Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Leven der Dieren - Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels.
Author: Brehm, Alfred Edmund, 1829-1884
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Leven der Dieren - Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels." ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                          Het Leven der Dieren


                                  Door

                              A. E. Brehm.

     Naar den tweeden druk der volksuitgaaf voor Nederland bewerkt

                                  Door

                            S. P. Huizinga.


          Tweede druk--met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen.



                        Tweede Deel.--De Vogels.

                      Zutphen.--P. van Belkum Az.



ALGEMEENE BESCHOUWINGEN OVER DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER VOGELS.


"Men kent den Vogel aan zijne vederen." In dit spreekwoord ligt
een belangrijk kenmerk ter onderscheiding van de Vogels van alle
overige Gewervelde Dieren opgesloten. Door er nog bij te voegen,
dat een scheede van hoorn de kaken bedekt en dat de voorste ledematen
in vleugels veranderd zijn, waaruit volgt, dat het aantal pooten tot
twee is verminderd, heeft men de belangrijkste, uitwendig waarneembare
kenmerken van de Vogels opgenoemd.

Hoe karakteristiek echter de eigenaardigheden van den lichaamsbouw der
Vogels ook schijnen, toch vertoont hun geraamte zooveel overeenkomst
met dat van de Kruipende Dieren, dat er voldoende redenen bestaan om
de Reptiliën aan te merken als minder sterk gewijzigde afstammelingen
van wezens van hetzelfde maaksel als die, waaruit de gevederde
Gewervelde Dieren zijn voortgesproten. Kenmerkend voor de Vogels
is hun geschiktheid voor 't vliegen; de meest in 't oog loopende
eigenaardigheden van hun uitwendigen vorm en van hun inwendig maaksel
hangen met dit vermogen ten nauwste samen.

De schedel is sterk uitgezet en uit verscheidene beenderen
samengesteld; deze zijn bij het jonge dier door duidelijk zichtbare
naden verbonden, op lateren leeftijd echter zoo volledig onderling
vergroeid, dat er van hun vroegeren, gescheiden toestand geen
sporen overblijven. Opmerkelijk is de grootte van de oogkassen en de
dunheid van den wand, dien zij met elkander gemeen hebben. Onder het
achterhoofdsgat komt slechts één gewrichtsknobbel voor; een grootere
beweeglijkheid van den kop dan bij de Zoogdieren bestaat, is hiervan
een gevolg.

Het aantal halswervels wisselt af van 9 tot 24; ook hun verbinding laat
allerlei bewegingen toe; de 6 à 10 rompwervels en de 9 à 20 lende- en
heiligbeenwervels daarentegen zijn zeer weinig beweegbaar en vergroeien
dikwijls met elkander tot één been: het lendeheiligbeen. Het aantal
staartwervels, dat bij de Zoogdieren zoo verschillend is, bedraagt bij
de Vogels meestal 8 à 10, maar kan door vergroeiing verminderen; steeds
zijn deze wervels vollediger ontwikkeld dan bij de Zoogdieren, vooral
de laatste wervel, die de groote staartveeren draagt, en een vertikale,
drie- of vierzijdige beenplaat geworden is. De dunne en breede ribben,
welker aantal gelijk is aan dat van de rugwervels, zijn hieraan en
door tusschenkomst van bijzondere beenderen (borstbeenribben), voor
't meerendeel ook aan het borstbeen door gewrichten verbonden. Alle
ribben, met uitzondering van de eerste en de laatste, zijn aan
haar achterrand voorzien van een haakvormig uitsteeksel, dat tegen
den voorrand van de verder achterwaarts gelegen rib aanligt en veel
bijdraagt tot de stevigheid van de borstkas. Het borstbeen gelijkt op
een groot schild, dat een overlangschen kam draagt. De grootte van
dit schild en de hoogte van den kam hangen af van de ontwikkeling
der hieraan ontspringende, krachtige borstspieren en verschillen
dus, al naar de meerdere of mindere geschiktheid van den Vogel voor
't vliegen. Bij de Valken b.v. is de borstbeenkam zeer hoog en heeft
een sterk gekromden rand; bij de Struisvogels ontbreekt hij geheel.

De schoudergordel bestaat uit het lange, smalle schouderblad,
welks voorste uiteinde door het zoogenaamde "ravenbeksbeen" en
bovendien nog door een van de beide tot het "vorkbeen" vereenigde
sleutelbeenderen met het borstbeen verbonden is. Het schouderblad en de
beide sleutelbeenderen (als zoodanig beschouwt men het ravenbeksbeen en
iedere helft van het vorkbeen) werken alle drie samen tot het vormen
van de gewrichtskom van het schoudergewricht, waarmede het geraamte
van den vleugel geleed is. Dit bestaat uit het opperarmbeen (een lang
met lucht gevuld pijpbeen), de beide voorarmbeenderen (waaraan op te
merken valt, dat de ellepijp geen ellebooguitsteeksel heeft en forscher
ontwikkeld is dan het spaakbeen), twee kleine handwortelbeenderen, twee
(hoogstens drie) gedeeltelijk aaneengegroeide middelhandsbeenderen en
de kootjes van drie vingers: de duim (die bij verscheidene Vogels een
op een klauw gelijkenden nagel draagt, welke onder de vederen verborgen
is en in dit geval uit twee leden bestaat, maar anders slechts één lid
bezit), een groote, tweeledige, middelste en een kleine, éénledige,
buitenste vinger; alleen de duim kan afzonderlijk bewogen worden.

De poot bestaat uit boven- en onderbeen, den loop (die door vergroeiing
van een deel van den voetwortel en een deel van den middelvoet
ontstond) en de teenen (die met den loop gezamenlijk meestal "voet"
worden genoemd). Het dijbeen is altijd korter dan het opperarmbeen;
het zeer weinig ontwikkelde kuitbeen is met het forsche scheenbeen
vergroeid; het loopbeen is een lang pijpbeen, waaraan van onderen
gewrichtsvlakken voorkomen ter aanhechting van de teenen. Gewoonlijk
zijn drie teenen naar voren en één (de duim of binnenteen) naar
achteren gericht. Bij enkele Vogels is echter ook de binnenteen
naar voren gekeerd; bij sommige behoudt hij zijn gewonen stand,
maar is weinig ontwikkeld; bij andere wijst, behalve de binnenteen,
ook de buitenteen achterwaarts; bij uitzondering blijven aan den voet
slechts twee uitwendig zichtbare teenen over. De binnenteen bestaat
in den regel uit twee, de binnenste voorteen uit drie, de middelste
uit vier, de buitenste uit vijf leden.

Van de spieren verdienen vooral vermelding de borstspieren, daar zij
de vleugels bewegen. Bij de Vogels bereiken zij een veel grooteren
omvang dan bij eenig ander Gewerveld Dier. Door haar samentrekking
veroorzaken zij den neerwaartschen vleugelslag. Hare minder krachtige
"antagonisten," de spieren voor den opwaartschen vleugelslag,
ontspringen aan den kam, die gevormd wordt door de doornuitsteeksels
van de rug- en lendeheiligbeenwervels.

Het zenuwstelsel is bij de Vogels minder ontwikkeld dan bij de leden
der vorige klasse. Hoewel ook bij de Vogels de massa van de hersenen
grooter is dan die van het ruggemerg, zijn deze belangrijkste centrale
deelen bij hen van eenvoudiger maaksel. De groote hersenen, hoewel
in twee halfronden verdeeld, missen de windingen, die zoo kenmerkend
zijn voor de Zoogdieren.

Alle zintuigen zijn voorhanden en tot op zekere hoogte goed ontwikkeld;
geen van hen is onbruikbaar, hoewel eenige een eenvoudige samenstelling
vertoonen. Het oog verdient in de eerste plaats genoemd te worden,
zoowel omdat het naar verhouding zeer groot is, als wegens zijn
inwendig maaksel. De vorm en de grootte van de oogen zijn trouwens zeer
verschillend; bij alle Vogels, welker gezicht ver reikt, en bij alle,
die een nachtelijk leven leiden, komen zeer groote, bij de overige
kleinere oogen voor. Een eigenaardigheid van het vogeloog is de beenige
ring in het harde oogvlies; deze bestaat uit 12 à 30 vierzijdige, dunne
beenplaten welker randen dakpansgewijs over elkander kunnen schuiven;
hare grootte, vorm en stevigheid loopen zeer uiteen. Voorts komt in het
oog van den Vogel een zoogenaamde "kam" voor: een vaatrijk vlies, dat
met talrijke plooien voorzien en met zwarte kleurstof overtrokken is,
in 't achterste gedeelte van het glaslichaam ligt (vóór de plaats waar
de gezichtszenuw in den oogbol doordringt) en zich dikwijls tot aan
de lens uitstrekt. Beide, de ring en de kam, stellen waarschijnlijk
den Vogel in staat, om naar verkiezing ver- en kortzichtig te zijn;
in ieder geval hebben zij invloed op de bewegingen, die binnen in het
oog plaats vinden. Een bovenste en een onderste ooglid zijn steeds
aanwezig. Bovendien bezitten de Vogels nog een derde, halfdoorzichtig
ooglid, het zoogenaamde "wenkvlies", dat, van den binnenhoek van het
oog uitgaande zijwaarts voor den oogbol kan worden geschoven, en bij
zeer fel licht ongetwijfeld goede diensten kan bewijzen. Een uitwendig
oor is er niet. De groote gehooropeningen liggen zijwaarts aan 't
achterste deel van den kop, en zijn bij de meeste Vogels omgeven of
bedekt door straalswijs geplaatste vederen, die echter de geluidgolven
niet beletten in het gehoororgaan door te dringen. Bij de Uilen wordt
de oorschelp vervangen door een vliezige, zeer beweeglijke plooi,
die overeind gezet kan worden en ook de gehooropening kan sluiten. Het
trommelvlies komt op geringen afstand van de oppervlakte voor.

De reukorganen staan achter bij die van de Zoogdieren. Een uitwendig
waarneembare neus en groote neusholten ontbreken.--Naar het schijnt,
bezitten slechts weinige Vogels een fijnen smaak; daar de tong
slechts bij enkele zoo samengesteld is, dat zij geschikt zou kunnen
zijn om er mede te proeven. Over 't algemeen wordt dit lichaamsdeel
waarschijnlijk meer als tastorgaan dan als smaakzintuig gebruikt;
ook kan het dienst doen bij het opnemen van het voedsel, o. a. door
er een prooi aan te spietsen.

De organen voor den bloedsomloop en de ademhaling zijn zeer volkomen
ontwikkeld. De Vogels hebben een hart met twee kamers en twee
boezems, dat, wat samenstelling betreft, zeer veel gelijkt op dat der
Zoogdieren, maar naar verhouding veel krachtiger spieren bezit. Aan
weerszijden van het hart zijn de beide longen gelegen, nevens de
spits van het hart de beide afdeelingen van de lever: het middelrif,
dat bij de Zoogdieren de borstholte (met het hart en de longen) van
de buikholte (met de lever, de maag, enz.) afscheidt, is n.l. bij
de Vogels zeer weinig ontwikkeld en mist de spieren, die het bij de
ademhaling der Zoogdieren een rol doen spelen. De longen dringen door
in de tusschenruimten, die de ribben overlaten, waar bij de Zoogdieren
de tusschenribspieren voorkomen, die hier wegens de onbeweeglijkheid
der ribben overbodig zijn. Bovendien strekken de longen zich verder
benedenwaarts uit. De ingeademde lucht vult bij de Vogels, behalve ook
nog verscheidene luchtzakken, die door het geheele lichaam verspreid
zijn, en zelfs in de beenderen voorkomen, niet alleen in het kanaal,
dat in het middelste gedeelte der pijpbeenderen gevonden wordt, maar
ook in de kleinere holten van het been. De luchtpijp bestaat uit
beenige, door vliezen vereenigde ringen; de bovenste, maar vooral
de onderste van deze tot beschutting van de luchtpijp dienende
beenderen, onderscheiden zich door hun eigenaardige samenstelling;
zij vormen organen, die bovenste en onderste strottenhoofd heeten. Het
bovenste strottenhoofd dient niet, zooals bij de Zoogdieren, voor de
stemvorming; het ligt achter de tong, is bijna driehoekig en bezit
geen strotklepje; zijn opening (stemspleet) is omgeven door wratjes,
die rijk zijn aan zenuwen; hare randen zijn bekleed met een zachte,
gespierde huid, waardoor het strottenhoofd volkomen gesloten kan
worden. Het onderste strottenhoofd begint dicht bij de plaats
waar de luchtpijp zich in twee longpijpen splitst. Hier vormen de
sterk gewijzigde laatste luchtpijpringen den zoogenaamden trommel,
welks inwendige ruimte in twee gangen is verdeeld door den beugel,
een overlangs gericht beenig schot, uitgaande van het punt waar
de beide longpijpen uiteenwijken. Hier komen de stembanden voor,
gevormd door plooien van het slijmvlies, dat de luchtpijp inwendig
bekleedt; zij begrenzen de twee stemspleten, welker randen bij het
uitstroomen van de lucht in trilling gebracht worden, en op deze
wijze tot het voortbrengen van de stem dienen. Aan weerszijden van
het onderste strottenhoofd zijn spieren gelegen ten getale van 1 à
5 paren, die de veelzijdige bewegingen van het stemorgaan mogelijk
maken. Bij slechts weinige Vogels ontbreken deze spieren geheel,
bij andere, o. a. bij de meeste Zangvogels, zijn er 5 paren aanwezig,
die gezamelijk den zangspiertoestel vormen.--Hoogst eigenaardig zijn
bij verscheidene Vogels de krommingen van de luchtpijp; deze daalt
van het onderste gedeelte van den hals niet altijd onmiddellijk in
de borstholte af, maar dringt bij enkele Vogels vooraf in den kam
van het borstbeen door, of vormt aan de buitenzijde der borstspieren
een meer of minder lange lus, waarna zij zich weder naar boven richt,
om eerst nu in de borstholte af te dalen.

De Vogels hebben geen tanden: zij verzwelgen hun voedsel
zonder het vooraf te kauwen; reeds hierdoor verschillen hunne
spijsverteringswerktuigen aanmerkelijk van die der Zoogdieren. Ook
ontbreken bij gene de vleezige lippen, die bij deze meestal aanwezig
zijn. Daarentegen zijn de kaken der Vogels bedekt met een scheede
van hoorn; zij vormen den snavel. Bij vele Vogels is de wortel
van den bovensnavel gezoomd met een meestal geelachtige, zelden
blauwachtige, zachte huid, die washuid heet. Bij de Roofvogels,
die over dag jagen, is deze huid het duidelijkst zichtbaar; bij vele
moeras- en watervogels, vooral bij de Eenden, bekleedt zij bijna den
geheelen snavel met uitzondering van het voorste gedeelte; doordat
zij veel zenuweindtoestellen bevat, is zij voor tastorgaan geschikt;
bij de Uilen en Hoenderen is zij onder de vederen verborgen. De
speekselklieren zijn aanwezig; van een vermenging van het voedsel met
speeksel in de mondholte kan echter nagenoeg geen sprake zijn, daar
de spijs vóór het doorslikken niet gekauwd wordt. Bij vele Vogels
komt zij in de eerste plaats in een verwijding van den slokdarm,
die krop heet, hier wordt zij voorloopig bewaard en ondergaat eenige
veranderingen. Bij andere komt zij onmiddellijk in de voormaag of
kliermaag, die op den slokdarm volgt; de wand van het spijskanaal is
hier rijk aan klieren, maar steeds dunner dan die van de eigenlijke
maag of spiermaag. De voormaag is het grootst bij die soorten
van Vogels, welke geen krop hebben. De spiermaag kan zeer ongelijk
ontwikkeld zijn. Gewoonlijk is zij dunwandig bij de Vogels, die zich
uitsluitend of bij voorkeur met andere dieren voeden, zeer sterk
gespierd daarentegen bij die, welke plantaardige stoffen als voedsel
gebruiken; inwendig is zij dan met een harde, geplooide huid bekleed,
welke met de krachtige spieren van den maagwand, die haar bewegen,
een wrijftoestel vormt, waardoor de spijzen, die met zandkorrels en
steentjes gemengd zijn, fijngemaakt en in een brij veranderd worden.

De huid van de Vogels komt, wat haar samenstelling betreft, in
hoofdzaak met die der Zoogdieren overeen. Ook zij bestaat uit drie
lagen: het verhoornde en het nog levende gedeelte van de opperhuid en
de lederhuid. De eerstgenoemde is dun en sterk geplooid; aan den loop
en de teenen verdikt zij zich echter en vormt schubben; ook aan den
snavel is zij sterker ontwikkeld. De lederhuid is verschillend van
dikte: bij sommige Vogels zeer dun, bij andere dik en hard, steeds
rijk aan bloedvaten en zenuwen, aan de binnenzijde vaak met een
dichte vetlaag bedekt. De veeren ontwikkelen zich in instulpingen
van de huid, die, oorspronkelijk vaatrijke, aan de oppervlakte
uitpuilende verhevenheden waren, welke zich echter langzamerhand
in de lederhuid terugtrekken. Zij ontstaan op soortgelijke wijze
als de haren, stekels en schubben van de Zoogdieren, hoewel er
in dit opzicht tusschen de Vogels onderling en ook tusschen de
verschillende gedeelten van het vogellichaam nog veel onderscheid
valt op te merken. Aan de veder merkt men op de as en de uit
"baarden" samengestelde vlag, aan de as de spoel en de schacht; de
veeren zelve worden onderscheiden in buitenveeren of omtrekveeren en
donsveeren. De eerstgenoemde worden verdeeld in pennen (slagpennen aan
den vleugel, stuurpennen aan den staart) en kleine veeren (vleugel-
en staartdekveeren en bekleedingsveeren), de slagpennen in groote of
handpennen en kleine of armpennen. De aansluiting van den uitgebreiden
vleugel aan de veeren van den romp wordt verkregen door de veeren van
den bovenarm; die van de onderzijde heeten okselveeren, die van de
bovenzijde schouderveeren. Aan het handgedeelte van den vleugel komen
gewoonlijk 10 handpennen of slagpennen van den eersten rang voor;
het aantal armpennen of slagpennen van den tweeden rang is echter
zeer verschillend. De kleine pennetjes aan den duim vormen te zamen
den duimvleugel. De staart bestaat in den regel uit 12 stuurpennen,
zelden zijn er minder, dikwijls meer. De buitenveeren zijn niet overal
even dicht bijeengeplaatst, maar integendeel op een bepaalde wijze
over vedervelden verdeeld, zoodat eigenlijk het grootste gedeelte
van het lichaam naakt is en de bevedering beperkt blijft tot smalle
strooken, die bij de verschillende Vogelgroepen ongelijk verdeeld
zijn. De Vogels, welker vederenkleed overal even dicht is, kunnen
niet vliegen. De schouderveeren en bekleedingsveeren van het voorste
deel van den rug vormen te zamen den mantel. Alle bekleedingsveeren
zijn dakpansgewijs gerangschikt; de slagpennen en stuurpennen bedekken
elkander waaiersgewijs. De dekveeren zijn van boven naar onderen over
de onderste gedeelten der slagpennen en stuurpennen gelegen en worden
daarnaar onderscheiden in boven- en onderdekvederen van den vleugel
en van den staart. Aan den kop onderscheidt men aan de bovenvlakte
het voorhoofd, de kruin en het achterhoofd, aan elke zijvlakte
den teugel (onder welken naam men de streek tusschen het oog en
den wortel van den bovensnavel verstaat), de onder het oog gelegen
wangen en de oorstreek (rondom de meestal onder vederen verborgen
ooropening). De bovenzijde van den hals heet nek, de zijden blijven
den naam van hals behouden, de voorzijde heet keel of voorhals. Aan
den romp onderscheidt men den rug (boven- en onderrug; de zijvlakten
heeten zijden of flanken, terwijl de ondervlakte verdeeld is in
borst en buik.--De donsvederen hebben een korte as, welker baarden
niet op twee rijen zijn geplaatst, en geen aaneengesloten geheel,
geen vlag, vormen zooals die van de omtrekveeren, maar dunner en
buigzamer zijn.--De kleurenpracht der veeren wordt slechts voor
een klein deel veroorzaakt door de kleurstoffen die zij bevatten,
grootendeels echter door de straalbreking; zij hangt dus af van de
gesteldheid van de oppervlakte der veeren.



De Vogels overtreffen alle andere dieren door de snelheid van
hun stofwisseling, door hun hooge lichaamstemperatuur. Het eene
verschijnsel is een gevolg van het andere: aan hun krachtige ademhaling
danken de Vogels hunne meerdere werkzaamheid en kracht. Zij ademen veel
sterker dan de andere dieren, want de zuurstof van de lucht komt niet
alleen door tusschenkomst van het bloed, en dus scheikundig gebonden
aan de bloedkleurstof, maar ook als zoodanig in alle deelen van hun
lichaam; daar, zooals reeds gezegd is, niet alleen de longen, maar
ook de luchtzakken, de groote en kleine holten der beenderen, en soms
zelfs bepaalde ruimten in de huid met lucht gevuld worden. Het bloed
wordt rijkelijker met zuurstof voorzien dan bij de overige dieren;
oxydatieverschijnselen in het lichaam hebben sneller en krachtiger
plaats, de door de zuurstof veroorzaakte prikkel is grooter, de
geheele bloedsomloop sneller: men heeft opgemerkt, dat de slagaders
en aders naar verhouding dikker zijn, dat het bloed rooder is, meer
bloedlichaampjes bevat dan bij de overige Gewervelde Dieren. Hiermede
staat de onvergelijkelijke bedrijvigheid der Vogels in het nauwste
verband, terwijl voor het stofverbruik, dat er een noodzakelijk gevolg
van is, natuurlijk weder een snellere spijsvertering vereischt wordt.

Naar verhouding eet de Vogel meer dan eenig ander wezen. Niet
weinige Vogels eten bijna voortdurend, zoolang zij wakker zijn;
de insectenjagers eten zooveel, dat het gewicht, van de per dag
verbruikte hoeveelheid voedsel twee- à driemaal grooter is dan hun
eigen lichaamsgewicht. Bij de vleescheters is de verhouding gunstiger,
daar zij per dag nog geen zesde gedeelte van hun gewicht aan voedsel
noodig hebben; meer dan dit heeft waarschijnlijk geen der planteneters
noodig; toch moeten ook zij in vergelijking met de Zoogdieren veeleters
genoemd worden. Het voedsel wordt onmiddellijk in de kliermaag of
vooraf in den krop gebracht, en hier voor de vertering voorbereid;
in de maag wordt het geheel verweekt of als tusschen molensteen
fijngewreven. Verscheidene Vogels vullen bij het eten het spijskanaal
tot aan het keelgat met voedsel, andere stoppen den krop zoo vol,
dat hij als een bol aan den hals uitpuilt. De Roofvogels kunnen zelfs
oude beenderen verteren; in het spijskanaal van groote, zaadetende
Vogels worden stukken ijzer veranderd, totdat zij een geheel anderen
vorm hebben dan vroeger. Onverteerbare stoffen blijven bij sommige
weken lang in de maag liggen, voordat zij verder vervoerd worden;
door andere worden zij als ballen weder uitgespuwd. Ondanks de snelle
stofwisseling hoopt zich bij overvloedige voeding onder de huid en
tusschen de ingewanden zeer veel vet op; als het dier verscheidene
dagen achtereen honger moet lijden, wordt dit vet echter volkomen weder
verbruikt. Toch kunnen de Vogels het langer dan de meeste Zoogdieren
zonder voedsel uithouden.

Het vliegen is de voortreffelijkste bewegingswijze van de Vogels. Alle
overige dieren, die geschikt zijn om zich in de lucht te bewegen,
fladderen of gonzen; de Vogels alleen vliegen. Dit danken zij aan het
maaksel hunner wieken, welker pennen elkander waaiersgewijs bedekken,
en zóó gebogen zijn, dat de vleugel aan de benedenzijde een trogvormige
uitholling vertoont. Bij de bovenwaartsche beweging van de vleugels
ontstaan ruimten tusschen de opeenvolgende slagpennen, waardoor de
lucht heendringen kan; bij den neerwaartschen slag voegen de vlaggen
zich innig aaneen, en bieden een grooten weerstand aan 't doordringen
van de lucht. De Vogel zal dus stijgen bij iederen neerwaartschen
vleugelslag. Daar deze zoowel van voren naar achteren als van boven
naar onderen gericht is, beweegt het dier zich meteen vooruit. De
snelheid, die de vliegende Vogel kan bereiken, is grooter dan die
van eenig ander dier; terwijl hij ook door zijn geschiktheid om de
beweging vol te houden, niet achterstaat bij andere wezens. Wat
hij in dit opzicht vermag, gaat ons begrip te boven: in weinige
dagen kan hij een reis van vele duizenden kilometers volbrengen,
in weinige uren een breede zee overtrekken. Vele trekvogels vliegen
dagen achtereen zonder een verpoozing van eenig belang; uren lang
kunnen sommige Vogels in de lucht spelen; alleen in zeer ongunstige
omstandigheden geraken zij buiten staat om zich verder te bewegen.

In den regel zijn de goede vliegers voor 't gaan meer of minder
ongeschikt; ook onder hen zijn er echter eenige, die goed kunnen
loopen. De wijze, waarop deze beweging geschiedt, is zeer verschillend;
men spreekt bij de Vogels van rennen, draven, loopen, springen,
stappen, huppelen, wandelen; sommige kunnen alleen op een plompe wijze
waggelen, terwijl andere zich voortschuiven of laten glijden. In
vele opzichten verschilt deze beweging, hoewel zij twee ledematen
vereischt, van den gang van den mensch. Met uitzondering van eenige
weinige Zwemvogels, die zich niet anders dan schuivend over den bodem
kunnen voortbewegen, gaan alle Vogels op de teenen. Het best, hoewel
niet het vlugst, wordt dit gedaan door die, welker lichaam in het
midden ondersteund wordt: de langpootige Vogels loopen goed maar met
afgemeten schreden; de kortpootige hebben een gebrekkigen, gewoonlijk
huppelenden gang; de bezitters van middelmatig lange pooten bewegen
zich zeer snel, zij rennen meer dan zij loopen. Log en onbeholpen is
de gang van alle Vogels, welker lichaam een steilen stand heeft. Die,
welke eveneens ver achterwaarts geplaatste pooten hebben, maar het
lichaam vooroverbuigen, gaan weinig beter, omdat zij bij elken stap
het voorste gedeelte van den romp op een duidelijk merkbare wijze
moeten draaien. Eenige uitstekende vliegers kunnen in 't geheel niet
meer gaan; eenige uitmuntende duikers kunnen zich alleen schuivend
en kruipend over den bodem verplaatsen. Bij zeer snellen loop maken
vele gebruik van hunne vleugels.

Niet weinige leden van deze klasse kunnen zich behendig in 't water
bewegen, volbrengen gedurende het zwemmen hunne meeste verrichtingen,
roeien over de oppervlakte voort en kunnen ook duiken. Iedere Vogel
zwemt, als hij in het water wordt geworpen; de geschiktheid voor
't zwemmen komt niet uitsluitend aan de eigenlijke Zwemvogels
toe. De vederen staan bij deze en alle andere in 't water levende
Vogels dichter bijeen dan bij de overige; bovendien worden zij
voortdurend met vet besmeerd en zijn hierdoor uitmuntend tegen het
water bestand. De Vogel, die aan de oppervlakte van 't water zwemt,
behoudt dezen stand zonder eenige inspanning; iedere roeiwerking
dient bij hem uitsluitend tot voortbeweging van 't lichaam. Voor 't
zwemmen gebruikt hij gewoonlijk alleen de voeten, die met saamgevouwen
teenen naar voren getrokken, vervolgens uitgespreid en daarna met
volle kracht tegen het water gedrukt worden; als hij bedaard zwemt,
geschiedt dit eerst met den eenen en dan met den anderen poot,
bij snel zwemmen meestal met beide tegelijk. Om te sturen wordt één
poot met uitgespreide teenen achterwaarts gestrekt en de andere voor
't roeien gebruikt. Meestal gaat met de geschiktheid tot zwemmen die
tot duiken gepaard. Eenige Vogels zwemmen onder water sneller dan aan
de oppervlakte en wedijveren met de Visschen; andere zijn alleen dan
tot duiken in staat, als zij zich van een zekere hoogte in het water
laten neerploffen. Deze beide bekwaamheden zijn van beteekenis voor de
levenswijze van het dier. Zij, die van den waterspiegel uit met een
meer of minder zichtbaren sprong in het water duiken, worden zwem-
of sprongduikers, zij die uit de lucht in het water neerschieten,
stootduikers genoemd. De diepte, die zij bij 't duiken bereiken, hunne
richting en snelheid bij deze beweging, de tijd, dien zij onder de
oppervlakte doorbrengen, zijn zeer verschillend. Eidereenden kunnen,
naar men zegt, 7 minuten lang onder water blijven en tot een diepte van
120 M. afdalen; de meeste Vogels bereiken stellig zulk een diepte niet
en keeren reeds na hoogstens 3 minuten naar den waterspiegel terug om
adem te halen. Eenige Vogels, die niet tot de Zwemvogels behooren,
kunnen niet slechts zwemmen en duiken, maar ook op den bodem van
't water rondloopen.

Een andere vaardigheid, die bij vele Vogels voorkomt, is het klimmen;
vele zijn meesters in deze kunst. Hiertoe bedienen zij zich bij
voorkeur van de voeten, sommige bovendien van den snavel en van den
staart, in bepaalde gevallen zelfs van de vleugels.

Een begaafdheid, waardoor de Vogels boven de meeste dieren uitmunten,
is het bezit van een luide, volle en zuivere stem. Wel is waar
kunnen vele Vogels slechts weinige tonen of alleen onaangename,
krijschende en gillende geluiden voortbrengen; de meeste echter
hebben een buitengewoon buigzame en klankvolle stem. Deze maakt een
veelomvattenden spraak en een liefelijk gezang mogelijk.

Uit nauwgezette waarnemingen is gebleken, dat de Vogels tot aanduiding
van verschillende gewaarwordingen, indrukken en begrippen bepaalde
geluiden laten hooren, waaraan men zonder overdrijving de beteekenis
van woorden kan toekennen, daar de dieren hierdoor elkander
mededeelingen kunnen doen; ook voor den opmerkzamen waarnemer
worden deze klanken verstaanbaar, indien hij geen moeite schroomt
om hunne bedoeling te leeren begrijpen. De Vogels lokken of roepen,
geven hunne vreugde en liefde te kennen, dagen mededingers tot
den strijd uit of roepen vrienden te hulp, waarschuwen elkander
tegen vijanden en andere gevaren, kortom zij doen mededeelingen
van allerlei aard. Niet alleen Vogels, die tot één soort behooren,
kunnen elkanders geluiden verstaan; de meer bevoorrechte leden van deze
klasse kunnen ook met minder begaafden spreken. Naar de aanmaning van
de groote Moerasvogels luisteren hunne kleinere, op het strand levende
verwanten; een Kraai waarschuwt de Spreeuwen en andere Vogels, die op
den akker hun voedsel zoeken; het angstgeschreeuw van den Merel is een
aansporing tot waakzaamheid voor alle bewoners van het woud. Vogels
die zeer voorzichtig zijn, doen ten bate van allen als schildwachten
dienst en hunne berichten worden door de overige goed ter harte
genomen. Gedurende den paartijd babbelen en minnekoozen de Vogels
dikwijls alleraardigst onderling; op een niet minder liefderijke
wijze spreekt de moeder met hare kinderen. Sommige Vogels werken
samen tot de uitvoering van bepaalde composities, doordat de eene
het geroep van den anderen beantwoordt; andere geven lucht aan hunne
gewaarwordingen zonder er op te letten of er al dan niet naar hen
geluisterd wordt. Dit laatste is o. a. het geval bij de Zangvogels,
de lievelingen van de schepping gelijk men ze wel noemen mag, die meer
dan de andere leden hunner klasse onze geheele liefde verworven hebben.

Wat de geschiktheid tot het doen van mededeelingen door de spraak
betreft, staan beide geslachten ongeveer op dezelfde hoogte; het zingen
evenwel is een voorrecht van de mannetjes, slechts hoogst zelden leert
een wijfje het voortbrengen van eenige muzikale strophen. Bij alle
eigenlijke Zangvogels zijn de spieren aan het onderste strottenhoofd
in hoofdzaak op gelijksoortige wijze ontwikkeld; hun bekwaamheid in
't zingen is echter zeer verschillend. Iedere soort heeft tonen,
die haar kenmerken, en een bepaalden omvang van de stem. Sommige
Vogels verbinden de tonen op een eigenaardige wijze tot coupletten
of strophen, die door de meerdere of mindere volheid, afronding en
sterkte der tonen gemakkelijk van andere afdeelingen van het gezang
onderscheiden kunnen worden. Bij sommige omvat het lied slechts
weinige tonen, terwijl het zich bij andere over verscheidene octaven
uitstrekt. Een Vogel "slaat", wanneer zijn gezang uit strophen bestaat,
die goed gearticuleerd worden voorgedragen, duidelijk vaneen gescheiden
zijn. Van "gezang" is meer bepaaldelijk sprake, als de tonen, hoewel
voortdurend afwisselend, een meer vloeiende melodie, geen strophen
vormen. De Nachtegaal en de Vink slaan, de Leeuwerik en Distelvink
zingen. Het "gekweel" is een meer verward, niet gearticuleerd mengsel
van tonen, gewoonlijk alleen zachte en hooge. Alleen de slag en
het gezang hebben muzikale waarde en maken op ons een krachtigen
indruk. Iedere Zangvogel weet trouwens afwisseling in zijn lied te
brengen. Ook de omgeving oefent invloed uit op deze wijzigingen:
Vogels van dezelfde soort zingen in het gebergte anders dan in de
vlakte, hoewel een nadere omschrijving van dit verschil alleen door
een deskundige kan worden gegeven. Een Vogel die goed slaat of zingt,
kan op het gezang van andere Vogels in de door hem bewoonde streek een
gunstigen invloed oefenen en uitmuntende leerlingen vormen; terwijl
omgekeerd slechte zangers goede bederven kunnen: de jonge Vogels
volgen het voorbeeld van de oudere leden van hun soort, maar nemen
ongelukkig, evenals de menschen, lichter gebreken dan volmaaktheden
over. Sommige Vogels bepalen zich niet tot het gezang, dat hun van
nature eigen is, maar voegen hierbij enkele tonen of strophen uit
het gezang van andere Vogels en zelfs klanken of geluiden die niet
van Vogels afkomstig zijn, en hun aandacht getrokken hebben. Zulke
Vogels worden gewoonlijk "Spotvogels" genoemd, hoewel hun met dezen
naam onrecht aangedaan wordt. Zangvogels in den eigenlijken zin van 't
woord--d. w. z. zulke, die niet slechts een zangspiertoestel bezitten,
maar ook werkelijk zingen--treft men aan in alle landen der wereld,
hoewel zij het veelvuldigst zijn in den noordelijken gematigden gordel.

Al wat ik vroeger van het verstand en den aard der Zoogdieren
gezegd heb, is mijns inziens ook toepasselijk op de Vogels; ik
zou geen talent, geen karaktertrek van gene weten te noemen, die
ook niet bij deze opgemerkt kan worden. Men moet echter bij alle
dergelijke vraagpunten wel in 't oog houden, dat onze verklaringen
van vele verschijnselen van het leven der dieren weinig meer zijn
dan onderstellingen. In het gunstigste geval wordt het dier en zijn
aard door ons slechts gedeeltelijk begrepen. Soms kunnen wij ons een
denkbeeld vormen van zijne gedachten en oordeelvellingen: in hoever
dit denkbeeld juist is, weten wij echter niet.



De Vogels zijn wereldburgers. Zoover de aarde onderzocht is, heeft
men ze gevonden: op de eilanden om de beide polen, zoowel als bij den
evenaar, in zee niet minder dan op of boven de hoogste bergtoppen,
in vruchtbare landstreken en ook in woestijnen, in het oerwoud zoowel
als op kale, onmiddellijk aan de zee grenzende rotspunten. Iedere
aardgordel herbergt eigenaardige gevederde bewoners. Over 't algemeen
zijn de regels van de geographische verbreiding der dieren ook op de
Vogels toepasselijk: in de koude gordels vindt men wel een verbazend
groot aantal individuën, maar slechts een betrekkelijk gering aantal
soorten; de verscheidenheid van vormen neemt gestadig toe, naarmate
men nader bij den evenaar komt. De nivelleerende invloed van het
water is ook hier waarneembaar: het bezit en onderhoudt betrekkelijk
weinige soorten. Op het land daarentegen komen nevens elkander zeer
verschillende levensomstandigheden voor, welker verscheidenheid zich
ook in de vogelwereld afspiegelt. Want niet slechts in iederen gordel,
maar zelfs in ieder gebied, dat door een bijzondere, plaatselijke
gesteldheid gekenmerkt is, treden eigenaardige Vogels op: in de
toendra's of waterwoestijnen van het hooge noorden andere dan in de
zandwoestijn, in de vlakte andere dan in het gebergte, in boomlooze
gewesten andere dan in het woud. De vogelfauna's verschillen in
dezelfde mate als de gesteldheid van den bodem en het klimaat. Op
het water is de verbreidingskring van iedere soort op zich zelf
beschouwd grooter dan op het land, waar soms reeds een breede stroom,
een gedeelte van de zee, een gebergte van de grensscheiding vormt; toch
zijn er ook grenzen voor het verspreidingsgebied der zeevogels. Er zijn
uiterst weinig Vogels, die in den letterlijken zin van 't woord alle
deelen der aarde bewonen; tot dusver is dit slechts van een enkelen
landvogel en van eenige moerasvogels en watervogels aangetoond. Een
wereldburger is b.v. de Moerasuil of Kortoorige Uil, die in ieder
der vijf werelddeelen gevonden wordt; een wereldburger is ook de
Gewone Steenlooper, die aan de kusten van alle vijf werelddeelen,
op het westelijk zoowel als op het oostelijke halfrond voorkomt. In
den regel strekt de verbreidingskring zich verder uit van 't oosten
naar 't westen dan van 't noorden naar 't zuiden: in het noordelijk
halfrond leven vele Vogels, die in alle drie werelddeelen ongeveer
in gelijken getale gevonden worden. In de richting van 't noorden
naar 't zuiden daarentegen kan een verschil in ligging van eenige
honderden kilometers reeds een groote verandering in de vogelfauna
teweegbrengen. Het bewegensvermogen van een Vogel is niet evenredig
aan de grootte van zijn verbreidingskring: zeer goede vliegers kunnen
tot een betrekkelijk klein gebied beperkt zijn, terwijl Vogels met
minder goede vliegwerktuigen een veel grootere verbreiding kunnen
hebben. Ook de reizen, die op geregelde tijden ondernomen worden,
het trekken en het zwerven der Vogels, dragen, zooals ons later zal
blijken, niet bij tot het vergrooten van hunne verbreidingskringen.

Faunistische statistieke opgaven leeren, dat de oostelijke helft der
aarde door ongeveer 4300, de westelijke door ongeveer 3000 soorten
van Vogels bewoond wordt. Deze getallen zijn echter slechts bij
benadering juist, en stemmen ook niet overeen met de begrootingen van
andere vogelkenners. Waarschijnlijk is onze schatting niet te laag,
als wij het aantal der op heden werkelijk bekende vogelsoorten op
10000 stellen.

De Vogels hebben zeer verschillende verblijfplaatsen. Zij bewonen alle
oorden, waar zij hunne behoeften kunnen bevredigen. De in 't water
levende Vogels begeven zich van de zee tot op de groote hoogte in 't
gebergte; nog hooger dan zij verheffen zich de moerasbewoners, om de
eenvoudige reden, dat zij minder aan het water gebonden zijn. Ook het
droge land heeft overal zijne standvastige bewoners; zelfs te midden
van de woestijn, op zandvlakten, waar, naar men zou kunnen meenen,
ternauwernood eenig schepsel het noodige voedsel kan vinden, komen
sommige Vogels nog aan den kost. Voor 't meerendeel hangt echter hun
bestaan, zoo niet onmiddellijk dan toch middellijk, even goed van de
plantenwereld af als dat der Zoogdieren. Eerst in het woud openbaart
deze klasse haar geheelen rijkdom, haar groote verscheidenheid van
vormen. De zee verschaft voedsel aan millioenen Vogels van gelijke
soort, die zich gedurende den broedtijd op bepaalde rotswanden,
eilanden en schorren verzamelen. Maar, hoe talrijk deze gezelschappen
ook zijn: op het land en zelfs in het woud vindt men zwermen, die
niet minder leden tellen; bovendien komt hier veelvormigheid voor,
terwijl ginds eenvormigheid regel is. Het aantal Vogelsoorten neemt
toe, naarmate men nader bij den evenaar komt, omdat tusschen de
keerkringen het land meer afwisseling aanbiedt dan ergens anders: door
deze veelzijdigheid van den bodem kunnen de eischen voor het bestaan
van een grooter aantal verschillende soorten bevredigd worden. Om
dezelfde reden zijn het juist niet de groote wouden, die de grootste
menigvuldigheid van vormen aanbieden, maar veeleer gewesten, waar
bosschen met heiden of steppen, bergen met dalen, droog land met
moerassige of waterrijke oorden afwisselen. Bij een door bosschen
vloeiende rivier, een door boomen omgeven moeras, een overstroomd
gedeelte van het woud, vereenigen zich altijd meer soorten van Vogels
dan men elders bijeen ziet, omdat op plaatsen, waar de voortbrengselen
van het water nevens die van het land voorkomen, noodzakelijkerwijze
een grooter overvloed van voedingsmiddelen voorhanden zal zijn,
dan daar, waar het eene of andere gebied de overhand heeft. Evenals
alle overige schepsels zijn de Vogels meer of minder gehecht aan een
bepaalde plaats, naarmate zij hier meer of minder gemakkelijk hun
voedsel kunnen verkrijgen.

De Vogels verstaan meesterlijk de kunst om van een bepaald gebied
partij te trekken. Zij doorzoeken elke spleet, alle schuilhoeken
en woonplaatsen van dieren; al wat eetbaar is, pikken zij op. Als
men let op de soort van voedsel en de wijze waarop het verkregen
wordt, kan men ook bij hen van verschillende beroepen of handwerken
spreken. Eenige, zooals vele zadeneters en de Duiven, gebruiken
geen andere voedingsmiddelen dan die, welke open en bloot liggen;
andere zaadetende Vogels halen de gewenschte buit uit peulen en
andere doosvruchten; de Hoenderen brengen zaden, wortels, knollen
en dergelijke stoffen aan 't licht door in den grond te krabben. De
vruchteneters plukken bessen of andere sappige vruchten met den snavel
af, eenige van hen doen dit gedurende het vliegen. De insecteneters
zoeken hun buit, onverschillig in welk levenstijdperk hij verkeert,
van den bodem op, nemen hem van de takken en bladen af, trekken hem
uit bloemen, spleten en barsten naar buiten, brengen hem dikwijls
eerst na een langdurigen en moeilijken arbeid te voorschijn,
of vervolgen hem met de tong tot in de verst afgelegen hoeken
van zijne schuilplaatsen. De Raven verrichten al deze bezigheden
te zamen genomen en liefhebberen ook op het terrein van de echte
Roofvogels. Van deze beoefent ieder zijn eigenaardige kostwinning zoo
volledig mogelijk. Men vindt onder hen bedelaars of tafelschuimers,
straatreinigers en verzamelaars van afval; sommige eten alleen aas,
andere hoofdzakelijk beenderen; vele, die geen afkeer hebben van
krengen, maken bovendien ook wel jacht op levende dieren. Sommige
Roofvogels vervolgen hoofdzakelijk groote Insecten, en vallen slechts
nu en dan kleine Gewervelde Dieren aan, die daarentegen de eenige prooi
zijn, die door andere leden van hetzelfde gilde wordt nagejaagd. Er
zijn Roofvogels, die alleen zittend of loopend, andere, die alleen
vliegend wild trachten te overmeesteren, terwijl enkele op allerlei
wijzen aan den kost zien te komen. Bij de Moeras- en Watervogels is het
evenzoo gesteld. Vele van hen zoeken op, wat open en bloot ligt, andere
doorzoeken de schuilplaatsen van dieren; eenige eten plantaardige
en dierlijke stoffen, andere uitsluitend de laatstgenoemde; deze
verkrijgen hun voedsel door het ziften van het vloeibare slijk, gene
duikelen hun buit, van een soms niet onbelangrijke diepte uit het water
op; sommige zoeken hunne slachtoffers onder water; andere schieten uit
de lucht neer op een te voren uitgekozen prooi. Er is geen landstreek,
geen plekje op aarde, dat niet door Vogels geëxploiteerd wordt. Ieder
tracht zijne begaafdheden op de best mogelijke wijze in praktijk te
brengen en zoo goed als 't kan in zijn onderhoud te voorzien. Van
de uitrusting en de wapens, van den lichaamsbouw van den Vogel hangt
het af, welk beroep hij uitoefent.



De Vogel doorleeft een korte kindsheid, maar een lange jeugd,
zij het dan ook, dat deze niet geëvenredigd is aan den voor hem
bereikbaren leeftijd. Wel is zijn groei spoedig afgeloopen en is
hij reeds weinige weken na zijn verschijning op de wereld geschikt
om deel te nemen aan hare moeiten en strijd, opgewassen tegen
lotswisselingen en vijandelijkheden; er moet echter nog een geruime
tijd verloopen, voor hij gelijk geworden is aan zijne ouders. Zooals
iedereen weet, ontwikkelt hij zich uit het ei, en wel onder den
invloed van de warmte, die de broedende moeder, de rotting van
plantaardige stoffen of de zon hem toevoert. De grootte en de vorm
van het ei zijn zeer verschillend. De grootte is meestal in zoover
geëvenredigd aan den omvang van het lichaam der moeder, dat het
gewicht van het ei een bepaald deel uitmaakt van het lichaamsgewicht
van het eierleggende dier, maar vertoont overigens veel afwisseling;
er zijn Vogels, die naar verhouding van hun omvang zeer groote, andere,
die betrekkelijk zeer kleine eieren leggen. Gewoonlijk verschilt de
vorm niet aanmerkelijk van dien van het kippenei; bij enkele is het
ei echter meer tol- of peervormig, bij andere meer rolrond. Van de
kleur van het ei kan weinig in 't algemeen gezegd worden, alleen dit,
dat de eieren, die in holen gelegd worden, meestal wit of althans
éénkleurig zijn, terwijl die, welke in open nesten komen te liggen,
meestal vlekken op de schaal hebben.

Zoodra het wijfje een voldoend aantal eieren gelegd heeft, begint
het broeden. De moeder blijft op het nest zitten en levert--hetzij
alleen of geregeld vervangen door haar echtgenoot--aan de in het ei
aanwezige kiem de warmte van haar lichaam; ook trekt zij soms voor een
tijd partij van de warmte, die door de zonnestralen geleverd of door
de gisting van rottende plantaardige stoffen ontwikkeld wordt. Al
naar de weersgesteldheid komen de eieren vroeger of later uit; de
wisselingen van den broedtijd zijn echter bij de dieren van een zelfde
soort niet zeer belangrijk. Anders is het, zooals te verwachten was,
met den broedtijd van verschillende soorten gesteld: een Struis
broedt langer dan een Kolibri, gene 55 à 60, deze 10 à 12 dagen;
de gemiddelde duur van de bebroeding kan men op 18 à 26 dagen stellen.

Voor de vorming en ontwikkeling van de kiem wordt een temperatuur
van 37.5 à 40 graden Celsius vereischt. Het is niet noodig, dat deze
teweeggebracht wordt in aanraking met het lichaam van den broedenden
Vogel; zij kan met inachtneming van bepaalde voorwaarden aan alle
mogelijke, andere warmtebronnen ontleend worden. De oude Egyptenaars
wisten reeds voor duizenden van jaren, dat men de broedende hen
vervangen kan door op kunstmatige wijze voortgebrachte warmte, mits
de temperatuur op één hoogte worde gehouden. De blootstelling van het
bevruchte kippenei aan een standvastige temperatuur van 37.5 graden
Celsius gedurende 21 dagen, levert bijna zonder uitzondering een
kuiken. Met het oog op de stofwisseling van de kiem die zich binnen de
eischaal bevindt, is een behoorlijke luchtverversching in de ruimte,
die de bebroede eieren bevat, volstrekt noodzakelijk: uit een ei,
dat door de fijne openingen van de schaal geen zuurstof kan opnemen,
zal zich geen kuiken ontwikkelen.

Weinige Vogels bereiken in het ei een even hoogen ontwikkelingstrap
als bijvoorbeeld het Hoen; betrekkelijk weinige zijn in staat om
eenige minuten na het verlaten van den dop onder leiding van de
moeder of zelfs zonder eenige hulp van de zijde der ouden in den
letterlijken zin van het woord de eerste schreden te doen op den
levensweg. Juist zij, die als volwassenen de grootste spierkracht en
geschiktheid tot beweging bezitten, zijn in hun jeugd buitengewoon
hulpbehoevend. De nestvlieders komen bevederd en met goed ontwikkelde
zintuigen, de nestblijvers naakt en blind ter wereld; gene maken
na het verlaten van het ei een zeer aangenamen indruk, omdat zij
tot op zekere hoogte volledig ontwikkeld zijn; deze trekken de
aandacht door hun gebrekkigheid en leelijkheid. De tijd die voor hun
verdere ontwikkeling tot aan het uitvliegen vereischt wordt, is zeer
verschillend. De kleine nestblijvers kunnen 3 weken na het verlaten van
het ei vliegen, de grootere eerst na verscheidene maanden; bij enkele
moeten er verscheidene jaren verloopen, voordat zij aan hunne ouders
gelijk zijn. De jeugd van de Vogels is n.l. niet reeds geëindigd
als zij het nest verlaten, maar eerst als zij op gelijke wijze
als de volwassenen bevederd zijn. Verscheidene hebben aanvankelijk
een vederenkleed (jeugdkleed), dat met den tooi van hunne ouders
(volkomen kleed) niet overeenstemt; andere gelijken in hun jeugd op
het wijfje, zoodat het geslachtsverschil eerst merkbaar wordt, als
zij het volkomen kleed verkregen hebben. Enkele Vogels moeten een
reeks van jaren doorleefd hebben, voordat zij oud, d. i. werkelijk
volwassen, genoemd kunnen worden.

Alle veranderingen, die de bevedering ondergaat, worden veroorzaakt
door het afslijten, verkleuren en ruien of vervangen der vederen. Door
de afslijting worden de vederen niet altijd leelijker, integendeel
dikwijls verkrijgen zij hierdoor een fraaier voorkomen, want op deze
wijze worden de onooglijke gekleurde spitsen der vederen verwijderd
en treden de vroolijker gekleurde middelste gedeelten meer op den
voorgrond. Hierdoor ontstaat in den regel het zoogenaamde pracht-
of bruiloftskleed der Vogels. De verkleuring, een verschijnsel dat
vroeger door vele onderzoekers geloochend werd en toch wel degelijk
bestaat, brengt op een andere wijze, waarvan ons de verklaring tot
dusver ontbreekt, verandering in de kleur van enkele deelen van het
gevederte teweeg. De Zeearenden b.v. hebben gedurende hun jeugd een
effen donker kleed, terwijl bij de volwassenen steeds de staart,
bij andere soorten ook de kop wit is.

De ouderdom, die de Vogel bereiken kan, staat eenigzins in verband
met zijn grootte en misschien ook met den duur van zijn jeugd. Over
't algemeen mag men zeggen, dat de Vogels zeer oud kunnen worden. De
Kanarievogels leven, als zij goed verzorgd worden, ongeveer even
lang als Huishonden, n.l. 12, 15, 18 jaren; voorzoover zij aan
een gewelddadigen dood ontkomen, worden zij in de vrije natuur
waarschijnlijk nog ouder. Er zijn voorbeelden van bekend, dat Arenden
meer dan 100 jaar als gevangenen hebben geleefd en dat Papagaaien
verscheidene menschenleeftijden medemaakten.



Geen ander schepsel verstaat de kunst om zoo snel te leven als
de Vogel; geen ander schepsel weet zoo goed partij te trekken van
den tijd als hij. De langste dag is hem bijna niet lang genoeg, de
kortste nacht bijna niet kort genoeg; zijn bedrijvige aard verzet zich
tegen het verslapen en verdroomen van de helft van 't leven; wakker,
opgewekt, vroolijk wil hij den tijd, die hem gegund is, doorbrengen.

Alle Vogels ontwaken vroeg uit den korten nachtslaap. De meeste zijn
in beweging, nog voordat het morgenrood de gezichtseinder kleurt. In
de landen binnen den poolcirkel maken zij gedurende het jaargetijde,
waarin de zon niet beneden de kim daalt, nauwelijks eenig onderscheid
tusschen de uren van den dag en die van den nacht.

De Vogel, die met een stem begaafd is, begroet de komst van den morgen
met zijn gezang. Eerst nadat hij gezongen heeft begint hij voedsel
te zoeken. Bijna alle Vogels doen dit hoofdzakelijk gedurende twee
gedeelten van den dag, des morgens en tegen den avond; de middaguren
zijn gewijd aan de rust, het schoonhouden van hun lichaam, het
ordenen van hunne vederen. Uitzonderingen op dezen regel merkt men
op bij alle Vogels, die meer dan andere bij 't verkrijgen van hun
voedsel van een gelukkig toeval afhangen. De Roofvogels eten slechts
éénmaal per dag; zij, die niet zelf een prooi overmeesteren, maar
gebruik maken van dieren, die op een andere wijze den dood vonden,
zijn volstrekt niet altijd zoo gelukkig iederen dag te kunnen
eten, maar moeten dikwijls dagen lang hongerlijden. In de meeste
gevallen wordt de spijs verslonden op den dag, waarop zij verworven
werd; enkele Vogels echter--bijvoorbeeld Klauwieren, Spechten en
Boomklevers--brengen een voorraad proviand bijeen en bewaren deze op
bepaalde plaatsen; zij hebben dus echte voorraadschuren, waaruit ook
gedurende den winter geput wordt. Na den maaltijd wordt gedronken en
daarna een bad genomen, tenzij zand, stof of sneeuw het water moeten
vervangen. Na deze verkwikking is de Vogel gewoon door genoegelijke
rust de spijsvertering te bevorderen, zijne vederen te reinigen en in
orde te brengen; daarna wordt een tweede jachttocht ondernomen. Als ook
deze naar wensch is afgeloopen, begeeft hij zich tegen den avond naar
de bepaalde plaatsen, om met andere dieren van zijn soort gezellig
samen te zijn; de Zangvogel laat dan nogmaals uit volle borst zijne
liederen weerklinken; eerst dan begeeft hij zich ter ruste, hetzij op
bepaalde slaapplaatsen in gezelschap van een aantal soortgenooten, òf,
gedurende den broedtijd, in de nabijheid van het nest, waarop zijn gade
de eieren uitbroedt, of waarin de nog hulpbehoevende kinderen liggen,
voor zoover deze hem niet vergezellen. Het slapengaan geschiedt niet
zonder verdere voorbereiding, maar wordt integendeel voorafgegaan door
langdurige beraadslagingen, een druk gesnap, geschreeuw en gekrijsch,
totdat eindelijk de vermoeidheid zich doet gelden. Een ongunstige
weêrsgesteldheid verstoort den regel en brengt verandering in de
levenswijze, daar het weder over 't geheel genomen een zeer grooten
invloed op den Vogel heeft.

Als de natuur herleeft, wordt ook de Vogel tot een nieuw leven
opgewekt. Overal valt zijn paartijd samen met de lente; in de
landstreken onder de keerkringen paren de Vogels dus in het begin
van het regenseizoen, dat niet met onzen winter, maar met onze lente
overeenkomt. In tegenstelling met andere dieren sluiten de meeste
Vogels een huwelijksverbond voor het geheele leven; veelwijverij
komt slechts bij weinige soorten voor, terwijl zij bij de Zoogdieren
geen zeldzaamheid is. Het paartje, dat zich eens vereenigde, blijft
gedurende het geheele leven trouw aaneenverbonden. Terwijl de
mannetjes het hof maken aan de wijfjes, beijveren zij zich zeer om
hun beminnelijkheid goed te doen uitkomen; eenige openbaren hun liefde
door een smachtend geroep of gezang, nog andere door sierlijke dansen,
nog andere door spelen in de lucht, enz.

Reeds gedurende het minnespel zoekt het paartje een geschikte plaats
uit voor het nest, tenzij de Vogels behooren tot een der soorten
die gezellig nestelen, volksplantingen vormen en ieder jaar naar
dezelfde plaats terugkeeren. In den regel bevindt het nest zich
ongeveer in het middenpunt van het door den Vogel bewoonde gebied;
de plaats waar het gebouwd wordt, is natuurlijk bij verschillende
soorten zeer ongelijk. Strikt genomen zijn er liefhebbers voor ieder
bruikbaar plekje, in de hoogte zoowel als in de diepte, in het water
zoowel als op het land, in het bosch zoowel als op het veld. De
Roofvogels geven de voorkeur aan hoogten voor het aanleggen van hun
"horst" en gaan er zelden toe over om op den bodem te nestelen,
waar daarentegen bijna alle Loopvogels hun nest maken. De bosch- en
boomvogels bouwen het in de twijgen, op de takken, in door henzelf
uitgehouwen of op andere wijze gevormde holten van boomstammen,
in het mos op den bodem enz. De moerasvogels nestelen in het riet
en andere aan den oever groeiende planten of op kleine eilandjes,
of maken een op het water drijvend nest. Sommige zeevogels verbergen
het in rotsspleten, in holen die door henzelf gegraven zijn en op
andere dergelijke plaatsen; kortom de ligging van het nest is zoo
verschillend, dat er in 't algemeen niets anders van gezegd kan worden,
dan dat ieder nest òf op een verborgen plaats aangelegd en op deze
wijze voor de vijanden onzichtbaar gemaakt is, òf wanneer het open en
bloot ligt, zoo gebouwd is, dat het niet gemakkelijk wordt opgemerkt,
òf eindelijk voorkomt op plaatsen, die voor de te duchten vijanden
ontoegankelijk zijn. Wanneer Vogels tot een zelfde familie of orde
behooren, mag men hieruit nog niet afleiden, dat zij op dezelfde
wijze hun nest zullen bouwen als hunne verwanten; want juist door
de plaats waar zij nestelen, verschillen de leden van één familie,
ja zelfs de soorten van één geslacht aanmerkelijk van elkander.

De eenvoudigste nesten zijn die van de Vogels, welke hunne eieren
zonder eenige voorzorgsmaatregelen op den bodem neerleggen; op hen
volgen zij, die op zijn minst een kuiltje voor de eieren in den grond
graven; vervolgens komen de Vogels, die dit kuiltje met zachte stoffen
bekleeden. Dezelfde opeenvolging komt voor bij die, welke niet op den
vlakken bodem maar in holen broeden, en tot op zekere hoogte ook bij
hen, die een drijvend nest vervaardigen, hoewel deze natuurlijk alle
eerst een soort van vlot moeten bouwen. Onder de nesten in de boomen
merkt men bijna evenveel wijzen van nestbouw op, als er Vogelsoorten
zijn, die in boomen wonen. Sommige brengen slechts weinige takjes op
een slordige wijze bijeen, andere vervaardigen althans een behoorlijke
onderlaag, nog andere geven hieraan een komvormig gedaante; deze
bekleeden de holte van binnen met riet en fijne takjes, gene met nog
dunnere twijgen, worteltjes, haren en vederen; verscheidene bouwen
een dak over het nest, enkele verlengen zelfs de ingangsopening tot
een buis. Op de Vogels, die hun nest van takjes bouwen, volgen in de
eerste plaats de wevers, die niet alleen grashalmen, maar ook wollige,
plantaardige stoffen dooreenvlechten, samenweven en tot een viltachtige
massa verwerken, deze met draden, die de natuur hun levert, of die zij
zelve vervaardigen, in den letterlijken zin van 't woord aaneennaaien
en op deze wijze hun meesterschap in 't nesten bouwen toonen. Meesters
in deze kunst zijn echter ook de Vogels van 't metselaarsgilde, die
de wanden van hun nest van leem samenstellen. Deze bouwstof wordt
door vermenging met speeksel vooraf toebereid en geschikter gemaakt
voor 't beoogde doel; daar hierdoor de samenhang der aarddeeltjes
toeneemt, zoodat het nest zeer stevig wordt. Verscheidene metselaars
maken trouwens volstrekt geen gebruik van leem, maar lijmen fijne
plantendeelen, zooals mos en stukjes van bladen, met hun speeksel
aaneen; andere maken alleen van de laatstgenoemde stof gebruik, die
weldra hard worden, den wand van het nest moet vormen. In den regel
dient het nest alleen om er eieren in te leggen en uit te broeden en
als wieg en kinderkamer voor de jongen; eenige Vogels bouwen echter ook
nesten, die voor speel- en uitspanningsplaatsen of als winterverblijf
moeten dienen; andere gebruiken de nesten, die reeds als broedplaatsen
dienst deden, ook voor het andere doel. Het eerst bedoelde geval komt
voor bij verscheidene Wevervogels en ook bij de Atlas- en Kraagvogels
(Ptilorynchus en Chlamydera), ook bij een moerasvogel (Scopus
umbretta), wiens reusachtig nest een broedvertrek en ontvangkamer,
een eetzaal en een uitkijkkamer bevat. Het laatstgenoemde verschijnsel
merkt men o. a. op bij de Spechten, die altijd in holle boomen slapen,
en bij de Musschen, die gedurende den winter in het warm gevoerde
nest den nacht doorbrengen.

Het wijfje bouwt het nest, het mannetje sleept de bouwstoffen aan. Dit
is de regel maar ook de omgekeerde arbeidsverdeeling komt voor. Bij de
Wevervogels b.v. bouwen alleen de mannetjes, de wijfjes getroosten zich
hoogstens de moeite om aan het inwendige van het nest een kleinigheid
te veranderen. Bij de meeste overige Vogels neemt het mannetje minstens
de taak van schildwacht bij het nest op zich; alleen bij die soorten,
welke in veelwijverij leven, bemoeit het zich in 't geheel niet
met deze werkzaamheden. Gedurende den nestbouw maakt het mannetje
bij vele Vogelsoorten zich nog op een andere wijze verdienstelijk;
het weet n.l. door gezang of gekweel aan zijn arbeidende wederhelft
afleiding te verschaffen.

Eenige Vogels bouwen gemeenschappelijk nesten, waarin verscheidene
moeders gezamenlijk eieren leggen; zij bebroeden deze te gelijker
tijd en ook wel om beurten. Andere verdeelen een met vereenigde
krachten opgerichte woning in verscheidene kamertjes, die ieder voor
één familie een verblijfplaats oplevert.

Het jong wordt na het verlaten van de eischaal op een hoogst doelmatige
wijze gevoederd. Aanvankelijk krijgt het uitsluitend zeer zachte
spijzen, die langzamerhand door vastere stoffen worden vervangen,
totdat het eindelijk in staat is om hetzelfde voedsel te gebruiken als
zijne ouders. Na het uitvliegen worden de jongen nog onderricht in 't
beroep van de dieren hunner soort en leeren zij zelfstandig hun voedsel
zoeken; eerst wanneer het kroost zoover gevorderd is, laten de ouders
het op eigen wieken drijven.--Alle Vogels zijn innig gehecht aan hunne
kinderen, zij verdedigen hen zoo goed zij kunnen tegen ieder gevaar,
wenden alle mogelijke middelen aan om den vijand van hun spoor af te
brengen en wagen zonder aarzeling hun eigen leven voor hun kroost. De
kinderen van hun kant zijn even sterk gehecht aan hunne ouders en
geven steeds gehoorzaam gevolg aan hun roepstem of loktoon.



Verscheidene Vogels beginnen onmiddellijk na het eindigen van den
broedtijd een reis, die in verband met de soort en de familie waartoe
zij behooren, met het land en het district dat zij bewonen, van
langeren of korteren duur is, zich over een meer of minder grooten
afstand uitstrekt. De Vogels, die het geheele jaar door een vaste
verblijfplaats hebben, heeten "standvogels"; de overige "trekken"
of "zwerven". Door het "trekken" duidt men verhuizingen aan, die
ieder jaar op een bepaalden tijd en in een bepaalde richting plaats
hebben. De Vogels "zwerven", wanneer zij reizen ondernemen, waartoe
de nood hen dwingt; deze reizen geschieden zoo min op een bepaalden
tijd als in een bepaalde richting; zij hebben niet ieder jaar plaats
en houden op, als de oorzaak die er aanleiding toe heeft gegeven,
niet meer bestaat. Vaak wordt de eene woonplaats met een andere
verwisseld om van een voedsel, dat hier in overvloed verkrijgbaar is,
partij te trekken. Het "rondstrijken" verschilt van het zwerven alleen,
doordat het tot een kleiner gebied beperkt blijft.

Onze gevederde zangers "trekken", als zij ons in den herfst verlaten
om in de lente terug te keeren. Het trekken verdrijft de watervogels
uit onze streken, nog voordat het ijs hun gebied onbewoonbaar maakt;
het dwingt vele Roofvogels hun reeds naar elders vertrokken buit te
volgen. Van de Europeesche vogelsoorten trekken meer dan de helft, van
de Noord-Amerikaansche en Noord-Aziatische een even groot deel. Alle
volgen in meerdere of mindere mate een zuidelijke richting: zij die de
oostelijke helft van de aarde bewonen, begeven zich in vele gevallen
zuidwestwaarts; de Vogels van het westelijk halfrond reizen meestal
naar het zuidoosten; dit staat in verband met de ligging van het
door hen bewoonde deel der wereld ten opzichte van de overige deelen
en de gesteldheid van den aardgordel, waarin zij den winter zullen
doorbrengen. Wanneer de richting van den trek overeenstemt met die van
rivieren en van dalen, worden deze als heerwegen gebruikt, terwijl de
hooge dalen in het gebergte als passen voor de reizigers dienst doen;
hier verzamelen de trekvogels zich gaandeweg. Eenige trekken bij
paren, andere tot gezelschappen vereenigd, de zwakke hoofdzakelijk
's nachts, de sterke ook over dag. Zij reizen meestal snel, alsof
een onoverwinnelijke drang hen aanspoort; zij worden, als de tijd van
reizen nadert, onrustig, ook wanneer zij in een kooi zijn opgesloten;
dit is ook dan het geval, als zij op zeer jeugdigen leeftijd uit het
nest genomen en in de gevangenschap grootgebracht werden. Sommige
verlaten ons reeds vroeg in 't jaar, andere veel later; iedere
soort echter op een bepaalden tijd, waarvan slechts weinig afgeweken
wordt. Zij, die het laatst vertrekken, keeren het eerst terug; zij die
ons het eerst verlieten, komen het laatst weerom. De Gierzwaluw reist
reeds in de laatste dagen van Juli af en is eerst in Mei weer hier;
de langst achterblijvende trekvogels verhuizen eerst in November, en
zijn reeds in Februari bij ons teruggekeerd. Hunne winterkwartieren
beslaan een zeer uitgestrekt gebied; van sommige is het onbekend,
waar zij eindelijk rust vinden. Verscheidene overwinteren reeds in
Zuid-Europa, vele in Noord-Afrika tusschen den 37en en 24en graad
N.B.; niet weinige dringen diep in de verzengde luchtstreek door,
en worden gedurende onze wintermaanden aan de kusten van de Roode Zee
of van den Indischen Oceaan en verder westwaarts tot aan die van den
Atlantischen Oceaan aangetroffen. Een dergelijk winterkwartier vormen
Indië, Birma, Siam, het zuiden van China en de naburige eilanden. De
Noord-Amerikaansche Vogels reizen tot in het zuiden van de Vereenigde
Staten en tot in Middel-Amerika. Ook op het zuidelijk halfrond vindt
een geregelde trek plaats. De Vogels van Zuid-Amerika vliegen in
noordelijke richting tot in het zuiden en het midden van Brazilië,
die van Zuid-Australië verhuizen naar Noord-Australië, gedeeltelijk
zelfs naar Nieuw-Guinea en de naburige eilanden.


[ERROR: Contains unhandled entity ∧]
Gewoonlijk komen de trekvogels korten tijd voordat zij afreizen zullen,
bijeen en vormen zwermen, die eenige dagen op een en dezelfde plaats
vertoeven en de afzonderlijk voorbijtrekkende Vogels tot zich lokken;
eindelijk, als de zwerm een zekere grootte heeft bereikt, vliegen alle
gezamenlijk weg. Bij enkele soorten heeft vooraf een monstering van de
leden van het reisgezelschap plaats. Onderweg blijven zij in meerdere
of mindere mate tot een geheel vereenigd; meestal is dit ook in het
winterkwartier het geval. Gedurende de reis behouden de trekvogels
een bepaalde rangorde; gewoonlijk zijn zij wigvormig gerangschikt of
liever volgens twee rechte lijnen, die in schuinsche richting elkander
naderen en van voren aan de spits ineenvloeien; de vlucht gelijkt dus
op een ∧. Andere vliegen in reeksen; nog andere vormen, hoewel
zij op een bepaalden afstand van elkander blijven een verwarden, aan
de buitenzijde echter eenigszins afgeronden hoop. De meeste vliegen
op een aanzienlijke hoogte, verscheidene schieten evenwel uit deze
hoogte plotseling omlaag, scheeren een tijdlang op korten afstand
van den bodem voort en verheffen zich langzamerhand weer tot hun
vroegere hoogte. Zwakke Vogels maken onderweg gebruik van bosschen
en van kreupelhout om zich te beveiligen; zij vliegen althans over
dag zooveel mogelijk van den eenen boom naar den anderen, van bosch
tot bosch. Loopvogels die door het vliegen te veel vermoeid worden,
leggen een groot deel van den weg te voet af, verscheidene watervogels
zwemmen gedurende een kort gedeelte van de reis. Tegenwind begunstigt
en bespoedigt het vliegen, vóórdewind stoort en vertraagt de reis,
en houdt haar ook wel dagen lang tegen. De hevige onrust die alle
gemoederen bezielt, eindigt eerst bij het bereiken van het einddoel;
maar ook hier keeren zij eerst dan tot hun gewone levenswijze terug,
als de liefde opnieuw in hun hart ontwaakt.

In sommige gevallen kan het zwerven in zoover op het trekken gelijken,
dat het op een bepaalden tijd en op een meer of minder regelmatige
wijze plaats vindt. Vele van de soorten die in het hooge noorden leven,
zijn zwerfvogels, die binnen een bepaald gebied wel ieder jaar van
de eene plaats naar de andere trekken, maar niet telken jare verre
reizen ondernemen naar warmere landen. De aanleidende oorzaak tot
zulke reizen zal waarschijnlijk gebrek aan voedsel zijn, dat reeds
merkbaar is, of weldra merkbaar zal zijn of misschien eenvoudig
gevreesd wordt. Alle Vogels, die hun voedsel op den bodem zoeken en
dus door een dikke sneeuwlaag voor een tijd verstoken worden van de
mogelijkheid om hun kost te winnen, zwerven geregelder dan die, welke
in de bosschen voedsel vinden. Daarom komen de laatstgenoemde Vogels,
vooral zij die boomzaden en bessen eten, niet iederen winter in onze
gewesten, dikwijls ziet men ze hier gedurende vele opeenvolgende
jaren in 't geheel niet; terwijl zij bijna zonder uitzondering bij
ons verschijnen, als hier de zaden en de bessen overvloediger zijn
dan gewoonlijk. Een tegenstelling met deze niet aan een vasten regel
gebonden reizigers vormen alle Vogels, die den bovensten gordel van
het hooge gebergte bewonen; geregeld begeven zij zich ieder jaar
naar lager gelegen oorden om in het begin van de lente, eveneens
op een bepaalden tijd, weder naar hun standplaats terug te keeren;
hun wijze van reizen gelijkt dus op die van de echte trekvogels.

Het rondzwerven geschiedt gedurende het geheele jaar over de
geheele wereld. Alle vrijgezellen of weduwenaars zwerven rond;
groote Roofvogels moeten dit wel doen om hun voedsel te verkrijgen;
andere Vogels zwerven, naar het schijnt, meer tot hun genoegen dan
uit behoefte; enkele bewegen zich in een zeer engen kring, andere
mijlen ver. Op welke wijze de Vogel ook reizen moge, hetzij hij dit
doet als een landverhuizer of als een landlooper, en hoever hij zijn
reis ook uitstrekt, zijn vaderland is alleen daar, waar hij mint
en zich voortplant. In dezen zin kan men het nest het domicilie,
het eigenlijke tehuis van den Vogel noemen.

"Het aantal Vogelsoorten, dat (tot 11 April 1896) in Nederland in
't wild levend werd aangetroffen, bedraagt 312. Van 175 dezer soorten
is waargenomen, dat zij hier te lande broeden. Van deze 175 blijven
17 het geheele jaar door op hare broedplaatsen wonen (standvogels),
terwijl 28 andere soorten van het eene broedseizoen tot het andere
een zwervend leven leiden (zwerfvogels), de 130 overige komen hier in
't voorjaar en verlaten ons in 't najaar (trekvogels). Van de 137
elders broedende soorten komen 71 min of meer geregeld ieder jaar
op den trek tot ons, terwijl de overige 66 als naar hier afgedwaald
kunnen worden beschouwd." [De bovenstaande opgaven zijn ten deele
ontleend aan de "Naamlijst der in de provincie Friesland in 't wild
waargenomen Vogels" en aan de "Verslagen" in het "Tijdschrift der
Nederlandsche Dierkundige Vereeniging" door Mr. Herman Albarda,
ten deele aan Schlegel's "Vogels" in "De Dieren van Nederland".]



De Zoogdieren wekken de belangstelling van den mensch vooral wegens
het voordeel, dat zij opleveren, de Vogels wegens het genoegen, dat
zij hem verschaffen. De Zoogdieren moeten offers brengen, als zij
het noodlot willen ontgaan van door den mensch uitgeroeid te worden;
de Vogels daarentegen zijn boven alle overige dieren bevoorrecht
met de genegenheid en de liefde van den mensch. De bevalligheid van
hun gestalte, de kleurenpracht van hun vederenkleed, de snelheid en
vlugheid van hunne bewegingen, hun welluidende stem, hun beminnelijke
aard trekken ons onwederstaanbaar aan. Reeds de eerste menschen, van
welker gevoelens berichten tot ons zijn gekomen, waren vogelvrienden:
de wilden namen hen onder hun bescherming; de priesters uit vroegere
tijdperken beschouwden ze als heilige dieren; de dichters der oudheid
en van den tegenwoordigen tijd hebben zij tot geestdrift vervoerd. Hun
leven, hun stem, hun vlucht, hun duidelijk merkbare tevredenheid
met hun bestaan maken ons ontvankelijk voor verhevene gevoelens,
stichten ons. Wij verleenen hun gaarne de gastvrijheid en toonen hun de
vriendschap die wij aan de meeste Zoogdieren en in nog meerdere mate
aan de Kruipende en Kikvorschachtige Dieren onthouden; wij verleenen
hun die ook, wanneer zij ons weinig voordeel brengen. Uit hun midden
kiezen wij meer metgezellen voor kamer en huis dan uit alle overige
diergroepen te zamen genomen: zelfs wanneer wij ons gereed maken om
hen met netten en strikken te vervolgen, is de genegenheid, die wij
voor hen gevoelen, niet uitgebluscht. Zij zijn onze schootkinderen en
lievelingen. Hun leven is van hooge beteekenis voor onze bezittingen
en voor ons welvaren. De Vogels vormen een onontbeerlijken schakel in
de reeks der wezens; zij waken met goed gevolg voor het evenwicht in
de dierenwereld en voorkomen de te sterke vermenigvuldiging van de
leden van andere klassen, vooral van de Insecten, die een woestijn
zouden maken van de wereld, indien deze aan hen was prijsgegeven. Het
nut van de Vogels kan niet berekend of geschat worden, omdat hierbij
allerlei nog onopgehelderde vraagstukken in aanmerking komen; wel
mogen wij echter met vrij groote zekerheid aannemen, dat de diensten,
die de Vogels ons bewijzen, van meer beteekenis zijn dan de schade,
die zij veroorzaken. Daarom doen wij wèl met hen te beschermen en
te gemoet te komen. De land- en boschbouw van den tegenwoordigen
tijd benadeelen juist die Vogels, welke ons het naast aan 't hart
liggen, want zij ontneemt of bemoeielijkt hun de gelegenheid tot het
verkrijgen van woningen en broedplaatsen en van voedsel; zij dwingt
hen dus naar elders de wijk te nemen, een voor hen beter geschikte
verblijfplaats te zoeken. Wij moeten daarom trachten plaatsen, waar
zij veilig wonen en nestelen kunnen, voor hen te behouden of in te
richten. Deze beteekenis verbind ik aan de ernstige aanmaning, die
ik reeds sedert jaren bij alle verstandige menschen ingang tracht te
doen vinden: Bescherm de Vogels!



EERSTE ORDE.

DE BOOMVOGELS (CORACORNITHES).


Als de hoogst ontwikkelde Vogels beschouwen wij met Fürbringer de
Boomvogels. Op grond van nauwgezette onderzoekingen van het inwendige
samenstel der Vogels vereenigt hij onder dezen naam de zeven onderorden
van de Kleine Vogels, Knaagsnaveligen, Zitvoetigen, Platsnaveligen,
Koekoekvogels, Baardkoekoekvogels en Rakvogels. De eerste rang komt
toe aan de Spechtmuschvogels of Kleine Vogels (Picopasseriformes);
zij worden verdeeld in vijf groepen: de Muschvogels, de Springvogels
of Schijnzangvogels, de Spechtvogels, de Snorvogels of Groothandigen
en de Muisvogels. Bovenaan staan de Muschvogels.



Meer dan de helft van alle Vogelsoorten wordt tot dusver nog vrij
algemeen onder den naam Muschvogels (Passeres) samengevat. Het is
moeielijk algemeene kenmerken voor deze groep op te geven wegens de
veelheid en de verscheidenheid van de hiertoe behoorende vormen. De
grootte van deze Vogels wisselt af binnen veel wijdere grenzen dan
in een der andere groepen, n.l. tusschen die van den Raaf en die
van het Goudhaantje. Niet minder opmerkelijk is het verschil, dat bij
vergelijking van de snavels, de voeten, de vleugels en de staarten, van
de gesteldheid en de kleur van het vederenkleed wordt waargenomen. Het
zal wel niet mogelijk zijn van den snavel der Muschvogels een ander
gemeenschappelijk kenmerk op te geven dan dat hij middelmatig lang is
en geen washuid heeft. Van de pooten kan alleen gezegd worden, dat de
bevedering van het onderbeen zich tot aan het spronggewricht uitstrekt,
dat de hoornlaag die den loop bekleedt, aan de voorzijde uit groote
platen bestaat (meestal zeven), dat de voet sierlijk gebouwd is en dat
de binnenteen, die gewoonlijk dikker en langer is dan de tweede teen
(of binnenste voorteen) een achterwaartschen stand heeft. Voorts
verdient vermelding, dat het onderste strottenhoofd bij de meeste
Muschvogels bijzonder sterk ontwikkeld is en door 2 à 5 paar spieren,
die over de voor- en achtervlakte verdeeld zijn, bewogen wordt.

De buitenveeren of omtrekveeren, welker aantal in den regel
betrekkelijk gering is, groeien op bepaalde vedervelden; van deze
vertoonen vooral het rugveld en het onderveld bij alle Muschvogels
overeenkomstige eigenschappen. Aan het handgedeelte van den vleugel
komen in den regel 10 of 9 slagpennen voor. Het aantal slagpennen aan
den voorarm wisselt af van 9 tot 14; het eerstgenoemde aantal komt
het veelvuldigst voor. De staart bezit 12, bij uitzondering echter
10 stuurpennen.

In overeenstemming met de buitengewone talrijkheid der Muschvogels is
hun verbreiding. Zij zijn wereldburgers en vormen het belangrijkste
gedeelte van de bevederde bevolking van alle breedte- en hoogtegordels,
van alle gewesten, van iedere plaats. Zij bewonen ieder land, ieder
terrein, de ijzige velden van het hooge gebergte of van het noorden
zoowel als de door de zon geblakerde vlakten van de keerkringsgewesten,
de hoogte zoowel als de diepte, het woud zoowel als het veld, de
rietbosschen der moerassen zoowel als de kale steppen, de wereldstad
met haar gewemel van menschen zoowel als de woestijn; zij ontbreken
nergens waar hun eenige kans geboden wordt om in hunne behoeften
te voorzien: zelfs op de woeste, rotsachtige eilanden te midden van
de IJszee vinden zij een verblijfplaats en voedsel. In de bosschen
komen zij veelvuldiger voor dan in boomlooze landstreken, onder
de keerkringen in grooter aantal dan in de gematigde en de koude
aardgordels; ook dit echter is, wanneer men op de geheele groep let,
slechts met eenige beperking juist. Vele soorten leven altijd of
bijna altijd op den bodem; verreweg de meeste zijn hier althans geen
vreemdelingen. Slechts zeer weinige van haar vermijden de nabuurschap
van den mensch; vele komen zelfs uit eigen beweging bij hem te gast
en bezoeken onbeschroomd zijn huis en zijn hof, zijn boomgaard of
zijn bloementuin.

Door de Muschvogels in 't algemeen tot de hoog begaafde leden van
de klasse der Vogels te rekenen, geeft men hun den rang die hun
toekomt. Niet weinige vogelkenners beschouwen in navolging van
Cabanis den Nachtegaal als de volkomenste van alle Vogels; Owen
heeft eens beweerd, dat de Raven aanspraak zouden kunnen maken op
dezelfde onderscheiding. Werkelijk bezitten de Muschvogels buitengewone
begaafdheden; naar den geest niet minder dan naar het lichaam. Hoewel
zij niet alle uitmuntend vliegen, kunnen enkele van hen in dit
opzicht met iederen anderen Vogel wedijveren; verreweg de meeste
staan, wat deze bekwaamheid betreft, altijd nog hooger dan alle leden
van verscheidene orden. Op den bodem bewegen althans de meeste zich
gemakkelijk en behendig; sommige stappen, andere huppelen, slechts
weinige trippelen. Vele sluipen zoo vlug als Muizen tusschen dicht
bijeen groeiende twijgen door; sommige klauteren langs boomstammen,
takken en twijgen, andere houden zich hier met lichaamsoefeningen
bezig, en kunnen zelfs allerlei acrobatische toeren verrichten. Hoewel
de meeste het water schuwen, weten echter eenige zich ook hier te
redden op een wijze, die bijna zonder wederga is: over den bodem van
't water loopend, vervolgen zij hun prooi; zonder schroom vliegen zij
door den waterval, die zich schuimend en met donderend geraas in den
afgrond stort.

Alle zintuigen van de Muschvogels zijn goed ontwikkeld. Dat het
gezicht de eerste plaats inneemt, geldt misschien voor alle zonder
uitzondering; ook het gehoor en het gevoel zijn, naar het schijnt,
bijzonder fijn. Hoewel de smaakzin niet ontbreekt, is hij toch
ongetwijfeld niet van groote beteekenis; de reuk is, voor zoover men
kan nagaan, slechts bij enkele scherp; waarschijnlijk mag men dus
de toestellen voor de beide laatstgenoemde zinnen weinig ontwikkeld
of rudimentair noemen. Hoewel de meeste Muschvogels goedaardig en
onergdenkend zijn en men het dus niet onmogelijk kan achten, dat zij
in sommige omstandigheden een onjuist oordeel vellen, toonen echter
alle in kritieke omstandigheden een goed inzicht in den toestand
waarin zij verkeeren. Zij leeren den aard en de handelingen van hunne
vijanden kennen en beoordeelen, en worden hierdoor in staat gesteld om
gevaren te ontwijken; tevens leven zij in goede verstandhouding met
hunne vrienden en maken gebruik van hun gastvrijheid: zij wijzigen
dus hun gedrag in overeenstemming met de omstandigheden, met tijd
en met plaats, naar de menschen waarmede zij verkeeren, naar den
tegenwoordigen stand van zaken en naar de gebeurtenissen die vroeger
hebben plaats gehad. Hunne eigenschappen en hartstochten openbaren zij
zeer duidelijk: nu eens zijn zij gezellig, vreedzaam en liefderijk,
dan weder ongezellig en strijdlustig. Hun gevoel is zoo levendig,
dat het niet zelden hun verstand beheerscht; enkele worden er zoo
geheel door overweldigd, dat zij hun bezinning verliezen, wat hun
niet zelden het leven kost. Ieder die deze Vogels nagegaan heeft,
zou mededeelingen kunnen doen, waardoor het gestelde bewezen wordt:
't zij, dat hij een Muschvogel aan een hulpbehoevende, zwakke en zieke
soortgenoot barmhartigheidsdiensten heeft zien bewijzen; 't zij dat hij
opmerkte, hoe getemde, in kooien levende Vogels van zeer verschillende
afdeelingen dezer diergroep, hun verzorger en heer alle blijken van
liefde gaven, waartoe zij in staat zijn, hoe zij treurend zwegen,
als hij afwezig was, hoe zij hem vroolijk begroetten, zoodra zij hem
terugzagen; 't zij eindelijk dat hij met fijn gevoel luisterde naar
een van de heerlijke liederen, waardoor juist deze Vogels ons weten te
betooveren. Dat de meeste Muschvogels een uitmuntend geheugen bezitten,
draagt er veel toe bij, om hun geest te ontwikkelen en te verheffen.

Verreweg de meeste Muschvogels geven bewijzen van groote bekwaamheid
in het zingen. Tot deze Vogelgroep behooren alle echte zangers, de ware
meesters in deze edele kunst. Zij weten de kenners van hun gezang even
goed in verrukking te brengen als uitmuntende menschelijke zangers en
zangeressen hun gehoor. Alle Muschvogels die werkelijk zingen, doen
dit met geestdrift en volharding; zij zingen niet alleen ter wille van
hun wijfje of van hunne verzorgers, maar ook voor hun eigen vermaak;
op gelijke wijze zullen zij in andere omstandigheden hun lied als
wapen bezigen, er mede strijden en hierdoor de zege behalen of het
onderspit delven.

Even veelzijdig als de talenten der Muschvogels zijn de levenswijze,
de gewoonten, de voeding, de voortplanting, kortom alle werkzaamheden
en handelingen van deze wezens. In hun levenswijze is evenveel
verscheidenheid op te merken als in hun gestalte, hunne vermogens
en hunne verblijfplaatsen; hun gedrag is even ongelijk als zij
zelve zijn. De meeste toonen zich in hooge mate gezellig van
aard. Afzonderlijk ontmoet men ze slechts bij toeval, bij paren
alleen in den broedtijd; gedurende de overige maanden van het jaar
vereenigen de paren en de gezinnen zich tot troepen, de troepen tot
zwermen, de zwermen dikwijls tot ware legers. Deze verzamelingen
bestaan niet slechts uit soortgenooten, maar bevatten ook leden van
andere soorten van 't zelfde geslacht; in sommige gevallen blijven
zij maanden lang bijeen, beschouwen elkander als bondgenooten en
handelen gemeenschappelijk. Zulke verzamelingen kan men in het najaar,
als het broeden en het ruien afgeloopen zijn, in onze woonplaatsen,
op onze velden zien; zulke vereenigingen verschijnen des winters op
de erven der boerderijen en in de straten der steden als bedelaars;
zulke bondgenootschappen blijven ook in den vreemde bestaan. Andere
Muschvogels leven als kluizenaars; in het gebied, welks grenzen zij
ijverzuchtig bewaken, dulden zij geen tweede paar, zelfs hunne eigene
jongen niet, zoodra deze zichzelf kunnen redden.

Strikt genomen moet men de leden van deze diergroep als roofvogels
beschouwen, hoe weinig deze aanduiding ook door de gewone beteekenis
van het woord gerechtvaardigd wordt. Verreweg de meeste voeden zich,
zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk met andere dieren:
met allerlei Insecten, Weekdieren en Wormen; de grootste leden van
de groep gedragen zich werkelijk als roofvogels, daar zij zich bij
't jagen geenszins tot kleine dieren bepalen. Bijna alle Muschvogels
die zich hoofdzakelijk met andere dieren voeden, verslinden echter
bovendien ook vruchten, bessen en zaden, terwijl zij, die in den regel
plantaardig voedsel gebruiken, bijna zonder uitzondering gedurende
eenigen tijd op Insecten jacht maken. Het best past dus op hen
misschien den naam alleseters.

Al naar dierlijke of plantaardige stoffen het hoofdbestanddeel van zijn
voedsel uitmaken, is de Muschvogel genoodzaakt om zijn geboortegrond
te verlaten, waar de winter hem voor een ledigen disch zou plaatsen,
of is hij in staat om jaar in, jaar uit dezelfde streek te blijven
bewonen. Geen van de Muschvogels, die in warme landen leven, trekt;
hoogstens zwerven zij van het eene gebied naar het andere, zooals
enkele van de in 't noorden blijvende soorten ook gewoon zijn te
doen. Hier te lande worden in den herfst bosch, veld en weide ontvolkt;
want betrekkelijk gering is het aantal der in ons vaderland thuis
behoorende soorten der orde, welke instaat zijn om hier den winter
door te komen; niet alleen de meeste insectenroovers, maar ook vele
zaadeters verhuizen naar het zuiden, ja zelfs verscheidene alleseters
geven gevolg aan deze aandrift.

Het voorjaar, hetzij lente of regenseizoen, is de tijd waarin de
liefde in het hart van de meeste Muschvogels ontwaakt; juist onder
hen treft men echter eenige soorten aan, die zich weinig bekommeren
om het opnieuw herleven der natuur, bij wie het broeden niet gebonden
is aan een bepaalden tijd van 't jaar, maar die integendeel hetzij
de ijskoude winter van het noorden of de drukkende hitte van den
tropischen zomer trotseeren. Verreweg de meeste echter houden trouw
het oog gevestigd op de wisseling der jaargetijden, regelen zich
daarnaar en achten de lente het schoonste seizoen.--De nesten der
Muschvogels zijn even verschillend als zij zelve; in 't algemeen
kan hierover alleen dit opgemerkt worden, dat de knapste nestbouwers
onder de Vogels, ware kunstenaars op dit gebied, leden zijn van de
groep, die wij nu bespreken. Het broedsel bestaat uit 4 à 12 of meer,
meestal bontgekleurde eieren. De beide ouders broeden en beide voeden
gemeenschappelijk hunne jongen op. Meestal wordt het eerste broedsel
in den loop van den zomer gevolgd door een tweede, ja zelfs door
een derde.

Over 't geheel genomen, overtreft het nut van de Muschvogels de schade
die zij aanrichten. Wel zijn er onder hen enkele, die ons meer nadeel
doen dan voordeel; hun aantal is echter zoo gering, dat de gevolgen van
hun arbeid ternauwernood eenig gewicht in de schaal leggen, tegenover
dien van alle overige. Verreweg de meeste soorten maken zich zeer
verdienstelijk door het verdelgen van Insecten, Slakken en Wormen,
die voor onze landbouwproducten schadelijk zijn. Niet weinige van hen
verlevendigen door hun kostelijk zangerstalent bosch en veld in zoo
hooge mate, dat vooral zij het voorjaar tot lente stempelen. Juist de
beste zangers brengen ons niets anders dan voordeel; de schadelijkste
Muschvogels zijn, wat het zingen betreft, brekebeenen. Tot deze
categorie moeten wij enkele Raven rekenen, voorts verscheidene kleine
Vinken en Wevervogels die soms wel een nuttig werk verrichten door
het opzoeken van onkruidzaden en af en toe ook door het vangen van
Insecten, maar toch in andere tijden, als zij, tot groote zwermen
vereenigd, op het rijpend koorn of op de vruchtdragende ooftboomen
neerstrijken, zeer lastig kunnen worden. Daar het vleesch van deze
Vogels terecht smakelijk wordt genoemd, is er een reden te meer om
hun vernielzucht te keer te gaan door ze te dooden. Maar ook de vangst
van enkele, in grooten getale voorkomende, niet schadelijke soorten,
bijvoorbeeld van Lijsters, is niet zulk een onverschoonbaar misdrijf
als sommigen beweren; in geen geval althans dragen de vogelvangers
alleen de schuld van de vermindering van het aantal dezer Vogels,
gesteld al dat deze aangetoond kon worden. Hoe dit ook zij, het is en
blijft een goede zaak ook voor hen in de bres te springen, daar alle
Muschvogels, met uitzondering van die weinige, welke sterk en zeer
behendig zijn, toch al zoo veel te lijden hebben van allerlei vijanden.

Minstens evenveel Muschvogels als men in onzen tijd aan den Moloch,
aan de maag, offert, worden gevangen om als kamervogels den mensch
gezelschap te houden. Geen andere groep der Vogelklasse levert er
zooveel. Aan haar ontleenen wij het eenige huisdier, dat wij in den
eigenlijken zin van 't woord in een kooi houden, en dat het voorrecht
heeft ons in 't midden van den winter aan de lente te herinneren.

Over de indeeling van deze soortenrijke groep--bij welker beschrijving
ik, meer dan bij eenige andere, beperkingen in acht moet nemen--bestaan
zooveel verschillende meeningen, dat nagenoeg iedere zelfstandig
arbeidende onderzoeker zijn eigen stelsel volgt. Eenige achten het
wenschelijk, de Muschvogels in twee onderafdeelingen te splitsen:
de Zangvogels en de Schreeuwvogels, naar de ontwikkeling van de
zangspieren aan het onderste strottenhoofd. Wij zullen met deze
zienswijze rekening houden.



Bij de Zangvogels (Oscines), die de groote meerderheid van alle
Muschvogels uitmaken, is het onderste strottenhoofd volledig ontwikkeld
en meestal voorzien van vijf paar spieren, die over de voorzijde
en de achterzijde van dit orgaan verdeeld zijn. Uitwendig zijn zij
kenbaar aan de zeer geringe ontwikkeling of het volslagen gemis van
de eerste der tien groote slagpennen; bovendien is de loop aan de
voorzijde "gelaarsd", dat wil zeggen, bekleed met aaneengegroeide,
groote hoornplaten, die aan weerskanten verbonden zijn met een
onverdeeld zijstuk.

In navolging van Reichenow plaatsen wij onder de Zangvogels de Zangers
(Sylviidae) bovenaan. Volgens den genoemden onderzoeker zijn zij
de volkomenste Vogels, omdat zij de gelijkmatigste ontwikkeling
vertoonen. Zij zijn kenbaar aan hun gestalte, welke met die van de
Grasmusch of met die van de Lijster overeenkomt, aan den korten, dunnen
(of slechts middelmatig dikken), priemvormigen (of zwak gekromden)
snavel, aan de goed ontwikkelde, spits toeloopende vleugels, aan den
middelmatig langen staart, die slechts weinig langer of zelfs korter
is dan de vleugels en aan den loop, die een weinig langer is dan de
middelste voorteen. Deze familie omvat, volgens Reichenow, ongeveer
370 soorten (hierbij 40 inheemsche) en heeft vertegenwoordigers in
alle werelddeelen; betrekkelijk de meeste bewonen den gematigden
gordel van de Oude Wereld.



De familie der Zangers wordt in twee onderfamiliën gesplitst. De
eerste omvat de Grondzangers of Lijstervogels (Turdinae), welker loop
van voren door een onverdeelde hoornplaat bedekt is; de jonge Vogels
verschillen van hunne ouders door de vlekken op het vederenkleed.

Grondzangers komen in alle werelddeelen voor; zij bewonen zeer
verschillende terreinen; de meeste houden zich echter in bosschen
op. Als een eigenaardigheid van hen valt op te merken, dat de meeste
zich veel op den bodem ophouden, zoowel wanneer deze met planten
begroeid als wanneer hij steenachtig of rotsachtig is, om 't even of
hij sterk overschaduwd of door de brandende zonnestralen beschenen
wordt. In ieder opzicht hoog begaafd, verwerven zij zich door hun
meestal voortreffelijk gezang onze bijzondere genegenheid; bovendien
zijn zij steeds nuttig voor ons werkzaam en verdienen hierdoor de
welwillendheid, waarmede zij algemeen bejegend worden. Insecten,
vooral in den larvetoestand, allerlei Weekdieren, Wormen (in de meest
uitgestrekte beteekenis van het woord) uit den grond en uit het water,
als de vruchten rijp zijn bovendien verschillende soorten van bessen,
maken hun voedsel uit. De nestbouw en de eieren wijken zoo uiteen, dat
hiervan bezwaarlijk iets gezegd kan worden, dat op alle toepasselijk
is; ook de wijze, waarop zij hunne jongen grootbrengen, varieert zeer.

Als zij te rechter tijd gevangen zijn en doelmatig verzorgd worden,
geraken zij spoedig gewoon aan het verlies van hun vrijheid,
worden zeer gehecht aan hun meester, geven dezen hun genegenheid en
aanhankelijkheid op allerlei wijzen te kennen, toonen droefheid,
als zij hem missen, een uitbundige vreugde, zoodra zij hem weder
zien verschijnen, kortom zij treden in een zeer innige betrekking
tot den mensch.



Den hoogsten rang onder de Grondzangers verdienen misschien de
Roodstaartjes (Erithacus). Zij zijn vooral te herkennen aan de
roestbruine kleur van hun staart, voorts aan den sierlijken snavel,
de betrekkelijk fijne snavelborstels en de middelmatig lange vleugels.

Onze sedert overouden tijd hooggeroemde Nachtegaal (Erithacus luscinia)
kan met weinige woorden beschreven worden. De vederen van de rugzijde
zijn vaal rosbruin, op den kruin en den rug het donkerst, die van de
buikzijde licht geelachtig grijs, aan de keel en op het midden van
de borst het lichtst, de binnenste helft van de vlag der slagpennen
is donkerbruin, de stuurpennen zijn roestkleurig bruinrood. Het oog
is roodbruin, de snavel en de voeten zijn roodachtig grijsbruin. Het
jeugdkleed heeft een roodachtig bruingrijze grondkleur, waarop vlekken
voorkomen, omdat de vederen van de rugzijde ieder afzonderlijk
lichtgele schachtvlekken en zwartachtige randen hebben. De lengte
van het mannetje bedraagt 7 cM.; het wijfje is een weinig kleiner.

In sommige Europeesche landen is onze Nachtegaal vervangen door
een iets grootere en vooral forschere soort, die in Duitschland
Sprosser heet--de Poolsche Nachtegaal (Erithacus philomela). De
beide verwanten gelijken veel op elkander; de laatstgenoemde is
over 't geheel genomen iets donkerder van kleur en is het best te
herkennen aan de veel geringere lengte van de eerste slagpen en aan
de wolkachtige vlek op het bovengedeelte van de borst.

De Nachtegaal wordt van Groot-Brittannië af broedend gevonden in
West-, Middel- en Zuid-Europa; het gebied waarin hij broedt, strekt
zich echter, naar het schijnt, oost- en zuidwaarts niet ver uit;
men ontmoet hem echter nog veelvuldig in Zuid-Rusland en de Krim,
voorts in Kaukasië, Klein-Azië en Palestina. Hij geeft de voorkeur
aan de vlakte, vermijdt echter de bergstreken niet geheel, voor zoover
hier breedbladige boomen en struiken groeien. In Zwitserland is hij,
volgens Tschudi, in een hoogtegordel van 1000 M. boven den zeespiegel
"niet bepaald zeldzaam"; in Spanje treft men hem, naar ik zelf heb
opgemerkt, op de genoemde hoogte nog overal aan; 600 M. hooger komt
hij nog geregeld voor. Bosschen van breedbladige boomen met veel
laag hout, nog liever kreupelbosschen die door beken en waterloopen
doorsneden worden, de oevers van groote wateren, tuinen met boschjes
die goede schuilhoeken bevatten, acht hij voor verblijfplaats het
best geschikt. Hier woont het eene paar naast het andere, ieder paar
echter in een nauwkeurig begrensd gebied, dat zorgvuldig bewaakt en
tegen concurrenten met moed verdedigd wordt. Daar waar plekjes zijn,
die de door hen gestelde eischen bevredigen, zijn de Nachtegalen steeds
veelvuldig. Men ontmoet hen hier in nagenoeg alle streken, waar eenig
houtgewas gevonden wordt, gewoonlijk echter in geringen getale. In
't midden van groote bosschen houden zij zich in den regel niet op,
wel dicht bij den buitenkant, vooral in akkermaalshout, voorts in
plantsoenen en tuinen en langs wandelwegen. "Op de klei zeldzaam,
soms een paar dagen gedurende den voorjaarstrek" (Albarda). Veel
talrijker dan in Nederland en Duitschland vindt men ze echter in
Zuid-Europa, b.v. in Spanje. Zonder veel overdrijving mag men zeggen
dat hier iedere geschikte plaats, elke haag, ieder kreupelboschje
een nachtegalenpaartje herbergt. Een lentemorgen op den Montserrat,
een avondwandeling binnen de ringmuren van de Alhambra zal bij
ieder die ooren heeft om te hooren, onvergetelijke herinneringen
achterlaten. Men hoort dan honderd Nachtegalen tegelijkertijd zingen;
overal weerklinkt hetzelfde lied. De geheele, groote, groene Sierra
Morena heeft aanspraak op den naam van nachtegalentuin, en er zijn
vele zulke gebergten. Men begrijpt niet, hoe het mogelijk is, dat
zulk een klein stukje grond, als aan ieder paar ten deel kan vallen,
den kost kan verschaffen aan twee zooveel eischende Vogels met hun
talrijk gebroed.

Het verbreidingsgebied van den Poolschen Nachtegaal begrenst dat van
den Gewonen in het noorden en in het oosten. Hij is in Denemarken de
meest voorkomende soort, de eenige, die in Skandinavië, het oosten van
Pommeren en het geheele noorden en midden van Rusland gevonden wordt;
hij vervangt zijn stamgenoot ook in Polen, bewoont het middelste deel
van het Donau-dal, te beginnen bij Weenen en verder benedenwaarts en
houdt zich aan gene zijde van den Oeral in alle rivierdalen van de
West-Siberische steppe op.

