerd hadden.

De honden, reeds sedert een etmaal gewend de twee kerels te zien
komen en gaan, hadden niet aangeslagen. De diefstal was dus zonder
eenige moeite gepleegd.

Waar nu de gauwdieven terug te vinden, nu zij zich over de hun bekende
bergpaden van de Sierra Nevada uit de voeten gemaakt hadden? Hoe
het geld terug te bekomen? En hoe de reis naar Europa terug te doen,
zonder geld om den overtocht te betalen?

Allen waren wanhopig, de een barstte in tranen, de ander in
verwenschingen los. Cesar Cascabel was bijna razend van woede en het
kostte zijne vrouw en zijne kinderen niet weinig moeite hem tot bedaren
te brengen. Maar toen deze eerste opwelling voorbij was, kreeg hij
spoedig zijne tegenwoordigheid van geest terug als een man die niet
gewoon was met nuttelooze verwenschingen zijnen tijd te verspillen.

--Die ellendige geldkist! kon Cornelia niet nalaten te zeggen.

--Ja, als wij dat ding niet gehad hadden, voegde Jan er bij, zou
ons geld.......

--Het is waarachtig een mooie inval van mij geweest, riep Cascabel uit,
die satansche kist te koopen. Nu zie ik pas in dat het voorzichtiger
is, als men eene geldkist heeft, er niets in te bewaren! Wat geeft
het of zoo'n ding tegen het vuur bestand is, zooals die winkelier in
Sacramento mij verzekerd heeft, als het toch door den eersten dief
den beste weggekaapt kan worden!

Ieder begrijpt welk een harde slag dit voor onze reizigers was en
niemand zal er zich over verwonderen dat zij in de eerste oogenblikken
er als door versuft waren. Met zooveel moeite tweeduizend dollars
bij elkaar te hebben en ze dan op die manier te moeten kwijtraken!

--Wat moeten wij beginnen? vroeg Jan.

--Ja, wat moeten wij beginnen? herhaalde Cascabel, terwijl de woorden
met moeite tusschen zijne saamgeklemde tanden doorkwamen, alsof hij
ze kauwde. Het is maar al te duidelijk wat wij beginnen moeten; het
is zelfs zóó eenvoudig dat er niets tegen in te brengen is. Zonder
hulp-paarden kunnen wij den berg niet over. Wij kunnen dus niet
anders dan naar de boerderij terug. Misschien vinden wij daar onze
twee schobbejakken ook!

--Waarschijnlijk zijn zij daar niet heengegaan, merkte Kruidnagel in
zijnen eenvoud op.

Dat was inderdaad alles behalve waarschijnlijk. Maar er zat niet
anders op, Cesar had het terstond begrepen, dan terug te gaan. Want
den tocht bergopwaarts konden zij niet voortzetten.

Vermout en Gladiator werden dus ingespannen en de terugrit door den
bergpas naar beneden nam eenen aanvang.

Dat ging maar al te gemakkelijk, helaas! Van eene helling af te komen
kost niet veel moeite; maar het was een treurige tocht in alle stilte,
die slechts van tijd tot tijd werd afgebroken als Cesar in eenen
stroom van verwenschingen zijn gemoed lucht gaf.

Tegen den middag kwam de _Schoone Zwerfster_ aan de hoeve, waar
niemand iets van de dieven wist. De eigenaar was woedend toen hij het
geval vernam, maar sloeg weinig acht op hetgeen de familie Cascabel
overkomen was. Dat zij bestolen was kon hem niet veel schelen;
hijzelf was zijne drie paarden kwijt! De booswichten waren zeker een
eind het gebergte ingevlucht en nu reeds aan de andere zijde van den
pas. Hen na te zetten was niet doenlijk. Het had er iets van alsof de
boer zelfs Cascabel nog aansprakelijk wilde stellen voor het stelen
zijner paarden.

--Neen maar, die is goed! riep Cesar uit. Waarom hebt ge zoo'n paar
schoeljes in dienst, en verhuurt gij ze aan menschen die hen meenen
te kunnen vertrouwen?

--Hoe kon ik dat weten? antwoordde de boer. Ik had nooit reden van
klagen over hen gehad. Zij kwamen uit engelsch Columbia....

--Wat, waren het engelschen?

--Zeker!

--In zoo'n geval, mijnheer, waarschuwt men de menschen, schreeuwde
Cascabel. Voor zoo iets had ik gewaarschuwd moeten worden!

Dit mocht zijn zooals het wilde, de diefstal was in elk geval gepleegd.

Moeder Cascabel was volkomen ontroostbaar, maar haar echtgenoot die
meer filozoof geworden was op zijne veeljarige omzwervingen, kreeg
betrekkelijk spoedig zijne kalmte terug.

Alle leden van het gezin kwamen in de _Schoone Zwerfster_ bijeen
teneinde te overleggen wat hun te doen stond. Uit die beraadslaging,
zeide mijnheer Cascabel met eene deftigheid die bewees dat hij reeds
de oude weder geworden was, kon niet anders dan »eene allergewichtigste
beslissing« voortvloeien.

--Kinderen, zeide hij, er komen in het leven omstandigheden voor waarin
een verstandig man moet weten wat hem te doen staat, en ik heb ook
opgemerkt dat dit in den regel onaangename omstandigheden zijn. Dat is
ook het geval met die waarin wij ons op het oogenblik bevinden door de
schuld van die gemeene smeerlappen van engelschen... _Englishmen_,
zooals ze zich noemen!... Hierover lang te praten baat echter
niets, vooral niet omdat er maar één plan overblijft dat wij kunnen
uitvoeren,... en dat zullen we ook uitvoeren!

--Wat is dat dan? vroeg Sander.

--Ik zal er terstond toe overgaan u op de hoogte te brengen van hetgeen
ik in mijn hoofd heb, antwoordde zijn vader. Maar om te weten of het
uitvoerbaar is, moet Jan beginnen met dat ding voor den dag te halen
waar de kaarten in zijn.

--Mijn atlas bedoelt gij?

--Jawel, jawel, uw atlas. Van aardrijkskunde moet ge meer weten dan
een van ons allen. Voor den dag dus met uw atlas.

--Ik zal hem krijgen vader.

De atlas werd gehaald en op de tafel opengelegd. Toen hervatte papa
Cascabel:

--Het spreekt van zelf, kinderen, dat ofschoon die fielten van
engelschen--dat ik niet aan hun boeventronies gezien heb dat het
engelschen waren!--met onze geldkist op den loop zijn--dat ik ook
op het denkbeeld komen moest om er eene geldkist op na te willen
houden!--het spreekt van zelf, herhaal ik, dat wij desniettemin ons
plan niet opgeven om naar Europa terugtekeeren....

--Het opgeven?... Dat nooit! bevestigde zijne vrouw.

--Goed geantwoord, Cornelia. Wij willen naar Europa en wij zullen
er komen! Wij willen Frankrijk terugzien en wij zullen het! Dat zoo
'n paar bandieten ons bestolen hebben, is geen reden.... Ik tenminste
moet naar mijn land terug of ik ga dood....

--Gij moogt niet dood gaan, Cesar! Wij zijn eenmaal op weg naar Europa
en wij keeren niet weer terug...

--Alles goed en wel, vroeg Jan, maar hoe? Op welke manier zullen wij
er komen?

--Ja, op welke manier, dat is de vraag... hernam Cascabel, terwijl hij
zich achter het oor krabde. Wij kunnen wel, met onderweg voorstellingen
te geven, dagelijks zooveel verdienen als noodig is om te New-York
te komen; maar eenmaal met onze _Schoone Zwerfster_ dáár aangeland,
hebben wij geen geld om onze plaatsen op de stoomboot te betalen.... En
zonder stoomboot zie ik geen kans om aan den overkant te komen,
of het moest zijn door zwemmen. Dit nu lijkt mij nog al bezwaarlijk....

--Dat is inderdaad heel moeielijk, patroon, bevestigde
Kruidnagel,... of wij moesten zwemvliezen hebben....

--Welnu, heb jij die?

--Zoover ik weet, niet....

--Houd dan je mond en luister.

Daarop richtte hij het woord meer rechtstreeks tot zijn oudsten zoon.

--Maak open die atlas, Jan! Laat ons op de kaart zien waar wij zijn!

Jan zocht de kaart van Noord-Amerika op en spreidde die
uit. Nieuwsgierig keken de anderen, toen hij met den vinger op een
punt in de Sierra Nevada wees, een klein eind oostelijk van Sacramento.

--Hier is de plek, zeide hij.

--Best, hernam Cesar. Wanneer wij dus onzen tocht over het gebergte
hadden voortgezet, zouden wij het geheele grondgebied der Vereenigde
Staten tot New-York toe hebben moeten doortrekken?

--Natuurlijk, vader.

--Hoeveel mijlen is dat?

--Ongeveer dertienhonderd.

--Onthoud dat! Vervolgens hadden wij den Oceaan over moeten varen?

--Dat kon niet anders.

--Hoeveel mijlen varens is dat weer?

--Ten naasten bij negenhonderd, tot aan het vasteland van Europa.

--En eenmaal in Frankrijk, zouden wij zoo goed als in Normandië
geweest zijn, niet waar?

--Op eene kleinigheid na.

--Hoeveel is dat nu samen?

--Tweeëntwintighonderd! riep Napoleona, die het al op hare vingers
had uitgerekend.

--Kijk zoo'n kleuter! zeide mijnheer Cascabel. Dat kan ook al
cijferen..... Is het zoo, twee duizend twee honderd mijlen?

--Ten naasten bij vader, bevestigde Jan, en dan rekenen wij
ruimschoots.

--Welnu kinderen, dat eind zouden wij met onze wakkere _Schoone
Zwerfster_ wel kunnen afleggen, als er maar geene zee lag tusschen
Amerika en Europa, een eeuwig groote waterplas dien wij over
moeten. Zonder geld, dat wil zeggen zonder stoomboot, komen wij niet
aan den overkant....

--Of wij moesten zwemvliezen hebben, viel Kruidnagel in de rede.

--Daar heb je hem weer met zijn zwemvliezen! zei Cascabel, terwijl
hij zijne schouders ophaalde.

--Dus is het duidelijk, merkte Jan op, dat wij den kant van het Oosten
onmogelijk op kunnen.

--Onmogelijk mijn jongen, ten eenenmale onmogelijk! Maar zouden wij
er in westelijke richting niet kunnen komen?

--In westelijke richting? vroeg Jan verbaasd.

--Ja zeker! Kijk eens na waar wij terecht zullen komen als wij den
kant van het Westen opgaan?

--Dan zouden wij eerst Californië en Oregon, en vervolgens het
territorium Washington door moeten tot aan de noordelijke grens van
de Vereenigde Staten.

--En vervolgens?

--Vervolgens door Engelsch Columbia.....

--Bah! zeide Cascabel met een vies gezicht. Zit er niets anders op
dan dat wij door dat stuk van Engeland trekken?

--Onmogelijk, vader.

--In 's hemels naam dan. En verder!

--Achter de noordelijke grens van Columbia ligt de provincie Alaska....

--Is die ook al van de engelschen?

--Neen, van de russen--ten minste op het oogenblik nog, want er is
sprake van haar intelijven.

--Bij Engeland?

--Neen, bij de Vereenigde Staten.

--Dat doet mij pleizier! Wat komt er achter Alaska?

--Daar ligt de Behringstraat, die het vasteland van Amerika van dat
van Azië scheidt.

--Hoeveel mijlen is dat, van de plek waar wij ons thans bevinden tot
aan die Behringstraat?

--Elfhonderd mijlen.

--Onthoud dat, Napoleona. Straks moogt ge weder optellen.

--En wat moet ik doen? vroeg Sander.

--Je moogt het natellen.

--Vertel mij nu eens, Jan, hoe breed de Behringstraat wel zijn kan?

--Nagenoeg twintig mijlen, vader.

--Twintig mijlen! merkte moeder Cascabel op.

--'t Is maar een sloot, Cornelia, niet veel meer ten minste.

--Nu ja, een sloot, maar dan toch een breede.

--Een sloot, zeg ik. Bovendien Jan, vriest die Behringstraat in den
winter niet dicht?

--Heelemaal vader. Gedurende vier of vijf maanden is het niets dan
een groot ijsveld.

--Prachtig! over het ijs te trekken is geen bezwaar.

--Wel neen, dat wordt ieder jaar gedaan.

--Dat is nog eens een pleizierige straat!

--Maar als wij daar overheen zijn, vroeg Cornelia, komt er dan in
't geheel geen zee meer?

--Neen, moeder. Van de Behringstraat af tot aan het Russische gebied
in Europa, ligt niets dan land.

--Laat ons dat eens op de kaart zien, Jan.

Jan zocht nu in den atlas de algemeene kaart van Azië op en Cascabel
bekeek die met aandacht.

--Dat ziet er niet kwaad uit, merkte hij op. Er zijn geloof ik niet
veel onbewoonde landen daar in Azië?

--Niet heel veel, vader.

--Maar waar ligt nu Europa?

--Hier, antwoordde Jan, terwijl hij met zijnen vinger op het
Oeralgebergte wees.

--Hoe ver is het wel van die straat.... hoe heet ze ook weer? ... van
die Behringsloot tot aan de Europeesche grens van Rusland?

--Dat schat ik op zestienhonderd mijlen.

--En van daar tot in Frankrijk?

--Nagenoeg zeshonderd.

--Hoeveel is nu het totaal van Sacramento af?

--Drieduizend driehonderd en twintig mijlen! riepen Sander en Napoleona
allebei te gelijk.

--Knap gecijferd kinderen, zeide hun vader tevreden. Derhalve naar
het Oosten tweeëntwintig honderd mijlen?

--Juist vader.

--En naar het Westen ongeveer drieëndertig honderd?

--Dat maakt elfhonderd mijlen verschil.....

--Zooveel is de westelijke weg langer, stemde Cascabel toe, maar dan
ligt er geene zee tusschen beide. Als men den eenen kant niet op kan,
kinderen, en er zijn er maar twee, dan kiest men den anderen. Ik stel
dood eenvoudig voor dat te doen!

--Kijk, dan reizen wij achterste voren, riep Sander.

--Niet achterste voren, maar den omgekeerden kant uit.

--Heel goed, vader, antwoordde Jan. Maar ik moet u doen opmerken
dat als wij den kant van het Westen opgaan, het niet mogelijk is die
zooveel langere reis nog dit jaar afteleggen, en wij dus eerst later
in Frankrijk kunnen komen.

--Dat zie ik nog niet in.

--Wel, elfhonderd mijlen is geen kleinigheid. De _Schoone Zwerfster_
zal het wel uithouden, maar onze paarden?

--Welnu kinderen, als wij dit jaar niet in Europa komen, dan komen
wij een jaar later, ziedaar alles! En nu ik er aan denk, zie ik er
nog iets beters in. Als wij Rusland doortrekken komen wij te Perm, te
Kasan, te Nisjni en op andere plaatsen, waar ik dikwijls van gehoord
heb. Daar zijn overal groote kermissen, wij kunnen er voorstellingen
geven en ik sta er voor in dat de familie Cascabel een goed figuur
zal maken en er niet met ledige beurs van daan zal komen!

Iemand die op alles een antwoord heeft, is door geen tegenspraak van
zijn denkbeeld terug te brengen.

Het gaat met een karakter even als met ijzer. Als het hard geslagen
wordt, trekt het zich samen, het wordt vaster, taaier en steviger. Met
onze wakkere kermiskunstenaars ging het niet anders. Jaren achtereen
hadden zij een moeielijk bestaan geleid en allerlei lotgevallen
ondervonden; ontelbaar waren de bezwaren die zij overwonnen hadden,
maar nooit hadden zij zulk eene bittere teleurstelling gehad als thans,
nu al hunne spaarpenningen in handen van roovers waren gevallen en de
terugreis naar hun land, langs den voorgenomen weg, eene onmogelijkheid
geworden was. Maar die laatste harde slag van het noodlot was zoo
ter dege aangekomen, dat zij zich nu ook sterk genoeg voelden om het
ergste wat hun nog overkomen kon, te trotseeren.

Cornelia Cascabel en de kinderen maakten dus niet het minste bezwaar
tegen het plan van het hoofd der familie. Toch was er moeielijk iets
buitensporigers te bedenken, en Cascabel zou zelf aan zoo iets bijna
onuitvoerbaars geen oogenblik gedacht hebben indien zijne begeerte om
naar Europa terug te keeren niet om zoo te zeggen een stuk van zijn
leven geweest ware. Daarom zag hij tegen niets meer op. Wat kon het
hem schelen of hij heel het Westen van Amerika en vervolgens Siberië
van het eene eind tot het andere door moest, nu dat de eenige weg
was die hem openstond om in Frankrijk te komen!

--Bravo, bravo! riep Napoleona in de handen klappende uit.

--Bis, bis! voegde Sander er bij, die geen ander woord kende om den
hoogsten graad van ingenomenheid uit te drukken.

--Zeg eens, vader, vroeg de kleine meid, zullen wij nu ook den czaar
van Rusland zien?

--Zeker kind. Tenminste als Zijne Majesteit naar de kermis te
Nisjni-Novogorod komt kijken.

--En zullen wij voor hem mogen werken?

--Dat kan wel gebeuren, als hij er pleizier in heeft.

--Dan krijgt hij van mij een zoen op zijn twee wangen.

--Misschien geeft hij er u maar één te zoenen, meidlief. Maar pas
dan op, als je hem beetpakt, dat je zijne kroon niet vuil maakt.

Kruidnagel--om van hem niet geheel te zwijgen--dacht bij zichzelf
dat er geen grooter genie op de wereld kon zijn dan zijn patroon.

De weg was dus duidelijk aangewezen. De _Schoone Zwerfster_ moest
Californië, Oregon en het Washington-territorium door tot aan de
grens die het amerikaansche van het engelsche gebied scheidt. Zij
hadden nog een vijftigtal dollars in kas, het eenige losse geld dat
gelukkig niet in de rampzalige geldkist geborgen was. Met dit sommetje
konden de dagelijksche uitgaven op reis niet lang bestreden worden,
en er werd dus bepaald dat de troep op ieder dorp en in elke stad,
waar zij doortrokken, eene voorstelling geven zou. Hiermede ging
eenige tijd verloren, maar dit kwam er niet op aan want zij moesten
in elk geval wachten tot de Behringstraat over hare geheele breedte
toegevroren zou wezen om met den reiswagen er over te kunnen. Dat
zou niet het geval zijn vóórdat zij zeven of acht maanden verder waren.

--De drommel moge mij halen, zeide Cascabel om de beraadslaging te
sluiten, als wij nog niet een aardigen stuiver ophalen vóór dat wij
aan het andere eind van Amerika zijn!

Het scheen wel min of meer twijfelachtig of er in de bovenste streken
van Alaska, waar niet veel andere bevolking gevonden wordt dan eenige
zwervende Indianen-stammen, veel »stuivers op te halen" zouden
zijn. Maar tot aan de westelijke grens der Vereenigde Staten, een
land waar de troep van Cascabel nog nooit zijne kunsten vertoond had,
zou het publiek stellig komen toestroomen, alleen reeds aangetrokken
door hun beroemden naam. De kas zou dus niet ongevuld blijven.

Eenmaal die grens over zijnde, lag echter het engelsche grondgebied
vóór hen. Daar waren steden genoeg, maar Cascabel zou liever honger
geleden hebben dan zich zóó diep te vernederen dat hij engelsche
schellingen of stuivers had moeten aannemen. Het hinderde hem al
genoeg, ja hij vond het bijna onverdragelijk dat de _Schoone Zwerfster_
en hare passagiers over eenen afstand van meer dan tweehonderd mijlen
eene britsche kolonie door moesten.

Op het vaste land van Azië, in Siberië, waar onafzienbare vlakten
zonder bewoners zich uitstrekken, konden zij niet veel anders ontmoeten
dan eenige zwervende benden Samojeden en Tchouktchis, die niet dan bij
uitzondering zich buiten hun onherbergzaam geboorteland vertoonen. De
kas zou daar dus zeker geen goede zaken maken, maar daar viel eenmaal
niets aan te doen.

Nadat alles afgesproken was, bepaalde Cesar dat de _Schoone Zwerfster_
reeds den volgenden ochtend vroeg haren tocht hervatten zou.

Intusschen was het tijd geworden voor het avond-eten. Cornelia ging
met haar gewonen ijver aan den arbeid en terwijl zij aan het bakken
en braden was, zeide zij tegen Kruidnagel, die weder als koksknecht
dienst deed:

--Dat is toch knap bedacht van mijnheer Cascabel, om langs dien
anderen weg in Europa te komen!

--Of het, juffrouw. Maar al wat de patroon in zijne braadpan... ik
wil zeggen in zijne hersenkas klaar maakt is knap!

--Denk eens aan, Nageltje, nu wij de zee niet over moeten, kunnen
wij ook niet zeeziek worden....

--Ten minste als het ijs in de Behringstraat niet op en neer gaat....

--Houd je mond, Nagel, of kraak geen kwade noten!

In dien tusschentijd voerde Sander eenige luchtsprongen uit tot groote
tevredenheid van zijnen vader, en maakte Napoleona een sierlijken
danspas, waarbij de honden haar op hunne achterpooten gezelschap
hielden. Er was reden om met nieuwen ijver aan het leeren te gaan,
want de voorstellingen moesten nu weer beginnen.

Op eens kwam Sander op eenen inval.

--Kijk, nù hebben wij niet eens gevraagd wat de paarden van die groote
reis denken.

Hij liep op eenen draf naar Vermout, en zeide:

--Zeg eens oude heer, wat denk je van zoo'n rit van een duizend mijl
of drie?

Vervolgens richtte hij tot Gladiator het woord:

--Wat zeg jij er van, met je stramme beenen?

De twee paarden begonnen allebei te hinniken, hetgeen beschouwd kon
worden als een bewijs dat zij het heel pleizierig vonden.

Nu was de beurt aan de honden:

--Wagram en Marengo, mijne goede vrienden, er is eene aardige wandeling
voor u in het verschiet.

Kwispelstaartend en blaffend sprong het tweetal tegen den knaap op. Er
viel geen oogenblik aan te twijfelen: die twee zouden meê loopen,
al was het tot het einde der aarde.

De aap mocht evenmin vergeten worden.

--Komaan mijnheer John Bull, geen vieze gezichten! Je zult vreemde
landen te zien krijgen, oude jongen! Als je het te koud krijgt,
zullen we je een pelsjas aantrekken. Kun je nog leelijke tronies
trekken? Pas op dat je dat niet afleert!

John Bull toonde op hetzelfde oogenblik dat hij die kunst nog verstond,
hetgeen de algemeene vroolijkheid nog vermeerderde.

Nu bleef alleen de papegaai nog over.

--Geachte Jako, begon Sander, je hebt nog geen woord gezegd. Je hebt
toch je tong niet verloren? Wij gaan een mooie reis doen Jako! Wat
zegt UEdele daarvan?

Uit de diepte van Jako's hoornigen snavel kwamen een aantal
raadselachtige geluiden, waarin de r's ratelden alsof ze door Cesar
Cascabel's machtige longen werden voortgebracht.

--Bravo! riep Sander, Jako geeft zijne tevredenheid te kennen! Hij
heeft duidelijk ja gezegd.

Met een aantal lucht- en duikelsprongen bekrachtigde Sander deze
verzekering, en zijn vader liet niet na hem daarover zijne tevredenheid
te betuigen.

Op dit oogenblik hoorden zij Cornelia roepen dat de tafel in den
wagen gedekt was.

Allen snelden toe; de eetlust had onder het gebeurde in het geheel
niet geleden en spoedig was er geen kruimel meer over.

Het was alsof zij geen van allen meer aan het ongeluk dachten, toen
Kruidnagel op eens zeide:

--Daar bedenk ik iets, patroon. Die twee schavuiten zullen leelijk
staan te kijken!

--Hoe zoo? vroeg Jan.

--Wel, zij weten het woord niet Waarmede het letterslot gesloten is
en kunnen dus de geldkist niet open krijgen.

--Daarom houd ik het er ook stellig voor dat zij het ding weer terug
zullen komen brengen, zeide Cascabel met een gullen lach.

Een wonderlijke kerel! Hij had het hoofd zoo vol met zijne nieuwe
plannen dat hij den diefstal bijna weer vergeten was.



V.

OP REIS!


Ja, zij waren op reis naar Europa, maar langs een weinig gebruikelijken
weg, die zeker niet aan te bevelen is voor reizigers die haast hebben.

--Toch hebben wij ook haast, merkte Cascabel op, maar om weer geld
te gaan verdienen!

Des ochtends van den 2den Maart werden Vermout en Gladiator voor de
_Schoone Zwerfster_ gespannen. Moeder Cascabel en haar dochtertje
gingen binnen, haar man en de twee knapen volgden te voet, Kruidnagel
mende, John Bull zat boven op den wagen en de honden liepen reeds
heen en weer. Voort ging het.

Het was heerlijk weder. De vroege lente deed de knoppen aan de heesters
openspringen. Het was alsof het voorspel reeds begonnen was van het
verrukkelijke schouwspel, dat het voorjaar in dit gezegende land
te zien geeft. Tusschen de twijgen van die boomen welke ook in den
winter hun groen niet verliezen, zaten vogels te zingen. Dat waren
steen-eiken, witte eiken en dennen, wier spitse uiteinden zich wiegden
boven het eerste loof der heesters. Hier en daar stonden ook groepjes
kleine kastanjeboomen en enkele manzanilles, waarvan de vrucht op
appelen lijkt, waar de Indianen dan ook eene soort appelwijn van maken.

Aan Jan was de taak opgedragen om op de kaart den weg te zoeken dien
zij aflegden. Maar bovendien rustte op hem in 't bijzonder de zorg voor
de provisiekamer, in dien zin dat hij maken moest dat er nooit gebrek
aan wild was. Marengo deed het zijne om te zorgen dat zijn baas dit
niet vergat. Dit was trouwens niet noodig, want waar iets te schieten
valt, zal geen echte jager noch zijn hond het wild met rust laten. Het
was dan ook eene uitzondering wanneer er voor moeder Cascabel niet
het een of ander te braden viel, een haas of eene kuif-patrijs,
een korhoen of een koppel van die bergkwakkels, wier schoone veêren
het oog bekoren, maar wier sappig vleesch nog streelender is voor
het verhemelte. Bleef het met de jacht zóó voordeelig gaan, ook op
de steppen van Alaska tot aan de Behringstraat toe, dan zouden zij
niet veel geld behoeven uittegeven om in hun dagelijksch onderhoud te
voorzien. Eenmaal in Azië gekomen, zouden zij misschien zooveel wild
niet meer ontmoeten, maar daar, in de onafzienbare vlakten van het
land der Tchouktchis, zouden zij op andere manieren aan den noodigen
leeftocht zien te komen.

Voorloopig ging alles dus naar wensch. Cascabel was er de man niet
naar om van de gunstige gelegenheid, die weer en wind op het oogenblik
aanboden, geen gebruik te maken. Zoo snel als de paarden wilden, ging
het vooruit. In dezen tijd van het jaar waren de wegen goed, maar
na eenige maanden zouden de harde regens in den herfst ze moeilijk
begaanbaar maken. Gemiddeld maakten zij zeven of acht mijlen in het
etmaal, met eene poos rust op het midden van den dag om te eten,
terwijl er te zes uur des avonds werd uitgespannen en alles voor den
nacht in gereedheid werd gebracht. Men moet niet gelooven dat dit land
weinig bewoond is. Op de akkers waren de landbouwers reeds aan het werk
om den vruchtbaren grond gereed te maken voor den najaars-oogst die
hier rijker vruchten afwerpt dan in eenig land ter wereld. Ook trokken
zij door een aantal gehuchten, dorpen en kleinere of grootere steden
hetgeen vooral het geval was naarmate de _Schoone Zwerfster_ dichter
in de nabijheid bleef van den linker oever der Sacramento-rivier. Dáár
toch is de streek, die vroeger als het goudland bij uitnemendheid
bekend stond en die nu nog den veelbeteekenenden naam Eldorado draagt.

Overeenkomstig hetgeen Cascabel, als aanvoerder van den troep, bepaald
had, werden er overal waar de gelegenheid zich daartoe aanbood,
voorstellingen gegeven. Zij hadden dit gedeelte van Californië nog
nooit bezocht en kijkgrage menschen zijn er in den afgelegensten
achterhoek te vinden. Te Placerville, te Aübüry, te Marysville, te
Tchama en op andere plaatsen van meer of minder beteekenis, vonden zij
eenen bijval die zich uitte in eenen regen van Amerikaansche centen,
welke langzamerhand aangroeiden tot een dozijn of wat dollars. Het
publiek begon juist genoeg te krijgen van het onveranderlijke
»Amerikaansche paardenspel" waardoor deze streken aanhoudend
afgereisd werden. Napoleona met hare aanvallige vlugheid, Sander
met zijne buigzame ledematen, Jan's bedrevenheid in het balanceeren,
Kruidnagel's komieke vergissingen en domme streken, dat alles werd
door de liefhebbers naar waarde geschat. Ook in de honden en den
aap, John Bull, had ieder pleizier. De oudste leden van den troep,
het echtpaar Cascabel, lieten zich bewonderen, Cesar om zijne groote
spierkracht, Cornelia in het worstelen met alle liefhebbers die zich
daartoe genegen toonden, waarbij wel te verstaan alleen de vlakke
hand als wapen gebruikt mocht worden.

Den 12den Maart kwam de _Schoone Zwerfster_ aan in het stadje Shasta,
gelegen aan den voet van eenen berg van denzelfden naam die zich tot
eene hoogte van veertienduizend voet boven de vlakte verheft. In
het Westen vertoonde zich als een verward gevaarte het gebergte
der Coast-Range, dat zij gelukkig niet over behoefden te trekken
om in den Staat Oregon te komen. Het land was echter heuvelachtig
genoeg. Tusschen een grillig net van uitloopers van het gebergte, op
te nauwernood gebaande wegen welke niet dan met moeite op de kaart
te vinden waren, kwam de reiswagen uiterst langzaam vooruit. Hier
waren ook de dorpen dun gezaaid. De reis zou zeker gemakkelijker
geweest zijn indien zij de kuststreek gevolgd hadden waar het terrein
veel minder ongelijk is, maar om dat te doen zouden zij eerst de
Coast-Range achter zich moeten hebben en over dit gebergte leidt
bijna geen begaanbare weg. Het was dus beter nog een eind noordwaarts
op te gaan en de laatste golvingen van den bergketen omtetrekken,
en zoo in Oregon te komen.

Aldus luidde het advies van Jan, die in zaken van aardrijkskunde het
meest te vertellen had. Zijn raad werd dan ook gevolgd.

Den 19den Maart trokken zij voorbij het fort Jones en dienzelfden
dag kwam de _Schoone Zwerfster_ in het stadje Yrika. Zij vonden daar
een goed onthaal en veel bijval, waardoor de kas weder eenige dollars
rijker werd. Het was de eerste maal dat deze streek door een franschen
kunstenmakerstroep bezocht werd en in al die afgelegen gewesten van
Amerika worden franschen met open armen ontvangen. Het volk mag hen
lijden en is zeker vriendelijker tegen hen gezind dan sommige van
Frankrijk's naaste buren in Europa.

In dit plaatsje hadden zij verder gelegenheid tegen een matigen prijs
de noodige hulppaarden te huren, zonder welke Vermout en Gladiator het
zware werk, dat zij hier te doen hadden, niet af konden. De _Schoone
Zwerfster_ kwam dus zonder ongeval over het noordelijkste uiteinde
van den bergketen, ditmaal zonder door gidsen bestolen te worden.

--Natuurlijk! merkte Cascabel op. Het waren immers geen
engelschen! Daarvan had ik mij wel overtuigd!

Men moet hieruit nu niet opmaken dat alles even gemakkelijk en de
wagen over eenen zandweg ging. Maar dank zij de genomen voorzorgen,
liep het zonder ongelukken af.

Den 27sten Maart eindelijk, na eenen afstand van ongeveer vier
honderd kilometer afgelegd te hebben van de Sierra Nevada af, ging
de _Schoone Zwerfster_ de grens van Oregon over. In het Oosten werd
de gezichteinder hier begrensd door den kalen berg Pitt, welke als
een stijl op eenen zonnewijzer zijne schaduw in de vlakte werpt.

Menschen en dieren hadden het hard te verantwoorden gehad, zoodat zij
onvermijdelijk te Jacksonville eene poos rust moesten nemen. Daarna
lieten zij zich de Roques-rivier overzetten en volgden van toen af
de bochten der kustvlakte, die zich zoo ver zij zien konden naar het
Noorden uitstrekte.

Dit is een bergachtig, maar vruchtbaar land, dat alweder veel voor
den landbouw belooft. Weilanden en bosschen wisselen elkaâr af; het
landschap gelijkt in zijne hoofdtrekken op het Californische. Nu en
dan kwamen zij troepen Sastès- of Umpaquas-indianen tegen, doch het
waren vreedzame lieden, van wie zij niets te vreezen hadden.

In deze streek gekomen vond echter Jan, die geen uur verloren liet
gaan dat hij met lezen kon doorbrengen, het noodig eene waarschuwing
tot de anderen te richten, die hij in zijne boeken gevonden had.

Zij waren nu eenige mijlen voorbij Jacksonville, te midden van dichte
bosschen waartusschen het fort Lane, op eenen heuvel van een paar
duizend voet hoogte, verscholen ligt.

--Hier moeten wij oppassen, merkte Jan op, want het krioelt in dit
land van slangen.

--Wat zegt ge, slangen! riep Napoleona verschrikt uit. Dan moeten
wij maken dat wij hier van daan komen.

--Zacht wat kindlief, antwoordde haar vader. Wij moeten alleen een
weinig voorzichtig zijn.

--Zijn dat gevaarlijke beesten? vroeg Cornelia.

--Erg gevaarlijk, moeder, zeide Jan. Het is eene soort van
ratelslangen, die onder de kwaadaardigste van haar geslacht gerekend
worden. Zij vallen niemand aan die niet met haar in aanraking komt;
maar zoodra ze bij ongeluk gestooten of getrapt worden, springen zij
overeind en bijten, hetgeen in de meeste gevallen doodelijk is.

--Waar houden zij zich meestal op? vroeg Sander.

--Gewoonlijk onder droge bladeren, waar ze niet licht in het oog
vallen, hernam Jan. Daarentegen verraden zij zich door dat ze met
de ringen, die aan haar staart geplaatst zijn, een ratelend geluid
maken als van eene krekel. Zoodra ge dat hoort, is het zaak te maken
dat ge uit den weg komt.

--Opgepast dus! zeide Cesar. Ieder moet goed vóór zich kijken en
allen moeten wij luisteren.

Niet zonder reden had Jan hen hier opmerkzaam op gemaakt, want in alle
streken van westelijk Amerika worden slangen in menigte gevonden. Maar
niet alleen slangen, ook tarantula-spinnen, wier steek niet veel
minder gevaarlijk is.

Behoedzaam vervolgden zij dus hunnen weg en op ieder verdacht geluid
werd acht geslagen. Zij moesten bovendien goed op de paarden passen,
want voor deze zijn slangen en ander ongedierte evenzeer te vreezen
als voor menschen.

Jan had er nog bijgevoegd dat die venijnige beesten niet alleen langs
den weg kruipen, maar ook dikwijls in de huizen dringen, zoodat hun
wagen er allerminst veilig voor was. In dit opzicht mochten zij zich
dus op de _Schoone Zwerfster_ niet verlaten.

Des avonds werd er met grooten ijver onder de bedden en in alle
hoeken naar de onwelkome gasten gezocht. Napoleona gilde het uit van
angst zoodra zij iets meende te zien dat haar verdacht voorkwam. Een
opgeschoten eind touw zag zij voor eene ratelslang aan, al lag het
ook doodstil en al zat er geen driehoekige kop aan. Met eenen schrik
sprong zij dikwijls op als zij, half slapende, hier of daar eene
krekel meende te hooren. Wij moeten er echter bijvoegen dat Cornelia
zich niet veel geruster toonde dan de kleine meid.

--Voor den drommel, riep haar man eindelijk uit nadat zij hem een keer
of wat aan 't schrikken gemaakt hadden, gij vrouwen zijt met uwen angst
voor slangen haast even lastig als de slangen zelve! Uw overgrootmoeder
Eva was er zoo bang niet voor. Die praatte er zelfs mêe.

--Ja maar dat was in het paradijs, antwoordde Napoleona.

--Bovendien had zij beter gedaan met dat achterwege te laten, voegde
moeder Cascabel er bij.

Kruidnagel moest des nachts de wacht houden. Eerst had hij voorgesteld
een groot vuur aan te steken ten einde daarmede de slangen op eenen
afstand te houden; maar hier bracht Jan tegen in dat hierdoor de
slangen wel afgeschrikt, maar de tarantula-spinnen daarentegen
aangetrokken zouden worden.

Dit alles maakte dat onze reizigers zich alleen op hun gemak
voelden wanneer zij in het eene of andere dorp nachtverblijf konden
houden. Daar was het gevaar voor onaangename verrassingen veel minder.

Zij trokken nogal eenige kleine plaatsjes door, zooals Canonville aan
de Cow-kreek, Roseburg, Rochester, Youcalla enz. Daar brachten hunne
voorstellingen telkens weder eenig geld in het laadje. Als Cesar zijne
rekening opmaakte, kostte de reis hem niets want hij verdiende meer
dan hij uitgaf. Gras vonden de paarden in de vlakte, wild was er in
overvloed in het woud, en in de riviertjes werd menige heerlijke visch
gevangen. De kas begon weder langzamerhand aantegroeien, maar het
was er nog verre van daan, dat er uitzicht bestond om de tweeduizend
dollars terug te verdienen die hun daar ginds in de Sierra Nevada
ontstolen waren.

Gelukkig bleven zij allen voor beten of steken van slangen en
tarantula's bewaard, maar daarentegen werden zij na verloop van eenige
dagen door iets anders geplaagd. Dat gaat zoo in de natuur. Die is
wel mild, maar zij bezit ook ontelbare manieren om de menschen het
leven onaangenaam te maken.

Dit gebeurde nadat onze karavaan, altijd haren weg vervolgende over
het Oregon-gebied, de stad Eugène-city doorgetrokken was. Die naam
met zulk een franschen klank had hen allen veel pleizier gedaan en
mijnheer Cascabel had dien landgenoot wel willen kennen, die zeker
een van de stichters der stad geweest was en haar zijnen naam gegeven
had. Dat kon niet anders dan een brave man zijn, en al heette hij ook
niet zooals een van de fransche koningen, Charles, Louis, François,
Henri, Philippe of zelfs Napoleon, een franschman moest het toch zijn,
dat stond als een paal boven water.

Achtereenvolgens hadden zij zich opgehouden te Harrisburg, te Albany en
te Jefferson. Thans liet de _Schoone Zwerfster_ »haar anker vallen"
voor Salem, eene stad van eenigen omvang, de hoofdplaats van den
staat Oregon, gelegen aan een der armen van de Villamette-rivier.

Dit was op den 3den April.

Cascabel bepaalde dat er hier een dag rust gehouden zou worden;
dat wil zeggen dat zij niet verder trekken zouden, want op de markt
der stad werd weder eene voorstelling gegeven en over de opbrengst
daarvan hadden zij alle reden van tevredenheid.

Toen dit afgeloopen was besloten Jan en Sander in de rivier, die zeer
vischrijk heette te zijn, op de vangst uit te gaan.

Maar den daarop volgenden nacht kregen vader, moeder en kinderen op
eens zoo'n ondragelijke jeuk over het geheele lichaam, dat zij een
oogenblik niet anders dachten of een hunner had de anderen eene poets
gebakken, zooals onder kermisklanten wel eens meer gebruikelijk is.

