Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De aardbeving van San Francisco - De Aarde en haar Volken, 1907
Author: Vries, Hugo de, 1848-1935
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De aardbeving van San Francisco - De Aarde en haar Volken, 1907" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                De aardbeving van San Francisco.

                 Door Prof. Dr. Hugo de Vries.



Als men met een ferryboot van Berkeley naar San Francisco gaat, heeft
men een overzicht over de geweldige ruïnen der hoofdstad. De aardbeving
heeft rechtstreeks niet zulk een groote schade veroorzaakt, maar
zij deed den brand ontstaan die nagenoeg de geheele stad in de asch
gelegd heeft. Zij brak de pijpen der waterleiding en maakte daardoor
het blusschen onmogelijk. Vóór zich ziet men het waterfront der stad
en het lage gedeelte, daarachter stijgt de stad tegen de heuvelen
omhoog. Zoowel de woningen der rijken als die der armen zijn door den
brand verwoest. Nobb Hill is evenzeer vernietigd als China-town. Rondom
Marketstreet, en tusschen deze hoofdader en het waterfront langs de
golf is alles vergaan. Op de hoofdlijnen rijden de trams nu weder,
nadat het puin van de straten verwijderd is. Rijdende van de ferries
naar het station in Townsendstreet, heeft men een overzicht van de
volkomen vernietiging. Alle hout, alle balken zijn geheel verbrand,
verkoolde overblijfselen ziet men zoo goed als niet. De ijzeren balken,
zelfs de allerdikste zijn door de hitte omlaag gezakt en gekromd,
gewrongen in alle denkbare richtingen.

De groote schade is door den brand aangericht; de rechtstreeksche
schade der aardbeving is in vergelijking klein. Zij beperkt zich
tot de slecht gebouwde huizen en tot de wijken die op weeken grond
stonden. Wat op vasten bodem stond en goed gebouwd was, weerstond aan
het geweldige schudden. Met name die gebouwen, die uit een stalen
geraamte zijn opgetrokken, hielden de schokken uit. Waren de muren
in de mazen van het geraamte los gebouwd, zoo werden zij verscheurd
en uitgeworpen, en ziet men nu het naakte geraamte. Waren zij echter
stevig gecementeerd, zoo bleven zij ongedeerd.

Zoo bleef die reuzenzuil op den hoek van Marketstreet en van de derde
straat, die naar het station van den Southern Pacific leidt, tijdens
de aardbeving ongedeerd. Het is het zoogenaamde Call-gebouw, waarin
het voornaamste dagblad, de San Francisco Call, gedrukt wordt. Het
werd eerst later door den brand aangetast, die in den koker van de
lift een weg vond, om in korten tijd alle verdiepingen te bereiken.

Het is echter mijn voornemen niet, hier een overzicht van die ramp te
geven. Daaromtrent is genoeg bekend geworden. Maar deze aardbeving is
in Californië terstond aangevat als een bron van studie, eensdeels
over de oorzaken van het verschijnsel zelf, en anderdeels over de
omstandigheden die de materieele schade veroorzaakt hebben. Deze
waren overal dezelfde, n.l. slechte bouw en weeke grond. De
Universiteit van Berkeley rust op rotsgrond en is goed gebouwd; zij
heeft betrekkelijk niet geleden. De gebouwen dierzelfde Universiteit,
die door de medische en aanverwante vakken gebruikt worden staan ten
zuiden van het Golden Gate op de helling der rotsachtige heuvelen
en bleven gespaard. Westelijk van Marketstreet, op het heuvelachtige
gedeelte, was alles na de aardbeving en vóór den brand zoo goed als
onbeschadigd. Maar het lage gedeelte der stad, dat deels op gewonen
kleigrond en deels op aangeplempten grond staat, werd het hevigst
geteisterd. Huizen van gebakken steen leden het meest, vooral als de
muren dun waren of waar, uit zuinigheid, slechte metselkalk gebruikt
was. Hoe vaster de grond, hoe zwaarder de fondamenten en hoe meer
het gebouw één massieve steenklomp vormde, des te minder schade leed
het. Daartegenover staan de houten woonhuizen, die hier de groote
menigte der gebouwen buiten het binnengedeelte vormen. Zij mogen
gekraakt hebben, maar zijn niet gebroken. Hun steenen schoorsteen en
zijn afgeworpen, en als het dak niet stevig genoeg was, vielen zij
daar doorheen. Het pleisterwerk hunner muren is overal gescheurd,
maar de huizen zelf zijn geen oogenblik onbewoonbaar geweest.

De oorzaak der aardbeving is in dit geval aan de oppervlakte der
aarde op verschillende punten zichtbaar, iets wat betrekkelijk zelden
voorkomt. Het gevolg daarvan is de mogelijkheid van een ingaande en
nauwkeurige studie. Terstond hebben de geologen deze taak in handen
genomen, en reeds den 21en April werd door de regeering van Californië
een commissie benoemd, om zooveel mogelijk alle gegevens te verzamelen
en te verwerken. De hoogleeraar in de geologie, Prof. Lawson, is
voorzitter dier Commissie. De zichtbare oorzaak der aardbeving is
een groote scheur, die over een groot deel van Californië en dicht
langs de kust loopt. Deze scheur is in den nacht van den 18en April
plotseling ontstaan als een gevolg van opgehoopte spanningen, en de
twee zijden van de scheur zijn daarbij langs elkander gegleden. De
verschuiving bedraagt omstreeks 6 meter, wat klaarblijkelijk voldoende
is om den geheelen bodem over een groot deel van den staat te doen
trillen en beven.

Het spreekt van zelf, dat ik er groot belang in stelde, deze scheur
door eigen aanschouwing te leeren kennen. Natuurlijk moest ik
mij tot een klein gedeelte beperken, want de scheur is bijna 400
mijlen lang. Ook zijn niet alle gedeelten even duidelijk of even
toegankelijk. De assistent van Prof. Lawson, de heer H. O. Wood,
had de vriendelijkheid mij en Prof. Osterhout, den botanicus, op een
zijner tochten mede te nemen. Hij moest een aantal photographische
opnamen voor de Staats-Commissie maken en daartoe een tocht langs het
noordelijkste gedeelte der scheur maken. Wij wandelden daar langs,
over een afstand van ruim een uur gaans en bezochten daarbij alle
punten waar de werking duidelijk was.

Deze streek ligt ten noorden van San Francisco, op het schiereiland
dat de golf aan de noordwestelijke zijde begrensd. Men vaart van de
stad met de ferry naar Sausalito over, en van hier voert de trein
eerst in noordelijke richting, om weldra naar het westen om te buigen
en dan de kust te naderen. Door twee lange tunnels voert de spoorweg
onder de heuvelenreeks van San Rafael naar het dal waarin de scheur
ligt. Als men de kaart van Californië wil raadplegen, zal men hier
een lang en smal schiereiland vinden, waarvan de noordelijke top
Tomales en de zuidelijke Bolinas heet. Het is een hooge en steile
heuvelenreeks. Van het vaste land is het, om het zoo uit te drukken,
door een even lange en even smalle laagte gescheiden. Van deze laagte
ligt de noordelijke helft onder water en vormt de Tomalesbaai; dan
volgt een dal, en aan het zuidelijke uiteinde weer een baai, de Bolinas
Lagoon. In het dal ligt het station Point Reyes, waar wij afstapten,
en het dorpje Olema, dat het eindpunt van onzen tocht vormde.

Dit dal is sedert vroegere geologische tijden de zetel van een stelsel
van scheuren in de aardkorst geweest. In het dal en langs de beide
baaien kan men de gevolgen van die scheuren zien, in verschuivingen
der aardlagen. Zij lagen vooral langs den westelijken kant, dus
langs de heuvelreeks van het schiereiland, en dit ziet men duidelijk
aan de steile hellingen dier heuvels, vergeleken met de glooiende
kanten aan de oostzijde. De steile hellingen zijn bedekt met bosch,
afgewisseld met naakte rotswanden, maar aan de oostzijde gaan de
grasvelden tot hoog op de heuvels. Die barsten gingen meestal gepaard
met verschuivingen in verticale richting, zoodat de laag eenerzijds
hooger kwam te liggen dan aan de andere zijde. Bij de aardbeving van
18 April vond echter zoo goed als geen verticale, maar alleen een
horizontale verschuiving plaats. Men neemt aan, dat elk dier barsten
en verschuivingen met een aardbeving gepaard is gegaan. De scheur van
18 April behoort klaarblijkelijk tot ditzelfde stelsel; zij vormt een
deel van de verschijnselen die het oprijzen van de kust van Californië
begeleiden. Men neemt aan, dat zij tot de zeer groote aardbevingen
behoort, en dat verreweg de meeste, die hier hebben plaats gevonden,
veel kleiner zijn geweest.

Het bedoelde dal is een rechte lijn, die van het N.W. naar het
Z.O. loopt. Als men deze lijn op de kaart verlengt, ligt haar
noordelijke verlenging geheel in zee, vlak langs de kust gaande tot
dicht bij Point Arena in Mendocine County, waar zij over land achter
dit voorgebergte omgaat. De zuidelijke verlenging gaat eveneens
eerst door zee, en loopt zoo voorbij San Francisco tot Mussel Rock,
acht mijlen ten zuiden van het Cliffhouse. Van daar gaat de lijn,
altijd in rechte richting, allengs het land in. Hier vindt zij weer een
lange rechte vallei, in welke zij bij Chittenden, even ten noorden van
Pajaro (lees Páharo) de spoorweglijn kruist. Dit punt ligt tusschen
San José en Santa Cruz. In de zelfde richting doorgaande loopt zij
door Monterey County tot in Ventura County bij Mount Pinos. Deze lijn,
van Point Arena tot Mount Pinos is 375 mijlen lang. Over haar geheele
lengte, zoover zij niet onder zee, of in moerassen of meren ligt,
kan men de scheur vervolgen. Overal vertoont zij zich op de zelfde
wijze en met de zelfde bijverschijnselen, en overal is de oostelijke
rand naar het zuiden en de westelijke naar het noorden verschoven. De
mate der verschuiving is waarschijnlijk overal in beginsel dezelfde;
maar wat men daarvan te zien krijgt hangt natuurlijk van de soort
van grond aan de oppervlakte af. Het gevolg daarvan is, dat men wel
meestal verschuivingen van omstreeks zes meter gemeten, maar hier en
daar ook kleinere waarden gevonden heeft.

Het is uiterst merkwaardig dat die lijn, over bijna 400 mijlen, een
zoo zuiver rechte richting volgt. Overal ligt zij in een streek,
waarin de structuur der rotsen een geheel systeem van barsten uit
oudere en jongere tijden aanwijst, die telkens met verschuivingen
gepaard gegaan zijn. Of de lijn misschien veel langer is, weet men
voorshands nog niet. Naar het Noorden ligt hare verlenging geheel in
zee, en zal het dus wel niet mogelijk zijn haar te bestudeeren. Aan
het zuidelijke uiteinde zijn de gegevens nog onvoldoende. Zeker is het,
dat de barst daar niet ophoudt maar zich veel verder uitstrekt. Echter
niet zuiver in het verlengde der oorspronkelijke richting, maar óf
met een ombuiging landwaarts in, óf met een systeem van parallele,
landwaarts in gelegen barsten.

Hoe oud dit systeem van barsten is, weet men niet juist. Zeker is
het dat het zich over een groot gedeelte der quaternaire periode
uitstrekt, dus waarschijnlijk in zijn geheel jonger is dan de groep
van barsten in de heuvels achter Berkeley. Hoe groot bij elke beweging
der aardschors de verschuiving was, is eveneens moeilijk na te gaan,
daar men in elke barst slechts de som van alle verplaatsingen meten
kan. Waarschijnlijk gaf elke plotselinge verplaatsing een aardbeving,
waarvan de intensiteit overeenkwam met de grootte der verschuiving.

Om zich een denkbeeld van de oorzaken van zulk een scheur en
dus van een aardbeving te maken, kan men uitgaan van de volgende
beschouwingen. In de eerste plaats is deze aardbeving ten minste geen
gevolg van een vulcanische werking en hangt zij met geen uitbarsting
van eenigen vulcaan samen. Verder weet men dat de aarde voortdurend
afkoelt en daarbij inkrimpt. De schors is echter al koud genoeg;
zij ontvangt van het inwendige ongeveer evenveel warmte als zij naar
buiten afgeeft en krimpt dus niet geleidelijk met het inwendige in. Het
gevolg moet zijn, dat zij rimpels en plooien krijgt, evenals de schil
van een appel die langzaam indroogt. De rimpels zijn de hoofdlijnen
der gebergten. Maar de aardkorst is hard en bros, en niet zoo taai
als een appelschil. Het rimpelen zal dus gepaard gaan met barsten,
die in hoofdzaak evenwijdig met de rimpels en op of langs deze zullen
loopen. Zulke systemen van barsten vindt men in Californië langs alle
voorname bergruggen, en een blik op de kaart toont aan, dat zij in
groote trekken evenwijdig met de kust loopen. De opheffing der kust,
die in de jongste geologische tijden omstreeks 1000 voet bedragen
heeft, is een van die verschijnselen van rimpeling.

Moge nu ook het inwendige der aarde zeer geleidelijk afkoelen, de
harde schors volgt haar inkrimpen slechts met schokken en stooten. Die
schokken zijn de aardbevingen. Tusschen elke twee schokken volgt de
schors niet, of niet voldoende en ontstaat er dus een spanning, die
allengs toeneemt. Eindelijk wordt die spanning te groot, de rotsmassa's
kunnen niet langer weerstand bieden en breken. Een verschuiving is het
gevolg, en een opheffing of ten minste zeer aanzienlijke vermindering
der spanning. In de volgende periode neemt deze nu weer langzamerhand
toe, maar het is duidelijk, dat de gescheurde grond niet meer een even
grooten weerstand kan bieden als de ongescheurde. M.a.w., veel vroeger
en bij een veel kleiner spanning zal de oude barst weer openscheuren
en de spanning vereffenen. Zoo worden de barsten allengs grooter en
kunnen de verschuivingen, die telkens slechts enkele meters bedragen,
in den loop der eeuwen tot honderden van meters aangroeien.

Deze geheele beschouwing leidt ons tot de voorstelling, dat de barsten
door de volle diepte van de vaste aardkorst heengaan. Dit punt kan
men niet rechtstreeks nagaan en wat men van de barst ziet is precies
het tegendeel. Deze is maar een meter diep, meest minder, zelden een
weinig meer. Op verschillende plaatsen heb ik in de barst gestaan, maar
overal was zij ondiep. Dit komt natuurlijk van het invallen van den
grond. Nergens loopt de barst door zuivere naakte rotsen, overal is de
bovengrond verweerd en kleiachtig, meer of minder hard. Die klei zakt
in en vult de barst, zoodat men nergens in de diepte kan zien. Toch
moet men aannemen, dat de barst ten minste een aantal mijlen diep is,
en het feit dat Santa Rosa, San Francisco en San José, die vele mijlen
ten oosten van de hoofdbarst liggen, verwoest zijn, bewijst natuurlijk
dat de barst niet eenvoudig een oppervlakkig verschijnsel kan zijn.