De beide soorten van Nachtegalen komen in alle hoofdzaken zoo volkomen
met elkander overeen, dat men bij hun beschrijving zich nagenoeg tot
één soort bepalen kan. Ook ik zal dit doen in hetgeen nu volgt, en
heb dus voortaan meer bepaaldelijk onzen Nachtegaal op 't oog. Daar
waar deze uitmuntende zanger overtuigd is van de bescherming van den
mensch, vestigt hij zijn woonplaats in de onmiddellijke nabijheid
van menschelijke woningen en toont dan niet meer de geringste
schroomvalligheid, eerder een zekere driestheid; het kost dan ook
geen moeite hem bij zijne handelingen te bespieden. "Het gedrag van
den Nachtegaal," zegt Naumann, "verraadt een bedachtzamen, ernstigen
aard. Hij beweegt zich op een weldoordachte, waardige wijze; zijne
standen openbaren fierheid; door deze eigenschappen staat hij in
zekeren zin hooger dan alle overige inheemsche Zangers. Het is,
alsof zijne gebaren het bewustzijn aanduiden, dat hem algemeen deze
voorrang wordt toegekend. Hij stelt veel vertrouwen in de menschen,
woont gaarne te midden van hen en onderscheidt zich door zijn bedaarde
en stille houding. Jegens andere Vogels is hij zeer vreedzaam; ook
met zijne soortgenooten zal hij slechts zelden twisten." Gewoonlijk
ziet men hem op korten afstand van den bodem in de twijgen zitten;
hij zit tamelijk rechtop, heeft den staart opgewipt, de vleugels
zoover afhangend, dat hunne spitsen onder den staartwortel komen
te liggen. Tusschen de twijgen huppelt hij zelden; wanneer dit
geschiedt, maakt hij groote sprongen. Op den bodem houdt hij den
romp steil omhoog gericht en springt met opgeheven staart "fier"
rond; hij maakt dan echte sprongen, die door een oogenblik van rust
afgebroken worden. Als het een of ander verschijnsel zijn aandacht
trekt, wordt de staart snel en plotseling opgewipt; deze beweging
maakt hij trouwens bij iedere gelegenheid. Zijn vlucht is snel,
gemakkelijk, volgens stijgende en dalende booglijnen, in kleinere
ruimten fladderend en schommelend; hij vliegt evenwel slechts over
korte afstanden, van struik tot struik; over dag vliegt hij nooit in
het vrije veld. Dat hij ook zeer snel kan vliegen, blijkt, wanneer
twee ijverzuchtige mannetjes elkander nazitten.

De lokstem van den Nachtegaal is een helder, gerekt "wie-d", waarmede
gewoonlijk een ratelend "karr" verbonden wordt. Als hij angstig is,
herhaalt hij de klank "wie-d" verscheidene malen, en voegt er slechts
nu en dan den roep "karr" tusschen. Toorn wordt te kennen gegeven door
het onaangenaam klinkend geluid "rè", een behagelijke gemoedsstemming
door een diepklinkend "tak". De jongen roepen aanvankelijk "fie-d",
later "kro-èk". Het spreekt van zelf, dat deze voor den gewonen
omgang bestemde klanken door wijzigingen van de intonatie, waarvan
ons oor in de meeste gevallen niets bespeurt, een zeer verschillende
beteekenis verkrijgen. Het slaan, waardoor de Nachtegaal zich meer
dan alle andere Vogels de genegenheid van den mensch heeft verworven,
munt uit door een groote volheid van toon, door een zoo aangename
verscheidenheid van accoorden, en een zoo verrukkelijke melodie, als
bij geen ander vogelgezang wordt aangetroffen. Op een onbeschrijfelijk
bevallige wijze wisselen zacht gefloten met helder klinkende, weemoedig
klagende met vroolijk juichende, wegsmeltende met statige, trillende
of rollende strophen af. Merkwaardig is de buitengewone buigzaamheid
van stem van onzen zanger; terwijl de eene strophe met zachte tonen
begint, die allengs in sterkte toenemen en langzaam wegsterven,
worden in een andere kort afgebroken, harde tonen op smaakvolle wijze
in snelle opeenvolging herhaald; droefgeestige klanken, die met de
zuiverste fluittonen vergelijkbaar zijn, vloeien met vroolijker
klanken zacht ineen. De pauzen tusschen de strophen verhoogen de
werking der heerlijke melodiën; om hare schoonheid goed te doen
uitkomen, is het matig snelle tempo voortreffelijk geschikt. Het is
moeilijk uit te maken, wat meer onze bewondering verdient, de groote
verscheidenheid van verrukkelijke tonen of hun volheid en buitengewone
kracht. Onbegrijpelijk is het, dat een wezen van zoo geringe grootte in
staat is tot het voortbrengen van zulke krachtig klinkende geluiden,
dat zulke fijne keelspieren zooveel arbeid kunnen verrichten. Sommige
strophen worden zoo heftig uitgestooten, dat ons oor op korten afstand
door de schel klinkende tonen pijnlijk aangedaan wordt.

De slag van een Nachtegaal moet 20 à 24 verschillende strophen
bevatten om den naam van uitmuntend te verdienen; bij vele van deze
virtuozen is de afwisseling geringer. De woonplaats oefent hierop
een belangrijken invloed uit; want, daar de jonge Nachtegalen alleen
door oudere soortgenooten, die met hen dezelfde landstreek bewonen,
gevormd en onderwezen kunnen worden, is het verklaarbaar, dat in
het eene gewest bijna zonder uitzondering uitmuntende, in het andere
daarentegen bijna geen andere dan middelmatige zangers voorkomen. Oude
mannetjes slaan in den regel beter dan jongere; oefening is ook bij de
Vogels een noodzakelijk vereischte voor het bereiken van een hoogen
trap van volmaaktheid in de edele kunst. Het vurigst klinkt de slag
als de ijverzucht in 't spel komt; het lied wordt dan een wapen, dat
iedere strijder op de best mogelijke wijze tracht te hanteeren. Enkele
Nachtegalen wettigen in zooverre hun naam, dat zij zich hoofdzakelijk
's nachts laten hooren; andere zingen bijna niet anders dan over dag.

De lokstem van den Poolschen Nachtegaal klinkt anders dan die van den
Gewonen: niet "wie-d--karr", maar "glok--arr"; zijn slag is gekenmerkt
door een grootere diepte van toon en een langzamer voordracht, die
meer ingehouden en door langere pauzen afgebroken wordt; krachtiger en
luider klinkend, maar uit een geringer aantal strophen samengesteld dan
de slag van den inheemschen zanger, moet hij toch even hoog geschat
worden als deze. Zelfs geven enkele liefhebbers aan den Poolschen
Nachtegaal de voorkeur; zij prijzen terecht de onvergelijkelijke
schoonheid van zijne zoogenaamde kloktonen.

De Nachtegalen verschijnen in onze gewesten in de laatste helft
van April, al naar de weersgesteldheid iets vroeger of iets later,
ongeveer in den tijd dat de Hagedoorn zijne bladeren begint te
ontplooien. Zij reizen afzonderlijk en des nachts, de mannetjes het
eerst, de wijfjes iets later. Soms ziet men in den vroegen morgen er
een boven uit de lucht naar beneden storten en het kreupelboschje
opzoeken, waarin hij zich over dag zal ophouden; gewoonlijk echter
geven zij hun aanwezigheid het eerst door hun slag te kennen. Ieder
hunner keert terug naar hetzelfde deel van het woud, naar denzelfden
tuin, hetzelfde boschje, waar hij de vorige zomers doorbracht;
het jonge mannetje tracht zich te vestigen in de nabijheid van de
plaats waar zijn wieg stond. Dadelijk na de behouden terugkomst in het
vaderland neemt het slaan een aanvang; in de eerste nachten na de reis
weerklinkt het onverpoosd: misschien wel om aan het wijfje, dat hoog in
de lucht voorttrekt, als teeken te dienen, of met de bedoeling om een
hart, dat nog vrij is, te veroveren. Niet altijd komt het echtverbond
zonder strijd en zorg tot stand, want ieder vrijgezel streeft er naar
om aan een ander mannetje de bruid of de ega te ontvrijen.

De bouw van het nest vangt nu aan en wordt spoedig tot een goed einde
gebracht. Het doel van den arbeid is trouwens geen kunstwerk. Een
hoop droge bladen, vooral van eiken, vormt den grondslag van het
nest; droge halmen en stengels, bladen van zeggen en riet vormen de
holte, die van binnen met fijne worteltjes of halmpjes en pluimen,
ook wel met paardehaar en wollige plantenvezels bekleed wordt. Bij
uitzondering maakt de Nachtegaal den onderbouw van stevige takjes, de
wanden van het eigenlijke nest van stroo. Het nest van den Poolschen
Nachtegaal verschilt van dat van den Gewonen door de meerdere dikte
van de wanden en van de uit haren van dieren bestaande voering. Zoowel
van de eene als van de andere soort is het nest in den regel op den
grond of op korten afstand hierboven aangelegd: in uithollingen van
den bodem, tusschen de jonge uitspruitsels van een omgehouwen boom
of van een boomstronk, in struiken of in een graspol. Soms heeft men
uitzonderingen op dezen regel waargenomen: een Nachtegaal bouwde, naar
Naumann verhaalt, zijn nest in een hoop dorre bladeren, die binnen
in een tuinhuisje lag, een andere op het nest van een Winterkoninkje,
dat ongeveer 1.5 M. boven den bodem op een dennentak was bevestigd.

Het aantal eieren bedraagt 4 à 6. Hun schaal is dun en glad, heeft een
doffen glans en een groenachtig bruingrauwe kleur. Zoodra de eieren in
het nest voltallig zijn en het broeden begint, verandert het gedrag
van het mannetje. Bij het broeden wordt ook zijn hulp vereischt;
hij moet het wijfje aflossen, minstens gedurende eenige uren op het
midden van den dag en houdt reeds om deze reden minder tijd voor
't zingen over. Nog slaat hij, om zijn wijfje genoegen te doen en
voor zijn eigen vermaak, maar bijna uitsluitend over dag, nagenoeg
nooit meer 's nachts. Het nest wordt zorgvuldig door hem bewaakt, ook
spoort hij zijn gade tot ijverig broeden aan: een Poolsche Nachtegaal,
wiens wijfje Päszler van 't nest verjoeg, staakte onmiddellijk zijn
gezang, vloog naar zijn wederhelft en herinnerde haar "met een toornig
geschreeuw en met snavelbeten aan hare huiselijke plichten." Bij 't
naderen van vijanden geven de voor hun gebroed bezorgde Nachtegalen
bewijzen van grooten angst, maar ook van moed; zij toonen een
roerende zelfopoffering door zichzelf in gevaar te begeven. De
jongen worden met allerlei kleine dieren gevoederd, groeien snel,
verlaten het nest reeds "als zij ternauwernood van de eene twijg naar
de andere kunnen fladderen", en blijven tot aan den ruitijd in het
gezelschap van hunne ouders. Deze beginnen alleen dan met een tweede
broedsel als de eieren van het eerste hun ontnomen werden. Hun liefde
voor hun kroost blijft onverminderd als men de jongen, voordat zij
vliegen kunnen, uit het nest neemt, in een kooi opsluit en deze in
de nabijheid van de nestelplaats ophangt; de trouwe ouders voederen
dan hunne kinderen, alsof zij nog in het nest zaten. Reeds korten
tijd nadat zij hun intrede in de wereld hebben gedaan, beginnen de
jonge mannetjes hun keel te beproeven; zij "dichten" (zoo noemen de
Duitschers deze pogingen om te zingen). Dit "dichten" gelijkt niet
op den slag van den vader; deze, die hun leermeester zou kunnen zijn,
zwijgt trouwens reeds, als zijne spruiten beginnen te stamelen; want,
zooals men weet, verstomt de Nachtegaal reeds tegen St. Jan. De
jeugdige zangers zijn in de volgende lente nog leerlingen. In den
beginne zijn hunne liederen zacht en gebrekkig; de ontwakende liefde
brengt hen echter tot het volle begrip van de heerlijke kunst, waarin
zij later meesters zullen zijn.

In Juli verwisselen de Nachtegalen van vederen; na het ruien gaan de
leden van het gezin uiteen; in September begeeft oud en jong zich op
reis, gewoonlijk weder tot familiën, in sommige gevallen tot grootere
gezelschappen vereenigd. Zij reizen snel en ver, maar worden in
den vreemde weinig opgemerkt. Ik heb ze, ieder op zich zelf levend,
in de bosschen van Oost-Soedan aangetroffen.

Daar de Nachtegalen, en vooral hun gebroed, door vele vijanden vervolgd
worden, is het de plicht van ieder verstandig mensch om, wanneer hem
hiervoor de gelegenheid wordt geboden, den edelen zangers plaatsen te
verschaffen, waar zij zooveel mogelijk beveiligd zijn. In groote tuinen
moest men, volgens den raad van den zeer verdienstelijken Lenz, dichte
hagen planten, die b.v. uit kruisbessenstruiken zouden kunnen bestaan,
en alle bladen, die in den herfst afvallen, daar laten liggen. Zulke
plaatsen worden spoedig door de Nachtegalen opgezocht, omdat zij
al hunne eischen bevredigen. Door het dichte struikgewas worden de
Vogels beveiligd, terwijl de bladerenhoop een verzamelplaats wordt
van Wormen en Insecten en door geritsel de nadering van een vijand
verraadt. Nog meer dan voor viervoetige en gevleugelde roovers, moet
men de Nachtegalen tegen tweebeenige deugnieten beschermen. Hoe
verstandig de onvergelijkelijke zangers ook zijn, voor vallen,
strikken en netten nemen zij zich niet genoeg in acht; zelfs door
den eenvoudigsten vangtoestel laten zij zich verschalken.



Als de naaste verwanten van de Nachtegalen beschouwt men de
Blauwborstjes (Cyanecula). Bij de mannetjes van dit ondergeslacht
is de rugzijde donker aardkleurig bruin, de onderzijde vuilwit,
aan de zijden en van achteren met grijs bruinachtige tint, de keel
echter prachtig lazuurblauw, met of zonder een anders gekleurde vlek
of kol; het blauwe keelschild gaat aan de onderzijde in een zwarte
dwarsstrook over, die door een smal streepje van lichte kleur van een
halvemaanvormige borstvlek gescheiden is; boven ieder oog bevindt zich
een witachtige streep, de beide strepen vloeien op het voorhoofd ineen;
de teugels zijn zwartachtig; de slagpennen hebben een bruingrijze,
de stuurpennen een zwartbruine kleur. Het oog is donkerbruin, de
snavel zwart; de voeten zijn aan de voorzijde groenachtig grijs,
aan de achterzijde geelachtig. De lengte bedraagt ongeveer 15 cM.

De soorten zijn hoofdzakelijk kenbaar aan de kleur van de keel. Zoo
heeft het mannetje van het Zweedsche of Toendra-blauwborstje (Erithacus
suecicus) in het midden van het blauwe keelschild een kaneelroode,
het Witvlek-blauwborstje (Erithacus cyaneculus) een witte kol. Het
Witvlek-blauwborstje is de grootste en krachtigste soort. De wijfjes
hebben ongeveer dezelfde kleur als de mannetjes en zijn dus moeielijk
van deze te onderscheiden. De beide soorten komen, wat levenswijze
en gewoonten betreft, in hoofdzaken overeen.

Het Zweedsche Blauwborstje is inheemsch in het noorden van de Oude
wereld en bezoekt van hieruit Zuid-Azië, Noord-Afrika. Enkele malen
werd het in ons land broedend gevonden, "in sommige plaatsen van
Noord-Brabant vrij menigvuldig" (Schlegel); ook op den trek komt het
zelden tot ons. Het verschijnt in het begin van April (zelden vroeger,
meestal eerst tegen het midden van de maand) en reist in September
naar zijn winterverblijf. Het houdt zich "het liefst op in eenzame,
lage, vochtige, met gras en struiken begroeide streken; het verschuilt
zich echter veelal zoodanig, dat men het zeldzaam te zien krijgt." In
Duitschland vindt men het aan de oevers van rivieren, beken en meren,
voor zoover deze met struiken, gras en riet dicht begroeid zijn;
in het noorden bewoont het de Toendra's. De Blauwborstjes trekken
niet zoo ver weg als de overige zangers, overwinteren reeds in Opper-
en Middel-Egypte of in het midden van China en het noorden van Indië;
enkele exemplaren ondernemen echter zwerftochten naar de zuidelijke
laagvlakten van Oost-Indië of tot in de bosschen van het gebied van
den Boven-Nijl.

Ook het Witvlek-blauwborstje wordt hier nu en dan
aangetroffen. "Voorwerpen van deze soort waren dit jaar nogal vrij
wat op de Amsterdamsche vogelmarkt te vinden. Eén voorwerp heeft
te Franeker overwinterd en verscheen dagelijks op een voederplaats,
in gezelschap van een Roodborstje." (Albarda: "Waarnemingen in 1891.")

Vochtige, dichte kreupelhout-bosschen in de nabijheid van het water
leveren zomerverblijfplaatsen aan de Blauwborstjes. Daarom vermijdt
het Witvlek-blauwborstje in Duitschland gedurende den broedtijd
het gebergte bijna geheel, terwijl het Toendra-blauwborstje in het
noorden geen verschil maakt tusschen hoog en laag gelegen gewesten,
in Scandinavië geeft het zelfs de voorkeur aan hoogten, omdat op de
breede Fjelds van het gebergte tal van meren of poelen voorkomen,
die door honderden kleine beken onderling verbonden en, evenals deze,
met laag groeiende struiken omzoomd en omgeven zijn. Zulke plaatsen
zijn voor het Blauwborstje een waar paradijs; op haar moeten de vlakten
van Midden-Europa gelijken om de witvlek-blauwborstjes aan te lokken:
hier bouwt het paartje in den voortplantingstijd het nest.

Het Blauwborstje is een lief vogeltje, dat de genegenheid wint van
ieder, die er kennis mede maakt. Niet alleen zijn schoonheid, maar in
nog hoogere mate zijn gedrag, zijn aard en zijne gewoonten trekken
ons aan en boeien ons. Evenals bij de meeste Grondzangers zijn bij
het Blauwborstje de gaven van lichaam en geest op de gelukkigste
wijze vereenigd. Het beweegt zich met de grootste behendigheid op
den bodem: het is een Grondzanger in den eigenlijken zin van 't
woord. Het stapt niet, maar huppelt; de sprongen volgen elkander
zoo schielijk op, dat men ze niet onderscheiden kan; men zou het
loopende Blauwborstje eerder voor een Renvogel dan voor een Zanger
houden. Dit is het geval op droge zoowel als op slijkerige gronden,
op open plaatsen zoowel als in het dichtste struikgewas en in
het gras; want het verstaat meesterlijk de kunst om zich overal
te bewegen. Te midden van de takken vliegt het hoogstens van den
eenen naar den anderen en blijft rustig zitten op den tak, dien het
vliegend bereikt. Terwijl het op den bodem zit of loopt, maakt het een
zeer aangenamen indruk. Het zit rechtop met opgewipten staart; zijn
houding is fier, ja zelfs eenigszins driest. Het vliegt haastig, maar
niet bijzonder vlug volgens meer of minder groote booglijnen, zelden
echter over groote afstanden. Gewoonlijk verheft het zich slechts 1 à 2
M. boven den bodem; het keert er op terug bij de eerste schuilplaats,
die het ontdekt, om zijn weg loopend te vervolgen. De zintuigelijke
vermogens van het Blauwborstje zijn ongeveer even ontwikkeld als die
van den Nachtegaal; ook wat het verstand betreft, komen deze dieren
overeen. Het Blauwborstje is schrander en merkt spoedig op of een
ander wezen het met vriendschappelijke of met vijandige bedoelingen
nadert. Gewoonlijk doet het niemand leed, jegens den mensch is het
argeloos; door de ervaring, dat men het lagen legt, wordt het echter
weldra zeer voorzichtig en schuw. Wanneer het niet gestoord wordt,
legt het een grenzenlooze levenslust en een benijdenswaardige
blijmoedigheid aan den dag; het is, zoolang het zijn dagelijksch
brood krijgt, voortdurend goed gehumeurd, vroolijk en vergenoegd;
het houdt veel van beweging en in de lente ook van zingen. Met andere
Vogels leeft het in vrede, met zijns gelijken stoeit het graag; zulk
een spel kan echter in bitteren ernst ontaarden, wanneer de liefde
en met haar de ijverzucht ontwaakt is. Dan komt het wel eens voor,
dat twee mannetjes met elkander in strijd geraken en dezen met groote
verbittering voortzetten, ja zelfs niet rusten, voordat één van de
beide kampioenen bezweken is. Twee Blauwborstjes, die tezamen dezelfde
kamer, dezelfde kooi bewonen, vechten soms zoo hevig met elkander,
dat het eene door de beten van het andere den dood vindt.

Evenals bij zoovele Grondzangers bestaat ook de lokstem van het
Blauwborstje uit de klanken "Tak tak"; een zacht, als "Fied, fied"
klinkend geluid drukt teederheid, een onnavolgbaar gekras toorn
uit. Het gezang is bij de verschillende soorten ongelijk. Het
best en het meest zingt het Witvlek-blauwborstje, het slechtst het
Toendra-blauwborstje. Bijna alle mannetjes nemen in het gezang dat hun
van nature eigen is, tonen uit de liederen van andere Vogels op en ook
wel geluiden van andere dieren, die niet zingen kunnen. Dat dit talent
van nabootsing ook door anderen is opgemerkt, blijkt uit den naam
"Honderdtongige Zanger", dien de Lappen aan het Toendra-blauwborstje
geven.

Het voedsel van deze Vogels bestaat uit allerlei slag van wormpjes
en Insecten, die in vochtige streken gevonden worden, in den herfst
bovendien uit bessen.

Hun nest wordt dicht bij het water gebouwd, op den bodem of op
korten afstand er boven, in uithollingen van den grond, waar het half
verborgen is tusschen wortels of ruigte. In het midden van Mei vindt
men er 6 à 7 eieren in; deze hebben een zeer fijne schaal, die op licht
blauwachtig groenen grond met roodbruine vlekjes gestippeld of aan
het stompe uiteinde met bruinachtige wolkjes geteekend is. Het broeden
geschiedt om beurten door de beide ouders en duurt ongeveer twee weken.

Gevangen Blauwborstjes zijn een sieraad van een volière. Bij doelmatige
verzorging worden zij weldra zeer tam, hoe wild en schuw zij zich in
den beginne toonden; ook zingen zij dan vlijtig; zij moeten echter
zeer zorgvuldig behandeld worden.



Een snavel, welke op dien van een Lijster gelijkt, langs de ruglijn
eenigszins gebogen en kort voor de zwak benedenwaarts gekromde spits
(of haak) met een ondiepe inkerving voorzien is, middelmatig hooge,
zwakke pooten, tamelijk korte en zwakkelijke vleugels, welker vierde
en vijfde slagpen de overige in lengte overtreffen, een middelmatig
lange, uit toegespitste veeren bestaande staart, die in het midden
een weinig uitgerand is, een los vederenkleed, dat bij beide seksen
dezelfde kleur vertoont, maar gedurende de jeugd vlekken heeft, zijn de
kenmerken van een ondergeslacht, welks meest bekende vertegenwoordiger
ons Roodborstje (Erithacus rubeculus) is. De bovenzijde is donker
olijfkleurig grijs, de onderzijde grijsachtig, het voorhoofd, de
keel en het bovenste deel van de borst zijn geelachtig rood. Het oog
is groot en bruin, de snavel zwartachtig bruin, de voet roodachtig
hoornkleurig. De lengte bedraagt 15 cM.

Naar het schijnt, is ons Roodborstje alleen in Europa inheemsch; zijn
verbreidingsgebied reikt althans niet ver voorbij de grenzen van dit
werelddeel. Op den trek bezoekt het Noord-Afrika, Syrië, Palestina en
Perzië; de meeste Roodborstjes, die ons in den winter verlaten, blijven
echter reeds in Zuid-Europa achter, enkele zelfs in Duitschland. Het
zuiden van Engeland verlaten zij in 't geheel niet, voor 't meerendeel
althans overwinteren zij daar. In Nederland en Duitschland is het
overal veelvuldig. Ook hier blijven vele exemplaren den winter over;
in de nabijheid van boerderijen, in tuinen en op stallen zoeken zij dan
hun voedsel. Ieder bosch met dicht kreupelhout verschaft dezen Vogel
een woonplaats; gedurende zijne reizen bezoekt hij ieder boschje,
iedere haag, in 't gebergte zoowel als in de vlakte, in den akker
zoowel als in den tuin, vlak bij of tusschen de woningen der menschen.

Het Roodborstje is een allerliefst vogeltje, dat bij iedere
gelegenheid zijn opgewekte, vroolijke inborst openbaart. Het zit op
den bodem rechtop met eenigszins afhangende vleugels en horizontaal
gerichten staart; als het op een takje zit, is zijn houding een weinig
achteloozer. Het huppelt met luchtige sprongen snel, maar meestal met
tusschenpoozen over den bodem of over horizontale takken heen; het
fladdert van de eene twijg naar de andere; het vliegt zeer behendig,
hoewel niet regelmatig; korte afstanden legt het half springend
half zwevend of, zooals Naumann zegt, "snorrend" af; als het zich
over een grooten afstand moet verplaatsen, volgt het een uit lange
en korte bogen bestaande kronkellijn; zonder inspanning maakt het
zwenkingen tusschen dichte struiken door, kortom het geeft bewijzen
van groote behendigheid. Het houdt er van, zich in een open ruimte op
den bodem of op een vooruitstekende twijg te bevinden; niet gaarne
(en over dag waarschijnlijk nooit) vliegt het hoog in de lucht;
steeds is het integendeel op zijn veiligheid bedacht, hoe vermetel
het in sommige gevallen moge schijnen. Voor den mensch koestert het
nagenoeg geen vrees; het kent echter zijne vijanden wel en geeft
blijken van angst of bezorgdheid, zoodra zij verschijnen. Bij den
omgang met zijne soortgenooten en met zwakke dieren in 't algemeen
toont het een lieftallige speelschheid maar ook neiging tot plagen en
een zeer onaardige krakeelzucht; zijn leven is daarom niet bepaald
gezellig en zelden vreedzaam. Aan den anderen kant merkt men bij
dit vogeltje ook veel goedaardigheid op: het openbaart medelijden en
zelfs barmhartigheid. Voor Zangvogeltjes, die hunne ouders verloren,
voordat zij in staat waren om zich zelf te redden, zijn de Roodborstjes
dikwijls trouwe pleegouders, voor zieke soortgenooten vaak barmhartige
helpers geweest.

Een mannelijk Roodborstje werd bij het nest van zijne jongen gevangen
en met deze in een kamer gebracht; hij ging voort met zijn kroost te
verzorgen, zooals hij vroeger had gedaan; hij voederde en verwarmde het
en bracht het groot. Ongeveer 8 dagen later bracht de vogelvanger een
ander nest met jonge Roodborstjes in de kamer bij het oude mannetje,
dat hij behouden had. En werkelijk, toen de jongen honger kregen en
begonnen te schreeuwen, kwam de oude Vogel bij hen, bekeek ze een tijd
lang, vloog toen naar het napje met mierenpoppen, begon met grooten
ijver de taak van pleegvader en voedde ook deze jongen op, alsof het
zijne eigene waren. Aan Naumann is een soortgelijk geval overkomen,
toen hij een jong Robijntje wilde grootbrengen. De steeds hongerige
Vogel schreeuwde aanhoudend en wekte daardoor het medelijden op van
een in de kamer rondvliegend Roodborstje. Dit begaf zich naar de kooi
van den schreeuwleelijk, die om voeder smeekte. "Onmiddellijk vloog
het op de tafel, haalde broodkruimels, stopte deze in den bek van het
jong en herhaalde dit zoo vaak het weesje er om vroeg." Ook in de vrije
natuur ziet men soms Roodborstjes een innige vriendschap sluiten met
Vogels van een andere soort. In een boschje niet ver van Köthen heeft
zich het merkwaardige verschijnsel voorgedaan, dat een Roodborstje met
een Fitis (of Kleine Gele Hofzanger) in hetzelfde nest eieren heeft
gelegd. De Fitis had het nest gebouwd; beide legden er eieren in, ieder
6; beide hebben eendrachtig tegelijkertijd op de 12 eieren gebroed.

Het Roodborstje heeft echter nog andere goede eigenschappen. Het
is bemind wegens zijn liefelijk gezang. Zijn lied bestaat uit
verscheidene, met elkander afwisselende, uit fluittonen en trillers
samengestelde strophen, die luid en met een langzaam tempo voorgedragen
worden, zoodat het gezang een plechtigen indruk maakt. Dit lied
klinkt in de kamer even aangenaam als in het bosch; daarom wordt het
Roodborstje zeer dikwijls in een kooi gehouden. Het geraakt spoedig
aan de gevangenschap gewoon, legt de schuwheid, die het aanvankelijk
toonde, geheel af en wordt volkomen gemeenzaam met den mensch. Na
eenigen tijd vat het een groote genegenheid voor zijn verzorger op:
het begroet hem door liefelijk te kweelen, den krop op te blazen en
allerlei aardige bewegingen te maken. Bij behoorlijke behandeling kan
het vele jaren als gevangene in 't leven blijven en geraakt, naar het
schijnt, geheel met zijn lot verzoend. Er zijn voorbeelden van bekend,
dat Roodborstjes, die een winter in de kamer hadden doorgebracht en
in de volgende lente weer vrijgelaten werden, in het laatste gedeelte
van den herfst naar het huis van hun gastheer terugkeerden, als 't
ware om dezen te verzoeken hen weder op te nemen. Enkele heeft men
zoo goed aan de kooi kunnen gewennen, dat men ze kon toestaan uit en
in te vliegen. Eenige paren hebben zich in de kooi voortgeplant.

Het Roodborstje verschijnt bij ons reeds in het begin van Maart,
indien de weersgesteldheid dit maar eenigszins toelaat; het heeft
echter in het vaderland, waar het de komst van de lente aankondigt,
dikwijls nog veel te lijden van koude en gebrek. Alleen en onder luid
geroep reist het des nachts door de hooge luchtlagen en strijkt met
het aanbreken van den dag in wouden, boschjes of tuinen neder om hier
uit te rusten en zich te verzadigen. Zoodra het zich voorgoed in een
streek gevestigd heeft, weergalmt het bosch van zijn luidklinkende
lokstem, een scherp "sjniekeriekiek", dat dikwijls herhaald wordt
en soms trillerachtig klinkt; bij de eerste warme zonnestraal hoort
men ook zijn fraai gezang. Als men nagaat, vanwaar het geluid komt,
ziet men op de toptwijg van een der hoogste boomen van het bosch
het mannetje zitten, opgericht met eenigszins afhangende vleugels en
opgeblazen keel, in een waardige, fiere houding, ernstig, deftig, alsof
het den gewichtigsten arbeid van zijn geheele leven verrichtte. Het
zingt reeds in de morgenschemering en gaat hiermede voort,
totdat de nacht begint, in de lente zoowel als in den herfst. Vol
ijverzucht bewaakt het zijn gebied en duldt hier geen ander paar;
het gebied van het eene paar grenst echter onmiddellijk aan dat
van het andere. In het midden van het district, dat ieder paar als
zijn eigendom beschouwt, staat het nest, steeds dicht bij of op den
bodem, in uithollingen van den grond of in door rotting hol geworden
boomstronken, tusschen wortels, in het mos, achter graspollen, zelfs
in de verlaten holen van sommige Zoogdieren, enz. Droge boombladen,
waarmede zelfs een zeer groot hol gedeeltelijk gevuld wordt, mos,
droge stengels en bladen of mosplantjes alleen worden samengeweven om
den buitenwand van het nest te vormen; fijne worteltjes, halmpjes,
haren, wol, vederen, die sierlijk laagsgewijs bijeengevoegd zijn,
vormen de binnenbekleeding. Als de wanden van het hol zich niet over
het nest heen uitstrekken, wordt hierover ook nog een dak gebouwd,
waaronder zijdelings een ingang is aangebracht. In het einde van
April of in het begin van Mei is het vereischte aantal eieren,
5 à 7, in het nest aanwezig; deze eieren hebben een dunne schaal
en zijn op geelachtig witten grond overal voorzien met donkerder,
roestgeelachtige stippels. De beide ouders broeden om beurten; de
jongen komen na omstreeks 14 dagen uit den dop, groeien, dank zij
de goede zorg van de ouders, schielijk op, worden na het uitvliegen
nog omstreeks 8 dagen lang door hunne natuurlijke verzorgers bewaakt
en onderricht en gaan dan hun eigen gang. De oude dieren beginnen nu
voor een tweede broedsel te zorgen, voor zoover de weersgesteldheid
dit toelaat. Als men het nest of de sinds kort uitgevlogen jongen
nadert, laten de ouden herhaaldelijk hun lokstem en het waarschuwend
signaal "sieh" hooren en maken zeer angstige bewegingen; de jongen,
welker gekweel even te voren gehoord werd, zwijgen na deze aanmaning
onmiddellijk en klimmen meer dan zij vliegen in de kroon omhoog.

In den beginne worden de jongen met allerlei weeke wormpjes gevoederd;
later krijgen zij hetzelfde voedsel als door de ouden gebruikt wordt:
Insecten van allerlei soort en van alle ontwikkelingstoestanden,
Spinnen, Slakken, Aardwormen, enz.; in den herfst laven de ouden
zoowel als de jongen zich aan de bessen, waarmede boomen en struiken
van bosschen en tuinen beladen zijn. In den winter zag Büttikofer een
Roodborstje aan een opengehakte bijt bezig met het vangen en verslinden
van Stekelbaarsjes, die in menigte daarheen kwamen om lucht te scheppen
(Albarda, 1890). In de gevangenschap geraakt het Roodborstje gewoon
aan nagenoeg alle stoffen die de mensch als voedsel gebruikt.

Nadat de broedtijd is afgeloopen, in Juli of Augustus, ruien de
Roodborstjes; zoodra zij hun nieuw kleed voltooid hebben, beginnen
zij er aan te denken hunne winterkwartieren op te zoeken. Deze
vullen zich allengs met de gasten uit het noorden. Daar waar men
des zomers te vergeefs naar Roodborstjes zocht, ziet men ze thans
op elken struik. Alle hooge gebergten van Zuid- en Middel-Spanje,
iedere boomgroep, elke tuin herbergen eenige dezer Zangers. Ieder
hunner bewoont ook hier een bepaald gebied, in welks bezit het
zich weet te handhaven; het Roodborstje is nu echter bescheidener
dan in het vaderland: met een enkelen struik is het tevreden; alle
tezamen vormen als 't ware slechts één gezin. In 't eerst zijn de
wintergasten stil en stom; zoodra echter de zon haar verlevendigenden
invloed uitoefent, ontwaakt de levenslust der bannelingen opnieuw:
zij zingen, zij plagen elkander, zij twisten onderling. Het lied, dat
men hier het eerst van hen hoort, en dat ook bij ons op een zonnigen
winterdag door de achtergebleven soortgenooten wordt aangeheven, is
zacht, meer een gekweel dan een gezang; met iederen dag neemt echter
hun blijmoedige stemming toe; lang voordat de lente in het land hunner
geboorte haar intocht deed, is zij in hun hart ontwaakt. Zij beginnen
weer te zingen als zij den terugtocht naar 't noorden aanvangen.



De Roodstaartjes (Ruticilla) kenmerken zich door een slank lichaam,
door een priemvormigen snavel (die aan de spits van den bovensnavel met
een klein haakje voorzien is, maar hiervóór geen inkerving vertoont),
door slanke, zwakkelijke voeten met hoogen loop, tamelijk lange
vleugels (welker derde handpen de langste is) een middelmatig langen,
bijna recht afgesneden staart en een los vederenkleed, dat in verband
met leeftijd en geslacht verschillend gekleurd is. Zij bewonen de
Oude Wereld en zijn vooral in Azië talrijk vertegenwoordigd.

Het Zwarte Roodstaartje (Erithacus titis) is grootendeels zwart;
de kop, de rug en het onderste gedeelte van de borst zijn min of
meer aschgrauw, de buik is witachtig, de vleugels zijn wit gevlekt,
de stuurpennen en staartwortelvederen zijn op elken leeftijd en
bij beide geslachten geelachtig roestrood, met uitzondering van de
beide middelste stuurpennen, die een donkerbruine kleur hebben. Bij
het wijfje en bij het éénjarige mannetje is de hoofdkleur effen
donkergrijs; bij de jongen komen op dit grijs zwartachtige wolkjes
voor. De lengte bedraagt 16 cM.

Het door dezen Roodstaart bewoonde gebied strekt zich uit over Middel-
en Zuid-Europa en bovendien over Klein-Azië en Perzië. In het zuiden
van ons werelddeel is hij standvogel; in het noorden wordt hij
door den winter genoopt het gebied, waar hij broedt, te verlaten en
naar Zuid-Europa, Klein-Azië, Syrië, Palestina en Noord-Afrika te
vluchten. Oorspronkelijk een kind van het gebergte en een bewoner
van rotsen, heeft deze Vogel, die hier te lande tegenwoordig een
huisdier is geworden, zich er langzamerhand aan gewend op menschelijke
woningen verblijf te houden, zonder hierbij onderscheid te maken
tusschen volkrijke steden en eenzame boerderijen. Waar hij voorkomt,
ontmoet men hem bijna altijd ook bij huizen, met welker bouw men nog
bezig is, niet als bewoner, maar wel als eerste, gemeenzame gast:
zonder zich om de metselaars te bekommeren, houdt hij zich op de
allengs verrijzende, nog vochtige muren met de jacht bezig. "Hij
is", volgens W. Marshall [die de Vogels, welke den mensch volgen,
terwijl hij het door hem bewoonde gebied uitbreidt, tegenoverstelt
aan die, welke door de beschaving verdreven worden ("Cultuurvolgers"
en "Cultuurvlieders")], "op zijn manier ook een volgeling van den
beschaafden mensch, niet zoozeer van hem, die den bodem ontgint en
voor den landbouw geschikt maakt, als wel van den oprichter van steenen
huizen, kerken, paleizen, torens en vestingen. Evenals de Gierzwaluwen
en de Zwaluwen schijnt hij te meenen, dat deze gebouwen rotsen zijn,
welker aantal tot zijn groote blijdschap van jaar tot jaar in Europa
toeneemt; hij betreurt het, dat toevalligerwijze hierin, behalve
hij, ook menschen wonen, met hun nasleep van ondeugende kinderen en
Katten. De wieg van dezen wakkeren klant heeft, naar het schijnt,
in het westen en midden van Zwitserland gestaan; hier komt hij,
volgens Tschudi, op alle hoogten voor, die gelegen zijn tusschen de
verblijfplaatsen van den Nachtegaal in de vlakte en het gebied van
den Alpen-Bastaard-Nachtegaal aan de grenzen van de eeuwigdurende
sneeuw, ja zelfs in nog hoogere oorden. Ten westen van de Alpen en
van de hiermede verbonden gebergten is hij zeldzaam; in de Spaansche
gebergten ontmoet men hem slechts enkel; in Portugal wordt hij zeer
zelden aangetroffen; op de Kanarische en Balearische eilanden en
in Algerië ontbreekt hij, hoewel de Gekraagde Roodstaart in al deze
gewesten broedt. Opmerkelijk is het trouwens, dat deze beide vogels
niet goed naast elkander gedijen;--hier te lande" (in Duitschland)
"wordt de Zwarte Roodstaart in dezelfde mate zeldzamer als het aantal
Gekraagde Roodstaarten toeneemt. Ook op het Balkan-schiereiland
is de Zwarte Roodstaart een zeldzaamheid."--In Duitschland is deze
Vogel langs verschillende wegen binnengetrokken. Gesner ontving hem
reeds voor drie eeuwen uit Straatsburg; volgens Landois is hij eerst
in den nieuwen tijd in Westfalen inheemsch geworden; in Oldenburg
vestigde hij zich in 1820; thans is hij ook veelvuldig op het eiland
Sylt, waar hij tegen het einde van de periode 1850-1860 zeer zelden
broedde. In Engeland werd, zoover men weet, het eerste exemplaar
in het jaar 1829 bij Londen gedood, terwijl twee andere individuen
in het volgende jaar bij Bristol en Brighton gevangen werden; nog
omstreeks 1850 werden de in Engeland aanwezige Vogels van deze soort
als afgedwaald aangemerkt. Hier te lande broedt hij, naar het schijnt,
vooral in de grensprovinciën [Noord-Brabant, Limburg, Gelderland,
Groningen (1889)]; in andere deelen van ons land houdt hij zich in
het voorjaar wel eens op, zonder er te broeden. Dat hij zich ook hier
verder verbreidt, blijkt uit de verslagen van Mr. Herman Albarda: "Mij
zijn twee voorbeelden bekend, dat deze soort ook in Zuid-Holland tot
broeden is gekomen. In 1886 huisde een paar, van het begin van Maart
tot 8 Mei, op een weinig bezocht, voor het publiek gesloten terrein
achter den dierentuin te 's Gravenhage. Het wijfje werd 8 Mei gevangen
en legde in de kooi een eitje. Het mannetje bleef nog een paar dagen,
maar liet zich niet vangen. Eerst later werd het nest gevonden. Het
lag in den kop van een knotwilg, ongeveer een halven meter beneden
het vlieggat en bevatte vier glanzend witte eieren. Ook is goed
geconstateerd, dat deze soort, ten minste éénmaal, heeft genesteld in
de St.-Pieterskerk te Leiden." Later werd het broeden van dezen Vogel
ook in Utrecht (1887) en nogmaals in Zuid-Holland (1888) waargenomen.

Bij ons komen de Zwarte Roodstaarten in April terug, in Midden-
en Noord-Duitschland in het laatste derde gedeelte van Maart, in
Zuid-Duitschland reeds iets vroeger. Ook zij reizen afzonderlijk
en des nachts, de mannetjes het eerst, de wijfjes eenige dagen
later. Onmiddellijk na zijn terugkomst in het vaderland zet
de Vogel zich neer op den nok van hetzelfde dak, dat vroeger
zijn lievelingsverblijf was. Nu begint het opgewekte, drukke
zomerleven. Evenals alle leden van zijn familie is hij een zeer
bedrijvige, werkzame, wakkere, onrustige en bewegelijke klant; van
't aanbreken van de morgenschemering tot na zonsondergang is hij in
de weer: zijn lied is van de gezangen, die men op een lentemorgen
hoort, een der eerste; zijn eenvoudig wijsje weerklinkt nog na de
avondschemering. Zijne bewegingen komen veel overeen met die van de
Tapuiten. Hij is buitengewoon vlug en behendig, huppelt en vliegt met
even groot gemak, bukt zich of wipt althans met den staart bij iedere
gelegenheid, ook wel zonder dat er reden voor bestaat. Bij 't zitten
heeft hij een vastberaden, opgerichte houding. Hij huppelt met groote
sprongen schoksgewijze of met korte tusschenpoozen; vliegend beweegt
hij zich "bijna huppelend of met overhaasting snorrend over groote
afstanden; hij volgt daarbij een onregelmatige, uit groote en kleine
bogen bestaande, slangvormige lijn". Zijn vaardigheid in 't vliegen
is zoo groot, dat hij op de wijze van de Vliegenvangers zijn buit kan
verkrijgen; hij haalt namelijk zonder inspanning vliegende Insecten
in en hapt ze op. Zijne zintuigen zijn uitmuntend, zijn verstand is
volstrekt niet weinig ontwikkeld. Hij is schrander en vindingrijk, weet
zeer goed vijanden te onderscheiden, wantrouwig jegens zijne vrienden;
hij vertrouwt de menschen, welker ongenoode gast hij is, in den regel
niet; bij voorkeur houdt hij zich op een bescheiden afstand van hen,
zoo mogelijk kiest hij de nok van een dak tot standplaats. Hier gevoelt
hij zich veilig en stelt schijnbaar geen belang in hetgeen er onder
hem voorvalt. Hij is niet zeer gezellig en houdt er van om zonder
ander gezelschap dan zijn wederhelft een bepaald gebied te bewonen;
hier duldt hij geen ander paartje van dezelfde soort; in den regel
kibbelt en twist hij met andere Vogels, die zich in zijn nabijheid
willen vestigen. Zijn lokstem is aangenaam, zijn gezang echter niet
fraai en door een eigenaardig gekras gekenmerkt. Zijn roepstem klinkt
als "fied tek tek" en wordt, als hij angstig is of in gevaar verkeert,
talloos vele malen in snelle opeenvolging herhaald. Zijn gezang is
verdeeld in 2 of 3 strophen, die voor een deel uit gefloten, voor
een deel uit gillende en krassende tonen bestaan en volstrekt niet
welluidend zijn. Ook hij bezit de gave om de liederen van andere
Vogels na te bootsen; tusschen de aan hen ontleende klanken hoort
men echter steeds zijn eigen krassende muziek.

De Roodstaart voedt zich bijna uitsluitend met Insecten, bij voorkeur
met Vliegen en Vlinders. Zelden daalt hij op den bodem af; wanneer
hij dit doet, zal hij alleen in stille boerderijen of op hekken en
spalieren zich geruimen tijd ophouden, om een laag vliegende buit te
grijpen of in een tuin rijpe bessen te plukken.

De voortplanting geschiedt in Mei. In het gebergte nestelt het
paar in gaten en spleten van rotsen; in de vlakte nestelt het bijna
uitsluitend in gebouwen; de hiervoor dienende gaten van muren hebben
soms een wijde, soms een nauwe opening; kopstukken van balken,
kroonlijsten en andere uitstekende gedeelten van het gebouw moeten
echter eenigermate beschut zijn tegen de onaangenaamheden van het
weder. Zeer zelden maakt het paar voor het genoemde doel gebruik van
een hollen boom. Op plaatsen in het gebergte, waar kromhoutdennen
en sparren alleenstaande rotsmassa's omgeven, wordt de Roodstaart
soms gedurende den broedtijd een woudbewoner en nestelt op den
bodem onder struiken en steenen. Enkele malen komt het voor, dat hij
geen geschikte plaats om te broeden kan vinden dan binnenshuis; zoo
heeft hij wel eens, alle schroomvalligheid uit het oog verliezend,
in de kachel van een schoollokaal of in een brievenbus zijn nest
gebouwd. Wanneer het nest in een holte gelegen is, vult het deze
geheel; met meer zorg wordt het echter aangelegd, als het vrij op
een balk rust. Ook hier wordt wel is waar een groote hoop wortels,
plantenstengels en halmen op een ongeregelde wijze samengebracht, de
nestholte wordt nu echter van binnen met vele haren en vederen zeer
zacht bekleed. Hierin worden vervolgens 5 à 7 sierlijke eitjes gelegd;
deze zijn fijn van schaal en glanzig wit van kleur. De beide ouders
broeden, beide houden zich met de voedering van de jongen bezig en
toonen belangstelling in hun kroost. Bij dreigend gevaar geven zij
bewijzen van grooten moed en trachten door allerlei middelen de
aandacht van den vijand van de geliefde kinderen af te leiden. De
jongen verlaten het nest meestal te vroeg en worden daarom licht
een prooi van roofdieren; binnen weinige dagen worden zij echter
behendig genoeg om zich zelf te kunnen redden. Zoodra de ouders van
oordeel zijn, dat de jongen bekwaam genoeg zijn voor hun kostwinning,
beginnen zij met een tweede en zelfs met een derde broedsel. Enkele
Roodstaarten knoopen soms, juist gedurende den broedtijd, merkwaardige
vriendschapsbanden aan. "In mijn houtschuur", verhaalt Päszler, "legde
een Roodstaart eieren in een zwaluwennest. Toen de bouwmeesters van dit
nest van hun winterreis terugkwamen en hun broedplaats bewoond vonden,
bouwden zij een andere vlak naast de oude. Terwijl de Boerenzwaluwen
nog met den nestbouw bezig waren, begon het Roodstaartje te broeden;
hoewel de ijverige Zwaluwen het dikwijls met den staart bedekten
en in het aangezicht streken, liet het zich in zijn bedrijf niet
storen. Later begon ook de Zwaluw te broeden; de beide moeders zaten
toen in volkomen eendracht naast elkander. Als de mannetjes-zwaluw
het broedende wijfje kwam bezoeken en haar mooie verhalen deed van
den blauwen hemel en van de vette Muggen, richtte hij het woord
soms ook tot de buurvrouw. Deze broedde hare jongen uit; nu duldde
de Zwaluw op haar beurt de aanraking van het roodstaartmannetje,
dat voedsel kwam aandragen. Toen de jongen grootgebracht waren, koos
het Roodstaartje een wagenschuur, die aan den overkant gelegen was,
als plaats voor een nieuw nest. En ziet! de Zwaluwen volgden haar
voorbeeld, herstelden een oud nest, dat in de nabijheid lag en ook
hier hielden de beide paartjes goede buurschap."



Tot hetzelfde ondergeslacht behoort de Gewone of Gekraagde Roodstaart,
die ook wel Muurnachtegaal en (bij Haarlem) Blauw Paapje wordt genoemd
(Erithacus phoenicurus). Deze leeft bijna uitsluitend op boomen,
in het bosch zoowel als in den tuin. Bij het oude mannetje zijn
het voorhoofd, de zijden van den kop en de keel zwart, de overige
bovendeelen aschgrauw, de borst, de zijden en de staart donker
roestrood, de voorkop en het midden van de onderzijde wit. Het
wijfje is van boven donkergrijs, van onderen grijs; de keel is soms
donkerder van kleur. Bij het jong zijn de bovendeelen grijs, roestgeel
en bruin gevlekt; de grijze vederen van de onderzijde hebben roestgele
randen. Het oog is bruin, de snavel en de voeten zijn zwart. De lengte
bedraagt 24 cM.

De Gekraagde Roodstaart bewoont een uitgestrekter gebied dan zijn
verwant; hij ontbreekt in geen enkel land van Europa. Hoewel hij aan
de vlakte de voorkeur geeft, wegens de daar voorkomende bosschen met
breedgebladerde boomen, vermijdt hij ook het gebergte niet. Naar
het oosten strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot in Perzië
en Toerkmenië, verder oostwaarts wordt hij door verwante soorten
vervangen. Hij verschijnt hier te lande eerst in April, verlaat ons
weder in September en trekt naar het binnenland van Afrika, uit meer
oostwaarts gelegen gewesten echter naar Indië.

De levenswijze, handelingen, zeden en gewoonten van den Gekraagden
Roodstaart herinneren in vele opzichten aan die van de voorgaande
soort, met dit verschil, dat gene zich bij voorkeur op boomen
ophoudt. Zijn gezang is beter, welluidender en rijker dan dat van
zijn neef; de tonen van de 2 of 3 strophen, waaruit het bestaat,
zijn zacht en fluitend, wel eenigszins droefgeestig, maar over
't geheel genomen toch zeer aangenaam. Ook hij bootst gaarne de
geluiden van andere Vogels na. Zijn voedsel is hetzelfde als dat
van den Zwarten Roodstaart; de Gekraagde Roodstaart zoekt het echter
(in verband met zijn woonplaats) voor een deel van de bladen af en
zamelt ook meer op den bodem in. Zijn nest bevindt zich in den regel in
holle boomen, slechts bij uitzondering in muren of gaten van rotsen,
bijna altijd echter in een holte en wel bij voorkeur in een holte met
een nauwen ingang. Dit nest is slordig gebouwd; het bestaat uit een
wanordelijke opeenstapeling van dunne worteltjes en halmpjes en is
van binnen rijkelijk gevoerd met veeren. De 5 à 8 eieren, die het in
de laatste helft van Mei bevat, zijn glad van schaal en fraai blauw
groen van kleur.

In Juni wordt voor de tweede maal gebroed; het paartje kiest echter
telkens een anderen hollen boom uit voor het aanleggen van het tweede
nest en keert eerst in den volgenden zomer naar het vorige terug.

De Gekraagde Roodstaart wordt vaker dan zijn zwarte naamgenoot in een
kooi gehouden; hij zingt hier vlijtig en bijna gedurende het geheele
jaar; hij wordt echter door zijn telkens weer herhaalden loktoon:
"oe-iet oe-iet tak tak" lastig. Dit verhindert sommige vogelliefhebbers
echter niet, veel van deze soort te houden.



Tot het geslacht der Grastapuiten (Pratincola) behooren twee inheemsche
soorten. De kleinste is bekend onder den naam van Paapje (Pratincola
rubetra); in Gelderland heet zij Kleine Walduker, bij Haarlem Kleine
Stag of Stompstaartje. De zwartbruine kleur van de bovenzijde is
gevlekt door de breede, roestgrauwe randen van de veeren; de onderzijde
is roestgeelachtig wit; een witte streep, die op de kin begint, strekt
zich aan weerszijden van den voorhals uit; een boogvormige, witte
streep bevindt zich aan weerszijden van den kop boven de oogen en een
derde witte streep op het midden van de vleugels. De lengte is 14 cM.

Het Paapje, dat bij ons vooral in de duinstreken menigvuldig is, maar
ook elders in de zandstreken, in hooilanden, tusschen struiken broedt,
komt in grooten getale voor in alle vlakten van Duitschland en van
de naburige landen; bovendien wordt het in Noord- en Zuid-Europa
en in West-Azië aangetroffen; in den winter bezoekt het Afrika en
Indië. Bij ons verschijnt het eerst in 't begin van Mei en blijft hier
hoogstens tot in het einde van September, in Spanje daarentegen ziet
men het gedurende het geheele jaar; zelfs Groot-Brittannië verlaat
het gedurende den winter niet meer.



De Roodborst-tapuit of Roodborstige Walduker (Pratincola rubicola) is
iets grooter en fraaier van kleur dan de vorige soort. De bovenzijde
en de keel zijn zwart, de onderdeelen roestrood; de staartwortel en
de onderbuik benevens een vlek op den vleugel en aan de zijde van den
hals zijn zuiver wit. Deze bij ons zeldzame soort bewoont vruchtbare
heidestreken en wordt in Groningen, Gelderland en sommige duinpannen
aangetroffen. "Enkele paren broeden in Gaasterland" (1884). "Broedende
gevonden te Wolvega (Friesland) en in het Loosdrechtsche bosch
(Utrecht 1895)" (Albarda).

"De Roodborst-tapuit," schrijft Schlegel, "is vooral merkwaardig
om zijn buitengewoon grooten verspreidingskring, die zich over het
grootste gedeelte van Europa, over Azië tot Japan en China, en over
Afrika tot de Kaap de Goede Hoop uitstrekt. Even merkwaardig is het,
dat de voorwerpen, die in onze duinen, en wel langs de strandreep
broeden, gelijk degenen die Engeland bewonen, in den winter niet
verhuizen, hetgeen wel het geval is met degene, die aan de landgrenzen
van ons Rijk en in het gematigde Europa broeden."



Weiden, die door beken doorsneden worden of in de nabijheid van andere
wateren gelegen zijn, aan het vrije veld of aan bosschen grenzen en
met enkele lage struiken begroeid zijn, leveren de meest gewilde
verblijfplaatsen aan de Grastapuiten. Dat deze Vogels vervelender
zijn dan andere soorten van hun familie, valt niet tegen te spreken;
toch behooren zij tot de opgewektste, bedrijvigste, onrustigste
en vlugste Vogels van ons vaderland. Op den grond huppelen zij met
snelle sprongen voort, staan stil op elke verhevenheid, buigen zich
snel voorover en wippen den staart naar beneden. Hun lief gezang
bestaat uit verscheidene korte strophen van volle en zuivere tonen,
die met velerlei afwisseling voorgedragen worden en waarmede zij de
geluiden van andere Vogels der door hen bewoonde landstreek vermengen.

Hun voedsel bestaat uit Insecten, vooral Kevers, kleine Sprinkhanen,
zoowel volwassene als larven, rupsen, Mieren, Vliegen, en dergelijke
diertjes, die zij van den bodem opzoeken of in de vlucht vangen. Zij
nestelen in den regel in hooilanden meestal in een ondiepe uitholling
van den bodem, soms tusschen struiken; het nest is altijd zeer goed
verborgen, zoodat men het niet gemakkelijk kan vinden. Als het paartje
geen stoornis ondervindt, broedt het slechts éénmaal per jaar.

Vele vijanden, vooral alle kleine Roofdieren, Ratten en Muizen
bedreigen het leven der jongen, de kleine Edelvalken maken ook jacht
op de oude Grastapuiten. De mensch maakt nergens werkelijk jacht op
hen, maar beschermt ze veeleer hier en daar. In Zwitserland is het
volksgeloof verbreid, dat de koeien van een Alp dadelijk roode melk
beginnen te geven, wanneer daar een Roodborst-tapuit gedood wordt. In
de gevangenschap zijn zij, zelfs wanneer zij vrij in de kamer mogen
rondvliegen, vervelend en stil.



De Tapuiten (Saxicola), die de kern van de onderfamilie uitmaken,
zijn tamelijk slanke Vogels met priemvormigen, vóór de neusgaten
versmalden snavel; deze is aan den wortel breeder dan hoog, aan de
spits een weinig benedenwaarts gebogen, aan den scherpen rand met een
nauwelijks merkbare inkerving voorzien, en aan den snavelrug kantig;
de voeten zijn hoog en zwak van loop, de teenen middelmatig lang,
de vleugels eenigszins stomp; de derde en de vierde slagpen steken
verder uit dan de overige; de staart is kort, tamelijk breed en recht
afgesneden; het los aanliggende vederenkleed is goed gevuld en vertoont
bij alle verscheidenheid toch overeenstemming van kleur.

De eereplaats onder de Europeesche soorten komt toe aan den
uitheemschen Rouwtapuit (Saxicola leucura), een van de grootste
leden van het geslacht. Zijn lengte bedraagt 20 cM. Zijne vederen
zijn gelijkmatig donkerzwart en zwak glanzig, met uitzondering
van den staart, die alleen aan de spits met een zwarte dwarsstrook
geteekend, doch overigens zuiver wit is, evenals zijne bovenste en
onderste dekvederen.

Deze sierlijke Vogel is over het grootste deel van Spanje verbreid
en komt bovendien in Zuid-Frankrijk, Zuid-Italië, Griekenland en het
noordwesten van Afrika voor. Overal waar hij gevonden wordt bewoont
hij het gebergte, van den voet tot op een hoogte van 2500 M. Zijne
lievelingsplaatsen zijn de wildste, meest verbrokkelde rotsen. Het
is een schrandere, roerige en schuwe Vogel, die zelfs het eenzaamste
gebergte verlevendigen kan.



De Gewone Tapuit, ook wel genaamd Witstaart, Wijntapper, Steenslijper,
Duinduiker, Tapier en Stag, in Gelderland Walduker en Heidehupper, bij
Groningen en in Friesland Vitop, op Ameland Kwid (Saxicola oenanthe),
is licht aschgrauw aan de bovenzijde, wit aan den staartwortel en aan
de onderzijde, met uitzondering van de roestgeelachtige borst; het
voorhoofd en een van hier uitgaande streep boven de oogen zijn wit;
een aan den teugel beginnende, over de oogen en de oorstreek gerichte
vlek, de vleugels en de beide middelste stuurpennen zijn zwart; de
overige stuurpennen zijn alleen aan de spits zwart, voor 't overige
wit. Het oog is bruin, de snavel en de voeten zijn zwart. De lengte
bedraagt 16 cM.

Het is gemakkelijker te zeggen, in welke landen van de beide
noordelijke faunistische rijken de Tapuit niet gevonden wordt, dan aan
te geven, waar men hem wel aantreft. Hij broedt in alle landen gelegen
tusschen de Pyreneeën en den Parnassus aan den eenen, en Lapland aan
den anderen kant, alsmede op IJsland, zoo ook in alle landen van Azië,
die ongeveer op dezelfde breedte liggen; in Amerika echter is hij,
naar het schijnt, tot het hooge noorden beperkt. Op zijn winterreis
doorkruist hij meer dan de helft van Afrika. De in Azië broedende
Tapuiten trekken zuidwaarts tot in de bovenste provinciën van Indië,
waar zij, hoewel zeldzaam, 's winters waargenomen worden.



In Zuid-Europa wordt het geslacht der Tapuiten vertegenwoordigd
door twee nauw verwante soorten, den Roodachtigen Tapuit (Saxicola
rufescens) en den Blonden Tapuit (Saxicola stapazina). De
laatstgenoemde, die enkele malen in den zomer in duinpannen bij
Haarlem en Wassenaar en ook op de heide bij Oud-Loosdrecht en bij
Dedemsvaart (1895) waargenomen is (Albarda), heeft de bovenzijde,
de borst en den buik roestkleurig, de keel en de vleugels zwart, de
kleine dekveeren roestkleurig gezoomd. De andere is aan de bovenzijde
witachtig grijs, van onderen grijsroodachtig wit; een smalle streep
van den rand van den snavel tot aan het oog, een langwerpige wangvlek
die het oog gedeeltelijk omsluit, de vleugels, de middelste stuurpen
en de spitsen van de overige stuurpennen zijn zwart. Bij de jongen
van beide soorten zijn de kop, de nek en de rug grijs geelachtig, alle
vederen hebben een witte streep op de schacht en een grijzen rand langs
de spits, de onderdeelen zijn vuilwit, op de borst grijsachtig, met
onduidelijke grijsbruine zoomen aan de vederspitsen, de slagpennen en
de stuurpennen zijn bleekzwart, de dekvederen roestgrijsachtig gezoomd.



Steenachtige gronden zijn de liefste verblijfplaatsen van alle genoemde
Tapuiten. Zij zijn zeldzaam in het bebouwde land, maar worden reeds
geregeld aangetroffen op plaatsen, waar tusschen de velden rotsblokken
uitsteken, steenen tot muren opeengestapeld of tot hoopen verzameld
zijn. In de zoo steenachtige gewesten van Zweden, in Zuid-Duitschland,
in Zwitserland komt de Gewone Tapuit algemeen voor; in Scandinavië
kan men hem als een der laatst overgebleven vertegenwoordigers van
de levende natuur beschouwen. In de Zwitsersche Alpen verheft hij
zich tot boven de grenzen van den groei van houtige planten. Bij ons
vindt men hem in duinen en op heidevelden; soms ook op weilanden
en op braak liggende akkers, langs wegen op hoopen grind, meer op
zandgrond dan in kleistreken; hij houdt zich gaarne op, waar steenen
liggen en maakt zijn nest tusschen deze, of in het duin aan den ingang
van oude konijnenholen. De overige soorten hebben een soortgelijke
levenswijze. Zij bewonen de eenzaamste streken en de eigenlijke
woestijn; hen bemerkt men nog te midden van de gloeiende vlakten,
waar alle leven uitgebluscht schijnt te zijn.

Onze Tapuit is een uiterst beweeglijke, wakkere, behendige, onrustige,
bij de geringste aanleiding wegvliegende, ongezellige en voorzichtige,
bijna zelfs menschenschuwe Vogel. Hij houdt er van alleen te wonen
en leeft met geen anderen Vogel in nauwe gemeenschap. Alleen op den
trek en nog meer in zijne winterkwartieren voegt hij zich bij de
leden van andere soorten van zijn geslacht of van zijn familie; doch
nooit gaat hij met hen een vriendschapsbond aan. Het gebeurt wel eens,
dat twee paartjes dicht bij elkander huizen en broeden; voortdurend
liggen zij dan echter overhoop.--Ieder die naar Vogels kijkt, moet den
Tapuit weldra opmerken. Hij kiest steeds het hoogste punt van zijn
woongebied tot rustplaats, houdt zich hier echter geen minuut lang
werkelijk stil, maar beweegt zich bijna onverpoosd. Op de rotsen zit
hij in opgerichte houding, maar nooit rustig; op zijn minst slaat hij
af en toe den staart naar onderen en maakt telkens buigingen, vooral
wanneer hij iets merkwaardigs waarneemt. De Spanjaarden noemen hem
en andere soorten wegens dit noodelooze bukken "Sacristan" (koster);
alle Tapuiten doen dezen naam eer aan. Op den bodem huppelt de Tapuit
met snelle en korte sprongen voort, zoo vlug, dat het is, alsof hij
voortrolt. Maar hoe snel hij ook loopt, steeds blijft hij plotseling
staan, als er een steen op zijn pad ligt; stellig klimt hij dan op
deze verhevenheid, buigt herhaaldelijk en zet dan eerst zijn weg
voort. Hij vliegt uitmuntend, altijd op korten afstand van den bodem,
zelfs wanneer hij kort te voren op een aanzienlijke hoogte zat en dus
eerst naar omlaag moest schieten. Hij beweegt de vleugels zeer snel
en scheert volgens een bijna rechte, maar bij nader inzien toch uit
korte bogen bestaande lijn boven den bodem voort, gewoonlijk naar een
tamelijk ver verwijderde zitplaats, die hij als 't ware klauterend
bereikt, daar hij bij zijn aankomst aan den voet van het voorwerp,
waarvan het hoog gelegen rustpunt deel uitmaakt, zich met de vleugels
weder omhoog moet werken. Zijn lokstem klinkt als "gioev gioev"; hij
verbindt met dit zachtjes gefloten geluid gewoonlijk, vooral als hij
opgewonden wordt, het kort afgebroken toevoegsel "tak". Het zonderlinge
en niet bepaald aangename gezang van den Vogel bestaat meestal uit
slechts weinige strophen, waarin voornamelijk de loktoon en krassende
geluiden met elkander afwisselen. Er zijn echter onder de Tapuiten
ook enkele meesters in de zangkunst, tamelijk goede "spotvogels";
bovendien tracht ieder door ijver te vergoeden, wat er aan zijn
begaafdheid ontbreekt; met weinige pauzen zingen zij van den vroegen
morgen tot den laten avond en dikwijls ook nog midden in den nacht.

Kleine Kevers, Vlinders, Vliegen, Muggen en de larven van deze Insecten
zijn het voedsel van onzen Vogel. Van zijn hoog standpunt overziet
hij zijn gebied; zijn scherpziend oog merkt ieder wezen op, dat zich
op den bodem of in de lucht beweegt. Loopende Insecten jaagt hij te
voet na, vliegende vervolgt hij op de wijze van de Roodstaartjes tot
hoog in de lucht.

Hij nestelt in den regel in rotsspleten of in gaten van het gesteente,
zeldzamer in houthoopen, onder oude stammen, in holen van den grond,
onder overhangende rotsen, of zelfs in holle boomen. Het nest, dat in
den regel van boven beschut wordt door den wand van de ruimte, waarin
de Vogel het bouwde, is een verwarde hoop van slordig samengevoegde
fijne worteltjes, grasbladen en halmen; deze hoop bevat een door dikke
wanden begrensde holte, welker dichte en zachte bekleeding uit wol
van dieren of planten, haren en vederen bestaat. Hierin worden 5 à 7
dikbuikige, dunschalige eieren van lichtblauwachtige of groenachtig
witte kleur gelegd; slechts bij uitzondering vindt men eieren, die
met bleeke, geelroode punten geteekend zijn. Het wijfje broedt bijna
alleen; de opvoeding van de jongen wordt echter door beide ouders met
even grooten ijver behartigd. Hun bezorgdheid voor het kroost is zeer
groot. Zoolang het wijfje op de eieren zit, staat het mannetje op een
korten afstand van het nest in den letterlijken zin van 't woord op
schildwacht en vliegt met angstig geschreeuw om iederen naderenden
vijand heen. Het wijfje tracht, als het in groot gevaar verkeert,
den vijand te misleiden. Gewoonlijk broedt het paar slechts éénmaal,
n.l. in Mei. De uitgevlogen jongen blijven bij hunne ouders, totdat
deze zich naar hunne winterkwartieren begeven en reizen met hen
mede. Dit geschiedt in het laatst van September; tegen het midden
van April komen zij hier terug.

Oud gevangen Tapuiten geraken moeielijk aan het verlies van hun
vrijheid gewoon; met jongen die uit het nest genomen zijn, gaat dit
gemakkelijk; alleen aan kundige opmerkers kan het in een kooi houden
van deze Vogels genoegen verschaffen.



Wegens het zeer dichte vederenkleed schijnt de romp van de
Waterspreeuwen (Cinclus) dik te zijn, hoewel zij eigenlijk slank is. De
snavel is betrekkelijk zwak, recht, aan den rug een weinig bovenwaarts,
aan de spits benedenwaarts gebogen; zijdelings samengedrukt loopt hij
naar voren smal toe; de spleetvormige neusgaten kunnen door vliezige,
met veertjes begroeide klepjes afgesloten worden. De voeten zijn hoog,
maar stevig, met lange teenen voorzien en met sterk gekromde, stevige,
smalle klauwen gewapend, die aan de onderzijde twee snijdende randen
hebben. De vleugels zijn buitengewoon kort, sterk afgerond en over hun
geheele lengte ongeveer gelijk van de breedte, de derde slagpen van
de hand is de langste, de vierde is ongeveer even lang; de eerste is
zeer kort. De staart is zoo kort, dat men bijna van een staartstompje
kan spreken. Het vederkleed eindelijk is zeer dicht en zacht en,
evenals bij de Zwemvogels, uit buitenveeren en donzige onderveeren
samengesteld. Het inwendig maaksel stemt in hoofdzaken met dat van
de overige Zangvogels overeen.

De Waterspreeuwen bewonen de Oude en de Nieuwe Wereld, bij voorkeur het
noordelijke deel der aarde; zij worden echter ook nog in de bergstreken
van het zuider-halfrond, o. a. in de Andes aangetroffen. De weinige,
tot dusver bekende soorten komen in levenswijze met elkander overeen,
zoodat de beschrijving van de eenige Midden-Europeesche, ook bij
ons inheemsche soort volkomen voldoende is om een denkbeeld van het
geheele geslacht te geven.



De Waterspreeuw (Cinclus merula), is 20 cM. lang. De kop en de nek zijn
vaalbruin, overigens zijn de veeren van de bovenzijde leikleurig met
zwarte randen; de gorgel en de hals zijn melkwit, het bovenste deel van
de borst is roodbruin, het onderste deel en de buik zijn donkerbruin.

In ons vaderland komt deze Vogel, naar het schijnt, in zeer kleinen
getale en van jaar tot jaar zeldzamer voor. In andere landen van
Middel-Europa treft men hem aan in alle gebergten, die rijk zijn aan
water. Op voor hem geschikte plaatsen is hij wel geen veelvuldige,
maar toch een zeer geregelde verschijning. Zijne lievelingsplaatsen
zijn de heldere, overschaduwde forellenbeken, waaraan de Duitsche hoog-
en middelgebergten zoo rijk zijn. Hij volgt ze tot haar oorsprong,
zelfs wanneer deze een gletscherpoort is; ter wille van haar dwaalt
hij zelfs in de vlakte af, die hij overigens meer of minder vermijdt;
bij deze beken zal men hem niet tevergeefs zoeken, tenzij haar water
door afvalproducten uit de fabrieken vergiftigd of althans troebel
geworden is. Hij blijft trouw aan de eens gekozen standplaats, die hij
zelfs gedurende den strengsten winter niet verlaat. Op een heuvelachtig
terrein kiest hij zich een deel van de beek uit, dat althans hier en
daar van een ijskorst verschoond blijft; want hij zoekt zijn voedsel
niet zoozeer aan den oever van de beek als in het water zelf. Daarom
geeft hij boven alles de voorkeur aan de afvoerwegen van diepe bronnen
of aan watervallen en stroomversnellingen, omdat de ijsvorming ginds
door de warmte, hier door de sterke strooming verhinderd wordt. Hoe
krachtiger strooming de woudbeek heeft, hoe meer watervallen zij
vormt, hoe heviger zij bruischt en klatert, des te aanlokkelijker
komt zij hem voor. Meer nog dan van den eigenlijken waterval en van
de hieronder ontstaande draaikolken, houdt hij van de randen der
kalme watervlakte, die iets verder gewoonlijk aanwezig is, omdat de
maalstroom hier allerlei voedingsmiddelen heenvoert. Ieder paar neemt
gewoonlijk 2 KM. van de beek in bezit, vliegt binnen dit gebied op
en neder en verlaat deze waterader nimmer. Daar waar het gebied van
het eene paar eindigt, begint dat van een ander paar; op deze wijze
kan een beek in 't gebergte van den oorsprong tot aan de plaats waar
zij in een grooteren stroom uitmondt, met Waterspreeuwen bezet zijn.

De Waterspreeuw is niet slechts een van de meest in 't oog loopende,
maar ook een van de meest aantrekkelijke Vogels. Zijne begaafdheden
zijn van een zeer bijzonderen aard. Vlug en behendig als een
Kwikstaart loopt hij over de steenen van het rivierbed; op de wijze
van de Kwikstaarten en Oeverloopers beweegt hij den staart en het
achterste deel van den romp op en neer; hij huppelt van de steenen
af in 't water, waadt al dieper en dieper, tot halverwege de borst,
tot de oogen, nog dieper, tot het water zich boven hem sluit, wandelt
vervolgens 15 à 20 seconden lang over den bodem voort, 's zomers onder
de golven, 's winters onder de ijskorst, tegen den stroom in of met
hem mede, alsof hij op den vlakken bodem ging. Hij begeeft zich in
den grilligsten maalstroom, in den woeligsten waterval, waadt, zwemt,
gebruikt zijne korte vleugels als roeiriemen, vliegt als 't ware onder
het water voort, evenals hij in werkelijkheid door een loodrecht naar
beneden stortende watermassa heen vliegt. Geen enkele andere Vogel
beheerscht het water op dezelfde wijze als hij. Niet altijd daalt
hij langzamerhand al verder en verder wadend van zijn hoog gelegen
standplaats in 't water af; dikwijls stort hij van zijn uitkijkpunt
plotseling in de diepte neer, meer gelijk een Kikvorsch dan als een
IJsvogel. Door zijn wijze van vliegen herinnert hij aan den IJsvogel,
maar misschien nog meer aan ons Winterkoninkje. Als hij opgejaagd
wordt, vliegt hij met snel opeenvolgende vleugelslagen evenwijdig aan
den waterspiegel weg en volgt iedere kromming van de beek. Hij breekt
zijn vlucht plotseling af, zoodra hij bij een andere veilige rustplaats
is aangekomen; het is echter volstrekt geen zeldzaamheid, dat hij,
aangelokt door het zien van een buit, plotseling uit de lucht in 't
water neerschiet. Als hij vervolging ducht, vliegt hij wel 400 à 500
schreden ver; in andere gevallen snort hij gewoonlijk eenvoudig van
den eenen hoogen steen naar den anderen. Als hij met meer volharding
wordt nagejaagd en tot de overtuiging komt, dat hij gevaar loopt,
verlaat hij soms de geringe hoogte, waarop hij zich tot dusver bewoog
en verheft zich steil in de lucht tot boven de toppen der boomen langs
den oever of nog hooger. In zulke omstandigheden kan het ook voorkomen,
dat hij van de eens aangevangen richting afwijkt en zelfs de oevers van
de beek verlaat, om zich volgens groote booglijnen verder voorwaarts
te begeven of naar zijn vroegere zitplaats terug te keeren.

De Waterspreeuw is schrander, voorzichtig en listig; zonder schuw
te zijn, geeft hij hoogst zorgvuldig acht op al wat er in zijn
omgeving voorvalt. Hij kent zijne vrienden nauwkeurig en niet minder
goed zijne vijanden. Den mensch, die zijn stille woonplaats mocht
betreden, ontvlucht hij reeds, als hij hem in de verte opmerkt;
voor roofdieren van allerlei slag neemt hij zich niet minder goed
in acht. En toch zal deze Vogel, die in de Sierra Nevada of onder
de gletschers van de Zwitsersche Alpen even voorzichtig is als in de
bergstroomen van Lapland, aan de bedrijvigheid van den mensch gewoon
geraken en zelfs buitengewoon gemeenzaam worden, zoodra zich bij hem
de vaste overtuiging heeft gevestigd, dat hij geen gevaar loopt. In
de nabuurschap van de door waterraderen bewogen molens is hij een
geregelde gast, die den molenaar en zijne knechts als goede vrienden
beschouwt. Zelfs te midden van dorpen gevoelt hij zich soms zeer
veilig. Zoo zag A. von Homeijer een paar Waterspreeuwen te midden van
de stad Baden-Baden blijken geven van hun vaardigheid in 't duiken;
zonder eenigen schroom deden zij dit in de onmiddellijke nabijheid
van de drukst bezochte hôtels, ten aanschouwe van de badgasten,
omdat zij bij ervaring wisten, dat zij hier gerust konden zijn.

Evenals vele andere visschers is de Waterspreeuw volstrekt niet
gesteld op het gezelschap van zijne soortgenooten. Alleen gedurende
den broedtijd zoeken het mannetje en het wijfje elkanders nabijheid;
alleen zoolang de jongen nog hulpbehoevend zijn, ziet men de leden van
een gezin nauw aaneenverbonden; in alle overige tijdperken van het jaar
leeft iedere Waterspreeuw in meerdere of mindere mate op zich zelf,
hoewel de beide echtgenooten elkander herhaaldelijk bezoeken. Iedere
buurman, die het waagt het gebied van een paar te betreden, wordt hevig
nagejaagd; de indringer wordt onverbiddelijk door den rechtmatigen
eigenaar verdreven. Zelfs eigen kinderen worden, zoodra zij zich zelf
kunnen redden, de wijde wereld ingezonden; voor geen hunner wordt
ooit een uitzondering gemaakt. 't Is moeielijk te begrijpen, hoe het
hun mogelijk is een geschikte woonplaats te verkrijgen. Om Vogels die
tot een andere soort behooren, bekommert de Waterspreeuw zich niet;
hij beschouwt ze, naar het schijnt, niet met vriendschap, maar met
onverschilligheid. Kwikstaarten en IJsvogels duldt hij op zijn gebied.

Het geluid, dat hij gewoonlijk voortbrengt en in den regel laat
hooren, als hij opgejaagd wordt, klinkt als "tserr" of "tserb". Het
gezang van het mannetje is een zacht, maar zeer liefelijk gesnap;
het bestaat uit snorrende geluiden, die zacht voorgedragen worden en
tjilpende, die beter hoorbaar zijn; het herinnert zoowel aan sommige
gedeelten van het lied van het Blauwborstje, als aan het getjilp van
den Tapuit; door Snell wordt het zeer juist vergeleken met het zachte
klateren en ruischen van een over een steenachtige bedding stroomend
beekje. Bijzonder ijverig zingt hij op heldere lentedagen, vooral in de
morgenuren; maar zelfs door de strengste koude laat hij zich niet van
de wijs brengen: hij zingt zoolang de hemel blauw is. "Het is," zegt
Schinz, "een zeer eigenaardig verschijnsel, in Januari bij felle koude,
terwijl de geheele natuur verstijfd schijnt, het gezang te hooren van
dezen Vogel, die dikwijls te midden van het ijs, op een paal of op een
steen zit." Het is, kan ik er bijvoegen, voor den deskundige, die den
wakkeren Zanger nagaat, een waarlijk verheffend schouwspel, te zien
hoe de virtuoos, nadat hij zijn lied ten einde gebracht heeft, zich
met frisschen moed in het ijskoude water stort, hier baadt, rondloopt
of zwemt, alsof hij van den winter en van de koude niets bespeurt.

Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten en hunne larven. Bij
de Waterspreeuwen, die men onderzocht heeft, vond men in de maag
Muggen, Haften, Watermotten (Kokerjuffers) en verschillende kevertjes,
bovendien ook plantendeeltjes, die waarschijnlijk slechts toevallig
doorgeslikt werden en kleine steentjes, zooals vele Vogels verzwelgen
om hun spijsvertering te bevorderen. Van Gloger is de mededeeling
afkomstig, dat de Waterspreeuw in den winter ook kleine Schelpdieren
en jonge vischjes verslindt en daarom in dit seizoen een tranige
lucht verspreidt.

Zoolang het water van de beek in 't gebergte helder en zuiver is,
valt er, volgens A. von Homeyer, in het bedrijf van den Waterspreeuw
weinig afwisseling op te merken en heeft deze Vogel de volgende
dagverdeeling: "Hij is wakker, zoodra de eerste schemering zich in 't
oosten vertoont en blijft onverpoosd aan 't werk, totdat de duisternis
invalt. In de morgenuren zingt hij vlijtig en houdt zich intusschen
ook ijverig met de jacht bezig; nu en dan heeft er misschien een twist
of een vechtpartij plaats met een indringerigen buurman; maar ook
hierdoor worden de gewone bezigheden slechts voor weinige minuten
afgebroken, want de strijd is spoedig afgeloopen en de indringer
op de vlucht gedreven. Als de middag komt en de zon brandt, zoekt
de Waterspreeuw beschutting in zijne meest geliefde schuilplaatsen
tusschen de steenen of, vooral daar waar de oever overhangt, in de
tusschenruimten van de wortels der boomen en struiken, die aan den
oever groeien. Hier brengt hij, de witte borst naar 't water gekeerd,
eenige uren droomend door; ook in dezen tijd echter laat hij niets,
wat eetbaar is, onverschillig voorbijgaan. Tegen den avond wordt er
opnieuw ijverig gevischt, gejaagd, gedoken en gezongen; daarna is het
tijd om zich te begeven naar een van de holen, die als slaapplaatsen
dienen en duidelijk hieraan kenbaar zijn, dat zij meer dan de overige
met den drek van den Vogel verontreinigd zijn. Zoolang het dag is,
ziet men den Waterspreeuw steeds wakker, altijd opgewekt, voortdurend
in beweging, onverpoosd werkzaam; zoolang dit het geval is, behoudt hij
ook zijn opgeruimde gemoedsstemming. Gansch anders is zijn stemming,
wanneer er gedurende geruimen tijd regen valt en ook het water van
zijn beek, dat gewoonlijk zoo helder is, troebel wordt. Dan kost het
hem moeite de noodige hoeveelheid voedsel te verkrijgen en moet hij
tot bijzondere kunstgrepen zijn toevlucht nemen. Hij verlaat dan zijne
lievelingsplaatsen te midden van den bruisenden stroom en begeeft zich
naar die plekjes, waar het gras van den oever in het water hangt,
of naar die, waar waterplanten aan de oppervlakte drijven. Terwijl
hij tusschen deze planten waadt of, indien het water diep is, zwemt,
is hij ijverig aan het visschen; hij doet dit op soortgelijke wijze
als de Eenden, door met den snavel iederen halm, elk blad of iedere
rank om te keeren en de waterdiertjes, die aan de keerzijde zitten,
er af te zoeken. Als de regen lang aanhoudt, komt hij soms in grooten
nood en wordt door de ontbering droefgeestig gestemd. Dan is er geen
sprake meer van gezang en van noodelooze bewegingen. Als de nood ten
top gestegen is, bezoekt hij ook de stille bochten aan den oever,
die hij in andere gevallen vermijdt en gaat hier aan 't jagen. Maar
zoodra het water opnieuw helder wordt en de zon weder schijnt, keert
ook zijn goed humeur terug en is hij even opgeruimd en vroolijk als
ooit te voren."

De Waterspreeuw broedt, als hij niet gestoord wordt, gewoonlijk
slechts éénmaal, bij uitzondering echter ook wel tweemaal in 't jaar,
voor 't eerst in April. In 't begin van deze maand wordt het nest
gebouwd; 14 dagen later vangt het leggen aan. Het nest staat altijd
aan den waterkant, vooral daar waar een rots er over heen hangt, of
er naast oprijst, waar een elzestam of een dam een geschikte holte
vormt, ook onder bruggen, onder de gemetselde kanalen, die het water
toevoeren aan de waterraderen van ijzerwerken of andere fabrieken,
in de muren van het molenradkanaal, zelfs tusschen de schoepen van
de waterraderen, wanneer deze een tijdlang stil gestaan hebben. Het
liefst kiest de Vogel zijn nestelplaats zóó, dat vóór het nest een
watermassa naar beneden valt. Dan is het natuurlijk volkomen beveiligd
tegen de nasporingen van Katten, Marters, Bunzingen en Wezels; alleen
voor de Ratten is het dan nog bereikbaar. De buitenste lagen van het
nest bestaan uit takjes, stengels, wortels en bladen van grassen,
stroohalmen, dikwijls ook uit water- of landmossen; van binnen is het
met boombladen bekleed. Het is los gebouwd, maar dikwandig, van binnen
dieper dan een halve bol en heeft altijd een nauwen ingang en een dak,
die beide gewoonlijk dezelfde zijn als die van de holte waarin het
nest zich bevindt, voor zoover het deze geheel vult. Wanneer echter
de nestelruimte te groot is, wordt op het nest een dak gebouwd als
op dat van een Winterkoning, en krijgt het een nauw vlieggat. Het is
dan grootendeels uit mos samengesteld. Het wijfje broedt zoo trouw,
dat men het kan grijpen, als het op de eieren of op de nog zeer kleine
jongen zit. Gewoonlijk brengt het echter van elk broedsel niet meer
dan 2, zeldzamer 3 jongen groot. Waarschijnlijk is het bederven van
verscheidene eieren van dezen Vogel een gevolg van de omstandigheid,
dat het nest dikwijls door en door nat wordt.

Girtanner heeft Waterspreeuwen, die jong uit het nest genomen waren,
groot gebracht, en zelfs oud gevangen dieren gewend aan het voedsel
dat hij hun gaf. Eenige paren heb ik van hem gekregen en gedurende
geruimen tijd in 't leven gehouden. Ik mag wel zeggen, dat weinige
inheemsche Vogels mij meer genoegen hebben verschaft dan deze.



Een ander merkwaardig geslacht van de onderfamilie der Lijstervogels
is dat der Rotslijsters (Monticola); geen zijner leden is inheemsch;
twee hunner, n.l. de Roode en de Blauwe Rotslijster, komen, hoewel
zeldzaam, in Duitschland voor.



De Roode Rotslijster (Monticola saxatilis), gelijkt in vele opzichten
op een Roodstaart, maar is veel grooter dan deze, daar haar lengte 23
cM. bedraagt. De vederen van den kop, van de voorzijde van den hals,
van den nek en van den staartwortel hebben een fraaie, blauwachtig
grijze kleur, die van 't onderste deel van den rug zijn witachtig
blauw of wit; de geheele onderzijde, met uitzondering van den hals,
is prachtig donker roestrood; de schoudervederen zijn donker aschgrauw
of leikleurig zwart, de slagpennen zwartbruin. Het oog is roodbruin,
de snavel dof zwart, de voet roodachtig grijs.

De Roode Rotslijster is eigenlijk een bewoner van het gebied der
Middellandsche Zee en is derhalve thuis op nagenoeg alle hooge
gebergten van Zuid-Europa. In noordelijker gewesten werd zij enkele
malen broedend aangetroffen; tamelijk regelmatig broedt zij in
Stiermarken, Karinthië, Boven-Oostenrijk, Tirol en langs den Rijn,
bij uitzondering in Boheme, de Lausitz en in het Hartzgebergte.

Door hare gewoonten gelijkt zij op onze Roodstaartjes. Haar gezang
is uitmuntend, luid en vol van klank, maar toch zacht en fluitend;
een eigenaardigheid van dezen Vogel is, dat hij dikwijls geheele
strophen of zelfs reeksen van strophen uit de liederen van andere
Vogels in zijn eigen gezang opneemt.

Zijn voedsel bestaat uit allerlei Insecten, in den herfst ook
uit bessen en vruchten. Wanneer gevangen Vogels van deze soort
goed behandeld worden, merkt men aan hen zoovele en zoo velerlei
voortreffelijke eigenschappen op, dat men ze gerust tot de beste
kamervogels, die Europa oplevert, kan rekenen.



De Blauwe Rotslijster (Monticola cyanus) is een weinig grooter dan de
vorige soort; zij is 23 à 25 cM. lang. De veeren van het mannetje zijn
gelijkmatig leikleurig blauw; de dof zwarte slagpennen en stuurpennen
zijn blauw gerand. Het oog is bruin; de snavel en de voeten zijn zwart.

Geheel Zuid-Europa, Noord-Afrika en een groot deel van Middel-Azië
zijn het vaderland van dit dier. In de zuidelijke kroonlanden
van Oostenrijk, vooral in Dalmatië, Istrië, Kroatië en het zuiden
van Tirol komt het veelvuldig voor. Verder treft men het aan in
Griekenland, Italië, het zuiden van Frankrijk en Spanje, zoo ook
in Palestina, Egypte tot Abessinië en het Atlas-gebied. Gedurende
den winter verschijnt de Blauwe Rotslijster geregeld in Indië;
toch mag men haar eigenlijk niet als een trekvogel beschouwen; want
reeds in Zuid-Europa ontmoet men haar jaar in, jaar uit op dezelfde
standplaatsen, hoogstens met dit verschil, dat zij in den winter aan
zonnige hellingen de voorkeur geeft.

In aard en gewoonten gelijkt zij zeer op de Roode Rotslijster, van
welke zij echter ook in vele opzichten verschilt. Meer dan deze houdt
zij van de eenzaamheid, van rotswanden en enge bergkloven waar geen
boomen gekapt worden, vooral van rotsachtige rivierdalen. Zij is een
buitengewoon levendige, bedrijvige, beweeglijke Vogel en zingt zeer
vlijtig. Haar gezang, hoewel van minder allooi dan dat van de Roode
Rotslijster, is toch zeer fraai en wordt bijna in ieder jaargetijde
gehoord. Evenals haar naaste verwant kan zij bij doelmatige verzorging
jaren lang in de kooi leven. In Italië, op Malta en in Griekenland
is zij als kamervogel zeer gezocht. Vele van deze Vogels worden van
Griekenland naar Turkije uitgevoerd; op Malta worden goede zangers
van deze soort zeer hoog geschat: voor een mannetje betaalt men f24 à
f36. Een rijke Maltezer dame achtte zich hoogst gelukkig, dat zij een
bijzonder begaafde Blauwe Rotslijster voor f90 had kunnen machtig
worden, "en het had moeite gekost den vroegeren eigenaar tot het
afstaan van den Vogel te bewegen."



De Lijsters (Turdus) vormen een soortenrijk geslacht, dat over de
geheele wereld verbreid is; in gestalte en aard gelijken zij zeer
veel op elkander; zij behooren tot de grootste Zangvogels en hebben
in meerdere of mindere mate een slanken lichaamsbouw. Haar snavel is
middelmatig lang, bijna recht; de bovensnavel heeft een zacht gebogen
ruglijn en vertoont vóór de spits een ondiepe inkerving; de voeten zijn
middelmatig hoog en slank; de vleugels zijn wel niet bijzonder lang,
maar betrekkelijk spits; de derde en de vierde slagpen zijn langer
dan de overige; de staart is zelden meer dan middelmatig lang en in
den regel recht afgesneden of aan de zijden slechts weinig afgerond;
het vederenkleed eindelijk is zacht, maar toch niet zeer wijdstralig;
de kleur is zeer ongelijk. Bij de meeste soorten zijn de dieren van
beiderlei kunne op gelijke wijze geteekend; het tegenovergestelde
geval komt trouwens ook niet zelden voor. De jongen zijn gevlekt. Door
het beschouwen van onze inheemsche soorten kunnen wij de zeden en
gewoonten van nagenoeg alle echte Lijsters leeren kennen.



Zes soorten van Lijsters worden in ons land broedend gevonden; sommige
van deze bouwen hier zelden een nest, andere broeden alleen in 't
noordoostelijkste deel van ons land; slechts van twee--de Zanglijster
en de Merel--werd dit meer algemeen waargenomen. De grootste van
deze zes soorten--de Groote Lijster (Turdus viscivorus)--wordt in
Groningen Zwarte Lijster, in Friesland Dubbele Lijster, bij Haarlem
Dubbele Grauwe Lijster genoemd. Zij is 26 cM. lang, waarvan de
staart 11 cM. in beslag neemt. De bovendeelen zijn donkergrijs en
ongevlekt, de zijden van den kop zijn vaal roestgeel, de onderdeelen
roestgeelachtig wit; de gorgel is met driehoekige, de borst met ei- of
niervormige, bruinzwarte vlekken geteekend; de slagpennen, de groote
vleugeldekvederen en de stuurpennen zijn zwartgrijs met een lichten,
grijsgeelachtigen zoom. Het oog is bruin, de snavel donker, de voet
licht hoornkleurig. Het wijfje is kleiner dan het mannetje. De jongen
hebben aan de onderdeelen gele, overlangsche vlekken en zwartachtige
vlekken op de vederspitsen; de dekvederen van hunne vleugels hebben
gele kanten.

De Groote Lijster houdt zich op in alle landen van Europa, van
het hooge noorden tot aan de meest zuidelijk gelegen gewesten en
overschrijdt de grenzen van dit werelddeel zeer ver in zuidoostelijke
richting; men vindt haar nog in den Himalaja en in Indië. "Haar
voorkomen is gebonden aan het bestaan van groote bosschen van
naaldhout. In ons land meestal slechts op den trek en dan nog wel
zeldzaam; enkele malen in Groningen broedende gevonden. 't Meest
ziet men ze op den trek in 't laatst van October en in 't begin van
April.--Te zeldzaam om van groote beteekenis te kunnen zijn." (Ritzema
Bos.) In Duitschland komt deze Vogel vooral in het Schwarzwald
voor. Uit het hooge noorden begeeft hij zich op den trek naar het
zuiden en westen en komt dan tot in het noordwesten van Afrika.



De Zanglijster (Turdus musicus), in Friesland Bonte Lijster, bij
Haarlem Grauwe Lijster of Grauwtje genoemd, de lieveling van alle
bewoners van het gebergte, gelijkt eenigszins op de vorige soort,
maar is aanmerkelijk kleiner. Haar lengte bedraagt 22 cM. De
bovenzijde is olijfkleurig grijs, de onderzijde geelachtig wit
met driehoekige of eivormige, bruine vlekken, die echter op den
buik minder overvloedig zijn dan bij de Groote Lijster. Bovendien
zijn bij deze de dekvederen aan de onderzijde van den vleugel wit,
bij gene daarentegen bleek roestgeel; de dekvederen van de bovenzijde
van den vleugel onderscheiden zich voorts bij de Zanglijster door vuil
roestgele vlekken aan de spits. Het wijfje en het mannetje verschillen
van elkander alleen door de grootte.

De Zanglijster bewoont het grootste deel van Europa benevens Noord-,
en Middel-Azië; op den trek komt zij veelvuldig in 't noordwesten,
zeldzamer in 't noordoosten van Afrika voor. In Duitschland broedt zij
in alle groote bosschen; ook in ons land broedt zij "vrij algemeen,
maar niet in grooten getale. Tegen 't laatst van Maart begint reeds het
broeden. De noordelijker nestelende Zanglijsters trekken in 't najaar
en 't voorjaar door ons land; aldus worden zij gedurende een groot
deel van 't gure jaargetijde hier in grooten getale aangetroffen."



De Koperwiek (Turdus iliacus), in Groningen Schatlijster of
Oranjelijster genaamd, is aan de bovenzijde olijfkleurig aardbruin, aan
de onderzijde witachtig, aan de zijden van de borst hoog roestrood,
aan den hals geelachtig, overal met donkerbruine, driehoekige en
ronde overlangsche vlekken geteekend. De oogen zijn koffiebruin, de
snavel is zwart, de voeten zijn roodachtig. De lengte bedraagt 22,
de staartlengte 8 cM.

Deze Vogel broedt geregeld in het hooge noorden van Europa (zoo ook
in het noorden en oosten van Azië en in het noordwestelijk gedeelte
van den Himalaja); bij uitzondering nestelt hij ook wel op zuidelijker
breedten, bij ons soms in de provincie Groningen. Jaarlijks komt hij
hier op den doortrek, gewoonlijk in 't midden van October uit het
noorden, in Maart en April uit het zuiden, soms in ontelbare menigte,
vooral in het voorjaar. Sommige van onze Koperwieken overwinteren in
Noord-Afrika, de meeste echter in 't zuiden van Europa.



De Kramsvogel of Veldjakker (Turdus pilaris), die ook wel aangeduid
wordt met de namen Veldlijster of Schaarlijster (in Friesland),
Dubbele Lijster (in Groningen), Tjakker (op Texel), Kamlijster
(bij Haarlem), is bont van kleur. De kop, het achterste deel van
den hals en de staartwortel zijn aschgrauw, het bovenste deel van
den rug en de schouderstreek zijn vuil kastanjebruin, de slag- en
stuurpennen zwart, de vleugeldekvederen aan den buitenrand en aan de
spits aschgrauw; de beide buitenste stuurpennen zijn wit gezoomd;
de keel en het voorste deel van den hals zijn donker roestgeel met
zwarte, overlangsche vlekken; de bruine vederen van de zijden van de
borst hebben witte randen, de overige onderdeelen zijn wit. Het oog
is bruin, de snavel geel, de voet donkerbruin. De lengte bedraagt 26,
de staartlengte 10 cM.

De Kramsvogel, die oorspronkelijk in het noorden van Europa en
van Azië thuis behoort, is sedert ongeveer drie menschenleeftijden
begonnen ook in Duitschland en zelfs langs de kusten der Noordzee tot
in Groningen te broeden; hij nestelt hier in bosschen en boomgaarden,
zelfs in tuinen. De overige gedeelten van Nederland bezoekt hij alleen
op den trek in October en November. Dikwijls blijft hij hier langer,
soms den geheelen winter over tot in het midden of het einde van
April. Gedurende zachte winters worden groote vluchten van deze Vogels
in de lage weilanden gevonden; bij hooge sneeuw bezoeken zij zelfs de
stadstuinen. Zij, die in zuidelijker streken hunne winterkwartieren
hebben, gaan niet verder dan Noord-Afrika, Palestina of Kasjmir.



De Beflijster (Turdus torquatus), die ook wel Dominé-, Ring-, Krans-
of Kringlijster, Kraag-, Berg- of Ringmerel heet, leeft en broedt
in de gebergten van het noorden en midden van Europa; in Duitschland
wordt zij het veelvuldigst in de hooge, zeldzamer in de middelmatig
hooge bergstreken gevonden. In Skandinavië is zij even algemeen als
in Zwitserland. Die van Skandinavië bezoeken ons nu en dan op den
trek; zij komen hier in de laatste helft van September, doch zelden
in grooten getale, blijven hoogstens 14 dagen en zoeken vervolgens
in Zuid-Europa of hoogstens in het Atlasgebied hare winterkwartieren
op. Bij ons broedt de Beflijster slechts toevallig. Zij wordt 26
cM. lang en heeft een 11 cM. langen staart. Het mannetje is kenbaar aan
een breeden, halvemaanvormigen, witten borstband; overigens is het op
dofzwarten grond met lichte, halvemaanvormige vlekken geteekend. Het
oog is bruin, de snavel zwart, met uitzondering van een roodachtig geel
strookje aan den wortel van de onderkaak; de voeten zijn zwartbruin.



De Merel of Zwarte Lijster (Turdus merula), in Gelderland en Groningen
Gietling genoemd, onderscheidt zich van hare verwanten door hare
betrekkelijk korte, stompe vleugels en door den betrekkelijk langen,
aan de spits afgeronden staart. De veeren van het oude mannetje
zijn zwart, de oogen bruin met hooggele randen aan de oogleden; de
snavel is oranjegeel; de voeten zijn donkerbruin. Totale lengte 25,
staartlengte 12 cM.

De Merel is in geheel Europa bezuiden 66° N.B. op alle voor haar
geschikte plaatsen inheemsch en broedt ook in Nederland overal, zelfs
in de steden; zij komt bovendien in West-Azië en Noordwest-Afrika,
op Madera, de Kanarische eilanden en de Azoren voor. Slechts enkele
van de Merels, die in het hooge noorden geboren en grootgebracht zijn,
trekken in het najaar zuidwaarts; zij nemen hun weg ten deele over ons
land; vele overwinteren echter reeds in het zuiden van Zweden. Die,
welke hier te lande broeden, verlaten ons in 't midden van October
en komen tegen 't midden van Maart terug, voor zoover zij hier niet
blijven, wat vooral de meeste oude mannetjes doen. De Merel bewoont
bij voorkeur vochtige bosschen en over het algemeen alle plaatsen,
waar vele boomen groeien en tevens veel onderhout gevonden wordt.

Sedert 50 à 60 jaren en dus in zekeren zin onder onze oogen is er in
de gewoonten en de levenswijze van dezen Vogel een zeer opmerkelijke
verandering tot stand gekomen. Gloger kon nog in het begin van het
tijdperk 1830-1840 van alle vertegenwoordigers dezer soort getuigen,
dat zij zeer schuw zijn, verborgen en eenzaam in bosschen leven,
zich alleen door den nood gedrongen daarbuiten begeven, zelfs op
den trek zeer ongaarne in kleine of ijle bosschen neerstrijken en
bijna nooit op een open plaats of zelfs op een hoogen boom zich
nederzetten. Voor de Merels, die aan het woud getrouw gebleven zijn,
geldt deze karakterschets ook thans nog in alle opzichten; zij is
echter niet meer toepasselijk op de steeds toenemende scharen van
die, welke hoofdzakelijk in de westelijke helft van Duitschland en in
Nederland langzamerhand in de tuinen en plantsoenen te midden van de
dorpen en steden zijn doorgedrongen, zich hier volkomen thuis gevoelen
en gemeenzame gasten van den mensch geworden zijn. Het is iederen
liefhebber van tuinieren bekend, dat de Merels nu en dan teere planten,
vooral die, welke zich met ranken vasthechten, vernielen, zoodat
planten, waaraan men bijzondere waarde hecht, door een netwerk tegen
haar beschut moeten worden. De verandering van levenswijze, die men bij
de Merels opmerkt, heeft echter, naar uit vele waarnemingen blijkt, ook
nog andere gevolgen gehad; "die, welke in steden overwinterden en hier
met rauw en gekookt vleesch gevoederd werden, hebben waarschijnlijk
ten gevolge van deze voedering de gewoonte aangenomen, hun verlangen
naar vleesch te bevredigen door het verslinden van jonge, vooral
van nog onbevederde, kleine Zangvogels." Van zulke rooverijen mag
men echter niet de geheele soort, maar vermoedelijk alleen enkele
ontaarde exemplaren beschuldigen. Evenmin kan men bewijzen, dat de
Merels daar, waar zij zich in grooten getale vestigen, de kleinere
Zangvogels zouden verdringen. Op plaatsen waar het voedsel schaarsch
is, zullen de sterkste Vogelsoorten ongetwijfeld niet veel voor
de zwakkere overlaten en hierdoor indirect hun het leven op deze
plaatsen onmogelijk maken; het wegblijven van de kleine Zangers
uit sommige gewesten kan echter ook wel een gevolg zijn van andere,
gedeeltelijk nog onbekende oorzaken. Stellig overdrijft men, door de
Zwarte Lijsters hiervan de schuld te geven, zonder ander bewijs dan
dat zij bij ons overwinteren en dat hier en daar enkele individuën bij
't plegen van misdrijven betrapt werden. Men verlieze niet uit het oog,
dat tal van waarnemingen geleerd hebben, hoe uitmuntend de Merels en
de kleinere Zangers naast elkander kunnen gedijen.



Behalve de zes genoemde, in ons land broedende vormen, zijn een drietal
andere soorten van Lijsters een enkele maal hier waargenomen. Deze
zijn:


de uit Azië afkomstig Roodkeelige Lijster (Turdus ruficollis), die
door den betrekkelijk langen staart met de Merel en de Beflijster
overeenkomt en ongeveer zoo groot is als de laatstgenoemde; zij is
olijfbruinachtig grijs; de borst en de buik zijn witachtig, de keel,
de wenkbrauwen, de krop en de binnenvlag der stuurpennen roestrood;

de Vale Lijster (Turdus pallens), die oostelijk Azië bewoont en
somtijds op den trek naar Europa verdwaalt, is een weinig grooter
dan de Zanglijster; hare onderdeelen zijn ongevlekt, de kop en de
hals donkergrauw; boven de oogen bevindt zich een witte streep;
de borst is roestgeel;

de Siberische Lijster (Turdus sibiricus) is blauwzwart met een lange,
witte streep boven de oogen en komt in grootte met de vorige soort
overeen.


In de andere Europeesche landen werden nog negen soorten van Lijsters
gevonden, die echter niet in ons werelddeel broeden; zij bezoeken
het slechts zelden en behooren eigenlijk in Noord-Amerika, Azië of
Afrika thuis.



