Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Jeanne d'Arc - de maagd van Orléans
Author: Boekeren, Henri Emile Koopmans van
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Jeanne d'Arc - de maagd van Orléans" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.             |
  |                                                                |
  | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_.  |
  | Vette tekst is weergegeven als #vet#. In het origineel         |
  | uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~.       |
  | Het zwaard-symbool is weergegeven met [zwaard].                |
  |                                                                |
  | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
  | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als  |
  | »aanhalingstekens«.                                            |
  |                                                                |
  | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de         |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+


                       [Decoratieve illustratie]


                          DE MEULENHOFF-EDITIE
                       EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK

                       [Decoratieve illustratie]

                    UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
                    TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVI


[Illustratie: Jeanne d'Arc te Domremy.

                                  In marmer gebeeldhouwd door H. Chapu.]



                              JEANNE D'ARC

                          DE MAAGD VAN ORLÉANS


                                  DOOR

                             H. E. KOOPMANS
                              VAN BOEKEREN


                             GEÏLLUSTREERD

                       [Decoratieve illustratie]

                    UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
                     AAN HET DAMRAK 88 TE AMSTERDAM



JEANNE D'ARC



INHOUD


       I. DOMRÉMY.--VAUCOULEURS.--CHINON.--POITIERS     blz.  13-56

      II. ORLÉANS                                        »    57-80

     III. JARGEAU.--PATAY.--REIMS.--PARIJS               »   81-112

      IV. COMPIÈGNE.--ROUAAN                             »  113-176

       V. PROCES VAN REHABILITATIE                       »  177-185

      VI. GENIE EN PUCELLE                               »  186-198

     VII. JEANNE IN BEELD: UITERLIJK EN COSTUUM          »  199-205

    VIII. DE ZALIGVERKLARING                             »  206-219

      IX. NASCHRIFT                                      »  220-230



INLEIDING.


Wanneer ik, in den tijd toen ik mij bezighield met de studie van Jeanne
d'Arc, hierover met mijne vrienden sprak, is het mij meer dan eens
overkomen, dat normaal ontwikkelde personen mij met een soort verbazing
vragen stelden als: »Heeft die dan werkelijk bestaan?« of »Is over haar
dan werkelijk iets bekend?« Dit klinkt wel vreemd over een persoon, die
toch geleefd heeft in de vijftiende eeuw na Christus, en waarvan wij
misschien meer weten, dan van eenige andere figuur uit dien tijd, maar
het wijst m.i. tevens op eene leemte in onze letterkunde. Het is waar,
ik had degenen, die zoo spraken, kunnen verwijzen naar de eerste de
beste encyclopedie, naar een enkel tijdschrift-artikel, maar ik kon hun
niet den titel opgeven van een modern Nederlandsch boek, dat hen wat
uitvoeriger en vollediger op de hoogte zou brengen van hetgeen omtrent
Jeanne bekend is.

De Franschen, dat spreekt vanzelf, bezitten eene rijke litteratuur over
hunne nationale Heilige, maar ook in het Engelsch verschenen belangrijke
studies over Jeanne d'Arc en zelfs de derde entente-mogendheid levert
haar contingent met een artikel van de hand van generaal Dragomiroff,
terwijl ook in het vijandige kamp de Duitschers onder hunne schrijvers
eenen Jeanne d'Arc-biograaf kunnen aanwijzen.

Zou in een Protestantsch land als het onze geene belangstelling gevonden
worden bij het lezende publiek voor de geschiedenis van Jeanne, omdat
zij voor de Katholieken in reuke van heiligheid staat? Kom, kom... Neen,
de grootheid van haar karakter is van alle tijden, de geschiedenis van
haar leven is stichtelijk voor alle gezindten, belangwekkend voor alle
beschaafde volken, zoo goed als de geschiedenis van elk waarachtig
genie.

Wat ik dus in de hier volgende hoofdstukken in de eerste plaats heb
trachten te geven, is een aanééngeschakeld verhaal van het leven
van Jeanne d'Arc, zooals dit is op te bouwen uit de feiten, die
geschiedkundig vaststaan. Als voornaamste bronnen, waaruit ik mijne
gegevens heb geput, noem ik:

Jules Quicherat, Procès de Jeanne d'Arc, dite la Pucelle. Paris 1841.
I-V, een werk van onschatbare waarde voor elken biograaf van Jeanne;

J. Michelet, Histoire de France. Paris 1874. Tome V;

J. Fabre, Procès de condamnation de Jeanne d'Arc. Traduction française
des textes authentiques des procès-verbaux officiels. Paris;

J. Fabre, Procès de Réhabilitation de Jeanne d'Arc. Paris 1913. I-II;

Gabriel Hanotaux, Jeanne d'Arc. Paris 1911;

Anatole France, Vie de Jeanne d'Arc. Paris I-II;

Mgr. le Nordez, Jeanne d'Arc racontée par l'Image. Paris 1898;

Andrew Lang, The Maid of France, London 1909;

Frantz Funck Brentano, Jeanne d'Arc. Paris 1912;

Abel Desjardins, Vie de Jeanne d'Arc. Paris 1862;

J. Fabre, Les Bourreaux de Jeanne d'Arc et sa Fête Nationale. Paris
1915.

Verder erken ik hierbij dankbaar, dat mij voor het hoofdstuk
»Beatificatie« met groote welwillendheid gegevens werden verstrekt
van wege het Seminarie Rijsenburg te Driebergen.

Ik bepaal mij tot deze algemeene verklaring om het euvel van talrijke
noten aan den voet van elke pagina te kunnen vermijden, want vóór alles
wilde ik gaarne iets leveren, dat vlot gelezen kan worden.

Ten slotte een raad of een verzoek aan den lezer: Prent goed in Uw
geheugen en houd steeds voor oogen, dat wat hier volgt de geschiedenis
is van het leven van een jong meisje, geboren in 1412, verbrand in 1431,
en dat dus niet ouder werd dan negentien jaar.



JEANNE D'ARC.



HOOFDSTUK I.

Domrémy.--Vaucouleurs.--Chinon.--Poitiers.

                  Il faut que tout écrivain, tout artiste, qui touche
                  à un tel sujet, apprenne à quel ridicule définitif il
                  s'expose, s'il s'éloigne de la simple et nue vérité.

                                       Gabriel Hanotaux. »Jeanne d'Arc«.


De toestand, waarin Frankrijk verkeerde in de eerste dertig jaren van de
vijftiende eeuw, dat is dus even vóór en tijdens het leven van Jeanne
d'Arc, kan met één enkelen trek niet beter en vollediger geschetst
worden, dan met dit woord van Jeanne zelf: »grande pitié était au
royaume de France«. De toestand was erbarmelijk, de ondergang van het
wettige koningshuis scheen nabij.

Nadat Karel VI in het eind van de veertiende eeuw krankzinnig was
geworden, en dientengevolge de regeering aan zijne bloedverwanten had
moeten overlaten, was onder dezen een heftige strijd ontbrand over de
opvolging op den troon van Frankrijk.

In dezen krijg vinden wij aanvankelijk tegenover elkaar den Hertog van
Orléans, wiens troepen onder bevel staan van Bernard, graaf van Armagnac
en den Hertog van Bourgondië. Maar Bourgondië staat niet alleen en roept
de hulp in van zijn bondgenoot Hendrik IV, koning van Engeland. Na den
dood van Hendrik IV zet zijn opvolger Hendrik V den strijd tegen de
Armagnacs voort en vernietigt in 1415 in den slag bij Azincourt hun
leger en een voornaam deel van de Fransche adel. In 1419 valt Rouaan, ja
geheel Normandië in handen van de Engelsche veroveraars, en eindelijk
wordt bij het verdrag van Troyes, gesloten tusschen Isabeau de Bavière,
de vrouw van Karel VI, en Filips de Goede, met de Engelschen in 1420
Frankrijk aan Engeland overgeleverd. Hendrik V en de ongelukkige Karel
VI sterven in hetzelfde jaar 1422. De Engelschen en Bourgondiërs
erkennen den nog zeer jongen Hendrik VI als erfgenaam van den dubbelen
troon van Engeland en Frankrijk. Maar Karel VI had kinderen. Zijn
aangewezen en wettige troonopvolger was dus zijn oudste zoon, tevens
oudste kind, eveneens Karel geheeten. Deze dauphin was op zestienjarigen
leeftijd gevlucht naar het eenige deel van Frankrijk dat hem trouw
was, gelegen aan gene zijde van de Loire; daar werd hij te Bourges als
Karel VII gekroond. De strijd van den jongen koning tegen zijn beide
machtige vijanden scheen bijkans hopeloos; steeds drijven de Godoms (de
Engelschen) zijn troepen verder terug. De eene ramp volgt op de andere.

De bewoners van de steden, maar vooral die van het platte land, lijden
ontzettend onder deze oorlogen. De rondtrekkende legers zaaien overal op
hun pad dood en verderf, en kleinere, ongeregelde benden loopen heele
landstreken af, verwoesten den oogst, verbranden de dorpen, brengen
overal schrik en ellende. Nergens is men zijn leven een oogenblik zeker.
Dag en nacht moet men zich gereed houden, om op het eerste alarmgelui
zijn have en goed te verdedigen of zich uit de voeten te maken.

Zoo is de toestand in Frankrijk als in de eerste maanden van 1429 een
meisje van zeventien jaar aan het hof van Karel VII verschijnt en den
koning belooft Frankrijk te zullen redden. Zij komt van Domrémy, haar
naam is Jeanne d'Arc.

       *       *       *       *       *

In den nacht van den 6en Januari 1412, dus in den nacht van het
Driekoningenfeest, werd Jeanne d'Arc te Domrémy geboren. Dit is het
simpele, geschiedkundige feit, maar wij willen volledigheidshalve
melding maken van het gerucht, dat zich op het oogenblik van de geboorte
van Jeanne, een gevoel van ongekende en geheimzinnige vreugde meester
maakte van de bewoners van hare geboorteplaats, en alle hanen eensklaps
lustig begonnen te kraaien; dat behoort natuurlijk thuis op het gebied
van de zuivere legende en wij laten het voor rekening van den
dichterlijken uitvinder.

De ouders van de kleine Jeannette, zooals zij in de eerste jaren
genoemd wordt, zijn Jacquot d'Arc, wiens naam destijds uitgesproken werd
d'Aï, en Isabelle Romée. Zij hebben behalve Jeanne nog vier kinderen,
drie zoons, Jacquemin, Jean en Pierre en een dochter genaamd Cathérine.

Jacquot d'Arc is een eenvoudig burgerman, met een kleinen veestapel en
een stukje bouwland, maar in zijn dorp geniet hij eenig aanzien, hij
is deken van de gemeente, commandant van de wacht, en draagt zorg voor
de bewaking van de gevangenen. De moeder van Jeannette is een brave,
vrome vrouw. In 1429 neemt zij deel aan een pelgrimstocht naar het
heiligdom van Notre Dame du Puy-en-Velay, en enkele geschiedschrijvers
meenen zelfs dat zij den naam Romée te danken had aan een vroegeren
pelgrimstocht naar Rome. De vervulling van hare kerkelijke en
godsdienstige plichten belet haar niet haren kinderen een voor dien tijd
behoorlijke opvoeding te geven. Als Jeanne later voor hare rechters
verklaart, dat zij zich in de kunst van naaien en spinnen durft meten
met elke vrouw in Domrémy, dan is dit een compliment aan hare moeder,
die haar deze zaken geleerd heeft. Nog leerde de moeder haren kinderen
de voornaamste gebeden, het Ave, het Pater noster en het Credo, en dat
was al. Jeanne leerde lezen, noch schrijven, zij kende A noch B, zooals
zij het zelf later uitdrukte, maar dat was niets bijzonders, dat had zij
gemeen zelfs met zeer veel hooggeplaatste adellijke heeren en voorname
dames van dien tijd.

[Illustratie: Het geboortehuis van Jeanne d'Arc te Domremy, zooals dit
  thans nog bestaat.

                        Naar een photographie.]

Van hare ouders ontving zij als kind een ring met het opschrift:
»Jhesu-Maria«, hetzelfde dus, dat wij later terugvinden boven hare
brieven en op haren standaard.

Omtrent de verdere familie-relaties van Jeanne, waarvan ons trouwens ook
niet veel bekend is, kunnen wij volstaan met te vermelden, dat haar oom
van moederszijde pastoor was te Sermaize, en haar germain-neef Nicolas
Romée, genaamd de Vouthon, geestelijke aan de abdij van Cheminon. Met
een anderen oom, Durand Laxart te Burey-le-Petit, maken wij later nog
nader kennis.

Het dorp Domrémy, waar Jeanne geboren is, en waar zij hare jeugd heeft
doorgebracht, is gelegen in het Noord-Oostelijk deel van Frankrijk,
tusschen Neufchâteau en Vaucouleurs aan de Maas. De bevolking van
Domrémy, die bestond uit kleine landbouwers, leefde van hare kudden
en van de opbrengst van kleine wijngaarden op de naburige heuvels. Een
beek verdeelde het dorp, dat op een heuvelhelling gebouwd was, in drie
deelen, waarvan één, het deel waarin de kerk en het huis van Jacquot
d'Arc zich bevonden, ressorteerde onder de heerlijkheid Vaucouleurs, en
regelrecht stond onder het gezag van de kroon van Frankrijk. Eerst aan
de overzijde van de Maas begon het gebied van het hertogdom Lotharingen.
Het was dus ten onrechte, dat Jeanne in den volksmond dikwijls
»Lorraine« werd genoemd; zij beschouwde zichzelf als en was ook
inderdaad: »Française«.

De ligging van de geboorteplaats en zelfs van het geboortehuis van
Jeanne is ongetwijfeld van grooten invloed op haar verder leven geweest.
De groote weg, die Vlaanderen en Bourgondië verbond met de Rijnlanden,
met Zuid-Duitschland en zelfs met Italië, loopt door Domrémy langs het
huis van Jeanne's vader. Dagelijks trokken dus reizigers, kooplieden
met hunne kleine karavanen en bedelmonniken hare woning voorbij. Dit gaf
eenig vertier, ja zelfs gezelligheid, want de vermoeide reiziger vond in
het gastvrije huis van Jacquot d'Arc een leger om te rusten en een stal
voor zijn paard en ook de rondzwervende bedelmonnik vond er een stevig
maal en in de kou een warm vuur.

Gedurende de lange winteravonden zaten deze passanten, deze gasten voor
één nacht, genoegelijk met het gezin om de groote schouw, en verhaalden
van hunne wederwaardigheden, of wat zij onder weg gehoord hadden. Zij
maakten groote reizen en konden dus veel vertellen, maar in dien tijd
van rampspoed liepen de gesprekken en handelden hunne verhalen steeds
over hetzelfde onderwerp, waarover men nooit uitgepraat raakte: de
verschrikkingen van den oorlog en de »grande pitié qui était au royaume
de France«.

De kleine Jeanne zat daarbij en hoorde die verhalen aan. Is het te
verwonderen dat zij op haar jong, ontvankelijk gemoed een diepen,
onuitwischbaren indruk hebben gemaakt? Is het niet zeer natuurlijk
zelfs, dat die telkens herhaalde beschrijvingen van bloedige tafereelen,
van plundering, brand en moord haar voortdurend voor den geest bleven,
haar zelfs niet verlieten in hare droomen, en haar vervulden met een
groot en innig medelijden met het zwaar beproefde volk?

Een andere omstandigheid van groot gewicht is, dat het huis, waarin
Jeanne is groot gebracht, gelegen was in de onmiddellijke nabijheid van
de kerk van Domrémy; de tuin grensde aan het kerkhof. Van hare vroegste
jeugd af hoorde zij dagelijks op gezette tijden het vroolijke beieren
van de klok; zij luisterde er naar, want ze hield van dat geluid, zij
onderbrak er haar werk of haar spel een oogenblik voor, en soms ook
stond ze er op te wachten met ongeduld, wetende dat het komen zou. De
klokkenluider van Domrémy was een jongen, dien Jeanne dagelijks zag,
dien zij kende en met wien zij sprak. Zij kon hem niet vergeven, dat
hij lui was en dikwijls te laat kwam, en beloofde hem eenmaal zelfs een
mandje witte wol van de schapen van haren vader, als hij in het vervolg
beter op zijn tijd wou passen en op tijd de klok wou luiden.

Een natuurlijk en bijna onvermijdelijk gevolg van de onmiddellijke
nabijheid van de kerk was nog, dat Jeanne daar behalve voor het bijwonen
van een dienst, het hooren van een Mis, ook op andere tijden dikwijls
binnen liep. Zij zag daar enkele beelden en schilderijen, afbeeldingen
van Heiligen. Vergeten wij niet, dat voor een kind, levende op het
platteland, in de eerste jaren van de vijftiende eeuw, de kerk doorgaans
de eenige plaats was, waar het iets kon zien, dat naar een beeld of
schilderij geleek. Jeanne had voor de afbeeldingen, die zij in de kerk
van Domrémy zag, alle aandacht van een kind, dat zich rekenschap geeft
van hetgeen zij om zich heen ziet. Zij werd langzamerhand vertrouwd tot
zelfs met de kleinste bijzonderheden van de naïeve voorstellingen die
zij dagelijks bewonderde, en als later hare stemmen tot haar zullen
spreken en hare Heiligen haar zullen verschijnen, zullen deze laatsten
gekleed en versierd zijn als de figuren in de kerk te Domrémy.

Vele bijzonderheden zijn ons uit de eerste kinderjaren van Jeanne niet
bekend. Wij weten slechts, maar dit is juist van groot belang, dat zij
een gezond en vroolijk kind was, dat met hare kornuitjes speelde en
stoeide op zijn tijd. Men heeft haar later dikwijls voorgesteld in woord
en beeld als herderinnetje; wij weten uit eene verklaring van Jeanne
zelf, dat deze voorstelling niet zeer juist is; zij heeft duidelijk
gezegd, dat zij slechts zelden de kudde van haren vader gehoed heeft.

De talrijke getuigen uit Domrémy in het proces van Rehabilitatie weten
ons allemaal te vertellen, dat een ieder op zijn beurt er op uit trok,
om het vee van alle bewoners te zamen te weiden en dat Jeanne dit ook
slechts gedaan heeft, wanneer het haar beurt was.

Geen dweepstertje dus was de kleine Jeanne, dat zich van andere kinderen
afzonderde en leefde met hare droomen; neen, een klein meisje, waaraan
aanvankelijk niets bijzonders was, en dat men dus niet opmerkte.

Jaarlijks, op vaste dagen, trokken de kinderen uit de omstreken van
Domrémy in optocht naar het zoogenaamde »bois chesnu«. Dit was een bosch
van statige eiken, gelegen op een heuvel op een kleine mijl afstands van
het dorp. Aan den zoom stond bij een beek een beukeboom, de schoone Mei
genaamd. Volgens oud gebruik brachten de kleinen bloemen en kransen,
door henzelf gevlochten, aan den voet van dien beuk of hechtten ze aan
zijn takken. Men mompelde iets van de verschijning van feeën bij dien
boom en van wonderdadige geneeskundige kracht van het water van de beek,
maar die praatjes waren verdacht en riekten naar den mutserd. Jeanne,
hierover later ondervraagd, verklaarde die verhalen wel gehoord, maar er
nooit aan geloofd te hebben; zij hield ze voor bakersprookjes. Wel was
zij trouw altijd medegetrokken met hare kameraadjes, vroolijk zingend
langs den weg, en had ook zij haar eigen gevlochten kransje neergelegd
aan den voet van de schoone Mei of zooals hij ook wel genoemd werd de
Boom der Feeën.

       *       *       *       *       *

De eerste jeugd van Jeanne verliep dus heel gewoon zonder eenige
belangrijke of schokkende gebeurtenis voor het kind. Maar in den zomer
van 1425, als zij dus dertien jaar is, krijgt zij haar eerste visioen.
Het was op een middag tegen twaalf uur, zoo vertelt zij zelf. Zij
wandelde rustig in den tuin van haar vader, toen zij eensklaps een stem
hoorde, die haar bij haar naam noemde. Zij zag op naar de zijde, vanwaar
zij geroepen werd, en zag aan haar rechterhand, aan den kant van de
kerk, een helder licht. Dan roept dezelfde stem haar nogmaals en
vermaant haar zich behoorlijk te gedragen.

Die eerste maal schrikt Jeanne hevig, zij is bang, maar als de visioenen
zich kort daarna eenige malen herhaald hebben, begrijpt zij, dat zij
haar door God gezonden worden en bij de derde gelegenheid weet zij
reeds, dat het de stem is van den Heiligen Michaël, die tot haar
spreekt. Zij heeft den Heilige duidelijk voor zich zien staan in het
groote licht rechts aan de zijde van de kerk; hij was als ridder gekleed
en omringd van een breede schaar van engelen.

De zekerheid, dat het een Heilige was, die tot haar sprak en die haar
door God gezonden was, stelt haar gerust, zoodat zij het ook niet noodig
acht, met iemand, zelfs niet met hare moeder, over hare visioenen te
spreken. Eerst later te Chinon vertelt zij alles aan den koning, en
eindelijk aan hare rechters te Rouaan deelt zij er van mede, wat zij
oordeelt, dat zij er van vertellen mag.

De visioenen herhalen zich twee of driemaal per week en verschijnen nu
eens, terwijl de kerkklok luidt, dan weer, als alles stil is in den
omtrek. Na eenige malen is het niet meer uitsluitend de Heilige Michaël,
die zich aan Jeanne vertoont, maar ziet zij ook de Heilige Cathérine
en de Heilige Marguérite. Zooals zij zelf verklaart, herkent zij deze
Heiligen door de namen, waarmede zij elkaar aanspreken en aan de wijze,
waarop zij haar groeten. Bij hun verschijnen dragen zij kostbare kronen
op het hoofd en verspreiden een heerlijken geur. Als Jeanne ze voor de
eerste maal ziet, knielt zij neder, en steekt biddend hare handen op. De
Heiligen zegenen dan den ring met het opschrift »Jhesu-Maria« en Jeanne
doet hun plechtig de gelofte, dat zij Maagd zal blijven, zoolang het God
behagen zal.

Aanvankelijk bepalen de stemmen er zich toe, Jeanne te vermanen, zich
goed te gedragen en trouw ter kerke te gaan, maar al spoedig beginnen
zij er op aan te dringen, dat zij zich op zal maken om »naar Frankrijk«
te gaan, om het land te redden. Het arme kind, hoewel langzamerhand
beseffende, dat zij door God is uitverkoren, acht de taak, dien men haar
opdraagt, te zwaar. Hoe wil zij, een arm meisje van nog geen veertien
jaar, dat niets weet, niets geleerd heeft, haar land te hulp komen?
In dien zin antwoordt zij ook haren stemmen, zeggende: »Ik ben een
arm meisje, dat kan paardrijden, noch oorlogvoeren«. Maar de stemmen
houden aan, en laten haar niet los. Zij herhalen hunne oproepingen soms
tweemaal in één week en dat gedurende geruimen tijd, ja gedurende eenige
jaren. In deze periode van grooten, innerlijken tweestrijd merkt ook
de omgeving van het jonge meisje eenige verandering in haar op. Van
een dartel, vroolijk jong ding, wordt zij nu meer teruggetrokken, zij
verlaat nu dikwijls het spel van hare kameraadjes en zondert zich af in
de eenzaamheid of verdiept zich in de kerk in gebed. Voor al haar doen
en laten vraagt zij raad aan hare Heiligen, die haar blijven steunen en
leiden. Maar helaas, hunne bezoeken duren slechts kort. Jeanne, telkens
verrukt als zij de Heilige Cathérine en de Heilige Marguérite voor zich
ziet, valt ze eerbiedig te voet, kust hunne voeten en den zoom van hun
schitterend kleed. Zij stort haar hart voor hen uit en smeekt ze, haar
mede te nemen naar het Paradijs. Maar de Heiligen trachten haar gerust
te stellen, wijzen haar op hare verheven taak, en als zij verdwijnen,
blijft Jeanne schreiend achter, diep bedroefd, dat zij haar verlaten en
niet medegenomen hebben.

Niemand is er, met wien Jeanne durft spreken over hare Visioenen, over
hare stemmen, en de opdracht, die zij haar gegeven hebben.

In het proces wordt haar later verweten, dat zij haar biechtvader er
niet over geraadpleegd heeft. Maar Jeanne achtte dit niet noodig. Worden
hare Heiligen haar niet rechtstreeks door God gezonden, waartoe dan zou
zij menschelijke hulp inroepen in een zaak uitsluitend tusschen Messire
en haar?

Steun, d.w.z. medewerking voor hare groote plannen, zou zij bij hare
ouders zeker niet gevonden hebben. Bekend is, dat haar vader, blijkbaar
geen vriend van halve maatregelen, in die dagen een droom gehad heeft,
waarin hij Jeanne zag, die met een gewapenden troep ten strijde trok.
Maar aan zijn zoons, wien hij zijn droom vertelde droeg hij op, dat zij
haar, wanneer zoo iets ooit gebeurde, moesten verdrinken, en voegde hij
er aan toe, wanneer zij het niet deden, zou hij haar zelf verdrinken.

Hoogst merkwaardig is zeker, dat Jeanne soms met hare stemmen in
discussie treedt. Zij is in haar verzet dan steeds volkomen logisch en
bewijst dat zij ook in tegenwoordigheid van hare Heiligen of als hare
stemmen tot haar spreken, de volle beschikking behoudt over haar gezond
verstand. Zij wijst in deze eerste jaren hare stemmen op de schier
onoverwinnelijke moeilijkheden aan haar taak verbonden: hoe kan zij
wegkomen van het ouderlijk huis, hoe zal zij den Dauphin bereiken, die
in een van zijne kasteelen aan de Loire vertoeft, dus op een afstand van
eenige honderden kilometers van Domrémy, terwijl de tusschengelegen
streek onveilig wordt gemaakt door vijandige Engelsch-Bourgondische
troepen of ongeregelde plunderende benden?

Maar ook later, als zij met hare stemmen spreekt over haar plan, om
uit het kasteel Beaurevoir te ontsnappen, zijn hare tegenwerpingen zoo
nuchter verstandig, zoo zuiver menschelijk. Nu het er echter om gaat
haar de aangevoerde moeielijkheden uit het hoofd te praten, weten hare
stemmen haar een middel aan de hand te doen, dat een groot deel van
hare bezwaren opheft, en waaraan Jeanne zelf niet gedacht had. Zij
behoeft zich niet regelrecht bij den Koning aan te melden, houden zij
haar telkens voor; zij kan beginnen met zich te wenden tot Robert de
Baudricourt, kapitein van Vaucouleurs. Vaucouleurs is slechts eenige
mijlen van Domrémy verwijderd en de bevolking van de plaats is den
Koning trouw gebleven. De naam van den kapitein was Jeanne ook niet
onbekend. Robert de Baudricourt was het type van een ruw soldaat, een
echte houwdegen, maar een open, ronde kerel, hij deed genoeg van zich
spreken in de gansche streek, en Jacquot d'Arc was meermalen persoonlijk
met hem in aanraking geweest, o. a. bij de onderhandelingen over eene
schadevergoeding aan Robert de Saarbrück, waarbij de kapitein als
scheidsrechter optrad.

Hem kan Jeanne haar plan mededeelen; hij zal haar helpen en de noodige
manschappen te harer beschikking stellen, die haar veilig en wel bij den
Koning zullen brengen.

Maar Jeanne aarzelt nog en geen wonder.

Juist alles, wat zij over de Baudricourt gehoord heeft, doet haar
betwijfelen of hij nu wel de rechte man is, die haar gelooven zal, en
dien zij voor haar groote zaak zal kunnen winnen. Zal deze krijgsman
haar wel ontvangen en aanhooren?

Hare stemmen houden aan, steeds dringender. De nood stijgt hooger;
reeds hebben de vijanden het beleg voor Orléans gelegd en troepen worden
gezonden, om ook het oosten van het land, de streek van Vaucouleurs, te
onderwerpen.

Dan eindelijk, in de eerste dagen van Mei 1428, is haar besluit genomen.
Jeanne vertrekt. Het is Gods wil, zij kan niet anders. Niets kan haar nu
meer tegenhouden, en »al had zij ook honderd vaders en moeders gehad, al
was zij eene koningsdochter geweest, zij zou toch vertrokken zijn«.

Zij verlaat de ouderlijke woning onder een voorwendsel. Zij krijgt
toestemming van hare ouders, om voor eenige dagen naar haar »oom Durand
Laxart« te Burey-le-Petit te gaan. Deze »oom«, in werkelijkheid een
neef, die door de kinderen van Jacquot d'Arc, omdat hij veel ouder is,
oom genoemd wordt, zal zij eerst in vertrouwen nemen, in de hoop dat hij
haar helpen zal, om met Robert de Baudricourt in aanraking te komen.

Maar oom Durand schijnt niet op het eerste gehoor van de hooge roeping
van zijn nicht overtuigd geweest te zijn en Jeanne heeft gedurende een
week al hare overredingskracht noodig, om hem te winnen. Zij herinnert
hem o.a. aan eene oude voorspelling »dat een vrouw het Fransche
koninkrijk zou te gronde richten, en dat een Maagd het zou redden«.

Durand kent deze voorspelling en dit laatste argument van Jeanne stemt
hem tot nadenken. De eerste helft van de voorspelling is reeds droeve
waarheid geworden: heeft Isabeau de Bavière, de weduwe van Karel VI,
het land niet aan zijn vijanden overgeleverd en verkocht? Waarom zou
dan de tweede helft.... en waarom zou dan zijne nicht niet kunnen zijn
de Maagd, gezonden door God, om te volbrengen, wat zij allen zoo vurig
wenschen? Durand geeft eindelijk toe en met Jeanne vertrekt hij den 13en
Mei naar Vaucouleurs. Daar aangekomen, begeven zij zich regelrecht naar
het kasteel. Men brengt hen in de zaal, waar Robert zich bevindt in
gezelschap van eenige andere krijgslieden. Maar Jeanne behoeft geen
oogenblik te aarzelen, hare stemmen duiden haar aan tot wien zij zich
wenden moet en vastberaden treedt zij op den kapitein toe met de
woorden:

»Ik ben door Messire tot U gezonden, opdat gij den dauphin zult doen
weten, dat hij stand houde en zijnen vijanden geen slag moet leveren.«

De bijzonderheden omtrent deze eerste ontmoeting tusschen Jeanne en
Robert de Baudricourt zijn ons bekend uit de getuigenis van Bertrand de
Poulengy, een schildknaap, die bij de samenkomst aanwezig was. Hij kende
Domrémy en zijne bewoners, had meermalen zelfs Jacquot d' Arc bezocht,
zoodat vermoedelijk Jeanne zelf ook geen vreemde voor hem was.

Seigneur Robert, hoewel voor geen kleintje vervaard, staat het eerste
oogenblik toch eenigszins verwonderd tegenover Jeanne; de verschijning
van dit jonge meisje, gekleed in een eenigszins armoedig rood jurkje,
en dat hem zonder eenige inleiding, op kalmen en beslisten toon een
opdracht geeft voor den dauphin, overvalt hem wel wat onverwacht.

Jeanne vervolgt en voorspelt: »Voor mi-carême zal Messire hem hulp
zenden.«

Dan zet zij in enkele woorden uiteen een deel van de taak, die zij zich
gesteld heeft: »In waarheid is het koninkrijk niet in het bezit van
den dauphin. Maar Messire verlangt, dat de dauphin koning zal zijn en
heerschen zal over het koninkrijk. Ondanks zijne vijanden zal de dauphin
tot koning gekroond worden, en ik zal het zijn, die hem naar de
kroningsplechtigheid geleiden zal.«

Robert begrijpt haar niet. Toch vraagt hij nog: »Wie is Messire?« en
Jeanne legt hem uit: »De Koning der Hemelen.« Maar deze verklaring maakt
voor den kapitein het geval niet duidelijker. Te drommel, wat wil ze van
hem, die knappe verschijning met hare heldere oogen en haar manhaftig
optreden? Tegenover de overige aanwezigen, zijn krijgsmakkers en
onderhoorigen, redt hij zijn figuur door eenige ruwe, ongepaste
soldatengrappen ten koste van het jonge meisje, dat tegenover hem staat;
dan wendt hij zich tot oom Durand en stuurt hem weg met Jeanne: »Breng
haar terug bij haar vader en wasch haar maar eens ferm de ooren!«

Deze eerste tegenslag doet Jeanne den moed niet verliezen. Haar
vertrouwen heeft niet in het minst geleden, zij behoeft slechts te
wachten op eene betere gelegenheid. Teruggekeerd in de ouderlijke
woning, vertelt zij niets omtrent haar bezoek aan Vaucouleurs en ook
oom Durand schijnt haar geheim trouw bewaard te hebben. Alleen in vage
termen spreekt Jeanne met sommige personen over de groote dingen, die te
gebeuren staan, maar zij verzwijgt de rol, die zij daarin vervullen zal.
Zoo neemt zij b.v. Michel Lebuin, een knaap van haren leeftijd, in
vertrouwen, en voorspelt hem (23 Juni):

»Er woont tusschen Coussey en Vaucouleurs een meisje, dat, vóór er een
jaar verstreken is, den koning van Frankrijk zal doen kronen.«

       *       *       *       *       *

De vijand zit intusschen niet stil. Er worden toebereidselen gemaakt om
het werk der onderwerping van het geheele koninkrijk te voltooien. De
regent van Hendrik VI in Frankrijk, de hertog van Bedford, draagt aan
Antoine de Vergy, gouverneur van Champagne, op om een troepenmacht van
een duizend man te verzamelen en het oostelijk deel van Frankrijk, de
streek van Vaucouleurs, in bezit te nemen. In de tweede helft van Juli
rukken de twee gebroeders Antoine en Jean de Vergy met hun leger op.
Zooals het oorlogsgebruik van dien tijd medebrengt, worden de dorpen,
die zij op hun marsch door trekken, geplunderd en verbrand en de
bewoners, die zich niet tijdig uit de voeten hebben gemaakt, vermoord.
Als zij Domrémy naderen, verlaten de bewoners met hun vee en alles, wat
zij redden kunnen, het dorp en vluchten naar Neufchâteau in Lotharingen.
Onder deze vluchtelingen bevindt zich ook Jacquot d'Arc met zijn gezin.

Jeanne en hare familie vinden een onderkomen bij eene vrouw, genaamd La
Rousse die een herberg, wij zouden zeggen een klein hôtel, hield.

Valsche getuigen, booze tongen, hebben later verklaard, dat Jeanne in
die dagen in die herberg met vrouwen van lichte zeden een losbandig
leven heeft geleid. Maar de verklaringen van verscheidene geloofwaardige
personen uit Domrémy, die met haar waren uitgeweken, zijn daar om te
bewijzen, dat dit slechts vuile laster is.

Wel had Jeanne tijdens het korte verblijf te Neufchâteau een voor
haar onaangename zaak te beredderen. Zij werd voor den rechter te Toul
geroepen op aanklacht van een jongen man uit Domrémy, die beweerde, dat
Jeanne hem trouwbeloften had gedaan. Later, in het proces te Rouaan,
keert men de zaak om en verwijt men Jeanne, dat zij den jongen man had
doen dagvaarden. Zij zet dan uiteen, hoe de zaak zich werkelijk heeft
toegedragen: zij was gedaagde, zij had geen trouwbeloften gedaan, en
wordt ook door den rechter in het gelijk gesteld, zeer tegen den wensch
van haar vader, die het jongmensch genegen was, en hem gaarne met zijne
dochter Jeanne had zien huwen.

Na een dag of veertien keeren de vluchtelingen naar hunne haardsteden
terug, of beter gezegd, naar de plek, waar die zich eenmaal bevonden.
Zij vinden van het dorp nagenoeg niets terug. Hunne huizen, de kerk,
alles is verbrand en geplunderd en de oogst is verwoest.

Wij kunnen gerust aannemen, dat de gebeurtenissen van de tweede helft
van Juli en van begin Augustus 1428, de vlucht naar Neufchâteau en de
terugkeer in het verwoeste dorp, Jeanne buitengewoon gesterkt hebben in
hare overtuiging, dat voor haar het oogenblik om te handelen gekomen
was, dat spoedige hulp voor den dauphin en voor Frankrijk noodzakelijk
was.

Ook laten hare stemmen haar geen dag met vreê. Steeds met meer nadruk
dringen zij er bij Jeanne op aan, dat zij haar dorp zal verlaten en naar
Frankrijk zal gaan. De nood is op het hoogst, ook Orléans wordt reeds
door den vijand belegerd.

In het begin van 1429 komt het toeval Jeanne te hulp. De vrouw van oom
Durand Laxart ligt in het kraambed en laat nu vragen, of Jeanne eenigen
tijd in Burey-le-Petit mag komen, om voor het huishouden en de kleine
te zorgen. Dit verzoek, dat volstrekt niets buitengewoons had onder
familieleden in dien tijd, wordt toegestaan. In gezelschap van oom
Durand, verlaat Jeanne dus, één van de eerste dagen van Februari, het
ouderlijk huis en Domrémy, om er nooit meer terug te keeren. Zij is
opgewekt en vol goeden moed. Onderweg groet zij vroolijk alle kennissen,
haren speelkameraadjes, Guillemette de Greux en Mengette, roept zij
toe »Adieu, ik ga naar Vaucouleurs.« Zij ontloopt alleen haar oudste
vriendinnetje, Hauviette genaamd, dat eerst later verneemt, dat Jeanne
vertrokken is, en dan zeer verdrietig is. In Vaucouleurs neemt zij haar
intrek bij de vrouw van een wagenmaker, Henri Le Royer, eenen goeden
bekende van hare familie.

Ditmaal schijnt Robert de Baudricourt moeilijker te genaken te zijn
geweest. Er verloopen ten minste eenige dagen, voor het Jeanne gelukt,
hem weer te spreken te krijgen. Zij brengt die dagen door met het
verrichten van huishoudelijk werk voor hare gastvrouw, en verder
met bidden in de kerk. Het eerste bezoek van Jeanne aan Robert de
Baudricourt en het doel van haar komst waren in Vaucouleurs geen geheim
gebleven.

De kapitein had er later met zijne krijgsmakkers nog eens hartelijk om
gelachen. Eén van hen, Jean de Metz, een dappere jonge man van dertig
jaar, vindt Jeanne op een morgen voor de deur van den wagenmaker en
roept haar toe:

»Wel, beste meid, wat doe je nog hier? Moet de koning uit zijn rijk
gejaagd worden en moeten wij Engelschen worden?«

Jeanne legt hem uit, dat het haar nog niet gelukt is met Robert de
Baudricourt te spreken. Zij wilde hem verzoeken, haar naar den koning
te zenden, want zij alleen kan Frankrijk redden. Dan geeft Jean de Metz
haar heel kameraadschappelijk een hand en vraagt: »Welnu, beste meid,
wanneer vertrekken wij?«

En Jeanne antwoordt:

»Liever nu dadelijk dan morgen, en liever morgen dan later.«

Jean de Metz en Bertrand de Poulengy, met welken laatste Jeanne een
dergelijke ontmoeting had, dringen er bij den kapitein op aan, dat hij
haar ontvangen zal. Hun moeite heeft het gewenschte resultaat. Nu, bij
de tweede ontmoeting, hoort Robert Jeanne kalm aan en jaagt haar niet
weg. Zij vertelt hem, dat Messire haar heeft opgedragen, naar den
dauphin te gaan, daarna Orléans te ontzetten en vervolgens den koning
te doen kronen te Reims.

[Illustratie: Kamer in het huis waar Jeanne d'Arc te Domremy woonde.
  Het huis wordt zooveel mogelijk in den oorspronkelijken toestand
  bewaard. In het midden een standbeeld van Jeanne.

                        Naar een photographie.]

Geheel gewonnen is Robert nog niet dadelijk. Hij zendt Jeanne naar
Nancy om daar door den hertog van Lotharingen ondervraagd te worden.
Deze geeft haar een geschenk in geld en zendt haar weer terug naar
Vaucouleurs.

Zij komt daar aan den twaalfden Februari 1429, dus juist op den dag van
de »Bataille des Harengs« te Rouvray bij Orléans, waarin de Franschen
weer verslagen werden. Het is beslist onmogelijk, dat Jeanne op dien dag
iets van dien veldslag en den uitslag daarvan heeft kunnen weten; toch
zegt zij dadelijk bij haar aankomst tot de Baudricourt:

»In Godsnaam, gij talmt te lang met mij te zenden, want heden heeft de
(gentil) dauphin bij Orléans een zeer groot verlies geleden. Hij loopt
gevaar, een nog grooter verlies te lijden, wanneer gij mij niet spoedig
naar hem toezendt«.

Als eenige dagen daarna het bericht van de nederlaag bij Rouvray
Vaucouleurs bereikt, herinnert Robert zich de onheilspellende woorden
van Jeanne. Er is m.i. voldoende grond voor het vermoeden, dat deze
gebeurtenis er veel toe heeft bijgedragen, om hem voor de plannen van
Jeanne te winnen. Hij neemt dan een besluit en laat haar vertrekken.

Voor haar vertrek uit Vaucouleurs ondergaat Jeanne in haar uiterlijk een
belangrijke metamorphose. Zij legt het sjovele roode jurkje, waarin zij
gekomen is, af en kleedt zich in een volledig, fonkelnieuw page-costuum,
dat de bewoners van Vaucouleurs voor haar hebben laten maken. Verder
laat zij zich de haren afknippen, tot boven de ooren, ook in den vorm,
zooals destijds de pages het haar droegen. Zij acht het veiliger en
behoorlijker, om in gezelschap van mannen ook als man gekleed te
reizen. Vermoedelijk van het geld, haar door den hertog van Lotharingen
geschonken, heeft zij zich een zwart paard gekocht en van Robert de
Baudricourt heeft zij een zwaard ten geschenke gekregen. Volledig
toegerust als een jong krijgsman, is zij dus gereed, den gevaarlijken
tocht te ondernemen.

Haar escorte is zes man sterk en bestaat uit Jean de Novelompont,
genaamd Jean de Metz, Bertrand de Poulengy, Jean en Julien, hun knechts,
Richard, een boogschutter, en een boodschapper van den koning, Colet
de Vienne genaamd. De reis is lang en gevaarlijk: de geheele streek,
die zij moeten doortrekken, wordt nog onveilig gemaakt door vreemde
krijgsbenden. Men heeft dus besloten, overdag te rusten en 's nachts te
reizen. Jeanne alleen ziet geen gevaar: zij stelt een ieder, die haar
waarschuwt, gerust:

»Messire zal mij een weg banen, om den dauphin te bereiken.«

Den 23en Februari, tegen den avond, heeft het vertrek plaats. Vrienden
en kennissen van Jeanne vergezellen den kleinen troep tot aan de poort
van Vaucouleurs. Ook Robert de Baudricourt is daar. Hij laat de mannen
zweren dat zij goed zorg zullen dragen voor haar, die hij aan hunne
hoede heeft toevertrouwd. Dan geeft hij Jeanne een brief voor den koning
en neemt afscheid van haar met de woorden:

»Welnu, ga, en laat gebeuren wat wil.«

[Illustratie: Vertrek uit Vaucouleurs, 1429.

                          Naar een schilderij van J. Scherrer, Orléans.]

Nog eenige oogenblikken staren zij den kleinen page met zijn escorte
na en luisteren naar den doffen hoefslag van de paarden, wier voeten met
doeken omwoeld zijn. Dan verdwijnt het zevental in den mist en wordt het
stil. Terwijl de ophaalbrug wordt opgehaald en de poort van Vaucouleurs
gesloten, brengen wij den kleinen page het eere-saluut:

    »Seigneurs, barons, inclinez-vous
    Devant celui qui part, il est plus grand que nous.«

       *       *       *       *       *

De geheele reis was buitengewoon voorspoedig. Jean de Metz en Bertrand
de Poulengy waren dergelijke tochten door eene gevaarlijke, vijandige
streek gewoon. Zij hadden alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen,
kenden het land en wisten dus welke punten zij mijden moesten en waar
zij de minste kans liepen, opgemerkt te worden.

Den eersten avond wordt doorgereden tot men tegen den nacht de abdij van
Sint Urbain bereikt. Bij den Abt Arnoult d'Aulnoy, een bloedverwant van
Robert de Baudricourt, vinden zij een veilig onderkomen. Den volgenden
morgen voor hun vertrek hoort Jeanne de Mis.

Op het verdere traject wordt meestal 's nachts gereisd en overdag gerust
onder den blooten hemel. Jeanne ligt dan geheel gekleed in een deken
gewikkeld tusschen Jean de Metz en Bertrand de Poulengy in. Zij slaapt
gerust en vol vertrouwen in hare beide ridders, die gezworen hebben,
haar behoorlijk te zullen geleiden. En inderdaad de heeren hebben woord
gehouden en haar behandeld als een zuster.

Hun voorzichtige en geheimzinnige wijze van reizen heeft voor Jeanne
één groot bezwaar: zij heeft daardoor niet de gelegenheid, dagelijks de
kerk te bezoeken en de Mis te hooren. Het valt haar zwaar, daarin te
berusten en zij beklaagt zich herhaaldelijk over dit gemis. Verder stelt
zij hare geleiders onder weg steeds gerust en deelt hun mede dat hare
»broeders in het Paradijs« haar steeds zeggen, wat zij doen moet.

De moeilijkste en gevaarlijkste punten van den tocht zijn wel de
rivieren. De overkant van de Marne bereiken zij over de brug bij Sint
Urbain, maar zij doorwaden de Aube bij Bar sur Aube, de Seine bij Bar
sur Seine en de Yonne bij Auxerre en dat in Februari na een strengen
winter, terwijl de rivieren nog breed en gezwollen zijn!

Als zij eindelijk Gien bereiken, bevinden zij zich op gebied van den
dauphin en is dus het voornaamste gevaar geweken.

Van Gien trekt men verder naar Fierbois. Te Fierbois bevond zich een
beroemd heiligdom van één van de patronessen van Jeanne n.l. van de
Heilige Cathérine, die in het bijzonder de Fransche krijgsgevangenen
beschermde. Jeanne bezoekt de kapel en hoort te Fierbois eenige malen de
Mis. Ook zendt zij van daaruit een bode naar den dauphin met den brief
van Robert de Baudricourt en met een brief door haar zelf gedicteerd,
waarin zij verzoekt, te Chinon te mogen komen, daar zij honderd vijftig
mijlen te paard heeft afgelegd om den dauphin mededeelingen te doen, die
hem van nut kunnen zijn en die zij alleen weet.

Te Chinon arriveert zij na haar vermoeienden tocht in volkomen welstand
tegen den middag van den 6en Maart en stapt er af in een klein logement.

Dienzelfden dag nog begeeft zij zich naar het koninklijk slot, maar
wordt niet toegelaten. Karel VII kent haar niet, hij laat vragen,
wie ze is en wat zij komt doen. De beide brieven, door Jeanne gezonden
hebben hem dus blijkbaar niet bereikt. In zijn omgeving had men ze
waarschijnlijk ter zijde gelegd en niet noodig gevonden, hem daarmede
in kennis te stellen. Nog voor het eerste verschijnen van Jeanne aan
het hof van Karel VII ondervindt zij reeds tegenwerking, doet zich die
geheime macht reeds gevoelen die, voortkomende uit de onmiddellijke
omgeving van den dauphin, haar zal blijven dwarsboomen en een politiek
zal voeren tegen de hare in, tot het einde toe.