Onze tocht ging van Point Reyes langs den harden rijweg in de richting
van Inverness, dat op het schiereiland ligt. De weg gaat dus dwars door
het barsten-dal. Dit dal is laag en gedeeltelijk moerassig, terwijl
in het breede moeras hier en daar, in overlangsche richting, lage
glooiende, met gras begroeide heuvels loopen. Van het moeras loopt een
beek naar Tomalesbaai en een andere naar Bolinas-Lagoon. Onze weg ging
over de eerst genoemde beek, en een eind verder, in het moeras, over
een zijtak van deze. Hier konden wij het verschijnsel der verschuiving
voor het eerst waarnemen. De weg had vroeger in een lange rechte
lijn, in de richting van Olema naar Inverness, schuin door het moeras
geloopen. Er was natuurlijk geen reden om haar te doen afwijken, en de
rechte richting is de kortste en dus de goedkoopste. Waar de barstlijn
haar kruiste, was de grond uiteengereten en de twee einden waren van
elkander geschoven. De eene helft lag niet meer in het verlengde der
andere, maar daar naast, evenwijdig met dit verlengde. Op eenigen
afstand der scheur staande zagen wij dit zeer duidelijk. Het was
drie maanden geleden gebeurd, en de weg was dus hersteld. Een klein,
S-vormig gebogen stuk verbond de beide deelen. Dat dit nieuw was,
was gemakkelijk te zien, en aan de grasbermen aan de buitenzijde
van den weg konden wij nog duidelijk waarnemen, dat die vroeger niet
gebogen geweest waren maar recht doorgeloopen hadden. Wij maten de
verschuiving en bevonden dat deze zes meter bedroeg. Links van den
weg was het moeras deels drassig, deels blank water en begroeid met
lischdodden, biezen, schermbloemigen (Berula), gras en andere planten,
zoodat hier niets van de scheur te zien was. Rechts van den weg liep
de beek op een afstand van omstreeks 20 meter, en over dezen afstand,
die door een bank van harde klei ingenomen was, konden wij overal de
scheuren zien. De oever zelf was gebroken en verschoven in denzelfden
zin als de weg, waarmee hij evenwijdig lag, en onze meting gaf dus
natuurlijk ook hetzelfde bedrag. Op den hoogen en steilen oever had
een hek gestaan, uit houten palen en ijzerdraad gevormd. Westelijk
van de scheur stond het nog ongedeerd, oostelijk waren de palen
uit den grond getrokken en lag het hek in brokken op den grond. Wij
vonden in dit gedeelte van den oever talrijke secundaire scheuren,
meest een of twee voet breed, eenige meters lang en een halve meter
diep. Zij liepen natuurlijk in allerlei richtingen, die afhingen
van de hardheid der kleilaag. Waar die door een groep biezen vast
ineen zat, bogen de scheuren uit. Maar meestal was het dor gras, met
smalbladige weegbreê en andere gewone, betrekkelijk zwakke planten,
wier wortels geen weerstand konden bieden. De hoofdrichting van deze
kleine scheuren, die omstreeks 20 in aantal waren, liep schuin op de
richting van de hoofdbarst. De scheuren waren soms zoo wijd, dat ik
er gemakkelijk in kon afdalen, en toonden soms een omlaagzakking van
de eene zijde, die één of twee voet bedroeg.

Hoe de weg precies gescheurd was, konden wij natuurlijk niet meer
zien. Maar een der leden van de aardbevings-commissie had het punt
bezocht enkele dagen na den 18en April en vóór de reparatie, en toen
den toestand gephotografeerd. Er waren tusschen de beide uiteinden
van den weg drie groote scheuren geweest, op een onderlingen afstand
van omstreeks een meter, zoodat een stuk weg van ruim twee meter
lengte tusschen de beide buitenste scheuren verschoven en verbrokkeld
was. Maar deze beiden gingen scherp langs de nog rechte uiteinden
van den weg.

Dit verschijnsel, dat de barst aan de oppervlakte niet
noodzakelijkerwijze enkelvoudig is, maar uit twee of meer evenwijdige
barsten kon bestaan, vonden wij op onze verdere wandeling overal
terug. Soms liggen de barsten zoo dicht bij elkaar als hier, zelden
dichter; nog zeldzamer is het slechts één enkele lijn. Meestal gaan
zij verder uiteen, soms tot ruim 30 meter. De grond er tusschen
is dan natuurlijk als het ware stuk gewreven tusschen de beide
zich verschuivende kanten, en vol van secundaire barsten en andere
begeleidende verschijnselen. Men moet zich dan voorstellen dat ver in
de diepte de hoofdscheur enkelvoudig is, en zoo blijft, voor zooverre
zij door rotsachtig gesteente gaat, maar dat zij in de kleilaag
daarboven zich verdeelen kan, onder den invloed van den plaatselijk
wisselenden samenhang van dien verweerden grond. Men zou het ook zoo
kunnen opvatten, dat de kleigrond eigenlijk slechts passief gescheurd
wordt en dus barst waar hij meegeeft, maar verbrokkelt waar hij te
taai is.

Wij gingen links van den weg, dus in zuidelijke richting door het
moeras naar een lagen heuvelrug, waarin de scheuren duidelijk te zien
waren. Die rug loopt ongeveer evenwijdig aan de hoofdrichting der
vallei. Op zijn westelijke helling lag de scheur, die hier geregeld
uit een systeem van scheuren bestond waarvan de beide buitensten nu
eens wat verder, dan weer wat minder ver uiteenlagen. Alles lag op
de westelijke helling, en bijna overal gingen dus de scheuren met
secundaire verzakkingen naar het moeras toe gepaard. Denkt men zich
dat de schok werkt als een tijdelijke opheffing van het verband der
oppervlakkige lagen met hun ondergrond, dan begrijpt men gemakkelijk,
dat dit een afglijden van de glooiing ten gevolge kon hebben. De
grootte van die afglijding hing dan weer van de plaatselijke stevigheid
der kleilaag en dus voor een goed deel van de doorgroeiing daarvan
met plantenwortels af.

Als men van uit het moeras naar de helling keek, zag men de barsten als
lange donkere lijnen langs den bergrug loopen. Maar het moeras was,
zooals alle Amerikaansche plassen, vol muggen die ons voortdurend
beten, en wij gingen dus liever op den heuvelrug. De barsten waren
hier talrijk, meest evenwijdig, maar daartusschen schuinloopende,
als een gevolg van de wrijving der beide hoofdkanten. Nu eens was de
onderkant eenvoudig omlaag gezakt, en dus een terras gevormd. Dan
weer was de barst een of meer voeten breed geworden, zoodat men er
in kon loopen. De dikke wortels der struik-lupinen en de tallooze
wortelstokken van het adelaarsvaren hingen los in den gebarsten
grond. Soms was de wortelstok uitgetrokken, liep schuin over de barst,
maar was nog aan beide zijden in den grond bevestigd. Meestal waren
zij echter afgescheurd. Soms lagen twee hoofdscheuren op korten
afstand en was de grond er tusschen door kleine schuine barsten in
schollen verdeeld die dan omgedraaid en verschoven waren en met hun
westelijke punt over het gras naast de barst gedrukt waren. Men kon
dan den aard der beweging duidelijk zien. Het was alsof er kleine
aardschollen tusschen twee groote handen gewreven en geperst en ten
slotte naar buiten gedrukt waren. Die overgeschoven uiteinden waren
hier en daar afgebroken en meters ver over het gras, weggeworpen,
aanduidende de kracht waarmede dat alles gebeurd moet zijn.

Ook de plantengroei toonde soms duidelijk de werking aan. De grond was
meest begroeid met gras, dat nu dor was, en daartusschen weegbreeën,
herfst-paardebloemen en ander gewas, dat geen weerstand geboden had
en dus ook geen aanwijzing gaf. De wortelstokken van het adelaarsvaren
waren te talrijk, wij konden tenminste nergens vinden welke uiteinden
links en rechts van de scheur bijeen behoorden. Maar een groepje
bloembiezen, als onze Juncus conglomeratus, gaf ons de gewenschte
inlichting. Het was een ronde pol geweest van een halven meter in
doorsnede. Rondom waren de stengels groen en kleiner, naar het midden
toe langer, dichter gedrongen en met veel doode er tusschen. Daardoor
was het gemakkelijk, binnen en buitenzijde te herkennen. Die pol stond
precies op de westelijke hoofdscheur en was midden doorgescheurd. De
eene helft stond nog op haar plaats, de andere, oostelijke, was bijna
drie meter in zuidelijke richting verschoven, en daar in de gleuf
gevallen. Zij hing er nog halverwege in, want de gleuf was hier vrij
breed en diep, en de westelijke helft stond dan ook op den rand van
een afgrondje van een meter diepte. Zulke verschijnselen zagen wij
hier en daar. Zij duiden natuurlijk niet de geheele verschuiving aan,
omdat de andere hoofdbarst vrij ver weg gelegen is, maar gaven ten
eerste zuiver de richting der verplaatsing, en dan ten minste ook
een deel van de grootte daarvan aan.

Iets verderop gingen de barsten over een deel van den bergrug
waar een klein beekje den grond uitgegraven had en de omgeving
vochtig hield. Zulke plekken zijn hier overal met groen chaparral en
hoogere heesters, soms met boomen begroeid. Dwars door dit boschje
gingen de barsten, maar de grond was nat, en bijna alles was dus
al bij gezakt. Toch kon men de barstlijnen duidelijk zien, maar
van gebroken of verscheurde boomwortels zagen wij niets. Langs de
barsten waren de struiken echter langs elkander geschoven. Meestal
had dat geen zichtbaar gevolg nagelaten, maar op eene plaats vond
ik een Baccharis-heester, dus een der meest gewone soorten van het
chaparral, die vlak aan de barst stond en zijn takken wijd en zijd,
in alle richtingen en dus ook ver over de barst heen gezonden had. Die
heester stond op den oostelijken rand, en op den westelijken stond
een kleine live-oak, ook met een dikken, stevigen, rechtopgaanden
stam. Tegen dien stam waren de takken, die over de barst hingen,
aangeschoven; en daar de beide heesters een klein eindje voorbij
elkander bewogen waren, waren die takken daar achterom gebogen,
wat nog zeer duidelijk te zien was.

Nog iets verder ging dezelfde barst midden door een elzenboschje
waarvan de grond dicht met thimble-berries (platte wilde, een weinig
zure maar zeer lekkere frambozen), bramen en ander groen struikgewas
dicht begroeid was. De barst had klaarblijkelijk met den bodem alle
wortels op haar loop doorgescheurd, en de onderhelft van het boschje
was naar beneden gezakt, zoodat een ruim pad van meer dan een meter
breedte ontstaan was. Aan de bergzijde van dit pad was er weinig
veranderd, maar aan de moeraszijde waren al de elzen gestorven. Het
waren een half dozijn hooge en vrij dikke stammen. De elzenproppen van
het vorige jaar en hier en daar een groene, nog levende tak bewezen,
dat het sterven pas kort geleden was, en er kon geen twijfel zijn dat
het een gevolg van het afschuiven van den grond en het verscheuren der
wortels was. De enkele groene takken correspondeerden waarschijnlijk
met zijdelings gerichte en daardoor minder zwaar beschadigde wortels.

Wij daalden nu van de helling omlaag en kwamen op den rijweg. De barst
liep ongeveer evenwijdig aan deze, en eerst zagen wij de hoofdbarst
aan onze linkerhand, later rechts en daarna weer links. Klaarblijkelijk
waren er tal van kleinere barsten schuin door den weg gevormd geweest,
maar later weer gerepareerd. Hier en daar was de weg ook duidelijk
ineen gedrukt en opgeheven. Beiderzijds groeide nu heestergewas,
meest live-oaks en bay-laurels, met langnavelige hazelnooten,
thimble-berries, roosjes (Rosa gymnocarpa), Cascara (Rhamnus
californicus), veel smalbladige wilgen en allerlei andere soorten,
vaak overgroeid en ineengeslingerd door Lathyrussen en heggeranken
(Echinocystis). Rechts van den weg was de scheur dubbel, en de grond
er tusschen schuin gedrukt. Op die schollen vonden wij enkele kleine
heesters, die door de beweging geheel of ten deele ontworteld waren,
doch nog met hun hoofd wortels in de schol stonden als vroeger. Een
looistof-eik, (Quercus densiflora) was op deze wijze geheel gedood,
terwijl al de bladeren nog dor aan de takken zaten en een bay-laurel
(Umbellularia californica) was half dood met dorre bladeren en groene
takjes. Overal toonde de plantengroei min of meer duidelijk hoe de
scheuren ontstaan waren; maar ik mag natuurlijk niet meer voorbeelden
aanhalen.

Onze weg voerde ons, korten tijd voordat wij Olema bereikten, langs de
boerderij of ranch van den heer Skinner. De barst was midden door de
plaats, vlak vóór de beide huizen en onder de schuur door gegaan. Het
was hier maar één enkelvoudige barst, met een onderlinge verschuiving
der beide randen van omstreeks zes meter. Allerlei in het oog loopende
en zeer leerzame verschijnselen hebben dit punt tot het belangrijkste
van de geheele, bijna 400 mijlen lange barst gemaakt. Het belangrijkste
was de schuur. Deze is een groot, langwerpig vierkant houten gebouw,
opgetrokken op een fondament, dat onder de beide muren aan de uiteinden
goed en stevig gemaakt is, maar langs de lange zijden slechts uit
enkele palen in den grond bestond. De barst ging zóó onder die schuur
door, dat zij een hoek daarvan afsneed. Deze hoek brak echter niet
van het gebouw los, maar bleef daaraan vastzitten, werd echter van
zijn fondament afgeschoven. De beschadigingen van dit gedeelte waren
voor den eigenaar meer van belang dan voor ons. Maar wat ons trof was
het stuk fondament van de achterzijde. Het lag onbeschadigd in den
grond, van den hoek van het vroegere gebouw tot aan de scheur, met een
lengte van 8 à 10 Meter. Het was een rechte lijn, ongebogen. Het was
juist 15.6 voet onder het huis weggeschoven, en de afstand kon zeer
precies gemeten worden. De scheur rondom was weer aangevuld, maar de
hoek der schuur hing nog ten deele in de lucht, en men was tijdens
ons bezoek juist bezig die van een nieuw fondament te voorzien. Het
oude liet men onveranderd, als een aandenken aan de ramp en als een
gemakkelijke aanwijzing van haren aard en hare grootte. Achter de
schuur had een breede rijweg geloopen en het hek daarlangs was ook
gebroken op de scheur, terwijl de eene zijde eveneens 15.6 voet naar
het zuiden verschoven was. Verderop stond een dwarshek, dat door de
barst in evenwijdige richting getroffen was en alle sporen der daardoor
ontstane verwoesting toonde. Wat de bewoners bizonder getroffen had,
was de waterleidingspijp, die van uit een reservoir op den heuvel
achter den stal leidde en door de scheur uiteen getrokken was. Een
stuk pijp van ruim 15 voet had men moeten inlasschen om de schade
te herstellen. Elders was een pijp, die onder den grond liep, ineen
gedrukt en in een groote bocht boven den grond te voorschijn gekomen.

Op de boerderij stonden twee woonhuizen. Aan een van beide was de
scheur vlak langs den zijwand gegaan. Een hek, van paaltjes gemaakt
en witgeverfd, was daardoor losgescheurd, hier en daar verwrongen
en tenslotte met zijn uiteinde voor het midden van een kelderdeur
blijven staan. Tijdens ons bezoek was men er nog niet toe gekomen,
dit hek weg te nemen of de overige schade aan dit gebouw, dat hier
en daar van onderen naar boven opengereten was, te herstellen. Achter
het hek stond een rij van drie zware Eucalyptus-boomen (E. Globulus);
deze waren natuurlijk ook 15.6 voet langs het huis verschoven. Eén er
van was daardoor vlak voor een trapje geplaatst dat van de achterzijde
van het huis omlaag ging. Men kon de trap dus niet meer afkomen;
trouwens de boom had de onderste treden ook uiteengedrukt. Waar hij
vroeger gestaan had was nu een weg gemaakt, maar ter plaatse waar
de tweede boom gestaan had was de spleet nog open en konden wij de
vingerdikke afgescheurde wortels nog in den grond zien zitten. Ook
deze boom was natuurlijk 15.6 voet zuidwaarts verschoven.

Het andere huis stond op korten afstand dwars op het vorige, zoodat de
scheur aan zijn voorgevel voorbij was gegaan. Langs dien gevel liep
de rijweg en aan de andere zijde was een moestuin, met een hek van
witgeverfde paaltjes. De scheur was bijna evenwijdig aan den gevel
gegaan, ten noorden in den moestuin en ten zuiden schuin over den
rijweg loopende. Het pad door den tuin was recht tegenover de deur
geweest; nu was het ruim 15 voet naar het zuiden verschoven. Het
hek was vernield en ineengedrukt; enkele paaltjes stonden nog en
waren hoog overgroeid door hop, die verder op de grenslijn eenvoudig
over den grond moest kruipen. De scheur was dwars door een vak met
frambozen gegaan, die op rijen stonden en dus in de verschuiving der
rijen weer een goed middel gaven om de grootte daarvan te meten. In
het bizonder werd een rij uien gewezen, die midden doorgescheurd en
ruim 15 voet uiteengeschoven was.