Des ochtends toen het licht geworden was, keken zij elkander echter
stom van verbazing aan.

--Ik zie zoo rood als eene vrouw van de indiaansche Roodhuiden,
riep Cornelia uit.

--Mijn gezicht is een en al blaâr! klaagde Napoleona.

--Kijk eens, ik zit van het hoofd tot de voeten vol bulten! kwam
Kruidnagel vertellen.

--Wat beteekent dat nu? vroeg Cesar. Zou er in dit land de pest
heerschen?

--Ik geloof dat ik wel weet wat het is, zeide Jan, nadat hij met
aandacht de roode vlekken, waarmede zijne armen bedekt waren,
had opgenomen.

--Nu, wat is het dan?

--Wij zijn door de _Yèdre_ gestoken, zooals de Amerikanen het noemen.

--Loop naar de maan met uw _Yèdre_! vertel me liever wat dat is.

--De _Yèdre_, vader, is eene plant, die men maar even heeft aan
te raken, te ruiken, ja zelfs te zien zooals verteld wordt, om er
onaangename gevolgen van te ondervinden. Zij vergiftigt op eenen
afstand.

--Wat zegt ge daar? riep Cornelia verschrikt uit. Zijn we vergiftigd?

--Nu, het is zoo erg niet, haastte Jan zich er bij te voegen. Met
wat jeuk en misschien een beetje koorts zijn we er af.

Dit was inderdaad het geval. De _Yèdre_ is eene ongezonde en venijnige
plant. Het uiterst lichte zaad van dezen heester wordt door den wind
voortgedreven en zoodra het in aanraking komt met de menschelijke huid,
wordt die rood en komen er jeukende puisten op. Hoogst waarschijnlijk
was de reiswagen, terwijl zij door de bosschen in den omtrek van Salem
trokken, door zulk eenen met _Yèdre_-zaad bezwangerden luchtstroom
gegaan. Gelukkig duurde deze huid-uitslag, waarvan zij geen van allen
verschoond bleven, niet langer dan vierentwintig uren. Dien tijd
brachten zij echter door met zich aanhoudend te krabben, zoodat zij
allen iets van John Bull kregen, die in gewone omstandigheden zich met
dit bij de apen zoo geliefkoosde tijdverdrijf pleegde bezig te houden.

Den 5den April schudden de passagiers van de _Schoone Zwerfster_
het Salemsche stof weder van hunne voeten, niet zonder eene jeukende
herinnering aan hunnen tocht door het bosch langs de Villamette-rivier,
hetgeen echter niet weg kon nemen dat zij dit een mooien naam, vooral
voor fransche ooren vonden.

Over Fairfield, Canemah, Oregon-City en Portland, altemaal steden
van vrij wat beteekenis, naderde de karavaan den 7den April de
Columbia-rivier, de grensscheiding van Oregon, in welken Staat zij
weder eenen afstand van honderdvijftien mijlen hadden afgelegd.

Naar het noorden strekte zich nu het gebied uit, dat toen nog als
het Washington territorium bekend stond, maar sedert onder de Staten
der Unie opgenomen is geworden. Het meest bergachtige gedeelte dezer
streek liet de _Schoone Zwerfster_ op haren verderen tocht links
liggen, dat is in het Oosten. Hier liggen de uitloopers van een
gebergte genaamd Cascade-Ranges, waaronder toppen gevonden worden
als die van Sint Helena, van Baker en van Bainer, de eerstgenoemde
negenduizend zevenhonderd, de twee anderen ongeveer elfduizend
voet hoog. Het is alsof de natuur, na zich een tijdlang rust en aan
uitgestrekte vlakten het aanzijn gegeven te hebben, nog eens hare
krachten heeft willen toonen door in het Westen der Nieuwe Wereld
eene reeks geweldige hoogten te doen verrijzen. Als men de geheele
landstreek bij eene zee wilde vergelijken, zou men kunnen zeggen,
dat die aan den eenen kant zoo effen ligt als een meer, maar aan den
anderen kant door een nimmer ophoudenden stormwind bewogen wordt,
waarbij dan de bergruggen de kruinen der golven zouden wezen.

Jan maakte inderdaad deze vergelijking en zijn vader had daar niet
weinig schik in.

--Juist zoo, zeide hij. Eerst hebben we mooi weer gehad en nu komt
er storm. Maar onze _Schoone Zwerfster_ is een kloek zeilschip en
gaat niet licht naar den kelder. Komaan, kinderen! Aan boord en het
anker gelicht!

Ieder maakte zich op en de bewegelijke woning ging weder aan 't
»varen" over de onstuimige zee. Gaandeweg--om bij de vergelijking te
blijven--werden de golven echter kleiner en dank zij de goede zorgen
harer bemanning, kwam de ark der Cascabels behouden over de ergste
plekken. Wel ging de reis niet altijd even snel, maar het schip liep
toch op geen enkele klip of zandbank.

Ook vonden zij nog overal een goed onthaal, in de kleine stadjes als
Kalmera en Monticello zoowel als in de forten, waar bijna geen andere
bewoners gevonden werden als de manschappen van het garnizoen. De
wallen van deze versterkingen bestaan uit niets dan staketsels van
zware palen, en de bezettingen zijn niet talrijk, maar beide zijn
voldoende om de zwervende Indianen-stammen die het land doorkruisen
in bedwang te houden.

Noch de Chinoux, noch de Nesquallys, welke stammen het land Walla-Walla
voornamelijk in bezit hebben, deden dus de _Schoone Zwerfster_ eenig
kwaad. Tegen den avond kwamen de Indianen dikwijls op den stilstaanden
reiswagen af, die hunne nieuwsgierigheid gaande maakte, maar zonder
booze bedoelingen. Het meest stonden zij verbaasd over John Bull
en over de malle gezichten die hij trok, want in dit gedeelte van
Amerika zijn in 't geheel geen apen en sommigen dachten niet anders
of het beest was een der leden van het gezin.

Dat vond Sander eene goede gelegenheid om weder eens eene grap te
hebben en hij verzekerde hun plechtig dat John Bull zijn jongste
broertje was, maar zijne moeder kwam daar met groote verontwaardiging
tegen op.

Eindelijk kwamen zij te Olympia, de hoofdstad van het
Washington-territorium, en daar werd »op vereerend verlangen" de
allerlaatste voorstelling gegeven, die de troep voornemens was op
het grondgebied der Vereenigde Staten te vertoonen.

Niet ver van daar ligt de grens der Vereenigde Staten in het
noordwesten van Noord-Amerika.

Van hier af liep de weg langs de kust van den Stillen Oceaan, of om
juister te spreken, zij moesten de talrijke inhammen en zeeboezems
volgen, Sounds genaamd, waar Van Couvereiland en het eiland
Queen-Charlotte door worden ingesloten.

Voorbij het stadje Steklakoom moesten zij, om te beginnen, de
Pagget-Sounds omtrekken. Zoo kwamen zij aan het fort Bettingham,
dicht bij de zeeëngte, door welke de eilanden van het vasteland
gescheiden worden.

Vervolgens kwam het vlek Whatcome, waar de berg Baker als een reus in
de verte boven de wolken uitsteekt en een weinig verder Srimiahmoo,
een plaatsje aan den mond van de Georgia-straat.

Den 27sten April eindelijk, na ongeveer driehonderdvijftig mijlen
sedert Sacramento afgelegd te hebben, bereikte de _Schoone Zwerfster_
de grensscheiding, welke bij het tractaat van 1847 tusschen de
republiek der Vereenigde Staten en Britsch-Columbia is vastgesteld.



VI.

VERVOLG VAN DE REIS.


Voor de eerste maal in zijn leven zette Cesar Cascabel, de natuurlijke
en onverzoenlijke vijand van Groot-Brittannië, den voet op engelschen
bodem! Nog nooit had het stof van dezen grond, dien hij instinktmatig
haatte, aan zijne zolen gekleefd. Onze lezers moeten niet denken dat
wij deze overdreven uitdrukkingen billijken, maar op eene andere wijze
kunnen wij geen denkbeeld geven van de vrij belachelijke voorstelling,
welke onze kermiskunstenaar zich maakte van de gevoelens die ieder
goed franschman koesteren moet tegenover den zoogenaamden erfvijand
van zijn land. Dit was een dwaas vooroordeel en in 't geheel niet
in overeenstemming met de begrippen van onzen tijd, maar de man was
eenmaal niet anders.

Hij zag daarbij nog over 't hoofd dat Columbia geen europeesch
land is en dus geen deel uitmaakt van het echte Groot-Brittannië,
bestaande uit Engeland, Schotland en Ierland, waartegen in vroeger
tijd de volkshaat der franschen gericht was. Voor Cesar Cascabel was
het genoeg dat de britsche vlag er wapperde, evenals zij bijvoorbeeld
wappert boven de Indiën, Australië of Nieuw-Zeeland.

Britsch-Columbia is eene provincie van Nieuw-Brittannia, waaronder
eene van de belangrijkste koloniale bezittingen der engelschen
verstaan wordt, want de geheele Canada-Dominion, dat is Boven- en
Beneden-Canada, alsmede de onmetelijke uitgestrektheden lands die
aan de Hudsonsbaai-compagnie zijn afgestaan, behooren ertoe. Twee
oceanen, de Stille en de Atlantische, begrenzen het aan den West-
en den Oostkant. De Zuidergrens vormen de Vereenigde Staten en deze
loopt van het Washington-territorium in het Oosten tot den Staat
Maine in het Westen.

Er was dus geen mogelijkheid voor onze karavaan om op haren tocht
naar het Noorden deze engelsche bezitting te ontwijken. Wel waren
het maar een paar honderd mijlen, want zoo lang is de kortste lijn
tot aan de zuidelijke grens van Alaska, waar het russische gebied
in westelijk Amerika eenen aanvang neemt. Maar twee honderd mijlen
mochten eene kleinigheid wezen voor de _Schoone Zwerfster_, die wel
andere reizen achter den rug had, het was toch precies tweehonderd
maal meer dan Cesar Cascabel pleizierig vond in zulk een «vervloekt
land" te vertoeven. Hij deed dus wat hij kon om het oponthoud zoo
kort mogelijk te doen zijn.

Er zou dus nergens halt gehouden worden als alleen om te eten en te
rusten. Ook van kunstenmaken, koorddansen of worstelen mocht niets
inkomen. De familie Cascabel zou geen paarlen voor de zwijnen werpen en
geen engelsche oogen op hare toeren vergasten. Voor muntstukken met het
borstbeeld van koningin Victoria koesterde zij niets dan minachting
en een papieren dollar was haar meer waard, dan een zilveren kroon
of een gouden pond sterling.

Met deze voornemens bezield, kozen de passagiers der _Schoone
Zwerfster_ hunnen weg zoover mogelijk buiten de steden of dorpen. Als
zij onder weg gelegenheid vonden om door de jacht aan leeftocht te
komen, behoefden zij hunne beurs niet open te maken en de winkeliers
in dit verafschuwde land geen voordeel van hunne reis te doen hebben.

Niemand verbeelde zich dat dit eene soort van aanstellerij van Cesar
Cascabel was, het ging bij hem inderdaad van harte. Kalm als een
wijsgeer had hij zich geschikt in de grievende teleurstelling welke
hij ondervonden had; weinige uren waren voldoende geweest om hem na
den schandelijken diefstal zijne opgeruimdheid te doen herkrijgen;
maar van het oogenblik af dat hij de grens van Nieuw-Brittannië
overtrok, was hij kregelig en uit zijn humeur. Met een zuur gezicht,
het hoofd voorover en zijnen hoed over de ooren liep hij voort,
terwijl hij met stuursche blikken de onschuldige voetgangers, die hij
tegenkwam, monsterde. Hij was niet goed-lachs meer zooals anders en
dat ondervond Sander bij eene grap die hij zich veroorloofde, maar
die met een onverwachten uitbrander beloond werd.

Op een mooien dag ging die kwajongen opeens achteruit loopen, wel
een kwartier lang, waarbij hij de gekste bokkensprongen en grimassen
maakte.

Knorrig vroeg zijn vader wat het beduidde om zich op die manier veel
meer te vermoeien dan noodzakelijk of nuttig was.

--Wel, wij reizen immers den verkeerden kant uit! was Sander's
antwoord.

Al de anderen schoten in eenen lach, zelfs Kruidnagel, die het een
heel geestig gezegde vond... als het tenminste niet uiterst flauw was.

--Sander, klonk het echter op strengen toon uit den mond van het hoofd
des gezins, als je weer van die aardigheden verkoopt op oogenblikken
dat het in 't geheel niet te pas komt, zal ik zoodanig aan je ooren
trekken dat ze op je hielen komen te hangen!

--Maar vader.....

--Mond gehouden! zoo lang wij in dit land van engelschen zijn, wordt
er geen gekheid gemaakt.

Van dit oogenblik af waagde niemand meer eene grap in tegenwoordigheid
van den geweldigen Albion-hater, al voelden de anderen ook niet zoo
'n heftigen afkeer van engelschen.

Dit gedeelte van Britsch-Columbia, dat zich uitstrekt tot aan
de kust van den Stillen Oceaan, is zeer ongelijk van bodem. In
het Oosten vormt het Rotsige Gebergte een hoogen scheidsmuur,
die zijne vertakkingen tot in de poollanden uitzendt, en naar
het Westen wordt de kust van Bute, die door een aantal _fjords_,
even als de Noorweegsche kust, wordt ingesneden, beheerscht door
schilderachtige en hooge rotsgevaarten. Zulke steilten worden nergens
in Europa aangetroffen, zelfs niet in het land der Alpen, terwijl
de gletschers in uitgestrektheid en diepte de Zwitschersche verre
overtreffen. Zoo is bij voorbeeld de berg Hocker niet minder dan
vijf duizend achthonderd meter hoog, dat is duizend meter meer dan de
Mont Blanc, en is de berg Brun, ofschoon lager dan de eerstgenoemde,
toch weder hooger dan de reus der Alpen.

Gelukkig voor onze karavaan ligt er tusschen de gebergten van het
Oosten en het Westen eene breede en vruchtbare vallei, waar open
vlakten en trotsche wouden elkander afwisselen. Langs den straatweg,
die door dit dal loopt, stroomt eene belangrijke rivier, de Frazer,
die over eene lengte van ongeveer honderd mijlen van Zuid naar Noord
stroomt, en zich uitstort in den nauwen zeearm, welke ingesloten
wordt door de kust van Bute, Vancouver-eiland en eene ontelbare
menigte kleine eilandjes.

Vancouver-eiland is tweehonderd vijftig geografische mijlen
lang en drieenzeventig mijlen breed. De portugeezen hebben er
zich eerst meester van gemaakt, maar later zijn deze verdrongen
door de Spanjaarden, die er in 1789 bij tractaat bezitters van
werden. Vancouver heeft het eiland driemaal bezocht in den tijd toen
het door de inboorlingen nog Noutka geheeten werd; het heeft een
tijdlang den naam van dien engelschen ontdekker en tevens dien van den
spaanschen kapitein Quadra gedragen, maar in de laatste jaren van de
achttiende eeuw is het voorgoed in handen van de engelschen overgegaan.

De hoofdplaats van het eiland is Victoria, maar Nanaimo is de grootste
stad. Vertegenwoordigers van de Hudsonsbaai-compagnie hebben het
eerst de rijke kolenmijnen ontgonnen, die tegenwoordig onder de
belangrijkste afvoerbronnen behooren, welke de drukke scheepvaart
tusschen San Francisco en de verschillende punten der Westkust van
Noord-Amerika voeden.

Een weinig noordelijker dan Vancouver-eiland ligt
Queen-Charlotte-eiland, het grootste der eilandengroep van dien naam
die mede behoort tot Engelands uitgestrekte bezittingen in dit gedeelte
van den Stillen Oceaan.

Ieder begrijpt, dat Cascabel er even weinig aan dacht de steden op
deze eilanden te gaan bezoeken als hij den voet had willen zetten
in Adelaïde of Melbourne in Australië, of in Madras of Calcutta in
Britsch-Indië. Zoo snel zijne paarden voortwilden trok hij de vallei
der Frazer-rivier door en hij zorgde met geen andere bewoners in
aanraking te komen dan met de lieden van het indiaansche ras.

Zoolang de reizigers zich in dit dal bevonden, hadden zij geene moeite
om aan het noodige wild te komen, dat in de dagelijksche behoefte
der tafel ruimschoots voorzag. Aan herten, hazen en patrijzen was
geen gebrek, en die brave beesten--merkte Cesar op--die zijn oudste
zoon met zelden falende hand het lood in het lijf joeg, dienden op
die manier ten minste tot voedsel voor eerlijke lieden. Zij zelven
hadden geen droppel engelsch bloed in hunne aderen en ze konden door
een franschman opgegeten worden zonder dat hun vleesch hem walgde!

Even voorbij fort Langley reed de reiswagen de diepe kloof der
Frazer-vallei binnen. Een eigenlijke rijweg was hier niet; de grond
lag als aan zichzelf overgelaten; op den rechteroever der rivier
strekten groote grasvelden zich uit, in het westen begrensd door
dichte wouden, waarboven ver naar achteren de hooge bergen tegen de
meestal grijsachtig gekleurde lucht afstaken.

Niet ver van New-Westminster, eene van de voornaamste steden in het
kustland van Bute, aan de monding der Frazer-rivier gelegen, was
de wagen, op raad van Jan, op eene daar liggende veerpont naar den
anderen oever overgezet. Dit was eene goede voorzorg, want de _Schoone
Zwerfster_ had nu slechts de rivier te volgen om langs den kortsten
en den gemakkelijksten weg een gedeelte van het russische gebied van
Alaska te bereiken, dat een eind over de grens van Columbia uitsteekt.

Bovendien was het toeval Cascabel gunstig geweest en had hij eenen
gids ontmoet, die zich bereid verklaard had hem den weg tot aan de
russische grens te wijzen. Dit was een brave indiaan en zij hadden
geen reden om spijt te hebben over het vertrouwen dat zij in hem
stelden. Natuurlijk kostte het weder eenig geld, maar het was beter
een dollar of wat meer uit te geven dan zuinig te zijn ten koste van
de veiligheid en den spoed.

De gids heette Ro-No en behoorde tot een der stammen wier _tyhis_,
dat wil zeggen wier opperhoofden, in levendig verkeer met europeanen
zijn. Dit is een geheel ander soort van indianen dan de Tchilicotten,
die tot een valsch, wreedaardig, woest en trouweloos menschenras
behooren, en voor wie de reizigers in het noordwesten van Amerika
niet genoeg op hunne hoede kunnen zijn. Nog in 1864 hebben deze
straatroovers het geheele personeel, dat bezig was met opmetingen
voor het aanleggen van eenen spoorweg op de kust van Bute, helpen
vermoorden. Ook de ingenieur Wadington, wiens dood in de geheele
kolonie betreurd werd, was in hunne handen gevallen en ellendig
omgebracht. In dien tijd, werd er verhaald, hadden de Tchilicotten
het hart van een hunner slachtoffers uit zijn lichaam gescheurd
en verslonden, zoodat zij toen nog op ééne lijn stonden met de
menscheneters op de afgelegen eilanden in Polynesië.

Jan had eene beschrijving van deze wreedheden gelezen in het verhaal
der reis van Frederick Whymper door Noord-Amerika en zijnen vader
gewaarschuwd voor eene mogelijke ontmoeting met de Tchilicotten;
maar zij hadden samen afgesproken daar niets van aan de anderen te
vertellen, ten einde hen niet noodeloos ongerust te maken. Bovendien
waren deze Roodhuiden sedert deze gebeurtenissen voorgevallen waren,
voorzichtig op eenen afstand gebleven, want eenige hunner, van wie
bewezen was dat zij de meeste schuld aan deze euveldaden hadden,
waren door beulshanden opgeknoopt. Dit had een heilzamen schrik
teweeggebracht en de gids Ro-No verzekerde ten stelligste dat de
karavaan op haren verderen tocht door Britsch-Columbia niets te
vreezen had.

Het weder bleef bij voortduring gunstig en des middags tusschen
twaalven en tweeën begon het reeds ter dege warm te worden. Aan alle
takken prijkten de berstende en met sappen gevulde knoppen; nog een
korten tijd en de eerste bladeren en bloemen zouden het woud met de
teedere kleuren der lente sieren.

Het landschap vertoonde nu de eigenaardige karaktertrekken aan
noordelijke landen eigen. De Frazer-vallei wordt ingesloten door
wouden, waarin de boomsoorten van het Noorden de bovenhand hebben. Dit
zijn ceders en dennen, en eene pijnboomsoort, Douglas genaamd,
waaronder stammen gevonden worden van vijftien meters omtrek op den
grond en van meer dan honderd voet hoogte. In bosschen en beemden
wemelde het van wild en Jan behoefde niet ver af te dwalen om dagelijks
in de behoeften der keuken te voorzien.

Het land was voor het overige niet woest of verlaten. Dikwijls trokken
zij dorpen voorbij waar de Indianen het vrij goed met de engelsche
ambtenaren schenen te kunnen vinden. In de rivier vertoonden zich
heele vloten van cederhouten vaartuigen die zich lieten afdrijven op
den stroom of er tegen opvoeren met kracht van pagaaien en zeilen.

Dikwijls kwamen zij ook troepen Indianen op weg naar het Zuiden
tegen. Zij liepen in hunne witte wollen mantels gewikkeld en
wisselden gewoonlijk eenige woorden met mijnheer Cascabel, die hen
reeds eenigszins begon te verstaan, want zij spraken een zonderling
mengelmoes van talen, samengesteld uit woorden van franschen en
engelschen oorsprong, ofschoon de inlandsche taal er natuurlijk de
grondstof van uitmaakte.

--Mooi zoo! riep Cascabel uit. Nu spreek ik al Chinouk! Dat is alweder
eene taal, die ik versta, zonder haar ooit geleerd te hebben.

Alle volksstammen in het hooge Westen van Amerika, deelde Ro-No hun
mede, spreken de Chinouktaal, die tot in de landen van Alaska verstaan
en gesproken wordt.

Onnoodig te zeggen, dat, dank zij de vroege warmte, die dit jaar
was ingevallen, de sneeuw overal gesmolten was. Anders blijft zij
somtijds nog in het begin van April liggen. Alles werkte dus samen om
hunne reis voorspoedig te maken. Cesar ontzag zooveel als noodig was
zijne paarden, maar zette er toch den meest mogelijken haast achter,
ten einde zoo spoedig mogelijk het grondgebied van Columbia achter
den rug te hebben. Het werd voortdurend warmer en dit konden zij ook
merken aan het steeds toenemende aantal muggen, die eindelijk bijna
onverdragelijk werden. Het was niet mogelijk de _Schoone Zwerfster_
voor deze beesten gesloten te houden, ook al werd er zoodra het donker
begon te worden, in het geheel geen licht meer opgestoken.

--Die satansche beesten! riep Cascabel op eenen avond uit, nadat hij
zich te vergeefs in het zweet gewerkt had om ze weg te jagen.

--Ik zou wel eens willen weten waar die ellendige muggen toe dienen,
zeide Sander.

--Zij dienen... om ons opteëten, antwoordde Kruidnagel.

--Maar ook om de engelschen hier in Columbia te verslinden, voegde
Cascabel er bloeddorstig bij. Daarom, kinderen, mag er geene mug meer
doodgemaakt worden. Die engelschen kunnen er nooit genoeg last van
hebben en dat is het eenige wat mij eenigszins troost.

Met de jacht bleef het steeds voorspoedig gaan. Het wild was zoo
overvloedig, dat de herten in het gezicht van den wagen buiten den
zoom van het woud in de vlakte kwamen om in de rivier hunnen dorst te
lesschen. Door Wagram trouw bijgestaan, schoot Jan er verscheidene,
zonder zich verder van den wagen te verwijderen dan de voorzichtigheid
toeliet, want zijne moeder was altijd angstig als hij lang uit zicht
bleef. Ook Sander ging somtijds mede op de jacht en werd door zijn
ouderen broeder in de eerste beginselen daarvan onderwezen. Het was
dikwijls moeilijk uit te maken wie het vlugst was, de jongste der
beide Nimrods of hun jachthond.

Het duurde echter lang eer Jan grooter wild wist te bemachtigen dan
herten, maar eindelijk kreeg hij een bison onder schot. Dit was geen
gemakkelijke prooi. Bij het eerste schot werd het dier alleen gewond;
het kwam woedend op hem af en ofschoon hij het nog een tweeden kogel
in den kop joeg, bleef het doorloopen totdat het vlak bij hem was en
de hoorns hem bijna raakten. Toen eerst viel het neder. Natuurlijk
vertelde hij aan de anderen niets van het gevaar dat hij geloopen had,
maar het groote beest, dat met zijn dikke manen veel van een leeuw
had en op eenige honderd schreden van de Frazer-rivier gevallen was,
woog zoo zwaar dat zij de paarden van den wagen moesten spannen om
het weg te sleepen.

De bison is een herkauwend dier, dat door de Indianen op verschillende
manieren benuttigd wordt en dat zij met de lans en met pijlen te
lijf gaan. De huid gebruiken zij om op te slapen of als deken, of zij
verkoopen die voor een twintigtal piasters. Het vleesch wordt in de
zon gedroogd en daarna in lange repen gesneden, in welken staat het
maanden lang bewaard kan blijven om in tijden van schaarschte tot
voedsel te dienen.

Europeanen lusten in den regel van de bison alleen de tong, maar
dit is dan ook eene bijzonder fijne lekkernij. Onze reizigers lieten
het echter niet bij de tong. Cornelia wist het vleesch op allerlei
manieren te koken, te braden, te roosteren en te stoven, en zoodoende
kon het voor verscheidene maaltijden dienen en was ieder er over uit,
dat het best smaakte. Van de tong was er voor allen maar een klein
stukje, maar dat werd zoo lekker gevonden, dat allen betuigden nog
nooit iets fijners geproefd te hebben.

Gedurende de eerste veertien dagen van den tocht door Columbia
gebeurde er niets anders, dat de moeite waard is vermeld te worden,
alleen begon er reeds verandering in het weer te komen. Het zou niet
lang meer duren, of hun tocht naar het Noorden zou door de zware
regens zoo niet belet, dan toch bemoeilijkt worden.

Onder deze omstandigheden stond het te vreezen dat de Frazer-rivier
tengevolge van den aanhoudenden was buiten hare oevers treden zou,
hetgeen voor de _Schoone Zwerfster_ eene ernstige, ja misschien eene
onoverkomelijke hinderpaal had kunnen worden.

Gelukkig echter rees het water in de rivier tengevolge van den
geweldigen regen wel hoog, maar niet ver boven de oevers, zoodat de
vlakte, welke anders ondergeloopen zou zijn tot aan den zoom van het
woud dat evenwijdig aan de rivier liep, grootendeels droog bleef. Niet
dan langzaam kwam de wagen vooruit, want de wielen kleefden vast
aan den doorweekten grond; maar onder het waterdichte dak vonden
de reizigers eene veilige schuilplaats tegen regen en wind. Het was
trouwens niet de eerste maal dat zij onder soortgelijke omstandigheden
de goede eigenschappen van de _Schoone Zwerfster_ op prijs hadden
leeren stellen.



VII.

DWARS DOOR CARIBOU.


Hoe jammer, dat onze brave Cascabel niet eenige jaren vroeger het
gedeelte van Britsch-Columbia bezocht had, dat zich thans voor
hem uitstrekte! Hoe jammer dat zijn zwervend gelukzoekersleven hem
niet derwaarts gevoerd had in eenen tijd, toen de bodem met goud als
bedekt lag en de menschen het slechts hadden opterapen! Waarom was het
tafereel, dat Jan zijnen vader schetste van dien verwonderlijken tijd,
een beeld van hetgeen geweest was en niet van het tegenwoordige?

--Hier hebben wij nu Caribou, vader, zeide Jan. Maar misschien weet
gij niet wat Caribou is?

--Ik heb er niet het minste vermoeden van, was Cesar's antwoord. Is
het een beest op twee of op vier pooten?

--Wat, een beest? riep Napoleona. Toch geen verscheurend dier? Is
het groot en bijt het?

--Het is in 't geheel geen beest, hernam Jan; het is eenvoudig
een land dat zoo genoemd wordt, en wel het goudland, Columbisch
Eldorado. Hoeveel schatten er verborgen lagen en hoeveel lieden er
rijk geworden zijn....

--En hoeveel anderen er dood-arm werden, viel zijn vader hem in
de rede.

--Dat is waar, vader, en ik moet er bijvoegen dat dit met de meesten
het geval was.  Maar er waren toch ook mijnwerkersvereenigingen die
een gewicht van een paar duizend marken aan goud iederen dag uit den
grond haalden. In eene der Caribou-valleien, Williams-creek genaamd,
vonden zij het bij handenvol tegelijk!

Hoe overvloedig echter het edele metaal in dit goudland opgehoopt lag,
de toeloop van menschen om het te plunderen was nog grooter. Door
deze opeenhooping, waaronder zich allerlei gemeen gespuis bevond,
werd het leven er uiterst bezwaarlijk en de prijs van alles verbazend
hoog. Eten en drinken waren bijna niet te betalen, een pond brood
kostte een dollar. Te midden der dichte menschenmassa ontstonden
allerlei besmettelijke ziekten. Kortom, de meesten die naar Caribou
gestroomd waren, vonden er niets dan ellende en dood. Dat is echter
het geval in al die goudlanden, in Californië en Australië zoo goed
als hier.

--Het zou toch wel aardig zijn, vader, zeide Napoleona, zoo'n bonk
goud op den weg te vinden.

--Wat zou je daar meê doen, kleuter?

--Wat zij er mêe doen zou? vroeg Cornelia. Zij zou het aan haar
moedertje geven, die er wel een zak mooie blinkende goudstukken voor
zou weten te krijgen.

--Wij moeten maar goed zoeken, zeide Kruidnagel, dan vinden wij
stellig iets, of het moest zijn....

--Of het moest zijn dat wij niets vonden, wilt ge zeker zeggen? viel
Jan hem in de rede. Dat is het juist wat er gebeuren zal, want de
kas is zoo ledig als eene kas maar bij mogelijkheid zijn kan.

--Nu, nu, zeide Sander nog, men kan toch nooit weten!

--Heiwat kinderen! begon nu vader Cascabel met zijne meest
indrukwekkende stem. Ik verbied u allen op die manier rijk te
worden. Geen goud afkomstig uit een engelschen grond! Foei! Laat
ons snel maken dat wij voortkomen en ons niet ophouden om eene klomp
opterapen, al was zij zoo groot als Kruidnagel zijn hoofd! Eenmaal
aan de grens, kinderen, al staat daar ook geen bord met het opschrift:
»Voeten vegen s. v. p.," zullen wij het stof van onze schoenen kloppen,
teneinde geen korrel van den Columbiaanschen grond mêe te dragen.

Die Cesar Cascabel bleef in dit opzicht altijd dezelfde! Maar de
goede man had ditmaal mooi praten, want er bestond heel weinig kans
dat iemand meer een klompje goud op den weg zou tegenkomen.

Dit nam echter niet weg dat er ondanks het strenge verbod nog dikwijls,
zoo lang zij in deze streek waren, met onderzoekende blikken naar den
grond gekeken werd. Er lag geen keisteen langs den weg af Napoleona,
maar vooral Sander, dacht dat het een brok goud was. Waarom zou dat
niet kunnen? Is Amerika niet van alle landen ter wereld het rijkste
aan edel metaal, rijker dan Australië, Rusland, Venezuela of China?

Intusschen was de regentijd ingetreden. Geen dag ging er voorbij of
het stortregende. Natuurlijk werden de wegen daar niet beter op en
ging het rijden hoe langer hoe bezwaarlijker.

De indiaansche gids drong er op aan dat zij spoed zouden maken
want hij vreesde dat de kleine riviertjes of beken, die zich in
de Frazer-rivier storten en die in den zomer bijna droog loopen,
tengevolge van den regen ondoorwaadbaar zouden worden. Gebeurde dit,
hoe moesten zij er dan over komen? Er bestond in dat geval veel kans
dat de _Schoone Zwerfster_ gedurende al de weken dat de regen aanhield,
aan ééne plaats gekluisterd zou blijven. Iedere dag dat zij eerder
buiten de Frazer-vallei kwamen, was dus als winst te beschouwen.

Zooals wij reeds verteld hebben had de karavaan van de indiaansche
stammen, sedert de roofzuchtige Tchilicotten naar het Oosten
teruggedrongen waren, niets meer te vreezen. Dit was eene reden tot
gerustheid, maar daarentegen waren er nog wilde beesten, onder anderen
beren, die in eene afgelegene vallei, aan verschillende zijden door
water omringd, als zij door honger gekweld werden, voor reizigers
lastig konden wezen.

Zoo iets ondervond Sander bij zekere gelegenheid, toen hij bijna het
slachtoffer werd van zijne ongehoorzaamheid aan zijnen vader.

Dit gebeurde in den namiddag van den 17den Mei. Zij hadden den wagen
doen stil houden op een vijftig schreden van een riviertje dat zij
bijna droogvoets waren overgekomen. Het lag tusschen hooge oevers
ingesloten en zou dus een onoverkomelijk beletsel geweest zijn indien
het door een plotselingen was tot eenen stroom was aangezwollen.

Zij zouden daar een paar uren rust houden. Jan ging dus vooruit om te
zien of hij niet wat schieten kon. Sander kreeg last bij den wagen
te blijven, maar hij stoorde zich daar niet aan, ging de beek weder
over zonder dat iemand het merkte en wandelde den kant op dien zij
afgekomen waren, met niets bij zich dan een touw van een voet of
twaalf lengte, dat hij als een gordel om zijn middel gewonden had.

De knaap had een plannetje gemaakt. Onder weg had hij eenen vogel
met schitterende veeren zien zitten. Dien wilde hij weder trachten te
vinden om zijn nest uittehalen. Het touw had hij medegenomen teneinde
het te gebruiken om als het noodig was in eenen boom te kunnen klimmen.

Dit was lang niet voorzichtig, te meer dewijl het weder er alles
behalve gunstig uitzag. Donkere wolken kwamen van alle kanten opzetten
en er was blijkbaar een onweder in aantocht. Maar houd eens een jongen
tegen die een vogelnestje wil gaan uithalen!

Al voortloopende geraakte Sander spoedig midden in het dichte woud,
waarvan de voorste boomen tot aan den linkeroever der beek stonden. Hij
had zijnen vogel weder in het oog gekregen, maar het dier fladderde
van den eenen tak naar den anderen, als wilde het hem steeds verder
van den weg lokken.

Sander dacht aan niets dan zijne prooi en vergat dat de _Schoone
Zwerfster_ reeds over twee uren weder op weg moest. Twintig minuten
nadat hij het riviertje overgegaan was, bevond hij zich reeds een
goede halve mijl in het bosch. Hier was geen spoor van eenen weg meer;
tenauwernood een pad tusschen de dennen- en cederboomen, telkens door
kreupelhout versperd.

De vogel vloog, luid zingende, tusschen de boomen rond en Sander liep
hem na zoo hard hij kon, springende als een jonge kat. Het baatte
echter niets. Eindelijk verloor hij den vogel tusschen het dichte
groen uit het oog.

--Loop naar de maan! riep hij, ziende dat het nutteloos was zijnen
tocht voort te zetten.

Nu bemerkte hij eerst dat de lucht geheel met zware wolken overdekt
was geworden. Reeds lichtte het van tijd tot tijd te midden van het
dichte groen.

Dat was de flikkering der eerste bliksemstralen, die spoedig door
het gerommel van den donder gevolgd werden.

--Ik moet maken dat ik wegkom; dacht de knaap; maar wat zal vader
wel zeggen?

Op dit oogenblik werd zijne aandacht getrokken door eenen steen van
zonderlingen vorm, zoo groot ongeveer als een pijnappel, waar zich
hier en daar metaalachtige stippen op vertoonden.

Dat was genoeg om Sander te doen denken dat het een klomp goud kon
zijn, die de goudgravers hier hadden laten liggen. Met eenen kreet
van vreugde raapte hij den steen op, bekeek hem van alle kanten en
stak hem in zijn zak, met het stellige voornemen echter om er niemand
iets van te vertellen.

--Wij zullen later wel eens zien wat zij zeggen zullen, dacht hij,
als ik er klinkende munt voor in de plaats heb gekregen!

Nauwelijks had hij zijne kostbare vondst bij zich gestoken of het
onweder barstte in volle hevigheid los. Op eens liet zich tusschen
het rommelen der donderslagen, dat van alle zijden door de bergen
weerkaatst werd, een hevig gebrul hooren.

Een twintigtal schreden van Sander af vertoonde zich buiten een
kreupelboschje een groote beer, van de soort die in Noord-Amerika
_grizzly_-beer genoemd worden.

Sander was niet bang van aard, maar nu zette hij het toch zoo hard
hij kon op een loopen, den kant van het riviertje op. De beer hem
na. Gelukte het den knaap bijtijds aan de beek te komen en den anderen
oever te halen, dan was hij in veiligheid. De anderen zouden den beer
wel aan den kant van het riviertje op eenen afstand houden, of indien
zij er kans toe zagen hem neerschieten. Zijne huid was geld waard.

Maar het stortregende, de bliksemstralen volgden elkander op, de donder
was geen oogenblik van de lucht. Sander was reeds tot op het lijf toe
nat, zijne doorweekte kleederen maakten het loopen hem moeielijk,
ieder oogenblik dreigde hij op den glibberigen grond uitteglijden,
en indien hij viel, was de beer hem dadelijk op het lijf. Gelukkig
gebeurde dit echter niet. Na bijna een kwartier loopens kwam hij
ademloos aan den oever der beek.

Hier echter kon hij niet verder. Het riviertje was in een woesten
stroom veranderd, het water tot aan den oeverrand gerezen, rotsblokken,
boomtakken, heele stammen werden in woeste vaart er in medegesleurd. In
dien draaikolk te springen, was een wissen dood te gemoet gaan. Op
redding bestond niet de minste kans.

Terugkeeren dorst Sander niet. De beer was hem dicht op de hielen. De
reizigers en de _Schoone Zwerfster_, die hij tusschen de boomen
ternauwernood zien kon, kon hij niet te hulp roepen.

De zucht tot lijfsbehoud deed hem, bijna zonder er over te denken, het
eenige middel aangrijpen waardoor hij misschien behouden kon blijven.

Een pas of vijf van hem vandaan stond een groote cederboom, waarvan
de onderste takken over de beek heen hingen.

De knaap vloog naar den stam, die gelukkig niet al te dik was. Hij
sloeg zijne armen er om heen, trok zich aan de uitstekende punten in
de schors naar boven en kwam zoodoende tot het punt waar de stam zich
splitste. Vandaar klom hij tusschen de takken verder naar boven. Een
aap zou het hem niet verbeterd hebben, maar men moet bedenken dat
onze jonge kunstenmaker aan zulke lichaamsoefeningen gewoon was. Nu
geloofde hij zich in veiligheid.

Daarin vergiste hij zich echter. De beer was eerst eene poos bij
den boom blijven staan, maar maakte zich nu ook gereed er in te
klimmen. Hem te ontkomen was moeielijk, want eenmaal aan 't klauteren,
kon het beest evengoed als Sander tusschen de bovenste takken komen.

Maar Sander behield zijne tegenwoordigheid van geest. Niet voor niets
was hij de zoon van den vermaarden Cascabel en gewend zich uit allerlei
moeilijkheden te redden.

Hij moest zien dat hij weer uit den boom en de beek overkwam. Maar
hoe? De regen bleef bij stroomen neervallen, ieder oogenblik wies
het water, reeds stond het hooger dan de tegenover liggende oever en
stroomde het den kant uit waar de wagen was blijven staan.