Jeanne moet drie dagen geduld hebben. Op de vraag, haar namens Karel VII
gedaan, wat zij kwam doen, heeft zij niets willen antwoorden dan in het
algemeen, dat zij kwam om Orléans te ontzetten en den dauphin voor de
kroning naar Reims te geleiden. Jean de Metz en Bertrand de Poulengy
worden ondervraagd; in den Raad van den koning kan men het evenwel niet
eens worden, men aarzelt, tot het laatste oogenblik toe, zelfs nog nadat
de meerderheid reeds besloten heeft, dat Jeanne moet toegelaten worden
en zij ook reeds onderweg is. Na lang wikken en wegen, en op advies van
de meerderheid van zijn Raad, besluit Karel VII echter ten slotte,
Jeanne te ontvangen.

Pasquerel, die Jeanne later als biechtvader naar Orléans zal
vergezellen, deelt nog mede, dat zij op weg naar het koninklijk slot een
ruiter ontmoette, die haar onder luid vloeken en razen grof beleedigde,
waarop Jeanne tot hem zou gezegd hebben: »Gij vloekt den naam van God,
en dat terwijl de dood U zoo nabij is.«

Dienzelfden avond nog, ja volgens het verhaal van Pasquerel, voor er een
uur verstreken was, viel de man in het water en verdronk.

In de verklaring van Pasquerel wordt de vermaning van Jeanne natuurlijk
een profetie, een van de vele bewijzen voor haar helderziendheid, haar
bovenmenschelijkheid.

Maar ook teruggebracht tot het gewoon menschelijke behoudt de episode
voor ons haar waarde. Ook indien de woorden van Jeanne slechts bedoeld
zijn geweest als »memento mori« voor den krijgsman in die bange dagen
van moord en slachting, dan nog staat deze vermaning van het jonge
meisje door haar waardigheid en bezadigdheid reeds op één lijn met
zoovele van hare voortreffelijke antwoorden uit het latere proces.

Nog dikwijls zal het voorkomen, dat Jeanne grof beleedigd wordt, vooral
later door hare doodsvijanden, de Engelschen, en steeds zal het haar
diep grieven en pijn doen, ja een enkele maal zelfs b.v. wanneer tijdens
den strijd om Orléans, de Engelschen haar den laagsten scheldnaam naar
het hoofd slingeren, dien men voor een jong meisje bedenken kan, zal zij
in snikken uitbarsten. Hare Heiligen zullen haar dan moeten troosten en
moed inspreken.

       *       *       *       *       *

Als Jeanne dan eindelijk in het kasteel van Karel VII is aangekomen,
wordt zij door Louis van Bourbon, graaf van Vendôme, geleid naar de
zaal, waar de koning zich bevindt.

De houding van Jeanne bij haar eerste verschijnen in de omgeving van den
koning is hoogst merkwaardig. De kalmte, waarmede dit zeventienjarige
boerenmeisje de meest ongewone dingen eenvoudig aanvaardt, is gewoonweg
verbluffend. Alles wat haar wedervaart in verband met de vervulling van
hare Goddelijke roeping wordt door haar beschouwd als vanzelf sprekend:
geen moeilijkheden schrikken haar af, geen milieu kan haar verblinden,
geen mise-en-scène kan haar imponeeren.

Met de rust en het zelfvertrouwen, waarmede wij haar in Vaucouleurs te
paard hebben zien stijgen voor een levensgevaarlijken tocht van twaalf
dagen, zien wij haar nu de groote receptiezaal van het kasteel te Chinon
binnentreden, en zullen wij haar eenmaal zien verschijnen voor een
rechtbank van Kardinalen en Bisschoppen.

       *       *       *       *       *

Dien avond van den 8en Maart bevond Karel VII zich te midden van
ongeveer driehonderd edellieden in de groote zaal van zijn kasteel.
Onder dit uitgelezen gezelschap waren la Trémouille en andere leden
van zijn Raad en vermoedelijk ook de Bisschop van Reims, tevens
Rijkskanselier. Een houtvuur brandde onder de groote schouw, vijftig
toortsen wierpen hun schijnsel op de bontgekleurde, kostbare gewaden van
de hovelingen en krijgslieden en vormden een voor dien tijd voorwaar
schitterende verlichting. Wie is in deze bonte menigte de dauphin? De
mogelijkheid, dat Jeanne ooit te voren een beeltenis van Karel VII zou
gezien hebben, is zoo goed als uitgesloten. Ook weten wij, dat de koning
geen persoon was, die door zijne houding, zijne gestalte, of door de
kostbaarheid van zijn costuum in het oog viel of de aandacht trok.
(Bekend is, dat hij meermalen in een oud wambuis nieuwe mouwen liet
zetten). Toch aarzelt Jeanne geen oogenblik en met vast beraden
tred, maar volgens de verklaring van den heer van Gaucourt, een der
voornaamste ooggetuigen, »met groote nederigheid en eenvoud« treedt
zij op den koning toe. Dan ontbloot zij het hoofd en met een linksche
buiging begroet zij hem met de woorden: »God schenke U een lang leven,
gentil Dauphin.« Op de vraag van den koning, wie zij is en wat zij van
hem verlangt, antwoordt zij, dat haar naam is »Jeanne la Pucelle« en zet
zij in enkele woorden uiteen welke opdracht haar door »den Koning der
Hemelen« gegeven is.

Daarna neemt Karel VII haar ter zijde, en heeft er tusschen hem en
Jeanne een langdurig onderhoud plaats.

Hiermede zijn wij genaderd tot één van de groote vraagteekens in de
geschiedenis van Jeanne d'Arc. Wat is er in dit onderhoud zonder
getuigen tusschen haar en den koning verhandeld? Wat behelst »het
Geheim van den Koning« en wat is geweest »het teeken te Chinon«? Met
absolute zekerheid is dit niet te zeggen. Een rechtstreeksche verklaring
hieromtrent van Karel VII bezitten wij niet en ook Jeanne heeft tot haar
dood toe geweigerd, hiervan een volledig relaas te geven. De doktoren te
Poitiers zullen er haar naar vragen en er haar mede lastig vallen, maar
zonder het gewenschte resultaat. En dan later de rechters te Rouaan;
telkens en telkens weer zullen zij terugkomen op datzelfde punt: het
geheime teeken te Chinon. Maar Jeanne zal hun afschepen met ontwijkende
antwoorden, of zij zal kort en bondig weigeren, eenig nader bescheid te
geven. Zij zullen het beproeven met listen en strikvragen, maar Jeanne
zal hun slimheid doorzien, zal ook op dat gebied hun meerdere blijven.

Er bestaan over dit vraagpunt enkele lezingen van tijdgenooten, verder
een overvloed van commentaren van latere geschiedschrijvers.

Materiaal genoeg, maar er is veel kaf onder het koren, veel fantasie:
schiften en oppassen is de boodschap.

Om te beginnen weten wij uit eene verklaring van Jeanne zelf, dat hare
stemmen haar reeds in Domrémy hadden aangemoedigd met de woorden: »Ga en
wees onverschrokken; wanneer gij bij den Koning zult zijn, zal hij een
teeken krijgen om hem te overreden in u te gelooven, en u te ontvangen.«

Ook geeft zij in het proces te Rouaan nog een belangrijke bijzonderheid,
wanneer zij mededeelt, dat het teeken in verband stond met hare eigen
daden. Dit laatste détail is ook volstrekt niet in strijd met hetgeen
Jeanne verder in het proces heeft losgelaten omtrent »den engel« die
te Chinon verschenen is, en »de kroon« die zij er gezien heeft. Ook
al nemen wij niet aan, dat, zooals in het ongeteekende deel van het
procesverbaal vermeld staat, Jeanne zelf zou geëindigd zijn, met aan
het einde van het proces haar verklaringen omtrent het teeken te Chinon
te herroepen, door te zeggen, dat zij als zuivere symboliek bedoeld
waren, toch is het voor ons duidelijk dat zij afkomstig zijn van den
persoon, die geregeld in aanraking kwam met hemelboden en Heiligen uit
het Paradijs.

En past ditzelfde détail ook niet volkomen in de omlijsting van het
verhaal, afkomstig uit de onmiddellijke omgeving van Karel VII en
volgens hetwelk Jeanne den koning tijdens dit eerste onderhoud het
verhaal van hare zending zou bevestigd hebben door hem geheime en
verborgen zaken mede te deelen.

Het is zeer wel mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat Karel VII in de
laatste dagen voor de eerste ontmoeting met Jeanne bijzonder mismoedig
was. Zijn zaak stond er op dat oogenblik slecht voor en »grande pitié
était au royaume de France«. Orléans belegerd, zijne troepen bij Rouvray
weer verslagen. Wanneer Orléans valt is het pleit verloren en rest hem
niet veel anders, dan te trachten zijn leven althans in veiligheid te
brengen, en te vluchten naar Spanje of Schotland. Waar de troepen, waar
het geld vandaan te halen om Orléans te ontzetten en den vijand het land
uit te drijven?

In de vergaderingen van zijn Raad wordt deze vraag druk besproken, men
zoekt naar een oplossing, maar tot nu toe te vergeefs. Er zijn evenwel
elementen in zijn Raad, die den koning drukken, ook daar durft hij
niet alles uitspreken, wat in zijn binnenste omgaat, en zijn gemoed
dikwijls angstig bezwaart. Karel VII is geen groote, krachtige figuur,
die zijn gansche omgeving beheerscht, hij is verlegen en weifelmoedig.
De tegenspoeden en rampen van den laatsten tijd hebben zijn zwak
zelfvertrouwen nog ernstig geschokt en in het diepst van zijn ziel
is twijfel gerezen aan zijn goed recht, aan het rechtvaardige van
de zaak waarvoor hij strijdt, ja, zelfs aan het rechtmatige van zijne
afstamming. Wanneer hij werkelijk de wettige opvolger op den troon
van Frankrijk was, zou God hem dan geen hulp gezonden hebben en zijn
legers hebben doen zegevieren? In zijn stille gebeden, want hij is zeer
godsdienstig, heeft hij God gesmeekt, hem voor te lichten en den weg te
toonen, dien hij volgen moet.

In deze gemoedsstemming treft hem Jeanne aan bij de eerste ontmoeting
te Chinon. Men heeft den koning reeds verteld van den bijzonder
voorspoedigen tocht, dien dit meisje uit Domrémy heeft ondernomen om
tot hem te komen, en hem belangrijke mededeelingen te doen.

En daar staat zij nu voor hem, wel is waar in travesti als page gekleed,
maar in hare volle, slanke gratie en jeugdige frischheid. Twee heldere,
open oogen zien hem aan uit dat knappe gezicht, haar optreden is kalm en
beslist, zonder eenige opdringerigheid.

Als zij daarna in gesprek raken, klinken hare woorden vol overtuiging
en getuigt de groote bezieling, die van haar uitgaat, van de kracht van
haar eigen, machtig geloof. Eén voor één neemt ze met groote beslistheid
alle punten van twijfel en onzekerheid weg, door de verklaring van hare
Missie. God heeft haar tot den dauphin gezonden om Orléans te bevrijden
en om daarna hem, den koning, te doen kronen te Reims. Is dat niet
juist het antwoord op de vragen, waarmede hij zich in zijne eenzame
overpeinzingen had bezig gehouden, en waarover hij niemand ter wereld
had durven raadplegen? Dan zou dit dus de voorlichting zijn, waarom hij
God gebeden had, en de hulp hem door God gezonden, nu de nood op het
hoogst gestegen is. Terwijl Jeanne tot hem spreekt, voelt hij zijn moed
herleven, zijn zelfvertrouwen wederkeeren. Zonder dat hij haar iets
gevraagd heeft, en zonder dat iemand haar op de hoogte kan gebracht
hebben van de heimelijke angsten van den koning, stelt ze hem gerust,
door hare houding, haar optreden, haar woord, haar geloof, door de
bekoring en de bezieling, die er van haarzelf uitgaan. Zij heeft op den
rechten toon, het rechte woord, op het rechte oogenblik gesproken.

Dit is voor ons »het geheim van den koning« en »het teeken te Chinon«,
zooals het geweest was het geheim van Burey le Petit, toen zij oom
Durand moest winnen en het geheim van Vaucouleurs, toen zij den
allesbehalve bijgeloovigen Robert de Baudricourt moest overtuigen.

Zeer zeker, de Engel, waarover men haar later ondervraagd heeft, is op
dien avond in de groote zaal van het koninklijk slot te Chinon geweest,
want Jeanne heeft hem immers gezien, hij heeft haar geleid te midden
van die bonte menigte, tot zij stond voor den dauphin, en tijdens het
geheime onderhoud met Karel VII heeft hij haar gesteund en terzijde
gestaan. En wanneer de Koning hem ook gezien heeft en La Trémouille
en de Gaucourt en mogelijk ook de Bisschop van Reims en alle andere
raadslieden en edellieden van den Koning, welnu dan is die Engel Jeanne
zelf geweest.

En toen Jeanne den Koning vertelde, dat het de wil was van »Messire« dat
zij hem naar Reims zou geleiden om hem daar te doen kronen, droeg toen
die Engel niet een kroon in zijn hand en wel een kroon van een edeler
metaal en versierd met nog schitterender steenen, dan die waarvan men
zich later bedienen zal bij de plechtigheid te Reims? En heeft Karel VII
die kroon niet gezien, ja, moet hij die niet gezien hebben zooals Jeanne
haar zag, terwijl zij tot den dauphin sprak over het tweede deel van
hare Goddelijke opdracht, dat zou afloopen bij het einde van de kroning
in de kathedraal te Reims?

       *       *       *       *       *

Na afloop van zijn onderhoud met Jeanne wil Karel VII overleg plegen met
zijn Raad. Hij is voorzichtig. In zijn omgeving trouwens wil men ook
eerst de zaak goed wikken en wegen, voor men iets van belang durft
ondernemen. Men is bang zich aan koud water te branden. Is Jeanne
werkelijk door God gezonden tot redding van het koninkrijk, of is zij
van den duivel bezeten en is alles wat zij zegt dus uit den booze?

Voorloopig wordt in elk geval besloten dat Jeanne te Chinon zal blijven.
In den toren du Coudray van het kasteel krijgt zij een kamer: zij wordt
toevertrouwd aan de zorgen van een officier van het Hof en zijn vrouw,
en Louis de Contes, een jong mensch van vijftien jaar ongeveer, wordt
haar toegewezen als page.

De koning bezoekt haar dikwijls en spreekt dan zeer vertrouwelijk met
haar, hij voelt bij intuïtie, dat zij oprecht is en in elk geval te
goeder trouw. Op een morgen, als Jeanne weer met haar »gentil dauphin«
in een druk gesprek gewikkeld is in een van de zalen van het koninklijk
slot, treedt daar een jongeling binnen; de hertog van Alençon. Jaren
lang is hij krijgsgevangene van de Engelschen geweest en eerst kort
geleden is hij uit die gevangenschap ontslagen en bij de zijnen
teruggekeerd. Een koerier is hem komen berichten, dat aan het Hof een
meisje verschenen is, door God gezonden om de Engelschen uit Frankrijk
te verjagen. Dat meisje wil hij zien en daarom is hij onverwijld naar
Chinon gekomen om haar te ontmoeten. Als Jeanne hem ziet nadertreden
en van den koning vernomen heeft dat het zijn neef is, de hertog van
Alençon en een schoonzoon van den hertog van Orléans, groet zij hem
eerbiedig en spreekt hem aan met de woorden:

»Wees van harte welkom. Hoe meer bloed van den koning van Frankrijk hier
vereenigd is, hoe beter het zal zijn.«

Beiden jong, strijdlustig en vol geestdrift voor een zelfde zaak, zullen
zij in het vervolg steeds goede kameraden zijn en in den mond van Jeanne
zal d'Alençon steeds heeten »mon beau duc«.

       *       *       *       *       *

Intusschen is men te Chinon, op last van Karel VII reeds een voorloopig
onderzoek naar Jeanne en haar verleden begonnen. Het voornaamste
onderzoek zal evenwel plaats hebben te Poitiers, waar in die dagen het
Parlement gevestigd was. Een commissie van onderzoek wordt benoemd;
zij bestaat uit professoren, doctoren en geestelijken, waaronder twee
bisschoppen. Voorzitter zal zijn: Regnault de Chartres, Rijkskanselier,
Aartsbisschop van Reims. Evenals later de Rechtbank te Rouaan, heeft
ook deze Commissie, voor den aanvang van het eigenlijke verhoor, alle
mogelijke gegevens verzameld en zijn als getuigen gehoord allen, die
te Domrémy, te Vaucouleurs of elders met Jeanne in aanraking zijn
geweest. Als men met alle toebereidselen gereed is, vertrekt Jeanne
zelf met een gewapend escorte naar Poitiers, en neemt daar haar intrek
in hôtel de la Rose. In hetzelfde hôtel logeert Mr. Jean Rabateau, de
advocaat-generaal, en aldaar zal ook het verhoor plaats hebben.

Op weg naar Poitiers is Jeanne een oogenblik in den waan, dat men haar
reeds naar Orléans brengt. Zij is ongeduldig en er is reeds veel tijd
verloren gegaan in Chinon. Ze is diep teleurgesteld, als men haar
vertelt dat zij naar Poitiers gaat om door een commissie ondervraagd te
worden.

»Bij God«, zucht zij, »ik weet dat ik het daar niet gemakkelijk zal
hebben, maar Messire zal mij helpen. Laten wij dus gaan.«

Uit deze verzuchting blijkt wel, dat Jeanne van te voren erg heeft
opgezien tegen het onderzoek van al die geleerde heeren, maar als
eenmaal het eigenlijke verhoor is begonnen, beschikt zij weer over hare
volle vrijmoedigheid en zelfvertrouwen. Hare antwoorden zijn duidelijk
en scherp en de indruk, dien zij maakt, is bijzonder gunstig. Wij mogen
hierbij evenwel niet uit het oog verliezen, dat deze commissie, in
tegenstelling met de rechtbank te Rouaan, er niet beslist op uit was
haar in het verderf te storten en op den brandstapel te brengen.

Zij deelt aan hare ondervragers mede, wat hare stemmen tot haar gezegd
hebben en hoe zij haar hebben opgedragen naar Frankrijk en tot den
koning te gaan om het land te redden.

Men merkt haar op dat God, wanneer hij Frankrijk wil redden, daartoe
toch geen krijgslieden noodig heeft. Waarop Jeanne antwoordt:

»Bij God, de krijgslieden zullen vechten en God zal hun de overwinning
geven.«

Na eenige séances begint het verhoor haar danig te vervelen. In haar
onschuld begrijpt zij natuurlijk niet, wat men van haar wil. Zij is
gekomen met een opdracht om Orléans te ontzetten. Waarom talmt men
dan? Is dit niet allemaal verloren tijd? En dan, zij gevoelt zich niet
zoo op haar gemak tegenover die doctoren en geleerde heeren met hunne
dikke boeken en paperassen. Als op een morgen Gobert Thibault, een
jonge krijgsman dien zij reeds te Chinon ontmoet heeft, met eenige
commissieleden binnenkomt, stapt zij op hem af, klopt hem vertrouwelijk
op zijn schouder en zegt:

»Ik zou een heelen troep van krijgslieden willen hebben, zoo goed gezind
als gij«.

Ja, laat men haar soldaten geven, zij hunkert er naar de beloften, die
zij gedaan heeft, te vervullen.

Hare antwoorden worden ietwat humeurig. Als zij mededeelingen doet over
haar missie en hare stemmen en men spreekt haar tegen, dan bijt zij van
zich af:

»Er staat in de boeken van Onzen Heer meer dan in de Uwe«.

Als later een priester uit Limoge haar met zijn eigenaardig accent
vraagt:

»Welke taal spreken Uwe stemmen?«, dan antwoordt zij ondeugend:

»Een betere dan de Uwe.«

De commissie, hoewel zij Jeanne niet slecht gezind is, is moeilijk te
voldoen. Zij dringt er steeds bij haar op aan, dat zij door een teeken
bewijzen zal, dat zij door God gezonden is. En telkens weer geeft Jeanne
hetzelfde antwoord, dat zij niet te Poitiers gekomen is, om teekens te
geven. Het eenige teeken, dat zij geven kan, is dat zij volbrengen zal,
wat zij beloofd heeft: zij zal Orléans bevrijden en den dauphin te Reims
doen kronen.

       *       *       *       *       *

In Poitiers dicteert zij ook een brief aan de Engelschen. Bovenaan staan
de woorden [zwaard] Jhesu Maria [zwaard] en dan vervolgt zij:

»Koning van Engeland en gij, hertog van Bethfort, die U regent noemt van
het koninkrijk Frankrijk, Guilleaume la Poule, graaf van Suffort« etc.
De namen van den hertog van Bedford en den graaf van Suffolk werden door
de Franschen in dien tijd wel zonderling geradbraakt, en opmerkelijk
is ook dat Jeanne William Pole, graaf van Suffolk, in dit schrijven
en ook later aanspreekt als »la Poule« en William Glansdale, baljuw
van Alençon, voor den koning van Engeland als »Glasidas« of »Glasdas«.
Wij kunnen niet meegaan met Hanotaux, die haar Thomas de Scales als
»Glasidas« laat aanspreken. In dien brief eischt zij van den koning van
Engeland en van zijn veldheeren, kort en bondig, dat zij de sleutels
van de steden, die zij veroverd hebben, zullen teruggeven aan haar »la
Pucelle« die door God gezonden is, en dat zij het land zullen verlaten.
Zij is blijkbaar in hare verbeelding reeds aan het hoofd van hare
troepen, want zij noemt zich »chief de guerre« en dreigt, de Engelschen
die niet in haar en hare Goddelijke Missie gelooven, bij de eerste
ontmoeting tot den laatsten man te zullen vernietigen, maar degenen,
die zich onderwerpen, en haar gehoorzamen willen, zal zij in genade
aannemen.

       *       *       *       *       *

Als het verhoor van geleerden en geestelijken is afgeloopen, moet Jeanne
nog een ander onderzoek ondergaan, dat voor haar zeker niet minder
onaangenaam is. Terwijl kort na haar aankomst te Chinon eenige dames
hadden moeten nagaan van welk geslacht zij was, wordt thans aan een
commissie, eveneens uit dames bestaande, opgedragen te onderzoeken of
zij werkelijk maagd is. Hoe onkiesch, smakeloos en belachelijk ons dit
ook voorkomt, toch was dit voor dien tijd een punt van groot gewicht.

Maagdelijkheid gold toenmaals voor een groote kracht en was het symbool
van het weerstandsvermogen tegen de voortdurende hinderlagen van den
duivel. Jeanne zelf was trouwens hiervan ook volkomen doordrongen. Had
zij niet zelf haren Heiligen bij een van hun eerste bezoeken de gelofte
gedaan, Maagd te zullen blijven, zoolang het God behagen zou? Noemt zij
zich zelf niet steeds met fierheid »Jeanne la Pucelle« en zal zij niet
later, bij het hooren van haar doodvonnis, jammeren en weeklagen »dat
haar lichaam, dat zij tot het einde toe rein en ongerept heeft weten te
bewaren, verbrand en tot asch verteerd moet worden?« Zoowel te Poitiers
als later te Rouaan zal zij zich telkens gedwee en gelaten aan het
onderzoek onderwerpen.

Het rapport van de dames-commissie, waarin o.a. zitting hadden genomen
de koningin van Sicilië en Jerusalem en de vrouw van den heer de
Gaucourt, luidde volkomen gunstig voor Jeanne: »que c'était une vraie et
entière pucelle.«

Dan eindelijk is het onderzoek afgeloopen: het heeft zes weken geduurd.
De commissie heeft hare conclusies opgesteld, die hier op neerkomen: Men
is van oordeel, dat de beloften, door Jeanne gedaan, geen Goddelijken
oorsprong hebben, doch zuiver menschelijk zijn, maar men heeft in haar
geen kwaad, doch uitsluitend goede eigenschappen kunnen vinden; zij
is nederig, maagd, vroom, eerlijk en eenvoudig. Aangezien zij beloofd
heeft, het bewijs van hare Goddelijke Missie te zullen leveren voor
Orléans, adviseert men, haar met hare soldaten en onder behoorlijk
geleide naar Orléans te laten oprukken, omdat men zich Gods hulp,
wanneer die wordt aangeboden, niet onwaardig mag toonen.

Een afschrift van deze conclusies, waarin één en ander behoorlijk
gestaafd wordt met aanhalingen en teksten uit de Heilige Schrift, wordt
gezonden naar alle steden van het koninkrijk en aan alle vorsten van de
bekende wereld.

Opgewekt en vol goeden moed, innig dankbaar, dat voor haar nu eindelijk
spoedig het oogenblik van handelen zal aanbreken, en zij weldra aan de
wereld zal kunnen toonen, wie zij is en wat zij met Gods hulp vermag,
vertrekt Jeanne van Poitiers naar Tours waar men voor hare bewapening en
uitrusting zorg zal dragen.

De Franschen van de eerste helft der vijftiende eeuw betoonen zich,
evenals hunne nakomelingen van den tegenwoordigen tijd, meesters in de
kunst der régie en mise-en-scène. Van het oogenblik af, dat men besloten
heeft Jeanne naar Orléans te geleiden, om haar in de gelegenheid te
stellen, hare beloften te vervullen, heeft men tevens ingezien, dat bij
eene onderneming als deze »een goede aankleeding« van groot belang is.

Aan een kundig wapensmid te Tours wordt op bevel van den koning
opgedragen, op maat voor Jeanne en haar krijgsros, een volledig harnas
te vervaardigen. In plaats van het lichte page-costuum, waarin zij uit
Vaucouleurs is vertrokken, krijgt het jonge meisje nu een blanke, stalen
wapenrusting te torsen, die bestaat uit een helm met beweegbare kinband
en vizier, een kuras, verder stalen platen ter bescherming van armen,
ellebogen en schouders, beenen, voeten en knieën, dan handschoenen, met
stalen plaatjes bekleed en een soort maliënkolder, die als een korte
rok onder uit het kuras op de dijen hangt.

Jean de Metz en Bertrand de Poulengy schaffen zich ook bij denzelfden
wapensmid een wapenrusting aan, die met het harnas van Jeanne op één en
dezelfde nota voorkomen.

De Heiligen van Jeanne hebben haar gezegd, waar zij het zwaard kan
vinden, dat zij dragen moet. Zoodra dan ook de overige deelen van de
wapenrusting gereed zijn, zendt zij haar wapensmid met een brief naar de
Gouverneurs van de kapel van de Heilige Cathérine van Fierbois. Volgens
hare aanduiding kan het zwaard dat voor haar bestemd is, gevonden worden
in de nabijheid van het altaar, waar het begraven is. Het is een roestig
zwaard, waarop vijf kruisjes gegraveerd staan.

Inderdaad vinden de priesters van de kapel na eenig graven op de
aangegeven plek een zwaard, als door Jeanne beschreven. Het wordt zonder
eenige moeite roestvrij gemaakt en blank geschuurd en daarna Jeanne
toegezonden met een schede, als geschenk van de priesters te Fierbois.

Dit geheimzinnige verhaal omtrent het zwaard van Fierbois, dat wij
hierboven wat de hoofdpunten betreft, weergeven naar de verklaring van
Jeanne zelf in het proces te Rouaan, is natuurlijk door hare geloovige
tijdgenooten gretig aanvaard als een wonder. Er is op dit dankbare thema
dadelijk ijverig voortgeborduurd.

Nauwkeurig volgens voorschrift van Jeanne en onder haar toezicht zijn
intusschen door een Schotschen schilder, genaamd James Power, hare
vaandels vervaardigd. Ze zijn drie in getal: een banier, een standaard
en een vaan.

De banier vertoonde een crucifix zonder meer. Zij wordt voortaan voor
Jeanne uitgedragen door een van de geestelijken uit haar gevolg.

Op de vaan, gedragen door een van hare dienaren, en die als
herkenningsteeken dienst deed, zag men een voorstelling van Maria
Boodschap: een engel, die de Heilige Maagd een lelie aanbiedt.

Het voornaamste van de drie was haar standaard. Hierover verklaart zij
in het proces te Rouaan:

»Dien droeg ik zelf, wanneer ik den vijand aanviel, om te voorkomen, dat
ik iemand doodde.... want ik heb nooit iemand gedood.«

Hij was van wit linnen, bezaaid met Fransche lelies; in het midden,
gezeten op een regenboog, God de Vader, de Koning der Hemelen, de eene
hand zegenend uitgestrekt en met de aardbol in de andere hand; aan
weerszijden lag een engel geknield, het zijn de Heilige Michaël en de
Heilige Gabriël, die God een lelie aanbieden. In het midden bovenaan
stond haar devies: »Jhesu Maria.«

       *       *       *       *       *

Nu nog het gevolg van Jeanne.

Enkele personen, die met haar uit Poitiers gekomen waren, maakten
van het oponthoud te Tours gebruik, om deel te nemen aan de groote
pelgrimstocht naar het heiligdom van Notre Dame du Puy en Velay.
Bertrand de Poulengy was vermoedelijk een dier bedevaartgangers. De
terugreis maakte hij in gezelschap van een jongen Augustijner, Broeder
Pasquerel. Bertrand dringt er bij den Broeder op aan, dat deze kennis
zal maken met Jeanne. Op een morgen bezoeken zij haar samen in het hôtel
van Jean du Puy, waarin Jeanne haar intrek had genomen. Zij ontvangt den
jongen priester op hare gewone, hartelijke wijze met de woorden: »Het
doet mij genoegen, den eerwaarden vader te ontmoeten; ik heb reeds over
hem hooren spreken en morgen zal ik bij hem te biecht gaan.«

Van dien dag af werd broeder Pasquerel haar vaste biechtvader, haar
veldprediker. Hij bleef getrouw aan haar zijde, tot het einde toe, tot
den laatsten dag in Compiègne.

Verder vinden wij in het gevolg van Jeanne haar beide pages, Louis de
Contes en Raymond, twee herauten, de beide getrouwen Jean de Metz en
Bertrand de Poulengy, eenige gewone dienaren, en eindelijk haar trouwe,
brave schildknaap Jean d'Aulon, die zich te Blois onder hare bevelen
stelde, en die haar, evenals broeder Pasquerel niet meer verlaten zal
en zelfs aan hare zijde en tegelijk met haar te Compiègne zal worden
gevangen genomen.

Waarschijnlijk hebben ook te Tours reeds de beide broeders van Jeanne,
Pierre en Jean, zich bij haar staf aangesloten.

Na het vertrek van Jeanne uit Vaucouleurs was oom Durand aan de familie
te Domrémy gaan mededeelen, wat er gebeurd was. Toen men bekomen was van
den eersten schrik, besloot men zich te schikken in het onvermijdelijke,
en werden haar beide jongste broeders haar achterna gezonden om haar te
volgen en zoo noodig te beschermen.

Het eenvoudige boerendeerntje, dat in Februari van hetzelfde jaar (1429)
op bloote voeten en in een schamel, rood wollen jurkje haar dorpje had
vaarwel gezegd, verlaat thans Tours een van de laatste dagen van April
in een schitterende wapenrusting, voorafgegaan door hare banieren, aan
het hoofd van een groot gevolg, en in gezelschap van nog vele andere
voorname personaadjes, waaronder Regnault de Chartres, Rijkskanselier
en Aartsbisschop van Reims, om zich naar Blois te begeven, waar zij den
27en aankomt.



HOOFDSTUK II.

ORLÉANS.


Den 12en October 1428 begint het beleg van Orléans. Een aanzienlijk
Engelsch-Bourgondisch leger onder bevel van den graaf van Salisbury
heeft de gansche streek tusschen Parijs en Orléans onderworpen.
Ernstigen weerstand hebben zij op hun veroveringstocht niet ondervonden,
maar een veertigtal grootere en kleinere versterkte plaatsen hebben
zij onderweg bezet, en zooals toen gebruikelijk was, uitgemoord en
geplunderd. Vanuit Janville, waar Salisbury den 5en September met zijne
troepen was aangekomen, heeft hij twee herauten naar Orléans gezonden,
om de sleutels van de stad op te eischen, maar zij is niet van plan
het vijandige leger binnen hare muren te ontvangen en stelt zich dus
in staat van verdediging. Op den 12en October, dus op den dag dat het
Engelsch-Bourgondische leger uit het zuiden van de zijde van la Sologne
op Orléans komt aanrukken, verwoesten de burgers van de stad nog in
allerijl de aan den overkant van de Loire gelegen voorstad de Portereau
en maken haar geheel gelijk met den grond, om den vijand te beletten
zich in de huizen of in het klooster te verschansen. De bewoners van de
Portereau en van de andere voorsteden trekken zich terug binnen de muren
van de eigenlijke stad, zoodat Orléans, dat destijds in gewone dagen
eene bevolking van vijftienduizend zielen telde, tijdens het beleg een
bevolking van dertigduizend inwoners moest huisvesten en voeden. Voor de
verdediging van de vesting rekende men in hoofdzaak op de burgerwacht
van de stad, die bestond uit ongeveer 3000 man met 71 kanonnen.

Voor een zuiver begrip van den loop van het gansche beleg van Orléans
willen wij beginnen met de aandacht erop te vestigen, dat de insluiting
van de stad geen oogenblik volkomen is geweest, zoodat kleine convooien
met levensmiddelen steeds gelegenheid houden, al is het dan ook des
nachts en in alle stilte, binnen de belegerde vesting te komen. Ook
kleinere of grootere troepenafdeelingen gelukt het soms, de belegerde
stad van uit het omliggende land te bereiken of haar te verlaten.

[Illustratie: ORLÉANS TEN TIJDE VAN HET BELEG IN 1429

                     Gereconstrueerd door Mej. F. Bremer (Penteekening)]

De belegeraars beginnen met zich te verschansen ten zuiden van de stad,
op de puinhoopen van de verwoeste voorstad en tegenover de groote
steenen brug over de Loire, die verdedigd wordt door het op het uiteinde
van de brug gelegen fort les Tourelles. Zoodra het leger van Salisbury
zijn kanonnen in positie heeft gebracht, wordt een aanvang gemaakt met
het bombardement van de brug en het fort en van de stad daarachter. Den
21en October volgt dan een eerste algemeene aanval op les Tourelles.
De burgers van Orléans, geholpen door hunne vrouwen, drijven die eerste
maal de Godons terug, maar bij een herhaalden aanval op den 24en October
bemerken zij, dat de vijand loopgraven onder de brug heeft gemaakt en
zien zij zich gedwongen, het fort te verlaten. Op hun terugtocht slagen
zij er nog in, twee bogen van de brug aan de stadszijde te vernielen en
daardoor de verbinding met den anderen oever van de Loire te verbreken.

Salisbury zelf, de Engelsche bevelhebber, wordt dienzelfden avond,
staande op een van de torens van het nieuw veroverde fort, door een
kanonskogel uit de stad getroffen en sterft drie dagen later. Het bevel
over zijne troepen wordt overgenomen door William Pole, door Jeanne
genoemd la Poule, John Thalbot en Thomas de Scales.

De belegerden lijden door de verovering van les Tourelles een zwaar
verlies. Van af de torens van het fort overziet men het geheele plan van
de stad, hetgeen een belangrijk voordeel bij de beschieting oplevert.

Eigenaardig en ook al weer teekenend voor de gebrekkige afsluiting van
de stad, is het feit, dat eerst daags na den val van les Tourelles,
Dunois, de bastaard van Orléans, met nog eenige voorname heeren,
waaronder de bekende kapitein la Hire, binnen de muren van Orléans
verschijnt en het opperbevel over de verdedigingstroepen op zich neemt.

Onder zijne leiding worden gedurende de eerste wintermaanden ook de
andere voorsteden van de stad geraseerd, daar de belegeraars begonnen
waren, hunne schansen op te werpen aan de overzijde van de Loire ten
oosten en ten westen van de stad. Belangrijke gevechten hebben in den
aanvang van den winter niet plaats; alleen heeft men binnen de stad veel
te lijden van het hardnekkige bombardement van de vijandige kanonnen.
Maar de toestand zoowel binnen de muren van de »benarde veste« als in
het kamp van de belegeraars is alles behalve rooskleurig. De winter is
koud en de levensmiddelen raken op. De convooien met proviand worden
dikwijls onderschept en zij, die de plaats van hunne bestemming
bereiken, zijn klein en ten eenenmale onvoldoende: hongersnood staat
voor de deur.

In het begin van Februari 1429 verneemt men in de stad, dat een groot
convooi met proviand, van Parijs komende, onderweg is voor het
Engelsch-Bourgondische leger. Dunois verlaat de stad met een escorte van
tweehonderd man en trekt naar Blois om met den jongen graaf van Clermont
te beraadslagen, wat men doen zal. Besloten wordt, dat de troepen van
Orléans en van Blois door een gecombineerden aanval zullen trachten,
het convooi te onderscheppen: men zal elkaar ontmoeten te Rouvray. De
verdedigers van Orléans komen het eerst te Rouvray aan; even voor het
leger uit Blois en even voor het vijandig convooi onder leiding van
Falstolf. Hadden la Hire, Poton de Xaintrailles en William Stuart, de
broer van den connétable van Schotland, hun zin kunnen volgen en met
de burgerwacht van Orléans den vijand dadelijk aangevallen, zij zouden
Falstolf, die aanvankelijk niets kwaads vermoedde, overrompeld en zich
zonder veel moeite meester gemaakt hebben van het geheele convooi. Men
zond nog ijlings renboden naar den graaf van Clermont, maar deze liet
uitdrukkelijk bevelen, dat men niets zou ondernemen voor zijn aankomst.
In dien tijd had Falstolf rustig de gelegenheid, zich in staat van
verdediging te stellen en te verschansen achter de wagens van zijn
eigen convooi. De besluiteloosheid van den jongen, onervaren graaf
van Clermont, had tengevolge dat die 12e Februari voor de Fransche
troepen zeer ongelukkig afliep. De Engelsche ruiterij sloeg de Franschen
voor zij zich vereenigd hadden uiteen. Vele dapperen sneuvelden; de
graaf van Clermont vluchtte met zijn leger binnen Orléans; hun aftocht
werd gedekt door la Hire en Poton.

Het vurig begeerde convooi, dat, aangezien men in de vasten was,
grootendeels bestond uit haringen, kon verder rustig zijn bestemming
bereiken. De nederlaag bij Rouvray, die door de Franschen genoemd
wordt »la journée des Harengs«, wordt door Jeanne dienzelfden dag te
Vaucouleurs aangekondigd als zij tot Robert de Baudricourt zegt: »Heden
heeft de (gentil) dauphin bij Orléans een zeer groot verlies geleden.«

Na dezen grooten tegenslag laten de belegerden den moed zinken. Regnault
de Chartres verlaat de stad en begeeft zich naar den koning. Ook la Hire
trekt Orléans uit met tweeduizend man, maar hij belooft terug te zullen
komen met levensmiddelen en hulptroepen. De graaf van Clermont, die
na zijn optreden bij Rouvray weinig sympathie bij de burgers van de
belegerde stad vond, acht het veiliger zich met zijne troepen uit de
voeten te maken. De stad gaat nu hulp zoeken aan een gansch andere zijde
en zendt eenige afgevaardigden naar den hertog van Bourgondië, om met
hem te onderhandelen over eene mogelijke opheffing van het beleg.

In die dagen dringt langzamerhand tot Orléans het bericht door, dat aan
het hof van den dauphin een jonge maagd verschenen is, die beweert door
God gezonden te zijn om Orléans te bevrijden, en den dauphin daarna voor
zijne kroning naar Reims te geleiden.

Een maagd door God gezonden, om hen uit hun bangen, benauwden toestand
te verlossen! Geen wonder, dat dergelijke geruchten bij de bewoners
van Orléans een dankbaar gehoor vonden en gretig aanvaard werden: men
gelooft zoo gemakkelijk, wat men vurig wenscht. Van hooger hand wordt
geen poging gedaan, om de geruchten tegen te spreken; integendeel, men
ziet, dat ze de bevolking weer bezielen met nieuwen moed en met een
groot vertrouwen.

Voor alles wil men echter weten, of de berichten waarheid bevatten en
Dunois zendt dus twee afgevaardigden naar Chinon om naar de zaak te
informeeren.

Als Jeanne den 27en April te Blois aankomt, vindt zij daar behalve
Gilles de Rais, la Hire, Ambroise de Loré en nog andere groote heeren,
de hulptroepen en het convooi, die zij naar Orléans zal geleiden. De
koning was er ten slotte eindelijk in geslaagd, het noodige geld voor
de expeditie te vinden, en men kan dus vertrekken. Dienzelfden dag nog
zet de trein zich in beweging, d.w.z. dat men een deel van het convooi,
dat in zijn geheel bestond uit zeshonderd wagens met levensmiddelen en
munitie en vierhonderd stuks vee, voorloopig nog te Blois laat, om zich
in de vijandelijke streek sneller en gemakkelijker te kunnen bewegen.
Hoe groot het ontzettingsleger is, door Jeanne aangevoerd, is niet
met zekerheid te zeggen: de een zegt tienduizend man, een ander zeven
à achtduizend, maar vermoedelijk zal het niet meer dan ongeveer
vierduizend man sterk zijn geweest. Aan de spits van dit leger rijdt
Jeanne in haar blanke wapenrusting met haar schitterend gevolg van
edelen en onmiddellijk voorafgegaan door hare banierdragers en door een
breede schaar van priesters en monniken, die het »Veni Creator Spiritus«
aanheffen.

Van het eerste oogenblik af aan en nog voor de eerste vijand in het
gezicht is, stelt Jeanne zich niet tevreden met de passieve rol van door
God gezondene, die zich laat leiden, maar neemt zij zelf de leiding in
handen en begint met te veranderen wat haar in haar eigen troepen niet
aanstaat en grieft. Hare manschappen zoo goed als zij zelf hebben eene
Goddelijke zending te vervullen en daarom verlangt zij, dat in haar
leger de naam des Heeren niet ijdelijk gebruikt zal worden: zij verbiedt
het vloeken. Ook wil zij niet, dat, zooals het algemeen gebruik van dien
tijd dat medebracht, een groot aantal publieke vrouwen medetrok in den
tros van haar leger.

Om van uit Blois het belegerde Orléans te bereiken stonden twee wegen
open. Men kon den rechter Loire-oever volgen en de stad dus naderen
van de westzijde door la Beauce, of langs den linker oever en dus
door la Sologne op de stad aantrekken. Is dit punt voor het vertrek
in tegenwoordigheid van Jeanne besproken en heeft men haar op haar
uitdrukkelijk verlangen om den eersten weg te volgen, eenige toezegging
in dien zin gedaan? Met andere woorden, heeft men haar willens en wetens
misleid? Het is moeilijk, hierop met beslistheid te antwoorden, maar
zeker is het, dat Jeanne, die in de vaste overtuiging verkeerde, dat men
de stad zou naderen van uit het westen en dus van de zijde, waar Talbot
zich met zijne Engelsche troepen verschanst had, diep teleurgesteld en
hoogst ontstemd was, toen men op den avond van den 29en April even ten
Oosten van Orléans maar aan den linkeroever van de Loire halt hield.

Zoodra de wachters op de wallen en torens van de belegerde stad de
aankomst van het leger van Jeanne hadden aangekondigd had, Dunois de
stad verlaten en was hij Jeanne te gemoet getrokken. Maar de ontvangst
van hare zijde is bij die eerste ontmoeting niet bijster vriendelijk.
Zij verwijt hem, dat men haar bedrogen heeft. Is het op zijn advies, dat
men deze route gevolgd heeft? Dan heeft hij nu zijn verdiende loon, want
een sterke tegenwind maakt het vooralsnog onmogelijk de troepen en het
convooi met de gereed liggende zeilbooten over de rivier en binnen de
belegerde stad te brengen.

»Bij God«, roept zij uit, »de raad van Messire is zekerder en wijzer
dan de Uwe. Gij hebt mij willen bedriegen en hebt U zelf bedrogen.«

Maar de voor het prestige van Jeanne op dat oogenblik zoo noodzakelijke
wonderen geschieden. In de eerste plaats draait de wind, zoodat de
zeilbooten, met troepen en proviand geladen, Orléans kunnen bereiken en
in de tweede plaats blijft de vijand op een afstand rustig toekijken en
steekt geen hand uit om den overtocht te beletten of zelfs ook maar te
bemoeilijken.

De bewoners van de belegerde stad zijn op het eerste bericht van de
nadering van haar, die hun door God gezonden wordt te hunner verlossing,
naar de wallen gestormd. Zij zien van daaruit de aankomst van het
ontzettingsleger, leven de oogenblikken van spanning mede als de
tegenwind de booten belet de stad te naderen en steeds nog vreezen zij,
dat de vijand op het laatste oogenblik hun hoop zal verijdelen. Maar
langzamerhand beginnen zij te begrijpen, als zij getuige zijn van de
wonderen, die geschieden. In het vijandige kamp blijft alles rustig en
plotseling draait de wind, zoodat veilig met het overbrengen van troepen
en proviand een aanvang kan gemaakt worden.

Dan maakt zich van de gansche bevolking een koortsachtige geestdrift
meester. Het is dus waar, het kan niet anders, geen twijfel is meer
mogelijk. Dat kan geen werk zijn van menschen, maar slechts van haar,
die met een Goddelijke opdracht tot hen komt. Als de avond begint te
vallen wil Jeanne terug naar Blois om het achtergebleven gedeelte
van het convooi te halen en Gilles de Rais en Dunois hebben al hun
overredingskracht noodig, om haar dit voornemen uit het hoofd te praten.
Dunois vooral is er bijzonder op gesteld, dat Jeanne nog dien avond haar
intocht binnen Orléans zal houden. Hij voorziet de heftigste tooneelen
van wanhoop en vertwijfeling, wanneer hij zonder de door zijn volk
verwachte Heilige terugkomt.

Het is reeds laat in den avond als Jeanne eindelijk toegeeft en met
Dunois en een klein gevolg de poort van Orléans binnenrijdt. Men
verwacht haar en ondanks het vergevorderd uur is de geheele stad op de
been. De geestdrift, waarmede de bevolking van Orléans haar ontvangt, is
eenvoudig onbeschrijfelijk. Voorafgegaan door een aantal toortsdragers
rijdt Jeanne naast Dunois door de straten van Orléans, waarin zich eene
dichte menigte heeft opgehoopt. In alle huizen heeft men de lichten
ontstoken als even vele vreugdevuren. Arm en rijk, oud en jong verdringt
zich niet alleen om haar te zien, maar om zoo mogelijk haar de hand te
kussen of slechts den zoom van haar kleed aan te raken. De vreugde, zegt
een ooggetuige, had niet grooter kunnen zijn, wanneer God zelf in de
stad was neergedaald.

Op het einde van haar zegetocht begeeft Jeanne zich naar de kerk van het
Heilige Kruis, waar zij God dankt in een lang en vurig gebed. Vervolgens
brengt men haar bij Jacques Boucher, den thesaurier van den hertog van
Orléans, in wiens huis zij den nacht zal doorbrengen.

Zooals het toenmalig gebruik verlangde, sliep zij dien nacht en de
overige nachten van haar verblijf te Orléans, bij het dochtertje van
haar gastheer, een meisje van een jaar of negen, genaamd Charlotte.

Den volgenden dag (30 April) wil zij besteden om de Engelschen te
sommeeren, in vrede heen te gaan, zonder dat zij ze met geweld van
wapenen behoeft te verjagen. Omtrent de bijzonderheden van deze sommatie
bestaan verschillende lezingen. Volgens de eene zond Jeanne twee
herauten, genaamd Ambleville en Guyenne naar het vijandige kamp met
den brief, dien zij reeds in Maart te Poitiers gedicteerd had. Volgens
anderen was deze brief dadelijk in Maart verzonden en wendde zij zich
van uit Orléans tot de Engelschen met een nieuw schrijven.

