Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Ziel van het Noorden - De Aarde en haar Volken, 1917
Author: Bertolini, Gino
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "De Ziel van het Noorden - De Aarde en haar Volken, 1917" ***


DE ZIEL VAN HET NOORDEN. [1]

Door Gino Bertolini.


Aan het boek, dat bovenstaanden titel draagt, en dat de schrijver,
de Italiaan Gino Bertolini, minder als reisbeschrijving, dan wel als
psychologische en sociologische studie wenscht beschouwd te zien,
zooals hij in zijne voorrede zegt, ontleenen wij de hier volgende
belangwekkende schetsen uit de drie skandinavische rijken. Zijn
eerste beschouwing, gewijd aan het land van Hamlet, verbindt de
schrijver aan zijn uitstapje van uit Kopenhagen naar het slot te
Helsingör. Ik had, zoo schrijft hij, de kinderen, de soldaten,
de zieken en krankzinnigen, de beurs-speculanten en de misdadigers
van Kopenhagen gezien; ook de met handelswaren en menschen bezaaide
kaden langs de haven, waaraan de stad haar naam ontleende; zoowel
als het Thorwaldsen-museum, die echo der deensche volksziel. Maar ik
kon het vaderland van Hamlet niet verlaten zonder het op de uiterste
noordelijke punt van Seeland gelegen slot Elsenör te bezoeken, binnen
welks muren Hamlet, naar de sage meldt, geleefd en geleden heeft,
en op welks terras de gevreesde en toch zoo vurig beminde geest van
den vermoorden koning zich vertoonde aan zijn zoon. Is het legende
of geschiedenis? Dikwijls is de eerste gewichtiger, veelzeggender
dan de laatste. Indien ook al nimmer op dat terras van Elsenör de
bittere lach eens dooden konings heeft weerklonken, dan was het toch
de smartelijke glimlach der deensche volksziel, die hier uiting vond,
en de gestalten der sage schiep naar eigen, innerlijken drang.

Op den morgen eer ik den tocht naar Elsenör ondernam, zag ik nog
eens met belangstelling uit het venster van mijn hotelkamer naar het
drukke gewoel in een der hoofdstraten van Kopenhagen. Gewoel was
misschien niet het rechte woord; het scheen een eindelooze stroom
van voorbijgangers, die zich allen in één richting voortbewogen,
en dat wel per rijwiel; voetgangers vertoonden zich bijna niet. In
een uur telde ik 1220 fietsen; 't waren meerendeels winkeljuffrouwen
en kantoordames, die naar haar dagelijksch werk togen; het leek wel
een bijenzwerm. Mij viel het op, dat ieder haar eigen weg ging,
verdiept in gedachten; nergens een glimlach; geen uitroep, geen
begroeting; al spoedde men elkaar rakelings voorbij. Slechts de
dringende noodzakelijkheid dreef haar voort, deze sombere processie,
die niets vreugdevols, noch verheffends had.... Ach, dacht ik, ook
onder deze arbeidende schare, kiest de sphinx van den zelfmoord,
die in alle klassen der deensche maatschappij naar buit zoekt,
hare slachtoffers. En toch is het met inspanning verworven bezit der
deensche cultuur geen ledig, ijdel vertoon, en het land is in geenen
deele te vergelijken met een lijk, dat met fraaie kleederen getooid
is. Hier is vooruitgang, aan onbedriegelijke teekenen te herkennen,
aan den hier heerschenden geest van waarachtige vrijheid, aan den
hoogen graad van beschaving en ontwikkeling onder alle klassen, de
onvermoeide vlijt, het geringe aantal misdaden, het ontbreken van
scherpe maatschappelijke tegenstellingen; de algemeene welvaart.--En
toch woedt in dit land de koorts der zelfvernietiging, die hier
meer verwoestingen aanricht dan in eenig ander rijk ter wereld,
behalve Saksen. Terwijl het getal zelfmoorden in een jaar gepleegd,
per millioen inwoners, voor de landen Finland, Noorwegen, Holland,
Schotland, Engeland, België, Zweden en Oostenrijk respectievelijk 47,
45, 56, 60, 89, 119, 151 en 156 bedroeg (berekend over de periode
van 1880-1900) wijst de statistiek voor Denemarken in het viertal
jaren van 1880-84 273 gevallen aan per jaar, in het volgend viertal
299; daarna 278, en vervolgens 232. Langzaam vermindert het kwaad,
waarvoor moeilijk een verklaring is te vinden. Hamlet kende reeds de
tweespalt der moderne ziel. Hij, die zijn tijd vooruit was in denken
en gevoelen, besefte de disharmonie tusschen verleden en toekomst,
die het heden tot een marteling doet worden en hem de roerende klacht
ontlokte, die door de eeuwen heen weergalmt.

De weg van Kopenhagen naar Helsingör was bezoomd met bosschen
van eiken, beuken en linden, waartusschen zich hier en daar het
"pantserblauwe zeevlak" vertoonde. Toen ik in het eeuwenoude, naar
het noorden ziende Helsingör aankwam, breidde zich een zilveren
nevelsluier uit over het verre land en in de nauwe vaargeul van
den Sond gleden droomerig de schepen voort, om weldra in den mist
te verdwijnen. Kronborg, of slot Elsenör, ligt als een waakzaam
schildwacht op post, op een vooruitspringend punt van de kust. De
vesting wemelt van kanonnen en soldaten. In het paleis met het
groote binnenplein liggen 800 infanteristen in garnizoen. Een
geheele rij van grachten en bastions moet de bezoeker passeeren,
die ook thans nog het slot zorgvuldig afsluiten. In het geelachtig
water der grachten groeit dicht riet en drijven waterlelies. Den
uitersten beschermingswal der vesting vormt een uit ruwe steenblokken
saamgevoegde dam, waartegen de zee bij rustig weder haar klaagzang
murmelt, of, als de Sond door den storm wordt bewogen, hoog wordt
opgezweept. Hoog boven het kleine menschdom aan haar voet verheft
zich de burcht, met haar bemoste grondmuren, haar vier hoektorens,
haar versterkingen en onderaardsche gewelven. In de diepten daarvan
sluimert de marmeren Holger de Deen. Zijn handen rusten op den
knop van het zwaard, dat tusschen zijn knieën staat, aan zijn zijde
leunt het ronde schild, en als het vaderland in gevaar is, treedt
hij te voorschijn op het terras. Zoo luidt de sage en zoo verhaalt
het sprookje van Andersen. Dagelijks, tot aan zonsondergang, is
het terras van het slot voor het publiek toegankelijk. Zoodra de
roode zonneschijf is verdwenen, wordt de deensche vlag ingehaald,
die van den hoogen mast waait en binnen de muren mag niemand meer
vertoeven behalve de soldaten. Bij mijn bezoek, midden in den zomer,
bleef de zon tot kort vóór middernacht boven den gezichteinder. Ik
slaagde er in, ongemerkt weg te schuilen en den korten nacht door
te brengen op datzelfde terras, waar eens de geestverschijning de
verschrikte schildwachten was voorbijgegleden. "Mij dacht, ik speur
reeds morgenlucht" roept de geest in zijn onderhoud met Hamlet.--Op het
bastion liep een schildwacht op en neer, met eentonigen tred. Flauw
schemerde de maan tusschen wolken; hier en daar blonk een ster. Het
verleden drong zich aan mij op, ondanks de teekenen van den nieuwen
tijd die tot mij doordrongen, in het stampen der machines van de
voorbijvarende stoombooten. Nu en dan tuurde de schildwacht door den
verrekijker, die op de hoogste, ver over de zee uitstekende borstwering
stond en waarnaast een tabel hing met de vlaggen van al die volken,
welke hier dag aan dag hun schepen langs zenden. Doch mijn geest
verwijlde in het verleden, en het blinken in de verte van een zeil,
welks vorm nog het oeroude type vertoonde, was voldoende om mij te
verplaatsen in de tijden, waarin de gestalten leefden, ontsproten
aan de diepten der geheimzinnig-treurige deensche volksziel.

Enkele dagen daarna ging ik aan boord van de boot, die mij naar Zweden
zou brengen. Vroolijk lachten aan de kust van Malmö de witte huisjes,
schemerend tusschen het groen van bosschen en parken. Zweden's
bekorende liefelijkheid neemt onmiddellijk den vreemdeling voor
zich in. Hoe verrukkelijk is niet de ligging van hare hoofdstad,
het Venetië van het Noorden! Doch geheel gaat die vergelijking niet
op. Venetië is eene uit de zee oprijzende bloem; Stockholm eene over
heuvelen uitgebreide looverguirlande, waartusschen als blinkende bessen
de spiegelende vlakten van meren en zee-inhammen schemeren. Wonderbaar
schoon is het effect van dat sappig groen, en dat blauwe water, waarin
de tallooze eilandjes verspreid liggen, als smaragden, op den opalen
achtergrond van de zee. Aan het strand staan verstrooide villa's en
elken morgen brengen booten uit de stad de noodige voorraden aan. Aan
de eenvoudige ruw getimmerde landingsplaatsen zag ik het eerst de
zweedsche boerenmeisjes met haar, het hoofdhaar geheel bedekkende
kegelvormige roode muts en het wijde, geplooide purperen schort. Een
groot deel der bevolking van Stockholm brengt jaarlijks eenige maanden
door in die verrukkelijke omgeving van de stad.

Beneden de brug van Norr steekt een kleine landtong vooruit in zee,
en in een lommerrijken tuin speelt hier des avonds het orkest van
het gardekorps of een huzarenregiment. Aan den tegenoverliggenden
oever zitten den lieven langen dag een aantal hengelaars hun geluk te
beproeven. Wel een uur lang sloeg ik hen gade, doch geen enkelen onder
hen viel het buitenkansje van een vangst ten deel. Gelukkige lieden,
met hun noordelijke kalmte!

Aan de overzij van de Norr-brug verrijst het slot, waarin Oskar II vijf
en dertig jaren over Zweden heeft geregeerd. Het geniale volk bezat in
hem een waardigen vorst. Hij maakte zich niet slechts verdienstelijk in
den strijd tegen het alcoholisme en de tuberculose, tegen onwetendheid
en ellende, doch was ook een fijnvoelend dichter en een liefhebber der
schoone kunsten. De parijsche uitgaaf zijner gedichten bevat naast een
sonnet, hem door Sully Prudhomme gewijd, een inleidende voorrede van
Jules Claretie. Hij vertaalde o.a. Horatius, Goethe en Herder. Zijn
kinderen erfden veel van zijn begaafdheid; zoo is zijn zoon, prins
Eugenius, een voortreffelijk schilder en scherpzinnig socioloog.