Om hulp roepen kon hem niet baten, want er was geen mogelijkheid dat
zijne kreten te midden van het geweld van storm, regen en stroom
gehoord werden. Bovendien, wanneer Cascabel, Jan of Kruidnagel op
de gedachten mochten zijn gekomen om den afwezige te gaan zoeken,
dan moesten zij den anderen kant opgegaan zijn, maar zouden zij zeker
niet de richting der beek gevolgd hebben, welke zij niet konden weten
dat Sander weer overgegaan was.

Intusschen was de beer reeds aan 't klimmen, wel langzaam, maar
hij kwam toch vooruit. Reeds was hij bijna aan de splitsing van den
stam. Sander trok zich op naar de hoogere takken.

Op eens kreeg de knaap eenen inval. Enkele takken van den cederboom
hingen tot op eenen afstand van een voet of tien boven de beek. Haastig
rolde hij het touw los dat hij om zijn middel gebonden had, maakte
daar eene lus in en wierp die om het uiteinde van een der overhangende
takken. De lus hield en hij trok den tak naar zich toe, zoodanig dat
die overeind kwam te staan.

Dat alles gebeurde in weinige oogenblikken, behendig en met slim
overleg.

Hij had geen tijd te verliezen. Reeds was de beer boven de benedenste
takken, reeds klauterde hij van den eenen tak op den anderen.

Toen klemde Sander zich stevig vast aan het uiteinde van den
overeindstaanden tak en liet dien daarna terugspringen alsof het
een veer was. Als een steen, die uit een katapult geslingerd wordt,
vloog hij over de beek heen. Hij maakte nog eenen luchtsprong en kwam
op den rechteroever te land, terwijl de beer, heelemaal overbluft,
zijne prooi die hem door de lucht ontsnapte nastaarde.

--Zoo'n straatjongen!

Met deze woorden verwelkomde hem vader Cascabel, die den
onvoorzichtigen knaap in alle richtingen tevergeefs gezocht had
en juist op dit oogenblik met Jan en Kruidnagel aan den oever der
beek kwam.

--Kwajongen, herhaalde hij, wat een angst hebben wij uitgestaan!

--Ja vader, ik heb een pak slaag verdiend, antwoordde Sander. Sla er
maar op!

Maar Cascabel dacht niet aan slaag. Hij pakte den jongen op en omhelsde
hem, terwijl hij zeide:

--Pas op dat je het niet weer doet, want dan.....

--Dan geeft u me toch wéér een zoen! zei Sander, terwijl hij zelf
zijnen vader om den hals pakte.

Op eens riep hij:

--Kijk dien beer eens! Hij staat te kijken of hij van Lotje getikt is,
zoo'n lummel!

Jan had wel lust gehad het beest, dat zich langzaam verwijderde,
eenen kogel achterna te sturen, maar er viel niet aan te denken om
het te vervolgen. Het water bleef steeds wassen, zij hadden niets
beters te doen dan te maken dat zij wegkwamen en allen keerden dus
naar de _Schoone Zwerfster_ terug.



VIII.

HET "SCHURKENDORP".


Acht dagen later, den 26den Mei, kwam de reiswagen in de nabijheid
der bronnen van de Frazer. Het was dag en nacht blijven doorregenen,
maar nu, meende de gids te kunnen verzekeren, kon het niet lang meer
duren of er moest verandering van weer komen.

Zij trokken de rivier bij haren oversprong over, waar het terrein
weder in hooge mate golvend was. Daarna gingen zij met de _Schoone
Zwerfster_ recht den kant van het Westen op.

Nog een dag of wat rijdens en de karavaan zou aan de grens van
Alaska komen.

Sedert eene week hadden zij geen dorp of gehucht meer op hunnen weg
ontmoet. Over de diensten van den indiaan Ro-No konden zij niet anders
dan tevreden zijn; hij kende het land op een prik.

Dien dag waarschuwde de gids Cascabel, dat het misschien niet kwaad
zou zijn een etmaal rust te houden in een nabijgelegen dorp, want
dat de paarden zichtbaar moede waren en het dus wel noodig hadden.

--Wat is dat voor een dorp? vroeg Cascabel, die alles wat in
Britsch-Columbia was nog altijd wantrouwde.

--Het heet Schurkendorp, antwoordde de gids.

--Wat zeg je, Schurkendorp?

--Ja, bevestigde Jan, die naam staat ook op de kaart. Ik denk dat het
de verbasterde naam is van een indiaanschen stam, waarvan de klank
min of meer op »schurk" leek.

--Voor mijn part is het een mooie naam, bromde Cascabel. Als er
engelschen wonen, al waren het er maar een half dozijn, is er zeker
geen betere te bedenken.

Denzelfden avond hield de _Schoone Zwerfster_ dus stil bij de
eerste huisjes van het dorp. Nog maar drie dagen en de grens tusschen
Britsch-Columbia en de russische bezittingen zou door hen overschreden
worden.

Dan zou dus ook Cesar zijne opgeruimdheid terugkrijgen, die hij gemist
had zoo lang hij op het gebied Harer britsche Majesteit vertoefde.

Schurkendorp was oorspronkelijk alleen door indianen bewoond
geweest. Er bevonden zich echter eenige engelschen, jagers uit
liefhebberij of om den broode, die er slechts gedurende de maanden
van het jachtseizoen verblijf hielden.

Onder hen waren ook eenige officieren van het garnizoen te
Victoria. Een hunner, een baronet, Sir Edward Turner, was een trotsch,
aanmatigend man, een twistzoeker van natuur en bovendien een van die
engelschen, die denken dat hun alles geoorloofd is omdat zij engelschen
zijn. Het spreekt van zelf, dat hij aan franschen voor het minst een
even grooten hekel had als Cesar Cascabel aan engelschen. Die twee
maakten dus samen een mooi span!

Denzelfden avond toen zij in het dorp gekomen waren, terwijl Jan,
Sander en Kruidnagel er op uit waren om inkoopen te doen, hadden
de honden van den edelen baronet niet ver van de _Schoone Zwerfster_
eene ontmoeting met Wagram en Marengo, die opgevoed waren in denzelfden
volkshaat welken hun meester koesterde.

Tusschen den poedel en den patrijshond aan den eenen, en de
_pointers_ aan den anderen kant bestond dus reeds dadelijk eene
gespannen verhouding. Het kwam tot blaffen, de tanden laten zien,
elkander bijten, totdat eindelijk de wederzijdsche eigenaars op het
lawaai afkwamen.

Sir Edward Turner woonde in een huis aan het begin van het dorp. Met
opgeheven zweep schoot hij op de twee honden van Cascabel toe.

Dit was genoeg voor dezen om tegen den baronet partij te trekken voor
zijne viervoetige reisgenooten.

Sir Edward Turner, die zeer netjes fransch sprak, zag terstond met
wien hij te doen had. Onbeschaamd als hij ten allen tijde was, vond
hij niet de minste reden om den kunstenmaker en diens landgenooten
in het algemeen niet »echt engelsch", uit de hoogte te behandelen.

Ieder kan begrijpen hoe Cascabel geneigd was, dat op te nemen. Maar
hij wilde zich geen onaangenaamheden op den hals halen, vooral niet
op engelsch grondgebied, en geen gevaar loopen vertraging in zijne
reis te ondervinden. Hij hield zich dus in en antwoordde op eenen
toon waar niets op aan te merken viel:

--Uwe honden zijn begonnen met de mijne aan te vallen, mijnheer.

--Uw honden? antwoordde de edelman, koorddansershonden! Die verdienen
niets anders dan een knauw of een pak ransel!

--Ik moet u doen opmerken, hernam Cesar, onwillekeurig driftig
wordende, dat hetgeen gij daar zegt niet te pas komt voor een
_gentleman_.

--Voor een kerel als jij heb ik toch geen ander antwoord.

--Mijnheer, ik wil beleefd blijven, maar gij zijt een vlegel!

--Weet je wel met wien je te doen hebt? Ik heet Sir Edward Turner,
baronet!

Cascabel was nu zijne drift niet langer meester. Bleek, met fonkelende
oogen en dreigende vuisten kwam hij op den baronet af, toen Napoleona
hem kwam roepen.

--Vader, riep zij, moeder vraagt naar u!

Cornelia had haar dochtertje gestuurd omdat zij wilde dat haar man
naar den wagen terugkeerde.

--Ik kom dadelijk, antwoordde hij. Napoleona, zeg aan uwe moeder dat
ik eerst een praatje met dien heer heb te houden.

Toen hij dien naam hoorde, begon de engelschman verachtelijk te lachen.

--Napoleona! zeide hij. Een mooie naam voor zoo'n meid! Die
schavuit.....

Dat was meer dan Cascabel verdragen kon. Met over de borst gekruiste
armen stapte hij vooruit tot vlak bij den engelschman.

--Gij beleedigt mij! begon hij.

--Zoo, beleedig ik u?

--Dat niet alleen, maar gij beleedigt een groot man, die uw heele
eiland ingepakt zou hebben als hij goedgevonden had er heen te gaan.

--Ei, ei!

--Hij zou het ingeslikt hebben als een oester!

--Onbeschaamde praatjesmaker!

De engelschman was een weinig teruggegaan en stelde zich in postuur
als een bokser, gereed om van zich afteslaan.

--Mijnheer de baronet, gij hebt mij beleedigd en zult mij daar
rekenschap van geven!

--Rekenschap geven aan een kunstenmaker!

--Door hem te beleedigen zijt gij zijns gelijke geworden. Wij zullen
vechten zooals gij verkiest, met den degen, het pistool, den sabel
of de vuist.

--Waarom niet met een paar varkensblazen, spotte de baron, als
paljassen voor eene tent!

--Verdedig u!

--Wie gaat er nu vechten met een kermisklant?

--Ja zeker, schreeuwde Cascabel, buiten zichzelven van woede, met zoo'n
kermisklant zal je vechten,... of je krijgt van hem een pak slaag!

Zonder er aan te denken dat de engelschman hem wel eens de baas kon
zijn in het boksen, waar deze soort van heeren zich van hunne jeugd
af in oefenen, zou Cesar hem te lijf gegaan zijn, ware niet Cornelia
in persoon komen toesnellen om hem tegen te houden.

Op hetzelfde oogenblik kwamen eenige officieren, wapenbroeders en
jachtgezellen van sir Edward Turner, op het standje af. Zij wilden
niet toelaten dat iemand van zijnen stand zijne handen vuil zou
maken aan zoo'n »kerel" en scholden de geheele familie Cascabel uit
voor al wat leelijk is. Van die scheldwoorden trok de vastberadene
Cornelia zich echter niets aan--ten minste zij deed alsof zij ze niet
hoorde. Alleen wierp zij sir Edward Turner eenen blik toe, die dezen,
indien hij haar beter gekend had, niet bijzonder gerust zou hebben
doen zijn over den afloop van het geval.

Intusschen waren ook Jan, Kruidnagel en Sander komen aanloopen en
er scheen kans te bestaan op eene algemeene kloppartij, maar ook dit
voorkwam moeder Cascabel, door op bevelenden toon te zeggen:

--Kom meê, Cesar, en jullie allemaal marsch! Naar de
_Zwerfster_! Niemand heeft hier iets te maken!

Niet een kreeg het in zijn hart om een woord tegen te spreken.

Hoe Cascabel dien avond in zijn humeur was, behoeven wij niet te
zeggen. Dat hij persoonlijk beleedigd was, kwam er minder op aan,
maar dat zoo'n engelschman het gewaagd had zijn grootsten held
te bespotten! Hij wilde hem te lijf, hij zou hem op zijn gezicht
slaan, hem en al zijne kameraads, al de schurkachtige bewoners van
Schurkendorp. De jongens wilden niets liever dan met hun vader meê van
leer te trekken. En Kruidnagel, die zwoer dat hij den engelschman zijn
neus zou afbijten..... of als het niet anders kon, dan maar een oor!

Cornelia had vrij wat moeite om al die driftkoppen tot bedaren te
brengen. Te meer dewijl zij erkennen moest dat het ongelijk geheel
aan den kant van sir Edward Turner was en dat zoowel haar man als de
geheele troep behandeld was op eene manier zooals de ergste vagebonden
het elkander niet doen zouden.

Maar Cornelia vond dat hun toestand al zorgelijk genoeg was en zij
niet noodig hadden dien nog erger te maken. Toen haar man er op staan
bleef dat hij den baronet eene rammeling moest gaan toedienen, beet
zij hem eindelijk toe:

--Dat zul je laten Cesar! Ik verkies het niet!

Daar was Cascabel niet tegen opgewassen. Als zijne vrouw op dien toon
sprak, gaf hij haar altijd gelijk.

Cornelia had rust noch duur zoo lang zij het verwenschte dorp
niet achter den rug hadden. Waren zij eerst maar een mijl of wat
noordelijker, dan kon zij weder gerust ademhalen. Teneinde overtuigd
te zijn dat niemand gedurende den nacht buiten den wagen kwam, sloot
zij niet alleen zelve de deur aan den binnenkant, maar bleef zij den
geheelen nacht buiten de _Schoone Zwerfster_ de wacht houden.

Den volgenden ochtend, dat was den 27sten Mei, maakte Cornelia te
drie uur den geheelen troep wakker. Uit overmaat van voorzichtigheid
wilde zij vóór het aanbreken van den dag op weg, zoodat geen mensch,
geen engelschman, geen indiaan, iets van hun vertrek kon merken. Dat
was zeker het beste middel om alle verdere onaangenaamheden te
voorkomen, maar zelfs toen maakte de anders zoo bedaarde vrouw een
haast onbegrijpelijken spoed. Zij verkeerde in eenen toestand van
zeldzame opgewondenheid, keek aanhoudend met onderzoekende blikken
rond, was overal bij en kon geen woorden genoeg vinden om haren man,
hare zonen en Kruidnagel, die geen van allen haast genoeg naar haren
zin maakten, hunne langzaamheid te verwijten.

--Hoeveel dagen hebben wij nog noodig om over de grens te komen? vroeg
zij hunnen gids.

--Een dag of drie, antwoordde Ro-No.

--Opgepakt dan! hernam Cornelia. Vóór alles is het noodig, dat wij
niet meer gezien worden.

Intusschen moet niemand zich verbeelden, dat Cesar de beleediging van
den vorigen dag vergeten had. Deze plek te verlaten, zonder dat hij
den baronet zijne onbeschoftheid betaald had gezet, was een hard gelag
voor onzen vurigen franschman, die daarenboven nog al de koppigheid
van een echten normandiër bezat.

--Dat komt er van, schold hij, als men eenmaal den voet zet in zoo'n
smeerlappenland!

Meer dan eens voelde hij nog lust den kant van het dorp uittegaan,
in de hoop, dat het toeval hem sir Edward Turner weder zou doen
ontmoeten. Hij keek met vurige blikken naar de gesloten vensterblinden
van het huis waar de baronet woonde, maar hij dorst zich niet te
verwijderen buiten de oogen der waakzame Cornelia, die hem geen
oogenblik aan zichzelf overliet.

--Waar ga je naar toe, Cesar?... Blijf bij mij, Cesar! Ik verkies
niet dat je van den wagen afkomt, Cesar!

Zoo ging het aanhoudend door. Nog nooit, zoolang hij getrouwd geweest
was, had Cascabel zich met zulke onverbrekelijke boeien aan zijne
dierbare wederhelft vastgeklonken gevoeld.

Dank zij al dit drijven en jagen werd er meer dan gewoonlijk haast
gemaakt en stonden de paarden spoedig voor den wagen. Te vier uur
's nachts zat al wat leven had, de honden, de aap en de papegaai,
het hoofd van het gezin met zijne zonen en zijn dochtertje, binnen
in de _Schoone Zwerfster_ opgesloten. Cornelia ging zelve op den bok
zitten, Kruidnagel en de gids vatten de paarden bij den teugel en
voort ging het.

Een kwartier later was er van Schurkendorp niets meer te zien te
midden van het dichte groen der boomen, die het aan alle zijden
omringden. Het begon pas eenigszins licht te worden; alles was
doodstil. Op de onafzienbare vlakte, die zich vóór hen naar het
Noorden uitstrekte, was geen levend wezen te bespeuren.

Toen eerst, toen zij niet de geringste vrees meer behoefde te koesteren
dat iemand in het dorp iets van hunnen aftocht bemerkt had, en toen
Cornelia er gerust op meende te mogen rekenen dat geen indiaan of
engelschman haar iets in den weg zou kunnen leggen, begon zij weder
haar gewone vriendelijke gezicht te toonen. Dat maakte haren man in
den grond van zijn hart een weinig gemelijk.

--Voor dat volk daar ginder moet ge dan toch al heel erg bang geweest
zijn, Cornelia, merkte hij op.

--Erg bang, was al wat zijne vrouw antwoordde.

In de drie dagen, die volgden, gebeurde er niets bijzonders. Toen
eindelijk, zooals de gids voorspeld had, kwamen zij op de uiterste
grens van Britsch-Columbia.

De _Schoone Zwerfster_ reed tot aan gene zijde der grenslijn. Daar
hield zij op het grondgebied van Alaska stil.

Zij hadden nu niets anders meer te doen dan afterekenen met Ro-No,
die hen ijverig en trouw gediend had. Hij werd bedankt voor zijne
diensten en nam toen van het reisgezelschap afscheid, na hun den
laatsten weg gewezen te hebben in de richting van Sitka, de hoofdstad
der russische bezittingen in Noord-Amerika.

Nu hij eindelijk niet meer onder het britsche gezag ademde, zou
men misschien denken dat Cesar Cascabel zijn goede humeur dadelijk
terugkreeg. Het had er echter niets van. Drie dagen waren er reeds
voorbij sedert hij in Schurkendorp de ontmoeting met den engelschman
gehad had, maar nog altijd brandde de ondervonden beleediging hem op
het hart. Hij kon dan ook niet nalaten tot Cornelia te zeggen:

--Dat ge mij ook niet hebt laten gaan om dien lord zijne bekomst
te geven!

--Dat was al gebeurd Cesar, zeide moeder Cascabel op den eenvoudigsten
toon ter wereld.

Het was werkelijk gebeurd, en goed ook!

Laat in den avond, toen allen in den wagen gerust lagen te slapen en
de deur zorgvuldig op het slot was, had Cornelia zich naar de woning
van den baronet begeven. Juist stapte hij de deur uit om naar de plek,
waar de jagers samen moesten komen, te gaan. Zij volgde hem een tijd
lang in het eenzame bosch. Toen had zij hem ingehaald en daar, met
niemand tot getuige dan de zwijgende boomen, had «de eerste worstelares
van den prijskamp te Chicago" den edelman een pak ransel toegediend,
waar hij in eerste uren niet van kon opstaan. Eerst den volgenden
ochtend kwam sir Edward Turner weer op de been, maar met pijn in al
zijne ledematen. Nog een heelen tijd droeg zijn lichaam de sporen
van zijne ontmoeting met deze beminnelijke vrouw.

--O Cornelia! riep haar man, toen hij dit uit haren mond vernam,
u dank ik het dat mijne eer gewroken is! Niemand is waardiger den
naam Cascabel te dragen dan gij!



IX.

NIEMAND PASSEERT HIER!


Alaska is het verste uiteinde van het noordwestelijke deel van
Noord-Amerika. Het strekt zich uit van den tweeënvijftigsten tot den
tweeënzeventigsten graad noorderbreedte en wordt dus in de dwarste
doorsneden door den Noordpoolcirkel, welke ook over de Behringstraat
heen ligt.

Wie de kaart van dit gedeelte der nieuwe wereld voor zich neemt,
bespeurt spoedig dat de kust eenigszins den vorm heeft van een scherp
geteekend menschengezicht. Tusschen kaap Lisburne en Barrow-punt ligt
het voorhoofd; de oogholte wordt gevormd door de baai van Kotzebue;
het naar den prins van Wales genoemde schiereiland is de neus,
Nortonbaai de mond en het schiereiland Alaska strekt zich uit als
een eerwaardige baard, verlengd door de tot ver in den Stillen Oceaan
uitgestrooide eilanden van den Aleoeten-archipel. Het hoofd loopt uit
in den bergketen der Coast-Range, waarvan de buitenste rijen door de
IJszee bespoeld worden.

In dit land had de _Schoone Zwerfster_ eenen afstand van ongeveer
zeshonderd mijlen af te leggen.

Wij behoeven niet te zeggen dat Jan op zijne kaart den geheelen weg,
dien zij volgen moesten, had nagegaan, met alle bergen, waterloopen
en andere bijzonderheden van het terrein. Van dit alles had hij de
anderen ook op de hoogte gebracht, waartoe zij op een bepaald uur
bijeen gekomen waren en waarin alles, wat hij verhaalde, met groote
belangstelling aangehoord werd.

Hierdoor wist nu iedereen, zelfs Kruidnagel daaronder begrepen,
dat deze noordwestelijke uithoek van Amerika het eerst bezocht was
door de russen, vervolgens door den franschman Lapérouse en den
engelschman Van Couver, en het laatst door den amerikaan Mac Clure,
toen deze was uitgegaan om sir John Franklin op te zoeken.

Het land was nu, voor een deel althans, bekend en in kaart gebracht,
dank zij de tochten van Frederick Whymper en van kolonel Bulkley
in 1865 toen er sprake was van het leggen van een onderzeeschen
telegraafkabel tusschen de oude en de nieuwe wereld, onder de
Behringstraat door. Vóór dat tijdstip was Alaska bijna niet anders
bereisd geworden dan door de vertegenwoordigers van handelshuizen,
die er huiden en pelterijen kwamen koopen.

In dat jaar was er in de internationale politiek weder herhaaldelijk
sprake geweest van de bekende Munroe-leer, welke hierop neerkomt dat in
Amerika niemand anders iets te zeggen mag hebben, dan Amerikanen. Aan
inlijving der britsche koloniën, Columbia namelijk en Canada, viel
in den eersten tijd nog niet te denken; maar misschien bestond er
mogelijkheid dat Rusland geneigd bevonden zou worden Alaska, dat wil
zeggen een land van vijfenveertigduizend vierkante mijlen oppervlakte,
aan de republiek aftestaan. Hierover werden ernstige onderhandelingen
met de russische regeering geopend.

In de Vereenigde Staten werd aanvankelijk de draak gestoken met den
Staatssecretaris Steward, toen deze voor den dag kwam met zijn plan
om Walrussia, dat wil zeggen »robbenland", in bezit te krijgen. Wat
moesten de Vereenigde Staten daarmede aanvangen? Maar de minister
Steward hield met al de hardnekkigheid van eenen yankee aan zijn
denkbeeld vast, en in 1867 scheen het niet veel te schelen of de zaak
kreeg haar beslag. Er was nog wel geen verdrag tusschen Amerika en
Rusland tot stand gekomen, maar dit kon toch ieder oogenblik gebeuren.

Des avonds van den 31sten Mei had de familie Cascabel dichtbij de
grens haar kwartier opgeslagen onder het lommer van eenige zware
boomen. De _Schoone Zwerfster_ bevond zich nu wel en deugdelijk op het
gebied van Alaska, onder het gezag van den Keizer aller Russen. Met
Britsch-Columbia had zij niet het geringste meer te maken, daar kon
Cascabel gerust op zijn.

Hij was dan nu ook weder opgeruimd gestemd, zóó opgeruimd dat zijn
goede luim zich aan het geheele gezelschap mededeelde. Zij behoefden
thans geen oogenblik meer het russische grondgebied te verlaten
om aan de westelijke grens van dit ontzaglijke rijk in Europa
te komen. Alaska, Siberië of Europeesch Rusland, het maakte geen
onderscheid, alles stond onder den schepter van den Czaar.

De avonddisch was vroolijk en gezellig. Jan had een vetten haas
geschoten dien Wagram tusschen het kreupelhout had opgejaagd. En wat
nog pleizieriger was, het was een onvervalschte russische haas!

--Nu trekken wij ook eens een lekkere flesch open, zeide Cascabel. Op
mijn woord, het is mij of ik ruimer ademhaal nu ik over de grens
ben. Ruikt ge het niet kinderen, het is hier amerikaansche lucht,
alleen met een kleinigheid van Rusland er in! Steekt er dus je
neus maar in, en jij ook Kruidnagel, al is die van jou ook een el
lang! Bah! Vijf weken lang heb ik het benauwd gehad in dat ellendige
Columbia!

Toen het avondeten op en de lekkere flesch leeg was, ging ieder
spoedig naar binnen en naar bed. Des nachts gebeurde er niets
bijzonders. Geen verscheurende dieren of zwervende indianen lieten
zich zien. Toen het dag werd, zagen de honden en paarden er ook weer
frisch en opgewekt uit.

Zoodra het licht geworden was braken zij op en werd alles gereed
gemaakt voor den verderen tocht in het gastvrije Rusland, »Frankrijks
zuster," zooals Cascabel goedvond te zeggen. De klok had nog geen
zes geslagen toen de _Schoone Zwerfster_ in noordelijke richting
verder trok, naar de Simpson-rivier die zij in de veerpont hoopten
over te steken.

Het grondgebied van Alaska loopt hier in eene punt naar het
Zuiden, welk uiteinde den naam Thlinkiten draagt. De westkust
wordt omgeven door een aantal afzonderlijke eilanden of groepen,
zooals de Prince-of-Wales, de Croozer-, de Kuju-, de Sitka-, de
Baranow-eilanden enz.

Te Sitka of Nieuw-Archangel, de hoofdplaats van Russisch-Amerika,
was Cascabel voornemens zich eenige dagen optehouden, teneinde eene
poos uitterusten en tevens de noodige toebereidselen te maken voor
het afleggen van hetgeen er nog overbleef van het eerste gedeelte
hunner reis. Aan gene zijde van de Behringstraat moest het tweede
gedeelte beginnen.

Hun weg voerde hen langs de grillig uitgeholde kust, over eene strook
laag land die door het gebergte begrensd wordt.

De karavaan ging dus op marsch, maar had nog geene mijl afgelegd toen
er iets in den weg kwam. Dat was een hinderpaal die al den schijn
had van onoverkomelijk te zullen wezen.

Het gastvrije Rusland, Frankrijk's zuster, toonde zich in het geheel
niet gezind om zijne fransche bloedverwanten, die zich Cascabel
noemden, gastvrij te ontvangen.

Het vertoonde zich namelijk in de gedaante van drie beambten der
grenspolitie, forsche kerels, met groote hoofden, lange baarden,
wipneuzen en kalmukken-gezichten. Zij droegen de donkere uniform der
moskovieten en hun schedel werd bedekt door de welbekende platte pet,
voor welke een aantal millioenen menschen een onbegrensden eerbied
koesteren.

Een der agenten stak zijne hand op, de _Schoone Zwerfster_ bleef stil
staan, Kruidnagel, die mende, riep zijnen patroon.

Mijnheer Cascabel, gevolgd door zijne vrouw en kinderen, vertoonde
zich in de deur van den wagen. Min of meer ongerust op het zien der
uniformen, kwamen allen het trapje af.

--Waar zijn uwe paspoorten? begon de agent in het russisch, welke
taal Cascabel bij deze gelegenheid maar al te goed bleek te verstaan.

--Paspoorten? vroeg hij.

--Ja zeker! Zonder paspoort komt er geen mensch op het grondgebied
van den Czaar.

--Maar mijn goede mijnheer, zei Cascabel zoo onderdanig mogelijk,
die hebben wij niet.

--Dan wordt gij hier ook niet toegelaten.

Dat was zoo duidelijk en onverbiddelijk alsof er eene deur voor hun
neus werd toegeslagen.

Cascabel trok een leelijk gezicht. Hij wist dat er met de bevelen
der machthebbenden in Rusland niet te spotten viel en had weinig hoop
om het op een akkoordje te kunnen gooien. Dat hij die agenten juist
ontmoeten moest op het oogenblik nu hij met de _Schoone Zwerfster_
de grens overschreed, was het ergste wat hem overkomen kon.

Cornelia en Jan waren even weinig op hun gemak. In angstige spanning
wachtten zij af waar het gesprek op uit zou loopen.

--Brave dienaren van den Czaar, begon Cesar weder op eenen toon
vol nadruk en met welsprekende gebaren, om aan zijne woorden meer
kracht bijtezetten,--wij zijn franschen en reizen niet alleen voor
ons genoegen maar ook voor dat van anderen, in het bijzonder van de
edele russen die ons de eer willen aandoen onze vertooningen met hunne
aanwezigheid opteluisteren. Wij hebben gedacht dat het eene onnoodige
moeite was ons van papieren te voorzien, nu wij ons op het grondgebied
van zijne majesteit den keizer aller Russen gingen begeven.....

--Niemand komt zonder bijzondere vergunning over de grens, werd hem
geantwoord. Dat is nog nooit gebeurd en zal nimmer gebeuren.

--Zou het voor dezen keer niet mogen? vroeg Cascabel met zijne
vriendelijkste stem. Gij kunt er op rekenen dat wij nooit weer
terugkomen.

--Er komt niets van in, antwoordde de politieman zoo beslist
mogelijk. Geen praatjes dus en de grens weer over!

--Maar, hernam de ander, hoe kom ik aan paspoorten?

--Dat is uwe zaak.

--Indien gij ons vergunnen wilt naar Sitka te gaan, zullen wij door
tusschenkomst van den franschen consul.....

--Er is geen fransche consul te Sitka. Maar waar komt gij eigenlijk
van daan?

--Van Sacramento.

--Dan hadt gij u te Sacramento van paspoorten moeten voorzien. Het
is niet noodig er verder op aan te dringen.

--Dat is integendeel hoogst noodig, want wij zijn op onze terugreis
naar Europa.....

--Naar Europa? Gaat gij dan dezen kant op?

Cascabel begreep dat hij een onvoorzichtig antwoord gegeven had,
want de weg dien hij volgde was zeker niet de meest gewone om in
Europa te komen.

--Ja, hernam hij, tengevolge van bijzondere omstandigheden zijn wij
genoodzaakt eenen omweg te maken.....

--Het kan mij niets schelen, viel de agent hem in de rede. Niemand
reist op russisch grondgebied zonder een paspoort.

--Als het alleen te doen is om het eene of andere inkomende recht
te betalen, kunnen wij misschien wel tot eene schikking komen, zeide
Cascabel, terwijl hij den agent eenen oogwenk vol beteekenis toewierp.

Maar ook op die manier schenen de russen niet tot andere gedachten
te brengen.

--Geachte vrienden, hernam Cesar, die niet meer wist wat hij zeggen
moest, gij hebt toch zeker wel eens hooren spreken van de familie
Cascabel.

Dit zeide hij op eenen toon alsof Cascabel een naam was, in Rusland
zoo bekend als die der Romanoff's.

Het een hielp even weinig als het ander. Er viel niets aan te doen,
zij moesten terug. Zelfs dreven de politiemannen hunne gestrengheid zoo
ver dat zij zelven de _Schoone Zwerfster_ tot aan de grens brachten,
onder streng verbod dat niemand van de reizigers het in zijn hart
mocht krijgen om er weder over te komen. Het treurige gevolg daarvan
was dat Cesar Cascabel, geheel uit het veld geslagen, binnen weinige
oogenblikken weder op engelschen grond kwam te zitten.

Ieder begrijpt hoe onaangenaam hem dit was, maar hun toestand was
bovendien hoogst zorgelijk. Al hunne plannen waren nu verijdeld. De
richting welke zij met zooveel moed waren ingeslagen, bracht hen niet
waar zij wezen wilden. Zonder paspoorten was de weg naar het Westen,
door Aziatisch Rusland heen naar Europa, voor hen afgesneden. Zij
konden nu wel dwars door het verre Westen heen met den reiswagen tot
New-York komen, maar eenmaal daar, konden zij den Atlantischen Oceaan
niet anders over dan per stoomboot, en daarop zouden zij niet worden
toegelaten indien zij geen geld hadden om den overtocht te betalen.

Ook viel er niet aan te denken om onder weg op hunne voorstellingen
zulk eene som bij elkaar te krijgen, al namen zij den tijd er nog zoo
ruim voor. Zij konden zich niet ontveinzen dat de troep van Cascabel in
de Vereenigde Staten een weinig afgezaagd begon te worden. Sedert een
jaar of twintig zwierven zij er rond, geen stad of dorp in den omtrek
van den grooten trunk-spoorweg of zij waren er geweest. Zooveel dollars
als zij vroeger ophaalden, zooveel centen zouden er nu tenauwernood
in de kas vloeien. Gingen zij dus den oostkant weder op, dan was
er geen einde aan de reis te zien en zouden er misschien jaren mede
gemoeid gaan vóór dat zij de middelen bijeen hadden om naar Europa
scheep te gaan. Tot elken prijs moest er een plan bedacht worden
om met de _Schoone Zwerfster_ althans te Sitka te komen. Dit was de
slotsom waar alle redeneeringen der reisgenooten toe voerden, nadat
de russische politiedienaren hen aan hun lot hadden overgelaten.

--'t Is een mooie uithoek waar wij hier zitten! merkte Cornelia
hoofdschuddende op.

--Was het nog maar een uithoek! antwoordde haar man. Maar wij kunnen
er niet uit. Het is een slop!

Zou de oude worstelaar die zooveel hinderpalen en tegenstanders
op zijnen weg ter aarde had geworpen, hier het hoofd stooten? Zou
ditmaal het noodlot sterker zijn dan zijn gespierde vuist? Zou zulk
een kunstenmaker als hij hier geen gat vinden om door te kruipen? Zou
zijn vruchtbare hersenkas hem geen middel aan de hand doen, om ondanks
alle kwade kansen toch te komen waar hij wilde?

--Cesar, hervatte Cornelia, met die ellendige kerels van agenten valt
niets aantevangen. Maar misschien, als wij ons tot hun chef wenden.....

--Hun chef, viel Cascabel haar in de rede. Een mooi ding, zoo'n
chef! Dat is zeker een russische kolonel, nog veel taaier dan zijne
ondergeschikten. Die zal zeggen dat wij naar den duivel mogen loopen.

--Bovendien bevindt hij zich zeker te Sitka, meende Jan, en zij
verkiezen juist niet dat wij daarheen gaan.

--Misschien, bracht Kruidnagel vrij snugger in het midden, misschien
zouden die grensbeambten er niets tegen hebben dat iemand van ons
zich onder hun geleide naar den gouverneur begaf.

--Dat is zoo kwaad niet bedacht, antwoordde Cascabel. Het zou te
probeeren zijn....

--Wanneer ik het ten minste niet heelemaal mis heb, voegde Kruidnagel
er met zijne gewone bescheidenheid bij.

--Vóór dat wij op onze schreden terugkeeren, moeten wij het beproeven,
zeide Jan. Als gij het goed vindt vader, zal ik....

--Neen, het is beter dat ik zelf ga, hernam Cesar. Hoe ver is het
van de grens tot Sitka?

--Ongeveer honderd mijlen.

--Welnu, dan kan ik binnen een dag of tien heen en terug wezen. Wij
zullen tot morgen wachten en dan zien of het gaan wil.

Zoodra de dag aanbrak, ging Cesar er dus op uit om de politieagenten
weder op te zoeken. Dat kostte hem weinig moeite, want zij waren niet
ver van de _Schoone Zwerfster_ in hinderlaag blijven liggen.

--Zijt gij daar weer? werd hem op barschen toon toegeroepen.

--Om u te dienen, antwoordde onze vriend, met het vriendelijkste
gezicht dat hij trekken kon.

Met eenen vloed van mooie en onderdanige woorden gaf hij nu aan de
heeren grensbewakers te kennen, dat hij bij zijne excellentie den
gouverneur van Alaska wenschte toegelaten te worden. Gaarne wilde
hij de reis- en verblijfkosten betalen voor den »achtenswaardigen
dienaar van den gerechte", die hem vergezellen zou, en ook toonde
hij zich niet afkeerig van het betalen eener groote fooi aan dien
achtenswaardigen en welwillenden man.... enzoovoorts enzoovoorts.

Het was echter praten in den wind en het vooruitzicht op eene fooi had
zelfs eene geheel tegenovergestelde uitwerking, want de politiemannen,
uit hunnen aard achterdochtig, begonnen nu te vermoeden dat er heel
iets bijzonders stak achter het verlangen van een kermiskunstenaar
om tot elken prijs over de grens van Alaska te komen. Hun aanvoerder
sloeg dan ook nu een anderen toon aan. Hij herhaalde het bevel om
terstond weder terug te gaan en voegde er dreigend bij:

--Als gij het nog eens wagen durft om eenen voet op ons gebied te
zetten, brengen wij u niet naar Sitka, maar naar het naastbijgelegene
russische fort. En wie daar eenmaal in zit, kan nooit weten hoe of
wanneer hij er weder uitkomen zal!

Op alles behalve vriendelijke wijze werd mijnheer Cascabel dus naar
de _Schoone Zwerfster_ teruggebracht. Aan zijn bedrukt gezicht was
duidelijk genoeg te merken dat hij geen wil van zijnen tocht gehad had.

Het begon er nu uit te zien alsof de rollende woning der Cascabels
in eene vaste verblijfplaats veranderen zou. Tot op de grens tusschen
Columbia en Alaska had het vaartuig, dat Cesar en zijne fortuin droeg,
hen gebracht; maar hier scheen het te zullen stranden als een schip
dat door den oceaan, bij het terugloopen der ebbe, tusschen de rotsen
droog wordt gelaten.

Verscheidene dagen gingen er voorbij, waarin het teleurgestelde gezin
niet tot een besluit wist te komen. Niemand behoeft te vragen of dat
treurige dagen waren.

Een geluk was het dat zij geen gebrek aan leeftocht hadden. Er was
nog een goede voorraad ingelegde groenten en andere voedingsmiddelen,
dien zij te Sitka weder hoopten aan te vullen, maar bovendien was er
in de streek, waar zij zich bevonden, overvloed van wild. Alleen droeg
Jan zorg dat hij noch zijn hond zich aan gene zijde van de russische
grens waagde, want bij het in beslag nemen van zijn jachtgeweer en
het opleggen eener zware boete ten behoeve der schatkist van het
Czarenrijk, zou het niet eens gebleven zijn.

Dit nam echter niet weg dat Cascabel en zijne huisgenooten niets op
hun gemak waren en het was zelfs alsof de dieren in den wagen hunne
bedruktheid deelden. Jako babbelde niet zoo druk als naar gewoonte, de
honden liepen druipstaartende rond en lieten af en toe een mistroostig
gehuil hooren. John Bull vertrok geen gezicht en rekte zich zelfs van
verveling nauwelijks meer uit. De eenigen die zich in het geval goed
konden schikken, waren de paarden, Vermout en Gladiator. Die hadden
het gras voor het eten en geen voet te verzetten.

--Wij moeten toch tot een besluit komen! mompelde Cascabel dikwijls,
terwijl hij met over de borst gekruiste armen heen en weer liep.

Dat was gemakkelijk gezegd en eigenlijk ook gemakkelijk te doen,
want hij had in het geheel niet te kiezen. De weg voorwaarts was
hem afgesneden; wat kon hij dus anders doen dan rechtsomkeert
maken? De moedig ondernomen tocht naar het Westen moest hier een
einde nemen. Die verwenschte rit door Britsch-Columbia moest van voren
af aan hervat worden, daarna zouden de eindelooze prairieën van het
verre Westen zich voor hen openen en ten laatste zouden zij aan de
kust van den Atlantischen Oceaan terecht komen! Eenmaal te New-York,
wat dan? Afwachten of er misschien medelijdende menschen te vinden
zouden zijn, die eene inschrijving zouden willen openen om de fransche
zwervers naar hun vaderland terug te helpen? Welk eene vernedering
voor zulke wakkere en hooghartige lieden, die altijd eerlijk hun brood
verdiend en nooit de hand voor eene aalmoes uitgestoken hadden! O
die schurken, die hen in den bergpas der Sierra Nevada laaghartig
beroofd hadden van het beetje geld dat zij bezaten!