Vast staat in elk geval, dat van de twee herauten van Jeanne, wanneer
zij ook gezonden werden, slechts één terugkeerde. Guyenne hielden de
Engelschen gevangen: zij dreigden hem te zullen verbranden tegen alle
wetten van het volkenrecht in, volgens welke de persoon van een heraut
heilig was.

Terwijl Dunois naar Blois vertrokken is, om het achtergebleven deel van
het convooi te halen, besluit Jeanne eenige dagen rustig af te wachten
of de Engelschen gehoor geven aan hare aanmaning.

Intusschen heeft men moeite, het volk kalm en in bedwang te houden. Ze
willen hun Heilige zien en bewonderen en verdringen zich voor het huis
van den zilversmid Boucher. Men dringt er bij Jeanne op aan, dat zij
zich zal vertoonen en Zondag den 1en Mei rijdt zij dan met een klein
gevolg door de straten van Orléans, toegejuicht en gehuldigd door een
talrijke menigte.

Ook den volgenden dag (2 Mei) stijgt zij vroeg weer te paard en gaat
met enkelen van hare getrouwen de positie van het vijandelijke leger
verkennen.

's Morgens van den derden Mei kondigen de wachters de nadering aan van
het leger van Blois. Jeanne rijdt het tegemoet. Ook Dunois komt terug.
Hij brengt de tijding mee, dat Falstolf weer onderweg is met een groot
convooi. Hij moet Jeanne vast en stellig belooven dat hij haar
waarschuwen zal, als Falstolf passeert: ze wil hem zien.

Den voormiddag van den vierden is Jeanne druk in de weer bij het binnen
brengen van de troepen en het convooi uit Blois. Na het middagmaal om
één uur legt zij zich met haar slaapkameraadje een oogenblik te rusten.
Maar plotseling vliegt ze weer overeind. Hare stemmen hebben haar
gewaarschuwd, dat er gevochten wordt, maar ze weet niet precies waar. Ze
waarschuwt d'Aulon, die eveneens vermoeid zich in hetzelfde vertrek te
slapen had gelegd.

In allerijl wordt zij gekleed en gewapend. Zij stormt de kamer uit en
ontmoet haar page Louis de Contes.

»Waarom heb je mij niet gewaarschuwd, dat er Fransch bloed vergoten
wordt?« roept ze hem toe:

»Breng mij mijn paard«.--

Door een raam reikt men haar haar banier nog toe en dan ijlt zij in
vollen galop door de straten van Orléans in de richting, waar zij
het meeste rumoer hoort. D'Aulon en de Contes volgen haar. Door de
Bourgondische poort verlaat zij de stad: er wordt gevochten om de
Bastille de Saint Loup, ten einde de aandacht van de Engelschen van
den overtocht van het convooi af te leiden.

[Illustratie: De belegering van Orléans.

                 Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Als de Franschen onder Gilles de Rais Jeanne zien naderen, juichen zij
haar toe. Haar tegenwoordigheid geeft hun nieuwen moed en zal hun geluk
aanbrengen. Als een goed veldheer begint Jeanne met hare troepen te
verzamelen; ze waren te veel verspreid en ieder vocht op zijn eigen
gelegenheid. Met haar banier in de hand, bevindt zij zich weldra vooraan
bij de gracht, waar het pijlen en projectielen regent. Men verzamelt
zich om haar heen, een forsche, algemeene aanval volgt en de Bastille
wordt genomen. Als Talbot met zijn troepen te hulp snelt, ziet hij op
een afstand nog slechts den rook van de brandende Bastille.

De geheele bezetting was gedood of gevangen genomen. Het zien van
zoovele dooden, die gestorven zijn zonder toediening van de sacramenten
der stervenden, maakt Jeanne diep bedroefd. Onder de gevangene
Godons vindt zij enkele krijgslieden, die zich gekleed hebben in
priestergewaden uit de naburige sakristie. Zij wil niet, dat hun eenig
leed zal geschieden: »Men moet dezen geestelijken niets vragen,« zegt
zij spottend.

Dien avond, terwijl haar soldaten de overblijfselen van de Bastille
verder verwoesten, gaat Jeanne te biecht bij Pasquerel en deelt haar
biechtvader mede dat zij den volgenden dag ter eere van den
Hemelvaartsdag niet zal vechten.

Op dien dag wordt er binnen Orléans krijgsraad gehouden. Men besluit tot
een schijnaanval op het kamp van Saint-Laurent, ten einde de Engelsche
troepen daarheen te lokken; intusschen wil men dan een poging wagen,
zich meester te maken van het fort les Tourelles op de groote steenen
brug over de Loire. Na eenig over en weer praten acht de meerderheid
het raadzaam, Jeanne althans met dat deel van de plannen in kennis te
stellen, dat meer in het bijzonder de burgerwacht van Orléans betreft.
Maar Jeanne laat zich niet misleiden, zij voelt dat men haar iets
verbergt en dat maakt haar boos.

»Zeg mij wat gij besloten en beschikt hebt. Ik kan wel een belangrijker
geheim bewaren«, valt zij uit.

Dunois kalmeert haar door de waarheid te vertellen.

Dienzelfden dag nog schrijft Jeanne een nieuwen brief aan de
belegeraars, waarin zij ze nogmaals sommeert, het beleg op te breken. Ze
zegt zelf: »Dit is voor de derde en laatste maal, dat ik U schrijf; nu
schrijf ik U niet meer.«

Dit zou dus pleiten voor de lezing, dat de brief, gedicteerd in
Poitiers, en die van den 30en April niet dezelfde waren.

Zij begeeft zich zelf met haar schrijven naar de brug. Door luid te
roepen kan zij zich daar verstaanbaar maken voor de bezetting van het
fort les Tourelles. Zij toont den Godons het perkament en roept hun toe:
»Leest dit! Het is nieuws!«

Dan hecht zij haar brief aan een pijl en laat dien in het vijandige kamp
schieten. De Engelschen bespotten en hoonen haar, schelden haar uit.

»Er is nieuws van de h... van de Armagnacs«, roepen zij uit.

Als Jeanne dit hoort, is zij diep bedroefd en barst in tranen uit. Maar
hare stemmen troosten haar en spreken haar moed in.

De beide volgende dagen zullen dagen zijn van belangrijke en
beslissende krijgsbedrijven. Men is bij het krieken van den morgen reeds
in de weer, maar voor de troepen zich in beweging zetten, wordt op
voorschrift van Jeanne door Pasquerel voor het front de mis gelezen, en
wordt de zegen des hemels afgebeden voor hun onderneming. Daarna verlaat
men de stad door de Bourgondische poort en steekt Jeanne met hare
troepen de Loire over. Het eerste belangrijke punt, waarop zij stuiten
is de Bastille de Saint Jean le Blanc.

Volgens sommigen was deze op dat oogenblik verlaten en behoefden de
troepen uit Orléans haar slechts in het voorbijgaan te verbranden en te
verwoesten. Volgens anderen daarentegen was zij sterk bezet, maar
bezweek zij na een algemeenen aanval, waarbij Jeanne met haar banier
vooraan reed en de haren aanmoedigde door ze toe te roepen:

»Bij God, houdt moed, vooruit, vooruit!«

De soldaten meenden, dat zij na de verwoesting van de Bastille van St.
Jean weer binnen Orléans zouden terugkeeren. Maar daar wil Jeanne niets
van weten, ze wil vooruit: de dag is nog lang. Men trekt dus verder naar
de Bastille van de Augustijners.

Wij weten in elk geval zeker, dat deze laatste Bastille, die achter het
fort les Tourelles en in het verlengde van de brug gelegen was, door de
Engelschen hardnekkig verdedigd werd. Het was voor hen een belangrijk
punt. De eerste aanval van de Franschen wordt zelfs afgeslagen en ze
trekken terug. Maar er komen versterkingen uit de stad. Dunois steekt de
rivier over met Gilles de Rais. Ze brengen kanonnen mede en alles, wat
er noodig is voor een krachtigen aanval. Het geschut maakt een bres in
de buitenste palissade en dan volgt de algemeene stormloop. Jeanne is in
het voorste gelid met Gilles de Rais. Zij moedigt de soldaten aan door
haar voorbeeld.

»Vooruit maar«, roept zij steeds, »moed gehouden, trekt maar binnen.«

Tegen zoo'n aanval zijn de verdedigers niet bestand, zij wijken en
de Bastille wordt genomen. De Godons worden bijna allen gedood of
gevangen genomen. Slechts enkelen van hen kunnen nog tijdig het fort
les Tourelles bereiken. Na de Bastille wordt nog het naburige, door de
Engelschen bezette, Augustijner klooster aangevallen en veroverd, waarna
de gebouwen en de Bastille door de Franschen worden verbrand en
verwoest.

Het plan is nu, den volgenden dag een aanval te wagen op les Tourelles.
Men vreest, dat dit niet zoo gemakkelijk zal gaan.

»Daar zullen wij wel een maand voor noodig hebben, om die te veroveren«,
mompelen de soldaten.

In elk geval zal het er warmpjes toegaan en zal er hard gevochten moeten
worden.

Ook Jeanne voorziet een zwaren dag. In Orléans teruggekeerd, zegt zij
tot de burgers: »Staat morgen nog vroeger op dan vandaag en doet goed uw
best«.

Aan Pasquerel verzoekt zij, haar den volgenden dag niet te verlaten,
want zij voorspelt: »Ik zal morgen veel harder moeten werken dan ik tot
nu toe gedaan heb en morgen zal er bloed vloeien uit mijn lichaam«.
Ook tegenover anderen moet zij dien avond voorspeld hebben, dat zij
gedurende de bestorming van les Tourelles gewond zou worden boven haar
borst.

       *       *       *       *       *

De zevende Mei is dus de groote dag van de verovering van les Tourelles,
de beslissende dag voor de bevrijding van Orléans en het ontzet van
Orléans zal in zijn gevolgen blijken te zijn een gewichtig keerpunt
in den ganschen oorlog. Het is wel merkwaardig, dat het Engelsche
geschiedschrijvers zijn, die het verst gaan in hunne bewondering voor
dit wapenfeit der Franschen, en de verovering van les Tourelles
rangschikken onder »de vijftien beslissende slagen« van de wereld. En
allen, zelfs de meest sceptische schrijvers, zijn het hierover wel eens,
dat het leeuwenaandeel van de eer voor deze belangrijke overwinning
toekomt aan Jeanne, aan het zeventienjarig meisje, dat, hoewel zelf
vrij ernstig gewond, hare troepen tot het einde toe bleef aanvoeren en
bezielen, en dat, door op het goede oogenblik, de eenige noodige daad te
verrichten en het juiste woord te spreken, hare manschappen
onoverwinnelijk maakte.

Een onverklaarbaar punt in de geschiedenis van dezen dag is de houding
van de Engelsche troepen, die buiten les Tourelles om Orléans gelegerd
waren. Wanneer Talbot, wien het waarlijk niet aan moed ontbrak, met
zijne troepen de belegerden in het fort tijdig te hulp was gesneld,
wanneer hij gedurende de bestorming van les Tourelles een krachtigen
aanval gewaagd had op de stad, waarin zich uit den aard der zaak slechts
een veel kleinere bezetting bevond, wanneer hij of het garnizoen van les
Tourelles in den nacht van den 6en op den 7en Mei de uitgeputte Fransche
troepen overvallen was, die zonder Jeanne en de andere bevelhebbers
kampeerden op de puinhoopen van het Augustijnerklooster, dan zouden
de zaken voor de belegeraars hoogst waarschijnlijk een gansch anderen
loop genomen hebben. Wat de verdediging van de bezetting van het fort
zelf betreft, zij is zeker dapper en hardnekkig geweest, maar de
tegenwoordigheid en het optreden van de »tooverheks«, de »koehoedster
der Armagnacs«, zooals zij Jeanne noemden, en vooral haar weder
verschijnen na de verwonding, maakte de Engelsche soldaten ten slotte
zenuwachtig en bang en deze omstandigheid heeft zeker niet weinig
bijgedragen tot het welslagen van de geheele onderneming.

Jeanne is bij het aanbreken van den dag al uit de veeren en gewapend;
als gewoonlijk gaat zij voor alles bij Pasquerel te biecht en hoort de
Mis.

Men brengt haar een geschenk, een mooie visch, dan zegt zij schertsend:

»Bewaar die voor van avond, voor het avondeten, dan breng ik een Godon
mee, die er ook zijn deel van zal hebben. Ik kom terug over de Brug.«

Die laatste voorspelling maakt op alle omstanders een diepen indruk. Het
geeft hun moed en bezielt hen weer met nieuwe geestdrift.

Als zij daarna weer te paard gestegen is, roept zij nog kinderlijk
vertrouwelijk:

»Wie mij lief heeft, volge mij!«

Er zijn er velen die haar volgen, hoewel enkele van de leiders nog
willen wachten en de troepen laten rusten. Met haar vertrekken Dunois,
Gaucourt, la Hire en Poton de Xaintrailles en nog een deel van de
burgerwacht ter versterking van de troepen, die zich reeds op de
bouwvallen van de voorstad de Portereau bevinden. Het achterblijvende
deel van de bezetting zal den ganschen dag zich bezighouden met de
voorbereiding van een aanval op les Tourelles van de zijde van de stad,
en dus met de vervaardiging van een hulpbrug.

Zoodra de Franschen allen bijeen zijn, worden de troepen in slagorde
gebracht en wordt het signaal gegeven voor een eersten aanval op de
bolwerken, die nog op den oever van de Loire zijn gelegen en door een
houten ophaalbrug gescheiden zijn van het eigenlijke fort. De muren
van den boulevard zijn stevig en hoog en worden dapper verdedigd
door zeshonderd man onder bevel van Moleyns, Poynings en Glasdale. De
eerste aanvallen worden afgeslagen. Het lukt den aanvallers niet, de
stormladders tegen de muren te plaatsen onder den regen van Engelsche
projectielen.

Jeanne is ook nu weer vooraan; zij geeft het voorbeeld en roept haar
manschappen steeds toe, dat zij moed moeten houden en voorwaarts
trekken. Zoodra men er in geslaagd is, een stormladder tegen den muur
te plaatsen, snelt zij er heen, zij is de eerste, die naar boven wil
klauteren. Maar dan op eens valt ze neer: een pijl is doorgedrongen
onder de schouderplaat van haar harnas. Zij is vrij ernstig gewond boven
de rechterborst.

De Franschen snellen toe en brengen haar buiten het gewoel. De trouwe
Pasquerel en haar page Mugot zijn aan haar zijde. Voorzichtig wordt
de gewonde plek bloot gelegd. Van alle kanten komen er natuurlijk
gedienstigen en ieder met een anderen raad en een andere remedie. Men
dringt er vooral op aan, dat zij zich zal laten bezweren, maar daar wil
Jeanne niet van hooren:

»Liever dood«, antwoordt zij daarop, »dan dat ik iets zou doen, waarvan
ik weet, dat het zonde en tegen den wil van God is.«

Men bestrijkt den gewonden schouder met olijfolie en legt op de wonde
zelf een plakje spek. Daarna stort Jeanne nogmaals haar hart uit voor
haar biechtvader en bidt. Hare Heiligen verschijnen haar en dit geeft
haar nieuwe kracht en moed. Met alle energie, die in haar is, staat zij
op en zoekt geheel gewapend haar plaats op in het voorste gelid.

De Engelschen, die haar hadden zien vallen, en bloed hadden zien vloeien
uit haar wond, hadden luide gejuicht. Nu was het uit met de macht van de
tooverheks, want zoo geloofde men destijds algemeen: een heks verloor
met haar bloed of een deel daarvan ook haar macht en haar invloed.

En ziet, daar op eenmaal nadert zij weer met vasten tred en
onverschrokken. Daar is zij weer, die slanke gestalte in het blanke
harnas en haar soldaten sluiten zich weer bij haar aan en volgen haar
banier. De Engelschen staan verstomd, en een onbestemd gevoel van angst
bekruipt hen.

De Franschen hebben intusschen tijdens de afwezigheid van Jeanne met hun
aanval geen groote vorderingen gemaakt. Reeds loopt het tegen den avond
en Dunois wil het signaal voor den aftocht laten geven. Maar Jeanne
houdt hem hiervan terug; nog een weinig geduld en, bij God, zij zullen
weldra het fort kunnen binnen trekken, verzekert zij.

»Twijfel niet, de plaats is ons,« roept zij haren getrouwen toe.
Vervolgens vertrouwt zij haar banier een oogenblik toe aan de zorgen
van een Baskisch soldaat en zondert zich een korten tijd af in een
naburigen wijngaard om hare stemmen te raadplegen en zich te verdiepen
in een rustig gebed. Gesterkt door dit gebed en aangemoedigd door hare
Heiligen, komt zij terug. In het schemerduister ontdekt zij haren
standaard aan den voet van den boulevard. Een oogenblik gelooft zij aan
onraad en roept: »Mijn standaard, mijn standaard«, maar dan bemerkt zij
dat hij nog in handen is van den Baskiër. Omringd van haar troepen met
hun leiders, volgt Jeanne aandachtig de bewegingen van d'Aulon, haar
schildknaap, die, vergezeld van den Baskiër en onder beschutting van een
schild, wil trachten met den standaard van Jeanne als verzamelteeken den
voet van het vijandige bolwerk te bereiken.

»Ziet goed toe,« roept Jeanne, »wanneer de stok van mijn standaard den
muur zal aanraken«. Na eenige oogenblikken van spanning schreeuwt men
haar toe van alle kanten: »Jeanne, de stok van den standaard raakt den
muur!« Dan roept zij plotseling in geestdrift uit: »Welnu, trekt dan
binnen, de vesting is ons!«

Dit was het tooverwoord waarop men wachtte. Nauwelijks is het
uitgesproken, of de Franschen stormen als één man naar het vijandige
bolwerk, de ladders worden beklommen onder een regen van projectielen,
maar er is nu niets meer, dat de aanvallers kan tegenhouden; ze zien
geen gevaar. Op de muren ontstaat een verwoede strijd van man tegen man
en zwaar dreunen de slagen der zwaarden op de schilden en kurassen. De
Franschen winnen veld: ze springen van de muren binnen de versterking en
drijven langzamerhand den vijand achteruit, naar de ophaalbrug.

In het midden van het hevigst gewoel staat boven op den muur Jeanne, de
schrik der Engelschen. Als zij Glasdale ziet, die den aftocht van zijn
troepen dekt, sommeert ze hem nog, zich over te geven:

»Clasdas, Clasdas, ren-ti, ren-ti au roi des cieux«, roept zij hem toe.

»Gij hebt mij uitgescholden voor h......., maar ik heb medelijden met
uwe ziel en die van uwe soldaten!«

Als de Engelschen op hun terugtocht de ophaalbrug naderen, wachten hen
nieuwe rampen. De achtergebleven bezetting van Orléans is van de zijde
van de stad een aanval op les Tourelles begonnen, de vijand zit tusschen
twee vuren, en tot overmaat van ellende is men er van uit Orléans in
geslaagd, een brander op de Loire onder de ophaalbrug te sturen en
daar vast te leggen. Als Poynings, Mouleyns en Glasdale zich nog een
oogenblik verdedigen op de houten brug, zakt deze brandend inéén en
allen, die er op zijn, storten in de rivier en verdrinken. Met hen
verdween ook de oude, beroemde standaard van Chandos. Intusschen zijn de
Franschen van de andere zijde er in geslaagd, les Tourelles te bereiken.
Een groot deel van de bezetting sneuvelt, het overige deel wordt
gevangen genomen of springt in wanhoop in de Loire.

Te midden van dit bloedbad en deze algemeene slachting is Jeanne op hare
knieën gevallen. Zij is diep ontroerd en schreit tranen van medelijden
over de zielen van de gevallen dapperen, die niet naar haar hebben
willen luisteren.

Spoedig is nu alles afgeloopen en komen de overwinnaars tot bezinning en
tot rust. In de eerste plaats moet er nu aan gedacht worden, de troepen
weer veilig binnen de muren van Orléans te brengen, want de zon is reeds
onder en het wordt nacht.

Als na eenige uren van ingespannen arbeid de brug hersteld en voldoende
versterkt is, begint de overtocht van de troepen. Zooals Jeanne beloofd
en voorspeld had, komt zij terug over de brug aan de spits van haar
zegevierend leger. Voor haar uit draagt men hare banieren en trekken de
monniken en priesters onder het zingen van een Te Deum. Bij den rossigen
gloed van toortsen en nog spookachtig verlicht door het brandende,
veroverde fort, trekt de stoet in triumf de stad binnen, waar de klokken
beieren, waar de vreugdevuren en lichten zijn ontstoken, evenals in den
nacht van den eersten blijden intocht van Jeanne, en waar een opgewonden
en geestdriftige menigte haar ontvangt met de vreugdekreet: »Noël!«
»Noël!«

Bij Boucher aangekomen, wordt Jeanne verbonden door een chirurgijn,
vervolgens neemt zij eenig voedsel en een glas wijn en dan begeeft zij
zich kalm ter ruste: zij is vermoeid en uitgeput naar lichaam en naar
geest.

Den volgenden morgen (Zondag 8 Mei) voeren de Engelschen onder Talbot
nog eene schijnbeweging uit in de richting van de stad, daarna maken zij
rechtsomkeert en trekken af: Orléans is ontzet!

Men vraagt Jeanne nog toestemming, het vertrekkende leger te vervolgen,
maar zij verlangt, dat men rust zal nemen en den Zondag zal eerbiedigen.

De stad is ontzet: het teeken, door Jeanne beloofd, is dus ook werkelijk
door haar voor Orléans gegeven. Hiermede is tevens reeds het eerste deel
van hare roeping vervuld en de eerste helft van de haar door God gegeven
taak volbracht. Na een angstig en benauwend beleg van zeven maanden is
het Jeanne in acht dagen gelukt, de Engelschen te verjagen: men durft
weer ademhalen binnen de muren van Orléans, de stad is bevrijd en
behouden gebleven voor den dauphin.

Het bericht van de bevrijding van Orléans maakte een diepen indruk tot
zelfs ver buiten de grenzen van het land. De dauphin zelf en velen uit
zijne omgeving, die aanvankelijk getwijfeld hadden aan de belofte van
Jeanne, erkennen in hun dankbaarheid en door de feiten overtuigd de
»Goddelijke tusschenkomst«.

[Illustratie: Intocht van Jeanne d' Arc binnen Orléans.

                   Naar een schilderij van J. Scherrer. Museum Orléans.]



HOOFDSTUK III.

Jargeau.--Patay.--Reims.--Parijs.


Het ligt geheel in de lijn van het voortvarend karakter van Jeanne,
dat zij na het behaalde succes in Orléans niet op haar lauweren gaat
rusten. Zij heeft nog slechts een deel van haar taak volbracht en wil
met alle kracht doorzetten. De Engelsche troepen zijn voor het oogenblik
gedemoraliseerd, maar men moet hun den tijd niet laten van de schrik
te bekomen en de geleden verliezen te herstellen. De Fransche troepen
daarentegen zijn met nieuwen moed bezield; de bevrijding van Orléans
heeft hun weer zelfvertrouwen gegeven, hun gevechtswaarde is zeker meer
dan verdubbeld. Maar van die gunstige stemming moet gebruik gemaakt
worden, men moet naar Reims, en vandaar naar Parijs, de Engelschen
moeten het land uit, voor zij den tijd gehad hebben, tot bezinning te
komen.

Aldus redeneert Jeanne en in dien zin spreekt zij ook tot den dauphin
dadelijk bij het eerste wederzien in Tours. Maar de koning en zijn Raad
denken er anders over. De oppositie van la Trémouille en de zijnen
tegen de politiek van Jeanne wordt steeds duidelijker en Karel VII is
geen persoon, waarvan men kan verwachten, dat hij openlijk in verzet
tegen zijn Raad zal komen. In de omgeving van den koning acht men het
oogenblik voor den opmarsch naar Reims nog niet gekomen. Men wil eerst
vanuit Orléans de verdere Loire-streek van vijanden zuiveren. Ook acht
men een tocht door het land tusschen Orléans en Reims niet zonder
gevaar, zoolang de voornaamste plaatsen, die men langs moet, als Troyes
en Châlons, zich in handen der Engelschen bevinden. Maar, hoewel zij
niet openlijk werd uitgesproken, zal de voornaamste reden van het verzet
tegen het plan van Jeanne wel geweest zijn, dat men het groote nut van
de kroning te Reims nog niet inzag, nog niet voldoende doordrongen was
van de noodzakelijkheid ervan, of het geniale van de vinding nog niet
wilde erkennen.

Eenige dagen na het ontzet van Orléans verlaten enkele leiders met hunne
troepen de stad, een ander gedeelte van de troepen wordt afgedankt
bij gebrek aan middelen om hen onder de wapens te houden. Ook Jeanne
vertrekt met Gilles de Rais. Een geestdriftige en innig dankbare menigte
doet haar uitgeleide tot de poort en velen zijn tot tranen toe geroerd
bij het afscheid. Als zij te Tours aankomt, is de koning er nog niet en
zij besluit dus, hem te gemoet te trekken.

Bij het eerste wederzien betoont Karel VII zich tegenover Jeanne
hartelijk en vriendelijk, maar zonder eenige geestdrift. Het is de
koning, die na een overwinning zijn zegevierenden veldheer ontvangt, die
zijn plicht gedaan heeft. Ook uit zijn brieven van die dagen spreekt nog
altijd groote voorzichtigheid en een zekere angst om zich te veel bloot
te geven, als hij den bewoners van de steden, die hem trouw bleven, op
het hart drukt, God te loven en de dappere daden in Orléans bedreven in
eere te houden en wel vooral die van Jeanne »die steeds en in persoon
bij dat alles tegenwoordig was«. Maar na zoo'n koude douche willen wij
ons weer even verwarmen aan het enthousiasme van d'Alençon en Dunois en
de eerste over Jeanne laten verklaren:

»Zij was zeer bekwaam in den oorlog, in het in slagorder brengen van de
troepen zoowel als in het opstellen van de kanonnen. Allen bewonderden
hare voorzichtigheid en haar zorg voor alles, alsof zij een kapitein was
met dertig jaar ondervinding.«

en de tweede:

»Zij ontwikkelde een bewonderenswaardige geestkracht en deed meer werk
dan twee of drie van de beroemdste veldheeren met de meeste
ondervinding.«

       *       *       *       *       *

Tien dagen blijft Jeanne met het hof te Tours, daarna volgt zij den
koning naar Loches. Maar zij is verre van tevreden over dit talmen; het
is verloren tijd; zij wil naar Reims. Helaas, men luistert niet naar
haar goeden raad, zelfs niet als zij waarschuwt:

»Ik zal slechts een jaar duren en niet veel langer.«

Bij een van hare bezoeken bij den dauphin om hem te smeeken, toch niet
langer te dralen en vooral »niet zoo dikwijls en zoolang te vergaderen«,
maar haar te volgen naar Reims, ontmoet zij den heer van Harcourt, die,
als de koning geen antwoord geeft op het verzoek van Jeanne, gebruik
maakt van de gelegenheid, om haar weer te ondervragen over hare stemmen
en den raad van hare Heiligen. Maar Jeanne laat ook nu niet veel meer
los, dan hetgeen men reeds weet; alleen legt zij er bij deze gelegenheid
den nadruk op, dat zij er dikwijls veel verdriet van heeft, dat men
haar niet gelooven wil en hare stemmen haar in die oogenblikken van
neerslachtigheid troosten met de woorden: »Ga, dochter van God, ga!«

       *       *       *       *       *

Den 6en Juni bevindt Jeanne zich met den koning te St. Aignan waar zij
o. a. een heraut ontvangt, haar als opperbevelhebber van de Fransche
troepen gezonden door de bewoners van Orléans, om haar op de hoogte te
brengen van de bewegingen van den vijand.

Het plan, om van uit Orléans als operatie-basis, de geheele streek om
de stad van Engelschen te zuiveren wordt doorgezet. Jeanne, verheugd
dat zij tenminste niet langer met de armen over elkaar behoeft te
zitten, komt in den avond van den 9en Juni te Orléans aan, waar zich
de andere leiders met hunne troepen reeds verzameld hebben. Met een
vrij aanzienlijk leger onder bevel van d'Alençon en La Hire vertrekt zij
weldra weer in de richting van Jargeau. Men zal deze stad, die verdedigd
wordt door den graaf van Suffolk, met een grootendeels uitgelezen
bezetting, moeten belegeren, dus stormladders, kanonnen en alles, wat
noodig is voor een geregeld beleg, wordt medegevoerd, o.m. la Bergère,
een groot kanon, dat reeds bij de beschieting van les Tourelles
uitstekende diensten had bewezen.

Zoodra de voorhoede der Franschen voor de stad is aangekomen, hebben
er enkele schermutselingen plaats, waarbij de belegeraars worden
afgeslagen. Dienzelfden dag wordt er krijgsraad gehouden. Men is het er
nog niet over eens, of men Jargeau wel zal durven aanvallen en vooral
niet sedert men heeft vernomen, dat Falstolf in aantocht is met een
ontzettingsleger van tienduizend man. Het is Jeanne weer, die hun moed
in moet spreken en den doorslag moet geven. Wat doet het ertoe, of de
Engelschen sterker en talrijker zijn, als Messire strijdt aan de zijde
der Franschen?

»Wanneer ik daar niet zeker van was«, verklaart zij, »zou ik liever
schapen hoeden, dan mij blootstellen aan zulke gevaren.«

Maar voor den aanvang van het eigenlijke beleg sommeert zij Suffolk nog
tot de overgave en biedt den Engelschen vrijen aftocht aan met
achterlating van al hunne wapenen en munitie.

Den 12en Juni begint reeds in de vroegte een geregeld artillerie-duel
en een algemeene stormloop. Met hare banier in de hand en aan de zijde
van d'Alençon, haren »gentil duc«, voert Jeanne hare troepen aan.

Plotseling, in het heetst van het gevecht, duwt zij d'Alençon met kracht
op zij:

»Ga gauw uit den weg«, roept ze hem nog toe, en wijzende op een groot
kanon op de muren van de stad vervolgt zij: »die machine daar zou U
dooden.« Degeen, die een oogenblik daarna d'Alençons plaats innam, kon
niet meer gewaarschuwd worden en werd werkelijk gedood door een
projectiel uit het bewuste kanon.

Evenals bij de bestorming van les Tourelles is Jeanne ook nu weer een
van de eersten, die een voet durft zetten op de ladders tegen den muur.
Maar zij wordt getroffen door een grooten steen, die de Engelschen naar
beneden wierpen, en valt terug. Goddank, zij is niet ernstig gewond en
springt weer overeind, roepende:

»Toe maar, vrienden, vooruit! Moed gehouden! De Engelschen zijn ons!«

Dan volgen allen haar weer, de muren worden beklommen, de vijand wijkt
en de stad is genomen. Bij de vervolging van de bezetting valt ook de
graaf van Suffolk in handen van de Franschen.

Dadelijk na de verovering van Jargeau trekt Jeanne met het leger terug
naar Orléans, waar ter eere van deze nieuwe overwinning een groote
processie wordt gehouden en men haar overlaadt met kostbare geschenken.
Van den Raad van de stad ontvangt zij een huik en een overkleed van
groene en karmozijnroode stof, en dus in de kleuren van den Hertog van
Orléans, die in Engeland gevangen zat.

Na de verovering van Jargeau, dat ten oosten van Orléans is gelegen,
wil Jeanne nu ook het westen gaan zuiveren en kondigt aan, dat zij de
Engelschen te Meung zal gaan bestoken. Den 15en Juni trekt het leger
er weer op uit. De versterkingen van de brug bij Meung worden zonder
veel moeite genomen. Men laat er eenig garnizoen achter en zonder zich
verder om de stad te bekommeren, zet het leger zijn opmarsch voort naar
Beaugency. De voorsteden van het stadje worden niet verdedigd en de
Franschen trekken er binnen, maar dan blijkt dat de vijand zich in de
huizen heeft verschanst en ontstaat een verwoed straatgevecht. Het
resultaat is evenwel dat de Engelschen worden verdreven en zich
terugtrekken in het kasteel.

Terwijl de Fransche troepen bezig zijn, het kasteel en de bastilles
van de brug te omsingelen, ontvangt d'Alençon het onaangename bericht,
dat de connétable Arthur van Bretagne, heer van Richemont, in aantocht
is, en verzoekt, zich met zijne troepen bij de belegeraars te mogen
aansluiten. Deze onverwachte verschijning brengt den jongen d'Alençon in
eene zeer netelige positie. De connétable was n.l. in ongenade bij den
koning en had zelfs de troepen van la Trémouille openlijk bestreden.
d'Alençon is dus aanvankelijk niet van plan, hem en zijne manschappen in
zijn kamp te ontvangen en dreigt zelfs, hem met wapengeweld te zullen
verjagen; maar hiervan houden gelukkig de anderen hem terug.

Jeanne evenwel denkt anders en practischer over de zaak. Zij weet,
dat de heer van Richemont bekend staat als een van de meest geduchte
veldheeren van het land. Doet men dan niet verstandiger, zijn hulp, die
men zoo opperbest gebruiken kan, dankbaar te aanvaarden? D'Alençon laat
zich ten slotte door de argumenten van Jeanne overreden en trekt den
connétable met haar tegemoet. Jeanne begroet hem, zooals een ridder in
die dagen zijn meerdere behoorde te begroeten, maar zegt daarna heel
kalm tot hem:

»Connétable, gij zijt hier niet gekomen om mij, maar nu gij hier eenmaal
zijt, heet ik U welkom«.

Waarop Richemont, die behalve als een uitstekend legeraanvoerder, bekend
stond als een trouw zoon van de kerk en een aartsketterjager, antwoordt:

»Jeanne, ik heb gehoord, dat gij mij hebt willen bevechten. Ik weet
niet, of gij door God gezonden zijt, of niet. Wanneer gij door God
gezonden zijt, vrees ik U niet, want God is mijn vreugde. Wanneer gij
door den duivel gezonden zijt, vrees ik U nog minder!«

Dien nacht houden de troepen van den connétable voor het belegerde
kasteel de wacht en den volgenden dag nemen zij deel aan de bestorming.
Met de kanonnen, die men uit Orléans heeft medegebracht, wordt den 17en
Juni de sterkte beschoten, zoowel van de landzijde als van de zijde van
de Loire, door geschut, dat men op platte vaartuigen heeft opgesteld!
Eindelijk, tegen den nacht, geeft de vesting zich over.

Talbot en Falstolf zijn onder weg met een ontzettingsleger van
vijfduizend man, maar zij komen te laat. De troepen van Jeanne en
d'Alençon krijgen hen, als zij terugkomen van Beaugency, in het gezicht.
De Engelschen stellen zich dadelijk in staat van verdediging en wel op
dezelfde wijze als op den dag van de »bataille des Harengs«, namelijk
achter een dichte haag van lansen en pieken en achter de wagens van hun
convooi. Maar de Franschen laten hen dien dag ongemoeid en wijzen het
aanbod af, om den strijd te doen beslissen door een gevecht van drie
ridders van elke partij. Zij kondigen evenwel aan, dat men elkaar den
volgenden dag nader zal spreken.

Den volgenden morgen merken de Franschen tot hun verbazing, dat de
vijand is verdwenen. Ver af kunnen ze evenwel niet zijn, en men besluit
dus, ze te gaan zoeken. Merkwaardig is wel, dat dien dag de voorhoede
van het Fransche leger en de hoofdtroep onder bevel staan van Poton, La
Hire, d'Alençon en Dunois, terwijl men Jeanne met Gilles de Rais in de
achterhoede heeft geplaatst. Dat men dit gedaan zou hebben uit angst,
dat Jeanne in een hinderlaag zou vallen, lijkt mij niet waarschijnlijk.
Had zij tot nu toe op alle tochten niet steeds de leiding genomen, en
had zij bij de bestormingen niet steeds vooraan gestreden, in het
voorste gelid en op het gevaarlijkste punt?

Het is in de vlakte bij Patay en door een bloot toeval dat de Fransche
éclaireurs, terwijl zij op een hert jagen, eensklaps stuiten op de
achterhoede van het Engelsche leger.

Zonder dralen gaat La Hire met zijn troepen oogenblikkelijk tot den
aanval over. Maar de eerste schok is dadelijk zoo hevig dat zij
eigenlijk beslissend is voor den geheelen slag. Voor nog Falstolf zich
met Talbot heeft kunnen vereenigen en eigenlijk nog voor de Fransche
achterhoede met Jeanne aan het gevecht kan deelnemen, hebben de
Franschen den slag gewonnen en is het grootste gedeelte van het
vijandelijke leger in de pan gehakt en gevangen genomen. Onder de
gevangenen was ook de dappere Talbot.

Van het geheele gevecht bij Patay woonde Jeanne slechts het eind van de
algemeene slachting bij, maar ook ditmaal was zij zeer geroerd bij dit
gruwelijke schouwspel en stortte zij tranen van medelij met al de
gesneuvelde dapperen. De terugkomst binnen de muren van Orléans na den
slag bij Patay is voor Jeanne weer een triumftocht. Zij mocht dan
persoonlijk aan dit laatste gevecht een minder werkzaam deel hebben
genomen, men schrijft het min of meer terecht aan haar optreden toe, dat
de krijgskansen plotseling gekeerd zijn, en de Franschen overal, waar
zij zich met haar vertoonen, de overwinning behalen.

Waarom was de koning niet in Orléans? De bewoners hadden op zijn komst
gerekend en zelfs de straten en huizen reeds met vlaggen en bloemen
versierd. Was het zijn plicht niet geweest, nu hij toch in de buurt was,
de stad te bezoeken, die zich zoo moedig verdedigd had?

Jeanne ontmoet haar »gentil dauphin« te St. Benoit sur Loire. Zij komt
natuurlijk met het doel om, nu het Engelsche leger verslagen en de
streek om Orléans gezuiverd is, den koning te bewegen, haar naar Reims
te volgen. Maar voor zij dit onderwerp aanroert, heeft zij nog een
anderen plicht te vervullen: zij smeekt Karel VII, dat hij den
connétable weer in genade zal ontvangen, maar dit verzoek wordt haar
geweigerd. De koning en zijn raadsman la Trémouille willen van die
verzoening niets weten.

Vervolgens vertrekt het hof naar Gien en aldaar wordt na veel wikken en
wegen tot den tocht naar Reims besloten.

Als men de houding van den koning in die jaren gadeslaat, maakt zich
soms een gevoel van wrevel van ons meester over zooveel aarzeling,
zooveel slapheid en zoo'n totaal gemis aan alles, wat zou zweemen naar
eenige vastheid van karakter, en, hoewel innig overtuigd dat het zijne
Raadslieden zijn, die er hem toe brengen, slaakt men een zucht van
verluchting, wanneer men hem een enkele maal een belangrijk besluit ziet
nemen.

Met een zucht van verluchting en een dankbaar gemoed verlaat ook
Jeanne den 27en Juni Gien, en de koning met zijn gevolg vertrekt twee
dagen later. Even voor haar vertrek uit Gien had Jeanne nog een brief
gedicteerd aan de bewoners van Tournai, die Karel VII als hunnen koning
erkend hadden. Zij deelt hun mede, dat zij de geheele Loire-streek van
Engelschen gezuiverd heeft, en dringt er op aan, dat zij zich vooral
door eene deputatie moeten laten vertegenwoordigen bij de
kroningsplechtigheid te Reims.

Zooals wij reeds opmerkten bevonden zich de voornaamste plaatsen,
waar Jeanne op weg naar Reims langs trekt, in handen van den hertog
van Bourgondië. Auxerre sluit dan ook zijne poorten, maar zendt
afgevaardigden om over een voorwaardelijke overgave te onderhandelen. La
Trémouille moet bij die gelegenheid door de afgevaardigden van Auxerre
zijn omgekocht voor tweeduizend kronen, waarna eene schikking tot stand
kwam, dat de stad het voorbijtrekkende leger van levensmiddelen zou
voorzien, maar verder neutraal zou blijven.

Het eenige ernstige oponthoud heeft plaats voor Troyes. De stad
verdedigt zich en wordt den 5en Juli tot overgave gesommeerd.

De Fransche leiders aarzelen. Zal men aanvallen of maar niet liever
terugkeeren, want met een vijandige stad in den rug durft men den tocht
niet voortzetten. De Rijkskanselier en Aartsbisschop van Reims
raadpleegt Jeanne en het zijn ook ditmaal weer haar invloed, hare
doortastendheid, die een belachelijke mislukking van de gansche
onderneming voorkomen.

Niet omkeeren, raadt zij natuurlijk aan, maar zich gereed maken voor de
bestorming van de stad en zij staat er voor in, dat Troyes zich binnen
twee dagen zal overgeven. Een belangrijken steun ondervindt Jeanne bij
deze gelegenheid van de zijde van broeder Richard. Deze gevaarlijke
drijver, die door zijn geestdriftige welsprekendheid een machtigen
invloed had op de bevolking van Troyes, ziet in Jeanne niet anders,
dan een afgevaardigde van den duivel. Men zendt hem met een groote
wijwaterkwast op haar af en hij komt geheel bekeerd en volkomen
overtuigd van de heiligheid van Jeanne in de stad terug. Op den verderen
tocht naar Reims volgt hij haar.

Na de overgave van Troyes op den 9en Juli kan het Fransche leger zijn
weg rustig vervolgen tot aan Reims toe. Evenals Châlons zendt de stad
van den Aartsbisschop den koning een deputatie tegemoet met de sleutels.

[Illustratie: Kathedraal van Reims
  waarheen Karel VII door Jeanne d' Arc en haar zegevierend leger geleid
  werd, om daar gekroond te worden.

  De Kathedraal, die zich bij het uitbreken van den tegenwoordigen
  wereldoorlog nog in den zelfden toestand bevond, heeft thans door
  het bombardement van de stad zeer geleden.

                                                (Naar een photographie)]

In den avond van den 16en Juli houdt de koning met zijn gevolg en zijn
leger zijn feestelijken intocht in Reims. 's Nachts worden in allerijl
de noodige toebereidselen gemaakt voor de groote plechtigheid van
den volgenden dag, en inderdaad schijnt men daarin bijzonder goed
geslaagd te zijn, want volgens de verklaring van ooggetuigen was het
een wonderschoon schouwspel en »even plechtig en tot in de kleinste
bijzonderheden voortreffelijk geregeld, alsof men daarvoor een jaar den
tijd had gehad«.

Tegen negen uur in den morgen van den 17en Juli begeeft de koning
zich met zijn gevolg naar de groote kathedraal. Onmiddellijk achter hem
loopt Jeanne met haar standaard en gevolgd door haar page en broeder
Richard. Het geheele kerkgebouw is gevuld met een dicht opeengepakte
menigte, die den koning bij het binnentreden geestdriftig toejuicht.
Voor het hoofdaltaar aangekomen, knielt hij neer en wordt eerst volgens
de oude voorschriften tot ridder geslagen door zijn neef d'Alençon.
Daarna treedt Regnault de Chartres, de Aartsbisschop, naar voren en
wordt Karel van Valois gezalfd met de geheimzinnige, heilige olie die
te Reims bewaard wordt en nooit vermindert, en vervolgens drukt de
Aartsbisschop, bijgestaan door twaalf pairs, den koning de kroon, die in
de schatkamer van de kathedraal aanwezig was, op het hoofd. Dan schallen
en schetteren de bazuinen en het volk jubelt: »Noël, Noël!«

Gedurende de gansche plechtigheid, die met alle ceremoniën toch nog
eenige uren geduurd heeft, staat Jeanne aan den voet van het altaar met
haar witten standaard in de hand. Maar als eindelijk de plechtigheid is
afgeloopen en de menigte in gejubel is losgebarsten, knielt zij voor den
koning neer en innig verrukt en dankbaar stamelt ze:

»Nu, koning, is Gods wensch vervuld, die wilde dat ik het beleg van
Orléans zou opheffen en U naar Reims zou geleiden voor Uwe plechtige
kroning, om daarmede te toonen dat gij zijt de ware koning en degeen,
aan wien het koninkrijk Frankrijk moet toebehooren.«

       *       *       *       *       *

Ja, waarlijk, zoo is het. Als de plechtigheid van de kroning in de
kathedraal te Reims is afgeloopen, is daarmede de taak, die Jeanne zich
gesteld had, volbracht. Na het eerste wonder van hare gelofte is thans
ook het tweede: de vervulling dier belofte, geschied. Zij staat nog op
het hoogste punt van haar invloed en macht; maar haar geluksster zal
snel verbleeken en spoedig ondergaan.

Zou men niet verwachten en was het niet volkomen logisch geweest, dat
men na alle bewijzen, die Jeanne van haar helder doorzicht gegeven had,
steeds meer vertrouwen was gaan stellen in hare adviezen, en in de
door haar aangegeven politiek van flink doorzetten tot het einde toe?
Integendeel zullen wij zien, dat van dit oogenblik af de partij der
oppositie steeds meer in macht zal toenemen, dat men Jeanne, nu zij
gegeven heeft, wat zij geven kon, langzamerhand zal gaan verwaarloozen
en eindelijk geheel aan haar lot zal overlaten.

[Illustratie: Kroning van Karel VII te Reims, 1429.

                 Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Na de plechtigheid van de kroning blijft Jeanne nog eenige dagen te
Reims. Evenals te Orléans aanbidt de bevolking haar als eene heilige,
juicht haar toe en verdringt zich in de straten om haar te zien, of om
haar hand, haar kleed aan te raken en te kussen. Zij ontmoet er behalve
haar oom Durand Laxart ook nog haar vader die uit Domrémy was gekomen,
om getuige te zijn van de glorie van zijne dochter, om de plechtigheid
in de kathedraal bij te wonen en om den koning te verzoeken om
vrijstelling van belasting voor de bewoners van zijn dorp. De oude
Jacquot d'Arc wordt door de burgers van Reims als vader van hunne
heilige gastvrij ontvangen, zij bekostigen zijn verblijf en schenken
hem bij zijn vertrek nog een paard voor de terugreis.

De koning geeft na zijne kroning de gebruikelijke feesten en geschenken,
en o.m. krijgt la Trémouille den titel van graaf en wordt Gilles de Rais
bevorderd tot Maarschalk van Frankrijk.

Het verblijf te Reims duurt evenwel naar het oordeel van Jeanne
weer onnoodig lang. Waartoe thans weer dit talmen? Zij heeft er op
aangedrongen dat men zoo spoedig mogelijk na de kroning naar Parijs zou
optrekken, waarvan een deel der bevolking bereid is, de poorten voor
den koning te openen. Maar dan moet men met spoed te werk gaan, want er
zijn Engelsche hulptroepen in aantocht en het is dus van het grootste
belang, Parijs te veroveren en te bezetten vóór de versterkingen de
stad bereikt hebben. Helaas, de oppositie denkt er anders over. Er zijn
onderhandelingen aangeknoopt over een wapenstilstand met Bourgondië, en
men zal daarvan eerst rustig het resultaat afwachten. Een eerste botsing
dus tusschen de doortastende politiek van Jeanne en de lijnrecht
daarmede in strijd zijnde »politiek der wapenstilstanden«.

Eindelijk, den 21en Juli, verlaat de koning met Jeanne en het leger
Reims en begeeft zich in de eerste plaats naar St. Marcoul de Corbeny,
voor de traditioneele plechtigheid van de genezing der kliergezwellen.
Volgens een oud geloof kregen de Fransche koningen door de zalving met
de Heilige Olie de macht, om door aanraking genezing te brengen aan
lijders aan kliergezwellen of de zoogenaamde »koninklijke ziekte.«

Gedurende eenige dagen marcheert alles naar wensch: men is op weg naar
Parijs en de steden, die men passeert, als Laon en Soissons, openen
hunne poorten voor de koninklijke troepen. Maar dan plotseling, den
1en Augustus, maakt het leger een zwenking naar het Zuiden en trekt
bij Château Thierry de Marne over. Een wapenstilstand van veertien dagen
is gesloten met Filips van Bourgondië en men heeft het Parijsche plan
laten varen.