De Lijsters zijn wereldburgers en hebben in verschillende landen ook
een eenigszins verschillende levenswijze, bij voorkeur echter leven
zij altijd en overal in bosschen. Minder kieskeurig dan de overige
Grondzangers, nemen zij ieder met boomen begroeid oord voor lief; want
niet alleen de prachtige wouden der Europeesche vlakten en de oerwouden
der keerkringslanden, maar ook bosschen zooals die van het Schwarzwald
of schrale kreupelbosschen, zooals in de steppen gevonden worden,
weten haar te boeien; ja zelfs nog boven de grenzen van den boomgroei,
onmiddellijk onder en tusschen de gletschers vinden zij woonplaatsen,
die hunne eischen bevredigen. Trouwens slechts weinige soorten
blijven voortdurend in 't zelfde oord; de meeste toonen een reislust,
die door weinige andere Vogels geëvenaard wordt. Zij die als zelden
verschijnende gasten tot ons komen, hebben een weg moeten afleggen,
die bijna de helft van den omtrek der aarde omvat Hun uitgangspunt
was Kamtschatka, het alleroostelijkste deel van Siberië. Bij onze
naburen vertoonen zich zelfs soorten, die de Beringzee overtrekken
en geheel Azië doorreizen moesten om Europa te bereiken.

Alle Lijsters zijn hoog begaafd, vlug van beweging, behendig, met
uitmuntende zintuigen uitgerust, schrander, in 't zingen bekwaam,
opgewekt van aard, onrustig, gezellig, maar in 't geheel niet
vredelievend. Zij hebben vele goede eigenschappen, maar ook vele, die
ons slecht voorkomen. Van den vroegen morgen tot in den laten avond
ziet men ze bijna onophoudelijk in beweging; alleen door den gloed van
de middagzon wordt haar bedrijvigheid eenigermate verminderd. Door hare
bewegingen herinneren zij in vele opzichten aan andere Grondzangers;
op den bodem bewegen zij zich behendig huppelend met groote sprongen;
als zij iets opmerken, wat hun aandacht trekt, wippen zij, evenals
de kleinere Grondzangers, den staart omhoog, terwijl tegelijkertijd
de vleugels een benedenwaartschen schok krijgen. Te midden van de
takken springen zij vlug en behendig rond; bij sprongen over groote
afstanden moeten de vleugels medehelpen. Zij vliegen uitmuntend. De
meeste soorten zullen, als zij opgeschrikt worden, op een schijnbaar
onbeholpen wijze over den bodem wegfladderen, zoo mogelijk van den
eenen struik naar den anderen; dezelfde Vogels schieten evenwel met
een buitengewone snelheid door de lucht, zoodra zij tot een zekere
hoogte zijn opgestegen.

De zintuigen van de Lijsters zijn gelijkmatig ontwikkeld. Zelfs
kleine Insecten kunnen zij op een grooten afstand waarnemen. Wanneer
zij hoog boven de aardoppervlakte voorttrekken, zijn zij in staat
om de voorwerpen onder haar nauwkeurig te onderscheiden. Zij
hebben niet alleen een zeer scherp gehoor, maar ook een zeer goed
onderscheidingsvermogen voor geluiden, zooals reeds uit haar gezang
valt af te leiden. Door haar snoepachtigheid geven zij bewijzen van een
goed ontwikkelden smaak. Ieder, die deze Vogels heeft leeren kennen,
zal hunne geestvermogens hoog stellen. Zij zijn niet slechts schrander,
maar ook listig, niet slechts schuw, maar beredeneerd voorzichtig,
driest en tevens wantrouwig; zij zijn vlug van begrip en oordeelen zeer
juist; bovendien maken zij gebruik van alle mogelijke middelen om hun
veiligheid te verzekeren. In het bosch worden zij tot waarschuwers,
welker raad niet alleen door de leden van hetzelfde geslacht, maar
ook door andere Vogels en zelfs door Zoogdieren ter harte wordt
genomen. Alles wat opmerkelijk, ongewoon of nieuw is, trekt hun
aandacht. Met onverholen nieuwsgierigheid komen zij nader om een
voorwerp, dat hun belangstelling wekt, beter te kunnen bekijken; ook
dan echter verliezen zij de zorg voor hun veiligheid niet uit het oog,
maar blijven op een eerbiedigen afstand. De Lijsters, die in de stille,
slechts zelden door menschen bezochte wouden van het noorden opgegroeid
zijn, laten zich licht verschalken, door het ten toon gespreide voedsel
tot onvoorzichtigheid verleiden of door andere leden van haar soort
in verborgen vallen lokken. De ervaring scherpt echter weldra haar
verstand; zij die eens bedrogen werden, laten zich niet licht ten
tweeden male op dezelfde wijze beetnemen. De meeste soorten hebben,
naar het schijnt, behoefte aan gezelligheid. Zooals reeds opgemerkt
werd, zijn zij volstrekt niet vredelievend, maar geraken integendeel
zeer dikwijls met elkander in strijd. Toch kunnen zij, bij wijze van
spreken, elkander niet missen: de lokstem van de eene wordt zelden
door andere gehoord zonder het gewenschte gevolg. Zij zoeken het
gezelschap niet alleen van andere Vogels van dezelfde soort, maar
ook van de Lijsters in 't algemeen: het komt voor, dat verscheidene
gedurende geruimen tijd bijeenblijven, gemeenschappelijk reizen en
gezamelijk den winter in den vreemde doorbrengen. In geval van nood
voegen zij zich ook bij andere Vogels. Wanneer zij opgesloten worden,
gaan zij aanvankelijk geweldig te keer, maar beschouwen weldra den
persoon, die haar vriendelijk behandelt, als een vriend en vatten
een innige genegenheid voor hem op.

De stem en het gezang vertoonen bij de verschillende soorten
van Lijsters vele punten van overeenkomst, maar toch ook groot
verschil. De lokstem van de Groote Lijster klinkt als "sjnerr" en
gelijkt op het geluid, dat men voortbrengen kan, door met een stokje
over de tanden van een kam te strijken. Als de Vogel opgewonden is,
wordt het "sjnerr"-geroep versterkt door het tusschenvoegen van "ra ta
ta". Zijn angstkreet is een onbeschrijfelijk gesjirp, dat trouwens in
soortgelijke omstandigheden door de meeste Lijsters op gelijke wijze
wordt voortgebracht. De lokstem van de Zanglijster is een heesch
gefluit, dat niet ver hoorbaar is en op de klank "tsiep" gelijkt,
waaraan dikwijls de syllabe "tak" of "tök" wordt toegevoegd. De
lokstem van den Kramsvogel bestaat uit een snelle opeenvolging van
de scherp uitgestooten klanken "tsjak tsjak tsjak", waaraan hij den
naam Tjakker dankt; hieraan wordt door hem het schelle "gri gri"
toegevoegd, wanneer hij andere Lijsters uitnoodigt om bij hem te
komen. De lokstem van den Koperwiek bestaat uit den hoogen toon
"tsi" en den daaropvolgenden zware toon "gak", als angstroep laat
hij het ratelende "sjerr" of "tsjerr" hooren. De Beflijster lokt door
"tök tök tök" te roepen en daartusschen het laag geïntoneerde "tak"
te laten hooren; zij maakt echter ook wel, evenals hare verwanten,
een ratelend geluid. De Merel eindelijk roept tremoleerend "sri" en
"trenk"; bij het zien van een verdacht verschijnsel hoort men van haar
het luid klinkend gekrijsch "dieks, dieks", waarop, als het vluchten
noodig wordt geacht, het haastige "gri giech giech" volgt. Al deze
geluiden, die, zooals van zelf spreekt, door onze klankteekens slechts
op een zeer onvolkomen wijze uitgedrukt kunnen worden, ondergaan in
bepaalde omstandigheden velerlei wijzigingen. Zij zijn trouwens voor
alle Lijsters verstaanbaar: de eene soort geeft gevolg aan de lokstem
van de andere; vooral het waarschuwend signaal wordt door allen goed
ter harte genomen.

De Lijsters behooren wat hun gezang betreft, tot de meest begaafde
van alle Zangvogels. De eerepalm komt aan de Zanglijster toe; bijna
op gelijke hoogte staat de Merel; op haar volgen de Groote Lijster
en de Kramsvogel. De Noren noemen de Zanglijster den "Nachtegaal
van het Noorden". Haar gezang is rijk van inhoud, welluidend en ver
hoorbaar. Met de fluitende geluiden wisselen trouwens ook schrijnende,
minder luide en niet zeer aangename tonen af; hierdoor wordt echter de
liefelijkheid van de geheele compositie slechts weinig verminderd. Het
gezang van de Merel bevat verscheidene buitengewoon fraaie strophen;
het klinkt echter niet zoo vroolijk, maar plechtstatiger of
droefgeestiger dan dat van haar meer begaafde verwante. Het lied van
de Groote Lijster bestaat uit een gering aantal strophen, hoogstens
5 of 6, die niet veel van elkander verschillen, maar bijna zonder
uitzondering uit volle, gefloten tonen samengesteld zijn; daarom mag
men ook dit gezang uitmuntend noemen. Hetzelfde kan gezegd worden
van het lied van den Koperwiek en van de Beflijster. "Hoewel aan het
gezang van deze Vogels de eigenaardige gloed van den Nachtegaalslag
ontbreekt," zegt Tschudi, "brengt het een onuitsprekelijk vroolijk
leven in den stillen ernst van de grootsche landschappen van het
gebergte, wanneer het in juichende, honderdstemmige koren uit alle
hooge wouden weerklinkt."--De Lijsters dragen haar gezang op een
zeer eigenaardige wijze voor. Opmerkelijk is de tegenstelling, die
er schijnt te bestaan tusschen de voordracht van deze Vogels en hunne
gewone gebaren. Vele Zangers begeleiden hun gezang met allerlei vlugge
bewegingen: de Lijsters echter zitten stil gedurende het zingen en
hare liederen zijn kalm, plechtig als kerkgezang. Iedere strophe is
duidelijk afgerond, iedere toon vormt een afgesloten geheel, de slag
van de Lijster is daarom beter geschikt voor het woud dan voor de
kamer.--De Merel, die bij ons overwintert, begint reeds in Februari,
als de sneeuw en het ijs in het woud nog heerschen, hare liederen
voor te dragen; 't is alsof de Zanglijster, die dan in den vreemde
verblijf houdt, op dit tijdstip aan haar vaderland denkt en het een
groet toezendt door haar gezang. De mannetjes wedijveren met elkander,
evenals dit bij de meeste goede zangers geschiedt. Als de eene Lijster
begint te zingen, kan een andere, die haar hoort, niet nalaten dit
gezang op gelijke wijze te beantwoorden. De eene leert van de andere:
goede zangers kweeken uitmuntende leerlingen, brekebeenen bederven het
gezang van geheele generatiën. Vooral de Merel neemt licht iets over
van het gezang van hare soortgenooten en zelfs van andere Zangvogels;
hierdoor wordt zij soms een echte "spotvogel". Het is alsof de Lijster
in haar gezang een zekere ijdelheid openbaart, want hoe verborgen zij
zich gewoonlijk houdt,--als zij haar lied laat hooren, treedt zij op
den voorgrond. Zij kiest dan steeds een hoogen boomtop als zetel en
zendt vandaar hare heerlijke klanken door het woud.

Het voedsel van de Lijsters bestaat uit Insecten, Slakken en Wormen,
in den herfst en in den winter ook uit bessen. De Lijsters zoeken haar
prooi grootendeels van den bodem, en houden zich daarom iederen dag
verscheidene uren hier op. Van het bosch vliegen zij naar weiden en
akkers, naar de oevers van rivieren en beken en naar andere plaatsen,
waar de kans bestaat om voedsel te vinden. Wanneer er niets valt op
te rapen, wroeten zij met den snavel in de afgevallen bladen om een
nieuwen voorraad voedingsmiddelen te ontdekken. Om vliegende Insecten
bekommeren zij zich weinig of niet; toch ziet men sommige Merels
van tijd tot tijd op een onbehendige wijze hun prooi al vliegend
vervolgen. Naar het schijnt, zijn de meeste soorten zeer verlekkerd
op bessen; sommige geven de voorkeur aan die van de eene, andere
aan die van een andere plant. De Groote Lijster verdient den naam
"Misteldrossel", dien hij in Duitschland draagt, want zij is bijzonder
gesteld op de bessen van de Vogellijm (in 't Duitsch "Mistel"),
zoekt deze overal op en twist hevig met andere Vogels om het bezit
van deze lekkernij. Reeds de Ouden beweerden, dat de verspreiding
van de zaden dezer woekerplant aan de Groote Lijster te danken is en
deze meening schijnt gegrond te zijn. De Beflijster zoekt, zoodra het
broeden afgeloopen is, met zijn gezin de groeiplaatsen van de blauwe
boschbessen op en eet hiervan dan zooveel, dat haar vleesch blauw,
hare beenderen rood en hare veeren bevlekt worden. Dat de Kramsvogel
den naam "Wachholderdrossel" niet ten onrechte draagt ("Wachholder" is
de plant, die wij jeneverbes noemen), behoeft bijna niet verzekerd te
worden: zij doorzoekt in den winter de jeneverbesstruiken met grooten
ijver en maakt zulk een overvloedig gebruik van de door haar zoo hoog
geschatte vrucht, dat haar vleesch er een eigenaardigen, aangenamen
smaak door verkrijgt. Bovendien eten alle Lijsters aardbeien,
frambozen, braambessen, aalbessen, roode en zwarte vlierbessen,
roode boschbessen, wegedoornbessen, kruisbessen, lijsterbessen,
kersen, druiven enz.

Korten tijd na haar terugkomst in 't vaderland heeft de voortplanting
van de Lijsters plaats; de in 't noorden wonende soorten broeden
trouwens zelden voor het begin van Juni. Verscheidene soorten, vooral
de Kramsvogel en de Beflijster, behouden ook op de broedplaats haar
gezelligheid, andere scheiden zich gedurende den voortplantingstijd van
hare soortgenooten af en bewaken ijverzuchtig het gebied, dat zij zich
toegeëigend hebben. De nesten worden op verschillende plaatsen gebouwd
in verband met de soort en met de door haar bewoonde streek; de nesten
zelf zijn in hoofdzaken gelijk. De Groote Lijster bouwt haar nest
reeds in Maart, gewoonlijk op een naaldboom en op een hoogte van 10 à
15 M. boven den grond; het bestaat uit fijne, dunne takjes, stengels,
halmen, mossen die met de nog daaraan hangende aarde van den bodem of
van de boomen zijn losgemaakt, fijne wortels en dergelijke materialen;
de nestholte is glad en netjes gevoerd met droge grasbladen, halmpjes
en pluimen. Het broedsel bestaat uit 4 of 5 betrekkelijk kleine eieren
met gladde schaal, die op een bleek zeegroenen grond grove en fijnere,
paarsachtig grijze stippels vertoont. Wanneer de omstandigheden niet
al te ongunstig zijn, broedt het paar tweemaal in den loop van den
zomer.--Het nest van de Zanglijster is in den regel lager geplaatst,
meestal op zwakke boompjes of in struiken; de buitenste lagen zijn van
de reeds genoemde materialen vervaardigd, maar zijn fijner bewerkt, de
dikte is geringer; van binnen is het nest netjes en stevig en bekleed
met een zeer glad gestreken laag fijn gebeten, vermolmd hout, welks
vezels aaneenkleven door vermenging met het speeksel, dat de Vogel er
met den snavel doorheenkneedt. In het begin van April bevat het nest 4
à 6 eieren, die een glanzige, gladde schaal hebben, welke op zeegroenen
grond met fijne of grootere, zwarte of zwartbruine vlekken geteekend
is. In den voorzomer wordt voor de tweede maal gebroed.--De Kramsvogel
nestelt, zooals reeds vroeger werd opgemerkt, sedert bijna een eeuw
ook in Duitschland geregeld; hare eigenlijke broedplaatsen zijn echter
de berkenbosschen van Noord-Europa en Siberië. Hier ziet men bijna
op iederen stam een nest. Sommige boomen dragen er, zooals ik zelf
in Skandinavië heb opgemerkt, 5 à 10, waarvan echter meestal op een
gegeven oogenblik slechts één gebruikt wordt, waaruit blijkt, dat een
en hetzelfde deel van het woud ieder jaar voor het broeden weder wordt
opgezocht. Als men hier komt, als de Vogels eieren of jongen hebben,
merkt men een buitengewoon groote bedrijvigheid op. Het geheele bosch
weerklinkt van het gezang en het angstig geschreeuw der Vogels, want
het aantal broedende paartjes bedraagt honderden. Ieder nest bevat 5 of
6 eieren, die op dof- of heldergroenen grond met groote, uitvloeiende
vlekken of met kleinere, scherper begrensde stippels van roodbruine
kleur bezaaid zijn; aan het dikkere eind staan deze gewoonlijk dichter
bijeen dan elders; soms zijn zij kransgewijs gerangschikt.

De Merel eindelijk, die niet in de nabijheid van steden of dorpen
is grootgebracht, nestelt in het kreupelhout, het liefst op jonge
naaldboomen en altijd op korten afstand van den grond, soms zelfs op
den bodem. Het nest is in verband met deze verschillende standplaatsen
verschillend gebouwd. Als het zich in holten van boomen met groote
opening bevindt, hetgeen ook wel voorkomt, bestaat het eenvoudig uit
een weefsel van mos, dat op den grond groeit en dorre halmen; als het
vrij staat, zijn de buitenwanden vervaardigd van fijne worteltjes,
stengels en gras en van binnen bekleed met een laag vettige, vochtige
aarde, die zeer glad gemaakt is, maar altijd vochtig blijft. Bij zeer
gunstige weersgesteldheid vindt men er reeds omstreeks het midden van
Maart, anders eerst tegen het einde van die maand 4 à 6 betrekkelijk
groote eieren in; deze zijn op bleek blauwgroenen grond overal bedekt
met licht kaneelkleurige of roestgele vlekken en stippels. Het tweede
broedsel is gewoonlijk in het midden van Mei voltallig.

Het wijfje wordt alleen in de middaguren door het mannetje afgelost;
beide ouders houden echter zeer veel van hun kroost en toonen veel
angst als een vijand het nest nadert. Dikwijls vallen de Lijsters
den vijand werkelijk aan door op hem neer te schieten of dicht bij
hem langs te vliegen; zij trachten hem op deze wijze schrik in te
boezemen. Als moed niet baat, nemen zij tot list haar toevlucht; zij
houden zich, alsof zij ziek zijn en niet voort kunnen; zij fladderen
en huppelen schijnbaar met de grootste moeite over den grond,
lokken hierdoor het roofdier, dat zich verschalken laat, werkelijk
van het nest af, brengen hem al verder en verder van den weg af
en keeren daarna vroolijk naar hare jongen terug. Nadat de eieren
14 à 16 dagen lang ijverig bebroed zijn, komen de jongen uit; deze
worden hoofdzakelijk met Insecten grootgebracht en ruim van voedsel
voorzien; als zij drie weken oud zijn, kunnen zij vliegen. Weinige
weken na het uitvliegen beginnen zij te ruien en als de reis naar de
winterkwartieren aanvangt, dragen zij reeds hun tweede kleed.

Met uitzondering van de Merel verlaten al onze Lijsters in den
herfst haar vaderland en begeven zich naar zuidelijker gewesten. De
soorten die in 't hooge noorden broeden, vinden gedeeltelijk
reeds in Duitschland een winterkwartier; de hoofdmassa trekt naar
Zuid-Europa. Daar krioelt het overal van Lijsters gedurende de
wintermaanden. Op de zonnige hellingen van de hooge gebergten van
Spanje vestigen zich de Beflijsters, die thans tot meer of minder
groote vluchten vereenigd zijn; in de wouden, kreupelbosschen
en wijngaarden vliegen duizenden van Zanglijsters en Koperwieken
rond. De Groote Lijster ziet men zeldzamer, gesteld al dat die,
welke men in Spanje ontmoet, als trekvogels beschouwd mogen
worden. De Kramsvogel behoort tot de zeldzaamste wintergasten van
het Iberische Schiereiland. Hetzelfde geldt voor Zuid-Italië en
voor Griekenland. Alle Lijsters zijn gedurende de reis tot talrijke
gezelschappen, soms tot ontzaglijk groote zwermen vereenigd; deze
vormen zich reeds in 't noorden en trekken op een aanzienlijke hoogte,
waarschijnlijk niet veel beneden de 2000 M., naar 't zuiden voort. "In
den herfst van het jaar 1852," verhaalt Gadamer, "hoorde ik, terwijl ik
mij in een woud bevond, plotseling boven mij een vreeselijk gebruis,
waarmede een geluid, dat op een schel gehuil geleek, gepaard ging. Ik
schrok er van, daar ik meende, dat er een meteoorsteen zou vallen op
de plaats waar ik stond. Spoedig echter werd het raadsel opgehelderd,
want ik bevond mij plotseling te midden van meer dan 10000 Koperwieken,
die van een buitengewone hoogte op alle naburige boomen neervielen. Het
dalen geschiedde zoo snel, dat ik de Vogels niet kon onderscheiden,
voordat zij zich op den boom neergezet hadden."

Men mag veronderstellen, dat de Lijsters reeds voor lang op dezelfde
wijze gevangen werden als thans, hoewel de ouden misschien nog geen
vogelnetten of lijsterstrikken gebruikten, zooals wij nu. Tegenwoordig
worden beide soorten van vangtoestellen hier te lande misschien minder
gebruikt dan vroeger: in Italië, Spanje en Griekenland daarentegen
maakt iedereen jacht op Lijsters; bijna onberekenbaar groot is het
aantal Vogels, dat daar gedood wordt.

Alle Lijsters zijn geschikt voor de kooi; haar luid klinkend en
krachtig gezang is echter voor het enge vertrek wel wat sterk en
haar groote eetlust veroorzaakt bezwaren, die zelfs door de meest
nauwgezette zindelijkheid niet geheel weggenomen kunnen worden. In
een groote, in de vrije natuur geplaatste volière zijn zij uitmuntend
op haar plaats. Hare opgewektheid en bedrijvigheid verschaffen haar
warme vrienden; zij laten haar uitmuntend gezang reeds hooren in de
eerste maanden van het jaar, als de andere Vogels nog zwijgen.



De tweede onderfamilie van de Zangers omvat de Grasmuschachtigen
(Sylviinae), kleine, slank gebouwde Zangvogels, met slanken, dunnen,
priemvormigen snavel, welks rugrand tot aan de spits zwak gebogen is,
terwijl de bovensnavel achter de spits een geringe inkerving vertoont;
de voeten zijn kort of hoogstens middelmatig hoog, de vleugels
middelmatig lang en meestal afgerond; de staart is verschillend van
vorm, nu eens korter dan weer langer; het vederenkleed is zoo zacht
als zijde.

Tot deze onderfamilie behooren ruim 100 soorten. Zij zijn over alle
landen van het oostelijk halfrond verbreid; in Amerika worden zij niet
gevonden. De Grasmuschachtigen bewonen ieder gebied, alle hoogte-
en breedtegordels; zij ontbreken nergens, waar het land met planten
begroeid is; zij houden zich op in het woud zoowel als in alleenstaande
boschjes, in de met hoogstengelige planten bedekte steppe en in de
riet- of biesbosschen; zij brengen dus leven in streken van zeer
verschillende plaatselijke gesteldheid en doen dit wegens hunne
groote begaafdheden meestal op een hoogst bevallige wijze. Wakker
en bedrijvig, vermaak scheppend in beweging en onrustig van aard,
sluipen en kruipen zij met onovertreffelijke behendigheid door de
dichtste wildernissen van planten van allerlei soort. Zij gevoelen
zich uitmuntend thuis zoowel in de boomkronen als te midden van de
meest verward dooreengroeiende struiken en van het dichtste riet;
verscheidene zijn even goed ervaren in 't loopen als in 't sluipen
door nauwe tusschenruimten. Hoewel hun vliegvermogen niet uitmuntend
mag heeten, is het meestal toch zeer voldoende, zelfs scheppen zij
behagen in velerlei kunststukken op dit gebied. Verreweg de meeste
verdienen den naam, dien zij met de Lijsterachtigen gemeen hebben:
van verscheidene geslachten behooren alle leden tot de beste zangers,
die wij kennen; enkele kunnen zelfs aanspraak maken op den naam van
meesters in deze kunst. Ook hunne hoogere vermogens mag men goed
ontwikkeld noemen. Wat de volkomenheid hunner zintuigen betreft,
staan zij, naar het schijnt, niet achter hunne verwanten. Ieder die ze
heeft leeren kennen, zal een hoog denkbeeld hebben gekregen van hun
verstand. Zij zijn schrander, weten hunne handelingen te wijzigen in
overeenstemming met de omstandigheden, onderscheiden hunne vrienden
en vijanden, toonen gemeenzaamheid daar waar deze op haar plaats is,
en zijn schuw daar waar zij vervolgingen te verduren hebben gehad; zij
laten list zoowel als eerlijkheid en openhartigheid, vertrouwelijkheid
zoowel als wantrouwen blijken, leven met andere Vogels in de beste
overeenstemming, zoolang dit hun mogelijk is en houden vrede met
hunne soortgenooten zoolang totdat met de liefde ook de ijverzucht
in hen ontwaakt; zij zijn trouw als echtgenooten en zelfopofferend
als ouders, geven merkwaardig treffende bewijzen van zelfopoffering
terwille van hun kroost,--kortom zeer uiteenloopende, voortreffelijke
eigenschappen vindt men bij hen vereenigd.

Alle soorten die bij ons in 't noorden wonen, zijn trekvogels; de
meeste verschijnen eerst in hun vaderland, als de lente werkelijk
aangevangen is. Dan kiest ieder paar voor 't broeden een bepaald
gebied uit, 't zij groot of klein, waarin het zich tegen andere
Vogels van dezelfde soort handhaaft; slechts bij uitzondering duldt
het een tweede paar binnen de grenzen van zijn gebied. Onmiddellijk
na de keuze van de broedplaats begint de bouw van het nest, dat door
de dieren van verschillende soort op verschillende plaatsen aangelegd
en op verschillende wijze samengesteld kan worden. De beide ouders
zijn gewoon het broedsel, dat uit 4 à 6, hoogstens uit 8 eieren
bestaat, beurtelings te bebroeden, en wijden zich met gelijken ijver
aan de verzorging der jongen. Deze worden uitsluitend met Insecten
gevoederd, die ook hoofdzakelijk het voedsel van de ouden uitmaken,
hoewel deze in den herfst allerlei bessen en andere vruchten niet
geheel versmaden. Geen enkele soort van deze onderfamilie veroorzaakt
ons een merkbare schade; waarschijnlijk moet ieder harer leden nuttig
genoemd worden, hoewel het soms niet gemakkelijk is dit voor iedere
soort aan te toonen. Alle verdienen daarom onze bescherming en zijn
de genegenheid waardig, die haar wegens haar voortreffelijk gezang
bijna zonder uitzondering door oud en jong betoond wordt; alle zijn
geschikt voor het leven in een kooi en zullen onder de kamervogels
steeds een hoogen rang innemen.



De kenteekenen van de Bastaardnachtegalen (Accentor) zijn: een
krachtige romp, een kegel-priemvormige, rechte, middelmatig lange
snavel, welks scherpe randen sterk naar binnen gebogen zijn en welks
spleetvormige neusgaten van boven door een vlies bedekt worden,
middelmatig hooge, tamelijk dikke voeten met korte maar krachtige
teenen, middelmatig of tamelijk lange vleugels, welker derde of vierde
slagpen gewoonlijk de langste is, een korte, matige breede staart
en een los vederenkleed. Tusschen de beide seksen bestaat geen groot
verschil, wel tusschen de oude Vogels en de jonge.

Tot dit geslacht rekent men een twaalftal soorten, welker
verbreidingsgebied tot Europa en het gematigde deel van Azië beperkt
is. In Europa treft men slechts twee van deze soorten aan, waarvan
één ook in ons vaderland. De meeste leven in 't gebergte en houden
bij voorkeur op den bodem verblijf; in een vreemdsoortige, gebukte
houding huppelen zij hier meer of minder vlug rond; overigens vliegen
zij bijna altijd op korten afstand van den bodem en zoeken hier of in
lage struiken haar voedsel, dat uit Insecten, bessen en kleine zaden
bestaat. Tegen het begin van den winter verlaten sommige het noorden
en begeven zich naar zuidelijker gewesten of zoeken haar toevlucht
op de zuidelijke berghellingen. Haar voortplanting heeft vroeg in
't jaar plaats; zij bouwen tamelijk kunstige nesten en leggen 3 á 6
groenachtige eieren.



De Bastaardnachtegaal of Winterzanger, in Friesland ook
wel Grauwpieper, in Noordbrabant Doornkruiper, in Gelderland
Boeren-nachtegaal genoemd (Accentor modularis), is aschgrauw op den
kop, den hals, de keel en de krop, grijsachtig wit aan de kin, heeft
boven op den kop uitvloeiende, zwarte schaftstrepen; de oorstreek
is bruinachtig met lichtere streepjes, de borst en de buik zijn
witachtig, de flanken bruinachtig met donkere schaftstrepen, de
onderstaartdekvederen zijn bruin en ieder met een witachtigen rand
voorzien; de slagpennen en de stuurpennen zijn bruinzwart, met een
roestbruinen zoom aan de buitenvlag. Het oog is lichtbruin, de snavel
bruin, de voet roodachtig. De lengte bedraagt 15, de staartlengte 6 cM.

In alle landen tusschen den 64en graad N.B., de Pyreneeën, de Alpen
en den Balkan wordt de Bastaardnachtegaal, naar 't schijnt, broedend
aangetroffen; hij komt echter ook verder noordwaarts voor, verschijnt
in den winter zeer geregeld in 't zuiden van Europa en begeeft zich
zelfs naar Noord-Afrika en West-Azië. In Middel-Duitschland en ook
bij ons komt hij in Maart, houdt zich een tijdlang op in heggen en
hakhoutboschjes en begeeft zich dan naar zijn broedplaats in het bosch;
aan sparren en dennen geeft hij de voorkeur boven breedgebladerde
boomen; hij houdt meer van 't gebergte dan van de vlakte. Bij ons bouwt
hij zijn nest niet meer dan 1 M. boven den bodem, gewoonlijk in hagen
en hakhout. Sommige ouden overwinteren hier; de jongen trekken naar
't zuiden.

"Door al zijne gewoonten," schrijft mijn vader, "onderscheidt de
Bastaardnachtegaal zich zoo zeer van alle andere Vogels, dat een
deskundige hem reeds van verre herkennen kan. Niet alleen in 't
dichtste kreupelhout, maar ook op den bodem huppelt hij met het
grootste gemak rond; hij kruipt door alle schuilhoeken, beweegt
zich zonder moeite tusschen de hooge, dorre grashalmen door, zoekt
voedsel tusschen de afgevallen bladen en doet dit alles met groote
behendigheid. Op den grond volgen zijne sprongen zoo schielijk opeen,
dat het is, alsof men een Muis ziet loopen. Zijn gezang bestaat uit
weinige tonen, die door elkander heen geward worden en niet zeer
liefelijk zijn." Zijn loktoon klinkt als "di doeï diï" of "sri sri";
de schelle roep "di-du" geeft angst te kennen; gedurende het vliegen
roept hij "bi bi biel"; zijn lied bestaat hoofdzakelijk uit de klanken
"die die dee hie dee". De eene Vogel zingt bijna als de andere;
soms heeft men geringe afwijkingen van den regel opgemerkt.--In den
zomer voedt de Bastaardnachtegaal zich hoofdzakelijk met Insecten,
vooral met kleine Kevers en hunne larven, gedurende het trekken eet
hij bijna uitsluitend kleine zaden; ook slikt hij tot bevordering
van de spijsvertering zandkorrels door.

De Bastaardnachtegalen geraken spoedig aan de gevangenschap gewoon en
worden na verloop van korten tijd zeer tam. Wegens hun gemeenzaamheid
wekken zij de belangstelling van de liefhebbers van Vogels, hoewel
hun gezang niet veel beteekent.



Op de hooge gebergten van Zuid- en Midden-Europa ziet men dikwijls
de Alpen-bastaardnachtegaal (Accentor collaris). Deze gelijkt wel
eenigzins op een Leeuwerik. De bovendeelen zijn grijsbruin, de nek en
de zijden van den hals zuiverder grijs, de mantel en de schouders met
breede, donkerbruine schaftvlekken geteekend; de veeren van kin en keel
zijn wit met een zwarten eindzoom, de overige onderdeelen bruinachtig
grijs, de zijden roestrood, de slagpennen en hunne dekveeren
bruinzwart, de stuurpennen zwartbruin aan de buitenzijde vaalbruin
gezoomd, aan het einde van de binnenvlag roestkleurig witachtig. Het
oog is bruin, de bovensnavel hoornzwart, de ondersnavel hoorngeel,
de voet geelbruinachtig. De lengte bedraagt 18, de staartlengte 8 cM.

Op de Alpen is hij overal veelvuldig, op het Reuzengebergte komt
hij wel is waar zeldzaam, maar toch geregeld voor. In Zwitserland
bewoont hij vermoedelijk alle bergketenen. Girtanner trof hem in het
gebergte overal aan, waar de eischen, die hij aan 't leven stelt,
bevredigd kunnen worden. In 't Reuzengebergte is zijn verbreiding
beperkt tot weinige plaatsen, hoofdzakelijk tot den Reuzenkop en den
Hohe Rad; hier kan men hem op of bij plaatsen, waar men hem eenmaal
heeft waargenomen, althans in den zomer ieder jaar wederzien; daar hij,
naar het schijnt, met een gebied van weinige hectaren volkomen tevreden
is. In Zwitserland ziet men ze bijna altijd tot kleine gezelschappen
vereenigd, die aan de omgeving van herdershutten en veestallen
de voorkeur schijnen te geven boven de eenzame gedeelten van het
gebergte, of althans zich hier dadelijk vertoonen, zoodra het weder
stormachtig is of wanneer er in de hoogere streken van het gebergte
sneeuw valt. Zijne verblijfplaatsen zijn niet zoo hoog gelegen als
die van de Sneeuwvink; het liefst vestigt hij zich op gruishellingen,
die aan den voet van rotswanden voorkomen en niet geheel ontbloot
zijn van planten. Op de voor regen beveiligde rotspunten van deze
wanden is in den regel het nestje te vinden. Om te zingen kiest het
mannetje een vooruitstekenden rotsklomp of een afgezonderd liggenden,
hoogen steen uit. Zijn gezang beteekent niet veel, maar is toch
niet vervelend en is geheel in overeenstemming met de zachtaardige,
vriendelijke inborst van den zanger.

Wanneer deze Vogels volkomen veilig zijn of meenen te zijn, huppelen
zij onophoudelijk over en tusschen de met mos begroeide rotsklompen
rond, laten intusschen voortdurend vroolijke loktonen hooren en
gaan langzaam verder. Terwijl zij dit doen, zijn zij met hun snavel
voortdurend bezig, nemen hier een zaadje, daar een wormpje, ginds
een bes op; want de Alpen-bastaardnachtegaal lust nagenoeg alles wat
niet te hard is of er niet al te weerbaar uitziet. Zoolang hij het
in 't hooge gebergte kan uithouden, d. w. z. zoolang de bodem niet
al te dik met sneeuw bedekt is, verlaat hij zijn standplaats niet;
natuurlijk begeeft hij zich naar omlaag, zoodra de winter met koude
hand zijn voedsel bedekt. Dan daalt hij tot in de dorpen van het
gebergte af, volgt met de Steenkraaien en Sneeuwvinken de sporen van
Paarden op de wegen of verschijnt zelfs tusschen de stille hutten
van de Alpenbewoners.

In gunstige zomers broedt de Alpen-bastaardnachtegaal, evenals zijn
inheemsche neef, tweemaal; men vindt dan zeer vroeg in 't jaar en
bovendien tegen het einde van Juli eieren in zijn nest. Dit wordt
gebouwd in spleten en gaten van 't gesteente, onder rotsblokken of
in dichte boschjes van Alpenrozen, altijd echter op beschutte en
verborgen plaatsen; het is samengesteld uit op den bodem groeiend
mos en grashalmen en is van binnen met zeer fijn mos of met haren
van Paarden of Runderen en wol netjes bekleed. De 4 à 6 langwerpige,
blauwachtig groene eieren hebben een gladde schaal en verschillen
alleen door hun meerdere grootte van die van onzen Bastaardnachtegaal.

Alpen-bastaardnachtegalen geraken licht aan het verblijf in een kooi
gewend, worden zeer tam, verdragen de gevangenschap eenige jaren, als
men ze goed verzorgt en loonen de moeite, die men aan hen besteedt,
door hun aangenaam, zacht gezang en door den ijver, waarmede zij hun
eenvoudig lied ten beste geven.



Van alle geslachten dezer onderfamilie is dat der Grasmusschen (Sylvia)
het meest bekende. Het kenmerkt zich door den slanken lichaamsbouw,
den kegel-priemvormigen snavel met flauw gebogen ruglijn; vóór de
benedenwaarts gekromde spits van den bovensnavel komt een kleine
inkerving voor; de stevige voeten zijn tamelijk kort, de vleugels
middelmatig lang en eenigszins afgerond; de staart is kort of
middelmatig lang; het vederenkleed eindelijk is dicht, zijdeachtig
zacht, in den regel niet bijzonder levendig van kleur.

Het geslacht der Grasmusschen omvat ongeveer 23 soorten, die het
oostelijk halfrond bewonen en in het noordelijke gebied van de
Oude Wereld het talrijkst zijn. Zij houden zich op in wouden van
breedgebladerde boomen en van naaldhout, in kreupelbosschen en tuinen,
zoowel in hooge als in lage streken. Bijna alle begaafdheden van
de leden harer familie komen bij haar vereenigd voor. Zij zingen
uitmuntend, eten Insecten, Spinnen, bessen en andere vruchten en
bouwen laag in het kreupelhout hare kunstelooze nesten.



De grootste van alle in Duitschland levende soorten, die ook een
paar malen in ons land, en wel in de nabijheid van de stad Groningen,
waargenomen werd, is de Gestreepte Grasmusch (Sylvia nisoria). Haar
lengte bedraagt 18 cM. Hare bovendeelen zijn olijfkleurig bruingrijs;
de bovenkop is iets donkerder; de witte veeren van de onderzijde
zijn evenals die van de zijden van den kop, van de kin, de keel en
de flanken aan 't einde met een smallen, donkeren zoom voorzien,
waardoor donkere dwarsbanden ontstaan; de vleugels zijn bruingrijs,
de staartveeren donker aschgrauw, de buitenste stuurpennen met
witten zoom.

De Gestreepte Grasmusch bewoont of bezoekt Middel- en Zuid-Europa,
met uitzondering van Groot-Brittannië, tot aan het zuidelijke deel
van Zweden, bovendien het westen van Azië en het noorden van China;
in den winter begeeft zij zich op den trek naar het binnenland van
Afrika. In enkele gedeelten van Duitschland, hoofdzakelijk in de door
rivieren doorsneden vlakten en aan de met kreupelhout begroeide oevers
van groote rivieren is zij veelvuldig, op andere plaatsen ontbreekt
zij geheel of behoort zij althans tot de grootste zeldzaamheden. Zij
komt er niet vóór den laatsten dag van April en blijft er hoogstens
tot in Augustus.

Op den bodem beweegt zij zich moeielijk; zij zet zich daarom zelden
hierop neder; daarentegen vliegt zij goed, hoewel ongaarne; met
verrassende behendigheid sluipt zij tusschen de twijgen door. Haar
lokstem is een smakkend "tsjek", het tot waarschuwing dienend geluid
een snorkend "err", haar gezang, dat als 't ware een samenvoeging is
van het lied van den Tuinfluiter en dat van de Rosse Grasmusch, is op
verschillende woonplaatsen en bij verschillende individuën ongelijk,
maar over 't geheel genomen welluidend en rijk aan tonen.

Bij doelmatige verpleging geraakt de Gestreepte Grasmusch aan 't leven
in de kooi even goed en spoedig gewoon als hare andere inheemsche
verwanten; ook stelt zij geen hoogere eischen dan deze; weldra zal
zij vlijtig zingen en na verloop van tijd wordt zij zeer tam.



De op één na grootste Grasmusch van Europa is de uitheemsche
Meesterzanger (Sylvia orphea), die een lengte van 17 cM. heeft. De
veeren van de bovendeelen zijn aschgrauw, op den rug met een
bruinachtig waas overtogen, op de kruin en in den nek bruinachtig
dofzwart, aan de onderzijde wit, aan de zijden van de borst licht
roestkleurig; de slagpennen en stuurpennen zijn dof zwartbruin;
de smalle buitenvlag van de buitenste stuurpen is wit, de breede
binnenvlag vertoont aan de spits een witte, wigvormige vlek van
dezelfde kleur, de tweede stuurpen heeft een witte vlek op het
midden van de spits. Het oog is lichtgeel, de bovensnavel zwart, de
ondersnavel blauwachtig zwart, de voet roodachtig grijs, een naakte
ring om het oog blauwachtig grijs.

De Meesterzanger is een bewoner van Zuid-Europa. In Spanje zal
men hem zelden tevergeefs zoeken in oorden, waar de piniolen-den
zijn schermvormige kroon uitspreidt of waar in de vruchtbare vlakten
karoebenboomen, vijgeboomen en olijfboomen bijeenstaan. Zijn winterreis
strekt hij tot Centraal-Afrika en Indië uit.

In tegenstelling met de andere Grasmusschen geeft de Meesterzanger de
voorkeur aan hooge boomen; in het eigenlijke kreupelhout heb ik hem
nimmer waargenomen. Veel vaker dan het gebergte kiest hij de vlakten
tot woonplaats: bebouwde, weelderig begroeide en geregeld besproeide
landstreken verwezenlijken, naar het schijnt, alle eischen, die hij
aan zijn verblijfplaats stelt. Zeer gaarne vestigt hij zich ook in
dennebosschen. Op zulke plaatsen verneemt men zijn gezang overal en
ziet men, op deze geluiden afgaande, het paar in de hoogste boomkronen
zich vermeien.

De Meesterzanger verdient zijn naam. Men heeft op de waarde van zijn
lied willen afdingen; er is echter geen twijfel aan, dat hij zelfs in
zijn familie een hoogen rang inneemt. Zijn lied herinnert eenigszins
aan den slag van onze Merel, maar is niet zoo luid en wordt ook niet
zoo gearticuleerd voorgedragen. A. von Homeyer, die gedurende geruimen
tijd een Meesterzanger in een kooi heeft gehouden, zegt, dat deze Vogel
beter zingt dan eenige andere Grasmusch. Enkele Meesterzangers nemen
ook tonen uit de liederen van vele andere Vogels in hun gezang op.

Zijn voedsel bestaat uit Insecten en dergelijke kleine, in zijn
vaderland voorkomende dieren, uit bessen en andere vruchten.

De broedtijd vangt aan in het midden van Mei en duurt tot in het
midden van Juli; dan heeft het ruien plaats. Gedurende den paartijd
zijn de mannetjes in de hoogste mate strijdlustig; als hun ijverzucht
ontwaakt is, vervolgen zij elkander vol woede. Het nest bevindt zich
in het hoogste gedeelte van de boomkroon.



"De Vogel, die het fraaist zingt op de Kanarische Eilanden, de
Kapriote, is in Europa onbekend. Hij is zoozeer op zijn vrijheid
gesteld, dat hij zich niet laat temmen. Ik bewonderde zijn
zoetvloeienden, melodieusen slag in een tuin bij Orotava, maar kon
hem niet genoeg van nabij bezien om te bepalen tot welk geslacht
hij behoort." Zoo schreef A. von Humboldt; na het bezoek, dat deze
groote natuuronderzoeker aan de eilanden bracht, zijn vele jaren
voorbij gegaan, voordat wij vernamen, welken vogel hij bedoelde. Thans
weten wij, dat de hooggeroemde Kapriote, die de Kanariërs vol trots
hun Nachtegaal noemen, dezelfde Vogel is als onze Zwartkop (Sylvia
atricapilla, hierboven afgebeeld), een der bekwaamste, lieftalligste
en meest beroemde Zangers van onze bosschen en tuinen. De vederen van
de bovenzijde zijn grauwzwart, die van de onderzijde lichtgrijs; de
keel is witachtig grijs, de kruin bij het oude mannetje donkerzwart,
bij het wijfje en het jonge mannetje roodbruin van kleur. Het oog is
bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. De lengte van dit
vogeltje bedraagt 15 cM.

De Zwartkop bewoont geheel Europa, in noordelijke richting tot aan
Lapland, en West-Azië; voorts Madera, de Kanarische Eilanden en de
Azoren. Hier overwintert hij; Griekenland zoowel als Spanje bezoekt
hij slechts op den trek, hoewel hij zijn reis tot in Centraal Afrika
uitstrekt. Hij komt ieder jaar in April uit het zuiden naar hier; in
de lage landen houdt hij zich hoogstens gedurende twee of drie dagen
in de tuinen op. In de bosschen van de hooge diluviale zandgronden
onzer grensprovinciën broedt hij vrij algemeen, zeldzaam ook in de
bosschen van duinstreken. In September verlaat hij onze gewesten,

"De Zwartkop," schrijft mijn vader, "is een wakkere, behendige en
voorzichtige Vogel. Hij is voortdurend in beweging, huppelt onverpoosd
en met groote vaardigheid in het dichtste kreupelhout rond, houdt den
romp intusschen horizontaal en heeft de voeten een weinig opgetrokken,
legt de vederen bijna altijd glad tegen het lichaam aan en houdt
ze zeer schoon en netjes. Op den grond komt hij zelden. Als men hem
nadert, terwijl hij zich op een open plaats bevindt, tracht hij zich
onmiddellijk tusschen de twijgen te verbergen of redt zich door de
vlucht. Hij weet dit zoo behendig te doen, dat men de oude vogels
dikwijls lang te vergeefs met het geweer moet nagaan; de jongen zijn,
zelfs nog in den herfst, minder voorzichtig. Hij vliegt snel, bijna
rechtuit, met sterken vleugelslag, maar gaat in één vlucht zelden
ver. Slechts na een langdurige vervolging verheft hij zich hoog in
de lucht en verlaat de plaats voor goed. In den broedtijd heeft hij
zich een tamelijk groot gebied uitgekozen en blijft soms niet eens
daarbinnen. Zijn loktoon is een aangenaam klinkend "tak tak tak";
hierop volgt een zeer zachte toon, die niet door letters nagebootst kan
worden. Zijn "tak"-geroep heeft zooveel overeenkomst met dat van den
Nachtegaal en van den Braamsluiper, dat het slechts door deskundigen
behoorlijk onderscheiden kan worden. Het drukt door de verschillende
intonaties, die er aan gegeven worden, verschillende gemoedstoestanden
uit; men hoort het daarom het meest van de oude Vogels, die hunne
jongen voederen. Het mannetje zingt uitmuntend; zijn gezang wordt
terecht slechts weinig lager geschat dan de nachtegalenslag. Sommige
schatten het lager, andere hooger dan dat van den Tuinfluiter. De
zuiverheid en kracht der tonen, welke op die van een fluit gelijken,
wegen volgens het oordeel van de vogelliefhebbers wel op tegen de
kortheid der strophen. Niet alle exemplaren zijn trouwens in dit
opzicht even begaafd. Alle zijn echter vol ijver; bijna gedurende
den geheelen dag, van den vroegen morgen tot 's avonds, weerklinkt
hun fraai gezang."

Deze Vogel broedt tweemaal per jaar: voor 't eerst in Mei, bovendien
nog in Juli. Zijn nest bevindt zich steeds in het dichte struikgewas:
waar naaldboomen de overhand hebben, gewoonlijk in de twijgen der
dicht opeengehoopte jonge sparren, waar breedgebladerde boomen
zijn, hoofdzakelijk in allerlei doornstruiken. Het is betrekkelijk
goed, maar geheel op de wijze van de nesten der andere soorten van
Grasmusschen gebouwd. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 langwerpig ronde
eieren met gladde, glanzige schaal, die op een vleeschkleurigen grond
een teekening van donkerder vleeschkleurige en bruinroode vlekken,
wolkjes en stippels vertoonen.

Wegens zijn uitmuntend gezang wordt de Zwartkop vaker dan alle overige
soorten van Grasmusschen in een kooi gehouden. "De Zwartkop," schrijft
Graaf Gourcy, "is een van de allerbeste zangers en verdient, naar
mijn smaak, in de kamer de voorkeur boven iederen Nachtegaal. Zijn
langdurig, in één adem voortgezet gezang is zoetvloeiender, het
biedt meer verscheidenheid aan en is niet zoo doordringend als dat
van de beide soorten van Nachtegalen, van welker slag de Zwartkop
toch vele bestanddeelen aan den zijnen toevoegt. Vele exemplaren
zingen bijna het geheele jaar door, andere 8 à 9 maanden lang. Die,
welke men zelf grootgebracht heeft, zijn niets waard, hoewel zij
soms een liedje leeren fluiten. Een dergelijke Vogel bootste het
wijsje van den postiljon uitmuntend na." Alle Zwartkoppen, zelfs
die, welke in volwassen toestand gevangen zijn, worden zeer tam en
zijn dan hun meester zoo genegen, dat zij hem dikwijls reeds, als
hij in de verte zichtbaar is, met gezang begroeten, en ook dan niet
ophouden, als hij hen met hun kooi ronddraagt. "In de hoofdstad van
Kanaria," verhaalt Bolle, "heeft men nog de herinnering bewaard aan
de Kapriote van een non, die gewoon was om dagelijks, als zij haar
nog jeugdig vogeltje eten gaf, herhaaldelijk: "Mi nino chiceritito"
("Mijn allerliefst vogeltje") te zeggen, welke woorden het diertje
zonder eenige inspanning luid en duidelijk leerde naspreken. Het
volk was opgetogen over het wonderbaarlijke verschijnsel, dat een
Zangvogel praten kon. Jaren lang was deze de trots van de bevolking;
groote sommen werden tevergeefs voor het dier geboden. De eigenares
kon niet scheiden van haar lieveling, die de eenige vreugde van haar
leven was en waardoor zij zich volkomen gelukkig gevoelde. Maar wat
schitterende beloften haar niet hadden kunnen ontnemen, werd aan de
vrouw ontroofd door den boosaardigen nijd, die zelfs onder de zoo
zachtzinnige en vriendelijke Kanariërs niet geheel is uitgedoofd:
de Vogel werd vergiftigd. Zijn roem heeft hem overleefd, nog lang
zal men te Ciudad de las Palmas over hem spreken."



De Tuinfluiter, die in Friesland Groote Grijze Hofzanger, in Groningen
Groote Hofzanger, bij Haarlem Kersenpikkertje heet (Sylvia hortensis,
afgebeeld op p. 38), staat als zanger nagenoeg op één lijn met den
Meesterzanger en den Zwartkop. Zijn lengte bedraagt 16 cM. Het wijfje
is kleiner, maar komt in kleur met het mannetje overeen. De veeren
van de bovenzijde zijn olijfkleurig grijs, die van de onderzijde
lichtgrijs, aan de keel en den buik witachtig; de slagpennen en
de staart zijn olijfkleurig bruin; het oog is licht grijsbruin;
de snavel en de voeten zijn vuil loodkleurig grijs.

Middel-Europa kan als het vaderland van den Tuinfluiter worden
beschouwd. In noordelijke richting strekt zijn verbreidingsgebied zich
uit tot den 69en breedtegraad; zuidwaarts neemt het aantal dieren van
deze soort schielijk af. Bij ons komen zij in het laatst van April of
in 't begin van Mei, om in September weder te vertrekken; zij broeden
hier overal in tuinen en langs wegen. Ook zij bewonen het woud en
houden zich zoowel in breedgebladerde boomen als in naaldboomen op;
toch verdienen zij den naam, die hun gewoonlijk gegeven wordt, want
iedere tuin die vele boomen bevat, vooral iedere boomgaard is in staat
om hen te lokken en te boeien. Zij leven zoowel in lage struiken als
in kronen van middelmatig hooge boomen, maar gaan om te zingen bij
voorkeur op een tamelijk hooge plaats zitten.

De Tuinfluiter is een rustige, goedaardige Vogel, die een stil maar
werkzaam leven leidt, waarin hij geen der hem omringende Vogels hindert
of vijandschap betoont; zelfs aan den mensch geeft hij eenige blijken
van vertrouwelijkheid; want, hoewel voorzichtig, is hij niet schuw
en verricht zijne bezigheden dikwijls onbeschroomd in de twijgen
van vruchtboomen waaronder menschen aan den arbeid zijn. Evenals
de andere Grasmusschen huppelt hij in sterk gebukte houding zonder
inspanning snel tusschen de takken door; op den bodem beweegt hij
zich echter even onbeholpen en zeldzaam als zij. Daar hij zich meer
in de boomen dan in de struiken ophoudt, ziet men hem vaker dan
de andere leden van zijn geslacht over groote, ongedekte terreinen
van den eenen boom naar den anderen vliegen; hij rept zich dan met
snellen vleugelslag in één richting voort, terwijl hij bij grootere
reizen een regelmatig heen en weer gebogen lijn volgt. Zijn lokstem
is een smakkend geluid, dat als "tek, tek" klinkt; hij waarschuwt
met een snorkend "rhahr"; zijn angstgeschreeuw is een moeielijk te
beschrijven gekwaak; een behagelijke stemming wordt te kennen gegeven
door de klanken "biwèwèwuu", die zoo zacht zijn, dat men ze alleen
op korten afstand kan hooren. Door zijn lied verdient de Tuinfluiter
een plaats onder de beste Zangers onzer bosschen en tuinen. Zoodra het
mannetje in de lente tot ons komt, vergast hij zijne vrienden op zijn
voortreffelijk gezang, dat geheel bestaat uit zachte, maar toch luide
en zeer afwisselende tonen, welke op die van een fluit gelijken en een
lange melodie vormen, welke met een matig snel tempo en meestal zonder
pauze wordt voorgedragen; tot na St. Jan hoort men dit lied gedurende
den geheelen dag, van 's morgens vroeg tot na zonsondergang, uit het
groene loover der boomen weerklinken. Alleen zoolang het mannetje zijn
ega bij het broeden behulpzaam is, zingt het gedurende de middaguren
niet, overigens musiceert het op elk uur van den dag bijna overpoosd,
totdat de jongen uit den dop gekomen zijn, dan maken de zorgen voor
het kroost veelvuldiger pauzen noodzakelijk. Alleen vroeg in den
morgen, juist als de schemering begint, zingt het zittend; op latere
uren rust het zelden en slechts voor eenige oogenblikken in een haag
of in de kroon van een boom; bijna voortdurend is het in beweging,
huppelt zingend van de eene twijg op de andere en zoekt intusschen
zijn voedsel. De melodie van den Tuinfluiter is langer dan die van
eenige andere, thans bekende Grasmuschsoort; zij gelijkt eenigszins op
die van den Zwartkop en nog meer op die van de Gestreepte Grasmusch;
zij zou, behoudens de gewoonlijk zuiverder wijze van fluiten, volkomen
gelijk zijn aan het gezang van de laatstgenoemde, indien hierin niet
eenige minder welluidende of minder zachte passages voorkwamen.

Het nest staat soms dicht bij, soms hoog boven den bodem, nu eens
in lage struiken, dan weer op kleine boompjes. Van alle nesten van
Grasmusschen is dit met de minste zorg samengesteld; vooral de bodem
van het nest is zoo dun, dat men zich er over verwonderen moet,
dat de eieren er niet doorzakken. Deze zijn ten getale van 5 of 6;
gewoonlijk zijn zij dofbruin en aschgrauw gevlekt en gemarmerd op
fletsch roodachtig witten grond. Als het paartje niet gestoord wordt,
broedt het slechts éénmaal per jaar.

Wegens zijn uitmuntend gezang wordt de Tuinfluiter dikwijls in een
kooi gehouden; hij is hiervoor even goed geschikt als eenige andere
soort van zijn geslacht, wordt spoedig zeer tam, zingt vlijtig
en kan het bij goede verzorging 10 à 15 jaren in de gevangenschap
uithouden. Hiermede is echter in tegenspraak de volgende aanhaling
uit A. Nuyens' "De Vogelwereld"; "De Tuinfluiter blijft in de kooi
zelden lang in 't leven. 't Is een teere Vogel, die men zorgvuldig
moet verplegen. Miereneieren, meelwormen, nachtegaalvoer, bessen en
vruchten zijn het aangewezen voedsel. Jongen, uit het nest opgevoed,
worden zeer tam, maar leven zelden langer dan 2 of 3 jaar in de kooi".



De algemeen bekende Braamsluiper (Sylvia curruca), ook wel
Molenaartje, Brummeldiefje, Babbelaartje, in Friesland Kleine
Grijze Hofzanger of Klappermannetje, in Groningen Kersenpikker, in
Noord-Brabant Garendiefje genoemd, gelijkt in kleur wel eenigszins
op den Tuinfluiter, maar is aanmerkelijk kleiner: hij is slechts
14 cM. lang. De bovenkop is aschgrauw, de rug bruinachtig grijs,
de teugel grijszwartachtig, de onderzijde wit, aan de zijden van
de borst met een geelachtig rood waas; de olijfbruine vleugel- en
staartvederen zijn aan de buitenzijde met een smallen, vaalbruinen,
die van den vleugel bovendien aan de binnenzijde met een witachtigen
zoom voorzien; de buitenste staartpen is aan de buitenzijde, zijn
eindhelft ook aan de binnenzijde wit. Het oog is bruin, de snavel
donkergrijs, de voet blauwachtig grijs.

Het verbreidingsgebied van den Braamsluiper omvat den geheelen
gematigden gordel van Europa en Azië; noordwaarts strekt het zich
uit tot Lapland, oostwaarts tot China, zuidwaarts tot Griekenland;
op den trek begeeft hij zich tot in Centraal-Afrika en Indië.

Bij ons broedt hij vrij algemeen, vooral in boschjes langs den
duinkant, in den omtrek van boerenwoningen en zelfs in stadstuinen op
heesters of ook op lage takken van boomen; hij komt gemiddeld 22 April,
soms eerst in Mei; in September verlaat hij ons weder. De Braamsluiper
is een zeer montere en lieftallige Vogel, die bijna nooit lang op
dezelfde plaats verblijf houdt, maar altijd in beweging is, gaarne
met andere Vogels stoeit en met zijne soortgenooten krijgertje speelt;
intusschen let hij niet op de tegenwoordigheid van den mensch en speelt
onbeschroomd in diens nabijheid. Bij guur en vochtig weder staan zijne
veeren soms ruig, overigens ziet hij er altijd glad en slank uit; hij
sluipt en huppelt behendig van tak tot tak en wordt hierdoor licht uit
het oog verloren door den persoon, die zijne bewegingen nagaat. Hoewel
hij gemakkelijk en vlug door de struiken huppelt, kost de beweging
op den grond hem veel inspanning; slechts zelden daalt hij daarom
op den bodem af. Hij vliegt met gemak en snel, wanneer hij groote
afstanden moet afleggen, maar in andere gevallen op een fladderende
en onvaste wijze. Zijn lokstem is een smakkende of klappende, zijn
angstroep een kwakende toon. Zeer dikwijls hoort men het mannetje
zingen. Dit gezang "bestaat uit een lang aangehouden zacht geluid,
uit allerlei bij afwisseling kwetterende en zacht fluitende, soms
piepende tonen, waaraan als slot een korter "forto" wordt toegevoegd;"
dit slotaccoord, waardoor zijn lied zich onderscheidt van dat van alle
andere Grasmuschsoorten, in een tjingelende of klapperende triller.

Het nest wordt gebouwd te midden van dichte struiken, laag boven
den grond, in het bosch bij voorkeur in sleedoornen en hagedoornen,
op akkers in omheiningen van doornachtige heesters, in tuinen meestal
in kruisbessenstruiken; het is zeer licht gebouwd, rust eenvoudig op
een twijg zonder er mede verbonden te zijn en gelijkt voor 't overige
op de nesten van de verwante soorten. Het broedsel bestaat uit 4 à
6 eieren met gladde schaal, die op een zuiver witten of blauwachtig
groenen grond aschgrauwe of paarsachtig grijze en geelachtig bruine
vlekken en stippels vertoonen. De beide ouders broeden om beurten,
zij zien de jongen binnen 13 dagen uitkomen, zijn even sterk aan hun
kroost gehecht als de andere soorten van Grasmusschen, maken evenals
deze van list gebruik, wanneer hunne lievelingen gevaar loopen en gaan
bovendien den naderenden vijand met angstig geschreeuw tegemoet. Hunne
jongen laten zij nooit in den steek, zelfs bij 't grootbrengen van den
hun opgedrongen jongen Koekoek, voor wien zij dikwijls als pleegouders
dienen, toonen zij veel zelfverloochening.

Evenals de meeste Grasmusschen laat ook de Braamsluiper zich
gemakkelijk verschalken; zonder moeite geraakt hij gewoon aan het
voedsel, dat men hem in de gevangenschap geeft en kan het dan lang
in de kooi uithouden.



De Rosse Grasmusch (Sylvia rufa), komt hier te lande niet voor, hoewel
zij in Duitschland broedt. Zij onderscheidt zich door haar slankheid en
is 15 cM. lang. De bovendeelen zijn roodachtig omberkleurig, de kin, de
keel en het onderste deel der wangen zijn wit, de overige onderdeelen
licht vleeschkleurig rood; de slagpennen en hunne dekveeren hebben
een breeden, roestbruinen zoom.

Deze soort is verder noordwaarts verbreid dan een harer verwanten: zij
wordt zelfs in het noorden van Skandinavië gevonden; in oostelijke
richting strekt haar verbreidingsgebied zich tot in West-Azië
uit. Tegen den winter trekt zij naar Middel-Afrika, ook de Kanarische
eilanden worden dan door haar bezocht. In Middel-Europa geeft zij
aan lage doornstruiken de voorkeur boven iedere andere verblijfplaats.

De Rosse Grasmusch is een buitengewoon bedrijvige, vlugge en behendige
Vogel; zij is geen oogenblik in rust, maar huppelt onophoudelijk in
de struiken rond en kan wegens de slankheid van haar lichaam zelfs
tusschen de meest verward dooreengegroeide twijgen zeer behendig
doorkruipen; alle schuilhoeken worden door haar onderzocht, met dit
doel blijft zij dikwijls geruimen tijd verborgen. Het gezang van
het mannetje is wel zeer gevariëerd, maar niet zeer klankvol; het
bestaat uit tal van afgebrokene tonen en moet, wat liefelijkheid en
fraaiheid betreft, bij dat van de meeste inheemsche Zangvogels ver
achterstaan. De Rosse Grasmusch laat haar gezang hooren niet slechts
als zij zit of staat, maar ook gedurende het vliegen. Zingend begeeft
zij zich naar den hoogsten top van een struik, verheft zich daarna
fladderend tot een hoogte van 15 à 30 M. en schiet, altijd door
zingend, fladderend in scheeve (of met tegen 't lichaam aanliggende
vleugels in bijna loodrechte) richting weer naar beneden. Voor een
deskundige is zij hierdoor reeds op een afstand kenbaar.

In de kooi houdt men dezen Vogel minder dikwijls dan zijne
verwanten. Zijn gezang bevalt niet aan iederen liefhebber; er wordt
echter te veel op afgegeven; de zanger verdient meer waardeering dan
hem tot nog toe ten deel gevallen is.



De Gebrilde Grasmusch (Sylvia conspicillata) is als 't ware een
verfraaide nabootsing van de Rosse Grasmusch in 't klein: zij is
12.7 cM. lang. Haar naam ontleent zij aan den witten ring, die het
oog omgeeft. Van de Rosse Grasmusch, waarvan zij volgens sommige
onderzoekers een verscheidenheid is, verschilt zij, behalve door de
geringere grootte en de fraaiere kleur, ook hierdoor, dat bij haar niet
de derde, maar de vierde slagpen van den eersten rang de langste is.

De Gebrilde Grasmusch kan beschouwd worden als karakteristiek voor
de kuststreken van de Middellandsche zee. Zij bewoont het zuiden van
Frankrijk, Spanje, Portugal, Noordwest-Afrika, Palestina tot Perzië,
Klein-Azië, Griekenland, het zuiden van Italië en bovendien de Eilanden
van het Groene Voorgebergte. In Spanje, zoowel als in Griekenland,
op Sardinië en op Malta, bevolkt zij de dorre berghellingen, die
met rosmarijn en andere zeer laag groeiende struiken, of met distels
bekleed zijn. Naar het schijnt, is zij hier standvogel of hoogstens
zwerfvogel.



De Baardgrasmusch (Sylvia subalpina) bewoont gedurende den broedtijd
alle zuidelijke kuststreken van de Middellandsche zee en Zwarte zee,
oostwaarts tot in Transkaukasië; gedurende den winter houdt zij zich
op in Middel- en West-Azië. Dit vogeltje is werkelijk allerliefst van
kleur: zijn bovenzijde is fraai aschgrauw, de onderzijde grootendeels
grijsachtig wit, de keel echter levendig roestbruin-rood en door
een smallen, witten band, die van den snavelwortel naar de schouders
loopt, gescheiden van de donker gekleurde bovenzijde; een krans van
roodachtige veertjes omgeeft het oog; de slagpennen en staartveeren
zijn donkerbruin; de buitenvlag van de staartpennen is voor drie
vierdedeel van zijn lengte wit, de binnenvlag met een lichtkleurige,
wigvormige vlek geteekend; de overige stuurpennen hebben een witten
zoom. Het oog is roodachtig grijs, het ooglid licht steenrood, de
snavel dof hoornglanzig zwart, de voet roodachtig grijs. De lengte
bedraagt 12.5 à 13 cM.

Alle middelmatig hooge en lage gebergten van het noorden van Spanje
zijn bedekt met een merkwaardig woud, dat door de inboorlingen
zeer eigenaardig "laag woud" of "struikwoud" wordt genoemd: een
dwergwoud in den waren zin van 't woord. Het bestaat uit prachtige
soorten van heideachtigen, cistusachtigen, altijd groene eiken-
en ijpenstruiken, die tot een nagenoeg ondoordringbare wildernis
vereenigd zijn. Enkele boompjes verheffen zich boven dit labyrinth
van planten en schijnen hooger dan zij werkelijk zijn, omdat men ze
onwillekeurig vergelijkt met het dwergwoud beneden hen. Dit woud, dat
ook in andere landen van Zuid-Europa en in Noordwest-Afrika velerwege
de overhand heeft gekregen, kan als het eigenlijke vaderland van de
genoemde dwergachtige Grasmusch aangemerkt worden. Daar zij argeloozer
is dan alle andere soorten van haar geslacht, kan men haar tot op zeer
korten afstand naderen om haar levenswijze na te gaan; zonder zich te
bekommeren over den mensch, die sluipend in haar nabijheid gekomen
is, laat zij haar liefelijk liedje hooren. Zoolang de aartsvijand
der dieren haar niet vervolgt, houdt zij deze, naar het schijnt,
in alle omstandigheden en overal voor een wezen, dat zij volstrekt
niet behoeft te vreezen. Hare handelingen vertoonen veel overeenkomst
met die van onzen Braamsluiper en nog meer met die van het Fluweelen
Kopje, dat dezelfde gewesten bewoont als zij. In haar wildernis van
struiken weet zij zich op uitmuntende wijze te redden; zij beweegt
zich echter meer boven dan in de heesterboschjes.



De tot dusver genoemde Grasmusschen komen zoozeer met elkander
overeen, dat iedere verdeeling van het geslacht in groepen overbodig
schijnt. Andere vertoonen een eenigszins afwijkend voorkomen,
daar de derde, vierde en vijfde slagpen van de zeer korte en sterk
afgeronde vleugels de overige in lengte overtreffen; de lange staart
is duidelijk trapvormig; de overige veeren van het ruim voorziene
kleed hebben haarvormige baarden.

Een van de meest bekende soorten van deze groep is het Fluweelen Kopje
(Sylvia melanocephala), dat een lengte heeft van 14 cM. De veeren
van de bovenzijde zijn grauwzwart, die van de onderzijde wit met een
roodachtig waas; de kop is fluweelachtig zwart, de keel zuiver wit; de
vleugels en de staart zijn zwart, de drie buitenste paren stuurpennen
en de buitenvlag der slagpennen echter wit. Het oog is bruingeel,
het naakte, sterk gezwollen ooglid steenrood, de snavel blauwgrijs,
de voet roodachtig grijs.

Te beginnen bij Zuid-Frankrijk en Zuid-Italië is het Fluweelen Kopje
over geheel Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië verbreid; het
wordt zelfs op de kleinste eilanden nog aangetroffen, wanneer hier
slechts dichte heesterbosschen voorkomen. In het "lage woud" en in
alle tuinen van Griekenland, Italië en Spanje is het veelvuldig. Het
trekt niet, maar blijft evenals al zijne verwanten voortdurend in
zijn geboorteland. Met den niet bijzonder schellen loktoon, die
als "trek trek trek" klinkt, vangt gewoonlijk ook het gezang aan:
een tamelijk lang lied met veel afwisseling, dat uit ratelende en
fluitende tonen samengesteld is en welks laatste gedeelte verscheidene
zeer lief klinkende strophen bevat. Dikwijls hoort men het lied van
dezen zanger ook, als hij van de eene plaats naar de andere vliegt
of wanneer hij opstijgt en weder op een tak neerstrijkt.



Op Sicilië, Sardinië, Corsika, de Balearen, in Portugal, Griekenland
en op de naburige eilanden leeft een tweede soort van dezelfde
groep, n.l. de Sardinische Grasmusch (Sylvia sarda). De veeren van de
bovenzijde zijn zwartachtig aschgrauw met een licht roestkleurig waas,
die van de onderzijde dof roestbruinachtig; de keel is witachtig,
de buik vuilwit; de slagpennen en stuurpennen zijn zwartbruin met
roestbruinachtigen zoom, het buitenste paar stuurpennen heeft aan
de buitenvlag een smallen, roestkleurig witachtigen rand. Het oog is
nootbruin, de naakte rand van het ooglid geelachtig vleeschkleurig, de
snavel zwart met geelachtigen rand aan den wortel van den ondersnavel,
de voet licht hoornkleurig.

Deze Grasmusch is misschien de algemeenste van alle op Sicilië
voorkomende Vogels. Zij bewoont gebergten en vlakten, maar uitsluitend
die, welker bodem met cistaceeën en heidestruiken begroeid is. Vooral
op heuvels vindt men haar in zeer grooten getale. Voortdurend is
zij in beweging, gaat van den eenen cistusstruik naar den anderen,
om in 't eene oogenblik Kevertjes uit een bloemkroon op te pikken,
in 't andere een fladderende Spanrupsvlinder over den grond loopend
te vervolgen. Van tijd tot tijd laat zij haar klankvol liedje
hooren, dat veel overeenkomst heeft met het gekweel van een jong
Kanarievogel-mannetje, maar ervan verschilt, doordat het evenals
het gezang van het Roodborstje met een mol eindigt. Ofschoon de
Sardinische Grasmusch niet zeer luid zingt, kan men haar lied toch
op een grooten afstand hooren, vooral sommige schellere tonen, die
bijna volkomen op het geluid van kleine klokjes gelijken.



De Provençaalsche Grasmusch (Sylvia provincialis), die men in Spanje
zeer dikwijls ontmoet, mag men als de naaste verwant van de vorige
soort beschouwen. Hare bovendeelen zijn aschgrauw, de onderdeelen
donker wijnrood; de keel is geelachtig wit gestreept; de slagpennen
en stuurpennen zijn bruinachtig grijs; de vier buitenste stuurpennen
van elke staarthelft hebben aan de spits een witten zoom. Het oog is
helder roodbruin en met een steenrooden ring omgeven; de snavel heeft
een zwarte kleur. De lage naaldhoutwildernissen der Catalonische
gebergten en hunne met forsche heidestruiken, met cistaceeën
begroeide noordelijke hellingen, de woestenijen van Valencia,
die slechts onvolkomen bekleed zijn met armoedig struikgewas,
de op steppen gelijkende hoogvlakten van Castilië, eikenwouden,
kreupelhout, lage heesterbosschen, kortom de "struikwouden" in
de uitgebreidste beteekenis van 't woord, zijn het vaderland van
deze vogelsoort. Nauwelijks heeft men den voet gezet in een dezer
oerwouden van de kleine leden van het zangersgilde, of men verneemt
de eenvoudige, maar aantrekkelijke liederen van den Provençaalschen
Zanger, welke zoo sprekend gelijken op die van zijn Sardinischen
collega; ook ziet men dan soms het roodborstige vogeltje op den top
van een struik.



Het soortenrijke geslacht der Rietzangers (Acrocephalus) [1] behoort
grootendeels in 't Noordelijke faunistische Rijk van de Oude Wereld
thuis; het is echter ook vertegenwoordigd in het Indische, het
Ethiopische en het Australische Rijk. Zijne kenmerken zijn: de slanke
romp, de langwerpige kop met plat voorhoofd en betrekkelijk dikke,
priemvormige of verlengd kegelvormige snavel, de krachtige voeten met
langen loop en dikke, in scherp gekromde nagels eindigende teenen, de
korte, afgeronde vleugels, welker spits gevormd wordt door de tweede
of door de tweede en derde handpen, de middelmatig lange, afgeronde,
trapvormige of wigvormige staart, het gladde, min of meer harde
vederenkleed, welks groene of grijsgeelachtige kleur in overeenstemming
is met die van riet en dergelijke langstengelige waterplanten.

Het uiterlijk en de bewegingen van deze zeer eigenaardige Vogels
staan in nauw verband met de plaats waar zij zich ophouden. Zij,
de zangers der met riet, zeggen, biezen en gras begroeide oorden,
leven steeds op den bodem en bezitten alle eigenschappen, die met
zulk een levenswijze samengaan. In alle opzichten hoog begaafd,
onderscheiden zij zich ook door hun gezang: hun lied is een moeras-
en waterlied. Hun voedsel zoeken en vinden zij op den bodem en op
korten afstand boven den waterspiegel, op de planten van de "wouden",
die zij bewonen en waarin zij hun meestal kunstvol nest bouwen.



De grootste en meest bekende soort van het geslacht is de Karekiet,
ook wel Rietlijster en Groote of Dubbele Karekiet genoemd (Acrocephalus
turdoides). Deze is 21 cM. lang. De veeren van de bovenzijde zijn
donkerbruin, die van de onderzijde roest-geelachtig wit, aan de keel
en het midden van de borst lichter. Het oog is donkerbruin, de snavel
donkerbruin, aan de onderzijde geel, de voet bruinachtig.

Met uitzondering van Groot-Brittannië bewoont de Karekiet, wiens
verbreidingsgebied zich noordwaarts uitstrekt tot in het noorden van
Zweden, alle vlakke gewesten van ons werelddeel, die tot de gematigde
luchtstreek behooren, en bovendien West-Azië; des winters bezoekt hij
het grootste deel van Afrika en dringt tot in Kaapland door. Nooit
verlaat hij de rietvelden; op reis zelfs vliegt hij van het eene water
naar het andere. Op zijn broedplaats verschijnt hij bij ons gemiddeld
den 7en Mei; hij blijft hier hoogstens tot in het einde van September.

In de lente, onmiddellijk na zijn aankomst, hoort men onophoudelijk van
den vroegen morgen tot laat in den avond (gedurende den eersten tijd
van zijn tegenwoordigheid in onze streken zelfs op alle uren van den
nacht) het luide, ver klinkende, uit volle, sterke tonen samengestelde
gezang van het mannetje, dat in verscheidene, op menigvuldige wijze
afwisselende strophen verdeeld is. Men zou zeggen, dat de aandacht,
die de zanger geschonken heeft aan de geluiden der Kikvorschen, in
zijne muzikale uitingen merkbaar is, want zij herinneren niet minder
aan het knorren en kwaken van deze waterbewoners, dan aan het lied
van den een of anderen Vogel. Zacht fluitende tonen worden door dezen
virtuoos niet voortgebracht; zijn geheele lied bestaat uitsluitend
uit krakende en krijschende geluiden. "Dorre dorre dorre, karre karre
karre, kerr kerr kerr, kai kai kai kai, karre karre karre, kiet"
zijn de duidelijkste en voornaamste bestanddeelen van dit lied. En
toch maakt het indruk. Er ligt iets gezelligs in deze klanken, iets
vroolijks in de wijze waarop zij voorgedragen worden. Omdat men
daar, waar zij ons oor treffen, bijna nooit het gezang van andere
Vogels hoort, maar gewoonlijk niet anders verneemt dan de stem van
watervogels, het snateren van Ganzen en Eenden, het kwaken van Reigers,
het ratelen van de Roode Patrijzen, stelt men trouwens ook bescheidener
eischen en is men geneigd een zachter oordeel uit te spreken.

De Karekiet broedt, evenals hare verwanten, niet voordat het nieuw
uitspruitende riet een voldoende hoogte heeft bereikt, dus op zijn
vroegst in het einde van Mei, meestal eerst omstreeks het midden
van Juni, gewoonlijk broeden verscheidene paren gezellig op één
broedplaats, zelfs wanneer deze slechts een kleine plas is. Het
nest staat doorgaans aan den waterkant van het rietveld en nooit
ver daarbinnen, integendeel dikwijls zeer vrij; bijna altijd is het
boven het water en niet boven den vasten grond gebouwd, aan of liever
tusschen 4, zeldzamer 5, hoogstens 6 riethalmen bevestigd, die in de
wanden van het nest zijn ingeweven of deze doorboren; geregeld bevindt
het zich op een hoogte, die door het water nooit bereikt wordt zelfs
bij buitengewoon hoogen stand, zelden een volle meter boven den
waterspiegel. Waarheidslievende onderzoekers hebben opgemerkt, dat
de Rietzangers in hun omgeving in sommige jaren, schijnbaar zonder
eenige aanleiding, hunne nesten veel hooger bouwden dan anders; tot
hun verwondering zagen zij in deze gevallen het weder plotseling, soms
lang nadat het nest gereed was, gedurende geruimen tijd regenachtig
worden, zoodat de waterstand in de plassen en rivieren ver boven de
gewone hoogte steeg; de nesten hadden hiervan echter geen hinder, maar
zouden overstroomd zijn, indien de Vogels ze niet hooger hadden gebouwd
dan gewoonlijk!--Het nest zelf is dikwandig en veel hooger dan breed,
de rand van de nestholte is binnenwaarts gebogen. De wanden bestaan
uit dorre grasbladen en halmen, die naar binnen toe steeds fijner
worden en met eenige worteltjes de binnenbekleeding vormen. Al naar
de standplaats van het nest worden de bladen verschillend gekozen,
ook wel met bastvezels van netels, met weegbree, zaadharen en zelfs
met spinsels van rupsen, hennepen wolvezels gemengd, terwijl droge
graspluimen, rosmarijnkronen, paardehaar en dergelijke stoffen voor
het bekleeden van de nestholte dienen. Het broedsel, dat uit 4 of
5 eieren bestaat, is zelden voor het midden van Juni voltallig. De
eieren, die op blauwachtigen of grijsgroenachtig witten grond met
zeer donkere, olijfbruine, aschgrauwe en leikleurige vlekken, punten
en veegen bijna gelijkmatig bedekt zijn, worden 14 à 15 dagen lang
ijverig bebroed. De jongen worden met Insecten grootgebracht, door
de ouden teer geliefd en tegen gevaar gewaarschuwd; zij staan ook na
het uitvliegen nog lang onder hun leiding.

Gevangen Karekieten zijn aangename kamergenooten, hoewel zij niet
lang de gevangenschap verdragen; zoodra zij gewend zijn aan het
voeder, dat zij in de kooi krijgen, zullen zij hunne veeren glad en
net houden, buitengewone behendigheid, vlugheid en bekwaamheid in
't klimmen ten toon spreiden en bovendien door zeer ijverig te zingen
hunne verzorgers genoegen geven; zij kunnen mettertijd zeer tam worden.



De Kleine Karakiet (Acrocephalus arundinaceus) draagt zijn naam
terecht, daar hij als 't ware een verkleinde nabootsing is van de
vorige soort. Men noemt hem ook wel Rietvink. Hij is 14 cM. lang,
aan de rugzijde roestkleurig bruin, aan de buikzijde zeer licht
roestgeel, bijna wit; boven de oogen bevindt zich een helder
roestkleurig bruine streep. Ook door zijn wijze van nestelen in
rietvelden en met riet begroeide slootkanten gelijkt hij veel op
zijn grootere verwant. Terwijl deze in ons land vooral aan met riet
begroeide oevers van meren of andere uitgestrekte wateren aangetroffen
wordt, is gene met kleinere plassen en sloten tevreden en daarom meer
algemeen verbreid. Hij komt gemiddeld den 26sten April in Friesland
(Albarda), in andere provinciën iets vroeger, en vertrekt in 't laatst
van Augustus. De eieren zijn op groenachtig of grijsachtig witten
grond meer of minder dicht bezet met olijfgrijze of olijfbruine,
ook wel met aschgrauwe vlekken.



Nog algemeener dan de vorige soort, waarmede hij in grootte en
kleur nagenoeg geheel overeenstemt, is de Boschrietzanger of het
Wilgensijsje (Acrocephalus palustris); zijn levenswijze is echter
anders, hij nestelt niet in 't riet, maar in 't kreupelhout langs
sloot- en waterkanten dicht bij den grond, vooral tusschen brandnetels
of wilgetwijgen.

De vleugels en de staart zijn iets langer; de snavel en de voeten
iets korter en krachtiger dan die van zijn evenknie. De eieren zijn
groengrijs met donkerder groene stippen. Van alle Rietzangers heeft
deze de grootste muzikale gaven. Zijn zang is rijk aan afwisseling
en met aangename fluittonen gemengd; hij herinnert aan het gezang
van sommige Grasmusschen.



De algemeenste van alle inheemsche soorten van Rietzangers is die,
welke meer bepaalde Rietzanger, bij Rotterdam ook wel Trintrampje
wordt genoemd (Acrocephalus schoenobaenus) [2]. Zijn lengte
bedraagt 14 cM. De bovendeelen en de smalle buitenzoomen van de
donkerbruine slagpennen, vleugeldekvederen en stuurpennen zijn
vaalbruinachtig; de mantel en de schouders vertoonen wegsmeltende,
donkere schaftstreepen. Op het midden van de kruin en den bovenkop
komt op zwartbruinen grond een vaalbruinachtige, donker gestreepte,
overlangsche veeg voor, aan weerszijden een breede wenkbrauwstreep,
de teugel is met een door 't oog gerichte, smalle streep versierd,
de zijden van den kop en de onderdeelen zijn teer roestgeelachtig,
de keel, de buik en de onderdekveeren van den staart lichter, meer
witachtig van kleur.

Van den 68en graad N.B. af is de Rietzanger over geheel Europa
verbreid; ongeveer bij dezelfde breedte begint zijn verbreiding ook
over West-Siberië en West-Azië.

Onze Vogel bewoont bij voorkeur moerassen en waterkanten, het
liefst plaatsen welke met hooge zeggen, biezen en andere smalbladige
moerasplanten begroeid zijn, bovendien echter ook velden in moerassige
streken, die door waterstroomen met riet langs de oevers omsloten zijn,
kortom het moeras en niet het rietbosch. Hij komt hier gemiddeld den
20en April en verlaat ons eerst in October; enkel ziet men hem zelfs
nog in November. Den winter brengt hij in Middel-Azië door.

De Rietzanger overtreft als sluiper alle tot dusver genoemde soorten
en is in dit opzicht de evenknie van den Sprinkhaan-rietzanger. Met de
vlugheid van een Muis beweegt hij zich door een doolhof van planten
of op den grond; minder behendig toont hij zich bij 't vliegen,
daar hij nu eens snorrend, dan weer fladderend, in den waren zin van
't woord wippend, volgens een kronkellijn zich voortbeweegt, zelden
groote afstanden vliegend aflegt en meestal plotseling regelrecht
in het moeras neerstrijkt. Zijn lokstem is een knippend geluid; een
onbehagelijke gemoedstemming geeft hij door een snorkend "sjarr" te
kennen, angst door een krijschend gekwaak; zijn zeer aangenaam gezang
is gekenmerkt door lange, luide, trillende fluittonen, die dikwijls
herhaald worden; het gelijkt op dat van andere Rietzangers, maar
brengt toch ook weer dat van den Kwikstaart of van de Boerenzwaluw
in herinnering; er is zooveel afwisseling in, dat het op een lijn
gesteld kan worden met het lied van de Grasmusch.

In den regel houdt de Rietzanger zich zooveel mogelijk verborgen;
gedurende den paartijd echter vertoont hij zich aan den top van
hooge planten of op vrij uitstekende takken, om te zingen of om een
mededinger op te sporen, wiens lied zijn ijverzucht prikkelt. Uit
nieuwsgierigheid handelt hij op soortgelijke wijze. Als men een
Patrijshond de struiken laat doorzoeken, waarin zich een Rietzanger
ophoudt, ziet men dezen dikwijls bij een bies- of riethalm omhoog
klauteren, om zich heen kijken en daarna bliksemsnel weer omlaag
verdwijnen. Terwijl het wijfje broedt, zingt het mannetje op alle
tijden van den dag zeer ijverig, het meest in de morgenschemering,
maar ook gedurende heldere nachten; zonder hem zou men in de gewesten,
die hij op deze lieftallige wijze vervroolijkt, nagenoeg nooit klanken
en zangen vernemen. Een groote verandering is in hem op te merken,
zoodra hij in vuur geraakt. In opgewonden toestand gedraagt hij zich
zóó, dat een ongeoefende hem vermoedelijk voor een geheel anderen
Vogel zal aanzien; dan vliegt hij, vooral bij fraai weder en omstreeks
het midden van den dag zeer dikwijls met langzame vleugelslagen van
zijn zitplaats in schuinsche richting al zingend omhoog, zweeft,
de vleugels zoo hoog houdend dat de spitsen elkander aanraken,
langzaam weer omlaag, of schiet regelrecht van boven naar beneden;
intusschen gaat hij steeds voort met luidkeels te zingen en blaast
zich bovendien tot een bal op.

De Insecten, waarmede de Rietzanger zich voedt, zijn ongeveer dezelfde
als die, welke aan zijne verwanten tot spijs dienen; bessen eet hij
eveneens. Het nest wordt gebouwd op zeer verschillende plaatsen,
die in den regel moeilijk toegankelijk zijn; o. a. vindt men het
op sekgraspollen tamelijk diep in het moeras, dikwijls echter op
volkomen droog land, soms in de nabijheid, soms op een afstand van
100 à 200 schreden van het water, zelfs op een met struiken en grassen
begroeid zandig terrein, nu eens op den bodem zelf, dan weer in lange
knotwilgjes, tusschen wilgetwijgen, netelstengels en andere stevige,
als pijlers dienende planten vastgeweven. In het begin van Juni
vindt men in dit nest 5 of 6 eieren, die aan het eene uiteinde sterk
afgerond zijn, aan 't andere buitengewoon spits toeloopen. Zij zijn
op vuilwitten of grijsachtig witten grond met doffe en onduidelijke
vlekken en krieuwelige stippels van bruingrijze en grijze kleur
geteekend en gemarmerd. De jongen verlaten het nest niet voordat zij
volkomen in staat zijn om te vliegen; zij gebruiken hunne vleugels in
den eersten tijd in 't geheel niet, maar kruipen als Muizen tusschen
de dichtste waterplanten door.

Gevangen Rietzangers behooren tot de zeldzaamheden, niet omdat zij
moeielijk te onderhouden, maar omdat zij moeielijk te vangen zijn.



De Water-rietzanger (Acrocephalus aquaticus) gelijkt op de vorige
soort, maar is meer ros van kleur; hij bewoont het warme gedeelte van
Europa, maar broedt in kleinen getale ook in Midden-Europa. Van tijd
tot tijd komt hij in ons land voor, zooals reeds door Temminck werd
verzekerd. In September 1887 ontving de verzameling van Natura Artis
Magistra te Amsterdam twee voorwerpen, welke zich tegen de vuurtorens
van IJmuiden hadden doodgevlogen. Levend werd daar in Augustus 1889
een mannelijk exemplaar gevangen, dat in de Amsterdamsche diergaarde
een plaats vond (Albarda).



De Sprinkhaan-rietzangers (Locustella) verschillen in gestalte en
aard voldoende van hunne verwanten om den rang van een geslacht in te
nemen. De romp is slank, de snavel breed, naar de spits priemvormig,
de voet tamelijk hoog en met lange teenen voorzien; de vleugels zijn
kort en afgerond; van de handpennen zijn de tweede en de derde langer
dan de overige; de staart is middelmatig lang, breed en trapvormig;
de onderdekveeren van den staart zijn zeer lang, de overige veeren
zacht en fijn; zij hebben een somber bruinachtig groene kleur en zijn
op den rug en de voorborst met donkerder vlekken geteekend.



Als type van dit geslacht geldt de Sprinkhaan-rietzanger, die aan den
duinkant boven Haarlem Stapel genoemd wordt (Locustella naevia). Hij
is 13.5 cM. lang. De veeren van de bovenzijde zijn olijfbruin, op
den kop met kleine, rondachtige, op den mantel en de schouders met
breede, pijlvormige, bruinzwarte vlekken geteekend; de onderdeelen
zijn bijna roestgeel, de kin, de keel, de onderborst en het middenste
gedeelte van den buik zijn lichter van kleur en zweemen naar wit,
op den kop met fijne, donkere schaftstreepen, op de onderdekvederen
van den staart met breede, uitvloeiende schaftvlekken geteekend; de
slagpennen zijn zwartachtig bruin met smalle olijfgrauwe zijkanten,
die naar achteren breeder worden, de stuurpennen donkergroenachtig
bruingrijs, met lichter gekleurden zoom en gewoonlijk met donkerder
dwarsbanden. Het oog is grijsbruin, de snavel hoornkleurig, de voet
licht roodachtig.

Van Zweden of Rusland af is de Sprinkhaan-rietzanger over geheel
Middel-Europa verbreid; op den trek komt hij in het zuiden van ons
werelddeel of Noordoost-Afrika. Hij bewoont de vlakten, komt echter
geenszins overal, maar slechts plaatselijk hier en daar zeer veelvuldig
voor, op andere plaatsen, vooral in 't gebergte, in 't geheel niet. Ten
onzent werd hij vooral op duingronden, hetzij in de doornstruiken langs
den strandreep, hetzij in het eikenhout langs den duinkant of in de
duinpannen, waargenomen. Hij nestelt daar in het gras en in kruiden,
het liefst in of bij struikgewas; het nest is tamelijk diep, bevindt
zich op of zelfs gedeeltelijk in den grond en bevat zes rondachtige,
witte, rood- en bruinachtig gevlekte en gemarmerde eieren. Het
broeden werd waargenomen in Noord-Holland bij Zandpoort en Velsen,
in Zuid-Holland bij Lisse, Wassenaar en Sassenheim, in Noord-Brabant
bij Cromvoirt (Albarda).--Deze Vogel, die behendig loopt, zoekt zijn
voedsel, dat uit Insecten bestaat, veelal op den grond. Zijn zang,
dien hij dikwijls gedurende den geheelen nacht laat hooren, kan met
dien van den Grooten Groenen Sprinkhaan vergeleken worden. Hieraan
ontleent hij zijn naam.



De Nachtegaal-rietzanger, bij Rotterdam Snor genoemd (Locustella
luscinoides), is meer bruin van kleur dan de vorige soort en heeft
eenigszins zeisvormige vleugels. In ons land werd hij tot dusver
slechts aan en bij de Maas, bij Kralingen en in het Kralinger meer,
broedend gezien. Hij bewoont het riet of het gras, klimt zeer vlug
langs halmen en andere stengels op en loopt met gemak langs den
grond. Zijn zachte, snorrende zang heeft deze eigenaardigheid,
dat hij niet van de zijde waar de Vogel zich bevindt, maar van de
tegenovergestelde zijde schijnt te komen. Het nest is 1.5 à 4.5
dM. boven het water tusschen riet- en grashalmen geplaatst en ruw
uit rietbladeren opgebouwd; het bevat 5 witachtige, fijn geelachtig
en bruin gevlekte eieren.



De Spotters (Hypolais) zijn over het Noordelijke faunistische Rijk
der Oude Wereld, het Indische en het Ethiopische Rijk verbreid. Deze
betrekkelijk groote Grasmuschachtige Vogels hebben een grooten,
dikken en breeden snavel met scherpe, doch nagenoeg niet ingebogen
randen, stevige voeten, matig lange vleugels, waarin de derde en
vierde slagpennen voorbij de andere uitsteken en een middelmatig
langen of korten, ondiep uitgeranden staart.

De Spotvogel, ook wel Geelborstje, Geelbuikje of Citroentje, in
Friesland Groote Gele Hofzanger genoemd (Hypolais philomela) [3] is
aan de bovenzijde olijfgroen grijs, op den teugel en aan de onderzijde
bleek zwavelgeel, welke kleur in de oorstreek, op de zijden van den
hals en van den romp ongevoelig in zwak olijfkleurig grijs overgaat;
de slagpennen zijn olijfbruin; hun buitenvlag heeft een groenachtigen,
de binnenvlag een breeden, vaal witten zoom; de staartveeren zijn
lichter van kleur dan de slagpennen en aan den buitenrand evenals
deze gezoomd. Het oog is donkerbruin, de snavel grijsbruin, aan den
wortel van de onderkaak roodachtig geel, de voet lichtblauw. Deze
Vogel is 10.5 cM. lang.

Middel-Europa mag het vaderland van den Spotvogel genoemd worden. Van
hier is hij noordwaarts tot in Scandinavië verbreid; Griekenland
bezoekt hij niet anders dan op den trek.

Meer dan zijne verwanten is de Spotvogel weekelijk en kouwelijk. Hij
komt hier eerst terug, als alle boomen in 't blad staan, nl. tegen
half Mei (in Friesland gemiddeld op 7 Mei) en vertrekt weer tegen
September. Den winter brengt hij in Afrika door. Hij houdt zich
gaarne in de onmiddellijke nabijheid van den mensch op, geeft aan
tuinen en boomgaarden de voorkeur boven het bosch, vestigt zich
hier liever in de boschranden dan in het eigenlijke woud, ontbreekt
geheel in de naaldboombosschen en begeeft zich ook niet naar hooge
bergstreken. Tuinen met heggen en struiken, waar vlier, liguster,
sering, kornoelje en dergelijke heesters dicht bijeen groeien en niet
al te laag blijven of boomgaarden, welker omheiningen uit heesters
bestaan, dienen hem geregeld tot verblijfplaats. Hier te lande vindt
men hem overal, waar houtgewas voorkomt, zelfs in stadstuinen.

Bij de keuze van zijn woonplaats gaat hij zeer zorgvuldig te werk;
aan een gebied, dat eens door hem in bezit genomen werd, toont
hij zich zeer gehecht en keert er iederen zomer in terug, zoo lang
hij leeft. Slechts gedurende het zingen blijft hij lang op dezelfde
plaats; overigens is hij bijna voortdurend in beweging. Zijn lokstem
is een zacht "tek, tek," waaraan ook wel een welluidend "teruut"
wordt toegevoegd, als uitdrukking van een bijzonder verlangen, van
ijverzucht of toorn of tot waarschuwing tegen een dreigend gevaar; zijn
boosheid en misschien ook wel zijn strijdlust geeft hij gewoonlijk
te kennen door de klanken "hettettet." Zijn gezang maakt niet op
iedereen indruk en wordt daarom verschillend beoordeeld; trouwens
alle Spotvogels zingen niet gelijk: de eene is uitmuntend begaafd
en mengt de meest verschillende geluiden van Vogels uit den omtrek
door zijn wijsje heen; de andere is een erbarmelijke brekebeen, die
slechts weinige welluidende tonen voortbrengt en de minder aangename
het sterkst doet uitkomen. Zij zingen van 't aanbreken van den dag
tot tegen den middag en 's avonds tot aan 't ondergaan van de zon;
den meesten ijver toonen zij, zoolang het wijfje broedt, of een
medezinger hen tot den strijd uitdaagt.

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kevertjes en andere kleine,
vliegende Insecten, die zij van de bladen afzoeken of in de vlucht
vangen.

De Spotvogel broedt, wanneer hij niet gestoord wordt, slechts éénmaal
in 't jaar, n.l. tegen het einde van Mei of in 't begin van Juni. Het
nest wordt in den regel in den dichtsten struik van zijn gebied
gebouwd, liefst in vlier, hazelaar, liguster of hondsboompjes, zelden
of nooit in gedoornde heesters; hoewel er geen zeer verborgen plaats
voor gekozen wordt, is het toch altijd door bladen overschaduwd. Het
heeft den vorm van een diepen nap; zijn buitenwand is van droog gras,
bastvezels, wol van planten en dieren, berkenbast, rupsenspinsels,
papier en dergelijke stoffen zeer kunstig en stevig saamgevoegd; van
binnen is het met eenige veeren bekleed en met fijne grashalmen en
paardehaar gevoerd. De 4 à 6 langwerpige eieren zijn op rozerooden of
rozerood-olijfgrijzen grond met zwartachtige of roodbruine stippels
en adertjes geteekend. De mannetjes en wijfjes broeden om beurten;
de jongen komen binnen 13 dagen uit en worden door de ouders met
allerlei kleine Insecten grootgebracht.

De Spotvogel kan in een kooi zeer moeilijk in 't leven gehouden worden;
men moet hem zeer zorgvuldig behandelen, mierenpoppen, meelwormen en
dergelijk voedsel geven; in 't gunstigste geval kan men hem dan een
jaar, soms langer behouden.



In Zuid-Europa en Noordwest-Afrika komen andere soorten van 't zelfde
geslacht voor--o.a. de Grijze Spotvogel (Hypolais opaca)--die in
levenswijze met den bij ons inheemschen vorm overeenkomen.



De naaste verwanten van de Spotters zijn de Boschzangers (Phylloscopus)
[4]. Deze kleine Vogeltjes hebben een zwakken snavel, die aan
den wortel eenigszins verbreed, overigens priemvormig en van voren
zijdelings samengedrukt is, middelmatig lange, zwakke voeten, waaraan
korte teenen voorkomen, tamelijk lange vleugels, welker derde en
vierde slagpennen langer zijn dan de overige, een matig langen,
recht afgesneden of flauw uitgeranden staart en een los vederenkleed,
dat bij beide seksen nagenoeg dezelfde kleur heeft.



In ons vaderland broeden drie soorten van Boschzangers, welker
levenswijze in hoofdzaak overeenkomt. Het meest algemeen verbreid
zijn de 12 cM. lange Fitis of Kleine Gele Hofzanger (Phylloscopus
trochilus) en de 1 cM. kortere Tjiftjaf (Phylloscopus rufus) die
in Friesland Duimpje, in Groningen Tierentijn, bij Haarlem Klein
Vinkenbijtertje heet. Beiden komen in tuinen en boschjes voor. De
13.5 cM. lange Fluiter (Phylloscopus sibilatrix) is hoofdzakelijk
beperkt tot droge gronden, zooals in Gelderland en langs onze duinen,
waar hij het meest in sparren en beukenbosschen voorkomt.

Bij de Fitis is de rugzijde groenachtig grijs, op den stuit in groen
overgaande, de buikzijde lichtgeel met uitzondering van de witte
borst en buik; de slagpennen en de staartveeren zijn olijfkleurig
bruin, beide op de buitenvlag met een smallen, bruinachtig groenen,
de eerstgenoemde bovendien op de binnenvlag met een breederen,
witachtigen zoom voorzien; de wangen zijn geelachtig; boven de oogen
komt een lichtgele streep voor; de pooten zijn bruinachtig geel.

De bovendeelen van den Tjiftjaf zijn groenachtig bruingrijs, de
onderdeelen vuilwit, aan de zijden geelachtig, de keel en de krop
bruinachtig, de slagpennen en de staartveeren ongeveer als bij de
Fitis, de onderste vleugeldekveeren geel; een smalle streep boven de
oogen is geelachtig wit, een onduidelijke streep aan den teugel bruin;
de pooten zijn zwartbruin.

De Fluiter onderscheidt zich van zijne verwanten door een diep
uitgesneden staart; zijn rugzijde is geelachtig groengrijs, de
buikzijde zuiver wit, behalve de kin, de keel, de voorborst en de,
onderste vleugeldekveeren, die, evenals de zijden van den kop en
een tot aan de slapen reikende streep boven de oogen, een bleekgele
kleur hebben; de slagpennen en de staartvederen zijn olijfbruin, naar
buiten met smalle groene, naar binnen met witte randen; de pooten
zijn roodachtig bruingeel.

Het verbreidingsgebied van deze drie Boschzangers omvat geheel
Middel-Europa en West-Azië; dat van de Fitis strekt zich oostwaarts
over het grootste deel van Azië en zuidwaarts tot aan de Middellandsche
zee uit; de Tjiftjafs komen nog in het noorden van Zweden voor; hunne
beide verwanten gaan niet verder dan het midden van dit rijk. Alle
overwinteren in Afrika; de Fitis begeeft zich het verst zuidwaarts
en wordt dan ook in Indië gevonden; terwijl de beide andere soorten
in Noord- en Midden-Afrika blijven.



Onopgemerkt of zonder herkend te worden trekt ieder jaar een
Boschzanger, die in het verafgelegen Oost-Azië broedt, door Europa
en soms ook door ons vaderland om op een afstand van vele duizenden
kilometers van zijn nestelplaats, in West-Afrika, den winter
door te brengen: dit doet de Grauwstuit-boschzanger (Phylloscopus
superciliosus). De bovendeelen van dezen Vogel zijn dof olijfkleurig
groen; een licht geelachtige, tamelijk breede, met zwart omzoomde
streep, die bij het neusgat aanvangt, strekt zich over de oogen
uit tot aan den achterkop; over het midden van den kruin loopt een
tweede, onduidelijke streep van lichtere kleur dan de omliggende
veeren; de zijden van den romp, van den krop tot de schenkels zijn
teer groenachtig geel, overigens zijn de onderdeelen geelachtig wit;
de slagpennen en de staartveeren zijn zwartbruin, naar buiten met
smallen olijfgroenen zoom; de slagpennen zijn ook aan de binnenzijde
wit gezoomd; de armpennen en de grootste bovendekvederen van den
vleugel hebben aan de spits een bleekgelen rand, waardoor twee lichte
dwarsstrooken op de vleugels ontstaan. Dit vogeltje is 9 à 10 cM. lang.

De uitgestrektheid van het broedgebied van den Grauwstuit-boschzanger
is tot dusver nog niet bekend; alleen weet men, dat hij Toerkistan,
Oost-Siberië (te beginnen bij het meer van Baikal), China en het
Himalaja-gebied bewoont, dat hij op een hoogtegordel tusschen 1000 en
2500 M. verblijf houdt en broedt, en iederen winter naar het zuiden
van Indië trekt. Bijna even geregeld, maar steeds in veel geringer
aantal volgt hij ook den westelijken weg door Noord- en West-Europa;
volgens Gätke ziet men hem bijna ieder jaar op het kleine eiland
Helgoland, waaruit deze nauwgezette onderzoeker de onderstelling
put, dat deze Vogel ongetwijfeld ieder jaar door Duitschland trekt,
hetgeen ons alleszins aannemelijk voorkomt. Werkelijk heeft men onzen
Boschzanger in de meest verschillende landen van Europa gevangen,
o. a. herhaaldelijk in den omtrek van Berlijn en in Anhalt, bovendien
in Engeland, in Nederland (éénmaal bij Leiden), bij Weenen, bij Milaan
en in Palestina.