Daarmede was ons onderzoek van de scheur zelve afgeloopen. Een
even belangrijke vraag is echter die naar hetgeen er buiten
het eigenlijke scheurgebied gebeurt. Dit kan men in twee deelen
verdeelen. De eene groep van verschijnselen omvat grondverschuivingen,
de andere de gevolgen van de trillingen, die bij het losscheuren
in de aardschors ontstaan en die meer in het bizonder den naam van
aardbeving dragen. Van die grondverzakkingen konden wij dien dag het
een en ander zien; de trillingen echter zijn het, die Santa Rosa,
San Francisco en San José verwoest hebben.

Het ligt voor de hand, wanneer de scheur in weeken grond de aardschors
onvast maakt, dat dan op korten afstand hetzij op de helling van een
heuvel, hetzij langs den oever van een beek of riviertje, grond omlaag
kan schuiven. Geschiedt dit onder een gebouw, dan kan dit tengevolge
daarvan verzakken. Het eerste wat wij daarvan zagen betrof de houten
brug over de hoofdbeek der vallei, dicht bij de plaats waar de weg
van Point Reyes zich naar Olema en naar Inverness vertakt. Aan den
oostelijken oever was de grond onder de brug omlaag gegleden en had
een der spanten medegenomen. De verplaatsing bedroeg maar enkele
voeten, maar de balken, waarop de vloer van de brug lag, waren van
het spant afgetrokken en met vloer en al omlaag gevallen. Evenzoo was
het opgaande gedeelte uiteengescheurd. Dit alles was nog duidelijk
te zien, ofschoon men tijdelijk een nieuwen vloer over het gebroken
gedeelte heen gebouwd had.

Evenzoo zagen wij de bruggen van zijwegen door het moeras plaatselijk
verzakt. Dicht bij Olema was de grond onder een huis naar de beek
afgezakt, en stonden de beide zijwanden in plaats van vertikaal en
evenwijdig, schuin en in een wijden hoek tegenover elkander. Het was
een houten huis, en zou dus van de aardbeving als zoodanig niet geleden
hebben. Toch was het, ofschoon niet inéén gevallen, onbewoonbaar
geworden en de eigenaar was bezig, dicht er bij een nieuw te laten
timmeren. Langs den weg in Olema zag men overal de gevolgen van die
verzakking. Een huis was, in zijn geheel en vrij wel onbeschadigd,
een paar meters achteruit gegleden, van de helling af, met grond en
al. Andere, wier voorgevel te hoog stond en dus bleef staan, waren
in het achtergedeelte van hun steunsel beroofd en dus omlaag gezakt,
nu eens het huis schuin trekkende, dan weer de ruiten brekende, elders
een veranda scheef zettende enz. Ook zag men sidewalks, die naar den
huiskant toe omlaag gezakt waren. Natuurlijk waren de schoorsteenen
gebroken en was men druk bezig die te herstellen.

Voor zoover wij de scheur bezochten, had de verschuiving alleen in
een horizontale richting plaats gevonden. Wat wij van verticale
verplaatsingen zagen, was geheel van localen aard en veroorzaakt
door de eigenschappen van den kleigrond of door het instorten van
aardschollen in de kleinere spleten of het omlaagzakken van den grond
tusschen de hoofdspleten. Evenzoo heeft men over de geheele lengte
van de spleet ten zuiden van San Francisco slechts horizontale
verschuivingen kunnen waarnemen. Van deze kon ik bij Chittenden,
waar de barst den spoorweg kruist, het een en ander zien. Men ziet
hier namelijk, van de trein uit, de barsten als zwarte lijnen over
den met gras begroeiden en dus bruinen heuvel loopen, die vlak achter
het station ligt. De voornaamste barsten gaan in de richting van de
scheurlijn, maar ook enkele zijdelingsche barsten waren duidelijk
te zien. Vertikale verplaatsingen ontbreken echter niet geheel op de
scheurlijn; zij worden aan het noordelijkste uiteinde gevonden, waar
deze het voorgebergte van Point Arena van het vaste land afscheidt. De
westelijke of juister zuidwestelijke zijde van de scheur is hier
omhoog en de tegenovergestelde dus omlaag gegaan. De verplaatsing
bereikt ten hoogste 4 voet. Dit feit is daarom van belang, omdat
het de overeenkomst van deze barst met de oudere barsten nog nader
aantoont. In die oude barsten kan men n.l. de vertikale verplaatsing
aan de verschuiving der lagen zeer goed waarnemen en meten, maar de
horizontale is meest onbewijsbaar, omdat men daarvoor geen punten
van vergelijking heeft.

Een merkwaardig gevolg van de scheur van 18 April is, dat de
plaatsen langs de kust van Californië niet meer precies daar zijn,
waar zij vroeger waren. Voor de astronomische observatoriën en
voor de merkpalen der landmeting moet dit natuurlijk een zeer
ongewenschte verandering geven, en vooral in het begin nogal veel
werk, om de juiste verplaatsing te bepalen. Langs de scheur kan men,
op een gewone excursie, alleen zien hoeveel de eene rand ten opzichte
der andere verplaatst is, maar of beide verschoven zijn, en zoo ja,
hoeveel elk, kan men niet nagaan. Sommigen beweren dat de top van
Mount Tamalpais door deze aardbeving juist even veel terug verplaatst
is, als zij bij een vorige uit haar vroegere ligging verschoven
was. Zij zou dus nu haar oude plaats weer hernomen hebben. Alle
grenslijnen van grondeigendommen, die over de scheur heengaan
zijn natuurlijk gebroken. Waar hekken stonden zijn de beide einden
juist zoo uiteengeschoven als de weg, dien ik het eerst beschreef,
en als niets anders op den grond de verschuiving aanwijst, is zulk
een onderbroken hek een hoogst opvallend verschijnsel. Het zal heel
wat werk kosten eer de juridische grensbepalingen weer geheel in
orde gekomen zullen zijn, en het schijnt dat vele eigenaars zich
voorloopig tot een eenvoudige praktische oplossing der vraag zullen
bepalen. Maar bij een lateren verkoop van eigendommen kunnen dan nog
allerlei kleine eigenaardige moeilijkheden ontstaan. Dringend echter
is een oplossing in een geval, waarvan ik vernam, dat een spleet
tusschen twee huizen doorging, zóó dat de muur van het eene voor de
voordeur van het andere geschoven werd.

Behalve in de vallei van Olema is de scheur der aardbeving voornamelijk
bij Santa Cruz onderzocht. Prof. Branner had zich aldaar gedurende
eenige jaren bezig gehouden met het in kaart brengen van de
verschillende barsten in het gebergte en van de verschuivingen
die zij veroorzaakt hadden. Juist was deze arbeid voltooid toen de
aardbeving van 18 April kwam. Alles was dus als het ware voorbereid
om de daarbij ontstane veranderingen nauwkeurig te bestudeeren. Een
groote nieuwe scheur was te midden der oude ontstaan als een diepe
groeve. Langs deze lijn waren de wegen van hun plaats geschoven,
waterleidingen gebroken, hekken in wanorde gebracht enz. De groeve liep
hier niet in het dal maar over de kam der heuvelen. De verschuiving
bedroeg hier meestal ongeveer drie meters, maar een opheffing of
verzakking was niet waarneembaar. Een oude eikenboom stond juist op
de scheur en werd ontworteld. Een huis dat er op stond werd in twee
deelen uiteengescheurd. Boomstronken werden van onderen naar boven
opgescheurd en verloren nu eens alleen hun bast, dan weer werd ook het
hout uiteengereten. In een bosch bij Loma Prieta maakte de scheur, die
hier een dubbele was en den grond tusschen de beide lijnen fijnwreef,
een recht pad, dat over de geheele lengte door liep. Hier ontstond
ook een zijtak van de hoofdscheur. Langs dezen tak was de berg als
't ware verbrijzeld, als of hij opgetild en daarna op een harde
grond gevalle ware. Kleine barsten liepen hier zeer talrijk, meer
dan driehonderd konden over een lengte van een mijl geteld worden.

Het zichtbaar worden van de scheuren in de oppervlakte van den
aardbodem is een verschijnsel, dat gewoonlijk bij aardbevingen niet
wordt opgemerkt. Het schijnt dat de aardbeving van San Francisco in
dit opzicht eenig is. Het is natuurlijk mogelijk, dat men er vroeger
niet op gelet heeft, maar de verschijnselen zijn zoo in 't oogloopend
en berokkenen in bebouwde streken zulk een onmiskenbare schade, dat
dit haast niet denkbaar is. Men moet dus aannemen dat de scheur in
de diepere aardlagen ontstond, en dat de bovenste elastisch genoeg
waren om daarin niet te deelen. In zulke gevallen is het natuurlijk
veel moeilijker om de juiste plaats van de scheur te bepalen dan in
het tegenwoordige.

Ik kom thans tot de bespreking van de trillingen of golven, die
door het plotseling scheuren ontstaan. Links en rechts van de scheur
zijn zij natuurlijk geweldig en veroorzaken zij de verschijnselen van
omwerpen van gebouwen, die men als de gewone gevolgen eener aardbeving
pleegt te beschouwen. In Californië heeft zich deze streek omstreeks
25-30 mijlen landwaarts in van de scheur uitgestrekt, en voor zooveel
de waarnemingen aan het zuidelijk uiteinde een gevolgtrekking toelaten,
ook even ver naar den westelijken kant. Verderop, ja over den geheelen
aardbodem is de aardbeving door de daarvoor bestemde toestellen
opgeteekend. Zulke waarnemingen zijn gedaan te Washington, Potsdam,
Tokio en elders. De geheele aarde beefde toen San Francisco verwoest
werd. Die toestellen heeten seismograaf en bestaan in hoofdzaak
uit een slinger, die zijn bewegingen op een onderliggend vlak kan
opschrijven. De richting, het aantal en de betrekkelijke groote der
trillingen worden aangeteekend, alsmede de tijd, waarop de aanteekening
plaats vond. De aardbeving van 18 April veroorzaakte achtereenvolgens
drie systemen van golven. De uitslag was eerst ongeveer van noord
naar zuid, dus evenwijdig aan de scheur. Dit was klaarblijkelijk
een rechtstreeksch gevolg van de verschuivingen bij het ontstaan
daarvan. Nadat de naald een aantal zulke golven had opgeschreven,
veranderde zij haar richting en trilde van oost naar west, dus
loodrecht op de scheur, om ten slotte een groep onduidelijk draaiende
en verwarde bewegingen aan te geven, die geen bepaalde hoofdrichting
meer hadden. Deze brachten ten slotte de aardbeving tot rust. Voor
een leek geeft zulk een figuur slechts een zeer onvolledig denkbeeld
van de bewegingen. Daarom wil ik hier de waarnemingen aanvoeren van
iemand die te Santa Rosa juist uit zijn raam keek toen de aardbeving
begon. Vrij ver in den tuin stond een groote iep, vrijwel afgezonderd
van andere boomen. Plotseling begon de geheele kroon heen en weer
te zwiepen, niettegenstaande er geen wind woei. De geheele boom boog
eerst naar de eene zijde en daarna naar de tegenovergestelde over en
herhaalde dit een paar malen. Toen scheen de stam met den grond omhoog
te rijzen en weer te dalen, en maakte allerlei bewegingen tot bijna
even plotseling alles ophield. Niets was daarbij gebroken geworden,
noch aan dien boom, noch aan eenig ander gewas in denzelfden tuin. Dit
is trouwens een algemeene ervaring; behalve juist op de spleet zijn
boomen en planten door de aardbeving zoo goed als nergens beschadigd.

Een zeer belangrijk punt is de vraag, hoe de golven zich door harde
en hoe door weeke gronden voortplanten. Met de eerste zijn de rotsen
zelven bedoeld; als weeke grond wordt de alluviale, aangeslibde bodem
bestempeld, die uit meer of min zanderige klei bestaat. In den harden
grond planten de trillingen zich als krachtige maar kleine golven
voort, in den weeken bodem veranderen deze in groote langzamere, maar
geweldig verwoestend werkende golven. De kleigrond trilt als een gelei,
zegt men, wat er opstaat wordt zoover heen en weer geslingerd, dat het
breekt en ineen valt. Dit is de voorstelling, die men zich er thans
van maakt, en die nog aan de waarnemingen moet getoetst worden, zoodra
deze volledig genoeg zullen verzameld zijn. Ik vermeld haar hier niet
als een vaststaande wetenschappelijke verklaring, maar omdat ik denk,
dat zij voor mijn lezers het overzicht over de details der verwoesting
gemakkelijk kan maken. De aard der gebouwen speelt natuurlijk ook een
groote rol, en maakt daardoor dikwijls het maken van gevolgtrekkingen
onzeker, vooral wanneer, zooals helaas bij deze gelegenheid zoo vaak
gebleken is, de bouw niet voldeed aan de voorschriften, volgens welke
de bouwmeester betaald werd.

In San Francisco kon men hier en daar het wezen dier groote golven
bestudeeren. Het is in het lage op aangeplempten grond gebouwde
gedeelte ten zuidoosten van Marketstreet. Hier werden de straten
volgens ooggetuigen golfsgewijs opgetild, met golven zoo hoog als
een man. Men zag de golven als het ware onder de straten doorgaan en
deze optillen en weer laten zakken. Hetzelfde vertelde een ooggetuige
van een spoorweglijn bij Santa Rosa. Deze mededeelingen schijnen
ongelooflijk, maar waar de achtste straat te San Francisco door dit
aangeplempte gedeelte gaat, is de straat in die plooiingen gebleven,
nadat de golven ophielden en loopt men daar dus nu nog als over een
reeks van kleine heuvels.

De streek, waarover de aardbeving haar verwoestingen deed gelden,
bedraagt ter weerszijden van de barst omstreeks 25-30 mijlen. Maakt
men nu een lijstje van de steden en dorpen van deze streek en wel
eenerzijds voor die welke op rotsgrond staan, andererzijds voor die
welke in de dalen liggen en dus op alluvialen grond gebouwd zijn, dan
ziet men de tegenstelling terstond. In de eerste groep behooren Santa
Cruz aan de westzijde, en Petaluma en San Rafaël aan de oostzijde der
scheur. Tot de verwoeste plaatsen behooren Salinas aan de westzijde,
San José en Santa Rosa aan de oostzijde. De drie eersten zijn op
rotsgrond, de drie laatsten midden in de dalen gebouwd. San José ligt
13 mijlen en Santa Rosa 20 mijlen oostelijk van de scheur, terwijl San
Rafaël en Petaluma beiden dichter daarbij liggen. Te Salinas werden
niet alleen de steenen gebouwen van het stadje verwoest, maar ook de
suikerfabriek van den heer Spreckels, een gebouw met stalen geraamte,
maar met onvoldoende fondeering. Omtrent een aantal andere minder
bekende plaatsen ontving de Commissie, aan wier rapport deze gegevens
ontleend zijn, opgaven die het bedoelde verband tusschen grondsoort
en graad van verwoesting bevestigen.