Jeanne is door deze wijziging in de plannen diep teleurgesteld. Wel is
haar invloed op het leger en op haar naaste omgeving nog groot, maar zij
voelt bij intuïtie, dat er in den Raad des konings machten aan het werk
zijn, waar zij niet tegen op kan. Uit die dagen is ons een uitlating van
haar bekend, die ons een duidelijk beeld geeft van hare gemoedsstemming.
Als het leger n.l. gekomen is in de buurt van Crépy en Valois, rijdt
Jeanne tusschen den Rijkskanselier en Dunois. Het volk is den koning
tegemoet getrokken met de vreugdekreet: »Noël, Noël!« Innig dankbaar
voor deze goede ontvangst zegt zij tot Regnault de Chartres:

[Illustratie: Karel VII, Koning van Frankrijk.

              Naar een schilderij uit het »Musée du Louvre«, te Parijs.]

»Dat is een goed volk; ik heb nog nooit het volk zoo verheugd gezien bij
de aankomst van den edelen koning. Ach, dat ik het geluk moge hebben,
als eenmaal mijn laatste uur zal zijn geslagen, om in deze streek
begraven te worden.«

Op de vraag van den Kanselier, waar zij denkt te sterven, antwoordt zij:

»Waar het God zal behagen. Omtrent den tijd en de plaats weet ik niets
met zekerheid, evenmin als gij zelf.«

En zij laat er de verzuchting op volgen:

»O, dat het Gode mijnen Schepper mocht behagen, dat ik thans mijne
wapens kon afleggen en heen kon gaan om mijn vader en moeder te dienen
en hun kudde te hoeden met mijn zuster en mijn broers, die zoo gelukkig
zouden zijn als ze mij weer zagen.« Een hoogst merkwaardige uiting; de
eenige, waarin Jeanne spreekt over hare ouders en het ouderlijk huis.
Zelfs wanneer men haar later in het proces ondervraagt over hare familie
en haar jeugd, zal zij zich beperken tot korte, zuiver zakelijke
antwoorden, maar in de bangste oogenblikken in haar kerker en aan het
slot op den brandstapel komt geen enkele maal een beroep op of een woord
van verlangen naar hare familie haar over de lippen.

       *       *       *       *       *

Bij Crépy, of beter gezegd op den weg tusschen Crépy en Senlis, stuit
het Fransche leger op de troepen van Bedford. Van den 14en tot den 16en
Augustus staan de vijandelijke machten tegenover elkaar, zonder dat het
evenwel tot een beslissend gevecht komt. Bedford had al den tijd gehad,
zich stevig te verschansen achter hooge palissaden, maar de Franschen
denken er niet aan hem, in die gunstige positie aan te vallen. Zij doen
alle mogelijke moeite, hem naar buiten te lokken. Jeanne met haar banier
in de hand nadert de versterkingen en klopt zelfs tegen de palissaden.
Zij daagt de Engelschen uit tot een strijd in het open veld, maar
tevergeefs. Eindelijk, in den morgen van den 17en, verlaat Bedford zijne
positie en trekt het Noorden in.

Dienzelfden dag nog ontvangt de koning de sleutels van Compiègne en
trekt hij daar met het geheele leger naar toe. Op een van de eerste
dagen van zijn verblijf binnen Compiègne worden hem de sleutels gebracht
van Beauvais. Cauchon, de Bisschop van Beauvais, had de bevolking
geraden, de poorten te sluiten en de stad in staat van verdediging te
brengen. Maar dit advies viel bij de geloovigen in slechte aarde, zij
joegen hun Bisschop de stad uit en zonden afgevaardigden naar Compiègne
om den koning als hun Heer en Meester te begroeten. In Rouaan en in het
proces zullen wij zien, hoe de Bisschop revanche nam voor zijn
nederlaag.

In Compiègne is het weer wachten en talmen, talmen en wachten. Het is
weer de oude scène: Jeanne, vol ongeduld, dringt er op aan, dat men
onverwijld zal voorttrekken naar Parijs en profiteeren zal van de
gunstige omstandigheden, en de oppositie remt, onderhandelt met
Bourgondië over wapenstilstanden. Maar in den ganschen Raad van Karel
VII is er niemand, die de politiek van den sluwen hertog van Bourgondië
doorziet; zij volgen hem allen gedwee, daarheen, waar hij ze hebben
wil, en dat alleen omdat hij de handigheid heeft, om ze als lokaas van
uit de verte iets voor te houden, dat lijkt op een duurzamen vrede.

Op den laatsten dag van het verblijf van Jeanne te Compiègne, ontvangt
zij nog een brief van den graaf van Armagnac, waarin deze haar vraagt,
welke van de drie door hem genoemde Pausen de ware is. Wanneer zij op
dat oogenblik een verstandigen raadsman bij zich had gehad, had zij
kunnen volstaan met een antwoord in telegramstijl: Martinus V.
Vermoedelijk wist zij niets af van den strijd, die op dat oogenblik
gevoerd werd tusschen Paus en tegenpausen, maar dat wil zij niet
erkennen en bovendien zij wil den graaf van Armagnac, als zij kan, wel
van dienst zijn. Het antwoord, waarmede zij zich voorloopig van de zaak
afmaakt, komt hier op neer, dat zij er eens rustig over wil nadenken en
er met den koning en de anderen over wil raadplegen. In het proces wordt
haar later dit weiflend antwoord verweten.

Met d'Alençon en een deel van het leger verlaat zij eindelijk den
23en Augustus Compiègne en den 25en arriveert zij te St. Denis.
Van uit St. Denis, waar zij haar hoofdkwartier vestigt, begint
Jeanne oogenblikkelijk hare verkenningen om Parijs. Maar helaas, de
omstandigheden zijn er de laatste dagen niet beter op geworden. Bedford
heeft een deel van de Engelsche troepen uit Parijs teruggetrokken
en de verdediging van de stad hoofdzakelijk aan de burgerwacht en
Bourgondische troepen overgelaten. Juist de aanwezigheid van al die
Engelsche soldaten in de stad, waar ze bij de bevolking zoo gehaat
waren, had een groote kans gegeven, dat ook Parijs, wanneer de koning
zich tijdig vertoond had, zich zou hebben overgegeven. En ook nu is de
koning er nog niet, en Jeanne en d'Alençon voelen beiden, dat zij met
een beslissenden aanval moeten wachten tot zij het geheele leger van
den koning tot hunne beschikking hebben, tot Karel VII zelf zich kan
vertoonen en de overgave van zijn hoofdstad kan eischen. Wel heeft de
koning Compiègne verlaten, hij nadert, maar met een slakkengang, zoodat
d'Alençon hem van uit St. Denis meer dan eens gaat opzoeken om hem tot
meer spoed te bewegen. Maar Karel maakt geen haast en waarom zou hij
ook? Den 28en Augustus wordt te Compiègne tusschen hem en den hertog van
Bourgondië voor zes maanden een wapenstilstand gesloten. De bepalingen
van dit verdrag, juist op dat oogenblik gesloten, zijn wel buitengewoon
zonderling. Om een voorbeeld te noemen, werd overeengekomen, dat de
koning Parijs mocht aanvallen, maar dat Bourgondië het recht behield, de
Engelschen ter zijde te staan met de troepen, waarover hij in de stad
beschikte. En dan de houding van Karel VII tegenover Compiègne: deze
stad, die zich loyaal betoond had en den koning bij zijn nadering hare
afgevaardigden met de sleutels tegemoet gezonden had, wordt gedurende
den wapenstilstand weer aan Bourgondië afgestaan. Gelukkig neemt de stad
zelf hier geen genoegen mede, en geen wonder. Is dit de wijze, waarop
een koning de onderdanen, die hem trouw blijven, beloont? Welken invloed
moet het voorbeeld van een behandeling als van Compiègne wel niet
uitoefenen op het gedrag van de andere steden?

Sommige biografen van Jeanne, waaronder enkele van de meest
geestdriftigen, trachten toch nog een woord van verdediging te spreken
voor de politiek van den koning, en beroepen zich daarbij op het
eindresultaat van den oorlog, dat voor de Franschen toch gunstig is
geweest. Zij beoordeelen de bekwaamheden van den metselaar naar den
muur. Maar ik kan daarin onmogelijk met hen medegaan. Karel VII is
niet anders geweest dan een domper voor alle enthousiasme, en een
bluschmiddel voor elke warme en spontane opvlamming van loyauteit. Wat
bereikt is, is bereikt ondanks zijne remmende politiek van schipperen
en talmen. De eindzege, ook al kwam die na haar dood, is te danken
geweest aan Jeanne, aan haar invloed, haar genie, aan haar heerlijk
enthousiasme, haar geloof in eigen kracht, aan het plichtsbesef en het
begrip van vaderlandsliefde, dat zij door haar voorbeeld, voor het eerst
haren troepen gegeven en nagelaten heeft.

       *       *       *       *       *

Mokkend en tegen zijn zin komt de koning eindelijk den 7en September te
St. Denis. Den volgenden dag, den 8en, heeft de eerste aanval op Parijs
plaats. Het is zeer waarschijnlijk, dat d'Alençon, Gaucourt, de Rais en
de andere bevelhebbers, nog gemeend hebben, dat een ernstige aanval niet
noodig zou zijn, en dat na eenig machtsvertoon en een soort schijnaanval
de hoofdstad hare poorten wel zou openen. Jeanne heeft verklaard, dat
zij voor dezen aanval geen bijzondere opdracht van hare stemmen heeft
ontvangen. Aan alles is dan ook duidelijk te zien, dat de regeling en de
voorbereiding van het gevecht niet het werk van Jeanne zijn geweest.
Toch is zij het geweest, die van het oogenblik, dat zij hare medewerking
aan den aanval heeft toegezegd, er nog van gemaakt heeft, wat er van te
maken was.

Het eigenlijke gevecht begint pas in den namiddag en dus veel te laat.
De Franschen rukken op tusschen de poorten van St. Denis en St. Honoré
aan den voet van den heuvel met de molens, het tegenwoordige Montmartre.
Van een tegenaanval op een ander punt, om de aandacht af te leiden, is
geen sprake. De eerste aanval op de buiten-boulevard bij de poort St.
Honoré gelukt en het bolwerk wordt bezet. Dan neemt Jeanne een oogenblik
weer de leiding. Met haar standaard in de hand, steekt zij de diepe
buitengracht over, waarin geen water staat, en met den stok van haar
vaandel begint zij de diepte te peilen van de binnengracht.

Een boogschutter op den muur ziet haar hiermede bezig en onder het
uitbraken van de grofste scheldwoorden schiet hij haar een pijl door
haar dij, en met een tweede schot doodt hij haar banierdrager. Zwaar
gewond wordt Jeanne weggedragen. Zij tracht nog met hare stem hare
troepen tot een aanval te bewegen, maar de avond begint reeds te vallen,
en d'Alençon met de reserve-troepen is te ver af, achter de »butte«; het
is zeker te laat, om zonder de leiding van Jeanne nog over een ernstigen
aanval te denken.

Ondanks hare zware verwonding en het bloedverlies, dat zij geleden
heeft, is Jeanne den volgenden morgen reeds vroeg in de weer. Zij wil
het signaal tot een nieuwen aanval laten blazen, zij heeft geen rust,
voor ook de hoofdstad veroverd is. Zij overlegt met d'Alençon en de
andere chefs; er komen nog versterkingen aan.... maar dan opeens
ontvangen zij bericht, dat de koning van geen nieuwen aanval op Parijs
weten wil en dat het leger bij hem te St. Denis terug moet komen. Een
oogenblik is er nog van aarzeling, of men wel aan dit onverwachte en
alles verstorende bevel zal gehoorzamen. Den volgenden morgen zelfs
doet Jeanne met d'Alençon nog een verkenningstocht naar een brug, die
d'Alençon in de buurt van St. Denis heeft laten slaan, maar tot hun
groote verbazing bemerken zij, dat gedurende den nacht een gedeelte van
die brug op bevel van den koning weer is afgebroken. Deze ontdekking
breekt hun verzet en slaat hen met lamheid.

Karel VII heeft dus eindelijk gesproken, hij heeft zelfs gehandeld. Zou
dit beduiden een eerste teeken van ontwaken? Wee dan, wee! want zijn
eerste gebaar is er een geweest, waarmede hij Jeanne ontrouw wordt,
verloochent en »désavoueert.«

Diep terneergeslagen begeeft Jeanne zich met de andere leiders en het
leger naar St. Denis. Eenige dagen besteden zij nog om te trachten, den
koning tot andere gedachten te brengen, maar hun geestdrift en hun
welsprekendheid stuiten af op de koppige domheid van hun koning en zij
staan daar tegenover machteloos.

Het gebaar, waarmede Jeanne antwoordt op de eerste formeele daad van
laffe verloochening van haar dierbaren koning, is van geheel anderen
aard. Het is een daad, zoo geheel liggende in de lijn van haar groot
karakter, een daad die ontroert door haar plechtigen eenvoud. Zoodra het
vast staat, dat een deel van het leger zal worden afgedankt en de koning
met het overschot zich weer zal terugtrekken aan de Loire, begeeft
Jeanne zich naar de kathedraal te St. Denis en legt daar haar blanke
wapenrusting neer op het altaar van de Heilige Maagd. Op dit oogenblik
is het haar dus wel duidelijk, dat haar taak in hoofdzaak is volbracht
en zij toont dit in een vroom gebaar van kinderlijke dankbaarheid en
verheven berusting.

Als men haar later in het proces vraagt, waarom zij hare wapenrusting
juist te St. Denis gebracht had, antwoordt zij: »Omdat St. Denis de
oorlogskreet van Frankrijk is.«

Den 13en September breken de Franschen op: een klein garnizoen wordt
achtergelaten te St. Denis. Den 21en komt de koning met Jeanne en zijn
gevolg te Gien aan.

Tegen haar zin wordt Jeanne medegevoerd. Zij blijft bij hare meening en
komt daar openlijk voor uit, dat men had moeten doortasten en haar haar
gang had moeten laten gaan, dan zou ook de hoofdstad zich over gegeven
hebben. Zij begrijpt, wat nu gebeuren zal: het is reeds najaar; een
groot gedeelte van het leger zal uit zuinigheid worden afgedankt en voor
het volgend voorjaar zal zeker aan een ernstig aanvallend optreden van
Fransche zijde niet gedacht kunnen worden. Zij voorziet een winter van
luieren en stilzitten.

De koning van zijn kant verzint al het mogelijke, om haar bezig, ik
schreef haast, om haar zoet te houden. Van Gien trekt zij met het hof
naar Selles en Bergy, Bourges, Loches, Jargeau, Issoudun en het kasteel
Mehun sur Yèvre. Men overlaadt haar met kostbare geschenken en fraaie
kleeren, zij heeft de vrije beschikking over de beste paarden uit den
koninklijken stal. Maar wat maalt zij om dat alles, om persoonlijk
voordeel is het haar immers niet te doen? Om deze dwaze en smakelooze
vertooning volledig te maken, wordt Jeanne met hare geheele familie,
zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie in den adelstand
verheven, »om door alle tijden heen de herinnering te vereeuwigen aan
zooveel Goddelijke genade en glorie.« De acte zegt uitdrukkelijk, dat
de nieuwe familie-naam van de »lieve en beminde Johanna d'Ay« zal
zijn »du Lys« en Jeanne zelf heeft verklaard, dat haar broers zich
als familie-wapen gekozen hadden: twee gouden fransche lelies op een
schild van azuur, met in het midden een kroon, gedragen door een zwaard.
Nergens blijkt gelukkig, dat Jeanne ooit haar nieuwen naam of wapen
heeft gevoerd: haar banier bleef onveranderd en tot het einde toe heeft
zij zich zelf niet anders genoemd dan: »Jeanne la Pucelle«.

Gelukkig voor Jeanne besluit de Raad des konings tegen het eind van
October tot een kleine expeditie in de Loirestreek. Dat geeft dus werk,
al is het niet het groote werk, dat Jeanne verlangt. In de nabijheid van
Bourges worden troepen bijeengebracht en de leiding van de expeditie
wordt opgedragen aan d'Albret en Jeanne. De vijanden van Jeanne, de
oppositie in den Raad, gaat in haar partijdigheid en onrechtvaardigheid
zoover, dat zij Jeanne een verwijt maakt van de mislukking van den
aanval op Parijs. Voor eigen fouten hebben zij een zondenbok noodig,
maar zij vergeten, of liever gezegd, zij verzwijgen, dat zij diezelfde
Jeanne, de eenige persoon, die door haar doorzettingsvermogen en haar
geestdrift in staat was geweest, van een totaal onvoldoend voorbereiden
aanval nog een belangrijk wapenfeit te maken, op het beslissende
oogenblik aan handen en voeten gebonden en haar elk verder handelen
onmogelijk gemaakt hebben.

In den aanvang van de herfstcampagne van 1429 zal Jeanne nog eenmaal
toonen, wat zij vermag, dat haar invloed op hare troepen nog dezelfde
is, maar het slot van de expeditie zal een mislukking zijn, omdat
de middelen zullen ontbreken, om de troepen langer onder de wapenen
te houden en het leger niet meer over voldoende munitie zal kunnen
beschikken. De beide voornaamste biografen van Jeanne teekenen hierbij
terecht aan, dat: »de kunst van hare tegenstanders hier in bestaan
heeft, dat zij haar belet hebben, zich weer op te heffen van haar val.«

In de laatste dagen van October vinden wij Jeanne met hare troepen voor
Saint Pierre le Moustier. De artillerie is in stelling gebracht en na
een bombardement van eenige dagen is het den belegeraars eindelijk
gelukt, een bres in de muren te schieten. Dan volgt een aanval, die
evenwel door de verdedigers wordt afgeslagen. Jeanne strijdt weer in
het voorste gelid. Zij houdt stand aan den voet van den muur, nadat
hare troepen reeds zijn teruggetrokken. d'Aulon, die door eene zware
verwonding geen deel kan nemen aan het gevecht, ziet haar daar staan
met nog slechts enkele getrouwen en beseft oogenblikkelijk in welke
gevaarlijke positie zij zich bevindt. Met moeite stijgt hij nog te
paard en rijdt naar haar toe. Als hij haar vraagt, waarom zij zich zoo
blootstelt en alleen is achtergebleven, licht zij het vizier van haar
helm op en antwoordt:

»Ik ben niet alleen, ik heb nog vijftigduizend man bij mij en zal niet
van hier gaan, voor ik de stad heb ingenomen.«

d'Aulon, verbaasd over zooveel optimisme, blijft aandringen, dat zij
zich in veiligheid zal brengen, maar Jeanne wil er niet van hooren en
met luider stem geeft zij bevel, dat men takkenbossen zal aandragen, om
een deel van de gracht te dempen.

Hare manschappen gehoorzamen. Zij is de eerste, die de gracht oversteekt
en den soldaten toeroept:

»In Gods naam, nu aanvallen! De stad is ons!«

En ook ditmaal nog blijkt dit tooverwoord voldoende, om haar leger als
één man in beweging te brengen en de stad met één krachtigen aanval,
waarvoor alles wijken moet, te veroveren.

Na de verovering van Saint Pierre le Moustier trekken d'Albret en Jeanne
met hunne troepen verder over Moulins naar Charité sur Loire, waarvan
de insluiting begint op 24 November. Maar de winter is intusschen met
groote strengheid ingevallen, de belegeraars hebben gebrek aan warme
kleeren, aan geld en aan munitie. Jeanne heeft reeds naar enkele
streken brieven gezonden met verzoek om steun, en er is ook reeds hulp
ontvangen o. a. van de trouwe en dankbare bewoners van Orléans, maar met
wat men thans bijeen heeft, zal men het niet lang kunnen houden. Na vier
weken van ellende en ontberingen in de bittere kou wordt dan ook het
beleg van la Charité opgeheven, de troepen worden afgedankt en Jeanne
met haar gevolg begeven zich naar het hof, dat zich te Jargeau bevindt.

Dan volgen eenige maanden van stilzitten. De wapenstilstand met
Bourgondië, waaraan beide partijen zich al bijzonder weinig gestoord
hebben, is telkens weer verlengd en de laatste maal zelfs tot aan de
week voor Paschen. Als in de eerste dagen van Maart het hof naar Sully
sur Loire trekt, gaat Jeanne mee, en van uit Sully verdwijnt zij met een
kleine troepenmacht zonder iemand te waarschuwen, juist tegen het einde
van het bestand. Zij trekt naar Lagny, maar onderweg te Melun krijgt zij
de eerste waarschuwing van hare Heiligen, dat zij gevangen genomen zal
worden vóór Sint Jan, dat was dus vóór den 24en Juni van dat jaar.

»Als ik dan gevangen wordt genomen«, antwoordt zij in kalme berusting,
»laat mij dan dadelijk sterven, zonder langdurige gevangenschap«.

De waarschuwing blijft haar bezighouden en telkens als hare Heiligen
haar weer verschijnen, vraagt zij nadere bijzonderheden omtrent den dag,
het uur en de plaats van hare gevangenneming. Maar de Heiligen laten
zich er verder niet over uit en raden haar slechts aan, er niet verder
over te tobben en zich niet angstig te maken, want »God zal haar
bijstaan.«

Te Lagny verblijft Jeanne geruimen tijd, de bevolking draagt haar op de
handen en vereert haar als een Heilige. Van één geval, waarin men haar
tusschenkomst als afgezant van God inroept, willen wij melding maken,
omdat het later in den breede behandeld is in het proces en hare
rechters er haar een verwijt van gemaakt hebben.

Er was dan te Lagny een kind geboren, maar dadelijk na de geboorte
overleden, nog voor men den tijd had gehad, het te doopen. Het geval
was algemeen in de plaats bekend en allen, vooral de vrouwen en moeders,
waren er zeer mede begaan. Den derden dag eindelijk besluit men, de hulp
van Jeanne in te roepen: mogelijk, dat men met haar tusschenkomst nog
iets bereiken kan. Volgens verklaring van Jeanne zelf was het lijkje
reeds zwart, toen men het haar toonde. Zij geeft den raad, dat men
het in de kerk zal brengen en neder zal leggen voor het altaar van de
Heilige Maagd. Daarna vereenigt zij zich met de vrouwen en meisjes, die
in grooten getale zijn toegestroomd, in een vurig, gemeenschappelijk
gebed.

»En ziet«, vertelde Jeanne, »aan het eind van ons gebed scheen het,
dat er leven in het kindje kwam. Het gaapte driemaal en werd gedoopt.
Dadelijk daarna stierf het en het werd in gewijde aarde begraven.«

Uit de uitdrukking van Jeanne zelf, dat het kindje na eenig teeken van
leven gegeven te hebben, al was dit dan ook het eerste na de geboorte,
»stierf«, blijkt wel voldoende, dat zij zelf niet in den waan
verkeerde, een wonder verricht en eene opwekking uit den dood
bewerkstelligd te hebben.

De omstreken van Lagny werden in die dagen onveilig gemaakt door een
ongeregelde bende van drie- à vierhonderd man onder aanvoering van
een zekeren Franquet d'Arras. Zij behoorden tot de partij van de
Bourgondiërs en vermoordden en verbrandden onderweg alles, wat zij van
de Franschen in handen konden krijgen. Jeanne trekt er op een dag met
hare troepen op uit, om met die gevaarlijke bende af te rekenen. Bij
een eerste treffen worden de manschappen van d'Arras allen gedood of
gevangen genomen en hij zelf valt ook in handen van de Franschen. Bij de
verdeeling van de krijgsgevangenen, zooals die toen gebruikelijk was,
wordt de aanvoerder Franquet d'Arras aan Jeanne toegewezen. Vermoedelijk
zal zij hem gekocht hebben, een krijgsgevangene van eenigen rang of
stand kreeg men niet voor niets, maar een ander zal voor haar betaald
hebben, want zij heeft uitdrukkelijk later in het proces verklaard,
dat zij geen geld voor hem gegeven had, daar zij nimmer munter of
schatmeester van Frankrijk was geweest. Jeanne was van plan, haren
gevangene uit te wisselen tegen een hôtelier uit Parijs, den »Seigneur
de l'Ours«, maar, als zij vernomen heeft dat de hôtelier gedood is,
zwicht zij voor den aandrang van den baljuw van Senlis en levert
Franquet d'Arras aan hem uit. Na een kort proces wordt hij daarna ter
dood veroordeeld en onthoofd. In Bourgondische kringen is men heftig
verontwaardigd geweest over de terechtstelling van dezen kapitein en er
schijnt in deze zaak ook iets te zijn, dat niet geheel strookte met de
gebruiken van dien tijd. Maar het is ten onrechte, dat men er Jeanne
een ernstig verwijt van heeft gemaakt: zij heeft slechts toegestemd in
de voltrekking van het vonnis, omdat d'Arras de hem ten laste gelegde
feiten bekend had, en zij meende, dat het recht zijn loop moest hebben.
In het proces zal men uit deze gebeurtenis een bewijs putten voor de
wreedheid en bloeddorstigheid van Jeanne.

Men heeft het Jeanne in het proces nog lastig gemaakt over eene andere
bijzonderheid uit haar verblijf te Lagny, n.l. over hetgeen zij gedaan
had met het beroemde zwaard, dat zij uit Fierbois had laten halen. Maar
zij heeft geweigerd, hieromtrent iets mede te deelen. Men heeft algemeen
verzekerd, dat zij het in een plotselinge opwelling van verontwaardiging
had stuk geslagen, met één slag van het plat van het zwaard, op den
rug van een vrouw van lichte zeden, die zij ondanks haar herhaald en
uitdrukkelijk verbod aantrof in den tros van haar leger. Voor zij Lagny
verlaat, krijgt zij een zwaard, dat men op een Bourgondiër veroverd had,
en dat zij behouden heeft tot hare gevangenneming toe.

Als Jeanne eindelijk Lagny verlaat, begeeft zij zich met haar troepen,
een duizend ruiters ongeveer, over Senlis naar Compiègne. Compiègne,
dat zich, zooals wij reeds gezien hebben, loyaal betoond had, was door
Karel VII bij zijn verdrag met den hertog van Bourgondië weer aan dezen
laatste overgeleverd. Maar Guilleaume de Flavy, de bevelhebber van de
stad, had van deze overgave niets willen weten en zijn poorten voor de
Bourgondiërs gesloten gehouden.

Thans, nu de wapenstilstand geëindigd was, had de hertog van Bourgondië
een nieuw en krachtig leger verzameld, dat onder aanvoering van Jean de
Luxembourg, graaf van Ligny, onderweg was, om zich allereerst van de
weerspannige stad meester te maken.

Bij haar wederverschijnen in Compiègne op den 13en Mei wordt Jeanne
door de bevolking feestelijk ontvangen en met het ceremonieel voor
hooggeplaatste personen: men bood haar wijn aan. Van uit Compiègne
trekt ze met de andere aanvoerders als de Graaf van Vendôme en de
aartsbisschop van Reims naar Soissons, maar hun poging om in de
nabijheid van deze plaats de Aisne over te trekken, mislukt, en ze moet
weer terug, maar neemt afscheid van den aartsbisschop, die met een deel
van de troepen naar Senlis trekt. Zij verlaat Compiègne nogmaals voor
een expeditie naar Pont l'Évèque, dat in handen van de Engelschen is.
Voor eene verovering van dit belangrijke punt beschikt zij evenwel niet
over voldoende troepen. Hun aanval wordt afgeslagen. Op haar terugtocht
verneemt zij te Crépy, dat de Bourgondiërs het beleg voor Compiègne
hebben geslagen. Zij begrijpt, dat er nu geen oogenblik te verliezen is.
Ze wil trachten, door de belegeraars heen te sluipen en zóó de stad nog
te bereiken. Men doet nog een poging, haar van dit plan af te brengen,
maar zij zet door. »Wij zijn talrijk genoeg«, zegt zij, »ik ga mijne
goede vrienden in Compiègne opzoeken«.



HOOFDSTUK IV.

Compiègne--Rouaan.


Na een ganschen nacht te hebben doorgereden aan het hoofd van haar
kleine troepenmacht van hoogstens vierhonderd man, komt Jeanne in den
morgen van den 23en Mei 1430 in Compiègne aan. Zij heeft waarschijnlijk
haren troepen daarna enkele uren rust gegund en mogelijk ook zichzelf.
Zij zal ter kerk gegaan zijn, de mis gehoord, en vermoedelijk ook
overleg gepleegd hebben met Guilleaume de Flavy, die namens den
koning bevel voerde in Compiègne. Maar tegen vijf uur van dienzelfden
rampspoedigen Vrijdag, zien wij haar weer in volle wapenrusting,
met een donkerroode, met goud bestikte huik over het blanke harnas,
gevolgd door ongeveer vijfhonderd ruiters en voetknechten, de ophaalbrug
voor Compiègne over trekken, den belegeraars te gemoet. Het bericht,
dat Jeanne zich sedert dien morgen in Compiègne bevond, had het
Engelsch-Bourgondische leger reeds bereikt. De vijand kende haar
rustelooze voortvarendheid en was dus op een spoedigen uitval
voorbereid. De bevelhebber van het vijandige leger had op twee punten
groote troepenafdeelingen in hinderlaag gelegd. Ongeveer vijfduizend
Engelschen te Venette, beneden de stad, en een tweede troep in het
struikgewas op een heuvel, genaamd Mont-Ganelon, met het doel aan het
leger van Jeanne bij zijn terugkeer den pas af te snijden en het te
beletten Compiègne wederom te bereiken.

Niets kwaads achter zich vermoedende trekt zij met hare volgelingen
langs den hoofdweg snel voorwaarts, haar ongeluk tegemoet. Na een
krachtigen frontaanval werpt zij de hoofdmacht van Jean de Luxembourg
terug. Als altijd zien wij haar ook in dit hardnekkige gevecht strijdend
in het voorste gelid, vooraan op de punten waar het meeste gevaar
dreigt, vol ijver, onvermoeid, haar getrouwen aanmoedigend, ze
meesleepend door haar voorbeeld en haar woord, dan hier, dan daar,
schier overal tegelijk.

Maar daar verlaten de Engelsch-Bourgondische troepen op den Mont Ganelon
hun hinderlaag en stormen naar den weg. Jeanne's vrienden zien het
gevaar, dat hen bedreigt en waarschuwen haar.

»Keer haastig terug naar de stad«, roepen zij haar toe, »of gij en wij
allen zijn verloren!«

Maar Jeanne gelooft aan geen gevaar, wil van geen terugtrekken weten.

»Zwijgt!« antwoordt zij, »gij hebt het in uw macht ze te vernietigen.
Slaat maar toe!«

De angst voor omsingeling heeft zich van haar troepen meester gemaakt,
zij maken rechtsomkeert en beginnen te vluchten naar de brug en de
booten om Compiègne nog te bereiken.

Jeanne houdt nog een oogenblik stand met enkele getrouwen, dringt nog
voorwaarts op den vijand in. Dan grijpt op eenmaal d'Aulon de teugels
van haar paard, doet het snel zwenken en voert haar zoo mede in de
richting van de stad. Nog strijdt zij met haar enkele dapperen voort,
maar als een goed bevelhebber thans in het achterste gelid, om den
aftocht van haar manschappen te dekken.

Maar het is te laat. Van alle kanten komen versche versterkingen van
den vijand aangestormd. Ook de Godons van Venette komen opdagen. Zij
is genoodzaakt met haar troep den hoofdweg te verlaten en het lage
moerassige land daarnaast in te trekken.

Zoo naderen Franschen, Bourgondiërs en Engelschen, steeds vechtende,
doch in de grootste verwarring, de stad. Dan geeft Guilleaume de Flavy,
die vreest dat in de verwarring van den terugtocht, met zijn eigen
troepen ook de vijanden de stad zullen binnentrekken, bevel de
ophaalbrug op te halen en ontneemt hiermede aan Jeanne en hare troepen
de laatste kans op redding.

Steeds dichter dringen de vervolgers op de vluchtelingen aan. Zij
haasten zich, want reeds valt de schemer, en hun prooi mag hun ditmaal
niet ontsnappen. Zonder troepen en nog slechts in gezelschap van haar
broers, van d'Aulon en diens broeder en nog enkele anderen nadert Jeanne
de singelgrachten van Compiègne.

Maar zij kan er niet over, de brug is open, ze moet terug. Nu wordt ze
van nabij omsingeld.

»Geef je over, en geef ons je woord, niet te ontsnappen!« roept men haar
toe. Maar Jeanne antwoordt kalm:

»Ik heb mijn woord gegeven en trouw gezworen aan een ander dan aan
jullie, en mijn eed aan Hem zal ik gestand doen!«

Op dit oogenblik springt een Picardiër, genaamd Lyonnel, achter op haar
paard, slaat zijn beide armen om haar heen en valt met haar in het gras.

Jeanne is gevangen.

       *       *       *       *       *

Dan, kunnen wij ons voorstellen, weerklinken in het half duister woeste
vreugdekreten door gansch het vijandige kamp. Nog voor den nacht zendt
de hertog van Bourgondië renboden met de blijde tijding naar zijn
vrienden in de steden.

Maar in Compiègne is het stil. Van de wallen af zien de inwoners de
vreugdevuren der Bourgondiërs, hooren zij het joelen en tieren der
Godons.

Het wordt nacht. Het vierde bedrijf van het groote treurspel is
afgespeeld. Het scherm valt.

       *       *       *       *       *

Jeanne, krijgsgevangene van Jean de Luxembourg, wordt eerst opgesloten
in een toren van het kasteel Beaulieu-le-Comte bij Compiègne. Maar het
gelukt haar daar op haar beurt haar wachter in een toren op te sluiten.
Zij wil dan ontsnappen tusschen twee planken, maar wordt nog juist, voor
zij het kasteel verlaat, ontdekt door den portier.

[Illustratie: Gevangenneming van Jeanne d' Arc bij Compiègne.

                 Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Vermoedelijk uit angst voor een tweede, gelukkiger poging tot
ontvluchten, laat Jean de Luxembourg haar overbrengen naar het kasteel
Beaurevoir, waar zich op dat oogenblik bevinden Jeanne de Béthune, zijn
vrouw, met haar dochter uit haar eerste huwelijk, Jeanne de Bar en zijn
tante.

Deze drie dames spreken vaak en zeer vertrouwelijk met Jeanne. Zij mogen
haar graag en zijn getroffen door haar schoonheid, haar lieftalligheid,
haar innige vroomheid. Het hindert hun alleen, dat Jeanne manskleeren
blijft dragen. Zij vinden dit onbetamelijk, onderhouden er haar over,
bieden haar zelfs vrouwenkleeren aan of stof om daar zelf vrouwenkleeren
van te maken.

Hun oprechte belangstelling maakt wel indruk op Jeanne, maar zij kan
hun raad niet volgen, zij heeft daartoe nog geen toestemming van haar
Heer ontvangen. Later heeft zij wel verklaard dat, indien zij haar
manskleeren had moeten afleggen, zij het eerder op verzoek van deze
dames had gedaan, dan van eenige andere dame in Frankrijk, uitgezonderd
de Koningin.

Verder nog ontvangt zij dikwijls bezoek van een Bourgondischen edelman,
Aimond de Macy genaamd. Hij spreekt gaarne met haar, maar schijnt ook
niet ongevoelig te zijn ondanks haar manskleeren of, wie weet, juist
daardoor, voor de jonkvrouwelijke bekoring, die er van de achttienjarige
gevangene uitgaat. Zijn poging om zijn hand in haar boezem te steken
wordt door Jeanne op forsche en niet al te zachthandige wijze verijdeld.

In het algemeen moeten wij ons een gevangene in die dagen niet
voorstellen als geheel afgesloten van de buitenwereld. Men kan Jeanne
bezoeken, met haar spreken. Zij blijft daardoor op de hoogte van hetgeen
er gebeurt in Frankrijk en van het lot van »die goede lieden van
Compiègne«. Voortdurend is zij in gedachten in Compiègne. De berichten,
die zij ontvangt, zijn afwisselend, tegenstrijdig, maar zoowel de goede
als de kwade tijdingen laten haar rust noch duur. Is de stad in nood?
Zij wil er heen om hare vrienden te helpen. De gedachte dat de stad zal
worden ingenomen, uitgemoord en verbrand, doet haar menig bang oogenblik
doorleven. Zij wil er heen; ze wil weg uit de zeventig voet hoogen
toren, waarin men haar heeft opgesloten, zij wil ontsnappen, al zou dit
ook gepaard moeten gaan met een levensgevaarlijken sprong. In de
eenzaamheid raadpleegt zij hare stemmen, hare Heiligen.

De Heilige Cathérine tracht haar eenigszins te kalmeeren en gerust te
stellen:

»Waag den sprong niet, God zal U en eveneens de lieden van Compiègne
helpen«.

Maar ook deze belofte vermag niet haar te vreden te stellen. Zij treedt
met de Heilige Cathérine in discussie; zij is dankbaar maar niet
voldaan:

»Wanneer God dan de lieden van Compiègne te hulp zal komen, wil ik er
bij zijn«.

Bij de voortdurende ongerustheid over het lot van hare vrienden, voegt
zich nog haar doodelijke angst dat men haar zal overleveren aan de
Engelschen.

In dezen zwaren strijd, zijn het eindelijk haar zucht naar vrijheid en
de angst voor het lot, dat haar wacht, als men haar uitlevert aan de
Engelschen, die overwinnen, die haar het verbod van hare Heiligen doet
overtreden. Zij waagt den sprong.

Als men haar bewusteloos vindt liggen en voor dood opneemt en wegdraagt,
zijn het hare Heiligen die haar troosten.

De Heilige Cathérine spreekt haar moed in: zij zal genezen en Compiègne
zal geholpen worden.

Dat doet haar gelooven dat het haar Heiligen zijn, die haar bij
haar sprong van den dood gered hebben. Zij toont berouw over haar
ongehoorzaamheid. Dan raadt de Heilige Cathérine haar aan haar schuld te
biechten en God vergiffenis te smeeken, dat zij den sprong gedaan heeft
en eindelijk na haar biecht stelt haar Heilige haar gerust: God heeft
haar vergiffenis geschonken.

Na drie of vier dagen is zij van de gevolgen van haren sprong hersteld.

Na den sprong van Beaurevoir acht Jean de Luxembourg zijn gevangene
aldaar niet meer voldoende in veiligheid. Hij is niet alleen bang, dat
hare vrienden vroeg of laat een poging zullen doen haar te bevrijden,
maar van Engelsche zijde worden hem groote sommen geboden, wanneer hij
hun Jeanne wil overleveren.

Na overleg met Philips van Bourgondië brengt hij Jeanne tegen het eind
van September naar Arras, vermoedelijk naar het kasteel la Cour le
Comte. Van verschillende zijden blijft men het hem lastig maken, blijft
men bij hem aandringen dat hij de »porte-bonheur des Armagnacs« zal
uitleveren aan de Godons, die lokkend blijven rammelen met hun goud. De
Parijsche Universiteit gaat in haar edelen ijver zelfs zoover, dat zij
Monseigneur Jean dreigt met den banvloek, wanneer hij het bod van de
Engelschen afslaat. Eindelijk tegen half November besluit hij tot den
verkoop voor tienduizend gouden kronen. Voorwaar een koninklijke prijs.

Van Arras wordt Jeanne nu vervoerd naar Crotoy en aldaar aan haar
doodsvijanden overgeleverd. Van Crotoy brengt men haar over Saint-Valery
en Dieppe naar Rouaan, waar zij tegen Kerstmis aankomt en waar zij
opgesloten wordt in den toren van het Oude Kasteel.

Rouaan zal zij niet meer verlaten. Met de uitlevering van Jeanne aan
de Engelschen is eigenlijk haar doodvonnis in beginsel reeds geteekend.
Toch zullen er nog vijf maanden moeten verloopen, vijf lange maanden van
moreele en geestelijke marteling voor onze negentienjarige heldin, eer
de beul haar in handen krijgt.

       *       *       *       *       *

Van het oogenblik af, dat Jeanne gevangen was genomen, hadden zich
verschillende machten in beweging gesteld, om zich van haar meester te
maken en haar uit den weg te ruimen. Hiertoe behoorde in de eerste
plaats de Parijsche Universiteit.

Onder de eerste processtukken treffen we al dadelijk aan:

1e. Een brief van de Universiteit aan den Hertog van Bourgondië om hem
    te verzoeken Jeanne over te leveren aan den Bisschop van Beauvais.

2e. Een brief d.d. 14 Juli 1430 van haar aan Jean de Luxembourg, met
    de bede om toch vooral Jeanne niet tegen losprijs weer aan haar
    vrienden uit te leveren en eindelijk

3e. Een brief van de Sorbonne aan den koning van Engeland (d.d. 3 Jan.
    1430) waarin zij hem smeekt dat Jeanne toch naar Parijs zal worden
    overgebracht om zich daar te verantwoorden voor eene kerkelijke
    rechtbank.

De ijver, die dit beroemde lichaam, dat slechts een bron van licht
had behooren te zijn voor heel de beschaafde wereld, betoont in
deze zaak van afschuwelijke duisternis, kent geen grenzen en nadert
het ongeloofelijke. Geen enkele van de groote biografen van Jeanne
is er in geslaagd of heeft zelfs een ernstige poging gewaagd het
optreden van de illustre Sorbonne in deze zaak goed te praten of
te verdedigen. Integendeel de meesten raken in vuur en uiten hun
heilige verontwaardiging in een heftig en welsprekend: »J'accuse«!

De Parijsche Universiteit haatte Jeanne en zag in deze ketterin, die
volgens hare overtuiging van den duivel bezeten was, een groot gevaar.
Maar de voornaamste reden, waarom het voor de Parijsche Universiteit
van het grootste belang was, dat Jeanne in het openbaar als afvallige
van de Heilige Moederkerk en als ketterin werd terechtgesteld, moeten
wij naar mijne meening nog elders zoeken. Zij ligt meer op politiek
terrein. Parijs was n.l. in handen der Engelschen. De Universiteit was
de getrouwe dienares van den Regent, die van zijn kant haar daarvoor
zijn genegenheid en dankbaarheid meermalen met daden getoond had. Als
noodzakelijk gevolg hiervan ontkende de Universiteit ten eenenmale het
goede recht van Karel VII op den troon van Frankrijk. Het bericht dat
er een jonge maagd aan het hof van Karel te Chinon was verschenen, die
beweerde door God gezonden te zijn om hem weer in het bezit te stellen
van den ouden Troon, had hen getroffen als een plotselinge donderslag.
De tijdingen omtrent het succes der Fransche troepen onder Jeanne's
leiding, omtrent den tocht naar Reims en de kroning, had hen met schrik
en angst vervuld. Wat zou hun lot zijn wanneer het Karel gelukte de
hoofdstad te veroveren? Één middel was er slechts om hun afvalligheid
en trouweloosheid, waarvan zij zich in het diepst van hun ziel bewust
moeten geweest zijn, te verdedigen en te rechtvaardigen.

Die vrouw, die maagd, die zich uitgaf voor een bode van God zelf,
die vrouw moest in een officieel en openbaar proces, door de Heilige
Inquisitie, door de geheele Heilige Moederkerk schuldig bevonden worden
aan ketterij. Die vrouw moest als een dienares des duivels haar dood
vinden op den brandstapel.

In de tweede plaats noemen wij Pierre Cauchon, bisschop van Beauvais.
In zijn optreden in die dagen doet hij ons denken aan het roofdier,
opgeschrikt door de lucht van het aas. Nauwelijks heeft het bericht
van Jeanne's gevangenneming hem bereikt of hij zet zich in beweging
en begeeft zich naar Compiègne. Hij eischt Jeanne op, omdat zij is
gevangen genomen binnen het gebied van zijn diocees. Niet alleen wordt
deze bewering door enkelen beslist bestreden, maar bovendien kan zij
toch onmogelijk als verklaring dienen voor zooveel ijver, zooveel
hardnekkigheid. De leugen ligt er te dik op, maar is doorschijnend
genoeg om daaronder duidelijk te doen herkennen, een krachtig verlangen
om de Engelschen in het gevlei te komen en verder bovenal: persoonlijke
wraakzucht. Cauchon koestert tegen Jeanne een doodelijken haat. Van haar
eerste optreden af aan heeft zij hem schier in alles gedwarsboomd en
benadeeld, en staat zij zijn carrière beslist in den weg.

Als diplomaat was de bisschop van Beauvais een voorstander van den
wapenstilstand. Hij trad als onderhandelaar op tusschen Karel VII en
Philips van Bourgondië en bewees in deze hoedanigheid door zijn list
en geslepenheid, aan den Bourgondiër belangrijke diensten.

Jeanne daarentegen was de vrouw van de daad. Zij wilde van geen
wapenstilstand weten, drong er steeds bij Karel VII en zijne raadslieden
op aan, krachtig door te zetten tot het einde toe; eerst Orléans, dan
Reims, vervolgens Parijs en dan eindelijk de Engelschen het land uit en
de zee over.

Maar, en dat woog nog zwaarder, ook als Bisschop heeft Pierre Cauchon
tot tweemaal toe voor Jeanne het veld moeten ruimen. Een maand voor de
kroning bevond hij zich nog in zijn volle, bisschoppelijke heerlijkheid
te Reims, maar bij de nadering van het Fransche leger onder aanvoering
van Karel VII en van Jeanne, had Cauchon zich uit de voeten gemaakt.
Evenzoo verging het hem in zijn eigen Bisschopsstad Beauvais. Cauchon
had de bevolking geraden de poorten van de stad te sluiten en de plaats
tegen de troepen van den koning te verdedigen. Maar tegen zijn advies
in hadden zij den koning de sleutels van Beauvais gebracht en Jeanne
met haar troepen in triumf binnengehaald. Den bisschop bleef toen niets
anders over dan de vlucht: hij zocht zijn veiligheid bij den hertog van
Bedford en bij Philips van Bourgondië.

Dat zijn bittere pillen, die zwaar op de maag liggen, en die zelfs een
bisschop niet licht verteert.

Thans biedt zich een gelegenheid dien smaad te wreken. De blaadjes zijn
omgekeerd: Jeanne is gevangen, de vogel is in het net. Cauchon neemt de
leiding. Langzaam maar zeker zullen wij hem zien afgaan op het doel,
dat hij voor oogen heeft. De vogel zal tegenspartelen, Jeanne zal zich
dapper verdedigen tot het einde toe. Wat baat het haar? Waar een Pierre
Cauchon de lijnen van het net in handen heeft, is geen ontsnappen
mogelijk. Hij zal zijn rol tot het slot met volkomen meesterschap
vervullen en als eindelijk zijn slachtoffer, tengevolge van zijn eigen
toedoen, valt, zal zelfs de theatrale traan van meelij niet ontbreken.

       *       *       *       *       *

Jeanne, in handen van de Engelschen, wordt bij brieven van 3 Januari
1431 door den koning Hendrik VI overgeleverd aan den Bisschop van
Beauvais. Zij zal zich te verantwoorden hebben voor een geestelijke
rechtbank.

Pierre Cauchon zelf zal voorzitter zijn, aan hem dus ook de zorg voor
het uitkiezen en bijeenroepen van de overige leden van dit illustre en
verheven lichaam.

Naast Cauchon vinden wij Jean Lemaître, een dominicaner als Vicaris van
den Inquisiteur te Rouaan, en Jean d'Estivet als Promotor.

Als eerste griffier zal zitting nemen Guillaume Manchon, die zal worden
bijgestaan door Guillaume Colles, bijgenaamd Boisguillaume.