De bewegingen en de handelingen van de Boschzangers verraden een
voortdurende blijmoedigheid. Stil op een en dezelfde plaats te blijven
kost hun moeite. Evenals de Grasmusschen zijn zij bijna onophoudelijk
in beweging; nu eens sluipen zij behendig tusschen de twijgen door, dan
weer vliegen zij naar den top van een twijg, blijven er voor fladderen
om een Insect op te pikken, of begeven zich zingend naar een anderen
boom. En wanneer het al eens gebeurt, dat zij een poos op dezelfde
plaats blijven zitten, wippen zij voortdurend met den staart. Zij
vliegen fladderend en min of meer onvast op en neer; ook als zij
een grooteren afstand doorvliegen, volgen zij een onregelmatige,
uit langere en kortere bogen samengestelde kronkellijn. Het gezang
van de Fitis bestaat eenvoudig uit een opeenvolging van zachte tonen,
die als "huu-ied, huu-ied, ho-ied, ho-ied, ho-ied, ho-ied" klinken,
maar het smeltende van deze fluitende geluiden, hun opklimming en
weekheid, maakt dit gezang zoo eigenaardig en aantrekkelijk, dat het
de voorkeur verdient boven den slag van vele Vogels. Alle soorten
zingen ijverig zoolang de broedtijd duurt, intusschen blazen zij de
keel op, zetten de veeren van de kruin overeind en laten de vleugels
hangen of brengen ze in trillende beweging; beginnen reeds 's morgens
zeer vroeg te zingen en blijven aan den gang tot na het ondergaan
van de zon. Het eveneens aangename gezang van den Fluiter, hoewel
even kort als dat van de Fitis, klinkt geheel anders; de voornaamste
strophe van zijn lied kan ongeveer door "siesiesiesiesierrrrrierrierr"
nagebootst worden. Het lied van den Tjiftjaf begint met de syllaben
"triep, triep, triep, het", waarop de luidere klanken "diëllr, dellr,
diëllr, dellr" volgen.

Alle Boschzangers bouwen op of onmiddellijk boven den bodem een meer
of minder kunstig nest, dat den vorm heeft van een bakkersoven. De
Fluiter kiest als nestelplaats het onderste deel van een ouden
boomstomp of den voet van den een of anderen boomstam, die met heide,
boschbessen, mos of gras dicht omgeven is, vervaardigt hier van
stevige grashalmen, fijne houtspaanders, mosstengels, denneschors,
splinters en dergelijke materialen een koepelvormig gebouw, dat
een middellijn van 13 cM. buitenwerks en een ingangsopening van 4
cM. wijdte heeft; van binnen wordt het met fijne grashalmen zeer
netjes gevoerd. Om dit groote werkstuk tot stand te brengen maakt
het wijfje eerst het kuiltje, waarin het nest aangebracht zal worden;
door met groote moeite de gras- en mosstengels uit te trekken en met
den snavel zoolang in den grond te woelen, totdat deze halfbolvormig
uitgehold is. Eerst nu beginnen zij de bouwmaterialen voor het nest
bijeen te brengen en te ordenen; hoewel zij alleen in de morgenuren
hiermede bezig zijn, werken zij met zooveel ijver en vlijt, dat het
geheel in weinige dagen voltooid is. Gedurende den arbeid trachten
zij zich zooveel mogelijk schuil en hun woning geheim te houden;
ver van hier plukken zij het mos en het gras dat zij noodig hebben,
vliegen er mede op hooge, dicht bij 't nest staande boomen en strijken
eerst van hier uit neder op de plaats, waar zij aan 't bouwen zijn.

Behalve van de behaarde en bevederde roovers, die op allerlei
kleine Vogels jacht maken, hebben de jongen in het nest van den
Boschzanger veel te lijden van Muizen en Boschspitsmuizen, misschien
ook van Slangen, en Hagedissen, nog meer echter van lang aanhoudende
plasregens. Alleen in Italië, het zuiden van Frankrijk en Spanje
maakt de mensch jacht op deze lieve, wakkere Vogels om ook hen in
de keuken te gebruiken. Men ziet de Boschzangers zelden in de kooi,
hoewel zij zeer wel in 't leven gehouden kunnen worden, wanneer hun
een behoorlijke verzorging ten deel valt; daar zij spoedig tam en
gemeenzaam worden schenken zij hun meester ruimschoots vergoeding
voor de aan hen besteede moeite.



De Goudhaantjes (Regulus) hebben een rechten, dunnen, aan den wortel
eenigszins verbreeden snavel, welke zoo scherp is als een naald; de
snavelrug is tamelijk hoog; de bovensnavel is vóór de benedenwaarts
gebogen spits met een ondiepe inkerving voorzien. De voet is slank en
heeft een langen loop; de vleugels zijn kort, sterk afgerond en breed;
de vierde en vijfde slagpen zijn de langste; de middelmatig lange
staart is eenigszins uitgesneden; hun vederenkleed is rijk voorzien
en bestaat uit lange wijdbaardige veeren. De leden van dit geslacht
bewonen Europa, Azië en Noord-Amerika.



Het ruim 9 cM. lange Goudhaantje (Regulus cristatus) wordt ook wel
Goudsbloem of St. Maartens vogeltje, bij Haarlem ook Sparresijsje of
Bergsijsje genoemd. De bovenzijde is vaal olijfgroen; de rand van
het voorhoofd en een streep boven de oogen zijn lichter van kleur;
de veeren van den bovenkop zijn geel, die van de kruin lang en schel
oranjekleurig, aan weerszijden door een groote, overlangsche streep
begrensd; de onderdeelen zijn roestgeelachtig wit, de slagpennen en de
staartvederen olijfbruin, de armpennen hebben aan de binnenzijde een
witten rand en achter den geelachtig witten wortel van de buitenvlag
een zwarte dwarsstreep, de achterste bovendien een witte vlek aan de
spits; de dekveeren van de armpennen en de voorste van de dekveeren
der voorafgaande reeks zijn aan de spits met een breeden, geelachtig
witten rand versierd, waardoor twee dwarsbanden ontstaan. Het oog is
donkerbruin, de snavel hoornglanzig zwart, de voet bruinachtig.

Het verbreidingsgebied van het Goudhaantje omvat nagenoeg geheel
Europa en het noorden van Azië tot aan het Amoer-gebied. Hoewel niet
veelvuldig, broedt het ook in ons vaderland, vooral in de oostelijke
grensprovinciën, bovendien in Friesland (Beetsterzwaag, Olterterp),
Zuid-Holland (Oudewater, Lisse), Noord-Holland (Hilversum). Veel
grooter echter is het aantal der Goudhaantjes, die in October op den
trek uit het noorden tot ons komen; sommige zwerven gedurende den
geheelen winter in onze bosschen rond, de overige begeven zich naar
't zuiden, trekken in Maart en April weer door ons land en bezoeken
dan dezelfde oorden als in den herfst, n.l. tuinen, streken waar veel
kreupelhout groeit, naaldhoutbosschen en bosschen met breedgebladerde
boomen. In Duitschland, waar zij "Wintergoudhaantjes" worden genoemd,
zijn zij evenals bij ons standvogels en zwerfvogels. Dikwijls komt
het voor, dat één van deze vogeltjes gedurende het geheele jaar in
een gebied van één of een half uur middellijn te vinden is. Ook in de
hooge bergstreken van Zuid-Europa worden zij des zomers aangetroffen;
in de naburige vlakten komen zij in den herfst, om in het begin van
de lente weer te vertrekken.



Het Vuurgoudhaantje (Regulus ignicapillus) komt in vorm en grootte
met de overige soort overeen, maar verschilt er op elken leeftijd van
door een witte streep boven en een zwarte streep over de oogen. Het
middelste deel van de kruin is vuurrood, naar weerszijden in schel
geel overgaande; de zwarte streep, die deze "kroon" begrenst, is
breeder dan bij den minder schitterend gekroonden vorm.

Enkele exemplaren van dit lieve vogeltje komen hier in 't najaar voor;
het broedt in Nederland niet, wel in streken die op gelijke breedte
meer noordwaarts liggen, zelfs in 't naburige Munsterland. Na den
broedtijd verlaat het zijn woonplaats, zwerft een tijdlang rond en
komt dan ook in ons land; tegen den winter trekt het naar 't zuiden
(Frankrijk, Italië, Griekenland en Spanje). Ook in Duitschland
overwintert het niet, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam
"Zomergoudhaantje". Het komt daar in het laatst van Maart of in het
begin van April, om tot in het laatst van September of het begin
van October te blijven. Gedurende den eersten tijd na zijn komst
zwerft het in boschjes en in kreupelhout rond, het begeeft zich
echter spoedig naar de naaldhoutbosschen, waar de zwerm zich in de
sparren verstrooit. Vele Vuurgoudhaantjes trekken verder noordwaarts,
vele blijven in Duitschland. Zij reizen 's nachts en zoeken over
dag hun voedsel. In den zomer houden zij bijna voortdurend op hooge
boomen verblijf en komen slechts zelden in het kreupelhout of in
lage naaldboomboschjes; zooals reeds werd opgemerkt, zwerven zij in
September rond en zoeken daarna hunne winterkwartieren op.



In de meeste opzichten komen de beide soorten van Goudhaantjes
overeen wat levenswijze en gewoonten betreft. Zeer dikwijls
bewonen zij hetzelfde gebied en gebruiken gelijksoortig voedsel;
zij nestelen op gelijke wijze. Beide houden zich bij voorkeur op
in naaldhoutbosschen meestal op de boomen, maar ook in het lagere
hout; zelfs dalen zij niet zelden tot den bodem af. Het Goudhaantje
houdt meer van dennen, het Vuurgoudhaantje meer van sparren dan van
iedere andere boomsoort; beide echter verkiezen kleine bosschen boven
uitgestrekte wouden. "Opmerkelijk," zegt Naumann, "is hun voorkeur
voor naaldboomen. Als men in 't laatst van den herfst een gezelschap
Goudhaantjes in een tuin ziet neerstrijken, waar slechts een enkele den
of spar staat, zoeken zij dezen onmiddellijk op; ook houden zij zich in
zulke tuinen langer op dan in andere en zitten meestal in de bedoelde
boomen. Zij doorkruisen op hunne zwerftochten echter ook alle bosschen,
die uitsluitend breedgebladerde boomen bevatten." Bij fraai, helder en
niet te koud winterweer zitten zij boven op de naaldboomen, bij regen,
wind en storm of zeer strenge koude zoeken zij een rustplaats op lage
struiken en op den bodem. In den winter houden zij zich altijd op in
die gedeelten van het woud, welke door de zon beschenen worden.

Opmerkelijk is de buitengewone onrustigheid van deze Vogels. Het
Vuurgoudhaantje wipt onophoudelijk van den eenen tak op den anderen
en houdt zich slechts zelden gedurende korten tijd stil, gaat op de
wijze van de Meezen onder aan een twijg hangen, blijft fladderend
op dezelfde plaats om evenals de Boschzangers een Insect van een
twijgspits af te zoeken en vliegt zonder inspanning en gedruisch van
boom tot boom. Behalve in den broedtijd vindt men het zelden alleen,
gewoonlijk bevindt het zich in gezelschap van zijne soortgenooten en
van andere Vogels.

De loktoon is een zwak geluid, dat als "sie sie" of "tsiet" klinkt;
men hoort haar zoowel van 't mannetje als van 't wijfje, terwijl
zij zitten. Het gezang, dat de ouden in de lente en in den zomer,
de jongen (zelfs die, welke midden in een ruitijd zijn) in Augustus,
September en October voortbrengen, begint met "sie sie," wisselt
daarna echter hoofdzakelijk tusschen twee toonen van ongelijke hoogte
af en heeft een behoorlijk slot. Op warme winterdagen zingen de
Goudhaantjes prachtig. Op een eigenaardige wijze gedragen zij zich
vaak in den herfst van 't begin van September tot aan 't einde van
November. Eén van hen begint "sie sie" te schreeuwen, draait zich om
en slaat met de vleugels. Op dit geschreeuw komen andere Goudhaantjes
af, die zich op dezelfde wijze gedragen en elkander nazitten; 2 à 6
Vogels nemen aan dit spel deel. Het Vuurgoudhaantje is veel vlugger
en onrustiger, maakt snellere bewegingen, maar is ook ongezelliger
dan zijn verwant. Terwijl men deze buiten den broedtijd altijd in
gezelschap en tot vluchten vereenigd ziet, leeft gene eenzaam of
bij paren. In den herfst vindt men dikwijls twee exemplaren bijeen,
die dan altijd tot één paar behooren. Als één van hen geschoten wordt,
stelt de andere zich zoo aan, dat men deernis krijgt met zijn verdriet,
hij schreeuwt onophoudelijk en kan in lang niet besluiten om verder te
vliegen. Ook de loktoon van dezen Vogel is geheel anders dan die van
zijn stamgenoot: het geluid "sie sie sie" wordt veel krachtiger en op
een anderen toon uitgestooten, zoodat de beide soorten zelfs aan den
loktoon herkend kunnen worden, hoewel het niet wel mogelijk is, het
verschil zoo te omschrijven, dat zelfs een onkundige het goed leert
beseffen. Veel gemakkelijker kan dit met het gezang geschieden. Bij
het Goudhaantje wisselen in het midden van het gezang twee tonen met
elkander af en aan 't slot hoort men een voor finale geschikte strophe;
bij 't Vuurgoudhaantje wordt de "sie"-klank op één toon voortgezet
en heeft geen slot, zoodat het geheele gezang bestaat uit een aantal
snel opeenvolgende "sie"-klanken. In de lente en in 't midden van
den zomer zingt dit vogeltje dikwijls, zelfs op den trek, in den
herfst echter uiterst zelden; ook in dit opzicht verschillen zij van
hunne verwanten. Beider gezang is zoo ongelijk, dat men bij stil weer
hieraan de eene soort duidelijk van de andere onderscheiden kan.

De beide Goudhaantjes broeden tweemaal 's jaars, voor de eerste
maal in Mei, voor de tweede maal in Juli. Beide bouwen bolvormige,
zeer dikwandige nesten, die van buiten 9 à 11, van binnen slechts
6 cM. middellijn hebben en ongeveer 4 cM. diep zijn. Deze staan zeer
verborgen aan de spits van lange takken van sparren en dennen, tusschen
dicht bijeengroeiende twijgen en naalden en op afhangende twijgen;
deze zijn geheel of gedeeltelijk omgeven door de buitenste laag
grondstoffen voor den nestbouw en reiken tot aan den bodem van het nest
of verheffen zich er boven. De buitenste, stevig samengevoegde laag
bestaat uit korstmossen van sparren en andere boomen, waarmede soms
eenige weinige bladmossen en haren gemengd zijn; deze laag verkrijgt
de noodige stevigheid door spinsels van Rupsen, die vooral om den tak,
waarop het nest rust, gewikkeld worden; zij is gevoerd met een groot
aantal veeren van kleine vogeltjes, die in het bovenste deel van het
nest alle naar binnen gericht zijn en aan den rand zoover uitsteken
dat zij een deel van de opening dekken. Het eerste broedsel bestaat
uit 8 à 10, het tweede uit 6 à 9 zeer kleine eitjes. Deze zijn op
witachtig grijzen of bleek vleeschkleurigen grond met leemgrauwe,
aan het dikkere einde gewoonlijk sterker opeengehoopte stippels
geteekend, ook wel geaderd of gemarmerd. Zij zijn zoo broos, dat men
ze met de grootste voorzichtigheid behandelen moet om te verhoeden,
dat zij bij 't aanvatten breken. De jongen worden door de beide ouders
gevoederd. Dit vereischt veel arbeid, daar het voedsel uit zeer kleine
Insecten en  insecteneieren bestaat. De jongen zitten in 't nest
opeengepakt en moeten om plaats te vinden de ruimte langzamerhand
verwijden. Het gezin van de Goudhaantjes blijft slechts korten tijd
bijeen; de ouders verlaten wegens hun tweede broedsel spoedig de
jongen van het eerste nest; na het tweede broeden vereenigen zij zich
met andere familiën tot vluchten.

Verschillende Insecten en hunne larven, maar ook fijne zaden maken het
voedsel van de Goudhaantjes uit. In den zomer eten zij kevertjes en
kleine rupsen, in den winter bijna uitsluitend Insecten en larven. Zij
zoeken deze van de twijgen af, halen ze tusschen de naalden of andere
bladen weg, grijpen een door hen opgespoorden buit, terwijl zij
fladderend zweven voor de plaats waar hij zit of maken jacht op hem,
terwijl hij vliegt.

De Goudhaantjes worden zelden in de kooi gehouden, omdat het moeielijk
is ze te gewennen aan het voedsel, dat zij daar krijgen; bovendien
zijn zij zeer teer en sterven dikwijls reeds bij de vangst. Als
zij eens aan het leven in de gevangenschap gewend zijn kan men ze
bij behoorlijke verzorging jaren lang in de kooi houden; het zijn
dan allerliefste kamervogels. Als zij vrij in de kamer rondvliegen,
maken zij zich door het vangen van Vliegen verdienstelijk; buiten in
't woud zijn zij nuttig door het verslinden van Insecten, die voor
de boschteelt nadeelig zijn.



Het naast verwant aan de Zangers zijn de Timaliën (Timeliidae); deze
op Zangers gelijkende Muschvogels vormen een onduidelijk begrensde
familie; meestal hebben zij korte en afgeronde vleugels met een
betrekkelijk lange eerste handpen; hunne zachte veeren zijn vooral
op den staartwortel lang.



De onderfamilie der Schijnlijsters (Miminae) bestaat uit lijsterachtige
Vogels, waarvan de Spotlijster (Mimus polyglotta)--de Mocking Bird
(Spotvogel) der Anglo-Amerikanen--het meest vermaard is. De veeren van
de bovenzijde zijn grijsbruin, die van de onderzijde vaalbruinachtig,
op de kin en den buik lichter, bijna wit; de slagpennen bruin met
vaalgrijzen zoom. Het oog is bleekgeel, de snavel bruinachtig zwart,
de voet donkerbruin. De lengte bedraagt 25 cM.

De Vereenigde Staten zijn het vaderland van de Spotlijster; in de
zuidelijke Staten komt zij veelvuldiger voor dan in de noordelijke. Van
hier trekt zij in den herfst geregeld naar lagere breedten, reeds
in Louisiana echter blijft zij het geheele jaar zoo niet op dezelfde
plaats dan toch in hetzelfde gewest. Zij bewoont het lage houtgewas
in al zijne vormen, kreupelbosschen zoowel als plantages en tuinen,
broedt onbeschroomd in de nabijheid van den mensch, wiens bescherming
zij geniet en houdt zich vooral in den winter op korten afstand
van bewoonde plaatsen op. Zij geeft de voorkeur aan zandige, met
wijd uiteenstaande, lage boomen en struiken begroeide vlakten aan
rivieroevers of aan de zeekust. Dieper in het woud komt zij zelden
voor, hoogstens alleen op den trek.

Hare bewegingen gelijken op die van de Lijsters, herinneren echter
dikwijls ook aan die der Zangers. Op de wijze van een Lijster huppelt
zij op den bodem rond, spreidt intusschen dikwijls den staart uit en
vouwt hem daarna schielijk toe. Zij beweegt zich volgens korte bogen,
als zij van den eenen struik naar den anderen vliegt; ook dan wordt
de staart afwisselend uitgespreid en weer opgevouwen. Gedurende hare
reizen legt zij groote afstanden af, maar beweegt zich nooit evenals
onze Lijsters lang achtereen in dezelfde richting voort, altijd vliegt
zij naar den naastbijstaanden boom.

De Spotlijster dankt haar roem niet aan haar eigen gezang maar aan haar
talent van nabootsing, waarvan de Amerikaansche natuuronderzoekers
geestdriftige beschrijvingen hebben gegeven. Wilson en Audubon zijn
van oordeel, dat geen andere Zangvogel hem evenaart wat omvang van
stem en verscheidenheid van timbre betreft. "Het is niet de zachte
toon van de fluit of van eenig ander muziekinstrument, dat men hoort,"
zegt Audubon, "het zijn de schoone geluiden van de natuur zelf. De
volheid van tonen van het gezang, de verscheidenheid van intonatie en
klankschakeering, de omvang van de stem, de schitterende voordracht
zijn weergaloos. Waarschijnlijk bezit geen enkele andere Vogel zulke
groote muzikale gaven als deze door de natuur zelf gevormde heerscher
in het gebied der tonen. Verscheidene Europeanen hebben beweerd,
dat het lied van den Nachtegaal met dat van den Spotvogel op één lijn
gesteld kan worden; beide kunstenaars heb ik dikwijls hooren zingen,
in de vrije natuur zoowel als in de kooi; ik zie er geen bezwaar in te
verklaren, dat de tonen van den Nachtegaal, ieder voor zich beschouwd,
even fraai zijn als die, welke de Spotvogel voortbrengt; het lapwerk
van den Nachtegaal te vergelijken met de volledig afgeronde compositie
van den Spotvogel is echter een dwaasheid." Wilson gaat niet zoover in
zijn lof; Europeesche deskundigen zijn zelfs een geheel andere meening
toegedaan. "De Spotlijster," zegt Gerhardt, "heeft haar vermaardheid
ongetwijfeld te danken aan haar bekwaamheid in het navolgen van vreemde
gezangen. Daar zeer weinige Vogels van de Nieuwe Wereld goed zingen,
trekt ieder eenigszins dragelijk vogelgezang zeer de aandacht der
Amerikanen, die vooral hierom de Spotlijster zoo verheerlijken. De
lof, dien zij haar toezwaaien, is op zijn minst genomen overdreven:
een kenner van het gezang der Europeesche Vogels zou een minder
geurige wierook gebruiken." De berichten van de Amerikaansche
onderzoekers over de bewonderenswaardige gave van navolging welke de
Spotlijster bezit, worden trouwens door Gerhardt in hun vollen omvang
bevestigd. "Den 29sten Juni," verhaalt hij, "lette ik op een zingend
mannetje in onze nabijheid. Zooals gewoonlijk vormden de loktoon
en het gezang van den Amerikaanschen Winterkoning bijna het vierde
gedeelte van zijn lied. Na het voordragen van dit gezang en van den
loktoon van de Purperzwaluw, schreeuwde onze Vogel plotseling als
een Musschenvalk, vloog van den dorren tak, waarop hij tot dusver had
gezeten, naar een omheining en bootste onder het vliegen den loktoon
van de Tweekleurige Mees en van de Zwerflijster na. Op de heg liep
hij met afhangende vleugels en omhooggeheven staart heen en weer,
zong intusschen als een Vliegenvanger, een Troepiaal en een Tangara
en lokte als de Zwartkoppige Spechtmees. Hij vloog vervolgens in een
braambessenstruik, plukte er een paar vruchten af en riep daarna als de
Goudspecht en als de Virginische Kwartel. Toen ontdekte hij een Kat,
die aan den voet van een zwaar beschadigden boom rondsloop, schoot
onmiddellijk luidschreeuwend op dezen rustverstoorder toe, ging,
nadat de vijand de vlucht genomen had, zingend op een afgebroken
tak van den bedoelden boom zitten en begon zijn lied van voren af
aan." Wilson zegt, dat de stem van de Spotlijster vol en krachtig en
bijna voor elken overgang geschikt is: "Deze Vogel is in staat tot het
voortbrengen van alle mogelijke geluiden te beginnen bij de heldere
en weeke tonen van de Boschlijster tot het woeste gekrijsch van den
Gier. De Spotlijster volgt wat tempo en toonhoogte betreft, trouw den
zanger, wiens lied hij zich toeëigent en overtreft deze gewoonlijk nog
door de liefelijkheid en de kracht van de voordracht. In de bosschen
van zijn vaderland kan geen andere Vogel met hem wedijveren. Zijne
liederen wisselen bijna tot in het oneindige af. Zij bestaan uit
korte afdeelingen van 2 à 6 tonen, die met groote kracht en snelheid
uitgebracht worden en soms met onverminderden gloed een uur lang
achtereenvolgens weerklinken. Dikwijls meent de toehoorder, dat hij
het gemeenschappelijk gezang van een groot aantal Vogels hoort. Deze
zanger is in staat den jager en zelfs andere Vogels te misleiden." De
liederen zijn verschillend al naar de plaats waar de Spotlijster
zich ophoudt. In het eenzame woud bootst zij de Vogels uit haar
omgeving na, in bewoonde streken bevat haar gezang alle klanken,
die men in de buurt van menschelijke woningen hoort. Dan worden
niet slechts het kraaien van den haan, het kakelen van de hennen,
het snateren van de Ganzen, het kwaken van de Eenden, het miauwen
van de Kat, het blaffen van den Hond, het knorren van het Zwijn,
maar ook het knarsen van een deur, het piepen van een weerhaan, het
krassen van een zaag, het klapperen van een molen en honderd andere
geluiden met de grootst mogelijke nauwkeurigheid nagebootst. Soms
brengt zij onder de huisdieren een groote opschudding teweeg. De
slapende Hond zal bij haar volkomen trouwe navolging van het gefluit
van zijn meester, plotseling opspringen om zijn heer te zoeken; zij
brengt de klokhen tot vertwijfeling door op bedriegelijke nauwkeurige
wijze te piepen als een kuiken, dat in verlegenheid verkeert; zij
boezemt het vreesachtige pluimvee schrik in door het gekrijsch van
den roofvogel te laten hooren; zij wekt ijdele illusies op in 't
brein van den verliefden kater door de teedere uitnoodiging van zijn
geliefde zonder fout te herhalen. In de kooi verliezen de Spotlijsters
niets van haar begaafdheid, integendeel zij leeren nog andere tonen
en klanken kennen, die zij dikwijls op de komiekste wijze door hare
welluidende melodieën heenmengen.

Al naar de plaats, waar zij woont, broedt de Spotlijster vroeger of
later in 't jaar. Het eerste broedsel bestaat uit 4 à 6, het tweede
uit hoogstens 5, het derde zelden uit meer dan 3 eieren. Deze zijn
roodachtig en hebben op lichtgroenen grond donkerbruine vlekken
en stippels.

Het voedsel is verschillend al naar het jaargetijde. Gedurende
den zomer maken Insecten er het hoofdbestanddeel van uit; in den
herfst laven ouden en jongen zich aan allerlei bessen. Geheel in
tegenstelling met de Lijsters vervolgen de oude Spotvogels vliegende
Vlinders, Kevers, Muggen en Vliegen tot hoog in de lucht; ook lezen
zij zulke dieren van de boombladen af. In de kooi gewennen zij zich
aan lijstervoeder; zij zijn echter veeleischender dan onze Lijsters en
verlangen bovenal tamelijk veel meelwormen en mierenpoppen. Bij goede
behandeling worden zij zeer tam en gemeenzaam. Enkele exemplaren heeft
men volgens de verzekering van Amerikaansche onderzoekers er aan gewend
om uit- en in- te vliegen; andere hebben zich in de kooi voortgeplant.



Door vorm, voorkomen, levenswijze en handelingen herinneren de
Struiksluipers (Troglodytinae)	aan de Waterspreeuwen. Zooals deze
zich in het water gedragen bewegen gene zich op het land.

De Struiksluipers zijn kleine Timaliën met korte vleugels, korten
staart en ineengedrongen lichaamsbouw; door hun vederenkleed komen
zij veel met elkander overeen. De snavel is kort of middelmatig lang,
zwak, priemvormig, zijdelings samengedrukt en langs den rug gebogen;
de voeten zijn middelmatig lang, tamelijk zwak en kort van teenen,
de vleugels kort, afgerond en gewelfd; de vierde of de vijfde handpen
is de langste; de staart is zeer kort, wigvormig of afgerond. De
grondkleur van het vederenkleed is roodachtig bruin; zwartachtige
strepen vormen de teekening hierop.

De meeste Struiksluipers behooren in Amerika thuis, slechts weinige
soorten komen in Europa en Azië voor. Zij bewonen gewesten, waar
veel struikgewas groeit, bij voorkeur zulke, die ook rijk zijn aan
water, en hun de meest mogelijke schuilplaatsen verschaffen. In
het gebergte begeven zij zich tot aan de grens van den boomgroei;
in noordelijke gewesten treft men ze nog binnen den kouden gordel
aan. Kieschkeurig zijn zij eigenlijk niet; zij vinden bij wijze van
spreken overal wel een plaatsje, dat hun behaagt. Men ontmoet ze dan
ook in 't midden van 't woud zoowel als in de tuinen der dorpen en
steden, aan de oevers van 't water zoowel als op de hellingen van het
gebergte. Alleen het vrije veld, waar geen struiken groeien, wordt
door hen angstvallig vermeden. Alle leden van deze onderfamilie zijn
wakkere, bedrijvige, roerige en bijzonder opgewekte dieren. Zij vliegen
slecht en daarom nooit ver, huppelen echter buitengewoon vlug en zijn
voor het kruipen door holen en verwarde struiken geschikter dan de
andere Muschvogels. Voor zoover men ze thans kent, onderscheiden alle
soorten zich door een meer of minder voortreffelijk gezang. Enkele
behooren tot de beste zangers van hun vaderland;--een soort--de
Flageoletvogel (Cypsorhinus musicus)--wordt zelfs als de uitmuntendste
van alle Zangvogels der Keerkringslanden van Amerika beschouwd: zijn
gezang wordt vergeleken met den klank van kleine glazen klokjes;
op velerlei wijze harmonisch verbonden, verbreiden deze tonen zich
langzaam en zacht van uit de boomtoppen over de omgeving; oog- en
oorgetuigen verzekeren, dat zij zulke klankvolle en toch zachte, fijne
en innemende, als 't ware hemelsche tonen nooit elders gehoord hadden
en vóór dien tijd niet mogelijk geacht zouden hebben. Algemeen oefent
het uiterlijk van deze allerliefste schepseltjes een onweerstaanbare
bekoring uit; waarschijnlijk is in dit gevoel de oorsprong te vinden
van de talrijke aantrekkelijke overleveringen, waardoor de dichterlijke
phantasie der meest verschillende volken het leven van deze vogeltjes
verheerlijkt heeft.



Ons Winterkoninkje (Troglodytes parvulus), is een waardige
vertegenwoordiger van zijn familie. Zijn lengte bedraagt 10 cM. De
veeren van de bovenzijde zijn op roestbruinen of roestgrijzen grond met
donkerbruine golflijnen geteekend; een bruine teugelstreep is door het
oog gericht, een roestbruinachtige, smalle streep boven 't oog gelegen;
de middelste bovendekveeren van den vleugel zijn aan de spits versierd
met langwerpig roode, witte, van achteren zwart gezoomde stippels;
de slagpennen zijn gestreept of gevlekt: op de binnenvlag donker
bruingrijs, op de buitenvlag afwisselend lichtroestgeelachtig en
zwart; de staartveeren zijn roodachtig bruin, aan de zijden lichter
met duidelijke, golvende, donkerbruine dwarsstrepen. De oogen zijn
bruin, de snavel en de voeten roodachtig grijs. Het wijfje is een
weinig lichter van kleur dan het mannetje; de jongen zijn lichter
gevlekt dan de ouden, aan de bovenzijde minder, aan de onderzijde meer.

Men heeft den Winterkoning in alle landen van Europa, van noordelijk
Skandinavië en Rusland tot aan de zuidspits van Spanje en Griekenland,
bovendien in Noordwest- en Midden-Azië aangetroffen. Hij ontbreekt in
geen enkel gewest van Nederland of Duitschland en is overal veelvuldig,
waar hij geschikt kan leven. De meest verschillende plekjes worden door
hem bewoond, het liefst echter dalen, besproeid door een stroompje
en begrensd door hellingen, die met struiken bedekt zijn. Evenals de
andere leden van zijn familie komt hij in de tuinen van de dorpen en
zelfs van de steden; hij vestigt zich in de onmiddellijke nabijheid
van bewoonde gebouwen, wanneer hier dichte struiken, heggen of
althans groote hoopen rijshout voorkomen. "Door zijn opgewektheid en
blijmoedigheid," zegt Naumann, "door de behendigheid en snelheid,
die hij bij het sluipen door de struiken toont, en door een zekere
driestheid in zijne handelingen overtreft de Winterkoning de meeste
inheemsche Vogels. Zijn driestheid is echter van een zeer bijzonderen
aard; zij verdwijnt bij den geringsten schijn van gevaar, verandert
op eens in een grenzelooze vrees, maar keert spoedig terug. Zelden
verlaat hem zijn vroolijke gemoedsstemming. Altijd huppelt hij zoo
driest rond, alsof hij van alles ruimschoots voorzien is, zelfs midden
in den winter, als het niet al te zeer stormt, of de zon nu en dan
door de wolken breekt. Zelfs wanneer de Musch, de trouwste van onze
standvogels, ontevreden over de strenge koude, hare veeren opzet en
door haar treurig voorkomen mismoedigheid en droefgeestigheid te kennen
geeft, is de Winterkoning nog steeds vroolijk en zingt zijn liedje,
alsof het reeds lente was." Zijn voorkomen is zeer aantrekkelijk. Hij
huppelt in gebogen houding buitengewoon snel over den bodem, zoodat
men eerder zou meenen een muis te zien loopen dan een Vogel, hij kruipt
met bewonderenswaardige behendigheid schielijk door spleten en gaten,
die voor iederen anderen inheemschen Vogel ontoegankelijk schijnen,
begeeft zich zonder rust te nemen van de eene heg naar de andere,
van struik tot struik, van den eenen hoop rijshout naar den anderen;
hij onderzoekt alles en komt slechts nu en dan een enkel oogenblik
voor den dag; hij neemt dan een houding aan, die hem een driest
voorkomen verschaft: de borst eenigszins voorovergebogen, het korte
staartje loodrecht omhoog gericht. Dat iets bijzonders zijn aandacht
trekt, geeft hij door schielijk opeenvolgende buigingen te kennen;
de staart wordt dan nog verder opgewipt dan gewoonlijk. Als hij
zich veilig acht, gebruikt hij ieder vrij oogenblik om te zingen of
althans om zijn loktoon te laten hooren; alleen in den ruitijd is
hij betrekkelijk stil. Zoodra echter zijn liedje uit is, begint het
sluipen en kruipen opnieuw.

Hij vliegt slechts, wanneer dit volstrekt noodig is. Gewoonlijk
strijkt hij met trillende vleugelslagen volgens een rechte lijn
zeer dicht bij den grond langs; als hij groote afstanden vliegend
moet afleggen, beschrijft hij een uit korte, zwak gekromde bogen
bestaande, slangvormige lijn. Hoeveel moeite het vliegen hem kost,
blijkt duidelijk, als men hem op het vrije veld vervolgt. Volgens
Naumann kan iemand, die snel loopt, hem zoo vermoeid maken, dat men
hem met de handen kan vangen. Trouwens de Winterkoning is zoo bewust
van zijn geringe bekwaamheid in 't vliegen, dat hij de struiken,
die hem beschutten, uit eigen beweging nooit verlaat; zelfs dan,
wanneer hij niet eens ver van zijn boschje verwijderd is, kruipt hij
bij dreigend gevaar liever in een holte weg, dan dat hij de gevaarlijke
tocht door de lucht onderneemt. De geluiden die men het meest van hem
verneemt, zijn "tserr" of "tserts", welke klanken op verschillende
wijzen geïntoneerd worden en een waarschuwing te kennen geven, die ook
door andere Vogels ter harte wordt genomen, voorts een verlenging van
deze geluiden of ook wel een dikwijls herhaald "tsek tsek tsek." Het
uitmuntend en hoogst aangenaam gezang van dit vogeltje bestaat "uit
vele, op lieftallige wijze afwisselende, helder gefloten tonen, die
in het midden van de niet bepaald korte melodie in een klankvollen
triller overgaan, lager en lager wordend bij het einde"; deze triller
wordt veeltijds herhaald kort nadat het gezang zal ophouden en vormt er
dus in zekeren zin de finale van. De tonen zijn zoo krachtig en vol,
dat men met verbazing een vogeltje van zoo geringe grootte zóó zingen
hoort. In de wintermaanden maakt dit gezang een bijzonderen indruk op
het gemoed van den mensch. De geheele natuur is stil en doodsch, de
grond met sneeuw en ijs bedekt, de boomen zijn bladerloos, alle Vogels
zwijgen en zijn slecht gemutst, alleen hij, bijna de kleinste van alle,
geeft vroolijk en welgemoed voortdurend hetzelfde lied ten beste:
"Eens toch zal de lente komen"--deze of dergelijke gedachten zullen
wel bij iedereen opwellen, zelfs bij den meest verstokten Droogstoppel,
die nooit wil inzien, dat ook een dichterlijke natuurbeschouwing recht
van bestaan heeft. Hij, wiens hart in den winter bij het gezang van
den Winterkoning niet sneller begint te kloppen, is zeer te beklagen!

Het voedsel van den Winterkoning bestaat uit Insecten in al hunne
ontwikkelingstoestanden, uit Spinnen en andere kleine diertjes,
in den herfst ook uit velerlei bessen.

De plaatsen waar en, in verband hiermede, ook de wijzen waarop het
nest gebouwd wordt, zijn zeer verschillend. Men heeft nesten van
Winterkoningen gevonden boven in den top van een boom en op den
bodem, in holen van den grond en van boomen, in gaten van muren en
in rotsspleten, in kolenbrandershutten en onder daken van huizen, in
struiken en onder wortels, in houtmijnen en in mijnschachten, altijd
en overal echter op met zorg gekozen plaatsen; vooral het plekje, waar
in de lente, voordat de planten haar zomersche weelderigheid vertoonen,
het eerste nest gebouwd wordt, is soms zeer merkwaardig. Enkele nesten
bestaan geheel uit groene, andere uit reeds geel geworden mossen,
die tot zulk een dicht vilt verwerkt zijn, dat het geheel er uitziet,
alsof de grondstoffen aaneengelijmd zijn; zij hebben den vorm van een
bol met een net bewerkte opening, die als in- en uitgang dient. Andere
nesten gelijken op een verwarden hoop van bladeren waarin een holte,
die met veertjes gevoerd is; nog andere worden voor 't doel geschikt
gemaakt door het opknappen van een reeds aanwezig nest. Hoe dit ook
zij, in ieder geval bestaat er verband tusschen den vorm van het
nest en zijn standplaats; steeds zijn de bouwstoffen zoo gekozen,
dat het nest weinig afsteekt bij zijn omgeving en het dikwijls moeite
kost het te vinden, hoewel het in verhouding tot de grootte van den
bouwmeester, verbazend groot is. Opmerkelijk is het, dat de Vogel soms
een duidelijke voorkeur toont voor een bepaalde plaats. Zoo verhaalt
Trinthammer, dat een in 't gebergte levende Winterkoning met de
kolenbranders of peksmelters van woonplaats veranderde, d. w. z. altijd
in de hut van deze lieden zich vestigde en hierin zijn nest bouwde,
zoowel wanneer de hut op dezelfde plaats stond als in 't vorige jaar,
als wanneer zij elders was opgericht. De kolenbranders kenden dezen
Vogel zeer goed: zij wisten, dat het steeds dezelfde was, door de
wijze, waarop hij zich gedroeg.--Voorts dient vermeld te worden,
dat de Winterkoning nesten bouwt, die uitsluitend als slaapplaatsen,
nooit voor 't broeden worden gebruikt. De slaapnesten zijn echter
steeds kleiner dan de broednesten, meestal alleen van mos vervaardigd
en van binnen niet met veertjes gevoerd. Door waarnemingen heeft men
de zekerheid verkregen, dat de Winterkoningen zeer gaarne den nacht
doorbrengen in oude nesten en dat dit niet eenvoudig geschiedt door
één of een paar van deze vogeltjes, maar door het geheele gezin. Deze
ervaring deed o. a. een boer in Anhalt op, toen hij op een winteravond
in den veestal ging om in een der daar hangende zwaluwnesten een
Musch te vangen, maar de geheele hand vol vogels kreeg en tot zijn
verwondering vijf Winterkoningen zag, die eendrachtelijk het nest
als slaapplaats hadden gebruikt.--In gewone omstandigheden broedt
het Winterkoningen-paar tweemaal per jaar, voor 't eerst in April,
ten tweeden male in Juli. Het broedsel bestaat uit 6 à 8 betrekkelijk
groote, rondachtige eieren, die op een zuiver witten of geelachtig
witten grond geteekend zijn met kleine stippels van roodbruine of
bloedroode kleur, die aan het dikke einde dikwijls kransen vormen. Het
mannetje en het wijfje broeden om beurten; na verloop van 13 dagen
komen de jongen uit, die door de ouders gemeenschappelijk grootgebracht
worden, zich lang in het nest ophouden en nadat zij reeds uitgevlogen
zijn, nog geruimen tijd bijeenblijven; waarschijnlijk zoeken zij
iederen nacht hun wieg weer op om hierin te slapen.

Men vangt den Winterkoning bij toeval in netten, in strikken of
op lijmroeden; maar kan hem niet gemakkelijk aan het leven in de
kooi gewennen. Wie hierin slaagt, kan veel pleizier beleven van dit
Vogeltje, daar het ook in de kooi zeer lieftallig is.



De Grassluipers (Cisticolinae) herinneren aan de Rietzangers. Deze
groep van Timaliën is tot de Oude Wereld en Australië beperkt
en vooral in den heeten aardgordel talrijk vertegenwoordigd. Zij
hebben een middelmatig langen snavel, die zijdelings samengedrukt
en gewoonlijk flauw gebogen is; betrekkelijk zeer krachtig gebouwde
voeten, korte, afgeronde vleugels en een soms langen, soms korteren,
meestal trapvormigen staart; hun vederenkleed is in den regel
eenkleurig, bij uitzondering echter ook wel prachtig gekleurd.

Over 't geheel genomen stemt de verblijfplaats der Grassluipers
met die der Rietzangers overeen; het verschil zou misschien hierin
gelegen kunnen zijn, dat gene meer nog dan deze de voorkeur geven
aan lage struiken, biezen en lang gras. De bekwaamheden van de
Struiksluipers zijn bij hen vereenigd met die van de Rietzangers;
zoowel in 't klimmen als in 't loopen en sluipen zijn zij zeer goed
ervaren; zij vliegen echter slecht, onvast en schommelend; door
de liefde vervoerd, verheffen zij zich echter boven de toppen der
door hen bewoonde planten, zingen hun eenvoudig liedje, terwijl zij
sprongsgewijs en fladderend omhoog stijgen, en storten zich daarna weer
in het dichte struikgewas beneden hen. Hier, meestal laag boven den
grond, vindt men hunne kunstvolle, in zekeren zin weergalooze nesten,
die tusschen aaneengenaaide bladen worden gebouwd; hier brengen zij
hunne jongen groot; hier vinden zij hun voedsel en brengen zij het
grootste deel van hun leven door.



De Cistuszanger (Cisticola cursitans) is 11 cM. lang (hierbij 4
cM. voor den staart). De bovendeelen zijn olijfbruin met donkerbruine
vlekken, met uitzondering van den bruinachtigen nek en den roestbruinen
staartwortel; de kop is versierd met drie zwartachtige en twee
lichtgele, overlangsche strepen; de hals, de keel en het onderlijf
zijn zuiver wit, de borst, de flanken en de onderdekvederen van den
staart roestgeel, de slagpennen grauwzwart, aan de buitenvlag met
roestgelen zoom, de middelste staartvederen roestbruin, de overige
grijsbruinachtig met witten rand aan de spits, die hoogerop met
een zwarte, hartvormige vlek geteekend is. Het oog is bruinachtig
lichtgrjjs, de snavel hoornkleurig, de voet roodachtig.

Midden- en Zuid-Spanje, Zuid-Italië, Sardinië en Griekenland,
Noord-Afrika, Midden-, Oost- en Zuid-Azië zijn de landen en landstreken
waar de Cistuszanger gevonden wordt. Overal waar hij voorkomt, is hij
veelvuldig, op vele plaatsen algemeen. Hij is standvogel en broedt op
de plaats, waar hij geboren is. In Spanje bewoont hij alle laagvlakten,
voor zoover zij eenigermate aan de door hem gestelde eischen voldoen:
de met hoog riet begroeide dammen der sawahs, moerassen, maïs-,
lucerne- en hennepvelden en dergelijke plaatsen. Vooral gedurende den
broedtijd trekt het mannetje zeer de aandacht. Onder het luid geroep
"tsiet tiet tiet" stijgt hij met korte rukken omhoog, vliegt daarna
gewoonlijk lang achtereen en voortdurend schreeuwend langs booglijnen
heen en weer, gedurende vele minuten kringen beschrijvend om ieder
mensch, dat in zijn nabijheid komt. Hij loopt zoo behendig door een
grasveld, dat men hem onwillekeurig met een Muis vergelijkt; oude
Vogels, die aangeschoten zijn, weten zich in weinige oogenblikken zoo
te verbergen, dat men niet in staat is ze te vinden. "Eigenaardig,"
zegt Hausmann, "is de wijze, waarop de Vogel de bladen, die het nest
zullen omgeven, bijeenvoegt en de wanden van zijn werkstuk dicht en
stevig maakt. In den rand van ieder blad prikt hij kleine openingen,
waarna beurtelings door het eene blad en het andere een of meer
draadjes worden geregen. Deze draden, vervaardigd van spinrag of
plantenwol, zijn ongelijk van dikte en niet zeer lang, hoogstens
voldoende voor twee of drie steken van het naaiwerk. In het binnenste
van het nest heeft plantenwol de overhand; de weinige spinragdraden,
die zich daartusschen bevinden, dienen alleen om de andere bouwstoffen
bijeen te houden. In de zijdelingsche en bovenste gedeelten van het
nest is de binnenste laag onmiddellijk met de aaneengehechte bladen
in aanraking; aan het onderste deel echter vindt men tusschen beide
een meer of minder dichte, uit kleine, dorre bladen of bloemkronen
bestaande laag, tot steun voor den bodem van het nest, die de eieren
heeft te dragen. In het bovenste derde gedeelte van den wand is het
ronde vlieggat aangebracht. Het geheele gebouw heeft den vorm van
een langwerpig ronden of eivormigen buidel. Het staat te midden van
een gras-, zeggen- of biezenpol, begint op een afstand van hoogstens
15 cM. boven den grond en is vastgenaaid aan de als dragers dienende
bladen, welks op andere rusten, die er ondergeschoven worden en als
't ware de rol van springveeren vervullen. Zoo verschaffen de heen
en weer golvende halmen aan het nest de noodige stevigheid om aan
zeer hevige stormen een voldoenden weerstand te bieden."

Vroeger meende men, dan aan het wijfje de eer van het vervaardigen
van het nest toekomt; uit de waarnemingen van Tristram, welke door
die van Jerdon bevestigd worden, vloeit echter voort, dat het grootste
deel van dezen arbeid door het mannetje wordt verricht.



De Snijdervogels (Orthotomus) zijn slank gebouwd; hun snavel is lang,
zwak en recht, de voet is krachtig en lang, de vleugel kort en sterk
afgerond, de staart uit smalle veeren samengesteld, meestal kort
en dan sterk afgerond, soms lang en trapvormig. De veeren van de
bovenzijde zijn in den regel groen.



De Snijdervogel (Orthotomus Bennettii) heeft een geelachtig
olijfgroenen mantel, een roestroode kruin, een roodachtig grijzen
nek; de onderzijde is wit, naar de flanken grijsachtig uitvloeiend; de
slagpennen zijn olijfbruin met bruinachtig groenen zoom, de stuurpennen
bruin met groenachtig waas, de buitenste zijn aan de spits wit. Bij
het mannetje zijn de beide middelste staartpennen voorbij de andere
verlengd. Het mannetje is 17 cM. lang met inbegrip van den 9 cM. langen
staart, bij 't wijfje is deze en ook het geheele lichaam 4 cM. korter.

Van den Himalaja, op 1300 M. hoogte, tot aan de zuidspits van Indië,
op Ceylon zoowel als in Birma, voorts in Siam en in het Zuiden
van China ontbreken deze Snijdervogels nergens, voorzoover het
gewest niet geheel verstoken is van boomen. Zij bewonen tuinen,
boomgaarden, heggen, rietvelden en bosschen met middelmatig hooge
boomen, leven gewoonlijk paarsgewijs, soms echter ook wel tot kleine
familiën vereenigd, huppelen onophoudelijk op de twijgen der boomen
en struiken rond, laten dikwijls hun luiden loktoon hooren, die op
"toewie" of "prettie prettie" gelijkt, zijn gemeenzaam en houden zich
gaarne dicht bij de huizen op, maar worden voorzichtig, wanneer zij
bemerken, dat zij nagegaan worden, schuw, wanneer zij vervolgingen te
verduren hebben. Hun voedsel bestaat uit allerlei Insecten, vooral
Mieren, Cicaden, rupsen en andere larven, die zij van de schors en
van de bladen, niet zelden echter ook van den grond opzoeken. Bij
het huppelen of bij het eten zijn zij gewoon den staart omhoog te
richten en de veeren van den kop overeind te zetten.

De nesten, die Hutton vond, waren zeer sierlijk gebouwd en bestonden
uit vruchtharen van riet en zaadharen van de katoenplant, bovendien
uit stukken van wollen draden; al deze bouwstoffen waren innig
dooreengeweven; zij vormden den wand van het nest, welks holte met
paardehaar dicht gevoerd was en dat tusschen twee bladen van een tak
van den amaltusboom bevestigd was. Deze beide bladen worden eerst in
overlangsche richting op elkander gelegd en daarna aan weerszijden,
van de spits tot een weinig boven het midden, met een stevigen draad,
die door den Vogel zelf van ruw katoen gesponnen was, aaneengenaaid;
op deze wijze bleef als ingang tot het nest een opening over aan
het boveneind tusschen de bladstelen, juist daar, waar deze aan den
boomtak verbonden zijn. Een ander nest hing aan den top van een tak,
ongeveer 60 cM. boven den bodem, en was vervaardigd van dezelfde
grondstoffen als het vorige. De bladen waren hier en daar met draden,
die de Vogel zelf gesponnen had of ook wel met dun bindgaren, dat
hij opgezocht had, aaneengenaaid. Met den snavel en de pooten schuift
de Vogel de randen der bladen tegen of over elkander, en steekt den
snavel, waarin hij een zelfgemaakte of gevonden draad vasthoudt, er
door, totdat zij tegen elkander blijven zitten; in de daartusschen
overblijvende ruimte wordt vervolgens het nest gebouwd. Het broedsel
bestaat uit 3 of 4 eieren, die op witten, roodachtigen of blauwachtigen
grond bruinroode vlekken vertoonen, vooral aan het dunste uiteinde.

In Oost-Indië leven een aantal soorten van Vogels, die hun nest op
soortgelijke wijze bouwen als de eigenlijke Snijdervogels, maar door
haar opmerkelijk gekromden snavel van deze verschillen. Zij vormen
het geslacht Prinia.

Van den Javaanschen Snijdervogel (Prinia familiaris) schrijft
Prof. Harting: "Deze bouwt, in het algemeen op dezelfde wijze als
de vorige soort, een nest uit een enkel blad of uit twee bladeren,
doch hij bezigt om deze samen te naaien niet enkel plantenwol, maar
ook zijde, namelijk het spinsel van rupsen. Somwijlen zelfs brengt
hij zijn hem van nature geschonken talent niet eens in toepassing,
namelijk wanneer hij zijn nestje bouwt tusschen de sparrige takken
der op Java veelvuldig tot omheiningen gebruikte lanthana-soorten,
alsdan daartoe alleen zulke zelfstandigheden gebruikende, waaruit
anders het inwendige bestaat, zooals fijne grashalmen, vezelen van
kokosnootschalen, en daarbinnen een stevig bekleedsel van plantenwol
en kokosdraden. En terwijl in andere gevallen de gedaante van het nest
zich geheel wijzigt naar den vorm der daarvoor gebezigde bladeren
en de opening gewoonlijk bovenwaarts gekeerd is, heeft daarentegen
zulk een vrij tusschen takjes gebouwd nest een tamelijk regelmatig
ronde of eironde gedaante en een zijdelingsche opening. Zoo zien wij
weder in dit geval de duidelijke blijken van een soort van overleg,
waarvan een verandering in de bouwwijze het gevolg is. Het is,
alsof het vogeltje weet, dat zich takken niet laten aaneennaaien,
en het zich daarom de vergeefsche moeite spaart, maar eenmaal die
plaats voor zijn nestbouw gekozen hebbende, nu ook poogt aan zijn
nest een grootere veiligheid te verschaffen, door het van boven te
overdekken en den ingang minder in het oog te doen vallen."



De Emoesluiper (Stipiturus malachurus), vertegenwoordiger van het
gelijknamige geslacht, onderscheidt zich vooral door zijn eigenaardigen
staart, die slechts zes zeer lange en smalle pennen bevat, welker
vlag uit lange, niet samenhangende baarden is samengesteld; vooral
bij het mannetje is hij zeer ontwikkeld: hier bedraagt zijn lengte
9 cM., dus meer dan de helft van die van het geheele lichaam. De
bovendeelen zijn bruin met overlangsche reeksen van zwarte vlekken;
de bovenkop is roestrood, het onderste deel van de keel lichtgrijs,
de onderzijde overigens helder rood; de slagpennen en staartveeren
zijn donkerbruin, de eerstgenoemde met roodbruinen zoom.

Gould en Ramsay hebben tamelijk uitvoerige berichten gegeven over
het leven van dezen aan alle Australische kolonisten welbekenden
Vogel. De Emoesluiper bewoont moerassige streken van het zuiden van
Australië, van de Moreton-baai aan de oostkust tot aan de Zwanenrivier
aan de westkust, bovendien Tasmanië; overal waar hij voorkomt, is hij
veelvuldig. Buitengewoon vlug en beweeglijk, bekwaam en behendig, loopt
hij over den bodem even snel, als hij half fladderend, half springend
tusschen de grashalmen door zijn weg vervolgt; in het zwenken en
omkeeren is hij zoo ervaren, dat zijne vijanden in de meeste gevallen
te vergeefs jacht op hem maken. Als een vervolger hem onverwachts
overvalt, stelt zijn slimheid hem in staat een schuilplaats te vinden
en plotseling te verdwijnen. Alleen als hij geen anderen uitweg ziet,
zal hij gaan vliegen; na opgeschrikt te zijn, vliegt hij kort boven
de toppen der grassen weg en laat zich plotseling weer op den bodem
zakken. Soms vertoont hij zich aan den top van een halm om van hieruit
zijn wereld te overzien. Als hij rustig zit, is de staart loodrecht
omhoog en soms ook wel over den rug naar voren gericht; bij snellen
loop heeft de staart een horizontalen, achterwaartschen stand. In den
paartijd hoort men van het mannetje een kort, maar aangenaam gekweel;
de loktoon is een zacht gesjirp.



De Snaplijsters (Timelia) behooren op Malakka, Sumatra, Borneo en
Java thuis. Deze eenvoudig gekleurde Vogels bereiken hoogstens de
grootte van een Leeuwerik; zij hebben een krachtigen, zijdelings sterk
samengedrukten, langs den rug duidelijk gebogen snavel; hun staart
is afgerond en korter dan de romp. Zij voeden zich hoofdzakelijk
met Insecten en andere kleine dieren, doch ook wel met vruchten,
vooral bessen.



Bij de 18 cM. lange, o. a. op Java inheemsche Roodkoppige Timalia
(Timelia pileata) is de kruin glanzig kaneelbruin; de andere
bovendeelen zijn bruingrijs, de vleugels en de staart iets donkerder,
de teugels zwart, een daarboven gelegen streep en de wang wit, de
onderdeelen lichtbruinachtig, aan den hals en aan de zijden van de
borst grijs, aan den krop met fijne, zwartachtige schaftstreepen
geteekend; het oog is dofrood, de snavel zwart, de voet vleeschkleurig.

Horsfield vermeldt als een eigenaardigheid van het gezang van het
mannetje, dat het uitsluitend uit de tonen c, d, e, f en g bestaat, die
met korte tusschenpoozen zeer geregeld herhaald worden. "De Roodkoppige
Timalia," zegt Bernstein, "bewoont paarsgewijs de dichte opeenhoopingen
van struiken, die de wouden omgeven, of vroeger aanwezige bosschen
vervangen hebben; zij is veel overvloediger in bergachtige dan in
vlakke gewesten. Buiten de genoemde wildernissen vertoont deze Vogel
zich zelden; hij blijft daarom licht onopgemerkt. Alleen des morgens
ziet men hem dikwijls op een vrijen, boven het struikgewas uitstekenden
tak, waar hij zijne door den dauw doornat geworden veeren laat drogen
en in orde brengt. Het mannetje draagt, terwijl het wijfje broedt,
bij voorkeur van zulk een tak zijn eenvoudig gezang voor. Intusschen
laat het de vleugels achteloos hangen en bekommert zich, naar het
schijnt, weinig om zijn omgeving. In opgewonden toestand of als de
Vogel iets ziet, dat hem verdacht voorkomt, worden de veeren van de
kruin opgericht en de uitgespreide staart schoksgewijs opgewipt. Zijn
loktoon gelijkt eenigszins op dien van onze gewone Musch."



Van de talrijke geslachten van uitheemsche Zangvogels, die wegens
hun nauwe verwantschap met de laatstgenoemde vormen nog tot de
familie der Timaliën gerekend worden, vermelden wij alleen nog
het geslacht Crateropus, dat Afrika en Zuidwest-Azië bewoont,
en hiervan een soort--de Witstuit-schreeuwlijster (Crateropus
steatopygus). Deze 20 cM. lange Vogel is donker omberbruin; de kop
tot den nek en het midden van de keel, voorts de staartwortel, de
aarsstreek en de onderdekvederen van den staart zijn wit; het oog
is donker karmijnrood, de snavel zwart, de voet grijs. Hij bewoont
de veel struikgewas bevattende bosschen van Abessinië, een verwante
vorm die van Oost-Soedan. Erger schreeuwleelijken bestaan misschien
niet. Zij geven niet minder ergernis, dan zij genoegen verschaffen;
zij verraden aan menig stuk wild de komst van den jager en wekken
hierdoor diens rechtmatigen toorn; daar zij echter zoo onderhoudend,
zoo vroolijk, zoo grappig zijn, vergeet men licht de teleurstelling,
waarvan zij de oorzaak waren en vat genegenheid voor hen op. Hun
geschreeuw is verre van welluidend en biedt ook niet veel afwisseling
aan; het is echter moeilijk te beschrijven.



Een tamelijk scherp begrensde familie is die der Meezen (Paridae). De
snavel van deze Vogels is kegelvormig, recht en kort, aan den rug
afgerond, zijdelings samengedrukt, aan de randen scherp; hunne voeten
zijn stevig en gespierd, de teenen middelmatig lang en krachtig;
de klauwen betrekkelijk groot en scherp gekromd; de vleugels, welker
spits gevormd wordt door de vierde en de vijfde handpen, zijn kort
en afgerond; de staart is bij de meeste soorten kort, in dit geval
recht afgesneden of slechts weinig uitgerand, bij sommige echter lang
en dan sterk trapvormig; het vederenkleed is dicht, zacht en sprekend
van kleur.

Deze familie is over het noorden der geheele aarde verbreid, maar komt
ook voor in het Indische Ethiopische en Australische faunistische
Rijk. Eenige tot haar behoorende soorten zijn zwerfvogels, andere
standvogels, nog andere "streekvogels", die in sommige tijden
in grooten getale door het land trekken, maar hunne reizen nooit
ver uitstrekken, en zich altijd slechts binnen een zeer beperkt
gebied bewegen. Haar eigenlijk woon- en jachtgebied is het woud,
want nagenoeg alle soorten leven uitsluitend op boomen en struiken;
slechts weinige verkiezen het rietveld boven het struikgewas. Niet
slechts met hare soortgenooten maar ook met leden van andere soorten
derzelfde familie en soms met vreemde Vogels vereenigen de Meezen zich,
om in dit gezelschap niet zelden dagen en weken lang te blijven.

Het voorkomen en de handelingen der Meezen zijn in hooge mate
aantrekkelijk. Zij behooren tot de roerigste en bedrijvigste
Vogels, die men kent. Over dag zijn zij geen oogenblik in rust, maar
integendeel onverpoosd werkzaam. Zij vliegen van den eenen boom naar
den anderen en klauteren onophoudelijk in de twijgen rond; want haar
geheele leven wordt ingenomen door de jacht. In vele opzichten mag men
ze hoog begaafd noemen. Op den bodem zijn zij echter zeer onbehendig;
zij houden zich daarom hier nooit lang op, maar keeren altijd spoedig
weder naar de twijgen terug. Hier huppelen zij vlug heen en weer,
hechten zich zonder bezwaar aan de onderzijde van de twijg, zoodat de
rug naar onderen gekeerd is, zien kans om in de meest verschillende
houdingen niet slechts te blijven, maar zelfs te arbeiden, zijn zeer
vaardig in het klimmen en geven bewijzen van groote behendigheid bij
het sluipen en kruipen door dicht ineengegroeide wildernissen. Zij
vliegen snorrend volgens een uit korte bogen bestaande lijn; deze
beweging schijnt hun zeer veel inspanning te kosten; de meeste soorten
vliegen daarom maar zelden ver, gewoonlijk begeven zij zich op deze
wijze eenvoudig van den eenen boom naar den anderen. Haar stem is een
fijn gesjilp, dat wel eenige overeenkomst vertoont met het gepiep
van Muizen en voortdurend, schijnbaar zonder eenige aanleiding,
wordt voortgebracht.

Vele Meezen eten behalve Insecten ook zaden, de meeste soorten
bepalen zich echter geheel tot het eerstgenoemde voedsel en maken
bij voorkeur jacht op kleine Insecten, nog meer echter op hunne
larven en eieren. Juist hierom zijn deze Vogels zoo bevorderlijk
aan het gedijen van de boomen, die meer bepaaldelijk door den mensch
verzorgd worden. Wegens haar rustelooze bedrijvigheid hebben de Meezen
een betrekkelijk zeer groote hoeveelheid voedsel noodig. Zij zijn de
beste insectenverdelgers, die ten onzent leven. Weinige andere Vogels
verstaan zooals zij de kunst om een bepaald gebied op de grondigste
wijze te doorzoeken en de meest verborgen Insecten op te sporen. Daar
zij vlijtig en onvermoeibaar, behendig en scherpzinnig zijn, blijft
er maar weinig voor haar verborgen en onbereikbaar. Zij zijn de
getrouwste van alle bewakers van het woud, omdat zij in een bepaald
gebied blijven en in ieder jaargetijde haar beroep uitoefenen. Het
nut dat zij ons aanbrengen, is onberekenbaar groot; men overdrijft
echter zeer zeker niet, door te zeggen, dat een Mees gedurende haar
leven iederen dag omstreeks duizend Insecten verdelgt. Daaronder
zijn er ongetwijfeld vele, die aan onze boomen geen schade doen; de
meeste eieren echter, die door de Meezen opgezocht en vernield worden,
zouden zonder haar bedrijf zich ontwikkeld hebben tot Insecten, die
voor ons zeer nadeelig zijn. Het is de plicht van ieder verstandig
mensch om, zoo goed als zulks hem mogelijk is, mede te werken tot
bescherming van deze zoo nuttige Vogels niet alleen, maar ook tot
bevordering van haar welzijn; men zou haar het vinden van woon-
en broedplaatsen gemakkelijker kunnen maken door ten haren behoeve
oude, holle boomen te laten staan of broedkasten op te hangen. Het
ergste bezwaar, waarmede onze inheemsche Meezen te kampen hebben,
is gebrek aan geschikte woningen; dit bezwaar zal, wanneer daartegen
geen behoorlijke maatregelen genomen worden, een steeds grooteren
omvang aannemen; het doet aan de vermenigvuldiging van de Meezen
meer kwaad dan al hare vijanden te zamen genomen, de mensch er onder
begrepen. Tot zegen voor het woud is haar voortplantingsvermogen zeer
sterk: voor 't meerendeel leggen zij tweemaal per jaar, telkens 2 à
12 eieren. De talrijke jongen, die zij grootbrengen, zijn reeds in
de volgende lente voor de vermenigvuldiging geschikt.

Als kooivogels zijn de Meezen zeer gezellige huisgenooten. Zij geraken
merkwaardig schielijk aan het leven in de gevangenschap gewoon, maar
worden toch zelden werkelijk tam. Met andere Vogels mag men ze niet
in één kooi opsluiten, want zelfs groote dieren worden door haar
met moordzuchtige bedoelingen aangevallen; zij klemmen zich op hun
rug vast en dooden hen door snavelbeten, breken den schedel van het
gedoode slachtoffer open en verslinden de hersenen niet minder gretig,
dan een Roofvogel zijn prooi verslindt.



De Boschmeezen (Parus) kenmerken zich door den krachtigen,
kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel, die van voren scherp
is, doch niet zoo spits als een naald, door de stevige, met groote,
scherpe nagels gewapende voeten, de korte en breede vleugels, waarin
de derde en de vierde slagpen de langste zijn, den middelmatig of
tamelijk langen, soms zwak afgeronden, soms ondiep uitgesneden staart
en het rijk, langbaardig, dikwijls prachtig gekleurde en geteekende
vederenkleed.



De meest bekende soort van dit geslacht is onze Koolmees, veelal
eenvoudig Mees genoemd, bij Haarlem Plakker, in Gelderland Bijmees,
in Friesland Blokvinkje (Parus major); zij is de overal voorkomende
vertegenwoordigster en het grootste Europeesche lid van het geslacht
der Boschmeezen en van de Meezen in het algemeen. De bovenzijde is
olijfgroen, de onderzijde lichtgeel; de bovenkop, de keel, een naar
achteren smaller wordende streep, die over de geheele onderzijde
loopt, en een boogvormige streep, die zich van den gorgel tot aan
den achterkop uitstrekt, zijn zwart, de slagpennen en de stuurpennen
blauwgrijs, de zijden van den kop en een dwarsstreep over de vleugels
wit. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig
grijs. De lengte bedraagt 16 cM. met inbegrip van den 7 cM. langen
staart.

Ten zuiden van den 65en graad N.B. ontbreekt de Koolmees in Europa
nergens; zij is echter volstrekt niet overal veelvuldig, wordt hier
en daar in zuidelijke gewesten alleen in den winter aangetroffen, is
bovendien over Noord-Amerika en de Kanarische eilanden verbreid, komt
in Noord-Perzië nog algemeen voor, maar wordt in het Transkaspische
gebied in 't geheel niet gevonden. Zij is over ons geheele land
verbreid, maar broedt in de zeeprovinciën slechts schaars; daarentegen
broedt zij in Friesland overal, hier en daar zelfs in steden. In den
herfst en 's winters in den zwerftijd merkt men ze overal in menigte
op, in gezelschap van andere Meezen (Pimpel, Zwartkopmees, Zwarte
Mees en Staartmees), Goudhaantjes en Boomkruipertjes (Albarda). In
Duitschland ziet men haar overal en in ieder jaargetijde, het
veelvuldigst echter in de lente en in den herfst, als de in het
noorden opgegroeide jongen zich zuidwaarts begeven en door de
Midden-Europeesche landen zwerven; haar aantal is echter op lange
na niet meer zoo groot als voor één of twee menschenleeftijden;
van geen harer verwanten is het zoo sterk afgenomen. Nog ontmoet
men haar in ieder plantsoen, in iederen grooten tuin; van jaar tot
jaar echter wordt voor haar de kans om een broedplaats te vinden
geringer; zij vermijdt daarom, door den nood gedrongen, de nabijheid
van menschelijke woningen, waar zij vroeger even veelvuldig was, als
in het woud. Tegen het einde van September begint zij te zwerven en in
't begin van October is het trekken aan de orde van den dag. Omstreeks
dezen tijd, vooral op donkere dagen, ziet men honderden van Koolmeezen
wegtrekken; meestal volgen zij bepaalde wegen, dikwijls gaan zij
met andere Meezen, Boomloopers en Goudhaantjes een Bonten Specht
achterna. In Maart keeren de reizigers terug en in April hebben de
zwermen zich reeds weder in paren verdeeld.

Bij de Koolmees komen in zekeren zin de eigenschappen van al hare
familieleden vereenigd voor. Evenals deze is zij een buitengewoon
levendige en opgewekte, een onrustige en rustelooze, nieuwsgierige,
bedrijvige, moedige en twistzieke Vogel. "Het is een zeldzaamheid,"
zegt Naumann, "haar eenige minuten achtereen stilzittend zelfs of
misnoegd te zien. Altijd blijmoedig en onverpoosd huppelt of klautert
zij rond tusschen of in de twijgen der boomen, struiken, heggen en
omtuiningen, hecht zich nu eens op de eene, dan weer op een andere
plaats aan den stam van een boom, wiegt zich met den rug naar beneden
aan de dunne spits van een slanke twijg, kruipt door een hollen stam
of sluipt behendig door spleten en gaten; zij doet dit alles met
de meest afwisselende houdingen en gebaren, met een beweeglijkheid
en vlugheid, die aan 't potsierlijke grenzen. Hoezeer zij door een
buitengewone nieuwsgierigheid beheerscht wordt, hoe gaarne zij alle in
't oog vallende voorwerpen, die zij op haren weg ontmoet, van alle
zijden beziet, onderzoekt en er met den snavel op los hamert, toch
gaat zij hierbij volstrekt niet zorgeloos te werk; integendeel al
hare handelingen openbaren een hoogen graad van schranderheid. Zij
weet niet alleen hem, die haar lagen legt, schuw te ontwijken,
maar is ook slim genoeg om de plaats, waar zij eens een onaangename
ontmoeting had, te vermijden, hoewel zij overigens volstrekt niet
schuw is. Men kan het bij wijze van spreken aan haar gezicht zien,
dat zij een sluwe, loszinnige Vogel is: zij heeft een bijzonder
listigen blik." Zoo lang mogelijk houdt zij zich in de boomkronen op;
den bodem bezoekt zij slechts zelden. Zij vliegt echter ook niet graag
over een grooten afstand, want haar vliegvermogen, hoewel beter dan
dat van de andere Meezen, is toch altijd nog betrekkelijk gering,
hare bewegingen in de lucht zijn lomp en onhandig. Haar stem bestaat
uit het gewone "tsiet," of "siet," bij dreigend gevaar gevolgd door
het waarschuwende "terrr", bij schrik ook wel voorafgegaan door
"pienk pienk"; een teeder gevoel wordt door de syllaben "wudie wudie"
uitgedrukt. Het gezang is eenvoudig, maar toch niet onaangenaam;
"de tonen klinken," naar Naumann zegt, "helder als een klokje",
ongeveer als "stiti sietsietsidi" en "sitidoe sitidoe." Hoewel de Mees
gezellig is, bejegent zij zwakkere dieren onverdraagzaam, ja zelfs
boosaardig. Erbarmelijk lafhartig, als zij een gevaar vreest, zich
onzinnig aanstellend, als zij een Roofvogel opmerkt, verschrikkend,
als men een ruischend geluid voortbrengt of een hoed omhoog werpt,
die zij dan voor een Valk houdt, valt zij iederen zwakkeren Vogel
moordgierig aan en doodt hem, als zij hier kans toe ziet. Zwakke,
zieke soortgenooten worden onbarmhartig aangevallen en zoo lang
mishandeld, tot zij het leven hebben verloren. Zelfs een grootere
Vogel dan zij zelf is niet veilig voor haar. Voorzichtig sluipt zij
naar hem toe, tracht hem, gelijk reeds door Beckstein opgemerkt werd,
door een krachtigen aanval op den rug te werpen, slaat daarna hare
scherpe klauwen diep in de borst en den buik van het slachtoffer,
en pikt dit zoo lang en zoo krachtig met den snavel in den kop, tot
zij den schedel verbrijzeld heeft en de hersenen, een zeer gezochte
lekkernij voor onzen Vogel, kan bereiken. De neiging tot het dooden
van andere Vogels neemt, naar het schijnt, in de gevangenschap toe,
maar is ook reeds bij de in vrijheid levende Vogels zeer ontwikkeld;
de naam Guerrera (krijger, twistzoeker), dien de Spanjaarden aan onze
Koolmees geven, is uitmuntend gekozen.

Insecten en hunne eieren en larven maken het hoofdbestanddeel van
het voedsel der Koolmees uit, vleesch, zaden en boomvruchten zijn
voor haar lekkernijen. Zij schijnt onverzadelijk te zijn; zij vreet
van den morgen tot den avond; een Insect, dat zij werkelijk niet
meer verslinden kan, wordt toch door haar gedood. Zij ziet kans
om zelfs den meest verborgen buit te bemachtigen; als zij hem niet
onmiddellijk grijpen kan, hamert zij op de wijzen van de Spechten
zoolang met den snavel op de schuilplaats van het gedierte om, tot
een stuk schors afvalt en het hieronder verborgen Insect blootgelegd
is. In geval van nood neemt zij list te baat, o. a. wanneer zij des
winters de Bijen uit den korf wil lokken. "Zij gaat dan," zegt Lenz,
"bij het vlieggat zitten en klopt met den snavel aan, zooals men
aan een deur klopt. Binnen in den korf ontstaat een gonzend geluid,
weldra komen enkele of vele bewoners naar buiten om den rustverstoorder
met steken te verdrijven. Deze echter pakt dadelijk den eersten den
besten verdediger van de vesting, die zich buiten de poort waagt,
bij den kraag, vliegt met hem naar een takje, houdt hem tusschen de
voeten vast, hakt hem het lijf open, verslindt gretig de weeke deelen,
laat het pantser vallen en gaat weer heen om een nieuwen buit te
zoeken. De Bijen hebben zich intusschen, door de koude afgeschrikt,
weer in den korf teruggetrokken. Er wordt weer bij haar aangeklopt,
nogmaals wordt er een bij den kraag gepakt en zoo gaat het den eenen
dag na den anderen, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat." Als er 's
winters een Varken geslacht wordt, is de Mees dadelijk bij de hand, om
de grootst mogelijke stukken vleesch machtig te worden. Al het voedsel
dat zij gebruikt, wordt vooraf fijn gemaakt. Zij houdt den buit op de
wijze van de Raven of Kraaien met de teenen vast, maakt hem met den
snavel stuk en eet hem nu bij kleine stukjes tegelijk op. Intusschen
is zij buitengewoon bedrijvig; haar werkzaamheid levert een zeer
aantrekkelijk schouwspel op. Als zij overvloed van voedsel heeft,
verbergt zij een deel, om het te gelegener tijd weer op te zoeken.

Het nest wordt nu eens op korten afstand boven den bodem, dan
weer boven in den top van den boom, altijd echter in een holte
aangelegd. Aan holle boomen geven de Koolmeezen de voorkeur; zij maken
echter ook gebruik van spleten in muren en zelfs van oude verlaten
nesten van eekhoorns, Eksters en Kraaien; door het thans heerschende
gebrek aan woningen worden zij wel genoopt iedere eenigszins geschikte
gelegenheid om te nestelen voor lief te nemen. Het nest zelf is niet
zeer kunstvol. Zijn grondslag bestaat uit droge halmen, worteltjes en
soms ook mos; voor den bovenbouw worden haren, wol, borstels en veeren
als grondstoffen gebruikt. Het broedsel bestaat uit 8 à 14 eieren
met dunne schaal, die op glanzig witten grond met fijne of grove,
roestkleurige of licht roodachtige stipjes geteekend zijn. De beide
echtgenooten broeden om beurten; beide wijden zich met zelfopoffering
aan het voederen van hun talrijk gezin; nadat de jongen het nest
verlaten hebben, worden zij nog lang door hunne ouders geleid en met
zorg onderwezen in de uitoefening van hun beroep. In goede zomers
broeden zij steeds tweemaal.

Het is niet moeielijk Meezen te vangen; haar nieuwsgierigheid leidt
haar dikwijls in 't verderf. Zij, die eens verschalkt zijn geweest,
zullen trouwens niet zoo licht meer in de val geraken. In de kooi
zijn zij dadelijk thuis, zij doen althans, alsof zij zich hier van
den beginne af op haar gemak gevoelen, onmiddellijk maken zij van
ieder geschikt plaatsje om te zitten gebruik, snuffelen overal in en
kruipen overal door, vangen Vliegen en nemen onbeschroomd het haar
voorgezette voedsel aan; werkelijk tam worden zij echter niet dadelijk,
zij moeten eerst volkomen overtuigd zijn van de welwillende bedoelingen
van den mensch, voordat zij hem vertrouwen. Door haar beweeglijke,
opgewekte en vroolijke natuur verschaffen zij iedereen genoegen;
zij worden echter lastig door haar twistgierigheid en moordzucht
en doordat zij onophoudelijk pikken aan alle mogelijke voorwerpen,
er doorsluipen of er inkruipen en de meubels bevuilen.



De Pimpel of Pimpelmees, ook wel Blauw Meesje of Blauw Muisje genoemd
(Parus coeruleus), is aan de bovenzijde groenachtig blauw, de kop,
de vleugels en de staart zijn blauw, de onderzijde is geel. Een witte
band, die op den voorkop begint en tot aan den achterkop reikt,
begrenst de donkere kruin, een smalle, blauwzwarte teugelstreep
scheidt haar van de witte wang, die van onderen door een blauwachtigen
halsband begrensd wordt. De slagpennen zijn leikleurig zwart, en zien
er in saamgevouwen toestand gestreept uit, omdat de achterste op
de buitenvlag hemelsblauw en aan de spits wit zijn; de stuurpennen
zijn leikleurig blauw. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart,
aan de randen vuilwit, de voet loodkleurig grijs. Deze Vogel is 11,8
cM. lang met inbegrip van den 5,5 cM. langen staart.

Het verbreidingsgebied van den Pimpel omvat geheel Europa, voor zoover
het met bosschen begroeid is, Klein-Azië, Perzië en West-Siberië. Als
verblijfplaats kiest hij bij voorkeur bosschen van breedbladige boomen,
boomkweekerijen en boomgaarden. In naaldhoutbosschen wordt hij zelden
aangetroffen, gedurende den zomer bijna nooit, terwijl hij in de
bosschen van breedbladige boomen overal veelvuldig voorkomt. In de
lente ziet men deze Vogels tot paren, in den zomer tot familiën,
in den herfst tot vluchten vereenigd; deze vluchten ondernemen
gemeenschappelijk een meer of minder uitgestrekte reis. Zij, die
werkelijk trekken, bewegen zich naar Zuid-Europa, vooral naar Spanje,
waar men ze gedurende den winter overal ontmoet; zij reizen echter
reeds in Maart naar de noordelijke gewesten terug. In Nederland
broedt de Pimpel overal, waar boomen groeien, zelfs in tuinen en
plantsoenen van steden; hij houdt zich zoowel in laag houtgewas als
in hooge boomen op, maar geeft aan een eenigszins vruchtbaren bodem
de voorkeur. Evenals de Koolmees leidt hij in den herfst en in den
winter een zwervend leven.

Door zijn voorkomen en zijne gewoonten is de Pimpel als 't ware
een Koolmees in 't klein. Hij is even bedrijvig, vlug, behendig,
driest, vroolijk en opgewekt en bijna even nieuwsgierig, maar ook
even boosaardig, twistziek en opvliegend als deze. Zijn gezang is
zeer onbeduidend. Zijn voedsel is gelijk aan dat, hetwelk de andere
Meezen gebruiken. Van zaden houdt de Pimpel niet; eieren van Insecten
vormen het hoofdbestanddeel van zijn maal.

Het nest wordt meestal in een hollen boom, zelden in een gat van een
muur, een oud ekster- of eekhoornnest, steeds tamelijk hoog boven
den bodem gebouwd; de holte wordt gewoonlijk vooraf gefatsoeneerd. Om
geschikte gaten, die door andere in holen broedende Vogels evenzeer
begeerd worden, strijdt de Pimpel met volharding en moed; daarom weet
hij altijd een doelmatige nestelplaats in te nemen. Het eigenlijke nest
is gebouwd in overeenstemming met de wijdte van het hol, maar bestaat
meestal uit slechts weinige veeren en haren. Het bevat 8 à 10 kleine,
dunschalige eieren, die op zuiver witten grond met roestkleurige
stippels bestrooid zijn. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten
en houden zich ook gemeenschappelijk met de opvoeding van de jongen
bezig. Het eerste gebroed vliegt omstreeks het midden van Juni uit,
het tweede in 't einde van Juli of in 't begin van Augustus.



De Zwarte Mees, die in Gelderland Zwarte Bijmees heet (Parus ater),
is 11 cM. lang, van boven grootendeels aschgrauw, aan de zijden
bruinachtig, van onderen vuil grijsachtig wit; de kop en de hals hebben
een zwarte kleur met uitzondering van de wangen, de zijden van den
hals en een breede streep in den nek, die wit zijn; de slagpennen zijn
bruinzwart, naar buiten aschgrauw gezoomd; de toppen van de grootste
en van de middelste bovendekvederen van den vleugel zijn met witte,
op twee reeksen geplaatste vlekken versierd. Dit vogeltje bewoont de
naaldhoutbosschen in alle landen van Europa en Azië, van den Libanon
tot den Amoer en in Japan. In Nederland broedt het, ofschoon in
kleinen getale, in de naaldhoutbosschen van Gelderland en ook in de
houtrijke duinstreken van Holland, o.a. bij Lisse (Albarda). In den
zwerftijd ontmoet men het in de meeste deelen van ons land, doch alleen
in bosschen. Sommige trekken in November naar 't zuiden en keeren in
Maart terug. Wat voedsel, zang en eieren betreft, gelijkt de Zwarte
Mees veel op den Pimpel; zij maakt echter haar nest dicht bij den grond
(in holle boomen, spleten van rotsen en muren), doch tegenwoordig,
door den nood gedrongen, dikwijls in den grond (onder boomwortels,
in oude holen van Muizen, Mollen of Bunzingen). 's Winters eet zij
ook wel zaden van naaldboomen.



De Zwartkopmees, ook wel Korstje Kaas, in Gelderland Zwartkoppige
Bijmees, in Noordbrabant Ossenkopje, in Friesland Rietmees genoemd
(Parus palustris)> heeft een lengte van 12 cM., waarvan 5 op den staart
komen. De bovenkop en de nek zijn donkerzwart, de kin en de keel
grauwzwart, de bovendeelen vaal aardbruin, de zijden van den kop en
den hals benevens de onderdeelen vuilwit, op de flanken bruinachtig
uitvloeiend, de slagpennen en staartvederen donker aardbruin, naar
buiten met smallen, grijsbruinachtigen zoom. Evenals de Pimpel is
zij als broed- en zwerfvogel door ons geheele land verbreid, hoewel
zij nimmer in zoo grooten getale voorkomt. Zij heeft een korten en
zachten, maar afwisselenden en aangenamen zang. Men vindt haar nest
in holle boomen van laaggelegen bosschen, hoogstens 4 M. boven den
grond. De 8 à 12 eieren, die zij legt, hebben veel overeenkomst met
die van den Pimpel.



De Kuifmees (Parus cristatus), is van boven roodachtig bruingrijs of
muisvaal, van onderen witachtig grijs, de vederen van de kuif zijn
zwart met witte randen, de wangen wit, een door het oog gerichte
teugelstreep, de keel en een van hier uitgaande nekband zijn zwart,
de slagpennen en stuurpennen donker grijsbruin, aan den buitenrand
lichter gezoomd. Het oog is bruin, de snavel zwart, lichter van kleur
dan de randen van de mondspleet, de voet is vuil lichtblauw. Zij is
13 cM. lang met inbegrip van een 5.5 cM. langen staart.

Voorzoover thans bekend, is de Kuifmees tot Europa beperkt. In
Nederland komt zij niet veelvuldig voor: broedend is zij waargenomen
in Gelderland, Noordbrabant, Groningen, Friesland (Beesterzwaag en
Olterterp) en bij Hilversum (Albarda). In de Duitsche naaldhoutbosschen
is zij nergens zeldzaam, in de bosschen, die uitsluitend breedbladige
boomen bevatten, ontbreekt zij geheel. In Duitschland zoowel als
hier te lande blijft zij getrouw aan het door haar gekozen gebied,
maar zwerft in den herfst en den winter rond.

De uitbundige vroolijkheid, de lust om zich te bewegen, de behendigheid
en de geschiktheid tot het klimmen en zich vasthaken, de driestheid,
de moed, de lust tot twisten en vechten, die Meezen zoozeer kenmerken,
zijn ook aan deze soort eigen. De gewone mededeelingen door de stem
klinken sissend als "siett", of gerekt als "tèh tèh"; de loktoon
is een helder "tsiek guur" of "gluur" (de g uitgesproken zooals in
het Fransch), het gezang onbeduidend. Terwijl het mannetje zingt,
neemt het verschillende standen aan, het draait en wendt zich, zet
de kuif op en legt haar weer neder, kortom het doet zijn best om door
allerlei bewegingen zijn beminnelijkheid goed te doen uitkomen.

Het nest wordt gewoonlijk gebouwd in holten van boomen met nauwe
ingangsopening, hoog of laag boven den grond, al naar het uitkomt,
ook wel in holle stammen en niet minder vaak in oude nesten van
Roofvogels, Raven, Kraaien, Eksters en Eekhoorns.

De Kuifmees is een van de grootste weldoeners der naaldhoutbosschen;
want zij voedt zich hoofdzakelijk met eieren en larven van schadelijke
Insecten en eet bijna in 't geheel geen zaden. Van den vroegen morgen
tot den laten avond ziet men haar bezig met het zoeken van leeftocht;
men heeft kunnen opmerken, dat zij bij voorkeur de eieren van Vlinders,
die voor de houtteelt schadelijk zijn, oppikt. Alleen in den winter
moet zij soms wel tot zaden haar toevlucht nemen; zoolang zij echter
Insecten kan krijgen, eet zij niets anders. Dit is waarschijnlijk
de reden, waarom zij moeielijker dan de andere soorten aan de
gevangenschap gewoon geraakt.



De Staartmeezen (Acredula) worden beschouwd als vertegenwoordigers van
een afzonderlijk geslacht, gekenmerkt door het kort ineengedrongen
lichaam, den zeer korten en gewelfden, van voren spits eindigenden
snavel, de zwakke pooten, den zeer langen, sterk trapvormigen, aan
den top uitgesneden staart en de middelmatig lange vleugels, welker
spits gevormd wordt door de vierde en de vijfde slagpen.

De Staartmees, ook wel Langstaartje, bij Haarlem Pijlstaartje en
Doodshoofdje, in Groningen IJsbeer en Moessien genoemd (Acredula
caudata), is boven op den kop en aan de onderzijde wit, in de flanken
zwart, rooskleurig bruin uitvloeiend; de bovendeelen zijn overigens
zwart, de schouders echter rooskleurig bruin; de achterste armpennen
hebben aan de buitenzijde breede, witte randen, de beide buitenste
staartveeren zijn aan de buitenzijde en aan den top wit. Het oog is
donkerbruin, omgeven door een onbevederden rand, die bij oude Vogels
een licht roode, bij jonge een hoog gele kleur heeft; de snavel en de
voet zijn zwart. De geheele lengte bedraagt 14.6, die van den staart
8.7 cM.

De Staartmees begeeft zich niet ver zuidwaarts; reeds in Griekenland
en Spanje behoort zij tot de zeldzaamheden, hoewel zij in Klein-Azië
gevonden wordt. Daarentegen strekt haar verbreidingsgebied zich ver
noordwaarts uit; ook in Middel-Azië komt zij voor. Bij ons wordt
zij vrij algemeen aangetroffen; zij broedt zelfs in onze tuinen;
na den broedtijd, in den herfst en in den winter, zwerft zij rond
in gezelschappen van 5 à 15 stuks, die dan ook wel de tuinen in
de steden bezoeken. Vele familiën blijven zelfs gedurende den
strengsten winter in ons vaderland. Naar het schijnt, geeft de
Staartmees aan breedbladige boomen de voorkeur boven het naaldhout;
liever nog dan in het woud vestigt zij zich in boomgaarden of in
boomrijke vlakten. Zij is opgewekt, vlug, levendig en bedrijvig, maar
vroolijker en zachtaardiger, minder opvliegend en roofzuchtig dan de
andere soorten van haar familie. Haar gewoon geluid klinkt sissend als
"siet", haar loktoon is een fluitend "tie tie", haar waarschuwingssein
een snijdend "tsie rierie" en "terr", haar gezang zacht en aangenaam,
ofschoon onbeduidend. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Insecten
en wel bij voorkeur uit kleine soorten.

Het nest van de Staartmees gelijkt op dat van de Buidelmees, maar
verschilt hiervan in dit opzicht, dat het niet vrij hangt, maar
steeds ondersteund wordt. Het heeft den vorm van een groot ei,
met een zijdelingsche opening aan 't boveneind en is ongeveer 24
cM. hoog en 10 cM. wijd. Groene bladmossen, die met spinsels van
Insecten en Spinnen tot vilt verwerkt en met korstmossen van boomen,
cocons, berkenbast en spinsels van Rupsen en Spinnen bekleed zijn,
vormen den buitenwand, een groote hoeveelheid veeren, wol en haar
de inwendige bedekking. Steeds gebruikt het Staartmeezen-paartje de
mossen en korstmossen van den boom, waarop het zijn nest bouwt, altijd
rangschikt het deze bouwstoffen op een soortgelijke wijze, als zij
zich op de schors van den boom bevinden. Hierdoor krijgt het nest een
bewonderenswaardige overeenkomst met zijn omgeving, zoodat het, zelfs
voor een geoefend oog, licht verborgen blijft. Daar het bijeenbrengen
van de benoodigde bouwstoffen moeilijk is, plukt het paar, dat
gedwongen wordt een nieuw nest te bouwen, soms de reeds aaneengevoegde
materialen weder uit en verwerkt ze opnieuw. De nestbouw duurt 2,
dikwijls zelfs 3 weken, hoewel de beide echtelingen zeer ijverig
werken, het mannetje althans als handlanger het wijfje behulpzaam
is. Tegen het midden of het einde van April is het eerste broedsel
voltallig. Het bestaat uit een groot aantal eieren, want de Staartmees
legt er 9 à 12, soms zelfs 15 à 17. Deze zijn klein, buitengewoon dun
van schaal en op witten grond meer of minder overvloedig met licht
roestroode stippeltjes geteekend. Sommige wijfjes leggen uitsluitend
witte eieren. Na een broedtijd van 13 dagen begint voor de ouders een
onverpoosde arbeid; want het is geen kleinigheid een zoo talrijk gezin
groot te brengen. Reeds voor de broedende ouders is de ruimte in het
nest klein genoeg, voor de jongen wordt zij weldra veel te nauw. Elk
van de kinderen doet dus zijn best om zich plaats te verschaffen;
zoo komt het, dat het viltachtige weefsel van den nestwand sterk
uitgezet wordt en zelfs op sommige plaatsen scheurt. Als er gaten in
den bodem van het nest ontstaan, leveren deze een zeer vreemdsoortig
schouwspel op; want als de jongen grooter worden, steken zij bijna
alle er den voor hen hinderlijken staart door. Later gebruiken zij
deze zelfde openingen ook voor een ander doel, waardoor der moeder
de zorg voor het schoonhouden van het nest gemakkelijker wordt gemaakt.

Van alle Meezen wordt de Staartmees het tamst; hierdoor en door
hare handelingen in het algemeen is zij het lieftalligste lid van de
geheele familie.



Tot de Rietmeezen (Panurus) behoort het Baardmannetje, ook
wel Baardmees en in Friesland Dekvogeltje geheeten (Panurus
biarmicus). Het bovenste deel van den kop en den nek zijn fraai
aschgrauw, de overige bovendeelen en de middelste staartveeren licht
kaneelrood, de bovendekveeren van den staart en de zijden van de borst
teer isabelrood; het midden van de onderzijde is zuiver wit; een aan
den teugel beginnende, uit lange veeren bestaande baardstreep en de
onderdekveeren van den staart zijn zwart, de slagpennen zwartbruin;
de buitenvlag van de handpennen en van hare dekveeren is zilverwit,
die van de armpennen levendiger kaneelrood dan de bovendeelen van
den romp; de achterste armpennen zijn zwart, de buitenste stuurpen
is wit. Het oog is oranjegeel-bruin, de snavel fraai geel, de voet
zwart. Het geheele lichaam is 16, de staart 8 cM. lang.

Het zuidoosten van Europa, maar ook Nederland, Groot-Brittannië,
Zuid-Hongarije, Italië, Griekenland, Spanje en het grootste deel van
Middel-Azië zijn het vaderland van het Baardmannetje, uitgestrekte
rietvelden zijn woonplaats. Het is aan het rietbosch verknocht en
verlaat het slechts door den nood gedwongen. In Nederland komt
het slechts op sommige bepaalde plaatsen voor, vooral tusschen
Rotterdam en Gouda, waar het o.a. op de plassen bij Kralingen en
Stompwijk broedt (Schlegel). Ook broedt het in vrij grooten getale
in de rietvelden onder Suawoude, Garijp, Suameer en Rijperkerk in
Friesland (Albarda). Het leeft zeer verborgen, paarsgewijs of tot
kleine familiën vereenigd, is vlug, behendig, levendig en onrustig,
opgewekt en driest als de andere Meezen, beweegt zich even flink als
een Rietzanger langs de riethalmen op en neer, vliegt zonder inspanning
en bij rukken. Zijn loktoon klinkt als "tsiet tsiet"; zijn gezang is
zeer onbeduidend en bestaat uit een zacht gekweel, waarmede eenige
afgebrokene, ratelende tonen gemengd worden. Voor 't overige komt zijn
levenswijze in hoofdzaak met die van de andere Meezen overeen. Het
nest staat op korten afstand boven den grond in graspollen, meestal
zoo, dat enkele grashalmen ingevlochten zijn in den buitenwand, die
alleen uit droge pluimen van eenige soorten van riet en cypergrassen
bestaat; het doet dus denken aan het nest van de Rietzangers, maar
wijkt er sterk van af door de nette bewerking. De 4 à 6 eieren, die
er in gelegd worden, zijn op zuiver witten of roodachtig witten grond
tamelijk spaarzaam geteekend met roode vlekken en stippels.

Wegens haar fraai voorkomen en aardige bewegingen worden de Baardmeezen
dikwijls in de kooi gehouden. Sommige sterven, naar men onderstelt,
uit heimwee naar hare metgezellen: de dood van een exemplaar heeft
dikwijls ook die van zijn medegevangene ten gevolge. Bij zorgvuldige
behandeling kan men deze lieve vogeltjes eenige jaren in de kooi in
't leven houden.



De snavel van de Buidelmeezen (Aegithalus) is echt priemvormig; de
voet onderscheidt zich door zijne buitengewoon krachtige teenen; de
vleugels zijn kort en stomp, hun spits wordt gevormd door de derde,
vierde en vijfde handpennen; de staart is middelmatig lang en zwak
uitgesneden; het vederenkleed is zeer wijdbaardig en los.



De Buidelmees (Aegithalis pendulinus) is een van de kleinste soorten
van de familie; haar lengte bedraagt 12.2 cM., waarvan 5.5 cM. op den
staart komen. De voorkop, de teugel en een vlek onder het oog zijn
zwart, de bovenkop, de nek en de achterhals vuilgrijs, de mantel
en de schouders kaneelkleurig geelrood, de kin en de keel zuiver
wit, de overige onderdeelen isabelkleurig wit, de slagpennen en
de stuurpennen bruinzwart, op de buitenvlag met vaalwitten zoom,
de bovendekveeren van de armpennen kastanjekleurig roodbruin. Het
oog is bruin, de snavel donkerzwart, langs de mondspleet witachtig,
de voet zwart of grauwzwart.

Het oosten van ons werelddeel (Polen, Rusland, Galicië, het zuiden
van Hongarije, de laaglanden langs den Donau, Turkije, Griekenland
en Klein-Azië) vormen het verbreidingsgebied van dezen buitengewoon
sierlijken Vogel. In Duitschland behoort hij tot de zeldzaamheden,
hoewel hij er herhaaldelijk werd waargenomen. Moerassen en
dergelijke plaatsen dienen hem tot woonplaats; dicht begroeide
boschgronden, dichte bosschen van wilgen en populieren leveren
hem verblijfplaatsen. Of men hem als trekvogel moet beschouwen of
eenvoudig als zwerfvogel, is nog niet uitgemaakt. Het staat echter
vast, dat de Buidelmeezen tamelijk geregeld op bepaalde tijden van
het jaar, en wel in Maart, op hare broedplaatsen aankomen en ze,
althans ten deele, in September of October weder verlaten. Op hare
zwerftochten verschijnen zij in landen, die buiten haar eigenlijk
verbreidingsgebied gelegen zijn; zoo ziet men ze tamelijk geregeld
aan de oevers van sommige meren van Noord- en Oost-Duitschland.

Door haar levendigheid, behendigheid en driestheid toont de Buidelmees
zich een waardig lid van haar familie. Ook hare bewegingen en haar
lokstem zijn mees-achtig. Zij klimt behendig in de twijgen en ook wel
bij de riethalmen op en neer, houdt zich zooveel mogelijk verborgen
en laat haar schel, ver hoorbaar "tsiett" bijna onophoudelijk
weerklinken. Zij is onrustig van aard, heeft voortdurend iets
te doen en bevindt zich binnen haar gebied nu eens hier, dan weer
daar. Haar wijze van vliegen is haastig en behendig, maar gaat met een
eigenaardig getril gepaard; zij vermijdt zooveel mogelijk het vliegen
over terreinen, waarop zij geen schuilplaats kan vinden. Allerlei
Insecten, vooral die, welke zich in 't rietveld ophouden en de larven
en eieren van deze dieren, worden door haar als voedsel gebruikt. In
den winter behelpt zij zich met zaden van riet en andere moerasplanten.

Een bijzondere vermelding verdient de nestbouw dezer Meezen. Zij
behooren tot de uitmuntendste bouwmeesters, die wij kennen. Haar nest,
een heerlijk kunstwerk is alleen met het bovenste uiteinde vastgehecht;
het hangt dus evenals de nesten van de Wevervogels vrij en in de meeste
gevallen boven het water. Baldamus, die er de beste beschrijving van
heeft gegeven, zegt: "Ik ben 7 weken achtereen bijna dagelijks in de
gelegenheid geweest den kleinen bouwkunstenaar gedurende het bouwen van
het nest en het broeden na te gaan; ik heb meer dan 30 nesten gezien en
in handen gehad. Het bespieden van den arbeid van kunstige nestbouwers
is altijd een zeer aantrekkelijke bezigheid; zij is echter bij onzen
Vogel meer in 't bijzonder aangenaam, daar wegens zijn argeloosheid het
naderen van zijn werkplaats volstrekt niet moeielijk is. Ik heb den
geheelen gang van den arbeid waargenomen en nesten op verschillende
trappen van voltooiing gezien en verzameld. Het nest vond ik (in
het Witte Moeras) steeds aan de uiterste twijgspitsen van den daar
in overvloed voorkomenden brozen wilg. Hoewel er, althans ten tijde
van het aanleggen der nesten, steeds water en moerasplanten in de
nabijheid waren, bevonden de nesten zich toch niet alle onmiddellijk
boven het water; geen enkel nest was ver genoeg in het rietveld
gelegen om er eenigermate door verborgen te zijn. Integendeel, de op
geringe hoogte aangelegde nesten waren steeds buiten het bereik van
den groei der riethalmen, de meeste aan den rand van het rietbosch,
bij en boven het open water, alle gemakkelijk te vinden. Zij hingen
op een hoogte van 4 à 5 M. boven den bodem, slechts twee waren 2 à 3
M., eenige 6 à 10 M. hoog, één was zelfs dicht bij den top van een
hoogen wilg opgehangen. De beide echtelingen bouwen even ijverig;
het is bijna niet te gelooven, dat een zoo kunstig gebouw in minder
dan 14 dagen voltooid kan worden.

"Van den gang der werkzaamheden valt het volgende op te merken: De
Vogel windt bijna altijd wol, zeldzamer haren van Geiten en Wolven
of Honden of bast en hennepdraden om een dunne, afhangende twijg,
die meestal eenige centimeters onder het bovenste aanknoopingspunt
een of meer gaffels vertoont. Tusschen deze vorksgewijze vertakking
worden de zijwanden aangelegd, die hieraan hun steun vinden. De Vogel
zet vervolgens de viltbereiding zoo lang voort, totdat de zijwanden,
die voorbij de toppen van de gaffeltakken naar beneden hangen,
van onderen samengetrokken kunnen worden om een vlakken bodem te
vormen. Het nest heeft thans den vorm van een korfje met vlakken rand;
het zijn deze nesten, die men vroeger voor speelnesten van de mannetjes
heeft gehouden. De hiervoor gebezigde grondstof is wol van populieren
of wilgen, waardoor bastvezels, wol en haren worden heengewerkt;
de plantenwol wordt met speeksel saamgekneed en dooreengeplozen. Het
nest heeft nu den vorm van een korfje met dikken, afgeronden bodem. Nu
begint de bouw van de eene zijdelingsche opening, die op een klein
rond gat na gesloten wordt. Intusschen wordt ook de andere zijde van
onderen af opgebouwd. De eene van de beide ronde openingen wordt nu
met een buis, die 2 à 8 cM. lang is, voorzien, terwijl de andere
nog open blijft en slechts aan den rand glad gemaakt en vervild
wordt. Vervolgens wordt de eene opening gesloten; ik heb echter ook
een nest gezien met een dubbele buis. Ten slotte wordt de bodem van
de nestholte nog met losse, niet ineengedrukte plantenwol dik belegd;
eindelijk is het gebouw voltooid. Het nest heeft nu den vorm van een
ronden bol of buidel van 15 à 20 cM. hoogte en 10 à 12 cM. breedte
en heeft een ronden ingangsbuis, die er als een hals aan een flesch
mede verbonden is; soms is deze buis benedenwaarts gebogen en aan
het nest vastgehecht, soms heeft zij een horizontale richting. Zulk
een nest kan onmogelijk met dat van een anderen Vogel verward worden;
daarom weten wij zeker, dat de Buidelmees herhaaldelijk in Duitschland
genesteld heeft."

Baldamus vond nooit meer dan 7 eieren en ook altijd 7 jongen in
een nest. De eischaal is uiterst dun en teer, fijnkorrelig van
oppervlakte en zonder sterken glans; haar kleur is sneeuwwit, maar
schijnt lichtroodachtig door, zoolang het ei niet geledigd is. De beide
echtelingen broeden om beurten; beide houden zich gemeenschappelijk met
de voedering van de jongen bezig, die met teere rupsjes en vliegende
Insecten, vooral met Muggen, grootgebracht worden.