--Als die fielten in Amerika niet opgehangen, of in Spanje
niet gewurgd, in Turkije niet gespietst, of in Frankrijk niet
geguillotineerd worden, zeide Cesar, terwijl hij ieder dier
strafoefeningen met een afzonderlijk gebaar aanduidde, mag ik lijden
dat er nooit meer een schurk zijn gerechte straf oploopt!

Eindelijk kwam hij tot een besluit.

--Morgen, bepaalde hij des avonds van den 4den Juni, gaan wij weder
op marsch. Wij trekken terug naar Sacramento en vervolgens.....

Hij voegde er geen woord meer bij. Te Sacramento zouden zij verder
zien. Toebereidselen voor hunnen aftocht hadden zij niet te maken,
als de paarden waren ingespannen, behoefden zij hunne koppen maar
naar het Zuiden toe te draaien.

Dit was de mistroostigste avond dien zij nog op de grens van Alaska
hadden doorgebracht. Ieder zat in eenen hoek, niemand sprak een
woord. Het was een donkere nacht, de lucht vol grauwe wolken, her- en
derwaarts drijvende, als ijsschotsen, die door den wind met vaart naar
het Oosten gejaagd werden. Geen ster was er te zien; de dunne schijf
der wassende maan was achter de hooge bergen, die den gezichteinder
vormden, vroeg in den avond verdwenen.

Te ongeveer negen uur gaf Cascabel last dat ieder naar bed moest gaan,
met het plan den volgenden dag, zoodra het licht werd, de reis te
aanvaarden. Denzelfden weg dien de _Schoone Zwerfster_ van Sacramento
af gevolgd had, zouden zij weder inslaan; zij hadden geenen gids
noodig om dien te vinden. Eerst zouden zij de richting volgen naar
de bronnen van de Frazer-rivier, en deze zou hen van zelve geleiden
tot op het territorium van Washington.

Kruidnagel had juist de honden vastgelegd en was bezig de buitendeur
te sluiten, toen er op korten afstand een geweerschot viel.

--Wat heeft dat te beteekenen? riep Cascabel.

--Daar wordt geschoten! zeide Jan.

--Zeker een jager, meende Cornelia.

--Een jager? In zulk een donkeren nacht en zoo laat? hernam Jan. Dat
lijkt mij niet waarschijnlijk.

Op hetzelfde oogenblik viel er een tweede schot en hoorden zij tegelijk
om hulp roepen.



X.

KAYETTE.


Zonder zich lang te bedenken liepen Jan en Sander met hun vader en
Kruidnagel den wagen uit.

--In die richting moet het zijn! riep Jan, terwijl hij naar den zoom
van het woud wees dat zich langs de grens uitstrekte.

--Laat ons nog een oogenblik luisteren, zeide Cascabel.

Er volgde echter niets meer. Het scheen bij die twee schoten te
zullen blijven, en of er werkelijk om hulp geroepen was hadden zij
niet stellig gehoord.

--Zou er een ongeluk gebeurd zijn? vroeg Sander,

--In elk geval, meende Jan, zou er niet geroepen zijn wanneer de
persoon die riep zich niet in gevaar bevonden had.

--Dan moeten wij hem gaan helpen, zeide Cornelia.

--Ja kinderen, hernam Cascabel, maar laat ons wapenen medenemen.

Er kon even goed een ongeluk gebeurd zijn als dat de eene of andere
reiziger in deze eenzame streek met kwaad volk te doen gehad had. Er
bestond dus alle reden tot voorzichtigheid, zoowel om zichzelf te
verdedigen als wanneer zij de partij van anderen wilden opnemen.

Spoedig kwamen Cascabel en Jan met hunne geweren, Sander en
Kruidnagel met revolvers gewapend weder uit de _Schoone Zwerfster_
te voorschijn. Cornelia met de twee honden bleef achter om op den
wagen te passen.

Zij liepen eenige minuten voort, den zoom van het woud langs. Nu en
dan bleven zij staan om te luisteren, maar er werd geen geluid meer
gehoord. Toch hadden zij duidelijk genoeg in die richting en op geen
grooten afstand de schoten hooren vallen.

--Het is toch niet mogelijk dat wij ons vergist hebben? vroeg Cascabel.

--Neen vader, antwoordde Jan, daar ben ik zeker van. Maar luister! Hoor
ik daar niet iets?

Ditmaal was het duidelijk genoeg. Er werd om hulp geroepen, niet door
eenen man zooals de eerste keer, maar door eene vrouw of door een kind.

Het was een donkere nacht en tusschen de boomen konden zij
nauwelijks eenige ellen voor zich uitzien. Kruidnagel had een van
de rijtuiglantarens mede willen nemen, maar Cascabel meende dat het
voorzichtiger was dit niet te doen. Het was beter dat zij niet gezien
konden worden.

Zij hoorden andermaal roepen en ditmaal zoo duidelijk dat zij er
gemakkelijk hunne schreden naar konden richten. Ook scheen het geluid
niet uit het dichtste gedeelte van het bosch te komen.

Een minuut of vijf verder kwamen zij met hun vieren bij eene open
plek in het woud. Daar vonden zij twee mannen op den grond liggen en
bij hen eene vrouw, die op hare knieën liggende, het hoofd van den
een met hare armen ondersteunde.

Het hulpgeroep dat zij het laatst gehoord hadden, was van deze vrouw
afkomstig. In de Indiaansche Chinouk-taal, die Cascabel reeds ten
naastenbij verstond, riep zij nu weder:

--Kom hierheen!.... Zij hebben hem vermoord!

Jan snelde naar haar toe. Uit de borst van den gewonde stroomde het
bloed, dat de geknielde vrouw tevergeefs trachtte te stelpen.

--Hij haalt nog adem! riep Jan.

--Maar de ander? vroeg zijn vader.

--Dat weet ik niet, antwoordde Sander die ook naderbij gekomen was.

Cascabel boog zich over den verslagene heen en onderzocht of hij nog
ademhaalde, of eenig ander teeken van leven gaf.

--Ik geloof dat hij dood is, zeide hij.

Zoo was het inderdaad. Een geweerkogel had hem in het hoofd getroffen
en ontzield doen nederstorten.

Wie was deze vrouw, wier taal verraadde dat zij tot het Indiaansche
ras behoorde? Of zij oud of jong was konden zij niet onderscheiden,
want haar gelaat was onder eene kap gedeeltelijk verborgen. Dat zou
echter later wel opgehelderd worden als zij vertellen kon waar zij
van daan kwam en wat er gebeurd was. Voor het oogenblik kwam het er
op aan den man, die nog adem haalde, in veiligheid te brengen en door
spoedige hulp te trachten zijn leven te redden. Het lijk van zijnen
reisgenoot konden zij den volgenden dag op dezelfde plaats begraven.

Door Jan geholpen, nam Cascabel den gewonde bij de schouders op,
terwijl Sander en Kruidnagel zijne beenen optilden. Toen wendde Cesar
zich tot de vrouw en wenkte haar dat zij hen moest volgen.

Zonder te aarzelen voegde zij zich bij hen. Met eene doek trachtte
zij voortdurend, terwijl zij naast hen liep, het bloed uit de wonde
tegen te houden.

Niet dan langzaam kwamen zij vooruit, want de gekwetste was
een zware man en zij deden hun best om hem niet te veel te doen
schudden. Cascabel wilde alles doen wat hij konde om hem levend in
de _Schoone Zwerfster_ te brengen.

Zij hadden dus wel twintig minuten werk om daar te komen. Onderweg
bespeurden zij niets verdachts.

Cornelia en Napoleona verkeerden in doodelijke ongerustheid, want
zij wisten niet wat er gebeurd was en vreesden voor een ongeluk.

--Maak voort, Cornelia, riep Cascabel zoodra hij haar zag. Breng wat
water en een paar linnen zwachtels om het bloed te stelpen. Anders
loopen wij gevaar den ongelukkige in onze armen te zien sterven.

--Jawel, jawel, antwoordde zijne vrouw, ik weet wel wat er noodig is
Cesar. Laat mij maar begaan en maak geen overbodige drukte!

Cornelia had verstand genoeg van wonden, want zij had op hunne
zwerftochten meer dan eens een verband moeten leggen.

De gewonde werd neergelegd op eene matras, die Kruidnagel in
het achterste gedeelte van den wagen spreidde. De lamp die aan de
zoldering hing, verspreidde een flauw licht over het doodsbleeke
gelaat van den vreemdeling en over de Indiaansche vrouw die weder
naast hem neergeknield was.

Dit bleek een jong meisje te zijn, niet ouder dan vijftien of zestien
jaren.

--Wat is dat voor een meisje? vroeg Cornelia.

--Zij bevond zich bij den gewonde en wij hoorden haar om hulp roepen,
antwoordde Jan.

De gekwetste mocht een man van een jaar of vijfenveertig wezen. Zijne
haren en baard begonnen reeds te grijzen, hij had een gespierd lichaam
en was van meer dan middelbare lengte. Zijne gelaatstrekken waren
innemend en vastberaden, niettegenstaande de doodelijke bleekheid
die zijn gelaat overdekte. Zijne oogen hield hij gesloten als een
stervende, een zucht ontsnapte van tijd tot tijd aan zijne lippen,
maar hij liet geen woord hooren waaruit zij hadden kunnen opmaken
uit welk land hij afkomstig was.

Toen zijne kleederen losgemaakt waren, bevond Cornelia dat hij tusschen
de derde en vierde ribbe eenen stoot met een dolkmes bekomen had. Of
de wond doodelijk was had alleen een geneeskundige kunnen zeggen, maar
dat zij hoogst ernstig was, daaraan viel geen oogenblik te twijfelen.

Geneeskundige hulp was echter onder deze omstandigheden niet
te krijgen. Zij moesten zich dus tevreden stellen met hetgeen de
bedrevene hand van Cornelia doen kon en met de geneesmiddelen die in
de reis-apotheek, welke zij bij zich hadden, voorhanden waren.

Het noodige werd terstond gedaan om verder bloedverlies te voorkomen,
waardoor het leven van den gewonde in gevaar gebracht kon worden. Later
zouden zij zien of het mogelijk was den onbekende, in den staat van
volkomen uitputting waarin hij verkeerde, naar de naastbijzijnde
bewoonde plaats over te brengen. In dit geval kon het Cascabel weinig
schelen of de bewoners engelschen of russen waren.

Cornelia waschte eerst de wond met koud water en legde er toen
compressen van arnica op. Het bloedverlies werd hierdoor tot staan
gebracht, doch de man had sedert het oogenblik waarop hij gewond was
tot dat waarop hij verbonden kon worden, reeds veel bloed verloren.

--Wat moeten wij nu verder beginnen, Cornelia? vroeg Cascabel.

--Wij moeten den lijder op ons eigen bed leggen, antwoordde zijne
vrouw, en ik zal bij hem waken teneinde de compressen zoo dikwijls
te vernieuwen als noodig is.

--Wij zullen elkander met waken aflossen, zeide Jan. Wij zouden
toch niet kunnen slapen en bovendien is het noodig dat wij op alles
voorbereid blijven, want de moordenaars zwerven misschien hier in
den omtrek.

De patiënt werd nu door Cascabel, Jan en Kruidnagel opgetild en naar
het voorste gedeelte van den wagen gebracht, waar zij hem op hun
bed legden.

Cornelia bleef de eerste uren waken, zonder dat de onbekende man
eenig teeken van bewustzijn gaf. In dien tusschentijd verhaalde
het Indiaansche meisje hare geschiedenis, die Cascabel zonder veel
moeite verstond.

Zij behoorde tot een der volksstammen die het schiereiland Alaska
oorspronkelijk bewoond hebben. Ten Noorden en ten Zuiden van de rivier
de Youkon, die dit land van het Oosten naar het Westen doorloopt,
worden nog verschillende van die stammen aangetroffen, in zwervenden
of in gevestigden staat. Het zijn de Co-Yoûkons, de talrijkste en
misschien de meest barbaarsche van allen, de Newi-cargoûts, de Tananas,
de Kotcho-a-Koutchens, en meer in den omtrek van den mond der rivier,
de Pastoliks, de Haveacks, de Primskes, de Mélomûts en de Indgelètes.

De jonge Indiaansche behoorde tot den laatstgenoemden stam. Zij
heette Kayette.

Kayette was eene wees, ook bezat zij geene andere bloedverwanten. Het
komt meer voor onder de inboorlingen van Alaska, niet alleen dat er
geslachten uitsterven, maar dat er van geheele stammen eindelijk geen
enkel lid meer overblijft.

Dat is onder anderen het geval geweest met een van de voornaamste
stammen, die vroeger ten Noorden van de Youkon zijne woonplaats had.

Kayette, geheel alleen op de wereld achtergebleven, was op reis getogen
naar het Zuiden, door eene streek welke zij goed kende dewijl zij er
op de zwerftochten van haren stam meermalen was doorgetrokken. Zij was
voornemens zich naar de hoofdstad Sitka te begeven en daar bij een van
de russische ambtenaren eenen dienst te zoeken. Haar eerlijk, zacht en
innemend voorkomen was wel in staat haar eene vriendelijke ontvangst te
verzekeren. Zij zag er goed uit; haar gelaatskleur was te nauwernood
lichtbruin; hare zwarte oogen, door lange wimpers omlijst, hadden
eene zachte uitdrukking; hare weelderige bruine lokken kwamen nu en
dan te voorschijn onder de kap van bont, die zij op haar hoofd droeg.

Zij was middelmatig van lengte, maar lenig en bevallig in hare
bewegingen, zelfs in den wijden pelsrok waarin zij gekleed was en
die met draagbanden boven hare schouders vastgemaakt was.

Het is eene eigenaardigheid der noord-amerikaansche indianenrassen dat
de jongens en meisjes vroeg volwassen en levendig en vroolijk van aard
zijn. Op hun tiende jaar hanteeren de knapen den bijl en het geweer
reeds met behendigheid. Op haar vijftiende jaar trouwen de meisjes
en nemen zij hare moederlijke plichten onberispelijk waar. Kayette
was dus ernstiger en bedachtzamer dan haar leeftijd medebracht, en de
groote reis welke zij ondernomen had, bewees dat zij karakter had. Zij
was reeds eene maand onder weg in zuidwestelijke richting en had nu de
smalle kuststreek bereikt in wier nabijheid de eilanden liggen waarop
de hoofdstad van Alaska gelegen is. Den zoom van het woud volgende,
had zij op eenige honderden schreden afstands twee schoten hooren
vallen en daarna een angstig geroep om hulp vernomen.

Ditzelfde hadden ook onze reizigers in de _Schoone Zwerfster_ gehoord.

Zonder zich door vrees te laten weerhouden, was Kayette op het geluid
afgekomen.

Er viel niet aan te twijfelen of hare nadering had de moordenaars op
de vlucht gejaagd, want zij had nog even twee mannen tusschen het
kreupelhout zien verdwijnen. De booswichten hadden echter spoedig
gemerkt dat zij zich schrik aan hadden laten jagen door een kind. Zij
kwamen reeds naar de plek terug waar zij hunne misdaad gepleegd
hadden, met het voornemen hunne slachtoffers te plunderen, toen de
komst van Cascabel en de zijnen hen opnieuw had doen afdeinzen en
ditmaal voorgoed.

Zoodra Kayette de twee mannen op den grond had vinden liggen, waarvan
de een reeds een lijk was, doch de ander nog teekenen van leven gaf,
was zij om hulp gaan roepen. Wat er verder gebeurd was, hebben wij
reeds gezien. De eerste kreten, die de Cascabels vernomen hadden,
waren door de aangevallen reizigers geuit. Wat zij later hoorden,
was het hulpgeschrei der Indiaansche.

De nacht ging verder ongestoord voorbij. De moordenaars hadden
waarschijnlijk hunne biezen gepakt, althans in de nabijheid van de
_Schoone Zwerfster_ vertoonden zij zich niet meer.

Den volgenden ochtend was er nog geene verandering bij den gekwetste
te bespeuren. Zijn toestand scheen even verontrustend.

Kayette toonde nu hare schranderheid door eenige kruiden te gaan
zoeken, waarvan zij de heilzame werking op verwondingen kende. Zij
liet die aftrekken en er werden zwachtels in het aftreksel gedoopt,
welke vervolgens op de wond gelegd werden. Er kwam volstrekt geen
bloed meer uit te voorschijn.

In den loop van den voormiddag werd het duidelijk dat de lijder
gemakkelijker begon adem te halen. Intusschen deed hij nog niets
dan zuchten of zacht kreunen. Geen woord kwam over zijne lippen en
zij bleven dus in het onzekere wie hij zijn kon, waar hij van daan
kwam of heenging, waarom hij zich hier op de grens van Alaska bevond,
wie hem overvallen hadden of wat voor redenen zijne aanranders hadden
kunnen hebben om hem en zijnen reisgenoot van kant te maken.

Indien echter het doel der moordenaars was geweest den reiziger te
bestelen, dan was hun, toen zij bij de nadering van het Indiaansche
meisje het op een loopen zetten, een schoone buit ontgaan, zooals
zij in deze schaars bezochte streek er zeker niet licht een tweeden
zouden aantreffen.

Dit bleek toen Cascabel de kleederen van den onbekende uittrok. In een
lederen gordel, die om zijn middel bevestigd was, werden een aantal
amerikaansche en russische gouden muntstukken gevonden, een en ander
tot een bedrag van ongeveer vijftienduizend franken. Dit geld werd
dadelijk op eene veilige plaats geborgen om het den eigenaar zoodra
mogelijk terug te geven. Papieren werden er echter niet aangetroffen,
met uitzondering van een klein zakboekje met aanteekeningen, deels
in het russisch deels in het fransch. Er waren dus geene gegevens om
te kunnen raden wie de vreemdeling zijn kon.

Tegen negen uur 's ochtends kwam Jan zijnen vader herinneren dat zij
nog eenen plicht te vervullen hadden ten opzichte van het lichaam
van den verslagene, dat onbegraven in het bosch was blijven liggen.

--Dat is goed Jan, was het antwoord, laat ons dadelijk op weg
gaan. Misschien vinden wij ook nog papieren bij hem, waar wij het
een en ander uit te weten kunnen komen. Kruidnagel moet ook mee en
laat hem eene schop en eene spade medenemen.

Zij voorzagen zich bovendien van wapenen en gingen met hun drieën
denzelfden kant als den vorigen dag op, langs den zoom van het woud.

Weinige minuten waren voldoende om hen op de plaats te doen komen
waar de moord bedreven was.

Het bleek duidelijk dat de twee reizigers het voornemen gehad hadden
op deze plek den nacht door te brengen. Het vuur waarbij zij gerust
hadden, rookte zelfs nog. Aan den voet van een zwaren denneboom hadden
zij een hoop droog gras bijeengezocht om er op te liggen. Misschien
waren zij zelfs in hunnen slaap overvallen.

Het lijk van den vermoorde had reeds de stijfheid, die het kenmerk
van den dood is.

Het was gemakkelijk te zien dat de overledene een dienstbode geweest
was van den anderen reiziger. Zijne gelaatskleur was donker, zijne
handen waren ruw, zijne kleeding van grove stof. Hij kon een jaar of
dertig oud zijn.

Jan zocht in zijne zakken, maar vond geene papieren of geld. In
zijnen gordel stak eene amerikaansche revolver, nog met zes kogels
geladen. De ongelukkige had geen tijd gehad die af te schieten.

De aanslag kon dus niet anders dan onverwachts en verraderlijk geschied
zijn. Beide slachtoffers waren op hetzelfde oogenblik gevallen.

In den omtrek van de plek in het woud was geen mensch of dier te
bekennen, waar Jan zich opzettelijk van ging overtuigen. Ook waren
de moordenaars zeker niet meer op de plaats hunner misdaad geweest,
want in dat geval zouden zij het lichaam wel van de kleederen beroofd,
of voor het minst de revolver uit den gordel genomen hebben.

Intusschen had Kruidnagel eenen kuil gegraven van zoodanige diepte
dat de dieren van het woud niet in staat konden zijn het lijk
optegraven. Het lichaam werd daar in gelegd en vervolgens de kuil
zorgvuldig met aarde dichtgeworpen.

Zonder dralen keerde Cascabel met Jan en Kruidnagel naar de _Schoone
Zwerfster_ terug. Terwijl Kayette de zorg voor den gewonde een
oogenblik op zich nam, beraadslaagden Jan en zijne ouders over hetgeen
hun verder te doen stond.

--Het schijnt buiten twijfel, begon Cesar, dat als wij de terugreis
naar Californië ondernemen, onze gewonde niet levend daar komen zal,
want het is een rit van eenige honderden mijlen. Het beste zou dus
wezen naar Sitka te gaan, waar wij binnen een dag of vier kunnen komen;
maar die Satansche grensbewakers verkiezen niet dat wij een voet in
hun land zetten.

--Het is toch noodig, zeide Cornelia op vasten toon, dat wij naar
Sitka koers zetten, en naar Sitka zullen wij gaan ook!

--Maar hoe? Vóór dat wij eene mijl ver zijn, zullen zij ons
tegenhouden.

--Dat kan mij niets schelen, Cesar! Wij moeten opbreken en niet talmen
ook! Komen wij de agenten weer tegen, dan zullen wij hun vertellen
wat er gebeurd is, en misschien vergunnen zij dien armen man wel
hetgeen zij niet verkozen hebben ons toetestaan.

Mijnheer Cascabel schudde twijfelachtig het hoofd.

--Ik ben het met moeder eens, zeide Jan. Wij moeten te Sitka zien
te komen en geen moeite doen om toestemming van de politie te
bekomen, want die zullen zij ons toch niet geven. Dat zou dus maar
tijdverlies zijn. Bovendien zullen zij misschien denken dat wij reeds
naar Sacramento terug zijn gekeerd en verder zijn gegaan. Sedert
vierentwintig uren hebben wij niets van hun gemerkt en zelfs op het
schieten van gisteren avond zijn zij niet afgekomen.

--Dat is waar, stemde Cascabel toe, en het is dus best mogelijk dat
zij er niet meer zijn.....

--Ten minste..... viel Kruidnagel, die zich bij de anderen gevoegd
had hem in de rede.

--Jawel, als het ten minste niet precies andersom is. Dat weten wij
al van ouds!

Hetzij Jan gelijk had of niet, de kans diende in elk geval gewaagd
te worden.

Binnen een kwartier stonden Vermout en Gladiator voor den wagen. Zij
waren terdege uitgerust en konden op den eersten dag een heel eind
afleggen. De _Schoone Zwerfster_ werd dus in beweging gezet. Niet
weinig verheugd was Cascabel, dat hij het gebied van Britsch-Columbia
weder vaarwel mocht zeggen.

--Kinderen, zeide hij, uitkijken en oppassen is de boodschap! Geen
schot mag er gedaan worden, Jan, want het is minst genomen onnoodig
dat iemand iets van ons merkt.

--Voor de keuken hebben wij trouwens voorraad genoeg, voegde Cornelia
er bij.

Het terrein is hier ten Noorden van Columbia wel tamelijk heuvelachtig,
maar toch niet moeilijk begaanbaar. Zij volgden de talrijke bochten die
het strand maakt, terwijl in de zee langs de kust een aantal eilanden
verspreid liggen. Ver aan den gezichteinder vertoonden zich eenige
hooge bergen. Op groote afstanden zagen zij nu en dan eene eenzame
landhoeve liggen van welke de karavaan voorzichtig een goed eind weg
bleef. Jan had de kaart van het land nauwkeurig geraadpleegd en hoopte
ook zonder wegwijzer geene moeite te hebben om te Sitka te komen.

Het voornaamste was echter dat zij niemand van de politie tegenkwamen,
zoo min in de onmiddellijke nabijheid der grens als meer het land
in. Dien eersten dag was het alsof niemand de _Schoone Zwerfster_
iets in den weg verkoos te leggen en zij rijden kon waarheen zij
goed vond. Cascabel verbaasde zich hierover wel, maar het deed hem
nog meer pleizier.

Cornelia schreef dit toe aan eene bijzondere bescherming der
Voorzienigheid en haar man dacht er ongeveer even zoo over. Jan
hield het er echter voor dat de russische politiebeambten om de eene
of andere onbekende reden hare waakzaamheid langs de grens hadden
opgegeven.

Den 6den en 7den Juni werd de tocht ongestoord voortgezet, zij kwamen
reeds in de nabijheid van Sittin en misschien waren zij er reeds
geweest indien Cornelia niet, om de gekwetste het te harde schokken te
besparen, op voorzichtig rijden had aangedrongen. Met Kayette bleef
zij den lijder verplegen. Eene moeder of eene dochter had hem niet
zorgvuldiger op kunnen passen. Beiden waren even bezorgd dat hij het
doel der reis niet zou kunnen bereiken. Zijn toestand was zeker niet
erger geworden, maar ongelukkig viel er ook niet op veel beterschap
te roemen. De schraal voorziene reis-apotheek en de zorgen die de
twee vrouwen aan den lijder konden besteden, waren niet voldoende om,
bij zulk eene ernstige verwonding het gemis van eenen geneeskundige
goed te maken. Goede verpleging kan veel doen, maar niet alles en dat
was jammer genoeg, want de twee vrouwen waren zorgzaam als een paar
zusters van liefdadigheid. Het goede hart en het doorzicht van het
jonge Indiaansche meisje toonde zich bij iedere gelegenheid. Het was
ook alsof zij reeds een lid der familie geworden was en alsof er voor
moeder Cascabel eene tweede dochter uit den hemel was komen vallen.

In den namiddag van den 7den trokken zij met de _Schoone Zwerfster_
op eene doorwaadbare plaats door de Stekin-rivier, die uitloopt in
een der nauwe zee-armen welke tusschen het vasteland en het eiland
Baranow doorstroomen, op weinige mijlen afstand van Sitka.

Dienzelfden avond hoorden zij den gewonde voor het eerst eenige
woorden stamelen.

--Mijn vader! mompelde hij.... Ginds zal ik hem weerzien!

Dit werd in het russisch gezegd en Cesar Cascabel verstond het
duidelijk.

Ook noemde de vreemdeling eenen naam, Iwan, dien hij verscheidene
malen herhaalde.

Daarmede bedoelde hij ongetwijfeld den dienstbode, dien zij bij zijnen
meester ontzield hadden vinden liggen.

Hieruit viel met vrij veel zekerheid op te maken dat beiden russen
waren.

Dit zou spoedig opgehelderd worden nu de lijder zijne spraak en zijn
bewustzijn teruggekregen had. Hij zou zijne redders wel dadelijk op
de hoogte brengen van hetgeen er gebeurd was.

Dien dag kwam de _Schoone Zwerfster_ aan deze zijde van het nauwe
vaarwater dat zij over moesten om op het eiland Baranow te komen. Zij
moesten dus naar eenen schipper omzien, teneinde den overtocht te
bewerkstelligen. Dit kon echter moeilijk gebeuren zonder dat zij
vertelden waar zij van daan kwamen en Cascabel was niet weinig bevreesd
dat er weder dadelijk naar zijne paspoorten gevraagd zou worden.

--Welnu, zeide hij, dit moge zijn zoo als het wil, onze russische
vriend zal dan alvast te Sitka wezen. Noodzaakt de politie ons weder
de grens over te gaan, dan zullen zij hunnen landsman toch wel bij
zich houden. Wij hebben hem het leven gered en het is hunne zaak hem
verder te genezen.

Daar viel zeker veel voor te zeggen, maar hunne ongerustheid
over hetgeen er met henzelven gebeuren zou, werd er niet door
weggenomen. Eenmaal te Sitka gekomen, zou het nog harder voor hen
wezen den tocht naar New-York te moeten hervatten.

Terwijl de wagen aan den waterkant stond te wachten, ging Jan er op
uit om de veerschippers te zoeken teneinde zonder uitstel scheep te
kunnen gaan.

--Onze zieke is weder geheel bij kennis, waarschuwde Cornelia. Hij
heeft weer gesproken, Cesar. Gij moet maar eens komen hooren wat hij
te vertellen heeft.

De rus lag met open oogen en staarde verwonderd om zich heen. Blijkbaar
begreep hij volstrekt niet waar hij zich bevond. Van tijd tot tijd
liet hij eenige onsamenhangende woorden hooren.

Op zwakken toon, zoodat het nauwelijks te verstaan was, vroeg hij
naar Iwan, zijnen bediende.

--Mijnheer, zeide Cascabel, uw bediende is hier niet, maar zeg ons
wat gij hebben wilt.

Dit werd in het fransch gezegd. De vreemdeling antwoordde terstond
in dezelfde taal.

--Waar ben ik?

--Gij zijt bij lieden die u tot dusver verpleegd hebben.

--Maar in welk land?

--In een land waar gij niets te vreezen kunt hebben, indien gij
tenminste een rus zijt.......

--Jawel, ik ben een rus.

--Welnu gij bevindt u in de provincie Alaska, eenige mijlen van de
hoofdstad......

--In Alaska.... fluisterde de gewonde.

Het was alsof die naam hem eenigszins angstig maakte.

--In eene russische kolonie, hernam hij.

--Neen, in eene amerikaansche bezitting, viel Jan hem in de rede,
die juist was binnengekomen.

Om zijne woorden te bevestigen, maakte Jan een van de raampjes in de
_Schoone Zwerfster_ open en wees hij met de hand naar de amerikaansche
vlag, die boven eenen wachtpost aan het strand wapperde.

Het was zooals hij zeide. Sedert luttele dagen was Alaska geen russisch
gewest meer. Drie dagen geleden was het tractaat geteekend waarbij het
geheele land aan de Vereenigde Staten werd afgestaan. Daaruit volgde
natuurlijk dat de familie Cascabel van geen russische politie iets
meer te vreezen had. Zij bevond zich weder op amerikaansch grondgebied.



XI.

SITKA.


Sitka, of Nieuw-Archangel, ligt op het eiland Baranow op de westkust
van Amerika. Het is niet alleen de hoofdplaats van dit eiland,
maar de hoofdstad der geheele provincie welke nu aan de regeering
der Vereenigde Staten afgestaan was. Het is tevens de eenige stad
van eenigen omvang in dit gewest, waar voor het overige niets dan
vlekken, of onbeduidende dorpen, op grooten afstand van elkander
worden aangetroffen. Eigenlijk zouden deze nederzettingen beter
factorijen of posten genoemd worden, want het zijn meerendeels
kantoren van amerikaansche handelsvennootschappen of van de engelsche
Hudsonsbaai-compagnie. Het is dus licht te begrijpen dat de middelen
van gemeenschap tusschen deze posten veel te wenschen overlaten, vooral
in den winter wanneer Alaska door hevige stormen geteisterd wordt.

Eenige jaren geleden was ook Sitka nog eene weinig bezochte
handelsplaats, waar eene russisch-amerikaansche handelsvereeniging
zich van bontwerk en pelterijen voorzag. Langzamerhand is echter de
geheele provincie meer bekend geworden bij de reizigers, die hunne
onderzoekingen uitstrekken tot in de poolstreek, waar het land aan
grenst. Onder haar tegenwoordig bestuur zal de stad ongetwijfeld
spoedig eene eervolle plaats gaan innemen onder de hoofdsteden van
de Staten der amerikaansche Unie.

Toenmaals vond men te Sitka reeds eenige gebouwen, die eene plaats
het karakter van eene stad geven. Er was eene luthersche kerk, een
eenvoudig gebouw, maar dat uitwendig toch eenige vertooning maakte;
eene grieksche kerk met een koepeldak, dat eenigszins zonderling
afstak tegen de grauwe wolken die gewoonlijk het zwerk bedekten,
geheel andere dan in het Oosten waar deze gebouwen thuis behooren;
verder eene club en eene openbare wandelplaats, waar inwoners en
vreemdelingen tevens koffiehuis hielden, verschillende hotels en
gaarkeukens, kegelbanen en andere plaatsen van bijeenkomst, nog eene
club voor ongetrouwde heeren alleen, eene school en een hospitaal,
benevens verscheidene aanzienlijke huizen en buitenplaatsen die op
en tusschen de heuvels in den omtrek verstrooid lagen. De stad wordt
omsloten door een woud van denneboomen, waarin zij als tusschen een
kleed van altijd durend groen verscholen ligt. In de verte steken de
spitsen van hooge bergen daarboven uit. De meest bekende is de berg
Edgecumbe op het eiland Crouze, noordelijk van Baranow, waarvan de
kruin zich ongeveer achtduizend voeten boven het vlak der zee verheft.

De weersgesteldheid is te Sitka niet bijzonder ruw. De thermometer
daalt er zelden beneden de zeven of acht graden Celsius, hetgeen
zeker niet koud is als men in aanmerking neemt dat de stad op 56
graden noorderbreedte ligt. Daarentegen zou zij gevoegelijk eene
»waterstad" genoemd kunnen worden, want het regent er bijna altijd,
alleen afgewisseld door sneeuw. Het was dus niets bijzonders dat
onze karavaan, na met paarden en al in de veerpont te zijn overgezet,
onder eene slagregen haren intocht te Sitka hield. Daarover klaagde
Cascabel echter niet. Hij was veel te blijde dat hij, na zoo lang in
de nabijheid van het beloofde land te zijn opgehouden, er nu zonder
paspoort of formaliteit in mocht.

--Ik heb al meer dan eens in mijn leven een buitenkansje gehad, zeide
hij; maar zoo iets buitengewoons is mij nog nooit overkomen. Daar
stonden wij voor eene deur die wij niet open konden krijgen, en zie,
op eens heeft zij zich van zelve voor ons geopend!

Het was zeker wel toevallig dat het tractaat, waarbij Alaska in andere
handen was overgegaan, juist op het geschikte oogenblik geteekend
was om de _Schoone Zwerfster_ toe te laten, ongehinderd over de
grens te komen. Aan deze zijde daarvan vond zij nu niet meer van die
onhandelbare ambtenaren of zulk eenen overvloed van formaliteiten,
door welke de russische overheid berucht is.

Het zou nu het eenvoudigste zijn den gewonden rus naar het hospitaal
ter verdere verpleging te vervoeren of naar een logement, waar hij
geneeskundige hulp had kunnen krijgen. Maar toen Cascabel hem dit
voorstelde, had hij er geen zin in.

--Ik voel mij volmaakt wel, mijn vriend, zeide hij. Als ik u dus geen
overlast aandoe.....

--Overlast? vroeg Cornelia, wat bedoelt gij daarmede, mijnheer?

--Gij zijt bij ons zoo goed als of gij thuis waart, voegde haar man
er bij, en als gij meent.....

--Wel, ik ben van meening dat het voor mij het beste is te blijven
bij de lieden aan wier zorgen ik mijn leven te danken heb.....

--Spreek daar niet van, mijnheer, hernam Cascabel. Maar het zou toch
wenschelijk zijn dat er spoedig een dokter naar u kwam kijken.....

--Zou die niet hier kunnen komen?

--Wel zeker. Ik zal er terstond op uitgaan om te vernemen, wie de
knapste dokter in de stad is.

De _Schoone Zwerfster_ had dicht bij de eerste huizen van Sitka, aan
het einde eener met boomen beplante wandelplaats die uitloopt op een
uitgestrekt woud, halt gehouden. Daar kwam dokter Harry, dien Cesar
als de voornaamste in de stad had hooren noemen, den rus bezoeken.

Na de wond nauwkeurig onderzocht te hebben, zeide de arts dat zij
niet bijzonder gevaarlijk was geweest, daar het dolkmes op eene
ribbe was afgestuit zoodat er geen van de voornaamste levensorganen
getroffen was. Dank zij de compressen met koud water en de kruiden
die het Indiaansche meisje had doen trekken, had het litteeken zich
goed gevormd en zou de genezing spoedig zoo ver gevorderd wezen dat
de lijder na eenige dagen weder zou mogen opstaan. Zijn toestand
was dus zoo gunstig mogelijk. Reeds nu begonnen zijne krachten, door
het versterkende voedsel dat hij gebruikte, weder aan te komen. Maar
dit nam niet weg dat als Kayette hem niet had vinden liggen en moeder
Cascabel door hare goede zorgen het verdere bloedverlies niet voorkomen
had, hij binnen weinige uren nadat de aanslag op hem gepleegd was,
den geest gegeven zou hebben.

Dokter Harry hield het er voor dat deze moord het werk moest wezen van
booswichten, behoorende tot de rooverbende van Karnof of van Karnof
zelven, die in het oostelijke gedeelte der provincie rondzwierf. Dit
was een boosdoener uit Rusland, of juister uit Siberië afkomstig,
die over eenen troep deserteurs het bevel voerde, zooals er overal in
de russische bezittingen in Azië en Amerika worden aangetroffen. De
politie had te vergeefs hare beste speurhonden op hen afgestuurd
en groote belooningen uitgeloofd voor ieder die de benden wist
te vatten. De vermetele schurken waren het nog altijd ontkomen
en verspreidden door de diefstallen en moorden die zij pleegden,
schrik in het geheele land, voornamelijk op de zuidelijke grens der
provincie. De veiligheid van het verkeer, de ruilhandel in pelterijen,
alles werd door deze roovers gestoord en aan hen moest zonder twijfel
ook de aanslag op de beide reizigers worden toegeschreven.

Het bezoek van den arts gaf dus aan de familie Cascabel alle reden
tot tevredenheid over den toestand van haar zieken gast.

Cascabel was altijd van plan geweest te Sitka eenige dagen rust te
nemen, want de karavaan had daar, na eenen tocht van bijna zevenhonderd
mijlen van de Sierra Nevada af, groote behoefte aan. Bovendien hoopte
hij in deze stad een twee- of drietal vertooningen te geven, waarvan
de opbrengst hem weder goed te stade zou komen.

--Wij zijn nu niet meer in Engeland, zeide hij, maar in Amerika. Voor
Amerikanen, kinderen, mogen wij weer toonen wat wij kunnen.

Mijnheer Cascabel twijfelde geen oogenblik of de roem van zijnen naam
moest tot de bevolking van Alaska doorgedrongen zijn. Ieder te Sitka
had zeker reeds tot zijnen buurman gezegd:

--De familie Cascabel bevindt zich in ons midden!

In deze plannen werd echter eenige verandering gebracht tengevolge
van een gesprek dat Cascabel twee dagen later met den vreemdeling
voerde. Eenige dagen rust bleven, na de vermoeiende reis die zij achter
den rug hadden, onontbeerlijk. De russische heer, die in de oogen van
Cornelia voor niets minder dan een prins doorging, had nu vernomen dat
de brave lieden, wien hij het behoud van zijn leven verschuldigd was,
slechts arme kermisreizigers waren. Alle leden van het gezin waren
aan hem voorgesteld, evenals Kayette, de Indiaansche, zijne redster.

Op eenen avond toen de geheele familie bijeen was, vertelde hij hun
van zijne levensgeschiedenis zooveel als voor het oogenblik noodig
was dat zij wisten. Hij drukte zich met veel gemak in het fransch
uit, bijna alsof het zijne moedertaal was, alleen liet hij zijne r's
een weinig vallen, hetgeen aan het fransch, zooals het door russen
gesproken wordt, iets krachtigs en nadrukkelijks geeft waardoor het
oor niet onaangenaam wordt aangedaan.

Wat hij te verhalen had, was zeer eenvoudig en er liep weinig
avontuurlijks of van romanesken aard onder.

De naam van den rus was Sergius Wassiolowitch, en voortaan noemden
allen hem, met zijne toestemming, Mijnheer Sergius. Hij had geen
andere bloedverwanten dan zijn vader, die in het gouvernement Perm,
niet ver van de stad van dien naam, woonachtig was. Gedreven door
reislust en door liefhebberij voor aardrijkskundige ontdekkingen en
onderzoekingen, had mijnheer Sergius drie jaar geleden zijn vaderland
verlaten. Hij had de landen in den omtrek der Hudsonsbaai doorreisd
en was thans voornemens eenen tocht door Alaska te doen, langs de
Youkon-rivier tot aan de Poolzee. De omstandigheden onder welke hij
door roovers overvallen werd, waren de volgende.