Wij willen geen droge opsomming geven van alle namen van de leden van
dit college, waarin o.a. zitting nemen tien abbés van de groote abdijen
in Normandië, die mijters dragen evenals de bisschoppen, bijgestaan door
drie priors, verder zestig assessoren en eindelijk alle geestelijken van
het kapittel te Rouaan. Wij kunnen volstaan met het noemen van enkele
der voornaamsten met hun titels en soms met hun toekomstige titels, dit
laatste om duidelijk te doen uitkomen, dat ondanks het latere proces van
rehabilitatie, de medeplichtigheid aan den dood van Jeanne de rechters
van het eerste proces niet bepaald geschaad heeft in hun carrière.

Wij vermelden dus nog:

Henri Beaufort, Kardinaal van Engeland, chef van den Engelschen Raad.

Louis de Luxembourg, broeder van Jean de Luxembourg, Bisschop van
Thérouanne, later kardinaal.

Jean de Castiglione, een Italiaan, aarts-diaken van Évreux, later
kardinaal.

William Ahnwick, Bisschop van Norwich, een Engelschman.

Jean de Mailly, Bisschop van Noyon. Hij zal later ook deelnemen aan het
proces van rehabilitatie.

Gilles de Duremort, Jean Lefévre, Richard Prat (Engelschman) drie
toekomstige bisschoppen; Raoul Roussel, Pasquier de Vaulx, Robert
Ghillebert, drie toekomstige aartsbisschoppen.

Ten slotte nog deze enkele, merkwaardige bijzonderheid: Nicole Midy, de
rechter, die Jeanne in het openbaar toespreekt op den dag van haar dood,
is dezelfde, die in 1438 de officieele feestrede uitspreekt bij den
blijden intocht van Karel VII in Parijs en Thomas de Courcelles, een
andere rechter van Jeanne, zal bij den dood van den koning de plechtige
lijkrede houden.

       *       *       *       *       *

De zaak wordt geheel in den vorm en deugdelijk voorbereid. In Domremy
worden inlichtingen genomen en ook op andere plaatsen waar Jeanne
vertoefd heeft. Personen, waarmede zij heeft omgegaan, en nog andere
getuigen worden gehoord. Kortom, alle mogelijke gegevens worden
verzameld, maar bijna uitsluitend uit Engelsch-Bourgondische bron.

Maître Maugier, de advocaat van de familie d'Arc in het proces van
Rehabilitatie, heeft er later op gewezen, dat de gunstige informaties,
die men omtrent Jeanne had gekregen in haar geboorteland, zich niet in
het dossier van het proces te Rouaan bevinden, en dus vermoedelijk
verdonkeremaand zijn.

Eindelijk wordt Jeanne gedagvaard tegen den 21en Februari. Zij verklaart
zich bereid te verschijnen, doch verlangt dat aan de Rechtbank, zooals
deze thans is samengesteld, een gelijk aantal Fransche geestelijken van
haar partij zal worden toegevoegd, en dat men haar zal toestaan de Mis
te hooren. Deze beide verzoeken worden door den Bisschop-voorzitter
afgewezen.

Terwijl dus Cauchon van zijn kant de zaak in alle opzichten goed heeft
voorbereid, is er van eenige voorbereiding van de kant van Jeanne geen
sprake kunnen zijn. Zij heeft geen advocaat, geen verdediger, geen
raadsman: zij heeft met niemand overleg kunnen plegen, er zijn voor haar
geen getuigen à décharge opgeroepen, zij weet eigenlijk niet waar het om
gaan zal, waarvan men haar beschuldigt.

Als Jeanne den 21en Februari voor hare rechters verschijnt is zij
gekleed in manskleeren en blootshoofds, hare handen en armen zijn vrij,
maar hare voeten zijn geboeid met zware ketenen.

Volgens het recht en de gewoonten van dien tijd, had men Jeanne, van
het oogenblik af, dat zij gevangene was van de Kerk, behooren over te
brengen naar eene behoorlijke gevangenis, waar zij door vrouwen bewaakt
werd. Maar de Engelsche heeren stoorden zich niet aan die gebruiken. Zij
bleef dus opgesloten in een donkere cel, met zware ketens aan handen en
aan voeten en werd dag en nacht bewaakt door Engelsche voetknechten. Dit
laatste vooral is mogelijk wel een van de wreedste en meest verfijnde
martelingen geweest, die men dit jonge meisje van negentien jaar heeft
doen ondergaan. De soldaten van dien tijd waren over het algemeen ruwe,
zedelooze en gewetenlooze kerels, de legers waren samenraapsels van
allerhande schuim. Het is wel merkwaardig juist uit den mond van Andrew
Lang, den Engelschen biograaf van de Maid of France, de verzuchting
te hooren, dat wanneer Jeanne in handen was gekomen van Philips van
Bourgondië, zij waarschijnlijk toch wel verbrand zou zijn, maar de
Bourgondiër zou in zijn zucht naar wraak niet zoo diep gezonken zijn en
zou haar niet zoo laaghartig behandeld hebben als de hertog van Bedford
en de graaf van Warwick gedaan hebben.

Het costume waarin Jeanne verscheen, maakte dadelijk al op de meeste
van hare rechters een slechten indruk, alsook het feit dat zij zich
vertoonde met ongedekten hoofde, met hare mooie, zwarte haren kort
afgeknipt boven het oor. De vrouwen van dien tijd, zelfs die van het
laagste soort, zag men nimmer blootshoofds. Het is dus eenigszins te
begrijpen, dat deze breede schare van celibatairen aanstoot nam aan de
voor hen vreemde verschijning van Jeanne.

       *       *       *       *       *

Het verhoor van den eersten dag is dadelijk voor Jeanne van het grootste
belang. Het gaat om niets meer of minder dan de vraag: zal Jeanne door
haar eed en haar eerste optreden de wettigheid en de bevoegheid van
de Rechtbank erkennen? Wij zullen zien dat zij in hare antwoorden de
moeilijkheid ontwijkt:

Cauchon: »Jeanne, zweer met de hand op het Heilig Evangelie, dat gij
naar waarheid zult antwoorden op de vragen, die U zullen worden
gesteld.«

Jeanne: »Ik weet niet waarover gij mij zult ondervragen. Misschien zult
gij mij wel dingen vragen, die ik U niet mag zeggen.«

Cauchon voelt de handigheid van dit antwoord, maar hij laat niet los,
hij wil den eed.

Jeanne: »Ik zal antwoorden over wat ik gedaan heb, maar niet over de
dingen, die mij door God geopenbaard zijn; die heb ik slechts aan den
koning medegedeeld. Al zou men mij ook het hoofd afslaan, daarover zal
ik zwijgen.«

In dien zin legt zij dan ook den eed af.

Als men haar daarop verwijt dat zij heeft willen ontsnappen, antwoordt
zij openhartig en vrijmoedig:

»Het is waar, ik heb willen ontsnappen, en ik wil het nog. Is dat dan
niet geoorloofd aan elken gevangene?«

Deze zitting was zeer rumoerig. Het publiek en vooral de Engelschen
onder hen maakten door hun geraas en getier Jeanne en zelfs den rechters
het spreken soms onmogelijk. Besloten werd de volgende zittingen in een
kleinere zaal te houden en minder publiek toe te laten.

Den volgenden dag, 22 Februari, is het niet Cauchon, die ondervraagt,
maar Maurice Beaupère, één van de zes afgevaardigden, die de Parijsche
Universiteit tegen den aanvang van het proces in allerijl naar Rouaan
had gezonden om deel te nemen aan het geding. Beaupère is een zeer
beroemd man van groot gezag. Hij maakt bijna het geheele proces mede.
Plotseling drie dagen voor het eind-vonnis verlaat hij Rouaan. Hij
vlucht onder voorwendsel dat hij naar Bazel moet vertrekken om het
Concilie bij te wonen.

Zijne mede-afgevaardigden zijn:

Pierre Maurice, die later Jeanne op den 23en Mei in een lange
redevoering zal toespreken.

Gérard Feuillet, Doktor in de Godgeleerdheid. Hij woont slechts de
eerste helft van het geding bij.

Jacques de Tourraine, Professor.

Thomas de Courcelles, een van de grootste geleerden van de Universiteit,
toekomstig kardinaal. Hij bekleedt bij het proces te Rouaan de functie
van redacteur en secretaris, en vertaalt het proces in het latijn. Ook
hij zal deelnemen aan het Concilie te Bazel.

En eindelijk Nicolas Midy, die later de beruchte twaalf artikelen zal
opstellen.

Hij en Beaupère zijn wel degenen, die het heftigst zijn in hun aanvallen
op Jeanne. Aan Midy wordt opgedragen de veroordeelde toe te spreken
den dag van haren dood, maar ook dat zelfs doet hij in heftige en
beleedigende bewoordingen. Hij zelf sterft later melaatsch, na een lang
en bitter lijden.

       *       *       *       *       *

Dien tweeden dag wordt Jeanne uitvoerig ondervraagd over haar jeugd,
hare eerste visioenen. Zij antwoordt kalm en duidelijk, geeft alle
bijzonderheden die men van haar verlangt, mits men zich maar niet waagt
op wat zij beschouwt als verboden terrein. Zij is voortdurend op haar
»qui-vive« en slagvaardig.

Zij begint met te verklaren, dat alles wat zij gedaan heeft haar gelast
is in hare openbaringen.

Als Beaupère haar vraagt:

»Wie heeft U aangeraden manskleeren aan te trekken?« antwoordt zij
eenvoudig weg:

»Daar beschuldig ik niemand van.«

Haar bezoek aan Robert de Baudricourt wordt behandeld en vervolgens haar
komst aan het hof te Chinon.

Maar als Beaupère bijzonderheden wil weten over het teeken, dat zij
Karel VII heeft gegeven, bijt zij kort van zich af:

»Daar zal ik U niets op antwoorden. Sla dat maar over en ga verder.«

Een tweede poging zal hetzelfde negatieve succes hebben. Zij geeft
Beaupère den raad:

»Zend iemand naar den Koning, hij zal het U zeggen.«

       *       *       *       *       *

Bij den aanvang van de derde zitting komt Cauchon eerst terug op de
kwestie van den eed. Hij raadt Jeanne aan te zweren zonder eenige
beperking, zooals het inquisitoriale recht het verlangt. Zijn aandringen
op dit punt ontlokt haar een verklaring, die aan openhartigheid en
duidelijkheid niets te wenschen overlaat, maar die haar dadelijk
tegenover den Inquisiteur in gevaar brengt.

»De geheele geestelijkheid van Rouaan en van Parijs zou mij niet kunnen
veroordeelen, wanneer zij er het recht niet toe heeft«.

»Ik ben gekomen van God: ik heb hier niets te doen; laat men mij
terugzenden naar God van wien ik gekomen ben«.

Beaupère neemt het verhoor over en stelt haar eenige vragen van minder
belang, maar Jeanne wendt zich nogmaals tot Cauchon zeggende:

»Gij zegt, dat gij mijn rechter zijt; wees voorzichtig; gij brengt U in
groot gevaar«.

Vervolgens ondervraagt Beaupère haar wederom uitvoerig over haar
jeugd en vooral over de vraag, wat zij geweten heeft van de bekende
voorspelling, dat er een Lotharingsche vrouw zou komen om Frankrijk te
redden. Ook de manskleeren komen weer ter sprake:

Beaupère: »Zijt gij bereid weer vrouwenkleeren aan te trekken?«

Jeanne: »Geef ze mij, ik zal ze aantrekken en heengaan. Maar ik ben
tevreden met de kleeren die ik heb, omdat het Gode welgevallig is, dat
ik ze draag«.

Enkele vragen omtrent hare stemmen weigert zij ook ditmaal te
beantwoorden. Op een bijzonder moeilijke vraag van Beaupère betreffende
het vraagstuk van de genade Gods, geeft zij zoo'n handig en
voortreffelijk antwoord, dat hare rechters er verbaasd over staan.

De scène is van groot belang en wij willen haar derhalve hier in extenso
weergeven. Beaupère verhoort en aan hem dus ook vermoedelijk de eer voor
de uitvinding van deze buitengewoon verraderlijke vraag, die men, zooals
Michelet het uitdrukt, zonder misdadig te worden aan geen levend wezen
mag stellen.

Beaupère: »Jeanne, savez vous être en la grace de Dieu?« (»en état de
grace«).

Een huivering vaart door de gansche rechterschaar. Zij voelen het gevaar
en bespeuren duidelijk de adder die onder het gras schuilt. Een kort
oogenblik van groote spanning.

Dr. Jean Le Fèvre, professor in de Godgeleerdheid, staat op. Naar
zijn meening gaat men te ver, hij wil een woord van protest doen
hooren. Aarzelend brengt hij in het midden, dat deze vraag te moeilijk
is, en dat Jeanne er niet op behoeft te antwoorden, waarop Cauchon hem
toesnauwt: »Gij, gij zoudt beter doen te zwijgen!« Maar nu neemt Jeanne
het woord. Hare zeldzame slagvaardigheid stelt haar ook nu weer in
staat de knoop door te hakken en met vaste stem en onverschrokken
antwoordt zij:

»Si je n'y suis, Dieu m'y mette; et si j'y suis, Dieu m'y tienne.«

(»Si ego non sim, Deus ponat me; et si ego sim, Deus me teneat in
illa«).

»De quo responso interrogantes fuerunt multum stupefacti,« verklaart
verder de getuige uit het proces van Rehabilitatie, Boisguillaume,
aan wien wij deze bijzonderheden verschuldigd zijn. »Verbaasd«, wij
gelooven het graag, over zooveel gevatheid, en zulk een goddelijken
eenvoud, maar wij zouden, al vinden wij dat ook niet vermeld in de
getuigenverklaring, er aan willen toevoegen »grootelijks verlucht«.
Verlucht na de angstige spanning waarin de netelige vraag van Beaupère
hen allen gebracht had en waaruit het voortreffelijke en verrassende
antwoord van Jeanne hen had verlost.

Den 25en en 26en Februari wordt Jeanne niet ondervraagd. Zij is
lichtelijk ongesteld: koorts en brakingen. Zij had visch gegeten, haar
gezonden door Cauchon.

Jean d'Estivet, de Promotor van het proces, komt haar in haar kerker
bezoeken. Liet zij mogelijk in een gesprek met hem, iets doorschemeren
van een verdenking? Zeker is het, dat het gesprek zeer heftig eindigde;
van weerskanten vielen harde woorden. De opwinding deed Jeanne geen
goed.

De graaf van Warwick maakt zich ernstig ongerust dat.... zijn gevangene
haar natuurlijken dood zal sterven. Dat moet in geen geval. Hij laat
doctoren komen, die Jeanne onderzoeken en een aderlating noodig achten.

Nieuw gevaar: zij is in staat daardoor zelfmoord te plegen. Toch wordt,
na rijp beraad, tot een aderlating besloten en Jeanne is na twee dagen
weer hersteld.

De volgende zitting heeft plaats den 27en Februari. Beaupère
ondervraagt. Hij wil weten of zij ook thans nog hare stemmen hoort.
Jeanne hoort ze nog dagelijks, zij spreekt nog telkens met de Heilige
Cathérine en de Heilige Marguerite. Zij spreken haar moed in en zeggen
haar dikwijls wat zij antwoorden moet.

Hoe weet zij dat het Heiligen zijn, hoe herkent zij ze, hoe zijn zij
gekleed, is hun beider kleed van dezelfde stof, hoe oud zijn zij,
spreken zij te gelijk of één voor één? Steeds meer bijzonderheden
worden haar gevraagd, maar Jeanne weigert enkele van die vragen te
beantwoorden. Vervolgens moet zij vertellen hoe zij haar degen heeft
laten halen te Fierbois, hoe zij haar harnas en degen weer gedeponeerd
heeft in de basiliek van Saint-Denis. Hoe zag haar banier er uit en door
wien werd die gedragen:

Jeanne: »Die droeg ik zelf wanneer ik den vijand aanviel, om te
voorkomen dat ik iemand doodde ... want ik heb nooit iemand gedood.«

Nog even voor de zitting wordt opgeheven vraagt Beaupère haar of zij
gewond is geweest, omdat men algemeen geloofde in dien tijd, dat de
heksen, wanneer zij gewond werden, met hun bloed hun macht verloren.
Beaupère put zich werkelijk uit in spitsvondigheden, doch voorloopig nog
zonder veel resultaat.

Cauchon zelf vraagt haar in de zitting van den eersten Maart welke van
de drie Paussen zij voor de ware houdt.

In het dossier bevinden zich de copieën van een brief van den graaf van
Armagnac, waarin deze haar dezelfde vraag stelt en van het antwoord
van Jeanne daarop. Haar eigen brief wordt haar voorgelezen, doch zij
verklaart, dat deze copie op verschillende plaatsen niet juist weergeeft
wat zij gedicteerd heeft. Laat haar geheugen haar in den steek of heeft
er vervalsching plaats gehad? En dan nog een duister punt: hoe kwamen
deze brieven in het dossier?

Jeanne verklaart duidelijk en tot tweemaal toe, dat zij voor zich
slechts gelooft in den Paus te Rome.

Cauchon komt daarna nogmaals terug op het geheim tusschen Jeanne en den
koning, op het teeken, dat zij den koning gegeven heeft en op den engel
met de kroon.

       *       *       *       *       *

In den nacht van den 2en op den 3en Maart bezoeken hare Heiligen
haar en spreken haar moed in. Gelukkig, want de verhooren vermoeien
haar. Hare stemmen zijn haar eenige steun. Zij voelt instinctmatig, dat
achter elke vraag, zelfs achter de oogenschijnlijk meest onbeduidende,
een gevaar schuilt.

Hadden hare Heiligen armen, haren, ringen in hunne ooren? Hoe klonk hun
stem?

Wee haar, wanneer zij in deze détail-beschrijvingen aan de Heilige
Cathérine en de Heilige Marguerite eigenschappen toekent, die volgens
het algemeen geloof in die dagen slechts gevonden worden bij de booze
geesten, bij den Duivel en zijne handlangers.

Is onder die omstandigheden de vrijmoedigheid niet dubbel
bewonderenswaardig, waarmede zij antwoordt op de vragen of de Aartsengel
Michaël, wanneer hij haar verscheen, naakt was:

»Gelooft gij dan dat het Messire aan de middelen ontbreekt om zich te
kleeden?« en of hij kort geknipt haar had:

»Waarom zou het hem zijn afgeknipt?«

       *       *       *       *       *

Geen wonder dat Cauchon niet tevreden is: de zaak schiet niet op. In
zes geheime vergaderingen ten huize van den Bisschop worden thans de
volgende zittingen voorbereid.

       *       *       *       *       *

Jeanne heeft in deze zes dagen gelegenheid om uit te rusten. In de
eerste zittingen na deze korte wapenstilstand, is zij bijzonder goed op
dreef. Jean Delafontaine ondervraagt. Hij blijft hoofdzakelijk op het
terrein van de politiek, het geheime teeken te Chinon, de kroon te
Reims.

Heeft Jeanne een Goddelijke opdracht gekregen om Karel VII aan te
wijzen? Zij moet haren rechters telkens herinneren: »Maar dat heeft
niets te maken met het proces!« Als er rumoer is in de zaal, roept zij
ze toe: »Spreekt toch niet allen te gelijk«.

Over het proces-verbaal, dat haar aan het einde van de zitting van 11
Maart wordt voorgelezen, is zij ook al niet tevreden. Zij drukt den
griffier op het hart in het vervolg beter op te passen:

»Wanneer gij U nog eens vergist, zal ik U aan Uwe ooren trekken«.

       *       *       *       *       *

Cauchon dringt er bij den Inquisiteur-Generaal op aan, dat de
Vice-Inquisiteur, Jean Lemaître, voortaan de zittingen zal bijwonen. Met
andere woorden, dit was tot nu toe niet geschied. Dit feit werpt wel een
zeer eigenaardig licht op de wettigheid van het proces, zooals het tot
nu toe gevoerd was.

Eerst vanaf den 12en Maart zal dus de rechtbank compleet zijn en krijgt
ook de Inquisitie een deel van de verantwoordelijkheid te dragen.

Welk een machtig wapen zou deze onregelmatigheid in de samenstelling van
de rechtbank niet geweest zijn in handen van een verdediger? Maar Jeanne
had er geen, en dit op zich zelf was ook reeds in strijd met het
kerkelijk recht.

Trouwens, een handig en kundig verdediger had om de onwettigheid van de
gansche procedure te bewijzen, niet lang naar argumenten behoeven te
zoeken.

Was Jeanne niet zelf begonnen met de bevoegdheid van de rechtbank te
ontkennen op grond van haar partijdigheid? Had men aan de beklaagde,
behalve een verdediger, niet een curator behooren toe te voegen,
omdat zij minderjarig was? Behoorde niet de Bisschop steeds zelf te
ondervragen en was men niet verplicht geweest gevolg te geven aan het
beroep dat Jeanne aan het slot van de procedure deed op den Paus?

       *       *       *       *       *

Hoewel wij er dus niet aan twijfelen of een terzake kundig en
geroutineerd verdediger zou van de verschillende leemten en
onregelmatigheden in de procedure beter partij getrokken hebben, toch
zijn er in dit lange proces talrijke momenten, dat wij haast niet kunnen
gelooven, dat er achter de negentienjarige beklaagde geen rechtsgeleerde
raadsman heeft gestaan, die haar aangaf wat zij doen moest, wat zij
volgens rechtsgebruik mocht eischen of verlangen.

Dadelijk bij de eerste dagvaarding wijst zij den deurwaarder Massieu
op de partijdigheid en de onvolledigheid van het college van rechters
waarvoor zij zal verschijnen. Telkens als Cauchon van haar verlangt, dat
zij den eed zal afleggen, verklaart zij zich bereid, doch onder zekere
restrictie. Restrictie maakt zij eveneens wanneer de Bisschop haar
verzoekt het »Onze Vader« op te zeggen: zij wil volgaarne aan het
verzoek voldoen maar in de biecht. Het verbod van opnieuw eene poging
tot ontvluchting te wagen aanvaardt zij eenvoudigweg niet, opdat niemand
haar ooit zou kunnen verwijten, dat zij haar woord gebroken heeft.
Herhaaldelijk weigert zij op enkele vragen te antwoorden, zeggende:
»Dit behoort niet tot het proces« (»Hoc est non de processu vestro«),
of zij stelt haar antwoord uit tot het volgende verhoor en in dat geval
vraagt zij om een afschrift van de haar gestelde vragen. Aan het slot
van een incident in het vijfde geheime verhoor (Woensdag 14 Maart),
waarin sprake schijnt geweest te zijn van het overbrengen van Jeanne
naar Parijs (nadere bijzonderheden omtrent dit incident ontbreken,
helaas, ten eenenmale) vraagt zij om een afschrift van alle vragen en
antwoorden, teneinde dit in Parijs te kunnen overleggen. Ook verwijst
zij soms naar het rapport van de commissie in Poitiers of, wanneer
de ondervrager in herhalingen treedt, verwijst zij doodleuk naar een
vroeger verhoor: »Gij hebt daarop reeds mijn antwoord. Lees Uw boek maar
goed na en gij zult het vinden.«

Handigheden, gevatheden zouden wij dergelijke zetten noemen, wanneer
zij afkomstig waren van een advocaat of van een anderen man van het vak,
maar nu wij ze hooren uit den mond van een ongeletterd kind, kunnen wij
met deze qualificaties niet volstaan, en worden het gezegden die ons
vervullen met eerbied en bewondering.

       *       *       *       *       *

In de eerstvolgende zitting van 13 Maart komt Jean Delafontaine
nogmaals terug op het teeken te Chinon; hij wil ook weten of Saint Denis
haar ooit verschenen is, de schutspatroon der Fransche koningen. Dan
plotseling de vraag aan wien zij de gelofte heeft gedaan maagd te zullen
blijven.

Zij verklaart die gelofte gedaan te hebben, de eerste maal dat zij hare
stemmen hoorde, aan hare Heiligen, die haar door God gezonden werden.

Heeft zij aan een jongen boer een trouwbelofte gedaan?

Zij ontkent een dergelijke belofte ooit gedaan te hebben.

Het terrein van de politiek wordt nu verlaten, maar helaas, een ander,
een veel gevaarlijker terrein wordt thans betreden, n.l. dat van de
dogmatiek. Het klinkt op het eerste gehoor bijna ongeloofelijk, toch is
het de zuivere, droeve waarheid.

Een meisje van negentien jaar, haast een kind dus nog, dat nooit een
school heeft bezocht, dat lezen noch schrijven kan, dat alleen van haar
moeder de voornaamste gebeden heeft geleerd, zal voor een rechtbank van
gestudeerde en geletterde mannen, zonder eenige bijstand noch hulp,
vragen te beantwoorden krijgen, liggende op het terrein der zuivere
dogmatiek, en van die beantwoording zal haar leven afhangen.

Geen wonder, dat zij niet alle voetangels en klemmen zal kunnen
vermijden, dat zij verward zal geraken in de mazen van het net, dat men
voor haar spant.

Delafontaine: »Is het Uwe overtuiging, sedert Uwe stemmen U gezegd
hebben, dat gij tenslotte in het Paradijs zult ingaan, dat gij gered
zijt, en dat gij niet verdoemd zult zijn in de hel?«

Jeanne: »Ik geloof vast wat mijne stemmen mij gezegd hebben, dat ik
gered zal zijn; voor mij staat dit zoo vast, alsof ik reeds gered was.«

Delafontaine: »Gelooft gij na deze openbaring dat gij U niet meer
schuldig kunt maken aan doodzonde?«

Jeanne: »Daar weet ik niets van, ik verlaat mij op den Heer.«

Delafontaine: »Dat is een antwoord van groot gewicht.«

Jeanne: »Juist, en dat is voor mij een groote schat.«

Delafontaine: »Gevoelt gij behoefte te biechten, nu gij gelooft aan de
openbaring van Uwe stemmen, dat gij gered zult zijn?«

Jeanne: »Ik denk, dat wanneer ik schuldig was aan doodzonde, de Heilige
Cathérine en de Heilige Marguerite mij wel oogenblikkelijk aan mijn lot
zouden overlaten. Verder geloof ik, dat men nooit zijn geweten te veel
kan zuiveren.«

       *       *       *       *       *

»Ik verlaat mij op den Heer«, een getuigenis opwellend uit een
waarachtig vroom gemoed, door Jeanne afgelegd in haar gulden naïviteit.
Maar, o wee! Jeanne's rechters denken er anders over, zij geven aan die
verklaring een anderen uitleg. Zoo'n antwoord wordt haar niet vergeven:
het riekt naar ketterij.

Bij den aanvang van de volgende zitting op 15 Maart zal men het haar
duidelijk maken in vriendelijke bewoordingen.

Weet dan Jeanne, dat daar is een zegevierende Kerk en een strijdende
Kerk en dat er tusschen de zegevierende Kerk, dat is dus tusschen God,
die in den Hemel is, omringd van Zijne Heiligen, en van de engelen, en
elke Christen, geen andere verbinding mogelijk is dan door de strijdende
Kerk op aarde.

Onthoud dit goed Jeanne. Uwe rechters zullen dit punt niet meer
loslaten, ze zullen U er mede vervolgen tot het bittere einde toe.

Wanneer gij moeilijkheden hadt of gewetensbezwaren, hebt gij U tot God
gewend in het gebed of tot Uwe heiligen en gij hebt ze om raad gevraagd.
Ketterij!..

Delafontaine: »Wilt gij, wat gij gedaan hebt en gezegd hebt, onderwerpen
aan de beslissing van de Kerk?«

Jeanne: »Mijne daden en mijne werken zijn allen in de hand van God; in
alles verlaat ik mij op Hem«.

Ketterij! ook al voegt gij er aan toe: »Ik verzeker U dat ik niets zou
willen zeggen of doen tegen het Christelijk geloof«.

Cauchon gevoelt, dat hij nu op den goeden weg is en verdubbelt dus zijn
ijver, zich niet bekommerend om Jeanne's onwetendheid en kinderlijke
naïviteit. Dienzelfden avond nog bezoekt hij haar met enkele der
rechters in haar kerker en behandelt dan hetzelfde onderwerp.

Cauchon: »Verlaat gij U op de beslissing van de Kerk«.

Jeanne: »Ik verlaat mij op God die mij gezonden heeft, op onze Lieve
Vrouwe, op alle Heiligen van het Paradijs. Ik ben van meening dat God
één is met de Kerk, en dat men daarover geen moeilijkheden moet maken.
Waarom maakt gij mij daarover moeilijkheden?«

Waarom?... Vraag het Uwen rechters niet Jeanne, ze zullen het U niet
zeggen. Zij zullen Uwe verklaring opnemen in het proces-verbaal. Hun
doel is thans bereikt: gij zijt verloren.

De bisschop legt haar nog eenmaal de moeilijkheid uit.

Cauchon: »Er bestaat een zegevierende Kerk, dat zijn God, de Heiligen,
de Engelen en de geredde zielen. Er bestaat nog een andere Kerk, de
strijdende Kerk, dat zijn de Paus, Gods stedehouder op aarde, de
kardinalen, de prelaten van de Kerk, de geestelijkheid, alle goede
Christenen en Katholieken. Deze Kerk, vereenigd in een wettige
bijeenkomst, kan niet dwalen, daar zij bestuurd wordt door den Heiligen
Geest. Wilt gij U op die Kerk verlaten.«

Maar Jeanne blijft getrouw aan haar overtuiging en belijdt nogmaals haar
vast geloof.

Jeanne: »Ik ben gekomen tot den koning van Frankrijk op bevel van
en gezonden door God, de Heilige Maagd Maria, alle Heiligen van het
Paradijs en de Zegevierende Kerk van daarboven. Aan die Kerk onderwerp
ik al mijne goede daden, alles wat ik gedaan heb en doen zal. Op de
vraag of ik mij zal onderwerpen aan de strijdende Kerk, zal ik nu niets
anders antwoorden.«

       *       *       *       *       *

Het is Cauchon zelf, die nu dit verhoor den naam van den Paus noemt, als
hoogste macht in de strijdende Kerk.

Ook in de volgende zitting vraagt men Jeanne of zij bereid zou zijn
alles mede te deelen aan den Paus. Dan verzoekt zij voor den Paus
gebracht te worden, zij zal hem antwoorden alles wat zij moet
antwoorden.

Het spreekt bijna van zelf, dat aan dit verzoek geen gevolg wordt
gegeven, maar waarom dan de zaak ter sprake gebracht?

Cauchon verklaart daarop de voorloopige en geheime verhooren voor
geëindigd.

d'Estivet maakt een uittreksel uit het procesverbaal.

       *       *       *       *       *

Voor het gewone proces begint, speelt zich tusschen den rechter Cauchon
en zijn ongelukkig slachtoffer nog een hoogst aangrijpende scène af.

Sedert Jeanne in Rouaan gevangen zit, heeft men haar geweigerd de Mis
bij te wonen. Onder dit verbod begint zij met den dag meer te lijden.
Zelfs in de woeligste dagen van den oorlog heeft zij trouw hare
kerkelijke plichten vervuld; in de steden die zij doortrok heeft zij
steeds de kerken bezocht, en op het slagveld zelfs liet zij voor den
strijd door haar biechtvader dikwijls de Mis lezen. Het is een behoefte
geworden waar deze eenvoudige, vrome ziel niet buiten kan en zeker niet
in deze droeve en angstige dagen. Nu het Paaschfeest nadert wil zij nog
een poging wagen: op Palmzondag vraagt zij toestemming de Mis bij te
wonen.

Men is bereid het haar toe te staan, wanneer zij hare manskleeren
aflegt. Dat kan zij niet doen, hare stemmen hebben haar dat verboden.
Maar voor de hardnekkige weigering van Jeanne op het punt van hare
kleeding zijn vermoedelijk nog andere redenen die onbewust even zwaar
bij haar wegen, maar die zij tegenover haar rechtbank niet onder woorden
kan brengen.

Zijn het in de eerste plaats niet hare manskleeren, die haar tot op een
zekere hoogte nog beschermen tegen de belagingen van hare ruwe bewakers?
En dan... is zij niet krijgsgevangene? Heeft de vijand zich niet meester
van haar gemaakt, terwijl zij als aanvoerder van hare troepen in volle
actie was? Wie weet, of niet een dezer dagen hare vrienden haar zullen
komen bevrijden? Welnu in dat geval zullen zij haar terugvinden zooals
zij hen verlaten heeft.

Zij smeekt met tranen in hare oogen, maar te vergeefs.

Jeanne: »Is het dan niet mogelijk de Mis te hooren zooals ik ben? Ik
verlang het zoo vurig. Wat de voorwaarde betreft, dat ik van kleeding
moet veranderen, daar kan ik niet aan voldoen, dat is niet in mijn
macht.«

Men blijft weigeren.

Jeanne: »Ik kan niet veranderen; moet ik dan verstoken blijven van het
Sacrament? Ik smeek U, mijne heeren, staat mij toe de Mis te hooren in
manskleeren. _Deze kleeding verandert toch mijn ziel niet_, en het is
toch niet in strijd met de wetten van de Kerk!«

       *       *       *       *       *

Maar hare tranen en haar smeeken zijn niet bij machte de dorre en
verstokte zielen van hare rechters te vermurwen. Geen enkele is er die
het voor haar opneemt of haar te hulp durft komen. Is onder al deze
priesters dan geen enkele man?....

Een nieuwe weigering en daarmede is het incident gesloten.

       *       *       *       *       *

Den 27en Maart, dus den Dinsdag na Palmzondag, begint het gewone
proces. Ter elfder ure biedt men haar nu een raadsman aan. »Omdat zij
niet geleerd genoeg is en niet genoeg onderricht in deze netelige
kwesties«, mag zij uit hare rechters er een kiezen die haar zal
bijstaan. Uit een oogpunt van onpartijdigheid is dit zeker een hoogst
bedenkelijk aanbod; bovendien komt het veel te laat, nu hare rechters
reeds alle materiaal tegen haar verzameld hebben, en hun oordeel in deze
zaak reeds gevestigd hebben. Zij wijst het aanbod dan ook af, wel is zij
het gezelschap dankbaar voor de goede bedoeling, maar ook in het vervolg
zal zij zich slechts houden aan Gods raad.

Het uittreksel van d'Estivet, saamgevat in zeventig artikelen, wordt
haar voorgelezen. Men vindt daarin o. m. reeds de voornaamste punten van
beschuldiging die ook zullen voorkomen in het eindvonnis. Men heeft
Jeanne schuldig bevonden aan toovenarij, ketterij, afvalligheid van het
geloof; zij wordt genoemd onkuisch en bloeddorstig. De beklaagde hoort
alles rustig aan. Slechts een enkele maal onderbreekt zij de voorlezing,
om nogmaals een herhaling te geven van de door haar reeds vroeger
afgelegde belijdenis.

Jeanne: »Ik geloof, dat de Paus te Rome, de bisschoppen en andere
geestelijken zijn aangesteld om het Christelijk geloof te bewaken, en om
hen te straffen, die daarin tekort schieten, maar wat mij betreft, mijne
daden zal ik slechts onderwerpen aan het oordeel van de Hemelsche Kerk,
d.w.z. aan God, aan de Maagd Maria, en aan de Heiligen in het Paradijs.
Ik geloof vast niet in mijn geloof tekort gekomen te zijn, en voor niets
ter wereld zou ik daarin willen tekort komen.«

Hier breekt het Latijnsche rapport af; het Fransche heeft nog de
woorden: »en ik verzoek....«

Volgens de verklaring van één der assessoren, genaamd La Pierre,
volgde hier een beroep op het Concilie van Bazel, waarvan deze zelfde
dominicaner haar de beteekenis had duidelijk gemaakt. Maar Cauchon viel
haar woedend in de rede met een kort en bondig: »Zwijg voor den duivel«
en verbood den notaris dit beroep in het proces-verbaal op te nemen.
Jeanne van haar kant verweet hem toen, zeer terecht, dat men opschreef
wat tegen haar was, maar niet hetgeen ten haren gunste getuigde.

       *       *       *       *       *

In een speciaal verhoor in haar kerker, ondervraagt Cauchon haar
den 31en Maart nog eenmaal uitvoerig over haar onderwerping aan de
strijdende Kerk. De zes vertegenwoordigers van de Parijsche Universiteit
wonen dit verhoor bij als eenige getuigen.

Maar Jeanne is niet van haar stuk te brengen. Haar geloof en haar
vertrouwen staan vast. Alles wat zij gedaan, gezegd en geantwoord heeft
betreffende hare visioenen en openbaringen, heeft zij gedaan en gezegd
uit naam van God. Voor niets ter wereld zou zij iets anders verklaren.
Wanneer de strijdende Kerk hare visioenen en openbaringen uitmaakt voor
hersenschimmen uit den Booze zal zij zich slechts beroepen en verlaten
op God alleen. O zeker, zij gelooft wel dat ook zij onderworpen is aan
de strijdende Kerk, maar.... _God moet eerst gediend zijn._

Jeanne: »Mijne antwoorden zijn geen eigen verzinsels; maar zij zijn mij
ingegeven door mijne stemmen. Mijne stemmen hebben mij bevolen niet
ongehoorzaam te worden aan de Kerk, maar.... _God moet eerst gediend
zijn._« Kan het duidelijker, kan het zuiverder, kan het waarachtig
godsdienstiger?

       *       *       *       *       *

Uit de zeventig artikelen, opgemaakt door d'Estivet, besluit men
nogmaals een uittreksel te maken. Nicolas Midy wordt met de redactie van
dit nieuwe uittreksel belast. Hij vervaardigt de om hunne onjuistheid en
valschheid zoo beruchte twaalf artikelen.

In het kort bevatten deze twaalf artikelen natuurlijk de voornaamste
beschuldigingen tegen Jeanne, maar de feiten zijn dikwijls scheef
voorgesteld, hare antwoorden zijn dikwijls verkeerd weergegeven en wat
zeker wel het verfoeilijkst is: de twaalf artikelen waarop de verdere
beraadslagingen en ook het eindvonnis gebaseerd zijn geweest, werden
Jeanne nooit voorgelezen.

De sprong te Beaurevoir wordt voorgesteld als een poging tot zelfmoord,
terwijl bij het verhoor juist gebleken was dat van zelfmoord geen sprake
was.

Op insinueerenden toon wordt haar verweten, dat zij zich op hare tochten
nooit onder de hoede stelde van een vrouw. Maar de verklaring van Jeanne
hoe zij voor haar kuischheid wist te waken wordt verzwegen; van het
rapport van de deskundigen, waaronder de hertogin van Bedford, die haar
onderzocht en maagd bevonden hadden, wordt geen melding gemaakt.

In hun domheid maken zij zelfs Jeanne er een verwijt van, dat zij
verklaard heeft, dat hare stemmen geen engelsch spreken, omdat zij op
de hand der Franschen zijn. Wanneer hare Heiligen geen Fransch tot haar
gesproken hadden, hoe had Jeanne ze dan kunnen verstaan, en hoe had het
arme kind, dat zelf geen enkele vreemde taal kende, moeten constateeren
of het Engelsch of iets anders was?

       *       *       *       *       *

In een bijeenkomst op den 13en April worden de twaalf artikelen
besproken, elke rechter zegt afzonderlijk zijn meening. De meesten zijn
zeer hard en streng in hun oordeel. Enkelen slechts, n.l. Jean Alespée,
Jean Basset en Raoul Sauvaige zijn Jeanne wat beter gezind en durven
zelfs iets mompelen omtrent een beroep op het Concilie van Bazel.

Maar Jeanne is ziek, ernstig ziek: men vreest voor haar leven. Is het
wonder dat na alles wat zij in de laatste weken naar lichaam en naar
ziel heeft moeten verdragen, hare krachten haar begeven?

Opgesloten in een ellendigen kerker met boeien aan handen en voeten; dag
en nacht bewaakt door ruwe, laaghartige soldaten die haar bespotten,
tergen en beleedigen en daar tusschen door uren lang afgebeuld door
moeilijke en pijnlijke verhooren. Wie zou daar tegen bestand zijn? O,
ware het de rampzalige gegeven geweest, toen rustig heen te gaan, haar
verlossing tegemoet, welk eene ellende, welk eene vernedering zou haar
bespaard zijn gebleven.

Haar lichaam is afgetobd en krank, maar haar geest blijft onveranderlijk
helder.

Hare beulen laten haar ook nu niet met vree. Tot in haar kerker en op
haar leger vervolgen zij haar, steeds met dezelfde grieven, steeds met
dezelfde verwijten. Maar niets kan haar rots-vaste geloof doen wankelen,
ook nu niet, nu mogelijk haar einde nadert. Wat er ook moge gebeuren,
zij zal niet anders kunnen verklaren, dan wat zij reeds in het proces
gezegd heeft. Nog heeft zij haar vertrouwen in de menschen, ja zelfs in
hare vijanden, niet geheel verloren. Zij rekent er vast op dat, zoo zij
mocht sterven in de gevangenis, men haar zal begraven in gewijde aarde.
Doet men dit niet, dan verlaat zij zich ook hierin op God.

Jeanne: »Ik ben een goede christin, ik ben gedoopt, ik zal als goede
christin sterven«.

Dit bezoek had plaats den 18en April. Den 2en Mei is Jeanne hersteld.

Hare stemmen hebben haar in dien tusschentijd weer moed ingesproken.
Zelfs de Aartsengel Gabriël is haar verschenen en heeft haar geraden
zich in alles op den Heer te verlaten, Hij zal haar helpen. Met nieuwen
moed bezield verschijnt zij voor hare drie en zestig rechters.

Het eerst wordt zij toegesproken door Jean de Chatillon. Hij vangt aan
met een ernstige vermaning, maar op bijna minzamen toon uitgesproken, en
wijst haar op hare fouten, maar zijn toespraak eindigt met bedreigingen
met dood en brandstapel. Op dienzelfden toon spreken nog enkele andere
rechters haar toe.

Voor het eerst wijst men haar in het openbaar op de noodlottige, doch
onvermijdelijke gevolgen van haar dwaling.

Wil zij zich dan niet onderwerpen aan het Heilig Concilie, of aan den
Heiligen Vader, den Paus?

Haar antwoord is kort:

»Breng mij voor hem, ik zal hem antwoorden!«

       *       *       *       *       *

Dan biedt men Jeanne aan wat zij voor den aanvang van het proces
verlangd heeft: bijstand van priesters van haar eigen partij. Wat zouden
die thans nog voor haar kunnen doen?

»Geef mij een bode«, antwoordt zij op dit aanbod, »en ik zal hem
schrijven wat ik denk over het geheele proces, zooals gij het gevoerd
hebt.«

Nog één hamerslag, steeds op het zelfde aanbeeld, maar daarin klinkt een
zekere wanhoop en vertwijfeling van de zijde van hare rechters.

»Zeg ons dan een reden, een enkele slechts, waarom gij weigert U op de
Kerk te verlaten.«

Maar Jeanne zwijgt. Men wil niet hooren, men wil haar niet begrijpen.
Zij heeft niets meer toe te voegen aan de reeds zoo herhaaldelijk door
haar afgelegde verklaringen: men weet het toch, zij kan niet anders.

       *       *       *       *       *

Nog is er een middel om Jeanne mogelijk tot spreken te dwingen en haar
misschien tot andere gedachten te brengen: de pijnbank.

Den negenden Mei brengt men Jeanne in het vertrek, waar zich de pijnbank
en de folterwerktuigen bevinden. Men toont haar de werktuigen en de
scherprechters, die gereed staan hun werk te beginnen. Dan leest men
haar voor de artikelen, waarop zij tot nu toe geweigerd heeft te
antwoorden. Maar Jeanne laat zich niet bang maken, zij zwicht niet,
zelfs niet voor het dreigement met de pijnbank. Zij blijft bij hetgeen
zij tot nu toe gezegd heeft en als zij op de pijnbank iets anders
verklaarde, zou zij toch altijd later zeggen, dat men haar er toe
gedwongen had.

Onder deze omstandigheden acht Cauchon het voorloopig nutteloos om tot
een foltering over te gaan.

In een bijeenkomst te zijnen huize wordt de zaak nog besproken. De
meeningen loopen uiteen. Enkelen vreezen dat het vergeefsche moeite zal
zijn, daar zij veronderstellen, dat Jeanne van den duivel de gave der
stilzwijgendheid heeft ontvangen. Anderen achten haar te verstokt en
de gunst van een foltering onwaardig: het zijn degenen wier oordeel
reeds gevestigd is. Nicolas Loiseleur was een van degenen, die van een
foltering »als medicijn voor haar ziel« wel eenig heil verwachtte en
dus voor de pijnbank stemde. De meerderheid is van oordeel dat voor het
oogenblik geen reden bestaat om tot de foltering over te gaan: aldus
wordt besloten en de pijnbank is het eenige wat Jeanne bespaard is
gebleven.

       *       *       *       *       *

Daarna vertrekken de zes afgevaardigden van de Sorbonne naar Parijs,
gewapend met de Twaalf Artikelen. Dadelijk na hun aankomst komen de
geleerde heeren bijeen om te overleggen. Eerst vergadert elke faculteit
apart, daarna vereenigen zij zich in een algemeene vergadering, waarin
het onderzoek van de zaak wordt verwezen naar de theologische faculteit
en de faculteit voor Kerkelijk Recht.

Na veertien dagen zijn de beide faculteiten met hun onderzoek gereed,
en deelen in een nieuwe algemeene vergadering van de Universiteit hunne
conclusies mede. Het resultaat is, zooals te verwachten was, voor
Jeanne vernietigend. Men noemt haar verraderlijk, trouweloos, wreed,
bloeddorstig, afvallig, leugenachtig. Uitgemaakt wordt doodeenvoudig
dat hare Heiligen, booze geesten waren en wel Bélial, Satan en Béhémot.
De eer van deze uitvinding komt toe aan de Theologische Faculteit,
terwijl daarentegen de faculteit voor Kerkelijk Recht er zich weer op
mag beroemen o.a. te hebben uitgemaakt in art. 3 van haar rapport,
dat Jeanne een afvallige was, »omdat zij zich met verkeerde oogmerken
het haar had laten afknippen, dat God haar gegeven had, om haar hoofd
te bedekken«. Beide faculteiten zijn eenstemmig van oordeel dat
Jeanne behoort te worden overgeleverd aan het wereldlijk gezag, en
overeenkomstig hare misdrijven behoort gestraft te worden. De algemeene
vergadering neemt het advies van de commissie van onderzoek over en
maakt het tot het hare.

Het resultaat van de beraadslagingen wordt naar Rouaan verzonden met een
ellenlang begeleidend schrijven aan den bisschop Cauchon, waarin deze
hemelhoog wordt geprezen om zijn zeer bijzondere christelijke liefde
en de uitnemende, krachtige wijze waarop hij het proces voert tegen die
vrouw, die men Maagd noemt, doch wier gift zich ver verspreid heeft en
de christelijke kudde in bijna het geheele Westen heeft besmet en
verpest.

Zoodra de uitspraak van de Sorbonne in Rouaan is overgebracht, komen
Jeanne's rechters in completen getale bijeen. Het oordeel van de
Universiteit maakt hun de zaak veel gemakkelijker, neemt hun een groot
deel van de verantwoordelijkheid van de schouders: zij sluiten zich
gaarne bij dat oordeel aan.