"Ik heb," zegt Baldamus, "14 jongen gedurende geruimen tijd altijd
bijeengehad en in 't leven gehouden met zoetemelksche kaas,
vermengd met fijngewreven hart van Hoenderen. Zij gingen alle
te zamen onmiddellijk op het voer af, waren steeds gemeenzaam en
tam en altijd hongerig; zij kwamen onmiddellijk uit het nest te
voorschijn en vlogen op mij af, zoodra ik na een korte afwezigheid
weder in de kamer kwam. Wel stierven er ook bij mij eenige, ondanks
de zorgvuldige verpleging; het is echter aan geen twijfel onderhevig,
dat deze aardige Vogels in de kooi grootgebracht kunnen worden."



De naaste verwanten van de Meezen zijn de Boomloopers (Certhiidae),
die gekenmerkt zijn door den slanken, gladrandigen snavel, welke
minstens zoo lang is als de kop, door 10 handpennen, waarvan de
eerste nog niet half zoo lang is als de tweede, door den korten en
rechten of middelmatig langen en wigvormigen staart, welks pennen bij
vele aan den top stijf zijn, door den loop, die even lang is als de
achterteen of korter dan deze; de buitenste voorteen is langer dan
de binnenste; de klauwen, vooral die van den achterteen, zijn groot
en sterk gekromd. Deze familie wordt in twee onderfamiliën verdeeld:
de Boomklevers en de Boomloopers in engeren zin.

Boomklevers (Sittinae) is de naam van een uit ongeveer 30 soorten
bestaande onderfamilie, die de volgende kenmerken heeft: de snavel
is middelmatig lang, wig-kegelvorming en spits, de snavelrug recht;
het voorste gedeelte van den ondersnavel (de rand gevormd door de
vereeniging der beide onderkaakshelften) is zwak gewelfd (concaaf);
de voet heeft een korten loop en zeer lange teenen, die met groote,
spitse, sterk gekromde nagels gewapend zijn; de vleugel, welks spits
gevormd wordt door de derde en de vierde handpen, is breed en stomp,
de staart kort en breed; het vederenkleed is overvloedig en zacht. Het
anatomisch onderzoek wijst een groote overeenstemming in lichaamsbouw
aan tusschen deze en de overige Zangvogels.

Voor zoover wij thans weten, ontbreken de Boomklevers in Middel- en
Zuid-Afrika en in Zuid-Amerika; bij voorkeur, doch niet uitsluitend,
bewonen zij bosschen; zij klimmen bij de boomen op en neer of loopen
langs de steilste rotswanden op en af. Misschien mag men zonder
overdrijving zeggen, dat zij beter klimmen dan alle andere Vogels;
hun vaardigheid in deze wijze van beweging is volstrekt niet geringer
dan die der Spechten, zelfs overtreffen zij hen in één opzicht: zij
verstaan n.l. de moeielijke kunst om met den kop naar beneden gericht
langs loodrechte vlakken af te dalen; zij zijn de eenige Vogels,
die dit kunnen doen.

Voor zoo ver bekend, zijn alle soorten van deze onderfamilie
"streekvogels": na den broedtijd zwerven zij in een klein gebied rond,
maar behouden overigens jaar in jaar uit dezelfde woonplaats. Overal,
waar hooge, oude boomen of ook wel rotswanden hun een voldoende
hoeveelheid voedsel verschaffen, kan men zeker zijn hen te zullen
ontmoeten; ook in het gebergte treft men ze nog op tamelijk groote
hoogten aan. Hun voedsel bestaat grootendeels uit Insecten; zij
eten ook wel plantaardige stoffen, hoofdzakelijk zaden, die zij van
boomen en rotswanden zoowel als van den grond opzoeken. Zij nestelen
in gaten van boomen of rotsen, welker ingang zij bijna altijd met
leem en slik bekleeden. Hun broedsel bestaat uit 6 à 9 eieren, die
op lichten grond rood gestippeld zijn.



De eenige inheemsche soort--de Boomklever (Sitta caesia), die in
Groningen Blauwspecht, in Gelderland Brabantertje wordt genoemd--is
van boven loodkleurig grijs, van onderen roestgeel; een zwarte streep
is door het oog gericht en strekt zich lang de zijden van den kop
tot op den hals uit; de kin en de keel zijn wit, de flanken en de
onderdekveeren van den staart kastanjebruin, de slagpennen bruinachtig
zwartgrijs met lichtkleurigen zoom, de voorste ook aan den wortel
wit; de middelste staartveeren zijn aschgrauwachtig blauw, de overige
donkerzwart met aschblauwe teekening aan den top, de eerstgenoemde
op de buitenvlag met een witachtige vlek vóór de grijze spits en een
groote vierhoekige, witte vlek op de binnenvlag. Het oog is nootbruin,
de snavel van boven hoornglanzig zwart, van onderen loodkleurig grijs,
de voet vuilgeelachtig. Totale lengte 16, staartlengte 4 cM.

Vroeger beschouwde men alle Europeesche vertegenwoordigers van dit
geslacht als leden van één soort, welker kenmerken hierboven opgegeven
zijn; thans worden tamelijk algemeen de Noordsche Boomklever (Sitta
europaea)--die Skandinavië en het noorden van Rusland bewoont--en de
iets kleinere Siberische Boomklever (Sitta sibirica)--die in het oosten
van Rusland en in Siberië gevonden wordt en wiens verbreidingsgebied
zich tot over Japan uitstrekt--als afzonderlijke soorten aangemerkt.

Onze Boomklever ontbreekt in 't noorden van Europa, maar wordt
van Jutland tot aan Zuid-Europa in alle landen gevonden. Bij ons
komt hij, naar 't schijnt, het meest in Gelderland voor, maar is
ook in Groningen, Friesland (Ooststellingwerf), in Noord-Holland
(Velzen) en in Zuid-Holland (den Haag, Lisse, Leiden) eenige malen
waargenomen. Nergens vormt hij groote gezelschappen; hij leeft
paarsgewijs of tot kleine familiën vereenigd of te midden van andere
Vogels. Bij voorkeur bewoond hij "gemengde" bosschen met hoogstammige
boomen, voor zoover het kreupelhout hier niet geheel ontbreekt. Hij
vermijdt de nabuurschap van den mensch niet, en is vóór de poorten
of in de lommerrijke wandelwegen der steden even talrijk als in het
eenzame woud. In den zomer kan één enkele eik hem uren lang boeien en
volop werk verschaffen; in den herfst ondervindt ook hij den drang
tot reizen en strekt hij zijne tochten verder uit. Overal en altijd
houdt hij zich aan de boomen, slechts in geval van nood komt hij er
toe een boomlooze streek te doorvliegen.

Een eigenaardige karaktertrek van de Boomklevers is hun neiging tot
gezelligheid; zij zoeken echter niet zoozeer het gezelschap van hunne
soortgenooten als wel dat van andere Vogels, vooral verschillende
soorten van Meezen, Boomkruipers en Goudhaantjes, waarbij zich soms
een enkele Bonte Specht voegt, die gedurende geruimen tijd in goede
gemeenschap met de overigen leeft. "Wie de eigenlijke aanvoerder
is van dit uit zoo ongelijksoortige leden bestaande gezelschap,"
zegt Naumann, "of wie de eerste aanleiding heeft gegeven tot hun
vereeniging, is niet uit te maken. De eene Vogel volgt de roepstem
van den anderen, totdat de drang tot voortplanting bij hen ontwaakt en
het gezelschap zich verstrooit." Zulke genootschappen zijn in al onze
wouden zeer gewone verschijnselen; ieder, die eens de eigenaardige
lokstem van den Boomklever gehoord heeft, kan ze, hierdoor geleid,
gemakkelijk opzoeken en zelf waarnemen. Er bestaat eigenlijk geen
innige betrekking tusschen deze Vogels, maar toch een duidelijke
samenhang, want men treft dezelfde individuen in ongeveer gelijken
getale dagen achtereen op verschillende plaatsen aan.

De loktoon bestaat uit helder gefloten klanken, die op "tu tu tu"
gelijken, het gewone geluid echter, dat voortdurend gehoord wordt,
zonder dat het eigenlijk iets beteekent, is een kort en niet ver
hoorbaar, maar toch scherp "siet". Bovendien verneemt men tonen,
die als "tsierr twiet twiet twiet" of "twèt twèt twèt" klinken. De
paringsroep bestaat uit zeer zuiver en luid gefloten tonen, die ver
hoorbaar zijn. Hierin is "tu tu" de hoofdzaak; de klanken "kwie kwie"
en "trierr" worden er aan toegevoegd. Het mannetje zit in den top van
een boom, draait heen en weer en roept "tu"; het wijfje, dat misschien
op den stam zit, antwoordt hierop met den klank "twèt". Daarna vliegen
beide gezamenlijk rond en jagen elkander spelend na, nu eens om den
boom heenfladderend, dan weer op de takken dartelend en hun vaardigheid
in 't klimmen toonend, altijd door echter onder luid geroep. In zulke
omstandigheden is één enkel paar van deze aanvallige Vogels in staat
om een tamelijk groot deel van het bosch te verlevendigen.

De Boomklever eet Insecten, Spinnen, zaden en bessen en slikt steentjes
door tot bevordering van de spijsvertering. De dieren zoekt hij van
de stammen en takken af, haalt ze uit het mos of uit de spleten van
de schors of vangt ze door een snellen sprong, wanneer zij bij hem
langs vliegen. Zijn snavel is te zwak om, op gelijke wijze als die der
Spechten, voor het kloppen op den boom gebruikt te worden; hij hakt
geen gaten in den boom, maar maakt wel groote stukken schors los. Bij
het jacht maken op Insecten komt hij niet zelden in de onmiddellijke
nabijheid van gebouwen, klautert op de muren rond en huppelt ook wel
eens de kamer binnen. "Even gaarne als Insecten," zegt mijn vader,
"eet hij zaden, vooral die van beuken, linden, eschdoornen, dennen,
edeldennen, sparren en eiken, ook gerst en haver. Zoolang de kegels
geheel gesloten zijn, kan hij natuurlijk de zaden van de naaldboomen
niet bereiken, zoodra echter de schubben eenigermate uiteenwijken,
trekt hij de zaden er tusschen weg en slikt ze door. Naar het schijnt,
houdt hij zeer veel van edeldennenzaden, een liefhebberij, die hij
met slechts weinige Vogels gemeen heeft. Als onze oude edeldennen
rijpe zaden hebben, zijn hunne toppen een gezochte verblijfplaats
voor de Boomklevers. De afgevallen zaden zoeken zij van den grond
op, de gerst en de haver pellen zij en de eikels pikken zij stuk,
voordat zij ze doorslikken. Naar het schijnt, houden zij niet veel van
haver en gerst en gebruiken deze alleen in geval van nood, want men
vindt zelden graankorrels in hun maag. Beukenoten en lindevruchten
eten zij graag; zij bergen deze ook op, om er in tijden van gebrek
gebruik van te maken." "Als bergplaats voor proviand dient soms
een spleet in een boom, soms een andere holte, soms zelfs het dak
van een huis. De Boomklever brengt niet vele noten op één plaats,
maar steekt den eenen hier weg, den anderen ginds, ongetwijfeld,
opdat zijn geheele rijkdom niet in eens verloren zal gaan. Eens werd
het stroodak van een boerderij in deze streek door een Boomklever als
bewaarplaats voor noten gebruikt." Haacke heeft gezien, dat gevangen
Boomklevers hennepzaden in het zand van de volière drukten.

Het nest wordt altijd in een holte gebouwd, gewoonlijk in een gat van
een boom, bij uitzondering in spleten van muren of rotsen. Zeer gaarne
gebruikt de schrandere Vogel de woning, die baas Specht getimmerd
heeft, als wieg voor zijne kinderen. Hij houdt er echter niet van,
dat zijn huis een grootere deur heeft, dan volstrekt noodig is; hij
maakt daarom gebruik van een goed bedacht middel om den ingang te
vernauwen tot de kleine opening, die zijn lichaam kan doorlaten. "Dit
geschiedt met leem of een andere kleverige grondsoort, die, evenals
men dit van de Zwaluwen gedurende den nestbouw ziet, door het op lijm
gelijkende speeksel bevochtigd, verbonden en bijeengehouden wordt. De
veranderingen aan de opening van zijn nest brengt hij schielijk
tot stand; het eene kluitje leem voor, het andere na draagt hij in
den snavel aan en plakt het met dit werktuig vast, nadat hij het aan
alle zijden met speeksel bevochtigd heeft. 't Is alsof men een kleinen
metselaar aan 't werk ziet, die om een deur dicht te metselen den eenen
steen na den anderen in de opening legt en vasthecht. Deze muur van
leem heeft eene dikte van 2 cM. of meer, en is na gedroogd te zijn,
zoo stevig, dat men hem er niet met den vinger uitbreken kan, maar
een beitel moet gebruiken om hem weg te nemen." Het echtpaar is, naar
het schijnt, zeer verheugd, als hun woning gereed is. "Het mannetje
zit in de nabijheid van het nest en laat jubelend zijn paringsroep
weerklinken, terwijl het wijfje ijverig in- en uitgaat." In het nest
gevoelen zij zich, naar het schijnt volkomen veilig. Toen Pralle, om te
onderzoeken of een nest van een Boomklever, dat hij onderzoeken wilde,
bewoond was, onder tegen den stam klopte, kwam de Vogel halverwege
uit de opening te voorschijn, keek een tijd lang nieuwsgierig naar
den onderzoeker en sloop daarna met het gevoel van volkomen veilig te
zijn weer in zijn hol terug. Dit spel herhaalde zich nog eenige malen
en eerst toen men in den boom klom, vloog het dier weg. In bosschen
van breedgebladerde boomen bestaat het nest uit stukjes van bladen
van beuken en eiken, in naaldhoutbosschen altijd uit uiterst dunne
schilfers denneschors, die, daar zij niet stevig vereenigd kunnen
worden, zoo los op elkander liggen, dat het moeilijk te begrijpen
is, hoe de eieren bij het uit- en invliegen van den Vogel bijeen en
boven op de schilfers blijven liggen. Men zou kunnen meenen, dat zij
onder dit fijne materiaal bedolven zouden moeten geraken. Op deze
gebrekkige ligplaats vindt men in de laatste dagen van April of in
de eerste van Mei 6 à 9 eieren, die op kalk- of melkwitten grond
uiterst fijn met lichtroode of donkerder stipjes geteekend zijn en
veel op eieren van Meezen gelijken. Het wijfje bebroedt ze alleen;
de jongen komen na 13 of 14 dagen uit en worden door beide ouders
met Insecten, vooral met rupsen gevoederd; zij groeien schielijk,
maar blijven in het nest totdat zij in het vliegen volleerd zijn.

De Boomklever begeeft zich argeloos in de meezenknip als deze
met hennep of haver als lokaas voorzien wordt, komt met de Meezen
op de "meezendans", wordt in strikken, op lijmroeden of met het
slagnet gevangen, wordt ook wel eens een slachtoffer van zijn
onvoorzichtigheid, als hem het verlaten van een kamer, waarin hij,
niets kwaads vermoedend, doordrong, wordt belet. Veel kommer toont
hij niet over 't verlies van zijn vrijheid; hij neemt zonder bezwaar
het voedsel, dat men hem voorzet en behoudt ook in de kooi zijn
lieftalligen aard. Met andere Vogels leeft hij in zeer goede harmonie.



Wegens zijn afwijkende levenswijze verdient de Rotsklever (Sitta
Neumayeri) naast de inheemsche soort kort vermeld te worden. Ehrenberg
ontdekte hem in Syrië, Michahelles vond hem op de hooge gebergten
tusschen Bosnië en Dalmatië, andere onderzoekers namen hem dikwijls
waar in Griekenland. Hij leeft op soortgelijke wijze als zijn
stamgenoot, maar bijna uitsluitend op rotsen en bijzonder gaarne
op de muren der oude Venetiaansche vestingen, in welker schietgaten
hij gedurig uit- en insluipt. Hij is buitengewoon behendig en klimt
langs volkomen verticale rotswanden met dezelfde vastheid van beweging
als langs loodrechte muren, hetzij de kop naar boven of naar beneden
gericht is. Het is, alsof hij door een magneet wordt vastgehouden.

Het nest wordt aan een steilen rotswand vastgekleefd met een
vooruitstekende rotspunt, als een door de natuur gevormd dak er
boven. Het is buitenswerks zeer groot, kunstig van leem gebouwd,
met een 3 à 5 cM. langen ingangsweg voorzien; de nestholte is van
binnen met haren van Geiten, Runderen, Honden of Jakhalzen gevoerd,
van buiten met de dekschilden van verschillende Keversoorten versierd.



De Boomloopers in engeren zin (Certhiinae) zijn kleine, slanke
Vogels met zwakken, meer of minder gebogen, kantigen, in een scherpe
spits eindigenden snavel, zwakkelijke, langteenige, met groote,
gekromde, scherpe nagels gewapende voeten, stompe vleugels met
zwakke veeren, van welker handpennen de vierde de langste is en een
tamelijk langen, smallen, wigvormigen, maar toch in twee spitsen
uitloopenden staart, die uit twaalf even dikke, veerkrachtige pennen
bestaat. Het vederenkleed is uit lange en zachte veeren samengesteld,
aan de bovenzijde schorskleurig, van onderen witachtig. De tong
is hoornachtig, aan de randen scherp, lang en smal, aan de spits
eenigszins uitgevezeld, van achteren getand; zij kan niet ver
uitgestoken worden. De zangspieren zijn zeer zwak ontwikkeld.

Het verbreidingsgebied van deze onderfamilie omvat de noordelijke
landen van de beide halfronden, bovendien het Indische en het
Australische Rijk. Alle soorten zijn bewoners van het woud en
brengen hier hun geheele leven door. Zij klimmen bij de boomstammen
op als de Spechten, klauteren ook bij verticale takken omhoog, maar
gaan nooit, zooals de Boomklevers, met benedenwaarts gerichten kop
naar onderen. De meeste Boomloopers zijn eenzaam levende en stille
Vogels, die hun voedsel zoeken zonder dat zij sterk de aandacht
trekken. Gewoonlijk ontmoet men ze bij paren, alleen na het uitvliegen
der jongen tot familiën vereenigd. Sommige voegen zich ook wel eens
bij Vogels van andere soorten en zwerven met hen geruimen tijd in
het bosch rond; andere houden, naar het schijnt, in 't geheel niet
van gezelligheid. Insecten, hunne eieren, larven en poppen, Spinnen en
dergelijke dieren maken hun voedsel uit, toevalligerwijs verzwelgen zij
soms zaadkorrels. Hun snavel veroorlooft hun het doorzoeken van barsten
en spleten, maar is te zwak om voor het hakken te dienen. Bijna alle
soorten broeden in holle boomen en bouwen hier een tamelijk groot nest.



Ons Boomkruipertje, in Noordbrabant Klampvogeltje, in Cadzand Duimpje
genoemd (Certhia familiaris), is aan de bovenzijde donkergrijs met
witachtige, afgeronde vlekken, de teugel is bruingrijs, een streep
boven het oog wit, de staartwortel bruingrijs met geelachtig
roestkleurig waas; de slagpennen zijn zwart-bruin-grijs en,
behalve de eerste, met een witte vlek aan den top en een geelachtig
witte middenstreep geteekend, de staartpennen zijn bruingrijs,
aan de buitenvlag met lichtgelen zoom. Het oog is donkerbruin, de
bovensnavel zwart, de ondersnavel roodachtig hoornglanzig, de voet
roodachtig grijs. De bekleedingsveeren hebben haarvormige, niet tot
een vlag aaneengevoegde baarden en zijn zoo zacht als zijde. De totale
lichaamslengte bedraagt 13, de staartlengte 5.5 cM.

Het verbreidingsgebied van het Boomkruipertje strekt zich uit over
geheel Europa, Siberië en Noord-Amerika, zoover de bosschen reiken en
omvat bovendien het noordwesten van Afrika, Klein-Azië, Palestina,
misschien ook het noorden van Perzië. Op de wijze van de andere
Zwerfvogels bewoont dit vogeltje gedurende den voortplantingstijd
een zeer beperkt gebied; later zwerft het dikwijls in gezelschap van
Meezen, Goudhaantjes, Boomklevers en Spechten rond, steeds echter maakt
het slechts korte tochten. Evenals alle klimvogels is het voortdurend
bezig en diensvolgens steeds in beweging. Bedrijvig en vlug klimt het
bij de boomen omhoog, waarbij het soms een rechtlijnigen, soms een
spiraalvormigen weg volgt; intusschen onderzoekt het iedere spleet,
iedere barst van de schors, steekt zijn fijn snaveltje tusschen de
mosplantjes en onder de korstmossen en weet op deze wijze overal
een weinig voedsel buit te maken. Het klimt bij rukken; maar zonder
inspanning, en is in staat ook aan de benedenzijde van de takken te
loopen. Op den bodem daalt het zelden af; als dit geschiedt, huppelt
het hier zeer onbeholpen rond. Het vliegt niet op een regelmatige
wijze, maar toch tamelijk snel; het houdt er echter niet van ver te
vliegen, maar begeeft zich liever van den top van den eenen boom naar
het onderste deel van den stam van een anderen; regelrecht schiet
het naar beneden, scheert voor een korte poos dicht bij den grond
langs, verheft zich daarna een weinig en zit een oogenblik later
weer als vroeger tegen een boom aangeplakt. Zijn gewone stem is
zacht, klinkt als "siet" en gelijkt zeer veel op het geluid, dat de
Meezen en de Goudhaantjes maken; de lokstem is sterker en klinkt als
"frie"; een behagelijke gemoedstoestand geeft het te kennen door het
vereenigen van de klanken "siet frie" met den korten en scherpen toon
"tsie". Bij fraai lenteweder voegt het mannetje deze verschillende
geluiden samen tot een vervelend, eentonig wijsje; deze compositie
verdient echter ternauwernood den naam van gezang. Jegens menschen
toont deze Vogel niet den geringsten schroom. Onbevreesd bezoekt
hij de tuinen, klautert langs de muren van gebouwen op en af, even
goed als langs de boomstammen; niet zelden nestelt hij in hiervoor
geschikte holten van de balken der huizen.

Het nest wordt gebouwd in een hol, spleet of barst, al naar de
gelegenheid zich voordoet. Niet altijd broedt deze Boomlooper in
holle boomen, dikwijls ook in hiervoor geschikte spleten, onder daken
van huizen of tusschen de planken, waardoor de muren der gebouwen
in bergstreken beschut worden, ook wel in houtmijten, in de ruimte
tusschen het hout van een boomstam en de hiervan losgeraakte schors
enz. Hoe dieper de holte is, des te beter is zij van zijn gading. Het
nest zelf is verschillend al naar de standplaats, nu eens groot,
dan weer klein. Het bestaat uit dorre takjes, halmen, grasbladen,
boombast, stroo en dergelijke materialen, die met spinsels van rupsen
en van Spinnen doorvlochten zijn; van binnen is het gevoerd met fijne
bastvezels, heede en een groote hoeveelheid veeren van verschillende
grootte. De eigenlijke nestholte is niet zeer diep, de napvormige
wand is echter altijd rond en netjes bewerkt, zoodat het nest toch nog
kunstig gemaakt moet heeten. Het broedsel bestaat uit 8 of 9 eieren,
die op witten grond met fijne, roode stippeltjes bezaaid zijn en zeer
veel gelijken op die van de kleine soorten van Meezen. De beide ouders
broeden en brengen met buitengewone inspanning hunne talrijke jongen
groot. De jongen blijven langen tijd in het nest, verlaten het echter,
wanneer zij gestoord worden, nog voordat zij vliegen kunnen en trachten
zich dan klimmend te redden; zij verbergen zich met verrassende
snelheid als 't ware voor de oogen van den waarnemer en doen dit op
zulk een meesterlijke wijze, dat het moeite kost hen te vinden. Na
het uitvliegen blijven zij nog geruimen tijd onder de leiding van
hunne ouders; het gezin levert dan een aardig schouwspel op.

Voor het leven in de kooi is het Boomkruipertje niet zeer geschikt.



De meeste vogelkenners beschouwen den Rotsklimmer (Tichodroma muraria),
een der merkwaardigste Vogels die er bestaan, als een Boomlooper. Het
geslacht der Klimmers (Tichodroma) is gekenmerkt door een veeleer
ineengedrongen dan slank lichaam met korten hals, grooten kop, zeer
langen, dunnen, bijna ronden, alleen aan den wortel kantigen, van
voren spitsen, flauw gebogen snavel, tamelijk krachtige voeten met
slanke teenen, die met zeer groote, sterk gekromde, fijne en spitse
klauwen gewapend zijn; zij hebben middelmatig lange, breede, korte
en afgeronde vleugels, welker spits gevormd wordt door de vierde of
vijfde slagpen; daarentegen is de eerste zeer kort; hun korte staart
bestaat uit zachte, breede, aan de spits afgeronde veeren; hun los,
onsamenhangend, zijdeachtig zacht vederenkleed heeft een aangename,
ten deele zelfs een sprekende kleur, die al naar het jaargetijde
verschilt. De tong herinnert over 't geheel genomen aan die der
Spechten; zij is zoo spits als een naald, zeer lang, daar zij tot aan
de spits van den snavel reikt, maar kan niet ver uitgestoken worden
en is met een groot aantal borstelvormige weerhaken bezet.

Het vederenkleed van den Rotsklimmer is grootendeels aschgrauw,
de keelstreek in den zomer zwart, in den winter wit; de slagpennen
zijn zwart, met uitzondering van de wortelhelft van de derde tot de
vijftiende slagpen, die een prachtig hoogroode kleur heeft, evenals de
kleine vleugeldekveeren en een smalle zoom aan de buitenvlag van de
groote dekveeren; de stuurpennen zijn zwart met een witten zoom aan
de spits. De binnenvlag van de tweede tot vijfde slagpen is versierd
met één of twee witte vlekken, de binnenvlag van de overige met gele
vlekken; deze zijn des te onduidelijker naarmate de veeren nader
bij het lichaam liggen en op de laatste slagpen in 't geheel niet
meer zichtbaar; ook haar aantal verschilt zeer. Het oog is bruin,
de snavel en de voeten zijn zwart. De lengte bedraagt 16 cM.

De Rotsklimmer bewoont alle hooge gebergten van Middel- en Zuid-Europa
en van West- en Middel-Azië, oostwaarts tot in het noorden van China;
naar men zegt, wordt hij ook in Abessinië aangetroffen. In de Alpen
is hij niet zeldzaam, in de Karpathen en Pyreneeën niet minder talrijk
vertegenwoordigd. Van de Alpen verdwaalt hij soms naar Duitschland.

Over de levenswijze van dezen Vogel waren tot in den laatsten tijd
de berichten zeer onvolledig. Eerst in het jaar 1864 is hierin
verandering gekomen door de mededeelingen van Girtanner waaraan het
volgende ontleend is:

"Als de reiziger in de Zwitsersche gebergten bij een bezoek aan een
hoog gelegen oord de grenzen van het hoogstammige woud overschreden
heeft en nog steeds verder doordringt in het doolhof van rotsen,
hoort hij, vooral in sommige districten van het Alpengebied, niet
zelden een fijn, langgerekt, fluitend geluid, dat van de hoogste
gedeelten van den rotswand komt. Het meest stemt het overeen met het
bekende gezang van onze Geelgors: het bestaat uit eenige tamelijk
luide, snel opeenvolgende klanken van gelijke toonhoogte, gevolgd
door een langgerekten eindklank, die verscheidene tonen hooger is;
men zou het ongeveer kunnen nabootsen door de syllabe "du du du
duiii". Zoowel verbaasd als verheugd over dit teeken van leven te
midden van den zwijgenden chaos van steenklompen, laat de reiziger
zijne blikken waren langs den kalen rotswand en bespeurt, gewoonlijk
eerst na lang zoeken, tusschen de steenen een Vogeltje, dat met half
uitgespreide, roode vleugels zonder inspanning langs den loodrechten,
op sommige plaatsen zelfs overhangende wand naar boven klautert. Dit
is de Rotsklimmer, een zich bewegende Alpenroos, ronddartelend op zijn
eigen terrein en zonder schroom neerziend op den hijgenden toerist,
die zich zoo heeft moeten inspannen om deze hoogte te bereiken.

"Volkomen kale rotsen zijn het meest naar den smaak van den
Rotsklimmer; hoe woester en minder met planten begroeid een
Alpengebied is, des te zekerder kan men er staat op maken hem hier
te zullen vinden. De breede strooken gras, die op sommigen hellingen
voorkomen, bezoekt hij alleen om daar jacht te maken op Insecten,
om er voedsel te verzamelen; anders vliegt hij er vlug overheen en
tracht ten spoedigste het naakte gesteente te bereiken. Boomstammen
bezoekt hij nooit, ook zag ik hem nimmer neerstrijken op struiken
of op de takken, die uit de rotsen te voorschijn komen. Hij leeft
slechts in de lucht en op stille rotswanden. Ook van den bodem is hij
geen vriend. De daar liggende Insecten tracht hij te grijpen zonder
de rots te verlaten; wanneer hij ondanks al zijne wendingen op deze
wijze het beoogde doel niet kan bereiken, gaat hij er vliegend op af,
zet zich neer om den buit te vatten en hangt in 't volgende oogenblik
reeds weer aan den rotswand, zoekend naar een geschikt plaatsje om
er zijn vangst te verslinden. Kevertjes, die zich dood houden en
langs de steenen naar beneden laten rollen, in de hoop van op een
plaats te vallen, waar hun vijand hen niet bereiken kan, Spinnen, die
zich zoo schielijk mogelijk aan een draad naar beneden laten zakken,
worden zonder moeite in de lucht gegrepen.

"Bij het naar boven klimmen draagt hij den kop steeds recht
omhoog gericht, en ziet er dan bijna even korthalzig uit als
de Boomklever. Daar, waar de rotswand overhangt, wordt de kop
zelfs achterwaarts gebogen om beschadiging van den teeren snavel
tegen de uitstekende steenen te voorkomen. Met bewonderenswaardige
snelheid beweegt de Rotsklimmer zich deels stappend, deels springend
langs steile, torenhoge rotswanden. Elke stap gaat gepaard met een
vleugelslag en dikwijls, vooral bij groote haast of sterke inspanning,
bovendien met een kort keelgeluid. Nooit dienen de toppen der
slagpennen tot steun, hoewel dit dikwijls beweerd wordt en op een
afstand gezien het geval schijnt te zijn. Haar as mist trouwens de
hiervoor vereischte stijfheid. Bij nader onderzoek blijkt het, dat de
vleugels met een geheel ander doel bewogen worden. Terwijl de as van
't lichaam evenwijdig aan den rotswand en dus nagenoeg verticaal is,
geeft de Rotsklimmer door het elleboogsgewricht omlaag te houden
aan de vleugels een boven- en achterwaartsche richting, zoodat
zij van de rotsen afstaan, onmiddellijk van boven op de onder hen
gelegen luchtkolom kunnen drukken en tot het stijgen medewerken. De
mogelijkheid om de vleugels op deze wijze te gebruiken staat in nauw
verband met den eigenaardigen, afgestompten vorm van deze organen:
het spitser toeloopen van de vleugels zou stellig een ongunstigen
invloed oefenen op de grootte van de opstuwende kracht. Gedurende het
fladderen spreidt de Rotsklimmer ze trouwens slechts zoover uit, als
noodig is, om een behoorlijken windvang te verkrijgen: de opeenvolgende
slagpennen moeten elkander wederkeerig nog ver genoeg bedekken. Daar
de korte staart hem bij 't klimmen in 't geheel geen dienst bewijst,
tracht hij dien zoover mogelijk van de rots verwijderd te houden om
beschadiging te voorkomen. Bij 't klauteren langs den rotswand toont
deze Vogel zulk een groote kracht en behendigheid, dat vermoedelijk in
't geheele gebergte geen rotswand voor hem te steil of te glad zal
zijn. Gevangen Rotsklimmers loopen zonder moeite langs het behangsel
van de kamer naar boven. Hoe steiler en gladder echter het vlak is,
dat beklommen zal worden, des te sneller moet de beweging plaats
hebben, daar ook dit dier zich op volkomen gladde vlakken slechts
gedurende korten tijd in evenwicht kan houden.

"Buiten den voortplantingstijd ziet men de Rotsklimmers zelden bij
paren. Meestal zwerft deze Vogel eenzaam door zijn onherbergzaam
gebied en geeft intusschen ijverig zijn korte en onbeduidende, maar
aangenaam klinkende strophe ten beste. Jegens andere Vogels van zijn
soort, die het zelfde gewest doorkruisen, toont hij onverschilligheid,
soms tracht hij ze te verdrijven door ze na te jagen. Met Vogels,
die tot andere soorten behooren, komt hij slechts zelden in nadere
aanraking en wanneer zulks voorkomt, vlucht hij voor hen. Zijn voedsel
bestaat uit Spinnen en Insecten; daar deze op groote hoogten niet
meer door een groot aantal soorten vertegenwoordigd worden, zal hij
wel niet zeer kieskeurig kunnen zijn. Met zijn fijnen snavel kan hij
iederen buit, hoe onbeduidend ook, gemakkelijk als met een kleinen
knijptang opnemen. De tong wordt uitgestoken, om er de larven, poppen
of volkomen Insecten, die met de punt van den snavel aangegrepen en er
reeds in opgenomen zijn, aan te spietsen; deze prooi wordt vervolgens
door het terugtrekken van de tong naar het achterste deel van den
snavel overgebracht.

"Het broeden heeft plaats in de maanden Mei en Juni; het nest is
groot, rond, lang, ondiep en opmerkelijk licht; het wordt in ondiepe
uithollingen van het gesteente gebouwd van fijn mos, plantenwol,
wortelvezels, groote vlokken schapenwol, stukken van weefsels,
haar en dergelijke stoffen. Het broedsel bestaat uit vier eieren,
die op witten grond geteekend zijn met bruinzwarte, scherp begrensde
stippels, die aan het stompe einde het dichtst bijeen staan.

"Daar de Rotsklimmer niets anders dan Insecten eet, kan er natuurlijk
geen sprake zijn van eenige door hem aangerichte schade; voordeel
brengt zijn werkzaamheid ons trouwens ook slechts in zeer geringe
mate wegens de ligging van zijn jachtgebied. Voor den vriend der
natuur is hij echter van buitengewone waarde als een der grootste
aantrekkelijkheden van onze Alpen. Wanneer plotseling zijn korte
strophe op de eenzame hoogten weerklinkt, begroet de reiziger vroolijk
de nabijheid van zulk een fraai wezen en rust zijn oog met welgevallen
op deze zich bewegende Alpenroos, die de indrukwekkende, maar voor
eeuwig verstijfde omgeving op zulk een aangename wijze verlevendigt."



Tot de Oude Wereld behooren de Honigvogels (Nectariniidae), kleine,
sierlijk gebouwde Vogels, waarbij er vele zijn, die met de prachtigste
kleuren prijken en hierdoor aan de Kolibri's herinneren. Zij zijn
echter van deze bij den eersten oogopslag te onderscheiden aan de
kortheid der vleugels en de lengte van den loop; in verband hiermede
is ook hun levenswijze anders.

Deze familie is over Afrika, Azië, Nieuw-Guinea en het noorden
van Australië verbreid; vooral in het eerstgenoemde werelddeel is
zij door een groot aantal soorten vertegenwoordigd. Overal, waar
de Honigvogels voorkomen, zijn zij veelvuldig en dragen hierdoor
zeer veel bij tot verfraaiing van de wouden, kreupelbosschen en
tuinen. Hoogst merkwaardig zijn hunne gewoonten en handelingen; zij
behooren tot de talentvolste en lieftalligste leden der geheele
orde. Als in Noord-Afrika de vijg-cactus bloeit, wordt deze
plant de vereenigingsplaats van alle soorten, die in den omtrek
voorkomen. Hetzelfde verschijnsel merkt men op in de wouden, als
hier een enkele bloeiende mimosa te midden van andere boomen staat,
voorts bij alle boomen, welker bloemen Insecten aanlokken. In den
voortplantingstijd pronken de mannetjes met hun schoonheid, nemen
vreemdsoortige standen aan, bewegen zich op een eigenaardige wijze
en zingen intusschen ook zeer lief. Het nest is kunstig gebouwd en
wordt in de meeste gevallen aan dunne takken bevestigd. Het bevat
slechts een gering aantal eieren van zuiver witte kleur.



Bij sommige soorten zijn de beide middelste staartpennen zeer
lang. Dit is o. a. het geval bij den Zuid-Afrikaanschen Groenen
Suikervogel (Nectarinia famosa), die tot in de tuinen van Kaapstad
aangetroffen wordt. Hij is een van de grootste leden zijner familie,
daar hij in dit opzicht een Grasmusch evenaart. Het volkomen kleed
van het mannetje is fraai grasgroen met metaalglanzigen weerschijn
en heeft aan weerszijden van de borst een bundeltje van citroengele
veeren.--De Metaalglanzige Honigvogel (Nectarinia metallica),
de eerste Vogel van de Keerkringslanden, die men ontmoet, als men,
van 't noorden komend, in 't binnenland van Afrika doordringt, is
zoo groot als een Sijsje. Hij vliegt van bloem tot bloem, vooral op
acacia's en mimosa's, voortdurend Insecten vangend, schreeuwend en
zingend, altijd trouw vergezeld door zijn wijfje. Voor andere Vogels
toont hij weinig schroom; ook de mensch kan hem gemakkelijk naderen
en zijn levenswijze nagaan. Als hij in gevaar verkeert, schreeuwt hij
als een jonge Kat. Het buidelvormige nest, welks zijdelingsche ingang
zich aan het boveneind bevindt, hangt aan dunne takken en bevat 3
witte eieren.--Kühl's Honigvogel (Nectarinia Kuhlii) bewoont Java
en behoort mede tot de zeer fraaie soorten. Hij heeft olijfkleurige
veeren, maar de bovenkop is metaalgroen, de stuit geel; de keel en
de krop is donkerrood; een staalblauwe gordel bevindt zich aan de
keel. Na in 't gebergte gebroed te hebben, trekt deze Vogel naar de
lagere, meer bewoonde streken.



De eucalypten en banksias, die verreweg het grootste en meest in 't
oogvallende deel van de Australische plantenwereld uitmaken, zijn een
geliefkoosde verblijfplaats voor de leden van verscheidene familiën
van Vogels, o. a. van Papegaaien en van de buitengewoon talrijke
Honigzuigers of Penseeltongigen (Meliphagidae). De eigenaardigheden
van deze Vogels staan in zoo innig verband met die van de genoemde
boomen, dat men zich deze nauwelijks zonder gene voorstellen kan. De
Honigzuigers eten Insecten, stuifmeel en honig uit de bloemen der
eucalypten, die hieraan zoo rijk zijn; zij nemen dit voedsel op met
behulp van hun lange tong, die aan de spits penseelvormig en derhalve
voor de genoemde verrichting merkwaardig goed geschikt is.



"Een door zijn stem zeer de aandacht trekkende bewoner van de
romantische wildernissen van Nieuw-Zeeland," zegt Rochelas, is de Poë
of Toeï. Zonder overdrijving kan men van dezen wondervogel zeggen,
dat geen van de zangers der Europeesche wouden zich met hem meten
kan. De harmonie en de zachte liefelijkheid van zijn gezang komen
mij volkomen onvergelijkelijk voor. Hoe bekoorlijk ik de zangen van
den Europeeschen Nachtegaal ook vind, toch worden zij mijns inziens
verre overtroffen door die van dezen Vogel; ik moet erkennen, dat ik
nooit te voren bij een Vogel zulk een betooverende, klankvolle stem
had vermoed." De reizigers uit lateren tijd, die van den Poë melding
maken, zijn wel is waar niet zoo uitbundig in hun lof, maar roemen
toch eenstemmig dezen Vogel, als een van de beste zangers van Oceanië.

De Poë of Dominee (Prosthemadera novae-seelandiae), vertegenwoordigt
het geslacht der Halskraagvogels (Prosthemadera) en kenmerkt
zich door den krachtigen snavel, waarvan zoowel de boven- als de
onderkaak flauw gebogen zijn, de stevige voeten met langen loop,
de matig lange vleugels, den middelmatig langen, afgeronden staart,
de beide pluimpjes van lang- en losbaardige veertjes, die tot een bol
ineengerold, aan weerszijden van den hals voorkomen en de lange smalle,
met een haarvormige schaft, voorziene veeren aan den bovenhals. Het
vederenkleed is grootendeels glanzig staalgroen, met staalblauwen
weerschijn op de kleine bovendekveeren van den vleugel, de uiteinden
van de langste schouderveeren, den staartwortel en het onderste deel
van de borst; donkerbruin met bronskleurigen weerschijn op den mantel,
de schouders, den onderrug, den buik en de schenkels; de grootste
bovendekveeren van den vleugel, de schaften van de verlengde halsveeren
en de beide vederpluimen aan den hals zijn wit, de slagpennen en
staartveeren zwart, naar buiten met donkergroenen schijn, de snavel
en de voeten zwart. De geheele Vogel is 30, de staart 12 cM. lang.

Door zijn buitengewoon talent van nabootsing is de Poë een lieveling
geworden van de kolonisten zoowel als van de inboorlingen. Wanneer hij
eens aan de kooi en aan het voedsel, dat men hem daar verschaffen kan,
gewend is, leert hij gemakkelijk en snel verscheidene woorden spreken,
een wijsje nafluiten, het blaffen van den Hond, het krijschen van een
Papegaai, het kakelen van een Hoen nabootsen enz. Buller werd eens
niet weinig verrast. "Ik had," zoo verhaalt hij, "in het raadhuis van
Romgitekay het woord gevoerd in een verzameling van inboorlingen, een
onderwerp van groot belang met hen besproken, mijn meening met allen
ernst en zoo welsprekend mogelijk voor hen ontvouwd. Men stelle zich
mijn verwondering voor, toen onmiddellijk nadat ik uitgesproken had
en nog voordat het oude opperhoofd, tot wie ik mij meer bepaaldelijk
gewend had, tijd gevonden had om te antwoorden, een Toeï, die boven
onze hoofden in een kooi hing, met heldere stem en met volkomen juiste
intonatie "Tito!" (dat is zoo niet!) riep. "Vriend," antwoordde mij
het oude opperhoofd Nepia Faratao, nadat de algemeene vroolijkheid
over dit voorval een weinig bedaard was, "uw bewijsvoering is volkomen
juist; maar mijn Mokai, dien zeer schranderen Vogel, hebt gij toch
niet overtuigd!"

Naar het schijnt, hebben de Nieuw-Zeelanders van oudsher den Poë zeer
graag in een kooi gehouden.

In hooge mate karakteristieke bewoners van het Indische en
het Ethiopische Rijk, zijn de Ixos Kortpootlijsters of Bulbuls
(Brachypodidae), die een uit weinige geslachten, maar uit ongeveer
150 soorten bestaande familie vormen. In grootte komen zij ongeveer
met een klein soort Lijsters overeen. De snavel is slank, de voet
heeft een korten loop, de vleugels zijn tamelijk lang; de staart is
middelmatig van lengte en sterk afgerond, de bevedering zacht en dicht.

Eén soort van deze familie, de in Syrië, Palestina en Arabië
veelvuldig voorkomende en ook op Cyprus en Rhodus inheemsche
Geelstuitbulbul (Pycnonotus nigricans), wordt ook in Europa en wel op
de Cycladen gevonden. Hij onderscheidt zich door de gele kleur van
de onderdekveeren van den staart van den Grijzen Bulbul (Pycnonotus
arsinoë), waar deze veeren bruinachtig zijn. Deze in de Nijllanden
voorkomende Vogel wordt als een der beste zangers van Noord-Afrika
beschouwd.

Een der grootste soorten, de Geelkoppige Ixos (Ixos ochrocephalus),
bewoont Malakka, Sumatra en Java. Hij heeft de grootte van een
Zanglijster, is op de bovendeelen olijfkleurig, op de onderdeelen
grijs met witte, overlangsche vlekken, heeft een witte keel, een
gelen bovenkop en zwarte knevelvlekken. Daar hij zeer fraai zingt en
buitengewoon mak wordt, is hij bij de vrouwen der Javaansche grooten
als kooivogel zeer bemind.

Niet alleen wegens hun gezang, maar ook om hun strijdlust worden de
Bulbuls in Indië hoog geschat. Op Ceylon is het een gewoon vermaak
van de inboorlingen, deze Vogels met elkander te laten vechten. Ook
in Europa worden zij nu en dan in de kooi gehouden; door hun sierlijke
houding, hun vroolijk gezang, hun tamheid, tevredenheid en duurzaamheid
hebben zij zich de gunst van de liefhebbers van Vogels verworven.



De Leeuweriken (Alaudidae) zijn krachtig gebouwde Muschvogels met
grooten kop, korten of middelmatig langen snavel van verschillende
dikte, tamelijk korte pooten en middelmatig lange teenen, dikwijls
met een op een spoor gelijkenden nagel aan den achterteen, met lange
en zeer breede vleugels, een niet bijzonder langen of zelfs korten,
meestal afgesneden staart en een aardkleurig vederenkleed, dat bij
het mannetje en het wijfje weinig, bij Vogels van verschillenden
leeftijd veel verschil aanbiedt. Door hun inwendig maaksel komen zij
in hoofdzaken met de andere Muschvogels overeen.

Hoewel de Leeuweriken, waarvan ongeveer 110 soorten onderscheiden
worden, in alle werelddeelen vertegenwoordigd zijn, behooren zij toch
voor 't meerendeel tot de Oude Wereld. Zij bewonen open terreinen,
bouwland zoowel als woeste gronden, de woestijn zoowel als de
steppe. In de Aziatische steppen verlevendigen zij het eentonige
landschap door hunne liederen. Paartjes van verschillende soorten
wonen dicht bij elkander; hun gemeenschappelijk gezang treft in de
lente op iederen tijd van den dag het oor van den reiziger. Steeds ziet
hij een van deze Vogels aan den hemel zweven, telkens althans zal een
van hen, als de wagen langs zijn rustplaats rolt, of de ruiter voorbij
draaft, door het ratelen van de wielen of de hoefslagen van het Paard
opgeschrikt, voor een korte poos zingend omhoog stijgen. Alle in 't
noorden wonende Leeuweriken zijn trekvogels of althans zwerfvogels;
die van zuidelijke landen zijn stand- of zwerfvogels. Hunne reizen
zijn niet zeer uitgestrekt en hun verblijf in den vreemde duurt
slechts kort. Zij behooren tot de eerste vogels, die de lente ons
brengt en blijven hier tot laat in den herfst.

Van alle Muschvogels loopen zij het best; zij zijn ook in het
vliegen zeer ervaren, en doen dit op zeer verschillende wijze. Als
zij haast hebben, vliegen zij in groote booglijnen schielijk voort;
bij 't zingen daarentegen stijgen zij fladderend loodrecht omhoog of
verheffen zich volgens groote schroeflijnen naar 't zwerk, dalen van
hieruit aanvankelijk langzaam zwevend naar beneden en storten ten
slotte plotseling met geheel ingetrokken vleugels als een levenloos
voorwerp op den bodem. Hunne zinnen schijnen zonder uitzondering goed
ontwikkeld te zijn, hun verstand daarentegen is gering; zij zijn
levendig van aard, zitten zelden stil, maar zijn veeleer steeds in
beweging en gunnen zich nagenoeg in 't geheel geen rust. Met andere
Vogels van hun soort leven zij, zoolang de liefde niet in 't spel
komt, in de beste verstandhouding, gedurende den paartijd echter in
voortdurenden strijd.

Om vreemde Vogels bekommeren zij zich weinig, ofschoon enkele soorten
zich bij de zwermen van Gorsen en Vinken voegen. Voor sterkere dieren
zijn zij zeer bevreesd; den mensch vreezen zij alleen dan niet,
als zij gedurende geruimen tijd niets van hem te lijden hadden en
hierdoor volkomen overtuigd zijn van hun veiligheid. De meeste zijn
goede zangers. Het lied, dat zij voordragen, is arm aan strophen,
maar buitengewoon rijk aan afwisseling; eenige weinige tonen worden
op honderderlei wijze versmolten en vormen op deze wijze telkens
een nieuw geheel. Alle soorten bezitten het talent om het gezang van
andere Vogels na te bootsen: alle in de steppe wonende Leeuweriken
zingen nagenoeg gelijk; ieder hunner leert en neemt de eigenschappen
over van de andere.

Het voedsel van de Leeuweriken bestaat uit Insecten en plantaardige
stoffen. Gedurende den zomer gebruiken zij Kevers, kleine Vlinders,
Sprinkhanen, Spinnen en larven; in den herfst en den winter eten zij
graankorrels en andere zaden; in de lente bestaat hun maal uit Insecten
en jonge plantendeelen, vooral kiemplantjes van graangewassen. Zij
slikken de zaden door, zonder ze vooraf te ontbolsteren en verzwelgen
daarom ook altijd zand en kleine kiezelsteentjes, die het vergruizen
van het voedsel bevorderen. Als drank maken zij gebruik van den dauw
op de bladen; zij kunnen het water echter gedurende geruimen tijd
geheel ontberen; ook baden zij zich er niet in, maar nemen stofbaden.

Het slordig gebouwde nest, waarvoor echter altijd halmen en bladen
van grassen, die dezelfde kleur hebben als de bodem, de grondstoffen
leveren en dat daarom uitmuntend verborgen is, wordt aangelegd in
een door henzelf uitgekrabd kuiltje in den grond; het eerste broedsel
bestaat uit 4 à 6, het tweede uit 3 à 5 gevlekte eieren.

Allerlei Roofdieren--Zoogdieren, Vogels en Reptiliën--niet minder
echter de menschen gedragen zich vijandig jegens de Leeuweriken;
deze vermenigvuldigen zich echter zoo snel, dat alle verliezen, die
hen treffen, weer vergoed worden; hun aantal neemt toe, naarmate de
bebouwing van den bodem zich uitbreidt.



De Leeuwerik of Akkerleeuwerik, in Friesland Ljuerk genoemd (Alauda
arvensis) kenmerkt zich door een betrekkelijk slanken lichaamsbouw,
een zwak kegelvormigen, tamelijk korten snavel, middelmatig lange,
spits eindigende vleugels, waarin de derde slagpen de langste is, een
middelmatig langen, uitgesneden staart en teere voeten met tamelijk
korte teenen. De lengte van het geheele lichaam is 18, die van den
staart 7 cM. De veeren van de bovendeelen zijn aardbruin met lichteren
(vaalbruinen) zoom en donkerder (zwartbruine) schaft; de teugel, een
streep boven de oogen en de kin zijn vaalwit; de wangen en de oorstreek
zijn bruinachtig roestkleurig, donker gestreept, de keel, de kop,
de bovenborst en de zijden eveneens, maar met breedere schaftstrepen;
de overige onderdeelen zijn vaalwit; de slagpennen zijn zwartbruin: de
eerste met witten, de overige met smallen, vaal roestkleurigen zoom aan
de buitenzijde; deze zoom verbreedt zich op de achterste armpennen en
hunne dekveeren, die ook aan hun spits een bruinachtig roestkleurigen
rand hebben, waardoor twee lichtere dwarsbanden ontstaan; de achterste
armpennen en de voorste handpennen zijn aan de spits witachtig, de
onderste dekveeren van den vleugel zwartbruin; de staartveeren zijn
bruinzwart, aan de buitenzijde met vaalbruinen zoom, de buitenste veer
is echter wit met breeden zwarten zoom aan den binnenrand, welke zoom
op de tweede veer tot aan de schaft reikt. Het oog is donkerbruin,
de snavel hoornbruin, de voet geelbruinachtig.

Geheel Europa, te beginnen bij het noorden van Noorwegen en Rusland,
en geheel Middel-Azië van de zuidelijke woudgrens af tot aan de
randgebergten, zijn het vaderland van den Leeuwerik, die in den winter
tot naar Noord-Afrika en Zuid-Indië trekt.

Voor ons is de Leeuwerik een bode der lente, want hij komt hier,
als de sneeuw smelt, soms reeds in het begin van Februari; tegen
het einde van deze maand heeft hij reeds de woonplaats opgezocht,
waar hij gedurende den geheelen zomer blijft, om zich eerst in het
laatst van den herfst naar zijne winterkwartieren te begeven, die
de meeste in Zuid-Europa, sommige in Noord-Afrika vinden. Voordat
de Leeuweriken vertrekken, komen zij in grooten getale bijeen op de
korenakkers, vanwaar de oogst dan reeds is weggehaald; zij worden
hier van de op den grond gevallen korrels weldra buitengewoon vet;
in sommige streken, b.v. in Saksen, worden zij als de avond valt,
in menigte in slagnetten gevangen, gedood, in spanen doozen gepakt
en overal heen verzonden, waar zij als lekkernij gezocht zijn.

De Leeuwerik is onrustig van aard, blijft zelden lang op dezelfde
plaats, maar houdt er meer van gedurig heen en weer te loopen of te
vliegen, met andere Vogels van zijn soort te vechten en te krakeelen,
en onder al deze bedrijven zijn loktoon of zijn gezang te laten
hooren. Hij beweegt zich goed over den bodem, bij langzamen gang
telkens knikkend, bij snellen loop evenaart hij bijna den Strandlooper;
hij vliegt uitmuntend en op verschillende wijze, al naar het doel
dat hij beoogt; bij snelle beweging beschrijft hij groote bogen: de
vleugels, die dan in 't eene oogenblik opgevouwen zijn, snorren in 't
volgende vlug heen en weer; gedurende het zingen eindelijk stijgt hij
op de algemeen bekende, langzame wijze met gelijkmatigen vleugelslag
al hooger en hooger, met tusschenpoozen waarin hij op dezelfde hoogte
blijft zweven. Op den bodem neemt hij graag een vrije standplaats in,
b.v. op aardklonten, kleine verhevenheden of steenen, soms ook op den
top van een struik, van een boom of van een paal; aan zulke plaatsen
is hij zeer gehecht.

Zijn loktoon is een aangenaam klinkend "gerr" of "gerrel", waaraan
de schel gefloten klank "triet" of "tie" wordt toegevoegd. Bij het
nest zittend roept hij luid "tietrie", als hij boos is, op ratelende
wijze "sjerrerererr". Zijn algemeen bekend gezang, dat de akkers
en de weiden in vlakke en heuvelachtige gewesten en zelfs in niet
al te vochtige moerassen op een hartverheffende wijze verlevendigt,
weerklinkt reeds kort na zijn terugkomst en wordt gehoord, zoolang het
broeden duurt. Van 't krieken van den morgen tot aan de avondschemering
zingt hij, telkens zich weer boven den bodem verheffend, met bijna
sidderend gefladder langzamerhand al hooger en hooger stijgend, soms
bijna verdwijnend voor 't oog, zonder pauze, met meer volharding dan
iedere andere Vogel; hij beschrijft intusschen een wijde schroeflijn,
keert allengs naar de plaats van uitgang terug, daalt meer en meer,
stort zich met tegen het lichaam aangelegde vleugels als een vallende
steen omlaag, spreidt op korten afstand van den bodem de vleugels
uit en strijkt weder neer in de nabijheid van zijn nest. Zijn gezang
bestaat uit slechts weinige, heldere, zuivere, krachtige tonen, maar
uit oneindig vele strophen, die nu eens trillend en kweelend, dan weer
helder fluitend weerklinken; zij worden door verschillende individuën
met talrijke variaties voorgedragen en door enkele talentvolle
Zangers zelfs met nabootsingen van passages uit het gezang van andere
Vogels aanmerkelijk verrijkt. Zelfs de wijfjes kwinkeleeren; de jonge
mannetjes, die slechts weinige weken geleden voor 't eerst uitvlogen,
doen reeds pogingen om te zingen. Leeuweriken, die jong uit het nest
genomen zijn, leeren dikwijls het gezang van andere Vogels op volkomen
juiste wijze navolgen.

Met andere Vogels van zijn soort leeft de Leeuwerik alleen gedurende
den trek en in de winterkwartieren in vrede. Zoolang de liefde hen
beheerscht, strijden de mannetjes met elkander bij iedere ontmoeting;
dikwijls is deze strijd zeer hevig en langdurig. De beide mededingers
grijpen elkander aan en plukharen dat het een aard heeft; niet
zelden voegt nog een derde mannetje zich bij hen en komen de drie
kampioenen gezamenlijk al draaiend uit de lucht vallen. Voor een
oogenblik wordt het gevecht dan opgeschort, om in de volgende minuut
hervat te worden. Soms gaan twee tegenstanders ook wel te voet op
elkander af en nemen dan soortgelijke standen aan als vechtende hanen;
wakker strijden zij, trouwens zonder dat een van hen een wonde van
eenige beteekenis ontvangt. De overwonnene moet het veld ruimen, de
overwinnaar komt jubelend bij zijn wijfje terug, dat niet al te zelden
een werkzaam aandeel neemt "aan de kloppartijen van het mannetje".

Dikwijls vindt men het nest reeds in het begin van Maart, gewoonlijk op
korenakkers en weiden, ook wel echter op eilandjes, die zich boven het
moeras verheffen, met grassen of zeggen begroeid, maar overigens nauw
door het water ingesloten zijn. De kleine uitholling van den bodem,
die als nestelplaats dient, wordt zoo noodig door de beide Leeuweriken
zelf uitgekrabd of althans verwijd en afgerond, daarna bekleedt het
wijfje, geholpen door het mannetje, haar op een gebrekkige wijze met
oude stoppels, bosjes gras, fijne worteltjes en halmpjes en voert de
holte van het nest soms bovendien nog met eenige paardeharen. Het
broedsel bestaat uit 5 à 6 eieren, die op groengeelachtigen of
roodachtig witten grond met vele stippels en vlekken van grijsachtig
bruine of grijze kleur zeer ongelijkmatig geteekend zijn.

De dieren van beiderlei geslacht broeden om beurten; de jongen komen
binnen 15 dagen uit den dop en verlaten het nest, zoodra zij loopen
kunnen. Zoodra hun kroost zelfstandig geworden is, beginnen de ouders
met toebereidselen om voor de tweede maal te broeden; als de zomer
gunstig is, doen zij dit ook nog voor de derde maal.

De geheele trits van kleine viervoetige roovers, van de Huiskat
of de Vos te beginnen tot en met de Wezel, de Spitsmuizen en de
Woelmuizen, voorts de Kiekendieven, Raven, Trappen en Ooievaars
brengen het Leeuwerikengebroed in gevaar; de Boomvalk, het Smelleken
en de Sperwer bedreigen ook het leven van de oude Vogels. Het zal wel
niet overbodig zijn er op te wijzen, dat de slachting, die de mensch
onder hen aanricht, zelfs wanneer hij de Leeuweriken in massa vangt,
steeds ver blijft beneden die, welke het gevolg is van de werkzaamheid
hunner zooeven genoemde natuurlijke vijanden. Naarmate de ontginning
van den bodem voortschrijdt, neemt het aantal Leeuweriken toe, niet
af. Op Nieuw-Zeeland werd onze Leeuwerik ingevoerd; hij is daar op
sommige plaatsen zeer talrijk geworden, maar heeft naar gezegd wordt,
een belangrijke wijziging ondergaan, wat zijne gewoonten betreft:
de Nieuw-Zeelandsche boeren beschuldigen hem n.l. van graandieverij
op groote schaal en zeggen, dat zijn trek in graan is toegenomen
in dezelfde mate, als zijn gezang slechter is geworden. Ook in
Noord-Amerika werd onze Vogel ingevoerd: reeds voor ruim dertig jaren
geschiedde dit zonder succes in de staat Delaware, voor ruim twintig
jaren bij New-York met weinig resultaat, in New-Jersey echter met
zeer goede uitkomst. Onze Leeuwerik werd ook op Groenland en op de
Bermudas-eilanden gevonden.



De Kalander-leeuwerik (Alauda calandra), een uitmuntende en daarom
hooggeschatte zanger van Zuid-Europa, onderscheidt zich door den
krachtigen lichaamsbouw, den opmerkelijk grooten, dikken snavel,
de lange, krachtige pooten, de groote, breede vleugels en den bijna
rechten, korten, niet uitgeranden staart. Hij bereikt een lengte van
21 cM. De veeren van de bovendeelen zijn vaalbruinachtig, naar buiten
isabelkleurig gezoomd, de teugel, een onduidelijke streep boven de
oogen, de kin, de keel, de kop en de borst zijn teer roestgeelachtig,
de overige onderdeelen wit, aan de zijden isabelbruinachtig, de
oorstreek en een onduidelijke baardstreep bruinachtig, twee groote,
van onderen soms ineenvloeiende vlekken aan de zijden van den hals
zwart, de handpennen bruinzwart, de armpennen aardkleurig bruin, de
staartveeren bruinzwart, aan de buitenzijde met een breeden, valen
zoom. Het regenboogvlies is donkerbruin, de bovensnavel hoornbruin,
de ondersnavel hoorngeel, de voet roodachtig.

Zuid-Europa en meer bepaaldelijk de oeverlanden van de Middellandsche
Zee, Noordwest-Afrika en de steppen van Toerkistan zijn het vaderland
van den Kalander-leeuwerik, die, van de genoemde landen uitgaande,
Noordoost-Afrika, maar slechts zelden de Boven-Nijl-landen bezoekt. Hij
bewoont bij voorkeur dorre, niet bevloeide velden of uitgestrekte
weidegronden, in Azië de steppe, gezamenlijk met minstens vijf andere
soorten, die hij in ieder opzicht overtreft.

Zijne gewoonten verschillen niet belangrijk van die van onzen
Akker-leeuwerik. Duidelijk te onderscheiden is hij van onzen
Leeuwerik en van alle andere bekende soorten van zijn geslacht door
den opgerichten stand van 't lichaam bij 't gaan en de buitengewoon
krachtige bewegingen van zijne zeer breede vleugels. Evenzeer is hij
gekenmerkt door zijn heerlijk gezang. Ieder, die hem voor de eerste
maal hoort zingen, blijft verrast staan om daarna met verrukking naar
hem te luisteren. Zijn lied verschilt van het gezang van alle mij
bekende Leeuweriken door den bewonderenswaardigen rijkdom van tonen,
die uitmunten door volheid en kracht. De gezangen van alle soorten van
Leeuweriken der steppe versmelten, verdwijnen in het zijne en worden
er veredeld door weergegeven; door zijn talent van navolging en door
zijn krachtige stem beheerscht hij het prachtige Leeuwerikengezang,
dat in deze gewesten gedurende de lente onophoudelijk van den hemel
weerklinkt. "Evenzeer als de Kalander-leeuwerik alle overige leden
zijner familie in grootte overtreft," zegt Cetti, "munt hij boven hen
uit door zijn gezang. De stem, die hij van nature bezit, is naar het
mij voorkomt, een niet bijzonder liefelijk gekweel, zijn phantasie
echter verwerkt alle klanken, die hij hoort, om ze later, door zijn
dichterlijken gorgel verfraaid, weer te geven. Op het land is hij
een echo van alle Vogels; men heeft bij wijze van spreken alleen
naar hem te luisteren, men hoort dan alle overige meteen. Hij maakt
zoowel van het geschreeuw der Roofvogels, als van de melodiën der
Zangvogels gebruik en geeft, terwijl hij in de lucht zweeft, duizenden
van ineengevlochten strophen, trillers en liederen ten beste. Hij
leert alles, wat men hem voorspeelt; flageolettonen kan geen Vogel
beter nabootsen dan hij. De bekwaamheden, die hij verworven heeft,
maken hem niet ijdel; hij, de kunstenaar, zingt van 's morgens tot
's avonds. Een voor 't venster hangende Leeuwerik is voldoende om den
geheelen omtrek op te vroolijken. Hij is de vreugde en de trots van
den handwerksman en brengt alle voorbijgangers in verrukking." Alle
overige waarnemers stemmen in met dezen lof. Wel is het jammer, dat
het gezang van dezen Vogel voor de kamer te luid is en dat men het
op den duur in een beperkte ruimte niet kan verdragen.

Het nest wordt kunsteloos gebouwd van droge stengels en fijne wortels;
het is op een verborgen plaats achter aardkluiten of kleine struiken
of in het koren, altijd echter in een kleine uitholling van den
grond gelegen. De 3 à 5 eieren zijn rondachtig, in het midden sterk
gezwollen en op glanzig witten of geelachtig witten grond dicht bedekt
met geel-bruine en grijze vlekken en stippels, die tegen het dikke
einde dikwijls kranswijs ineenvloeien.

Om dezen hooggeschatten zanger te vangen, gaat men in Spanje 's
nachts op de akkers, waar hij zich ophoudt; eenige van de vogelvangers
dragen klokjes zooals de Runderen aan den hals hebben hangen, andere
dievenlantaarns, de overige netten. De Leeuweriken worden door het
plotseling verschijnende licht verblind, door den klank der klokjes
echter in den waan gebracht, dat er een kudde Runderen of Schapen
aankomt, zij wachten de nadering van de vogelvangers rustig af, gaan
plat op den grond liggen en worden met de netten bedekt of laten zich
zelfs met de handen grijpen. Hier te lande kost zulk een Vogel 14 à
15 gulden, wanneer hij goed aan de kooi gewend is.

In de Aziatische steppen vindt men nevens den Kalander-leeuwerik den
ongeveer even grooten Zwarten Leeuwerik of Tartaarschen Leeuwerik
(Alauda yeltoniensis) die soms wel eens naar West-Europa verdwaalt,
maar in Nederland nog niet waargenomen werd. Zijn herfstkleed is
donkerzwart, de mantel, de schouderveeren, de achterste armpennen
en de staartveeren aan het einde met duidelijken, de veeren van de
zijden van de borst met onduidelijken, witachtig isabelkleurigen
zoom. Het oog is donkerbruin, de snavel hoorngrijs, de voet zwart.

Deze soort bewoont alle zoutsteppen van Middel-Azië en blijft hier
gedurende het geheele jaar, want, naar het schijnt, strekt zij hare
zwerftochten niet ver uit en zoekt hoogstens de plaatsen op, waar de
sneeuw niet liggen blijft.



Een van de lieftalligste soorten van de geheele familie is de
Bergleeuwerik of Hoornleeuwerik (Otocorys alpestris) [5]. Deze is
17 cM. lang met den 7 cM. langen staart. De voorkop, een streep
boven de oogen, de kin en de keel zijn lichtgeel, een dwarsstreep
op den achterkop, die aan weerszijden boven de slapen als een
op een hoorn gelijkend bundeltje veeren eindigt, de teugel en de
oorstreek benevens een breed, halvemaanvormig kropschild zijn zwart,
de bovenkop, de achterhals en de bovendekveeren van den vleugel
zijn teer wijnroodachtig, de overige bovendeelen aardbruin en met
donkere schaftvlekken geteekend, de onderdeelen wit, in de flanken
wijnroodachtig, de schenkels met donkere overlangsche streepjes,
de slagpennen bruin, aan de buitenzijde met vaalbruinachtigen zoom,
de dekveeren van de armpennen hebben ook aan de spits zulk een zoom;
de staartveeren zijn zwart met uitzondering van de beide middelste,
die donkerbruin zijn met vaalbruinen zoom, de beide buitenste aan de
buitenzijde wit. De iris is donkerbruin, de snavel blauwachtig grijs,
de voet hoornbruin.

De Bergleeuwerik ontleent zijn wetenschappelijken soortnaam niet aan
de Zwitsersche, maar aan de Skandinavische Alpen. Hij is een kind van
de toendra en broedt in dit gebied overal; hij is derhalve zoowel in
de Oude als in de Nieuwe Wereld thuis. Vroeger was de Bergleeuwerik in
het noordwesten van Europa een zeldzame verschijning; sedert ongeveer
50 jaren echter heeft hij de grenzen van zijn verbreidingsgebied
verder uitgebreid, hij komt nu ook in 't noorden van Skandinavië
geregeld voor.

In verband hiermede heeft de weg, dien deze Vogels volgen, als
zij in den winter naar zuidelijker landen trekken, eenige wijziging
ondergaan. Zij begeven zich thans in grooter aantal dan vroeger over de
kuststreken van de Oostzee en Noordzee, over Duitschland en Nederland,
naar de Zuid-Europeesche landen, waar zij hunne winterkwartieren
hebben. Van deze zijn ook nu nog de oostelijkste (o. a. het Zuiden van
Rusland) het meest bevoorrecht; sommige Bergleeuweriken overwinteren
echter in Italië, Provence enz. Dat Nederland in de laatste jaren
veelvuldiger door hen bezocht wordt dan vroeger, blijkt uit de
aanteekeningen van Mr. Herman Albarda (1863, 1864, 1885, 1891).

Door zijn voorkomen en zijne handelingen gelijkt de Bergleeuwerik zoo
zeer op den Akkerleeuwerik, dat ik in deze opzichten geen belangrijk
verschil tusschen de beide soorten zou kunnen vermelden. Ik zag gene
echter nooit zingend omhoogstijgen, daarentegen wel op steenen of
boomtakken zittend, zijn eenvoudig, maar aangenaam klinkend liedje
voordragen; volgens Collett verheft hij zich echter wel degelijk
zingend in de lucht en laat in dit geval een geheel ander lied
hooren, dan als hij stil zit. Het voedsel van dezen Vogel bestaat uit
plantaardige stoffen, vooral zaden, en Insecten, hoofdzakelijk uit de
in alle toendra's zoo buitengewoon veelvuldige Muggen en hare larven,
waarmede ook de jongen grootgebracht worden.



Het geslacht Kuifleeuwerik (Galerita) is van het vorige duidelijk
te onderscheiden wegens de tot een puntige kuif verlengde veeren van
de kruin.

De Kuifleeuwerik (Galerita cristata) is een weinig grooter dan de
gewone Leeuwerik, 18 cM. lang met den 6.5 cM. langen staart. Daar
de kleur in deze soort aan veel afwisseling onderhevig is, kan
er moeielijk iets bepaalds van gezegd worden. De exemplaren, die
hier te lande en in Duitschland wonen, zijn van boven op roodachtig
leembruinen grond met donkerbruine schaftvlekken geteekend; de veeren
van de kuif hebben zwarte schaften; de teugel en een onduidelijke
streep boven de oogen zijn licht isabelkleurig, de zijden van den
kop bruinachtig leemkleurig, de onderdeelen isabelkleurig wit, op de
borst en de flanken naar rood zweemend; de kop en de borst zijn met
breede uitvloeiende, donkere, de onderste staartveeren met dergelijke,
doch meer wegsmeltende schaftvlekken versierd; de slagpennen zijn
donkerbruin, aan de buitenzijde en aan de spits met smallen, aan de
binnenzijde met breeden, roestkleurigen rand; de laatste armpennen
en de vleugeldekveeren hebben, evenals de zwartbruine staartveeren,
aan de buitenzijde en aan den top een leembruinachtigen zoom, die
bij deze smal, bij gene breed is; van de beide buitenste stuurpennen
is de geheele buitenvlag roestroodachtig. Het oog is donkerbruin,
de snavel bruinachtig, de wortelhelft van den ondersnavel en de voet
zijn geelachtig.

Met uitzondering van het hooge noorden bewoont onze Kuifleeuwerik bijna
geheel Europa, een deel van Azië en een belangrijk deel van Afrika; hij
komt in 't zuiden veelvuldiger voor dan in het noorden en is in Spanje
en Noord-Afrika de meest verbreide soort van de geheele familie. Ook
in Duitschland echter breidt deze soort haar gebied van jaar tot jaar
verder uit; de bergpassen volgend, vestigt zij zich langzamerhand op
allerlei plaatsen, waar zij vroeger niet voorkwam. Van de verbreiding
van den Kuifleeuwerik sprekend, zegt Schegel: "Hij houdt zich in droge,
zandige, open streken op. In ons rijk wordt hij in Gelderland en eenige
aangrenzende provinciën op sommige plaatsen van onze heidevelden
aangetroffen en komt ook in onze duinstreken, maar enkel bij de
dorpen en langs de wegen voor. Dit laatste is trouwens ook het geval
in de meeste overige streken, die hij bewoont. Het is een standvogel,
die echter in het koude jaargetijde veelal rondzwerft." In Friesland
"broedt hij niet, maar vindt men hem des winters in de zandstreken,
in groote vluchten rondzwervend. Sommige overwinteren ook in de
buitenwijken van Leeuwarden en zoeken dagelijks met de Musschen hun
voedsel nabij de huizen." (Albarda).

"De verhuizing van den Kuifleeuwerik naar Middel-Europa," schrijft
W. Marshall, "is een buitengewoon merkwaardig verschijnsel. Als
standvogel bewoont hij in zeer grooten getale het gebied, dat zich van
den voet der Chineesche en Mongoolsche gebergten over Toerkistan,
Perzië en het Trans-Kaspische district tot aan Zuid-Rusland
uitstrekt. Hij ontbreekt echter in West-Siberië; waarschijnlijk
vormt hier de Oeral-rivier, misschien reeds de Wolga, de oostelijke
grens van zijn verbreidingsgebied. Uit zijn zuidoostwaarts van ons
werelddeel gelegen vaderland is hij langs drie, misschien wel langs
vier wegen naar Europa gekomen.

"In het ten zuiden van de Alpen gelegen deel van Boelgarije en
Klein-Azië, om de Middellandsche Zee heen tot aan den Atlantischen
Oceaan, heeft hij zich misschien reeds voor eenige duizenden van jaren
gevestigd; hier zijn een groot aantal rassen van deze soort ontstaan,
die zich, zoowel van elkander als van de vormen, die aan deze zijde
van de Alpen wonen, door kleur, grootte en, wat opmerkelijk is,
ook door hun zang en eenige andere eigenaardigheden van levenswijze
onderscheiden.

"De tweede poort, waarvan onze Vogel gebruik gemaakt heeft, om zich
naar 't westen te begeven, is de IJzeren Poort; langs dezen weg is hij
echter nog niet zeer ver in de oeverlanden van den Donau doorgedrongen;
in 1864 kwam hij nog niet voor bij Arnsdorf in het Weenerwoudgebied,
waar hij reeds zes jaren later veelvuldig begon te worden; sinds 1879
wordt hij in de omstreken van Weenen algemeen aangetroffen.

"De derde weg, die voor den intocht van den Kuifleeuwerik gediend
heeft (wij zullen haar de Noordduitsche noemen), loopt langs den
Oder (misschien nog een vierde langs den Weichsel) en neemt dan
een westelijke richting aan om in de eerste plaats de zeekust te
volgen. Bij Petersburg wordt de Kuifleeuwerik nog niet aangetroffen,
naar Zweden en naar Engeland dwaalt hij slechts zelden af, in
Sleeswijk vertoont hij zich uitsluitend gedurende den winter; maar dan
veelvuldig; in Holstein echter broedt hij reeds sedert 1850; reeds in
1856 werden enkele nesten op Sylt waargenomen; sedert 1820 heeft men
hem in Oldenburg opgemerkt, aanvankelijk was hij hier zeer zeldzaam,
reeds in 1853 echter zeer talrijk. In het einde van de vorige eeuw
was dit dier in geheel Thuringen alleen als wintergast bekend; in
het zuiden van Thuringen komt hij ook thans slechts gedurende strenge
winters en dan nog zeldzaam voor; in het noordwesten van dit gebied
(bij Schlotheim niet ver van Muhlhausen) broedde hij reeds in 1854
veelvuldig.

"De Kuifleeuwerik is in nog hoogere mate een steppenbewoner dan de
overige Vogels, die uit het zuidoosten tot ons gekomen zijn; hierdoor
wordt het verklaarbaar, dat hij bij voorkeur de groote heerwegen naar
't westen volgt en het liefst in hun nabijheid broedt, want juist deze
gewesten hebben in hooge mate de eigenaardigheden van steppen, even
woest als de Chineesche en de Mongoolsche. De gewoonte van dezen ook in
andere opzichten, o.a. door zijn eigenaardige stem en kopversiering,
vreemdsoortigen Vogel, om langs de groote verkeerswegen te loopen,
heeft ook de aandacht van het volk getrokken: algemeen is b.v. in
Thuringen onder het volk de meening verbreid, dat de Kuifleeuwerik
in 1813 met de Russen in 't land gekomen is; iets dergelijks wordt
ook van den Gewonen Kakkerlak beweerd."

In het zuiden van Europa vindt men den Kuifleeuwerik in en bij de
dorpen zoowel als op de eenzame, onbewoonde vlakten en in de gebergten;
in Nederland en Duitschland geeft hij de voorkeur aan de nabuurschap
van den mensch en komt 's winters bedelen in de dorpen en steden,
bij de pakhuizen en keukens.

Buiten den paartijd is de Kuifleeuwerik een stille Vogel, die alleen
door zijn algemeenheid in 't oog valt, voor 't overige echter zeer
bescheiden is. Van den Akkerleeuwerik kan hij gemakkelijk onderscheiden
worden door zijn ineengedrongen gestalte en door de spits eindigende
kuif, die bijna overeind staat. Door zijn wijze van zitten en loopen
en ook door het vliegen gelijkt hij zeer op zijne verwanten. Zijn
stem bestaat uit de zachte klanken "hoid hoid", waarop gewoonlijk
een schel, aangenaam klinkend "kwie kwie" volgt. Zijn gezang munt
uit door afwisseling van tonen, hoewel hij achterstaat bij dat van
den Gewonen en ook zelfs bij dat van den Boomleeuwerik.

De Kuifleeuwerik gebruikt zoowel plantaardig als dierlijk voedsel. In
den herfst, den winter en de lente eet hij allerlei soorten van zaden;
in de lente plukt hij de toppen van het jonge gras en van andere
groene kruiden af.

Zijn nest vindt men op akkers en droge weiden, in wijnbergen, tuinen
en op dergelijke plaatsen, dikwijls zeer dicht bij bewoonde gebouwen,
in druk bezochte publieke tuinen en zelfs op spoorwegterreinen; het
is echter altijd goed verborgen en moeielijk te vinden. De bouwtrant
verschilt weinig van die der andere leeuwerikennesten. De 4 à 6,
zeldzamer 3 eieren, die het bevat, zijn op gelen of roodachtig witten
grond overal met een groot aantal aschgrauwe en geelbruine stippeltjes
en vlekjes bezaaid. Door het waarnemen van een paar Kuifleeuweriken in
de kooi heeft Liebe het voortplantingsbedrijf van deze (en misschien
wel van alle) Leeuweriken op een onverwachte wijze opgehelderd. Het
wijfje broedt alleen; zij zit, als het niet zeer koud is, overdag
slechts weinig op de eieren, maar verlaat ze ongeveer ieder halfuur
om zich op te knappen en om voedsel te zoeken, daar zij door het
mannetje niet gevoederd wordt. Na 13 dagen komen de jongen uit;
deze worden, hoewel zij slechts gebrekkig met dons bekleed zijn,
waardoor de zwartachtig paarse huid overal heenschemert, toch weinig
gekoesterd. Alleen des nachts of bij ruw weder zit de moeder aanhoudend
op het nest. Het mannetje helpt de jongen grootbrengen door Insecten
te verzamelen, deze met den snavel voor te bereiden en ze voor het
wijfje neer te leggen, opdat zij ze aan de jongen zal geven. Op den
achtsten levensdag loopen de jongen uit het nest en keeren er niet
weder in terug. Aanvankelijk huppelen zij op een onbeholpen wijze
rond; eerst na den twaalfden dag loopen zij op de wijze van hunne
ouders. Deze beginnen, zoodra de jongen zich zelf kunnen redden,
aan een tweede en later aan een derde broedsel.

De Kuifleeuwerik wordt niet in zoo grooten getale als de Akkerleeuwerik
ten behoeve van de keuken gevangen en ook om andere redenen bijna niet
vervolgd. Zijne vijanden zijn dezelfde als die, welke gevaarlijk zijn
voor andere op den grond nestelende Vogels. Zelden houdt men hem in
een kooi.



De Boomleeuwerik (Galerita arborea), is de kleinste in Nederland
broedende soort van de geheele familie. Zijn lengte bedraagt 15.3
à 15.8 cM. met den 5.5 cM. langen staart. De bovendeelen hebben
nagenoeg dezelfde kleur als bij den Akkerleeuwerik, maar vertoonen
een meer roestroode tint; de onderdeelen zijn witachtig, tot aan de
borst overlangs gestreept; de veeren van den bovenkop zijn een weinig
verlengd; de buitenste groote dekveeren zijn aan de achterhelft wit;
het wit aan den staart is beperkt tot het einde van de vier buitenste
paren stuurpennen.

Deze lieftallige Vogel bewoont van het midden van Zweden af geheel
Europa en bovendien West-Azië. De door hem bevolkte terreinen zijn
echter minder uitgestrekt dan die van de andere Leeuweriken, daar hij
zich alleen in de eenzaamste heide- en woudstreken ophoudt. Na den
broedtijd komt de Boomleeuwerik met zijne jongen op de afgemaaide
hooilanden, voorts bezoekt hij op den trek in de vlakten de
braakliggende landerijen en de akkers, waarvan de producten zijn
binnengehaald; op zijn reis naar 't zuiden, die in October aanvangt,
legt hij iederen dag slechts een korten weg af, omdat het bijeenzoeken
van het voedsel, dat uit kevertjes en nietig kleine zaden bestaat en
dus niet overvloedig is, hem veel tijd kost. Zoodra de sneeuw op de
bergen gesmolten is, in de laatste helft van Februari of in Maart,
keert hij terug van zijn reis, die gewoonlijk reeds in Zuid-Europa
eindigde, maar zich ook wel tot Afrika uitstrekte, en vestigt zich weer
op zijn oude woonplaats. In ons land komt hij in de meeste streken
slechts op den trek en in kleinen getale voor; hij broedt echter in
Gelderland, in Noord-Brabant (bij Ginneken) en in Utrecht (bij Soest).

"De Boomleeuwerik," zegt Brehm, de vader, "is een allerliefst diertje,
vlug en behendig van bewegingen, tam en gemeenzaam waar hij ontzien
wordt, daarentegen voorzichtig en schuw overal waar hij vervolgingen
heeft te verduren of meent te moeten duchten. Hij loopt vlug met
kleine passen, houdt intusschen de borst omhoog en zet de veertjes
van de kruin op tot een kleine kuif, hetwelk hem zeer goed staat.

"Zijn sierlijk nest is, al naar de weersgesteldheid in de lente,
vroeger of later gereed, soms reeds in de laatste dagen van Maart;
het is onder een spar of een jeneverbes of eenvoudig in het gras
gebouwd. Het is in een uitgekrabde, niet door takken overdekte
uitholling van den grond gelegen, uit fijne, droge halmen van grassen
samengesteld, dieper dan een halven bol en van binnen zeer glad en
netjes bewerkt. Het broedsel bestaat uit 4 à 5, zelden 3 eieren, die
op witachtigen grond met grijs- en lichtbruine stippels en vlekjes
dicht bestrooid zijn; zij worden met groote toewijding door het wijfje
alleen uitgebroed, het mannetje verzorgt intusschen zijn wederhelft
met voedsel. De jongen van het eerste broedsel blijven slechts korten
tijd onder de hoede van hunne ouders, daar deze spoedig een tweede
broedsel beginnen. Nadat ook deze werkzaamheden zijn afgeloopen,
vangt het zwerven aan, dit duurt voort, totdat de tijd van trekken
is gekomen; de ouders zijn intusschen met al hunne kinderen tot een
klein gezelschap vereenigd; soms merkt men vluchten op, die uit twee
of meer familiën bestaan. Zij verlaten ons in het einde van October
of het begin van November.

"De grootste bekoorlijkheid van den Boomleeuwerik is zijn
voortreffelijk gezang. Wanneer men een voetreis doet door een eenzame
streek waar geen enkel schoon vergezicht vergoeding geeft voor het
ontstemmend schouwspel van den schralen plantengroei, waar schijnbaar
geen spoor van dierlijk leven aanwezig is, ziet men soms plotseling
den aanvalligen Boomleeuwerik verschijnen, die eerst zijn zachten
loktoon "loelloe" laat hooren, daarna omhoogstijgt en luid fluitend
en kwinkeleerend halve uren lang onder de wolken zweeft of op een
boom zittend zijn aangenaam lied ten einde brengt. Nog liefelijker
echter klinkt dit gezang des nachts. Telkens als ik in het stille,
middernachtelijke uur een wandeling deed door het armoedige oord, dat
onzen Vogel als woonplaats dient, op eenigen afstand het huilen van
den Ooruil, en het spinnen van den Geitenmelker of in de onmiddellijke
nabijheid het snorren van een voorbijvliegenden Kever opmerkte, bij
welke geluiden ik mij in de woeste streek zoo recht eenzaam gevoelde,
was ik ten hoogste verblijd, als een Boomleeuwerik zich in de lucht
verhief en zijne welluidende trillers liet weerklinken. Lang bleef ik
dan staan luisteren naar deze als 't ware uit den hemel afdalende tonen
en zette vervolgens met frisschen moed mijn wandeling voort. Hoewel
ik zeer goed weet, dat de Boomleeuwerik begon te zingen, omdat een
innerlijke drang hem er toe dreef en omdat hij zijn wijfje door
gezang bezig houden en genoegen verschaffen wilde, rees in zulke
oogenblikken steeds het denkbeeld in mij op, dat hij opgestegen was om
mij, zijn ouden vriend, een dienst te bewijzen, om mij de eenzaamheid
te verzoeten."

De Boomleeuwerik kan zich, wat zijn gezang betreft, met den Nachtegaal
niet meten en toch vervangt hij dezen. Het lied van den Nachtegaal
weerklinkt slechts gedurende twee maanden: de Boomleeuwerik echter
zingt van Maart tot Augustus, na het ruien nog in de laatste helft
van September en de eerste van October; bovendien houdt hij zich
op in woeste, arme gewesten, in het gebergte, waar buiten hem
slechts weinige goede zangers wonen, terwijl zij op de plaatsen,
waar hij leeft, misschien geheel ontbreken! Hij is de lieveling
van alle bergbewoners, de trots van den liefhebber van kamervogels,
de vreugde van den handwerksman, die gedurende de geheele week aan
zijn werkplaats gebonden is, hier, evenals zijn vogeltje, gevangen
wordt gehouden. Ruimschoots verdient de Boomleeuwerik de genegenheid,
die men hem toedraagt, de glorie, die hem omstraalt. Ongelukkig neemt
het aantal Vogels van deze soort niet toe, zooals dat van de Akker-
en Kuifleeuweriken; integendeel het is jammerlijk aan 't verminderen,
zonder dat men hiervoor een aannemelijke reden weet op te geven.



De Woestijnleeuwerik (Ammomanes deserti) is van boven grijsachtig
kaneelbruin, op den staartwortel roestroodachtig, van onderen
witachtig isabelkleurig; de oorstreek, de krop, de zijden van den
romp, de onderdekveeren van de vleugels en van den staart hebben
een fijne, roodachtige isabelkleur, op den krop met onduidelijke,
overlangsche streepjes; de slagpennen en stuurpennen zijn olijfbruin,
gene aan de buitenzijde roestroodachtig kaneelkleurig, de beide
buitenste staartveeren aan de buitenzijde tot in de nabijheid van
den top roestkleurig isabel. Het oog is bruin, de snavel bruinachtig,
de voet donkerbruin. Het geheele dier is 16, de staart 6.5 cM. lang.

Het verbreidingsgebied van den Woestijnleeuwerik omvat het grootste
deel van Noord- en Noordoost-Afrika, West-Azië en Midden-Indië; soms,
doch zeer zelden, dwaalt hij af naar Zuid-Europa, door Erhard wordt
hij echter opgenoemd onder de Vogels, die des zomers op de Cycladen
voorkomen.

Hij vermijdt het bebouwde land en bewoont die landstreken, waar het
dorre zand de levenwekkende kracht van het water met goed gevolg
trotseert. In het zand verdwijnt hij voor de blikken zijner vijanden,
in het zand vindt hij zijn voedsel: hij gevoelt zich uitsluitend en
volkomen in de woestijn thuis. Zijn lokstem hoort men in Opper-Egypte
reeds, zoodra men den laatsten dam overschrijdt, die het aan den stroom
ontleende, vruchtbaar makende water tegen het naar vocht verlangende
zand beschermt; hij is het, die in de verhevene tempelzalen heerscht
als een Isis-priester, die uit den ouden tijd is achtergebleven en
een gedaanteverwisseling ondergaan geeft; hem ontmoet men ook als
een volslagen huisvogel in de tent van de bruine nomaden. Hij is
aanvallig, maar stil en ernstig van aard. Hij loopt buitengewoon snel,
vliegt behendig en vlug, hoewel min of meer fladderend. Zijn gewone
lokstem maakt een eenigszins droefgeestigen indruk, waardoor men haar
welluidendheid bijna zou vergeten. Overal waar deze soort voortkomt,
zijn hare vertegenwoordigers veelvuldig; gewoonlijk ontmoet men ze
bij paren; met hare soortgenooten leven zij in vrede, maar vereenigen
zich zelden met hen tot vluchten.

De Woestijnleeuwerik schuwt den mensch niet. Het komt in den Arabier
niet op den argeloozen Vogel vijandig te behandelen; ook de Europeaan
wordt hem weldra zoo genegen, dat hij er letterlijk tegen opziet,
hem te dooden.



Een geheel ander voorkomen dan de meest typische vormen der familie
hebben de Kwikstaartleeuweriken (Alaemon). Hunne kenmerken zijn: de
slanke lichaamsbouw, de lange, betrekkelijk dunne, meer of minder
sterk gebogen snavel, de lange loop met middelmatig lange teenen,
waarvan de binnenste of achterwaarts gerichte een tamelijk korte, flauw
gebogen klauw of spoor draagt, de zeer lange en breede vleugels, de
middelmatig lange staart en het goed gevulde, glad aanliggende kleed.

De Woestijnlooper-leeuwerik (Alaemon desertorum) is van boven
roodachtig isabelkleurig, de teugel, een streep boven de oogen, de
zijden van den kop en de onderdeelen zijn wit; de kropveeren zijn fijn
vaal isabelkleurig en met smalle, donkere schaftstrepen geteekend;
de handpennen zijn zwart, de bovendekveeren van de armpennen aan den
top wit, de witte armpennen vormen een breede dwarsstrook op den
vleugel; de bruinzwarte staartveeren hebben aan de buitenzijde en
aan den top een roodachtig isabelkleurigen zoom. Totale lengte 22,
staartlengte 9 cM.

Het verbreidingsgebied van deze soort, waarvan herhaaldelijk ook in
Zuid-Europa exemplaren zijn geschoten, omvat het geheele noordoosten
van Afrika en West-Azië, Palestina, Perzië en Sind. Bijzonder
veelvuldig heb ik haar tusschen Kaïro en Suez waargenomen. Ik vond hier
kleine familiën van hoogstens 4 à 6 stuks, nooit vluchten, gewoonlijk
paren. Het eene paar woont dicht bij het andere; naar het schijnt,
bezoeken de buren elkander dikwijls met volkomen vriendschappelijken
zin.

Wat levenswijze betreft, houdt de Woestijnlooper-leeuwerik als 't ware
het midden tusschen de leden zijner familie en de Renvogels. Hij loopt
bij rukken, buitengewoon snel, veeleer op de wijze der Strandloopers
dan op die der Leeuweriken, maar verheft zich met haastige
vleugelslagen snel omhoog, zweeft eenige oogenblikken achtereen
op dezelfde plaats en laat zich daarna plotseling met opgevouwen
vleugels op den bodem of ook wel op een struik nedervallen, springt
vervolgens hiervan af op den grond en loopt nu schielijk voort. Dit
spel herhaalt hij soms verscheidene, snel opeenvolgende malen. Ik
geloof, dat alleen het mannetje zulke bewijzen van bekwaamheid
in het vliegen geeft; het kwam mij voor, dat dit spel ten doel
had het wijfje genoegen te doen. Het paar blijft trouw vereenigd;
het mannetje en het wijfje blijven gedurende het rennen dicht bij
elkander en vliegen bijna gelijktijdig op. Jegens den mensch zijn
de Woestijnlooper-leeuweriken volstrekt niet schuw; zij naderen de
bewoonde stations van den "Oost-Indischen weg" met de argeloosheid
van den Kuifleeuwerik; ik ontmoette ze meermalen op de uitgestrekte
binnenplaatsen van deze gebouwen.



De leden van de familie der Woudzangers (Sylvicolidae) missen de eerste
slagpen. Men merkt bij hen drieërlei vormen op: sommige groepeeren
zich om de Piepers, terwijl andere aan Grasmusschen, nog andere aan
vinken herinneren.



De Kwikstaarten (Motacillinae) kenmerken zich door hun buitengewoon
slank gebouwd lichaam, door den dunnen, rechten, langwerpig
priemvormigen, aan de rugzijde kantigen snavel, die vóór de spits
van de bovenkaak met een ondiepe inkerving voorzien is, door de
middelmatig lange vleugels, waarin de derde slagpen de langste is,
maar welker armpennen nagenoeg even lang zijn als de handpennen,
door den langen, uit smalle pennen samengestelden, bij uitzondering
gaffelvormigen staart, door de tamelijk hooge, uit slanken loop en
lange teenen bestaande voeten, die met groote, aan den achterteen
dikwijls spoorvormig verlengde klauwen gewapend zijn en door het bont
gekleurde kleed, dat al naar het geslacht eenigszins verschilt.



De Kwikstaarten in engeren zin of Boom-kwikstaarten (Motacilla)
omvatten ruim een dozijn soorten, die uitsluitend in de Oude Wereld
thuis behooren, maar hier over alle breedte- en hoogtegordels verbreid
zijn. Zij bewonen waterrijke gewesten. Enkele soorten verwijderen
zich alleen gedurende hun reis naar 't zuiden van 't water, andere
zwerven om voedsel te zoeken ook op droge plaatsen rond, daarna
keeren zij echter altijd weer naar 't water terug. De in 't noorden
levende soorten zijn trekvogels, die van 't zuiden zwerfvogels,
sommige volslagen standvogels. In het noorden verschenen zij vroeg
in 't voorjaar en blijven er tot laat in den herfst, hoewel zij hun
reis naar 't zuiden ver uitstrekken. Hunne bewegingen zijn sierlijk
en lieftallig. Gewoonlijk gaan zij stappend, op bedachtzame wijze
en knikken bij elken stap met den kop; den langen staart houden zij
intusschen waterpas of een weinig bovenwaarts gericht en bewegen hem
voortdurend op en neer. Zij vliegen snel en behendig, waarbij zij een
uit groote bogen bestaanden weg volgen. Hun stem is niet bijzonder
krachtig, hun gezang eenvoudig, maar aangenaam. Zij voeden zich
met allerlei Insecten en larven en met ongewervelde dieren, die het
water bewonen. Het nest is kunsteloos samengesteld uit fijne takjes,
worteltjes, halmen, mos, droge bladen en dergelijke materialen, van
binnen bekleed met wol of andere zachte stoffen; het wordt gebouwd in
holen en kuilen, in den regel dicht bij het water; de eieren hebben een
dunne schaal en zijn op lichten of grijsachtigen grond fijn gevlekt.

De meeste Kwikstaarten weten door hun bevalligheid en vertrouwelijkheid
de genegenheid zelfs van de ruwste menschen te winnen; onder de
menschen hebben zij daarom nagenoeg geen vijanden; wel wordt hun
leven bedreigd door vele roofdieren en staan zij bovendien wegens
hun verblijfplaats aan vele gevaren bloot; zij vermenigvuldigen zich
echter zoo sterk, dat er voor vermindering van hun aantal geen gevaar
bestaat. Hoewel zij door hun lieftalligheid en bevallig voorkomen
als kamervogels een aangenamen indruk maken, worden zij zelden in
een kooi gehouden.



De Witte Kwikstaart, die ook wel Akkermannetje, Bouwmannetje,
Bouwmeestertje, in Zuid-Beveland Paardenwachter, in het land van Kuik
Ploegdrijvertje, in Friesland Zwaluwwipstaart, op Ameland Verboden
Zwaluw wordt genoemd (Motacilla alba), is in zekeren zin het type
van dit geslacht. Zijne bovendeelen zijn grijs, de achterhals en
de nek fluweelachtig zwart, de keel, de gorgel en de bovenborst
zwart, de voorkop, de teugel, de wangen, de zijden van den hals en de
onderdeelen wit, de slagpennen zwartachtig met witachtig grijze zoomen;
de witte spitsen van de dekveeren vormen om de vleugels twee lichte
banden; de middelste stuurpennen zijn zwart, de overige wit. De oogen
zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 20,
staartlengte bijna 10 cM.

In Groot-Brittannië komt nevens den Witten Kwikstaart een verwante
vorm voor, die soms als een afzonderlijke soort, soms als een ras
wordt beschouwd. Deze, de Rouwkwikstaart (Motacilla alba lugubris),
verschilt van den Witten alleen hierdoor, dat in het lentekleed ook de
mantel, de staartwortel en de schouders zwart zijn. Wij beschouwen hem
als een ras. Nu en dan worden eenige exemplaren van dit ras in Noord-
en Zuid-Holland, soms ook in Noordbrabant waargenomen.

De Witte Kwikstaart bewoont geheel Europa, ook IJsland, voorts West-
en Middel-Azië, en zelfs Groenland. Behalve in de hoog gelegen
bosschen en de bergstreken boven de grens van den boomgroei treft
men hem in den letterlijken zin van 't woord overal aan; naarmate de
bebouwing van den bodem toeneemt, vermeerdert ook het aantal van deze
Vogels. In den winter trekken zij tot in het binnenland van Afrika,
enkele hebben echter reeds in Zuid-Europa en zelfs in Duitschland
hunne winterkwartieren bereikt. Ook in ons land blijft een zeker
aantal, zelfs bij strenge koude, den winter over.

De Witte Kwikstaart behoort in Nederland tot de zeer gewone Vogels;
hij komt hier veelal reeds in de eerste helft van Maart en vertrekt
eerst in October. Meestal wordt hij in de nabijheid van het water
aangetroffen; gaarne broedt hij in tuinen, ook in woningen, zelfs
midden in de steden, waar men hem vaak op de daken der huizen ziet
zitten. Buiten zet hij zich veelal op dorre takken van boomen, in het
riet of op kruiden. Doorgaans ziet men hem echter op den grond loopen.

In de hoogste mate bewegelijk, onrustig en opgewekt van aard, is hij
van den vroegen morgen tot laat in den avond onverpoosd bezig. Alleen
gedurende het zingen ziet men hem soms werkelijk stil zitten;
rechtop en met hangenden staart blijft hij dan op dezelfde plaats;
overigens loopt hij voortdurend heen en weer, of beweegt althans
den staart. Hij loopt stappend, beweegt zich op deze wijze vlug en
behendig, intusschen den romp en den staart waterpas houdend en den
hals een weinig intrekkend. Hij vliegt zonder inspanning en snel;
de door hem gevolgde weg bestaat uit lange, stijgende en dalende
bogen, die gezamenlijk een lange, slangswijs gekronkelde lijn vormen;
meestal vliegt hij laag over het water of den bodem en slechts korte
afstanden af, zoodat de reis van zeer korten duur is; op de plaats,
waar hij zich nederzetten wil, laat hij zich eensklaps vallen en breidt
eerst dicht bij den grond den staart uit om de snelheid van den val
te verminderen. Zijn duidelijk hoorbare lokstem klinkt als "kiewie"
en wordt soms met "tsiesies" of "tsioewies" verlengd; verliefdheid
openbaart hij door een zacht "kwierierie". Zijn gezang weerklinkt,
terwijl hij zit, loopt of vliegt en wordt zeer dikwijls herhaald;
hij is wel eenvoudig, maar toch niet onaangenaam. Hij houdt veel van
het gezelschap zijner soortgenooten, stoeit gaarne met hen en jaagt
hen spelend na, welk spel ook wel eens in een ernstige vechtpartij
ontaardt. Jegens andere Vogels is hij niet zeer toeschietelijk,
veeleer vijandig; dikwijls zoekt hij ruzie met Vinken, Gorsen en
Leeuweriken en voert strijd met Roofvogels.

Allerlei Insecten, volwassene, zoowel als larven en poppen, worden
door den Kwikstaart opgezocht aan de oevers van het water, in de
slib, tusschen steenen, in mesthoopen, op daken van huizen en andere
plaatsen; bliksemsnel schiet hij toe op iederen zichtbaren buit en
grijpt hem zonder fout; gaarne volgt hij den ploegenden landman om
de Insecten, die de ploegschaar blootlegt, uit de voren op te pikken;
geregeld zoekt hij het weidende vee op en blijft soms dagen lang bij
de schaapskooien. In den herfst trekken de familiën iederen avond
naar de rietvijvers en zoeken hier, nevens de Zwaluwen en Spreeuwen
een slaapplaatsje. Later vereenigen alle familiën uit den omtrek zich
tot min of meer talrijke vluchten, die aan de oevers der rivieren
kunnen aangroeien tot zwermen van duizenden individuen. De op deze
wijze gevormde legers trekken gemeenschappelijk naar 't zuiden,
strijken over dag bij de kudden langs of begeven zich van den eenen
pas geploegden akker naar den anderen, altijd door in dezelfde richting
voortgaande, totdat de duisternis invalt; de reizigers stijgen daarna
omhoog en vliegen onder luid geroep in zuidwestelijke richting verder.



Nog fraaier en bevalliger dan de zooeven genoemde soort is de Groote
Gele Kwikstaart (Motacilla melanopes) [6], die met recht bekoorlijk
mag heeten. Het lentekleed van het mannetje is van boven aschgrauw,
van onderen zwavelgeel, aan de keel zwart, welke kleur van het grauw
der bovenzijde gescheiden is door een witte streep; een streep
van dezelfde kleur loopt boven het oog langs; twee lichtgrijze,
niet zeer duidelijke banden komen op den vleugel voor. De drie
buitenste stuurpennen zijn grootendeels wit, de pooten vleeschkleurig
roodgeel. Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Europa,
bij het zuiden van Zweden te beginnen, het grootste deel van Azië en
eenige gebergten van Noord-, Oost- en West-Afrika, vooral de Atlas,
het Abessinische Hoogland en de hooglanden van de westkust. Op
de Kanarische eilanden komt zij veelvuldig voor. In Noord-Europa
is de Kwikstaart zeldzaam, in Nederland broedt hij alleen in de
grensprovinciën, in Midden-Duitschland en verder zuidwaarts vindt men
hem bijna overal in het gebergte en zelfs bij iedere heldere beek van
de voorbergen, soms zelfs bij zulke beken in de vlakte, in 't zuiden
treft men hem alleen in de hooge gebergten aan. Uit Nederland, waar
de soort niet talrijk vertegenwoordigd is, vertrekt zij tegen November
naar 't zuiden en komt in het begin van Maart terug. Enkele exemplaren
overwinteren hier te lande en bezoeken in het koude jaargetijde nu
en dan de kustprovinciën, waar zij echter nooit broeden.

Weinige Vogels zijn meer op netheid gesteld dan deze lieftallige
Kwikstaart. Hij maakt den indruk van een dame, die gedurende de
wandeling haar japon opneemt, als hij langs den waterkant of op ondiepe
plaatsen in het water stapt; werkelijk draagt hij groote zorg voor de
reinheid van zijn vederenkleed en maakt bij 't gaan sierlijke pasjes
als een danseres. Zijn loktoon, dien hij hoofdzakelijk gedurende
het vliegen, minder dikwijls zittend laat hooren, heeft zeer veel
overeenkomst met dien van den Witten Kwikstaart, zoodat men beide
soorten al zeer goed moet kennen om ze, op de stem afgaande, met
zekerheid te onderscheiden. Ook de Groote Gele Kwikstaart broedt vroeg
in de lente: voor de eerste maal reeds in April, voor de tweede maal
niet later dan Juli.