San Francisco behoort, zooals wij reeds gezien hebben, tot beide
groepen. Het is voor een deel op de rotsachtige heuvels en voor een
deel op zeer weeken grond gebouwd. Men kan er zelfs vier grondtypen
onderscheiden, n.l. de rotsachtige heuvelhellingen, de valleien
tusschen de heuvels, waarin in de oude tijden grond afgezet is, de
zand-duinen en het kunstmatig aangeplempte land langs de baai. Wanneer
men nu niet let op de gevolgen van den brand, maar alleen op den
toestand na de aardbeving en vóór den brand, dan komen de verwoestingen
zeer wel met deze vier grondsoorten overeen. Op den aangeplempten grond
overtroffen zij alle voorstelling, en van hier uit zijn de branden
dan ook voortgekomen. De grond schudde als een gelei of als water
waarin een steen wordt geworpen. In de zandduinen moeten de golven
ook groot geweest zijn, blijkens de talrijke scheuren en barsten,
en hetzelfde geldt, ofschoon in iets mindere mate, van den lagen
grond in de valleien. Hier werden vele gebouwen zwaar beschadigd,
ofschoon in veel minderen graad dan op den aangeplempten grond. Op
de rotsachtige heuvelhellingen en op de toppen der heuvels was de
verwoesting echter zeer gering; hier en daar werden schoorsteenen
afgeworpen, maar elders ook weer niet. De trillingen moeten hier
kort en elastisch geweest zijn, en waarschijnlijk gelijk aan die
van de rotsen onder de gebouwen. In Oakland en Berkeley kon men,
ofschoon op veel kleinere schaal, de betrekking tusschen grondsoort
en verwoesting zien, en de Universiteit, die op den rotsachtigen
grond van haar campus staat is zoo goed als ongeschonden gebleven.

In het begin heb ik er reeds op gewezen, dat niet de grond alleen
beslist, maar dat ook de bouwwijze van groote beteekenis is. Houten
gebouwen aan de eene zijde, en massieve steenen kolossen met stalen
geraamte aan de andere zijde, mits met goede fundeering, weerstonden
de schokken. Huizen van gebakken steen, vooral die met dunne muren,
verdwenen bij de eerste trilling. Hieruit volgt, dat de beide
eerste typen voor de toekomst alleen aanbeveling verdienen, en dat
alle steenen gebouwen van een voldoend ijzeren geraamte behooren
voorzien te worden. Tevens kan men besluiten, dat het geenszins
onverschillig is, waar men een gebouw plaatst. De aangeplempte
grond deugt niet voor publieke gebouwen; deze moeten op rotsgrond
opgetrokken worden. De waarde van een huis of paleis moet de plaats
bepalen, de beste terreinen moeten voor de duurste of belangrijkste
gebouwen worden bestemd. In dit opzicht zijn uit de jongste aardbeving
tal van lessen te trekken, die voor het vervolg de schade van zulke
woeste natuurverschijnselen aanmerkelijk zullen kunnen verminderen.

Waterleidingspijpen moeten zooveel mogelijk beveiligd worden, teneinde
niet juist gebroken en doelloos te worden, wanneer een aardbeving
branden veroorzaakt. Wat dwars over de scheur gaat, zal wel altijd
gebroken worden, maar op een afstand van de hoofdlijn, zooals te
San Francisco, kunnen voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Het
is weer de harde grond, die de voorkeur verdient, en waarin dus de
hoofdbuizen moeten liggen. Hun aansluitingen met de zijbuizen, die naar
den weekeren grond gaan, moeten voldoende en gemakkelijk afsluitbaar
gemaakt worden, teneinde gebroken pijpen van het overige deel van het
stelsel te kunnen losmaken. Allerlei voorschriften kunnen ook hier
allengs afgeleid worden, om ook dit gevaar zoo klein mogelijk te maken.

Veel voorschriften waren feitelijk reeds van vroegere aardbevingen
bekend, en o.a. de Universiteit van Stanford is voor een groot gedeelte
overeenkomstig die voorschriften gebouwd en in dat gedeelte dan ook zoo
goed als onbeschadigd gebleven. Maar zorgeloosheid en winzucht hebben
overal tot afwijkingen en ontduikingen geleid, en de straf voor deze
is verschrikkelijk. Zij treft echter zoo dikwijls anderen dan juist
de schuldigen, dat men thans algemeen inziet dat de handhaving dier
voorschriften een zaak van algemeen belang is, meer nog dan dat van den
bizonderen eigenaar. Vooral de brand trof in hoofdzaak onschuldigen.

Een vraag, die hier natuurlijk telkens besproken wordt, is die naar
de kans van een herhaling der aardbeving. Het is aan aardbevingen
eigen, dat zij zich herhalen. Gedurende eenige uren worden zij door
talrijke kleinere schokken gevolgd, dan worden deze allengs zeldzaam,
maar zij zijn eenige weken lang toch nog vrij talrijk, en daarna
heeft men nog eenige maanden waarin van tijd tot tijd herhalingen
voorkomen. Al deze schokken zijn echter ongevaarlijk; zij hebben
ook ditmaal geen schade berokkend. Men schrijft ze daaraan toe, dat
de aarde zich eerst allengs volledig kan ontdoen van de spanningen,
die de eerste scheur veroorzaakten. De grond zet zich langzaam, om het
zoo eens uit te drukken. Wellicht gaat aan elke schok het ontstaan van
een grootere of kleinere secundaire scheur vooraf, die het middel is,
waardoor de spanning wordt opgeheven.

De aardbeving van 18 April begon des morgens om 5u. 12m. 6sec. volgens
den tijd van Californië. Zij eindigde 5u. 13m. 11sec. en duurde dus
één minuut en vijf seconden. In het eerste uur daarna werden twaalf
kleinere schokken seismographisch opgeteekend, in de volgende twaalf
uren nog 31. Dit duurde met afnemend aantal gedurende eenige dagen
voort, en nog onlangs, op 19 Juli, werd des nachts door velen een
zeer duidelijke schok gevoeld.

Een zeer eigenaardige beschouwing, die ik hier vernam, is de
volgende. Zij geeft een denkbeeld van de hoop der Amerikanen en hun
vertrouwen op eigen werkkracht. Wat zou men kunnen doen om aardbevingen
te voorkomen? Zou dit mogelijk zijn? Natuurlijk niet de kleinere,
want die berokkenen geen schade. Maar zou het denkbaar zijn, schokken
als van 18 April te voorkomen? Het schijnt ongerijmd, maar is het
ongerijmder dan de telefonie was vóór Bell? Er is natuurlijk geen
sprake van om in eens een middel te vinden. Maar een weg daartoe
schijnt toch uit de ervaringen te kunnen worden afgeleid. Men kan
daarbij uitgaan van het beginsel, dat een aardbeving een vereffening
van spanningen is, en alleen dan verwoestend, als die spanningen te
groot geworden zijn. Kon men dus een aardbeving zóó verdeelen, dat zij
uit een aantal kleinere schokken bestond, dan zouden allen te zamen
wellicht ongevaarlijk zijn. Men zou dan een middel moeten vinden,
om het ontstaan dier spanningen rechtstreeks waar te nemen en ze te
meten, en dit is, nu men weet waar men ze ongeveer te verwachten heeft,
volstrekt niet onmogelijk. Kon men dan de oude barst openhouden, dan
zou de weerstand tegen de opheffing slechts klein behoeven te zijn,
en waarschijnlijk zouden de schokken dan gebroken kunnen worden. Of
kon men de trillingen zelve lang vóór dat de spanning te groot
werd, grooter doen worden, dan zouden kleine vereffeningen en dus
onschadelijke schokken allicht de plaats der grootere aardbevingen
kunnen innemen. Dit zijn alle natuurlijk nog maar vage beschouwingen,
en de krachten die hier in werking zijn zullen misschien ten slotte
toch te groot zijn om door den mensch beheerscht te worden. Maar
dat men zulke beschouwingen verneemt, pleit voor den moed van het
volk, en tevens opent het de kans, dat ook op dit gebied eenmaal een
gelukkig toeval en een geniaal verstand samenwerken, om onze macht
over de natuur tot welzijn van het menschdom te vergrooten.

Inmiddels zitten de Californiërs niet stil. De ramp heeft hen
niet terneergeslagen. Overal is men vol moed bezig te herstellen
en te herbouwen. Wanneer een volgende aardbeving zal komen en hoe
krachtig zij zal zijn, kan men nog niet weten. Maar aardbevingen
met zulke verwoestende gevolgen zijn in den loop der geschiedenis
zeldzaam en er is geen enkele reden om te denken dat zij in de
toekomst veelvuldiger zullen worden. Lange perioden van rust volgen
op iederen grooten schok. De aarde moet heel wat afkoelen voordat er
weer zulke spanningen kunnen ontstaan. De kansen zijn gering, in elk
geval klein genoeg om het herbouwen der verwoeste steden ten volle te
rechtvaardigen. Andere landen mogen mindere kansen hebben, maar geheel
vrij van gevaar is toch misschien geen enkele streek. Ten minste geen
streek, groot genoeg voor een land als Californië. En nergens zijn de
rijkdommen van den bodem en van het klimaat zoo onvergelijkelijk groot,
nergens biedt een haven zulke onschatbare voordeelen als die van San
Francisco. Alles samengenomen is het nadeel van de kans op aardbeving
toch veel kleiner, dan het voordeel van alle goede eigenschappen des
lands. Vooral als de leeringen der vroegere rampen eerlijk en zonder
uitzondering in praktijk zullen worden gebracht. De kleinere steden
herrijzen spoedig uit hun puinhoopen, maar het zal jaren duren vóór
San Francisco zich weer geheel hersteld heeft. Dan echter zal het
de parel van het Westen zijn, zoo schoon als nog nooit een groote
handelsstad geweest is.



De Stanford-Universiteit.


Naast de ramp van San Francisco wordt onder de gevolgen der aardbeving
de verwoesting van een deel der gebouwen van de Universiteit van Leland
Stanford Junior te Palo Alto wel het meest besproken. De aardbeving
heeft hier een groot aantal gebouwen getroffen, die om hun bouw
algemeen bewonderd werden. Van de allerschoonste daaronder zijn de
kunstwerken geheel of ten deele vernietigd. Iedereen in Californië
kent, zij het ook slechts door afbeeldingen en beschrijvingen, de
Memorial Arch en de Memorial Church. De eerste is onherstelbaar
beschadigd en moet afgebroken worden, en daarmede gaat wellicht
het meest imposante kunstwerk van Californië verloren. Van de kerk
is de koepel ingevallen en het dak rondom vernietigd, de muren met
hun beschilderde glasruiten zijn echter zoo goed als onbeschadigd
gebleven. De voorgevel echter heeft zijn fraaie muurbeschildering
verloren, en het is zeer twijfelachtig of die zal kunnen hersteld
worden.

Al deze rampen hebben echter aan de Universiteit een zeer duidelijke
vingerwijzing gegeven omtrent de waarde van verschillende wijzen
van bouwen. Een aardbeving is rechtvaardig, maar een brand is
onrechtvaardig, zeide President Jordan toen ik hem in Juli bezocht. De
aardbeving spaart wat goed is en vernielt wat slecht is, maar een brand
tast alle huizen en gebouwen zonder onderscheid aan. Wat goed gebouwd
was, d.w.z. overeenkomstig met de ervaringen bij vroegere aardbevingen
opgedaan, heeft op 18 April weerstand geboden, maar wat uit zuinigheid
minder deugdelijk opgetrokken was, is terneergeworpen of zoo gebroken,
dat de kosten van het herstellen veel hooger zullen zijn dan de sommen,
die men bij den bouw meende te kunnen besparen. Deze ervaring is
geheel dezelfde als die men ook te San Francisco en elders opgedaan
heeft; maar nergens zijn de feiten zoo sprekend en zoo eenvoudig en
onweerlegbaar als hier.

Palo Alto en de Stanford-universiteit liggen veel dichter bij de
barst, die de aardbeving veroorzaakt heeft, dan San Francisco
en Santa Rosa. Van het campus uit ziet men, in het westen, het
Santa Cruz-gebergte zich als een lange lijn van noord naar zuid
uitstrekken. De barst loopt langs den voet van dit gebergte aan
de zijde van Palo Alto door een smal dal. Tusschen dit dal en de
Universiteit ligt een reeks van lage heuvels, die voor een groot
deel tot het grondgebied der stichting behooren. De afstand van de
Universiteit tot de barst is slechts 4 1/2 mijl. De grond waarop de
hoogeschool en de stad liggen is bijna vlak en daalt in zeer zachte
helling van de heuvels in het westen naar de golf van San Francisco
in het oosten. Deze is zoo dicht bij, dat men het blauwe water van
verschillende punten zien kan. De grond is dus aangeslibd, een vrij
vaste klei vormende, zooals die hier algemeen voorkomt en onder den
spaanschen naam van adobe bekend is. Het is dezelfde klei, waarvan in
de regenlooze woestijnstreken de lage huizen der Mexicanen gebouwd
worden, zonder dat de klei gebakken wordt. In zulk een grond plant
zich de aardbeving als machtige golven voort, die niet kort en scherp
stooten als op rotsgrond, maar langzaam en krachtig de gebouwen heen
en weer schudden. Hoe zij werken kon men het duidelijkst aan de boomen
op het campus zien. Zoolang als de schokken duurden werden deze heen
en weer geslingerd en nu eens naar rechts, dan weer naar links met hun
takken ter aarde gebogen. Daarbij bewogen zij zich niet allen in een
zelfde tempo, maar terwijl de een naar het oosten boog, kromde een
ander zich naar het westen, en weer andere in andere richtingen. De
boomen leden daarbij hoegenaamd geen schade; het is onbegrijpelijk hoe
buigzaam en elastisch zij onder de werking van zulke groote krachten
zijn. Op de barst zelve zijn, in het Santa Cruz-gebergte, een aantal
boomen gebroken en neergeveld, ook van de reuzen van het gebergte, de
Sequoia sempervirens. Zij werden nu eens van onderen af opgescheurd,
dan weer onttopt, of ook midden doorgebroken, maar dit was natuurlijk
een gevolg van den dubbelen stoot, die ze tegelijkertijd in twee
tegenovergestelde richtingen trachtte te verplaatsen.

De trillingen of golven in de aardkorst, die het gevolg van het
plotseling openscheuren en de daarmede gepaard gaande verschuiving
van de randen der barst zijn, vormen wat men gewoonlijk de aardbeving
noemt. Men kan zich voorstellen dat die golven zich van de scheur af
zijwaarts voortplanten, maar ook van elk punt der scheur in schuine
en schuinere richtingen. Die welke rechtstreeks van de scheur kwamen
gedroegen zich als gewone onschadelijke aardbevingen, en al wie op
dit gebied voldoende ervaring had, meende aanvankelijk met zulk een
goedig geval te doen te hebben. Maar de golven die in schuine richting
aankomen, loopen natuurlijk tegen elkander in, waarbij zij elkander
kunnen opheffen of versterken, of wel te zamen tot een snel draaiende
beweging aanleiding geven. Deze opvatting komt in hoofdzaak, hoewel
niet geheel, met de vroeger besproken seismographische aanteekeningen
overeen; ik geef haar zooals zij mij werd medegedeeld. Aan de draaiende
beweging werd vooral de vernielende werking van deze aardbeving
toegeschreven. In het huis van President Jordan, dat op de grens van
de groote groep van gebouwen ligt, scheen het alsof de natuur trachtte
het houten huis rondom de steenen schoorsteenen te wringen. Het hout
gaf toe en liet zich buigen, en de bouw was stevig genoeg om alles
in één te houden. Maar het pleister werd afgewrongen en gebarsten,
vooral dat van de schoorsteenen maar ook over groote gedeelten der
kamerwanden. Boeken werden uit hun kasten naar het midden der kamer
geworpen; daarop kwamen de vazen, borden en ander aardewerk terecht,
die rondom de wanden sierden, en zij vielen zoo zacht op de boeken,
dat er betrekkelijk slechts weinig van gebroken werd. Maar ook meubels
werden naar het midden geslingerd; in een vertrek viel zelfs de piano
voorover. Schilderijen en platen die aan koorden hingen, slingerden
in de korte oogenblikken dat de muur schuin stond; soms draaiden zij
daarbij om en kwamen met hun voorzijde tegen den muur weer op hun
oude plaats terecht. Alles toonde later nog aan dat de draaiende en
heen en weergaande bewegingen, die men in die lange minuut meende
gezien te hebben, ook werkelijk zoo hadden plaats gevonden.