Hij en zijn knecht Iwan hadden des avonds van den 4den Juni een
nachtkwartier bij de grens gezocht, toen zij in hun eersten slaap
door moordenaars overvallen werden. Twee mannen wierpen zich op hen;
zij ontwaakten, sprongen overeind en poogden zich te verdedigen,
maar de ongelukkige Iwan stortte bijna terstond ter aarde, door eenen
kogel in het hoofd getroffen.

--Het was een trouwe en eerlijke bediende, voegde mijnheer Sergius
er bij. Sedert tien jaren leefden wij te samen, hij hield veel van
mij en ik betreur in hem een oprechten vriend.

Mijnheer Sergius deed geene moeite om zijne aandoening te verbergen
en zoo dikwijls hij over Iwan sprak, kon men aan zijne vochtige oogen
zien dat zijne smart niet voorbijgaand van aard was.

Hij verhaalde verder dat hij zelf in de borst verwond geworden en zijn
bewustzijn kwijt geraakt was. Van hetgeen er verder gebeurd was, wist
hij niets tot op het oogenblik toen hij, weder bij kennis komende,
niet had kunnen begrijpen waar hij zich bevond, maar alleen dat hij
met vriendelijke en medelijdende menschen te doen had.

Cascabel verhaalde hem dat de aanslag voor het werk gehouden werd
van Karnof of van een paar kerels zijner bende. Dit achtte mijnheer
Sergius ook waarschijnlijk, want hij had reeds vroeger hooren zeggen
dat die roovers de grensstreek onveilig maakten.

--Zooals gij ziet, dus eindigde hij, is er niet veel bijzonders
aan mijne lotgevallen en zeker minder dan aan de uwe. Na mijne
onderzoekingsreis door Alaska volbracht te hebben, was ik voornemens
naar Rusland en mijnen vader terug te keeren en het ouderlijke huis
nooit meer te verlaten. Maar vertel mij nu ook eens iets van uwe
geschiedenis, en in de eerste plaats hoe het komt dat een gezelschap
fransche reizigers hier in dit afgelegen gedeelte van Amerika komt
te zwerven?

--Kermiskunstenaars, mijnheer Sergius, trekken immers overal heen,
antwoordde Cascabel.

--Ja, dit weet ik wel, maar ik ben er toch over verbaasd dat ik u
hier aan het andere einde der wereld aantref!

--Jan, hervatte Cascabel, vertel gij maar eens aan mijnheer Sergius
hoe het komt dat wij hier zijn en hoe wij ons reisplan naar Europa
gemaakt hebben.

Jan verhaalde nu alles wat aan de bewoners der _Schoone Zwerfster_
overkomen was sedert hun vertrek uit Sacramento. Teneinde ook door
Kayette verstaan te worden, sprak hij Engelsch, dat mijnheer Sergius
zooveel noodig aanvulde met eenige woorden in de Chinouksche taal. Het
indiaansche meisje luisterde met de meeste aandacht. Zij kwam nu
te weten wie de familie Cascabel was, aan welke zij zich reeds zeer
gehecht voelde. Jan verhaalde hoe de reizigers van al hun geld bestolen
waren in een der bergpassen van de Sierra Nevada, dien zij doortrokken
om naar de kuststreek van den Atlantischen Oceaan koers te zetten. Hoe
zij, de middelen niet meer hebbende om hunne plannen ten uitvoer te
brengen, besloten hadden in de richting naar het Oosten denzelfden
tocht te doen, dien zij naar het Westen hadden willen volbrengen. Hoe
zij den voorkant hunner rollende woning naar het Oosten gewend
hadden en den Staat Californië, Oregon, het Washington-territorium en
Britsch-Columbia doorgetrokken, maar op de grens van Alaska, tot staan
gebracht waren. Hoe de russische grensbewakers hun onverbiddelijk
den toegang geweigerd hadden, hetgeen echter door de uitkomst eene
gelukkige omstandigheid gebleken was, dewijl zij tengevolge van
dit oponthoud in de gelegenheid geweest waren mijnheer Sergius te
hulp te komen. Hoe het dus kwam dat fransche kermisreizigers, en wel
Normandiërs, indien men hen naar het hoofd van het gezin mocht noemen,
zich nu te Sitka bevonden, waar alleen de inlijving van Alaska bij
de Vereenigde Staten het hun mogelijk gemaakt had te komen.

Mijnheer Sergius vernam met groote belangstelling alles wat hem
verteld werd, maar hij kon zijne verwondering niet verbergen toen
hij te weten kwam dat zij plan hadden met de Karavaan geheel Siberië
door te trekken, teneinde langs dien weg in het Oosten van Europa aan
te landen. De anderen begrepen echter niet waarom hij zich daarover
verbaasde.

--Alzoo, mijne vrienden, begon hij, toen Jan uitgesproken had, is het
uwe bedoeling, als gij Sitka verlaat, uwen weg naar de Behringstraat
te nemen?

--Gewis mijnheer Sergius, antwoordde Jan, en zoodra die zeeëngte
toegevroren zal zijn, trekken wij haar over.

--Dat is een lange en bezwaarlijke tocht dien gij ondernemen gaat,
mijnheer Cascabel.

--Lang is hij zeker, mijnheer Sergius, en bezwaarlijk zal hij
ook wel wezen. Maar wat zullen wij doen? Wij hebben geen keus. Wij
kunstenmakers geven voor het overige niet om wat moeite en zijn gewoon
in de geheele wereld rond te zweven.

--Ik vermoed, dat gij er niet op rekent om op die manier dit jaar
nog in Rusland te komen?

--Dat kan niet, antwoordde Jan, want de Behringstraat kunnen wij niet
over vóór de eerste dagen van October.

--In elk geval, hernam Sergius, is het een avontuurlijk en stoutmoedig
plan.

--Dat is mogelijk, zeide Cascabel, maar er was geen ander te
bedenken. Gij moet weten, mijnheer Sergius, dat wij allen aan heimwee
lijden. Wij willen en zullen naar Frankrijk terug! Onze weg voert
langs Nisjni en langs Perm, in den tijd dat daar kermis gehouden wordt,
en wij zullen ons best doen om er geen kwaad figuur te maken.

--Maar welke middelen hebt gij tot uwe beschikking?

--Wij hebben op weg hierheen reeds iets verdiend en hier te Sitka,
waar wij eenige voorstellingen hopen te geven, denken wij onze spaarpot
weder te zien aangroeien. Er is juist feest ter eere van de inlijving
bij Amerika en ik houd het er voor, dat het geëerde publiek over de
familie Cascabel te vreden zal zijn.

--Gaarne zoude ik mijne beurs met u deelen, antwoordde de rus,
wanneer ik ook niet bestolen was...

--Maar dat zijt ge niet, mijnheer Sergius, viel Cornelia hem in
de rede.

--Zij hebben u geen halven roebel afgenomen, voegde Cesar er bij.

Hij verwijderde zich een oogenblik en kwam terug met den gordel,
waarin al het geld was dat de gewonde bij zich had gehad.

--Nu het zoo gelegen is, mijne vrienden, wilt gij toch wel eenig geld
van mij wilt aannemen.....

--In geenen deele, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel. Ik wil
volstrekt niet, dat gij ons helpt ten koste misschien van u zelven.

--Verkiest gij dus niet met mij te deelen?

--Zoo stellig mogelijk: neen!

--Gij zijt echte Franschen! zeide Sergius, terwijl hij hen hartelijk
de hand drukte.

--Leve Rusland! riep de kleine Sander.

--En leve Frankrijk! antwoordde Sergius.

Het was zeker voor het eerst, dat die dubbele uitroep in dit afgelegen
gedeelte van Amerika vernomen werd.

--Maar nu hebt gij genoeg gepraat, kwam Cornelia tusschen
beide. Mijnheer Sergius, de dokter heeft u bevolen u kalm en rustig
te houden en een zieke mag nooit verzuimen te doen wat zijn geneesheer
zegt.

Ik wil mij gaarne aan u onderwerpen; mevrouw Cascabel, antwoordde de
rus. Maar ééne vraag, of liever één verzoek heb ik nog te doen.

--Zeg ons wat gij verlangt, mijnheer Sergius.

--Ik heb u zelfs eene gunst te vragen....

--Welke gunst?

--Gij begeeft u dus naar de Behringstraat. Wilt gij mij vergunnen u
tot daar te vergezellen?

--Verlangt gij met ons te reizen?

--Ja, ik was immers voornemens geheel Alaska in oostelijke richting
door te trekken.

--Nu wij kunnen niet anders zeggen, dan dat het ons groot genoegen
zal doen, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel.

--Op ééne voorwaarde echter, zeide Cornelia.

--Wat is dat?

--Dat gij alles doen zult om heelemaal beter te worden, en zonder
tegen te spartelen.

--Ook ik heb nog eene voorwaarde, namelijk, dat als ik met u mede ga,
ik ook mijn deel in de reiskosten zal betalen.

--Daarmede kunt gij doen zooals gij verkiest, mijnheer Sergius,
antwoordde Cascabel.

Alles was nu tot wederzijdsch genoegen geschikt, maar het hoofd van
den troep meende niet af te mogen zien van zijn voornemen om op de
groote markt te Sitka eenige voorstellingen te geven. Hij hoopte
daarmede eer en voordeel te behalen, want in de geheele provincie
heerschte eene feestelijke stemming, tengevolge der inlijving en de
_Schoone Zwerfster_ had op geen gunstiger oogenblik in de hoofdstad
kunnen komen.

Zooals van zelf sprak, had Cascabel van den moord-aanslag op den rus
en diens bediende aangifte bij de politie gedaan. Het gevolg hiervan
was dat er terstond bevelen gegeven werden om de bende van Karnof op
de grens van Britsch-Columbia nog ijveriger te vervolgen.

Den zeventienden Juni mocht Sergius voor de eerste maal uit. Hij
voelde zich veel beter en dank zij de zorgen van dokter Harry was
zijne wond zoo goed als genezen.

Hij maakte nu ook kennis met de andere leden van het gezelschap, met de
honden die vroolijk tegen hem opsprongen, met Jako, wien Sander geleerd
had: »Hoe vaart mijnheer Sergius?» te zeggen, en met John Bull, die
zijn vriendelijksten grijns tegen hem trok. Ook de twee trouwe oude
paarden, Vermout en Gladiator, hinnikten van pleizier toen hij ze
op een stuk suiker trakteerde. Sergius was nu voorgoed in het gezin
opgenomen even als Kayette. Hij had reeds het degelijke karakter,
het goede verstand en het streven naar kundigheden boven zijnen stand
opgemerkt, waar de oudste zoon zich door onderscheidde. Sander en
Napoleona had hij lief om hunne vroolijkheid. Kruidnagel, goedhartig
en dom als die was, mocht hij gaarne lijden. Voor mijnheer Cascabel
en zijne vrouw koesterde hij eene oprechte hoogachting, want hij had
hen als brave lieden leeren kennen.

Intusschen hielden zij zich ijverig bezig met de toebereidselen voor
hun aanstaand vertrek. Er mocht niets verzuimd worden om den goeden
uitslag van hunne reis, over eene uitgestrektheid van vijfhonderd
mijlen tot aan de Behringstraat, te verzekeren. Het land, ofschoon
weinig bekend, was niet onveilig. Wilde beesten of kwaadwillige
Indianen, hetzij zwervende of vast gevestigde, werden er niet
gevonden. Zonder eenig bezwaar konden zij in de verschillende
factorijen, waar de beambten der pelterij-compagnieën verblijf
hielden, de noodige rust nemen. Het voornaamste was dat zij zich
van alle noodzakelijke levensbehoeften voorzagen op eene reis door
een land waar zoo goed als niets te krijgen was, behalve hetgeen de
jacht hen opleverde.

Over al deze punten werd dus op zekeren dag, in tegenwoordigheid van
Sergius, beraadslaagd.

--In de eerste plaats, begon Cascabel, hebben wij in aanmerking te
nemen dat wij niet gedurende het ruwste gedeelte van het jaar onzen
tocht ondernemen.

--Dat is gelukkig ook, merkte Sergius op, want hier in Alaska, zoo
dicht bij den poolcirkel, zijn de winters niet om mede te spotten.

--Bovendien gaan wij niet blindelings op weg, zeide Jan, vooral niet
nu wij zulk een bekwaam aardrijkskundige als mijnheer Sergius bij
ons hebben.

--Nu, wat dat betreft, antwoordde Sergius, een aardrijkskundige is
niet slimmer dan een ander mensch, wanneer hij zijnen weg heeft te
zoeken in een land waar hij niet bekend is. Met ons beiden echter,
Jan, en met behulp van uwe kaarten, waar gij zoo goed thuis op zijt,
zullen wij ons wel redden. Bovendien heb ik nog een plan waar ik u
later wel eens over zal spreken....

Als Sergius een plan had, kon het niet anders dan goed wezen. Daarvan
hielden allen zich overtuigd en zij lieten hem dus met rust om er op
zijn gemak over te kunnen denken.

Zij hadden nu geld genoeg bijeen en Cascabel deed een goeden voorraad
op van meel, reuzel, rijst, tabak en vooral thee, welke in Alaska
in verbazende hoeveelheid gebruikt wordt. Ook kocht hij hammen,
vleesch in blikken, beschuit en eenige potten ingelegd vleesch van
eene russisch-amerikaansche maatschappij. Aan water behoefden zij geen
gebrek te hebben als zij de Youkon-rivier en hare zijtakken volgden,
maar om het smakelijker te maken voorzagen zij zich van suiker en
cognac, of eigenlijk _Vodka_, eene soort van brandewijn dien de
russen drinken en die bij hen voor eene lekkernij doorgaat. In de
bossen konden zij brandhout genoeg vinden, maar toch werd de _Schoone
Zwerfster_ beladen met eene ton beste Vancouver-kolen. Meer dan
eene ton mocht niet, want het was zaak den wagen niet al te zwaar
te belasten.

Intusschen hadden zij in het tweede vertrek van het rijtuig eene
tijdelijke slaapplaats ingericht, waar Sergius gebruik van zou maken,
met goed beddegoed er in. Er werden ook de noodige dekens gekocht
even als hazenvellen, die de Indianen des winters gebruiken om zich te
verwarmen. Voor het geval dat zij onderweg nog in de noodzakelijkheid
mochten komen om het een en ander aan te koopen, nam Sergius een
kleinen voorraad glazen sieraden, katoenen stoffen en goedkoope
messen en scharen meê, waar de ruilhandel met de inboorlingen mede
gedreven wordt.

Voor de jacht was het vooruitzicht gunstig, want er is in dit land
overvloed van grof wild, zooals herten en rendieren, en van kleiner,
zooals hazen, korhoenders, patrijzen en wilde ganzen. Kruit en lood
werden dus naar behoefte ingeslagen en Sergius kocht bovendien nog
twee geweren en eene karabijn, waarmede het arsenaal van de _Schoone
Zwerfster_ verrijkt werd. Hij zelf was een ervaren schutter en stelde
er zich veel van voor, gezamenlijk met zijnen vriend Jan op de jacht
te kunnen gaan.

Dit was te meer nuttig dewijl in den omtrek van Sitka het land
misschien onveilig werd gemaakt door de bende van Karnof en het dus
te pas kon komen dat zij in staat waren die roovers naar verdienste
te onthalen.

--Als die schavuiten, wier voornaamste eigenschap het niet is
bescheiden te zijn, ons het een of ander komen vragen, merkte Cascabel
op, weet ik geen beter antwoord dan een kogel in hun ribbenkast....

--Of het moest zijn in hun hersenpan, voegde Kruidnagel er zeer
bedachtzaam bij.

Om kort te gaan, onze reizigers waren in de gelegenheid in de hoofdstad
van Alaska, waar een drukke handel gedreven werd met verschillende
steden in Columbia en met de zeehavens aan den Stillen Oceaan, zich
van alles te voorzien wat zij voor eene langdurige reis in een schaars
bewoond land noodig konden hebben, en dat wel zonder buitensporige
prijzen te betalen.

Eerst in de voorlaatste week van juni waren al deze toebereidselen
afgeloopen. Het vertrek werd bepaald op den 26sten. Vóórdat de
Behringstraat geheel toegevroren lag, kon er aan geen overtocht gedacht
worden, zoodat zij al den tijd hadden om de reis te ondernemen. Maar
er moest ook gerekend worden op onvoorziene hinderpalen en oorzaken
van oponthoud, zoodat het beter was een weinig te vroeg op te breken
dan te laat. Te Port-Clarence, gelegen aan het strand der zeeëngte,
konden zij desnoods rust houden en het geschikte oogenblik afwachten
om naar de Aziatische kust over te steken.

Wat voerde intusschen het Indiaansche meisje uit? Dat is spoedig
genoeg te vertellen: zij hielp met overleg moeder Cascabel bij alles
wat zij voor den tocht in orde te brengen had. De brave vrouw had voor
de vreemdelinge eene genegenheid opgevat alsof zij hare dochter was;
zij hield bijna even veel van haar als van Napoleona en voelde iederen
dag hare gehechtheid sterker worden. Zij hadden trouwens allen Kayette
hartelijk lief en dit goede kind smaakte zonder twijfel een geluk
dat zij nooit gekend had zoolang zij met haren stam rondzwierf. Het
oogenblik dat zij van de familie Cascabel gescheiden zou worden,
werd dus door ieder met leedwezen tegemoet gezien. Toch kon dat niet
anders. Zij stond alleen op de wereld en was naar Sitka gekomen met
het plan daar eene plaats als dienstbode te zoeken om, misschien
onder treurige omstandigheden, haar brood te verdienen.

--Daarom, zeide Cascabel nu en dan, heb ik mij wel eens afgevraagd
of onze Kayette,--ik zou haar wel mijn vogeltje willen noemen--als
zij lust en aanleg had om dansen te leeren, niet wat beters kon
beginnen. Wat zou zij eene knappe balletdanseres kunnen worden! Of
indien zij smaak had in paardrijden, wat zou zij een goed figuur
maken in een paardenspel! Ik ben zeker dat zij te paard zou zitten
als een Centaurus!

Mijnheer Cascabel geloofde in allen ernst dat de centaurussen mannen
te paard waren geweest en niemand had hem dat uit zijn hoofd kunnen
praten.

Maar Jan schudde het hoofd als hij zijnen vader zoo hoorde praten en
Sergius begreep wel dat de bedachtzame en stille knaap heel anders
dan zijn vader dacht over de genoegens en voordeelen van koorddansen,
paardrijden en andere kermiskunsten.

Er werd dus veel over Kayette gedacht en gesproken, over hare toekomst
en over hetgeen haar te Sitka te wachten stond. Dit baarde hen allen
veel zorg, maar den avond vóór hun vertrek kwam Sergius, met het
Indiaansche meisje aan de hand, in den kring van het gezin.

--Mijne vrienden, zeide hij, ik heb geene kinderen, maar nu bezit
ik tenminste eene aangenomen dochter. Kayette heeft er niets tegen,
mij als haar vader te beschouwen en ik kom voor haar een plaatsje
vragen in de _Schoone Zwerfster_.

Met vreugdekreten werd dit nieuws begroet en het »vogeltje" werd met
liefkozingen overladen. Het meisje had met dankbaarheid het aanbod
van Sergius aangenomen, en mijnheer Cascabel kon niet nalaten,
terwijl zijne stem van ontroering trilde, te zeggen:

--Mijnheer Sergius, dat is braaf van u!

--Wat is er voor bijzonders aan? vroeg de rus. Gij hebt toch niet
vergeten hoeveel verplichting ik aan Kayette heb? Zonder haar was
ik niet meer in leven; wat is dus natuurlijker dan dat ik haar als
kind aanneem?

--Welnu, hernam Cascabel, laat ons dan samen deelen. Wees gij haar
vader mijnheer Sergius; maar ik ben haar oom!



XII.

VAN SITKA TOT HET FORT YOUKON.


Den 26sten Juni met het aanbreken van den dag »lichtte de zegekar der
Cascabels haar anker." Dit was eene soort van valsche beeldspraak waar
haar aanvoerder zich niet zelden aan te buiten ging. In denzelfden
trant had hij er nog bij kunnen voegen dat de wagen nu misschien »ging
varen op eenen vulkaan." En dit zou niet eens heelemaal onjuist geweest
zijn, want niet alleen beloofde de weg moeilijk te zullen worden,
maar ook zijn uitgedoofde of nog in werking zijnde vuurspuwende bergen
aan de zuidkust van de Behringzee niet zeldzaam.

De _Schoone Zwerfster_ liet de hoofdstad van Alaska achter
zich, vergezeld van talrijke wenschen voor hare behouden reis en
aankomst. Want zij had zich vele vrienden verworven, die niet karig
waren geweest met hunne roebels en hunne toejuichingen zoolang de
troep voor de poorten van Sitka verblijf had gehouden.

Dit woord »poorten" is juister dan men oppervlakkig denken zou. De
geheele stad is omringd door een stevig rasterwerk van palen,
waarbinnen slechts enkele openingen toegang geven, die iemand niet
gemakkelijk zou doorkomen als het hem belet werd.

De russen hebben zich door deze voorzorgen moeten beveiligen tegen
den aanhoudenden toevloed van Kaluche-Indianen, die gewoonlijk in
de nabijheid van Nieuw-Archangel, tusschen de rivieren Stekine en
Tchilcot, hunne legerplaats opslaan. Daar bouwen zij hunne hutten, die
zoo eenvoudig mogelijk zijn ingericht. Eene lage deur geeft toegang
tot een cirkelvormig vertrek, dat somtijds in twee afdeelingen
gescheiden is, en alleen licht ontvangt door eene opening in het
dak, welke tevens de rook uit de stookplaats gelegenheid geeft te
ontsnappen. Deze buurt van Indiaansche hutten vormt eene soort van
voorstad van Sitka, binnen welke stad geen enkele inboorling na
zonsondergang verblijf mag houden. Dit verbod vindt zijnen grond in
de somtijds alles behalve vriendschappelijke verhouding tusschen de
Roodhuiden en de Bleekgezichten.

Buiten Sitka moest de _Schoone Zwerfster_ beginnen met eenige nauwe
zeearmen in daartoe ingerichte ponten overtesteken alvorens zij eene
uitstekende punt aan een bochtigen zeeboezem, Lyan-baai genaamd,
bereikten.

Hier bevonden zij zich weder op het vasteland.

Het reisplan en de te volgen weg waren met zorg door Sergius en
Jan vastgesteld op de uitvoerige kaarten welke zij zich zonder veel
moeite in de club te Sitka hadden aangeschaft. Kayette, die met het
land goed bekend was, vroegen zij bij deze gelegenheid om raad. Vlug
van begrip als zij was, had zij spoedig genoeg wijs leeren worden
uit de kaarten die zij haar te zien hadden gegeven. Zij sprak de
inlandsche taal met Russisch vermengd, en veel van hetgeen zij wist
te vertellen kwam bij het maken van de plannen goed te pas. Het was
zaak niet uitsluitend den kortsten, maar ook den gemakkelijksten weg te
zoeken om naar Port Clarence, dat op de oostkust van de Straat gelegen
is, te komen. Zij kwamen daarom overeen dat de _Schoone Zwerfster_
dadelijk op de groote Youkon-rivier aan zou houden, ter plaatse waar
het fort gelegen is dat naar dien breeden stroom genoemd wordt. Dit
was ongeveer halfweg, met andere woorden nagenoeg tweehonderdvijftig
mijlen van Sitka af. Op deze manier ontweken zij de moeilijkheden welke
zij ontmoet zouden hebben indien zij de kust dichter gevolgd hadden,
dewijl deze voor een gedeelte met bergen bedekt is. Daarentegen loopt
de Youkon-vallei in eene breede vlakte, tusschen eene verwarde reeks
van bergketenen in het Westen en het Rotsachtige gebergte door, welk
laatste de scheiding vormt tusschen Alaska en de Mackenzie-vallei
eener- en Nieuw-Brittannië anderzijds.

Eenige dagen na hun vertrek verloren de reizigers in het zuidwesten
de puntige bergspitsen aan de kust uit het oog. Het langst bleven de
hooge bergen Fairweather en Elias in het zicht.

De eenmaal zorgvuldig vastgestelde indeeling der uren waarin gereden
en die waarop gerust moest worden, werd streng in acht genomen. Er
was niet ééne reden om haast te maken ten einde spoedig aan de
Behringstraat te komen, en langzaam maar zeker mocht dus hunne leuze
zijn. Vóór alles kwam het er op aan hunne paarden te ontzien, want
kwamen die te bezwijken dan konden ze niet dan gebrekkig misschien
vervangen worden door een span rendieren. Dat moest dus tot elken
prijs voorkomen worden. Daarom werd er iederen middag, nadat zij
te zes uur 's morgens op weg gegaan waren, twee uren halt gehouden;
vervolgens reden zij weder zes uren en daarna werd er den geheelen
nacht gerust. Op die manier legden zij iederen dag gemiddeld vijf of
zes mijlen af.

Hadden zij in den nacht willen doorreizen, dan ware hun dit gemakkelijk
gevallen, want, zeide Cascabel, in Alaska bleef de zon niet langer
dan noodig was in haar bed.

--Nauwelijks is zij ondergegaan of zij komt weer op, vervolgde
hij. Drie en twintig uren in een etmaal is het hier licht en dat kost
u niemendal!

Op deze hooge breedte namelijk en gedurende het tijdvak van den
zonnestilstand of daaromtrent verdwijnt de zon des avonds te elf uur
zeventien minuten en komt ze te elf uur negen en veertig minuten weder
voor den dag, zoodat zij slechts gedurende twee en dertig minuten
onzichtbaar blijft. De schemering na den zonsondergang vermengt zich
dan ook zonder dat het duister wordt met die welke den zonsopgang
voorafgaat.

De temperatuur was daarbij warm, dikwijls zelfs broeiig en in deze
omstandigheden zou het erger dan onvoorzichtig geweest zijn indien
zij gedurende de uren der grootste middaghitte niet halt gehouden
hadden. Menschen en dieren hadden veel van deze geduchte warmte
te lijden. Het is bijna niet te gelooven dat zoo dicht bij den
poolcirkel, de thermometer somtijds tot dertig graden boven nul van
de honderddeelige schaal rijst. Toch is dat het geval.

De reis vorderde dus geregeld en zonder bezwaren, maar Cornelia, die
veel hinder van de brandende hitte had, klaagde daarover niet weinig.

--Geduld, vermaande haar Sergius. Er zal spoedig een tijd komen dat
gij terugverlangt naar hetgeen u nu zoo hindert.

--Naar zulk eene warmte? vroeg zij. Dat nooit!

--Gij zult toch nog meer te lijden hebben van de koude, moeder,
zeide Jan, als wij de Behringstraat over zijn en door de uitgestrekte
vlakten van Siberië trekken.

--Ik twijfel niet aan hetgeen mijnheer Sergius zegt, hernam Cascabel,
maar tegen de warmte valt hoegenaamd niets aan te vangen en tegen de
koude kan men zich ten minste met vuur en warme kleederen wapenen.

--Dit is zoo mijn vriend, was het antwoord, en dat is gelukkig ook,
want over weinige maanden zult gij het ondervinden hoe bitter koud
het daar ginds is. Reken daar maar op!

Na een tijdlang haren weg vervolgd te hebben in de _Canons_, dat
zijn passen welke met grillige bochten tusschen de heuvels van
middelmatige hoogte, die het land bedekken, doorloopen, kreeg de
_Schoone Zwerfster_ eene onafzienbare vlakte tegenover zich, hier en
daar alleen afgewisseld door bosschen van matigen omvang.

Dit was de 3de Juli. Dien dag trokken zij langs het kleine Dease-meer,
waar de Lewis, een der hoofdtakken van de Youkon, in ontspringt.

Kayette was hier meer geweest en zeide:

--Jawel, dit is de Cargout, die in onze groote rivier uitkomt.

Zij legde aan Jan uit dat _Cargout_ in de Alaskische taal wil zeggen
»kleine rivier."

Niemand moet denken dat de leden van den troep van Cascabel op dit
gedeelte hunner reis, dat evenmin vermoeiend als bezwaarlijk was,
verzuimden de lenigheid hunner ledematen, de kracht hunner spieren
en de geoefendheid hunner handen door voortdurende oefeningen te
onderhouden. Zoo dikwijls de hitte het niet geheel onmogelijk maakte,
werd iederen avond hunne legerplaats veranderd in eene kermistent,
waarin Sergius en Kayette de eenige toeschouwers waren. Zij sloegen
beide de kunsten van het werkzame gezin belangstellend gade, Kayette
niet zonder eenige verwondering, Sergius vriendelijk als altijd.

Cascabel en zijne vrouw oefenden zich beurtelings in het oplichten
van gewichten en in het werken met de halters; Sander wrong zijn
lichaam in allerlei bochten, eene kunst waarvoor hij vermaard was;
Napoleona huppelde over het tusschen twee bokken gespannen koord en
probeerde nieuwe passen; Kruidnagel verkocht al zijne grappen aan
een publiek dat alleen in zijne verbeelding bestond.

Jan zou zeker liever bij zijn boeken gebleven zijn, of gepraat hebben
met Sergius, van wien hij veel leeren kon, of Kayette eene les gegeven
hebben in het fransch waarin zij snelle vorderingen maakte. Maar
zijn vader stond er op dat hij zijne behendigheid als equilibrist
niet mocht verliezen en om zijnentwil werkte hij dus met glazen,
ringen, ballen, messen en stokjes, zoodat er niets op aan te merken
viel. Maar in zijn hart dacht hij aan heel andere dingen.

Intusschen deed het hem genoegen dat er niets kon komen van de
plannen zijns vaders om Kayette tot kunstenmaakster opteleiden. Nu
het meisje als dochter aangenomen was door Sergius, een vermogend en
beschaafd man die tot den deftigen stand behoorde, was hare toekomst
verzekerd en behoefde zij niet te werken voor haar brood. Dat maakte
den goeden Jan in zijn hart gelukkig, al kon hij er niet zonder smart
aan denken dat Kayette nu ook, als zij aan de Behringstraat gekomen
waren, afscheid van hen zou moeten nemen. Had zij deel van den troep
uitgemaakt als balletdanseres, dan zou dit niet noodig geweest zijn.

Maar Jan hield te veel van haar om niet blijde te wezen dat Sergius
zich met de zorg voor het meisje belast had. Hijzelf voelde immers
ook eene levendige begeerte om van beroep te kunnen veranderen. Vol
verlangen naar eene edeler bestemming, achtte hij zich weinig geschikt
voor het beroep van kunstenmaker en niet zelden was het hem gebeurd
dat hij zich inwendig schaamde over de toejuichingen, die hem op
pleinen en markten om zijne groote behendigheid ten deel vielen.

Op zekeren avond met Sergius wandelende, maakte hij dezen deelgenoot
van al zijne wenschen en van zijn heimelijk verdriet. Hij kwam er
voor uit dat hij eene, naar het hem voorkwam, rechtmatige eerzucht
koesterde om vooruit komen. Misschien zouden zijne ouders er in slagen,
door de kermissen af te reizen en hun beroep van kunstenmakers te
blijven uitoefenen, nog eenige clowns en andere sujetten aan zich
te verbinden en mettertijd een klein fortuin te verzamelen. Maar als
dat gebeuren mocht, zou het voor hem toch te laat wezen om eene meer
eervolle loopbaan te zoeken.

--Ik schaam mij niet over mijne ouders, mijnheer Sergius. Ik zou
ondankbaar zijn als dat het geval was. Zij zijn goed voor hunne
kinderen en wat zij in de mogelijkheid waren voor mij te doen, hebben
zij gedaan. Maar ik voel dat ik aanleg genoeg heb om eene fatsoenlijke
betrekking met eer te vervullen, en ik zie geen kans iets anders te
worden dan een arme kunstenmaker.

--Mijn vriend, antwoordde Sergius, ik begrijp volkomen uwe
bedoeling. Laat mij u echter zeggen dat onverschillig welk beroep
iemand uitoefent, het altijd lof verdient, als hij op eerlijke manier
door de wereld komt. Kunt gij u braver lieden voorstellen dan uw
vader en uwe moeder zijn?

--Zeker niet, mijnheer Sergius.

--Welnu, blijf hen dan hoogachten even als ik het doe. Het strekt u
tot eer dat gij zulk eene loffelijke eerzucht koestert en wie weet
wat er in de toekomst nog voor u kan zijn weggelegd. Houd moed mijn
jongen en reken er op dat ik voor u doen zal wat ik kan. Gij kunt er
van verzekerd zijn dat ik nimmer vergeten zal wat uwe ouders voor
mij gedaan hebben. Indien ik er ooit toe in staat ben, dan zal ik
ongetwijfeld..........

Terwijl Sergius zoo sprak, bemerkte Jan dat er als eene wolk over zijn
gelaat trok en dat zijne stem eenigszins haperde. Het was alsof hijzelf
niet gerust was over zijne toekomst. Beiden zwegen een oogenblik;
toen hervatte Jan het gesprek.

--Nu wij toch samen den tocht naar Port-Clarence doen, mijnheer
Sergius, begrijp ik niet waarom gij niet verder met ons medegaat? Gij
hebt ons immers gezegd dat gij voornemens zijt naar Rusland en naar
uwen vader terugtekeeren?

--Dat kan niet Jan, antwoordde Sergius. De onderzoekingen die ik
in het verre Westen van Amerika heb aangevangen, zijn nog niet ten
einde gebracht.

--En blijft Kayette dan bij u? vroeg de ander.

Dit zeide hij op zulk een treurigen toon dat Sergius er onwillekeurig
door getroffen werd.

--Nu ik eenmaal de zorg voor hare toekomst op mij genomen heb, zeide
hij, dient zij ook in mijne nabijheid te blijven.

--Als gij met ons medegingt, behoefde zij u niet te verlaten en
eenmaal in uw vaderland......

--Mijne plannen zijn nog niet voorgoed vastgesteld. Meer kan ik u
er op het oogenblik niet van zeggen. Te Port-Clarence zullen wij
nader overleggen. Het is niet onmogelijk dat ik dan uw vader iets
anders zal voorstellen en van zijn antwoord zal het afhangen wat er
verder gebeurt.

Opnieuw bespeurde Jan dezelfde aarzeling in de woorden van den
Rus. Hij wilde niet verder aandringen dewijl hij begreep dat hij dan
onbescheiden zou worden, maar na dit gesprek ontstond er tusschen
hen beiden eene nog vriendschappelijker verhouding. Sergius had het
oprechte, degelijke en in alle opzichten voortreffelijke karakter van
den flinken jongen op prijs leeren stellen. Hij spaarde dus geen moeite
om hem te helpen in zijne studiën en hem den weg te wijzen dien de
jonge man zoo gaarne op wilde. Wat vader en moeder Cascabel betreft,
zij zagen met groote voldoening dat een man als Sergius hunnen zoon
zooveel belangstelling waardig keurde.

Te midden van dit alles liet Jan het jagersbedrijf echter niet
rusten. Sergius was een hartstochtelijk liefhebber en vergezelde
hem gewoonlijk op zijne tochten. Dit gaf hun gelegenheid tot menig
ernstig en leerzaam gesprek. Aan wild was in deze streek geen gebrek
en er liepen hazen genoeg rond om tien karavanen als de hunne van
het noodige te voorzien. Bovendien was dit wild niet alleen nuttig
voor de keuken, maar ook in andere opzichten had het waarde.

--Kijk eens, zeide Cascabel, zulk een beest geeft ons een lekkeren
schotel, maar bovendien loopt het rond met een bonten mantel, een mof,
een boa of een deken aan zijn lijf.

--Daar hebt gij groot gelijk in, mijn vriend, antwoordde Sergius, want
nadat zij eenmaal hun dienst aan onze maag bewezen hebben, kunnen zij
met even veel voordeel in de kleerenkast gebruikt worden. Voor eene
koude zooals gij in Siberië zult ondervinden kunt gij geen voorzorgen
genoeg nemen.

De hazenvellen werden dus zorgvuldig bewaard en het vleesch, dat niet
dadelijk verbruikt kon worden, werd ingezouten om te dienen in den
winter, als het wild door de koude uit de poollanden wordt verjaagd.

Gebeurde het echter eene enkele maal dat de jagers geen haas of
patrijs thuis brachten, dan ontzag Cornelia zich niet, op de manier
der Indianen een kraai of een raaf in den ketel te doen. Zulk eene
soep smaakte niet minder goed.

Nu en dan kwam Jan of Sergius ook wel van de jacht terug met een
prachtig koppel korhoenders. Bij zulk eene gelegenheid maakten zij
goede sier en werd er een waar feestmaal aangericht.

Er bestond dus niet het minste gevaar dat onze karavaan van honger zou
omkomen, maar het was ook nog slechts het minst moeielijke gedeelte
van de gevaarvolle reis welke zij ondernomen hadden, waar zij op het
oogenblik aan bezig waren.

Een van de ongemakken die zij te verduren hadden, en dat wel een
van de ergste soort, waren de steken der muskieten. Nu hij zich niet
meer op engelschen grond bevond, verwenschte Cascabel dit hinderlijke
gedierte uit den grond van zijn hart. De plaag zou inderdaad niet te
verduren geweest zijn indien de zwaluwen niet zulk eene geweldige
hoeveelheid muskieten verslonden hadden. Maar de zwaluwen zouden
spoedig naar zuidelijker gelegen landen verhuizen, want in den omtrek
der poollanden vertoeven zij slechts korten tijd.

Den 9den Juli kwam de _Schoone Zwerfster_ aan de samenvloeiing van
twee rivieren, waarvan de eene zich in de andere stort. Dit is de
Lewis-rivier, wier linkeroever eerst eene wijde bocht beschrijft en
vervolgens geheel in de Youkon overgaat. Kayette maakte hen opmerkzaam
dat het bovengedeelte dezer rivier ook onder den naam van Pelly-rivier
bekend is. Voorbij de plek waar de Lewis zich met haar vereenigt,
keert de stroom zich recht naar het noordwesten. Een eind verder
wordt zijne richting westelijk, waarna hij spoedig zijne wateren in
een ruimen inham van de Behringzee uitstort.

Bij de samenvloeiing van de Lewis en de Youkon ligt weder eene factory,
het fort Selkirk, dat echter van minder beteekenis is dan het fort
Youkon. Dit laatste ligt ongeveer honderd mijlen verder naar beneden,
op den rechteroever der rivier.

De jonge Indiaansche had aan de karavaan na het vertrek van Sitka
goede diensten bewezen en zich bij menige gelegenheid een vertrouwbare
gids getoond. Vroeger met haren stam in deze streek rondtrekkende,
had zij aan de oevers van de grootste rivier in Alaska geruimen tijd
doorgebracht. Sergius verlangde in bijzonderheden alles te weten
wat op hare kindsheid betrekking had. Dit was grootendeels eene ware
lijdensgeschiedenis, een leven vol ontbering en gevaar, terwijl de
stam der Indgeletés eerst her en derwaarts trok, steeds kleiner werd
en eindelijk geheel wegsmolt, zoodat er van haar familie ten laatste
niemand meer overbleef. Het eenige wat zij toen nog kon beproeven,
was zich als dienstbode te gaan verhuren bij den een of anderen
ambtenaar of koopman te Sitka. Meer dan eens hoorde Jan haar dit
treurige verhaal doen en telkens voelde hij het diepste medelijden
met de arme verlatene.

In de nabijheid van het fort Selkirk, aan den oever van
de Youkon-rivier, ontmoetten zij eenige zwervende Indianen,
behoorende tot den stam der Birch-, of zooals Kayette het vertaalde,
der Berk-indianen. Behalve de pijnboomen, de Douglas-dennen en de
ahornboomen, worden er namelijk in het binnenland van Alaska ook vele
berkenboomen gevonden, naar welke deze inboorlingen hunnen naam dragen.