De Gele Kwikstaart, ook wel bekend onder de namen Koevinkje (in
Groningen), Geel Bouwmannetje (in Friesland) en Geel Akkermannetje
(Budytes flavus), wordt wegens zijn korten staart en den op een spoor
gelijkenden nagel van den achterteen beschouwd als vertegenwoordiger
van een afzonderlijk geslacht--de Grondkwikstaarten (Budytes). Zijn
lengte bedraagt gemiddeld 17 cM. met inbegrip van den 7 cM. langen
staart. De bovenkop, de nek en de achterhals, met uitzondering van
een boven de oogen zich uitstrekkende, witte streep, zijn aschgrauw,
de overige bovendeelen olijfgroen, de bovendekveeren van den staart
donkerder, de zijden van den kop en van den hals, evenals de overige
onderdeelen, zwavelgeel, de slagpennen bruinzwart, de laatste armpennen
met vaalwitten zoom, de grootste bovendekveeren aan 't uiteinde met
vaalwitten rand, waardoor op den vleugel een lichte dwarsstrook
ontstaat, de staartveeren zwart, behalve de beide buitenste, die
een witte kleur hebben. De oogen zijn bruinzwart, de snavel en de
pooten zwart.



Tot hetzelfde geslacht behooren verscheidene vormen met standvastig
overervende eigenaardigheden, die door sommige natuuronderzoekers
als soorten, door andere als rassen worden beschouwd. Van deze
vermelden wij er twee--de Noordsche Gele Kwikstaart (Budytes flavus
nigricapillus) en de Engelsche Gele Kwikstaart (Budytes flavus
Rayii)--, omdat zij enkele malen (Albarda) ook hier te lande werden
waargenomen. Zij verschillen van den Gewonen o. a. door de kleur
van den bovenkop, die bij den eerstgenoemden vorm zwart, bij den
tweeden geel, bij den Gewonen in de lente grootendeels geelgroen,
later aschgrauw is.

In alle noordelijke landen zijn de Gele Kwikstaarten zomervogels, die
veel later dan de Witte komen en veel vroeger hunne winterkwartieren
opzoeken. Bij ons komen zij in de tweede helft van April en verhuizen
in September naar het zuiden. Behalve in Europa broeden zij ook in
Middel-Azië en Noordwest-Amerika; 's winters houden zij zich op in
Zuid-Azië, Middel- en Zuid-Afrika. Op den trek strijken zij bij
iedere groote kudde vee neder en blijven hier dikwijls gedurende
den geheelen dag. Hunne broedplaatsen zijn, behalve in de toendra,
waar men deze vrienden van het moeras bij honderdduizenden aantreft,
gelegen in vochtige streken of in vlakke landen, die tijdelijk
overstroomd worden, bij ons op lage veenachtige gronden, in weiden en
moerassen. "Daar, waar de Gele Kwikstaarten broeden," zegt Naumann,
"vindt men des zomers geen koolzaad- of raapzaadveld, geen erwten-,
boomen- of wikkenakker van eenige beteekenis, geen klaverveld, geen
vrij gelegen vette weide en geen boomlooze, grasrijke moerasstreek,
waar niet minstens eenige van deze Vogels huizen. In ongeloofelijk
grooten getale bewonen zij enkele broeklanden. In de "marschlanden"
of lage, vochtige kuststreken, waar zij behalve welige graanvelden
en akkers met vette veldvruchten, water, moerassen, riet en weiden,
bijeenvinden, waar behalve landbouw ook veeteelt voorkomt, hebben zij
al wat zij wenschen kunnen; hier zijn zij derhalve zeer overvloedig.

Door hunne bewegingen gelijken zij meer op den Witten dan op
den Grooten Gelen Kwikstaart. Zij zijn behendig in 't loopen,
bijzonder vaardig echter in 't vliegen. Als zij over een kleine
ruimte heenvliegen willen, geschiedt dit eenigszins bij rukken; op
den trek vliegen zij echter buitengewoon snel. Niet zelden blijven
zij fladderend of schommelend gedurende geruimen tijd in de lucht
zweven boven een en dezelfde plaats; dikwijls schieten zij van
aanzienlijke hoogten met toegevouwen vleugels bijna loodrecht naar
beneden tot op den grond. Hun lokstem is een fluitend geluid, dat als
"bsiuub" of "bielieb", maar ook een zachte toon, die als "sieb sieb"
klinkt; het waarschuwingssein is een scherp uitgestooten "srie",
het paringsgeluid een gerekt "tsierr". Hun gezang gelijkt op dat van
den Witten Kwikstaart.

Het nest rust op den bodem tusschen gras, graan of moerasplanten,
meestal in een kleine holte, soms ook onder boomwortels. Fijne
wortelvezels, halmen, bladen, hooi en groen mos van den grond zijn
de materialen, die, losjes saamgeweven, het kunstelooze nest vormen,
dat van binnen met halmpjes, vruchtpluis van distels, wol, eenige
paardeharen en veeren bekleed is. De 4 à 6 dunschalige eieren, die
het bevat, zijn op vuilwitten of roodachtigen grond met geelachtige
of bruingrijze, ook wel met violette stippels en wolkachtige vlekken
geteekend. Ieder paartje nestelt slechts éénmaal in 't jaar en wel in
het einde van Mei of het begin van Juni. Het wijfje broedt alleen;
de jongen komen na 13 dagen uit den dop. De beide ouders zijn zoo
bezorgd voor hun gebroed, dat zij door angstgeschreeuw de plaats
van het nest aan den vogelkenner verraden. De jongen verbergen zich
aanvankelijk behendig in 't gras, maar maken weldra een even doelmatig
gebruik van hunne vleugels als de ouden. Van nu tot hun afreis naar
't zuiden, vliegen zij gemeenschappelijk rond; eindelijk vangt
op een fraaien herfstdag de trek aan. In dezen tijd ziet en hoort
men de Gele Kwikstaarten overal, zelfs in 't gebergte op plaatsen
waar vee graast. Naar het schijnt, wordt de reis vlug afgelegd. Vele
overwinteren reeds in Egypte. De groote meerderheid echter vliegt tot
in het binnenland van Afrika. Hier ziet men gedurende de wintermaanden
iedere kudde Runderen, Schapen of Geiten, ja zelfs iederen Kameel
of Ezel, ieder Paard of Muildier door deze aardige Vogels omgeven;
op de weideplaatsen wemelt het soms van hen. Zij begeven zich met de
grazende Runderen naar de steppen en naar de drinkplaatsen terug.



Van uit het noordoosten van Europa is een der fraaiste van alle
Kwikstaarten, de Sporenkwikstaart, zooals wij hem zullen noemen
(Budytes citreolus), herhaaldelijk naar West-Europa en ook naar
Duitschland afgedwaald. Hij is grooter dan de vorige soort, 18 cM. lang
met den 8 cM. langen staart; de kop en de geheele onderzijde, behalve
de witte onderdekveeren van den staart zijn levendig citroengeel, de
nek en het voorste deel van den rug zwart, welke kleur ongevoelig in
het leigrauw van de meer achterwaarts gelegen bovendeelen overgaat;
de bovendekveeren van den staart zijn bruinzwart.



Groote, Zuid-Aziatische leden van de groep der Kwikstaarten zijn de
Vorkstaarten (Enicurus), welker kenteekenen te vinden zijn in den
betrekkelijk langen, rechten snavel, de krachtige pooten met langen
loop, de korte vleugels en den langen, zeer diep gaffelvormigen staart.



Een der eigenaardigste soorten van dit geslacht is de Vorkstaart,
de Meninting der Maleiërs (Enicurus Leschenaultii). Bij dezen 26 à
28 cM. langen Vogel zijn de bovenzijde en de vleugels, de voorhals
en de borst donker fluweelachtig zwart, de kuifvormig verlangde
veeren van den kop bruin, de wortelgedeelten van de armpennen
en hunne dekveeren, die, als een geheel beschouwd, een breeden,
halvemaanvormigen dwarsband over den rug vormen, de onderrug en het
onderlijf zijn wit; de slagpennen zijn zwartachtig; de staartveeren,
met uitzondering van de beide buitenste, zuiver witte, zijn zwart
met witten top. De snavel is zwart, de voet geel.

"Deze Vogel," zegt Bernstein, "behoort uitsluitend thuis in de aan
bronnen en beken zoo rijke gebergte van Java en is in de voorbergen
nergens zeldzaam; zijn eigenlijk gebied is de gordel van 500 à 1200
M. hoogte. Hier zal men hem bijna aan iedere beek aantreffen. Nooit
verwijdert hij zich ver van het water; niet zelden echter verdwaalt
hij bij 't volgen van den loop der beken stroomopwaarts tot diep in
de oerwouden, zoodat hij soms tot ieders verwondering voorkomt op
plaatsen, waar men hem niet verwacht zou hebben.

"Door zijn voorliefde voor het water gelijkt deze Vogel op den Grooten
Gelen Kwikstaart, hoewel de kleur van het vederenkleed den Europeaan
op Java aan den Witten Kwikstaart herinnert."



De Piepers (Anthus) moeten misschien beschouwd worden als
overgangsvormen van de Zangers tot de Leeuweriken. Hunne kenmerken
zijn: een slank lichaam, een dunne, rechte, aan den wortel smalle,
priemvormige snavel met ingetrokken rand en een ondiepe inkerving
vóór de zeer weinig benedenwaarts gebogen spits van den bovensnavel,
voeten met slanken loop en zwakke teenen, maar groote nagels, waarvan
één, de achterste, evenals bij de Leeuweriken, bij wijze van een spoor
verlengd is, middelmatig lange vleugels, een middelmatig lange staart,
een glad aanliggend, grond- of graskleurig vederenkleed.

Dit geslacht, dat omstreeks 50 soorten bevat, is over de geheele
aarde verbreid. Alle Piepers brengen het grootste deel van hun
leven op den bodem door en strijken slechts nu en dan op de boomen
neer. Zij zijn beweeglijk, opgewekt, haastig van aard; zij loopen
stappend en schielijk, terwijl zij intusschen zachtjes den staart
op en neer wippen; wanneer zij een grooten afstand moeten afleggen,
vliegen zij goed, snel, zonder inspanning en volgens boogvormige
lijnen. Wanneer het verlangen om te zingen hen naar boven drijft,
vliegen zij fladderend en zwevend; zij laten een piependen loktoon
hooren en hebben een eenvoudig, maar aangenaam gezang. Hun voedsel
bestaat uit Insecten, vooral Kevers, Motten, Vliegen, Haften, Muggen
en Bladluizen; ook eten zij Spinnen, Wormen en kleine waterdieren,
zelfs fijne zaden; steeds zoeken zij hun voedsel op den grond en jagen
slechts bij uitzondering een voorbijschietenden buit vliegend na. Zij
bouwen hun nest op den grond; de wand van het nest, hoofdzakelijk
bestaande uit droge halmen en wortels van grassen, die met andere
plantaardige stoffen los aaneenverbonden zijn, wordt met wol en
haren gevoerd. De eieren vertoonen op somber gekleurden grond een
zachte, uitvloeiende teekening, die uit stippels, vlekken en streepjes
samengesteld is. Naar het schijnt is alleen het wijfje met het broeden
belast; beide ouders houden echter veel van hun kroost. De meeste
soorten broeden meer dan eens per jaar.



De meest bekende soort van dit geslacht is wel de Graspieper, die
gewoonlijk Tiet-, Veld- of Piepleeuwerik wordt genoemd en in Friesland
Pieper, op Ameland Rietvinkje heet (Anthus pratensis). De veeren van
de bovenzijde zijn olijfbruin, met een zwak olijfgroen waas aan de
oppervlakte, met donkerbruine, uitvloeiende schaftstrepen geteekend;
de staartwortel is levendiger en meer effen van kleur; de onderdeelen,
de wangen en een streep boven de oogen zijn fijn roestgeelachtig,
een streep onder het oog en een tot aan de zijden van den hals
reikende baardstreep zijn zwart, de slagpennen en staartveeren donker
olijfbruin; de uiteinden van de armdekveeren en van de grootste
vleugeldekveeren hebben een lichteren rand, waardoor op den vleugel
twee onduidelijke dwarsbanden ontstaan; de buitenste staartveeren
zijn aan de buitenzijde wit met dofgekleurde spits. De iris is
donkerbruin, de bovensnavel dofbruin, de ondersnavel lichtbruin,
de voet bruinachtig. De lengte van het geheele dier bedraagt 15,
die van den staart 6 cM.

Men heeft den Graspieper in de geheele noordelijke helft van Europa en
in het grootste deel van Noord-Azië broedend waargenomen en gedurende
den winter in Zuid-Europa, Zuidwest-Azië en Noord-Afrika gezien. In
ons land wordt hij zeer veelvuldig op weilanden en geestgronden,
in moerassen, op heidevelden en ook in de duinen aangetroffen. Hij
komt hier, zoodra de sneeuw smelt, gewoonlijk reeds in het begin
van Maart, op zijn laatst omstreeks het midden van April en blijft
hier tot in November, soms zelfs tot in December. Hij trekt dan naar
't zuiden in groote zwermen, niet zelden met de Akkerleeuweriken en
reist over dag zoowel als 's nachts.--In den regel beweegt hij zich
op den grond, maar zet zich ook dikwijls op kleine hoogten op hekken,
of zelfs op takken van struiken neder. Van tijd tot tijd verneemt men
zijn lokstem, die als "piep piep" klinkt. In het voorjaar vliegt het
mannetje met tusschenpoozen regelrecht omhoog, schiet daarop schielijk
weer naar de laagte en laat gedurende dit bedrijf zijn eenvoudigen,
tamelijk zachten, maar niet onaangenamen zang hooren. Zijn nest staat
op den grond en bevat 5 of 6 grijs- of geelachtig witte, aschgrauw
en grijsbruin gevlekte en gemarmerde eieren.

In een groote kooi kan men den Graspieper zeer goed in 't leven houden;
hij wordt zeer tam en zingt tamelijk vlijtig.



De Boompieper (Anthus trivialis) [7], gelijkt veel op den Graspieper,
maar is iets grooter (lengte van 't geheele lichaam 17, van den staart
6 1/2 cM), zijn snavel is dikker, de loop krachtiger, de nagel van den
achterteen korter en meer gekromd. De bovendeelen zijn op geelachtig
bruingrijzen of vuil olijfgroenen grond overlangs gevlekt met donkerder
strepen; de onderrug en de staartwortel zijn bijna effenkleurig; een
streep boven de oogen, de gordel, de krop, de zijden van de borst,
de schenkels en de onderdekveeren van den staart zijn bleek roestgeel,
de krop, de bovenborst en de zijden met zwarte overlangsche vlekken: de
strepen over de vleugels en de zoomen der schouderveeren zijn lichter
van kleur dan bij den Graspieper. Het oog is bruin, de snavel zwart,
de voet roodachtig.

In den zomer bewoont de Boompieper de bosschen van Europa en Siberië,
in den winter de steppenwouden van Afrika en van de laagste gedeelten
van het Himalaja-gebied. Als broedplaats maakt hij gebruik van
open plekken in het woud, van plaatsen, die schraal bezet zijn met
kreupelhout, van versche houtkappingen en andere weinig begroeide
gedeelten van bosschen, ook van die, welke ieder jaar overstroomd
worden. In Nederland broedt hij in boschjes op droge gronden, b. v. op
de heidevelden onzer grensprovinciën. In Midden-Duitschland komen deze
Vogels veelvuldig voor en neemt hun aantal, hier en daar ten koste
van dat der Boomleeuweriken, aanmerkelijk toe. De gewoonten van den
Boompieper herinneren in vele opzichten aan die van den Graspieper;
hij houdt zich echter niet zooveel op den bodem op als deze, maar zit
gaarne in boomen. Zijn gezang is fraaier en aangenamer dan dat van
zijne verwanten; het is krachtig en liefelijk, gelijkt eenigszins
op den slag van den Kanarievogel en onderscheidt zich door volheid
en helderheid van toon, door de afwisseling en menigvuldigheid der
melodieën.

Het nest wordt gebouwd in het gras, tusschen heidestruiken of onder
allerlei planten. Het bevat 4 of 5 grijs-, blauw- of roodachtig witte
eieren, die met donkerbruine marmervlekken bedekt zijn.

De Boompieper kan gemakkelijk in de kooi leven; hij wordt zeer tam
en verschaft genoegen door de sierlijkheid zijner bewegingen en door
zijn uitmuntend gezang.



De Waterpieper (Anthus aquaticus) is van boven donker olijfkleurig
grijs, met uitvloeiende, zwartachtig grijze, overlangsche vlekken
geteekend, van onderen vuil- of grijsachtig wit, in vleeschkleur
overgaande, aan de zijden van de borst donker olijfbruin gevlekt;
achter het oog loopt een lichtgrijze streep; over de vleugels strekken
zich twee lichtgrijze banden uit. De beide buitenste veeren van den
bruinzwarten staart zijn aan den top en aan de buitenzijde wit. Het
oog is donkerbruin, de snavel zwart, de spits van den ondersnavel
geelachtig, de voet donkerbruin. De lengte van 't lichaam bedraagt 18,
die van den staart 7 cM.

Terwijl de andere soorten van Piepers een bepaalde voorliefde toonen
voor de vlakte en slechts hier en daar bergstreken bewonen, behoort
de Waterpieper uitsluitend in 't gebergte thuis. Hij bewoont in
grooten getale den gordel van het kniehout in de Alpen, de Karpathen,
het Schwarzwald, de Hartz en het Reuzengebergte en daalt alleen
gedurende den trek in de vlakten af. In Zwitserland is hij een van
de algemeenste Alpenvogels; het Reuzengebergte wordt door duizenden
van deze Vogels bewoond. Op de Alpen hebben zij bij het broeden,
volgens Tschudi, dikwijls zeer van het ruwe lenteweer te lijden. "In
vele jaren bedekt een late sneeuwvlaag het nestje met de eieren en
verdrijft het broedende wijfje; niet zelden wordt dit ook zelfs onder
de sneeuw bedolven en gedood; dikwijls wordt het gedwongen nogmaals
een nest te bouwen."



Bij den Duinpieper (Anthus campestris) is de bovenzijde licht
geelachtig grijs met onduidelijke, donkere, dun gezaaide vlekken,
de onderzijde dof geelachtig wit, aan den krop met eenige
donkere schaftstrepen geteekend; boven het oog loopt een licht
geelachtige streep; de vleugel vertoont twee geelachtig witte
banden. Lichaamslengte als bij de vorige soort, de staart iets korter.

Het verbreidingsgebied van den Duinpieper omvat, met uitzondering
van de noordelijkste gedeelten van het toendragebied en van
Groot-Brittannië, geheel Europa, Middel- en Zuid-Azië en Noord-Afrika,
met inbegrip van de Kanarische Eilanden. Hij geeft aan dorre,
steenachtige, op woestijnen gelijkende gewesten de voorkeur boven alle
andere en komt daarom 't zuiden van Europa veel talrijker voor dan in
het Noorden. In Nederland broedt hij in de zeeduinen. In Duitschland
is hij in sommige oorden niet zeldzaam, in andere wordt hij slechts
bij uitzondering aangetroffen; in vruchtbare streken ontbreekt hij
geheel. Zijn verblijf bij ons duurt van April tot September. In
Zuid-Europa komt hij iets vroeger en vertrekt later.

Door zijne bewegingen herinnert de Duinpieper zoowel aan de Leeuweriken
als aan de Kwikstaarten. In nagenoeg horizontale houding, dikwijls
met den staart wippend en zooveel mogelijk zich verschuilend,
loopt hij over den grond, beklimt van tijd tot tijd een hooger
gelegen voorwerp, rust eenige oogenblikken, kijkt met eenigszins
omhoog gericht lichaam rond en zet daarna zijn wandeling voort. Bij
't vliegen beschrijft hij een sterk gebogen kronkellijn. Zijn stem
staat achter bij die der overige Piepers. De loktoon is "diellem"
of "dlemm"; teedere aandoeningen geeft hij te kennen door de klanken
"krietlien tsierloeï" en "tsiuur", die tevens de hoofdbestanddeelen
uitmaken van zijn buitengewoon eenvoudig gezang.

Gedurende den broedtijd maakt ieder paar aanspraak op een tamelijk
groot gebied en bewaakt dit ijverzuchtig. Het mannetje vertoont zich
dan zeer gaarne op een vrije plaats, zet zich op een hoogen steen,
op een uitstekende rotspunt, op muren, zandheuvels enz. of op een
struik, zelfs op de onderste takken van boomen, stijgt in scheeve
richting in de lucht omhoog, begint op een hoogte van 30 à 50 M. te
trillen en te schommelen, vliegt onregelmatig heen en weer en laat
intusschen herhaaldelijk zijn "tsierloeï" hooren.



De Oeverpieper (Anthus rupestris) verschilt van den Waterpieper, dien
hij in Skandinavië, Denemarken en Groot-Brittannië vervangt, door de
eenigszins donkerder kleur der bovendeelen, die met een groenachtig
olijfbruine waas overtogen zijn, door de minder duidelijke vleeschkleur
van de onderzijde en door de bruinwitte kleur van de vlek aan 't
einde der buitenste stuurpennen. Hij verlaat in October of November
zijne broedplaatsen aan de rotsachtige kusten der Noordzee en trekt,
terwijl hij zijne winterkwartieren opzoekt, ook door Nederland,
waar men in de genoemde maanden enkele exemplaren van deze soort hun
voedsel ziet zoeken tusschen de steenen en palen der zeeweringen van
de Zuiderzee-kust en op het Noordzee-strand. Soms blijft hij hier
gedurende den geheelen winter. In Maart, als hij naar 't noorden
terugkeert, treft men hem soms bij onze binnenwateren aan.



Om in het noordwesten van Afrika den winter door te brengen, trekken in
den herfst een aantal exemplaren van een aan den Duinpieper verwante
soort--den Grooten Pieper (Anthus Richardii)--door het noorden van
Duitschland, door Nederland, België, het westen van Frankrijk en door
Spanje en Portugal. Bij ons treft men hem meestal in 't midden van
October aan. Hij is de grootste van alle bij ons en in Duitschland
voorkomende Piepers (lengte van het geheele lichaam 20, van den staart
8 cM.) en van den Duinpieper gemakkelijk te onderscheiden door de
groote lengte van den bijna rechten nagel van den achterteen. Bovendien
is hij donkerder van kleur: De bovendeelen zijn geelachtig grijs, op
de kruin en den rug met bruinzwarte, breede, op den staartwortel met
langwerpige vlekken geteekend; de onderzijde is geelachtig wit en heeft
op de borst scherpe, bruine schaftvlekken; de buitenste stuurpen is
wit met grijsbruinen binnenkant; de tweede stuurpen heeft een witten
buitenrand en een witachtige, wigvormige vlek op de binnenvlag.

Het vaderland van den Grooten Pieper is het steppengebied van
Oost-Azië, met inbegrip van het noorden van China. Tegen den winter
trekt hij naar 't zuiden en verschijnt dan in 't zuiden van China
en in geheel Indië. Hij trekt echter ook in westelijke richting en
doet dan dikwijls (misschien wel ieder jaar) alle tot Duitschland
behoorende Noordzee-eilanden, Denemarken, het zuiden van Zweden,
Groot-Brittannië en de hierboven genoemde kustlanden aan.



Een tweede onderfamilie--die der Woudzangers in engeren zin
(Sylvicolinae)--omvat een 120-tal soorten, welker vertegenwoordigers
Noord-Amerika bewonen, op den trek Middel-Amerika en West-Indië
bezoeken, maar hun reis in den regel niet ver over den keerkring
uitstrekken. Hun snavel is in den regel een slanke, zijdelings
eenigszins samengedrukten kegel, zelden onder en boven een weinig
gebogen. In grootte en lichaamsverhoudingen komen zij met onze
Grasmusschen overeen, ook hun levenswijze gelijkt in hoofdzaken op
die van onze Zangers.



Van dezen groep vermelden wij alleen den Groenen Woudzanger (Sylvicola
virens), wiens bovendeelen geelgroenachtig zijn, de zijden van kop
en hals grootendeels hooggeel, de kin, de keel en de krop zwart,
de overige onderdeelen wit met breede, zwarte strepen aan de zijden;
de onderbuik en de stuit zijn geel, de slagpennen en de staartveeren
bruinzwart; twee witte dwarsbanden versieren den vleugel. Hij bewoont
het grootste deel van de Oostelijke Vereenigde Staten en begeeft
zich tegen den winter naar Middel-Amerika en West-Indië. Evenals de
meeste soorten van zijn geslacht houdt hij zich na zijn terugkomst
uit de winterkwartieren bij voorkeur in de kroon van hooge boomen op
en bevolkt dan zoowel het stille woud als de tuinen of plantsoenen
in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen. Eerst in 't
voorjaar, waarschijnlijk zelden voor 't midden van Mei, komt hij
op zijne broedplaatsen aan; hij blijft hier echter tot laat in 't
najaar en onderneemt, althans in de noordelijkste gewesten van zijn
verbreidingsgebied, na den aanvang van den herfst meer of minder
uitgestrekte zwerftochten. Deze voeren enkele exemplaren zelfs naar
de overzijde van den Oceaan; een dier van deze soort werd in October
1858 op Helgoland geschoten.



De Tangaren of Tanagra's (Thraupinae), die de derde onderfamilie van
de familie der Woudzangers vormen, zijn zoo groot als of iets grooter
dan onze Musch. Haar snavel is zeer verschillend, steeds echter
kegelvormig met flauw gebogen rug; de voeten hebben een korten loop
en slanke teenen; de vleugels en de staart zijn middelmatig lang. Haar
vederenkleed is tamelijk hard, bont en schel van kleur, meestal blauw,
groen, rood met zwart en wit gemengd; dit geldt echter in den regel
alleen voor de mannetjes; de kleur van het wijfje is steeds doffer
en minder in 't oog vallend.

Met uitzondering van 4 soorten, die in Noord-Amerika thuis behooren,
bewonen alle Tangaren, ongeveer 300 soorten, Zuid-Amerika. Bij voorkeur
houden zij zich in bosschen op, eenige soorten op de hoogste boomen,
andere in lage struiken. In de onmiddellijke nabijheid van den mensch
zoeken zij zelden een woonplaats; wel richten zij soms groote schade
aan in de plantages, waarin zij bij zwermen neerstrijken. In het stille
woud bekoren zij den natuuronderzoeker door hare reeds van verre in 't
oog vallende, schitterende kleuren; zij zijn een prachtig sieraad van
de boomen. De kleurenpracht is echter haar eenige aantrekkelijkheid,
want zij zijn stil en vervelend van aard. De gave van het gezang
missen zij nagenoeg geheel; hoogstens brengen zij eenige weinige,
ternauwernood samenhangende tonen voort. Naar men zegt, komt echter
bij enkele een zacht gezang voor.

Haar voedsel is van verschillenden aard; naar het schijnt, vormen
bessen of andere weeke, sappige, zoete en melige vruchten van geringe
grootte de hoofdbestanddeelen van haar maal. Vele eten bovendien
ook Insecten; enkele geslachten gebruiken, evenals de leden van de
volgende familie, uitsluitend zaden.

Slechts weinige soorten van deze onderfamilie worden in de kooi
gehouden; geen enkele verdient door hare gave de genegenheid van
den mensch.



Twee soorten van het geslacht der Tangaren in engeren zin (Thraupis)
zullen wij als vertegenwoordigers van de onderfamilie beschrijven.

De karmijn-tangara, de Flaxbird (Vlasvogel) der Amerikanen (Thraupis
rubra), is de veelvuldigst voorkomende, meest verbreide en daarom meest
bekende soort van het geheele geslacht. Haar lengte bedraagt 17 cM. Het
bruiloftskleed van het mannetje is vurig karmijnrood, met uitzondering
van de zwarte vleugels, waarvan de pennen aan de binnenzijde een
witten zoom hebben, de eveneens zwarte stuurpennen en schenkelveeren,
benevens de witte middelste en onderste vleugeldekveeren. Kort na den
broedtijd legt het mannetje zijn prachtkleed af en tooit zich met de
eenvoudige kleuren van het wijfje, dat aan de bovenzijde geelachtig
groen, aan de onderzijde groenachtig geel is.



De Vuurroode Tangara (Thraupis aestiva) is 19 cM. lang en dus een
weinig grooter dan de vorige soort. De veeren van de onderdeelen zijn
vuurrood, die van de bovendeelen donkerder purper-rozerood; de bruine
slagpennen en stuurpennen hebben rozeroode buiten- en bruinachtig
witte binnenzoomen. Het wijfje is olijfgroen, op den kop en den hals
met bruinachtig waas, van onderen geel, langs het midden van de borst
en van het onderlijf met groenachtig waas.



In levenswijze komen deze Tangaren overeen. Zij bewonen de
indrukwekkende wouden van Amerika, die zoo rijk zijn aan boomen van
verschillende soorten; zij leven hier stil en teruggetrokken, meestal
bij paren. Gewoonlijk ziet men ze boven op de toppen der boomen. Niet
zelden komen zij in de nabijheid van de woningen der planters; zelfs
dringen zij in de tuinen door, in den regel als ongenoode gasten, die
van de bessen en andere vruchten, o. a. van de zaaddoozen van het vlas
(vandaar haar naam) tienden heffen. Hoewel zij nergens veelvuldig zijn,
treft men ze overal aan: de Vuurroode Tangara is door geheel Amerika
bekend. Zij wordt ook wel Summer-red-bird (Zomerroodvogel) genoemd,
omdat haar verblijf in de Vereenigde Staten slechts ongeveer vier
maanden duurt, n.l. van Mei tot omstreeks het midden van September.

Wilson deelt een merkwaardig staaltje mede van de liefde dezer Vogels
voor hun kroost: "Eens ving ik," zegt hij, "een jonge Karmijn-tangara,
die slechts weinige dagen geleden het nest verlaten had. Ik droeg haar
een halve mijl ver mede, sloot haar op in een kooi en hing deze in den
tuin, niet ver van het nest van een Baltimore-vogel, waarin, zooals
ik zeker wist, jongen waren; ik hoopte, dat de eigenaars van dit nest
ook voor de jonge vreemdelinge zouden zorgen. De arme wees werd echter
in weerwil van haar jammerlijk geschreeuw, geheel verwaarloosd. Daar
zij van mij geen voedsel wilde aannemen, was ik van plan haar terug te
brengen naar de plaats, vanwaar zij kwam. Dit bleek onnoodig te zijn,
want tegen den avond zag ik een Karmijn-tangara, ongetwijfeld een
van de ouders van de gevangene, rondom de kooi vliegen en pogingen
doen om er in door te dringen. Bemerkende dat dit niet mogelijk was,
vloog zij weg, maar keerde weldra met voedsel in den snavel terug. Tot
na zonsondergang vloog zij af en aan en ging vervolgens zitten op
een hoogeren tak van denzelfden boom. Met het aanbreken van den
dag zag ik haar het werk van den vorigen dag hervatten en hiermede
voortgaan tot aan den avond, in weerwil van de vijandige stemming der
Baltimore-vogels. Op den 3en en 4en dag stelde zij opnieuw pogingen in
't werk om haar jong te bevrijden en trachtte zij door geluiden, die
angst en teederheid verraadden, haar kind te bewegen naar buiten te
komen. Dit was te veel voor den waarnemer: de gevangene werd bevrijd
en vloog onmiddellijk naar haar trouwe soortgenoote, die haar onder
luide vreugdekreten medenam naar het woud!"

In de kooi kan men deze Tangara's met zaden en vruchten in 't leven
houden; de eigenaar beleeft echter niet veel genoegen aan haar:
zij zijn te stil en te rustig en haar gezang is te onbeduidend,
dan dat de mensch voor haar groote belangstelling kan gevoelen.



Een tweede geslacht van de Tangaren omvat de Organisten (Euphonia). Het
zijn tamelijk kleine, dikkoppige Vogels; hun dikke snavel is in
de nabijheid van de spits aan den zijrand van den bovensnavel
fijn getand, aan den wortel breed en tevens hoog, naar voren meer
zijdelings samengedrukt; de randen van de mondspleet zijn niet
gezwollen, maar ingetrokken. De vleugels zijn kort, de drie eerste
slagpennen van gelijke lengte. De staart is zeer klein: kort, en
uit smalle veeren samengesteld. De veeren van den rug zijn bij het
mannetje grootendeels blauw of groen met metaalachtigen glans, bij
het wijfje altijd olijfgroen; de gele of bleekgroene kleur van hare
onderdeelen is gewoonlijk sprekender dan die van de bovenzijde. Een
hoogst opmerkelijke eigenaardigheid van deze Vogels komt bij hun
ontleding aan het licht. Zij hebben n.l. geen eigenlijke maag; aan
't einde van den slokdarm komt eenvoudig een spoelvormige, op een
krop gelijkende verwijding voor.

De Organisten leven volgens Burmeister eenzaam in het dichte woud,
voeden zich met kleine, veelzadige bessen, hebben een aangename, zeer
klankvolle stem "met echte octaafmodulaties", die zij dikwijls laten
hooren; zij nestelen in de dichte struiken en leggen zeer langwerpige
eieren, die op bleekroodachtige grond aan het stompe einde roodbruin
gestippeld zijn.



Het zal voldoende zijn een enkele soort van dit geslacht, n.l. de
in Brazilië en Guyana veelvuldig voorkomende Guttarama (Euphonia
violacea), te beschrijven. Zij is 10 cM. lang. Bij het mannetje zijn
de voorkop en de onderzijde dooiergeel; de bovenzijde, bij den voorkop
te beginnen, is violetachtig metaalglanzig blauw; de vleugeldekveeren
en de randen der slagpennen, die bij den wortel aan de binnenzijde wit
gezoomd zijn, vertoonen een metaalachtig groenen glans. De staartveeren
zijn van boven blauwachtig groen met metaalglans, van onderen zwart;
de binnenvlag van de beide buitenste paren stuurpennen is wit. Het
wijfje is dof olijfgroen van boven, geelachtig grijs van onderen;
de slagpennen en de staartveeren zijn grijsbruin.

Hoewel de Guttarama dikwijls in een kooi wordt gehouden, zijn de
berichten over haar levenswijze zeer onvolledig: zij is zeer lief,
levendig en beweeglijk van aard, huppelt behendig in de kronen der
boomen rond, vliegt snel en laat dikwijls haar korten, klankvollen
loktoon weerklinken. Haar voedsel bestaat uit velerlei vruchten;
tuinen, die sinaasappels, bananen en guayaven voortbrengen, worden
vaak door haar geplunderd. Van de overige Tangaren onderscheiden de
Organisten zich niet alleen door hun beweeglijkheid, maar ook door hun
aardig gezang, dat uit een reeks van kort afgebroken tonen bestaat,
die door spinnende en ratelende geluiden aaneen verbonden zijn;
het wordt tamelijk zacht, maar vlijtig voorgedragen en maakt een
aangenamen indruk.



Ter eere van onzen Vink draagt een vogelgroep, die ongeveer 600
soorten omvat en over alle werelddeelen (Australië alleen uitgezonderd)
verbreid is, den naam van familie der Vinken (Fringillidae). De snavel
van deze Muschvogel is kegelvormig, verschillend van dikte, aan den
wortel met een meer of minder duidelijk uitpuilenden rand voorzien;
de bovensnavel is een weinig langer dan de ondersnavel en steekt met
zijn fijne, benedenwaarts gebogen spits of "haak" vóór dezen uit;
bij enkele vormen zijn boven- en ondersnavel gekruist; de zijranden
zijn tot aan den mondhoek eenigszins binnenwaarts gebogen. De voet is
middelmatig lang en heeft meestal tamelijk korte teenen, die doorgaans
met zwakke nagels gewapend zijn; de loop is van achteren met een
onverdeelde hoornplaat bekleed. Het handgedeelte van den vleugel
bestaat steeds uit negen slagpennen; de vleugel zelf is verschillend
van lengte, de staart hoogstens middelmatig lang; het vederkleed is,
behoudens eenige weinige uitzonderingen, dicht en tegen het lichaam
aangedrukt. Tusschen mannetjes, wijfjes en jongen bestaat meestal
een aanmerkelijk kleurverschil, soms is het zeer gering.

Binnen de hierboven genoemde grenzen, bewonen de Vinken alle breedte-
en hoogtegordels, alle oorden, hoe uiteenloopend hun gesteldheid ook
zij, van de zeekust tot op de hoogste bergtoppen, eenzame eilanden
niet minder dan volkrijke steden, de woestijn zoowel als het woud,
kale rotsen zoowel als alle denkbare groepeeringen van planten. Vele in
't noorden levende soorten zijn trekvogels; die, welke in de zuidelijke
gewesten van den gematigden gordel en in de keerkringslanden broeden,
zijn zonder uitzondering standvogels. Er zijn echter onder de Vinken
ook Vogels, die gedurende den zomer in ijskoude streken nestelen en
hun voedsel vinden; vele verlaten hun geboortegrond niet, hoe streng
de winter er moge zijn. De trekkende soorten komen in hun vaderland
terug, als de sneeuw smelt en verlaten het eerst, als de winter er
zijn intocht houdt.

Alle Vinken behooren tot de meest begaafde Muschvogels, al wordt
ook van eenige door het volk het tegendeel beweerd. Zij loopen (of
liever huppelen) zeer behendig en vliegen goed. Het gezang van de
meeste is aangenaam, van enkele zelfs uitmuntend; hunne zintuigen
zijn goed ontwikkeld, hunne geestvermogens minstens even volkomen als
die van de meeste overige Muschvogels; hierdoor zijn zij in staat
om partij te trekken van de hulpmiddelen der meest verschillende
oorden. De meeste zijn gezellig, hoewel vele niet anders dan in den
herfst en in den winter vreedzaam bijeenleven, op de broedplaatsen
daarentegen voortdurend met elkander strijd voeren. Zaden van de
meest verschillende planten, in het midden van den zomer ook Insecten,
maken hun voedsel uit; de laatstgenoemde zijn het voornaamste voedsel
van de jongen; beide soorten van voedingsmiddelen zijn in den regel
in overvloed voorhanden; in tijden van gebrek worden de Vogels
door den gemeenschappelijken nood vereenigd. Bijna alle soorten
besteden veel zorg aan de samenstelling der nesten, voor welker
bouw zij verschillende plantaardige en dierlijke stoffen gebruiken;
deze nesten zijn dikwandig, in- en uitwendig sierlijk van vorm en
met zachte stoffen netjes gevoerd. De meeste broeden ieder jaar
tweemaal, enkele driemaal, op 5 tot 8 eieren; deze zijn op lichteren
grond met donkerder vlekken of streepjes voorzien. Door de talrijke
nakomelingschap, die zij grootbrengen, worden de groote verliezen, die
allerlei roofdieren hun toebrengen, vergoed. Ook de mensch behandelt
de Vinken soms als vijanden wegens de rooverijen, die zij op akkers,
in tuinen en in boomgaarden plegen. Over 't algemeen echter mag hij
hen wel lijden; trouwens, slechts bij uitzondering en gedurende een
korten tijd brengen zij schade te weeg. Daarentegen bewijzen zij hem
door het dooden van Insecten belangrijke diensten, waarbij nog komt,
dat zij door hunne werkzaamheden leven brengen in zijn omgeving en
door hun aangenaam gezang zijn gehoor streelen. Daar zij geen hooge
eischen stellen en gemakkelijk getemd kunnen worden, zijn zij beter
dan de meeste andere leden hunner orde voor kamervogels geschikt. Eén
soort, de algemeen bekende Kanarievogel, is zelfs geheel en al een
huisdier geworden. Over de geheele wereld verbreid, vervroolijkt hij
door zijn liefelijk gezang het eenzame blokhuis van den landverhuizer
zoowel als het dakkamertje van den werkman onzer steden.

Wij verdeelen deze familie in vier onderfamiliën; de eerste is die
der Echte Vinken (Fringillinae).



De Musschen (Passer) zijn krachtig gebouwde Vinken met korten romp,
middelmatig langen, dikken, eenigszins knotsvormigen snavel, stevige
pooten, stompe vleugels, van welker handpennen de tweede, derde en
vierde de spits vormen, korten of hoogstens middelmatig langen, aan
't einde bijna niet uitgeranden staart en een goed gevuld vederenkleed.



De bij ons meest bekende soort van dit geslacht is de Huismusch of Mus,
ook wel Straat-, Steen- of Potmus en (in 't Friesch) Mosk genoemd
(Passer domesticus). De veeren van den voorkop en van het midden
van de kruin zijn bruinachtig grijs met wegsmeltenden, roodbruinen
zoom aan den top; de nek en een breede streep, die zich van het oog
over de slapen en de zijden van den hals tot in den nek uitstrekt,
zijn kastanjebruin, de mantel en de schouder lichter, maar met breede,
zwarte, overlangsche strepen geteekend; een vlekje aan den achterrand
van het oog, de wangen, de oorstreek en het voorste gedeelte van de
zijden van den hals zijn wit; de teugel, de rand van het oog en de
mondhoekstreek alsmede een groote schildvormige vlek, die de kin,
de keel en de kropstreek bedekt, zijn zwart, de overige onderdeelen
wit, aan de zijden aschgrauwachtig, de slagpennen zwartbruin, aan
de buitenzijde met roestbruinen zoom, de bovenste dekveeren van den
vleugel kastanjebruin, die van de grootste reeks aan den wortel
zwart, aan het einde wit, waardoor op den vleugel een dwarsband
ontstaat, de staartveeren eindelijk donkerbruin. Het oog is bruin,
de snavel zwart, in den winter lichtgrijs met donkere spits, de poot
bruinachtig geel. Bij het wijfje zijn de bovendeelen roestkleurig
vaalbruin, op den mantel met zwarte overlangsche streepjes; een
streep, die van den rand van het oog over de slapen naar beneden
loopt, is roestgeelachtig wit; de wangen, de zijden van den hals en
de onderdeelen zijn grijsbruinachtig, de kin, de borst, het midden
van den buik en de aarsstreek lichter van kleur, meer vuilwit, de
onderdekveeren van den staart vaal roestbruinachtig. De snavel is
bruinachtig. De lengte bedraagt met 3.7 cM. langen staart 16 cM.

Ook de Huismusch is volgens W. Marshall een "volger der
beschaving". "De populairste van alle in Duitschland in 't wild levende
Vogels," schrijft deze geleerde, "is slechts sedert betrekkelijk korten
tijd een bewoner van ons vaderland. Het bestaan van de Huismusch is
bijna in dezelfde mate van den graanbouw afhankelijk als dat van den
Hamster: In Siberië verscheen zij voor 't eerst in de vorige eeuw,
nadat de Russen er de teelt van granen hadden ingevoerd; in Noorwegen
reikt haar verbreidingsgebied tot den 66en breedtegraad, waar ook
de grens van het verbouwen der veldvruchten gelegen is; in Archangel
komt zij nog niet voor; eerst in deze eeuw begon zij zich te vestigen
in eenige dorpen van het Thuringerwoud, in sommige is zij ook thans
nog niet inheemsch; evenzoo is het gesteld op de Hebriden; in 1864
had zij nog niet alle hooggelegen buurtschappen van het Schwarzwald
bereikt. Volkomen waar is het, wat M'Gillivray zegt: Een stadje zonder
Musschen maakt een even treurigen indruk als een huis zonder kinderen;
vele Musschen in een dorp zijn een bewijs van de welvaart der bewoners,
want overal waar weinig te bikken is, valt ook weinig te bedelen.

"Aan den overkant van de Alpen komen eenige rassen van de Huismusch
voor, die meer of minder van den stamvorm en van elkander verschillen;
hun onderscheiding berust evenwel slechts op het sterker op den
voorgrond treden van sommige eigenaardigheden van de kleursverdeeling
bij de mannetjes (de wijfjes vertoonen deze afwijkingen niet) en
gedeeltelijk op eenigszins gewijzigde gewoonten. De beide voornaamste
van deze rassen, n.l. de Spaansche Musch of Halsbandmusch en de
Italiaansche Musch, heeft men tot soorten verheven en de verbreiding
van deze beide geeft aanleiding tot merkwaardige beschouwingen.

"De Spaansche Musch bewoont van Syrië af de kustlanden ten
zuiden van de Middellandsche Zee, Egypte en geheel Noord-Afrika,
gaat van hier over naar Spanje, Sicilië en Sardinië, maar niet
op het vastland van Italië. Deze zonderlinge verbreiding kan
misschien op de volgende wijze verklaard worden: de graangewassen,
vooral de tarwe, zijn waarschijnlijk afkomstig uit het westen van
Middel-Azië, waar mogelijkerwijze ook de stamvorm van de Huismusch
ontstaan is. De graanbouw breidde zich tegelijk met den mensch
of iets later dan hij, westwaarts uit: vooreerst naar de oude
kultuurlanden van Noord-Afrika, van hier werd hij waarschijnlijk
door de Phenicische volken naar het Iberische schiereiland en naar
Sicilië en Sardinië overgebracht. Deze oudste verbreidingsweg van de
teelt der graangewassen werd waarschijnlijk in overouden tijd gevolgd
door de Musch, die, in nieuwe omstandigheden verkeerend en nagenoeg
buitengesloten van de vermenging met den stamvorm, de "Spaansche Musch"
werd. Veel later in het gevolg van de Grieksch-Italiaansche volken,
werd de teelt van de granen overgebracht naar het oostelijkste en het
middelste van de Zuid-Europeesche schiereilanden; met haar kwam de
"Italiaansche Huismusch", die ook Klein-Azië, Sicilië en Provence aan
haar verbreidingsgebied toevoegde en in de beide laatstgenoemde landen
de Spaansche Musch ontmoette. Ook zij heeft in den loop der tijden
kenmerken verkregen, waardoor zij van den stamvorm verschilt; deze
afwijking is echter op lange na niet zoo ver voortgeschreden als die,
welke zijn meer zuidwestwaarts wonende verwante in een veel langduriger
tijdperk onderging. Een derde verbreidingsweg naar het westen vond de
Musch veel later met de akkerbouwende volken, die zich vestigden in het
deel van Europa, dat ten noorden van de Alpen gelegen is; onze Musschen
kwamen het laatst in Europa en gelijken nog volkomen op den stamvorm;
deze bewoont dus het ontzaglijk groote gebied, dat van Noord-Indië
af zich uitstrekt over geheel Azië en Europa aan deze zijde van de
Alpen, zoover het graan verbouwd wordt. Hierbij zijn buiten rekening
gelaten Zuid-Indië en Ceylon, waar de Huismusch waarschijnlijk, Java,
Nieuw-Zeeland en Noord-Amerika, waar zij stellig door onmiddellijke
tusschenkomst van den mensch werd ingevoerd."

Een eigenaardigheid van de Musch is, dat zij overal, waar zij
voorkomt, in innige gemeenschap leeft met den mensch. Zij bewoont
de drukke hoofdstad zoowel als het eenzame dorp, voor zoover het
door koornakkers omgeven is, ontbreekt slechts in enkele dorpen van
het woud, volgt den steeds verder doordringenden kolonist door alle
landen van Azië, waar zij vroeger niet voorkwam, vestigt zich, door
schepen overgebracht, op eilanden, waar zij voorheen onbekend was,
en blijft op de puinhoopen van verwoeste dorpen en steden achter
als een levende getuige van gelukkiger dagen. Standvogel in den
volsten zin van het woord, verwijdert zij zich nagenoeg niet van het
rechtsgebied der stad of van de grens der landerijen van het dorp,
waar zij geboren werd, neemt echter onmiddellijk een pas gesticht
dorp of een nieuw huis in bezit en onderneemt soms ontdekkingsreizen
naar gewesten, die buiten haar verbreidingskring gelegen zijn. Zoo
ziet men aan het Varangerfjord bijna ieder jaar paren Musschen
verschijnen, die het gewest doorkruisen, alle woningen bezoeken,
maar spoorloos weer verdwijnen, omdat zij het land niet voor haar
geschikt achtten. Wegens haar zeer gezelligen aard, leven zij
alleen gedurende den broedtijd bij paren, en hebben ook dan alle
betrekkingen met hare stamgenooten niet afgebroken. Dikwijls broedt
het eene paar dicht bij het andere; de mannetjes, hoe ijverzuchtig zij
overigens ook zijn, zoeken, zelfs wanneer het wijfje op de eieren
zit te broeden, altijd het gezelschap van soortgenooten op. De
jongen vereenigen zich onmiddellijk nadat zij uitgevlogen zijn,
tot troepen, die weldra tot zwermen aangroeien. Zoodra de ouden van
't broeden af zijn, voegen ook zij zich bij deze vluchten en deelen
met de overige leden van het gezelschap vreugde en leed. Zoo lang er
graan op de akkers te vinden is, of zelfs zoolang het buiten groen
is, vliegen de zwermen alle dagen of vaker nog van het dorp naar
de velden om voedsel te zoeken; na ieder uitstapje keeren zij naar
het dorp terug. Hier houden zij middagrust in de dichte kronen der
boomen of liever nog in de omheiningen; hier verzamelen zij zich
's avonds onder groot geschreeuw, gestoei en getwist, aanvankelijk
op dicht bebladerde boomen, later in schuren, bergplaatsen en andere
gebouwen, welke plaatsen haar huisvesting gedurende den nacht moeten
verschaffen. In den winter maken zij echte bedden voor zich gereed,
zacht en warm gevoerde nesten namelijk, waarin zij kruipen om zich
tegen de koude te beveiligen. Met hetzelfde doel kiezen andere Musschen
schoorsteenen tot nachtkwartier, zonder zich er over te bekommeren,
dat de rook hare veeren met roet bevuilt en zwart maakt.

Hoe plomp de Musch bij den eersten aanblik ook moge schijnen,
toch is zij zeer begaafd. Haar wijze van huppelen is log, maar toch
tamelijk vlug; zij vliegt met inspanning, waarbij hare vleugelslagen
een gonzend geluid maken, in den regel volgens een zwak gekromde
booglijn, over een grooten afstand bijna rechtuit; voordat zij zich
nederzet, blijft zij een oogenblik zweven; hoewel zij veel houdt van
hooggelegen zitplaatsen, stijgt zij niet graag ver omhoog; ondanks
haar schijnbare onbeholpenheid weet zij zich uitmuntend te redden. Daar
hare geestvermogens goed ontwikkeld zijn, heeft zij zich langzamerhand
een bekendheid met den mensch en zijne gewoonten eigen gemaakt, die
verbazing wekt en iederen scherpzinnigen waarnemer veel genoegen kan
verschaffen. Overal en in alle omstandigheden regelt zij haar doen
en laten zoo nauwkeurig mogelijk naar den aard van den persoon, bij
wien zij haar kost wint. Zij gedraagt zich daarom in de stad geheel
anders dan in het dorp, is gemeenzaam en zelfs indringerig daar, waar
zij ontzien wordt, maar buitengewoon voorzichtig en schuw en evenals
altijd listig overal, waar zij vervolging te verduren heeft. Haar
scherpen blik ontgaat niets, wat haar voordeel, niets, wat haar nadeel
zou kunnen brengen; van jaar tot jaar wordt de schat harer ervaringen
rijker, zoodat er tusschen ouden en jongen een soortgelijk verschil
valt op te merken als tusschen wijzen en dwazen. Evenals zij tot
den mensch in een min of meer vriendschappelijke betrekking treedt,
zoo ook tot andere wezens; zij vertrouwt of wantrouwt den Hond,
dringt zich op aan het Paard, waarschuwt hare soortgenooten en andere
Vogels tegen de Kat, steelt den Hoenderen het voer voor den snavel
weg, zonder zich te bekommeren over de haar bedreigende beten, eet,
wanneer het haar toegestaan wordt, met de meest verschillende dieren
uit één schotel. Ondanks haar gezelligen aard ligt zij toch voortdurend
overhoop met andere Musschen, die hetzelfde verlangen koesteren. In
één opzicht echter kan deze overigens zoo aantrekkelijke Vogel ons
niet behagen. Hij is een onuitstaanbare babbelaar en een erbarmelijk
zanger. Zijne loktonen--"sjiel sjelm piep"--hoort men tot vervelens
toe; wanneer de Musschen zich tot een talrijk gezelschap vereenigd
hebben, wordt haar gemeenschappelijk geroep van "tell tell sielb dell
dieb sjielk" volkomen onverdragelijk. Hoewel het mannetje ook nog een
zacht "duurr" en "die" laat hooren, om de teedere gevoelens, die hem
bezielen, aan zijn wijfje kenbaar te maken, kan zijn gezang, waarvan
deze geluiden, nevens de vroeger genoemde, het hoofdbestanddeel vormen,
onze goedkeuring niet verwerven; het hevig ratelende waarschuwend sein
("terr") en de angstkreet bij plotseling opkomend gevaar ("tell derer
tell tell tell") doen het oor zelfs pijnlijk aan. Toch schreeuwt,
kijft en zingt de Musch zoo ijverig, alsof zij met de stem van een
Nachtegaal begaafd is; reeds in het nest tsjilpen de jongen.

Daar de Musch door haar betrekking tot den mensch haar oorspronkelijk
lot belangrijk verbeterd en zich een bestaan verzekerd heeft, begint
zij reeds vroeg in 't jaar met den bouw van haar nest en broedt
in den loop van den zomer minstens drie-, zoo niet viermaal. Het
nest wordt meestal in hiervoor geschikte holen van gebouwen, maar,
in verband met de gesteldheid van de woonplaats, ook in gaten van
boomen, in zwaluwennesten, in den onderbouw van ooievaarsnesten en
eindelijk meer of minder in de twijgen van lage struiken of hooge
boomen aangelegd. De samenstelling van het nest verschilt in verband
met zijn standplaats; altijd echter is het slordig gebouwd, zoodat
men het gerust kan omschrijven als een onordelijk bijeengebrachte hoop
stroo, hooi, werk, borstels, wol, haren, papiersnippers en dergelijke
materialen; van binnen evenwel is het altijd met een dikke en dichte
laag veeren gevoerd. Als het vrij staat in een boom, is het van boven
bedekt, als het in een holte aangelegd wordt, nu eens gesloten, dan
weer met een dak voorzien. Wanneer het weder eenigszins gunstig is,
vindt men reeds in Maart de eieren voltallig. Elk broedsel bestaat
uit 5 of 6, bij uitzondering ook wel uit 7 of 8 teere, gladschalige,
in kleur en teekening zeer van elkander afwijkende eieren. Meestal
zijn zij op bruinachtig blauwen of roodachtig witten grond bruin
en aschgrauw gevlekt, gesprenkeld en gestippeld. De beide ouders
broeden om beurten. Na 13 of 14 dagen komen de jongen uit; deze
worden eerst met weeke Insecten gevoederd; later worden hierbij ook
nog zaden gevoegd, die vooraf in den krop geweekt zijn; ten slotte
krijgen de jongen hoofdzakelijk zaden of ook wel vruchten. De ouders
begeleiden hun kroost nog eenige dagen na het uitvliegen, om ze voor
het leven voor te bereiden, verlaten hen vervolgens en maken reeds,
als het nest nog maar 8 dagen leeg heeft gestaan, toebereidselen voor
een tweede broedsel.

Over het nut en de schade van de Musch zijn de meeningen verdeeld;
in den laatsten tijd komt men echter meer en meer tot de overtuiging,
dat zij een tafelschuimer is, die op kosten van den mensch leeft
en diens bescherming niet verdient. In de straten van de steden en
dorpen doet zij ons geen kwaad, omdat zij zich hier vooral met afval
voedt; op groote landgoederen, in graanpakhuizen, op korenakkers
en in tuinen daarentegen kan zij een belangrijke schade aanrichten
door het opeten van het graan, dat als voer aan het pluimvee wordt
gegeven, door het rooven en bevuilen van het in de schuur gebrachte
koorn, in de tuinen eindelijk door het afbijten van de knoppen der
ooftboomen en later ook door het verslinden van de vruchten. In de
tuinen en wijnbergen mag zij daarom niet geduld worden. De grootste
schade, die zij veroorzaakt, bestaat trouwens hierin, dat zij de
allernuttigste Vogels, vooral de Spreeuwen en de Meezen, verdringt en
de Zangers min of meer afkeerig maakt van het verblijf in de tuinen,
waar zij heerscht. In Noord-Amerika, waar men haar in 1864 invoerde
en met vreugde begroette, waar men in de parken nesthuisjes voor
haar plaatste en haar op allerlei wijzen beschermde en verzorgde, is
men al sinds lang teruggekomen van de vroegere ingenomenheid met de
Musch. De boeren hebben geleerd haar als een landplaag te beschouwen,
vooral omdat de gunstige omstandigheden, waarin zij geplaatst werd,
aanleiding gaven tot een buitengewoon sterke vermenigvuldiging. Reeds
25 jaren na haar invoering werd zij van overheidswege op de lijst
der aangeklaagden geplaatst; duizenden van getuigen gaven uitsluitend
ongunstige berichten over haar en brandmerkten haar als een voor het
algemeen welzijn nadeelige vagebond.

Voor het leven in de kooi is de Musch niet geschikt, ofschoon zij zeer
tam kan worden. De dienstbode van een mijner vrienden in Karinthië
toonde mij vol trots haar pleegkind en lieveling, een Musch, die niet
alleen vrij uit en in mocht vliegen, maar ook de vrijheid had onder
haar halsdoek te rusten en te slapen. Ook E. von Liszt bericht ons
over een Musch, die als volkomen tamme huisgenoot 8 1/2 jaar lang bij
zijn familie leefde. Onze zegsman had het jonge vogeltje te Weenen
aan een troep straatjongens ontnomen en het met zorg verpleegd;
spoedig was het aan hem en zijne huisgenooten gewend geraakt. Deze
Musch, een wijfje, dacht er niet aan om weg te vliegen en verkeerde
bij voorkeur in de nabijheid van menschen. Waar zij zich ook bevond,
steeds antwoordde zij met een luid "rrr", als men haar riep. Zij was
zoo gehecht aan hare verzorgers, dat zij telkens, als deze gedurende
geruimen tijd afwezig waren, treurig werd en begon te kwijnen.

Naar J. Rohweder bericht, is het den onderwijzer Muckenheim te Segeberg
zelfs gelukt een wijfjesmusch in volle vrijheid volkomen te temmen. Zij
kwam, zoodra hij "pieper!" riep, uit de omgeving van het schoolgebouw
aanvliegen, ging naast haar verzorger op de bank zitten en ook wel op
zijn schoot of hand. Even gemeenzaam was zij met de leden van zijn
gezin; zij bewoog zich vrij in het huis; eens zelfs bracht zij hare
pas uitgevlogen jongen mede en voederde een van deze onbeschroomd op
de hand van Mückenheim's dochter.



Sommigen beschouwen de reeds genoemde Spaansche Musch, de Halsbandmusch
(Passer hispaniolensis), als een standvastige verscheidenheid van
onze Huismusch; zij onderscheidt zich echter van deze niet alleen
door haar kleur, maar ook door haar levenswijze zoo aanmerkelijk,
dat haar ongetwijfeld den rang van soort moet worden toegekend. Haar
lengte komt met die van de Huismusch overeen. De bovenzijde van den
kop is kastanjekleurig roodbruin, de mantel en de schouders zijn
zwart, de staartwortelveeren zwart, de oorstreek en de zijden van den
bovenhals wit. De veeren van de kin, de keel en den krop tot aan de
zijden van den onderhals zijn zwart en aan de spits versierd met een
smallen grijsachtigen zoom, "waardoor zij gezamelijk gelijken op een
losgeraakten halsband van zwarte paarlen". De overige onderdeelen en
de onderdekveeren van den vleugel zijn geelachtig vaalwit, aan de
zijden geteekend met breede, zwarte schaftstreepen. De slagpennen
hebben een donkerbruine, de bovenste dekveeren van den vleugel een
sprekend roodbruine kleur; de groote vleugeldekveeren zijn aan den
wortel zwart, overigens wit, waardoor een zeer in 't oog vallende
dwarsstrook ontstaat; de staartveeren zijn donkerbruin, aan de
buitenzijde vaal gezoomd. Het oog is vaalbruin, de snavel zwartachtig,
in den winter vuilwit de poot bruinachtig. Het wijfje gelijkt op dat
van de Huismusch.

De Halsbandmusch is geen "huismusch" maar een echte "veldmusch",
die bij voorkeur in Spanje en Noord-Afrika uitsluitend, waterrijke
gewesten bewoont, en slechts toevallig in de nabijheid van menschelijke
woningen voorkomt. Hoewel zij deze niet vermijdt, zoekt zij ze echter
niet op, zooals de Huismusch altijd pleegt te doen. Juist in Spanje
en Egypte, waar de laatstgenoemde Vogel even veelvuldig voorkomt als
bij ons, is men in de gelegenheid de geheel verschillende gewoonten
van beide soorten te leeren kennen. De Huismusch is ook daar een
trouwe metgezel van den mensch, met wiens bedrijf de Halsbandmusch
zich niet bemoeit. Rivierdalen, kanalen en de moerassige akkers, die
voor de rijstteelt dienen, behagen haar het meest; hier komt zij in
buitengewoon talrijke zwermen voor.

"Op de Kanarische eilanden," zegt Bolle, "verbergt bijna iedere palm
in de tusschenruimten harer onderste bladstelen eenige nestjes van
Musschen, die reeds op een afstand haar aanwezigheid verraden door
haar geraasmakend geschreeuw. Alle palmengroepen dienen tot woonplaats
aan een ongeloofelijk aantal van deze Vogels. Daar het bestijgen
van de hooge, als masten zich verheffende stammen den mensch moeite
kost en tamelijk veel geduld en behendigheid vereischt, kunnen de
Musschen hare jongen meestal ongestoord grootbrengen: vandaar haar
snelle vermenigvuldiging. De nestelende paren zien zonder vrees
den Torenvalk dicht bij hen op een der bladstelen der palmbladen
neerstrijken; hun gesjirp en gekweel vermengen zich met het schrille
ratelen van den wind, die de leerachtig stijve bladen tegen elkander
slaat. Hier en daar, op plaatsen, die aan vochtige luchtstroomen
blootgesteld zijn, niet zelden b.v. in de Vega van Canaria, plant
de natuur om de broedplaatsen van de Halsbandmusch een hangenden
tuin, bekoorlijker en eigenaardiger dan die van Semiramis. Door den
wind worden n.l. de tusschenruimte der bladstelen op enkele plaatsen
langzamerhand gevuld met stof en aarde, de regen sijpelt hier doorheen
en weldra groeien en bloeien in dezen bodem op duizelingwekkende hoogte
rozeroode cineraria's, varens met fijn verdeelde bladen en goudbruinen
wortelstok, boomachtige sempervivum's en andere dergelijke planten."

Op de Kanarische eilanden en in Egypte begint de broedtijd van de
Halsbandmusch in Februari, op zijn laatst in het begin van Maart. Alle
kronen van palmen in de Delta waren in de genoemde maanden met vele
dozijnen dicht bijeengeplaatste nesten bedekt; bovendien waren alle
holten in de stammen dezer boomen met nestelende Halsbandmusschen
bevolkt. Het nest verschilt niet van dat van onze Huismusch; het is
even slordig en onregelmatig gebouwd. De eieren komen zoozeer met die
van onze Ringmusch overeen, dat de exemplaren, welke ik medebracht,
er door de bekwaamste deskundigen voor aangezien werden.

De Halsbandmusch is nergens bemind; niet zonder reden wordt over
haar een ongunstig oordeel geveld. In de rijstvelden van Egypte,
waar zij verbazend talrijk is, richt zij een aanzienlijke schade aan.



In Middel- en Noord-Europa, in geheel Middel-Azië en in Noord-Afrika
leeft nevens de Huismusch een ander lid van 't zelfde geslacht, de
Ringmusch, Boom-, Veld- of Bergmusch, in Overijsel Ringeltute genoemd
(Passer montanus). Totale lengte 14, staartlengte 5.5 cM. De bovenkop
en de nek zijn roodbruin, de wangen en de zijden van den bovenhals
wit, de onderdeelen bruinachtig wit, de achterhals, de mantel en
de schouders op roestrooden grond met breede, zwarte, overlangsche
strepen geteekend, de zwarte keelvlek is klein. Het oog is donkerbruin,
de snavel zwart, de poot roodachtig hoornkleurig.

De Ringmusch is in Middel-Europa overal veelvuldig, in Zuidwest-Europa
zeer zeldzaam, in geheel Middel-Azië zeer algemeen; zij komt zelfs
nog op Malakka en Java voor, dringt tot binnen den poolcirkel door en
vervangt aan den benedenloop van den Ob, in China, in Japan, op Formosa
en in Indië de Huismusch. In tegenstelling met deze, geeft zij bij ons
(en ook in West-Siberië) aan het vrije veld en aan de bosschen met
breedbladige boomen de voorkeur boven de nabijheid van menschelijke
woningen. Deze bezoekt zij echter in den winter; in den zomer houdt
zij zich op in oorden, waar weiden met bouwlanden afwisselen en oude,
holle boomen haar geschikte nestelplaatsen verschaffen. Hier leeft zij
gedurende den broedtijd paarsgewijs, overigens echter tot gezelschappen
vereenigd. Deze zwerven binnen een beperkten kring rond, vermengen
zich met Geelgorsen, Leeuweriken, Vinken, Vlasvinken, en andere Vogels,
bezoeken de akkers, of, als de winter streng wordt, de boerenhofsteden,
om zich weer in paren te verdeelen, zoodra de lente begint.

In aard en gewoonten gelijkt de Ringmusch zeer op de Huismusch; zij is
echter niet zoo schrander als deze, daar haar de innige omgang met den
mensch en hierdoor de gelegenheid tot ontwikkeling harer geestvermogens
ontbreekt. Van den herfst tot aan de lente vormen granen en andere
zaden, in den zomer rupsen, bladluizen en ander ongedierte het voedsel
van de Ringmusch. Op tarwe en gierstakkers richt zij soms schade
aan; daarentegen laat zij de vruchten en de kiemende tuingewassen
onaangeroerd. Hare jongen voedert zij met Insecten en met nog weeke
graankorrels. Juist door het eten van onrijpe en rijpe granen zijn
deze Vogels schadelijk, daar zij, tot aanzienlijke vluchten vereenigd,
in de graanvelden vallen en niet anders dan door het voortdurend
afschieten van geweren daaruit verwijderd kunnen worden gehouden. Het
nest vindt men in holle boomen, soms ook in heggen of struiken. Het
is kleiner dan dat van de Huismusch. Ook de eieren zijn kleiner en
bovendien veel sterker gemarmerd en gevlekt. Op vinkebanen wordt deze
Musch dikwijls in menigte gevangen; bovendien verschalkt men haar
zonder moeite met lijmroeden, strikken en knippen, door slagnetten en
allerlei andere vallen. Hare vijanden zijn trouwens dezelfde als die,
welke de Huismusch vervolgen.



De Rotsmusch (Passer petronius) gelijkt op het wijfje van onze
Huismusch. Haar rug is grijsbruin, met zwartbruine en grijswitte,
overlangsche vlekken geteekend; de rug en de bovendekveeren van
den staart zijn grijs; de onderzijde is grijswit, de keel echter
fraai zwavelgeel, de kruin grijs, aan de zijden en op den voorkop
met olijfbruine streepjes; boven het oog komt een lichtere streep
voor; de staartveeren hebben op de binnenvlag aan den top een witte
vlek. Totale lengte 16, staartlengte 5.6 cM.

Het verbreidingsgebied van de Rotsmusch omvat Middel- en Zuid-Europa,
met inbegrip van Madera, Noordwest-Afrika en de Kanarische eilanden,
Zuidwest- en West-Azië, Oost-Siberië en Afghanistan. In ons land
verdwaalt zij slechts toevallig: éénmaal is zij in Noordbrabant
en éénmaal te Harderwijk gevangen. In Duitschland vindt men
haar in kleinen getale in rotsachtige streken of als bewoner van
oude, vervallen gebouwen, vooral ridderburgen. In 't Zuiden van
Zuid-Frankrijk te beginnen, treedt zij geregelder op; in Spanje,
Algerië, op de Kanarische eilanden, in het zuiden van Italië,
Griekenland, Dalmatië, Montenegro, Palestina en Klein-Azië, behoort
zij tot de algemeen voorkomende inheemsche Vogels; zij bewoont hier
alle voor haar geschikte plaatsen, dorpen en steden zoowel als de
eenzaamste rotsdalen en vormt zelfs koloniën op gelijke wijze als
hare verwanten. In Spanje kon ik er zeker van zijn haar aan iederen
steilen wand van het Middelgebergte, maar ook in ieder oud kasteel
te zullen aantreffen. Op Canaria zijn de torens en de zeer hooge
gebouwen in de steden hare meest geliefde woonplaatsen. Zij vermijdt
de menschen dus in 't geheel niet, maar is in alle omstandigheden op
vrijheid van beweging gesteld. In de straten der steden en dorpen
daalt zij hoogst zelden af, daarentegen vliegt zij geregeld naar
de akkers om hier voedsel te zoeken. Steeds toont zij zich schuw en
voorzichtig. Ook daar, waar zij weinig met menschen in aanraking komt,
wil zij niets met hen te maken hebben.

Door hare bewegingen verschilt de Rotsmusch aanmerkelijk van hare
verwanten. Zij vliegt snel met gonzende vleugelslagen, zweeft,
voordat zij zich neerzet, met sterk uitgebreide vleugels en herinnert
veel meer aan den Kruisbek dan aan de Musch. Op den bodem huppelt
zij tamelijk behendig rond; zittend, neemt zij een drieste houding
aan en wipt dikwijls met den staart. Haar loktoon is een smakkend,
drielettergrepig geluid ("gie-uu-ieb"), waarbij de klemtoon op de
laatste syllaben wordt gelegd; haar waarschuwend geschreeuw klikt als
"errr", gelijkt op dat van de Huismusch, maar is er toch duidelijk van
te onderscheiden; haar gezang is een eenvoudig, dikwijls afgebroken
gekweel en gegons, dat aan het lied van den Goudvink herinnert,
maar niet bijzonder aangenaam klinkt.

Hoogst waarschijnlijk valt van het voedsel hetzelfde op te merken,
als wat reeds van de overige Musschen is medegedeeld. Gedurende den
zomer eten de Rotsmusschen bij voorkeur Insecten, in den winter zaden,
bessen en dergelijke stoffen. Op de straatwegen wroeten zij op de
wijze van de Ring- en Huismusschen in den mest om zaden te zoeken.

Alleen in gewesten, waar de Vogels van deze soort veelvuldig zijn,
kan men ze zonder groote moeite bemachtigen. In Spanje worden zij
in menigte op de markt gebracht. Men vangt ze daar met behulp
van lokvogels onder netten of op de met lijmroedjes overdekte
"musschenboomen".

Het is niet moeielijk de Rotsmusch in een kooi in 't leven te
houden. Zij kan haar verzorger veel genoegen verschaffen, wordt
spoedig gemeenzaam met hem, kan met andere Vogels zeer goed overweg,
onderscheidt zich door de lieftalligheid van hare handelingen en plant
zich, als zij behoorlijk verzorgd wordt, soms in gevangenschap voort.



Een Musch en niet een Wevervogel, waarvoor hij dikwijls aangezien
wordt, is de Republikein (Passer socius). De veeren van den bovenkop
zijn bruin, die van de overige bovendeelen, van den nek en de zijden
van den hals donkerder; de teugel, een aan den mondhoek grenzende
streek, de kin en de keel zijn zwart, de zijden van den krop en
de overige onderdeelen bleek vaalbruinachtig, de slagpennen en
stuurpennen, de dekveeren van den vleugel, de staartwortelveeren
en de bovendekveeren van den staart donkerbruin. Het oog heeft een
donkerbruine kleur, de snavel en de pooten zijn lichtbruin. Totale
lengte 13, staartlengte 5 cM.

Het binnenland van Zuid-Afrika is het vaderland, Groot-Namaqua-land
het brandpunt van het verbreidingsgebied van den Republikein. Het
opmerkelijkste aan dezen Vogel is zijn wijze van nestelen. Elk
gezelschap bouwt de nesten onder een gemeenschappelijk dak. Zoodra
deze Musschen een geschikte plaats gevonden hebben in de kroon van een
grooten, hoogen boom of desnoods tusschen de bladen van de reusachtige
boom-aloë, beginnen zij van hard gras, een groot, gewelfd en waterdicht
dak te bouwen, dat, naar gelang van het aantal paren, 12 voet of meer
middellijn heeft. Ieder paartje bouwt en overdekt zijn eigen nest,
maar het eene bouwt dicht bij het andere en als alle gereed zijn,
ziet het geheel er uit als één enkel nest van reusachtigen omvang
met een dak er overheen en met tallooze cirkelronde gaten aan de
onderzijde. Ieder afzonderlijk nest heeft n.l. een naar onderen
gekeerde opening tot ingang en is van fijner gras vervaardigd dan het
dak. Het wordt slechts éénmaal gebruikt: in elken volgenden broedtijd
worden nieuwe nesten tegen de oude aangebouwd, totdat het dak door
het breken van de takken, waarop het rust, of door de werking van
weer en wind vermolmd, ineenstort en naar omlaag valt. Het broedsel
bestaat uit 3 of 4 blauwachtig witte, aan het dikste einde fijn bruin
gestippelde eieren.



De Appelvink of Dikbek, in Gelderland Kersebieter of Kernbieter,
in Noord-Brabant Kierzeknieper geheeten (Coccothraustes vulgaris),
vormt met zijne verwanten een zeer karakteristiek, naar hem benoemd
geslacht. De Dikbekken onderscheiden zich door een zeer krachtigen,
gedrongen lichaamsbouw; zij hebben een buitengewoon grooten, dikken,
volkomen tolvormigen snavel, welks scherpe zijranden eenigszins
gebogen en een weinig binnenwaarts gedrukt zijn; de bovensnavel is
vóór de spits onduidelijk ingekorven; hunne pooten zijn kort, maar
krachtig en met scherppuntige klauwen gewapend; van de betrekkelijk
breede vleugels wordt de spits gevormd door de derde handpen, terwijl
de binnenste handpennen kort voor de stompe spits op de buitenvlag
haakvormig naar buiten gekromd zijn en op de binnenvlag een inham
hebben; de staart is zeer kort en in 't midden duidelijk uitgerand,
het vederenkleed is dicht en zacht. Totale lengte 18, staartlengte
6 cM. De voorkop en het voorste deel van de kruin zijn bruingeel, de
bovenkop en de zijden van den kop geelbruin, een smalle streep op den
voorkop, de teugel en de keel zwart, de nek en de achterhals aschgrauw;
de bovenrug is chocoladekleurig, de onderrug licht kastanjebruin;
de krop en de borst zijn vuil grijsrood; de buik is grijswit; de
aarsstreek en de onderdekveeren van den staart zijn zuiver wit. De
slagpennen zijn metaalglanzig blauw met uitzondering van de beide
laatste, die een bruinzwarte kleur hebben; op de binnenvlag komt bij
den wortel een wit veld voor; deze velden vormen bij het vliegen op
den vleugel een witte dwarsstreep. De middelste staartveeren zijn
aan den wortel zwart, hun eindhelft heeft een geelbruine buitenvlag,
terwijl de spits wit is; de overige zijn aan den wortel zwart,
de beide buitenste met zwarte buitenvlag, alle aan het einde met
witten zoom. Het oog is grijsrood, de snavel in de lente blauw,
in den herfst vuilgeel, de poot vleeschkleurig.

De gematigde landen van Europa en Azië moet men als het vaderland van
den Appelvink beschouwen. De noordgrens van zijn gebied loopt door
Zweden en door de zuidelijke en westelijke provinciën van Rusland. In
Nederland is hij in de meeste streken een zeldzame verschijning,
die slechts zeer enkel in het gure jaargetijde hier en daar wordt
waargenomen. In Gelderland broedt hij, "en waarschijnlijk, ofschoon
slechts bij uitzondering, ook wel in andere provinciën, misschien zelfs
in de met bosch begroeide duinstreken van Noordholland" (Schlegel). In
Duitschland ziet men hem dikwijls ook 's winters, waarschijnlijk
echter alleen als gast, die uit het noorden van Europa gekomen is,
terwijl de daar broedende exemplaren van deze soort geregeld naar
't zuiden trekken. In Zuid-Europa komt hij alleen op den trek. Zoo
zwerft hij door Spanje en steekt naar Noordwest-Afrika over. In Siberië
wordt hij van het bronnengebied van den Amoer tot aan de Europeesche
grens als zomervogel aangetroffen. In Duitschland is hij op de eene
plaats veelvuldig, op de andere zeldzamer, overal echter bekend,
wijl hij zich op zijne zwerftochten overal vertoont en door iedereen
opgemerkt wordt. Hij kiest als zomerverblijf heuvelachtige landstreken
met bosschen van hooge, breedgebladerde boomen, waarop hij den nacht
doorbrengt en ook zich den geheelen dag ophoudt, voor zoover hij niet
een naburigen kersenboomgaard plundert of op den grond werkzaam is. Na
den broedtijd zwerft hij met zijne jongen rond en komt dan ook in de
ooft- en groentetuinen. Tegen het einde van October of in het begin
van November vangt zijn reis naar 't zuiden aan, in Maart keert hij
weder terug.

De Appelvink is, zooals lichaamsbouw doet vermoeden, een eenigszins
plompe en trage Vogel; hij vliegt op een onbeholpen wijze en met veel
gedruisch, hoewel niet langzaam. Zijne geestvermogens logenstraffen
zijn uiterlijk. Hij is zeer voorzichtig en listig, leert zijne
vijanden spoedig kennen en neemt met sluwheid maatregelen voor zijn
veiligheid. "Hij vliegt met tegenzin op," zegt Brehm, de vader,
"wanneer men hem nadert, maar is ook gedurende het eten zoo op zijn
hoede, dat hij ieder gevaar onmiddellijk bemerkt en het tracht te
ontgaan door zich te verbergen in het dichte gebladerte, of door te
vluchten, indien dit niet aanwezig is. Hij weet zeer goed, of hij zich
genoeg verborgen heeft, want dan blijft hij zeer lang rustig zitten,
hetgeen slechts zelden het geval is, wanneer hij zich op een vrije
plaats bevindt. Als de boomen bebladerd zijn, kan men hem lang pitten
hooren kraken, voordat men hem met de oogen ontdekt. Hij verbergt
zich zoo goed, dat ik hem dikwijls op geen andere wijze te zien
kon krijgen, dan door hem met steenworpen naar een anderen boom te
jagen. Als hij opgejaagd wordt, gaat hij bijna altijd op een boomtop
zitten om ieder hem dreigend gevaar van verre te kunnen opmerken. Zijn
list gaat gepaard met groote driestheid."

Het liefst eet de Appelvink de door een harden bolster omgeven zaden
van verschillende soorten van boomen. "Aan kersepitten en nootjes
van beuken en haagbeuken geeft hij de voorkeur boven ieder ander
voedsel. Hij bijt den steel van de kers door en kraakt den steen
na er het vleesch, dat hij wegwerpt, afgeschild te hebben, laat het
harde hulsel vallen en slikt de pit door. Dit alles duurt een halve,
hoogstens een geheele minuut en geschiedt met zooveel kracht, dat men
het kraken op een afstand van 30 schreden kan hooren. Met de nootjes
van den Haagbeuk gaat hij op soortgelijke wijze te werk. De van haar
schaal bevrijde kernen gaan door den slokdarm onmiddellijk naar de
maag; eerst als deze er mede gevuld is, worden de volgende in de
krop geborgen. Als de boomen alle zaden, die hem tot voedsel dienen
verloren hebben, gaat hij ze op den grond opzoeken; daarom ziet men
hem in het laatste deel van den herfst en in den winter dikwijls op
den bodem rondhuppelen. Bovendien eet hij ook graag zaden van kruiden;
daarom komt hij 's zomers dikwijls in de groentetuinen, en richt hier
onder de zaden groote schade aan. Het is bijna niet te gelooven, welk
een hoeveelheid kool van allerlei soort een enkele dergelijke Vogel
vernielen kan." In den winter zoekt hij de lijsterbessen op, ook van
deze worden alleen de pitten verslonden. Bovendien eet hij boomknoppen
en in den zomer zeer dikwijls Insecten, vooral Kevers en hunne larven.

Al naar het weer gunstig is of niet, broedt de Appelvink tweemaal of
slechts eens in 't jaar, in Mei en in het begin van Juli. Ieder paar
neemt een uitgestrekt gebied in beslag en duldt hierin geen andere
dieren van hun soort. "Het mannetje houdt daarom steeds in den top
van een hoogen boom de wacht en verwisselt dezen dikwijls tegen een
anderen; intusschen schreeuwt en zingt hij en legt een buitengewone
onrust aan den dag."

Snorrende en scherpe geluiden, die zeer veel gelijken op den als "tsie"
of "tsiek" klinkenden loktoon, zijn de bestanddeelen van het gezang,
dat door het mannetje uren achtereen onder allerlei wendingen en
bewegingen van het lichaam voorgedragen wordt. Het niet bijzonder
dikwandige nest, dat toch werkelijk goed gebouwd is en aan zijn
buitengewone breedte gemakkelijk herkend kan worden, is hoog of laag
geplaatst, rust op zwakke of althans dunne twijgen, maar is gewoonlijk
goed verborgen. De eerste grondslag van dit gebouw bestaat uit droge
rijsjes, stevige grashalmen, worteltjes en dergelijke materialen,
de tweede laag uit grovere of fijnere bladmossen en korstmossen,
de binnenbekleeding uit wortelvezels, varkensborstels, paardeharen,
schapenwol en dergelijke stoffen. De 3 à 5 eieren zijn tamelijk
dik en op een vuil- (of groenachtig en geelachtig) aschgrauwen
grond met scherp begrensde en uitvloeiende, bruine, zwartbruine,
donker aschgrauwe, lichtbruine en olijfkleurig bruine vlekken,
strepen en adertjes geteekend, die rondom het stompe einde het dichtst
bijeenstaan. Het wijfje broedt alleen; in de middaguren wordt het door
het mannetje afgelost. De jongen worden door beide ouders gevoederd,
met zeer veel liefde verzorgd en nog lang na het uitvliegen bijgestaan
en met voedsel voorzien; want het duurt eenige weken, voordat zij in
staat zijn de harde kersepitten te kraken.

De Appelvink wordt door den vruchtenkweeker zeer gehaat, want
de schade, die hij in de kersenboomgaarden aanricht, is verre van
onbeduidend. "Eén enkele familie van deze Vogels," zegt Naumann, "heeft
een boom vol rijpe kersen spoedig leeggeplukt. Wanneer zij eenmaal
in een boomgaard geweest zijn, kan men er staat op maken, dat zij
telkens zullen terug komen, zoolang er nog kersen te vinden zijn; hoe
men ook moge geraas maken, ratelen, met de zweep klappen of fluiten,
men zal ze niet geheel kunnen keeren; aan alle verschrikkingsmiddelen,
waarover men beschikt, geraken zij gewoon. Het eenige middel om hen
te verjagen is op hen te schieten en dit moet niet met los kruit
gedaan worden, anders geraken zij ook hieraan gewoon. De gewone
morellen zijn het meest aan hunne aanvallen blootgesteld. In de
groentetuinen doen zij dikwijls veel kwaad aan de zaden en in de
erwtenbedden aan de groene peulen. Zij vernielen de lijsterbessen,
die de jager voor zijn bedrijf noodig heeft en begaan nog allerlei
andere misdrijven. Zij zouden veel minder schade aanrichten, als zij
niet zoo moeielijk te verzadigen waren en als zij niet de gewoonte
hadden enkele boomen, bedden en plantsoenen telkens weder te bezoeken,
totdat zij alle daar aanwezige vruchten en zaden opgegeten hebben." Het
is derhalve niet te verwonderen, dat de mensch zich deze ongenoode
gasten met alle mogelijke middelen van den hals tracht te schuiven,
strikken en lijmroeden, netten, vallen, geweren en andere wapens
tegen hen gebruikt.

De gevangen Appelvink gewent spoedig aan de kooi, neemt allerlei
voedsel voor lief, laat zich gemakkelijk temmen, maar blijft toch
altijd gevaarlijk, omdat hij, tot toorn vervoerd, in al wat hem voor
den snavel komt, bijt en pijnlijke wonden kan toebrengen. Een getemde
Appelvink, die het eigendom was van een student in de edele muzenstad
Jena, werd door de vrienden van dezen vogelliefhebber dikwijls
beschonken gemaakt, door partij te trekken van de zooeven genoemde
eigenschap. Dit kostte hun niet veel moeite. Een aan weerszijden
geopende penneschacht werd, nadat de eene opening met den vinger
gesloten was, met bier gevuld den Vogel voorgehouden en zoodra deze in
het opene deel van dit eigenaardige drinkglas beet, omgekeerd, zoodat
het bier in de keel van den Appelvink vloeide. Het was voldoende dit
kunstje eenige malen te herhalen, om den dikkoppigen drinkebroer zoo
dronken te maken, dat hij bij het rondhuppelen omtuimelde.



De eigenlijke Vinken (Fringilla) hebben een gestrekten lichaamsbouw,
een middelmatig langen, zuiver kegel- of tolvormigen snavel, pooten
met korten loop en zwakke teenen, betrekkelijk lange vleugels, waarin
de tweede, derde en vierde handpen de spits vormen, en een middelmatig
langen, in het midden zwak uitgesneden staart.



De Vink, Schildvink, Maanvink, Kwinker of Boekvink, in Noord-Holland
ook wel Oostvink of Blauwkop, in Groningen Kolfvink, in Gelderland
Toetvink, in Noordbrabant Botvink, in Cadzand Bogervink, in Friesland
Schelvink genoemd (Fringilla coelebs) is op het voorhoofd donkerzwart,
op kruin en nek leikleurig blauw, op den mantel roodachtig bruin,
op den onderrug en den staartwortel geelachtig groen; de teugel
en de kring om het oog, de wang, de keel en de gorgel zijn licht
roestbruin, welke kleur op den krop en de zijden van de borst
vleeschroodachtig, op het midden van de borst roodachtig wit, op den
buik en de onderdekveeren van den staart wit wordt; de handpennen
zijn zwart, de laatste armpennen met smallen, lichtgelen buitenzoom,
de kleinste dekveeren donker leikleurig blauw, de middelste wit, de
groote zwart met breeden, geelachtig witten eindzoom, waardoor een
breede, geelachtige en een smallere, witte dwarsband op den vleugel
ontstaan; de twee middelste staartpennen zijn donker leikleurig grijs
met gele randen, de overige zwart, de binnenvlag van de beide buitenste
paren met grooten, wigvormigen, witten vlek, die zich op het buitenste
paar ook over het grootste deel van de buitenvlag uitstrekt. De iris
is lichtbruin, de snavel in de lente blauw, in den herfst en winter
roodachtig wit, de poot vuil vleeschkleurig. Bij het wijfje zijn de kop
en de nek groenachtig grijs, een wenkbrauwstreep, de teugel, de kin en
de keel witbruinachtig, de overige bovendeelen olijfkleurig grijsbruin,
de onderdeelen lichtgrijs. Lichaamslengte 16.5, staartlengte 7.5 cM.

Met uitzondering van de noordelijkste landen is de Vink in geheel
Europa een gewone verschijning; in het zuiden vindt men hem echter
gedurende den zomer alleen in het gebergte. Bovendien bewonen deze
Vogels enkele deelen van Azië en vertoonen zich des winters in kleinen
getale in Noord-Afrika. In Nederland broedt de Vink overal in bosschen
en zelfs in groote tuinen; in Noord- en Zuid-Holland geschiedt dit
echter eerst sinds de tweede helft van deze eeuw meer algemeen. In het
najaar, op den trek, komen de Vinken uit het noorden in groote vluchten
in ons land en worden dan op de vinkebanen, vooral langs den duinkant,
veelvuldig gevangen. Sommige hier broedende exemplaren overwinteren
en blijven rondzwerven binnen een beperkt gebied. In Duitschland zijn
weinige gewesten waar de Vink niet talrijk voorkomt. Hij bewoont
naaldhoutbosschen zoowel als bosschen met breedbladige boomen,
uitgestrekte wouden zoowel als hakhoutboschjes, plantsoenen en tuinen;
eigenlijk vermijdt hij alleen moerassige of natte oorden. Het eene paar
woont dicht bij het andere; ieder tracht echter vol ijverzucht het
eens voor zich gekozen gebied te behouden en verdrijft hieruit elken
indringer van dezelfde soort. Eerst nadat het broeden afgeloopen is,
vereenigen de reislustige Vogels zich tot vluchten; deze gezelschappen,
die zich in October vormen, verdwijnen tegen het einde dezer maand,
op eenige weinige in het vaderland overwinterende mannetjes na,
langzamerhand uit onze gewesten. (Die, welke hier achterblijven,
worden wel eens Hofsteevinken genoemd.) Dan nemen zij in Zuid-Europa
en in Noordwest-Afrika berg en dal, akker en tuin, bosch en heg in
bezit, zijn overal te vinden, overal veelvuldig, maar ook overal
in gezelschap, ten teeken dat zij niet in hun vaderland zijn, maar
hier als wintergasten verblijf houden. Als de lente in het zuiden
aanvangt, is het tijd om zich weder huiswaarts te begeven. Men hoort
dan den helderen, krachtigen slag van de mannetjes nog geruimen
tijd weerklinken; weldra echter wordt het stil en eenzaam daar, waar
honderdduizenden verzameld waren en reeds in het begin van Maart zijn
de wintergasten, op de wijfjes na, verdwenen. De Vinken trekken n.l.,
althans op den terugtocht naar Middel-Europa in afzonderlijke vluchten:
de mannetjes het eerst, de wijfjes een halve maand later. Zelden
komt het voor, dat beide geslachten voortdurend samenleven en dus
ook samen reizen. Als de weersgesteldheid gunstig is, verschijnen
de eerste mannetjes reeds in het einde van Februari in Nederland;
de hoofdmassa, komt in Maart bij ons aan en de achterblijvers laten
tot April op zich wachten.

Het werkelijk kunstige nest is bijna kogelrond, alleen van boven
afgesneden. Zijne dikke buitenwanden worden uit groen, op den grond
geplukt mos, fijne worteltjes en halmpjes samengesteld, van buiten
echter bedekt met korstmossen van den boom, waarop het nest gebouwd
is. Deze worden met spinsel van rupsen of Spinnen aaneenverbonden,
zoodat het geheel een bedriegelijke overeenkomst heeft met een knobbel
van een tak. De nestholte is diep, napvormig en zeer zacht gevoerd met
haren en veeren, wol van planten en van dieren. Zoolang de nestbouw
en het broeden van het wijfje duurt, hoort men den mannetjesvink
bijna gedurende den geheelen dag onafgebroken slaan; ieder ander
mannetje in de nabijheid beantwoordt den slag van zijn buurman met
meer dan gewonen ijver; de beide mededingers in de zangkunst winden
zich op en beginnen een dolle jacht door de twijgen, welke voortduurt
totdat de eene den anderen in den letterlijken zin van 't woord bij
den kraag gepakt heeft en, buiten staat om op deze wijze te vliegen
met hem draaiend op den bodem valt.--Het wijfje legt 5 of 6 kleine,
dunschalige eieren, die gewoonlijk op licht blauwgroenachtigen
grond voorzien zijn met bleeke, roodachtig bruine stippen, vlekjes
en streepjes en met paarsachtig grijze, wolkachtige vlekjes, welker
vorm en teekening zeer uiteenloopt. De eieren moeten 14 dagen bebroed
worden; dit geschiedt hoofdzakelijk door het wijfje dat echter door het
mannetje vervangen wordt, zoolang gene van 't nest afwezig moet zijn om
voedsel te zoeken. De jongen worden door de beide ouders uitsluitend
met Insecten grootgebracht, hebben ook nog een tijdlang, nadat zij
uitgevlogen zijn, de hulp van de ouders noodig, maar leeren spoedig
zelf hun voedsel zoeken. Als onmondige kinderen openbaren zij hunne
aandoeningen door een zonderling klinkend "sjielkend" geschreeuw,
later maken zij gebruik van den loktoon der volwassen Vogels. Deze
beginnen reeds weinige dagen nadat de opvoeding van hunne jongen
voltooid werd, met de zorgen voor een tweede broedsel. De beide
ouders houden veel van hun kroost; als een vijand het nest nadert,
geven zij hun angst door klagende geluiden en door zeer duidelijk
verstaanbare gebaren te kennen.

De Vink is een wakkere, levendige, bekwame, vlugge en schrandere
Vogel maar tevens oploopend en twistziek. Gedurende den geheelen
dag bijna voortdurend in beweging, is hij alleen ten tijde van de
grootste middaghitte iets minder bedrijvig. Op de takken zittend,
neemt hij een opgerichte houding aan, op den grond heeft zijn lichaam
een meer horizontalen stand; op den bodem gaat hij half huppelend,
half loopend, op de twijgen beweegt hij zich graag in zijdelingsche
richting; hij vliegt hoog, als hij een grooten afstand heeft af te
leggen, laag wanneer het doel van de reis niet veraf is. Zijn lokstem,
het bekende "pienk", of "fienk", wordt op zeer verschillende wijze
geïntoneerd en krijgt hierdoor verschillende beteekenissen. Gedurende
het vliegen roept hij op gedempte, kort afgebroken wijze vaker "guup
guup" dan "pienk"; voor gevaar waarschuwt hij door een sissend "sie
ieh", waarop ook andere Vogels letten; in den paartijd tsjilpt hij;
bij donker weder hoort men van hem een ratelend geluid, dat de jongens
in Thuringen door het woord "regen" nabootsen. Zijn slag bestaat uit
één of twee strophen, die ieder door een bepaalden klank afgesloten
en tot een geheel vereenigd worden. Gedurig worden deze strophen op
verschillende wijze gezongen; zij worden met zeer groote volharding en
zeer dikwijls in snelle opeenvolging voorgedragen; de vinkenliefhebbers
onderscheiden een menigte soorten van slagen, die ieder met een
verschillenden naam aangeduid worden. De kennis van deze slagen is
een formeele wetenschap geworden, die evenwel hare eigene priesters
vereischt en voor niemand, die niet in hunne mysteriën is ingewijd,
altijd duister zal blijven. Er zijn bepaalde bergstreken, waar deze
wetenschap meer beoefenaars vindt dan eenige andere. Beroemd zijn de
Thuringer, de Hartzer en de Boven-Oostenrijksche vinkenliefhebbers
wegens hun buitengewone kennis van de bedoelde slagen. Daar waar het
ongeoefende oor slechts geringe afwijkingen waarneemt, onderscheiden
deze lieden met onfeilbare zekerheid 20 en meer verschillende slagen,
waaraan zij namen geven, die onkundigen doen glimlachen, maar die toch
meestal zeer goed gekozen en gewoonlijk klanknabootsingen van een deel
van den slag zijn. Vroeger werden Vinken, die door een eigenaardigen
slag uitmuntten, buitengewoon hoog geschat en voor bijna fabelachtige
sommen verkocht; tegenwoordig is deze liefhebberij zeer verminderd.

Alleen in de boomkweekerijen en groentetuinen, waar hij de op den grond
liggende zaden opeet, kan de Vink een schade van eenige beteekenis
aanrichten. Wel wordt hij soms beschuldigd van een gevoelige schade toe
te brengen aan het woud, door het opzoeken van de afgevallen zaden van
beuken- en naaldboomen; maar zij, die hem hiervan betichten, gelooven
waarschijnlijk zelf niet eens aan de waarheid van deze bewering. Hij
eet zaden van verschillende planten, hoofdzakelijk van onkruid, maar
voedt zijne jongen en gedurende den broedtijd zich zelf uitsluitend
met Insecten, meestal met zulke, die nadeelig zijn voor de boomen,
waarop wij prijs stellen. In 't ongunstigste geval wordt dus alle
schade, die hem ten laste gelegd wordt, opgewogen door het nut dat hij
aanbrengt. Men moest hem beschermen en tegemoet komen, in plaats van
hem meedoogenloos te vervolgen, zooals ongelukkig altijd nog hier en
daar geschiedt. De liefhebbers, die voor hunne kooien Vinken vangen,
hebben geen schuld aan de vermindering van hun aantal; de vogelvangers
echter, die er duizenden tegelijk dooden, doen een gevoeligen afbreuk
aan de vermeerdering van deze lieftallige Vogels.



De eenige inheemsche Vogel, die tot hetzelfde geslacht behoort als onze
Vink, is de Keep, Bergvink, of Boschvink, in Gelderland Noordvink,
in Groningen Kweevink, in Friesland Keepvink of Kwaakvink genoemd
(Fringilla montifringilla). Lichaamslengte 16, staartlengte 6.6 cM. De
kop, de nek en de mantel, de wangen en de zijden van den bovenhals
zijn donkerzwart met blauwachtigen glans, de staartwortelveeren in
het midden zuiver wit, aan de zijden zwart, de keel en de borst met
een geelachtig waas overtogen, de teugel, de kin en de zijden van den
buik geelachtig wit, de laatstgenoemde zwart gevlekt, de slagpennen
bruinzwart met geelachtig witten zoom, de schouderveeren roestkleurig;
de eindhelft van de staartveeren is wit met geelachtigen zoom. De iris
is donkerbruin, de snavel licht blauwzwart, in den herfst wasgeel,
de voet roodbruin.

Het vaderland van de Keep is het hooge noorden van de Oude Wereld: de
landen benoorden den 59en graad N.B., zoover de boomgroei reikt. Reeds
in Augustus vereenigen deze Vogels zich tot zwermen, die zich gedurende
de volgende maanden in de zuidelijke gedeelten van hun broedgebied
ophouden en daarna langzamerhand verder zuidwaarts trekken; zij
doorkruisen geheel Europa tot Spanje en Griekenland en Azië tot aan
den Himalaja. Op dezen trek bezoeken zij veelvuldig ons vaderland,
waar zij in 't najaar (in 't begin van October) aankomen. Gebergten en
aaneengeschakelde wouden bepalen de richting van hun reis, voor zoover
deze niet gewijzigd wordt door scharen van andere Vinken, waarmede
zij zich gaarne vermengen. In Nederland en Duitschland ontmoet men
de Keepen in bosschen en op akkers, in den regel in gezelschap van
Vinken, Kneutjes, Ringmusschen en Groenlingen.

De Keep heeft met den Vink veel overeenkomst. Ook zij is twistziek,
oploopend, bijtlustig en door broodnijd bezield, hoe gezellig zij
overigens ook moge schijnen. Haar gezang is een erbarmelijk getjilp
zonder welluidendheid, regel of orde; het bestaat eenvoudig uit een
willekeurige samenvoeging van de verschillende geluiden, die zij maakt.

Op de Keep wordt vooral jacht gemaakt wegens zijn smakelijk, hoewel
eenigszins bitter vleesch; vooral op de vinkenbanen vangt men haar
dikwijls in grooten getale. Haar onervarenheid is oorzaak, dat zij
zich dikwijls ook in andere vallen laat vangen.



Op groote hoogte, op de Alpengebergte van de Oude Wereld, van de
Pyreneën tot in Siberië, in den zomer altijd boven de grenzen van den
boomgroei, leeft de aan onzen Vink verwante Sneeuwvink (Fringilla
nivalis). Hij verschilt van de vroeger beschreven soorten door den
langen, gekromden, spoorvormigen nagel aan den achterteen, de lange
vleugels en de gelijke bevedering van mannetjes en wijfjes. Totale
lengte ongeveer 20, staartlengte 8 cM. De bovenkop, de wangen,
de achterhals en de zijden van den hals zijn licht aschgrauw, de
mantelveeren koffiebruin, de keel en de gorgel zwart, de zijden van de
borst en de flanken licht geelachtig aschgrauw, de kin, de borst en
het midden van den buik vuilwit, de zeven eerste handpennen zwart,
aan de buitenzijde en aan den top met bruinachtig witten zoom,
de schouderveeren donkerbruin, de middelste staartveeren zwart,
aan de binnenzijde wit gezoomd, alle overige sneeuwwit. Het oog is
donkerbruin, de snavel leikleurig zwart, in den herfst en in den
winter wasgeel, aan de spits altijd zwart, de voet zwart.

Onze Alpen, de Karpathen, de hooge gebergten van Perzië en de Himalaja
vormen het verbreidingsgebied van den Sneeuwvink. Bijna even sterk als
het Alpensneeuwhoen is hij aan de hooge bergstreken gehecht. Alleen
door hevige sneeuwbuien en strenge koude kan hij genoopt worden om de
lager gelegen dalen te bezoeken. In het eerste gedeelte van den winter
geschiedt dit veel zeldzamer dan in het laatste, omdat de tegen weer
en wind geharde Vogel geen last heeft van de sneeuw en van de koude,
zoolang er nog voedsel voor hem te vinden is. Zelfs in den strengsten
winter verwijdert hij zich nagenoeg niet van het gebergte; de gevallen,
waarin men hem op Duitsch grondgebied heeft waargenomen, behooren
daarom tot de groote zeldzaamheden. Gedurende den zomer bewoont hij
uitsluitend den hoogsten gordel van de Alpen, onmiddellijk onder de
grens van de eeuwigdurende sneeuw; in den broedtijd treft men hem
bij paren, later in troepen en vluchten, meestal aan den rand der met
steenen bedekte hellingen aan, waar hij vlug over de rotsen huppelt,
soms voor een poos met zijne metgezellen opvliegt en onder het zacht
geroep van "zjuup zjuup" een kort eind vliegt, om weldra weer neer te
strijken en even ijverig als te voren het opzoeken van voedsel voort
te zetten. Zijn gezang, dat men in de vrije natuur alleen gedurende den
voortplantingstijd hoort, bestaat uit dit en andere voor 't dagelijksch
verkeer dienende geluiden en wordt door deskundigen het slechtste van
alle vinkengezangen genoemd; het is kort, ruw, hard en onaangenaam
schel. Zijne bewegingen herinneren meer aan die van de Sneeuwgors en
van den Leeuwerik dan aan die van den Vink; even als gene vliegt hij
zonder inspanning en zwevende. Op de wegen in 't gebergte komt hij des
winters geregeld voor de huizen; overal, waar hij zeker is niet lastig
gevallen te worden, vliegt hij onbeschroomd in en uit de woningen;
door vervolging wordt ook hij na verloop van korten tijd omzichtiger.



Amerika is het vaderland van meer dan 70 soorten van bonte, Gors-achtig
geteekende Vinken, die Muschgorsen (Zonotrichia) worden genoemd. Zij
hebben een slanken, kegelvormigen, sierlijken snavel, die langs
de ruglijn weinig gekromd is en in een rechte spits uitloopt; de
pooten hebben een langen loop en lange teenen, waaraan groote nagels
voorkomen, vooral aan den achterteen, welks nagel bij wijze van een
spoor verlengd is; de vleugels zijn middelmatig lang en onderscheiden
zich door hunne zeer lange armpennen; de staart is verschillend van
lengte. Zij houden veelal verblijf op den bodem en bewegen zich hier
geheel op de wijze van de Gorsen. Eenige soorten zijn woudvogels,
die de opene plaatsen mijden, andere leven in waterrijke streken aan
de oevers van rivieren, nog andere op velden en weiden, eenige zelfs
aan de zeekust, enkele eindelijk nemen in de Nieuwe Wereld de plaats
van onze Musschen in.