Het is natuurlijk niet mogelijk, de waargenomen verschijnselen in
alle bizonderheden te verklaren. Van een rij van aarden kannen werden
enkele omlaag geworpen, terwijl andere onbeschadigd op hun plaats
terug kwamen. In de kelderverdieping van het zoölogisch laboratorium
zijn de rijke verzamelingen van visschen uit alle werelddeelen, die
Prof. Jordan voor zijn studiën over de oorzaken der geographische
verspreiding in den loop van vele jaren bijeengebracht heeft, op
houten rekken als in een bibliotheek geplaatst. Elke vischsoort,
en de exemplaren van elke vindplaats zijn in een flesch gebracht en
worden hierin in spiritus bewaard. Van die flesschen waren er een
groot aantal op den grond gevallen en gebroken, maar andere flesschen,
op hetzelfde rek en op de zelfde plank, waren niet merkbaar van hun
plaats geweken. Volkomen grillig had de aardbeving sommige soorten
trachten te vernielen en andere gespaard. Soms lagen de flesschen
naast elkaar op den grond, gebroken, doch met den inhoud nog er in
of erbij, zoodat elke visch weer bij zijn etiquette terecht gebracht
kon worden. Soms echter lag alles zoo wanhopig dooreen, dat men, om
ze niet te laten bederven, eenvoudig den heelen hoop der visschen met
al hun etiquetten dooréén, samen voorloopig in een groote flesch in
spiritus gebracht had. Gelukkig trof dit noodlot vooral de verzameling
van gedetermineerd en volledig beschreven materiaal, zoodat door
raadplegen van de beschrijving, elk exemplaar weer terecht gebracht
kan worden. In een andere kamer stonden echter de nog onbeschreven
visschen, en hier zal het in vele gevallen wellicht niet mogelijk zijn,
voor elk exemplaar het bijbehoorend etiquette, waarop de vindplaats
vermeld is, terug te vinden.

Deze grilligheid, die in zulk een verzameling zoo zeer in het oog
loopt, vindt men nu overal in de gebouwen terug. In groote trekken
is er geen twijfel aan, dat de graad van soliditeit beslist, en men
kan dit tot in vele bizonderheden aantoonen. Maar ten slotte staat
men altijd voor de vraag, waarom een bepaalde boog gebroken is,
terwijl zijn buren heel bleven, of waarom uit een gevel juist dit
stuk uitgevallen is, en niet het aangrenzende. Al die bijzonderheden
behooren als onderdeelen van het geheele beeld opgemerkt te worden,
maar tot de verklaring der verschijnselen dragen zij niet bij.

De Universiteit is oorspronkelijk, omstreeks het jaar 1890, gebouwd
als een langwerpig vierkant van gebouwen. De geheele groep omgeeft, in
een dubbele rij, een plein van dien vorm. De gebouwen wier gevel naar
het plein is toegekeerd, vormen het inwendig Quadrangle: daar rondom
staat het uitwendig Quadrangle met de gevels naar buiten gekeerd. Beide
gevelfronten zijn rondom gevormd door een zuilengalerij in Spaanschen
stijl, en de gebouwen zelve zijn, met eenige uitzonderingen,
slechts één verdieping hoog. Deze oorspronkelijke gebouwen zijn,
volgens de plannen van den heer Stanford en onder diens toezicht,
hoogst soliede gemaakt, en hebben dan ook zoo goed als geen schade
geleden. Daarbij moet natuurlijk afgezien worden van het pleisterwerk,
dat overal gebroken en gebarsten is, en van enkele schoorsteenen.

De geheele Universiteit is gebouwd van zandsteen, zooals die hier in
den omtrek gevonden wordt en onder den naam van San Jose-zandsteen
bekend is. Het is een mooi, grijsgeel gesteente. Het wordt voor de
binnenzijde der muren meest glad afgehouwen, maar aan de buitenzijde
ruw gelaten, waardoor een zeer bepaalde indruk van het geheel
verkregen wordt. De oude gebouwen waren gemaakt van steenen, die
elk zoo dik waren als de geheele muur, en die met cement aan elkaar
waren bevestigd. Deze methode bleek dus zoo volkomen te voldoen,
als men tijdens den bouw verwacht had. Wel is het een dure bouwwijze,
en om haar goed te doen uitvoeren, heeft men de werken in eigen beheer
genomen. Mochten de kosten bezwaar maken, dan bestreed de heer Stanford
dit steeds met de woorden: "Reken op een aardbeving."

De galerij van arcaden, die rondom het plein en rondom het buitenste
vierkant der gebouwen, telkens als één geheel doorloopt, is niet
geheel zonder schade ontkomen, ofschoon zij op dezelfde wijze gebouwd
was. Maar de bogen rusten natuurlijk op zuilen, die op afstanden van
elkander staan, en dit kan op zich zelf ternauwernood als een hooge
graad van soliditeit beschouwd worden. Daarenboven waren de bogen
niet aan de gebouwen verbonden, maar stonden zij feitelijk los; het
dak der galerij is van hout gemaakt, dat eenvoudig op de beide muren
rust, zonder ze op eenige wijze soliede te verbinden. Op ééne plaats,
n.l. achter de kerk, waar deze galerij over een lengte van een groot
aantal bogen geheel zonder gebouw was, zijn de bogen allen omgeworpen,
maar overigens zijn zij zoo goed als volkomen gespaard geworden. Toch
werden zij door de aardbeving in lange golven opgetild en weer neer
gezet, en bedroeg de verplaatsing daarbij, zoover men na kon gaan,
ongeveer 5-10 c.M. Hier en daar is daardoor een boog opengebarsten,
en het kon voorkomen dat een of twee der wigvormige steenen, waaruit
zulk een boog pleegt te bestaan, losraakten en tijdens de optilling
omlaag schoven. Dan bleven zij zoo zitten, nu eens meer, dan weer
minder naar onderen tusschen hun buren uitstekend. Aan een aantal
bogen heb ik dit gezien, en dan liep natuurlijk een barst van den
verschoven steen door de muur boven de boog omhoog.

Het merkwaardigste echter gedroegen zich de bogen tusschen het
inwendige Quadrangle en het Memorial Court, dat van den Memorial Arch
daarheen leidt. Het zijn één middenboog en twee kleinere zijbogen,
en dit zoowel links als rechts van het pad dat tusschen de beide
pleinen doorloopt. Elke boog rust op een vier-dubbele zuil van bijna
manshoogte; de twee middelste zijn telkens vierkant, doch de beide
buitenste rond. Aan den boog en aan hun voetstuk waren ze met cement
verbonden. De aardbeving, die in golven over het terrein trok, heeft
daarbij deze bogen opgetild en neergelaten, of misschien wel onder hen
den grond omlaag getrokken en weer omhoog geschoven. Het gevolg was,
dat de bogen van hun zuilen losbraken. Nu eens scheurde het cement
boven een zuil en dan bleef deze staan; dan weer onder een zuil,
zoodat deze bleef hangen. Maar bij een aantal zuilen brak het cement
aan beide einden door. Dan begon de zuil om te vallen, terwijl de boog
van haar weggetild werd. Doch alles ging uiterst snel, en voor dat de
zuil meer dan duidelijk in een schuinen stand geraakt was, daalde de
boog en klemde hij de zuil in dien stand vast. De geweldige schok brak
de kanten waar de aanraking begon en schilferde soms groote stukken
van den zandsteen af. Met de grootste belangstelling ging ik deze
standen na, geholpen door de aanwijzingen van President Jordan. Niets
was nog hersteld en men kon alles duidelijk zien, zoowel de een
handbreed uit hun oude plaats verschoven zuilen als het losgebroken
cement, de afgespleten schilfers. Alles stond en rustte op elkaar,
maar bijna niets stond precies op zijn plaats. Meer dan door de grove
verwoestingen werd ik door deze fijne verschijnselen getroffen, door
de geweldige krachten die noodig moeten zijn om zulke veranderingen
teweeg te brengen en door den solieden bouw van de bogen en de muur
daarboven, die dit alles doorstaan hadden zonder te bezwijken, ja
zonder zichtbare barsten te vertoonen. Toch waren deze muurstukken
zoolang als het Memorial Court breed is; de middelste boog was even
breed als de groote boog van den Memorial Arch.

De ingang tot den Memorial Court, en daarmede tot de geheele
Universiteit wordt gevormd door den Memorial Arch, een poort, die
in hoogte voor den Arc de l'Étoile onderdoet, maar die door haar
massieve vormen, haar harmonie met de omgeving en de sober maar trots
aangebrachte versieringen den diepsten indruk op mij maakte. Van
dat schoone geheel, dat ik voor twee jaren zoo zeer bewonderde,
stond nu nog slechts een onherstelbare ruïne. De boog zelve en de
beide vierkante gebouwen waarop zij rustte, stond nog; zij waren
in den zelfden stijl opgetrokken als de overige oude gebouwen
van het Quadrangle. Maar boven den boog was een fries geplaatst,
de ontwikkeling der beschaving op deze aarde in haar beteekenis
voor Amerika en haar kroning door de stichting dezer Universiteit
voorstellende. Daarboven was een even hooge zuilengalerij en dan
volgde weer een kapiteel. Die zuilengalerij omgaf een groote zaal;
zij is door de aardbeving geheel omlaag geworpen, deels in de zaal,
deels achter en naast den boog vallende. De breuk ging vlak boven het
fries langs en daardoor zijn de hoofden van bijna al deze levensgroote
figuren min of meer onherstelbaar beschadigd geworden. Naar die zaal
geleidden twee trappen, van buiten aan de raampjes kenbaar. Langs
deze lijnen is het gebouw van boven tot iets dieper dan halverhoogte
opengescheurd met wijde barsten. De losgeraakte buitenmuren stonden
zóó wankel, dat men ze voorloopig met ijzeren kabels aan het gebouw
bevestigd heeft, in afwachting der latere afbraak. Het is niet
onbelangrijk de verklaring van de werking der aardbeving op den boog
te lezen in een beschrijving, die daarvan in 1903 in het blad Palo
Alto Live-Oak gegeven werd, dus langen tijd vóór de aardbeving. Men
leest er: "Het metselwerk is massief tot aan den top van den boog,
met uitzondering van de groote zaal in het bovengedeelte en van de
trappen die daarheen geleiden". Juist deze uitgezonderde gedeelten
hebben geleden, het overige niet.

Het is een treurig gezicht het fraaie allegorische fries met zijn
tallooze relief-figuren die rondom het gebouw een grooten optocht
vormen, in dezen toestand te zien. Aan de voorzijde, midden boven
den ingang, staat de Beschaving, het begin en het eind van den
optocht. Eerst komt de ontwikkeling van het menschdom vóór Columbus in
enkele forsche figuren, dan de ontdekking van Amerika en de snelle
groei der Vereenigde Staten. Een hoofdaandeel daaraan hebben de
spoorwegen en onder deze vooral de eerste transcontinentale, die
door den heer Stanford ontworpen en tot stand gebracht werd. Dit
werk, waaraan Californië zijn bloei te danken heeft, is tevens een
der voornaamste bronnen geweest van de schatten, waarmede de heer
Stanford deze Universiteit stichtte. Men verhaalt dat Stanford,
toen hij het denkbeeld van een lijn dwars door de Rocky Mountains
opgevat had, stuitte op onoverkomelijke bezwaren van de zijde der
ingenieurs. Toen besloot hij door te zetten, en begaf zich met zijne
vrouw naar de streek, om deze met haar te paard door te trekken tot
hij de lijn zou gevonden hebben, waarlangs de spoorweg kon en moest
gaan. Tehuis gekomen liet hij zijn reisjournaal uitwerken, en waar
hij eenzaam reed door woeste streken en met de hoop op een wellicht
verre toekomst, rijden thans millioenen in de Pullman-cars met snelle
vaart van het dicht bevolkte oosten naar het land der onafzienbare
productie. Men ziet op de fries de echtgenooten te paard in het
woeste rotsgebergte, gevolgd door werkvolk dat de rotsen doorhakt en
door een locomotief. Midden door deze groep gaat helaas de groote
barst, die nu een meer dan een meter wijde gaping is. Het schoone
en imposante is verdwenen en herstel zoo goed als niet mogelijk,
men zou bijna een geheel nieuwe Arch moeten optrekken. Het is een
droevig denkbeeld dat juist de beide groote monumenten, de boog en
de kerk, die de ouders voor hun geliefden zoon hebben opgericht,
door deze aardbeving zoo volkomen zijn getroffen.

Want ook de kerk is ter neergeworpen, ofschoon gelukkig niet zoo, dat
zij niet zou kunnen hersteld worden. Zij is in kruisvorm opgericht, met
korte armen. Boven het midden rustten de koepel en de kerktoren. De
muren waren zwaar van zandsteen opgetrokken en soliede gebouwd;
zij hebben niet geleden. Zelfs de talrijke beschilderde ramen zijn
onbeschadigd gebleven, met uitzondering van enkele, door vallend
puin gebroken ruiten. De koepel had een stalen geraamte, was goed met
de muren verbonden en goed gebouwd. Ook zij bood weerstand. Maar de
toren daarboven was van hout, en niet goed met den koepel verbonden. De
aardbeving schudde haar los en liet haar midden in de kerk naar beneden
vallen. Merkwaardigerwijze werd bij een der eerste zijbewegingen het
klokwerk op den stevigen muur van den koepel geschoven en bleef daar
staan toen de koepel instortte. Ik zag de vier klokken en het uurwerk,
zij waren geheel ongeschonden, behalve de slinger die gebroken was. Op
enkele photographiëen ziet men hun massa boven op den torenloozen
koepel staan.

Erger was het echter dat de koepel in de vier hoeken tusschen de daken
van het kruis voorzien was van steenen hoektorens die zwaar gebouwd
maar met den koepel niet door stalen gordels verbonden waren. De
aardbeving behandelde ze als schoorsteenen, slingerde ze heen en weer
en wierp ze daarna elk op het dak van een der kruisarmen omlaag. Met
groot geweld kwamen zij op die daken, pletterden uiteen, braken het
dak door en vielen als een regen van steenblokken en puin in de kerk
omlaag. Geen zitplaats werd gespaard. Het gebeurde Woensdagochtend
omstreeks vijf uur. De Zondag te voren was Paaschzondag geweest en had
de kerk zoo vol gezien, dat geen enkele plaats ledig was. Ware de ramp
toen gebeurd, zoo zou een groot deel van de bevolking van Palo Alto en
van de Universiteit geweldig getroffen geweest zijn. Trouwens het feit
dat de aardbeving op dat vroege uur gebeurde, heb ik in Californië
telkens en telkens en overal dankbaar hooren prijzen. Het heeft het
verlies aan menschenlevens onbegrijpelijk klein gemaakt.

De val der torens vulde en omhulde de kerk plotseling met een dikke
wolk van kalkstof. Het duurde lang, voordat men eigenlijk zien
kon wat er gebeurd was. Het orgel was gespaard maar omhuld door de
stofwolken. Een der eerste zorgen was, het met doeken zooveel mogelijk
tegen verdere stof te beveiligen. Toen ik in Juli de kerk bezocht,
was men bezig de orgelpijpen te reinigen, uitwendig en inwendig. Zij
moesten daartoe een voor een van hun plaats genomen en hersteld
worden, en de organist was bezig daarbij hun tonen te beoordeelen en
te zuiveren. Een blik in de kerk toonde de verwoesting. De hoektorens
waren hier en daar in groote blokken omlaag en door den vloer gevallen;
zelfs ijzeren vloerbalken waren gebogen en verwrongen. Bijna alles
was verwoest, en achter het altaar stond de rij der marmeren beelden,
grof beschadigd maar nog helder wit in de grauwe omgeving. De ramen
waren beiderzijds met planken schotten tegen beschadiging tijdens
het weghalen van het puin en het latere opbouwen bedekt, en zoo was
ook de vleugel waarin het orgel en het koor waren, beiderzijds door
planken schotten afgedekt. Geen zijlicht viel in de kerk, alleen door
de gaten in het dak viel het licht in. Alles herinnerde aan Schiller's
woorden in het Lied Von der Glocke, na den brand:


            Und des Himmels Wolken schauen
                    Hoch hinein.