In de wateren rondom Stockholm wemelt het iederen dag van honderden
snelle booten. Want groot is de liefde der Zweden voor gymnastiek en
alle soorten van spelen in de open lucht, en de watersport staat bij
hen bovenaan. De "Kungl. Svenska Sevensällskapetklub" ziet terug op
een roemrijk verleden van meer dan 65 jaar, telt onder zijn duizenden
leden tweehonderd dames en bezit zeilbooten bij honderdtallen. Het
Stockholmer Club-gebouw staat in Kastellholmen, in een met boomen
beplante bocht. De plek waar de regatta's worden gehouden, is niet ver
van Stockholm gelegen, op de hoogte van dat aardig eilandenrijkje, dat
den naam van Sandhamn draagt. Op den dag, dat hier een vrije wedstrijd
plaats had om den eerebokaal, de jubileums-regatta, was ik juist hier
aanwezig. Ook de tegenwoordige koning Gustav V nam aan den wedstrijd
deel. Zijn vader was in zijn tijd beschermheer der vereeniging,
waarvan niet minder dan negen prinsen van het koninklijk huis lid
zijn. Alle standen verbroederen zich hier; onder de leden telt men
evengoed admiraals, bankiers en bekende schrijvers, als apothekers
en photografen. Het geheele zweedsche volk leeft in den geest op het
water in die dagen. Ik sloeg den kamp gade tusschen de zweedsche boot
San Foy, en de duitsche Alice. De laatste was grooter en sterker;
toch bleef het zweedsche bootje, luchtig en behendig, rap als een
eekhorentje, steeds vóór. Totdat.. een windstoot een touw losrukt,
een zeil fladdert,--en, ondanks de razende inspanning der bemanning
van tien, de San Foy achterblijft,--voor de eerste maal geslagen. De
spanning der ontzaglijke menigte loste zich op in een oorverdoovend
rumoer.--Laat in den avond keerde ik op een slank jacht naar Stockholm
terug. De stad lag stil in het vale licht van den noorschen zomernacht,
sterker dan dat van maan en sterren.--In het begin schenken die lichte
nachten het lichaam een gevoel van levendig welbevinden, een soort
overdaad van physieke kracht, gepaard met geestelijke opwinding. De
suggestie dat zoo aanstonds de dag zal aanbreken, verjaagt alle neiging
tot slaap. Het schijnt bijna alsof de aarde geen rust meer noodig
heeft.--De trein, waarmee men van Stockholm in omstreeks veertig uren
naar het twee dagreizen van de Noordkaap gelegen Narwik spoort, heet,
daar hij, behalve het midden van Zweden, ook het geheele zweedsche en
een deel van het noorsche Lapland doorsnijdt, de Lapland-trein. Het
zijn grootendeels vreemdelingen, meest Amerikanen en Duitschers, die
men erin aantreft. Als men den eersten avond aankomt in Upsala, dat,
behalve den prachtigen dom, ook de oudste universiteit van Zweden
bezit, doet men verstandig, de paar minuten oponthoud te gebruiken,
om in de wachtkamer te soupeeren. Op de tafel staan een menigte
gerechten, koude kabeljauw, zalm en forellen in gelei, warm kalfs-
en schapenvleesch, groenten en ingemaakte vruchten. Voorts kannen
met thee, koffie en melk, alles keurig geserveerd. Ieder bedient
zichzelf en eet en drinkt zooveel hem goed dunkt. De prijs is altijd
hetzelfde. Dan zet de trein zijn weg voort. Toen die reis nog dagen
duurde, zal zij wel eentonig en vervelend zijn geweest. Eerst in
1902 werd deze noordelijkste spoorweglijn der wereld (Ofotbahn)
geopend, welke van Lulea, waar de haven zes maanden van het jaar
is dichtgevroren, naar Narwik loopt, waar de van Trondhjem naar
de Noordkaap varende schepen voor anker gaan. Thans is deze tocht
bijzonder interessant. Men reist door streken, waar de meren een
onafgebroken rij vormen. De heuvels in het rond zijn eenzaam; slanke
rietpluimen wuiven aan den oever en teekenen hunne schaduwen op het
zand. Soms is het watervlak omsloten door geweldige rotsen, binnen
welker wanden een gedempt en schemerachtig licht elken vorm verzacht,
terwijl dikwijls aan den oever een ruw-getimmerde boot ligt van
knoestig hout, die daar eeuwen schijnt te hebben gerust. Eindeloos ver
strekken zich de dennen- en pijnbosschen uit. Over de geheele natuur
ligt een waas van melancholie en verlatenheid, zooals veeltijds in
uitgestrekte gebieden, die schaars zijn bevolkt. Overal liggen doode
takken en stammen, wie weet door welke langverleden stormen ontworteld;
soms ziet men een geheel bosch van verrot hout. Ook langs moerassen
voert onze weg, waarin overblijfselen van vaartuigen half verzonken
liggen, die der fantasie beelden voor oogen tooveren van holbewoners,
en ons den oervorm van het schip voor den geest roepen. Soms ook is het
landschap woester; snelvlietende stroomen, die wemelen van meegevoerde
takken en stammen, schieten ons bruisend voorbij. De grootste van
deze rivieren zijn de Angerman-elf en de Indols-elf, met de aan Jörn
voorbijstroomende Skellefte-elf, die zeer moeilijk bevaarbaar is. In
Boden, de zoogenaamde "sleutel van het Noorden", merkten wij aan de
vele officieren en soldaten, dat wij in de buurt waren van de grens
tusschen Zweden en Noorwegen, die wèl bewaakt wordt. In Boden splitst
zich de lijn in twee vertakkingen; de eene gaat naar Lulea, de andere
naar Narwik. Hier in de buurt van den Poolcirkel, begint het gebied
der middernachtzon, die in Bodö van 1 Juni-13 Juli, in Tromsö van
19 Mei-26 Juli, in Vardö van 16 Mei-29 Juli, in Hammerfest van 14
Mei-30 Juli, aan de Noordkaap van 12 Mei-12 Augustus, en ten slotte
in Spitsbergen van 18 April tot 24 Augustus is waar te nemen.

De hemel was helder, en 't was bijna middernacht. Aan den horizon
staat de vlammende zonneschijf. 't Is niet te beschrijven, met hoeveel
verbazing en vreugde dat verschijnsel wordt aanschouwd. Niemand
sliep. Vele reizigers stonden in gespannen verwachting op het platform
van den wagon, anderen verdrongen zich voor de coupéramen. Zelfs wie de
reis voor de vierde of vijfde maal deed, kon zich aan den indruk niet
onttrekken. Het scheen wel, alsof alleen de harde noodzakelijkheid
den mensch in den regel dwingt om zich voor te bereiden op rust,
wanneer de dag ten einde neigt, en hij die noodzaak van ganscher
harte betreurt. Daar stond de zon, onbewegelijk,--terwijl de wijzer
middernacht aanwees. Het was of zij eene boodschap van de aarde
verwachtte; misschien de konde: "dasz sel'ge Jugend nimmer stirbt." Het
was geen gewone ondergaande zon; het scheen veeleer de weerspiegeling
van een fabelachtigen brand; een mythologische werkplaats van Vulcanus
vol vlammend heilig vuur.--In zulke nachten heeft de trein geen
lantaarns van noode; hij stormt voort in den klaarlichten dag. Allen
bleven wakker. De uren verstreken; men zag wel bleeke gezichten en
zware oogleden; maar van slapen kwam niet in. Een wonderlijk gezelschap
schenen wij, na die lange, en toch onschuldige nachtwake.

Wie Lapland wil leeren kennen, doet dit het best, door een poos
te vertoeven in Gellivare, de hoofdstad van het aan ijzermijnen
zoo ongemeen rijke zweedsche Lapland. Een merkwaardig volk,
die Lappen. Vroolijk en goedig; meer sluw dan intelligent, en zoo
zwervend van aanleg en neiging, dat zij geen enkelen arbeider in de
mijnen leveren, hoewel de grootste rijkdom van hun land uit mijnen
bestaat,--zoo leven zij verstrooid over noordelijk Skandinavië,
het Noorden van Finland, en het russische schiereiland Kola. Al hun
arbeid is ten nauwste verbonden met het leven van het rendier, dat
zij als rij- en trekdier gebruiken, en dat hun voedsel en kleeding
levert. Nog steeds dragen de Lappen buizen van rendiervel, die zij met
een touw om het lijf vastbinden. Op het hoofd hebben ze de puntige
muts met roode kwast, die als een helm of stormkap over mond en kin
wordt neergetrokken. Hoeveel Lappen er zijn is moeilijk te bepalen,
daar zij in troepen zijn verstrooid over een gebied, grooter dan
Frankrijk. In 't algemeen schat men hun aantal op 30.000, waarvan
20.000 in Noorwegen, 7000 in Zweden, 1000 in Finland en 2000 in
Rusland thuis behooren. Als volk vormen zij geene eenheid.