Den 23en Mei wordt het resultaat van de beraadslagingen van de
Parijsche Sorbonne aan Jeanne voorgelezen door den jongste der zes
afgevaardigden: Pierre Maurice. Hij spreekt haar daarna toe in een lange
redevoering, maar zijn toon is kalm vermanend, bijna vertrouwelijk.
Hij vergelijkt haar ongehoorzaamheid aan de geestelijken, dat is aan de
officieren van Christus, bij de ongehoorzaamheid van een ridder aan de
bevelen van den koning en diens officieren. Hij tracht op haar gevoel
te werken. Aan het eind van zijn rede genaderd vraagt hij aan Jeanne,
die hem kalm en aandachtig heeft aangehoord, of zij niet tot inkeer wil
komen en hare daden en gezegden wil onderwerpen aan het oordeel van de
strijdende Kerk. Doch geen menschelijke welsprekendheid is bij machte
haar te doen wankelen. Zij belijdt voor de zooveelste maal:

Jeanne: »Wat ik gezegd en volgehouden heb in het proces, handhaaf ik ook
thans nog. Wanneer ik veroordeeld was en ik zag den beul gereed om het
vuur aan te steken, ik zag de takkenbossen branden en ik stond midden in
het vuur, dan nog zou ik niets anders zeggen, en wat ik verklaard heb in
het proces, zou ik volhouden tot aan den dood.«

In margine vinden wij bij dit antwoord de ongevraagde opmerking van den
griffier: Responsio Johannae superba.

       *       *       *       *       *

Dan sluit Cauchon de beraadslagingen en bepaalt de uitspraak van het
vonnis op den volgenden dag.

       *       *       *       *       *

Nog enkele uren dus en het onherroepelijke woord, dat Jeanne vonnist,
zal gesproken worden. Nog is het niet te laat, nog is er redding
mogelijk.

Ik sprak soms op bitteren toon over Jeanne's rechters en noemde ze hare
beulen. Ik neem hiervan niets terug, want, weliswaar leven wij met
Jeanne in een tijd van oorlog, maar hare rechters waren Franschen,
tenminste verreweg de meesten en bovendien, wat nog bezwarender is, het
waren geestelijken.

Maar hoe dan te oordeelen over hare vrienden, over hare bloedverwanten?
Zijn zij niet medeplichtig aan haren dood?

Niemand van haar partij heeft een woord gesproken, een vinger
uitgestoken om haar te verdedigen of te bevrijden. Onder Jeanne's
familieleden waren geestelijken: waarom zijn die dan niet naar Rouaan
gegaan om te getuigen, waarom hebben die van hun kant de hulp van den
Paus niet ingeroepen? De geestelijken, doctoren en advocaten, die door
de Engelschen en Bourgondiërs uit Parijs verjaagd waren, waarom hebben
die geen van allen geprotesteerd? De Bisschop van Reims, die aan Jeanne
zooveel te danken had, waarom is hij niet tusschenbeide gekomen door
gebruik te maken van zijn recht om Cauchon, zijn wij-bisschop, tot de
orde te roepen? De raadslieden van Karel VII, de priesters uit de naaste
omgeving van den koning, de doctoren te Poitiers die Jeanne ondervraagd
hadden, waarom hebben ze allen een misdadig stilzwijgen bewaard?

En dan eindelijk de koning zelf; waarom doet Karel VII geen beroep bij
den Paus, waarom brengt hij de bisschoppen en andere geestelijken, die
hem trouw zijn gebleven, niet in actie, waarom doet hij geen enkele
poging om Jeanne met geweld van wapenen te bevrijden? Is hij alles
vergeten wat Jeanne voor hem gedaan heeft, wil hij het zich niet
bekennen dat het de bezieling is geweest, die van haar uitging, die zijn
eigen troepen nieuwe moed heeft gegeven, dat haar verschijning, haar
naam soms voldoende was om verwarring te brengen onder de vijanden? Weet
hij niet meer, dat het Jeanne is geweest die hem naar Reims gebracht
heeft? Was zij niet zijn »porte-bonheur?« Waarom waagt hij dan, al was
het slechts uit welbegrepen eigenbelang, geen poging haar te redden?

Ik voor mij geloof, dat op al deze vragen één en hetzelfde antwoord
kan gegeven worden. Wij behoeven niet te zoeken op politiek gebied,
naar geheime beweegredenen, ook is het niet noodzakelijk een fijnere
détailstudie van het karakter van Karel VII te maken. Ik ben overtuigd,
dat wij den vinger op de wonde plek leggen indien wij zeggen: zij
durfden niet.

Van het oogenblik af, dat uitgemaakt was, dat Jeanne terecht zou staan
voor een geestelijke rechtbank, durft niemand meer een mond open doen of
een vinger verroeren. Zelfs de collega's en gelijken van Cauchon zijn
daarmede ontwapend.

Voor hen, evengoed als voor de lagere geestelijken, en zelfs voor den
koning is het buitengewoon gevaarlijk zich te mengen in een geestelijk
proces, of in de zaken van de Inquisitie.

De Kerk zal spreken, en dan heeft elk geloovige te zwijgen op gevaar van
zelf in botsing met de Inquisitie te komen.

Hierin schuilt m. i. het geheele geheim waarom enkele van de rechters
zich laten dwingen de verhooren bij te wonen, waarom niemand van hare
vrienden, waarom de koning, ja zelfs haar eigen broeders, die aan haar
zijde hadden gestreden, in het proces te Rouaan geen partij durven
kiezen voor de arme beklaagde, en op een afstand zullen moeten aanzien
dat Jeanne beleedigd, mishandeld en eindelijk ter dood gebracht wordt.

Jeanne toont ook hier haar waarachtige grootheid. Zij beschouwt ook
dezen tegenslag, deze ellende als een gevolg van Gods wil: zij berust.
Geen verwijt over de ontrouw of de lafhartigheid van hare vroegere
vrienden komt over hare lippen; integendeel, zij blijft ze steeds een
goed hart toedragen en verdedigen: haar liefde en bewondering voor den
koning behoudt zij tot het einde toe.

       *       *       *       *       *

In den morgen van den 24en Mei bezoekt Jean Beaupère Jeanne in haar
kerker, ook ontmoet ze Nicolas Loiseleur nog. Beiden trachten haar nog
te overreden zich te onderwerpen aan de Kerk en Loiseleur doet haar
zelfs valsche beloften en valsche voorspiegelingen. Wij behoeven niet
alle beschuldigingen te gelooven, die in het tweede proces tegen Nicolas
Loiseleur zijn uitgesproken, maar vast staat het wel, dat deze kanunnik
de Judasrol tegenover Jeanne heeft gespeeld.

Onder voorwendsel een gevangene van haar partij te zijn, heeft hij haar
vertrouwen weten te winnen en haar zelfs de biecht afgenomen, terwijl
hij wist, dat zijne gesprekken met Jeanne in het belendende vertrek
werden afgeluisterd en opgeteekend. Ook nu bij de zoogenaamde afzwering
staat Loiseleur aan haar zijde en zal het gedeeltelijk op zijn
aandringen zijn, dat Jeanne het perkament teekent, dat men haar
voorhoudt.

Evenals Judas zou ook hij zijn ure van wroeging en berouw gehad hebben,
waarin hij handenwringend en in wanhoop Jeanne volgde en om vergeving
smeekte op haar laatsten tocht naar de Oude Markt. Men brengt Jeanne nu
in een open kar onder gewapend geleide naar het ruime kerkhof van den
abdij van Saint Ouen, waar zij nogmaals plechtig en in het openbaar zal
worden toegesproken en waar de scène van de zoogenaamde afzwering zal
plaats hebben.

Op dit kerkhof heeft men voor deze gelegenheid een groote tribune
gebouwd tegen het schip van de kerk. Daarop hebben plaats genomen
Pierre Cauchon, Bisschop van Beauvais, Jean Lemaître, Vicaris van den
inquisiteur, de Kardinaal van Winchester, verder alle hooge en lagere
geestelijken, die aan het proces hebben deel genomen, en verscheidene
hooggeplaatste Engelsche heeren. Rondom het kerkhof verdringt zich een
dichte menigte, die door Engelsche soldaten op een eerbiedigen afstand
wordt gehouden.

Op een kleine verhevenheid tegenover de groote tribune bevindt zich
meester Guilleaume Erard. Zeer tegen zijn zin heeft men hem aangewezen
om Jeanne in deze plechtige bijeenkomst toe te spreken, zooals het
gebruik van de Heilige Inquisitie dat meebracht.

Dan brengt men Jeanne in den kring: zij draagt manskleeren, en hoewel
zichtbaar onder den indruk, eenigszins beduust door de openlucht en het
volle zonlicht treedt zij kalm en vastberaden voorwaarts. Men plaatst
haar op de verhevenheid naast Guilleaume Erard, en zoodra men stilte
heeft verkregen onder de talrijke aanwezigen, neemt deze het woord.

Hij heeft zich als tekst voor zijn toespraak gekozen het woord uit het
Evangelie naar Johannes, hoofdstuk XV: »De rank kan geen vrucht dragen
van haar zelven, zoo zij niet in den wijnstok blijft.« »Zoo moeten
dan ook alle katholieken in den wijnstok blijven van onze Heilige
Moederkerk, die de hand van onzen Heere Jezus Christus heeft geplant.«

In den loop van zijn heftige toespraak herhaalt hij, de verschillende
punten van beschuldiging tegen Jeanne, en zet die nader uiteen. Op haar
is zeer zeker van toepassing het woord van dezen tekst: Zij heeft de
Moederkerk verlaten, is van de eene dwaling in de andere, van de eene
misdaad in de andere vervallen, en heeft op duizenderlei wijze het
christelijke volk geërgerd. Nooit te voren was er een grooter monster
dan Jeanne in Frankrijk.

De arme Jeanne hoorde dit schelden en schimpen rustig aan: zij was er in
de laatste maanden reeds aan gewoon geraakt.

Maar zoodra hoort zij niet den naam des konings noemen, of zij richt
zich op, luistert met dubbele aandacht, en al de oude strijdlust wordt
weer in haar wakker. Waarschijnlijk om de aanwezige Engelschen in het
gevlei te komen valt Guilleaume Erard Karel VII heftig aan. Dan richt
hij zich uitdrukkelijk tot Jeanne met de woorden:

»Jeanne ik spreek tot U en ik zeg U dat Uw koning is een ketter en een
afvallige.«

Dat is te veel voor de arme Jeanne. Die woorden krenken haar in het
diepst van haar ziel. Een groote ontroering maakt zich van haar meester,
hare Heiligen verschijnen haar, zij hoort hare stemmen. Zij raden haar:

»Antwoord hem flinkweg, dien prediker die U toespreekt.«

En oogenblikkelijk stuift zij op en valt Guilleaume Erard in de rede:

Jeanne: »Voorwaar, Messire, met allen eerbied, ik durf te verklaren
en zweren op straffe des doods, dat hij de edelste Christen van alle
Christenen is, die het geloof en de Kerk het meest liefheeft; en hij is
niet zooals gij zegt«.

Erard, vertoornd over deze onderbreking, laat Jeanne door den
deurwaarder tot zwijgen brengen. Hij is het einde van zijn preek
genaderd en komt nog eenmaal op het oude thema terug: wil zij hare
woorden en daden onderwerpen aan het oordeel van de Kerk.

Maar wat zij gedaan heeft, deed zij uit naam van God, niemand heeft
daar schuld aan, noch de koning, noch iemand anders. Dan doet zij een
officieel beroep op den Paus. Het laffe antwoord van de rechters, dat de
Paus te ver weg is, en men hem niet kan gaan halen, slaat haar niet uit
het veld. Laat men haar dan naar den Paus brengen en laat die haar dan
ondervragen. Zij wil niet, dat men een uittreksel uit het proces-verbaal
van dit proces, ter beoordeeling van den Paus, naar Rome zendt, daar
heeft zij geen vertrouwen in, men kan daarin zetten wat men wil. Neen,
zelf en in persoon wil zij zich tegenover den Heiligen Vader
verantwoorden.

Op eene laatste vermaning komt hetzelfde antwoord: zij herroept niets
van hetgeen zij heeft verklaard.

Hiermede is de zaak beslist.

Het woord is thans aan Cauchon. Van de twee vonnissen, die hij bij zich
heeft, één voor het geval Jeanne ter elfder ure tot inkeer zou komen,
het andere voor het geval zij in hare dwaling bleef volharden, heeft hij
het laatste te voorschijn gehaald. Hij is opgestaan en leest het vonnis.

Het bestaat uit een lange reeks van beschuldigingen, waarvan wij de
meesten reeds kennen. De rechters hebben »met Christus en de eer van het
orthodoxe geloof voor oogen« Jeanne schuldig bevonden aan: leugen, aan
de uitvinding van zoogenaamde goddelijke verschijningen en openbaringen,
aan betoovering, bijgeloof, waarzeggerij, Godslastering, verachting van
God zelf in zijne Heilige sacramenten, enz. enz.

Cauchon leest langzaam verder en onderwijl dringen er nog enkele
rechters, waaronder Guilleaume Erard en Loiseleur, bij Jeanne op aan,
dat zij zal afzweren. Nog is het tijd, houden zij haar voor.

»Onderwerp je aan de kerk«, zegt Erard, die persoonlijk gaarne zou zien
dat de afzwering van Jeanne kon worden aangemerkt als de vrucht van zijn
toespraak. »Beloof dat je weer vrouwenkleeren zult aantrekken«, dringt
Loiseleur aan, en beiden dreigen ze met den brandstapel. Erard heeft
eene verklaring van afzwering gereed en houdt die Jeanne voor.

Dan geeft Jeanne een teeken en Cauchon onderbreekt oogenblikkelijk de
voorlezing van het vonnis.

Een volkomen juist en getrouw beeld geven van hetgeen nu gebeurt is niet
geheel mogelijk: er blijft vooralsnog één duister punt.

Vast staat dat zoodra Cauchon zwijgt er eenige verwarring ontstaat onder
de Engelsche soldaten en zelfs eenig rumoer onder de Engelsche heeren op
de tribune. Zij begrijpen niet geheel wat er gebeurt, maar zij vreezen
verraad en zijn bang dat Jeanne hun ontsnapt. Warwick bijt Cauchon toe:
»De zaken van den koning gaan slecht, die vrouw zal ons nog ontglippen.«

Cauchon tracht hem gerust te stellen en mompelt: »Wees maar niet bang,
wij zullen haar wel weer vangen.«

Maar ook andere Engelschen maken het hem lastig en beschuldigen hem
zelfs openlijk van verraad. Dan stuift Cauchon op, dat laat hij zich
niet zeggen. Hij is beleedigd, hij wil niet verder procedeeren voor men
hem voldoening gegeven heeft. Is hij als rechter in geloofszaken niet
verplicht eerder het heil van die vrouw te zoeken dan haar dood? zoo
huichelt hij. Warwick brengt de andere heeren tot kalmte. Cauchon's
verklaring »wij zullen haar wel weer vangen« heeft hem voldoende
gerustgesteld, dat de zaak bij dezen rechter nog steeds in goede handen
is.

Op de kleine verhooging midden in den kring is al even veel verwarring
als op de groote tribune. Van alle kanten bestormt men Jeanne, dat zij
de verklaring van Erard zal teekenen. Uit de menigte, die voor een deel
bestaat uit Franschen, die haar sympathiek zijn, roept men haar toe,
dat zij moet doen, wat men haar aanraadt en zoodoende haar leven moet
redden. Jeanne wil nog een uitstel om de zaak te overwegen en om hare
stemmen te raadplegen. Zij vraagt aan Jean Massieu wat zij doen moet.
Maar men wil ditmaal van geen uitstel weten en ook Jean Massieu dringt
er op aan, dat zij teekenen zal, en wel nu dadelijk nu het nog tijd is.

Jeanne geeft toe; tenminste afgaande op de voorspiegelingen en beloften
die men haar doet, teekent zij een stuk, dat men haar voorhoudt, en
waarvan men haar in de verwarring met enkele woorden den inhoud heeft
medegedeeld.

Maar wat heeft men haar beloofd, wat heeft er in het stuk gestaan,
dat Jeanne teekende en eindelijk, hoe heeft zij geteekend? Zie hier
het duistere punt, waarop ik zooeven zinspeelde. Zeker heeft men haar
beloofd, dat wanneer zij teekende, zij voortaan zou behandeld worden als
een gevangene van de Kerk en dus onder toezicht zou komen van vrouwen in
plaats van Engelsche soldaten. Dit blijkt overtuigend uit hetgeen Jeanne
zegt aan het einde van deze plechtigheid. Maar welk stuk heeft zij
geteekend en hoe? De verklaring van afzwering, die zich in het dossier
bevindt, draagt geen handteekening, doch een kruisje. Nu is het nagenoeg
zeker, dat Jeanne in die dagen het zoover gebracht had, dat zij ten
minste haar handteekening kon plaatsen. In dat geval is een stuk met een
kruisje geteekend niet geldig.

Wat verder den inhoud van het stuk betreft hebben wij in de eerste
plaats de verklaring door Jeanne zelf twee dagen later gegeven, dat zij
begrepen had, dat het er om ging dat zij van kleeding zou veranderen en
bovendien de zeer bezwarende verklaring door Jean Massieu in het proces
van rehabilitatie afgelegd en door nog verscheidene andere getuigen
bevestigd, dat het lange latijnsche stuk, dat zich in het dossier
bevindt, een geheel ander is als de korte Fransche verklaring, die
Massieu aan Jeanne heeft voorgelezen en die zij onderteekend heeft.
Maar bovendien, heeft zij Erard, op zijn krachtig aandringen niet kalm
toegevoegd: »U geeft U werkelijk te veel moeite om mij te verleiden«.

En was Jeanne niet gedurende de geheele plechtigheid volkomen rustig?
Stond zij niet, tot groote verontwaardiging van hare Engelsche vijanden,
glimlachend te midden van de priesters die haar tot teekenen trachtten
te bewegen? Zou zij dan glimlachend de overtuiging en het geloof,
waarvoor zij reeds zooveel geleden had, en die zij zoo dapper al die
weken, in een strijd op leven en dood, verdedigd had, prijs gegeven
hebben?

Neen, driewerf neen! Men heeft haar misleid, er heeft vervalsching of
verwisseling van de processtukken plaats gehad, maar Jeanne heeft niet
afgezworen.

       *       *       *       *       *

Als Cauchon eindelijk weer het woord neemt is het thans om het andere,
het minder strenge vonnis voor te lezen, waarbij Jeanne veroordeeld
wordt tot levenslange gevangenisstraf, op water en brood, of zooals het
in de latijnsche vertaling van het vonnis luidt: »in perpetuum carcerem,
cum pane doloris et aqua tristitiae«, om hare zonden en fouten te
beweenen.

       *       *       *       *       *

Daarna is de plechtigheid afgeloopen. Jeanne verwacht nu, dat men de
zooeven afgelegde belofte zal nakomen en zegt tot hare rechters:

»Welnu dan, heeren geestelijken, brengt mij in Uwe gevangenissen, en
levert mij niet meer over in handen van die Engelschen!«

Men had haar schandelijk bedrogen. Trouwens wat Jeanne vroeg, omdat men
het haar beloofd had, was niet mogelijk, want met de Engelschen was
uitdrukkelijk overeengekomen, dat Jeanne hun na het proces weer zou
worden uitgeleverd.

Het laatste woord is aan hem, die Warwick toegefluisterd heeft: »Wees
maar niet bang wij zullen haar wel weer vangen.«

Als eenig antwoord op haar bede, geeft Cauchon aan de bewakers van
Jeanne het korte, doch voor haar vernietigende bevel:

»Brengt haar daar waar gij haar vandaan gehaald hebt.«

       *       *       *       *       *

Zoodra Jeanne weer terug is in haar ouden kerker en men haar opnieuw in
ketenen heeft vastgeklonken, wordt zij herinnerd aan de belofte om van
costuum te veranderen. Zij is daartoe thans bereid, en trekt een japon
aan, die de hertogin van Bedford voor haar heeft laten maken. Evenals
Aimond de Macy op het kasteel Beaurevoir, veroorlooft de kleermaker,
die Jeanne de japon brengt en haar behulpzaam is bij het aantrekken
ervan, zich een vrijmoedigheid, die Jeanne zoo boos maakt, dat zij hem
een fermen oorvijg geeft. Het haar van Jeanne, dat zij droeg als de
krijgslieden van dien tijd, wordt afgeknipt.

Zoo laat men dit negentienjarige meisje, thans weer als vrouw gekleed,
dag en nacht bewaken door Engelsche soldaten, d. w. z. door halve
bandieten, halve beesten. Wij herhalen het, dit is mogelijk wel de
wreedste en meest verfijnde marteling die men dit arme schepseltje heeft
laten ondergaan. Wel was Jeanne moedig en zou zij zich, zoo goed haar
ketenen dit toelieten, tegen aanrandingen hebben weten te verdedigen,
maar de hoon, de spot, de beleedigingen, de ruwe dronkemanstaal van
hare bewakers, die in hare tegenwoordigheid zaten te dobbelen en te
drinken, heeft zij moeten verduren en aanhooren. Onbeschrijfelijk moet
zij daaronder geleden hebben; toch houdt zij den strijd nog twee dagen
vol, dan legt zij haren japon af, steekt zich opnieuw in manskleeren,
en breekt hiermede de door haar afgelegde belofte.

Dit geschiedt in den morgen van den 27en Mei, op den Zondag van de
Heilige Drievuldigheid. Als wij de verklaring van den deurwaarder Maître
Jean Massieu in het proces van rehabilitatie moeten gelooven, is het
niet vrijwillig dat Jeanne hare belofte gebroken heeft, maar heeft men
er haar bepaald met geweld toe gedwongen, door in den nacht van den 26en
op den 27en Mei, terwijl zij sliep, hare vrouwenkleeren te verbergen en
het mans-costuum voor haar gereed te leggen. Zij moet zelfs aanvankelijk
geweigerd hebben het verboden costuum weer aan te trekken, er op
wijzende, dat dit in strijd zou zijn met hare belofte, maar ten slotte
was zij wel genoodzaakt toe te geven, aangezien zij voor een zuiver
menschelijke behoefte het bed en zelfs een oogenblik haar kerker moest
verlaten. (»Intendens ventrem purgare«).

In de getuigen-verklaringen van het proces van rehabilitatie komen
evenwel meerdere dergelijke verhalen voor van schandelijk bedrog,
van ten hemel schreiend verraad. Wij aanvaarden ze met de noodige
voorzichtigheid en wij hebben ze trouwens niet noodig. De geschiedenis
zooals wij haar kennen uit de feiten die onomstootelijk vaststaan, is
reeds verschrikkelijk en tragisch genoeg.

Het bericht van Jeanne's weder-afvalligheid ging als een loopend vuur
door de stad. Oogenblikkelijk zetten hare rechters en vijanden zich in
beweging. De door Cauchon verwachte gelegenheid om haar weder te vangen,
biedt zich aan. Jeanne is verloren.

Den volgenden morgen begeeft Cauchon zich met verscheidene andere
rechters naar het kasteel waar Jeanne gevangen zit. Onderweg worden zij
bespot en uitgejouwd door een troep Engelsche soldaten. De griffier van
het proces wordt ontboden. Men vindt Jeanne in manskleeren, maar zij is
diep terneer geslagen, afgetobd en in tranen.

Als men haar naar de reden vraagt antwoordt zij, dat het haar, nu zij
onder mannen verkeert, behoorlijker voorkomt, dat zij ook manskleeren
draagt en verder: »Ik heb niet begrepen wat de verklaring van afzwering
behelsde. Ik heb niets willen herroepen, dan wat God verlangde.... Als
de heeren er op staan zal ik weer vrouwenkleeren aandoen, maar dan moet
men ook volbrengen wat men mij beloofd heeft en mij in een kerkelijke
gevangenis brengen. Verder zal ik niets doen«.

In margine teekent de griffier hier weer bij aan: »Responsio mortifera«.

Ondanks den wanhopigen toestand, waarin zij Jeanne aantreffen, hebben
Cauchon en de zijnen nog den treurigen moed, haar weer lastig te vallen
en te kwellen met de oude, bekende vragen omtrent de kroon in Reims en
het geheime teeken te Chinon.

Maar de ongelukkige Jeanne staat ze hierover niet meer te woord. Zij
kan niet meer, zij is geestelijk lam geslagen. Dan liever op eenmaal
boete gedaan met haar leven, dan langer die eindelooze kwellingen en
pijnigingen te doorstaan. Wat geeft het haar of zij blijft strijden,
men zal niet rusten, dat voelt zij nu, voor men haar gedood heeft. Nog
één verzuchting van de wanhopige: »Ik wil liever sterven«, en dan zwijgt
zij.

Den volgenden dag komen de rechters bijeen in het aartsbisschoppelijk
paleis. De zaak is nu voor hen heel eenvoudig geworden. Zij zijn het
er over eens dat Jeanne zich heeft schuldig gemaakt aan meineed
en weder-afvallig is geworden, en aangezien de Kerk de door haar
uitgesproken doodvonnissen niet zelf voltrekt, zal de veroordeelde
worden overgeleverd aan den wereldlijken rechter.

De broeders Martin Ladvenu en Isambart de la Pierre krijgen de opdracht
de veroordeelde te gaan mededeelen, dat zij den volgenden dag zal
verbrand worden.

In den vroegen morgen van den 30en komen zij in den kerker van Jeanne.
Martin voert het woord. Als hij uitgesproken heeft, barst Jeanne in
een wanhopig snikken los. Daar ligt ze nu, het arme, moedige, lieve
schepseltje als verpletterd door deze vreeselijke tijding, daar ligt ze
nu alleen, door iedereen verlaten in haar ellende. Geen liefderijke hand
is er, die zich naar haar uitstrekt, geen woord van troost of medelijden
wordt tot haar gesproken. In dit oogenblik van angst en felle smart
hoort zij ook hare stemmen niet. Zij jammert en weeklaagt luid. »Haar
lichaam, dat zij tot het einde toe rein en ongerept heeft weten te
houden, zal dus verbrand en tot asch verteerd worden«, en voor het leed
en onrecht haar aangedaan, beroept zij zich op God, den rechter aller
rechters.

Nog verscheidene andere geestelijken en doctoren zijn onder Jeanne's
snikken haar kerker binnengekomen en kwellen haar met vragen. Zij
beantwoordt de meesten nog geduldig en gedwee, maar dan staat plotseling
Cauchon zelf op den drempel. Zij ziet in hem een van de hoofdoorzaken
van al haar leed en van haar dood. Zij richt zich op en met haar nog
betraande oogen ziet ze hem aan. Nog eenmaal staat ze daar in hare
maagdelijke fierheid, in de volle majesteit van hare tengere jeugd en
met dezelfde heldere, krachtige stem, waarmee zij op het slagveld hare
troepen had aangemoedigd en bezield, dondert zij haar rechter het
striemende verwijt tegemoet: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!«

       *       *       *       *       *

Broeder Martin neemt haar de biecht af. Jeanne is diep geroerd en
schreit bitter, als zij daarna voor de laatste maal de heilige Hostie,
het lichaam des Heeren ontvangt.

Wat moeten wij toch denken van deze tegenstrijdigheid? Diezelfde Kerk,
die een oogenblik te voren de arme Jeanne als ketterin verstooten had
en haar had overgeleverd aan den wereldlijken rechter, stemt er thans
in toe, dat men haar het Avondmaal toedient en zelfs dat het Sacrament,
zooals Ladvenu het uitdrukkelijk verzoekt, haar met alle mogelijke praal
en heerlijkheid wordt gebracht, door een gansche stoet van geestelijken
en met een menigte gewijde kaarsen. (»avec beaucoup de lumière«).

Van de pogingen die men daarna nog eenmaal gewaagd heeft om Jeanne tot
nieuwe bekentenissen te brengen, is later een proces-verbaal opgemaakt,
dat de griffier, die er bij tegenwoordig was, geweigerd heeft te
teekenen.

       *       *       *       *       *

Eindelijk om negen uur verlaat Jeanne voor goed den kerker en het oude
kasteel, waar zij honderd acht en zeventig bange dagen en nachten heeft
doorgebracht.

Zij is gekleed in een lange japon en op het hoofd draagt zij een kapje.
Met een gewapend escorte van tachtig Engelsche soldaten, voert men het
slachtoffer in een wagen naar het oude marktplein van Rouaan. Martin
Ladvenu en Massieu vergezellen haar. Zij schreit en bidt, en eenmaal
roept zij onderweg in wanhoop uit:

»Rouaan, Rouaan, zal ik hier dan sterven? Zult gij mijn laatste
woonplaats zijn?«

       *       *       *       *       *

Het marktplein is afgezet door Engelsche soldaten, waarachter zich een
dichte menigte van nieuwsgierigen verdringt. Aan de eene zijde van het
plein, op het kerkhof van de Saint Sauveur heeft men een groote tribune
gebouwd, waarop de rechters hebben plaats genomen, daartegenover
een kleine verhooging, waarop Jeanne zal worden tentoongesteld en
toegesproken, en eindelijk in het midden op een gemetselde verhooging,
een stapel takkebossen: de brandstapel. Aan een paal op den brandstapel
leest men het volgende opschrift:

»Jeanne, die zich laat noemen la Pucelle, leugenaarster,
volksmisleidster, Godslasteraarster, afvallige van het geloof van Jezus
Christus, ketterin, enz. enz.« in het geheel zestien beschuldigingen,
maar zestien valsche beschuldigingen, zestien leugens.

Ditmaal is het een van de zes afgevaardigden van de Parijsche
Universiteit, een dokter in de theologie en wel Nicolas Midy, die de
eer geniet de ongelukkige veroordeelde, in hare laatste oogenblikken, te
mogen toespreken, en hij doet dit, evenals Beaupère, zijn voorganger, in
heftige en beleedigende bewoordingen. Als tekst neemt hij een woord uit
den eersten zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs: (XII: 26). »En het
zij dat één lid lijdt, zoo lijden alle de leden mede.«

Dit woord van Paulus, op waardige wijze toegepast, zou zeker eenen
prediker met een hart, ook in deze omstandigheden, stof en gelegenheid
genoeg geboden hebben om Jeanne een oogenblik voor haar dood nog enkele
woorden toe te voegen, waaruit althans eenig menschelijk gevoel,
ja misschien medelijden sprak. Maar niet aldus deed deze Parijsche
godgeleerde. »Het lid dat lijdt« uit den brief van Paulus wordt in zijn
mond, het lid dat rot, en dreigt zijn besmetting over te brengen op de
andere leden, het lid dat uitgeworpen moet worden uit de eenheid van de
Kerk, dat uitgerukt moet worden uit het lichaam, en overgeleverd moet
worden aan de wereldlijke macht.

Aldus luidt ook het vonnis dat Cauchon, na het einde van de toespraak
van Midy, voorleest. Het eindigt met de geijkte, schijnheilige formule,
waarbij hij die zelfde wereldlijke macht verzoekt zich in haar oordeel
over het arme slachtoffer te matigen. (»Rogando eam ut cum ea velit mite
agere, citra mortem et membrorum mutilationem«). Bij de beraadslagingen
over de sententie hadden twee geestelijken toch nog den treurigen moed
gehad te verklaren, dat naar hun oordeel in het onderhavige geval deze
»supplication misèricordieuse« wel achterwege kon blijven.

Als Jeanne het vonnis vernomen heeft barst zij in tranen en snikken uit;
met gevouwen handen zinkt zij op hare knieën en bidt tot God. Zij roept
Maria aan en de Heiligen in het Paradijs. In hartroerende woorden smeekt
zij allen, die zij eenig leed mocht berokkend hebben, ja zelfs haren
rechters en den Engelschen om vergeving. Geruimen tijd blijft zij zoo in
wanhoop liggen. Waar wacht men op? De geestelijke rechters hebben hun
rol afgespeeld en gaan heen. Velen van hen zijn diep geroerd en ook
Cauchon verdwijnt met tranen in de oogen. De Engelsche soldaten, die
ongeduldig worden, roepen hem nog toe: »Zeg eens, priester, zullen we
hier nog moeten blijven eten?«

       *       *       *       *       *

Jehan Salvaing, de wereldlijke rechter in wiens handen Jeanne nu is
overgeleverd, had haar naar het raadhuis behooren te brengen, om
haar het vonnis voor te lezen. In de haast worden deze formaliteiten
overgeslagen. Men verlangt naar het einde van het drama, dat velen
reeds te lang geduurd heeft. Op een teeken van den schout, pakken zijne
dienaren Jeanne beet en voeren haar in den wagen, die haar gebracht
heeft, naar den brandstapel.

Men heeft haar het kapje van het hoofd genomen en haar een mijter
opgezet met het opschrift: »Ketterin, Afvallige, Afgodendienares.« Tegen
deze beschuldigingen waagt Jeanne nog een laatst protest.

Zoo geeft men haar over aan den beul en zijne knechts. De deurwaarder
Massieu en twee jonge geestelijken, de broeders Isambard de la Pierre
en Martin Ladvenu (laten wij hunne namen goed onthouden), die allen
diep geroerd zijn, vergezellen haar tot den brandstapel. Voor zij dien
bestijgt roept zij nog: »Oh, Rouaan, ik vrees wel, dat gij door mijn
dood zult moeten lijden.«

Als eenmaal de beul, vermoedelijk genaamd Geoffroy Thérage, zijn
moordend werk begonnen is, en de takkenbossen in brand gestoken heeft,
vraagt Jeanne een kruis. Een Engelsche soldaat maakt er een van twee
stokjes en geeft het haar. Zij kust het en drukt het vast tegen zich
aan. Op haar verzoek laat broeder Isambard nog een groot kruis halen uit
de Saint-Sauveurkerk. Ook dit omhelst ze nog onder een hevig snikken.

Deze trouwe broeder Isambard blijft haar bijstaan tot het einde toe.
Staande op een der takkenbossen van den brandstapel houdt hij, op haar
uitdrukkelijk verzoek, haar steeds het groote kruis voor oogen, hoort
haar aan en spreekt haar toe, en eindelijk als het vuur zich verspreidt
en de vlammen hem kunnen bereiken, is het op verzoek van Jeanne, dat hij
eenige schreden terug gaat. Ook in deze oogenblikken dus heeft zij nog
oog voor het gevaar, dat een ander bedreigt en is zij vervuld van
teedere zorg.

Te midden van een zee van hoog oplaaiende vlammen en van een schier
verstikkenden rook verklaart zij nog eenmaal met heldere, luide stem,
dat zij geen ketterin, geen afvallige is,.... dat alles wat zij gedaan
heeft haar door God bevolen was,.... dat hare stemmen haar niet bedrogen
hebben.

En eindelijk eenige oogenblikken later in den barnenden gloed roept
Jeanne luid: »Jezus!«.... buigt het hoofd, en.... geeft den geest.

       *       *       *       *       *

Als Jeanne gestorven is, dooft men op bevel van den hoofdschout het
vuur: men wil zekerheid hebben, dat zij niet met behulp van den duivel
ontsnapt is. Doch men vindt hare overblijfselen: de overlevering zegt
zelfs dat het hart niet door het vuur verteerd was. Haar asch wordt
verzameld en in de Seine geworpen.

Zoo verliet dan Jeanne een wereld waarvoor zij te groot en te goed was.
Zoo bleef zij tot het einde getrouw aan hare roeping als bode des
Hemels, als reddende Engel van Frankrijk, en ging zij heen als
Martelares voor de goede zaak, die zij gediend had.

       *       *       *       *       *

[Illustratie: Jeanne d' Arc op den brandstapel.

                 Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Is het wonder dat velen, die getuige waren geweest van haar lijden en
sterven, het angstig gevoel hadden een Heilige verbrand te hebben? Hoor
de verzuchting van Jean Alespée den avond na Jeanne's dood: »Ik zou
willen, dat mijn ziel was dààr waar de ziel van die vrouw thans is«, is
zij niet begrijpelijk en door en door menschelijk? Het leven van Jeanne,
maar bovenal haar einde was dat van een Heilige, een geloofsheldin.
Haren tijdgenooten en ook het nageslacht gaf zij een voorbeeld van moed
en trouw en een onwankelbaar geloof. In heel het drama dat zich afspeelt
in de laatste weken van haar leven, en waarin zij staat tegenover
zoovele mannen van gezag en aanzien, is dit negentienjarige meisje de
eenige, die blijk geeft van zedelijken moed, van groote vastberadenheid
en een machtig vertrouwen. Hare vrienden, haar Koning zelfs, zij laten
haar aan haar lot over, zij durven zich niet roeren van het oogenblik
af, dat Jeanne is overgeleverd in handen van de kerk: zij zijn bang.
Hare geestelijke rechters talmden maanden lang en dat in een tijd,
dat men werkelijk zooveel omhaal niet maakte om een ketter naar
den brandstapel te verwijzen. Cauchon zoekt medeplichtigen in de
Inquisitie en de Parijsche Universiteit, aan wie hij een deel van de
medeverantwoordelijkheid op de schouders laadt. Cauchon en heel de
geestelijke rechterschaar zijn bang. En dan hare doodsvijanden de
Engelschen. Ze razen, ze tieren, omdat ze niet verstaan en begrijpen wat
er gebeurt. Ze jachten, ze dringen op spoed aan, zij zijn niet gerust
voor het einde daar is; en dan nog zoeken zij de overblijfselen van hun
slachtoffer bijeen en laten ze door den wind verstuiven over het water
van de Seine, want... ze zijn bang.

Jeanne heeft velen geïmponeerd door haar uiterlijke verschijning, hare
woorden en daden, en dat is iets dat kleine zielen een medemensch
dikwijls niet vergeven. Maar hen, die haar zagen in hare laatste
oogenblikken, moet zij bovenal diep getroffen hebben door haar innige
vroomheid, haar verheven gelatenheid, haar waarachtige grootheid. Zij
moeten, toen Jeanne was heengegaan, het gevoel gehad hebben, dat de
Hoofdman over honderd en hen die met hem waren op Golgotha, na Jezus
verscheiden, bezielde: »ende ziende de dingen die geschied waren, werden
zij zeer bevreesd, zeggende: »Waarlijk, deze was Gods zoon«.«



HOOFDSTUK V.

PROCES VAN REHABILITATIE.


Het proces in 1431 te Rouaan tegen Jeanne gevoerd, had in de eerste
plaats een politieke strekking. Jeanne moest worden terechtgesteld als
ketterin en afgodendienares, omdat daarmede eens en voor altijd werd te
niet gedaan de waarde van al hare verklaringen omtrent de wettige
aanspraken van Karel VII op den troon van Frankrijk.

Het proces van rehabilitatie in 1456 te Rouaan gevoerd, heeft eveneens
eene politieke strekking en wel juist in tegenovergestelden zin. Het
vonnis van 1431 moet worden vernietigd, en Jeanne moet in eere en
aanzien worden hersteld, omdat men daarmede bewijzen wil, dat zij, die
den dauphin naar Reims gevoerd had, was gekomen met een opdracht van
God, en dat het dus God zelf was geweest, die Karel VII als den wettigen
koning had aangewezen.

Als wij Karel VII in 1450 de eerste voorloopige stappen zien doen om
tot een revisie van het vonnis van 1431 te geraken, kunnen wij hem met
droge oogen volgen en behoeven wij ons geen oogenblik illusie te maken,
dat hij handelt onder den machtigen drang van wroeging en berouw. Hij
veegt de stoep schoon voor zijn eigen deur, hij handelt zuiver uit
welbegrepen eigenbelang, het komt hem minder gewenscht voor, dat zij, op
wier aandringen hij zich te Reims heeft laten kronen, in de annalen van
de Kerk en van de Inquisitie geboekt blijft staan als heks en ketterin.

De eerste pogingen van Karel VII hebben evenwel weinig succes. Het bevel
tot revisie van een kerkelijk proces moet van Rome uitgaan, en Rome of
liever gezegd de toenmalige Paus, Nicolaas V, heeft er weinig ooren
naar. Het feit, dat de eerste pogingen uitgingen van het Fransche Hof,
bracht de politieke kant van de zaak openlijk te veel naar voren. Rome
had er op dat oogenblik te veel belang bij om Engeland, dat natuurlijk
ook Katholiek was, niet te kwetsen.

Na eenig wikken en wegen vindt men een middel. De familie, d. w. z.
de moeder en de beide broers van Jeanne leven nog, en het ligt dus
geheel op hun weg de noodige stappen te doen om, zoo mogelijk, tot een
herziening van het onteerende vonnis te komen en de nagedachtenis van
Jeanne weer te rehabiliteeren.

Het is Paus Calixtus III, Alphonse Borgia, die de zaak eindelijk ernstig
aanpakt en in Juni 1455 zijn toestemming geeft. Er is heel wat beleid en
voorzichtigheid noodig om de zaak goed in elkaar te zetten. Het doel dat
men voor oogen heeft, moet bereikt worden, Jeanne moet gerehabiliteerd
worden, maar aan den anderen kant zijn er machten en personen, die een
werkzaam deel aan het eerste proces genomen hadden en die men ontzien
moet.

Uit de geheele opzet van het proces en uit de wijze waarop het gevoerd
wordt, blijkt wel duidelijk, en dit is van groot belang, dat van te
voren heeft vastgestaan, hoe ver men gaan zal, en dat onder andere het
resultaat zal zijn een bekrachtiging van de straffeloosheid der ware
schuldigen.

De Parijsche Universiteit b.v. moet men te vriend houden en moet er
zonder te veel kleerscheuren afkomen. Er wordt daarom uitgemaakt, dat
de Sorbonne ter goeder trouw was afgegaan op de twaalf artikelen. Van
het feit dat de twaalf artikelen een valsch en bedriegelijk beeld van
de zaak gaven, kan men de Sorbonne geen verwijt maken, en men kan haar
dus buiten het geding laten. Maar zondenbokken heeft men noodig en als
zoodanig worden uitverkoren Cauchon, de leider van het gansche proces en
de promotor Guilleaume d'Estivet, beiden overleden als het tweede proces
aanvangt.

Tegen 12 December 1455 worden de beschuldigers, allen, die iets ten
nadeele van Jeanne wenschen te verklaren, opgeroepen om te Rouaan te
verschijnen. Niemand komt op.

Daarna wordt een aanvang gemaakt met het onderzoek te Domremy,
Vaucouleurs, Poitiers, Chinon, Orléans, enz. enz., alleen niet te Reims
en te Compiègne, en evenals in 1431 wordt een heele reeks van zorgvuldig
uitgekozen getuigen gehoord.

Voor de biographen van Jeanne en in het algemeen voor allen, die
belang stellen in haar geschiedenis, is het proces van rehabilitatie
voornamelijk hierom van belang, dat het door de talrijke en uitvoerige
getuigen-verklaringen, een aanvulling vormt op het eerste proces.

De mise en scène is weer grandioos, en het geheele proces wordt met
buitengewone plechtigheid gevoerd. Men was hiertoe in staat gesteld
door den koning, die alle kosten voor zijn rekening nam. Zelfs de
overhandiging van het eerste verzoekschrift van de familie van Jeanne,
geschiedt zoo officieel mogelijk in de Notre Dame te Parijs. De
aartsbisschop van Reims, de Bisschop van Parijs en meester Jean Bréhal,
Inquisiteur, zijn daar om het verzoekschrift in ontvangst te nemen van
Isabelle Romée, de moeder van Jeanne, (haar vader en Jacquemin, haar
oudste broer, waren van verdriet gestorven) die hun, onder luid snikken,
in rouwkleeren gehuld en in knielende houding, nadert. De talrijke
menigte, die is toegestroomd, doet de gansche kerk weergalmen van hare
zuchten en weeklachten.

Dadelijk, bij de voorloopige verhooren, krijgen wij reeds belangrijke
mededeelingen, o. a. van broeder Toutmouillé, die Jeanne gezien had
den laatsten dag van haar leven en naast Cauchon stond, toen Jeanne
hem geeselde met de woorden: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!« En
vervolgens de verklaringen van Isambart de la Pierre, die officieel
bevestigt den uitval van Cauchon: »Zwijg voor den duivel« en die er bij
was geweest dat Cauchon, toen hij op den laatsten dag de gevangenis
verliet, de Engelschen gerust stelde met de woorden: »Farewell, eet
lekker, het is in orde«.

En dan in het eigenlijke proces, de verklaringen van hen, die Jeanne in
hare kinderjaren gekend hadden, van hen, die met haar gestreden hadden
en eindelijk van hen, die bij het eerste proces waren betrokken geweest.

Hauviette, Mengette en Isabellette, de drie vriendinnetjes van Jeanne,
worden gehoord. Hauviette vertelt ons: »Ze was zoo goed en ik hield
zooveel van haar. Ze was mijn vriendin«. Van Isabellette hooren wij dat
Jeanne armen en ongelukkigen lief had en ze gaarne hielp. Voor hen was
ze zelfs steeds bereid haar bedje af te staan en zelf op den grond bij
den haard te gaan slapen.

Merkwaardig en in het oog loopend is, dat de meeste verklaringen van de
getuigen uit Domremy, een punt gemeen hebben. Luister maar:

Hauviette: »Jeanne was goed, eenvoudig en zacht«.

Mengette: »Het was een goed, eenvoudig en vroom meisje«.

Isabellette: »Zij was zelfs eenvoudig en goed«.

Katharina (van Vaucouleurs): »Zij was een goed, eenvoudig, zacht en zeer
bescheiden meisje«.

Gérardin: »Zij was bescheiden, eenvoudig en vroom«.

Simonin Musnier: »Jeannette was goed, eenvoudig en vroom«.

Perrin de klokkenluider van Domremy: »Jeannette was steeds een goed,
kuisch, eenvoudig meisje«.

En tot slot de pastoor van Domremy: »Jeannette was een goed, eenvoudig
en welopgevoed meisje«.

Is het toeval dat die eenvoud van Jeanne zoo naar voren wordt gebracht
of moeten wij met Anatole France mede gaan en het woord »simple«
eenigszins nemen in den zin van het Hollandsche woord »simpel« en m. a.
w. constateeren, dat het er in het proces van rehabilitatie om te doen
was Jeanne voor te stellen als een meisje dat, laten we het eenigszins
familiaar mogen zeggen »ze niet alle vijf bij elkaar had«, en dat hare
rechters in het eerste proces niet had kunnen volgen en niet begrepen
had? Dit drijven van de rechters in 1456 zou volgens die opvatting nog
bovendien het voordeel gehad hebben, dat het Gods almacht beter deed
uitkomen, die zich van een dergelijk »simpel« persoontje bediend had
om het wettige en door Hem uitverkoren koningshuis in Frankrijk te
herstellen. Ik geloof van neen. Het zou te mal, het zou absurd zijn.
Een dergelijk drijven zou toch ook niet vol te houden zijn geweest en in
botsing zijn gekomen met de verklaringen van de getuigen van de tweede
groep n.l. van hen, die Jeanne in actie hadden gezien, die aan haar
zijde gestreden hadden en die zij door haar helder doorzicht en hare
daden dikwijls in verrukking had gebracht.

Ik geloof eerder dat de getuigen uit Domremy met hunne verklaringen
omtrent den eenvoud van Jeanne, _die trouwens het antwoord bevatten op
de vastgestelde vragen, saamgevat in een en hetzelfde formulier_, moeten
bewijzen, dat zij Jeanne steeds gekend hadden als een dood gewoon, lief,
kalm schepseltje, meteen kinderlijk vroom gemoed, zonder eenige
bijzondere eerzucht of pretentie.

Met de verklaringen van oom Durand Laxart komen wij van Domremy tot
Vaucouleurs en de getuigenissen van Bertrand de Poulengy en Jean de
Metz, die ons bijzonderheden geven over de bezoeken aan Robert de
Beaudricourt, den tocht naar en het verblijf te Chinon. Van de commissie
te Poitiers worden slechts enkele leden gehoord.

Daarna volgen de hoofdpersonen van de tweede getuigengroep: Pasquerel,
de wapenbroeders van Jeanne: Dunois, de Gaucourt, d'Alençon, d'Aulon, de
page Louis de Contes en enkele burgers van Orléans. De verklaringen van
hen, die Jeanne op hare tochten vergezelden en aan hare zijde streden,
die haar soms dagen en nachten achtereen geen oogenblik verlieten, zijn
ook daarom van groot gewicht, omdat zij Jeanne, behalve in het gewoel
van den strijd, ook hadden leeren kennen in het meer intieme leven, en
steeds vol bewondering waren geweest voor haar groote ingetogenheid, en
haar buitengewone, ongeveinsde kuischheid.