Maar in dit zonneland zijn er geen wolken, en de zwaar getroffenen
zitten ook niet bedrukt bij hun ondergegane werken neer. Zij
zijn vol moed, en overal bezig een nieuwe toekomst op betere
grondslagen op te bouwen. Binnen twee maanden moet de nieuwe cursus
der Universiteit beginnen en dan zal, verzekerde mij de president,
alles zoover hersteld zijn dat alle collegekamers, alle werkzalen
der laboratoriën, de geheele boekerij en zelfs een deel der kerk
weer in gebruik genomen kunnen worden. Zeker is er eenige vertraging
in het herstellingswerk, maar de oorzaak daarvan is gelegen in de
moeilijkheid de noodige bouwmaterialen te bekomen, nu San Francisco
bijna alles gebruiken kan wat in voorraad is of langs de spoorwegen
aangevoerd kan worden. Echter zijn er gebouwen, als de nieuwe boekerij
en het nieuwe gymnastiekgebouw, die nagenoeg geheel verwoest zijn,
maar nog niet in gebruik genomen waren. Hun balken en steenen leveren
nu het materiaal voor het herstel der overige gebouwen.

Van de kerk is ook het fraaie schilderwerk op den voorgevel
afgeschud. Boven den ingang was een groot rond beschilderd venster,
ter weerszijden waren zuilengangen en kleine schilderwerken, en boven
was de geheele driehoek ingenomen door een groot, in goud en kleuren
geschilderd tafereel uit het leven van Jezus. Dit gedeelte van den
muur is omlaag gevallen en tot gruis verbroken; alleen de inscriptie
er onder, welke verklaarde hoe dit alles tot Gods eer en tot aandenken
aan den te vroeg gestorven zoon was opgericht, is gebleven. Het is
twijfelachtig of de geldmiddelen, in verband met andere eischen,
een herstel van dit schilderwerk volgens de nog aanwezige modellen
zal toelaten.

Niet alle gebouwen van het dubbele Quadrangle zijn in den ouden
Spaanschen stijl opgetrokken. Integendeel, enkele zijn volgens
de nieuwste begrippen uit staal, cement en steen gemaakt. Ook dit
beginsel is goed en heeft bijna overal aan de aardbeving weerstand
geboden. Schoorsteenen en pleisterwerk en enkele scheuren moeten
natuurlijk uitgezonderd worden. Als men vóór de Arch staat, heeft
men in het buitenste Quadrangle rechts de gebouwen voor plant-
en dierkunde en physiologie, links die voor geschiedenis en talen
en de oude boekerij. Zij zijn vierkant opgetrokken, zonder bogen en
met talrijke ramen, twee of drie verdiepingen hoog. Maar hun stalen
geraamte deed ze stand houden. Toch zijn zij geducht heen en weer
geschud, zooals uit het vallen van flesschen met praeparaten, het
uitbreken van stukken muur, waar die te zwak waren en uit enkele
andere omstandigheden duidelijk blijkt. Zoo was de gevel van het
zoölogie-gebouw boven den ingang gesierd met de meer dan levensgroote
marmeren beelden van Humboldt en Agassiz. Humboldt bleef staan, maar
het uitbouwsel waarop Agassiz stond, brak los. Hij viel, duikelde en
drong met zijn hoofd door de cementen stoep in den lossen ondergrond,
tot aan zijn ellebogen bedolven wordend. "Natuurlijk", zei president
Jordan tot de studenten die hem bij het beeld brachten, "he has always
been a man of deep penetration". Het beeld werd gephotografeerd,
opgegraven, van een stalen balk in zijn inwendige voorzien, om het
goed te bevestigen, en weer op zijn plaats gebracht. Het bleek zoo
goed als ongeschonden te zijn. Ik zag het staan zooals ik het vóór
twee jaren gezien had.

Na het overlijden van den heer Stanford begon zijn weduwe angstig te
worden dat zij de voltooiing der gebouwen niet meer beleven zou. Zij
wilde daarom den bouw zooveel mogelijk bespoedigen en dus met de
beschikbare geldmiddelen zooveel mogelijk tot stand brengen. In
plaats van in eigen beheer met dagloonen te werken, ging zij over
tot het systeem van aannemen. Het uiterlijk der gebouwen kon precies
hetzelfde zijn als dat der overige, zoo zij van gebakken steen gemaakt
en met een betrekkelijk dunne laag van zandsteen bekleed werden. De
kosten en de duur van het werk zouden daardoor zeer aanzienlijk
verminderd worden. Maar het oude beginsel "reken op een aardbeving",
werd daarbij verwaarloosd. Het doel echter werd zoo goed als bereikt,
en toen mevrouw Stanford, nu omstreeks een jaar geleden, overleed,
waren bijna alle gebouwen òf in gebruik, òf ten minste in hoofdlijnen
gereed. Echter slechts tijdelijk, zooals de aardbeving leeren zou, want
juist deze gebouwen zijn zoo goed als geheel vernield. Gelukkig dat de
drie voornaamste onder hen, de gymnastiekschool, de nieuwe bibliotheek
en het gebouw voor de geologie, nog niet in gebruik genomen waren;
het eerste werktuig, het eerste boek en het eerste fossiel zouden er
juist ingebracht worden toen de aardbeving plaats vond.

Het gebouw voor de geologie was uitwendig in denzelfden stijl
opgetrokken als de gebouwen voor botanie en zoölogie, maar miste de
noodige stevigheid. Het gymnasium of de gymnastiekschool en de nieuwe
bibliotheek staan links van den grooten rijweg die naar den Arch voert,
tegenover het ethnologisch museum en het scheikundig laboratorium. Het
gymnasium bestond uit een middengebouw met een koepeldak en een
zuileningang; dit is geheel ingestort. De beide vleugels staan nog en
zijn grootendeels bedekt door het dak, dat op een goed gegord geraamte
van ijzeren balken rustte. Maar aan den voorgevel was dit dak niet
bevestigd, en de dakhelling hier bestond uit licht houtwerk. Dit deel
viel langs beide vleugels in en sleepte een deel van den gevel mede.

De boekerij had, zooals dat voor dergelijke gebouwen in Amerika
gebruikelijk is, een centrale leeszaal, wier hoogte door het geheele
gebouw ging en die haar licht van een glazen koepeldak ontving. Deze
koepel rust op een goed en stevig ijzeren geraamte, maar was niet aan
de beide vleugels verbonden, waarin de zalen voor de boeken waren. Op
dit geraamte werd de hooge koepelbouw door de golven der aardbeving
heen en weer geschud, gedraaid en gewrongen, maar hield goed stand;
zelfs geen ruit in het half bolvormig glazen dak of in de ramen
langs de galerij er onder, werd gebroken. Maar links en rechts,
voor en achter drukte het gevaarte in zijn schuddende beweging de
overige gedeelten van het gebouw eenvoudig ineen, en deed ze als puin
omlaag vallen. Men kon dit nog duidelijk zien, en ziet het ook op de
photographiëen vrij goed. Hoog verheven staat de glinsterend vergulde
koepel op zijn naakten stalen onderbouw te midden van de puinhoopen van
het gebouw, waarvan zoo goed als geen gedeelte meer voor den herbouw
kan gebruikt worden. Het is een treurig gezicht, een ruïne zonder
brand, en overal de oorzaken van de ramp duidelijk zichtbaar toonend.

Vergelijken wij hiermede de beide woonhuizen voor de jongens en de
meisjes. Zij heeten dormitories. Dat voor de jongens is Encina-Hall,
dat voor de meisjes is geschonken door den heer Roble en draagt zijn
naam. Zij zijn ongeschonden. Zij bestaan uit staal en cement, wat
men in Amerika "reïnforced concrete" noemt. Het is ongeveer wat wij
cementijzer en gewapend beton noemen; het ijzerwerk er in wisselt
van dun gaas tot dikke stangen en zware ijzeren balken, die het
geraamte van het geheele gebouw vormen. Zulk een gebouw, dat niet
uit aaneengecementeerde steenen bestaat, noemen de Amerikanen een
monolith, een éénsteensblok, en het bezit den hoogsten bereikbaren
graad van soliditeit. Roble Hall is wel van buiten afgewerkt alsof
het uit aaneengemetselde vierkant gehouwen steenen bestond, maar dit
is slechts versiering. Het is één stuk, zoo goed als onbreekbaar en
is dan ook niet gebroken, ofschoon zijn front twee bovenverdiepingen,
elk met 15 ramen en een verdieping gelijkvloers met een arcadengalerij
vertoont. Het gebouw voor de jongens heeft vier verdiepingen elk
met 32 ramen in het front en is dus veel grooter, maar op dezelfde
wijze gebouwd. Slechts één fout was er gemaakt. Boven den ingang
waren op beide gebouwen, ter weerszijden, ornamenteele schoorsteenen
aangebracht. Noodig waren zij niet, want de gebouwen behoeven nooit
verwarmd te worden. Deze schoorsteenen wierp de aardbeving om. Zij
waren zwaar en vielen door het dak en door de slaapkamers er onder en
hun vloeren tot in de kelderverdieping omlaag. De jongens en meisjes,
die in die kamertjes sliepen, tuimelden mee omlaag en kwamen in den
kelder terecht; een der jongens werd gedood, maar de overige kwamen
er met betrekkelijk geringe kneuzingen af.

Het ethnologisch museum, dat ook een aandenken aan den jongen
Stanford is, en waarvan de kamer met de door hem zelven bijeengebrachte
verzamelingen het middenpunt uitmaakt, is ook van "reinforced concrete"
gemaakt en ongeschonden gebleven, ten minste wat het hoofdgebouw
betreft. Na den dood van den heer Stanford zijn uitbreidingen noodig
geweest en hiertoe werden bijgebouwen inderhaast en zonder de noodige
stevigheid gemaakt. Zij zijn als kaartenhuisjes ineengeschud en liggen
als puinhoopen naast den trotschen kolos.

"Een aardbeving is rechtvaardig", zij vernielt het slechte en
spaart het goede. Het is een harde les, maar die op een zeer gelukkig
oogenblik ontvangen is en zonder twijfel vruchten zal dragen. Gelukkig
is het dat Mevrouw Stanford kort tevoren overleden was; voor haar
zou de vernietiging van zooveel wat zij in koortsachtigen ijver voor
het aandenken van haar man en haar zoon gedaan had, een te zware
slag geweest zijn. Gelukkig was het dat de drie zwaarst beschadigde
gebouwen voor het onderwijs nog niet in gebruik genomen waren, zoodat
de kostbare verzamelingen die zij herbergen moesten gespaard gebleven
zijn. Gelukkig was het ook, dat de ramp de Universiteit tegen het
einde harer bouwperiode trof, daar nu het financieel gevolg eigenlijk
alleen is, dat die periode met eenige jaren verlengd moet worden en
dat de plannen, om de inkomsten voortaan zoo goed als geheel voor
de bezoldiging der hoogleeraren en beambten, voor de verzamelingen
en andere behoeften van het onderwijs te gebruiken, nog eenigen tijd
moeten worden uitgesteld.

De aardbeving heeft niet alleen geleerd hoe men te Palo Alto bouwen
moet, maar hare lessen gelden voor de geheele geteisterde streek van
Californië. De ervaringen zijn in hoofdzaak, zooals ik reeds zeide,
dezelfde als te San Francisco, en zelfs een leek kan op verschillende
punten overeenkomst waarnemen. Zoo kan ik de City Hall der hoofdstad
met de Library van Stanford University vergelijken. Beiden hebben
een koepel op een ijzeren geraamte en in beiden staat die koepel
nog, na geweldig geschud en gewrongen te zijn. Maar de stalen
bouw bood weerstand, terwijl de andere gedeelten instortten. Zoo
is het in San Francisco met al de reuzengebouwen, de zoogenaamde
skyscrapers. Zeker hebben zij geducht gezwiept en moet het voor de
bewoners der bovenverdiepingen een benauwd gevoel geweest zijn, te
denken dat het geheele gebouw wel eens rechts of links op den grond
kon vallen. Maar ze hielden allen stand, tot dat zij later een prooi
der vlammen werden.

Vergelijkt men daarmede den hoogen fabrieksschoorsteen van de gebouwen
voor de ingenieurswetenschap, die als een dubbele lijn van de volle
lengte van het uitwendige Quadrangle daarachter geplaatst zijn. Die
schoorsteen is ook heen en weer geschud. Eerst viel daarbij zijn
top naar de zijde van het Quadrangle, daarna viel de rest van zijn
bovenste helft naar de andere zijde omlaag. Beide deelen vielen door
de daken der aangrenzende machinezalen en vernielden deze natuurlijk
ten eenenmale. De schoorsteen had geen stalen geraamte, maar het is
de vraag of zij daardoor voldoende zou kunnen beveiligd worden, om
wel te buigen maar niet te breken. Zou de Eiffeltoren, zoo hij in San
Francisco of te Palo Alto gestaan had, er ongeschonden afgekomen zijn?

Nadat wij alle gebouwen zoo volledig mogelijk gezien hadden, reed
President Jordan met den heer Dudley, hoogleeraar in de botanie
aan de Universiteit en met mij een deel der uitgestrekte goederen
van de stichting rond. Boomen en planten zijn nergens beschadigd;
een boomstam is en blijft een voor den mensch onbereikbaar model van
bouwkunst, dat alleen door een bamboeshalm overtroffen wordt. Stel u
een toren voor als een bamboeshalm, geen halve meter dik en hooger
dan de hoogste huizen. De wind kan hem ter aarde buigen, maar in
volle elasticiteit stijgt hij later weer hemelhoog op. Wat mij op
dien rit het meeste trof was het woonhuis van mevrouw Stanford. Bij
mijn vorig bezoek was ik daar even eervol als hartelijk ontvangen,
en had ik aangezeten aan den rijken disch van eene der rijksten in
Amerika. De kamer waarin wij aanzaten was geheel vernield, geen deel
van den muur was overgebleven, alles was eenvoudig door den vloer
heen in de kelderruimte verdwenen. Niets van al die heerlijke luxe,
van die rijke kunstverzameling was gered. Het overige deel van het
huis stond nog, maar vol barsten, die van boven naar beneden gingen,
en die zoo wijd gaapten, dat een herstel onmogelijk was. Het was
de wensch van den heer en mevrouw Stanford, dat dit paleis later de
trotsche zetel van den president der Universiteit zou zijn, maar het
heeft zoo niet mogen zijn. Tijdens mijn bezoek was men bezig met te
schoren en te sloopen, teneinde een verdere instorting te voorkomen.

Niemand heeft den moed verloren. De herbouw der Universiteit is gesteld
in handen van de hoogleeraren in de bouwvakken, die mannen zijn met
een groote practische ervaring. Zij verzamelen de gegevens van de
ramp tot in alle bizonderheden, en werken nauwkeurig het stelsel
uit waarnaar zij willen bouwen. Voor elk bizonder geval zijn er een
of meer overeenkomstige aan te wijzen, waardoor men zich kan laten
leiden. Zandsteen en geen gebakken steen, geen metselkalk maar cement,
aanéén gorden van alle deelen van een gebouw met stalen balken en een
scherp waken tegen oneerlijke bezuinigingen zijn de hoofdpunten. Het
zal natuurlijk jaren duren voor dat alles hersteld is, maar men rekent
er vast op, dat een volgende aardbeving de geheele Universiteit zal
vinden in den toestand, waarin deze de gebouwen van het inwendige
Quadrangle vond. Schoorsteenen zullen vallen en pleisterwerk zal
losbreken, enkele muren zullen scheuren, maar daartoe zal de schade
zich moeten beperken. En misschien ontdekt men tegen deze kleinere
bezwaren intusschen ook nog wel afdoende middelen.

En ten slotte: een universiteit bestaat uit de hoogleeraren en de
studenten en niet uit de steenen gebouwen. In dit opzicht is Stanford's
roem geheel ongeschonden gebleven.



Santa Rosa.


Santa Rosa ligt 30 mijlen ten oosten van de scheur, waarvan het
ontstaan de aardbeving van 18 April heeft veroorzaakt. Voor zoover
het uit steenen huizen bestond, is het daarbij verwoest.