Hun dialecten zijn zeer verschillend, zoodat een noorsche Lap
een finschen in den regel niet kan verstaan. Ook hun godsdienst
brengt scheiding; de russische Lappen zijn grieksch-katholiek;
de skandinavische en finsche Protestanten. Hun aantal vermindert;
de toenemende beschaving verdringt hen, en het is niet onmogelijk,
dat zij binnen enkele tientallen jaren zullen zijn uitgestorven.--Hoe
komen de Lappen aan hun naam? Ook hieromtrent is niets met zekerheid
bekend. Sommigen zeggen, dat de naam afkomstig is van het lapsche
substantief loap, laptem of lopto "het uiterste Noorden". Dit is echter
geen afdoende verklaring, daar in die noordelijke streken ook Russen
en Skandinaviërs wonen, en de laatste in aantal, 400.000 ongeveer,
verreweg de meerderheid vormen. Andere schrijvers leiden den naam af
van lappa (grot); inderdaad bewonen vooral zweedsche Lappenstammen
nòg holen, en er worden overblijfselen van zulke toevluchtsoorden
in menigte aangetroffen. De visschers zijn onder de Lappen niet zeer
talrijk. Ook zij leiden een zwervend bestaan, daar het aantal meren in
Skandinavië zoo groot, en hun omvang meestal gering is. Het rendier is
den Lappen onontbeerlijk. De rendierkudden ondernemen elk jaar twee
tochten, van de zweedsche hoogvlakte naar de kust van Noorwegen,
en omgekeerd. In den winter voeden zij zich met een soort mos,
dat in de bosschen van Zweden rijkelijk voorhanden is; in den zomer
krijgen zij behoefte aan ander voedsel en zoeken de grazige weiden
op aan de noorweegsche kust. Reeds in het jaar 1751 werd tusschen
Denemarken, waarvan Noorwegen toen afhankelijk was, en Zweden een
verdrag gesloten, om een dergelijken "trek" te bevorderen. In den
zomer grazen de kudden vrij, tot ze tegen den winter weer worden
saamgedreven. Dat weer samenkomen der verschillende troepen is iets
zeer eigenaardigs in het leven der Laplanders. In den winter moeten
de kudden worden beschermd tegen de aanvallen van hongerige wolven;
dan worden viermaal daags wachten uitgezonden, die met het geweer in
de hand de ronde doen. Om uitsluitend van de rendierfokkerij te kunnen
leven, moet men eene kudde van minstens 300 stuks bezitten. Wie er 700
heeft, wordt als rijk beschouwd. Er zijn echter Lappen, die 2000 of
3000 rendieren hun eigendom mogen noemen.--Zooals alle menschen van
het hooge Noorden zijn de Lappen dol op vette spijzen en vinden de
uiterst vette rendiertong een uitgezochte lekkernij. De melk is echter
een weelde-artikel, daar zestig koeien niet meer dan twee liter per dag
leveren. Er is, hoewel het tegendeel wel geloofd wordt, bijna geen Lap,
die niet lezen en schrijven kan. De meesten zijn ijverige en oprechte
christenen, en hebben den naam van gastvrij en eerlijk te zijn. De
verkoop van alcohol is in zweedsch Lapland geheel verboden. Uit den
grooten rijkdom aan mineralen in hun land trekken de Lappen, zooals
ik reeds mededeelde, niet het minste voordeel.

Geheel Skandinavië is rijk aan mijnen; vooral ijzermijnen; maar
de meeste en voornaamste bevinden zich in zweedsch Lapland. Het
merkwaardigst zijn die van Gellivare en van Kirunavara. In geene
streek ter wereld vindt men zulk rijk ijzererts, met een gehalte
van zestig percent. Beide bergwerken behooren aan ééne maatschappij,
die echter sedert 1908 onder invloed van den Staat is gekomen, welke
de helft der aandeelen van de Gellivaremijnen en voor meer dan 80
millioen kronen van die der Kiruna-mijnen heeft aangekocht. Reeds
voor 150 jaren werden zij ontdekt door de bemoeiingen van een baron
Hermelin, en behoorden van 1860 af aan engelsche maatschappijen,
tot zij in 1890 in zweedsche handen overgingen. Vooral sedert den
aanleg van het noordelijk spoorwegnet wierpen zij groote winsten af.

Om de mijnschachten te bereiken, moet men na aankomst in het station
Malmberg een steile helling beklimmen. Overal op den bergrug loopen de
vertakkingen van een net van spoorwegrails. Onder het klimmen hoort men
telkens een naderend geluid, eerst dof en vaag, dan steeds sterker,
tot het even geregeld weer afneemt en wegsterft. Het zijn twee, drie
of vier karren, hoog beladen met ijzererts, die naar beneden komen
rollen, en vervangen worden door een evengroot aantal leege karren, die
omhoog gaan. Geen mensch is daarbij aanwezig; alles gaat automatisch in
zijn werk, en terwijl ik zat te rusten en er naar keek, trof mij als
iets zeer vreemds het bezig gedoe van die willooze werktuigen. Heel
boven op de bergweiden zag ik vrouwen bij haar vee, die soms een
koppige koe bij de horens pakten. Ze droegen donkere kleeding, doch
een witten doek om het hoofd, en een rooden halsdoek.--Er zijn tien
schachten waarin gewerkt wordt, in denzelfden berg. Aan den rand
van de grootste, die Koning Oscar heet, kwam ik het eerst aan. Van
bovenaf gezien is het een merkwaardig schouwspel. Drie geweldige,
concentrisch vernauwende kringen, die in hun grootsche verhoudingen
aan de schilderingen van Dante herinneren. De aderen teekenen zich
loodrecht af in het gesteente der bergwanden en laten duidelijk de
geologische formatie onderkennen. Ik stond juist in beschouwing
verdiept, toen een arbeider kwam aanloopen en mij haastig in een
uit balken ruw opgetrokken hutje duwde. De signaal-klok had reeds
geluid eer ik aankwam, en van de plaats, waar ik stond, kon men de
roode vlag niet zien, die, vóór de ontploffing zal plaats hebben,
wordt gezwaaid. Iederen dag wordt een honderd ton dynamiet verbruikt
voor wel een duizendtal ontploffingen. Juist waren wij onder dak, toen
de uitbarstingen begonnen; enkele zoo dichtbij, dat het scheen, of de
aarde spleet boven onze hoofden. Overal in de rondte vielen steentjes,
als een hagelbui, die aan 't aftrekken is. Toen het gedaan was,
luidde weer de bel, en wij slopen uit onzen schuilhoek. Ik liep langs
den uitersten omtrek van den schachtrand en zag van een hooggelegen
rotspunt in het rond. Het land scheen, als een zeef vol gaatjes,
doorboord met de ronde openingen van kleine meren. Alles baadde in
licht tot in de verste verten; maar wijd in het rond heerschte de
meest volslagen eenzaamheid. Het was, alsof de bodem een schatkamer
was, waarin ongekende rijkdommen lagen opgehoopt, van welke men
slechts tersluiks waagde, hier en daar iets weg te nemen. Bij een
uitstekende rotspunt waren met kolossale letters in het gesteente
uitgehouwen de letters en cijfers: "Oscar. 1894 3/8". Het deed mij
vermoeden dat gewillige arbeidershanden in der haast dit aandenken
aan koning Oscar's bezoek hier hadden gegrift in den steen. Dicht
bij den rand van het grootste bekken stonden eenige hutten, waarvan
de voegen tusschen de ruw getimmerde planken met afval van rendier-
en geitenleder waren gedicht. Ik ging binnen in een dier gebouwtjes,
dat als cantine diende voor de arbeiders in die schacht. Er zaten een
tiental mannen op de banken langs den wand. Het rook er sterk naar
koffie; alcoholische drank wordt hier niet gebruikt. In 't geheel
arbeiden in deze mijnen 1500-2000 arbeiders, meest Zweden, Noren en
Finnen zijn er ook bij; maar geen enkele Laplander. Ze zouden het werk
niet uithouden, zeide mij de hoofd-ingenieur der onderneming. Het
verlangen naar een vrij en zwervend leven ligt hun in 't bloed. Ze
hebben van tallooze voorouders hun stalen beenspieren geërfd, maar
hun armen zijn tegen een zoo groote krachtsinspanning niet opgewassen.

Ik dacht aan de roodhuiden in N. Amerika, die langzaam uitsterven,
sedert de Angelsaksers en de toevloed van andere landverhuizers hen
terugdrongen binnen een beperkt gebied, en hun het vrij en zwervend
leven beletten, dat zij sedert eeuwen hadden geleid.

Toen er een pauze ontstond in de reeks ontploffingen, maakte ik
van de gelegenheid gebruik, om in de diepte af te dalen. Langs de
grauwe rotswanden leidden op sommige plekken lange smalle trappen naar
beneden, waarvan de eene leuning op meerdere plaatsen was weggesleten,
gebroken en vermolmd. Hoeveel vereelte bruine handen waren daar ook
al niet langs gegleden! Zoodra door de ontploffing de rotsblokken
zijn uiteengespleten, wentelen eenige arbeiders de losse blokken in de
diepte. Daar worden ze door anderen stukgeslagen en op lorries geladen,
die ze naar de opslagplaatsen vervoeren binnen in het gebergte, langs
de rails. In de diepte der schacht zag ik ter eener zijde twee in den
rotswand geboorde gangen, waardoor de karren passeeren; vóór zij de
helling bereiken, waarlangs het erts naar beneden wordt afgevoerd. Ik
volgde ze; knarsend gleden de zware lasten uit het duister in het
licht, en ik begreep dat daar bij de flauwe verlichting door enkele
fakkels en lantaarns meermalen ongelukken moeten gebeuren.

Ik was blijde toen ik weer in de frissche lucht trad, en boven
mij de leeuwerikken hoorde jubelen.--Het loon der arbeiders van
Gellivare bedraagt 3-13 kronen per dag. Ze zijn ingedeeld in twee
ploegen; de eene werkt van vier uur 's morgens tot twaalf uur; de
andere van twee uur 's middags tot 's avonds tien. Vrouwen werken er
niet, en de enkele jongens, boven veertien jaar, verrichten lichtere
bezigheden. Aan acht zweedsche ingenieurs is de leiding van het werk
toevertrouwd. Stakingen zijn in tien jaar niet voorgekomen, hoewel
het meerendeel der arbeiders socialistisch gezind is. Er worden
gemiddeld 900000 ton erts jaarlijks gewonnen. Het erts wordt per
spoor naar Lulea en vandaar over zee naar de verschillende plaatsen
van bestemming gebracht. Negen tiende ervan gaat naar Duitschland. De
plaatsen Malmberg, Gellivare en Kiruna breiden zich ontzaglijk uit;
voortdurend worden er nieuwe huizen gebouwd, kleine, bont en vroolijk
geschilderde huisjes, die dikwijls reeds worden betrokken, eer het
omliggende land bebouwd is. De bloei dier plaatsjes herinnert aan
den snellen groei van sommige steden in Amerika.

De trein, die van Narwik kwam, hield 's avonds in Kiruna op; om
den volgenden morgen vroeg de reis voort te zetten naar Abisko,
dat in zekeren zin het glanspunt is van zweedsch Lapland. Langs de
spoorweglijn verheffen zich gekartelde bergtoppen, die een dolomitisch
karakter dragen. De plantengroei wordt steeds schraler; men bemerkt,
dat men de grens nadert van het boomgebied. Naaldhout wordt bijna
niet meer gezien, en zelfs de taaie zilveren berkenstammen zijn hier
dun en klein gebleven. Wij naderen thans Abisko. Reeds strekt zich
rechts van ons het geweldig groote, wegens zijn stormen beruchte
Torneträsk-meer uit. Boven dat uitgebreid water-oppervlak, 62 mijlen
lang en 10 mijlen breed, verrijzen hier en daar eilanden. Twee ervan
verdienen bijzondere vermelding, Abisko Suolo en Kaisanhiemi.