Bij de Noord-Amerikaansche Withalzige Muschgors (Zonotrichia
albicollis), zijn de boven- en achterkop zwart; bij deze kleur
steken een smalle witachtige, overlangsche lijn op het midden van
den kop en een breede streep boven de oogen scherp af; de wangen en
de oorstreek zijn aschgrauw, de kin en de keel wit; de onderdeelen
zijn wit, met uitzondering van de roestbruinachtige, met donkere,
overlangsche streepjes geteekende zijden en den bruinachtig grijzen
krop; de bovendeelen en de vleugeldekveeren zijn roestbruin, de
mantel en de schouderveeren met zwarte schaftvlekken geteekend,
de slagpennen en stuurpennen olijfbruin. De iris is nootbruin,
de bovensnavel hoornbruin, de ondersnavel lichtblauw, de poot
vleeschkleurig. Totale lengte 17, staartlengte 8 cM.

Deze Vogels zijn over alle oostelijke staten van Noord-Amerika
verbreid; in het noorden van dit gebied zijn zij trekvogels, in 't
zuiden wintervogels. Het mannetje is in Juni, zijn voortplantingstijd,
zeer roerig en zingt zeer vlijtig zijn lied, welks twaalf tonen één
strophe vormen, die, zonder eenige afwisseling telkens weer herhaald,
weldra verveelt.

In sommige streken doodt of vangt men de Withalzige Muschgors om haar
lekker vleesch of om haar in een kooi te houden; hier zingt zij in
de lente ook 's nachts, gelijk zij in haar vaderland gewoon is te doen.



Een andere vertegenwoordiger van hetzelfde geslacht, de
Wintermuschgors, de Snowbird (Sneeuwvogel) der Amerikanen (Zonotrichia
hyemalis), verdient vermelding, omdat zij, naar men zegt, eens op
IJsland is aangetroffen. Totale lengte 15, staartlengte 7.5 cM. De
kop en de bovendeelen zijn donker leigrauw, de onderdeelen, bij de
borst te beginnen, wit, de slagpennen en hare dekveeren donkerbruin
met bruinachtigen zoom, de staartveeren bruinzwart met uitzondering
van de beide buitenste paren, die wit zijn, en van het derde paar,
dat met een langwerpige, witte schaftvlek voorzien is. De iris is
donkerbruin, de snavel roodachtig vuilwit, de poot vleeschkleurig.

Deze soort bewoont de noordelijke Vereenigde Staten en de verder
noordwaarts gelegen gewesten tot binnen den poolcirkel. Zij is een
der meest algemeen verbreide vormen van haar geslacht en in de meeste
gewesten van Noord-Amerika, althans gedurende een deel van 't jaar,
veelvuldig. De gebergten en het noorden zijn haar vaderland; in
de Vereenigde Staten verschijnt zij tegen het einde van October om
tegen het einde van April weer te vertrekken. Op een mooien morgen
ziet men deze Vogels plotseling in menigte op plaatsen, waar er den
vorigen dag geen enkele te vinden was. In den beginne blijven zij
vereenigd tot troepen van 20 à 30 individuen, die zich in boschranden,
heggen en omtuiningen ophouden; later vereenigen zij zich tot grootere
vluchten en, vooral wanneer er stormen in aantocht zijn, tot zwermen
van duizenden exemplaren. Zoolang de bodem nog onbedekt is, voeden
zij zich met graszaden, bessen en Insecten, niet zelden in gezelschap
van Boomhoenderen en wilde Kalkoenen, ook wel van Eekhoorntjes,
die met hen hetzelfde voedsel zoeken. Wanneer het echter gesneeuwd
heeft en de gewone kostwinning moet worden opgegeven, komen zij op
de boerenerven, op de publieke wegen en ten slotte ook in de straten
der steden. Argeloos begeven zij zich onder de hoede van den mensch,
die iederen dag misbruik maakt van het in hem gestelde vertrouwen door
deze Vogels bij honderden te vangen; door goedhartige lieden worden
zij echter ook wel gevoederd en beschermd. Hun gemeenzaamheid gaat
zoover, dat zij de voetgangers en ruiters dicht bij zich voorbij laten
gaan en alleen dan opvliegen, als zij vreezen door de voorbijgangers
vertreden te worden. Als de lente aanvangt, verlaten zij de steden
en dorpen om hunne broedplaatsen in het gebergte of in het noorden
weer op te zoeken.

Kort na hun terugkomst op den geboortegrond vangt de paartijd aan. De
mannetjes vechten dan hevig met elkander. In dezen tijd laten zij
hun eenvoudig, maar aangenaam gezang hooren waarvan eenige volle
langgerekte tonen de hoofdbestanddeelen zijn. Soms treft men gevangen
Wintermuschgorsen bij ons in de kooi aan, hoewel er weinige redenen
zijn om ze aan te bevelen.



Van de Echte Vinken onderscheiden zich de Goudvinkachtigen
(Pyrrhulinae), doordat hun snavel aan den wortel met borstels omgeven
is. De snavel is in den regel zeer kort en hoog.



Onze Groenling, Groeninger of Greuninger, in Gelderland en Friesland
Vlasvink, in Noordbrabant Grunsel, in Groningen Kornuit, te Amsterdam
Groenvink genoemd (Chloris hortensis, fig. 2) [8], kenmerkt zich door
den krachtigen lichaamsbouw, den korten, kegelvormigen snavel, welks
zijranden aan beide kaken ingetrokken en scherp zijn; de voeten hebben
korte teenen; de spits van de middelmatig lange vleugels wordt gevormd
door de drie voorste handpennen; de staart is tamelijk kort. Totale
lengte 12,5, staartlengte 6 cM. De meest in 't oog vallende kleur van
het vederenkleed is fraai olijfgeelgroen; de rand van het voorhoofd,
een streep boven de oogen, de achterste gedeelten van de wangen, de
kin en het voorste deel van de keel zijn helderder, meer geel van
kleur; het onderste deel van de borst, de buik, de onderdekveeren
van den staart en de rand van den vleugel zijn helder citroengeel;
de handpennen zijn grootendeels zwart, aan de spits echter grijs,
terwijl bovendien de buitenvlag van de zes eerste, met uitzondering
van het dichtst bij den top liggend derde deel, hoog citroengeel
is; de armpennen en hare dekveeren zijn zwart, aan de buitenzijde
aschgrauw, de overige bovendekveeren van den vleugel olijfgeelgroen,
alle slagpennen op de binnenvlag bij den wortel met een witten rand
voorzien, de middelste staartpennen geheel, de andere alleen aan de
tophelft zwart en overigens citroengeel. De iris is donkerbruin; de
snavel en de poot zijn roodachtig grijs. De kleuren van het wijfje
zijn minder levendig.

Met uitzondering van de noordelijkste gewesten van Europa ontbreekt
de Groenling nergens in dit werelddeel; bovendien is hij over
Noordwest-Afrika en over Klein-Azië tot aan den Kaukasus verbreid. Zeer
veelvuldig is hij in Zuid-Europa, vooral in Spanje; bij ons echter is
hij evenmin zeldzaam. Hij bewoont bij voorkeur vruchtbare gewesten,
waar kleine boschjes met akkers, weiden en tuinen afwisselen; in
alle vlakten is hij zeer talrijk; hij houdt zich in de onmiddellijke
nabijheid van bewoonde gebouwen op, maar vermijdt de wouden. Bij ons
vertoeft hij van April tot October; in Duitschland, waar hij na den
broedtijd in sommige streken zwerft, blijft hij soms den winter over,
in Zuid-Europa is hij standvogel.

Alleen op den trek vereenigen de Groenlingen zich tot talrijke vluchten
met verwante Vogels, o.a. met Vinken en Keepen, met Ringmusschen,
Geelgorsen, Kneutjes en dergelijke. In de andere jaargetijden leven
zij bij paren of familiën. Ieder paar vestigt zich in een klein
boschje of in een tuin, kiest hier een dicht bebladerden boom als
slaapplaats uit en zwerft van hier uitgaande in den omtrek rond om
voedsel te zoeken. Over dag ziet men den Groenling meestal op den
grond, waar hij allerlei zaden oppikt. Als hem eenig gevaar bedreigt,
vlucht hij in den naastbijgelegen boom en verbergt zich in het
loover van de kroon. Hoewel hij een plomp voorkomen heeft, is hij
toch wakker en vlug. Op den bodem beweegt hij zich niet ongeschikt,
hoewel huppelend; het vliegen kost hem weinig inspanning en geschiedt
volgens een boogvormige lijn. Bij het opvliegen laat hij gewoonlijk
zijn loktoon, een kort afgebroken "tsjiek" of "tsjek" hooren, soms
vele malen achtereen. Om teedere gevoelens uit te drukken gebruikt
hij den buitengewoon zachten, maar toch op grooten afstand hoorbaren
klank "tswoeï" of "sjwoensj". Deze dient ook als waarschuwend sein,
maar gaat dan gewoonlijk gepaard met een zacht, helder gefluit. Op
plaatsen, waar de Groenling zich veilig acht, is hij zeer weinig schuw,
in gezelschap van andere wezens evenwel dikwijls zeer voorzichtig.

Zijn voedsel bestaat uit zaden van zeer verschillende, ook wel van
vergiftige planten, bij voorkeur echter uit zulke, die veel olie
bevatten, zooals raapzaad, krodde, herik, hennepzaad en dergelijke.

Gewoonlijk broedt hij tweemaal, in gunstige zomers ook wel
driemaal. Het half bolvormige nest wordt op hooge boomen of struiken
in een stevigen gaffel of dicht bij den stam gebouwd en, al naar
de gesteldheid van de omgeving, van zeer verschillende stoffen
vervaardigd. Dorre rijsjes en worteltjes, kweek, droge halmen en
wortels van grassen vormen de onderlaag, waarop een laag fijnere
stoffen van dezelfde soort volgt, gewoonlijk gemengd met groene, op
den bodem geplukte bladmossen of korstmossen of ook wel met propjes
wol. Voor het bekleeden van de nestholte dienen eenige uiterst fijne
worteltjes en halmpjes, waarop en waartusschen haren van Paarden,
Herten en Reeën liggen en waarmede soms ook wel kleine vlokjes van
dierlijke wol saamgeweven worden. Tegen het einde van April vindt
men het eerste, in Juni het tweede, in het begin van Augustus het
derde broedsel in het nest. Het bestaat uit 4 à 6 zeer buikige, dun-
en gladschalige eieren, die op blauwachtig witten of zilverkleurigen
grond, vooral aan het stompe einde, met lichtroode, scherp begrensde
of uitvloeiende vlekjes en puntjes voorzien zijn. Het wijfje broedt
alleen. De jongen worden met zaden grootgebracht. Insecten eten de
Groenlingen, naar 't schijnt, nooit. Toch brengen zij nog wel eenig
nut aan door het eten van onkruidzaden. In moestuinen richten zij
schade aan. Onze kleine Roofdieren, alsmede Eekhoorns, Hazelmuizen,
Kraaien, Eksters, Klauwieren en Gaaien plunderen vele groenlingnesten
en verslinden ook de oude Vogels, wanneer zij deze vangen kunnen. Toch
neemt hun aantal bij ons eerder toe dan af.



De tot het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld beperkte Barmkneuters
(Acanthis) worden als vertegenwoordigers van een afzonderlijk geslacht
beschouwd; zij kenmerken zich door den echt kegelvormigen, ronden,
korten, in een scherpe spits eindigenden snavel, de tamelijk lange,
smalle, puntige vleugels en den aan 't einde gaffelvormig uitgesneden,
scherphoekigen staart.



Ons Kneutje, ook wel Vlamsijs, Hennepvink of Kneuter, in Gelderland
Lukker, in Utrecht, Friesland en Groningen Robijntje, in het land
van Kuik Heimourik genoemd (Acanthis cannabina), is op den voorkop
bruingeelachtig wit, op de kruin prachtig karmijnrood, op de zijden
van den achterkop en den hals aschgrauw met roodachtig gele streepjes,
op den rug en de schouders kaneelbruin; de keel en de gordel zijn
bruinachtig wit met donkergrijze strepen en vlekken; het midden van
de borst, de buik en de onderdekveeren van den staart wit, de zijden
van de borst helder karmijnrood, de flanken licht kaneelkleurig,
de zwarte handpennen aan de buiten- en de binnenzijde sneeuwwit,
aan de spits lichtbruinachtig, de zwartbruine armpennen lichter van
kleur en met breedere, licht kaneelkleurige zoomen, de staartveeren
zwart, aan weerszijden met helder witte kanten, de bovendekveeren
van den staart zwart met witte zoomen. De iris is donkerbruin, de
snavel loodkleurig grijs, aan den wortel donkerder, de poot roodachtig
grijs. In het winterkleed zijn alle tinten minder zuiver en is het rood
door grijze vederranden bedekt. Totale lengte 13, staartlengte 5.5 cM.

Het Kneutje bewoont geheel Europa, Klein-Azië en Syrië en komt op
den trek in Noordwest-Afrika, zelden echter in Egypte. Bij ons wordt
het algemeen broedend aangetroffen in droge zandstreken, duinen en
heiden, vooral wanneer deze met doornstruiken of laag hout begroeid
zijn; in de lage landen ontbreekt het. In Duitschland is het overal
veelvuldig, het meest nog in heuvelachtige gewesten. Het vermijdt de
hooge gebergten en evenzeer uitgestrekte wouden.

Het Kneutje verdient een plaats onder de lieftalligste en
bekoorlijkste, inheemsche Vinken, zonder nog te rekenen, dat het door
zijn gezang een der meest gewilde kooivogels is. Gezellig, opgewekt,
levendig en tamelijk schuw van aard, zijn de Kneutjes buiten den
broedtijd altijd tot kleine en groote vluchten vereenigd. In den
herfst, gewoonlijk reeds in Augustus, vormen zij groote zwermen;
men ziet er dan honderd en meer bijeen. In den winter vermengen
zij zich met de Groenlingen, ook wel met de Vinken en Keepen, met
de Ringmusschen en de Geelgorsen. In de lente na de paring scheiden
zij zich van elkander af, hoewel zij dikwijls vreedzaam in elkanders
nabijheid broeden. De Kneuter vliegt zonder inspanning en tamelijk
snel, bij rukken en zwevend; vooral voordat hij neerstrijken zal
beschrijft deze Vogel dikwijls kringen in de lucht. Dikwijls komt hij
al vliegend dicht bij den bodem, zoodat men zou kunnen meenen, dat
hij zal gaan zitten; niet zelden stijgt hij dan echter weer omhoog
en vliegt een heel eind verder. Op den grond huppelt hij tamelijk
behendig rond. Als hij in de boomen zingt, zit hij op den hoogsten
top of op een vrij uitstekenden tak; dit doet hij ook in de struiken,
vooral in jonge dennen en sparren; over 't algemeen zit hij gaarne
op een top, zelfs wanneer hij niet zingt.

Door zijn bekwaamheid als zanger overtreft hij de meeste leden zijner
familie; zijn gezang begint gewoonlijk met de klanken "gek gek";
door deze geluiden worden echter klankvol gefloten tonen heengemengd,
beide worden met veel afwisseling en vuur ten gehoore gebracht. Jong
in de kooi geplaatste mannetjes leeren gemakkelijk het gezang van
andere Vogels nabootsen of wijsjes nafluiten.

Het Kneutje [9] vertoeft bij ons in den regel van April tot October
en verhuist dan naar de minder koude streken van Europa, waar het
gedurende den winter rondzwerft. Reeds in April begint het zijn
nest te bouwen; gedurende den zomer broedt het minstens twee-,
gewoonlijk echter driemaal. Het nest vindt men op allerlei struiken,
vooral doornstruiken, ook somtijds op boomen, maar zelden boven
manshoogte. De buitenste laag bestaat uit rijsjes, worteltjes en
grashalmen, heide en dergelijke materialen; bij 't voortzetten van
den arbeid worden deze bouwstoffen steeds fijner gekozen, waardoor
als 't ware een tweede laag in den wand van het nest ontstaat. De
nestholte wordt van binnen bekleed met wol van dieren en planten,
vooral echter met paardenhaar. De eieren 4 of 5 in getal, zijn op
blauwachtig witten grond met verspreide lichtroode, donkerroode en
kaneelbruine stippels en streepjes geteekend. Zij worden uitsluitend
door het wijfje uitgebroed; de jongen, die na verloop van 13 à 14
dagen uitkomen worden met allerlei vooraf in den krop geweekte zaden
gevoederd; vooral voor die van het laatste broedsel wordt deze arbeid
door de beide ouders gemeenschappelijk verricht. Terwijl het wijfje
op het nest zit, gaat het mannetje dikwijls op een naburigen boom
zitten en zingt zeer ijverig. In tegenstelling met de Vinken leven
de Kneutjes ook gedurende den broedtijd met elkander in vrede. De
mannetjes van verscheidene dicht bij elkander broedende wijfjes maken
hunne uitstapjes niet zelden met elkander en zingen zonder te krakeelen
gezamenlijk naast de nesten.

Het Kneutje voedt zich bijna uitsluitend met zaden, maar wordt
toch nergens als een bijzonder schadelijken Vogel beschouwd,
tenzij men het de strooperijen waaraan het zich in tuinen schuldig
maakt ten nadeele van de zaden van kool, rapen, salade en dergelijke
groenten, onbehoorlijk hoog zou willen aanrekenen. Het onkruid levert
waarschijnlijk de hoofdschotel van zijne maaltijden. Het eet zaden
van weegbree, paardenbloemen, van allerlei soorten van kool, papavers,
hennep en rapen en vooral ook van grassen.

Met recht wordt het Kneutje als een der meest aanbevelenswaardige
kamervogels beschouwd; het stelt minder hooge eischen dan verreweg
de meeste, wordt jegens den persoon, die het grootgebracht en verder
verzorgd heeft, dikwijls zeer vriendschappelijk gezind, en zingt
bijna gedurende het geheele jaar met vlijt en ijver.



Het Fratertje, dat in Friesland Heidebarmpje in Groningen Barm en
Grauwe Barm wordt genoemd (Acanthis flavirostris) [10], vervangt het
Kneutje in het hooge noorden van Europa, o. a. in het noorden van
Groot-Brittannië en in Skandinavië. Het komt bij ons en in de overige
landen van Middel-Europa, in het voor- en najaar op den doortrek;
ook overwintert het in deze streken, hier en daar rondzwervend;
in sommige jaren is het hier veel talrijker vertegenwoordigd dan in
andere. De bovendeelen zijn grootendeels zwartbruin; met roestkleurige
randen om de veeren; de staartwortel is rood, de borst roestbruin;
de onderdeelen zijn overigens wit. De zeer korte snavel is wasgeel,
de neusgaten zijn met stijve borstelveeren bedekt. Totale lengte 13,
staartlengte 6.5 cM.



Het Barmsijsje of Paapje, in Groningen en Friesland Steenbarmpje
genoemd (Acanthis linaria) [11], is een andere, veelvuldig bij ons
verschijnende, in het hooge noorden broedende soort van hetzelfde
geslacht. De voorkop en de kruin zijn donker karmijnrood, de achterkop
en de overige bovendeelen dof roestbruin met donkerbruine, overlangsche
strepen, de staartwortelveeren bleek karmijnrood, de bovendekveeren
van den staart donkerbruin, de wangen en de oorstreek roestbruin met
donkerder streepjes, de voorste gedeelten van de wangen, de keel,
den krop en de zijden van de borst karmijnrood (de veeren van het
midden der keel met smalle, witte zoomen), de overige onderdeelen wit,
de slagpennen donkerbruin met twee lichte banden over den vleugel,
de staartveeren donkerbruin. Het oog is donkerbruin, de bovensnavel
hoornblauw, de ondersnavel geel, de voet grijsbruin. Totale lengte 13,
staartlengte 6 cM.

Het verbreidingsgebied van het Barmsijsje omvat den kouden gordel van
de Oude en de Nieuwe Wereld, zoover de boomgroei reikt. Van hieruit
trekt het ieder jaar naar zuidelijker gewesten en verbreidt zich in
de wintermaanden van sommige jaren in onbegrijpelijke menigte over
de gematigde streken van het noordelijk halfrond, ook over Nederland
en meer zuidelijke landen, somtijds zelfs over Egypte. Enkele paren
broeden echter in het Reuzengebergte en in de Karpathen. Ieder, die de
ontzaglijke berkenwouden van het hooge noorden doorkruist of althans
gezien heeft, begrijpt, waarom het Barmsijsje niet in elken winter
even veelvuldig bij ons verschijnt. Alleen wanneer in het noorden de
berken niet veel vruchten dragen en onze Vogel dus gebrek aan voedsel
heeft, ziet hij zich genoodzaakt naar zuidelijker streken te verhuizen.

Het leven van het Barmsijsje is even nauw verbonden aan de
aanwezigheid van berkenbosschen, als het bestaan van den Kruisbek van
de naaldhoutbosschen afhangt. In het berkenwoud vinden onze Vogels
in den winter zaden, in den zomer gedurende den broedtijd Insecten
in zeer groote hoeveelheid. Kort nadat zij op hunne broedplaatsen
aangekomen zijn, verstrooien deze overigens zoo gezellige Vogels zich
in meerdere of mindere mate, om zich te wijden aan den bouw van hunne
nesten. Deze zijn meestal laag boven den grond op struikachtige berken
gelegen, komen, wat het bouwplan betreft, het meest met die van onze
Kneutjes overeen, zijn napvormig en bestaan uit fijne twijgjes, die de
onderlaag--, halmen, bladmossen, korstmossen en haren, die den wand--,
alsmede uit veeren, die de binnenbekleeding vormen. De 3 à 5 eieren,
die men er in den regel niet vóór het midden van Juni in vindt,
zijn op lichtgroenen grond dofrood en lichtbruin gevlekt en gestippeld.

Het Barmsijsje is even goedaardig als ongedurig, behendig en wakker. In
het klauteren meer ervaren dan al zijne verwanten wedijvert het
niet slechts met den Kruisbek, maar ook met de zoo beweeglijke
Meezen. Berken, welker draadvormige twijgen met een zwerm van deze
fraaie Vogels bedekt zijn, leveren een prachtig schouwspel op. In de
meest verschillende houdingen hangen alle leden van het gezelschap
aan de twijgen of klimmen hierlangs op en neder, ijverig bezig
met het oppikken van hun voedsel uit de berkenkegeltjes. Ook op den
bodem huppelen zij behendig rond. De loktoon is een dikwijls herhaald
"tsjettsjek", dat vooral bij het opvliegen uit aller keel weerklinkt;
dikwijls wordt er een teeder klinkend "main" aan toegevoegd. Deze
beide geluiden, door een ongeregeld gekweel aaneengekoppeld, maken
de hoofdbestanddeelen uit van het gezang, dat met eenige trillers
besloten wordt.

In de kooi maken deze lieve vogeltjes zonder eenigen schroom gebruik
van het hier aanwezig voedsel en worden na verloop van zeer korten tijd
buitengewoon mak; zij zijn met zeer eenvoudig voer tevreden, wekken
door hun beweeglijkheid en vaardigheid in 't klimmen de belangstelling
van den toeschouwer en sluiten weldra een innige vriendschap met andere
kleine Vogels, die zij op de meest verschillende wijzen liefkozen. Hun
gezellige aard strekt hun ten verderve, wanneer de vogelvanger hun
lagen legt; want, zoodra er één gevangen is, kost het weinig moeite er
meer te vangen, daar deze op den loktoon van hun soortgenoot afkomen.



Bij de hier te lande voorkomende zwermen van Barmsijsjes ontmoet
men soms eenige exemplaren van een in Schotland en in de oostelijke
Alpen (o.a. in Salzburg) broedende soort; deze is wegens zijn 1 à 1.5
cM. geringere lengte bekend onder den naam van Klein Barmsijsje en
wordt door de vogelhandelaars ook wel Steenbarmpje genoemd (Acanthis
rufescens). Zij verschilt van de vorige door de rozeroode tint van
de witte onderdeelen en doordat niet alleen de stuurpennen, maar
ook de slagpennen vuilwit gezoomd zijn. De snavel is geelachtig,
de pooten zijn zwart.

Veel zeldzamer dan de vorige soort wordt een enkele maal in Nederland
te midden van zijne verwanten het in Groenland broedende Langsnavelige
Barmsijsje (Acanthis Holbölli) aangetroffen. Deze soort is kenbaar
aan den langen, helder oranjegelen, op den rug zwarten snavel. In
grootte komt zij met het gewone Barmsijsje overeen.



De Sijsjes (Chrysomitris) kenmerken zich door den langen, in een
fijne spits eindigenden, langs de rijglijn flauw gekromden snavel,
de met korte nagels gewapende teenen en de betrekkelijk lange vleugels.



Ons Sijsje (Chrysomitris spinus) is op den geheelen bovenkop en den
nek zwart, op den achterhals, den mantel en de schouders geelgroen met
donkere, overlangsche streepjes; het voorste gedeelte van de wangen,
de keel, de zijden van den hals, de krop en de bovenborst zijn fraai
olijfkleurig geel, de onderborst en de buik bijna wit, de zijden wit
met zwarte, overlangsche vlekken, de overige onderdeelen, de stuit en
een streep boven de oogen citroengeel, de bovendekveeren van den staart
groen, de slagpennen bruinzwart met gele zoomen, vleugeldekveeren
olijfgroen, de staartveeren geel, aan 't einde zwart. Het oog is
donkerbruin, de snavel vleeschkleurig met zwartachtige spits, de
poot bruin. Bij 't wijfje zijn de veeren van de bovendeelen (ook
de bovenkop) groenachtig bruin, die van de onderdeelen vuilwit met
donkere schaftvlekken; de vleugels en de staart zijn merkbaar bleeker
dan bij het mannetje. Totale lengte 12, staartlengte 4.5 cM.

Het verbreidingsgebied van het Sijsje omvat geheel Europa en Azië,
zoover deze werelddeelen met bosschen bedekt zijn, noordwaarts strekt
het zich uit tot op de breedte van het midden van Noorwegen. In
vele van deze landen is het echter slechts als trekvogel bekend. In
Nederland is het enkele malen broedend aangetroffen in Gelderland
(Schlegel), een paar malen in Friesland (Oudeschoot, Beetsterzwaag),
ook te Kralingen (Albarda). Verreweg de meeste Sijsjes komen hier op
den trek in het najaar en blijven hier veelal den geheelen winter
rondzwerven, om in 't voorjaar weer naar hunne broedplaatsen te
vertrekken. In Duitschland zijn zij zwerfvogels, die buiten den
broedtijd verre tochten ondernemen, maar hun vaderland slechts zelden
verlaten. Gedurende den zomer bewonen zij de naaldhoutbosschen van
bergachtige streken, broeden hier en gaan vervolgens zwerven. In
noordelijker gewesten zijn zij trekvogels; deze exemplaren zijn het,
die 't najaar hier of in nog zuidelijker gelegen gewesten komen
overwinteren. In sommige winters ziet men ze bij duizenden in of
bij de dorpen, in andere winters zijn zij schaars. Zij vermijden
boomlooze oorden en houden zich voortdurend in de bovenste twijgen
van de boomkronen op.

"Het Sijsje is," zegt Naumann, "altijd opgewekt, flink en driest;
het houdt zijne veeren steeds netjes, hoewel het ze meestal niet tegen
het lichaam aanlegt; het beweegt zich vlug in alle richtingen, keert
en draait dikwijls het achterlijf van links naar rechts en van boven
naar beneden huppelt, stijgt en klimt voortreffelijk, kan met den kop
naar onderen aan den top van een heen en weer schommelend takje hangen,
langs loodrechte, dunne loten buitengewoon snel op en neer wippen en
doet in al deze opzichten niet veel onder voor de Meezen. Zijn wijze
van zitten op de takken is zeer verschillend; nergens blijft het lang
in rust, tenzij het aan 't eten is. Ook op den grond huppelt het
met gemak en vlug, hoewel het deze bewegingswijze zooveel mogelijk
tracht te vermijden." Het vliegt snel en zonder inspanning en volgt
een golvende lijn; het ziet er daarom niet tegen op over groote
afstanden te vliegen en stijgt tot een aanzienlijke hoogte op. Zijn
loktoon klinkt als "trettet" of als "tettertettet" en "di di" of "di di
lei". Met de laatstgenoemde klanken begint het mannetje gewoonlijk zijn
gezang, een niet zeer uitmuntend, maar recht gezellig gekweel, waaraan
als slot een lang gerekt "dididlidlideideeee" wordt toegevoegd. Het
Sijsje is argeloos en gemeenzaam, gezellig, vreesachtig, vreedzaam
en tot op zekere hoogte lichtzinnig; het bekommert zich althans
weldra niet meer om het verlies van zijn vrijheid. Als kamervogel
is het zeer aan te bevelen. Daar het buitengewoon leerzaam is, kan
het in korten tijd allerlei aardige kunstjes leeren verrichten, neemt
allerlei voedsel voor lief, is verdraagzaam jegens alle overige Vogels,
in welker gezelschap het moet leven, vat een buitengewone genegenheid
op voor zijn meester, gewent er aan vrij uit en in de kooi te vliegen,
luistert naar en gehoorzaamt aan de roepstem van den mensch en plant
zich in de gevangenschap even gemakkelijk voort als eenige andere
Vogel, die van zijn vrijheid beroofd is.

Verschillende soorten van zaden, hoofdzakelijk van boomen, jonge
knoppen en bladen, gedurende den broedtijd echter Insecten, vormen het
voedsel van het Sijsje. De jongen worden voornamelijk met Insecten,
meestal met kleine rupsen, Bladluizen enz., grootgebracht en, kort
nadat zij hebben leeren vliegen, door hunne ouders naar tuinen en
boomgaarden gebracht, omdat hier gewoonlijk meer Insecten te vinden
zijn dan in meer dichte bosschen.

De vorm en de samenstelling der nesten is eenigszins ongelijk;
van buiten bestaan zij echter hoofdzakelijk uit droge rijsjes,
voorts uit bladmossen, die op boomen groeien en korstmossen van
sparreboomen, schapenwol en dergelijke bouwstoffen, die door spinsels
van rupsen stevig met elkander verbonden worden; van binnen zijn zij
bekleed met een dichte laag van worteltjes, plantenwol, korstmossen,
bladmosstengeltjes, grasblaadjes en veeren. De wanden van het nest
zijn zeer dik, de napvormige holte is tamelijk diep; men vindt er
5 of 6 eieren in; deze zijn ongelijk van vorm, grootte en kleur,
op blauwachtig witten of bleek groenachtig blauwen grond met meer of
minder duidelijke stippels, vlekken en aders geteekend. Het wijfje
broedt alleen en wordt gedurende dit bedrijf door het mannetje uit
den krop gevoederd; de jongen komen binnen 13 dagen uit. De beide
ouders bemoeien zich met de opvoeding der jongen.

Het Sijsje heeft van zijne vijanden veel te lijden; zijn argeloosheid
en gezelligheid brengen het, wanneer het door menschen of roofdieren
belaagd wordt, dikwijls in 't ongeluk.



De algemeen bekende Distelvink of Putter, in Groningen ook wel Kletter
genoemd (Carduelis elegans), vertegenwoordiger van een gelijknamig,
weinige soorten omvattend geslacht (Carduelis), dat in de Oude Wereld
inheemsch is, kenmerkt zich door den zeer langwerpig tolvormigen,
in een scherpe spits uitloopenden, een weinig naar beneden gekromden
snavel, de korte, stevige pooten, welker lange teenen met scherpe
nagels gewapend zijn, de spits toeloopende vleugels, van welker
slagpennen de vijf eerste de langste zijn, den middelmatig langen,
aan den top flauw uitgeranden staart en de losse bevedering. Zijn
kleed is zeer bont van kleur. Een smalle band rondom den snavel, de
teugel, het midden van de kruin en de achterkop zijn donkerzwart; de
voorkop, het achterste gedeelte van de wangen en de keel zijn schel
karmijnrood, de slapen en het voorste gedeelte van de wangen wit,
de nek, de schouders en de rug geelachtig, de krop en de zijden van
de borst licht roodachtig bruin, de gorgel, de staartwortel en de nog
niet genoemde onderdeelen wit; de eerste slagpennen zijn over haar
geheele lengte donkerzwart, de overige aan de buitenzijde hooggeel
op het derde gedeelte, dat het dichtst bij den wortel gelegen is,
en vóór de spits met een naar achteren zich vergrootend witachtig
schildje versierd. Het oog is nootbruin, de snavel roodachtig wit, maar
aan de spits zwart, de poot blauwachtig vleeschkleurig. De mannetjes
en de wijfjes gelijken sprekend op elkander. Bij de jongen zijn het
rood en het zwart aan den kop nog niet aanwezig. Totale lengte 13,
staartlengte 5 cM.

Van 't midden van Zweden te beginnen wordt de Distelvink in geheel
Europa gevonden; hij komt ook voor op Madera, de Kanarische eilanden,
in het noordwesten van Afrika en in een groot deel van Azië, van
Syrië af tot in Siberië. Op Cuba is hij verwilderd, op Nieuw-Zeeland
met goed gevolg ingevoerd. Binnen de grenzen van het genoemde
verbreidingsgebied ontbreekt deze soort, naar het schijnt, nergens en
neemt het aantal harer vertegenwoordigers toe, naarmate aan het kweeken
van fruit meer uitbreiding wordt gegeven; trouwens zij schikt zich
uitmuntend in gewijzigde omstandigheden, maar wordt geenszins overal
even veelvuldig aangetroffen. In Nederland broedt de Putter op vele
plaatsen, waar hout groeit, zelfs in groote tuinen; gaarne houdt hij
zich in populieren op, daarentegen mijdt hij de naaldboomen. In het
begin van den herfst vereenigen de Distelvinken zich hier en daar tot
groote zwermen; gezelschappen, die uit meer dan honderd leden bestaan,
zwerven dan door 't land. Gewoonlijk verdeelen deze scharen zich
tegen den aanvang van den winter in kleinere troepen, die weken lang
samenleven. Sommige trekken in September naar Zuid-Europa, om in April
terug te keeren; enkele overwinteren hier. De meeste broedplaatsen
worden gevonden in oorden, waar de bosschen met breedbladige boomen
de overhand hebben, of waar fruit wordt gekweekt. Een woudbewoner in
de eigenlijke beteekenis van het woord is de Distelvink niet, daar
hij niet van aaneengeschakelde, met boomen begroeide terreinen houdt,
maar zich liever in tuinen en parken, langs wegen, op grasperken of
weiden en dergelijke plaatsen vestigt en hier gewoonlijk ook broedt.

De Distelvink is een zeer lieftallige Vogel, in alle lichaamsbewegingen
goed ervaren, onrustig, behendig, schrander en listig; zijn houding
is sierlijk en maakt den indruk, alsof hij zich bewust is van zijn
schoonheid. Hij is een echte boomvogel, komt slechts ongaarne op
den bodem en beweegt zich hier ook tamelijk ongeschikt; hij klimt
daarentegen als een Mees, houdt zich evenals het Sijsje met gemak
onder aan de dunste twijgen vast en blijft in deze houding eenige
minuten lang aan 't werk. Hij vliegt snel en met gemak, volgt evenals
de meeste Vinken een golvende lijn en zweeft alleen dan, als hij zich
wil nederzetten. Als rustplaats geeft hij de voorkeur aan de hoogste
toppen van boomen en struiken; nooit blijft hij lang op één plaats,
altijd komt zijn onrust weer boven. Jegens den mensch toont hij zich
steeds voorzichtig; schuw is hij echter alleen dan, als hij reeds
vervolgingen te verduren heeft gehad. Met andere vogels leeft hij
in vrede, maar toont eenigzins neiging om met hen te stoeien. Zijn
lokstem heeft aanleiding gegeven tot zijn Duitschen naam "Stieglitz",
die een navolging is van de klanken "Stiegliet", "piekelniet" en
"piekelniek kie kleia", welke hij zoowel zittend als onder 't vliegen
laat hooren. Een zacht "mai" wordt als waarschuwend sein gebruikt, door
het heesche "rèrèrèrè" openbaart hij een onaangename aandoening. De
jongen roepen "tsief lietsie tsie" enz. Het gezang van het mannetje
is luid en aangenaam, hoewel de tonen, ieder afzonderlijk genomen,
bij die van het Kneutje achterstaan, wat klank en volheid betreft;
het zingt met veel afwisseling en zoo vroolijk, dat de vogelliefhebber
den Distelvink ook wegens zijn gezang in in hooge eer houdt. In de
kooi zingt hij bijna gedurende het geheele jaar; in de vrije natuur
zwijgt hij alleen in den ruitijd en bij ongunstige weersgesteldheid.

Het voedsel van den Distelvink bestaat uit velerlei zaden, vooral
echter uit die van berken en elzen en niet minder uit die van distels
in de uitgebreidste beteekenis van het woord; men kan er daarom staat
op maken hem te zullen aantreffen op plaatsen, waar distels of klissen
groeien. In den zomer eet hij bovendien Insecten en met deze brengt
hij zijne jongen groot. In ieder jaargetijde is zijn werkzaamheid dus
nuttig voor ons, niet minder door het azen op schadelijk onkruid als
door het vangen van Insecten.

De Distelvink bouwt zijn stevig, dicht ineengewerkt, kunstig nest
in bosschen met verspreid staande breedbladerige boomen of in
boomgaarden, dikwijls in tuinen en in de onmiddellijke nabijheid
van huizen, gewoonlijk 6 à 8 M. boven den grond, meestal in een
gaffel van het bovenste deel der kroon; het is zoo goed verborgen,
dat het van onderen eerst dan zichtbaar wordt, als de bladen van de
boomen vallen. Groene korstmossen, die op de boomen en bladmossen,
die op den grond groeien, fijne worteltjes, droge halmpjes, vezels,
en veeren, alles aaneenverbonden door spinsels van insectenlarven
en Spinnen, vormen den buitenwand van het nest; de binnenbekleeding
bestaat uit een laag vruchtpluis van distels, die door een dunne laag
paardehaar en varkensborstels op haar plaats wordt gehouden. Het
wijfje bouwt dit nest; het mannetje verdrijft haar intusschen den
tijd door vlijtig te zingen, maar geeft zich slechts zelden de moeite
direct behulpzaam te zijn bij het bouwen. Het broedsel bestaat uit 4
of 5 broze, dunschalige eieren, die op witten of blauwgroenachtigen
grond spaarzaam bedekt zijn met violetachtig grijze stippels, maar
aan 't stompe einde een kranswijze teekening vertoonen. Zelden vindt
men deze eieren vroeger dan in Mei; waarschijnlijk heeft het broeden
slechts éénmaal per jaar plaats. Het wijfje broedt alleen; de jongen
verlaten na 13 of 14 dagen het ei; zij worden aanvankelijk met kleine
insectenlarven, later met Insecten gevoederd; nadat zij uitgevlogen
zijn, staan zij nog gedurende geruimen tijd onder de leiding van de
ouders. Evenals het Kneutje brengt ook de Distelvink voedsel aan zijne
jongen, wanneer zij vóór het uitvliegen in een kooi opgesloten worden.



De snavel van de Geelvinken (Serinus) is klein, kort, dik en voorzien
van een stompe spits, van boven een weinig gewelfd, aan de boogvormige
zijranden ingetrokken, met een ondiepen inham vóór de spits van
den bovensnavel; de voet heeft een korten loop en niet bijzonder
lange teenen, die met kleine, flauw gebogen nagels gewapend zijn;
de vleugel is middelmatig lang en scherp; zijn spits wordt gevormd
door de tweede en de derde slagpen; de staart is middelmatig lang en
aan het einde tamelijk diep ingesneden.



Van de eenige, in Duitschland inheemsche soort van dit geslacht, de
Europeesche Kanarievogel, het Geel Sijsje, de Gewone Geelvink (Serinus
hortulanus), werden sedert 1887 in de wintermaanden herhaaldelijk
ook in Nederland enkele exemplaren gevangen, n.l. in Utrecht
(Amersfoort), Noordbrabant ('s Hertogenbosch, Vucht), Gelderland
(Harderwijk, Doornspijk), voorts te Breskens in Zeeuwsch-Vlaanderen
(Albarda). Haar totale lengte bedraagt 12.5 cM., terwijl de staart
6 cM. lang is. De hoofdkleur van het vederenkleed is fraai groen;
de achterkop, de rug en de schouders zijn groengeel met uitvloeiende,
zwarte, overlangsche vlekken; de voorkop, een streep achter de oogen
en een ring aan den nek, de staartwortel en de onderdeelen zijn bleek
goudgeel, welke kleur op den buik lichter wordt en op de onderdekveeren
van den staart in wit overgaat; de borst en de zijden van den buik
zijn met groote, donkerzwarte, overlangsche vlekken geteekend; de
slagpennen zijn zwartbruin, aan de buitenzijde met groenachtig gelen,
aan de spits met witten zoom, de stuurpennen bruinzwart, aan de
binnenzijde met witachtig gelen, aan de buitenzijde met groenachtig
gelen zoom. De iris is lichtbruin, de bovensnavel hoorngrijs, de
ondersnavel roodachtig grijs, de poot geelachtig vleeschkleurig.

Oorspronkelijk in het zuiden van Europa en in Klein-Azië inheemsch,
heeft de Europeesche Kanarie de grenzen van zijn verbreidingsgebied
langzamerhand noordwaarts uitgebreid; hij doet dit ook thans nog en
vestigt zich, steeds verder voortschrijdend, in gewesten, waar hij
een menschenleeftijd geleden nog in 't geheel niet gevonden werd.

In Duitschland is de Europeesche Kanarie een zwerfvogel, die geregeld
in het voorjaar, en wel in de laatste dagen van Maart of in de
eerste dagen van April, verschijnt en tot in het laatst van den
herfst blijft. In geheel Zuid-Europa vliegt hij gedurende den winter
hoogstens van de eene plaats naar de andere, zonder evenwel werkelijk
te zwerven. Hij is er veel overvloediger dan in Duitschland, bewoont
oorden met zeer verschillende gesteldheid en ontbreekt zelfs op hooge
bergtoppen niet. Boomgaarden, in welker nabijheid zich moestuinen
bevinden, lokken hem het meest aan, daarom komt hij in Duitschland
in sommige streken zeer veelvuldig, in andere dichtbij gelegene in
't geheel niet voor.

De Europeesche Kanarie is een aardige, levendige en aanvallige Vogel,
altijd wakker en goed geluimd, gezellig en vreedzaam, zoolang de liefde
geen aanleiding geeft tot scheiding, afzondering en strijd. Die welke
het eerst bij ons aankomen, zijn steeds mannetjes; de wijfjes volgen
later. Gene worden onmiddellijk opgemerkt wegens hun gezang en hun
onrustigen aard; zij gaan op de hoogste boomtoppen zitten, laten
de vleugels hangen, richten den staart een weinig op, draaien zich
voortdurend naar alle zijden en zingen intusschen zeer ijverig. Dit
gezang wordt door Hoffmann zeer juist vergeleken met het lied van den
Bastaardnachtegaal, dat evenwel zachter is. Uitmuntend kan men het
niet noemen, daar het te eenvormig is en te veel snorrende geluiden
bevat; ik moet echter erkennen, dat het op mij altijd een aangenamen
indruk heeft gemaakt.

Het nest gelijkt nog het meest op dat van onzen Vink; het wordt op zeer
verschillende wijzen samengesteld; soms bestaat het bijna geheel uit
dunne worteltjes, soms uit allerlei halmen; van binnen is het bijzonder
fijn en zacht met haren en veeren bekleed. Het is nu eens hooger, dan
weer lager geplaatst, maar altijd zooveel mogelijk verborgen te midden
van de dicht opeengepakte twijgen van een struik of van een boom. Het
broedsel bestaat uit 4 of 5 kleine, stompe, buikige eieren, die op
vuilwitten of groenachtigen grond overal, aan het stompe einde echter
meer dan aan de spits, met dofbruine, roode, roodgrijze, purperzwarte
stippels, vlekken en krullen geteekend zijn. In Duitschland begint
de broedtijd omstreeks het midden van April. Waarschijnlijk heeft
het broeden minstens tweemaal per jaar plaats.

In Spanje vangt men de Europeesche Kanaries op de zoogenaamde
"musschenboomen" bij duizenden ten behoeve van de keuken. Hiertoe
worden de afgezonderd in 't veld staande boomen, die aan
de Vinkenzwermen tot rustplaats dienen, in groote hoeveelheid
bestrooid met esparto (een hard, biesachtig gras, nadat dit met
vogellijm bestreken is). Van de talrijke Vogels, die zich op zulke
boomen neerzetten, ontsnapt ternauwernood het vierde gedeelte aan
de verraderlijke lijmroeden; niet alleen Kanaries, maar ook Vinken
en zelfs Arenden vallen den vogelvanger ten buit.--In de kooi maakt
de Europeesche Kanarie een aangenamen indruk; hij is echter niet zoo
goed tegen de gevangenschap bestand, als men vermoed zou hebben.



"Drie eeuwen zijn voorbijgegaan," zegt Bolle, "sedert de Tamme
Kanarie de grenzen van zijn eigenlijk vaderland overschreden heeft en
wereldburger geworden is. De beschaafde mensch heeft de hand naar hem
uitgestrekt, hem naar andere gewesten overgebracht en zorg gedragen
voor zijn vermenigvuldiging. Gedurende een groot aantal opeenvolgende
geslachten is zijn lot aan dat van zijn meester verbonden geweest;
dit heeft hem zeer groote veranderingen doen ondergaan. Licht zou
men thans, in dezelfde dwaling vervallend als Linnaeus en Brisson,
het goudgele huisdiertje kunnen beschouwen als type van de soort en
den groenachtigen, in 't wild levenden Vogel, die de kenmerken van
den stamvorm onveranderd behouden heeft, bijna geheel vergeten."

Er was een onderzoeker als Bolle noodig, om ons het leven van den
Kanarie in de vrije natuur te schilderen. Door al zijne voorgangers,
met uitzondering alleen van A. von Humboldt, werd aan dit onderwerp
weinig zorg gewijd; bovendien zijn de door hen medegedeelde feiten
zoozeer met onjuistheden vermengd, dat het moeite kost deze van gene
te scheiden. Bolle, die ons een even zuiver als kleurenrijk beeld
van den zoo belangrijken Vogel gegeven heeft, trof hem aan op de
vijf eilanden van de Kanarische groep, die nog in het bezit zijn van
bosschen, n.l. op Gran Canaria, Teneriffa, Gomera, Palma en Ferro. Hij
meent echter te mogen aannemen, dat de Kanarie, die op de Kaapverdische
Eilanden en op Madera inheemsch is, vroeger eveneens geleefd heeft op
verscheidene van de Kanarische Eilanden, welker bosschen thans geheel
uitgeroeid zijn. Op de boschrijke eilanden dezer groep bewoont hij
alle oorden, waar dicht bijeengroeiende boomen met struiken afwisselen,
bij voorkeur de oevers van de met weelderig groen omzoomde geulen, die
gedurende het regenseizoen bekend zijn, en in het droge jaargetijde
ophouden te vloeien; niet minder veelvuldig houdt hij zich echter op
in de tuinen rondom menschelijke woningen. Zijn verbreidingsgebied
strekt zich uit van de zeekust tot meer dan 1500 M. daarboven in het
gebergte. Overal, waar de eischen, die dit vogeltje aan 't leven stelt,
bevredigend worden, is het veelvuldig; in de wijnbergen algemeen,
in de dennebosschen, die de hellingen van het gebergte bekleeden,
niet zeldzaam; naar het schijnt, vermijdt het echter de binnenste
gedeelten van de schaduwrijke wouden der hooge bergstreken, hoewel
het de randen der wouden bewoont.



De Wilde Kanarie, die ook in zijn vaderland door de Spanjaarden en
Portugeezen Canario wordt genoemd (Serinus canarius) is aanmerkelijk
kleiner en gewoonlijk ook iets slanker, dan de Tamme in Europa
geteelde vorm. Zijn totale lengte bedraagt 12 à 13 cM., de staart
is 6 cM. lang. Op het oude mannetje zijn de rugveeren geelgroen
met zwartachtige schaftstrepen; wegens de groote breedte van de
licht-aschgrauwe randen dezer veeren heeft op den rug het aschgrauw
bijna de overhand; de staartwortel is geelgroen; de bovendekveeren
van den staart echter zijn groen met aschgrauwe randen; de kop en
de nek zijn geelgroen met smalle, grijze randen; de voorkop en een
breede streep achter de oogen, die aan den nek een kringvormige bocht
verkrijgt, zijn groenachtig goudgeel, zoo ook de keel en de bovenborst;
de zijden van den hals daarentegen zijn aschgrauw. De kleur van de
borst wordt verder achterwaarts lichter, meer geelachtig; de buik en
de onderstuitveeren zijn witachtig, de schouders fraai geelgroen met
dofzwarte en bleekgroenachtige banden; de zwartachtige slagpennen
hebben een smallen, groenachtigen, de zwart-grijze staartveeren een
witachtigen zoom. De iris is donkerbruin; de snavel en de pooten zijn
bruinachtig vleeschkleurig.

Het voedsel van den Wilden Kanarie bestaat grootendeels, zoo niet
uitsluitend uit plantaardige stoffen; fijne zaden, malsch groen en
sappige vruchten, vooral vijgen. "Water is voor den Kanarie volstrekt
onmisbaar. Hij vliegt dikwijls, meestal in gezelschap, naar de
drinkplaats; evenals onze tamme Kanarie, houdt hij veel van baden,
waarbij hij zich zeer nat maakt.

"De paring en de nestbouw hebben plaats in Maart, meestal eerst
in de tweede helft van deze maand. De door mij waargenomen nesten
van deze Vogel lagen minstens 2 M. boven den grond, dikwijls veel
hooger. Voor jonge, nog slanke boompjes schijnt hij een bijzondere
voorliefde te gevoelen; van deze kiest hij het liefst de altijd
groene of zeer vroeg in 't blad staande soorten uit. Het eerste nest,
dat wij te zien kregen, vonden wij op een der laatste dagen van Maart
1856 te midden van een verwilderden tuin van de villa Orotava op een
ongeveer 4 M. hoogen buksboom, die boven een myrtenboschje uitstak. Het
rustte op een gaffel en was van onderen breed, van boven zeer nauw,
buitengewoon sierlijk afgerond, net en regelmatig gebouwd, grootendeels
uit sneeuwwitte plantenwol samengesteld, waardoor slechts weinige droge
halmpjes heengeweven waren. Het eerste ei werd den 30sten Maart gelegd:
iederen dag werd er een toegevoegd, totdat er vijf eieren in het nest
waren, hetwelk het gewone getal schijnt te zijn in ieder broedsel. De
eieren zijn bleek zeegroen en met roodachtig bruine vlekken bezaaid,
zelden bijna of geheel effen van kleur. Zij gelijken volkomen op die
van den tammen Vogel. In den duur van het broeden is door het temmen
geen verandering gekomen; ook de Wilde Kanarie broedt ongeveer 13
dagen. De jongen blijven in het nest, totdat zij volkomen bevederd
zijn en worden nog eenigen tijd na het uitvliegen door de beide ouders,
vooral echter door den vader, met veel zorg uit den krop gevoederd. Het
aantal broedsels in één zomer bedraagt in den regel vier, soms niet
meer dan drie. Terwijl het wijfje broedt, zit het mannetje niet ver
af, bij voorkeur boven in boomen, die nog geen bladeren hebben. Op
zulke plaatsen zingt hij het liefst en het langst achtereen.

"Veel is er over de waarde van het gezang van den Wilden Kanarie
gesproken. Door eenigen overschat en al te zeer geprezen, is het
door anderen zeer streng beoordeeld. Men is niet ver van de waarheid
verwijderd, wanneer men zegt, dat de Wilde Kanarie op dezelfde wijze
zingt als onze Tamme. De slag van den laatstgenoemden is volstrekt geen
kunstproduct, niet als een geheel aangeleerd, maar over 't algemeen
gelijk gebleven aan het oorspronkelijke gezang. Het moge zoo zijn, dat
de opvoeding enkele gedeelten van het gezang heeft kunnen veranderen
en ze tot een schitterender ontwikkeling heeft gebracht, dat andere
bij de in den natuurstaat levende Vogels frisscher en zuiverder
zijn gebleven, over 't geheel genomen komen de beide Vogels door de
voornaamste eigenaardigheden van hun gezang ook thans nog volkomen
overeen. Hieruit blijkt, dat, moge een volk zijn taal kunnen verliezen,
een vogelsoort de zijne, ondanks allen wijzigingen van de uitwendige
omstandigheden, onveranderd behoudt. Zoo luidt het onbevangen
oordeel van den waarnemer. Bevooroordeeld wordt hij echter door de
duizenden bekoorlijkheden van het landschap, door de tooverkracht
van het ongewone schouwspel. Het fraaie gezang, dat hij hoort, wordt
nog schooner en klankvoller, doordat het niet in de stoffige kamer,
maar onder Gods vrijen hemel weerklinkt, waar rozen en jasmijnen de
cipressen omstrengelen; bovendien verliezen de klankgolven, terwijl
zij in de ruimte allengs wegsterven, de hardheid, die ons aan het
gezang van den tammen Vogel, dat men meestal van zeer nabij hoort,
niet bevalt. Hierbij komt nog, dat men niet uitsluitend met het oor
hoort, maar onbewust ook de klanken verneemt, die de phantasie ons
voor den geest toovert, hetgeen aanleiding geeft tot beoordeelingen,
die later bij anderen ontgoochelingen doen ontstaan.

"De wijze van vliegen van den Wilden Kanarie gelijkt op die van het
Kneutje. De vluchtlijn is eenigszins golvend en loopt meestal op matige
hoogte van den eenen boom naar den anderen. Als de Vogels bij zwermen
vliegen, zijn de leden van het gezelschap niet dicht opeengedrongen,
maar houdt ieder zich op een korten afstand van zijn buurman en laat
intusschen herhaaldelijk den kort afgebroken loktoon hooren.

"Het is zeer gemakkelijk deze diertjes te vangen; vooral als zij
jong zijn gaan zij bijna in iederen val, wanneer er slechts een
lokvogel van hun soort naast staat: hetgeen een bewijs te meer is
voor hun groote neiging tot gezelligheid. Op de Kanarische Eilanden
vangt men ze gewoonlijk in een soort van knipkooi, bestaande uit
twee naast elkander gelegen afdeelingen, die als vallen dienst
doen en ieder voorzien zijn met een dichtslaand deksel dat door een
licht verplaatsbaar stelhoutje open wordt gehouden; deze vallen zijn
vaneengescheiden door een in 't midden aanwezige kooi, waarin zich
de lokvogel bevindt. De vangst heeft plaats in boomrijke gewesten,
waar water in de nabijheid is en levert de beste uitkomsten op in
de vroege morgenuren. De prijs van jonge Vogels, die reeds vliegen
kunnen, is te Santa Cruz gewoonlijk ongeveer 15 cents per stuk,
wanneer men er verscheidene te gelijk koopt. Voor pas gevangen,
oude mannetjes betaalt men 60 cents per stuk. Veel duurder zijn zij
op Canaria in weerwil van den geringeren prijs der levensbehoeften
aldaar, wat op zichzelf beschouwd reeds voldoende is om de grootere
zeldzaamheid van de Kanarievogels op dit eiland te verklaren.

"Het duurt langen tijd, voordat de gevangen Kanaries de hun aangeboren
wildheid afleggen. Wegens hun onrustigen aard beschadigen zij
licht elkanders veeren, wanneer er verscheidene in een kleine kooi
opgesloten worden. Zij houden er veel van elkander met den snavel te
liefkoozen. De jonge mannetjes beginnen na verloop van korten tijd
te kweelen; aan hun luid en langdurig gezang worden zij gemakkelijk
herkend. De voedering van deze dieren vereischt veel zorg. Er bestaat
misschien onder de zaadeters geen teergevoeliger Vogel. Men verliest
de meeste aan kramp: de tweede of derde aanval van deze kwaal brengt
in den regel den dood teweeg."



Bij de Roodmusch (Pinicola erithrynus) [12] heeft de snavel, die aan
den wortel meer breed is dan hoog een iets grootere lengte en een
sterker gekromden rug dan bij het vorige geslacht; in den tamelijk
spitsen vleugel zijn de tweede en de derde slagpen de langste; de
staart is middelmatig lang en flauw uitgerand, de loop krachtig,
korter dan de middelste voorteen; de nagels zijn sterk gekromd en
zijdelings samengedrukt.

Bij het mannetje van de Roodmusch zijn de kruin, de keel, de krop
en de staartwortel karmijnrood, de achterhals en de rug bruingrijs,
met donkere, karmijnrood getinte vlekken geteekend, de buik, de
schenkels en de onderdekveeren van den staart vuilwit; de donkerbruine
slagpennen zijn aan de buitenzijde roestgeelachtig wit gezoomd; de
schouderveeren hebben licht bruinachtige randen en zijn karmijnrood
getint; de stuurpennen zijn grijsbruin met iets lichteren zoom; de
bovendekveeren van den staart hebben een karmijnrooden zoom. Bij het
wijfje, heeft in plaats van karmijnrood, vaalgrijs de overhand. Het
oog is bruin, de snavel licht-, de voet donkerhoornkleurig. Totale
lengte 16, staartlengte 6 cM.

In Europa bewoont de Roodmusch als standvogel alleen de oostelijke
landen, meer bepaaldelijk Galicië, Polen, de Oostzeeprovinciën, Middel-
en Zuid-Rusland bovendien echter geheel Middel-Azië van den Oeral tot
Kamtschatka. Van hier trekt zij geregeld naar 't zuiden, door China
tot Indië en door Toerkistan tot Perzië, verschijnt echter niet al te
zelden in Oost-Duitschland, heeft in Silezië en Sleeswijk gebroed en
werd herhaaldelijk in Middel-, West- en Zuid-Duitschland, Nederland
(te Overveen en nabij Groningen), België, Frankrijk, Engeland en
Italië waargenomen. Omstreeks het midden van Mei, op zijn vroegst in
't einde van April, komt zij op hare broedplaatsen aan, van waar zij
in September weder vertrekt. Als verblijfplaats kiest zij bij voorkeur
dichte struiken in de nabijheid van het water, ook wel broekland, dat
met riet en struiken begroeid is; zij blijft echter niet beperkt tot
de lage streken, maar komt ook in heuvelachtige gewesten en zelfs in
bergstreken tot boven 2000 M. hoogte voor. Veelvuldig is zij nergens,
overal wordt zij verspreid waargenomen; gedurende den zomer vormt
zij nooit groote zwermen.

Onmiddellijk na haar aankomst hoort men haar buitengewoon aantrekkelijk
gezang, dat rijk aan afwisseling en klankvol is. Hoewel het aan den
slag van den Distelvink, het Kneutje en den Kanarie herinnert, bezit
het toch zooveel eigenaardigs, dat men het niet met het gezang van
eenigen anderen Vink verwarren kan. In Kamtschatka heeft men, naar
Von Kittlitz ons mededeelt, van dit lied een zeer aardig klankbeeld in
Russische woorden gegeven: "tsjewitsja widel" ("ik heb den Tsjewitsja
gezien!"). Tsjewitsja noemt men de grootste, daar aanwezige Zalmsoort,
de meest gewilde Visch en het voornaamste voedingsmiddel van de
inwoners van dat land; deze Visch komt ongeveer gelijktijdig met de
Roodmusch in Kamtschatka aan. Het gezang van den Vogel wordt geacht de
aankomst van den Zalm aan te kondigen; de Roodmusch is derhalve in een
land, welks bewoners zich hoofdzakelijk met visch voeden, de voorbode
van den schoonsten tijd van het jaar en van den hem begeleidenden buit.

Het voedsel van de Roodmusch bestaat uit allerlei soorten van
zaden, ook wel uit bladknoppen en jonge uitspruitsels. Ook eet zij,
althans in de kooi, mierenpoppen en andere dierlijke stoffen. In
hare winterkwartieren voedt zij zich met de zaden van bamboes-
en rietsoorten en bewoont hier uitsluitend plaatsen waar deze
planten groeien; In Indië wordt zij daarom Reedsparrow ("Rietmusch")
genoemd. Hier, evenals in haar vaderland, bezoekt zij ook de akkers,
maar brengt nergens een belangrijke schade aan de gekweekte planten
toe.

De gevangen Roodmusch is een zeer aanvallige Vogel; haar kleur is
echter vergankelijker dan die van eenigen anderen, met even schoone
kleuren prijkenden Vink. Reeds wanneer men haar in de hand neemt,
verliezen de veeren een deel van haar glans en diepte van kleur; bij
het eerstvolgende ruien wordt het vederenkleed werkelijk wankleurig;
zelden gebeurt het trouwens dat zij verscheidene jaren in de kooi
blijft leven.



Bij den Haakbek (Pinicola enucleator) [13] is de romp krachtig, de
snavel aan alle zijden bol, de bovensnavel evenwel bij wijze van een
haak over de spits van den ondersnavel naar beneden gebogen, aan de
zijranden een weinig uitgesneden; de loop is betrekkelijk kort maar
stevig, de teenen zijn krachtig, de klauwen groot, de vleugels, van
welker handpennen de tweede en de derde de spits vormen, strekken
zich in den toestand van rust over het eerste derde gedeelte van
den staart uit; deze is tamelijk lang en in het midden uitgesneden;
het vederenkleed eindelijk onderscheidt zich door zijn dichtheid en
eigenaardige kleurenpracht. Bij de oude mannetjes heeft een fraaie
aalbessenroode kleur de overhand; de keel is lichter van kleur
en de roodgrijze vleugels hebben twee witachtige dwarsbanden. De
slagpennen en stuurpennen zijn zwartachtig met lichtgele randen. Het
oog is donkerbruin, de snavel vuilbruin, aan de spits zwartachtig,
de ondersnavel lichter dan de bovensnavel, de voet grijsbruin. Totale
lengte 22, staartlengte 8 cM.

Alle landen van het hooge noorden kan men als het vaderland van dezen
fraaien en in 't oog loopenden Vogel beschouwen. Voor zoover men weet,
komen de Haakbekken nergens veelvuldig voor, maar leven integendeel
gedurende den zomer bij paren en afzonderlijk in een uitgestrekt gebied
en vereenigen zich eerst in den herfst tot zwermen. De dan gevormde
vluchten zwerven gedurende den geheelen winter in de wouden van het
noorden rond, komen ook wel in de nabijheid van afgelegen hofsteden
en keeren in het begin van de lente weer naar hunne broedplaatsen
terug. Enkele Haakbekken verschijnen als trekvogels, zoo niet ieder
jaar dan toch in bijna iederen strengen winter in het noordoosten
van Duitschland, de Oostzee-provinciën en het noorden van Rusland,
voorts in de hiermede overeenkomstige landstreken van Noord-Azië en
Amerika; in talrijke zwermen bezoeken zij de genoemde landen slechts
zelden. Slechts dan, wanneer zij door bijzondere gebeurtenissen,
vooral door buitengewoon langdurige sneeuwvlagen, genoopt worden naar
zuidelijker gewesten te trekken, komt het voor, dat vele vluchten
zich vereenigen en zeer talrijke zwermen vormen. In de jaren 1790,
1795, 1798 en 1803 verschenen de Haakbekken in zoo grooten getale
in de Oostzeelanden, dat er alleen in den omtrek van Riga gedurende
langen tijd iedere week ongeveer 1000 paren gevangen konden worden;
in de jaren 1821, 1822, 1832, 1844 en 1878 kwamen zij in moeielijk te
schatten hoeveelheid in Pruisen voor. Eénmaal heeft men een dier van
deze soort in Nederland waargenomen; het werd 9 Nov. 1890 te Peize
(Drenthe) in een lijsterstrik gevonden (Albarda).

Aan de onvrijwillige verhuizingen van deze Vogels naar de ten
zuiden van hun vaderland gelegen gewesten, danken wij grootendeels
onze bekendheid met hun levenswijze. De in Middel-Europa komende
exemplaren toonen hun gezelligen aard, door over dag tot troepen
vereenigd te blijven, gemeenschappelijk rond te zwerven, gezamenlijk
hun kost te winnen en des nachts in vereeniging hun slaapplaats op te
zoeken. Evenals in hun vaderland, houden zij zich ook in den vreemde
bij voorkeur op in naaldhoutbosschen; vooral die, welker onderhout
uit jeneverbessenstruiken bestaat, worden, naar het schijnt, gaarne
door hen opgezocht. In bosschen van breedgebladerde boomen komen
zij veel zeldzamer voor; over boomlooze vlakten vliegen zij zoo
snel mogelijk heen. Kort na hun komst in den vreemde gedragen zij
zich als argelooze, niets kwaads vermoedende Vogels, als dieren die
de arglist van den mensch nog niet ondervonden hebben. Zij blijven
rustig zitten, als de onderzoeker of de jager den boom nadert, waarop
zij zich verzameld hebben, en kijken den schutter domdriest in zijn
wapen; zij zijn als 't ware geheel verbluft en denken er niet aan
om te vluchten, als deze den eenen Vogel na den anderen wegvangt of
van den boom afschiet. Men kan hun zelfs, terwijl zij aan 't eten
zijn, aan lange stokken bevestigde strikken over den kop werpen;
kortom men heeft ze zelfs met de plompste toestellen gevangen. Van de
roerende gehechtheid dezer Vogels aan hunne metgezellen gewagen alle
onderzoekers, die hen in vrijheid konden waarnemen. Zoo bemerkte een
jager, die drie leden van een gezelschap, dat uit vier stuks bestond,
in één trek onder een slagnet gevangen had, tot zijn niet geringe
verbazing, dat de overgeblevene vrijwillig onder het net kroop,
om het lot van de overige Vogels te deelen. Men kan zulk een daad
niet als een bewijs van beperktheid van geestvermogens opvatten;
uit tal van feiten blijkt, dat ook zij door de ervaring schrander,
d. w. z. wantrouwend, schuw en voorzichtig worden.

De levenswijze en gewoonten van den Haakbek herinneren in vele
opzichten aan die van den Kruisbek. Hij is op en top een Boomvogel,
die zich te midden van de twijgen wel thuis gevoelt, maar op den bodem
een vreemdeling is. In de boomkronen klautert hij zeer behendig van
den eenen tak op den anderen; springend overschrijdt hij met gemak
tamelijk groote tusschenruimte. Gedurende zijn tamelijk snelle vlucht
beschrijft hij, evenals de meeste Vinken, uitgestrekte bogen, en begint
eerst kort voordat hij zich zal nederzetten, te zweven; zoo hij al een
enkele maal op den bodem komt, huppelt hij hier met plompe sprongen
rond. Zijn lokstem bestaat uit een aangenaam gefluit, gelijkend op
dat van den Goudvink; zijn gezang, dat ook gedurende den geheelen
winter weerklinkt, biedt velerlei afwisseling aan; het bevat zachte,
zuivere fluittonen, die een zeer liefelijken indruk maken. Gedurende
de dagheldere zomernachten van zijn eigenlijk vaderland zingt
hij met grooten ijver; de bewoners van Norrland noemen hem daarom
"Nachtwachter". Zijn aard is zachtmoedig en vredelievend; de wijze
waarop hij met zijn wijfje omgaat, getuigt van veel zelfverloochening
en teederheid.

In de vrije natuur voedt de Haakbek zich met zaden van naaldboomen,
die tusschen de uiteengeweken schubben van de kegels weggehaald of
van de takken en twijgen, ook wel van den grond, opgezocht worden;
ook andere zaden en allerlei bessen gebruikt hij gaarne; boomknoppen
of malsche, groene plantendeelen in 't algemeen zijn voor hem
lekkernijen. Vermoedelijk eet hij des zomers bovendien Insecten,
vooral de in zijn vaderland zoo buitengewoon menigvuldige Muggen;
waarschijnlijk brengt hij hiermede zijn jongen groot; met zekerheid
is hiervan echter niets bekend.

Volgens Wolley bouwt de Haakbek in Lapland zijn nest op lage sparren,
ongeveer 4 M. boven den grond. De buitenste laag bestaat uit lange,
dunne, buigzame takken, die dikwijls uiterst los ineengevlochten
zijn; de dichtere binnenbekleeding is met den buitenwand dikwijls
slechts losjes verbonden; zij wordt van fijnere wortels, van op boomen
groeienden korstmossen en misschien ook wel van halmen vervaardigd. In
den regel broedt het wijfje op vier eieren; volgens Naumann verricht
zij dezen arbeid alleen, terwijl het mannetje haar den tijd helpt
korten door het zingen van zijne heerlijke liederen.

Binnen weinige uren geraken de Haakbekken aan een kooi gewoon; zij
eten zonder aarzeling het voor hen bestemde voedsel en worden weldra
even tam als andere Goudvinken; de gevangen Vogels blijven echter
zelden lang in 't leven en verliezen reeds bij het eerste ruien voor
altoos hunne prachtige kleuren.



De Meesvink (Uragus sibiricus) werd vroeger tot de Roodmusschen
gerekend, maar wordt thans als vertegenwoordiger van een afzonderlijk
geslacht--dat der Langstaartvinken (Uragus)--beschouwd. Aan zijn niet
bijzonder krachtigen snavel is de spits van de bovenkaak slechts weinig
over die van de onderkaak heengebogen. Hij heeft zwakke pooten en
stompe vleugels, welker spits door de vierde handpen wordt gevormd. De
trapvormige, maar toch in 't midden uitgesneden staart is ongeveer
even lang als het overige lichaam. De veeren zijn zoo zacht als zijde;
evenals bij de vorige soort, heeft bij het mannetje de roode kleur
de overhand, evenwel geen karmijnrood, maar rozerood. Het wijfje is
licht olijfkleurig of grijsgroen. Totale lengte 18, staartlengte 9 cM.

De Meesvink bewoont moerassige, met riet begroeide gewesten van
Oost-Azië hoofdzakelijk Oost-Siberië, Oost-China en Mandsjoerije,
bovendien Oost-Toerkistan. Radde vond hem gedurende het geheele
jaar bij den middelloop van den Amoer. In het laatst van den herfst
vereenigen de paren zich tot vluchten van 10 à 30 stuks, die onder
voortdurend gefluit rondzwerven. Bij Irkoetsk, waar zij zich eerst
tegen het einde van September vertoonen, worden zij tegelijk met
Meezen, Bloedvinken, Kruisbekken en Sneeuwgorsen door de vogelaars
gevangen. In de kooi houden zij zich slechts korten tijd goed en
verliezen weldra hun eigenaardige levendigheid bijna geheel. Tot
tegen November treft men ze het veelvuldigst aan, omdat zij dan op den
doortrek zijn. Een aantal paren vestigen in het genoemde gewest hun
winterverblijf en bewonen er in gezelschap van Goudvinken beekoevers,
die dicht begroeid zijn met struikgewas; ook houden zij zich gaarne op
in de nabijheid van graanbewaarplaatsen, die gewoonlijk gelegen zijn
op heuvels in woudstreken, waar het bosch niet zeer dicht is. Soms
verdwalen deze Vogels naar het zuidoosten van Europa; naar bericht
wordt, heeft men ze zelfs in Hongarije ontmoet.

Het nest van den Meesvink wordt in de eerste helft van Juni,
meestal op dwergberken, zelden op kleine wilgen of lorken, in den
regel 1.5 à 2 M. boven den grond en altijd zoo dicht mogelijk bij
den hoofdstam gebouwd. Het is voor een zoo diksnaveligen Vogel
zeer kunstig samengesteld en herinnert aan dat van den Spotvogel;
de buitenste laag bestaat uit allerlei droge halmen, samengeweven
met vezels van netels, wilgen en andere planten; de holte is netjes
gevoerd met fijn gras, haar van Paarden, Reeën en Hazen, dikwijls
ook met veeren. Het wijfje broedt op 4, zeldzamer op 3 of 5 eieren;
deze zijn zeer fraai van kleur, op donker blauwachtig groenen grond
geteekend met weinig talrijke, bruinachtige vlekken en strepen, die
alleen aan het dikke uiteinde dicht bijeenstaan. Het mannetje laat
gedurende den nestbouw een zacht, maar aangenaam gezang hooren.



De eigenlijke Bloedvinken of Goudvinken (Pyrrhula) kenmerken zich door
den snavel, die aan den wortel meer breed is dan hoog; de snavelrug
is bij den wortel plat, verder naar voren zijdelings samengedrukt
en gekromd; de vleugels zijn middelmatig lang en afgerond; hun
spits wordt gevormd door de 2e, 3e en 4e handpen. De staart is een
weinig uitgerand, de loop zoo lang als de middelste voorteen. Men
onderscheidt een tiental soorten van dit geslacht. Die, welke in ons
land aangetroffen en hier soms in 't najaar in lijsterstrikken gevangen
worden, bewonen Europa en het noorden van Azië tot Japan. Zij zijn
op den bovenkop en aan de keel, op de vleugels en den staart glanzig
donkerzwart, op den rug aschgrauw, op den staartwortel en den onderbuik
wit; overigens hebben de onderdeelen een fraaie, helderroode kleur. Het
wijfje is gemakkelijk te herkennen aan hare aschgrauwe onderdeelen,
terwijl ook de andere gedeelten van het vederenkleed over 't algemeen
minder sprekende kleuren vertoonen. Bij de jongen is de bovenkop nog
niet zwart. De vleugel is steeds ter hoogte van het handgewricht
met twee grijsachtig witte banden geteekend. Als verscheidenheden
komen witte of zwarte en bonte Goudvinken voor. Van de hier bedoelde
dieren onderscheidt men twee groepen, die onderling alleen in grootte
verschillen, maar dit kenmerk standvastig overerven en daarom als
afzonderlijke soorten worden beschouwd. De eene, de Kleine Goudvink
(Pyrrhula europaea) [14] bewoont het westen van Europa; hij is 17
cM. lang, met inbegrip van den 6 cM. langen staart. De Groote Goudvink
(Pyrrhula rubicilla) [15] is 2 cM. langer; hij broedt in het oosten van
ons werelddeel, te beginnen bij de provinciën Pommeren en Pruisen. In
het westen komt hij in 't najaar op den doortrek of als zwerveling
gedurende de wintermaanden, bij uitzondering ook in Nederland. Soms,
doch zeer zelden heeft men hier eenige broedende exemplaren gevonden,
en wel bij Lochem in Gelderland en te Oranjewoud in Friesland
(Albarda). De Kleine Goudvinken broeden ook wel in Gelderland;
bij Lochem komen zij "in Maart en April bij winderig weer in groote
vluchten de knoppen der kersenboomen vernielen; is het weder rustig
en zoel, dan schijnen zij meer in de bosschen te blijven, waar zij
in menigte broeden" (Brants, 1885). "In de overige streken van ons
rijk worden zij slechts in het gure jaargetijde en alles behalve
menigvuldig, in kleine troepen zwervende aangetroffen" (Schlegel).

De Goudvinken (in de nu volgende beschrijving worden de beide soorten
gemeenschappelijk behandeld) zijn zeer gehecht aan de bosschen, die
zij stellig niet verlaten, zoolang zij er voedsel vinden. Eerst als
de winter den Goudvink uit zijne woonplaatsen verdrijft, komt hij bij
vluchten in de boomgaarden en tuinen der dorpen of in akkermaalshout
om hier de weinige bessen en zaadkorrels op te zoeken, die de andere
familieleden voor hem nog overgelaten hebben. In het begin van de
zwerfperiode ziet men dikwijls alleen mannetjes, later mannetjes en
wijfjes te zamen. Zoolang bijzondere omstandigheden den Goudvink niet
tot groote reizen nopen, blijft hij in zijn vaderland; in sommige
gevallen echter strekt hij zijne tochten tot in het zuiden van Spanje
of tot Griekenland uit. Meestal reist hij over dag en vliegt, voor
zoover dit mogelijk is, van het eene bosch naar het andere.

"Het woord Gimpel" (de Duitsche naam van den Goudvink), zegt Brehm
de vader, "is als scheldwoord tot aanduiding van een bekrompen
mensch algemeen bekend; het wekt den indruk, dat onze Vogel dom
is. Het valt niet te ontkennen, dat hij geen argwaan heeft en tegen
de vervolgingen van den mensch volstrekt niet opgewassen is: hij
laat zich gemakkelijk schieten en vangen. Zijn domheid is echter op
verre na niet zoo groot als die van den Kruisbek, want, hoewel de
nog overige leden van een gezelschap Goudvinken, waarvan er één door
een schot gedood werd, daarna soms neerstrijken op of naast den boom,
waarin zij aanvankelijk zaten, is het mij toch nooit voorgekomen, dat
een ongekwetste Goudvink na een schot bleef zitten, welk geval zich
daarentegen bij de Kruisbekken dikwijls voordoet. Indien de Goudvink
werkelijk zoo dom is, als men beweert, hoe zou hij dan allerlei wijsjes
zoo zuiver kunnen leeren nafluiten?--Een in 't oogvallende karaktertrek
van dezen Vogel is liefde voor zijne soortgenooten. Als er een van
't gezelschap gedood wordt, jammeren de overige geruimen tijd; zij
kunnen er bijna niet toe besluiten om de plaats waar hun metgezel
gebleven is, te verlaten, maar willen hem volstrekt medenemen. Dit
is het duidelijkst merkbaar, als het gezelschap klein is. Deze
innige gehechtheid heeft mij dikwijls getroffen. Eens schoot ik één
van twee mannetjes-Goudvinken, die in een struik zaten; de andere
vloog zoover weg, dat ik hem uit 't oog verloor, maar keerde terug
en ging weer zitten op den struik, waar zijn kameraad om het leven
was gekomen. Verscheidene dergelijke voorbeelden zou ik kunnen noemen."

"De gang van onzen Goudvink is huppelend, op den grond tamelijk
onbeholpen. Op de boomen is hij des te behendiger. Zijne losse en
lange vederen legt hij zelden tegen 't lichaam aan; daarom schijnt hij
gewoonlijk veel grooter te zijn dan hij werkelijk is. Gedurende het
vliegen, voordat hij opvliegen zal, onmiddellijk na het neerstrijken en
bij het uitpluizen van de zaden of pitten ziet hij er slank en net uit;
in de kooi laat hij de veeren bijna altijd een weinig hangen. Een
boom vol Goudvinken levert een prachtig schouwspel op. Het rood
van de mannetjes steekt in den zomer prachtig af tegen de groene
bladen en in den winter tegen rijp en sneeuw. Zij schijnen tegen de
koude geheel ongevoelig te zijn; want, voor zoover er geen gebrek
aan voedsel heerscht, zijn zij, zelfs in den strengsten winter, zeer
opgewekt. Door hun buitengewoon dicht vederenkleed zijn zij voldoende
beschut. Dit heeft ook op hun wijze van vliegen een grooten invloed;
zij doen dit zonder inspanning, maar langzaam, volgens boogvormige
lijnen, eenigszins op de wijze van den Vink. De loktoon, die zoowel
van de mannetjes als van de vrouwtjes gehoord wordt, is een klagend
"juug" of "luuï", waarnaar men in Thuringen dezen Vogel "Lübich"
noemt. Men hoort hem het veelvuldigst gedurende het vliegen,
vóór het opvliegen en kort na het neerstrijken. Deze klank dient,
al naar de wijze, waarop hij geïntoneerd wordt, soms als lokmiddel,
soms als waarschuwend sein, soms als klaagtoon. In al deze gevallen
wordt hij goed begrepen. Het gezang van het mannetje steekt niet uit,
het onderscheidt zich vooral door eenige ratelende geluiden en kan
moeielijk goed omschreven worden. In de vrije natuur wordt het vóór
en gedurende den broedtijd voorgedragen; in de kooi zingt de Goudvink
bijna het geheele jaar door."

Boom- en graszaden vormen het voedsel van den Goudvink, bovendien eet
hij de pitten van verscheidene soorten van bessen en in den zomer
vele Insecten. De sparre-, denne- en zilversparzaden kan hij niet
goed uit de kegels plukken; hij zoekt ze daarom van den grond op.

In bergachtige streken, waar uitgestrekte, met bosch begroeide
terreinen verborgene, weinig bezochte schuilhoeken bevatten, nestelt
de Goudvink geregeld. Bij uitzondering bouwt hij ook wel in parken
en groote tuinen zijn nest. Dit is op boomen gelegen, gewoonlijk op
geringe hoogte, hetzij in een gaffel van een der hoogste struiken of op
een zijtak dicht bij den stam van een boom. Op een buitenste laag van
dorre rijsjes van sparren, zilversparren en berken, volgt een tweede
laag van uiterst fijne wortelvezels en baardmos; de nestholte is met
haren van Paarden en Reeën of ook wel eenvoudig met fijne blaadjes
van grassen en fijne stukjes van korstmossen bekleed. Soms bevat de
binnenwand ook wel paardenhaar of schapenwol. In Mei vindt men in het
nest 4 of 5 betrekkelijk kleine, rondachtige eieren met gladde schaal,
die op bleekgroenachtigen of groenblauwachtigen grond met dofviolette
of zwarte vlekken en roodbruine stippels, vegen en figuren bezaaid
is. Binnen 2 weken broedt het wijfje de eieren uit; zoolang het op
de eieren zit, wordt het door het mannetje gevoederd. Beide ouders
wijden zich aan de opvoeding hunner kinderen, die zij buitengewoon
teeder liefhebben en met gevaar voor hun eigen leven trachten te
verdedigen. De jongen krijgen aanvankelijk Insecten, later jonge
uitspruitsels van planten en allerlei in den krop geweekte zaden,
ten slotte hoofdzakelijk het laatstgenoemde voedsel.

In de bergstreken neemt men de jonge Goudvinken uit het nest nog
voordat zij vliegen kunnen, om ze in de kooi op te voeden en te
onderrichten. Hoe vroeger men met het africhten beginnen kan, des
te beter zijn de uitkomsten. In het Thuringerwoud worden ieder jaar
honderden jonge Goudvinken afgericht en daarna door vogelhandelaars
naar Berlijn, Warschau, Petersburg, Amsterdam, Londen, Weenen,
ja zelfs naar Amerika gebracht. Het onderricht begint reeds op den
eersten dag van hun gevangenschap; een hoofdvereischte is, dat de
onderwijzer den Vogel het wijsje, dat hij hem wil leeren, steeds zoo
zuiver mogelijk en altijd op dezelfde wijze voorfluit. Door bij het
africhten van een draaiorgeltje gebruik te maken, verkrijgt men geen
goede resultaten. Zelfs door een fluit kan men den goed fluitenden
menschenmond niet vervangen. Eenige Goudvinken leeren zonder bijzondere
inspanning 2 of 3 stukjes, terwijl andere stumpers blijven; eenige
onthouden het geleerde, zoolang zij leven, andere vergeten het
weer, vooral gedurende den ruitijd. Ook de wijfjes leeren wijsjes
fluiten, hoewel zij dit zelden nagenoeg even vol en zuiver doen als
de mannetjes. Sommige van deze worden echte kunstenaars. Het is bijna
niet te gelooven, hoeveel een Goudvink leeren kan. Dikwijls leert hij
de melodieën van twee liederen fluiten en doet dit zoo mooi, dat men
gaarne lang achtereen naar hem luistert. Behalve door zijn talent van
nabootsing onderscheidt hij zich van alle overige Vinken, doordat hij
zoo gemakkelijk getemd kan worden en een onbeperkte gehechtheid aan en
vertrouwen op zijn verzorger toont; hij gevoelt voor dezen een innige
vriendschap, juicht, als hij tegenwoordig, treurt, als hij afwezig is;
hij sterft zelfs door de overmaat van vreugde of van verdriet, die
zijn meester hem bereidt. Zonder buitengewone moeite kan men hem er
aan gewennen in en uit de kooi te vliegen. Een aantal voortreffelijke
eigenschappen komen dus bij hem vereenigd voor.



De Woestijnvink of Moro (Pyrrhula githaginea) heeft een prachtig
gekleurd vederenkleed, dat als 't ware uit groene en rozeroode atlas
bestaat. De roode kleur verkrijgt op lateren leeftijd een hoogeren
gloed en een grootere uitgebreidheid en is in de lente, als de
kleuren het levendigst zijn, het volledigst ontwikkeld, zoodat zij
dan de purperen tint van den Bolderik (Lychnis githago), die onze
graanvelden versiert en waaraan de Vogel zijn wetenschappelijken
naam ontleent, ver achter zich laat. Bij 't naderen van den herfst
verbleeken de kleuren van het mannetje snel, zoodat zij meer en meer
beginnen te gelijken op die van het wijfje, waarin donker geelrood
de overhand heeft. Vele kleursverscheidenheden heeft men opgemerkt:
enkele mannetjes zien er uit, alsof zij met bloed bedekt zijn,
terwijl andere een grijze woestijnkleur vertoonen. De roode kleur
blijft niet tot de veeren beperkt, maar is ook in de opperhuid zelf
aanwezig, zoodat een geplukte Woestijnvink er als een echte roodhuid
uitziet. Zijn lengte bedraagt 13 cM.

Om de woonplaats van dezen Vogel te leeren kennen, moet men zich
naar de woestijn begeven, want uitsluitend hier, in de woestijn in
de uitgebreidste beteekenis van 't woord, behoort hij thuis. Bolle
vond hem veelvuldig als broedvogel op de Kanarische eilanden en
wel voornamelijk op Lanzarote, Fuertaventura en Gran Canaria, niet
minder veelvuldig is hij in het grootste deel van Opper-Egypte en
Nubië tot in de nabijheid van de Steppen, waar hij langzamerhand
verdwijnt. Bovendien is hij verbreid over Perzië en Sind. Van zijn
vaderland uit bezoekt hij elken winter als de gast het eiland Malta;
ook is hij wel eens naar de Grieksche Eilanden, naar Provence en zelfs
naar Toscane afgedwaald. Het terrein, waaraan hij de voorkeur geeft,
moet in ieder geval boomloos en door de heete zon beschenen zijn. "Deze
schroomvallige Vogel," zegt Bolle, "wil zijne blikken vrij over de
vlakte of over de heuvels laten waren. Hij geeft de voorkeur aan de
dorste en steenachtigste plaatsen, waar de opstijgende luchtstroom,
die door de middagzon veroorzaakt wordt, boven het geblakerde gesteente
trilt. Slechts weinig gras, in den zomer verdord en geel verbleekt,
mag tusschen de steenen groeien en zich er boven verheffen, slechts
hier en daar mogen lage struiken verstrooid uit den grond ontspruiten,
opdat de Woestijnvink zich op een plaats thuis zal gevoelen. Daar leeft
hij, meer een bewoner van de vergruisde gesteenten dan van de rotsen,
een diksnavelige met de gewoonten van een Tapuit, steeds gezellig,
zoolang de voortplantingszorgen hem niet tot afzondering nopen,
familiesgewijs of kleine troepen vormend. Vroolijk wipt hij van den
eenen steen op den anderen of zwiert, meestal laag vliegend, door
de lucht. Zelden kan het oog hem over een grooten afstand volgen;
daar de roodachtig grauwe kleur van de vedertooi der oude Vogels
onmerkbaar samenvloeit met de gelijksoortige kleur van de steenen en
in meerdere mate nog met die van de bladerlooze stammen en takken der
euphorbias; ook de isabelkleurige jongen zijn moeilijk te onderscheiden
van de vaalgele massa's zand, tufsteen en kalk. Zeer spoedig zouden
wij het spoor van dezen Vogel verliezen, als niet de stem, die een
zijner grootste merkwaardigheden is, onzen wegwijzer werd bij het
zoeken. Hoor! een geluid als van een kleine trompet schalt door de
lucht: gerekt, trillend komt het tot ons; ieder die een fijn gehoor
heeft en goed oplet, kan in het onmiddellijk voorafgaande of volgende
oogenblik een paar zachte, zilverheldere tonen vernemen, die zoo helder
als klokgelui door de stille woestijn weerklinken. Soms echter hoort
men merkwaardig doffe klanken, die wel wat gelijken op het gekwaak van
den Kanarischen Boomvorsch, maar eenigszins minder heesch zijn; snel
achtereenvolgens worden zij uitgestooten en beantwoord met nagenoeg
gelijke, hoewel zachtere geluiden, welke als die van een buikspreker
van een grooten afstand schijnen te komen. Er is waarschijnlijk
niets, dat minder bevrediging verschaft dan een poging om de tonen
van een Vogel door letters voor te stellen: vooral bij den Moro komt
mij dit bijzonder moeilijk voor. Het zijn inderdaad stemmen uit een
afzonderlijk, op zichzelf staand gebied; men moet ze gehoord hebben
om er een juiste voorstelling van te kunnen verkrijgen. Niemand zal
van een Vogel uit gewesten, die zulk een eigenaardig voorkomen hebben,
een werkelijk gezang verwachten. Het wordt vervangen door de genoemde
vreemdsoortige klanken, waarop hij dikwijls nog een reeks van kraaiende
en snorkende geluiden laat volgen: zij passen door hun zonderlingheid
zoo volkomen bij de niet minder ongewone omgeving, dat men er steeds
met genoegen naar luistert en met spanning hun herhaling afwacht,
zoodra zij verstommen. Op plaatsen, waar de bodem geheel uit stuifzand
bestaat, komt de Moro niet voor. Hij is er niet voor ingericht om
als een Wulp of een Renvogel over het zand te loopen. Ook steile,
rotsachtige gebergten vallen niet in zijn smaak, des te meer houdt
hij van woeste, zwarte lavastroomen vol spleten en afgronden, als
in een gletscher; deze schijnen hem te behagen wegens de veilige
schuilplaatsen, die zij hem in hunne holen aanbieden, hoewel er
ternauwernood een groen sprietje te vinden is. Nooit ziet men den
Woestijnvink op een boom of struik neerstrijken. In meer bewoonde
gewesten zijn deze Vogels tamelijk schuw, daar, waar de eenzaamheid
en de stilte van de woestijn hen omgeven, zijn zij echter nog zeer
argeloos, vooral de jongen, die men dikwijls onverwacht op een steen
naast zich ziet zitten, vanwaar zij den bezoeker met hunne vroolijke,
zwarte oogjes aanstaren."

Ongeveer evenzoo is het in het Nijlgebied gesteld. Hier verlevendigt
de Woestijnvink, van Sioet af stroomopwaarts, de rotsachtige oevers
van den Nijl, en wel op sommige plaatsen in verbazend groot aantal.

In de vrije natuur voedt deze Vogel zich bijna uitsluitend met
verschillende soorten van zaden, misschien ook wel met groene bladen
en knoppen; van Insecten houdt hij niet, naar 't schijnt. Water is
voor hem een behoefte. "Hoe schaarsch, troebel en lauw het water van
een bron ook zij, met iedere drinkplaats is hij tevreden, indien hij
haar dagelijks minstens éénmaal bereiken kan, zij het dan ook door
eenige mijlen ver te vliegen." Hij komt er, als de afstand niet te
groot is, tweemaal per dag; des morgens en des namiddags; hij drinkt
dan veel en met lange teugen en neemt vervolgens ook wel een bad in
het minst diepe deel van het water.

In Maart begint de broedtijd. De mannelijke Vogels hebben hun
prachtkleed verkregen en zich met het uitverkoren wijfje van de vlucht
afgescheiden, maar zijn daarom niet uit de gemeenschap met hunne
soortgenooten getreden. Tristram bericht, dat het nest uitsluitend
uit fijne worteltjes en buigzame halmen bestaat. Het bevat 3 of 4
eieren, die op bleek zeegroenen grond met roodbruine stipjes en vlekken
geteekend zijn, welke aan het spitse einde en verderop zeer verstrooid
staan; doch dicht bij het stompe einde gewoonlijk een krans vormen,
die uit fijne krulletjes, zigzaglijnen en groote, licht roodbruine,
aan de randen uitvloeiende vlekken samengesteld is.

Woestijnvinken zijn, daar zij in hun vaderland niet gevangen worden,
bij ons als kooivogels zeldzaam. In de gevangenschap gedragen zij
zich zeer lief, zijn niet moeilijk te onderhouden en worden zeer tam.



Het laatste geslacht van de onderfamilie der Vinken omvat de
Kruisbekken (Loxia); deze hebben een grooten kop en een ineengedrongen
lichaam; zij zijn dus eenigszins plomp van vorm. Hun snavel is zeer
forsch, dik, zijdelings samengedrukt, aan de zijranden boogvormig
uitgesneden, de smalle rug van den bovensnavel afgerond, in een
lange spits eindigend en flauw haakvormig naar beneden gebogen;
de ondersnavel die den bovensnavel in stevigheid overtreft, is op
soortgelijke wijze als deze, maar in tegenovergestelde richting,
n.l. bovenwaarts, gebogen en kruist hem dus, nu eens aan de linker,
dan weer aan de rechterzijde.



De grootste en krachtigste soort van dit geslacht is de Groote Kruisbek
(Loxia pityopsittacus). Totale lengte 20, staartlengte 7 cM. De snavel
is hier in 't oog loopend forsch, dik en hoog; zoowel de boven-
als de ondersnavel zijn bijna volkomen halfcirkelvormig gebogen
en kruisen elkander slechts weinig. De kop, de keel, de gorgel,
de borst en de buik zijn meer of minder levendig rood, van voren
met een tint, welke tusschen die van menie en die van aalbessen
afwisselt, op de wangen met een grijsachtig, op de keel met een
aschgrauw waas overtogen, de veeren van den rug grijsrood, die van den
onderbuik helder aschrood of witachtig met grijsroodachtig waas; de
slagpennen, bovendekveeren met vleugel en staart en stuurpennen zijn
grijsachtig zwart met roodachtig grijzen zoom. Deze in Oost-Europa
broedende Vogel komt in Nederland alleen op zijne zwerftochten na
den broedtijd en werd in Utrecht, Drenthe, Noord- en Zuid-Holland,
Friesland en Gelderland waargenomen. Zoo "vertoonde zich in de eerste
dagen van Juni 1888 nabij Bergum (Friesland) een troep van ongeveer
200 stuks. Zij bleven daar drie weken en voedden zich met de knoppen,
spruiten en bloesems van boomen, vooral van eiken. Een twintigtal
werd gevangen. Alle waren jonge Vogels in overgangskleed. In het
laatst van die maand werden ook enkele voorwerpen te Joure (Friesland)
waargenomen. (Albarda). Dergelijke vluchten hebben zich in 't begin
van October 1887 in de dennen langs den duinkant van de gemeenten
Bloemendaal, Velsen, en Hillegom vertoond. Eerst na 15 April begonnen
zij te vertrekken; enkele vluchtjes zijn nog tot 11 Mei waargenomen
(Crommelin).



De gewone en gemeenste soort, die eenvoudig Kruisbek wordt genoemd,
in Groningen Kruisvink of Kruiskanarie, in Friesland Dennenpapagaai
heet (Loxia curvirostra), is kleiner dan de vorige; zijn snavel
is slank, meer lang dan hoog en minder gekromd; de spits van den
ondersnavel kruist die van den bovensnavel en steekt duidelijk
boven diens rug uit. Totale lengte 17, staartlengte 6 cM. De kop,
de nek en de onderdeelen hebben dezelfde kleur als bij de vorige
soort, de wangen zijn van achteren donker grijsbruin, de veeren
van den onderbuik witachtig grijs, de slagpennen en de stuurpennen
benevens hare bovendekveeren grijsachtig zwart met roodachtig grijzen
zoom, de onderdekveeren van den staart zwartachtig grijs met witte,
roodachtig getinte spitsen. De eenige mededeeling omtrent het broeden
van deze soort in Nederland heeft betrekking op een paar dat in 1887
op Vlieland in een spar nestelde (Albarda). Deze Vogels worden echter
in verschillende deelen van ons land nagenoeg ieder jaar bij troepen
zwervend aangetroffen, dikwijls reeds in den nazomer, soms reeds in
de eerste helft van Juni, zij houden zich ook nog in de wintermaanden
hier op, vooral in sparrebosschen.

De Witband-Kruisbek (Loxia bifasciata) is kleiner dan de beide reeds
genoemde soorten (totale lengte 16, staartlengte 6 cM.). De heerschende
kleur van zijn gevederte is prachtig aalbessenrood, dat in den nek en
op het midden van de onderzijde in grijs overgaat. Zoowel de groote als
de kleine bovendekveeren van den vleugel en ook de schouderdekveeren
hebben witte spitsen, waardoor twee breede banden over den vleugel
gevormd worden, die ook bij het wijfje en de jongen zichtbaar
zijn. Deze soort, die Siberië en Noordelijk Rusland bewoont, komt
zwervend na den broedtijd in kleine troepen naar anderen Europeesche
landen. Ook Nederland wordt in sommige jaren door haar bezocht. In
Febr. 1846 zag men zulk een familie in Utrecht, in Sept. 1889 eenige
vluchten in Gelderland, Noord-Holland en Friesland; sommige van deze
Vogels werden gevangen (Albarda).



De Kruisbekken behooren tot die leden hunner klasse, welke mijn
vader zeer eigenaardig "Zigeuner-vogels" heeft genoemd. Evenals het
merkwaardige volk, welks naam zij dragen, verschijnen zij in een
bepaalde streek, blijven hier geruimen tijd gevoelen zich er reeds in
de eerste dagen na hun komst thuis, houden zich hier soms ook wel met
de voortplanting bezig en verdwijnen even plotseling, als zij gekomen
zijn. Hunne zwerftochten staan in een zeker verband tot zaadproductie
van de naaldhoutbosschen, zonder dat men echter een bepaalden regel
zou kunnen vaststellen. Het kan dus voorkomen, dat zij uit onze
dennen- en sparrenbosschen jaren lang wegblijven en deze daarna
weer in menigte bevolken. Alleen de gesteldheid van de plaats waar
zij zich ophouden, staat vast, hun vaderland daarentegen heeft geen
grenzen. Alle genoemde soorten zijn broedvogels van Noord-Europa, maar
ook van Noord-Azië, voor zoover het met bosschen bedekt is; zelfs is
het niet onwaarschijnlijk, dat het laatstgenoemde werelddeel als haar
eigenlijk vaderland moet worden beschouwd. Wanneer in aaneengeschakelde
wouden de sparren- en dennenzaden zich overvloedig ontwikkeld hebben,
hoort men het aan de vogelaars van die gewesten welbekende "göp göp,"
"giep giep" of "tsok tsok" van onze Vogels of ook wel het gezang
van het mannetje, dat door velen zeer aangenaam wordt geacht. De
Kruisbekken zijn aangekomen en hebben het bosch in bezit genomen. Als
hier een goede oogst binnen te halen is, maken zij toebereidselen
voor de voortplanting, zoo niet dan, zwerven zij een tijdlang rond en
vestigen zich op een andere, beter geschikte plaats. Van een woud,
dat door hen voor een langduriger verblijf uitgekozen werd, hebben
zij weldra de gunstigst gelegen gedeelten opgespoord; deze zijn in
zekeren zin als hun eigenlijke woonplaats te beschouwen, waar de over
dag rondzwervende gezelschappen zich iederen avond verzamelen.

Alle Kruisbekken zijn gezellige dieren, die gedurende den broedtijd
zich paarsgewijs afzonderen, maar toch met hunne soortgenooten in
gemeenschap blijven. Ze zijn boomvogels, die slechts in geval van nood
op den bodem afdalen om hier te drinken of om eenige afgevallen kegels
leeg te pikken. Ze klimmen zeer behendig, waarbij zij zich, evenals de
Papegaaien, met de snavelspitsen vasthouden en vooruithelpen, gaan met
den kop naar onderen of naar boven, met voet en snavel aan een twijg
of een kegel hangen en blijven zonder bezwaar vele minuten achtereen
in deze schijnbaar zoo ongemakkelijke houding. Zij vliegen snel en
betrekkelijk zonder inspanning met beurtelings sterk uitgebreide en
daarna plotseling opgevouwen vleugels, waardoor de gevolgde weg een
golvend beloop verkrijgt; zij houden er echter niet van lang achtereen
te vliegen.

Gedurende den dag, hoogstens met uitzondering van de middaguren,
zijn zij bijna voortdurend aan den arbeid. In de lente, den zomer en
den herfst zwerven zij reeds vóór het aanbreken van den dag in het
woud rond, van het eene bosch naar het andere of van berg tot berg;
in den winter daarentegen, vooral wanneer de koude fel is, blijven
zij langer in het oord, dat hun een geschikte slaapplaats verschaft;
zij vliegen dan zelden vóór zonsopgang uit, hoewel zij reeds vroeg in
den morgen zingen. Het is niet moeilijk deze dieren te vangen, omdat
hun overgroote gezelligheid hen dikwijls verleidt tot handelingen,
waardoor hun vrijheid in gevaar wordt gebracht: hieruit blijkt echter
niet zoozeer gebrek aan verstand als wel de argeloosheid van deze
werkelijk beminnenswaardige Vogels. Het mannetje, wiens wijfje zooeven
gedood werd, blijft soms verbluft en treurig zitten op den tak, waarvan
zijn gezellin werd neergeschoten, of keert, haar zoekend, herhaaldelijk
terug naar de plaats waar het onheil voorviel. Alle Kruisbekken worden,
nadat zij meermalen treurige ervaringen van de arglistigheid van den
mensch hebben opgedaan, gewoonlijk zeer schuw. In de gevangenschap
worden zij weldra volkomen tam. Zij vergeten spoedig het verlies
van hun vrijheid, leeren hun verzorger als hun meester en gebieder
beschouwen, leggen alle vrees voor hem af, laten zich aanraken, op
den arm of de hand in de kamer ronddragen en geven hem ten slotte door
duidelijk verstaanbare gebaren hun warme liefde te kennen. Wegens de
beminnelijke eigenschappen, die zij in de kooi aan den dag leggen,
zijn allen, die hen hebben leeren kennen, hun zeer genegen; vooral
de bewoners van het gebergte houden de Kruisbekken in hooge eer.

De loktoon van den Grooten Kruisbek is voor beide geslachten dezelfde
en bestaat, zooals reeds gezegd is, uit de klanken "göp göp" of "giep
giep" en "tsok tsok". "Göp" roepen zij als zij vliegen of zitten,"
zegt mijn vader; "het is zoowel een sein tot vertrek als een middel
om de soortgenooten bijeen te roepen en het gezelschap vereenigd
te houden; daarom wordt dit "göp" met kracht voortgebracht. Door
"giep giep" geven deze Vogels teedere aandoeningen te kennen, de
beide echtgenooten roepen dit elkander toe, terwijl zij zitten;
zij doen het zoo zacht, dat men dicht bij den boom moet staan om
hen te hooren. Dikwijls zou de klank van dit geluid tot de meening
kunnen leiden, dat de Vogel zeer ver af is, hoewel deze, zooals men
naar boven ziende bemerkt, zich boven den waarnemer bevindt. Zittende
Vogels roepen gewoonlijk "tsok" om de voorbijvliegende soortgenooten
uit te noodigen bij hen te komen zitten; men hoort het soms ook van
vliegende Kruisbekken. Het klinkt krachtig en vol; de lokvogel moet
vooral dit geluid voortbrengen. Het gezang van het mannetje wordt
door vele menschen aangenaam gevonden. Gewoonlijk zingt de Groote
Kruisbek beter dan zijn kleinere verwant; het lied van dezen heeft
echter veel overeenkomst met dat van genen. Het bestaat uit een luid
voorgedragen strophe, waarop verscheidene kweelende, zwakke en niet
ver hoorbare tonen volgen.