Het fort Selkirk wordt bewoond door eenige beambten van de
russisch-amerikaansche handelmaatschappij. Het is eigenlijk niets
dan eene stapelplaats van bont en pelterijen, waar de kooplieden der
kuststreek op vaste tijden hunne inkoopen komen doen.

Deze lieden waren blijde dat er eenige afwisseling in hun eentonig
bestaan kwam en haalden dus de _Schoone Zwerfster_ met groote
ingenomenheid in. Cascabel was daarom te eerder geneigd hier een
etmaal te vertoeven.

Zij besloten echter op dit punt den reiswagen naar de overzijde der
rivier te doen brengen, dewijl anders de overtocht misschien op eene
andere plek onder minder gunstige omstandigheden had moeten plaats
hebben. De stroom wordt namelijk breeder en sneller naarmate hij eene
meer westelijke richting neemt en dichter bij de monding komt.

Dit geschiedde op raad van Sergius, die den loop der Youkon op de
kaart nagegaan en bevonden had dat zij op dit punt van hunne reis
nog tweehonderd mijlen van Port Clarence verwijderd waren.

De _Schoone Zwerfster_ werd dus met eene pont naar den rechteroever
overgezet. Daarbij verleenden niet alleen de bewoners van het fort
hunne hulp, maar ook de in den omtrek gelegerde Indianen die zich
met de vischvangst op de rivier bezig houden.

De komst der karavaan was voor hen eene heugelijke gebeurtenis,
want in ruil voor hunne hulp bij het overvaren, waren de reizigers
in staat den Indiaanschen stam een gewichtigen dienst te bewijzen,
waar zij niet weinig dankbaar voor waren.

Hun opperhoofd lag op dat oogenblik gevaarlijk ziek, ten minste het
had er allen schijn van. Hij had echter geen andere geneeskundige
hulp en geen medicijnen onder zijn bereik dan de geestenbezweerder
van den stam en de middelen die bij deze soort van lieden sedert
onheugelijke tijden in gebruik zijn. Sedert eenige dagen hadden zij
het opperhoofd midden op het dorpsplein nedergelegd, waar dag en nacht
een groot vuur brandende gehouden werd. De Indianen zaten in eenen
kring rondom hem en zongen in koor een smeekgebed aan den grooten
Manitou, hun oppersten god, terwijl de geestenbezweerder al zijne
kunsten in het werk stelde om den boozen geest, die in het lichaam
van den lijder gevaren was, daaruit te verjagen. Teneinde zekerder
van zijne zaak te zijn, beproefde hij zelfs dien geest in zijn eigen
lichaam te doen overgaan, maar het bleek een koppige geest te zijn,
die zijne verblijfplaats niet verkoos te verlaten.

Gelukkig bezat Sergius eenige kennis van de geneeskunde. Door zijn
hulp kwamen zij in het bezit van doeltreffende middelen om den zieke
beter te maken.

Nadat Sergius den lijder onderzocht had, kwam hij er spoedig achter
wat hem schortte. Uit de reisapotheek der _Schoone Zwerfster_ haalde
hij een krachtig braakmiddel, dat beter werkte dan al de bezweringen
van een geestenbanner ooit hadden kunnen doen.

De waarheid was dat het Indiaansche opperhoofd zijne maag overladen
had. De thee, die hij sedert twee dagen bij kommen vol inzwolg,
was niet in staat geweest dit te verhelpen.

Tot groote voldoening van zijnen stam, schoot hij er dus het leven
niet bij in. Dit beroofde de familie Cascabel van het schouwspel
der plechtigheden, waarmede de begrafenis van een Indiaanschen
potentaat vergezeld gaat. Het woord begrafenis is hier echter niet
juist gekozen, want de Indianen zijn niet gewoon de lijken onder den
grond te verbergen; maar hangen ze eenige voeten boven de aarde in de
vrije lucht op. Teneinde hun hiernamaals van dienst te kunnen zijn,
leggen zij in de doodkist de pijp van den overledene, zijnen boog,
zijne pijlen, zijne sneeuwschoenen en de bonte kleedingstukken van
meer of minder waarde die hij des winters gewoon was te dragen. Aldus
toegerust wordt hij door den wind, gelijk een kind in zijne wieg,
in den eeuwigen slaap heen en weder geschommeld.

Na een verblijf van vier-en-twintig uren te Selkirk namen de Cascabels
weder afscheid van de bewoners en de Indianen. Hun eerste oponthoud
aan den oever der rivier had hun niet kwaad bevallen. Zij moesten nu
de Pelly-rivier langs trekken over eenen hobbeligen oever die het
de paarden soms lastig genoeg maakte. Eindelijk den 27sten Juli,
zeventien dagen na hun vertrek van fort Selkirk, kwam de _Schoone
Zwerfster_ in het fort Youkon aan.



XIII.

EEN INVAL VAN CORNELIA CASCABEL.


Dit gedeelte der reis tusschen de forten Selkirk en Youkon had de
_Schoone Zwerfster_ op den rechteroever der rivier afgelegd. Zij waren
echter op ongelijken afstand van den waterkant gebleven, teneinde
niet al de talrijke bochten, welke de rivier maakt en die soms door
onbegaanbare moerassen omgeven worden, te moeten omtrekken. Dit laatste
is alleen het geval aan deze zijde, want op den linkeroever verheffen
zich eenige heuvelrijen van matige hoogte, die naar het noordwesten
uitloopen. In een anderen tijd van het jaar hadden zij moeite kunnen
hebben om sommige zijtakken van de Youkon over te komen, zooals de
Stewart-rivier, waar geen overzetveer op onderhouden wordt. Maar in
den zomer staat er op de droogste plekken zoo weinig water dat deze
kleine stroomen doorwaad kunnen worden. Toch zouden zij nog dikwijls
in verlegenheid verkeerd hebben als zij Kayette niet bij zich gehad
hadden, die in de vallei goed thuis was en hun de doorwaadbare plaatsen
aan wist te wijzen.

Het was dus waarlijk gelukkig voor hen dat het Indiaansche meisje
als gids dienst kon doen. Zij was zelve blijde als zij hare vrienden
op de eene of andere wijze nuttig kon zijn; zij voelde zich tevreden
te midden dier lieden die als het ware hare bloedverwanten vervangen
hadden, en boven alles was de moederlijke zorg, die Cornelia haar
toonde en die het arme meisje zoo lang gemist had, haar onuitsprekelijk
veel waard.

Het land was hier en daar nog met bosschen bedekt en op verschillende
plaatsen heuvelachtig. Maar over het algemeen vertoonde het landschap
zich reeds anders dan in den omtrek van Sitka.

De weersgesteldheid, die gedurende acht maanden van het jaar met den
winter der poollanden gelijk staat, is oorzaak dat de plantengroei
hier niet tot groote ontwikkeling komen kan. Behalve hier en
daar eenige populieren, waarvan de toppen boogvormig gekromd zijn,
behooren er in deze landstreek geene andere soorten van boomen thuis
dan dennen en berken. Wat er voor het overige nog gevonden wordt,
zijn armoedige wilgeboomen, schraal van loof en fletsch van kleur,
die door de scherpe winden, welke over de IJszee komen aangieren,
vroegtijdig van hunne bladeren beroofd worden.

Op de reis van fort Selkirk naar fort Youkon had de jacht voortdurend
zooveel opgeleverd dat het niet noodig was geweest den voorraad
ingemaakte voedingsmiddelen aan te roeren om dagelijks de tafel van
het noodige te voorzien. Er werden zooveel hazen geschoten dat onze
reizigers er eindelijk bijna beu van werden, al werd de hazenpeper,
de hazensoep, de gebraden haas en de hazenpastei ook nu en dan
afgewisseld door eenden en ganzen, en door de eieren dier vogels,
welke Sander en Napoleona goed slag hadden om uit de holten, waarin ze
verstopt lagen, te voorschijn te halen. Cornelia was eene volleerde
keukenprinses in het op verschillende wijze klaarmaken van eieren en
andere dagelijks voorkomende spijzen, en liet zich daarop heel wat
voorstaan. Aan eetlust was bovendien nooit gebrek.

--Dit is nu toch eens een goed land om in te leven! riep Kruidnagel
bij zekere gelegenheid uit, toen hij aan het afkluiven van eene
overheerlijke ganzenbout was. Jammer dat het niet meer in het midden
van Europa of Amerika ligt.

--Lag het tusschen bewoonde landen, merkte Sergius op, dan zou er
vermoedelijk zooveel wild niet zijn.

--Ten minste.... wilde Kruidnagel antwoorden.

Een blik van Cesar legde hem het zwijgen op en deed hem begrijpen
dat hetgeen hij zeggen ging, onzin was.

Was het land wildrijk, in de beken en riviertjes die zich in de
Youkon uitstortten, wemelde het van visschen. Sander en Kruidnagel
hengelden ijverig en brachten menig heerlijk zoodje thuis, vooral
snoeken van de beste soort. Zij mochten vrij den hengel uitwerpen waar
zij goedvonden, want naar eene visch-akte kwam niemand hen vragen,
zoodat het hen niets kostte dan de moeite van het vangen.

Voor kosten maken was trouwens de kleine Sander minder bevreesd dan
iemand anders. Hij hield zich overtuigd dat, dank zij hem, de toekomst
der familie Cascabel voor altijd verzekerd was. Hij bezat immers
dien geweldigen klomp goud, dien hij in de Caribou-vallei opgeraapt
en zorgvuldig in eenen hoek van den wagen verstopt had, verzekerd
als hij was dat het een steen was van onschatbare waarde. Hij had
zijn geheim zorgvuldig bewaard en wachtte geduldig het oogenblik af
waarop hij zijnen schat in klinkende munt zou kunnen omwisselen. Wat
een vreugde zou dat geven als hij plotseling zóó rijk werd! Niet voor
zichzelf: de goedhartige knaap dacht er niet aan, het geld voor zich
te houden. Zijnen vader en zijne moeder wilde hij er gelukkig mede
maken en hen op die manier ruimschoots schadeloos stellen voor den
laaghartigen diefstal, waar zij de slachtoffers van waren.

Toen de _Schoone Zwerfster_ na ettelijke smoorheete dagen eindelijk te
Youkon aankwam, waren al de reizigers uitgeput van vermoeienis. Er werd
dus besloten dat zij hier niet minder dan eene week vertoeven zouden.

--Gij kunt dat te geruster doen, zeide Sergius, dewijl dit fort slechts
op een paar honderd mijlen afstands van Port-Clarence ligt. Het is
van daag eerst de 27ste Juli, en niet dan over twee of misschien
drie maanden kan het ijs in de Behringstraat sterk genoeg wezen om
den wagen te dragen.

--Dat is zoo klaar als de dag, stemde Cascabel toe. Wij hebben dus
den tijd om eene poos uit te blazen.

Dit was een welkom bericht, zoowel voor het tweehandige als voor het
viervoetige personeel der _Schoone Zwerfster_.

Het fort Youkon is in het jaar 1847 opgericht. Het is de meest
westelijke vestiging van de Hudsonsbaai-compagnie en ligt bijna op den
poolcirkel. Dewijl het fort tot het grondgebied van Alaska behoort, is
de Hudsonsbaai-compagnie verplicht jaarlijks eene schadeloosstelling te
betalen aan de concurreerende vennootschap, de Russisch-Amerikaansche
handelsvereeniging.

Niet vóór 1864 werden de gebouwen gezet waar de vestiging thans uit
bestaat. Zij werden met eene palissadeering omringd en waren juist
gereed gekomen toen de troep van Cascabel in het fort aankwam, met
het voornemen er eenige dagen te vertoeven.

De beambten boden hun gastvrij een verblijf binnen het fort aan, want
in de loodsen en pakhuizen was plaats genoeg om hen te herbergen;
maar Cascabel bedankte met eenige sierlijke en klinkende volzinnen
voor hunne uitnoodiging. Hij was aan de geriefelijkheden van de
_Schoone Zwerfster_ gewend en wilde die niet missen.

De bevolking van het fort bestond uit een twintigtal beambten der
compagnie, meerendeels amerikanen, met eenige indiaansche bedienden. In
de nabijheid van het fort waren echter ettelijke honderden inboorlingen
gelegerd.

De oorzaak daarvan was dat het fort Youkon de voornaamste
verzamelplaats in Alaska is voor den handel in bontwerk en
pelterijen. Daar komen al de inlandsche stammen van het gewest bijeen,
de Kotch-à-Koutchins, de An-Koutchins, de Tatantchoks, de Tananas
en voornamelijk de talrijkste aller stammen, de Co-Youkons, die het
meest in de nabijheid der groote rivier gevestigd zijn.

Het fort is bijzonder gunstig voor dezen ruilhandel gelegen, want het
is gebouwd in eenen hoek, dien de Youkon bij hare samenvloeiing met
de Porcupine maakt. De rivier splitst zich op deze hoogte in vijf
armen, langs welke de handelaars gemakkelijk tot in het binnenland
kunnen doordringen en zelfs over de Mackenzie-rivier met de Eskimo's
in aanraking kunnen komen om met deze handel te drijven.

Dit net van waterwegen is dan ook vol vaartuigen die zich voor den
stroom laten afdrijven of er tegen oproeien. Dit zijn vooral de
zoogenaamde _baïdarres_, lichte sloepjes van geöliede beestenvellen
gemaakt, die op de naden met vet worden bestreken om ze beter
waterdicht te maken. Met deze broze vaartuigen zien de Indianen niet
tegen groote watertochten op, terwijl zij hunne schuitjes uit het
water nemen en op hunnen rug verder dragen zoodra het varen door
stroomversnellingen of watervallen onmogelijk wordt gemaakt.

Intusschen is het vervoer te water slechts gedurende drie maanden van
het jaar open, want al de overige maanden liggen de wateren met eene
dikke ijskorst bedekt. De _baïdarre_ verandert dan van bestemming en
wordt eene slede. Het voertuig, van voren uitloopend in eene omgebogen
punt als de voorsteven eener schuit, wordt met riemen van elandenvel
bijeengehouden; een span honden of rendieren trekt het en het vliegt
met groote snelheid voort. Voetgangers met hunne lange sneeuwschoenen
aan de voeten, komen echter nog vlugger vooruit.

Cesar Cascabel mocht weder van geluk spreken! Hij kwam juist op het
geschikte tijdstip te fort Youkon, terwijl de pelterijenhandel het
levendigst was. De Indianen hadden bij honderden in den omtrek der
factory hun kamp opgeslagen.

--De drommel moge mij halen, riep Cesar uit, als wij daar niet een
voordeeltje van hebben. Het is hier eene echte kermis; wij zijn
kermiskunstenaars; wat is dus natuurlijker dan dat wij onze kunsten
eens vertoonen? Wat zegt gij er van, mijnheer Sergius?

--Ik heb er niets tegen mijn vriend, maar ik twijfel of de opbrengst
veel te beteekenen zal nebben.

--In elk geval maken wij toch onze kosten goed, want die bedragen
niemendal.

--Dat moge waar zijn, antwoordde Sergius, maar ik zou toch wel eens
van u willen hooren hoe die eenvoudige inlanders hunne plaats moeten
betalen, want zij hebben evenmin Amerikaansch als Russisch geld.

--Welnu dan betalen zij met muskusrattenvellen, met beverhuiden,
weet ik het, met alles wat zij hebben! In het ergste geval zullen
deze vertooningen het goede gevolg hebben dat wij er onze spieren
weder eens mede uitrekken, want ik ben altijd maar bang dat onze
ledematen door gebrek aan oefening zullen achteruitgaan. Wij moeten
nog voorstellingen geven, te Perm, te Nisjni en op andere plaatsen en
ik verkies geen dwaas figuur met mijnen troep te maken als wij op uw
geboortegrond komen werken. Zoo iets zou ik niet overleven mijnheer
Sergius, ik verzeker u dat ik er dood van zou gaan!

Het fort Youkon is de voornaamste nederzetting in deze streek en op
een ruim terrein aan den rechteroever der rivier gelegen. Het heeft de
gedaante van een langwerpigen vierhoek, op de hoeken versterkt door
vierkante torens, die vrij veel overeenkomst hebben met de molens op
een bewegelijk bovenstuk, zooals die in het Noorden van Europa worden
aangetroffen. Binnen het fort staan verscheidene gebouwen, dienende
tot woonplaatsen voor de beambten der compagnie en hunne gezinnen;
verder twee groote afgesloten loodsen, die als bergplaatsen dienen
voor pelterijen en waar altijd een voorraad huiden van marters,
bevers en zwarte of zilvergrijze vossen gevonden wordt, benevens
verschillende vellen van minder waarde.

Het is niet alleen een eentonig, maar ook een treurig leven dat door
de bewoners van het fort geleid wordt. Hun voornaamste voedsel is
elandenvleesch, gebraden, geroosterd, gekookt of gestoofd, eene enkele
maal afgewisseld door rendierenvleesch. Alle andere benoodigdheden
moeten zij doen komen uit de factorij York, aan de Hudsonsbaai,
op zes of zevenhonderd mijlen afstands gelegen. Het spreekt dus van
zelf dat de gemeenschap met die afgelegen plaats niet druk is.

In den namiddag nadat zij de _Schoone Zwerfster_ onder dak gebracht
hadden, ging Cascabel met zijn gezin een bezoek brengen aan de tusschen
de Youkon en de Porcupine gelegerde Indianen.

De tijdelijke woningen waarin deze inboorlingen verblijf hielden,
verschilden naarmate van den stam waartoe zij behoorden. Het waren
hutten van boomschors of van dierenvellen, steunende op palen en
met bladeren overdekt; of tenten van eene katoenen stof die door de
Indianen geweven wordt; of ook planken loodsen die in en uit elkaar
genomen kunnen worden naarmate het noodig is.

Wat eene vermakelijke verscheidenheid ook in de kleederen! Sommigen
droegen ze van dierenvellen, anderen van lijnwaad; als hoofddeksel
gebruikten zij allen eenen krans van bladeren, tevens een
voorbehoedmiddel tegen de muggenbeten. De vrouwen droegen eene wijde
jurk en sieraden van schelpen aan neus, lippen en ooren. De mannen
pronkten met eene soort van nestels, waarvan de naalden dienden om des
winters hun lange overjas van elandenvel, met het bont binnenwaarts
gekeerd, vast te maken. Mannen en vrouwen waren bovendien niet weinig
trotsch op hunne snoeren valsche paarlen, die meer op prijs gesteld
worden naarmate ze grooter zijn. Onder de verschillende stammen
waren de Tananas gemakkelijk te onderscheiden aan hunne met allerlei
kleuren beschilderde gezichten, en aan de vederen die zij op hun hoofd
droegen en die met stukken roode klei overeind gehouden werden. Zij
hadden een lederen vest en een broek van rendierenvel aan, waren met
vuursteengeweren gewapend en voorzien van kruithoorns, die zij met
veel smaak weten uit te snijden en te versieren.

Bij wijze van geld gebruiken deze Indianen schelpen van eene soort,
_dentalium_ geheeten, die ook bij de stammen op Vancouver-eiland in
gebruik zijn. Zij dragen die bevestigd aan het kraakbeen van hun neus
en nemen er zooveel af als noodig is als zij iets te betalen hebben.

--Dat is een goedkoope portemonnaie, merkte Cornelia op, en zij loopen
geen gevaar die te verliezen.

--Ten minste als hun neus niet afvalt, meende de snuggere Kruidnagel.

--Als het 's winters erg koud is, kon dat wel eens gebeuren,
antwoordde Cascabel.

De legerplaats der Indianen gaf een zonderling en woelig tafereel
te zien.

Onnoodig te zeggen dat Cascabel spoedig een gesprek met eenige
inboorlingen had aangeknoopt. Hunne taal, die veel overeenkomst met
het chinouk heeft, verstond hij ten naastenbij en Sergius die russisch
met hen sprak, diende voor zooveel noodig als tolk.

De eerste dagen werd er tusschen de inlandsche kooplieden en de
beambten der russische compagnie druk handel gedreven, en de troep
van Cascabel vond toen geene gelegenheid om eene voorstelling voor
het publiek te geven.

De Indianen waren intusschen te weten gekomen dat zij eenen troep
fransche kunstenmakers in hun midden hadden, die een grooten naam
hadden wegens hunne vlugheid en hunne behendigheid in het koorddansen
en duikelen. Iederen avond kwamen zij in grooten getale de _Schoone
Zwerfster_ aangapen. Nog nooit hadden zij zulk een prachtig beschilderd
rijtuig onder de oogen gehad. Wat zij er vooral aardig aan vonden,
was dat het zulk eene gemakkelijk verplaatsbare verblijfplaats was,
want bij het nomadenleven dat zij leidden, moest hun dit bijzonder
geriefelijk voorkomen. Wie weet of ook de Indianen nog niet eens op
de gedachte zullen komen om hunne hutten op wielen te zetten. Dat
zullen dan geen rollende woningen, maar rijdende dorpen wezen!

Onder deze omstandigheden voelde Cascabel zich hoe langer hoe meer
geprikkeld om eene buitengewone voorstelling te geven. Er werd dus
afgesproken dat de vertooning zou plaats hebben »op algemeen en
vereerend verlangen der Indianen van het fort Youkon"!

Een van de inboorlingen waarmede Cascabel terstond na zijne aankomst
kennis gemaakt had, was een _tyhi_, dat wil zeggen het opperhoofd van
eenen stam. Dit was een man met een knap uiterlijk, een jaar of vijftig
oud, snugger en zelfs met iets geslepens in zijne trekken. Meermalen
was hij in de _Schoone Zwerfster_ te gast geweest en telkens had
hij te kennen gegeven dat de lieden van zijnen stam uiterst benieuwd
waren om den franschen troep aan het werk te zien.

Gewoonlijk had de _tyhi_ een Indiaan van een dertig jaren bij zich,
Fir-Fu genaamd, met een fijn en innemend gelaat. Dit was de toovenaar
van den stam, een behendig goochelaar, die overal in den omtrek van
de Youkon wegens deze eigenschappen bekend was.

--Dat is dus een broeder in de kunst, zeide Cascabel toen de _tyhi_
hem zijnen vriend voorstelde.

Zij bezegelden hunne kennismaking met een hartelijken dronk en rookten
toen met hun drieën de vriendschapspijp.

Na verschillende gesprekken waarin de _tyhi_ telkens er op aangedrongen
had dat de Cascabels eene voorstelling zouden geven, werd die bepaald
op den 3den Augustus. Zij spraken ook af dat de Indianen daarbij zouden
medewerken, want deze waren er op gesteld te doen zien dat zij voor
geen europeanen in sterkte, behendigheid en vlugheid onderdeden.

Dit is licht te begrijpen wanneer men weet dat de Indianen in
Alaska en overal in het verre Westen groote liefhebbers zijn van
lichaamsoefeningen en van kunstenmaken, waarbij zij allerlei grappen
en potsen verkoopen.

Op den bepaalden dag en uur was er een talrijk publiek saamgestroomd
en kwamen er ook een half dozijn Indianen voor den dag, die groote
houten maskers met afschuwelijke monstergezichten voor hadden. Mond
en oogen dier maskers konden door middel van draden bewogen worden,
zoodat het was alsof de leelijke tronies leefden. De meeste gezichten
liepen uit in eene punt als de snavel van eenen vogel en men kan
zich nauwelijks voorstellen hoe ontzettend zij grijnsden. John Bull,
de aap, had bij hen in de leer kunnen gaan.

Het spreekt van zelf dat vader en moeder Cascabel, Jan, Sander,
Napoleona en Kruidnagel voor deze plechtige gelegenheid zich in hunne
kermispakken gestoken hadden.

De plaats der voorstelling was een groot weiland, met boomen
omringd en de _Schoone Zwerfster_ op den achtergrond, alsof er eene
tooneelvertooning gegeven moest worden. Op de voorste plaatsen zaten de
europeesche beambten van het fort met hunne vrouwen en kinderen. Aan
weerszijden waren eenige honderden Indiaansche mannen en vrouwen in
een halven kring geschaard. Er werd menige pijp gerookt in afwachting
dat de voorstelling beginnen zou.

De gemaskerde inboorlingen, die ook hunne kunst zouden vertoonen,
stonden op eenigen afstand.

Toen het oogenblik daar was, vertoonde Kruidnagel zich op het plat
van den reiswagen en hield zijne gebruikelijke aanspraak tot het
»geëerd publiek".

--Mijneheeren Indianen en Indiaansche dames, nu zult gij komen te
zien wat er te kijken is....

Maar Kruidnagel sprak de taal der Indianen niet, zoodat er alle
waarschijnlijkheid bestond dat zijne welsprekendheid te eenenmale
hare werking miste.

Wat echter ieder begreep, dat waren de muilperen die hij als naar
gewoonte van zijnen patroon opliep en de schoppen tegen zijn achterste
welke hij, mede als naar gewoonte, in ontvangst nam met de gelatenheid
van een hansworst, wiens bestemming het is zich daarvoor te laten
gebruiken.

Toen Kruidnagel uitgesproken had, nam Cesar het woord.

Hij maakte eene buiging voor het publiek en gaf het kommando: De
beesten op het appèl!

De twee honden, Wagram en Marengo, werden op de opene plaats vóór
den wagen gebracht en vertoonden hunne kunsten, tot groot vermaak der
Indianen die nog nooit zulke proeven van dressuur gezien hadden. Daarna
kwam John Bull, de aap, over den rug van den windhond en den poedel
buitelen, wat hij zoo vlug en met zulke malle bewegingen deed, dat
het ernstige Indiaansche publiek schudde van lachen.

Al dien tijd blies Sander met de volle kracht zijner longen in de
klephoorn, roffelde Cornelia op de kleine en Kruidnagel op de groote
trom. Als de inboorlingen door deze muziek geen juist denkbeeld
gekregen hebben van een europeesch orkest, heeft het alleen aan hun
muzikaal gehoor gelegen.

De gemaskerde Indianen zagen dit alles aan zonder een vin te
verroeren. Klaarblijkelijk achtten zij het oogenblik nog niet gekomen
om handelend op te treden en bewaarden zij hunne krachten.

--De jongejuffrouw Napoleona op de gespannen koord! riep Kruidnagel
door eenen roeper.

Door haren vader begeleid, maakte de kleine meid een sierlijk
compliment voor de menigte.

Eerst danste zij op den grond, bevallig en vlug, tot groote
tevredenheid der toeschouwers, die echter hunnen bijval niet toonden
door in de handen te klappen maar door telkens goedkeurend met hunne
hoofden te knikken. Dit verminderde niet toen zij op het koord sprong
dat tusschen de twee bokken gespannen was en zij daarover huppelde,
sprong en danste met eene lichtheid, die voornamelijk de bewondering
der Indiaansche vrouwen opwekte.

--Nu is het mijne beurt! riep Sander toen zijn zusje gedaan had. Daar
kwam hij aan, maakte eene buiging, buitelde over zijn hoofd, liep
op zijne handen, duikelde weder, wrong zijne ledematen in allerlei
bochten, zoodat nu eens zijne armen als beenen en dan weder zijne
voeten als handen dienst deden, of zijn hoofd onder zijn bovenlijf
door kwam kijken. Met een vervaarlijken luchtsprong bekroonde hij
zijne vertooning.

Ook Sander vond bijval, zooals trouwens altijd het geval was. Maar
hij had tenauwernood tijd gehad om het publiek te bedanken door
zijn voorhoofd tot op den grond te doen nederbuigen, of daar kwam
een Indiaansche knaap, van Sander's leeftijd, uit het zestal te
voorschijn. Zijn masker had hij afgezet.

Al de kunsten die de jonge Cascabel verricht had, deed de wilde hem
na en dat met zulk eene vlugheid en zoo gemakkelijk dat de beste
acrobaat het niet had kunnen verbeteren. Misschien deed hij het niet
zoo bevallig als Sander, maar in geoefendheid stond hij zeker niet
bij dezen achter. De toekijkende Indianen knikten dan ook met nog
grooter ingenomenheid hunnen landsman toe.

Natuurlijk waren alle leden van den troep van Cascabel beleefd genoeg
om hunne toejuichingen aan die van het publiek te paren. Maar hun
aanvoerder wilde niet dat zij het onderspit zouden delven. Daarom gaf
hij Jan een teeken om zijne kunsten te vertoonen waarin hij meende
dat niemand hem kon overtreffen.

Jan begreep dat hij de eer der familie op te houden had. Aangemoedigd
door een goedkeurend gebaar van Sergius en een vriendelijk knikje van
Kayette, bracht hij achtereenvolgens zijne flesschen, borden, ballen,
messen, schijven en stokjes op het tapijt. Door eerzucht geprikkeld,
overtrof hij bij deze gelegenheid zichzelf.

Vader Cascabel kon niet nalaten de gemaskerde Indianen een uitdagenden
en zelfvoldanen blik toe te werpen, als wilde hij hun toeroepen:

--Welnu, wat zegt ge daarvan? Doet dat eens na als ge kunt!"

Blijkbaar namen de gemaskerden het ook zoo op, want nadat de _tyhi_ een
teeken gegeven had, trad een hunner naar voren en wierp zijn masker af.

Dit was Fir-Fu, de toovenaar van den stam. Ook hij had zijnen naam
op te houden en tevens de eer van het Indiaansche ras te handhaven.

Al de voorwerpen waarmede Jan gewerkt had, nam de Indiaan
achtereenvolgens ter hand. De een na de ander deed hij al de kunsten
van den jongen Cascabel na. Messen en flesschen, schijven en ringen,
ballen en stokken, hij liet ze allen over en door elkaar buitelen dat
het een lust was en het moest erkend worden dat hij het niet minder
sierlijk, vlug en onberispelijk deed als Jan.

Kruidnagel, die niet gewoon was iemand anders te zien werken dan de
leden der familie Cascabel, stond beteuterd. Wijd spalkte hij zijne
oogen open en zijn mond bleef eindelijk geopend staan van verbazing.

Ditmaal was het alleen uit beleefdheid en om zich goed te houden,
dat Cascabel hielp toejuichen.

--'t Is wat moois, mompelde hij, met die Roodhuiden. Wie had dat ooit
kunnen denken! Waar hebben de kerels het geleerd? Maar wij mogen ons
niet laten overbluffen!

In den grond van zijn hart zat hij deerlijk in de klem. Hier waar hij
als een wonder dacht aangegaapt te zullen worden, vond hij mededingers
die tegen hem opgewassen waren. En wat voor mededingers? Inboorlingen
van Alaska, niet veel beter dan wilden! Wat eene vernedering voor
zijne kunstenaars-ijdelheid! Men is kunstenmaker met hart en ziel,
of men is het in het geheel niet!

--Komaan kinderen, riep hij met eene stentorstem, vooruit met de
menschen-pyramide.

In een oogwenk stormden zij allen naar hem toe en klommen tegen
hem op. Hij had zijne voeten stevig op den grond gezet, wijdbeens,
de lendenen strak, de borstkas zoo wijd mogelijk uitgezet. Vlug
als een eekhoorn was Jan op zijnen rechterschouder gesprongen. Daar
gaf hij de hand aan Kruidnagel, die op den linkerschouder post had
gevat. Sander stond op het hoofd van zijnen vader en boven op Sander
was Napoleona geklommen, die van deze verhevene standplaats kushanden
aan de menigte toewierp.

Maar de fransche pyramide stond te nauwernood, of tegenover haar
verrees de Indiaansche. Zonder hunne maskers af te leggen hadden de
inboorlingen eenen toren van menschen gevormd, niet van vijf maar
van zeven geledingen, zoodat zij met eene verdieping boven die der
Cascabels uitstak. De eene pyramide tegenover de andere!

Ditmaal konden de toeschouwers zich niet inhouden, maar barstten zij
in daverende toejuichingen ter eere hunner landslieden los. Het oude
Europa was overwonnen door het jonge Amerika! En nog wel een jong
Amerika van Co-Youkons, van Tananas en van Tatanchoks!

Cesar Cascabel zonk bijna door den grond van ergernis. Het scheelde
weinig of eene onhandige beweging, die hij niet inhouden kon, had
zijn geheelen menschenlast tegen den grond doen tuimelen.

--Die beroerde kerels! mompelde hij, nadat zijne pyramide weder
afgetuigd was.

Tevergeefs poogde Sergius hem te troosten, door op te merken dat het
de moeite niet waard was om het zich aan te trekken.

--De moeite niet waard? Ik kan wel merken dat gij geen kunstenaar zijt.

Toen wendde hij zich tot zijne vrouw.

--Komaan Cornelia, riep hij, laat hun eens zien wat voor klappen met
de vlakke hand gij geven kunt! Het zal mij toch benieuwen of er onder
die wilden een is die de »overwinnares van Chicago" aandurft.

Maar moeder Cascabel kwam niet van hare plaats.

--Welnu Cornelia?

--Neen Cesar!

--Wat, wilt gij die apen geen lesje geven en meteen de eer van onze
familie weder herstellen?

--Die zal ik herstellen, antwoordde Cornelia bedaard. Laat mij maar
begaan. Ik heb mijn plan in mijn hoofd.

Nu was het zoo gesteld, dat als deze buitengewone vrouw een plan had,
men het best deed met zich daarmede in het geheel niet te bemoeien en
alles stil aan haar over te laten. Het ergerde haar niet minder dan
haar man dat de Indianen hen de baas waren, en als zij er kans toe
zag zou zij zeker niet nalaten hen op hare manier dat in te peperen.

Zonder iets meer te zeggen was Cornelia in den reiswagen
verdwenen. Ongerust en niet wetende wat hij er van denken moest,
hoeveel vertrouwen hij ook in zijne vrouw stelde, oogde Cascabel
haar na.

Na een oogenblik oponthoud kwam moeder Cascabel weer voor den dag. Zij
plaatste zich tegenover de Indiaansche kunstenmakers, die zich in
eene groep om haar heen schaarden.

Toen verzocht zij den voornaamsten beambte van het fort, hetgeen zij
te zeggen had aan de inboorlingen te vertolken.

Ziehier hetgeen zij woord voor woord liet overbrengen in onberispelijke
Alaska'sche taal:

--Indiaansche mannen en vrouwen, in de lichaamsoefeningen die kracht
en vlugheid vereischen, hebt gij talenten aan den dag gelegd die niet
onbeloond mogen blijven. Ik kom u uwe belooning aanbieden....

Het publiek luisterde met onverdeelde aandacht.

--Ziet hier mijne handen, vervolgde Cornelia. De hoogstgeplaatste
personen in Europa hebben die meermalen gedrukt! Ziet hier mijne
wangen. De machtigste souvereinen van de oude wereld hebben het zich
eene eer gerekend die te mogen kussen! Welnu, deze handen, deze wangen,
ik bied ze u aan! Indianen van Amerika, drukt en kust ze!

De inlanders lieten zich niet lang bidden. Eene gelegenheid als deze,
om eene hand en eenen zoen te krijgen van zulk eene kranige vrouw,
werd hun niet iederen dag geboden.

Een hunner, een knappe kerel van den Tanana-stam, wilde de hand,
die Cornelia hem toestak, grijpen. Maar op dat oogenblik ontving
hij eenen schok, die hem deed opspringen als eene veer. Hij gaf een
schreeuw van ontzetting en deinsde terug.

--O Cornelia! riep Cascabel uit. Nu begrijp ik alles. Hoe kan ik u
genoeg bewonderen!

Sergius, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel hielden zich den buik
vast van het lachen over het koopje dat de slimme vrouw de wilden
leverde.

--Komaan, hernam zij, terwijl zij hare armen weder uitgestrekt
hield. Wie heeft er lust?

Maar de Indianen waren bang geworden. Zij geloofden dat er eene
bovennatuurlijke macht in het spel was.

Na eene poos vatte echter de _tyhi_ moed. Langzaam stapte hij op
Cornelia toe, bleef op twee passen van haar af staan en nam hare
indrukwekkende persoonlijkheid op met oogen, die van niets minder
dan gerustheid getuigenis gaven.

--Komaan oude! riep Cesar Cascabel. Wees niet bang! Geef mijne vrouw
een zoen! Ik verzeker u dat het niet moeilijk, maar heel pleizierig is!

De _tyhi_ stak schuchter de hand uit en raakte even eenen vinger van
de schoone Europeesche aan.

Ook hij kreeg een schok en viel bijna onderste boven. Hij brulde van
schrik en het geheele publiek stond verbaasd. Indien het zoo gevaarlijk
was de hand van Cornelia te beroeren, wat zou er dan niet gebeuren
als iemand probeerde hare wangen aan te raken, »die de machtigste
potentaten van Europa gekust hadden!"

Het duurde eene poos, maar eindelijk kwam er toch een die het
wilde wagen. Dat was de toovenaar Fir-Fu. Als er iemand was die
zich boven duivelskunstenarijen verheven mocht achten, dan was
hij het. Onbeschroomd ging hij vlak tegenover Cornelia staan. Hij
beschreef eenen kring om haar heen, liet zich door het geschreeuw der
inboorlingen moed inspreken, vatte haar toen met zijne armen aan en
gaf haar tegelijk midden op haar gelaat een zoen die klapte.

Maar ditmaal was het niet een, maar eene reeks buitelingen die de
waaghals maakte. De toovenaar veranderde opeens in een acrobaat! Zonder
er iets tegen te kunnen doen maakte hij een paar luchtsprongen en
kwam te midden zijner ontzette landslieden terecht.

Dien raadselachtigen invloed oefende Cornelia op den toovenaar en
op degenen, die hem voorgegaan waren, eenvoudig uit door op het
knopje te drukken van eene kleine draagbare electrische batterij,
die zij in hare zak verborgen had, en met behulp waarvan zij anders
de »electrische vrouw" vertoonde.

--Vrouw, vrouw! riep haar man uit, terwijl hij voor de oogen der
verbaasde Indianen haar in zijne armen sloot zonder dat het hem iets
deerde. Hoe slim bedacht! Hoe....

--Even slim als electrisch! zeide Sergius.

De inboorlingen konden niet anders denken dan dat dit wonderdadige
vrouwspersoon de macht had om den donder te doen gehoorzamen aan
haren wil. Wie haar maar even aanraakte, werd immers tegen den grond
geslagen! Blijkbaar kon zij niemand minder wezen dan de gemalin van
den Grooten Geest, die zich verwaardigd had op de aarde af te dalen
en mijnheer Cascabel voor tweeden man te nemen.



XIV.

VAN FORT YOUKON NAAR PORT-CLARENCE.


Dien avond, terwijl het geheele gezin bijeen was, werd er na
eenige beraadslaging besloten dat de karavaan twee dagen na deze
gedenkwaardige voorstelling, van fort Youkon zou opbreken.

Het was duidelijk--dit was de slotsom van eenige zeer verstandige
opmerkingen van mijnheer Cascabel--dat indien het hem te doen ware
geweest om nieuwe leden voor zijnen troep aan te werven, hij die
onder de inboorlingen van Alaska voor het kiezen zou gehad hebben. Al
kostte het hem eenige moeite het te erkennen, hij moest toegeven dat
deze Indianen een buitengewonen aanleg voor het vak van kunstenmaker
aan den dag legden. In het turnen, in de oefeningen op het koord,
als goochelaars of als equilibristen, onverschillig op welk deel
der kunst zij zich toe wilden leggen, zij zouden het er altijd ver
in kunnen brengen. Men mocht veronderstellen dat hunne verkregene
behendigheid voor een goed deel de vrucht van oefening was; maar de
natuur had toch nog meer voor hen gedaan, want zij waren van hunne
geboorte af gespierd, lenig en vlug. Hij kon zonder onbillijk te zijn
niet ontkennen dat zij zich op gelijken voet met de familie Cascabel
hadden gemeten. Het was een geluk dat de laatstgenoemde het veld had
kunnen behouden, dank zij de vindingrijkheid van »de koningin aller
electrische vrouwen."