Abisko is een voor Lapland merkwaardig beschut gelegen plaatsje. De
rijkdom aan verrukkelijke gezichtspunten doet denken aan het prachtige
dal, dat zich uitstrekt van St. Moritz naar Maloja. Hier echter zijn
onder den magischen invloed van het noordelijk licht, in den zomer de
licht-effecten veel tooverachtiger en fantastischer. Als de zon den
groenen boog verguldt der beide berghellingen, die als het ware de
poort en omlijsting van Abisko vormen, dan is dat een aanblik, zoo
onvergelijkelijk schoon, dat slechts enkele der in licht gedrenkte
landschappen van het Oosten hiermede kunnen wedijveren.

Toen wij in het stadje Abisko aankwamen, was het vol met Laplanders,
terwijl hun rendierkudden heel boven op de met sneeuw bedekte
bergweiden waren gezonden, om te bekomen van de zomerwarmte. Zoo ver
waren ze weg, dat het scheen alsof de glanzende witte hellingen met
kleine donkere vlekjes waren bezaaid.--De laplandsche herders kwamen
ons hun eigenaardige messen te koop aanbieden, waarvan de gesneden
beenen heften met rendieren, beren en wolven waren versierd. Ze
dragen dat mes om de heupen gegord aan een korten riem en maken er
de wolven mee af, die ze hebben neergeschoten of met stokken halfdood
geslagen. Ze maakten den indruk van luchthartige "desperado's" en het
viel mij op, hoe ongegeneerd ze babbelden in hun mongoolsch idioom,
tusschen de talrijke vreemdelingen. Hun schoenen, van binnen met stroo
doorvlochten, zijn gemaakt van rendierleder. In den zomer dragen ze
een waterdichte, donkerblauwe kleeding, met roode randen. Rood is ook
de zonderlinge kwast, die aan hun muts bengelt. Toen ik mij gereed
maakte, een groep te photografeeren, kreeg er plotseling een het te
kwaad, en ging uit bijgeloovigen angst aan den haal, zoodat op de
plaat alleen zijn rug werd ontrukt aan de vergetelheid. Toen later
de middernachtzon door den nevel gloeide en de lucht en de bergen den
rooden brand weerkaatsten, haastten zich twee Stockholmer schilders,
die opzettelijk voor dat schouwspel waren hier gekomen, dien indruk
vast te houden, zoo goed hun penseel dat vermocht. Doch het was een
ondankbaar werk, want niets laat zich moeilijker weergeven, dan een
overgang, die, hoe langzaam ook zich bewerkstelligend, telkens weder
nieuwe schoonheden openbaart.

De boot, waarmee ik naar Noorwegen zou reizen, de Hadsel, voer
iederen Zaterdag, tusschen 29 Juni en 20 Juli, naar Narvik.--Narvik
heeft langen tijd Victoria geheeten, daar de engelsche eigenaars
der laplandsche mijnen het naar hunne koningin hadden genoemd. Doch
voor kort werd de plaats wel een noorschen naam waardig gekeurd, en
herdoopt. Een andere boot, de Adenaes, vaart van 20 Juni tot 25 Juli
geregeld van Narvik naar de Noordkaap. Een derde, de Westeraalen,
doet die reis van Trondhjem uit. Beide hebben twee dagen noodig voor
den tocht. De schepen, die de fjorden van het hooge Noorden bevaren,
zijn niet groot. In die beschutte inhammen en bochten heerscht vaak
windstilte, en zoo sluipen de vaartuigen haast tersluiks van kust tot
kust, van eiland tot eiland, en glijden behendig door het labyrinth
van doorgangen en kanalen, terwijl zij de talrijke klippen met groote
zekerheid weten te ontwijken. Op enkele punten is de vaart buitengewoon
moeilijk. Gevaarlijk is vooral de Malström, de sterke zeestrooming,
die het onbewoonde Mosken-eiland omvat, en de eilandengroep der
Lofodden doorsnijdt. Drie groepen eilanden hier zijn beroemd wegens
hun visscherijen, de Lofodden, Westeraalen en Senjen.--Naar de Lofodden
komen elk jaar geweldige scholen van kabeljauwen, bij de vervolging van
een door hen zeer gewaardeerd en begeerd vischje, de kapelaan geheeten
(osmerus arcticus) dat uit het tusschen Groenland, IJsland, Jan Majen
en Spitsbergen gelegen gedeelte der IJszee naar deze streken trekt,
en terwijl het zoekt te ontkomen aan zijn vraatzuchtige vervolgers,
worden deze weder voortgedreven door de op hen beluste walvisschen,
die deerlijk onder hen huishouden. Zoo woedt hier ieder jaar een
driedubbele slachting, die de mensch zich weet ten nutte te maken. Het
is hem natuurlijk te doen om de roofvisschen, den kabeljauw en den
walvisch. Het kleine vischje dient hem enkel als lokaas. Jammer
is het, dat de eene rooftocht de voorwaarde is voor den ander,
en toch dien tegelijkertijd schijnt uit te sluiten. Toen op de
kabeljauw zoo overdreven heftig werd jacht gemaakt, bleek het dat de
walvisschen zich niet zoo veelvuldig meer vertoonden, en de poging
om zooveel mogelijk walvisschen te dooden, had weer tengevolge dat
de kabeljauwen, nu ze niet zoo werden in 't nauw gedreven, ook in
minder grooten getale verschenen. Er werd gewaarschuwd; de schrik
sloeg den menschen om het hart; het parlement bemoeide zich er mede;
er werd eene commissie benoemd, zooals dat overal gebruikelijk is, en
ten slotte werd de walvischvangst in bepaalde streken verboden. Soms
komen de kabeljauwen in zulke massa's, dat het dieplood niet kan
worden uitgeworpen. Aan deze vischvangst nemen op de Lofodden alleen
ruim 25000 menschen deel, met 2000 booten, die uit alle deelen van
Noorwegen hier samenkomen. Het visscherij-seizoen heet in 't algemeen
Vaer (lente); doch de vangst begint reeds in 't eind van Januari. Een
groot gedeelte der noorsche bevolking trekt mede naar het terrein. Men
heeft wel beweerd, dat de kabeljauw het manna van het Noorden is,
zooals het goud het manna van Californië en Australië. Vele doktoren
en geestelijken sluiten zich aan bij die menigte. De termijn voor het
eind van de vangst is 14 April. Tot zoolang heerschen in de Lofodden
bijzondere regels en wettelijke voorschriften. Een net van telegraaf-
en telefoonleidingen verbindt gedurende die periode talrijke punten
der eilanden, en zoodra een school kabeljauwen de kust nadert, wordt
de omtrek onverwijld verblijd met dat verheugend bericht. Daar er
op de weidegronden der eilanden niet voldoende veevoeder groeit,
wordt de kabeljauw ook aan anders planten-etende dieren tot voedsel
gegeven. Zij zijn daaraan zóó gewend, dat de koeien, wanneer ze langs
een opgestapelden hoop visschen komen, daar haastig een tusschenuit
pogen te trekken. Herodotus reeds meldt, dat ook in Thracië het vee
met visch werd gevoederd.

Het geheele lichaam van den kabeljauw wordt nuttig gebruikt. Versch
gegeten, smaakt het goed, heeft iets van baars. Overigens bereidt
men uit de lever traan, evenals bij den walvisch, de kop dient ter
vervaardiging van kunstmest, en de rest, goed gedroogd, levert den
stokvisch, die op alle markten ter wereld wordt aangetroffen. Er
zijn twee manieren om kabeljauw te drogen. Men kan hem aan den staart
ophangen aan een horizontalen stok, een paar handbreedten boven den
grond aangebracht; vandaar de naam stokfisk, die dus niet aan het
product wordt geschonken wegens zijn leerachtige taaiheid en stijfheid,
maar naar den stok, waaraan het hangt. De andere manier bestaat hierin,
dat men de visch op platte steenen in de frissche lucht te drogen
legt, in welk geval hij klipfisk wordt genoemd. (Klippe is steen in
het Noorsch.)

De kabeljauw wordt in de Lofodden gevischt op omstreeks een
engelsche mijl van de kust, in een diepte van 50-500 meter. Soms
wordt de visschersvloot door den storm van de kust afgedreven. Dan
is terugkeeren naar de eilanden niet mogelijk. Men moet den breeden
zeearm van het Westfjord doorkruisen. De storm jaagt de lichte booten
voort. Het wordt eene ontzettende tragedie, die haar hoogtepunt bereikt
in het omslaan van vele der vaartuigjes. In het ijskoude water klemmen
zich de mannen vast aan ringen en haken, of, als zij geen ander houvast
kunnen krijgen, steken zij het mes, waarmede zij anders de visschen
de keel afsnijden, in den rand van de boot. Krampachtig omklemmen zij
het heft, tot zij het door uitputting moeten loslaten. De boot drijft
aan land, en de messen in den rand wijzen als grafkruisen het aantal
en de namen der dooden aan. "Gebleven", zooals de korte lijkrede der
noorsche visschers luidt.

Behalve kabeljauw wordt ook veel haring hier gevangen, die versch,
gezouten of gerookt gegeten wordt. Soms komen ze in zulke dichte
scholen, dat men ze met groote schoppen uit het water kan scheppen. Wie
dat aanschouwt, denkt aan het bijbelsch verhaal der wonderbare
vischvangst. In den zomer wagen zich de visschers van de Lofodden,
Westeraalen en Senjen zelfs tot de verwijderdste punten der kust
van Finmarken.

De kosmopolitische stroom van reizigers vergenoegt zich over
't algemeen met een bezoek aan de voornaamste steden: Stockholm,
Upsala, Göteborg, Christiania en Bergen. Daardoor zijn de booten die
van het Zuiden of midden van Noorwegen naar de Noordkaap, IJsland
of Spitsbergen varen, zelden overvol, en ik kon rustig rondwandelen
op het bijna leege halfdek, mij verbeeldend de eenige passagier te
zijn. Het was zacht in de lucht. De noordelijke en westelijke kusten
van Noorwegen verheugen zich,--in tegenstelling met de oostelijke
kust van Zweden,--in een zacht klimaat, daar zij door den golfstroom
worden bespoeld. Molde, met zijn weelderigen plantengroei, ligt
op denzelfden breedtegraad als de onbewoonde vlakten van oostelijk
Siberië en de ijsvelden van N.-Amerika, waar Franklin's expeditie haar
einde vond; en in het toch zoo noordelijk gelegen Bergen heerscht
eene temperatuur als in Zuid-Bulgarije. Wij bleven den nacht op het
dek, klaar wakker. Dat zachte, vreemde licht is te ongewoon en te
verleidelijk om er afscheid van te nemen en zich vrijwillig op te
sluiten in kunstmatige duisternis. Om 6 uur 's morgens was ik juist
begonnen, zoodra de Hadsel in de wijde baai van Tromsö het anker had
laten vallen, een poging te doen om de verloren nachtrust in te halen,
toen in de deur van mijn hut een blonde dame verscheen. Verschrikt
richtte ik mij op, en hoorde haar in gebroken Duitsch zeggen: "Is u
de Katholieke professor Theodor Fischer uit Breslau?"