En eindelijk wordt de rij gesloten door de droevige figuren van hen, die
deelgenomen hadden aan het eerste proces. Het zijn povere verschijningen
van meest hoog bejaarde geestelijken en monniken, die elk op hun manier
een houding zoeken om hun medeplichtigheid aan den dood van Jeanne te
doen vergeten en de schuld van zich af te schuiven. Er is er een, die
zich niets herinnert (zoo slecht nog niet bedacht), anderen die onder
luid snikken en weeklagen in hartverscheurende bewoordingen erkennen hoe
zij getroffen zijn geweest door de oprechte vroomheid van Jeanne in hare
laatste oogenblikken. De inquisiteur van het proces van 1431 wordt wel
gedagvaard en gezocht, maar niet gevonden. De griffiers en notarissen
zijn het ijverigst in het afbreken van Cauchon: hij is dood, hij is de
zondenbok, aan hem de schuld.

Maar een verklaring als die van den griffier Manchon, is behalve
bezwarend voor Cauchon toch ook wel heel interessant. Het is o. a.
daardoor, dat wij te weten zijn gekomen tot welke valsche listen en
lagen men zijn toevlucht heeft durven nemen om het arme slachtoffer er
in te laten loopen en ten val te brengen. Manchon weet uit den mond
van Warwick en Cauchon alle bijzonderheden omtrent de Judasrol door
Loiseleur gespeeld; hij verklapt ons dat er bij de verhooren, behalve de
officieele griffiers nog twee geheime schrijvers in de zaal verborgen
waren, die wanneer het op collationeeren aankwam, bleken uitsluitend
genoteerd te hebben wat bezwarend voor de beklaagde kon zijn. Door zijn
relaas is het ook, dat wij weten, dat sommige rechters met tegenzin
hebben deelgenomen aan het afschuwelijke proces, en dat zij, evenals
degenen, die Jeanne dorsten bijstaan met goeden raad, of iets in haar
voordeel waagden te berde te brengen, steeds door Cauchon's dreigementen
met banvloek of brandstapel, tot de orde geroepen en tot zwijgen
gebracht werden.

De eindzittingen van de rechtbank hadden met groote plechtigheid plaats
in de eerste week van Juli 1456, in het aartsbisschoppelijk paleis
te Rouaan, onder presidium van den aartsbisschop van Reims, Jean
Jouvenel des Ursins, en in tegenwoordigheid van Jean Bréhal, den
inquisiteur-generaal. De broer van Jeanne, Jean d'Arc vertegenwoordigt
de familie.

De voorbereiding van de zaak heeft zes maanden geduurd; thans zijn alle
getuigen gehoord. Petrus Maugier, Rijksprocureur bij de Universiteit
te Parijs en advocaat van de familie, heeft al zijne grieven tegen
het eerste proces uiteengezet, en den 7en Juli wordt de vertooning
gesloten, met de voorlezing van het vonnis, waarbij de rechtbank:

»uitspreekt, decreteert en verklaart, dat de gevoerde processen en
vonnissen, bezoedeld met bedrog, laster, onrechtvaardigheid, tegenspraak
en duidelijke dwaling... zijn geweest, van nul en geener waarde en te
niet worden gedaan«;

verder: »verklarende, dat op gezegde Jeanne en hare bloedverwanten, door
genoemde vonnissen geen enkele smet of vlek van eerloosheid kan rusten«.

       *       *       *       *       *

In Orléans werd het resultaat van het tweede proces met groote vreugde
vernomen, en de vrienden van Jeanne vierden plechtig de rehabilitatie
van hun Heilige.



HOOFDSTUK VI.

GENIE EN PUCELLE.


Wat was Jeanne d'Arc? Voor de Katholieken een Heilige, voor andere
geloovigen een uitverkorene des Heeren, iemand die een roeping te
vervullen had uit naam van God en die ook vervuld heeft. Dit is zeker
wel de gemakkelijkste en eenvoudigste verklaring, die verder alle
commentaar en onderzoek overbodig maakt.

Voor anderen weer en o. a. voor Anatole France en Dr. G. Dumas,
vermoedelijk een hysterica met eenzijdige hallucinaties, die volgens
de théorie van Charcot waarschijnlijk gepaard zijn gegaan met halve
ongevoeligheid. Omtrent dit laatste punt van de halve ongevoeligheid had
de pijnbank zekerheid kunnen geven, zegt Dr. Dumas bijna op een toon,
alsof hij het betreurt, dat door dit verzuim van Jeanne's rechters het
ziektebeeld niet volkomen duidelijk is geworden. Neen, zekerheid kan
de groote neuropatholoog op dit punt niet geven, »een retrospectieve
diagnose«, na bijna vijf eeuwen is niet mogelijk. Maar bovendien,
wanneer de naam van Jeanne thuis behoort op de lijst van de groote
hystericae, dan nog zou deze ziekte slechts eene verklaring kunnen
geven van hare visioenen en hallucinaties. Slechts een onderdeel dus,
want dit is zeker, en dat erkent Dr. Dumas ook aan het slot van zijn
verklaring, het verstand en de wil van Jeanne blijven, te oordeelen naar
de gegevens, die wij bezitten, tot aan het einde van haar leven volkomen
gezond.

Nu wij ons toch op het gebied der pathologie bewegen, willen wij
volledigheidshalve vermelden, hoe d'Aulon geopperd heeft, dat Jeanne
nooit de maandelijksche ongesteldheden gekend heeft der huwbare vrouw.
Tegen dit vermoeden pleiten haar physieke kracht en buitengewoon
uithoudingsvermogen, haar normaal ontwikkeld kuischheidsgevoel en de
flink ontwikkelde lichaamsbouw, die Aimond de Macy en den kleermaker
van de hertogin van Bedford, tot ongepaste vrijmoedigheid verleidt.

Wat m.i. vast staat is, dat Jeanne enkele verschijnselen van »eviratie«
vertoont. Het liefst gaat zij om met hare krijgslieden en onder hen
gevoelt zij zich ook het best thuis. Hoewel zij niet zelf doodt, bevindt
zij zich het meest in haar element, in volle actie, in het heetst van
het gevecht. Zij rijdt uren, ja soms dagen achtereen te paard, zij is
een uitstekend en onvermoeibaar ruiter. En dan, en dat is misschien
wel het voornaamste verschijnsel, haar groote voorliefde voor het
mans-costuum. Zeer zeker had dit costuum ook groote voordeelen voor
haar; zij zat er gemakkelijker mede te paard, zij gevoelde zich er
veiliger in op hare tochten, die soms dagen duurden, in het gezelschap
van uitsluitend mannen, maar opvallend is toch het gemak, waarmede zij
het aanneemt en waarmede zij zich van het begin af aan er in beweegt.
Ondanks deze eviratie-verschijnselen evenwel moeten wij ons wel wachten,
ons Jeanne voor te stellen als een soort man-wijf. Het is en blijft een
door en door vrouwelijke verschijning, en de bekoring die van haar
uitgaat, is die van een negentienjarig meisje.

Maar wat bereiken wij voor de verklaring van de groote hoofdzaak, van de
persoon van Jeanne, zooals die voor ons leeft, met al deze min of meer
pathologische verschijnselen? Pailleron heeft het zoo fijntjes gezegd:

»Men heeft Jeanne d'Arc verbrand en men heeft haar verklaard«.

»De Engelschen hebben er een martelares van gemaakt en de geleerden een
hysterica«.

»Ik houd mij bij de Engelschen«.

Wat heeft de zeer positieve oppositie van Jeanne tegen de politiek van
de hofkliek van Karel VII, tegen de politiek der wapenstilstanden, wat
heeft het scherpe doorzicht, dat haar doet aandringen op den tocht naar
Reims, dien zij met geweld moet doordrijven, wat heeft eindelijk de door
haar bij meer dan één gelegenheid getoonde krijgsmanskunst te maken
met mogelijke hysterie? Is het voor ons niet belangrijker dat generaal
Davout haar een doorkneed strateeg noemt, dan dat Dr. Dumas vermoedt dat
zij hysterica was?

Wanneer het waar is, wat sommigen beweren, dat Napoleon epilepticus
was, verklaart dat dan zijn verhouding tot zijne soldaten, verklaart dat
Marengo en Austerlitz?

Neen, wat Frankrijk in den beklagenswaardigen toestand, waarin het in
de laatste jaren voor Jeanne's verschijnen verkeerde, voor haar redding
noodig had, was een genie, een boven alles uitblinkenden geest, een
waarlijk groot karakter. Het genie, dat zich zelf bewust is genie te
zijn en zich als zoodanig boven andere aardsche grootheid verheven
gevoelt, vinden wij in de analphabeet Jeanne d'Arc. Haar goddelijke
roeping wordt dan voor ons het zelfbewustzijn dat zij Frankrijk kan
en dus moet redden. Zij heeft zich dit als taak gesteld, omdat zij de
kracht daartoe in zich voelt, en zal het dus volbrengen. Door haar
voorbeeld leert zij haren tijdgenooten wat is plichtbesef en liefde voor
het vaderland. Hiervoor is het noodig dat zij zelf een weg bewandelt,
die dood loopt op den brandstapel. In Godsnaam, zij zal daardoor haar
doel bereiken en zij zal Frankrijk redden.

Wanneer de innig vrome Jeanne zegt: »goddelijk roeping« en wij zeggen:
»genie«, geven we dan niet elk een andere benaming aan hetzelfde begrip?
Als »fille de Dieu« treedt zij vrijmoedig haren koning, met alle grooten
van het hof, tegemoet en tracht ze te bewegen haar te volgen, zich
zonder meer aan haar leiding toe te vertrouwen; met de zelfbewustheid
van het genie zegt zij haren Rouaanschen rechters waar het op staat,
stelt zij zich op een standpunt, van waar zij over hunne mijters en
kardinaalshoeden heen kan zien, werpt zij Cauchon de simpele waarheid
voor de voeten: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!«

Voor mij persoonlijk bestaan er geen Heiligen in den zin der Katholieke
Kerk, en ik geloof dus niet aan hunne wonder-verschijningen, maar het
staat voor mij vast, dat Jeanne hare Heiligen gezien en hare stemmen
gehoord heeft, en dat zij volkomen te goeder trouw is geweest in
hare mededeelingen hierover. In hoeverre hare visioenen wijzen op
pathologische afwijkingen en waar een dergelijk »geval« dan verder moet
worden ondergebracht, ik herhaal het, het laat mij tot op zekere hoogte
koud. De hoofdzaak is voor mij, dat Jeanne in de oogenblikken, dat
wij haar het meest bewonderen, bewijst, te beschikken over een helder
doorzicht, een ruime mate van goede logica en een buitengewoon gezond
verstand.

Het meest krijgen wij m. i. den indruk, dat Jeanne met hare begrippen
haar tijd verre vooruit is, als wij hare antwoorden lezen op de
strikvragen van hare rechters. Nemen wij als voorbeeld het verhoor, dat
den 31en Maart, den dag voor Paschen, plaats heeft in den kerker. De
rechters doen een hernieuwde poging om van Jeanne de verklaring te
verkrijgen, dat zij zich onderwerpt aan de Strijdende Kerk.

»Gelooft gij niet«, wordt haar gevraagd, »dat gij onderworpen zijt aan
Gods Kerk hier op aarde, dat wil zeggen aan onzen Heiligen Vader den
Paus, aan de kardinalen, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere
prelaten van de Kerk?«

Waarop zij het buitengewoon treffende antwoord geeft:

»Oui, Notre Sire Dieu premier servi.«

Voor hare rechters klinkt deze verklaring als een gewone uiting van
insubordinatie tegen de Kerkelijke discipline, als een ketterij,
zonder meer. Maar wij hooren daarin iets anders en ten opzichte van
een verklaring als deze staan wij weer op een ander standpunt als de
Fransche biografen van Jeanne, die allen, ook al zijn er onder hen
vrijdenkers, zooals Anatole France, leven in een Katholiek land en
opgevoed zijn met Katholieke begrippen. Met dit beroemde »Dieu premier
servi« doet Jeanne een stap van eenige eeuwen tot zelfs ver over de
Kerkhervorming heen.

Ik zal niet beweren, dat Jeanne met dit gezegde heeft willen te kennen
geven, dat zij zich geen getrouwe dochter gevoelde van de Alleen
Zaligmakende Kerk, maar zij belijdt hier voor het eerst de groote
waarheid, dat hetgeen, waar het voor alle geloovige en vrome menschen in
de allereerste plaats op aan komt, is hun persoonlijke verhouding tot
God, afgescheiden van wat daaromtrent de dogmata der Kerken en andere
door menschen gestichte genootschappen ook leeren en voorschrijven.

Even te voren was haar gevraagd:

»En indien de Strijdende Kerk U beval het tegendeel te doen (van wat gij
in het proces verklaard hebt op bevel van God gedaan te hebben)?«

Waarop Jeanne geantwoord had:

»In geval de Strijdende Kerk mij beval het tegendeel te doen, zou ik mij
op geen mensch ter wereld verlaten, maar op God alleen, en ik zou steeds
Zijne bevelen volgen.«

Daar hebben wij het al. Geen mensch ter wereld, geen priesters, geen
concilie, geen Kerk kan wijziging brengen in hetgeen zij volgens haar
geweten is overeengekomen met God. Zij voelt bij intuitie wat wij
kinderen van de twintigste eeuw gerust hardop durven zeggen, dat onze
verhouding tot God niet afhangt van en niets te maken heeft met de
Kerk of de godsdienstige secte waartoe wij behooren, dat waarachtige
vroomheid en Godsvrucht mogelijk is bij menschen, voor wie er geen Kerk
bestaat en die niet thuis hooren in een van de vakjes, waarin men gewoon
is de Christenen te verdeelen.

Met zulk een verlichting moest men Cauchon en zijnen mederechters nog
niet aankomen, maar zelfs voor de ooren van Calvijn en Luther waren deze
woorden nog niet geschikt, evenmin als voor allen voor wie in onze dagen
begrippen als vroomheid en geloof nog niet te scheiden zijn van een
Kerkgenootschap of Godsdienstige secte.

[Illustratie: Ruiterstandbeeld van Jeanne d' Arc te Reims.

                                                        Door P. Dubois.]

Hoe vreemd dit ook moge klinken over een persoontje, dat op
negentienjarigen leeftijd levend wordt verbrand, toch blijft het waar:
_Jeanne heeft in haar leven veel geluk gehad_. Maar ook dat heeft zij
gemeen met de meeste groote figuren, die zich op hetzelfde gebied
bewogen hebben. Het is haast een gemeenplaats geworden, om te spreken
over de geluksster van sommige groote veldheeren, en zeer in het
bijzonder over die van Napoleon, maar wij weten, dat hij zelf in zijn
ster geloofde en nog iets verder ging in deze richting, wanneer hij
er openlijk voor uitkwam, dat hij geen generaals kon gebruiken zonder
»veine«. De beroemde uitroep van Jeanne, bij de bestorming van les
Tourelles, blijkt te zijn een tooverwoord, dat in één oogenblik beslist
over de geheele krijgsverrichting en eigenlijk een wending geeft aan den
loop van den geheelen verderen oorlog. Komt de eer daarvan niet eerlijk
toe aan haar, die het woord gesproken heeft, en is haar verdienste
minder groot, dan die van Napoleon, als schrijver van de rollende en
knetterende, maar zeer zeker ook bezielende zinnen, in zijne terecht
beroemd geworden proclamaties?

Als bij de aankomst van Jeanne voor Orléans de Engelschen binnen hunne
verschansingen blijven, en ter gelegener ure de wind draait, roepen de
geloovigen binnen de stad: »een wonder!« en vallen dankbaar op hunne
knieën. Wij constateeren »veine«, maar zonder eenige geringschatting,
want het is de veine, die zelfs de grootste schaker noodig heeft, en hem
in staat stelt, te profiteeren van een oogenblik van onbedachtzaamheid,
van een minder goed gekozen zet van zijn tegenpartij.

In het heetst van het gevecht, en bij haar eigenaardige wijze van
strijden steeds in het voorste gelid en op het gevaarlijkste punt,
dient Jeanne het geluk, dat aan zoovele beroemde veldheeren is te beurt
gevallen, als zij »onder een dichten kogelregen, die hunne troepen
decimeerde«, zelf ongedeerd bleven. De keeren, dat zij getroffen of
gewond wordt, is het niet doodelijk en zelfs zonder ernstige gevolgen.

De tijd en de omstandigheden maken, of wilt ge liever, »openbaren«
het genie. Is dat dus ook niet reeds een kwestie van »veine«? Om haar
land te behoeden voor een wissen ondergang, moet Jeanne opgroeien
in een tijd, dat »grande pitié était au royaume de France«. Om hare
hervormingen en verbeteringen in te voeren, moest zij wantoestanden
en verwarring aantreffen, om in de harten en hoofden van hare
tijdgenooten voor het eerst begrippen te prenten van plicht, discipline
en vaderlandsliefde, moest zij leven in den avond der middeneeuwen, om
te werken en zich geheel te geven, moest zij een vruchtbaar arbeidsveld
vinden. Maar dat alles doet niets af aan de grootte van haar genie, want
om een Luther te doen spreken moesten er misbruiken in de Katholieke
Kerk zijn, voor ridders is er een verdrukte onschuld, zijn er draken en
monsters noodig en voor een Herakles een Augiasstal.

       *       *       *       *       *

Jeanne, de Maagd van Orléans, een voorbeeld van ingetogenheid en
ongeveinsde kuischheid. Ook deze intiemere kant van haar leven en
karakter is in het eerste proces te Rouaan tot in de kleinste
bijzonderheden nageplozen en allerhande lasterpraatjes zijn gretig
verzameld. Het opschrift aan de paal op den brandstapel vermeldde
uitdrukkelijk dat Jeanne o.a. schuldig was bevonden aan »losbandigheid«
maar deze verklaring van hare rechters heeft evenveel waarde als de
overige conclusies uit hun vonnis en kon evengoed afkomstig zijn van
de Engelsche soldaten, die Jeanne nooit anders genoemd en aangesproken
hebben dan als »de heks of de hoer der Armagnacs«.

Jeanne was kuisch en is als maagd gestorven, maar zij was een kind
van haar tijd en was afkomstig van het platte land, m. a. w. Jeanne
_wist_ van hetgeen er destijds in de wereld te koop was, alles wat een
boerenmeisje van haar leeftijd wel weten moest, omdat de natuur en het
leven zelf het haar geleerd hadden en er haar vertrouwelijk mede hadden
gemaakt.

Wij moeten dit goed voor oogen houden. Het bepaalt voor ons de
waarde, die wij hechten kunnen aan de belofte, die Jeanne reeds op
dertienjarigen leeftijd aan hare Heiligen doet »dat zij maagd zal
blijven, zoolang het God behaagt« en het houdt bovendien voor ons een
verklaring in voor den hardnekkigen en verwoeden strijd door Jeanne
aangebonden en tot het einde toe gevoerd tegen de gewoonte, dat vrouwen
van lichte zeden medetrokken in den tros van de legers.

Is het feit dat Jeanne ten minste eenig begrip had van wat er in de
wereld op sexueel gebied te koop is, m. a. w. dat zij wist waarvoor zij
zich te hoeden had, niet juist de oorzaak van haar behoud geweest? Zou
zij argeloos en groen van den eersten dag af aan de rechte en juiste
houding hebben kunnen aannemen tegenover al die krijgslieden, waarmede
zij in aanraking kwam en in wier gezelschap zij soms dagen en nachten
achtereen vertoeven moest? Zij beweegt zich met het grootste gemak,
is niet overdreven preutsch, dat zou oogenblikkelijk tot botsingen
geleid hebben en misschien tot erger, maar zij weet de grenzen en het
is vermoedelijk ook weer voor een groot deel aan haar buitengewone
takt te danken geweest, dat al die mannen, die ruwe krijgslieden
van 1400-zooveel, waarmede zij omging, zich ook steeds in haar
tegenwoordigheid op hun gemak hebben gevoeld en haar gerespecteerd
hebben.

Bij het onderzoek te Vaucouleurs voor het eerste proces, heeft men een
relaas opgedaan over een gesprek van Jeanne met Robert de Baudricourt.
De bron er van is niet zeer vertrouwenwekkend en Jeanne heeft, toen zij
er over ondervraagd werd, ook verklaard zich niets van dit onderhoud te
herinneren.

Wij geven het dan ook slechts weer, omdat wij het ons zouden kunnen
voorstellen als een voorbeeld van de wijze waarop Jeanne iemand te woord
staat als den kapitein van Vaucouleurs, die ook in een gesprek met een
jong meisje geen blad voor zijn mond neemt en er niet voor terugschrikt
zich op gewaagd terrein te begeven.

Jeanne zou dan Robert verteld hebben, dat wanneer eenmaal de groote
opdracht, haar door Messire gegeven, volbracht zou zijn, zij zou trouwen
en drie zoons krijgen, waarvan de een paus, de tweede keizer en de derde
koning zou worden.

De schalk Robert vatte hierop dadelijk vuur, zeggende:

»Als dat zulke voorname lui zullen zijn, zou ik je er wel één van willen
maken. Mijn aanzien zou daardoor ook verhoogd worden.«

Maar Jeanne antwoordde kalm en vrijmoedig: »Nennil, nennil, gentil
Robert, zoover zijn we nog niet. En te zijner tijd zal daar dan de
Heilige Geest wel voor zorgen.«

A la guerre, comme à la guerre. In den namiddag van den vierden Mei zien
wij hoe Jeanne die een vermoeienden morgen achter den rug heeft, zich
zonder haar wapenrusting, dat wil dus zeggen, grootendeels ontkleed,
ter ruste begeeft met het dochtertje van haar gastheer, in hetzelfde
vertrek waar d'Aulon zich ook te slapen legt. Door hare stemmen gewekt
en gewaarschuwd dat er gevochten wordt, vliegt zij spoedig daarna weer
overeind en is het ook weer d'Aulon, die haar als kamenier of laten
wij zeggen als schildknaap behulpzaam is bij het aantrekken van haar
wapenrusting. En ten overvloede hooren wij denzelfden d'Aulon in het
proces van rehabilitatie verklaren dat Jeanne mooi en welgevormd was,
en dat hij meerdere malen, als hij haar hielp om zich te kleeden (te
wapenen) of bij het behandelen van hare wonden, hare bloote beenen had
gezien, zonder dat dit in hem eenig vleeschelijk verlangen had opgewekt.
Maar Aimond de Macy en Jeannotin, de kleermaker van de hertogin van
Bedford, weten zich minder goed te beheerschen. Hun beider poging om hun
hand in de boezem van Jeanne te steken bekomt hun slecht. Wij zouden
misschien tot hunne verontschuldiging kunnen aanvoeren, dat zij mogelijk
geen bepaald slechte bedoelingen hadden, en dat hun vrijpostigheid meer
thuis behoort op het gebied der ongeoorloofde aardigheidjes. Zij
zagen trouwens Jeanne onder geheel andere omstandigheden dan hare
krijgsmakkers, de heldin is ontwapend, de Heilige mist haar aureool.

Bepaald stuitend en grievend is alles wat op dat gebied hare vijanden
haar aandoen. Wij hebben Jeanne zien schreien op de brug van Orléans
toen de Engelschen haar laatste sommatie in ontvangst namen met
den kreet: »Er is nieuws van de hoer van de Armagnacs!« en wij
zijn er getuige van geweest hoe zij het arme schepseltje schier tot
vertwijfeling brengen door haar in haar gevangenschap bloot te stellen
aan de ruwe en schandelijke bejegening van hare bewakers. Een van de
getuigen in het proces van rehabilitatie heeft zelfs verklaard dat
Warwick tot tweemaal toe op de hartverscheurende kreten van het jonge
meisje is toegesneld om haar te beschermen tegen de beestachtige
belagingen van de Engelsche soldaten die de wacht hielden in haar
kerker. Hoewel met zware ketens aan handen en voeten geboeid is Jeanne
blijkbaar toch in staat geweest haar lijf te verdedigen, maar zij had
ooren, die hoorden en oogen, die zagen.... en wij doen beter de onze te
sluiten en deze gruwelen te laten in het afschuwelijk duister, waarin ze
thuis hooren.

Maar telkens weer, als wij denken aan den smaad en de ellende, het
arme schepseltje in de dagen van haar gevangenschap door haar vijanden
aangedaan, hooren wij den wanhoopskreet waarmee zij ineenzinkt als
zij vernomen heeft, dat zij den volgenden dag op den brandstapel moet
sterven: »Mijn lichaam, dat ik tot het einde toe rein en ongerept heb
weten te houden, zal dus verbrand, en tot asch verteerd moeten worden!«
Hoe diep weemoedig ze ook zijn, toch bevatten deze woorden voor ons
iets, dat klinkt als een troost, omdat deze kreet, die plotseling
opwelde uit het diepst van haar gemoed de waarheid bevat en niets dan de
waarheid: Jeanne is volkomen rein en als Maagd gestorven.



HOOFDSTUK VII.

Jeanne in Beeld: Uiterlijk en Costuum.


Het is weer door een verklaring van Jeanne zelf, dat wij weten, dat
zij nimmer voor een schilder geposeerd heeft, noch op andere wijze ooit
een beeltenis van zich zelf heeft laten maken. Wel is zij ook tijdens
haar leven talrijke malen afgebeeld, maar zij heeft gezegd, dat zij
slechts eenmaal een portret zag met eenige gelijkenis. Onder de andere
afbeeldingen, tijdens haar leven vervaardigd, kunnen er geweest zijn van
de hand van kunstenaars, die haar gezien en gekend hebben, maar tot op
heden is er van Jeanne geen enkel portret gevonden, waardoor wij ons een
voorstelling kunnen maken hoe zij er werkelijk heeft uitgezien. Tijdens
het leven van Jeanne en vooral tijdens het proces hebben er beeltenissen
van haar gehangen in de kerken van Frankrijk, maar die zijn verloren
geraakt en bovendien waren zij vermoedelijk voor het grootste gedeelte
gefantaseerd.

Wat ons hare tijdgenooten omtrent het uiterlijk van Jeanne hebben
medegedeeld, komt hierop neer: zij was slank gebouwd, haar gansche
verschijning was bijzonder innemend en vol jeugdige gratie. Zij had een
knap gezicht met een paar heldere, mooie oogen, een sierlijke, dunne
hals, een klein rood vlekje achter een van de ooren, een fraai gewelfde
borst (»videbat ejus mammas, quae pulchrae erant.« Verklaring van den
duc d'Alençon).

Verder weten wij nog een belangrijke bizonderheid: Jeanne had zwart
haar. Er is n.l. een brief van haar bewaard gebleven aan Dunois, en
deze brief is, volgens gebruik van dien tijd, verzegeld geweest met
een afdruk van haar cachet in was en een zwart haar: een haar van de
afzendster.

Dit zijn ongeveer de eenige gegevens waarover de tallooze beeldende
kunstenaars hebben beschikt, die in de laatste vijf eeuwen, door Jeanne
geïnspireerd, haar beeltenis hebben vervaardigd.

Merkwaardig is het wel te zien, hoe de meesten zich van deze schoone
taak hebben gekweten, hoe betrekkelijk zeer weinigen er zijn onder
die velen, wier opvatting ons kan bevredigen. De ouderen onder hen
vallen wij niet hard om hun naïviteit, wanneer zij van Jeanne een goedig
vrouwtje aan het spinnewiel, een soort oorlogsgodin, een veldheer van de
zeventiende eeuw of een balletfiguurtje uit een Bergerie gemaakt hebben.
Zij wisten niet beter en deden hetzelfde wat Rembrandt heeft gedaan als
hij zijne Bijbelsche figuren stak in costumes van zijn eigen tijd. Maar
van de artisten van den lateren en van onzen tijd verwondert het ons
meer, als wij zien welke vrijheden zij zich veroorloven in het costuum
en hoe weinigen er aan gedacht hebben, dat zij de beeltenis moesten
scheppen van een jong meisje, in elk geval niet ouder dan negentien
jaar.

Want wat het costuum betreft tasten wij niet in het duister. Het
verstelde jurkje van roode wollen stof, waarin zij Domremy verlaat,
is te reconstrueeren, het pagecostuum, haar door de bewoners van
Vaucouleurs geschonken, was het costuum, dat alle pages droegen in dien
tijd, en is dus bekend, het blanke harnas, waarin zij ten strijde trekt,
en de huik, die zij bij sommige gelegenheden over haar wapenrusting
droeg, zijn voor een ieder, die zich de moeite wil geven, b.v. het boek
van Quicherat »Histoire du Costume en France« te raadplegen, tot in de
kleinste bijzonderheden weer te geven zonder hinderlijke fouten en
anachronismen.

Vreemd is b.v. dat Ingres, al had hij dan ook Quicherat nog niet tot
zijn dispositie, in 1854 met een portret van Jeanne voor den dag komt
in den vorm van een »plantureus uitgedijde« vrouw, met een paar heupen,
waarop een Katwijksche visschersvrouw jaloersch zou worden en in een
costuum waarop uit een historisch oogpunt ook nog wel het een en ander
aan te merken valt.

Hoeveel momenten zijn er in het korte, doch veel bewogen leven van
Jeanne niet, die een schilder of beeldhouwer konden inspireeren?

Jeanne, als kind, luisterende naar hare stemmen, en wij denken onder
veel meer aan de schilderijen van Pierre Lagarde, Bastien Lepage,
Cabanes, Benouville en Wagrez, het standbeeld van Lefeuvre en de
beeldengroep van Allar te Domremy.

Jeanne in volle wapenrusting te voet of te paard; en wij noemen de
ruiterstandbeelden te Parijs, Reims, Nancy, Orléans, Chinon en van
Moreau en le Nordez, de beelden van Allouard, Beylard, le Veel en te
Compiègne en Beaurevoir en de schilderijen van Scherrer.

Jeanne op den brandstapel; en wij vermelden het beeld van Cordonnier,
een brons van Cugnot, een céramiek naar Blondat en de schilderij van
Carrier-Belleuse.

Maar er is nog veel meer, te veel om op te sommen, als wij ons b.v.
maar even herinneren,--en wij hadden die wel in de eerste plaats mogen
noemen,--de bekende fresco's van Lenepveu in het Panthéon te Parijs,
en de bijzonder schoone illustraties van Guillonnet voor het boek van
Funck-Brentano.

Wat ons in de platen van Guillonnet dadelijk treft en zoo bijzonder
aantrekt, is, dat ze ons Jeanne zoo gewoon menschelijk weergeven, en
niet steeds als een soort gehallucineerde, met oogen voortdurend naar
den hemel gericht, en die slechts dingen zien, die voor ons onzichtbaar
zijn. Zelfs Lenepveu laat haar b.v. Orléans binnen rijden, met eene
uitdrukking op het gelaat, of zij met hare gedachten geheel in hooger
sfeeren is. Met die opvatting kunnen wij ons vereenigen bij de kroning
van Reims en verder o.a. op den brandstapel, maar toen zij Vaucouleurs
verliet, toen zij haar eersten triumftocht hield binnen Orléans, en
bij nog zoovele andere gelegenheden, die men in beeld gebracht heeft,
stellen wij ons voor, dat zij de omstanders met een opgewekt en van
dankbaarheid stralend gezicht in de oogen heeft gezien, en ze bekoord
heeft door haar eenvoud en haar ongekunstelden glimlach. De deemoed en
berusting waarmede Jeanne geknield heeft gelegen voor het altaar in
de basiliek van St. Denis, toen zij daar haar harnas neerlegde, haar
houding en uiterlijk op dat onvergetelijke oogenblik, hoe dankbaar en
decoratief zij voor een kunstenaar ook mogen geweest zijn, zijn daarom
voor ons van minder belang, omdat zij op zich zelf beschouwd en als
zoodanig geene gevolgen hebben gehad. Maar haar verschijning en de
uitdrukking van haar gelaat op het oogenblik dat zij als met een
tooverwoord hare troepen plotseling bezielde, of hare rechters te
Rouaan verblufte door haar gevatheid en logica, interesseeren ons tot
in de kleinste bijzonderheden, omdat een juiste voorstelling daarvan
onontbeerlijk is, voor een verklaring en een zuiver begrip van het door
Jeanne behaalde succes. En dan, wij herhalen het, dan is het ons niet
mogelijk haar beeld voor den geest te roepen als een gehallucineerde,
als iemand levende in een soort extase, zooals zoovelen haar in die
oogenblikken hebben afgebeeld; er moet behalve haar jeugd en gratie,
kracht en fierheid van haar zijn uitgestraald; zij moet vertrouwen
gewekt en geïmponeerd hebben.

Een ander bezwaar dat wij hebben tegen zeer vele afbeeldingen van
Jeanne, is dat zij haar weergeven met een soort rokje aan. Mogelijk
hebben de kunstenaars dit gedaan om aan het geharnaste figuurtje iets
vrouwelijks te geven. Maar zij schijnen dan niet geweten of althans
vergeten te hebben, dat één van de grieven van de rechters in Rouaan is
geweest dat Jeanne een manscostuum droeg, en dat zij zelf daarvoor als
zeer aanneembare redenen opgaf, dat dit costuum haar gemakkelijker was
bij het paardrijden, en dat het haar welvoegelijker voorkwam in het
gezelschap van uitsluitend mannen ook als man gekleed te gaan. Met haar
rokje aan zooals wij haar o.a. vereeuwigd vinden in het Panthéon te
Parijs in een standbeeld van polychroom marmer door Allouard, had zij
zeker geen paard kunnen rijden en zou zij ook het andere doel dat zij
beoogde, vermoedelijk niet bereikt hebben.

Eigenaardig is, dat uit de chaos van duizende afbeeldingen, die van
Jeanne gemaakt zijn, tot op heden nog geen duidelijk type naar voren
is getreden. De meest natuurgetrouwe afbeeldingen zullen vermoedelijk
zijn de bovengenoemde ruiterstandbeelden in het volle harnas. Maar ook
al dragen deze figuren een open vizier, toch zijn zij, juist door de
harnasbekleeding, nog te anoniem, en ongeschikt tot het scheppen van
een type. De voorstelling op de banier, dus een van buiten toegevoegd
attribuut, is ook in deze gevallen, soms nog het eenige teeken, waardoor
het ons duidelijk wordt, dat wij met een Jeanne d'Arc en niet met een
ander willekeurig jong strijder uit haar tijd te doen hebben.

Wij wachten nog met ongeduld op den kunstenaar, wien het zal mogen
gelukken ons niet voor de zooveelste maal _een_ Jeanne d'Arc uit te
beelden, maar eens en voor altijd _de_ Jeanne d'Arc te geven, het
type, zooals zoovele historische figuren, waarvan geen portretten naar
het leven bestaan, toch door de tijden heen een vast en gemakkelijk
herkenbaar type hebben gekregen, dat de groote massa, maar ook de genen,
die door studie meer met de figuur bekend zijn geraakt, in hoofdzaak en
over het algemeen bevredigt. L'image à faire serait l'image qui crée le
type.

De taak, die wij voor dezen artiest hebben uitgezocht is niet
gemakkelijk, maar ze is dankbaar, hij zal daardoor zijn naam voor eeuwig
verbinden aan den naam van de schoone figuur die hem inspireerde.

Zijn loon zal zijn de onsterfelijkheid.



HOOFDSTUK VIII.

De Zaligverklaring.


Wanneer ik het een zestal jaren geleden had ondernomen een geschiedenis
van Jeanne d'Arc te schrijven, had ik destijds het zuiver geschiedkundig
gedeelte kunnen afsluiten na het proces van rehabilitatie. Thans staan
wij er echter geheel anders voor, nu na de Rehabilitatie van 1456 de
Beatificatie gevolgd is in 1909. Sedert de nagedachtenis van Jeanne door
het tweede proces in eer en aanzien is hersteld, bestaat in Orléans de
gewoonte, het ontzet van de stad in 1429 op den 8en Mei feestelijk en
plechtig te herdenken o.a. door het uitspreken van een lofrede op Jeanne
van den kansel in de groote kathedraal. Meer dan eens komt het voor, dat
voor die gelegenheid bekende redenaars door den Bisschop van Orléans
worden uitgenoodigd. Zoo zien wij op den 8en Mei 1860 een nog jong
geestelijke, genaamd Freppel, den kansel bestijgen. Zijn naam als
schitterend redenaar was in die dagen reeds gevestigd. Hij is het,
die aan het slot van zijn eerste panégyrique een geheel nieuw element
inlascht, al is het ook nog slechts aarzelend en in den vorm van een
enkele onderstelling. »Misschien«, zoo waagt hij te zeggen, »zal het God
eenmaal behagen Zijn lieflijke dienares te verheerlijken met de aardsche
kroon, die de Kerk bewaart (réserve) voor den heldenmoed van de deugd.«

Als hem in 1867 andermaal de eer te beurt valt op uitnoodiging van
Mgr. Dupanloup, den Bisschop, op den 8en Mei de gemeente van Orléans te
mogen toespreken, durft hij reeds een groote stap verder gaan. De vraag
omtrent een mogelijke zaligverklaring wordt nu voor de eerste maal
duidelijk gesteld, onderzocht en besproken.

Aan de hand van de daarvoor geijkte formule, die hij ontleent aan het
werk van Paus Benedictus XIV, over de »Canonisatie der Heiligen«, stelt
hij nu onomwonden de volgende vragen:

»Kan men verdedigen dat Jeanne d'Arc de christelijke deugden betracht
heeft tot in het heldhaftige« (à un degré héroïque) »en dat God de
heiligheid van Zijne dienares heeft bevestigd door geloofwaardige«
(authentique) »en onbetwistbare wonderen?«

Van een redenaar, die geroepen is om den volke den lof te verkondigen
van een persoon, die in reuke van Heiligheid staat, en die daarbij de
boven aangehaalde vragen aldus stelt, en tevens een oogenblik later
uitroept: »O, wat mij betreft, ik kan het niet ontkennen, er zijn weinig
menschelijke levens, die ik zoo waarachtig stichtelijk vind«, is het
dunkt mij niet te gewaagd te veronderstellen, dat hij voor zich althans
geneigd zou zijn, de gestelde vragen met een volmondige bevestiging te
beantwoorden. Als die zelfde redenaar in volle geestdrift over Jeanne
verklaart: »Haar openbare leven is één doorloopend wonder«, verraden
dan die woorden niet reeds den geest, waarin hij de tweede door hem
opgeworpen vraag beantwoorden zou? Maar Freppel, hoewel toekomstig
Bisschop, was op het oogenblik, dat hij zoo sprak, nog slechts een jong
geestelijke, en het past hem dus voorzichtig en bescheiden te zijn.

»Ik heb niet de bevoegdheid«, laat hij er dan ook wijselijk op volgen,
»om in deze kwestie te beslissen, zelfs niet om haar voor de bevoegde
machten in de Kerk te brengen. Het is aan de Bisschoppen om na te gaan
of de zaak daar rijp voor is; het is aan den Stedehouder van Jezus
Christus om te beoordeelen of Gods uur geslagen heeft.«

Dit staat in elk geval vast, dat door de woorden van Mgr. Freppel de
kwestie van een mogelijke Zaligverklaring van Jeanne d'Arc voor het
eerst en tevens definitief op het tapijt is gebracht. De bewonderaars
van Jeanne laten de zaak niet meer los, de Bisschoppen rusten niet,
alvorens zij het noodige materiaal bijeen vergaard hebben, en zij de
zaak rijp achten om haar voor den Stoel van den Stedehouder van Christus
te brengen.

Den 13en December 1908 verschijnt een decreet van Paus Pius X tot
erkenning van drie wonderen, verkregen door de tusschenkomst van de
Eerbiedwaardige Jeanne d'Arc, maagd van Orléans. Het verhaal van de in
dit decreet bedoelde drie wonderen, komt voor in een herderlijken brief
van Mgr. Touchet, Bisschop van Orléans.

Het eerste van de drie bevat de geschiedenis van Zuster Thérèse van St.
Augustinus, Benedictijner-non van het Calvarie van Orléans. Zij is sinds
drie jaren lijdende aan hevige maagpijnen, die gepaard gaan met steeds
heviger, veelvuldiger bloedspuwingen. Voedsel kan zij niet meer tot zich
nemen: de dokter acht haar einde nabij. Dan stelt den 30en Juli 1900 de
moeder-overste haar voor aan Jeanne d'Arc haar genezing te vragen. Het
geheele klooster zal zich met haar in het gebed vereenigen.

Gedurende de novene, die den 31en Juli geopend wordt, neemt de kwaal nog
aanmerkelijk in hevigheid toe. Men houdt het Heilige oliesel voortdurend
in de infirmerie bij de hand, want elk oogenblik vreest men, dat zuster
Thérèse bezwijken zal.

In den avond van den 7en Augustus vraagt de zieke, midden in een
heftigen aanval, om hare kleeren. Zij zal morgen kunnen opstaan, want
dan zal zij genezen zijn. De ziekenverzorgsters kijken elkaar aan:
»Laten wij haar hare kleeren maar beneden halen«, zeggen zij tot elkaar,
»zij zullen haar als doodskleed kunnen dienen«.

Daarop slaapt zuster Thérèse in tot twee uur na middernacht. Zij wil
opstaan, maar men gebiedt haar te blijven rusten tot half zes. Zij
gehoorzaamt.

Den 8en Augustus om 5½ uur kleedt zij zich alleen aan en gaat zij
alleen naar beneden naar de kapel, bidt daar een Onze Vader, een Ave
en spreekt er, met de armen in kruisvorm uitgestrekt, verschillende
invocaties uit. Dan ontvangt zij de communie, en vervolgens gebruikt zij
met de andere zusters een maal, bestaande uit aardappelen in de asch
gesmoord, zonder dat het haar iets hindert.

Haar volkomen en plotselinge genezing heeft zich sedert dien geen
oogenblik verloochend.

De geschiedenis van Zuster Julie Gauthier in het tweede wonderverhaal
ademt een geest van zoo'n verrukkelijke naïviteit, zij is zoo'n prachtig
voorbeeld van vrouwelijke logica door hare toepassing van de waarheid,
dat 9 × 1 = 1 × 9, dat wij hier in extenso de vertaling laten volgen van
het verslag daarvan in den herderlijken brief van Mgr. Touchet gegeven.

Tweede Wonder.

Te Faverolles, diocees Evreux, leed Zuster Julie Gauthier aan een
kankerachtige zweer aan de linker borst. Na een smartelijk lijden van
vijftien jaren, heeft zij alle hoop op genezing verloren: als dan op
een dag de pijnen haar met dubbele hevigheid folteren, en zij het plan
heeft opgevat haren superieuren te verzoeken haar van haren post als
onderwijzeres te ontheffen, gebeurt het haar dat zij haren leerlingen
vertelt over Jeanne d'Arc. Het idée komt plotseling bij haar op om
genezing te bidden door de Heilige Bevrijdster. Maar, daar zij haast
heeft, vindt zij eene novene uit van een nieuwe soort. Zij zal naar de
kerk gaan met acht van hare kleine meisjes leerlingen, zij zullen dus
negen in getal zijn, en met haar negenen zullen zij dus eene novene van
gebeden kunnen maken in één enkele séance. Dit oprechte geloof, deze
kort aangebonden, maar naïve piëteit, deze bijstand van kinderen, konden
de Zalige moeilijk mishagen, verondersteld ten minste, dat wij daarboven
eenige van onze neigingen van hier beneden behouden.

Julie Gauthier werd verhoord. Zij, die zich met moeite naar de kerk had
kunnen slepen, keert er flink en moedig uit terug. De wond is gesloten
en voor altijd genezen.

       *       *       *       *       *

In het derde wonderverhaal is het Zuster Marie Saguier, van de
Congregatie van de Heilige Familie, te Fruges, diocees Atrecht,
die sinds maanden lijdende is aan eene tuberculeuse periostitis
(beenvliesontsteking). De kanunnik Debout, schrijver van een
levensgeschiedenis van Jeanne d'Arc, raadt haar een novene tot Jeanne
aan. Zuster Marie, die zich reeds verzoend heeft met de gedachte spoedig
te zullen sterven, is hiertoe slechts met moeite te bewegen (ten minste
»als ik hieromtrent goed ben ingelicht« voegt Mgr. Touchet er aan toe).
Zij wijst op hare verbonden ledematen, zeggende: »Hoe wilt ge dat Jeanne
d'Arc dat genezen zal?« Ten slotte evenwel laat zij zich overhalen, en
reeds den morgen van den vijfden dag komt zij volkomen en voor goed
genezen naar beneden, om deel te nemen aan het gemeenschappelijk gebed.

       *       *       *       *       *

Het decreet van de Zaligverklaring van Jeanne d'Arc is gedateerd van
den 11en April 1909. Het vangt aan met in enkele regels te schetsen wie
Jeanne geweest is en wat zij voor Frankrijk gedaan heeft. Verder bevat
het natuurlijk een kort verslag van het onderzoek, dat aan het besluit
is voorafgegaan en de gronden waarop het eindelijk met algemeene stemmen
is genomen.

Wij achten het niet noodig het gewichtige stuk of een vertaling er van
hier over te drukken, ook zullen wij ons niet wagen aan een critiek
op een decreet van Paus Pius X, geteekend door den Staatssecretaris
Kardinaal Merry del Val en handelende over een zaak, waarin Kardinaal
Ferrata rapporteur was; wij willen er ons slechts toe bepalen enkele
punten aan te stippen, die ons bij de lezing van het document bijzonder
hebben getroffen.

Zoo zien wij in de eerste plaats, dat het zoogenaamde »bois chesnu«,
gelegen bij Domremy, in de officiëele stijl van het decreet wordt tot
»een duister woud, eertijds het toevluchtsoord van Druïdisch bijgeloof«
(prope lucum opacum Druidicae quondam superstitionis asylum).

Verder is het wel merkwaardig, maar er zijn in het decreet drie plaatsen
aan te wijzen, die aantoonen, dat men ook thans te Rome nog aanneemt,
dat Jeanne zich in hare jonge jaren thuis voornamelijk heeft bezig
gehouden met het hoeden van de kudden (schapen) van haar vader. Ook de
armoede van het gezin, waartoe Jeanne behoorde, en waarvan de tekst tot
tweemaal toe gewaagt, achten wij voor burgers van dien tijd zeer
betrekkelijk.

»Tantique belli strepitus vix ejus aures contigerat« zegt de tekst, en
wanneer met het rumoer van den grooten oorlog, dat de ooren van Jeanne
te Domremy ter nauwernood zou bereikt hebben, letterlijk bedoeld wordt
het gebulder van de belegeringskanonnen en het geweld van groote
veldslagen, dan kunnen wij deze opvatting deelen. Maar wij zetten in ons
eerste hoofdstuk reeds uit één, hoe Jeanne door de bijzondere ligging
van haar ouderlijk huis veel over de verschrikkingen van den oorlog
hoorde spreken, dat zij wel degelijk wist, dat »grande pitié était au
royaume de France«, dat het ook in de streek van Domremy volstrekt
niet veilig was, en dat men ook daar, evenals in het geheele deel van
Frankrijk, dat ten Noorden van de Loire gelegen is, zoowel direct als
indirect de gevolgen van den oorlog ondervond, al hebben wij daarbij nog
niet eens het oog op de ernstige gebeurtenissen van de tweede helft van
Juli en van begin Augustus 1428, en die dus vielen tusschen het eerste
en het tweede bezoek van Jeanne aan Vaucouleurs.