Wij mogen niet verzwijgen dat de beambten van het fort, voor het
meerendeel weinig ontwikkelde lieden die nooit iets van de wereld
gezien hadden, even verbaasd als de inboorlingen hadden gestaan
over hetgeen er onder hunne oogen was voorgevallen. Maar er werd na
overleg besloten dat ook hun het geheim niet geopenbaard zou worden,
teneinde den geheimzinnigen stralenkrans van Cornelia's verborgen
talenten niet te doen verflauwen. Het gevolg daarvan was dat de
bewoners van het fort den volgenden dag, toen zij als naar gewoonte
een praatje kwamen maken in de _Schoone Zwerfster_, zich niet al te
dicht dorsten te wagen in de nabijheid der vrouw, die iemand aan zulke
schokken bloot kon stellen, niettegenstaande zij hen thans met haar
innemendsten glimlach ontving. Niet zonder eenige aarzeling staken
zij haar de hand toe. Ook de _tyhi_ en de toovenaar kwamen weder
schuchter te voorschijn. Dolgraag hadden zij willen weten wat er
eigenlijk achter stak, want met dit geheim hadden zij hun voordeel
kunnen doen en hun aanzien onder de lieden van hunnen stam zou er
niet weinig door verhoogd zijn. Maar het werd hun niet geopenbaard.

Alle toebereidselen voor de afreis waren nu afgeloopen. Des ochtends
van den 6den Augustus namen de Cascabels van hunne gastheeren afscheid
en de karavaan, terdege van de vermoeienissen der reis uitgerust,
hervatte haren tocht langs den rechteroever der rivier in de richting
van het Westen.

De kaart van het terrein was door Sergius en Jan zorgvuldig
geraadpleegd, waarbij Kayette hun weder eenige nuttige inlichtingen
gaf. De meeste dorpen, waar zij door moesten, had zij vroeger bezocht
en zij verzekerde hun dat er niet eene rivier van eenige beteekenis
op hunnen weg lag.

In den eersten tijd behoefden zij er nog niet aan te denken om de
Youkon-vallei te verlaten. Den rechteroever der rivier volgende
tot aan den post Nelu, zouden zij eerst aan het dorp Nuclakayette
komen. Van daar tot het fort Noulato hadden zij nog ongeveer tachtig
mijlen af te leggen. Daar zouden zij de Youkon-rivier verlaten en in
recht Westelijke richting verder gaan.

De tijd van het jaar was nog altijd gunstig, de warmte over dag
dragelijk, maar des nachts werd het merkbaar koeler. Kwam er niets in
den weg, dan mocht Cascabel er zeker van zijn dat hij te Port-Clarence
kon wezen vóór dat de winter hem het voorttrekken onmogelijk maakte.

Het zal misschien iemand verwonderen dat de geheele reis tot dusver
zoo zonder onoverkomelijke moeielijkheden werd afgelegd. Maar men
dient in aanmerking te nemen dat de tocht ging door een tamelijk
vlak land, in het goede seizoen, terwijl de dagen op hun langst
waren en het weer niets te wenschen overliet. Naderhand, aan gene
zijde van de Behringstraat, als de onafzienbare vlakten van Siberië,
door stormen geteisterd en diep met sneeuw bedekt, vóór hen zouden
liggen, stond hun heel wat anders te wachten. Over al deze gevaren,
die zij te gemoet gingen, liep op zekeren avond hun gesprek.

--Ik ben er niet bang voor, zeide Cascabel, die nooit den moed
verloor. Wij zullen er ons wel doorheen slaan.

--Ik help het u wenschen, antwoordde Sergius. Maar ik raad u,
zoodra gij den voet op den Siberischen grond gezet hebt, terstond in
zuid-westelijke richting verder te trekken, zóó dat gij spoedig op
zuidelijker breedte komt waar gij met de _Schoone Zwerfster_ minder
van de koude te lijden zult hebben.

--Dat was ook ons voornemen, mijnheer Sergius, stemde Jan toe.

--Gij kunt dat te veiliger doen, dewijl gij van de Siberische bevolking
niets te duchten hebt, ten minste--zou Kruidnagel zeggen--indien
gij niet te midden der meer noordelijk rondzwervende stammen terecht
komt. Uw ergste vijand zal de koude zijn.

--Wij zullen op onze hoede wezen, zeide Cascabel en ik twijfel niet
of wij zullen het er goed afbrengen. Alleen spijt het ons, mijnheer
Sergius, dat gij de verdere reis niet met ons medemaakt.

--Ja, zeker spijt ons dat! voegde Jan er met eenen zucht bij.

Sergius merkte niet zonder ontroering op hoe zij allen aan hem gehecht
waren en omgekeerd was dit met hem niet minder het geval. Naarmate
zij langer in elkanders gezelschap verkeerden, werd de vriendschap
tusschen hen inniger. Voor allen zou de scheiding smartelijk wezen,
en wie weet of het hun gegeven zou zijn, bij eene zoo uiteenloopende
bestemming als de hunne, elkander ooit terug te zien? Daar kwam nog
bij dat Sergius Kayette zou medenemen en het was hem niet ontgaan
dat Jan's broederlijke genegenheid voor het jonge meisje eigenlijk
een anderen naam verdiende. Of Cascabel reeds iets gemerkt had van
hetgeen er in het gemoed van zijnen zoon omging, wist Sergius niet,
maar wat Cornelia betreft, aangezien deze verstandige vrouw het niet
dienstig oordeelde er iets van te zeggen, wilde ook hij er niet over
beginnen. Eene verklaring zou trouwens tot niets hebben kunnen leiden,
want als de aangenomen dochter van Sergius ging het meisje eene andere
toekomst tegemoet en Jan gaf zich dus over aan verwachtingen die toch
niet verwezenlijkt schenen te kunnen worden.

Zonder ernstige hinderpalen en zonder overgroote vermoeienis, werd de
reis voortgezet. Vóór dat het ijs in de Behringstraat zich vastgezet
had zou de _Schoone Zwerfster_ te Port Clarence zijn. Daar zou zij
stellig nog verscheidene weken hebben te wachten en er was dus niet
de minste reden om van menschen of paarden buitengewone inspanning
te vorderen.

Intusschen kon alles van eene onvoorziene kleinigheid afhangen. Werd
een van de paarden ziek of gewond, of brak er een wiel, dan zouden
zij zich in groote moeielijkheid bevinden. De grootste voorzichtigheid
bleef dus wenschelijk.

De eerste drie dagen volgden zij eenvoudig den loop der rivier,
recht westelijk; maar toen de Youkon eene richting naar het Zuiden
begon te nemen, vonden zij het geraden niet van den vijfenzestigsten
breedtegraad af te wijken [1].

De rivier maakt hier vele bochten door eene steeds nauwer wordende
vallei, tusschen eenige rijen heuvelen van matige hoogte, welke
op de kaart »wallen" genoemd worden dewijl ze in hunnen vorm veel
overeenkomst met borstweringen hebben.

Het ging niet heel gemakkelijk om door dit heuvelachtige terrein heen
te komen, te meer dewijl zij alle voorzorgen moesten gebruiken om
geen ongeluk aan hun voertuig te krijgen. Waar de weg te steil was,
werd de wagen voor een gedeelte afgeladen en hielpen zij allen de
wielen voortduwen, hetgeen te meer raadzaam was, merkte Cascabel op,
»dewijl waarschijnlijk niemand in dit land iets van een wagenmaker
vernomen had."

Zij hadden ook enkele riviertjes door te trekken, zooals de
Nocolocargout, de Shetehaut en de Klakencot. Gelukkig stond er in
dezen tijd van het jaar niet veel water en het viel hun nergens
moeilijk eene doorwaadbare plek te vinden.

Indianen worden er tegenwoordig weinig meer aangetroffen in dit
gedeelte van het land, dat vroeger nog doorkruist werd door eenige
stammen, die thans bijna geheel uitgestorven zijn. Nu en dan kwamen
zij een enkel troepje tegen dat op weg was naar de kuststreek in het
zuidwesten, om daar in het najaar op de visscherij uit te gaan.

Ook ontmoetten zij eenige handelaars die van de monding der
Youkon-rivier kwamen en naar de verschillende nederzettingen der
russisch-amerikaansche handelsvereeniging bestemd waren. Niet zonder
verwondering staarden deze reizigers het helbeschilderde rijtuig en
zijne passagiers aan. Er werd een groet en een »goede reis!" gewisseld
en daarna ging ieder zijns weegs.

Den 13den Augustus kwam de _Schoone Zwerfster_ in het fort
Nuclakayette, op honderd-twintig mijlen afstands van fort Youkon. Dit
is niets dan een kantoor voor den pelterijenhandel; de beambten komen
er zelden buiten. Uit verschillende punten van Aziatisch-Rusland
en van het noordelijk deel van Amerika komen zij daar bijeen en
drijven er handel ten spijt van hunne concurrenten, de lieden van
de Hudsonsbaai-compagnie.

Nuclakayette is dus ook voor de inboorlingen eene verzamelplaats waar
zij de pelterijen, die zij gedurende den winter machtig hebben weten
te worden, afgeven.

Nadat zij een eindweegs de rivier op zijde hadden laten liggen teneinde
niet al hare bochten te moeten medemaken, waren zij nu den stroom
weder genaderd, ter plaatse waar dit dorp vriendelijk te midden van
lage heuvels en groene boschjes gelegen is. Het fort is omringd van
eene omrastering en daar buiten staan eenige houten hutten. Door het
malsche weiland stroomden murmelende beekjes en een drietal vaartuigen
lagen in de Youkon aan den oever vastgemaakt. Het geheel bood een
aangenaam tafereel aan, dat tot rust scheen uit te noodigen. De hier
verblijf houdende Indianen behoorden tot den Tanana-stam. Dat is,
zegt men, het mooiste inboorlingen-type van noordelijk Alaska.

Zoo uitlokkend als het er echter uitzag, de _Schoone Zwerfster_
vertoefde er toch niet langer dan een etmaal, want de paarden hadden
geen behoefte aan meer rust. Cascabel was voornemens zich langer op
te houden te Noulato, wat eene vrij aanzienlijke plaats is en waar
meer gelegenheid bestond om nog het een en ander aan te schaffen dat
zij voor hunne reis door Siberië noodig zouden hebben.

Natuurlijk werd intusschen de jacht niet door Sergius en Jan
verzuimd. Soms namen zij Sander op hunne tochten mede. Het groote wild
bestond nog altijd uit elanden en rendieren, die onbeschroomd over de
vlakten draafden, of zich in de boschjes en boomgroepen, welke tamelijk
schaars hier aangetroffen worden, ophielden. Op de moerassige plekken
hadden zij gelegenheid tot menig mooi schot op ganzen, watersnippen,
langstaart-eenden, gewone wilde eenden en maakten zij ook enkele
reigers buit, die echter om te eten niet veel waarde hebben.

Toch beweerde Kayette dat de Indianen veel van reigervleesch houden,
voornamelijk echter wanneer zij niets anders op schotel hebben. Den
13den Augustus werd daarmede de proef genomen aan het ontbijt, maar
al de ervaring en het talent van Cornelia waren niet in staat te
beletten dat het een taai en droog eten gevonden werd. Alleen Wagram
en Marengo hadden er vrede meê en die knaagden dan ook het laatste
vezeltje van het karkas af.

In tijden van gebrek worden trouwens ook uilen, valken en zelfs
marters niet door de Indianen versmaad. Maar zij nemen daartoe toch
alleen hunne toevlucht wanneer zij niets anders hebben.

Den 14den Augustus moest de _Schoone Zwerfster_ door eene bochtige
kloof tusschen steile heuvelen, die den oever der rivier vormen,
heengeholpen worden. Ditmaal was het pad zoo ongebaand en hobbelig
alsof het de uitgedroogde bedding eener beek was, en ondanks alle
genomen voorzorgen gebeurde er een klein ongeval. Gelukkig brak er
alleen een van de lamoenen van den wagen en geen wiel, zoodat de
breuk met touwen tijdelijk weder te heelen was en zij geen langdurig
oponthoud ondervonden.

Nadat zij achtereenvolgens de dorpen Suquongilla en Newicargout,
aan het riviertje van dien naam, voorbijgetrokken waren, werd de weg
verder op minder bezwaarlijk. Zij hadden nu de heuvels achter den
rug en zoo ver het oog reikte zagen zij niets dan eene vlakte vóór
zich. Een viertal kleine rivieren liepen er doorheen, doch in dezen
tijd des jaars waren hare beddingen geheel droog. In het seizoen der
stortregens en sneeuwstormen had de karavaan onmogelijk deze richting
kunnen volgen.

Toen zij een dezer kreekjes, de Milo-cargout, waar nauwelijks een
voet water stond, doorwaadden, merkte Cascabel op dat er een dam
dwars door de rivier gelegd was.

--Kijk, zeide hij, nu er toch een dam in dit water gebouwd werd,
hadden zij ook even goed eene brug er over kunnen leggen, hetgeen
met hoog water gemakkelijker wezen zou.

--Dat is zeker vader, antwoordde Jan, maar de werklieden die dezen dam
gemaakt hebben, zouden niet in staat zijn geweest eene brug te bouwen.

--Waarom niet?

--Omdat het werklieden zijn op vier pooten, anders gezegd bevers.

Jan's vermoeden was juist en zij hadden gelegenheid het vernuft
dezer nijvere dieren te bewonderen, die bij het leggen hunner dammen
zorgvuldig rekening houden met de richting van den stroom, en ze tevens
hoog genoeg maken om boven den hoogsten waterstand uit te steken. Ook
de helling der zijden van zulk eenen dam wordt nauwkeurig zóó gemaakt
dat die het best aan de persing van het water weerstand kunnen bieden.

--Dat hebben die bevers toch niet op school kunnen leeren! riep
Sander uit.

--Zij behoefden er ook niet voor school te gaan, antwoordde
Sergius. Schoolgeleerdheid, die het niet altijd bij het rechte
eind heeft, is niet noodig om te leeren wat men door instinct weet,
en dit vergist zich nimmer. De bevers hebben dezen dam opgeworpen
zoo als de mieren hunne nesten, zooals de spinnen hunne webben en
zooals de bijen de cellen in hunne woningen maken. Ook de boomen en
kruiden brengen hunne bloesems en vruchten voort bij instinct. Zij
maken nooit eene fout, maar gaan ook nooit vooruit en in het werk,
dat zij te verrichten hebben, is ook geen vooruitgang mogelijk. De
bever bouwt in onzen tijd even zorgvuldig als de eerste bever die ooit
op den aardbol gezien werd. Ontwikkeling ligt niet in de bestemming
der dieren; deze is den mensch voorbehouden en hij alleen is in staat,
van trap tot trap zich te verheffen, zoowel waar het de kunst, als de
nijverheid of de wetenschap betreft. Het bewonderenswaardige instinct
der dieren, dat hen in staat stelt zoo vernuftig te werk te gaan,
perst ons rechtmatige bewondering af, maar wij mogen uit die wonderen
der natuur geen gevolg trekken voor hetgeen ons menschen te doen staat.

--Ik begrijp volkomen uwe bedoeling, mijnheer Sergius, antwoordde
Jan. Dat is het onderscheid tusschen instinct en rede. Al staat de
rede bloot aan dwalingen, toch moet zij op hooger prijs geschat worden.

--Dat valt niet tegen te spreken, zeide Sergius. Al onze dwalingen,
die wij mettertijd leeren inzien en verbeteren, vormen den weg van
den vooruitgang.

--Maar in elk geval, hield Sander vol, blijf ik bij hetgeen ik gezegd
heb. Die bevers hebben niet school behoeven te gaan.

--Zeker niet, maar menschen die geen onderwijs genoten hebben, zijn
ook niets meer dan beesten, was Sergius antwoord.

--Maar nu wat anders, kwam Cornelia tusschenbeide, die altijd een
oog had op den practischen kant der dingen. Kan men die bevers eten?

--Zonder twijfel, antwoordde Kayette.

--Ik heb zelfs ergens gelezen, voegde Jan er bij, dat een beverstaart
een lekkere schotel is.

Zij waren niet in de gelegenheid zich daarvan te overtuigen, want op
dit oogenblik waren er geen bevers in de kreek te zien.

Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken, hield de _Schoone Zwerfster_
op het dorp Sacherteloutain, een van de voornaamste vestigingen der
Co-Youkon-Indianen aan. Op raad van Kayette namen zij eenige voorzorgen
tegen deze van nature zeer diefachtige wilden. Zij kwamen nieuwsgierig
naar den wagen kijken, maar er werd goed opgepast dat niet een er
in kwam. Uit vrije beweging werden er echter eenige kralen en andere
snuisterijen aan de voornaamsten van den stam ten geschenke gegeven,
hetgeen een goeden indruk maakte zoodat beide partijen in vrede van
elkaar scheidden.

Langs den smallen voet der walachtige heuvels gaande, werd hun tocht
weder een weinig moeilijker, maar zij konden geen anderen weg kiezen
zonder op een nog bergachtiger terrein te komen.

Het ging dus nu langzamer vooruit en toch begon het zaak te worden om
niet onnoodig te talmen. Hoewel het overdag nog altijd zacht bleef,
werd het des nachts hoe langer hoe kouder. Zij konden trouwens niets
anders verwachten, want zij bevonden zich nu reeds op korten afstand
van de Poolstreek.

De karavaan was hier op eene plek gekomen waar de Youkon-rivier met
eenen vrij scherpen hoek zich naar het Noorden keert. Zij moesten
nog den oever houden tot waar de Co-Youkon, die zich in twee bochtige
armen splitst, hare wateren in de Youkon uitstort en zij hadden bijna
eenen dag noodig om eene doorwaadbare plaats te vinden, want Kayette
was niet in staat, dewijl het water reeds merkbaar gerezen was,
die terstond aantewijzen.

Voorbij deze laatste hindernis konden zij met de _Schoone Zwerfster_
recht Zuid op, totdat zij door een weder tamelijk heuvelachtige streek
in het fort Noulato aankwamen.

Dit is voor de russisch-amerikaansche handelsvereeniging eene
belangrijke nederzetting. Het is de noordelijkste factorij in het
Westen van Amerika. Volgens de waarnemingen van den reiziger Frederick
Whymper, ligt zij op 64° 42' noorderbreedte en 155° 36' westerlengte.

Toch zou niemand op het eerste gezicht vermoed hebben dat hij zich
in dit gedeelte van Alaska zoo dicht bij het pool-ijs bevond.

De bodem is hier ontegenzeggelijk vruchtbaarder dan in den omtrek
van fort Youkon. Overal ziet men hoog opgaande boomen, overal malsche
groene weilanden, zonder nog te spreken van de uitgestrekte vlakten
die voor den landbouw groote waarde zouden hebben, want er ligt eene
dikke laag teelaarde op den vetten kleibodem. Aan water is ook geen
gebrek: de Noulato loopt met een aantal bochten in zuidwestelijke
richting en een geheel net van kreeken, of _Cargout's_, stroomt naar
het noordoosten. De plantengroei bepaalt zich echter, behalve de
straks bedoelde boomen, tot eenige heestergewassen, die wilde bessen
voortbrengen en aan de natuur overgelaten blijven.

Het fort Noulato bestaat weder uit verscheidene gebouwen, ingesloten
door eene omrastering, versterkt met twee torens. De Indianen mogen
des nachts in het geheel niet en over dag nooit in grooten getale
binnenkomen. Binnen het omrasterde gedeelte staan hutten, loodsen en
houten pakhuizen; in plaats van glasruiten zijn de vensters voorzien
van robbenblazen. Al deze afgelegen posten in het verre Westen van
Amerika zijn zoo eenvoudig en armoedig mogelijk.

Cascabel en zijn gezin werden er dan ook met vreugde
ontvangen. Verloren in eene eenzame wildernis en van alle geregelde
gemeenschap met de buitenwereld verstoken, is het voor de bewoners
niet alleen eene welkome afleiding maar een waar feest als er eens
bezoekers komen. Zoo lang kunnen zij niet onder weg geweest zijn,
of het nieuws dat zij medebrengen is altijd versch.

De ingezetenen van het fort Noulato waren een twintigtal russische
of amerikaansche beambten. Zij verklaarden zich terstond bereid
de reizigers alles te bezorgen wat zij noodig konden hebben. De
handelsvereeniging voorziet hen van alle levensbehoeften,
maar bovendien gaan zij in den zomer druk op de elanden- en de
rendierenjacht en visschen zij geregeld in de Youkon. Deze is tamelijk
vischrijk, vooral wordt er ééne soort veel gevangen, die _naliena_
genaamd en in den regel als voedsel aan de honden gegeven wordt. De
_naliena_-lever wordt echter voor degenen die er aan gewend zijn,
voor een goed eten gehouden. Het spreekt van zelf dat de bewoners van
Noulato vreemd stonden te kijken toen zij de _Schoone Zwerfster_ zagen
aankomen. Nog meer verbaasd waren zij echter toen zij van Cascabel's
voornemen hoorden om door Siberië naar Europa te trekken. Van zoo iets
hadden zij nog nooit gehoord. Dat konden alleen franschen bedenken! Zij
bevestigden echter dat het gedeelte der reis tot Port-Clarence geen
bezwaar zou opleveren en dat de reizigers dit achter den rug konden
hebben vóór dat de grond in Alaska met de langdurige sneeuw van den
winter bedekt zou zijn.

Op raad van Sergius werd er overgegaan tot het aankoopen van
verschillende benoodigdheden voor den tocht over de steppen. In de
eerste plaats eenige brillen die onmisbaar zijn voor een langen tocht
over sneeuwvelden. De Indianen stonden hen voor eenige kralen een
dozijn van die toestellen af. Het waren houten brillen zonder glazen,
of eigenlijk oogkleppen die het geheele oog bedekken, met eene nauwe
spleet om doorheen te zien. Dit weinige is genoeg om zooveel gewaar
te worden als men noodig heeft om te zien waar men loopt; ware het
oog onbedekt of de spleet wijder, dan zou de felle weerkaatsing der
sneeuw onvermijdelijk eene ontsteking te weeg brengen. Alle leden
van ons reisgezelschap moesten die oogkleppen aanpassen, en het bleek
dat zij er spoedig aan gewennen zouden.

Na aldus het gezicht beveiligd te hebben, moest er ook aan hunne
voeten gedacht worden. Want met gelakte schoenen of zelfs met gewone
laarzen is het niet mogelijk in den winter over de siberische steppen
te trekken.

In het pakhuis te Noulato was een voorraad laarzen van robbenvel
voorhanden. Dezen worden ingesmeerd met eene laag vet en zijn dan
volkomen waterdicht, zoodat ze voor eene lange voetreis over sneeuw
en ijs het best geschikt zijn.

Cascabel maakte bij deze gelegenheid weder eene zeer verstandige
opmerking.

--Het is altijd het doelmatigst, zich te kleeden op de manier van de
dieren in het land waar men zich bevindt. In Siberië hooren robben
thuis; niets natuurlijker dus dan dat wij ons als robben toetakelen.

--Als robben met brillen op! kwam Sander vertellen en deze bijvoeging
droeg de hooge goedkeuring van zijnen vader weg.

Twee dagen vertoefde de karavaan te Noulato en dit was voldoende om
het trouwe span paarden te doen uitrusten. Zij hadden haast om te
Port-Clarence te komen. Den 21sten Augustus in de ochtendschemering
ging de _Schoone Zwerfster_ weder op marsch. Van nu af lieten zij
den rechteroever der Youkon voorgoed achter zich liggen.

Deze groote rivier buigt zich namelijk op dit punt naar het zuidwesten
om zich een eind verder in de Norton-golf uit te storten. Met den oever
verder te volgen zouden zij zonder eenig nut hunne reis langer gemaakt
hebben, want de riviermonding is beneden de Behringstraat gelegen. Zij
zouden dus van daar verder noordwaarts op Port-Clarence hebben moeten
trekken, over een strand vol kreeken, inhammen en moerassen, dat voor
de paarden hoogst vermoeiend geweest zou zijn.

Het begon nu reeds fijn koud te worden. De zonnestralen vallen hier in
zeer schuinsche richting op de aarde en geven veel licht maar weinig
warmte. Veeltijds hingen er groote grijze wolken, die er uitzagen alsof
zij spoedig als sneeuw zouden neerkomen. Er werd niet veel klein wild
meer gezien en de trekvogels begonnen reeds een milder verblijf in
zuidelijker streken op te zoeken.

Tot dusverre mocht ons reisgezelschap van geluk spreken dewijl
het nog zoo weinig hinder van de vermoeienissen der reis gehad
had. Dit hadden zij echter zeker ook te danken aan hunne ijzersterke
gestellen, een gevolg van hun leven in de open lucht onder de meest
verschillende klimaten, en van de gehardheid die zij door aanhoudende
lichaamsoefening gekregen hadden. Zij mochten dus de verwachting
koesteren dat zij behouden en wel te Port-Clarence zouden komen.

Dit gebeurde dan ook op den 5den September. Zij hadden toen ruim
vijfhonderd mijlen afgelegd sedert Sitka en ruim elfhonderd van de
Sacramento tot daar, in het geheel dus ongeveer zeventien honderd
mijlen. Zij hadden daar zeven maanden over gedaan en waren nu het
Westen van Amerika in zijne volle lengte doorgetrokken.



XV.

PORT-CLARENCE.


Port-Clarence is het meest noordwestelijk gelegen punt dat door
de Vereenigde Staten aan de Behringstraat bezeten wordt. Het ligt
ten Zuiden van Kaap Prins-van-Wales, in een kleinen inham op dat
gedeelte der kust, dat den neus vormt van het menschengezicht
waar de geheele strandlijn van Alaska op lijkt. De haven heeft een
uitmuntenden ankergrond en wordt daarom op hoogen prijs gesteld door
de scheepsgezagvoerders, voornamelijk door die der walvischvaarders
die in de Noordelijke IJszee hunne prooi komen achtervolgen.

Voor de _Schoone Zwerfster_ werd een kwartier uitgezocht nabij de
binnenzijde der haven, niet ver van de plek waar een riviertje
uitwatert, beschut door hooge rotsen, op wier top eenige magere
berken hunne wortels in den harden steengrond hebben weten te doen
dringen. Hier zouden zij het langste oponthoud der geheele reis
hebben, want zij moesten er vertoeven zoo lang de Behringstraat nog
niet geheel toegevroren en het ijs over de geheele breedte nog niet
dik genoeg was om den wagen te dragen.

Er kon geen sprake van zijn om den reiswagen met een der vaartuigen,
die tusschen Port-Clarence en de overzijde heen en weer varen,
over te zetten, want dit zijn slechts visscherschuiten van geringen
diepgang. Er was dus geen ander middel om op de kust van Azië te
komen dan te wachten tot de geheele zeeëngte in een onafzienbaar
ijsveld veranderd zou zijn.

De lange rust die zij gedwongen waren te nemen, kwam hun goed te pas
nu zij op het punt stonden aan het tweede gedeelte hunner reis te
beginnen, waar de groote moeielijkheden eerst recht eenen aanvang
zouden nemen en waar zij met felle koude en zware sneeuwstormen
te kampen zouden krijgen, althans zoo lang de _Schoone Zwerfster_
niet in het mildere klimaat van Zuidelijk Siberië aangekomen zou
zijn. Vóór dat zij daar konden zijn, moesten zij eenige zeer moeilijke
weken, misschien maanden doorworstelen en zij mochten het als een
geluk beschouwen dat hun de noodige tijd gelaten werd om aan de
toebereidselen voor dien zwaren tocht de laatste hand te leggen. Wel
hadden zij het een en ander aangeschaft bij de Indianen in het fort
Noulato, maar er ontbraken toch nog verschillende zaken die Cascabel
bij de handelaars te Port-Clarence of bij de inboorlingen hoopte te
kunnen krijgen.

Het was dus voor ieder een aangenaam oogenblik toen hun aanvoerder
het gebruikelijke commando hooren liet:

--Op de plaats: rust!

Dit bevel, dat ook door soldaten op marsch of bij militaire manoeuvres
het liefst gehoord wordt, liet Sander altijd volgen door den uitroep:

--Verbreekt de gelederen!

Zij wachtten dan ook geen oogenblik langer om her- en derwaarts te
gaan kijken wat er op de plaats te zien was.

Natuurlijk had ook de _Schoone Zwerfster_ te Port-Clarence bij hare
nadering niet weinig de aandacht getrokken. Nog nooit had zulk
eene rollende woning zich zoo ver, tot aan de uiterste spits van
Noord-Amerika, gewaagd. Voor de eerste maal kregen de verbaasde
inboorlingen eenen troep fransche kunstenmakers te zien.

Op dat oogenblik bevonden zich te Port-Clarence, behalve de gewone
bevolking van Eskimo's en kooplieden, eenige russische ambtenaren. Deze
hadden tot dusver in Alaska dienst gedaan maar tengevolge der inlijving
bij de Vereenigde Staten last gekregen naar het schiereiland der
Tchouktchis op de aziatische kust of naar Petropavlovk, de hoofdstad
van Kamschatka, te vertrekken. Deze ambtenaren bleven bij de andere
bewoners niet achter om de _Schoone Zwerfster_ welkom te heeten, maar
vooral de Eskimo's ontvingen de reizigers met groote ingenomenheid.

Dit waren dezelfde Eskimo's welke de beroemde zeevaarder Nordenskjöld
twaalf jaren later in deze streken ontmoette, toen hij zijn vermaarden
tocht deed waarbij hij den noordoostelijken doortocht tusschen Azië
en Amerika ontdekte. Bij die gelegenheid vond hij sommige dier
inboorlingen reeds gewapend met revolvers en achterlaadgeweren,
de eerste vruchten der van elders ingevoerde beschaving.

Aangezien de zomer pas ternauwernood geëindigd was, hadden ook
de inboorlingen te Port-Clarence hunne winterkwartieren nog niet
betrokken. Zij hielden verblijf onder kleine, sierlijke tenten,
vervaardigd van zware katoenen stof in verschillende kleuren, welke
met gevlochten stroo aaneengehecht was. Allerlei keukengereedschap
van kokosnoten vervaardigd, werd in die tenten gebruikt.

Dit maakte dat Kruidnagel, toen hij die voorwerpen voor het eerst
zag, uitriep:

--Er groeien dus kokosboomen in de bosschen van dit Eskimo-land!

--Ten minste.... verbeterde Sergius, als die noten niet met
walvischvaarders uit de Stille Zuidzee-eilanden zijn aangevoerd en
hier te Port-Clarence in betaling gegeven.

Dit was inderdaad het geval. Er bestond op dit tijdstip reeds een
levendig verkeer tusschen de amerikanen en de inboorlingen, waarvan
de invloed op de manieren der Eskimo's duidelijk merkbaar was.

Het is hier de plaats om op te merken, hetgeen ook later blijken zal,
dat er niet de geringste overeenkomst in uiterlijk of in zeden bestaat
tusschen de Eskimo's van de amerikaansche kust en de inboorlingen van
Siberië. Zelfs verstaan de stammen in Alaska de taal niet, welke aan
de westzijde van de Behringstraat gesproken wordt. Hunne eigen taal
is vol engelsche en russische uitdrukkingen, zoodat het niet moeilijk
viel hen te verstaan.

Reeds in de eerste dagen nadat zij te Port-Clarence hunnen intrek
genomen hadden, geraakten de Cascabels in kennis met de inboorlingen
dier plaats. Zij werden gastvrij door deze lieden in hunne tenten
ontvangen en maakten dan ook geen zwarigheid hen in de _Schoone
Zwerfster_ toe te laten, waarvan zij geen oogenblik spijt behoefden
te hebben.

Deze Eskimo's zijn over het algemeen veel beschaafder dan men
gewoonlijk denkt. Veelal stelt men zich voor dat het eene soort
van pratende robben zijn, half visch half vleesch, maar met
menschengezichten, en deze verkeerde voorstelling wordt in de hand
gewerkt door de kleederen die zij dragen, vooral in den winter. Maar
het heeft er niets van. Te Port-Clarence zien de lieden van den
Eskimo-stam er uit als gewone menschen en kan men zeer goed met hen
omgaan. Er zijn er zelfs die zoo op het navolgen der Europeesche
dracht gesteld zijn, dat zij naar de laatste mode gekleed gaan. Allen
hebben echter eene zekere mate van behaagzucht, hetgeen te merken is
aan de manier waarop zij hunne kleederen van rendieren- en robbenvel,
of van marmotten-bont dragen, en aan het tatoueeren van hun gezicht,
dat gedaan wordt door eenige lichte lijnen in den omtrek der kin te
trekken. De mannen hebben niet veel baard. Aan de hoeken der lippen
hebben zij kunstig drie gaatjes geboord, waarin zij ringetjes van
uitgesneden been dragen. Ook het neusbeentje versieren zij daarmede.

De Eskimo's met welke onze reizigers kennis maakten, hadden geen
ongunstig uiterlijk, heel anders dan de meeste Samojeden en andere
inboorlingen van de aziatische noordkust. De jonge meisjes droegen
paarlsnoertjes in hare ooren en armbanden van koper of ijzer, die
met vrij veel kunstvaardigheid bewerkt waren.

Ook mag hier bijgevoegd worden dat het eerlijke lieden waren,
trouwhartig in het doen van zaken, ofschoon zij geweldig overvroegen en
lieten afdingen. Maar men zou niet met andere kooplieden bekend moeten
zijn, indien men dit deze bewoners der poolstreek kwalijk wilde nemen.

Onder de Eskimo's bestaat de meest volkomen gelijkheid. Zij hebben
zelfs geene stamhoofden. Het zijn heidenen; zij vereeren bij wijze van
afgoden houten palen met gebeeldhouwde en rood beschilderde koppen,
welke vogels voorstellen, die hunne vleugels waaiervormig achter
zich uitspreiden. Hunne zeden zijn zuiver; het familieleven is bij
hen zeer hartelijk, zij hebben grooten eerbied voor hunne ouders,
houden veel van hunne kinderen, en vereeren zorgvuldig hunne dooden,
die in de open lucht te kijk worden gelegd, gekleed in feestgewaad
en met hunne wapenen bij zich.

De dagelijksche bezoeken die de Cascabels bij de inboorlingen aflegden,
waren voor hen eene bron van veel genoegen. Ook gingen zij dikwijls
in eene oude traankokerij, door amerikanen opgericht, welke destijds
nog in werking was, een kijkje nemen.

Het land is niet geheel van boomen ontbloot en de plantengroei is
veel weelderiger dan die welke op het Tchouktchi-schiereiland, aan
de overzijde der straat, wordt aangetroffen. Dit komt doordien de
amerikaansche kust bespoeld wordt door een warmen stroom, welke uit
de zuidelijke streken der Stille Zuidzee derwaarts loopt. Langs het
Siberische strand daarentegen vloeit alleen het koude water dat uit
de noordelijke poolzee aangevoerd wordt.

Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat Cascabel er niet aan dacht
om te Port-Clarence zijne kunsten te vertoonen. Hij was niet zonder
reden bevreesd dat hij misschien hier even als bij de Youkon-Indianen
weer duikelaars, springers en acrobaten zou aantreffen, die van hem
niets te leeren zouden hebben. Den goeden naam van zijnen troep wilde
hij dus niet voor de tweede maal aan eene nederlaag wagen.

Intusschen verliep de eene dag na den anderen en zij hadden reeds
langer gerust dan noodig ware geweest. Na een oponthoud van eene
week te Port-Clarence behoefden zij zekerlijk niet meer tegen de
vermoeienissen van eenen tocht door Siberië op te zien.

Maar de _Schoone Zwerfster_ kon de Behringstraat nog niet
over. Zij waren nu in de laatste dagen van September en ofschoon de
thermometer thans, even als altijd omstreeks dezen tijd en op die
aardrijkskundige breedte, voortdurend beneden het vriespunt wees,
lag de zee-arm die Amerika van Azië scheidt, nog niet dicht. De zee
was echter reeds vol ijsschotsen, die buiten de straat in het ruime
sop van de Behringzee gevormd worden en die langs de kust van Alaska,
voortgestuwd door den uit den Stillen Oceaan komenden stroom, naar het
Noorden drijven. Wachten bleef voor alsnog de boodschap, wachten tot
al die schotsen samengesmolten zouden zijn tot één ontzaglijk ijsveld,
onbewegelijk en sterk genoeg om eene berijdbare oppervlakte tusschen
de beide werelddeelen te vormen.

Heeft deze ijsvlakte zich eenmaal gezet, dan neemt zij binnen korten
tijd zoodanig in dikte toe dat zij desnoods eenen geschuttrein zou
kunnen dragen. Geen nood dus dat de _Schoone Zwerfster_ en hare
passagiers het geringste gevaar zouden loopen van door het ijs te
zakken. De geheele ijsmassa op het smalste gedeelte van den zeearm
tusschen Kaap Prins-van-Wales, even beneden Port-Clarence, en de
kleine haven van Numana op de Siberische kust, is voor het overige
niet meer dan een twintigtal mijlen lang.

--Weet ge wat jammer is? zeide Cascabel op zekeren dag. Dat de
amerikanen hier geene brug gelegd hebben.

--Eene brug van twintig mijlen? vroeg Sander.

--Waarom niet? meende Jan. In het midden van de straat ligt het
eilandje Diomedes, waar de brug op zou kunnen rusten.

--Onmogelijk zou het niet zijn, zeide Sergius, en wij mogen aannemen
dat het ook eenmaal gebeuren zal want het menschelijke vernuft deinst
voor niets terug.

--Er wordt immers ook wel over gedacht om eene brug over het engelsche
kanaal te leggen, hernam Jan.

--Daar is inderdaad sprake van, stemde Sergius toe. Maar het valt
niet te ontkennen dat eene brug over de Behringstraat minder nuttig
zou wezen dan eene van Dover naar Calais, en dat zij stellig hare
kosten niet goed zou maken.

--Al was zij dan ook niet nuttig voor het reizigersverkeer in 't
algemeen, meende Cornelia, zou zij ons ten minste nu van dienst wezen.

--Eigenlijk hebben wij er toch ook geen behoefte aan, zeide
Cascabel. Gedurende acht maanden van het jaar ligt er immers eene
brug, eene van ijs, zoo sterk als eene brug van ijzer of steen bij
mogelijkheid gemaakt kan worden. Moeder natuur bouwt die ieder jaar
weder op en heft niet eens tol!

Vader Cascabel was gewoon de dingen van den besten kant op te nemen
en in den grond der zaak had hij dikwijls gelijk. Waartoe eene brug
die millioenen kosten zou, wanneer zij slechts op het geschikte
tijdstip behoefden te wachten om den overtocht, te voet of per as,
naar verkiezing te kunnen doen?

Het kon nu niet heel lang meer duren. Hun geduld zou op geen al te
lange proef gesteld worden.

Den 7den October behoefden zij er niet meer aan te twijfelen of de
winter was, op deze hooge breedte, voorgoed ingetreden. Alle spoor van
plantengroei was verdwenen, het sneeuwde dikwijls, de enkele boomen
langs de kust waren met ijzel overdekt. Van de schrale planten die
in de poollanden nog tieren willen, en van de harstachtige gewassen
die in het Noorden van Scandinavië aangetroffen worden en zich tot
den poolcirkel voortzetten, was nu niets meer te zien.

Nog altijd werden de ijsschotsen door den snellen stroom de zeeëngte
doorgejaagd, maar zij begonnen breeder en dikker te worden. Evenals
eene korte, maar felle hitte voldoende is om metalen aan elkaar te
smelten, zoo was hier nog slechts eene geweldige koude noodig om van
de ijsklompen een ijsveld te maken. Zij konden er staat op maken dat
het den eenen of anderen dag gebeuren zou.