"Ik ben Italiaan", was mijn antwoord, "en katholiek. In Breslau heb
ik wel vrienden wonen; maar prof. Fischer is mij onbekend". "Hier
in de buurt is een katholieke kerk. Om 8 uur begint de mis. Zeven
jonge meisjes doen haar eerste communie. Morgen komt de bisschop van
Noorwegen hier. Buiten wacht een gids, die Noorsch spreekt."

Daarmee verdween zij, en ik bleef verbaasd achter. Ik vond bezoek en
bezoekster origineel; maar 't meest frappeerde mij het feit, dat mij
hier in het hoogste Noorden en in een land, waarvan de twee en een half
millioen inwoners slechts 2000 katholiek zijn, juist deze verwelkoming
ten deel viel. Ik wreef dapper den slaap uit de oogen, en vergenoegde
mij, om de gemiste rust te vergoeden, met het stevig noorsch ontbijt
aan den uitlokkenden skandinavischen disch, die meest met groen
is versierd, en beladen met schotels koud vleesch, visch, groente,
ingemaakte vruchten en beschuit.--Van den gids vernam ik, dat er in
Tromsö maar negentig katholieken waren, doch dat de bisschop, die in
Christiania woont, voor deze gelegenheid zou overkomen. Noorwegen bezit
zes protestantsche bisschoppen, die hun zetels hebben te Christiania,
Christiansund, Hamar, Bergen, Drontheim en Tromsö. In Zweden zijn er
twaalf, naar het voorbeeld der apostelen, met een aartsbisschop aan het
hoofd. Het aardige kerkje lag rustig in de zon en was goed bezet. Ik
zag er veel gerimpelde voorhoofden en door weer en wind gebruinde
gezichten; maar de zeven knielende jonge meisjes, allen blond en
blank, geleken een rij engelen van Fra Angelico. Na den dienst ging
ik met den vriendelijken geestelijke naar zijn pastorie, waar ik op
thee en gezouten visch werd onthaald, en nog twee reizigers aantrof,
den pastoor van Drontheim en een hollandsch priester, uit Groningen,
die ook naar de Noordkaap wilden, en later aangename reisgenooten
bleken.--In het stadje Tromsö leefde nog de herinnering aan den
hertog der Abruzzen en de "Stella Polare"; en de menschen spraken nog,
als van een sprookjesheld van "dien mooien prins, die uit Italië kwam".

Ook van den amerikaanschen onderzoeker Wellman wisten ze te verhalen,
wiens ballon en Siberische honden iedereen had kunnen bekijken,
toen hij zich meerdere dagen in de stad ophield.--Van mijn blonde
berichtgeefster was geen spoor meer te ontdekken, en niemand begreep,
wie zij kon geweest zijn. Ik liet voor alle zekerheid mijn kaartje
achter, om op die onvoldoende wijze mijn dank te betuigen voor haar
raad, die mij eenige aangename uren verschaft had.--Juist toen wij het
anker zouden lichten kwam nog een troep donkerblauwe Lappen de valreep
opstormen. Toen nog eenige achterblijvers aankwamen, zagen we hun
eigenaardige wijze van begroeten, die zoo hygienisch mogelijk is. Ze
geven elkaar geen hand; maar raken wederkeerig met de vingers elkaars
onderarm aan. De handdruk wordt voor zeer bijzondere gelegenheden
bewaard. Ook deze lieden waren wel geen dwergen, (zooals wel wordt
beweerd), maar toch klein van gestalte. Het ras wordt minder, daar zij
steeds onder elkaar huwen. Weer viel mij hun eigenaardige trots op;
ze nemen van vreemdelingen niet de geringste notitie; doen alsof ze
niet bestaan.

En nu gleed de wijde baai van Tromsö weg uit onze oogen en wij genoten
van het stralende licht, dat alles in het rond verheerlijkte. Nooit
had ik zoo wèl begrepen hoe de Skandinavische gedachte, voor "zee"
en "tuin" hetzelfde woord (hav) te bezigen, had kunnen ontstaan. Elk
golfje scheen een bloem; al wat doorzichtig was glansde en gloeide van
een inwendig licht. Bij het luiden eener bel haastten wij ons allen
naar het dek. De boot voer tusschen spitse klippen door. Het scheen,
alsof er geen ruimte was voor den boeg, dien zij bijna aanraakten. En
het panorama, dat zich thans voor ons uitbreidde was beroofd van
elk spoor van vruchtbaarheid of groen. Het gaf den indruk, alsof een
zondvloed alle dalen van een wijdvertakt bergland had gevuld en wij
tusschen de allerhoogste Alpentoppen doorstoomden. Hoe diep wringt zich
de zee naar binnen tusschen deze kusten! Het is alsof zij met de aarde
heeft geworsteld om elke handbreed gronds, om ten slotte een grootsche
zege te behalen. Geen wonder, dat die strijd haren stempel heeft
gedrukt op de gansche bevolking van dezen eindeloos langen zeezoom.

De noorsche fjorden geven volkomen den indruk van bergmeren. Als men
zoo uren lang, tusschen bergen door, op steeds weer nieuwe berggroepen
is afgevaren, zijn er oogenblikken waarop het eenvoudig onmogelijk
schijnt, dat plotseling een ontzettende storm kan losbarsten uit de
richting vanwaar wij zooeven gekomen zijn; daar, waar op mijlen afstand
zich de poorten openen van den onvertrouwbaren oceaan. Plotseling bleef
het schip stil liggen. Ter rechter zijde glinsterde een reusachtige
gletscher, de Strupen, die zich uitstrekt tot aan de oppervlakte
der zee. De geweldige sneeuwmassa bedekt den ganschen bergrug,
en breidt zich aan de landzijde mijlenver uit. Van de omringende
bergen storten schuimende beken naar beneden. Men herkent in zee,
duidelijk afgebakend, den troebelen stroom, die aanhoudend nedervliet
van uit die kristalheldere pracht daarboven. Wij stonden allen stil en
eerbiedig rond te zien; we hadden gelukkig geen drukke en spraakzame
sightseers in ons midden. Doch toen kwamen de kodaks voor den dag,
en onze Drontheimsche pastoor was daarbij in de voorste rijen werkzaam.

In een wijde baai, de zoogenaamde Lyngenfjord, bleven we liggen. In
een bootje werden we naar de landingsplaats geroeid, om van daar
per wagen te worden gebracht naar een Lappenkamp in de nabijheid,
dat zich over twee heuvels uitstrekte, en door den straatweg, die
door het dal loopt, werd doorsneden. Dit was een gelukkig toeval;
het gebeurt niet veel, dat reizigers zulk een Lappentroep in rust
ontmoeten. In het volle middaglicht was het een bont gewemel
van heldere kleuren. Ze hadden weer van alles te koop; messen,
geweien, vellen, en aangekleede ledepoppen. De talrijke kudden
graasden op de helling van den tegenoverliggenden berg. Hoe vrijer
de rendieren worden gelaten in hun beweging, des te beter tieren
zij. Hun weideplaatsen worden gekozen al naar de windrichting, daar ze
verbazend te lijden hebben van het steken der muggen. Finsche honden
liepen kwispelstaartend overal rond. Onafscheidelijke metgezellen
zijn zij voor de Lappen, en trouwe kameraden. 't Is een levendig,
ruigharig ras. Ze klauteren met gemak op de hoogste steilten, en
drijven, zoodra het voer schaarsch wordt, de kudden samen op plekken,
waar de herders ze met lasso's kunnen bereiken en bijeenhalen. En als
in den ijzigen winterwind de Lap, gehurkt op zijn slede zijn rendier
bestuurt, dan bewaakt de trouwe, er naast loopende hond het zooveel
grootere dier, alsof hij wist, dat hij meer verstand heeft. Wanneer
het rendier schuw wordt, en niet meer vooruit wil, of koppig is,
slaat het niet zooals een paard met de achterpooten, maar keert zich
om, en begint met de voorpooten op den rand der slede te slaan. Dan
is het weer de hond, die het blaffend tegenhoudt, en weer op zijn
plaats zoekt te brengen. Als 's nachts wolven de kudde aanvallen
verdedigen de honden ze tot het uiterste. Het gebeurt dikwijls, dat
rendieren in een vreemde kudde verdwalen. Om ze in dat geval te kunnen
opeischen, maakt elke eigenaar, voor ze de bergen worden ingedreven,
naar een zelfvervaardigde teekening insnijdingen in de oorlappen der
dieren. Dat patroon bewaart hij op een blad papier, en schrijft zijn
naam erover heen. In het interessante arctische museum te Tromsö zag
ik meerdere zulke handteekeningen; de namen Persen, Nilsen, Volab,
Olsen kwamen 't meest voor.

Ik ging een der tenten binnen. Midden in de zoldering was een
opening voor den rook van het magere vuurtje. Het geraamte van de
waterdichte tent bestond uit gladde berkenstammen, ook de vloer
was met berkentakjes bestrooid. Zes menschelijke wezens zaten daar
dicht opeengepakt, en er moest nog plaats zijn voor vier andere;
daar de familie uit tien personen bestond. In een hoek knabbelde een
jongen op een stuk gedroogd gezouten vleesch. Op twee ruw bewerkte
kisten lagen tien bijbels; ieder lid van het gezin bezat zijn eigen
exemplaar. Toen ik vroeg, of zij er veel in lazen, zeide het hoofd van
't gezin: "Iederen Zondag."--Ik kocht van de Lappen een mes, waarop in
de kling omtrekken van honden, wolven en rendieren waren gekrast. Het
was kort en breed, zooals als die wapens, welke dienen om den gevelden
wolf af te maken. Ik liet den man, die 't mij verkocht, mijn degenstok
zien. Toen hij dat lange dunne staal zag glinsteren, fonkelden zijn
oogen, en de geest van krijgszuchtige voorvaderen scheen in hem op te
leven. Zijn tien bijbels hadden hem nog niet geheel tot een man des
vredes gemaakt. "Met zulk een wapen", zei hij, "zou ik den wolf bij
den eersten stoot kunnen dooden, zonder hem eerst met den knuppel te
moeten aanvallen". Hij kon de oogen niet afhouden van den stok.