Het stadje is de hoofdplaats van Sonoma County en telt een bevolking
van 10.000 zielen. Gedurende de 5/4 minuut dat de schokken duurden,
zijn alle steenen gebouwen ingestort en ruim 100 personen gedood. In
het midden der stad stond het County house, uit drie verdiepingen
bestaande, waarboven een toren met koepeldak uitstak. Het gebouw is zóó
geschud, dat de toren en de bovenste verdieping geheel omlaag gevallen
zijn, ten deele in de lagere verdiepingen en ten deele op het cementen
trottoir rondom het gebouw. In dit laatste ziet men overal nog de
beschadigingen, ofschoon alle puin buiten het gebouw weggehaald is. De
muren der beide onderste verdiepingen staan nog, even zoo de trappen,
maar zij zijn overal geweldig gescheurd, de ruiten gebroken en het
binnenwerk vernield. Enkele kamers zijn voorloopig weer hersteld
en in gebruik genomen, en naast het gebouw is een barak opgericht,
waarin de bureaux tijdelijk geplaatst zijn. Het is een droevig en
ontmoedigend gezicht.

Maar veel verschrikkelijker is de toestand rondom dit centrale
gebouw. Het binnen-gedeelte van de stad, de kantoren en winkels
omvattende, was van gebakken steen gebouwd, ongeveer op dezelfde
wijze als onze steden. De huizen hadden drie en meer verdiepingen
en sloten dicht aaneen. Gebouwen met een ijzeren geraamte, zooals
te San Francisco en elders, waren er slechts weinige, onder welke
de bankgebouwen genoemd mogen worden. Dit geheele gedeelte is in
een ruïne veranderd, al de muren zijn ingestort. Overal staan nog
stukken van muren, meest niet meer dan een verdieping hoog. Alle
straten lagen vol puin, en daar nagenoeg alle winkels vernield waren,
dreigde er spoedig gebrek. De hotels en theaters deelden in de ramp,
evenzoo het post- en telegraaf-bureau, waardoor de communicatie
met de buitenwereld voor geruimen tijd afgesneden was. Treinen met
vluchtelingen uit San Francisco kwamen te Santa Rosa aan, voordat
het mogelijk was daarheen bericht te zenden dat de kleine stad nog
erger getroffen was dan de hoofdstad.

In tegenstelling met San Francisco heeft de aardbeving hier de buizen
en pijpen der waterleiding niet gebroken. Er was dus voldoende water
voor het blusschen der branden, ofschoon menige brandkraan natuurlijk
onder het puin bedolven was. Er waren drie brandspuiten, die gelukkig
ongedeerd gebleven waren. Overal braken branden uit, een twaalftal
tegelijk, maar in den loop van drie uren gelukte het deze tot kleine
afmetingen te beperken en te blusschen. Slechts op ééne plaats, op
de grens van het onheil, zag ik in Juni nog een gebouw waarvan de
gevel door de vlammen geblakerd was.

Het steenen gedeelte der stad is omstreeks 3000 voet lang en 600
voet breed. De schade wordt berekend op 4 millioen dollars. Rondom
dit centrum strekt zich de stad vrij ver uit, maar bestaat uit de
woonhuizen of residences. Dit zijn houten gebouwen op een gemetseld
fondament en elk afzonderlijk staande, door een tuintje omgeven. In
dit gedeelte is de schade zeer gering geweest. De schoorsteenen zijn
vlak aan het dak afgebroken en daarop geworpen. In enkele gevallen,
waar het dak slecht gebouwd was, zijn zij er door heen gevallen en
is plaatselijk nog al schade aangericht.

In de kamer waar ik zit te schrijven, in een dier woonhuizen aan
Mendocino-street, was het behangsel op den muur geplakt, zooals hier de
gewoonte is. Dit behangsel is geheel verscheurd. Groote scheuren loopen
in verschillende richtingen over de muren, en nu eens zijn de scheuren
een vingerbreed open, dan weer zijn de beide randen min of meer over
elkaar geschoven. Zoo is het ook in de andere kamers van dit huis en
in de meeste overige huizen. Ook de plafonds zijn dikwijls op erge
wijze gescheurd. De huizen zijn opgetild en weer neergezet, daarbij
tijdelijk scheef geplaatst en weer rechtop gebracht; en zij moeten
tamelijk hevig gebogen en gewrongen geworden zijn, en de scheuren zijn
daarvan het gevolg. In een kamer, die sedert de aardbeving nog niet
opgeruimd was, zag ik de platen en schilderijen aan den muur scheef
hangen, allerlei voorwerpen van de tafel en uit de open kasten op den
grond geworpen enz. Maar het is een zeer belangrijk feit, dat bijna
alle houten huizen geheel bewoonbaar gebleven zijn, terwijl alle
steenen gebouwen vernield werden. Ook houten kerken met hun torens
leden nagenoeg geen schade. Dat midden in de gespaarde wijken hier en
daar een slecht gebouwd houten huis instortte en met den grond gelijk
gemaakt werd, kan ternauwernood verwondering baren. Eén huis zag ik,
waarvan de gevel afgevallen en het inwendige als een links en rechts
gestooten kaartenhuis zigzagsgewijze gebogen was. Het stond te midden
van onbeschadigde woningen.

Het groote en fraaie hotel St. Rosa, waar ik twee jaar geleden
gelogeerd had, gelegen aan de 4e straat, midden in het gemetselde
gedeelte der stad, was geheel vernield. Het was vier verdiepingen
hoog en zeer soliede gebouwd. Het stortte als een kaartenhuis ineen,
terwijl een honderdtal gasten er in woonden. Velen werden in de ruïnen
ingesloten en later met moeite gered, anderen werden zonder letsel op
straat geschoven. Toch is het hotel nu reeds weer in werking. Alle
puin is verwijderd, alle binnenmuren zijn met den grond gelijk
gemaakt. Een houten geraamte van één verdieping hoog is opgericht,
en de ruimte is door zeildoek in kamertjes zonder dak en in gangen
verdeeld. Voor een kleine honderd gasten is weer gelegenheid om
gehuisvest te worden, terwijl keuken, eetzaal, bureau en zitkamers op
dezelfde wijze ingericht zijn. Alles staat op een nieuwen houten vloer
en is door een groote tent van zeildoek overdekt. Natuurlijk hebben
die binnenwanden hier en daar reten en gaten en wordt het onder die
tent zeer warm of zeer vochtig, al naar gelang van het weer, maar de
zaken gaan door, en dat is de hoofdzaak.

Vele daken en muren in de stad waren van gegolfd plaatijzer
gemaakt. Dit materiaal is wel sterk gescheurd, doch grootendeels
bruikbaar gebleven. De achtermuur van het tijdelijk hotel St. Rosa
is er nu van gemaakt, en overal elders zag ik het voor muren en daken
van tijdelijke inrichtingen in gebruik.

Want met bewonderenswaardigen moed en verbazende snelheid hebben de
inwoners in die twee maanden de stad zoover hersteld dat de zaken
gewoon door kunnen gaan en met den herbouw kan begonnen worden. Het
puin is opgeruimd, zoover het verkeer dit eischt. Hoopen steenen en
groote stapels afgebikte steenen vindt men natuurlijk overal langs
de straten, evenals bouwafval en nieuwe bouwmaterialen tusschen de
trottoirs en den rijweg liggen.

De winkels en kantoren zijn tijdelijk in houten schuren geplaatst. Deze
zijn opgericht op de plaats der huizen, langs de straat, zoodat
men tijdelijke drukke winkelstraten overal tusschen de puinhoopen
vindt. Honderden zulke winkels zag ik er; het maakte den indruk alsof
nagenoeg alle zaken weer loopende waren. In den regel zijn de muren
tot op den grond geslecht en is op de fondamenten de houten vloer
zorgvuldig gelegd, terwijl daarop de schuur zoo los mogelijk is
opgebouwd. Veelal is daarbij van den afval gebruik gemaakt, en waar
nog muren stonden ziet men de barakken gedeeltelijk daar binnen,
gedeeltelijk daartegen aangeleund, of is ook op de oude muren een
tijdelijk dak geplaatst, zoodat de oude ruimte weer voor winkel
kan dienen.

Afgezien van de verwoesting der huizen en gebouwen, kan men in de
stad van de aardbeving als natuurverschijnsel zoo goed als niets
meer zien. Hier en daar zijn de trottoirs gebroken en opgetild, of
schuttingen schuin geplaatst. De geloofwaardigheid der verhalen die
men mij deed, is natuurlijk door de Amerikaansche wijze van vertellen
en verslaggeven beperkt; het meest trof mij het bericht van iemand
die tijdens de aardbeving op den spoorweg geweest was en den weg
in voortloopende golven had zien gebogen worden. Dit komt overeen
met de buigingen, die hier en daar ook na de aardbeving zichtbaar
gebleven zijn. Verder is de meening algemeen, dat de beide eerste,
hardste schokken in richtingen loodrecht op elkaar plaats vonden,
terwijl daarna een draaiende beweging plaats vond. De juistheid van
dit bericht wordt door de seismographische opteekeningen bevestigd.

Op de kweekerij van den heer Burbank te Sebastopol had ik de
gelegenheid de grondverschuivingen en barsten te zien, die het
gevolg der aardbeving waren. Rondom Santa Rosa was de grond toen
overal vol barsten, die meest een paar voeten breed en zelden dieper
dan een meter waren. Zulke barsten waren soms een halve mijl lang en
liepen soms langs, soms dwars over de wegen. Hier en daar was dan een
gedeelte van een weg zijwaarts uitgebogen, en deze verschuiving was
klaarblijkelijk de oorzaak van de barst aan de eene zijde. De meeste
barsten waren natuurlijk allengs weer aangevuld en vereffend, maar
eenige kon ik toch nog in hun oorspronkelijken staat zien. De schokken
van de aardbeving hebben in horizontale richting plaats gevonden,
en men kan dus gemakkelijk begrijpen dat de grond nu eens in die
richting samengeperst en dan weer uitgerekt werd. Het samenpersen kan
tot tijdelijke golven en opheffingen aanleiding gegeven hebben, terwijl
het uitrekken overal scheuren moet hebben doen ontstaan daar, waar de
grond niet stevig of meegaande genoeg was om aan de beweging weerstand
te bieden of haar te volgen. Het is verbazend dat de cementen trottoirs
in de stad van die bewegingen zoo goed als geen, schade geleden hebben.

De kweekerij van Burbank te Sebastopol ligt grootendeels op de helling
van een heuvel, maar de graad van helling verschilt op de verschillende
plaatsen. De landweg stijgt vrijwel recht tegen de helling op, en
van den ingang der kweekerij naar het huis, dat ongeveer in het
midden ligt, loopt een rijweg, die aan beide zijden begrensd is
door culturen van bloemgewassen die op lange rijen, even lang als
de weg en evenwijdig aan dezen, geplant waren. Dit gedeelte van den
grond was bergafwaarts over ruim een meter verschoven, terwijl aan de
bovenzijde der afschuiving talrijke barsten ontstaan waren en aan de
onderzijde de grond ineen en omhoog gedrukt was. De rijweg was daarbij
zoo beschadigd, dat men hem niet berijden kon, en de barsten waren
zoo talrijk dat het niet mogelijk was, de paarden voor den ploeg er
over te laten gaan, om den grond te herstellen. Het verschoven stuk
grond was meer dan honderd meters lang en breed.

De planten waren half April in vollen groei en konden dus niet
meer verplant worden. Vandaar dat de gebogen en gescheurde rijen nu
duidelijk te zien waren. Op een plaats was een houten waterput; deze
was, vrij wel zonder beschadiging, over bijna 1 1/2 meter bergafwaarts
verplaatst. Dit was het punt van de grootste verschuiving en hier
waren de rijen midden door gebroken en was het eene deel naast de
breukplaats sterker verschoven dan het andere. Van een der einden
der rij ziende, zag men haar in haar midden doorgebroken en over
een meter of meer verplaatst. Breede rijen van Shasta-daisies, vol
in bloei, toonden dit merkwaardige verschijnsel. Iets minder was de
breuk en de verschuiving in de rijen van Gladiolus. In het lagere
deel waren de rijen niet gebroken maar bergafwaarts uitgebogen. In
zoodanige rijen van Lobelia cardinalis kon ik duidelijk zien, dat
de verplaatsing in het midden ook omstreeks een meter bedragen had;
naar de uiteinden nam zij zeer langzaam af.

Op mijn vraag of de ondergrond misschien rotsachtig was, en of de
bouwgrond daarover omlaag kon gegleden zijn, kreeg ik ten antwoord,
dat er tot op tientallen van meters diepte geen rotsgrond aanwezig
was, maar dat alles kleiachtig zand was. Het was dezelfde grond
als waarop Santa Rosa gebouwd is. Het is zeer merkwaardig, dat de
beschadigingen meestal in de dalen en valleien hebben plaats gevonden,
waar de grond zoo niet alluviaal, dan toch van dezelfde losse structuur
is, terwijl de bergen weinig schijnen geleden te hebben. Eigenlijke
bergafschuivingen schijnt de aardbeving niet te hebben veroorzaakt.

Tusschen de rijen van het verschoven gedeelte was den vorigen dag
geploegd, en moest den volgenden dag de grond vlak geëgd worden. Maar
de aardbeving had alles zoo geschud, dat de voren verdwenen, de
grond gelijkgemaakt en het onkruid bedolven was. Het eggen was dus
niet noodig. Dit heeft mij 35 dollars arbeidsloon bespaard, zeide
Burbank, en dat bedrag dekt ongeveer de schade aan den weg en aan
het huisje berokkend.

Zeer merkwaardig is, dat geen enkele plant, heester of boom door de
aardbeving beschadigd werd. Zoo zag ik het op Burbank's kweekerij
en langs de straten en in de huizen van Santa Rosa en Sebastopol, en
ooggetuigen bevestigden dit opvallend feit. Zij zijn klaarblijkelijk
beter gebouwd dan de beste woonhuizen der stad.

Overeenkomstige verschijnselen als te San Francisco, Palo Alto en
Santa Rosa heb ik ook te San José en elders kunnen waarnemen. Maar
de indruk is overal dezelfde en ik zou vreezen in herhalingen te
vervallen. De aardbeving werkt volgens zeer eenvoudige beginselen,
hoewel met geweldige kracht. De gevolgen der werking laten zich niet
alleen betreuren maar ook begrijpen, en een grondige studie leidt tot
de kennis van de middelen en wegen, die bij een volgende aardbeving de
materieele schade zoo klein mogelijk kunnen doen zijn. De Californiërs
wanhopen dan ook niet en bouwen met vollen moed hun steden op dezelfde
plaatsen weer op. Maar zij voorzien hun steenen gebouwen van stalen
geraamten en maken ze tegen de schokken en trillingen even bestand
als de rotsen zelve zijn.



                    Doodendal in Californië



Een reiziger in het woestijngebied van Californië deelt een en ander
mee over de groote ellende, die er wordt geleden in de water- en
plantenarme streken van Californië. Hij, Walter V. Woelhke uit San
Bernardino, vertelt als volgt:

Onze cavalcade trok langzaam langs een rotswand, die de gloeiende
zonnestralen met dubbele kracht terugkaatste. De thermometer aan
den schaduwkant van den wagen wees een temperatuur van 45° C. (113°
F.). Het fijne, alkalihoudende stof, door de vier-en-twintig met
schuim bedekte, hoestende muildieren opgeworpen, had alles met een
gele laag bedekt, onze kleederen doortrokken en zich in neus en mond
afgezet; zijn bijtende werking verscherpte den brandenden dorst, die
door het lauwwarme water, dat al twee dagen mee gevoerd werd, niet
kon gelescht worden. Zonder schaduw, zonder water, zonder planten,
levenloos en troosteloos strekte zich de geelwitte vlakte tusschen
de grijsblauwe bergketenen uit. Hoog boven de toppen, een donker punt
vormend tegen den harden, stalen hemel, zweefde in wijde kringen een
aasgier. Slechts het knallen van de zweep, die nu en dan de muildieren
om de ooren zwiepte, verbrak de stilte.

Den koetsier, die reeds vijf jaar lang borax uit dit helsche oord
had gehaald, schenen de hitte zoomin als het bijtende stof te
hinderen. Zonder een trek in zijn leerachtig, typisch amerikaansch
gezicht te veranderen, merkte hij op: "Een uitstekende ligging
hier. De lucht is fijn, het uitzicht prachtig, goede buren, er is geen
verwarming noodig en de belastinginner komt hier niet dikwijls. Ik
heb er al aan gedacht mij op mijn ouden dag hier te vestigen".