Het spreekt wel van zelf, dat hetgeen wij gezegd hebben over het »genie«
en de »veine« van Jeanne, slecht passen zou in een Pauselijk decreet van
Zaligverklaring, en het kan dus geen verwondering baren, dat wij daarin
lezen, dat »God het arme boerinnetje, dat zelfs niet lezen of schrijven
kon, wijsheid, kennis, krijgskundige bekwaamheid gaf en tevens de
wetenschap van verborgen en goddelijke zaken.«

De beschrijving, die het decreet geeft van den standaard, die Jeanne
droeg: »een witte banier met gouden leliën bestikt«, klopt niet met de
beschrijving daarvan door Jeanne in het proces gegeven, of is althans
niet volledig. Wij weten immers, en de rechters die haar ondervroegen
wisten het ook, dat de Schotsche schilder James Power naar het
voorschrift van Jeanne op de voorzijde van haar standaard, die van wit
linnen was, bezaaid met Fransche leliën, in het midden bovenaan haar
devies: »Jhesu Maria« schilderde en daaronder God den Vader, gezeten op
een regenboog en aan weerskanten geflankeerd door de figuur van een
geknielden engel.

De uitéénzetting van de gronden, waarop tot de Beatificatie is besloten,
is eigenlijk niet meer dan een beantwoording van de vragen, reeds door
Mgr. Freppel gesteld aan de hand van de formule van Benedictus XIV.

»Virtutes heroicum attigisse fastigium«. Uitgemaakt wordt dus dat
inderdaad de deugden van Jeanne »het toppunt van heldenmoed bereikt
hebben« en verder wordt verwezen naar het door ons reeds genoemde
decreet van 13 December 1908, waarbij verklaard werd »dat er zekerheid
bestaat omtrent drie wonderen«, (de tribus miraculis constare suprema
auctoritate apostolica declaravimus.)

Had men werkelijk na de verklaring uit den aanvang van het decreet, dat
heel het leven van Jeanne een wonder is geweest (tota vita prodigium
visa est), die drie »posthume« en door Mgr. Touchet gerapporteerde
wonderen nog noodig, om te voldoen aan de letter van de voorschriften
uit het werk van Benedictus XIV?

Na een vrij uitvoerige toespeling op de moeilijkheden in Frankrijk,
ontstaan ten gevolge van de wet op de scheiding van Kerk en Staat, volgt
dan de eigenlijke Zaligverklaring met daarbij de bepalingen: 1e. dat
hare beelden met een stralenkrans mogen worden versierd; 2e. dat voor
haar eens in het jaar een Mis mag worden gevierd in de kerken van de
Diocees Orléans; 3e. dat in diezelfde kerken de Zaligverklaring mag
worden gevierd, door een driedaagsch feest, binnen een jaar nadat
dezelfde plechtigheid in de patriarchale basiliek van het Vaticaan zal
zijn gevierd.

       *       *       *       *       *

Met het decreet van 11 April 1909 is dus de Zaligverklaring van Jeanne
d'Arc een voldongen feit. Het blijft evenwel de vraag of de Katholieke
Kerk hiermede officiëel haar laatste woord in deze zaak heeft gesproken,
of de bewoners van Orléans, of alle Franschen hiermede hun schuld
tegenover hunne bevrijdster als vereffend zullen beschouwen.

De Katholieke Kerk kent naast of beter gezegd boven de Zaligverklaring
nog de Heiligverklaring. Als verschil tusschen deze beiden wordt mij van
bevoegde zijde opgegeven, dat:

»de Heiligverklaring is eene _definitieve_ beslissing van de Kerk (resp.
den Paus), waardoor verklaard wordt, dat een bepaald persoon Heilig is,
d. w. z. in den hemel, en als zoodanig kan _en moet_ vereerd worden.

»De zaligverklaring is slechts _een schrede op den weg tot de
heiligverklaring_, het is een voorloopige niet een definitieve
beslissing, dat een persoon in den hemel is; om dit definitief te
beslissen moeten nog meer wonderen geschieden en worden goedgekeurd.
De vereering van zulk een persoon wordt bovendien niet voorgeschreven,
doch alleen _toegestaan_ en gewoonlijk slechts voor een bepaalde
streek.«

Zullen de trouwe bewonderaars van Jeanne het bij deze eerste _schrede_
laten, zullen zij rusten zoolang niet de geheele weg is afgelegd, die
leiden moet tot de definitieve Heiligverklaring?

Haar nagedachtenis leeft in Frankrijk bij oud en jong, bij groot en
klein, daar kunnen wij zeker van zijn. In de hoogst ernstige uren, in
de moeilijke tijden, die Frankrijk nu (December 1914) doorleeft, komt
telkens en telkens weer de herinnering boven aan haar, die eens toen
»grande pitié était au royaume de France« den grooten stoot heeft
gegeven, om haar land te bevrijden en van vijanden te zuiveren. De
streek van het Noorden van Frankrijk, waar nu de bondgenooten een
reuzenstrijd voeren op leven en dood, is dezelfde waar Jeanne eens door
trok aan het hoofd van hare zegevierende troepen: in Compiègne werd
zij gevangen genomen, naar Reims voerde zij haren »gentil Dauphin«
voor zijn kroning in de thans zoo zwaar geteisterde kathedraal. Maar
hoort wat een ooggetuige nu onlangs nog berichtte: »Op het kleine plein
voor de kathedraal is het standbeeld van Jeanne d'Arc _als door een
wonder_ gespaard gebleven, niettegenstaande de stad bijna dagelijks
gebombardeerd wordt. De Fransche driekleur, die er aan bevestigd is,
wappert fier in de lucht.«

Daar hebt ge reeds een van de nieuwe wonderen, al manifesteert het zich
ook slechts aan het beeld van Haar, wier openbare leven, volgens Mgr.
Freppel, één doorloopend wonder was. En wilt ge nog een ander bewijs,
dat de vrienden van Jeanne naar nieuwe wonderen zoeken, dan vindt
gij er een in de Libre Parole, die in September j.l. duidelijk liet
doorschemeren »dat de Duitschers hun opmarsch naar Parijs hadden
moeten staken, omdat den dag, dat ze tot Compiègne genaderd waren, het
wachtwoord in het versterkte kamp van de hoofdstad »Jeanne d'Arc« was.«

Met groote ontroering en diepe verontwaardiging heeft heel de beschaafde
wereld het bericht vernomen van de gedeeltelijke vernieling van de
Kathedraal van Reims, en bij duizenden, ja misschien bij millioenen
heeft het de herinnering weer wakker geroepen, aan de kroning van Karel
VII, die Jeanne met zooveel moeite had doorgezet. Want zeker is het, dat
de Kathedraal van Reims, die na de Notre Dame te Parijs misschien de
meest bekende kerk van geheel Frankrijk is, het grootste deel van haar,
als wij het zoo noemen mogen, »wereld-populariteit« te danken heeft aan
de kroningsplechtigheid uit het jaar 1429 en aan de rol daarbij door
Jeanne d'Arc vervuld.

»Jeanne d'Arc! ô fantôme adoré, vous voici! Haussant votre étendard le
héraut sonne, et Charles est de pourpre vêtu qui, docile, vous suit...«
roept Paul Fort uit in een gedicht in proza-vorm (d.d. 21 September
1914) getiteld »La Cathédrale de Reims«. Want de Kathedraal bezingen en
Jeanne d'Arc niet noemen, het is bijna niet mogelijk.

       *       *       *       *       *

De herinnering aan Jeanne leeft in de diocees Orléans, waar zij als
een Heilige vereerd wordt, in Parijs, waar nog éénmaal in het jaar een
onafzienbare schare van trouwe bewonderaars in optocht haar standbeeld
voorbijtrekt en het bedekt met bloemen en kransen, in heel Frankrijk,
ja, maar ook daar buiten, in Rome, waar het decreet van hare
Zaligverklaring werd uitgevaardigd, en waar Pius X op den 19en April
1909 op eene audiëntie voor Fransche pelgrims in zijn toespraak ook een
woord wijdde aan »die heldin, slachtoffer van de lage schijnheiligheid
en van de wreedheid van een afvallige, die zich aan den vreemdeling
verkocht had«, in Engeland, dat o.a. Mgr. Bourne afvaardigde naar de
Jeanne d'Arc-feesten te Reims en zelfs in Amerika, waar een Mark Twain
in een van zijne zeldzame ernstige oogenblikken heeft verklaard:

»Het karakter van Jeanne is eenig.... Het neemt nog de meest verhevene
plaats in die een menschelijk wezen kan bereiken, verhevener dan die,
waartoe eenig ander sterveling, wie ook, heeft kunnen geraken«.

       *       *       *       *       *

Is het niet door en door begrijpelijk, dat de geloovigen in Frankrijk,
in deze dagen van angst en spanning, hunne gebeden opzenden tot Haar,
die reeds eenmaal hun vaderland bevrijd heeft?

Op den 13en September 1914, dus kort na de overwinning der Franschen aan
de Marne, heeft Kardinaal Amette, in eigen persoon en in vol ornaat,
de menigte toegesproken, die zich verdrong zoowel in de Notre Dame
te Parijs, als op het groote plein voor de kathedraal. In zijne rede
beloofde hij plechtig gevolg te zullen geven, aan zijn lang gekoesterd
voornemen, om in Parijs een kerk op te richten, gewijd aan Jeanne d'Arc.
Na de preek ging de processie rond met de relieken van Notre Dame,
waaronder zich ook de banier van Jeanne bevindt. Vervolgens hield de
Kardinaal nog een toespraak tot de geloovigen op het voorplein. De
indrukwekkende plechtigheid eindigde met de invocaties, uitgeroepen
door den aartspriester van Notre Dame, en waarvan de laatste gericht
was tot de »Gelukzalige Jeanne d'Arc, bevrijdster van het vaderland«.
En de duizenden, die daar neergeknield lagen, antwoordden daarop in
koor: »Zegen ons, red ons!«

                                           Utrecht, April-December 1914.



NASCHRIFT.


Kalm, doch met een vast doel voor oogen, werkt de Kerk voort. Zij zal
niet rusten voor het Haar gelukt is Jeanne te doen opnemen in de rij der
Uitverkorenen, voor de geheele Katholieke wereld haar heilig verklaard
heeft. Maar ook van wereldsche zijde zit men niet stil en wordt er zelfs
in deze spannende en gewichtige dagen, door enkele van hare getrouwen,
rusteloos voortgearbeid aan de verheerlijking van haar, die wellicht
meer dan ooit eenig ander, de groote deugden heeft bezeten, die in het
bijzonder het Fransche volk eigen zijn, van haar, die ééns in dagen,
oneindig donkerder, dan die welke Frankrijk thans doorleeft, haar volk
voor het eerst, door haar voorbeeld en haar woord, geleerd heeft wat
vaderlandsliefde was. Hun streven gaat volstrekt niet tegen het werk
van de Kerk in, maar loopt daarmede min of meer evenwijdig. Voor hen
is Jeanne in de eerste plaats de bij uitstek nationale figuur, de
incarnatie van het patriotisme, die verdient verheerlijkt en vereerd
te worden door alle Franschen, groot en klein, van welk geloof ook
of van welke religie. Heeft zij niet zelf haar volk de eenige religie
gepredikt, die geen atheisten duldt, de religie van het vaderland? O
zeker, zij erkennen, dat Jeanne visioenen gehad heeft en stemmen gehoord
heeft, maar waar het voor hun op aankomt is, dat zij boven alles uit
gezien heeft de »grande pitié qui était au royaume de France« en gehoord
heeft de noodkreet van het vaderland, dat in gevaar verkeerde.

Aan het hoofd van de wereldsche beweging staat Joseph Fabre,
oud-kamerlid, senator en groot kenner van de geschiedenis van Jeanne.
Van zijn hand hebben reeds verscheidene werken over onze heldin het
licht gezien en het zijn vooral zijne geschriften en studies die voor
ons van Jeanne een figuur hebben gemaakt, die leeft. Quicherat, zoo
drukt Anatole France het uit, had Jeanne ontdekt, maar Fabre heeft haar
toegelicht.

Sinds jaren reeds ijvert hij voor de officieele instelling van eene
tweeden nationalen feestdag in Frankrijk, die dan gewijd zou zijn aan
Jeanne d'Arc. Naast den 14en Juli, het feest van de vrijheid, den 8en
of den 30en Mei, het feest van het patriotisme, dat zou kunnen en
moeten zijn een dag van algemeene verbroedering, een dag, waarop alle
partijstrijd tijdelijk zou rusten en worden vergeten, een feest voor
alle Franschen, groot en klein, omdat Jeanne, ook, al zal de Kerk haar
aanstonds onder hare Heiligen plaatsen op hare altaren, niet toebehoort
aan eenige partij of aan eenig kerkgenootschap, maar aan het vaderland,
dat zij gered heeft en aan het volk dat zij heeft doen ontwaken.

In zijn laatste werk »Les Bourreaux de Jeanne d'Arc« et »Sa Fête
Nationale« (Paris 1915) geeft Fabre verslag van wat hij gedaan heeft en
reeds bereikt heeft om te geraken tot de instelling van het Nationale
Feest.

In 1883 reeds heeft hij voor het eerst het plan geopperd en den 30en
Juni 1884 bereikt de Kamer reeds een wetsvoorstel in dien zin, geteekend
door 252 kamerleden.

In Mei 1894 wordt een aanvang gemaakt met de behandeling van datzelfde
wetsontwerp in den Senaat. Fabre zelf brengt als rapporteur van de
commissie van onderzoek verslag uit in een welsprekende en luid
toegejuichte rede. Maar hij stuit op eenige oppositie. Art. 1 van het
door hem verdedigde en door 128 Senatoren onderteekende wetsvoorstel
luidt: »De Fransche Republiek viert jaarlijks het feest van Jeanne
d'Arc, feest van het patriotisme«, maar hierop is door enkele Senatoren
een tegen-voorstel ingediend van één enkel artikel, dat luidt: »Er zal,
ter eere van Jeanne d'Arc, op het plein te Rouaan, waar zij levend
verbrand werd, een monument worden opgericht met deze inscriptie: »Aan
Jeanne d'Arc. Het dankbare Fransche Volk.««

Senator Demôle treedt op als verdediger van het tegen-voorstel. Wat al
dadelijk bij de discussie in den Senaat in het oog springt, is dat de
politiek in de zaak gemengd wordt. Wij hooren toejuichingen van links,
tegen teekenen van afkeuring van rechts, interrupties van royalisten,
uitroepen van vrijmetselaars. Het is duidelijk, dat de heeren Senatoren
nog niet voldoende van de waarheid »Johanna nostra est« doordrongen
zijn. De royalisten zien kans uit de figuur van Jeanne politieke munt
te slaan en beroepen zich daarbij op het feit, dat Jeanne zich door
God gezonden achtte om den koning te doen kronen en op zijn troon te
bevestigen, maar zij vergeten daarbij voor het gemak het allerdroevigste
figuur, dat Z.M. Karel VII in de geheele geschiedenis van Jeanne
geslagen heeft. De vrijmetselaars staan eenigszins huiverig tegenover
iemand, die door de Kerk reeds zalig verklaard is en op het punt staat
op den R.K. kalender haar heiligen dag te krijgen. Zal de nationale
feestdag, wanneer die samenvalt met den Heiligen dag, niet »ontaarden«
in een zuiver kerkelijk feest? Moeten de Republikeinen zich dan niet
herinneren, dat Jeanne voor het koningschap gestreden en geleden heeft?
»Zoudt gij dan willen«, vraagt een van de sprekers van de tribune, »dat
Jeanne in 1400-zooveel Republiekeinsch geweest was?«

Een figuur als die van Jeanne, die juist als zuivere incarnatie van het
patriotisme, boven alle partijen staat, wordt ook nu weer bezoedeld en
besmeurd, enkel door het feit, dat zij met geweld wordt neergehaald
tot in het politieke strijdperk. »Ook nu weer«, ja zeker, want het
verschijnsel is niet nieuw. Het duidelijkst blijkt dit wel uit de
geschiedenis, die wij hier voor de curiositeit laten volgen, en die wij
ontleenen aan de redevoering van Senator Wallon, van het monument voor
Jeanne, opgericht in Orléans.

21 Juli 1456 werd door één van de Bisschoppen, die deel hadden genomen
aan het proces van rehabilitatie, en door den Inquisiteur van Frankrijk,
ter herinnering aan Jeanne een kruis opgericht, dat tegen het einde van
de vijftiende eeuw werd vervangen door een monument, opgericht uit
vrijwillige bijdragen van de vrouwen van Orléans.

Dit monument wordt in 1567 verwoest door de protestanten, weer hersteld
in 1570, weer verwoest in 1793 door de Revolutie, en met toestemming van
den Eersten Consul Bonaparte, weer opgebouwd in 1804, en eindelijk in
1855 vervangen door het monument, dat er nu nog staat.

Maar gelukkig, het eind van de discussie in den Senaat is toch, dat het
wetsvoorstel van de commissie wordt aangenomen met 145 tegen 92 stemmen,
en het voorstel omtrent het nationale monument met 180 tegen 20 stemmen.

18 Juni 1894 verhuist het wetsvoorstel naar de Chambre des Députés, waar
het op dit oogenblik nog ligt.

Het geheele ontwerp, zooals het nu luidt, bestaat uit de drie volgende
artikelen.

                                Art. 1.

De Fransche Republiek viert jaarlijks het feest van Jeanne d'Arc, feest
van het patriotisme.

                                Art. 2.

Dit feest heeft plaats den tweeden Zondag van Mei, verjaardag van de
bevrijding van Orléans.

                                Art. 3.

Er zal, ter eere van Jeanne d'Arc, op het plein te Rouaan waar zij
levend verbrand werd, een monument worden opgericht met deze inscriptie:

                           Aan Jeanne d'Arc.
                      Het dankbare Fransche volk.

Meer dan eens heeft men getracht urgentie voor de behandeling van het
wetsvoorstel te verkrijgen, doch te vergeefs. Monsterpetities zijn er
bij de Kamer ingekomen, o. a. een van de Fransche vrouwen, om er op
aan te dringen, dat de behandeling aan de orde van den dag zal worden
gesteld. De afgevaardigde de Mahy, zelf vrijmetselaar, trotseert het
veto van zijn orde, dient een rapport in, waarin hij pleit voor spoedige
behandeling van de wet, »die hem evenals heel Frankrijk, zoo na aan
het hart ligt«. Belangrijke onderdeelen van het groote Gemeenebest
zijn intusschen de Regeering voorgegaan, hebben het goede voorbeeld
gegeven. In Juli 1890 reeds verklaarde de »Conseil Supérieur de
l'Instruction publique« den 8en Mei tot feestdag voor alle inrichtingen
van Openbaar Onderwijs. Met algemeene stemmen heeft ook reeds de
Academische Senaat te Parijs besloten tot de jaarlijksche viering van
een universiteitsfeest voor Jeanne d'Arc binnen haar geheele gebied.

In 1912 brengt de afgevaardigde Aynard in de Kamer het rapport uit
van de commissie van onderzoek, en eindelijk in December 1914 kondigt
Maurice Barrès aan, dat hij het wetsvoorstel opnieuw zal indienen
aan het Bureau van de Kamer. Maar de Minister-President verzoekt hem
dit voorloopig uit te stellen en Maurice Barrès, hoewel persoonlijk
overtuigd, dat de Minister-President hierin ongelijk heeft, acht het
met het oog op de hoogst ernstige tijden, thans niet het moment daarover
met hem in discussie te treden, en onderwerpt zich dus aan zijn
verlangen.

»Le Président du Conseil a-t-il tort, a-t-il raison?« vraagt Maurice
Barrès zich af, en er zijn er in Frankrijk, die hem daarop zouden willen
antwoorden: »Il a raison« en daarbij zouden willen aanvoeren, dat men
toch in deze dagen nu Frankrijk en Engeland zijde aan zijde strijden
tegen een gemeenschappelijken vijand, niet vergeten moet, dat Jeanne
juist tegen de Engelschen gevochten heeft, en dat hoewel zij gevonnist
werd door een rechtbank voor het meerendeel bestaande uit Fransche
priesters, het toch in de eerste plaats de Engelschen zijn, die hare
veroordeeling bewerkstelligd en haren dood veroorzaakt hebben. Maar
ook in deze moeilijkheid is voorzien en het is hoogst merkwaardig
te hooren, hoe Joseph Fabre en zijne volgelingen zich met de noodige
spitsvondigheden hier uitredden. Het is evenwel zeker het best en het
onpartijdigst om de eindbeslissing in deze kwestie bij de Engelschen
zelf te zoeken en geheel aan hen over te laten.

Of is het geen spitsvondigheid, wanneer de vrienden van Jeanne in dit
verband er aan herinneren, dat zij zelf heeft verklaard niets liever te
willen dan, wanneer eenmaal de vrede gesloten en het land van vijanden
gezuiverd zou zijn, gezamenlijk met de Engelschen een kruistocht te
ondernemen ter verdediging van de beschaving en het Christendom.

Neen, laten we in dit geval liever luisteren naar hetgeen zij te zeggen
hebben van wie men oppositie vreest, en dus het woord geven aan de
Engelschen zelf.

Als wij dan in de eerste plaats herlezen het warme en enthousiaste
pleidooi dat Andrew Lang ons levert in zijn »Maid of France« zijn wij
dan eigenlijk niet al voldoende op de hoogte van hetgeen het Engeland
van onze dagen denkt over Jeanne? Is het dan nog noodig terug te
gaan naar 1795 toen Robert Southey Jeanne verheerlijkte in een lang
gedicht? Moeten wij dan nog lezen hoe Coleridge den grooten Shakespeare
onderhanden neemt over zijn eerste deel van Henry VI of hoe Thomas de
Quincey haar verdedigt?

Het verwijt van Carlyle: »Hartelooze Franschen, spotters, gij zijt
de edele maagd niet waard!«, lijkt ons wat hard en onverdiend.
Rudyard Kipling treft beter den toon, wanneer hij de bondgenooten
van heden samen de verantwoordelijkheid voor Jeanne's dood laat dragen
en zegt: »Wij vergeven elkaar onze wederzijdsche fouten en de oude,
onvergeeflijke misdaad, de zonde, waaraan elk onzer zijn deel had, op
het Marktplein te Rouaan.«

En wat dunkt U verder van de navolgende aanhalingen ontleend aan een
hoofdartikel in de Times van 29 Januari 1894 en dus geschreven in de
dagen, toen te Rome de eerste stappen werden gedaan voor de
Zaligverklaring:

»Wanneer de dag zal aanbreken van de Heiligverklaring van Jeanne d'Arc,
zullen zelfs zij, die de aanmatiging van Rome absurd of belachelijk
vinden, moeten erkennen, dat nooit edeler figuur aan de vereering der
zielen werd aangeboden.

In geheel de Middeleeuwen is er geen eenvoudiger en schitterender
geschiedenis, geen smartelijker tragedie dan die van het arme, kleine
herderinnetje, dat door haar hartstochtelijk geloof, haar vaderland
heeft opgeheven uit de diepten der vernedering en der wanhoop, om daarna
zelf door de handen harer vijanden de wreedste en schandelijkste dood te
ondergaan.

De verhevenheid en de moreele schoonheid van het karakter van Jeanne
hebben de harten veroverd van alle menschen, en de Engelschen herinneren
zich met schaamte de misdaad waarvan zij het slachtoffer werd....

Was er ooit een natuur zoo oprecht, zoo teeder, zoo rein, zoo innig
vroom?.....

Tegenover de gevangenen is zij zacht en mededoogend. Zelfs voor de
Engelschen is haar ziel vol medelijden. Zij noodigt ze uit om zich met
haar te vereenigen voor een grooten kruistocht tegen den vijand van de
Christenheid.

..... hare laatste woorden zijn woorden van vergeving voor hare beulen.

In Jeanne d'Arc vereert de Roomsche Kerk een _type_, waaraan niet alleen
een natie, maar de geheele wereld hulde zal brengen, het type van de
goede, teedere, reine Christin, in een zinnelijken en meedoogenloozen
tijd.«

       *       *       *       *       *

En ten slotte voor hen die nu nog mochten twijfelen, nog dit: »Een
Engelsch Gebaar« uit de oorlogsdagen van heden, opgeteekend door Joseph
Fabre:

»Ziehier een gebaar van onze Engelsche vrienden, dat van een zeldzame
kieschheid is, en wel waard dat men er even over nadenkt. De officieren
van de legers van koning George, verpleegd in het Engelsche hospitaal te
Versailles, wenschten hulde te brengen aan de Fransche soldaten, die met
hen strijden op de zelfde slagvelden. Op het lint van een fraaie garve
witte rozen en anjers lieten zij deze woorden plaatsen: »De Officieren
van het algemeene hospitaal van het Britsche leger te Versailles, als
aandenken en betuiging van bewondering aan hunne Fransche kameraden«.
Vervolgens gingen zij, eenvoudig weg, deze garve nederleggen aan den
voet van het standbeeld van Jeanne d'Arc in de Kerk van den Heiligen
Lodewijk in Versailles.«

»Is dat niet schoon?«

Ja zeker is het schoon. Voorwaar een veelzeggend, symbolisch gebaar
van groote suggestieve kracht, dat slechts zijn verklaring kan vinden
in hetzelfde gevoel van oprechte bewondering, dat den Engelschen
bevelhebber bezielde, toen hij order gaf, dat bij de jongste viering van
het Jeanne d'Arc feest, de eerewachten bij hare standbeelden moesten
worden betrokken door Britsche soldaten.

       *       *       *       *       *

Onze conclusie kan kort zijn. Wanneer de Fransche Regeering thans
besluit tot de instelling van een tweeden nationalen feestdag, het
feest van het patriotisme en gewijd aan Jeanne d'Arc, zal zij voorzeker
handelen in den geest van de overgroote meerderheid van het Fransche
volk. Ook behoeft zij niet bevreesd te zijn voor eenige oppositie van
den kant van den machtigen Britschen bondgenoot, want ook aan gene zijde
van het Kanaal zal het besluit gewaardeerd en met vreugde begroet
worden.

Waartoe dan langer getalmd? Met Maurice Barrès verlangen wij »que
justice soit enfin rendue, après quatre siècles d'ingratitude, à la
sainte de la patrie«.

[Illustratie: SCHETSKAARTJE VAN FRANKRIJK]



DE MEULENHOFF-EDITIE

WIL EEN GOED BOEK IN EEN GOED KLEED GEVEN VOOR WEINIG GELD.

De boeken zijn alle in degelijke, keurige cartonnage met geïllustreerd
omslag verkrijgbaar. Tegen zeer geringe prijsverhooging zijn de werken
der ~MEULENHOFF-EDITIE~ ook verkrijgbaar in smaakvollen prachtband met
goudsnede.

Voor een zeer billijken prijs ontvangt men een goed boek, #goed# van
inhoud en #goed# van uiterlijk. In de Meulenhoff-Editie worden boeken
gegeven op elk gebied. Onze boeken zijn niet ernstig en geleerd; het
zijn boeken voor _ieder_, zij vormen een bibliotheek voor #huiskamer#
en #salon#.

Wij laten hier de titels volgen die reeds verschenen zijn.

No. 1.  DE POLITIE-SPION.

        Roman uit den tijd van de Revolutie in Rusland, door Maxim Gorki
                                                   f 0.75 (Uitverkocht).

No. 2.  SARAH BERNHARDT.

        Gedenkschriften door haar zelf geschreven.--Jeugd.--Eerste
        Tooneeljaren. 2e druk. (6e-10e duizendtal)                f 0.75

        #Een zeer ter lezing aanbevolen prettig geschreven boek, deze
        gedenkschriften zijn als de schrijfster zelf, opgewekt, dartel,
        geestig, vol leven en beweging.#
                                   #J. H. Rössing, in het N. v. d. Dag.#

No. 3.  HET HUWELIJK VAN EEFKE BRIËST.

        Roman door Th. Fontane. 2e dr.                            f 0.75

        #Effi Briëst is psychologisch stellig zijn beste roman. Het is
        het verhaal van een huwelijk tusschen een ouderen volkomen
        gerijpten man en een »blutjunge« vrouw.#
                                              #Elsevier's Maandschrift.#

No. 4.  NAPOLEON. Opkomst en Grootheid. Met vele illustratiën, door
        H. P. Geerke. 2e druk. (6e-10e duizendtal)                f 0.75

        #Een degelijk, boeiend boek over Napoleon, keurig uitgegeven en
        rijk geïllustreerd.#                             #Utr. Dagblad.#

No. 5.  WALLY.

        De Roman van een Kelnerin, door Edw. Stillgebauer. 2e druk
                                                                  f 0.75

        #De auteur van »Götz Krafft« geeft hier een eenvoudig en
        treffend verhaal, onopgesmukt en daardoor overtuigend. Het
        banale geval is niet banaal of eenzijdig behandeld. Een mooi
        boek.#                                           #De Avondpost.#

No. 6.  DE FRAAIE COMEDIE.

        Een Haagsch Verhaal, door Henri van Booven                f 0.75

        #In dit boek vindt men een prachtige zelf-analyse en een leuke
        bespotting van burgerlijk Den Haag.#            #G. van Hulzen.#

No. 7.  SARAH BERNHARDT.

        Gedenkschriften door haar zelf geschreven.--Na den
        Oorlog.--Sarah Bernhardt als »Ster«                       f 0.75

        #Heel interessant is dit boek. Men kan dankbaar zijn voor deze
        uitgaaf. Een boek dat er in zal gaan.#          #Het Vaderland.#

No. 8.  LIEFDE, door Björnstjerne Björnson. Uit het Noorsch door Cl.
        Bienfait.                                                 f 0.85

        #Met vreugde hebben wij dit meesterwerk van den eeuwig-jeugdigen
        Noor gelezen, met een blij oog voor het vele zonnige, het fijn
        typeerende, echt dichterlijke en zacht harmonische in dit
        verhaal van prachtig en sterk uit Noorschen bodem verrezen
        menschen.#                                         #De Hofstad.#

No. 9.  DE VAL VAN NAPOLEON,

        door A. Kielland en H. P. Geerke. Geïllustreerd           f 0.75

        #Een boeiende beschrijving, met vele illustraties, die zeker met
        genoegen gelezen zal worden.#            #Algemeen Handelsblad.#

No. 10. ALS HET IJZER GESMEED WORDT.

        Roman door Clara Viebig                                   f 0.85

        #Deze roman is als een monumentaal gebouw, dat door zijn
        grootsche eenheid imponeert en liefde opwekt tot het waarachtig
        schoone. Het is wel een zeer bijzonder talent, dat zulk een
        kunstwerk heeft gewrocht. Een bijzonder mooi boek.#
                                                #N. Arnhemsche Courant.#

No. 11. RICHARD WAGNER.

        Zijn leven en werken, door J. Hartog. Rijk geïllustreerd  f 0.95

        #Een keurig uitgevoerd prachtwerk, met rijken inhoud, dat
        zich prettig laat lezen, en velen--ook om den zeer lagen
        prijs--hoogst welkom zal zijn. De schrijver geeft hier een
        zuiver onpartijdig oordeel. Een welverdiend succes zal het
        boek wachten.#             #C. v. d. Linden (in de Muziekbode).#

No. 12. KIPPEVEER of Het geschaakte Meisje. Roman door Cosinus, 419
        bladzijden. Deel I. 5e druk (25e-30e duizendt.)           f 0.85

No. 13. KIPPEVEER of Het geschaakte Meisje. Roman door Cosinus, 381
        bladzijden. Deel II. 5e druk (25e-30e duizendt.)          f 0.85

        #Deze beroemd geworden, ~ALLERVERMAKELIJKSTE~ roman zal
        ongetwijfeld in den nieuwen vorm weder vele lezers vinden.
        Aardige illustraties van Raemaekers.#        #Nieuws v. d. Dag.#

No. 14. GALERIJ van beroemde Fransche Tooneelspelers. Hun intiem leven
        anecdotisch beschreven, door J. H. van der Hoeven, met vele
        illustraties                                              f 0.75

        #Een kostelijke bundel, luchtig geschreven kantteekeningen van
        meer of minder piquante gedenkschriften. Het is een keurige
        uitgaaf, ook naar het uiterlijk.#
                                         #F. Lapidoth in de Nieuwe Crt.#

No. 15. MONNA VANNA,

        door M. Maeterlinck, vertaling van Frans Mijnssen, met 1
        portret. 4e druk.                                         f 0.65

        #De meesterlijke vertaling van Frans Mijnssen in het nieuwe
        aantrekkelijke gewaad, der bekende Meulenhoff-Editie.#
                                                            #Avondpost.#

No. 16. HET HEKSENLIED,

        door Von Wildenbruch, op maat overgezet voor de muziek van Max
        Schillings door Fr. Pauwels                               f 0.45

        #Een handige uitgaaf van het beroemde »Heksenlied« in goede
        bewerking, en in maat overgezet voor de muziek van Max
        Schillings.#                               #Utrechtsch Dagblad.#

No. 17. EEN VROUWENBIECHT.

        Oorspronkelijke roman door G. van Hulzen                  f 0.75

        #Het goede in dit boek is de voortreffelijke psychische
        uitbeelding, en vooral, dat de overgave van deze vrouw
        zelfsprekend is geworden.#             #De Groene Amsterdammer.#

No. 18. MARIE ANTOINETTE.

        Jeugd.--Eerste jaren der Revolutie, door Cl. Tschudi.
        Naar de oorspronkelijke Noorsche uitgaaf door J. Clant
        v. d. Mijll-Piepers. Met vele illustraties                f 0.85

        #Een aanbevelenswaardig boek; levendig is hier de geschiedenis
        van de ongelukkige koningin beschreven, men leest het boek als
        een diep tragische roman.#                #Opr. Haarl. Courant.#

No. 19. DRAMATISCHE WERKEN, door Björnstjerne Björnson. Naar de oorspr.
        Noorsche uitgaaf vertaald door Marg. Meijboom. Drie spelen van
        recht: De jonggehuwden; Een handschoen; Leonarda.         f 0.85

        #De bekende, in korten tijd populair geworden Meulenhoff-Editie,
        brengt een verdienstelijke uitgaaf van Björnson's dramatische
        werken, waarin de gelijkheid van man en vrouw behandeld wordt
        wat betreft het peil van zedelijkheid, recht en maatschappelijk
        optreden.#                                          #Alg. Bibl.#

No. 20. MARIE ANTOINETTE EN DE REVOLUTIE, door Cl. Tschudi. Naar de
        oorspronkelijke Noorsche uitgaaf door J. Clant van der
        Mijll-Piepers. Met vele illustraties. 469 bladz.          f 0.95

        #Dit boek toont ons het leven van de arme Koningin op haar
        lijdenspad naar het treurig einde.#

        #De schokkende gebeurtenissen der Fransche Revolutie met
        al haar verschrikkingen ziet men hier levendig, en getrouw
        aan de historische feiten, wedergegeven. Het geheel is in
        onderhoudenden, boeienden trant verteld.#

No. 21. HALFBLOED. Een huwelijk in de tropen.

        Roman door A. Perrin. Vertaald door D. Jacobson           f 0.85

        #Een goed doorgewerkte roman; de strijd tusschen liefde en
        bijgeloof van de Indische vrouw is goed weergegeven.#

No. 22. NA HET DERDE KIND.

        Roman door H. von Mühlau, vertaald door Anna van
        Gogh-Kaulbach.                                            f 0.75

        #Was het derde kind gewenscht?#

        #Mag men deze vraag zelfs opwerpen?#

        #Ziedaar een stukje sociale quaestie waarover deze roman
        handelt, en die in den tegenwoordigen tijd aller belangstelling
        zal wekken.#

No. 23. VERLOVING EN HUWELIJK IN VROEGER DAGEN, door Prof. Dr. L.
        Knappert.

        Rijk geïllustreerd                                        f 0.95

        #Een historisch overzicht met vele bijzonderheden over »hoe men
        elkaar vroeger vond en kreeg.« Interessant geïllustreerd.#

No. 24. DE OORLOG. Geïllustreerde Geschiedenis van den Wereldoorlog,
        door H. P. Geerke en G. A. Brands.

        Deel I. Rijk geïllustreerd                                f 0.95

        #Een interessant boek, dat met zijn vele illustraties en
        documenten een blijvende herinnering aan dezen oorlog vormt.
        Een en ander geeft aan het boek een eigenaardig cachet. De heer
        Meulenhoff heeft voor een fraaie uitvoering gezorgd. 't Is
        eigenlijk onnoodig dit te zeggen. Men kent zijn »Editie's«.#
                                           #Prov. Overijss. en Zw. Crt.#

No. 25. OPGANG. De roman van een vrouwenleven. Oorspronkelijke roman van
        Anna van Gogh-Kaulbach f 0.95

        In extra fraaien band                                     f 1.50

        #Opgang is de roman van een slachtoffer der tweedracht in een
        huwelijk. Het is de ellende, door dit laatste veroorzaakt, die
        Anna van Gogh-Kaulbach ons duidelijk voor oogen wil stellen, en
        ze slaagt daarin volkomen.#        #De Haagsche Vrouwenkroniek.#

No. 26. »DE WAPENS NEÊR«. Roman van Bertha von Suttner. Deel I. (8e-12e
        duizendtal der nieuwe uitgave) f 0.85

        #Hoe goed heeft deze vrouw opgemerkt, wat heeft zij van veel,
        dat ons nog altijd met wilde verbazing vervult, de alledaagsche,
        onschuldig schijnende oorzaken aangetoond.#      #De Telegraaf.#

No. 27. »DE WAPENS NEÊR«. Roman van Bertha von Suttner. Deel II.  f 0.85

        #Dit boek, dat den oorlog van 1866 en 1870 schildert, herleeft
        thans: Heele citaten waren aan te halen, woordelijk op de
        toestanden van thans toepasselijk.#  #Utr. Prov. Sted. Dagblad.#

No. 28. HAREM.

        Schetsen uit het leven van de Turksche vrouw door Demetra Vaka
                                                                  f 0.75

        #De inhoud van dit boek is niet verdicht, hoe onwaarschijnlijk
        sommige gedeelten ook schijnen. De feiten zijn volkomen naar
        waarheid verteld.#

No. 29. ONS MOOIE NEDERLAND.

        GELDERLAND I, door D. J. van der Ven. Met 80 kunstplaten naar
        de natuur. 316 bladz.                                     f 0.95

        #Wanneer men dit keurige boek opneemt en doorbladert, is de
        eerste gedachte: prachtig, sympathiek, smaakvol werk. En dan nog
        geen gulden betalen om dit boek het zijne te kunnen noemen...
        het lijkt schier ongelooflijk!#          #Nieuwe Arnh. Courant.#

No. 30. HET SCHANDAAL.

        Roman van G. van Ompteda                                  f 0.85

        #Een boeiende roman waarvan in de origineele uitgave in één jaar
        45000 ex. verkocht werden.#

No. 31. ACHTER DE SCHERMEN.

        Herinneringen van den Impressario Jos. J. Schürmann       f 0.75

        #Een keurige uitgaaf, prettig geschreven.#             #N. Crt.#

No. 32. BRAND door Henrik Ibsen, vertaald door J. Clant van der
        Mijll-Piepers.                                            f 0.85

        In extra fraaien band                                     f 1.15

        #»De Meulenhoff-Editie is door het opnemen van Ibsen's Brand
        ongetwijfeld wederom een belangrijk deel rijker geworden. De
        uitvoering is natuurlijk keurig«.#                  #Avondpost.#

No. 33. HET WONDERE LEVEN DER PADDENSTOELEN door D. J. van der Ven, 280
        bladz., met 80 photogr. natuuropnamen f 0.95

        #De bekende Arnhemsche natuurbeschrijver en kenner van het leven
        van dieren en planten deed thans in de Meulenhoff-Editie een
        uitvoerige verhandeling verschijnen over het »Wonderleven der
        Paddenstoelen« zooals hij het teekenend noemt. Zeer leesbaar
        geschreven, versierd met vele photografieën, fraai uitgevoerd
        en laag van prijs, behoort dit werkje tot de aantrekkelijkheden
        van de boekenmarkt, welker bekoring niemand ontgaat.#
                                                        #Haagsche Post.#

No. 34. DE LAATSTE DAGEN VAN POMPEJI door Edw. Bulwer Lytton. 544 blz.
                                                                  f 0.95

        In fraaien band                                           f 1.25

        #In handig formaat en grondig herzien door Mevr. J. P. Wesselink
        van Rossum, verschijnt thans een zevende druk in de bekende
        Meulenhoff Editie, goed gedrukt tegen matigen prijs, zoodat
        ongetwijfeld velen zich zullen verdiepen in de meesterlijke
        schildering van het Romeinsche leven der eerste eeuw en de
        verschrikkelijke catastrophe die toen plaats had. Het is en
        blijft een werk dat aller aanbeveling verdient.#
                                                    #Dordrechtsche Crt.#

No. 35. DE OORLOG. Geïllustreerde geschiedenis van den wereldoorlog
        door H. P. Geerke en G. A. Brands. Deel II.               f 0.95

        #Een verbazend aardige uitgave. Wij hebben nu vóór ons
        liggen twee bandjes en die geven een volledig overzicht van
        de geweldige gebeurtenissen, zonder een oordeel uit te spreken.
        Het is een kostbare verzameling van photographieën, reproducties
        van aanplakbiljetten en documenten, waarvan thans reeds de
        origineelen zeldzaam zijn. Wij maken alles nog eens mee, wat wij
        zelf beleefden of vernamen uit de dagbladen, wij vernemen het in
        woord en beeld. Wij zelf en vooral onze naneven mogen schrijvers
        en uitgevers dankbaar zijn voor deze populaire en belangrijke
        uitgave.#                                        #Boekenschouw.#

No. 36. NAPOLEON EN DE VROUWEN, door H. P. GEERKE, 300 bldz.      f 0.95

        In prachtband                                             f 1.25

        #De bekende historieschrijver Dr. H. F. Helmolt schrijft over
        Geerke's werken: »Op populaire, duidelijke wijze wordt hier
        Napoleon's leven verhaald, zonder dat de lezer vermoedt, welke
        grondige studies hier vooraf zijn gegaan. Geerke verstaat de
        kunst boeiend en onderhoudend te schrijven en toch historisch
        juist de feiten weer te geven. Een welverdiend succes zal zeker
        niet uitblijven.«#

No. 37. »PETRA«, door Björnstjerne Björnson. Uit het Noorsch door
        Cl. Bienfait                                              f 0.95

        In prachtband                                             f 1.25

        #Een waar prachtwerk, voor weinig geld.#

No. 38. »DE TORENS ZINGEN«, door D. J. van der Ven. 240 bl. met
        58 afbeeldingen                                           f 0.95

        In prachtband                                             f 1.25

        #Is het noodig dit boekje aan te bevelen? De namen van den
        schrijver en den uitgever zijn borg dat men in alle opzichten
        iets goeds krijgt.#                              #Architectura.#



  +----------------------------------------------+
  |                                              |
  |        OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:          |
  |                                              |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst     |
  |  aangebracht:                                |
  |                                              |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                 |
  |                                              |
  |  B: maar als de visoenen                     |
  |  C: maar als de visioenen                    |
  |  B: mise-en scène kan haar imponeeren.       |
  |  C: mise-en-scène kan haar imponeeren.       |
  |  B: teeken te Chinon«. Met                   |
  |  C: teeken te Chinon«? Met                   |
  |  B: kunst der régie en mise en scène. Van    |
  |  C: kunst der régie en mise-en-scène. Van    |
  |  B: geestelijken niets vragen« zegt          |
  |  C: geestelijken niets vragen,« zegt         |
  |  B: optreden van de »tooverheks« de          |
  |  C: optreden van de »tooverheks«, de         |
  |  B: plaats is ons« roept zij haren           |
  |  C: plaats is ons,« roept zij haren          |
  |  B: vrees ik U nog minder!                   |
  |  C: vrees ik U nog minder!«                  |
  |  B: uit het »Museé du Louvre«,               |
  |  C: uit het »Musée du Louvre«,               |
  |  B: een tweede schot dood hij haar           |
  |  C: een tweede schot doodt hij haar          |
  |  B: verovering van Saint Pièrre le Moustier  |
  |  C: verovering van Saint Pierre le Moustier  |
  |  B: d' Arc bij Compiégne.                    |
  |  C: d' Arc bij Compiègne.                    |
  |  B: Een brief dd. 14 Juli 1430               |
  |  C: Een brief d.d. 14 Juli 1430              |
  |  B: den troon van Frankrijk Het bericht      |
  |  C: den troon van Frankrijk. Het bericht     |
  |  B: hooren.Aarzelend brengt hij in           |
  |  C: hooren. Aarzelend brengt hij in          |
  |  B: van Rehabilitatie, Boisguilleaume,       |
  |  C: van Rehabilitatie, Boisguillaume,        |
  |  B: »»Dit behoort niet tot                   |
  |  C: »Dit behoort niet tot                    |
  |  B: Delafontaine: Dat is een antwoord        |
  |  C: Delafontaine: »Dat is een antwoord       |
  |  B: Delafontaine: Gevoelt gij behoefte       |
  |  C: Delafontaine: »Gevoelt gij behoefte      |
  |  B: Cauchon: Verlaat gij U                   |
  |  C: Cauchon: »Verlaat gij U                  |
  |  B: op die Kerk verlaten.                    |
  |  C: op die Kerk verlaten.«                   |
  |  B: »Jeanne: »Ik ben gekomen                 |
  |  C: Jeanne: »Ik ben gekomen                  |
  |  B: Jeanne: Ik kan niet veranderen;          |
  |  C: Jeanne: »Ik kan niet veranderen;         |
  |  B: geen engelsch spreken. omdat             |
  |  C: geen engelsch spreken, omdat             |
  |  B: het niet telaat, nog is                  |
  |  C: het niet te laat, nog is                 |
  |  B: Beauvais, Jean Lemâitre, Vicaris         |
  |  C: Beauvais, Jean Lemaître, Vicaris         |
  |  B: »Waarlijk, deze was Gods zoon«.          |
  |  C: »Waarlijk, deze was Gods zoon«.«         |
  |  B: haar door Messire ge-gegeven, volbracht  |
  |  C: haar door Messire gegeven, volbracht     |
  |  B: en de schilderijv an Scherrer.           |
  |  C: en de schilderijen van Scherrer.         |
  |  B: afbeeldingen zullen vermoedellijk        |
  |  C: afbeeldingen zullen vermoedelijk         |
  |  B: is het Zuster Maria Saguier,             |
  |  C: is het Zuster Marie Saguier,             |
  |  B: drukt Antole France het uit,             |
  |  C: drukt Anatole France het uit,            |
  |  B: dankbare Fransche Volk.«                 |
  |  C: dankbare Fransche Volk.««                |
  |  B: het koningschap ge-gestreden en geleden  |
  |  C: het koningschap gestreden en geleden     |
  |  B: en dat hoewel zij gevonnisd              |
  |  C: en dat hoewel zij gevonnist              |
  |  B: Lodewijk in Versailles.                  |
  |  C: Lodewijk in Versailles.«                 |
  |  B: door Edw. Stillgebauer. 2e druk          |
  |  C: door Edw. Stilgebauer. 2e druk           |
  |  B: I. 5e druk (25e-duizendt.)               |
  |  C: I. 5e druk (25e-30e duizendt.)           |
  |  B: II. 5e druk (25e-30e duizendt.           |
  |  C: II. 5e druk (25e-30e duizendt.)          |
  |  B: No. 18. MARIE ANTOINNETTE.               |
  |  C: No. 18. MARIE ANTOINETTE.                |
  |  B: stukje sociale questie waarover          |
  |  C: stukje sociale quaestie waarover         |
  |                                              |
  +----------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Jeanne d'Arc - de maagd van Orléans" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home