Achter het Lappenkamp, op de steenachtige kust, hingen duizenden
kabeljauwen, gespleten en aan den staart opgehangen.

Hier zag ik ook enkele witte bloemen, op hooge slanke stengels,
en op den achtergrond lagen op het zand getrokken visschersbooten,
waarvan voor- en achtersteven even hoog zijn, als bij de venetiaansche
gondels. Ze worden geroeid door acht man.--Toen onze sloep het schip
weer naderde, was het dek leeg, en zooals het daar in het gulden
middaglicht sluimerde, leek het mij een soort vliegende Hollander,
een geestenschip, dat hier een korte poos te rusten lag, eer het
weer door de golven zou worden voortgeslingerd naar een onbekende
toekomst. Toen we verder voeren, fladderden stormvogels luid krijschend
met ons mee, en bleven ons nog lang volgen, verwonderlijk behendig,
met een forschen zwaai, uit het zog van onze boot elk toegeworpen
kruimeltje oppikkend. Dien nacht, op weg naar Hammerfest, zagen we
de middernachtzon op het allermooist. De kapitein had ons reeds
verteld, dat wij het gelukkig zouden treffen, want de meeste
reizigers aanschouwen de zonneschijf bij onbewolkte lucht slechts
op prentbriefkaarten, of later, bij het vertellen, in hun eigen
verbeelding. Een der leden van ons gezelschap, een fotograaf uit
Hannover, stond wel een uur te voren met zijn camera op post, en zag
elke minuut op zijn horloge; hij wilde wachten tot de wijzer op twaalf
stond. Anders, vond hij, had de heele zaak "Keinen Sinn und keinen
Zweck". Een collega van hem uit Marseille dacht er anders over; hij
was al druk aan 't platen verwisselen, eer de ander nog zijn apparaat
had opgesteld, en zette eindelijk, met een vrij oneerbiedig: "Là, je
le tiens enfin, le gaillard!" zijn boeltje aan kant. En intusschen
stond daar die onbewogen, gloeiende zonneschijf zich rustig te
spiegelen in de golven, en liet zich "anstaunen" door ons nietige
wezentjes. Wij verdrongen ons om den kapitein, en daar het schip zijn
eerste reis naar het hooge Noorden deed, werd er natuurlijk champagne
geschonken. Er waren twaalf verschillende naties in ons gezelschap
vertegenwoordigd en er werd afgesproken, dat ieder een toast mocht
houden in zijn eigen taal, doch in niet meer dan... twaalf woorden,
op straffe van nog een zestal flesschen te moeten offeren. Zelden is
er zeker puntiger en bondiger gespeecht dan op die bijeenkomst.

Ook den volgenden morgen aan 't ontbijt bleef de opgewekte stemming
voortduren. Wij waren nu niet ver meer van de Noordkaap, en de
gespannen verwachting, gepaard met de zekerheid, dat ons doel
weldra zou zijn bereikt, gaf ons een blij gevoel. We luisterden met
belangstelling naar het verhaal van iemand uit Torghatten, die ons
de legende van den centaur vertelde, een berg, die werkelijk den vorm
van een dier fabelwezens vertoont. Het heet, dat een centaur verliefd
was geworden op eene noorsche jonkvrouw, Lekemoën. Toen hij haar niet
tot vrouw kon verwerven, besloot hij, haar te rooven met geweld; hij
vervolgde haar, en toen zij hem behendig wist te ontwijken, slingerde
hij een steenblok naar haar, dat den Torghatten doorboorde, en onder
het neervallen zich in een eilandje veranderde, dat nog thans Flesköen
(de pijl) heet. De Torghatten heeft in het midden eene opening,
zoo groot, dat men den blauwen hemel er door ziet schijnen. Toen
we ons na het ontbijt op het dek begaven, zagen we lachende oevers,
met huisjes waarvan de daken met groene zoden waren gedekt, en die
als op stelten stonden, bovenop hooge steenen muren, als ruwe zuilen
oprijzend uit het water. In de verte lagen eilandjes en landtongen,
wier rustige omtrekken zich bevallig afteekenden tegen de lichte lucht.

Niet lang daarna waren we te Hammerfest aangekomen. Die noordelijkste
stad der wereld is omgeven door een doordringenden geur van
walvischtraan, teer, schepen en zeilen.--Ook hier vond ik behalve
de protestantsche, een katholieke kerk. De pastoor, die uit den
Rijnpfalz kwam, nam zijn herderlijke plichten met grooten ijver
waar. Ook in Alten, een plaatsje, dat nog dichter bij de Noordkaap
ligt, had hij gemeenteleden te bezoeken, hetgeen hij geregeld deed,
zelfs bij temperaturen, die de rotsen deden vaneensplijten door de
vorst.--Heel Hammerfest wordt electrisch verlicht, en in Sadlen, een
uitlooper van de stad, heeft de onderzoekingsreiziger Wellman een
station voor draadlooze telegrafie ingericht, dat met een station
op het Däne-eiland bij Spitsbergen is verbonden. Van 18 November
tot 23 Januari wordt de stad door geen zonnestraal beschenen. Het
electrisch licht komt dan goed te stade, en de vuurtoren, die op de
smalle landtong van Fuglanaes verrijst, kan zich schadeloos stellen
voor zijn lange zomerrust. Hier wordt men zich eerst recht bewust,
hoe het zeeleven den mensch zóó geheel vervullen en zich als het
ware met lijf en ziel van hem meester maken kan. Dikwijls stormt de
zee hier met schuimende woede tegen die kille kusten, als wilde zij,
nog niet tevreden met de vele offers, die zij voortdurend eischt,
ook die uiterste vesting van dat handjevol menschen nog veroveren. Op
den dag, dat ik er tusschen de rotsen omzwierf, was de zee rustig. De
zon spiegelde zich in haar vriendelijk aangezicht en vergulde de
tallooze blonde kopjes van de vele Hammerfester kinderen, die meest
allen reeds den zuidwester van geolied wasdoek droegen, waarvan de
klep laag in den nek neerhangt; hetzelfde hoofddeksel, waarin die
kleine jongens slechts weinig jaren later den harden kamp met de
elementen zullen moeten beginnen. Op den hoek eener straat stond ik
voor de met een bronzen kogel bekroonde meridiaanzuil, die hier is
opgericht ter gedachtenis aan de van 1816 tot 1852 hier ondernomen
en uitgevoerde meting van den meridiaan van 25°21', door de geometers
van drie rijken, onder de hooge bescherming van Oskar II van Zweden,
en de keizers Alexander I en Nikolaas I van Rusland. De grenzen van
dat groote werk vormden de IJszee en de Donau.--Aan het strand van
Hammerfest trof ik den tachtigjarigen en nog krassen zweedschen baron
Olaf Hermelin aan, die hier rustig een zeegezicht te schilderen stond.

Na Hammerfest beschreef onze boot een wijden kring en voer nog door
verschillende fjorden. De boomgroei had nu geheel opgehouden, en ook de
struiken werden schaarsch. Hier en daar groeiden nog bloemen, liefelijk
om te zien; maar bestemd tot korten bloei.--Het licht omkleedde de
hooge bergketens met een stralengewaad. Het scheen, alsof de wenk van
een reuzentooverstaf een omhoogschuimende golf der felste branding
had doen verstijven tot kristal. In het reine, alles doordringende
licht onderscheidde men elken voorsprong, elke scherpgeteekende
scheiding dier breede schaduwvlakken en felle lichtkanten, in hun
verwonderlijke harmonie. De kristallen doorzichtigheid der lucht
deed ons meenen, door een scherpen verrekijker te zien.--Weer luidde
onze scheepsklok. Een vreemd geruisch vervulde de lucht; het was het
gefladder en gekrijsch van een ontelbare menigte vogels. Wij voeren
dicht voorbij de Stappenegroep. Deze bestaat uit vier steenachtige
eilandjes, vol scherpe rotspunten, die myriaden gevederde bewoners tot
broedplaats dienen.--Het snelle vleugelgeklepper deed ons vermoeden,
dat het meerendeels stormvogels en wilde eenden waren. In Tromsö zijn
ongeveer dertig van zulke vogelbergen, en in Finmarken eveneens. Men
krijgt eerst een begrip van de massa's vogels, die hier aanwezig
zijn, als men hoort van de ontzaglijke hoeveelheden eieren, die hier
jaarlijks worden verzameld. De buit wordt bemachtigd door middel van
netten en knuppels. Er zijn steile naakte rotswanden, waar die jacht
de grootste gevaren medebrengt. De eierzoeker laat zich een touw om
het lijf binden en wordt zoo langs den loodrechten bergwand boven
duizelingwekkende kloven en spleten neergelaten. Hij slaat met zijn
stok tegen de kalk- en granietrotsen, en doodt daarbij zooveel vogels,
dat het schijnt, alsof hij dorre bladeren van een boom doet neer
dwarrelen. Het gebeurt niet zelden, dat het touw, door het schaven
langs de rotspunten beschadigd, of door 't gebruik versleten, breekt,
en de stoutmoedige jager in den afgrond stort.

De chaos van vogels, die krijschend rondfladderen, geeft aan het
noorsche landschap een zeer eigenaardig karakter, en verlevendigt op
geheimzinnige wijze de bleeke eenzaamheid van het uitgestorven land,
alsof een of andere oude heidensche godheid in deze verlatenheid een
laatste toevlucht had gevonden.

Stappen beteekent "de zuil", en werkelijk rijst het naakte
rotsgesteente omhoog in den vorm van kolossale zuilen, die wit zijn
gekleurd door de uitwerpselen der vogels. De overigens onbewoonde
eilanden doen in hun grillige lijnen aan de fantastische scheppingen
van een Böcklin denken.--Het geluid dat de dieren maken met elkander
geeft den indruk van een aanhoudend gerammel met ketens, en soms weer
klinkt het als het eentonig, verdoovend stemmenrumoer, dat men hoort
in de koopmansbeurzen der groote steden van Europa en Amerika.--Wij
schoten met geweren in de massa. Sommige vogels vielen in het water;
andere op het dek. Toen we nog wat nader bij de eilanden waren gekomen,
richtten we een salvo tegen de ontzaglijke duistere spleet, die het
grootste rotsblok in tweeën scheen te deelen. Verbazingwekkend was
het effect. Uit de reusachtige opening schoten millioenen vogels te
voorschijn, die de lucht deden weergalmen van hun gekrijsch en in
donkere wolken naar alle zijden uiteenfladderden.