Gedurende de drie dagen, sedert de wagen het kleine station Dagget
in de woestijn aan den Santa-Fé-weg had verlaten, had deze koetsier,
borax-Jack, op denzelfden toon, als waarop een gids toeristen op
bijzonder schoone punten in het landschap opmerkzaam maakt, ons het een
en ander griezeligs gewezen en met een verhaal geïllustreerd. Hier een
graf, daar een graf, ginds een klein kruis, elders eenige gebleekte
beenderen, naast een ledigen waterzak. En over alles de zon, de
onbarmhartige, gruwzame zon, voor wier verschroeiende stralen noch
het gloeiende zand, noch de heete rotsen eenige beschutting boden.

In den nauwen pas tusschen de beide rijen heuvels, waardoor de
wagen heenreed, blies een wind, die uit een gloeienden oven scheen
te komen. "Windy Cap" heet deze pas en daardoor komt men van uit het
Zuiden in het Dal des doods, "Death Valley", de laagst gelegen plek
van het amerikaansche vasteland, waar de temperatuur des zomers bijna
dagelijks tot 55° à 60° C. stijgt, en waarvan de oostelijke wand
door de Sierra Nevada, het hoogste gebergte der Vereenigde Staten
gevormd wordt.

Dit dal, dat aan den rand van de groote woestijn in het Zuidwesten
van Amerika ligt, draagt zijn veelbeteekenenden, onheilspellenden
naam sedert zijn ontdekking door de eerste blanke reizigers. In
1850 verdwaalde een uit zeventig Mormonen bestaand reisgezelschap,
dat door Brigham Young uit Utah op een ontdekking was uitgezonden, in
deze dorre woestenij. Slechts twee dier zeventig ontkwamen. De overigen
bezweken onder de vlammende pijlen, die de zon op de naakte rotsen en
zandvlakten afzendt en die het bloed der ongelukkige slachtoffers uit
hun aderen schijnt te zuigen. Sinds die 68 Mormonen er den dood vonden,
is de naam van het dal voor goed gerechtvaardigd. In den zomer van
1906 verdwenen er 15 avonturiers, wier beenderen dezen winter werden
gevonden en begraven, en de kopergroeven in de nabijheid zullen
volgende zomers nog wel meer waaghalzen er heen voeren.

Dit doodendal is een kloof, 160 Kilometer lang en 20 tot 40
Kilometer breed, die zich 100 Meter lager dan de oppervlakte der zee,
tusschen twee hooge gebergten op de grens van Californië en Nevada
uitstrekt. Overdag brandt de zon aan den wolkenloozen hemel in dezen
zandigen kuil tusschen de rotsen, totdat de heete lucht als uit een
bakoven er uit opstijgt; des nachts waait een scherpe koude wind van
de 5000 Meter hooge sneeuwtoppen der Sierra neer. In het diepste
gedeelte van die kom strekken zich mijlenlange witte velden uit,
alsof het sneeuwvlakten waren. Zij bestaan uit zout, het overblijfsel
van den oceaan, die eens geheel zuidwest Amerika bedekte, tot dat
vulkanische krachten land en bergen uit het water ophieven. In de
komvormige vlakte zelf valt bijna nooit een droppel regen, zoodat
dieren- en plantenleven er onbestaanbaar is, waarvoor echter moeder
natuur een eigenaardige vergoeding heeft gegeven. Het doodendal is een
enorm chemisch laboratorium, waarvan de grondstoffen overal voor den
dag komen. Met die stoffen op haar palet heeft de natuur de wanden
van het dal en de rotsen wondermooi gekleurd. Als groene en blauwe
strepen vertoonen zich de aderen van het gesteente, waarin het koper
voorkomt; de roode, cinnaber-houdende rotsen verheffen zich torenhoog;
lichtend geel schitteren de met zwavel bedekte hellingen; grijs
doen de granietmassa's zich voor, en dofzwart steken de lavavelden
bij de witte zoutvelden af. Op andere plaatsen heeft, als het ware,
een meesterhand de kleuren gemengd en heerlijke kleurspelingen te
voorschijn geroepen, die met alle beschrijvingen spotten. Doch overal
in deze kleurenpracht loert de dood. De weinige bronnen, die uit de
gedoofde kleine kraters opborrelen, bevatten vitriool en arsenik,
of als het water niet doodelijk vergiftig is, dan is het toch door
zijn gehalte aan zout of petroleum ondrinkbaar.

De grootste van deze bronnen, die uit een oude krateropening op de
helling van het "begrafenisgebergte", aan de oostzijde van het dal
ontspringt, doet een kleine beek ontstaan, waarvan de bedding uit
den asphaltneerslag van het water is gevormd. Om zijn temperatuur
heeft men het waterstroompje de gloeiovenbeek genoemd. Naast deze
bron heeft voor eenige jaren een opmetingsexpeditie met wreeden spot
een bord geplaatst, met de volgende aanwijzingen:


    Doodendal, 365 voet onder het zeeoppervlak.
    Het loopen over het gras is streng verboden.
    Het plukken van bloemen wordt gestraft volgens de wet.
    Ligging: 105 mijlen van Randsburg, 85 mijlen van Dagget,
    60 mijlen van alle houtgewas, 20 mijlen van water, 40 voet
    van de hel. God zegene deze plek!

    Bailey's opmetingsexpeditie.
    Kerstmis 1900.


Niettegenstaande zijn schatten aan mineralen heeft dit doodendal
tot nu toe geen groote voordeelen opgeleverd. De eenige, die er rijk
door is geworden, is Frank J. Smith, borax-Smith, zooals men hem in
Californië noemt. Toen Smith twintig jaar geleden de borax-lagen van
het dal voor het eerst zag, werden in de Vereenigde Staten de borax
en de soda voor een dollar per pond verkocht. De mijnen in het dal,
die beide mineralen in bijna volkomen zuiveren toestand leveren,
hebben Smith tot millionair gemaakt, en den prijs van het product
tot op 10 cent per pond verminderd. Tegenwoordig zijn slechts
weinige arbeiders in de mijnen, of liever kuilen van het doodendal
werkzaam. Aanvankelijk lokten de hooge loonen, die betaald werden,
honderden werklieden hier heen, en de opbrengst en het behaalde
voordeel waren groot. Toen echter de arbeiders bij dozijnen ten
offer vielen van de hitte, het slechte water, de giftige gassen en
de andere moeilijkheden, werd het onmogelijk, het bedrijf op groote
schaal voort te zetten. In het er om heen liggende deel van de woestijn
werden andere, hoewel niet zulke rijke lagen der mineralen ontdekt,
en thans doen de groote borax-wagens, die 40 000 pond inhouden,
en bovendien nog een voorraad water voor de 2 dozijn muildieren en
hun drijvers meevoeren, slechts weinige reizen per jaar. Het uit het
dal aangevoerde ruwe product wordt in de fabrieken bij Dagget, aan
den Santa-Fé-spoorweg, verwerkt. Dat het ook daar geen paradijs is,
bewijst het feit, dat het bedrijf er van half Mei tot aan October
gesloten is, daar in de er dan heerschende hitte zelfs de Indianen
en Mexicanen het niet bij de ketels kunnen uithouden.

Twee duizend meter boven den bodem van het dal ligt het mijn
werkersstadje Greenwater, op een plateau tegen de helling van
den Panamintberg. Het plaatsje schijnt zijn naam "Greenwater"
gekregen te hebben omdat er noch iets groens, noch water te vinden
is. Dit laatste kost er gewoonlijk 20 gulden per vat. In plaats van
plantengroei vindt men er koper, enorm veel koper als de berichten
waarheid spreken. Ofschoon dit stadje Greenwater eerst in October 1906
is ontstaan, en in Maart van 1907 naar een andere plaats verlegd is,
wordt zijn lof toch reeds door twee weekbladen en een maandschrift
aan de wereld verkondigd.

Het besproken Dal des doods is niet de eenige streek, die jaarlijks,
als een Moloch, haar schatting aan menschenoffers verlangt. Het rijk,
waar de zon en de dorst heerschen, strekt zich over het geheele
Zuidwesten van de Vereenigde Staten uit, van het Rotsgebergte in
het Oosten tot bijna aan den Stillen Oceaan, en naar het Zuiden tot
ver in Mexico. Overal in dit gebied bevinden zich steenhoopen, met
hier en daar een verweerd houten kruis, waaronder de offers van den
dorst rusten. Behalve in het hooggebergte en aan de groote rivieren,
die door de gletschers daarvan gevormd worden, is er slechts op zeer
groote afstanden water te vinden. De reiziger, die in een slaapwagon
van een sneltrein twee dagen lang door de heete, stoffige woestenij
wordt heengevoerd, bemerkt niets van het watergebrek. Hij heeft er
niet het minste besef van dat het glas ijswater, dat hem door den
zwarten bediende wordt overgereikt, misschien een mensch het leven
zou kunnen redden, die nu slechts weinige mijlen van den spoorweg
verwijderd, ellendig om het leven komt.

Hoe licht men het offer der woestijn kan worden, kan ik uit eigen
ervaring mededeelen. In Juni van het vorige jaar maakten wij met ons
drieën van Mekka, een woestijnstationnetje aan de zuid-pacificlijn,
een reis naar Los Palmos, een kleine nederzetting van goudzoekers
70 K.M. van den spoorweg, om daar een nieuw ontdekte laag fossielen
in oogenschouw te nemen. De eerste op de kaart aangegeven waterkom
bereikten wij op den juisten tijd, doch de brandende zon en het
bijtende stof hadden ons toen reeds zoo gepijnigd, dat wij ondoordacht
besloten, den marsch des nachts voort te zetten en overdag aan de
volgende waterkom te rusten. Door de duisternis en onze slaperigheid
weken wij van den weg af, en de eerste stralen der zon vonden ons
ver van ons doel verwijderd. Het laatste droppeltje water was des
ochtends om 6 uur opgebruikt. Des middags verhief zich een scherpe
wind, waarvan de gloeiende adem onze aderen scheen uit te drogen,
terwijl het bittere stof zich in het slijmvlies van neus en mond
vastzette en de kwelling van den dorst nog tienvoudig verergerde. Bij
elke bodemverheffing werd naar water uit gezien, doch steeds zagen
wij geen ander beeld dan kaal, geelgrijs zand, grauwe cactusplanten,
harde rotswanden en flikkerende zonnestralen, onder wier invloed het
onbedekte deel van de huid verschrompelde, als de schil van een appel,
die langzaam aan de lucht is gedroogd. Het koortsheete bloed suisde
in de ooren, voor onze oogen voerden roode zonnen een dollen dans uit,
en de opgezwollen tong weigerde den dienst bijna geheel.

Fred, de jongste van het gezelschap, gaf tegen twee uur den strijd met
den dorst op. Met schorre stem begon hij plotseling een straatliedje
te zingen, rukte zich de kleederen van het lijf en snelde, terwijl hij
zijn hemd boven zijn hoofd zwaaide, naar den voet van een naburigen
berg, waar de Fata Morgana bedriegelijker wijze een blauw meer voor
oogen tooverde. De woestijndorst had hem in zijn klauwen gegrepen en
slechts krachtige maatregelen zouden hem kunnen redden. Zonder dralen
sloeg mijn metgezel den jongeling tegen den grond, en te zamen droegen
wij hem naar den wagen, die de vermoeide trekdieren nauwelijks door
het heete zand konden voortsleepen.

In de nu volgende uren moesten wij al onze wilskracht aanwenden, om
niet het voorbeeld van onzen jeugdigen makker te volgen. Onze gedachten
werden steeds verwarder, steeds sterker lokte de Fata Morgana, steeds
duidelijker wenkte ons het koele water te midden van het gloeiende
zand. De lippen barstten open en bloeden bij elke poging, om over
den te volgen weg te beraadslagen. De rimpels en plooien in het gele
bestoven gelaat van mijn metgezel werden dieper en zijn oogen trokken
zich ver in hun kassen terug, zoodat hij in die weinige uren wel 20
jaar ouder scheen geworden te zijn. Binnen in den wagen kreunde en
zuchtte de arme Fred, ijlende als in koorts. Slechts het gedrag der
muildieren, die zonder ophouden en zonder eenige leiding voortstapten,
hield ons er van terug den strijd op te geven.

Eindelijk, te middernacht, bereikten wij de waterkom. Tong en keel
van den patient waren echter toen zoo gezwollen, dat aan drinken
niet te denken viel. Met natte doeken wieschen wij den bebloeden mond
van Fred, wij sprenkelden hem water over zijn lichaam, en eerst na 4
uren was het mogelijk, hem eenige droppels van het kostbare vocht te
doen opnemen. Gelukkig waren wij nog genoeg bij onze zinnen, om maar
heel weinig te drinken, totdat wij eenigszins hersteld waren. Drie
dagen bleven wij bij deze waterbron, totdat wij ons in gezelschap van
eenige goed met den weg bekenden verder waagden. De zieke Fred moest
na onze terugkomst nog veertien dagen in een ziekenhuis verblijven,
voor hij geheel hersteld was.

Wij waren slechts ongeveer 20 uur zonder water in de woestijn geweest,
en toch waren we haast omgekomen van den dorst. Het zouthoudende stof
en de wind, die het lichaam als in een bakkersoven doen uitdrogen, zijn
de oorzaken, die in deze amerikaansche woestijn de marteling van den
dorst zoo kwellend maken en zoo spoedig den dood doen optreden. Vaak
treedt het einde reeds na 36 uren in, en in menig geval nog eerder,
daar bijna elk slachtoffer zich in razernij de kleederen van het
lijf rukt en zijn huid onbeschut aan de zonnestralen blootstelt. De
meesten verdwijnen spoorloos.

Een bijzonder slechten naam heeft een waterkom in zuidelijk Arizona,
waar het water zeer verborgen achter een rotswand zich verzamelt en
waar men in den omtrek 38 graven vindt. Meer dan drie dozijn menschen
zijn daar dicht bij water van dorst omgekomen.

Is het water in het uitgestrekte Zuidwesten van Amerika negen maanden
lang uiterst schaarsch, gedurende de drie andere maanden, van December
tot Maart, vormt de overvloed van water de grootste moeilijkheid,
waarmee de spoorwegen te worstelen hebben. In den zomer moeten vele
stations eener lijn hun water wel van 100 Kilometer ver laten komen,
terwijl in den regentijd het water zooveel schade aanricht, dat op
sommige lijnen de dienst dagen, ja wekenlang gestaakt moet worden. De
gemiddelde jaarlijksche regenval voor het geheele gebied bedraagt niet
meer dan 22 à 27 centimeter, die echter vaak in 3 of 4 wolkbreuken
neerstorten. Van de naakte heuvelruggen, de kale rotswanden en de
geheel onbegroeide hellingen van den bodem stroomt het water als
van een leien dak naar de laagste plaatsen en vormt diepe beken,
die alle naar één hoofdbedding vloeien. Den drang van deze watermassa
kan niets weerstaan.

De spoorwegen worden verweekt en weggedreven alsof ze van bordpapier
waren vervaardigd. In de twee jaar, sedert hij gereed is, heeft de
nieuwe spoorweg, die van Salt Lake-city door de woestijnen van Utah
en Nevada naar zuidelijk Californië leidt, door wolkbreuken een schade
geleden, die op 9 millioen gulden geschat wordt.

In deze overigens zoo van water verstoken woestenij, komt
merkwaardigerwijs de sterkste regenval voor, die in 24 uur is
opgemerkt. In de nabijheid van Campo, in het San-Jacinto-gebergte,
viel op 3 Februari 1895 in enkele uren een hoeveelheid regen van 54
centimeter. Door de dalen in het gebergte wierpen zich watermuren van
8 à 10 Meter hoogte met den gang van een sneltrein in de woestijn ter
neer, en na een paar dagen was er niets meer van eenige vochtigheid
te bemerken!





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De aardbeving van San Francisco - De Aarde en haar Volken, 1907" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home