Zoo vurig onze reizigers echter naar het oogenblik wenschten
dat de zee begaanbaar zou worden, zoo verlangend zij waren om
Port-Clarence te verlaten en den voet op de Oude Wereld te zetten,
toch had dat aangename vooruitzicht ook zijne keerzijde. Dan immers,
zou ook het oogenblik van scheiden daar zijn. Wel zouden zij Alaska
den rug toekeeren, maar Sergius zou daar achter blijven, want er
was geen sprake van dat hij zijne reis verder naar het Westen zou
voortzetten. Na het einde van den winter was hij voornemens zijne
onderzoekingstochten in dit gedeelte van Amerika te hervatten, en
wilde hij de landstreek ten Noorden van de Youkon en aan genen kant
der bergen gaan opnemen.

Het vooruitzicht dier scheiding was voor allen even smartelijk. De
genegenheid die zij in korten tijd voor elkander hadden opgevat,
was tot eene oprechte en hartelijke vriendschap aangegroeid.

Wie het zich het meest aantrok, was Jan. Hij kon er nauwelijks aan
denken dat Sergius ook Kayette zou medenemen. Het was immers in het
belang van het meisje zelve, dat haar aangenomen vader de zorg voor
hare toekomst geheel op zich nam. Zij kon aan geen betere handen dan
die van Sergius worden toevertrouwd; deze zou haar medenemen naar
Europa, waar hij haar eene zorgvuldige opvoeding zou doen geven en
haar in eenen stand zou inleiden, oneindig beter dan die van arme
kermiskunstenmakers. Waar zulke voordeelen voor het grijpen lagen,
viel er niet te aarzelen. Jan kon dat niet ontkennen en was de eerste
om het in te zien. Maar hij dacht er niettemin aan met eene steeds
toenemende beklemdheid, welke hij niet bij machte was van zich af te
zetten. Het was om allen moed te verliezen wanneer hij er aan dacht
dat hij van Kayette zou moeten scheiden en haar nimmer terug zou
zien. In zedelijken en in stoffelijken zin zou er tusschen hen beiden
een afgrond zich openen wanneer zij in den kring der bloedverwanten
van Sergius werd opgenomen. Het was hun beiden tot eene aangename
gewoonte geworden samen te praten, samen te werken en altijd bij
elkander te wezen. Hetgeen Jan voor Kayette voelde was eene oprechte
liefde, welke zich uitte in eene bezorgdheid voor haar, die zich geen
oogenblik verloochende, en in zijne ontroering wanneer hij met haar
sprak. En misschien beantwoordde Kayette die liefde reeds, al gaf zij
zich zelve daar nog geen rekenschap van. Dat alles moest dan verbroken
worden door eene scheiding welke naar alle waarschijnlijkheid voor
altijd zou wezen!

Jan voelde zich dus inderdaad ongelukkig, maar ook zijne ouders,
zijn broeder en zijne zuster hielden veel van Kayette, konden zich
niet gewennen aan het denkbeeld dat zij haar moesten verliezen, en
dachten ook niet zonder smart aan het oogenblik dat zij van Sergius
afscheid zouden moeten nemen. Zij zouden er heel wat voor over hebben,
betuigde Cascabel meer dan eens, wanneer Sergius voorloopig slechts
wilde toestemmen om met hen de reis voort te zetten. Eenige maanden
duurde hun tocht nog; daarna konden zij altijd nog zien wat hun te
doen stond.

Wij hebben reeds gezegd dat de bewoners van Port-Clarence onze
reizigers een goed hart toedroegen. Niet zonder bezorgdheid zagen zij
het oogenblik naderen waarop de karavaan zich in de Siberische steppen
zou gaan wagen, waar haar ernstige gevaren te wachten stonden. Die in
eenzaamheid levende lieden stelden belang in deze vreemdelingen die van
zoo verre kwamen en nog zulk een verren tocht vóór zich hadden. Maar
met geheel andere oogen sloegen de russische ambtenaren, die eerst
sedert kort hier aan het strand verblijf hielden, het reisgezelschap
gade. Vooral op Sergius hadden zij hunne bijzondere aandacht gevestigd.

Wij hebben verhaald dat deze ambtenaren, die zich op dat tijdstip te
Port-Clarence bevonden, in Alaska dienst gedaan hadden en tengevolge
der inlijving van dat gewest verplicht waren naar Siberië terug
te keeren.

Onder hen bevonden zich twee politie-beambten, die in de gewezen
russische bezitting met eene bijzondere opdracht belast waren
geweest. Zij hadden namelijk tot taak gehad het oog te houden op de
politieke vluchtelingen, die in Nieuw-Brittannië eene schuilplaats
vonden, maar somtijds poogden over de grens van Alaska weder op
russisch grondgebied te komen. Nu had Sergius, als een rus, die zich
bij eenen troep fransche kunstenmakers bevond en die juist op eene
plaats, waar de grenzen van het Czarenrijk eenen aanvang namen,
niet verder verkoos te reizen, terstond hunne achterdocht gaande
gemaakt. Zij hielden dus het oog op hem, maar voorzichtig en met
beleid, zóódat niemand het merkte.

Sergius kon dus ook niet vermoeden dat hij den argwaan der
politiebeambten had opgewekt. Hij dacht, evenals de Cascabels, alleen
aan hunne ophanden zijnde scheiding. Het was alsof hij geslingerd
werd tusschen het vooruitzicht om zijne reis door westelijk Amerika
te hervatten, en zijnen lust om daarvan aftezien en den tocht naar
Europa mede te maken. Wat er eigenlijk bij hem omging kon niemand met
zekerheid zeggen, maar Cascabel besloot, dewijl hij hem dikwijls in
gepeins verzonken zag, op eene verklaring aan te dringen.

Des avonds van den 11den October, nadat het avondeten afgeloopen was,
sprak Cascabel hem dus aan alsof er plotseling eene gedachte bij
hem opkwam.

--Wat ik zeggen wilde, mijnheer Sergius, het zal nu niet lang meer
duren of wij gaan op weg naar uw land.

--Zeker mijn vriend, dat is afgesproken.

--Ja, wij gaan dus naar Rusland. Wij komen dan ook te Perm, waar,
als ik mij wel herinner, uw vader woont.

--Dat is zoo, en ik wil wel bekennen dat ik u niet zie heengaan zonder
grooten lust om u te vergezellen.

--Maar mijnheer Sergius, vroeg Cornelia, denkt gij nog lang in Amerika
te blijven?

--Lang? Dat weet ik nog niet.

--En op welke manier zijt gij voornemens naar Europa terug te keeren?

--Dwars door het verre Westen. In die richting hervat ik mijne reis
en hoop zoodoende eindelijk te New-York te komen, waar ik scheep zal
gaan en Kayette medenemen.

--Met Kayette dus? vroeg Jan zacht, terwijl hij het meisje aanzag
dat de oogen neersloeg.

Allen zwegen eenige oogenblikken. Toen vervolgde Cascabel, terwijl
zijne stem eenigszins haperde:

--Kijk eens mijnheer Sergius, ik wilde u met uw verlof wel eens iets
voorstellen. Ik weet heel goed dat het eene bezwaarlijke onderneming
is, Siberië van het eene eind tot het andere door te trekken. Maar
met moed en eenen vasten wil hopen wij toch.....

--Mijn waarde vriend, viel Sergius hem in de rede, wees overtuigd
dat noch het gevaarlijke, noch het vermoeiende der reis mij af zou
schrikken. Gaarne zoude ik dat alles met u deelen, maar...

--Maar wat belet u dan samen met ons onzen tocht voort te zetten? vroeg
Cornelia.

--Dat zou aardig zijn! voegde Sander er bij.

--Als gij het doet krijgt ge een zoen van mij, riep Napoleona uit.

Jan noch Kayette hadden een woord gezegd, maar het was hun aan te
zien dat zij in angstige spanning verkeerden.

--Mijn waarde Cascabel, zeide Sergius na eenige oogenblikken nagedacht
te hebben, ik zou met u en uwe vrouw gaarne eens willen praten.

--Wij zijn tot uwen dienst, terstond zoo gij wilt.

--Neen, liever morgen ochtend!

Er werd toen verder niet over gesproken en spoedig gingen allen,
benieuwd naar hetgeen er gebeuren zou, naar bed.

Wat was de bedoeling van Sergius met dit gesprek? Was hij besloten
verandering in zijne plannen te brengen, of wilde hij alleen aan
Cascabel de middelen verschaffen om in gunstiger omstandigheden de
reis te doen, door hem opnieuw geld aantebieden?

Kayette en Jan waren het meest in spanning. Zij deden geen van beiden
dien nacht een oog toe.

Den daarop volgenden ochtend had het onderhoud plaats. Niet omdat hij
de kinderen niet vertrouwde, maar dewijl hij vreesde beluisterd te
worden door de inboorlingen en andere bezoekers die af en aan liepen,
wenschte Sergius dat Cascabel en zijne vrouw zich met hem op eenigen
afstand van den wagen zouden verwijderen. Hetgeen hij hun te zeggen
had was van groot belang, en hij wilde het voor anderen zorgvuldig
geheim houden.

Zij wandelden dus met hun drieën het strand op, den kant uit van de
traankokerij. Onder de hand leidde Sergius het gesprek in.

--Mijne vrienden, zeide hij, luistert goed en denkt rijpelijk na
vóór dat gij antwoordt op hetgeen ik u ga voorstellen. Ik heb uwe
goedhartigheid op prijs leeren stellen en ondervonden wat gij voor
uwe vrienden overhebt. Maar vóór dat gij een gewichtig besluit gaat
nemen, moet gij eerst weten wie ik ben.

--Wie gij zijt? vroeg Cascabel. Wel voor den drommel, gij zijt een
braaf man, dat is al wat ik noodig heb te weten.

--Nu ja, een braaf man, antwoordde Sergius, maar juist omdat ik dat
ben, past het mij niet de ernstige gevaren, die gij in Siberië zult
gaan loopen, nog te vermeerderen.

--Waarom zou uwe tegenwoordigheid voor ons een gevaar kunnen opleveren,
mijnheer Sergius? vroeg Cornelia.

--Omdat mijn ware naam is: graaf Sergius Narkine en ik een staatkundige
banneling ben.

Hij vertelde hen nu in korte bewoordingen zijne geschiedenis.

Graaf Sergius Narkine was uit een vermogend geslacht in het
gouvernement Perm gesproten. Bezield met warme belangstelling voor
wetenschappelijke en aardrijkskundige onderzoekingen, bracht hij de
jaren zijner jeugd grootendeels door met het doen van reizen in alle
deelen der wereld.

Die reizen hadden hem een beroemd man kunnen maken, maar ongelukkig
bepaalde hij zich niet daartoe. Hij raakte in staatkundige beroeringen
verwikkeld en werd in 1857 lid van een geheim genootschap, waar
zijne vrienden hem toe overhaalden. Niet lang daarna werden alle
leden dezer vereeniging gevangen genomen en met al de gestrengheid,
waarvoor de russische regeering berucht is, vervolgd en gestraft. De
meesten werden veroordeeld tot levenslange ballingschap in Siberië.

Dit was ook het lot van graaf Sergius Narkine, wien de stad Jakoutsk
tot verblijfplaats werd aangewezen. De eenige bloedverwant dien hij
verplicht was achter te laten, was zijn vader, prins Wassili Narkine,
thans een tachtigjarige grijsaard. Deze bleef op zijne landgoederen
te Walska, nabij Perm, verblijf houden.

Na vijf jaren te Jakoutsk gesleten te hebben, gelukte het den
veroordeelde naar Okhotsk, aan den zeeboezem van dien naam, te
ontkomen. Daar vond hij een schip dat zeilreê lag en hem medenam naar
eene haven in Californië. Sedert dien tijd had graaf Sergius Narkine
zeven jaren lang in de Vereenigde Staten of in Nieuw-Engeland geleefd,
altijd in de nabijheid der grenzen van Alaska, waar hij heen hoopte
te gaan zoodra het gewest bij de Vereenigde Staten werd ingelijfd. In
het geheim koesterde hij de hoop door Siberië heen naar Europa terug
te keeren en dus juist te doen wat Cascabel ondernomen had. Het
is licht te begrijpen met welk eene ontroering hij dus vernam dat
dezelfde lieden, wien hij het behoud van zijn leven verschuldigd was,
voornemens waren de Behringstraat over en Siberië door te trekken.

Natuurlijk zou hij niets liever gewild hebben dan hen te vergezellen,
maar hij zag er tegen op zijne vrienden aan den toorn der onbarmhartige
russische regeering bloot te stellen. Wat zouden de gevolgen zijn als
het ontdekt werd dat zij een staatkundig veroordeelde weder over de
russische grenzen hadden helpen komen? Toch zou hij zijn hoogbejaarden
vader zoo gaarne willen terugzien....

--Als ik u was, mijnheer Sergius, ging ik eenvoudig met ons mede,
zeide Cornelia hartelijk.

--Maar mijne goede vrienden, als het uitkomt is uwe vrijheid, ja
misschien uw leven er mede gemoeid.

--Wat komt dat er op aan, mijnheer Sergius? zeide Cascabel. Van ieder
mensch wordt hiernamaals de rekening opgemaakt van hetgeen hij goeds
en kwaads in zijn leven gedaan heeft. Dus is het zaak er zooveel
mogelijk goede posten op te brengen, om tegen de kwade optewegen!

--Mijn waarde Cascabel, bedenk....

--Bovendien mijnheer Sergius, zal niemand u immers herkennen? Wij
zijn bij de hand genoeg, wees daar zeker van en de drommel moge
mij halen als wij met ons allen niet in staat zijn de russische
politie-speurhonden bij den neus te hebben!

--Evenwel ... drong Sergius weder aan.

--Als het niet anders kan, steekt gij u desnoods in een
kunstenmakerspak, wanneer gij ten minste u daar niet voor schaamt....

--Hoe kunt gij zoo iets denken, mijn vriend?

--Wie zal dan ooit op het denkbeeld komen dat er een graaf Narkine
in den troep van Cascabel verscholen zit?

--Nu dan, mijne vrienden, ik neem het aan en weest overtuigd dat ik
er u dankbaar voor ben....

--Jawel, jawel, viel Cascabel hem in de rede, laat dat maar
blijven. Hadt gij er dan aan getwijfeld dat wij iets voor u over
zouden hebben? Derhalve, mijnheer de graaf....

--Noem mij niet bij mijnen titel of naam. Voor ieder blijf ik eenvoudig
Sergius, zelfs voor de kinderen....

--Ja, het is beter dat zij er niets van weten. Het blijft dus
afgesproken, mijnheer Sergius, dat wij u medenemen. Ik mag geen Cesar
Cascabel heeten als ik u niet behouden en wel te Perm breng. Gelukte
mij dat niet, dan zou ik voor het eerst iets dat ik op mij genomen
heb in den steek laten, en dan was ik voorgoed mijn goeden naam als
artist kwijt!

Met welke vreugdekreten Sergius begroet werd toen hij in de _Schoone
Zwerfster_ terugkwam en Jan, Kayette, Sander, Napoleona en Kruidnagel
te weten kwamen dat hij met hen naar Europa ging, kan ieder gemakkelijk
raden. Daarvan vertellen wij dus niets.



XVI.

VAARWEL AAN DE NIEUWE WERELD.


Het kwam er dus nu alleen op aan, het ontworpen plan om naar Europa
terugtekeeren uittevoeren.

Alles goed beschouwd, stonden de kansen van slagen niet kwaad. Het
wisselvallige kunstenmakersleven bracht de Cascabels er nu eenmaal
toe dat zij door Rusland moesten trekken en wel door het gouvernement
Perm. Wat kon graaf Narkine dus veiliger doen dan zich, indien hij
ook daarheen wilde, bij hen aansluiten? Niemand kon immers vermoeden
dat de politieke veroordeelde, die indertijd uit Jakoutsk gevlucht
was, zich bij eenen kunstenmakerstroep bevond? Werd het geheim
niet verraden, dan moest het plan stellig gelukken, en eenmaal te
Perm gekomen, kon de graaf, nadat hij zijnen vader teruggezien had,
handelen zooals hem het best toescheen. Hij zou Azië dan achter den
rug en nergens een spoor van zijn verblijf achtergelaten hebben,
zoodat hij naar de omstandigheden te werk zou kunnen gaan.

Daar stond wel tegenover dat indien hij, tegen alle waarschijnlijkheid
in, op hunnen tocht door Siberië ontdekt werd, zulks zeer ernstige
gevolgen hebben kon, niet alleen voor hem maar ook voor degenen die
hem vergezelden. Hierover verkozen echter Cascabel en zijne vrouw
zich niet ongerust te maken, en zeker is het dat indien zij hunne
kinderen hadden kunnen raadplegen, deze het volkomen met hen eens
geweest zouden zijn. Maar het was zaak het geheim van graaf Narkine
zorgvuldig te bewaren. Niemand mocht dus iets anders vermoeden dan
dat hun reisgenoot eenvoudig Sergius heette.

Wel nam graaf Narkine zich stellig voor om later de edelmoedige
toewijding dezer brave lieden naar verdienste te beloonen, maar
Cascabel rekende op geene andere belooning dan dat hij zijnen vriend
eenen dienst mocht bewijzen en tegelijkertijd de russische politie
eene kool stoven.

Ongelukkig was er iets dat zij geen van beiden konden vermoeden,
namelijk dat hun voornemen van den aanvang af gevaar liep te
mislukken. Zoodra zij de zeeëngte over zouden zijn, hadden zij
groote kans terstond door de russische politie in Siberië te worden
aangehouden.

Men moet weten dat den dag nadat hunne afspraak gemaakt was, twee
mannen op eene afgelegene plek aan de haven, waar niemand hen
beluisteren kon, in druk gesprek heen en weer liepen.

Dat waren de twee politiebeambten van wie wij reeds gesproken hebben,
wier aandacht door de aanwezigheid van Sergius onder de passagiers
van de _Schoone Zwerfster_ zoo bijzonder getrokken was.

Gedurende een aantal jaren te Sitka geplaatst en belast met de
staatkundige politie in het gouvernement Alaska, was het hunne taak
geweest, zooals onze lezers zich herinneren zullen, bijzonder het
oog te houden op het doen en laten der vluchtelingen die zich op de
grens van Columbia ophielden, den gouverneur daarvan te onderrichten
en allen die het waagden op russisch grondgebied te komen, te doen
aanhouden. Wat nu het geval bedenkelijk maakte, was dat zij graaf
Narkine wel niet persoonlijk kenden, maar toch in het bezit van
zijn signalement waren, dat overal was heengezonden toen hij uit
de vesting Jakoutsk gevlucht was. Zoodra de troep van Cascabel te
Port-Clarence aankwam, viel het hun bijzonder op dat zij eenen rus
bij zich hadden die noch de manieren noch het uiterlijk van eenen
kunstenmaker had. Hoe kwam het dat deze zich bij een gezelschap bevond,
dat zulk een wonderlijken weg gebruikte om van Sacramento naar Europa
terug te keeren?

Zoodra hunne achterdocht eenmaal gewekt was, gingen zij op den loer
liggen en aan 't afluisteren, maar zoo voorzichtig dat niemand het
bemerkte. Zij vergeleken het signalement van graaf Narkine met Sergius
en kregen zoodoende spoedig zekerheid dat hij het was.

--Het is niemand anders dan graaf Narkine, zeide de een. Stellig heeft
hij al eene poos op de grens van Alaska gezworven in afwachting dat het
land ingelijfd zou worden; toen heeft hij zeker dien koorddanserstroep
ontmoet die hem waarschijnlijk den een of anderen dienst heeft bewezen,
en zoo komt het dat hij nu met hen naar Siberië wil oversteken.

Dit alles was juist zooals zij dachten. Wel was Sergius aanvankelijk
niet voornemens geweest verder te gaan dan Port-Clarence, maar het
verwonderde de agenten volstrekt niet toen zij te weten kwamen dat
hij het plan had opgevat met de _Schoone Zwerfster_ naar den overkant
te gaan.

--Dat is een buitenkansje voor ons, zeide de eene agent. Ware de graaf
hier op amerikaanschen bodem gebleven, dan hadden wij het recht niet
gehad hem aan te houden.

--Daarentegen, antwoordde de eerste, is hij over de russische grens
zoodra hij aan de overzijde der Behringstraat komt. Daar zal hij ons
niet ontsnappen, want wij zullen hem behoorlijk opwachten!

--Met zulk eene vangst kunnen wij eer inleggen en goed wat verdienen,
hernam de ander. Het is een mooi ding om mee te beginnen. Maar hoe
leggen wij het aan?

--Eenvoudig genoeg. De Cascabels zullen wel spoedig vertrekken en zeker
langs den kortsten weg, dat is recht naar Numana aan den overkant. Wij
hebben dus slechts te zorgen dat wij tegelijk of even vóór hen daar
zijn, en dan kunnen wij graaf Narkine terstond te pakken krijgen.

--Het lijkt mij nog beter toe als wij eenigen tijd vóór hen te Numana
kunnen wezen en de politie daar van het geval onderrichten, zoodat
die ons zoo noodig helpen kan.

--Als dat mogelijk is zullen wij het zeker doen, was het antwoord. De
Cascabels moeten in elk geval wachten tot het ijs zoo sterk is dat
zij er met hunnen wagen over kunnen, maar wij kunnen heel gemakkelijk
vroeger gaan. Wij moeten dus voorloopig hier te Port-Clarence blijven
en graaf Narkine in het oog houden zonder dat hij er iets van merken
mag, want misschien begrijpt hij wel dat hij op zijne hoede moet
zijn tegenover de russische ambtenaren die uit Alaska terugkeeren,
maar hij moet niet kunnen vermoeden dat wij weten wie hij is. Hij
moet dus zonder achterdocht van hier gaan, wij zullen hem te Numana
aanhouden en dan brengen wij hem onder goed geleide naar Jakoutsk of
naar Petropavlovk.

--Maar als die kunstenmakers zich daar eens tegen verzetten, bracht
de andere politieman in het midden.

--Dan zullen zij ondervinden wat het zeggen wil, dat zij een politieken
banneling in Rusland helpen terugkeeren!

Dit plan, zoo eenvoudig als het was, had alle kans van slagen,
want graaf Narkine kon niet weten dat iemand hem herkend had en de
Cascabels vermoedden niet dat er bijzonder op hen gelet werd. De reis,
die onder zulke goede vooruitzichten ondernomen scheen te worden,
kon dus heel slecht voor Sergius en zijne vrienden afloopen.

Terwijl er achter hunnen rug zulke booze plannen tegen hen gesmeed
werden, verheugden zij zich in het vooruitzicht van niet van elkander
gescheiden te zullen worden en gezamenlijk naar Rusland te mogen
trekken. Vooral Jan en Kayette waren in de wolken van blijdschap.

De twee agenten hadden het geheim, waar zij achter gekomen waren,
zorgvuldig voor zich gehouden, en niemand te Port Clarence koesterde
het minste vermoeden dat er onder de passagiers van de _Schoone
Zwerfster_ zulk een gewichtig persoon zich bevond als graaf Sergius
Narkine.

Intusschen was de dag van vertrek nog niet vast bepaald kunnen
worden. Met ongeduld sloegen zij de wisselvallige aanwijzingen van
den thermometer gade. Het was zooals Cascabel zeide: nog nooit hadden
zij zoo vurig gewenscht dat het zou gaan vriezen dat het kraakte.

Het was voor hen hoogst wenschelijk dat zij aan den overkant kwamen
vóór dat de winter in zijne volle strengheid ingetreden zou zijn. Dit
kon eerst het geval wezen in de eerste weken van November en de
_Schoone Zwerfster_ zou dus den tijd hebben om in het zuidelijke
gedeelte van Siberië te komen, waar zij op de eene of andere bewoonde
plaats het gunstige jaargetijde konden afwachten om den tocht in de
richting van het Oeralgebergte te ondernemen.

Als het niet tegenliep konden zij met hun tweespan, Vermout en
Gladiator, zonder al te groote inspanning, de Siberische steppen
doorkomen, en kon de karavaan bij tijds te Perm wezen om aan de kermis
aldaar, in Juli van het volgende jaar, te kunnen deelnemen.

Maar nog altijd bleven de ijsschotsen, voortgejaagd door den warmen
stroom uit den Stillen Oceaan, naar het Noorden voorbijdrijven. Nog
altijd hielden zij het gezicht op bewegelijke ijsklompen die zich maar
niet verkozen vast te zetten tot een onbewegelijk en stevig ijsveld.

Den 13den October was het echter alsof het drijfijs langzamer voorbij
begon te trekken. Waarschijnlijk had het zich in het Noorden ergens
vastgezet, zoodat de stroom daar gestuit werd. Aan den gezichteinder
vertoonde zich eene doorloopende reeks witte bergspitsen, een bewijs
dat de Poolzee reeds in eene ijsvlakte herschapen was. Ook liet zich
in de lucht de heldergrauwe weerschijn eener onafzienbare ijsmassa
zien. Het kon nu niet lang meer duren of de geheele zeeëngte zou
toevriezen.

Van tijd tot tijd raadpleegden Sergius en Jan de visschers te
Port-Clarence. Zij beiden hadden reeds meer dan eens gedacht dat
de overtocht wel te doen was, maar de ervaren zeelieden raadden het
hun af.

--Overhaast u niet, waarschuwden zij, en wacht totdat de vorst haar
werk gedaan heeft. Het heeft nog niet hard genoeg gevroren om een goed
ijsveld te maken. En al lag alles ook toe aan dezen kant van de kust,
dan volgt daar nog niet uit dat hetzelfde het geval zal wezen aan de
overzijde, vooral niet in den omtrek van het eilandje Diomedes.

Dit was een verstandige raad.

--Het is toch dit jaar geen vroege winter, zeide Sergius tegen een
der oudste visschers.

--Ja, het is later dan gewoonlijk, antwoordde deze. Dat is eene
reden te meer om u niet op het ijs te wagen vóór dat gij zekerheid
hebt dat het sterk genoeg is. Ook moet gij in aanmerking nemen dat uw
reiswagen zwaarder weegt dan een voetganger en dus dikker ijs noodig
heeft. Wacht eerst tot er een goed pak sneeuw gevallen is, waardoor
de oneffenheden tusschen de ijsschotsen opgevuld zullen worden. Dan
kunt gij er over rijden alsof het een straatweg is en zult gij spoedig
den tijd, dien gij hier wachtende doorbrengt, ingehaald hebben zonder
dat gij gevaar loopt midden in de straat te blijven steken.

Deze raad van lieden die met de ervaring vertrouwd waren, mocht
niet in den wind geslagen worden en Sergius deed dan ook al wat hij
kon om Cascabel, die het ongeduldigst van den troep was, geduld te
doen oefenen. Het verkeerdste wat zij doen konden, was door eene
onbedachtzame handeling hunne veiligheid in de waagschaal te stellen
en hunne reis te doen mislukken.

--Houd u een weinig bedaard, vermaande hij. De _Schoone Zwerfster_
is geene boot; als zij in eene scheur in het ijs blijft steken, zinkt
zij als een steen. Het zou eene al te mooie reclame voor den troep
van Cascabel zijn, als hij met heel zijn toebehooren in de diepte
van de Behringstraat verdween.

--Toch zou het onzen naam vereeuwigen! antwoordde de roemzuchtige
Cesar.

Cornelia kwam echter spoedig tusschenbeide en verklaarde dat zij niet
op roekelooze ondernemingen gesteld was.

--Ik wil haast maken, mijnheer Sergius, maar meest om uwentwil,
zeide Cascabel.

--Dat is goed en wel, antwoordde de graaf, maar ik wil geen
onbedachtzame haast, en wel om uwentwil.

Allen waren ongeduldig, maar Jan en Kayette vonden niet dat de dagen
lang duurden. Jan gaf haar geregeld les en zij maakte daar zoo goed
gebruik van dat zij reeds vlot Fransch sprak en alles in die taal
verstond. Zij beiden hadden van het begin af geen moeite gehad om
elkander te begrijpen. Bovendien voelde Kayette zich gelukkig in den
schoot van het gezin en gestreeld door de zorgvuldigheid, waarmede
Jan op al hare wenschen lette. Cascabel en zijne vrouw hadden met
blindheid geslagen moeten zijn indien zij niet opgemerkt hadden wat
er tusschen hunnen zoon en het Indiaansche meisje gaande was, en zij
begonnen er zich eenigszins ongerust over te maken. Zij alleen wisten
wie Sergius eigenlijk was en dus welke toekomst Kayette wachtte. Zij
was nu geen verlaten kind van een inlandschen stam, die te Sitka eene
plaats als dienstbode wilde gaan zoeken, maar zij was de aangenomen
dochter van graaf Narkine. Indien Jan het oog op haar vallen liet,
kon daar niets dan teleurstelling voor hem op volgen.

--Wat gaat het ons echter aan? zeide Cascabel. Mijnheer Sergius ziet
alles wat er voorvalt; hij is schrander genoeg om te begrijpen wat
het geval is. Indien hij er dus niets van zegt, Cornelia, kunnen wij
gerust zwijgen.

Op eenen avond vroeg Jan:

--Doet het u pleizier, Kayette, om naar Europa te gaan?

--Naar Europa? Zeker, maar ik zou het nog pleizieriger vinden om naar
Frankrijk te gaan.

--Daar hebt ge wel gelijk in, want het is een mooi en een goed
land. Mocht het ooit uw vaderland worden, zou het er u stellig goed
bevallen.

--Het zal mij overal bevallen, Jan, waar uwe familie is en ik wensch
niets liever dan u allen nooit te verlaten.

--Dat is lief van u, Kayette.

--Is Frankrijk heel ver hier van daan?

--Alles is ver, Kayette, als iemand haast heeft om er te komen. Maar
wij zullen er wel komen,..... vroeger misschien dan ons lief is.....

--Hoe zoo, Jan?

--Omdat gij met mijnheer Sergius in Rusland achterblijft. Al blijven
wij voor het oogenblik nog bij elkaar, daar ginds zullen wij toch
afscheid moeten nemen. Mijnheer Sergius zal u bij zich houden,
Kayettelief, hij zal eene jonge dame van u willen maken en ons zult
gij nimmer terugzien.

--Hoe kunt gij dat weten, Jan? Mijnheer Sergius is een goed mensch
en zeker niet ondankbaar. Niet ik heb zijn leven gered, maar gij met
de anderen, want wanneer ik het geluk niet gehad had u te ontmoeten,
wat had ik dan voor hem kunnen doen? Dat hij dus leeft, dankt hij
uwe moeder en u allen. Denkt gij dat mijnheer Sergius dat ooit zal
vergeten? Wat voor reden hebt gij om te gelooven dat wij niet alleen
gescheiden zullen worden, maar voor altoos?

--Ik wilde wel dat ik het niet behoefde te gelooven, Kayettelief,
antwoordde Jan die zijne ontroering niet meer meester was. Maar ik
ben er bang voor! Zie Kayette, als ik u niet meer zien mocht, weet
ik niet wat er van mij worden zou! Maar ik zou u niet alleen willen
zien.... Waarom zou ons gezin de plaats niet kunnen innemen van uwe
bloedverwanten die gij verloren hebt? Vader en moeder houden zooveel
van u....

--Zij kunnen niet meer van mij houden, Jan, dan ik van hen houd.

--En mijn broer en mijn zusje ook! Ik zou zoo graag willen dat zij
u als eene zuster mochten beschouwen....

--Zij zijn het reeds Jan. Maar hoe is het met u zelf?

--Ik, Kayettelief? Zeker wil ik uw broeder zijn, maar een die veel
meer, veel inniger van u houdt.....

Jan bleef in zijne woorden steken. Hij had de hand van Kayette gevat
en drukte die teeder. Toen stond hij plotseling op, als vond hij het
beter niets meer te zeggen. Kayette voelde haar hart kloppen van eene
ontroering waar zij zich geen rekenschap van wist te geven. Een traan
blonk in haar oog.

Den 15den October kwamen de visscherlieden en zeelui te Port-Clarence
Sergius waarschuwen dat de karavaan zich gereed kon maken tot
het vertrek. Sedert eenige dagen was het veel kouder geworden en
het kwik in den thermometer bleef thans gemiddeld beneden de tien
graden onder het vriespunt van de honderddeelige schaal. Het ijsveld
lag onbewegelijk zoo ver men zien kon. Het eigenaardige kraken,
dat vernomen wordt zoo lang de geheele massa nog niet volkomen één
geworden is, liet zich niet meer hooren.

Waarschijnlijk zou het nu niet lang meer duren of van den overkant
zouden er inboorlingen uit Siberië aankomen. Dezen trekken in den
winter de zeeëngte somtijds over en drijven op die manier een kleinen
handel tusschen Numana en Port-Clarence, welke plaatsen dientengevolge
een vrij levendig verkeer met elkander hebben. Niet zelden komen er
sleden, met honden of rendieren bespannen, van het eene werelddeel naar
het andere. De twintig mijlen afstands tusschen de twee dichtst bij
elkander gelegen punten van de kust aan weerszijden der Behringstraat
leggen zij in twee of drie dagen af. Dit is dus een door de natuur
gelegde weg, welke langer dan zes maanden des jaars open blijft,
van het begin van den winter tot het aanbreken van den zomer. Maar
het is niet raadzaam den overtocht te vroeg of te laat in het seizoen
te ondernemen, want indien de ijsvlakte op de eene of andere plaats
plotseling los raakte, zouden de reizigers gevaar loopen ellendig om
te komen.

Teneinde behoorlijk uitgerust te zijn voor eene reis door de
onbewoonde streken van Siberië tot aan de eene of andere plaats waar
de _Schoone Zwerfster_ kon overwinteren, had Sergius te Port-Clarence
verschillende voorwerpen doen aanschaffen die in de felle koude te pas
konden komen. Daartoe behoorden ook eenige paren sneeuwschoenen, die
de inboorlingen bij wijze van schaatsen aan hunne voeten bevestigen
en met behulp waarvan zij in korten tijd groote afstanden over het
ijs en de sneeuw afleggen. Onnoodig te zeggen dat onze kunstenmakers
niet veel tijd noodig hadden om daarmede te leeren omgaan. Na eenige
dagen oefenens op de toegevroren waterplassen langs de kust, hadden
Jan en Sander met de vlugste sneeuwschoenen-loopers eenen wedloop
kunnen houden.

Ook had Sergius den voorraad pelsjassen en ander bont, dien zij in
het fort Youkon aangekocht hadden, nog aanmerkelijk uitgebreid. Zij
moesten niet alleen goed tegen de koude gewapend zijn wat hun lichaam
betreft, maar de _Schoone Zwerfster_ moest van binnen geheel met bont
bekleed worden. Alle slaapplaatsen werden van bonten dekens voorzien,
de deuren en vensters werden met strooken bont dicht gemaakt en de
vloeren er mede belegd, teneinde de kachelwarmte zooveel mogelijk
binnen de vertrekjes te houden. Het plan van Cascabel was echter,
zooals wij reeds opgemerkt hebben en ook zeer noodzakelijk was, eerst
de zeeëngte over te trekken en vervolgens de strengste wintermaanden
te gaan doorbrengen in eene der vele bewoonde plaatsen welke men meer
in het Zuiden van Siberië aantreft.

Het vertrek werd eindelijk bepaald op den 21sten October. Nadat
er gedurende twee etmalen een zware mist gehangen had, was deze in
sneeuw overgegaan die in weinige uren de uitgestrekte ijsvlakte in
een sneeuwveld herschiep. Te Port-Clarence verzekerden de visschers
dat het ijs nu van den eenen tot den ander oever ontwijfelbaar vast
en dik genoeg moest wezen.

Zij kregen daarvan spoedig zekerheid toen er eenige kooplieden uit
het tegenoverliggende zeestadje Numana aankwamen, die bevestigden
dat de overtocht zonder eenige moeite of hindernis te doen was.

Den 19den had Sergius ook reeds vernomen dat twee van de russische
ambtenaren, die zich te Port-Clarence bevonden, niet langer
hadden verkozen te wachten en reeds naar de Siberische kust waren
overgestoken. Dien morgen waren zij op weg gegaan, met het plan op
het eilandje Diomedes eene poos te rusten en den tweeden dag daarna
te Numana aan te komen.

Toen Cascabel dit hoorde, verwonderde het hem zeer.

--Die twee lui, zeide hij, schijnen nog meer haast dan wij gehad te
hebben! Wat drommel, waarom hebben zij niet op ons gewacht? Het ware
wel zoo gezellig geweest samen te reizen.

Bij nader inzien kwam hij echter tot de slotsom dat de twee russen
zeker bang geweest waren onder weg vertraging te ondervinden, want
de _Schoone Zwerfster_ kon niet dan langzaam op het sneeuwveld
vooruit komen.

Vermout en Gladiator waren voor den rit over het ijs van gescherpte
hoeven voorzien. Dit nam echter niet weg dat de zware reiswagen
noodzakelijk, met inbegrip van den verplichten rusttijd op het eiland
Diomedes, verscheidene dagen over den tocht van den eenen oever naar
den anderen werk moest hebben.

Onze lezers kunnen licht vermoeden waarom de twee russische
politieagenten er op gesteld waren vroeger aan te komen. Zij wilden
alle maatregelen nemen om graaf Narkine dadelijk bij zijne komst te
kunnen aanhouden.

Met het aanbreken van den dag was er afgesproken dat onze karavaan
vertrekken zou. De weinige uren van den dag, waarin de zon nog licht
verspreidde, moesten benuttigd worden. Nog zes weken en het tijdstip
van zonnestilstand, de 21ste December, was daar. Van dien dag af zou
de lange nacht, die de Poollanden maanden achtereen in duisternis hult,
eenen aanvang nemen.

Den dag vóór hun vertrek bood Cascabel met zijne vrouw aan de
ingezetenen van Port-Clarence, de ambtenaren en visschers, alsmede
aan eenige Eskimo-gezinnen van welke onze reizigers vriendelijkheid
genoten hadden, eene theepartij aan in eene voor dit feest ingerichte
loods. Het was een vroolijke partij en Kruidnagel gaf eenige van zijne
grappigste liedjes ten beste. Cornelia had eene kom met gloeiende punch
gereed gemaakt, waarin zij met de suiker zuinig, maar met den rum en
den brandewijn mild geweest was. De gasten hadden zich daaraan zooveel
te meer te goed gedaan, dewijl zij wisten, als het feest afgeloopen
en het uur van naar huis gaan geslagen was, in eene felle koude te
zullen komen. Het was een van die winternachten waarin het is alsof
de koude uit de hoogste streken van den ijzigen hemel komt nederdalen.

De amerikanen stelden eenen feestdronk in op de franschen en de
franschen deden hetzelfde op de amerikanen. Daarna namen zij afscheid
van elkander met tal van hartelijke handdrukken, die bewezen dat de
Cascabels bij de lieden te Port-Clarence in een goed blaadje stonden.

Te acht uur van den volgenden ochtend werden de beide paarden voor den
wagen gespannen. John Bull, de aap, zat reeds in het dekkleed, tot
boven zijn neus in het bont bedolven. Wagram en Marengo, de honden,
sprongen vroolijk in het rond. Binnen de _Schoone Zwerfster_, die
zorgvuldig gesloten was, waren Cornelia, Napoleona en Kayette aan
hare gewone huiselijke bezigheden, zooals den wagen schoonmaken, den
pot koken, het vuur aanhouden enz. Sergius en Cascabel, Jan, Sander
en Kruidnagel liepen vooruit of leidden de paarden bij den teugel,
teneinde voor alles wat er gebeuren mocht bij de hand te zijn en de
moeilijkste plekken zooveel mogelijk te vermijden.

Eindelijk werd het teeken om te vertrekken gegeven. Op hetzelfde
oogenblik weerklonk er een hoera, dat de ingezetenen van Port-Clarence
hen ten afscheid nazonden.

Nog een paar minuten en de harde sneeuwlaag die het gladde ijsveld
overdekte, kraakte onder de wielen van de _Schoone Zwerfster_.

Sergius en de familie Cascabel hadden het vasteland van Amerika
voorgoed achter zich.



AANTEEKENING


[1] Dit is dezelfde breedte als Drontheim in Noorwegen.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home