Wij naderden nu snel de Noordkaap. Een vreemd, onzeker schijnsel wierp
over de rotsen wisselende tinten van rood, groen en oranje. Links
van ons hadden we nu steeds het eindeloos oppervlak der zee; ter
rechterzijde korte, wonderlijk puntige, spookachtige bergketens,
als getuigen van de worsteling eener onrustige natuur in doodstrijd.

Daar lag dan dat geheimzinnig toppunt van het oude Europa, dat nimmer
geheel zal worden vernietigd, en steeds zichzelf weer verjongt. Hoeveel
andere landen en zeeën strekten zich uit, weer achter die hooge
klippen. Hoeveel jacht en onrust van groote wereldsteden, hoeveel
verborgen vrede en geluk op het stille land!

Daar rees de Noordkaap voor ons op. Een naakte, donkere rotsmassa,
omringd door ijzige golven; een waar duivelseiland uit de fabel gelijk.

Toen het schip om de uiterste punt van de kaap was heengevaren en
binnengeloopen in de kleine baai, die 's winters geteisterd wordt door
hevige stormen, keerde ik mij om, om nog eenmaal den blik te laten
weiden over den eindeloozen oceaan, die zich vóór mij uitbreidde
onder het heldere, witachtige licht.

Een zwerm vogels vloog op van de Noordkaap en verdween in het niet,
naar 't mij scheen, alsof die vreemde sphinx, die daar hoog boven ons
te stralen stond, alle leven in zich opnam, zooals de sphinx van het
ijs reeds zoovelen had gelokt en verzwolgen, die hier zochten naar
wetenschap en roem.

De kapitein en zijn vrouw gingen met ons aan land. De paar zeelui, die
met den bootsman de wacht hielden over het schip, lichtten het anker
en voeren, daar de kapitein hun had opgedragen, voor de ontbijttafel
den volgenden morgen te zorgen, een zeemijl verderop, om visch te
vangen. Op de landingsbrug was het bepaald een gedrang. Nog twee
andere booten, een engelsche, de Argonaut, en een hollandsche, de
Thule, waren op dezelfde reede geankerd en hadden reeds verscheiden
sloepen met passagiers van boord gezonden.

De Noordkaap, die uit zwartachtigen, met spleten doorsneden leisteen
bestaat en steil afloopt in zee, ligt op den breedtegraad van 71°
40', en op den lengtegraad van 23° 40' 30''.

De hoogte bedraagt 300 meter. Ten noorden ervan ligt het eiland Magerö.

Natuurlijk was er geen enkele onder de reizigers, die het niet
voor zijn plicht hield, deel te nemen aan de tamelijk moeilijke en
inspannende beklimming. Grijze haren, gezetheid, niets scheen eene
belemmering; alles klauterde, wat het klauteren kon. Dáárvoor was men
nu niet hier gekomen, om te blijven steken aan den voet. Het was een
hijgen en blazen zonder einde. Eerst werd de overjas uitgetrokken,
dan de jas; daarna gingen de dassen eraan, en eindelijk zelfs de
boorden. Nu en dan stond men in groepjes met bedrukte gezichten omhoog
te zien naar het opwaarts kronkelend pad.

Wederkeerig sprak men elkaar moed in. "Een half uurtje nog...... straks
na die bocht wordt het beter..... is dat daar niet een soort van
leuning?..... ha, daar hebben we al een touw..." zoo klonk het nu
hier, dan ginds. Opgeven deden ze 't niet. Ieder moest kunnen zeggen,
dat hij op den top geweest was. De hoop op nog eenigen steun van
buitenaf bleek niet ongegrond. Van uit een bepaald punt der kust was
een soort van geïmproviseerde leuning van touwen aangebracht, waaraan
de meesten zich dankbaar vastklampten. Er was iets huiveringwekkends
in de omgeving; de geheele omtrek had een zoo afschrikkend en steriel
voorkomen, dat men onwillekeurig onder den indruk geraakte van die
troostelooze kaalheid en hardheid. De onverzettelijke kleine schare
geleek wel een troep pelgrims op den lijdensweg. De eersten waren dan
nu gelukkig aangeland op het plateau, waarvan de noordelijke rand steil
in zee afvalt. Een volkomen kale vlakte, waaruit af en toe een vogel
opfladderde, die met zijn schreeuw de stilte verbrak. Hier en daar
had men een uitzicht op het met sneeuwvelden en plassen bedekte eiland
Magerö. Dwars over het rotsplateau was een ijzerdraad gespannen naar de
kiosk, die met het front naar zee staat. Dit was wel zeer noodig; daar
de berg dikwijls in dichten nevel is gehuld, en men dan gevaar loopt,
in kloven of spleten te storten. Een met groen getooide granieten zuil
vermeldt, dat twee vorsten hier een bezoek gebracht hebben, Koning
Oscar van Zweden op 2 Juli 1873, en Keizer Wilhelm II op 22 Juli 1891.

De lucht was bewolkt en somber, toen wij, aan de kiosk gekomen,
uitzagen naar zee. Op een verschijnen van de zon viel bijna niet
te hopen. Toch was het een grootsch gezicht, die sluimerende
oneindigheid. Boven de wolken, die de zon bedekt hielden, schoten
aan den verren horizon lichtlijnen omhoog, die op den diadeem van
een overwinnaar geleken.

Het pavilloen was versierd met vlaggen van verschillende
landen. Er lagen lijsten gereed, waarop wij allen onze namen
teekenden. Champagnekurken knalden. Telkens gluurde men eens even
naar buiten; maar de zon bleef weg. Wij verdreven ons den tijd met
babbelen en prentbriefkaarten schrijven. Er waren vier verschillende
afbeeldingen te koop van de Noordkaap. Ieder wilde natuurlijk die,
waarop ook de zon te zien was. Als photo's waren de prentjes niet veel
zaaks; maar ze kostten zonder postzegel nog een halve mark per stuk,
zoodat een groet uit de Noordkaap op minstens 60 pfennig te staan
komt. De verkooper vertelde ons dan ook tot zijn verontschuldiging,
dat hij voor de pacht van de kiosk jaarlijks 300 kronen moest betalen,
en zei naar waarheid, dat het "seizoen" hier wel buitengemeen kort
was. Men werpt zijn kaarten in een bus aan den voet van den berg. Hier
worden ze voorzien van den stempel "Noordkaap", en dan reist de
geheele post met de schrijvers op dezelfde boot weer terug. In het
pavilloen staan in een halven kring schrijftafels, keurig ingericht,
met inkt, pennehouders en pennen, en vloeipapier. De dingen worden
niet, zooals in andere landen, aan den lessenaar vastgemaakt; trouwens
in dit jaargetij komt alle bedreven kwaad hier dan ook onverbiddelijk
"aan het licht".

Op eens klonken van alle zijden luide uitroepen: "De zon! De zon!"--Wij
geleken wel allen op Oswald uit Ibsen's "Spoken" op dat oogenblik. Het
geheele paviljoen kwam in beweging en wij stormden naar buiten. Alleen
de prentbrief kaarten man bleef rustig zitten. Hij had die veelbegeerde
zon naar zijn zin zeker al dikwijls genoeg onder de oogen gehad.--Ik
zal den indruk niet licht vergeten, dien ik nog ontving, al was het
slechts een korte afscheidsgroet, dien de zon ons toewierp, eer zij
zich weer aan onzen blik onttrok. Tot beschouwingen was het overigens
de tijd niet; met koortsachtige haast werden de kodaks gegrepen, en
overal klepperden de deksels der camera's. De beste opnamen krijgt
men bij korte belichting. "Gauw, een groep vormen!" riep iemand
opgewonden. We vlogen allen haastig naar de zuil en konden ons nog
juist groepeeren, zoo goed dat in der haast ging, eer de lichtende
kogel zich weer aan ons oog onttrok.--Weer breidde zich de vale,
arctische schemering uit over de rotsen, de sneeuwvelden,  de verre
plassen en moerassen en de enkele rondvliegende vogels. Het werd koud,
en huiverend maakten wij ons gereed voor den terugtocht. Boven aan den
rand van het plateau ontmoetten wij de achterblijvers die onderweg
hadden gerust en nu het beste bleken gemist te hebben. Welgemoed
trokken zij echter mantels en jassen dichter om zich heen, in 't
bewustzijn dat zij het doel ten minste hadden bereikt.

De reis naar Spitsbergen wordt in den regel ondernomen van uit
Hammerfest. Hier nam dan ook de pastoor van Drontheim afscheid van ons,
met andere reisgenooten, die ons lief geworden waren op den tocht,
en slechts weinig passagiers bleven over, die op onzen noorschen
schoener de reis naar Spitsbergen mee wilden maken. Urenlang gleden
wij, als door den wind gedragen voorwaarts, totdat laat in den namiddag
beweging kwam in de rustige golven.

"De wind slaat om", klonk de stentorstem van den kapitein van de
brug. Onmiddellijk begonnen de matrozen de zeilen te reven. Tijd om
de naaste kust te bereiken was er niet meer. De storm brak met geweld
over ons los en dreef ons uit alle macht naar het westen. Het duurde
uren, eer het weêr bedaarde, en toen de Hedda weder macht kreeg over
de golven, waren wij niet ver meer verwijderd van de IJslandsche
kust. Daar het noodig was, de door den storm aangerichte schade te
herstellen, besloot de kapitein een haven binnen te loopen. Over twee
uur zouden we voor anker gaan.

Daar lag het nu werkelijk vóór ons, dat eenzame eiland, dat ons steeds
zoo onbereikbaar ver weg was toegeschenen; als een door de zee omgeven
kluizenaarswoning kwam het ons voor, doch een kluizenaarsverblijf,
zoo groot als Baden, Wurtemberg en de Beiersche Rijnpfalz met elkaar.

Het scheen een schoon land met zijn diep in de kust snijdende fjorden,
zijn lachende dalen en schuimende watervallen; zijn geweldige
gletschers, en zijn honderden vulkanen en geysers. Geen bosschen
echter waren er te zien. Slechts wat magere berkenstammen teekenden
zich af tegen den horizon. Dat wegsterven van den plantengroei in het
Noorden wordt vergoed door den rijken bloei der fauna, zoo te land
als te water. Terwijl men het aantal schapen hier op 90.000 en dat
der paarden op 40.000 schat, laat het aantal rendieren, waarvan de
eerste paren in 1700 werden ingevoerd, en waarmede het ging als met
de konijnen in Nieuw-Zeeland, zich niet eens vaststellen, wegens de
verbazend groote hoeveelheid.

De 80.000 bewoners van het eiland zijn van skandinavischen
oorsprong. In het jaar 860 werd IJsland ontdekt door dezelfde
Noormannen, die in 876 Groenland en in 1000 Nieuw-Engeland
ontdekten. In Reykjavik, de geheel van hout gebouwde hoofdstad, woont
een luthersch bisschop. In het jaar 1000 had IJsland een republikeinsch
bestuur. Toen het later onder de heerschappij van Denemarken
kwam, bewaarde het den zin voor vrijheid en onafhankelijkheid,
die het trotsche land nog thans eigen is. De reis van IJsland naar
Spitsbergen duurde vijf dagen. Vijf dagen te midden van de heerlijke
kleurenpracht der steeds wisselende tinten der golven onder het telkens
weer veranderende licht. Eens, toen wij in bewondering verzonken op
het dek stonden, hoorden wij, geheel onverwacht, de klanken eener
viool. Beneden in zijn hut ontlokte de kapitein aan zijn instrument
de tonen van een zwaarmoedig, poëtisch lied van Grieg. Het was als
de openbaring der diepe noorsche volksziel, de ziel van bergbewoners
en zeevaarders.

De archipel van Spitsbergen behoort aan niemand, is herrenlos, zooals
de Duitschers het noemen. Ontdekt werd hij in 1592 door de Hollanders
Barents en Heemskerk, bij hun pogen om den noord-oostelijken zeeweg
naar Azië te vinden. In het jaar 1612 kwamen ook de Engelschen
hier, die rijk gewin trokken uit jacht en visscherij. In de 17e
eeuw ontstonden hier meermalen bloedige twisten tusschen engelsche,
hollandsche en fransche walvischvaarders, totdat ten slotte Holland,
Engeland, Denemarken en Noorwegen de heerschappij onder zich
verdeelden over de wateren der uit zes groote eilanden bestaande
Spitsbergen-groep. De eersten die hier waagden te overwinteren, waren
de Russen. Noorsche jagers hebben onlangs hun voorbeeld gevolgd. In
den winter is de eilandengroep volkomen afgesloten door ijsschotsen,
die zich des zomers beperken tot de Noord- en Oostkust. Aan de andere
beide zijden verhindert de golfstroom de ijsvorming. De gemiddelde
maandtemperatuur stijgt in Juni tot 1° boven nul; in Juli tot 5°,
in Augustus tot 3°. Sneeuw valt in alle maanden. Gedurende 124 dagen
komt de zon in het geheel niet te voorschijn.

Dit "Ultima Thule" krioelt van scherpe rotspunten, waarnaar het dan
ook zijn naam draagt. De reusachtige Dickson-gletscher schijnt een uit
zee oprijzende ontzaglijke zilveren muur. De lucht is zoo zuiver, dat
lijken hier niet tot ontbinding overgaan; maar eenvoudig uitdrogen.--Er
groeit hier een soort poolwilg, en de benedenste gedeelten der rotsen
zijn bedekt met mos, dat in geval van nood als voedsel kan dienen.

Toen wij omstreeks middernacht de westzijde van Spitsbergen naderden,
sneeuwde het, terwijl de zon helder scheen, een aller wonderlijkste
combinatie, het uur van den dag (of nacht) in aanmerking genomen. In
de nabijheid der bocht waar wij aankwamen, bevond zich een troep
Engelschen, die juist terugkwamen van de rendierjacht. Ze droegen
noorsche oliejassen en sommigen hadden ook broeken aan van dezelfde
stof, die de visschers van de Lofodden en Westeraalen dragen, als
zij dagenlang bij stroomenden regen in hun open boot op de roeibank
zitten. Anderen droegen hooge waterlaarzen, die men met riemen
opzij aan de heupen bevestigen kan; een tweede riem wordt nog om
het been boven den voet gewonden. Wij zwierven geruimen tijd op het
groote eiland rond. In de Sassenbaai bij het IJsfjord zagen we dieren
genoeg, maar nergens een struik, een plekje groen of een menschelijke
woonplaats. Men voelde zich aan den drempel van een doodenrijk. Op een
hoogte bij de Advent-baai zagen we twee graven en de overblijfselen
van een hut.

Noorsche rendierjagers, die zich door de te vroeg verschuivende
ijsvelden in October 1895 den terugweg zagen afgesneden, hebben in
die hut gewoond en rusten in die graven. En ten slotte zagen wij, aan
de overzijde van onbegaanbare ijsvlakten, de Virgo-baai, vanwaar de
ongelukkige André zijn reis begon, toen hij in zijn luchtschip den
weg zocht naar de Noordpool. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de
sneeuwmassa's die zich verzamelden op het bovenvlak van den ballon,
niet konden smelten, zoodat hij, onder hun last bezwijkend, als een
uitgeputte vogel naar beneden stortte, en het omhulsel, dat hem door
het luchtruim had gedragen, langzaam werd verteerd.

Er liepen geruchten, dat zich bij de Bereneilanden walvisschen hadden
vertoond. Daar ik zeer verlangde, de jacht van nabij gade te slaan,
begaf ik mij aan boord van een der walvischvaarders die naar die streek
vertrok. Het stoomschip droeg vóór op den boeg het kanon, waarvan
men zich thans bedient om de dieren te dooden. Vroeger vervolgde
men den walvisch met booten, waaruit de onverschrokken jagers den
harpoen wierpen, doch waarbij zij het grootste gevaar liepen, door de
beweging van het water, veroorzaakt door de stuiptrekkingen van het
dier, te worden omgeworpen en in de diepte gesleurd. In de 17de eeuw
kwamen de Hollanders op het denkbeeld het werptuig uit een geweer
te schieten. Toen omstreeks 1860 in Indië de jute ontdekt werd,
een vezelplant, die zeer in waarde wint door een behandeling met
walvischtraan, werd ook de walvischvangst weer met ijver bedreven. Een
eenvoudige robbenjager, de noorsche kapitein Svend Foyn uit Tonsberg,
vond het middel, om den harpoen uit een kanon te schieten, zóó, dat
het werptuig door een lang touw aan het schip blijft verbonden, en
het dier, eenmaal getroffen, niet meer ontsnappen kan. In den regel
sterft het aan de bekomen verwondingen. Het geschut is draaibaar;
wordt door een man bediend, en van voren geladen. Vóóraan is de harpoen
bevestigd, die bestaat uit twee sterke, een meter lange staven, met
een ring in het midden, waaraan een touw bevestigd is, en die aan de
buitenzijde zijn voorzien van scherpe weerhaken, die zich diep in het
vleesch boren van den kolos. In het jaar 1867 doodde kapitein Foyn op
die wijze zijn eersten walvisch; in het volgende jaar maakte hij er
reeds een dertigtal buit; waarna hij patent nam op zijn uitvinding en
een groot vermogen verwierf. In het jaar 1878 ving hij niet minder
dan 100 walvisschen, die elk 40000 kronen waard waren. Hij bleef
echter bij zijn eenvoudige levenswijze en vestigde zich op zijn 70e
jaar te Vadsö, waar hij in een ruw-houten huisje woonde en ijverig
in den Bijbel las. Zijn groot vermogen liet hij na aan liefdadige
instellingen. Later werden meerdere maatschappijen opgericht, die de
walvischvangst in het groot ondernamen, in 1886 waren ruim veertig
booten hiertoe in gebruik, verdeeld over 22 stations. In het jaar
1885 werden aan de laplandsche kust 1400 walvisschen gevangen. Door
die rustelooze vervolging zijn de dieren schuw geworden. Zij nemen
thans de vlucht als zij een walvischvaarder zien naderen, 't geen
zij vroeger niet deden; het bewustzijn van gevaar schijnt dus door
overerving te worden voortgeplant.

Lang zwierven we rond zonder iets anders te zien dan een menigte
dolfijnen van allerlei grootte, die rondom het schip dartelden, totdat
eindelijk een der matrozen, die gespannen in de verte tuurden, bij het
eerste morgengrauwen uitriep: "en Hwal!"--De boeg van het schip wendde
zich in de richting waar het dier zich vertoonde, en met een vaart
van 20 mijlen in het uur ging het voorwaarts. Nu en dan verdween de
reus, dan weer zagen wij een zuil water omhoog spuiten. Hij moest ons
hebben bespeurd; want hij scheen te vluchten. Doch wij haalden hem in
en kregen hem onder schot. Daar vliegt uit den loop van het dreunend
kanon de harpoen, die in den breeden rug blijft steken. De visch duikt
onder en komt weer boven, het schip voortslepend, dat bij iederen stoot
kraakt in zijn voegen. De golven zijn rood gekleurd. Nog een laatste
slag met den staart, een bruisend geweld--en de buit is vermeesterd.

Ik keerde terug op de Hedda, als de allerlaatste passagier. Nòg hooger
naar het Noorden stevenden wij, tot aan den rand dier geweldige witte
woestenij van nimmer smeltend ijs, waarin de pool ligt. Had door een
wonder die muur kunnen vaneensplijten, dan zouden wij, langs open
water, in enkele etmalen het veel omstreden punt hebben bereikt. Want
wij bevonden ons thans op 81°1'12'' N.B.

Lang stond ik stil, zonder een woord te spreken, roerloos. Alle besef
van eigen lichamelijkheid was verdwenen, om plaats te maken voor
de loutere gedachte.--In dezen kerker had Frithjof Nansen verwijld,
terwijl Noorwegen wachtte op dien sterken strijder voor haren roem en
hare onafhankelijkheid. Hierheen drong Lodewijk van Savoye om nieuwe
wegen te ontdekken in Italië's naam. Hier bleef zijn trouwe metgezel
Francesco Querini, noode gemist door zijn vaderstad Venetië, la buona
madre, getrouwelijk wachtend op hare zonen, die zij niet met eigen
oogen sterven zag....

In dat uur, bij dien aanblik, zonk voor mij al het kleine en drukkende,
alle bitterheid van het leven weg, om plaats te maken voor blijmoedige
berusting.



AANTEEKENING


[1] Tekst en illustraties zijn ontleend aan Gino Bertolini. Die Seele
des Nordens. Berlijn, Dietrich Reimer (Ernst Vohsen).





*** End of this LibraryBlog Digital Book "De Ziel van het Noorden - De Aarde en haar Volken, 1917" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home