Het voedsel van de Kruisbekken bestaat hoofdzakelijk uit de zaden van
de boomen van het woud. De sterke snavel met gekruiste spitsen is hun
voor het verkrijgen van dit voedsel onontbeerlijk. Het vereischt groote
kracht en behendigheid de denne- of sparrekegels zoo open te breken,
dat de goed verborgen zaden bereikbaar zijn; maar deze eigenschappen
zijn den Kruisbek in hooge mate eigen. Hij komt aanvliegen, gaat met
den kop naar onderen gericht aan een kegel hangen, of legt dezen op een
tak en gaat er op staan, of bijt hem af, draagt hem naar een tak en
houdt hem met de stevige, lange en scherpe nagels vast. "Het is zeer
aardig om te zien, hoe de Gewone Kruisbek, een Vogel van de grootte
van een Musch, een middelmatig grooten sparrekegel van den eenen
boom naar den anderen brengt. Gewoonlijk vat hij met den snavel den
kegel zóó aan, dat diens spits recht naar voren gericht is en vliegt,
zonder dat dit hem veel moeite kost, tien of zelfs twintig schreden
ver naar een naburigen boom om hem hier te openen, daar hij niet
op alle boomen takken vindt, die voor dit doel geschikt zijn. Het
openbreken geschiedt op de volgende wijze. De Kruisbek scheurt als
de kegel vast hangt of ligt, met de spits van den bovensnavel de
breede kegelschubben midden door, schuift den min of meer geopenden
snavel er onder en licht door een zijwaartsche beweging van den kop
de schub op. Nu kan hij de daaronder liggende zaadkorrel met de tong
gemakkelijk in den snavel schuiven, waar het zaad eerst nog van den
vleugel en van de zaadhuid bevrijd wordt, voordat hij het doorslikt. De
kruiswijs gebogen snavelspitsen zijn voor hem en zijne verwanten bij
het openbreken van de kegels van het grootste belang, want zulk een
snavel behoeft hij slechts weinig te openen om hem een buitengewone
breedte te geven, zoodat de kegelschub door een zijwaartsche beweging
van den kop met groot gemak opgeheven wordt."

De Gewone Kruisbek bemoeit zich zelden met dennekegels, daar hij
niet de noodige kracht bezit om deze te openen; de Groote Kruisbek
echter doet dit zonder moeite, hij kan in één ruk alle schubben
optillen, welke zich bevinden boven die, waaronder hij zijn snavel
heeft gestoken. Zoolang de Kruisbekken naaldboomzaden kunnen vinden,
zoeken zij geen ander voedsel; in geval van nood eten zij zaden van
eschdoornen en haagbeuken, ook wel oliehoudende zaden; bovendien
maken zij te allen tijde zeer gaarne gebruik van Insecten, vooral
van bladluizen, die zij ook in de tuinen en boomgaarden van de dorpen
der wouden gaan opzoeken. Onder anderen bijten zij de uitwassen op de
bladstelen der populieren aan stukken om de daarin wonende Bladluizen
(Pemphigius bursarius) op te eten (Albarda).

Een noodzakelijk gevolg van hun drukken arbeid op de harsrijke takken
en kegels van naaldboomen is, dat de Kruisbekken zich dikwijls op
een zeer ongewenschte wijze bevuilen. Zij zijn even zindelijk als de
meeste overige Vogels en reinigen zich na iederen maaltijd zorgvuldig,
om de hen aanklevende harsdeeltjes te verwijderen; vooral den snavel
poetsen zij minuten lang op de takken; zij zijn echter niet altijd
in staat om hunne veeren zoo goed in orde te houden, als zij wel
zouden wenschen; het komt daarom dikwijls voor, dat hunne veeren met
een dikke laag hars bedekt zijn. Het lichaam van de Kruisbekken,
die lang achtereen niets anders dan zaden van naaldboomen gegeten
hebben, wordt zoo met hars doordrongen dat het na den dood geruimen
tijd weerstand biedt aan de verrotting.

Een gezelschap Kruisbekken maakt te allen tijde een sieraad uit van
den boom, waarin het zich bevindt; de prachtigste vertooning maken
deze Vogels echter, wanneer de winter zijn schepter zwaait en de
twijgen met een dikke sneeuwlaag bedekt. Dan steken de roode vogeltjes
vroolijk af bij het donkere groen der naalden en de witte sneeuw;
de geheele boom ziet er dan uit als een kerstboom, zoo fraai als men
zich er een kan voorstellen. Behalve door hun bevallige kleur bekoren
zij iedereen door hun frissche, vroolijke levenswijze, hun bedaarde,
maar voortdurende bedrijvigheid, hun behendig op en neer klauteren,
hun lokken en zingen.

De Kruisbekken nestelen in alle maanden van het jaar, in den warmen
zomer zoowel als in den ijskouden winter, terwijl de boomen en struiken
met sneeuw bedekt en alle overige Vogels van het woud bijna geheel
verstomd zijn. Gedurende den nestbouw verdeelt zich het gezelschap
in paren. Het nest rust soms op een ver vooruitstekenden tak, waar
deze zich gaffelvormig vertakt, soms op een dikken tak bij den stam;
nu eens is het dicht bij den top, dan weer ver van dezen gelegen,
altijd echter zoo, dat twijgen voor of over het nest langs loopen,
waardoor dit tegen de vallende sneeuw beschut en tevens zoo goed
mogelijk verborgen wordt. Het is een kunstig bouwwerk, welke buitenste
laag vervaardigd is uit dorre sparrerijsjes, heide, droge grashalmpjes,
grootendeels echter uit korstmossen van sparrestammen en bladmossen,
die op boomen of op den grond groeien; van binnen is het met enkele
veeren, grashalmpjes en dennenaalden bekleed. De wand van het nest is
ongeveer 3 cM. dik, zijne bestanddeelen zijn uitmuntend samengeweven;
de nestholte is naar verhouding diep.

Het wijfje broedt op 3 of 4 betrekkelijk kleine eieren, die op
grijsachtig of blauwachtig witten grond met uitvloeiende vlekken en
streepjes van bloedroode, bloedbruinachtige of zwartbruine kleur bezet
zijn. Soms staan deze vlekjes kranswijs aan het stompe einde, soms zijn
zij over het geheele ei verbreid; toch is dit, welke afwijkingen het
ook vertoonen moge, altijd te herkennen als een ei van een Kruisbek. De
zorgvolle moeder wijdt zich met grooten ijver aan het broeden, terwijl
ook het mannetje met lust het op hem rustende deel van den arbeid
verricht door de moeder met voedsel te voorzien. De jongen, waaraan de
ouders zeer veel liefde betoonen, krijgen reeds op den eersten dag van
hun leven sparre- of dennenzaden als spijs, aanvankelijk zulke, die
in den krop der ouders geweekt en voor de verteering voorbereid zijn,
later harde zaden; zij groeien snel en zijn spoedig zeer behendig en
levendig; langer dan andere Muschvogels moeten zij echter door hunne
ouders verzorgd worden, omdat hun snavel eerst na het uitvliegen een
"kruisbek" wordt en zij dus vóór dien tijd niet in staat zijn om de
kegels van de dennen of sparren te openen.

De jacht en de vangst van de Kruisbekken leveren geen bezwaren op. Die,
welke pas in onze gewesten gekomen zijn, laten zonder weg te vliegen
den jager naderen tot onder den boom, waarin zij zich bevinden, en
blijven dikwijls ook dan nog op denzelfden boom zitten, wanneer een
hunner metgezellen neergeschoten is. Wanneer men er eens in geslaagd
is een van hen te bemachtigen, kan men door dezen als lokvogel te
gebruiken, zijne soortgenooten gemakkelijker vangen dan door ze te
schieten. In Thuringen maakt men voor dit doel gebruik van lange
stokken, welker bovenste gedeelte bij wijze van een struik bekleed
is met sparretakken, waaraan lijmroeden bevestigd zijn. Deze stokken
worden vóór het aanbreken van den dag in den grond gestoken op vrije,
open plekken in het woud; een kooi met een lokvogel er in wordt
er onder opgehangen. Alle voorbijvliegende Kruisbekken komen in de
nabijheid van den stok om naar hun roependen en lokkenden kameraad te
gaan kijken. Vele gaan op den kunstmatigen struik zitten en blijven
gewoonlijk aan een van de lijmroeden vastkleven.



De snavel van de Kernkrakers (Coccoborinae) herinnert aan dien van
de Appelvinken; de snavelrug is echter meer gekromd, meer of minder
over de spits van den ondersnavel heengebogen; bij sommige loopt
hij zelfs uit in een haakvormig benedenwaarts gericht gedeelte,
dat aan de achterzijde ingekorven is; de zijranden zijn meer of
minder sterk ingetrokken en ook wel zwak binnenwaarts gebogen, aan
den bovensnavel boogvormig uitgesneden; de krachtige poot heeft een
langen loop en lange teenen; de eerste slagpen is steeds aanmerkelijk
korter dan de overige, de derde en de vierde vormen in den regel de
spits van den korten vleugel; de lange staart is meestal afgerond,
zeldzamer afgeknot of uitgesneden, het vederenkleed vol, zacht,
metaalglans, dikwijls effen grijs of groenachtig olijfkleurig grijs,
zeldzamer roodachtig geel of zwart en nog minder dikwijls gekenmerkt
door velden van sterk sprekende kleur.

Zuid-Amerika herbergt de meeste soorten van deze onderfamilie, in
Noord-Amerika komen er betrekkelijk weinige voor. Door hun uiterlijk
en hunne gewoonten gelijken de Kernkrakers veel op onze Appelvinken,
maar toch ook in sommige opzichten op de Goudvinken; zij bewonen meer
de struiken en de boschranden dan het eigenlijke oerwoud en eten harde
zaden, bessen en Insecten. De meeste zijn niet tot zingen in staat,
hoogstens hoort men van hen korte loktonen; andere daarentegen zijn
beroemd wegens hun lied en worden om die reden als kamervogels zeer
gezocht.



Audubon verhaalt: "Gedurende een vermoeiende voetreis, die ik in
de maand Augustus langs den oever van de Mohawk-rivier deed, werd
ik eens door den nacht overvallen. Ik was weinig bekend met dit
deel van het land en besloot hierom den nacht door te brengen op de
plaats waar ik mij bevond. De avond was fraai en warm; de sterren
spiegelden zich in de rivier; op een afstand hoorde ik het gemurmel
van een waterval. Weldra had ik onder een rots een vuurtje aangelegd
en lag er naast uitgestrekt. In behagelijke rust, met gesloten oogen,
liet ik mijne gedachten den vrijen loop. Ik bevond mij reeds in het
rijk der droomen, toen plotseling het avondgezang van een Vogel tot
mij doordrong, zoo klankrijk, zoo luid weerklinkend in de stilte van
den nacht, dat de slaap, die mij reeds bevangen had, aan mijne oogen
ontvlood. Nooit hebben welluidende tonen mij meer genot verschaft. Zij
trilden mij door 't gemoed en maakten mij gelukzalig. Ik zou mij
hebben kunnen inbeelden, dat zelfs de Uil over hun liefelijken
klank opgetogen was, want hij zweeg in dien nacht. Nog lang nadat
de tonen weggestorven waren, bleef ik onder hun bekoring; in deze
gemoedsstemming geraakte ik in slaap."

De Vogel, waarover de dichterlijk gestemde natuuronderzoeker met
zooveel verrukking spreekt, is de Roodborst-kardinaal (Coccoborus
ludovicianus), vertegenwoordiger van het geslacht der Kardinalen
(Coccoborus). Totale lengte 18, staartlengte 7 cM. De bovenzijde,
de vleugels, de staart, de kin en de bovenkeel zijn zwart, de overige
onderdeelen wit, met uitzondering van een breed, naar achteren spits
toeloopend en tot aan het midden van de borst zich uitstrekkend,
karmijnrood kropschild; de zijden van den buik en van de schenkels
zijn met enkele zwarte strepen geteekend; over de vleugels loopen twee
witte banden; de okselveeren en de onderdekveeren van den vleugel
zijn karmijnrood; de eindhelft van de buitenste staartveeren is aan
de binnenzijde wit. De iris is donkerbruin, de snavel lichtgeel,
de poot grijsachtig bruin.

Het verbreidingsgebied van deze Vogels omvat het oosten van de
Vereenigde Staten; op den trek bezoeken zij Middel-Amerika tot aan
Nieuw-Granada. Binnen de genoemde grenzen komen zij echter niet overal
geregeld en altijd verspreid voor.

"Ik heb," verhaalt Audubon verder, "dezen prachtigen Vogel in de
zuidelijkste gedeelten van Louisiana, in Kentucky, en bij Cincinnati
in Maart, als hij oostwaarts trok, dikwijls waargenomen. Hij vloog
dan op een aanzienlijke hoogte en streek slechts nu en dan op den top
van een der hoogste boomen van het woud neer, alsof hij een weinig
rusten wilde. Ik heb hem op zijn reis naar 't noorden nagegaan, in
Pennsylvanië, New-York en andere oostelijke staten, door de Britsche
provinciën Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland tot Newfoundland, waar
hij veelvuldig broedt; nooit zag ik hem echter in Labrador en evenmin
aan de kust van Georgië of Corolina, hoewel hij hier in de gebergten
aangetroffen wordt." Zijn voedsel bestaat uit graszaden en bessen,
in de lente ook uit knoppen en malsche bloesems. Bovendien maakt hij
soms jacht op Insecten, die hij niet zelden in de vlucht vangt.

Door de Amerikanen wordt de Roodborst-kardinaal als een der beste
en ijverigste zangers beschouwd. Zijn lied is rijk aan melodieën en
zeer welluidend; elke toon is vol en helder. Als het weder goed is,
zingt hij des nachts "met alle verschillende, treffende intonaties
van den Nachtegaal, nu eens schel klinkend, luid, helder en vol,
dan weer klagend, vervolgens weer opgewekt en eindelijk teeder,
zoetvloeiend en zacht."



De ook in Europa welbekende Gewone Kardinaal, de Red-bird der
Amerikanen (Coccoborus virginianus), is 20 cM. lang en heeft een 8
cM. langen, flauw uitgeranden staart. Zijn kruin is getooid met een
kuif, die opgezet en neergelegd kan worden. De hoofdkleur van het
vederenkleed is schel karmijnrood; de veeren van mantel, schouders en
staartwortel zijn doffer van kleur daar zij een smallen, uitvloeienden,
vaalgrijzen zoom aan de spits hebben; de teugel, een smal randje
om de oogen, de kin en de bovenkeel zijn zwart; de slagpennen en
staartveeren zijn donker karmijnrood, gene met uitzondering van het
bruine topgedeelte en van een vaalbruinen zoom aan den buitenrand
van de laatste armpennen. De iris is roodbruin, de snavel rood,
de ondersnavel aan den wortel zwart, de poot bruin.

Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat de zuidelijke Vereenigde
Staten, Mexico en Californië. In zachte winters blijft hij gedurende
het geheele jaar in 't zelfde oord; bij ongunstiger weersgesteldheid
trekt hij. Wegens zijn prachtige veeren valt hij reeds op een afstand
in 't oog en strekt tot sieraad aan het woud. Over dag houdt hij zich
bij voorkeur op in de dicht dooreengewarde twijgen der slingerplanten
en onderneemt van hier uit tochten naar naburige akkers en tuinen;
men ontmoet hem daarom zoowel in de nabijheid der steden als in
het donkerste en eenzaamste woud. Gedurende den zomer leven de
Kardinalen paarsgewijs, in den herfst en in den winter zijn zij tot
kleine gezelschappen vereenigd. Bij strenge koude komen die, welke
in het land gebleven zijn, niet zelden op de boerenerven om hier
voor de schuur, in gezelschap van Musschen, Duiven, Sneeuwvogels,
Withalzige Muschgorsen en andere Vogels, zaden op te pikken, dringen
in openstaande stallen en zolderruimten door, of zoeken voedsel bij de
omheiningen der tuinen en velden. De struik of de boom, waarin het nest
wordt gebouwd, staat soms dicht bij een boerderij of te midden van het
veld, soms aan den rand van het woud of in het struikgewas. Niet zelden
vindt men het nest in de onmiddellijke nabijheid van een boerderij,
dikwijls op een afstand van slechts weinige meters van dat van de
Spotlijster. Het bestaat uit droge bladen en twijgen, hoofdzakelijk uit
stekelige takjes, die door halmen en wijnstokranken aaneenverbonden,
van binnen echter met fijne grashalmen bekleed zijn. Het broedsel
bestaat uit 4 à 6 eieren van vuilwitte kleur, die dicht bezaaid zijn
met olijfbruine vlekken. In de noordelijkste Staten broedt het paar
zelden meer dan éénmaal in de zuidelijke soms driemaal per jaar. De
jongen blijven slechts weinige dagen onder de hoede van hunne ouders
en worden daarna aan het lot overgelaten.

De Amerikaansche onderzoekers roemen tamelijk eenstemmig het gezang
van den Kardinaal; volgens ons oordeel bestaat hiervoor geen voldoende
reden. Als zanger in het vrije woud moge de "Virginische Nachtegaal"
den lof verdienen, die hem wordt toegezwaaid; als kamervogel speelt hij
slechts een ondergeschikte rol, hoewel het niet al te zelden voorkomt,
dat hij in de kooi broedt.



De Gorsen (Emberizinae) vormen de vierde en laatste onderfamilie van
de Vinken; zij omvat ongeveer 55 soorten, welke in vele opzichten
overeenstemmen. Het zijn diklijvige Muschvogels met betrekkelijk
kleine, kort kegelvormigen en scherpen snavel; deze is aan den wortel
dik, naar voren zijdelings samengedrukt; de bovensnavel is smaller dan
de ondersnavel; de zijranden zijn sterk ingebogen; de onderkaak heeft
van achteren een min of meer uitstekenden zijrand en deze is, evenals
die van de bovenkaak, aan den mondhoek steil naar beneden gebogen;
de bovenkaak heeft aan het gehemelte een beenigen knobbel, die in een
uitholling van de onderkaak past. De pooten hebben een korten loop
en lange teenen, van welker nagels de dikwijls spoorvormig verlengde
klauw van den achtergrond het meest in 't oog valt. De vleugels zijn
middelmatig groot; hun spits wordt gevormd door de tweede en de derde
slagpen. De staart is tamelijk lang, bestaat uit nog al breede veeren
en is aan het einde flauw uitgerand. Het vederkleed is los en meestal
bij mannetjes, wijfjes en jongen verschillend.

Voor 't meerendeel behooren de Gorsen tot het noordelijk halfrond; de
meeste houden zich op in laag struikgewas of in rietvelden. Hoewel zij
niet tot de vlugste en meest begaafde Vinken behooren, ontbreekt het
haar geenszins aan een lieftallig voorkomen; zij zijn zeer gezellig
en vredelievend, voeden zich gedurende den zomer hoofdzakelijk met
Insecten, in den herfst en in den winter met melige zaden, die zij,
evenals de Insecten, op den bodem zoeken; zij bouwen haar steeds
eenvoudig ingericht nest op den grond in een klein kuiltje of althans
zóó, dat het zich slechts weinig boven de oppervlakte verheft; zij
leggen hierin 4 à 6 donkere, met stippels en krieuwels geteekende
eieren, die door de beide ouders uitgebroed worden. Wegens haar
welsmakend vleesch, dat in den herfst zeer vet is, worden sommige
soorten reeds sinds overouden tijd ijverig vervolgd; de andere
daarentegen worden door den mensch niet lastig gevallen, daar zij
slechts bij uitzondering in de kooi worden gehouden.



Misschien mag men de Spoorgorsen (Calcarius) wel als de
hoogst ontwikkelde leden van deze onderfamilie aanmerken. Hare
kenteekenen zijn gelegen in den kleinen snavel met weinig merkbaren
gehemelteknobbel, de krachtige, voor 't gaan geschikte pooten,
welker achterteen een nagel draagt, die dezen, wat de lengte betreft,
minstens evenaart, de scherpe vleugels, van welker slagpennen de
beide eerste de langste zijn, den korten, aan 't einde uitgesneden
staart en de overvloedige bevedering.



Bij de IJsgors (Calcarius lapponicus) [16] zijn de kop, de kin en
de keel zwart, een breede streep, die boven de oogen begint en zich
over de slapen uitstrekt, is witachtige roestkleurig, de nek en
de achterhals zijn kaneelrood, de overige bovendeelen roestbruin
met zwarte schaftvlekken geteekend, de zijden van den hals en de
onderdeelen wit, de flanken met zwarte schaftstrepen voorzien,
die aan de zijden van de borst tot een groote vlek ineenvloeien; de
slagpennen zijn bruinzwart, de staartveeren eindelijk zwart met valen
zoom. De iris is donkerbruin, de snavel stroogeel, bij de spits zwart,
aan den rug blauwzwart, de poot blauwachtig grijs. Totale lengte 16,
staartlengte 6 cM.

De IJsgors is een kind van de toendra, haar verbreidingsgebied strekt
zich daarom uit over de noordelijkste gedeelten van de Oude en van de
Nieuwe Wereld. Van hier trekt zij in den winter zoover zuidwaarts, als
volstrekt noodig is; reeds in Nederland en Duitschland verschijnt zij
zeer zelden; in nog zuidelijker gelegen landen verdwaalt zij hoogstens
een enkele maal. Zoodra het weder een weinig zachter wordt, keert zij
zoo spoedig mogelijk naar haar onherbergzaam vaderland terug. Hier is
zij overal buitengewoon talrijk; tusschen hoog en laag gelegen gewesten
maakt zij zoo goed als geen verschil, voor zoover n.l. de dwergberk
er groeit en den bodem bekleedt met een viltachtige laag, waarop zij
gaarne verblijf houdt. In Nederland werd deze Vogel herhaaldelijk
waargenomen gedurende de maanden October tot Maart en wel te Haarlem,
Lisse, Wassenaar en Harderwijk. In den winter 1892-1893 b.v. zijn een
twintigtal voorwerpen van deze soort te Amsterdam op de markt geweest
(Albarda).

Wat hare gewoonten betreft, houdt zij als 't ware het midden tusschen
de Leeuweriken en de Gorsen. Als een Gors gedraagt zij zich bij
't zitten, zoowel op een steen als op een wiegelende twijg, als
Leeuwerik en Gors te gelijk bij 't loopen en vliegen. Stappend,
niet huppelend, beweegt zij zich behendig over den bodem; zij
vliegt zonder inspanning en flink; evenals de Leeuwerik zweeft zij
dikwijls langen tijd gedurende het zingen. Haar zwaarmoedige, aan haar
woesten geboortegrond herinnerende loktoon kan ongeveer nagebootst
worden door de syllaben "tsjuu, tsjuu eb". Het zeer eenvoudige, maar
aangename gezang, bestaat uit een enkele strophe, waarin de loktoon
dikwijls wederkeert; het wordt alleen gedurende het vliegen, maar
dan met grooten ijver voorgedragen. Het nest, dat men op vochtige
plaatsen tusschen de wortels van een dwergberk, op een heuveltje,
goed verborgen onder het dichte struikgewas en op dergelijke plaatsen
aantreft, bestaat, wat de buitenste laag betreft, uit meer of minder
grove of fijne halmpjes en is van binnen met zachte veeren van het
Groote Sneeuwhoen gevuld. Tegen het midden van Juni is het voor
't broeden vereischte aantal eieren, 5 of 6, in 't nest aanwezig;
deze zijn op grijsachtigen, geelachtigen of lichtbruinachtigen grond
meer of minder overvloedig geteekend met donkerder, haarfijne strepen
en stippels, welker kleur op die van de grondkleur gelijkt.

Het voedsel bestaat gedurende den broedtijd uitsluitend uit Insecten
en wel hoofdzakelijk uit Muggen. Gedurende den winter daarentegen
voedt ook deze Gors zich met zaden. Daar de IJsgorsen zich in het
laatst van den herfst gaarne bij de Leeuweriken voegen, worden zij
dikwijls met deze en soms in grooten getale gevangen; dit is b.v. het
geval in China, waar zij in sommige tijden van het jaar in menigte
op de markt te koop liggen.

De verwante Sneeuwgors, ook wel Duin-, Strand-, Zee- en Sneeuwputter,
Sneeuwvink en in Groningen IJskletter genoemd (Calcarius nivalis),
is in den zomer grootendeels sneeuwwit; zwart zijn de mantel- en
schouderveeren, met uitzondering van den smallen, witten zoom aan de
spits, de handpennen, met uitzondering van het witte wortelgedeelte,
en de vier middelste staartpennen. Van het winterkleed daarentegen
zijn de boven- en de achterkop benevens de oorstreek roestkleurig
kaneelbruin, de schouders en de mantel zwart met kaneelbruine
vederzoomen; roestgeelachtige plekken loopen dwars over den krop en
langs de zijden; de buitenste staartpennen hebben op het einde van
de buitenvlag een zwarte vlek. De iris is donkerbruin, de snavel des
zomers zwart, des winters oranjegeel, de poot zwart.

De Sneeuwgors houdt ongeveer in dezelfde landen verblijf als de
IJsgors. Haar verbreidingsgebied is uitgestrekter, haar broedgebied
echter beperkter dan dat van hare verwante. Zelfs de noordelijkste
gedeelten van de toendra, voor zoover zij, al is het slechts gedurende
eenige weken, hun sneeuwlaag verliezen, worden nog door haar bewoond;
altijd houdt zij zich zooveel mogelijk in de nabijheid van de
eeuwigdurende sneeuw op. Op IJsland is zij de algemeenste landvogel;
zij broedt nog op Spitsbergen, Nowaja Semlja en Noord-Groenland,
voorzoover dit onderzocht is. Haar winterreis strekt zich tot in
Zuid-Duitschland, soms nog verder zuidwaarts uit, in Azië tot in 't
zuiden van Siberië en tot in China, in Amerika tot in de middelste
Vereenigde Staten. Bij ons ziet men deze Vogels, vooral bij sneeuw
of vorst, soms in groote menigte in de kuststreken, op onbeplante
dijken, wegen enz. In hun broedgebied houden zij op berghellingen en
rotsachtige gebergten verblijf. Hier brengen zij haar korten zomer
door, hier minnen en broeden zij. Het nest, dat steeds in rotsspleten
of onder groote steenen aangelegd wordt, bestaat van buiten uit
grashalmen, mos en korstmossen, die op den bodem groeien; het is van
binnen met veeren en dons gevoerd; de ingang is zoo klein mogelijk,
niet grooter dan noodig is om de oude gemakkelijk door te laten. Het
bevat 5 of 6 eieren, die zeer verschillend van kleur en teekening
kunnen zijn, gewoonlijk echter op blauwachtig witten grond donker
roestbruine vlekken, stippels en strepen vertoonen, welke zich in
de nabijheid van het dikke einde kranswijs opeenhoopen. Reeds tegen
het einde van April laat het mannetje, boven op een steen zittend,
zijn kort, maar helder klinkend, aangenaam gezang hooren. Kort
na den broedtijd vereenigen de paren zich met hunne jongen tot
groote vluchten, die nog eenigen tijd in het vaderland blijven,
maar vervolgens hun winterreis aanvangen. Op de broedplaatsen voeden
zij zich uitsluitend met Insecten, vooral met Muggen; gedurende den
winter moeten zij zich met zaden behelpen.

Weinige andere Vogels reizen in zulke verbazend groote gezelschappen
als de Sneeuwgorsen. Ook Nederland en Duitschland bezoeken zij in
bijna iederen winter, maar slechts zelden in zulke groote zwermen als
het hooge noorden. In Rusland noemt men ze "Sneeuwvlokken" en deze
benaming past goed op haar, daar zij werkelijk als sneeuwvlokken uit
de lucht komen vallen en akkers en straten bedekken. Soms komen zij in
groote vluchten op schepen om hier eenige oogenblikken uit te rusten.

Door hare handelingen gelijken de Sneeuwgorsen zoowel op de Leeuweriken
als op de Gorsen. Zij loopen geheel op de wijze van de Leeuweriken,
vliegen behendig en zonder moeite, met weinig gefladder en volgens
groote booglijnen, gedurende de reis op aanzienlijke hoogte, overigens
liefst dicht bij den bodem. Gezelschappen, die voedsel zoeken, rollen
als 't ware over den grond verder, daar slechts een gedeelte zich op
den grond neerzet en de andere over deze heenvliegen. Zij zijn onrustig
en beweeglijk van aard: zelfs gedurende de strengste koude verliezen
zij haar opgewektheid niet en hebben, zelfs wanneer zij bepaald
gebrek lijden, nog een vergenoegd uiterlijk. Slechts zelden blijven
zij lang op dezelfde plaats, liever zwerven zij door een beperkt
gebied aanhoudend rond. Als er veel sneeuw ligt, zoeken zij de wegen
op en komen zelfs in de steden; zoolang zij echter op de akkers nog
voedsel kunnen vinden, kiezen zij deze als winterverblijf en zijn hier
gedurende den geheelen dag bezig. Haar loktoon is een luid gefloten
"fiet" en een klinkend "tsierr"; het gezang van het mannetje is een
getsjilp, dat in vele opzichten op het gezang van den Veldleeuwerik
gelijkt, maar er door luide, schel klinkende strophen van verschilt.

In gevangenschap houden zij zich in den regel niet lang goed.



Het geslacht der Gorsen in engeren zin (Emberiza) kenmerkt zich door
den snavel, die, hoewel verschillend van lengte en dikte steeds een
duidelijken knobbel aan het gehemelte bezit; de bovensnavel is smaller
dan de ondersnavel; de voeten, welker achterteen met een korten,
sterk gekromden nagel gewapend is, zijn zwakkelijk; de vleugels zijn
middelmatig lang, hun spits wordt gevormd door de tweede en derde
handpen; de staart is lang en aan de spits uitgerand.



Bij onze Rietgors, Rietmusch, Slootmusch of Rietvink, in Friesland
Rietmosk genoemd (Emberiza schoeniclus), zijn de kop, de kin en de
keel tot aan het midden van den krop zwart; de knevelvlek en een
den hals omgevende kraag zijn wit evenals ook de onderdeelen, deze
met uitzondering van de grauwe, met donkere, overlangsche strepen
voorziene zijden; de mantel en de schouders, die een overgang van
grijs in zwartbruin vertoonen, zijn door de roestbruine zoomen
aan weerszijden van de veeren op een aangename wijze geteekend; de
staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn grijsbruin,
de slagpennen bruinzwart met roestbruine zoomen, de bovendekveeren
van den vleugel roestrood, de grootste aan den wortel zwart, de beide
middelste met roestroode randen, de buitenste aan de buitenvlag wit. De
iris is donkerbruin, de snavel eveneens, de poot is bruinachtig. Totale
lengte 16, staartlengte 5.5 cM.

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Europa en het
westen van Azië. In ons land vindt men haar van April tot October,
vooral aan den waterkant in 't riet, in de laatste jaren intusschen
veel minder algemeen dan vroeger (Schlegel).

Binnen de grenzen van het genoemde, uitgestrekte verbreidingsgebied
ontbreekt de Rietgors nergens behalve in het gebergte. Zij woont echter
uitsluitend daar, waar moerassige oorden met hooge waterplanten, riet,
zeggen, wilgenstruiken en dergelijke in moerassige streken groeiende
gewassen bezet zijn, met andere woorden dus, aan de oevers van plassen,
rivieren en meren, in moerassen en drasse weiden. Hier broedt zij ook.

Het nest wordt, zeer goed verborgen tusschen wortels en halmen,
op den bodem van eilandjes en andere niet door het water overdekte
plekjes grond gebouwd. Gewoonlijk is het slordig samengesteld uit
allerlei halmen en slingerplanten, grasstoppels en drooge grasbladen,
van binnen bekleed met enkele paardeharen, met vruchtharen van riet
en zaadharen van wilgen. Tweemaal in den zomer, in Mei en begin
van Juli, vindt men in het nest 4 à 6 aardige eitjes, die een zeer
verschillende kleur kunnen hebben, maar gewoonlijk op grijsachtig
witten, naar bruinachtig of roodachtig zweemenden grond met aschgrauwe
à zwartbruine, scherp begrensde of uitvloeiende vlekken, stippels en
adertjes geteekend zijn. Het broedende wijfje wijdt zich met zooveel
ijver aan haar taak, dat men het bijna met de hand kan vangen; het
mannetje komt, zoodra iemand het nest nadert, angstig toegevlogen
en laat een klagend geschreeuw hooren. De jongen worden op de gewone
wijze met voedsel voorzien en grootgebracht.

De Rietgors is een opgewekt, slank vogeltje, behendiger en flinker dan
hare verwanten; zij klimt als een acrobaat bij de rietstengels op en
neer en ziet kans om op de zwakste twijgen of halmen te blijven zitten;
zij huppelt vlug over den bodem, vliegt snel en zonder inspanning,
maar met rukken; als zij opvliegt verheft zij zich hoog boven den grond
en schiet bij 't neerstrijken plotseling naar beneden, ook dartelt zij
dikwijls in fraaie booglijnen boven het rietveld. Haar loktoon is een
luide, ongewoon lang gerekte, met "tsie" overeenkomende klank; haar
gezang wordt door Naumann zeer eigenaardig met stamelen vergeleken.

Gedurende den zomer voedt ook de Rietgors zich bijna uitsluitend
met Insecten, die in het riet of in en op het water leven; in den
herfst en in den winter eet zij zaden van riet, zeggen, biezen en
andere moerasplanten. Kort na den broedtijd vereenigen deze Vogels
zich tot kleine vluchten en bezoeken van tijd tot tijd de akkers,
waar zij bij de gierststengels en andere korenhalmen opklauteren en
de graankorrels uit de aren en pluimen halen. Als de weersgesteldheid
ongunstig begint te worden, verlaten zij de noordelijke gewesten
en slaan in de rietbosschen of op de met langhalmige grassen en
distels begroeide vlakten van Zuid-Europa hare winterkwartieren
op. Zij overwinteren ook in Griekenland en Algerië; aan de oevers
van het Albufera-meer bij Valencia blijft zij gedurende het geheele
jaar. Enkele exemplaren overwinteren in Zuid-Duitschland.



De Dwerggors (Emberiza pusilla), zoo genaamd, omdat zij de kleinste
van alle Gorsen is (totale lengte 16, staartlengte 6.5 cM.), bewoont
het Noorden van Rusland en geheel Noord-Azië. Enkele malen werd zij
in West-Europa waargenomen, ook in Nederland (in 't geheel 7 of 8
maal). De bovenkop, de teugel en de zijden van den kop zijn roestrood;
twee breede, zwarte streepen strekken zich, bij het neusgat beginnend,
over den kop tot in den nek uit; een zwarte streep achter het oog
verbindt zich met een dergelijke, die de oorstreek van achteren
begrenst; aan de zijden van den hals komt een roestroode dwarsstreep
voor. De bovendeelen (benevens oogen, snavel en pooten) zijn bruin,
de onderdeelen wit, gene op den mantel en de schouders, deze op de
zijden met breede, bruinzwarte, roodbruin gezoomde schaftvlekken
geteekend; dicht bijeen staande, zwarte schaftvlekken versieren den
krop en de borst. Van de donkerbruine stuurpennen is de buitenste op
de geheele buitenvlag en op het einde van de binnenvlag wit.

Nog zeldzamer is in ons land de 17 cM. lange Woudgors (Emberiza
rustica), die éénmaal te Harderwijk gevangen werd (Albarda). Zij
bewoont het noorden, van Kamtschatka tot Lapland. Van de Dwerggors,
waarop zij overigens veel gelijkt, verschilt zij door de zwarte kleur
van de bovenvlakte en de zijden van den kop. Beide soorten trekken
uit het noorden van Europa in 't najaar in zuidwestelijke richting en
bezoeken naar alle waarschijnlijkheid vaker ons land dan men vermoedt.



De grootste, inheemsche soort van het Gorsengeslacht is de zwaarlijvige
Grauwe Gors of Gierstvogel, in Gelderland Grauwgors, in Groningen
Dikschijter, Korenspork of Grauwstjirt, in Friesland Grauwtjirt
genoemd (Emberiza calandra) [17]; zij is 19 cM. lang met inbegrip
van den 7 cM. langen staart. Hare bovendeelen zijn op rosachtig
grijsbruinen grond met zwartbruine, overlangsche vlekken geteekend;
dergelijke vlekken gaan van de ondersnavel uit en vormen onduidelijke
baardstrepen, die op het midden van den krop tot een groote, donkere
vlek ineenvloeien; de wangen en de oorstreek zijn op bruinachtigen
grond met donkere, overlangsche strepen voorzien en van onderen
begrensd door een vaalwitten, eveneens donker gestreepten band; de
slagpennen en staartvederen zijn donkerbruin met vaalwitten buitenzoom;
de vaalwitte eindzoomen van de bovendekveeren vormen op den vleugel
twee lichte dwarsstrepen. Het oog is donkerbruin, de snavel vuilgeel,
de poot bleekgeel.

Van het zuiden van Noorwegen af wordt de Grauwe Gors op alle voor haar
geschikte plaatsen van geheel Europa en ook van West-Azië, hetzij als
standvogel of althans als zwerfvogel aangetroffen. Men ontmoet haar
hier ook als trekvogel; in 't najaar begeeft zij zich afzonderlijk of
in zwermen tot naar Noord-Afrika, is dan in Egypte niet zeldzaam en op
de Kanarische eilanden algemeen. Des zomers bewoont zij uitgestrekte,
met graan bebouwde vlakten; bij voorkeur houdt zij zich op in gewesten,
waar bouwland en weiden met elkander afwisselen en waar afgezonderd
staande boomen en struiken voorhanden zijn. In groote bosschen ziet
men haar evenmin als op gebergten. In ons land werd zij broedende
slechts in sommige streken en wel in kleinen getale aangetroffen,
zooals b.v. in Groningen, in Friesland en ook in Gelderland en
Noordholland; soms zwerft zij hier ook 's winters rond. In de overige
streken ziet men haar slechts zeer zelden in October en November op
den trek verschijnen. In Maart komt zij op hare broedplaatsen terug. In
Noord-Duitschland is zij nergens zeldzaam, in Middel-Duitschland breidt
zij het door haar bewoonde gebied meer en meer uit; in de rijke,
graan verbouwende districten van Oostenrijk-Hongarije is zij, zoo
niet de veelvuldigste van alle Vogels, dan toch de veelvuldigste van
alle Gorsen. Marshall zegt van de wijzigingen, die de geographische
verbreiding van dezen Vogel ondergaat: "De somber uitziende Grauwe
Gors en de om zijn smakelijk vleesch bekende Ortolaan, die eveneens de
bebouwing van den bodem en meer bepaaldelijk de teelt van granen en
klaver volgen, streven van het Oosten naar het Westen vooruit. Daar
zij echter, naar het schijnt, minder goed geschikt zijn voor den
strijd om het bestaan, zich ook niet zoo innig bij den mensch kunnen
aansluiten, kortom minder onbeschaamd zijn dan de Musch, hebben zij
het niet zoo ver gebracht als deze. De beide genoemde Gorsen hebben,
naar het schijnt, in Middel-Europa zich het eerst gevestigd in het meer
noordwaarts gelegen vlakke land (en wel de Grauwe Gors niet geheel en
al zoo noordelijk als de Ortolaan), later eerst in het zuidelijkere
bergland: in Zuid-Rusland en West-Azië zijn beide Gorsen algemeen;
hier zal waarschijnlijk haar oorspronkelijke woonplaats gelegen zijn."

Zooals de ineengedrongen, plompe lichaamsbouw, de kortheid der vleugels
en de zwakheid der pooten al dadelijk doen vermoeden, is de Grauwe
Gors log van beweging. In gebukte houding huppelt zij langzaam over
den grond en wipt intusschen met den staart; ook voor het vliegen wordt
veel inspanning vereischt; met snorrende vleugelslagen beschrijft zij
een uit bogen bestaande vluchtlijn; toch weet zij op deze wijze een
voldoende snelheid te bereiken en allerlei doelmatige wendingen te
maken, die men van haar niet verwacht zou hebben. Haar loktoon, die
bij het opvliegen dikwijls herhaald wordt en die zij ook gedurende
het vliegen laat hooren, is een scherp "tsiek", het waarschuwend
sein klinkt gerekt als "sieh", het geluid, dat teedere aandoeningen
verraadt, is een zachter "tiek"; het gezang is zoomin aangenaam als
luid en gelijkt sterk op het gedruisch, dat bij het kousenweven gehoord
wordt, daar het herhaaldelijk roepen van "tiek tiek" het voorspel is
van een onnavolgbaar gekletter, waarmede deze zonderlinge compositie
besloten wordt. Gedurende het zingen neemt de Grauwe Gors op steenen,
palen, takken van struiken en boomen verschillende houdingen aan en
tracht zij zooveel mogelijk door gebaren de gebreken van haar gezang
te vergoeden. Beminnelijke eigenschappen merkt men bij deze Gors
niet op, integendeel, zij is vervelend en valt bovendien hare meer
vredelievende verwanten lastig met haar twistgierigheid.

Het nest wordt in April in een kleine holte te midden van gras of van
andere tot beschutting dienende kruiden en altijd op korten afstand
boven den grond gebouwd. Oude stroohalmen, droge grasbladen, halmpjes
zijn de bestanddeelen van den nestwand; de nestholte is met haren of
met zeer fijne halmpjes gevoerd. De 4 à 6 eieren hebben een fijne,
glanslooze schaal en zijn op dof grijsachtigen of vuilgelen grond
met roodblauwachtig grijze stippels, vlekjes en streepjes geteekend
en geaderd. De jongen worden met Insecten grootgebracht en zijn tegen
het einde van Mei geschikt om te vliegen; zoodra zij zichzelf kunnen
redden, beginnen de ouders voor een tweede broedsel te zorgen; als
ook deze werkzaamheden afgeloopen zijn, voegen alle zich tot vluchten
bijeen en beginnen kort daarna te trekken.

De Grauwe Gors wordt geschoten of in netten gevangen, omdat zij een
lekker gebraad oplevert. Voor de kooi vangt men haar niet.



De gemeenste soort van Gors in ons land is de Geelgors, Haverkneu,
Geelgierst, Geelvink, Gierstvink of Gerstkneu, in de Tielerwaard
Drifter, in Gelderland Geelkneus, in Noord-Brabant Sip, Schrijver
of Schrieverik, in Groningen Geelstjirt, in Friesland Gelegeus of
Geeltjirt genoemd (Emberiza citrinella). Totale lengte 17, staartlengte
7 cM. De kop, de hals en de onderdeelen zijn fraai hooggeel, de voorkop
en de achterhals olijfkleurig grijsgroen, zoo ook twee overlangsche
strepen aan weerszijden van den kop, waarvan de eene zich van den
voorkop boven het oog langs naar den nek, de andere van den achterrand
van het oog tot op den slaap uitstrekt. De zijden van den kop zijn
kaneelroodbruin, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart
iets donkerder, de mantel en de schouders vaalroestbruin, de zijden van
den romp van boven met breede, zwarte, iets lager met donkerbruine
schaftstrepen; de slagpennen en stuurpennen zijn zwartbruin, de
binnenvlag van de beide buitenste stuurpennen heeft breede, witte
eindvlekken. Het oog is donkerbruin, de snavel donkerblauw, aan de
zijranden lichter, de poot roodachtig geel.

Deze Vogel bewoont Noord- en Middel-Europa en een groot deel van Azië,
vooral Siberië. Bij ons houdt hij zich op aan boschkanten, in struiken
en heggen, vooral in de nabijheid van slooten en ander water. Overal,
waar tusschen akkers, weiden en boomgaarden struikgewas groeit, kan
men hem met zekerheid verwachten. In Duitschland ontbreekt hij in
geen vlakte en komt hij ook in het gebergte tot bij den woudgrens voor.



Met uitzondering van eenige gewesten is de Cirlgors (Emberiza cirlus),
over het geheele zuiden van Europa verspreid; in vele oorden komt
zij nevens de Geelgors voor, in andere vervangt zij haar. Zij wordt
bovendien hier en daar in Zwitserland, het zuidwesten van Duitschland,
Frankrijk, België en Engeland aangetroffen en is ook een paar malen
in Nederland (bij Harderwijk en bij Arnhem) gevangen. Zij gelijkt
in vele opzichten op de vorige soort, maar is iets kleiner (totale
lengte 15.8, staartlengte 7 cM.); bovendien levert de kleur kenmerken
ter onderscheiding op: de grondkleur van den mantel en de schouders
is nl. roodbruin, de staartwortel bruingrijs met olijfgroenen tint,
de snavel van boven zwart, van onderen lichtbruin, de keel zwartachtig,
de oorstreek met zwart omzoomd.



Gedurende den geheelen zomer ontmoet men de oude Geelgorsen bij paren
of hare jongen tot kleine vluchten vereenigd. Het nest wordt in den
eersten aanvang van de lente gebouwd; dikwijls vindt men het reeds in
Maart. Als bouwstoffen dienen grove, half vergane stengels van kruiden,
grashalmen en droge bladen, voor de binnenste laag grashalmen en
paardehaar. Het nest is gelegen in laag struikgewas, meestal op of
dicht bij den grond, slechts bij uitzondering 1 of 2 M. er boven,
tusschen de stammen of te midden van de dichte twijgen, ook wel
in het gras of tusschen andere kruiden en zelfs in het riet. Het
bevat reeds in het begin van April, ook wel vroeger, 4 of 5 eieren,
deze zijn fijn van schaal, op witachtigen of roodachtigen grond
paars gevlekt of gestippeld en met fijne, gekronkelde streepjes als
beschreven; hieraan dankt deze Vogel zijn Noordbrabantschen naam. De
beide ouders broeden om beurten en deelen met elkander de zorg voor
de opvoeding der jongen. In gunstige jaren broedt de Geelgors twee-
en zelfs driemaal. Zoolang de broedtijd duurt, is het mannetje zeer
opgewekt: het zingt van den vroegen morgen tot laat in den avond zijn
eenvoudig liedje, dat uit 5 of 6 bijna gelijke tonen en een eenigszins
gerekten, één octaaf hoogeren slotklank bestaat. In Duitschland wordt
het nagebootst door de woorden: "S'is, s's noch viel zu früh" of "Wenn
ich 'n sichel hätt; wollt' ich mit schnitt", of eindelijk volgens
Mosen, "Wie, wie hab ich dich lieb". De Zanger zit bij het zingen
op een vrijen taktop en laat den mensch zeer dicht bij zich komen,
hij en zijne handelingen kunnen daarom gemakkelijk waargenomen worden.

Na den broedtijd vereenigen ouden en jongen zich tot zwermen,
die weldra zeer talrijk worden en van nu af, in den eersten tijd
althans, in een klein gebied rondzwerven; ook voegen zij zich wel
bij Leeuweriken en Vinken, zelfs bij Kramsvogels. In strenge winters
zien de Geelgorsen zich genoodzaakt om bij den mensch om voedsel te
komen bedelen; zij komen dan in grooten getale, dikwijls als welkome
of althans gedulde gasten, op het erf van den landman, vooral bij
stallen, op mesthoopen enz., in gezelschap van Musschen en andere
Vogels; in het volgende voorjaar keeren zij echter naar hare vroegere
woonplaatsen terug. Hier en daar worden zij op bepaaldelijk hiervoor
bestemde vinkebanen gevangen; de roofdieren zijn voor haar echter
gevaarlijker vijanden dan de menschen.

Van meer belang voor den vogelaar en den fijnproever is de Ortolaan
(Emberiza hortulana). Totale lengte 16, staartlengte 7 cM. De kop,
de hals en de krop zijn dof grijsgroenachtig, een smalle kring om
de oogen, de kin en de keel zijn geelachtig, zoo ook een streep,
die, van den ondersnavel uitgaande, de wang omgeeft en van de lichte
keelvlek gescheiden is door een smalle, donkere baardstreep; de overige
onderdeelen zijn kaneelkleurig roestrood, de onderdekveeren van den
staart lichter; de bovendeelen zijn dof roestbruin (als bij den Musch),
de mantel en de schouders met breede, donkere schaftstrepen geteekend,
de slagpennen donkerbruin, de eerste met witten, de volgende met
smallen, vaalbruinen, de laatste armpennen en hare dekveeren met
breeden, roestbruinen zoom aan de buitenvlag, de bovendekveeren van
den vleugel bovendien met roestbruinen zoom aan de spits, waardoor
een dwarsband ontstaat; de staartveeren zijn donkerbruin met valen
buitenzoom, de tophelft van de binnenvlag van de beide buitenste
pennen en het middelste deel van de buitenvlag van de buitenste pen
wit. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten vleeschkleurig.

Ook de Ortolaan is over een groot deel van Europa verbreid; hij
komt echter slechts hier en daar, in vele gewesten niet of uiterst
zelden voor. Soms vestigt hij zich in oorden, waar hij vroeger
niet gezien werd, voor goed, om er te nestelen. "In ons land wordt
hij buiten sommige streken van Noordbrabant," schrijft Schlegel,
"slechts toevallig aangetroffen. Hij nestelt in de bedoelde streken
algemeen, maar komt er ook in het najaar op den trek menigvuldig. Hij
wordt alsdan, zooals dat b. v. in de omstreken van Turnhout plaats
heeft, met slagnetten gevangen en in kooien, gedurende den nacht
bij kaarslicht, met gierst in weinige dagen vetgemest, vervolgens
door een stopnaald in het achterhoofd te steken gedood, doch niet
ontweid, en met roode zijden strikjes om den hals, in spanen doosjes
verzonden. Vroeger betaalde men een ducaat, thans somtijds nog één
of twee gulden voor het stuk." In Duitschland bewoont de Ortolaan
als standvogel de gewesten aan den benedenloop van de Elbe, de Mark
en Lausitz, Silezië, Westfalen en de Rijnlanden. Veelvuldig is hij
in het zuiden van Noorwegen en in Zweden en gemeen in Zuid-Europa;
bovendien broedt hij in Engeland, Frankrijk, Rusland, Middel-Azië
tot aan de Alatau, en in de gebergten van Klein-Azië en Palestina. In
den winter begeeft hij zich op den trek tot in het westen en oosten
van Afrika en houdt zich hier bij voorkeur in de gebergten op, waar
hij zelfs nog op een hoogtegordel van 3000 M. voorkomt.

De levenswijze en de gewoonten van den Ortolaan, verschillen weinig
van die der andere Gorsen. Hij bewoont ongeveer dezelfde soort
van plaatsen als de Geelgors en is hier op dezelfde wijze werkzaam;
ook zijn gezang is van soortgelijken aard, hoewel iets aangenamer. De
loktoon klinkt als "gief gerr", de zachte klank "gie" of een nauwelijks
hoorbaar "piek" geeft teedere gevoelens te kennen; een onaangename
gewaarwording wordt geopenbaard door luid "gerk" te roepen. Het nest
en de eieren gelijken op de reeds beschrevene. Het nest is dicht bij
den grond gelegen, gewoonlijk in de dichtste twijgen van lage boomen;
het bevat bij het broeden 4 à 6 eieren, die op roodachtig grijzen
grond met blauw-zwartachtige vlekjes en krulletjes geteekend zijn.

Reeds bij de oude Romeinen was het smakelijke, malsche vleesch van
den Ortolaan als een buitengewone lekkernij bekend; zij mestten
hem in bepaaldelijk hiervoor ingerichte kooien, die des nachts door
lampen verlicht werden. Naar het voedsel, dat zij dezen Vogel gaven
(gierst = "mil"), noemden zij hem "Miliaria". Op dezelfde wijze heeft,
naar gezegd wordt, het mesten nu nog plaats in Italië, het zuiden van
Frankrijk en vooral op de Grieksche eilanden. Daar worden de Ortolanen
in menigte gevangen, gedood, nadat zij den gewenschten graad van
vetheid bereikt hebben, vervolgens geplukt en schoongemaakt, gekookt,
en bij 200 of 400 stuks met azijn en kruiderijen in kleine vaatjes
ingemaakt, die daarna verzonden worden. Voor Ortolanen, die op deze
wijze toebereid zijn, worden door fijnproevers hooge prijzen betaald.



In het zuidoosten van Europa, vooral in Griekenland voorts in
Klein-Azië, Palestina, West-Azië en Noord-Afrika, vindt men, behalve
de Ortolaan, ook de Roestgors (Emberiza caesia), die zich van dezen,
zijn naasten verwant, onderscheidt door de grijze kleur van den kop, de
grijze dwarsbanden over den krop, de licht kaneelroode keel, de donker
kaneelroode onderdeelen, de kleinere, witte vlek aan het uiteinde
van de buitenste staartpennen en den koraalrooden snavel. Soms worden
Vogels van deze soort in Zuid-Duitschland en op Helgoland geschoten.

Een van de fraaiste leden van dit geslacht is de in ons vaderland
nog niet waargenomen Tsiepgors (Emberiza cia); zij is 18 cM. lang
(staartlengte 7.6 cM.). De kop en de nek zijn aschgrauw, de zijden
van den kop, de keel en de krop iets lichter, een breede streep boven
de oogen, de wangen en de kin witachtig grijs; twee strepen, die de
wenkbrauwstreep van boven en van onderen begrenzen en een derde, die,
van den mondhoek uitgaande, om de wangen heen zich met de onderste
der beide reeds genoemde strepen verbindt, zijn zwart; de mantel en
de schouders zijn roestroodbruin, alle veeren met donkere schaften,
de staartwortel, de bovendekveeren van den staart en de onderdeelen
kaneelroestrood, op het midden van den buik lichter, de slagpennen
zwartbruin, de achterste armpennen en hare dekveeren met roestbruinen
zoom; de bovendekveeren van den vleugel zijn donkergrijs, de groote
zwart met vaal roestkleurige eindzoomen, die een dwarsband op den
vleugel vormen; de staartveeren zijn, met uitzondering van de beide
middelste, donkerbruinzwart, de tophelft van de beide buitenste is
op de binnenvlag wit, de buitenhelft van de buitenste ook. Het oog
is donkerbruin, de bovensnavel zwart-, de ondersnavel lichtbruin,
de poot lichtgeelachtig.

In Duitschland bewoont de Tsiepgors, die haar gebied al verder en
verder noordwaarts uitbreidt, de Rijnstreken en ook het zuidoosten
van Baden, hier beperkt tot de hoogste dalen van het gebergte,
ginds tot de wijnbergen van den rechter Rijnoever; niet minder
zelden komt zij in Oostenrijk voor. Veelvuldig daarentegen is zij
in Zuid-Europa, n.l. in Spanje, Italië en Griekenland, bovendien
in West-Azië. Van hier uitgaande doorreist zij het grootste deel
van Azië tot aan den Himalaja, in welks westelijke gedeelten zij
geregeld voorkomt. Zij is een bewoner van het gebergte, en vermijdt de
vlakten. Het liefst bewoont zij berghellingen met het grootst mogelijk
aantal rotsspleten. Hier zwerft zij op de wijze van de overige Gorsen
tusschen en op de steenblokken rond.

Het nest vindt men aan den Rijn, waar zij in sommige streken niet
zelden nestelt, in de spleten en holen van de muren, die de wijnbergen
omgeven. De 3 of 4 eieren vertoonen op witachtig grijzen grond een
teekening bestaande uit zwartachtig grijze draden met eenige grijze
daartusschen; deze draden vormen dikwijls in het midden van het ei
gordels; daar zij niet kort afgebroken zijn, verschilt de teekening
dezer eieren aanmerkelijk van die der Geelgorsen. Ook de Tsiepgors
broedt waarschijnlijk tweemaal per jaar.



Een niet minder fraaie Vogel is de Wilgengors (Emberiza aureola). De
meeste leden van deze soort broeden in het noorden van Azië, de overige
bevolken in groote getale het noordoosten van Europa. Van deze dwalen
op den trek niet zelden eenige exemplaren naar West-Europa af, in
plaats van met de meerderheid in het zuiden van China, Cochinchina,
Assam, Birma en de overige landen van het westelijke Himalaja-gebied
te overwinteren. Eénmaal is er een op een vinkenbaan te Harderwijk
gevangen (Albarda). De Wilgengors is 18 cM. lang en heeft een 4.5
cM. langen staart. De hoofdkleur van haar vederenkleed is roestbruin.



Zuidoost-Europa, te beginnen bij Italië (namelijk Dalmatië en
Griekenland benevens vele eilanden van de Adriatische Zee),
en een groot deel van Zuidwest-Azië (van de Levant tot aan de
noordelijke en westelijke provinciën van Indië) worden bewoond door
de hierneven afgebeelde Kapgors (Emberiza melanocephala); nergens
is deze soort echter sterker vertegenwoordigd dan in Perzië. Zij is
18.5 cM. lang en heeft een 8 cM. langen staart. Met uitzondering
van den zwarten bovenkop is de hoofdkleur van alle bovendeelen
helder kaneelroodbruin, van alle onderdeelen hooggeel; de vleugels
en de staart zijn donkerbruin, de pennen met vaalbruinen, de kleine
vleugeldekveeren met geelgrijzen, de groote met witten eindzoom. De
oogen zijn donkerbruin, de pooten bruinachtig geel, de snavel is
vuilblauw. Het wijfje mist de zwarte kap; haar bovenkop is even als
de overige bovendeelen grijsachtig roestrood, de onderdeelen zijn
met uitzondering van de witte keel roestgeelachtig wit.

Uit hare winterkwartieren terugkeerend, komt de Kapgors tegen het
einde van April in Griekenland, een weinig later in Istrië aan. Op
een fraaien lentemorgen zou men in Griekenland alle struiken aan het
zeestrand, waar den vorigen dag geen enkele van deze Vogels te vinden
was, letterlijk bedekt kunnen zien met Kapgorsen, die hier gedurende
den nacht zijn aangekomen. Onmiddellijk begeeft ieder paar zich
naar zijn broedplaats, de soms in een van de wijnbergen der vlakte,
soms op een nog onbebouwden met salie- en doornstruiken (Paliurus)
begroeiden heuvel gelegen is; het bouwt een nest, broedt, voedt de
jongen en verlaat het vaderland weer tegen het einde van Juli of in
Augustus om zich te begeven naar het land, waar het overwinteren
zal. De Kapgorsen trekken echter niet naar het zuidwesten, maar
naar het zuidoosten. Waarschijnlijk is Perzië het brandpunt van haar
verbreidingsgebied; van hier zijn zij uitgegaan en hebben Klein-Azië en
het Balkan-schiereiland eerst later gevonden; door Perzië, waar zij nog
altijd en (tot op een hoogte van bijna 3000 M.) overal veelvuldig zijn,
reizen zij naar hare winterverblijven. Weinige weken na haar vertrek
uit Europa verschijnen zij in Dekhan en in de noordelijke provinciën
van Hindostan, vereenigen zich hier tot ontzaglijke zwermen, richten
groote verwoestingen aan in de graanvelden en verlaten dit land eerst
weder in Maart.

Het nest staat op den bodem in of naast stekelig struikgewas,
gewoonlijk zeer verborgen; het is slordig gebouwd: droge stengels
van kruiden en bladen vormen den wand, die van binnen met fijne
worteltjes, halmpjes, bladvezels en paardehaar gevoerd is. In de
eerste helft van Mei worden er 5 à 7 eieren ingelegd, die op bleek
blauwachtig groenen grond met duidelijk begrensde of uitvloeiende,
aschgrauwe, groenachtige of roodachtig grijze vlekken geteekend
zijn. In Perzië verzamelen de Kapgorsen zich na den broedtijd tot
zwermen van duizenden en tienduizenden individuën, die van de eene
plaats naar de andere zwerven en nog meer gevreesd worden dan de
Sprinkhanen, daar zij reeds lang voordat de tijd van trekken daar is,
de akkers beginnen te plunderen.



De Wevervogels (Ploceidae) behooren tot de aantrekkelijkste
eigenaardigheden van de dierenwereld in het Ethiopische faunistische
Rijk. In deze familie, die buiten Afrika alleen in Zuid-Azië en Indië
vertegenwoordigd is, worden omstreeks 300 zeer verschillende, voor
't meerendeel Afrikaansche soorten van Zangvogels vereenigd. Deze
hebben met elkander gemeen den meer of minder dikken, doch steeds
kegelvormigen snavel, welks rug naar achteren afgeplat, aan den
wortel breed en daar als 't ware tusschen de veeren van den voorkop
verborgen is, den van voren met kleine plaatjes, aan de zijden met
een doorloopende plaat bekleeden loop en de samenstelling van het
handgedeelte van den vleugel, dat steeds tien pennen bezit.

De Wevervogels worden zoo genoemd, omdat vele soorten van deze groep
een groot, kunstig geweven nest vervaardigen. Deze nesten verschaffen
aan sommige boomen van Middel-Afrika en Zuid-Azië een prachtigen
opschik. De gevederde kunstenaars geven de voorkeur aan boomen,
die met een deel van hun kroon een water overschaduwen; soms zijn
deze letterlijk bedekt met nesten. Koloniën van Wevervogels kunnen
als een in 't oog loopende eigenaardigheid van Middel-Afrika, Indië
en de eilanden van den Indischen Archipel beschouwd worden. Een
kenmerkende eigenschap van deze aanvallige bouwmeesters is, dat zij
bij 't broeden steeds tot groote gezelschappen vereenigd zijn. Het
is een zeldzaamheid aan een boom niet meer dan één Wevervogelnest
aan te treffen, gewoonlijk vindt men er 20, 30, zelfs 100 of meer
bijeen. De buitengewone stevigheid van deze nesten maakt, dat zij
jaren lang aan weer en wind weerstand bieden. Het komt daarom wel
voor, dat men aan den boom, die nu door een kolonie van Wevervogels
in beslag genomen is, nog de nesten van drie of vier vroegere jaren
ziet hangen. Boomen, die op deze wijze versierd zijn, ontmoet men
binnen het verbreidingsgebied van de bekwaamste Wevervogels overal,
in het gebergte zoowel als in de vlakte, in het woud zoowel als
onmiddellijk boven het huis van den dorpeling.

De werkzaamheden van sommige soorten van Wevers in Neder-Guinea
worden door Pechuel-Loesche op de volgende wijze beschreven: "In of
bij de dorpen of factorijen nestelen vooral de Zware Wever (Ploceus
nigerrimus) en de Halsbandwever (Ploceus cinctus) op oliepalmen
en nog liever op afgezonderd staande wolboomen (Bombax). In het
dichte gebladerte van de wolboomen blijven de stevig en kunstig
gevlochten, buidelvormige nesten, die men er niet bij honderden,
maar bij duizenden in vindt, gedeeltelijk verborgen; op de oliepalmen,
die door de handige bouwmeesters gewoonlijk geheel beroofd worden van
hunne gevinde of vedervormig samengestelde bladen, vallen de nesten
des te meer in 't oog. Daar het den inboorlingen niet in de gedachten
komt de rusteloos werkzame Vogels lastig te vallen, bekommeren deze
zich in het geheel niet om de handelingen der menschen. Zij zijn even
argeloos als bedrijvig en vlijtig en maken bij den strijd om de beste
nestelplaatsen, bij het broeden en voederen der jongen en bij hunne
pogingen om als zangers op te treden een groot, maar toch gezellig
geraas. De buigzame en taaie grondstof voor 't weven ontleenen zij bij
voorkeur aan de naburige oliepalmen; in den regel kiezen zij echter een
van deze hiervoor uit, die er derhalve slecht aan toe is. Zij gaan bij
dezen arbeid volgens een bepaalden regel te werk. Fladderend vatten
zij met den snavel den rand van een der blaadjes aan op de plaats,
waar dit aan den algemeenen bladsteel gehecht is, en scheuren hiervan
over de geheele lengte een strook af, door zich te laten vallen; op
dezelfde wijze halen zij een tweede en een derde strookje enz., totdat
er van het blaadje alleen de dunne middelnerf is overgebleven. Daarna
verscheuren zij het naastbij liggende en de daarop volgende blaadjes
en eindelijk, als er aan het eene reusachtige blad geen spoor van groen
meer overgebleven is, vallen zij op het volgende aan. Als er zeer vele
Vogels aan den arbeid zijn, worden verscheidene bladen tegelijkertijd
verscheurd. Met rusteloozen ijver zwieren de kleine bouwmeesters om
den boomstam heen; in grooten getale vliegen zij af en aan, bij hun
vertrek lange, fladderende strookjes medevoerend; zij gaan hun gang
zonder zich te laten afschrikken door de menschen, die van beneden
naar de groote, hier aangerichte verwoestingen kijken. Na verloop
van korten tijd is de volle kroon van den fieren palm verdwenen; wat
er van overblijft, gelijkt op bezemrijsjes. Dan wordt een tweede en
vervolgens een derde palm op dezelfde wijze behandeld; dikwijls moeten
er een dozijn geplunderd worden, voordat de nestenstad voltooid is.



De Wevers (Ploceinae) zijn de grootste leden van de naar hen genoemde
familie, waarvan zij de kern uitmaken. Meestal slank gebouwd, kenmerken
zij zich bovendien door hun betrekkelijk langen en slanken, maar toch
altijd krachtigen, kegelvormigen snavel, door hunne pooten, die een
langen loop met lange teenen hebben en met harde, sterk gekromde
nagels gewapend zijn, door hunne lange, maar stompe vleugels, van
welker slagpennen gewoonlijk de vierde de langste is en door hun
korten, zwak afgeronden staart; zij kunnen dus niet licht met andere
leden van dezelfde familie verward worden. Geel of roodachtig geel en
zwart zijn de kleuren, die bij hen de overhand hebben; er zijn echter
ook grootendeels zwarte, roode, muschachtig grijze en witachtige
Wevers. Gewoonlijk is de kop, of althans het aangezicht, donker van
kleur; de rug is meestal groenachtig of roodachtig geel, terwijl de
onderdeelen een zuiver gele, lichtroode of donkerroode kleur hebben.

Alle Wevers zijn op de plaatsen, waar zij voorkomen, veelvuldig, vooral
omdat bij hen een buitengewone neiging tot gezelligheid bestaat,
die zelfs gedurende den voortplantingstijd niet vermindert. Na
den broedtijd vereenigen zij zich tot vluchten, die zeer dikwijls
aangroeien tot zwermen van vele duizenden, welke soms groote
verwoestingen op de akkers aanrichten. Nadat zij geruimen tijd
rondgezworven en intusschen geruid hebben, keeren zij terug naar
den boom, die hun of hunne jongen tot wieg heeft gediend, of althans
naar het oord, waar deze boom staat of gestaan heeft. Hier neemt men
nu eenige maanden lang een groote bedrijvigheid waar, veroorzaakt
door het bouwen van de nesten, dat veel tijd vereischt. Dat de
Wevers met grooten ijver en een waren hartstocht voor het bouwen
bezield zijn, blijkt o.a. uit het feit, dat zij dikwijls een
nest, dat nagenoeg gereed is, weer afbreken om aan een nieuw te
beginnen. Hunne nesten zijn, zonder uitzondering, kunstig gebouwd van
plantaardige vezelstoffen of van buigzame grashalmen, waaraan zij,
naar het schijnt, door hun speeksel een nog grootere buigzaamheid
verschaffen; deze bouwstoffen worden laagsgewijs opeengestapeld of
dooreengeweven. Waarschijnlijk broeden alle Wevervogels meermalen per
jaar; zóó althans wordt het verklaarbaar, dat er in verschillende
maanden van het jaar versche nesten en eieren gevonden zijn in
weinig van elkander afwijkende gewesten, die deel uitmaken van
hetzelfde land. Door de plaats, waar het nest gebouwd wordt, is
de veiligheid der jongen goed verzekerd. Zoomin de Meerkatten als
de andere op het berooven van nesten beluste Zoogdieren, durven
zich vasthouden aan de zwiepende twijgen, die deze nesten dragen:
ieder, die ze met roofzuchtige bedoelingen nadert, loopt gevaar op
den grond of in het water te vallen. Sommige soorten van Wevers,
b.v. de Mahalis (Ploceus mahali), beveiligen hun nest bovendien nog
tegen een aanval door er doornen, met de spits naar buiten gekeerd,
in te vlechten. Zoowel oude als jonge Wevers kunnen in hunne nesten
iederen gewonen vijand trotseeren.

De bewoners van Oost-Afrika beschouwen de merkwaardige kunstwerken
van hunne gevederde landgenooten met een onverschillig oog; andere
volken hebben er wel degelijk acht op geslagen, zij het dan ook
op de wijze van een sprookjesdichter. Zoo hebben de kluitjes leem,
die in sommige nesten voorkomen, aanleiding gegeven tot het verhaal,
dat de Wevervogel des nachts van Glimwormpjes gebruik maakt om zijn
nest te verlichten en dat het leem moet dienen als blaker voor deze
kaarsen. Volgens Bernstein berust op de stevigheid van het nest van den
(o.a. op Java levenden) Baya-wever (Ploceus baya) de Maleische sage,
dat hij, die zoo gelukkig is één van deze nesten los te pluizen zonder
er een halm van te breken, daarbinnen een gouden bal zal vinden.

Zaden van allerlei soort, vooral van grassen en zeggen, vormen het
liefste voedsel van de Wevers. Bovendien maken zij ijverig jacht op
Insecten; hiermede brengen zij hunne betrekkelijk talrijke jongen
groot. Tot ontzaglijk groote zwermen vereenigd, ondernemen zij,
hoofdzakelijk na den broedtijd, plundertochten op de bebouwde
velden. Dan zijn de menschen, en wel vooral de bewoners van arme
gewesten, die geen andere bezittingen hebben dan hunne korenakkers,
genoodzaakt ernstige maatregelen te nemen tot verdediging van hun
eigendom. Behalve van de menschen hebben de Wevers ook veel te lijden
van de Edelvalken en Sperwers, die in hun vaderland zoo talrijk zijn.

Verscheidene soorten van Wevervogels, doch vooral West-Afrikaansche,
komen op onze vogelmarkt tamelijk overvloedig voor; omdat zij een
taai leven hebben en goed bestand zijn tegen de bezwaren, ontberingen
en kwellingen van den overtocht. Wanneer men ze op een eenigszins
doelmatige wijze verzorgt, kan men ze zeer goed in de kooi in 't
leven houden; zij beginnen hier spoedig te weven, wanneer men hun de
gelegenheid verschaft deze kunst uit te oefenen; niet zelden planten
zij zich in de gevangenschap voort. Om deze redenen kan men ze rekenen
onder meest aanbevelenswaardige kooivogels, die de familie der Vinken
oplevert. Hun gezang is niet veel waard, toch is het een lust naar
hen te kijken, daar zij steeds buitengewoon ijverig bezig zijn met
het weven van hunne kunstige woningen.



De Veewevers (Textor) onderscheiden zich door hun aanzienlijke grootte,
hun dikken, kegelvormigen snavel, die aan den wortel een gezwollen
rand heeft, hunne zeer stevige pooten en de afgeronde vleugels,
welker spits door de vierde of vijfde slagpen wordt gevormd.

Tot dit geslacht behoort de Alekto-wever (Textor albirostris), die 25
cM. lang is, waarvan 9 cM. op den staart komen. Zijn vederenkleed is
effenkleurig, dofglanzig zwart, de kleine veeren echter zijn aan den
wortel wit, welke kleur op sommige plaatsen zichtbaar wordt; sommige
slagpennen (de 2e tot de 5e) hebben in 't midden van de buitenvlag
een smallen witten zoom; het oog is bruin, de snavel vuilgeel, aan
de zijranden en aan de spits blauwachtig, de poot vuilgrijs.

Aanmerkelijk kleiner, 20 cM. lang, is de Veewever (Textor
Dinemelli). De kop en de onderdeelen zijn wit, de mantel, de slagpennen
en de staart chocoladebruin, alle veeren met lichteren zoom, een vlekje
bij het polsgewricht, de staartwortel en de dekveeren van den staart
zijn karmijnrood, de teugel is zwart. De snavel is vuil zwartblauw,
de poot donkerblauw.

De Alekto-wever bewoont geheel Middel-Afrika, de Veewever het
binnenland van dit werelddeel en Abessinië. De eerstgenoemde wordt
in Zuid- en Oost-Afrika vervangen door nauw verwante vormen, door den
Buffelwever of Roodbekwever (Textor erythrorhynchus) en den Middelsten
Wever, die hier vermeld worden, omdat de nu volgende levensbeschrijving
gedeeltelijk op hen betrekking heeft.

De Veewevers behooren tot de meest in 't oog vallende leden van
hun familie. Zij verloochenen de zeden en gewoonten van hunne
verwanten niet, maar herinneren toch in meer dan een opzicht aan
de Lijsters. Hoewel zij Wevervogels zijn, hebben hunne nesten
meer overeenkomst met die van onze Eksters dan met de sierlijke
woningen, die door hunne verwanten gebouwd worden. Alle soorten
leven bij voorkeur op weiland, waar vee graast, het liefst in de
nabijheid van kudden, meestal in gezelschap van Purperspreeuwen
en Ossenpikkers. Van den Buffelwever zegt A. Smith het volgende:
"Eerst toen wij ten noorden van den 25en graad Z. B. gekomen waren,
ontmoetten wij dezen Vogel; volgens de verzekering der inboorlingen
komt hij zelden verder zuidwaarts voor, om de eenvoudige reden dat
daar de Buffels zeldzamer zijn. Overal, waar wij hem aantroffen,
vonden wij hem steeds in gezelschap van deze dieren, op welker rug
hij zat en waartusschen hij rondvloog. Hij trippelde op hun lichaam
rond als een Ossenpikker en was voortdurend bezig hier zijn voedsel
te zoeken, dat hoofdzakelijk bestaat uit de Tieken, die zich aan
den huid der Buffels vastgehecht hebben en uit hetgeen hij op den
grond op den drek van deze dieren vindt. Dit bleek voldoende uit
het onderzoek van den maaginhoud van den Vogel. Deze bewijst door
het wegpikken van woekerdieren een groote dienst aan de Buffels,
die bovendien door hem gewaarschuwd worden, zoodra zich het een of
ander verdachte verschijnsel voordoet. Alle Buffels steken dan den
kop omhoog en vluchten. De Buffelwevers bezoeken alleen de Buffels
en deze hebben geen andere schildwachten; de Ossenpikkers daarentegen
behooren bij het Neushoorndier." Hoewel ik de Alekto-wever niet op vee
heb zien zitten, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat zij aan de
Runderen van Oost-Soedan nu en dan dezelfde diensten bewijzen. Hunne
nesten, waarvan ik er soms achttien op denzelfden boom aantrof, zijn
voornamelijk van de doornachtige twijgen van den garat-mimosa gebouwd
en hebben minstens één Meter middellijn. Een opening ter grootte
van een vuist, waarop een veel nauwere gang volgt, leidt naar de
nestholte. Volgens Heuglin zijn sommige nesten 2 à 3 M. lang en 1 à
1 1/2 M. breed en hoog. Deze bevatten dan ieder 3 à 8 broedplaatsen,
ieder afzonderlijk met gras en veeren gevoerd. Iedere nestendragende
boom wordt in een bepaalden tijd van het jaar door een buitengewoon
luidruchtig gezelschap bewoond en is hieraan reeds op een afstand
kenbaar. In de nabijheid van Khartoem merkte ik op, dat de Zwarte
Wever in het begin van het regenseizoen, dus omstreeks het einde van
Augustus, broedt. In de Samhara nestelt hij in April.



De Wielewaalwever (Ploceus galbula) is een van de kleinste soorten van
het geslacht der Boomwevers (Ploceus), daar zijn lengte ongeveer 13
cM. bedraagt. De voorkop tot aan den voorrand van het oog, de teugel,
de zijden van den kop en de kin zijn kastanjekleurig roodbruin, de
bovenkop, de hals en de onderdeelen geel, de bovendeelen olijfkleurig
geel, de slagpennen olijfbruin, de buitenvlag met een olijfgelen,
de binnenvlag met een breederen, zwavelgelen rand; de gele spitsen
van de grootste bovendekveeren vormen op den vleugel een dwarsband;
de staartveeren zijn bruinachtig olijfgeel, aan de buitenvlag en
aan de spits met olijfgelen zoom. De iris is rood, de snavel zwart,
de poot vleeschkleurig.

De Wielewaalwever bewoont Abessinië van de kust van de Roode Zee tot
in het hooge gebergte, bovendien echter geheel Oost-Soedan; op voor
hem geschikte plaatsen is hij zeer talrijk.



Bij de Boomwevers komen als 't ware de eigenschappen van
verschillende Vinken vereenigd voor. Dit is aan geheel hun uiterlijk
zichtbaar. Karakteristiek is hun onverminderde neiging tot gezelligheid
in alle omstandigheden. Des morgens en des avonds verschijnen zij
in troepen op bepaalde boomen, gedurende den broedtijd natuurlijk op
die, welke de nesten dragen. De mannetjes zitten zingend op de toppen
der hoogste twijgen. Dit gezang, hoewel in 't geheel niet fraai, is
zeer gezellig en onderhoudend. Het is een mengelmoes van spinnende,
smakkende, ratelende en fluitende geluiden, waaruit men niet recht
wijs kan worden. Nadat het gezelschap zich op deze wijze bezig heeft
gehouden tot een paar uur na zonsopgang, gaat ieder voedsel zoeken. In
de middaguren komen verscheidene vluchten, soms duizenden individuën,
in boschjes rondom poelen of bij een ondiepte van de rivier bijeen; zij
schreeuwen en krioelen in de struiken op de wijze van onze Musschen;
plotseling vliegen zij alle tegelijk naar den waterkant, nemen hier
een teug en snellen zoo schielijk mogelijk weer in het struikgewas
terug. Voor dit haastig drinken hebben zij goede redenen, want boven
de boomen loeren hunne ergste vijanden, de Sperwers en kleine Valken,
die pijlsnel op de Wevers neerschieten, zoodra deze hunne veilige
zitplaatsen in het struikgewas verlaten. Gewoonlijk blijven de
Wevervogels uren lang op zulk een plaats en vliegen in dien tijd
misschien tien- of twintigmaal naar den waterkant. In den namiddag
zoeken zij opnieuw voedsel, om zich des avonds weer op denzelfden
boom als 's morgens te verzamelen en er hetzelfde lied te zingen. In
den ruitijd, die in Oost-Soedan in de maanden Juli en Augustus plaats
vindt, zijn de zwermen nog grooter dan gewoonlijk.

Het bouwen van het nest vangt aan met het vervaardigen van een
geraamte van lange grashalmen, dat aan de uiterste spits van lange,
buigzame twijgen bevestigd is en reeds duidelijk den vormt vertoont,
dien het nest zal krijgen; men kan er echter nog overal doorheen
zien. Vervolgens worden vooral de wanden der nestholte zeer zorgvuldig
waterdicht gemaakt, door er in de eerste plaats zooveel mogelijk
halmen van boven naar onderen door te steken; later worden ook in
dwarse richting halmen ingevoegd. Een cirkelrond vlieggat wordt
gewoonlijk aan de zuidzijde opengelaten. Het nest heeft nu den vorm
van een stompen kegel, die op een halven bol rust. Om het te voltooien,
wordt de opening aan het boveneind verlengd tot een buis, die bij den
geheelen wand langs naar beneden loopt en er stevig mede verbonden
is, zoodat nu het vlieggat zich onderaan bevindt. Eerst daarna wordt
het nest ook van binnen afgewerkt en met een legplaats van uiterst
fijne grashalmen voorzien. Het mannetje is de eenige bouwmeester
van het nest, het wijfje bepaalt zich tot het aanbrengen van eenige
verbeteringen van het inwendige. Als één twijg niet voldoende wordt
geacht, worden twee twijgen aaneen verbonden door een brug, die nu
als aanhechtingspunt dient voor het schommelend gebouw. Soms begint
het wijfje te leggen reeds voordat de woning geheel gereed is. In
den tusschentijd en zelfs gedurende het broeden bouwt het mannetje
nog steeds ijverig voort. Het broedsel bestaat uit 3 à 5 eieren,
die op groenen grond bruin gevlekt zijn.

De Boomwevers en hun nest leveren in dezen tijd een aardig schouwspel
op. Hun bedrijvigheid, die reeds gedurende den broedtijd buitengewoon
groot is, neemt nog toe, nadat de jongen geboren zijn. Bijna iedere
minuut ziet men het wijfje naar binnen gaan om haar hongerig kroost
te voederen. Daar het eene nest dicht bij het andere hangt en vele
Vogels af en aan vliegen, herinnert de geheele boom levendig aan
een bijenkorf.



Wanneer in het zuiden van Nubië de doerra, die iedere voor bebouwen
geschikte strook gronds van den Nijloever bedekt, rijp begint te
worden, kan men een prachtig tafereel aanschouwen. Een eenvoudig,
tjilpend gezang maakt, dat men de oogen vestigt op een bepaald deel
van het veld; hier ziet men op een van de hoogste vruchtdragende halmen
een prachtigen Vogel zitten, die op een flikkerend vlammetje gelijkt,
terwijl hij zich onder vroolijke bewegingen heen en weer draait. Hij is
de zanger, wiens lied men hoorde. Het eenvoudige wijsje vindt weldra
weerklank in de hartjes van andere vuurvlammetjes; hier en daar komt
er een te voorschijn, over het geheele veld zijn zij verdeeld; bij
dozijnen, bij honderden misschien, klauteren de vuurroode schepseltjes
omhoog en vormen een wonderbaarlijk schoonen tooi voor den groenen
akker. Het is, alsof iedere uit de diepte oprijzende zanger zich er
op toelegt om zijn prachtig gekleurd vederenkleed van alle zijden
te laten bewonderen. Hij richt de vleugeldekveeren omhoog, maakt
wendingen en buigingen en zet zelfs een hooge borst te midden van
het felle zonlicht. Even snel als hij gekomen is, verdwijnt hij weer,
maar alleen om weinige minuten later opnieuw naar boven te klimmen.

De hier bedoelde Vogel is de Oranjewever (Euplectes franciscanus). Alle
dieren van deze soort, mannetjes, wijfjes en jongen, dragen buiten
den paartijd een buitengewoon bescheiden, muschkleurig kleed; het
wijfje behoudt dit voortdurend; bij het mannetje verandert het tegen
den broedtijd geheel en al, niet alleen wat de kleur, maar ook wat de
gesteldheid der veeren betreft. Deze zijn dan zacht en fluweelachtig;
de onder- en de bovendekveeren van den staart, welker baarden geen
samenhangende vlag vormen, hebben zich aanmerkelijk verlengd,
zoodat zij de stuurpennen nagenoeg geheel bedekken; deze zoowel
als de slagpennen hebben haar bruine kleur behouden; de bovenkop,
de wangen, de borst, de zijden en de buik zijn fluweelachtig zwart,
de overige lichaamsdeelen vermiljoenrood met karmijnkleurige tint,
behalve de mantel en de schouders, welker tint bruinachtig is; de
slagpennen en vleugeldekveeren zijn aan haar rand aanmerkelijk lichter
gekleurd dan in het midden, waardoor op den donkerbruinen vleugel een
vaalbruine teekening ontstaat. De snavel is zwart, de oogen zijn bruin,
de pooten bruinachtig geel. Totale lengte 12, de staartlengte 4 cM.

De Oranjewever bewoont alle doerra- en dohhenvelden van de
waterrijke gewesten, die zich van het midden van Nubië tot diep in
het binnenland van Afrika uitstrekken. Steeds geeft hij aan bebouwde
streken de voorkeur boven onbewoonde; alleen in geval van nood kiest
hij rietvelden tot woonplaats. Een doerra-veld is het paradijs, waaruit
hij zich moeielijk laat verdrijven. Hier leeft hij meer op de wijze van
de Rietzangers dan op die der overige Wevervogels. Behendig klimt hij,
evenals gene, bij de halmen op en neer, vlug sluipt hij op den bodem
tusschen het rietgras door, en evenals de Rietzangers verbergt hij zich
in tijd van gevaar te midden van dicht bijeengroeiende halmen. Eerst
nadat het koorn, dat hem gedurende den broedtijd een schuilplaats
verschafte, van de velden is binnengehaald, begint de Oranjewever,
evenals de andere leden zijner familie, in het land rond te zwerven.

De nesten zijn op kunstvolle wijze geweven, maar toch veel slordiger
gebouwd dan die der andere Wevervogels. De jongen zijn reeds
uitgevlogen vóór den doerra-oogst; daar de ouden en de jongen zich
tot groote zwermen vereenigen, worden zij dikwijls tot een plaag voor
het land. Dan zijn de arme Nubiërs, die ieder strookje vruchtbaren
slikgrond moeten gebruiken en bebouwen, genoodzaakt om tot afwering
van de Vogels, die tot dusver het prachtigste sieraad van hunne velden
vormden, wachten uit te zetten, die door de plunderaars voortdurend
bezig worden gehouden.

De Oranjewever komt bij ons dikwijls levend op de vogelmarkt; zij die
dezen Vogel niet kennen, zien hem echter licht over het hoofd, daar
hij slechts gedurende weinige maanden zijn prachtkleed draagt. In de
kooi kan men hem met gewoon vogelvoer gemakkelijk in 't leven houden.



De Weduwen (Vidua) behooren in Afrika thuis; de meeste soorten
van dit geslacht hebben in het donkere werelddeel een uitgestrekt
verbreidingsgebied; toch vindt men in het zuiden zoowel als in het
oosten en het westen karakteristieke soorten. Meer dan de andere
Wevervogels herinneren zij aan de Gorsen. Gedurende den broedtijd leven
zij paarsgewijs; zoodra het broeden en het ruien afgeloopen zijn,
vereenigen zij zich tot talrijke vluchten. De mannetjes wijzigen
hunne gewoonten in verband met het kleed dat zij dragen. Als zij
in hun bruiloftskleed prijken, dwingt de lange en zware staart hen
tot eigenaardige standen en bewegingen. Bij het zitten laten zij hem
eenvoudig naar beneden hangen; bij het gaan moeten zij hem hoog dragen
en wippen er daarom een weinig mede, wat zij in andere tijden van
't jaar niet doen. Een zeer grooten invloed oefent de staart op hun
wijze van vliegen uit. De snelle bewegingen, die zij anders maken,
worden er door verhinderd; met zichtbare inspanning sleepen zij hem
door de lucht, vooral bij eenigszins vermeerderde windkracht. Na
het ruien bewegen zij zich gemakkelijk en vlug op de wijze van de
andere Wevervogels.

De meeste soorten zoeken, naar het schijnt hun voedsel, dat
grootendeels uit afgevallen grasvruchten, doch ook uit Insecten
bestaat, voornamelijk op den grond. Vooral de mannetjes zitten
gedurende den broedtijd meestal op boomen en zoeken hun voedsel, daar
de lange staart de beweging op den grond bemoeielijkt. "De Weduwen,"
schrijft Pechuel Loesche uit West-Afrika, "bezoeken ook gedurende
den broedtijd dikwijls bij paren dorpen en boerenerven. Op open
terreinen pikt het eenvoudig gekleede wijfje haar voedsel van den
grond, terwijl het met lange, zachte staartveeren pronkende mannetje
van tijd tot tijd om haar heen dartelt en op het gebied der vliegkunst
kunstjes verricht, die door sierlijkheid en bevalligheid iedereen tot
bewondering nopen. Zij en andere Vogels, die voor 't meerendeel in
Europa genoegzaam bekend zijn en dikwijls in kooien gehouden worden,
bezoeken op deze wijze zonder schroom de door menschen bewoonde
oorden; zij worden hier beschouwd als geliefde gasten, in welker
kleurenpracht en bewegingen men telkens weer behagen schept. Om hun
een groot genoegen te bereiden, worden soms eenige paddestoelvormige
woningen van Termieten uit de naburige vlakte gehaald en voor hen
stukgeslagen. Dan snellen zij van alle kanten toe en smullen heerlijk;
op zulk een feest gaat het zeer vroolijk toe; in het bonte gewemel van
allerlei Vogels, ziet men dikwijls ook zeldzame bezoekers verschijnen."

De broedtijd valt samen met de lente van hun vaderland, kort nadat
het mannetje zijn bruiloftskleed voltooid heeft. In Soedan heeft het
broeden plaats in het laatst van Augustus, in de Abessinische gebergten
in onze lentemaanden. De nesten gelijken op die van de Wevervogels.



Het mannetje van de Paradijsweduwe (Vidua paradisea) is grootendeels
zwart van kleur; een breede halsband, de zijden van den hals en de
krop zijn oranjekleurig kaneelrood, de overige onderdeelen bleek
roestgeel, de slagpennen donkerbruin, aan de buitenzijde vaalbruin
gezoomd. De iris heeft een zwartachtig bruine, de snavel een zwarte,
de poot een bruine kleur. Het wijfje komt in kleur eenigszins met
een Musch overeen. De lengte van dezen Vogel bedraagt, zonder de 15
cM. lange staartveeren, 15 cM.

De Paradijsweduwe bewoont Midden-Afrika en wel bij voorkeur de
ijle bosschen der steppe. Zij komt niet gaarne in de nabijheid van
bewoonde plaatsen, ofschoon zij geen reden heeft om den mensch en
zijn bedrijf te mijden. In boomrijke gewesten van Midden-Afrika treft
men haar overal, gedurende den voortplantingstijd paarsgewijs, in
andere tijden van 't jaar in kleine gezelschappen of zelfs in groote
vluchten aan. Haar prachtkleed draagt zij gedurende het regenseizoen,
ongeveer 4 maanden lang.

Gevangen Paradijsweduwen worden geregeld naar Europa gebracht: zij
kunnen als kooivogels verscheidene jaren in 't leven blijven, zijn
gemakkelijk te onderhouden, maar planten zich in de gevangenschap
niet of uiterst zeldzaam voort.



Om ook een voorbeeld te geven van een dunsnaveligen Wevervogel,
geven wij een korte beschrijving van het Vuurvogeltje, ook wel Kleine
Amaranthe of Kleine Roode Astrilde (Estrelda) genoemd (Habropyga
minima). Het geslacht der Prachtvinken (Habropyga), waarvan deze
soort een vertegenwoordiger is, omvat de kleinste Wevervogels. Het
10 cM. lange Vuurvogeltje is purperkleurig wijnrood, op den mantel en
de schouders reebruin, iedere veder aan de spits met purperkleurigen
zoom, de borstzijde met witte stippeltjes geteekend. De slagpennen
en de staartveeren zijn bruin, op de buitenvlag met purperrooden
zoom. Het reebruine wijfje is alleen op den teugel en den staartwortel
purperrood, op de borst echter eveneens wit gestippeld. Het oog is
donkerbruin, de snavel rood, de poot roodachtig.

Het Vuurvogeltje bewoont geheel Middel-Afrika van de westkust tot aan
de oostkust en van 22° NB tot 25° ZB. In bepaalde tijden van 't jaar
ontbreekt het in geen enkel dorp van Zuid-Nubië en van Oost-Soedan;
men vindt het dan zelfs bij iedere hut midden in 't woud. Het is een
der eerste Vogels van de keerkringslanden, die men opmerkt, als men van
Egypte naar Soedan reist. Gewoonlijk ziet men het in de nabijheid van
de dorpen met andere leden derzelfde familie tot zwermen vereenigd,
die dikwijls uit tallooze individuën bestaan; het woont echter ook
ver van den mensch in de eenzame steppe en zelfs in het gebergte tot
op een hoogte van 1500 M., ofschoon het hier zeldzamer voorkomt.

Aan het Vuurvogeltje kan men niet slechts wegens zijn sierlijke
kleuren, maar ook wegens zijn aanvalligheid en lieftalligheid veel
genoegen beleven. Hoogstens in de middaguren zoekt het in het
schaduwrijke loover der altijd groene boomen beschutting tegen
de drukkende zonnehitte. Overigens is het bezig, zoolang de zon
boven de kim staat en vliegt onverpoosd van twijg tot twijg, of
trippelt met groote bedrijvigheid op de takken, op de huizen en ook
op den bodem rond. Wat de snelheid van 't vliegen betreft, wordt het
slechts door zeer weinige verwanten overtroffen, ongetwijfeld is geen
hunner echter met een zoo rusteloozen ijver bezield. In de laatste
maanden van het droge seizoen is het ruien afgeloopen; zoodra de
eerste lenteregen valt, ongeveer in het begin van September, begint
de voortplantingsperiode. Tot dusver waren de Vogels tot zwermen
vereenigd; deze verdeelen zich nu in paren, die onbeschroomd in de
dorpen en steden komen en uitzien naar een geschikte nestelplaats onder
het dak van een der kegelvormige, van stroo vervaardigde huizen of
van een der dobbelsteenvormige leemen hutten der inboorlingen. Hier
wordt op den een of anderen geschikten grondslag een verwarde hoop
van droge halmen bijeengebracht, die, een goed afgeronde, maar toch
volstrekt niet zorgvuldig bekleede nestholte bevat. Ingeval van nood
broedt het Vuurvogeltje op boomen of zelfs dicht bij den bodem. Het
nest bevat 3 à 7 witte, nagenoeg bolvormige eieren met gladde schaal,
die door beide ouders in 11 à 13 dagen worden uitgebroed.

Wegens zijne fraaie veeren en lieftalligen aard heeft men getracht het
Vuurvogeltje in Cayenne te acclimatiseeren; voor zoover ons bekend,
hebben deze pogingen echter geen gunstige uitkomst opgeleverd. Op
de vogelmarkt komt dit diertje veelvuldig voor. Wanneer het eerst
de vermoeienissen van de reis te boven is gekomen, kan men er lang
genoegen van hebben; het zal allicht in de gevangenschap broeden en
jongen grootbrengen.



De Bandvogel of Halsbandvink (Spermestes fasciata), mag beschouwd
worden als de meest bekende vertegenwoordiger van de Amadinen
(Spermestes). Zijn snavel is zeer dik, de lengte overtreft de breedte
en de hoogte slechts weinig; de bovensnavel is bij het begin van den
snavelrug plat en aan de zijden door een boogvormig naar achteren
gerichte lijn van den voorkop afgescheiden; de ondersnavel is
zeer breed; de vleugels zijn middelmatig lang, de staart is kort en
afgerond. Dit sierlijke vogeltje is ongeveer zoo groot als een Kanarie,
12.5 cM. lang. Bij het mannetje is de hoofdkleur fraai vaalbruin;
de rug is donkerder, de onderdeelen zijn lichter, iedere veer is
met een zwarte, dwarse zigzaglijn geteekend of (op de bovenborst)
zwart gezoomd; enkele veeren van de borst en van de zijden vertoonen
een zwarte, V-vormige, de bovendekveeren van den vleugel aan de spits
een groote, grijsroodachtige vlek, die door een ervoor gelegen, zwarte
halvemaan bijzonder in 't oog valt; de slagpennen zijn bruin met valen
zoom, de staartveeren dofzwart, van onderen grijsachtig, de buitenvlag
der buitenste stuurpennen is gedeeltelijk wit, de overige hebben aan
't einde een witte vlek, met uitzondering van de beide middelste,
die geheel zwart zijn. Het mannetje onderscheidt zich van het wijfje
door fraaiere kleuren en door een breeden, prachtig karmijnrooden
halsband, die van het eene oog naar het andere loopt en een witten
zoom heeft, waardoor het beter uitkomt. Het vogeltje ziet er uit,
alsof men het in de keel gesneden had; vandaar zijn Fransche naam,
Cou-coupé, en de Engelsche, Cut-throat. De oogen zijn donker-, de
snavel en de pooten lichtbruin.

Sedert eenige eeuwen is de Bandvogel als bewoner van West-Afrika in
Europa bekend; zijn verbreidingsgebied is echter volstrekt niet tot de
westelijke landen van het donkere werelddeel beperkt, maar reikt van
hier tot aan de oostkust. In de Nijllanden ontmoet men hem bezuiden
den 16en graad N. B. overal in de ijle wouden der steppen. Hij
vermijdt de eigenlijke woestijn; aan de grens van den regengordel
begint hij zich te vertoonen; daar, waar hij aangetroffen wordt,
is hij niet zeldzaam. In de oerwouden ontbreekt hij; wanneer hij
ze al eens bezoekt, blijft hij er slechts korten tijd. Deze wouden
missen de zaadrijke grassen en andere laag bij den grond groeiende
planten, waaraan hij zijn voedsel ontleent. De Bandvogels in de kooi
pikken graag in fruit; vermoedelijk zullen zij dus dergelijk voedsel
in de vrije natuur niet versmaden. Hun hoofdvoedsel blijft echter
altijd zaad.

In het noordoosten van Afrika ontmoet men ze gewoonlijk in
gezelschappen van 10 à 40 stuks. Zulke zwermen naderen onbeschroomd
de hutten der dorpelingen. In de voormiddaguren ziet men ze op den
grond rondloopen, waar zij ijverig bezig zijn met het oppikken van
voedsel; nooit klimmen zij echter in de lage grashalmen; gedurende
de middaguren zit het gezelschap, in een halve sluimering verzonken,
in de twijgen van een schaduwrijken boom. Des namiddags vliegen zij
nogmaals uit om voedsel te zoeken.

De broedtijd valt, in Oost-Afrika althans, in de maanden September en
October, dus in een deel van 't jaar, dat met onze laatste lentemaanden
vergeleken kan worden. De in gevangenschap levende dieren brengen de
bouwstoffen, die men hen verschaft, tot een meer of minder geregeld
gebouwd nest bijeen en leggen hierin 6 à 9 witte eieren, de beide
ouders broeden om beurten gedurende 13 dagen; gemeenschappelijk brengen
zij hunne jongen groot, die, zoodra hunne veeren zich ontwikkeld
hebben, in kleur met de ouders overeenstemmen.

In de landen van den Boven-Nijl maakt niemand, in West-Afrika bijna
iedereen jacht op den Bandvogel om hem aan de vogelhandelaars in de
kustplaatsen te verkoopen. Door tusschenkomst van deze lieden komen
ieder jaar duizenden van Bandvogels naar Europa, daar zij de bezwaren
van de reis zeer goed te boven komen. Zij zijn zeer gemakkelijk te
verzorgen en planten zich, wanneer zij paarsgewijs in de kooi worden
gehouden, geregeld voort. Aanvankelijk bekoren zij hun eigenaar door
de fraaiheid van hunne veeren en de bevalligheid van hunne bewegingen
mettertijd begint men ze echter even vervelend te vinden als al
hunne verwanten.



De meest bekende van de Aziatische Amadinen is de Rijstvogel
(Spermestes oryzivora). Deze soort is gemakkelijk te herkennen
aan de fraai grijze kleur der bovendeelen, den zwarten, meestal
wratten-dragen den kop, de licht wijnroode onderdeelen, den zwarten
staart met bovendekveeren van gelijke kleur, terwijl de onderdekveeren
wit zijn; de snavel is helder rozerood, aan de spits en aan de
randen parelwit. De iris is bruin, het ooglid echter rood, de poot
roodachtig. Het verbreidingsgebied van dezen Vogel, die ongeveer zoo
groot is als een Putter, omvat Malakka en de Soenda-eilanden. Zijn
eigenlijk vaderland is echter Java. In sommige werken leest men, dat
de Rijstvogel in zijn vaderland "padda" wordt genoemd, omdat hij aan
de rijstvelden als woonplaats de voorkeur geeft, en de rijst in de
landstaal "padda" heet. Dat men hem hoofdzakelijk in de rijstvelden
aantreft, is waar, de rijst heet echter niet "padda" maar "padi"
en de Vogel in 't geheel niet "padda", maar Gladdik.

"Evenals onze Europeesche Musch," schrijft Bernstein, "bewoont
de Rijstvogel uitsluitend bebouwde landstreken; hij is hier zeer
veelvuldig. Zoo lang de rijstvelden of sawahs door het water bedekt
zijn, d. i. van November tot Maart of April, zoo lang de rijst groeit
en allengs geschikt wordt voor den oogst, houden de Rijstvogels zich
bij paren of kleine familiën in de tuinen en hakhoutboschjes der
dorpen en in het struikgewas op, waar zij, behalve verschillende
zaden en velerlei kleine vruchten, ook wel Insecten en Wormen als
voedsel gebruiken. Menigmaal althans heb ik ze op de wegen enz. den
bodem zien afzoeken, waar moeielijk iets anders te vinden geweest
kan zijn dan dierlijk voedsel; bovendien kwam het mij voor bij 't
onderzoeken van den maaginhoud van verscheidene dezer Vogels, dat
zich hierin overblijfselen van zulke voedingsstoffen bevonden. Zoodra
echter de rijstpluimen een gele kleur beginnen aan te nemen en de
sawahs door het laten afvloeien van het water drooggelegd worden,
begeven de Rijstvogels zich, dikwijls in groote zwermen, naar de
voor hen zoo aanlokkelijke akkers. Zij richten hier niet zelden een
aanmerkelijke schade aan, zoodat men allerlei middelen aanwendt om ze
te verdrijven. In de gewesten, die het meest van deze bevederde dieven
te lijden hebben, bouwt men te dien einde in de sawah een op vier
hooge bamboespalen rustend, klein wachthuisje, op een groot rijstveld
meer dan één. Van hier gaan naar alle richtingen een groot aantal
draden uit, die verderop vastzitten aan dunne bamboesstokken, welke
op bepaalde afstanden van elkander in den grond gestoken zijn. Aan
deze draden hangen groote, droge bladen, bonte lappen, poppen, houten
kleppers en dergelijke voorwerpen. Zoodra nu de inboorling, die, als
een spin te midden van haar web, in het wachthuisje zit, aan de draden
trekt, zullen gelijktijdig alle droge bladen beginnen te ratelen,
terwijl de poppen zich bewegen, de klepperhoutjes geluid geven, enz.;
vol schrik vluchten nu de ongenoode gasten. Ook nog na den oogst vinden
de Vogels op de sawahs, die tot aan het begin van het regenseizoen,
d. i. tot omstreeks November, braak blijven liggen, rijkelijk den kost,
niet alleen omdat er vele rijstpluimen achtergelaten zijn, maar ook
omdat tusschen de stoppels in ongeloofelijk korten tijd allerlei
soorten van onkruid welig opschieten, waarvan de weldra rijpende
zaden den gragen gast een gewenscht voedsel verschaffen. In dezen tijd
zijn zij tamelijk vet en dik; vooral de jonge Vogels leveren dan een
smakelijk gerecht op; op hen wordt daarom ijverig jacht gemaakt. De
gevangen rijstvogels worden alleen door de vogelhandelaars, die ze
naar Europa zenden, in 't leven gehouden."

Het nest vond Bernstein in de kroon van verschillende soorten van
boomen of tusschen de talrijke woekerplanten, die de stammen der
arenga-palmen bedekken, De grootte en vorm van het nest verschillen
in overeenstemming met de plaats waar het gebouwd wordt. De nesten
op de boomen zijn meestal groot en hebben over 't algemeen een
tamelijk regelmatige, half bolvormige gedaante; die, welke tusschen
de slingerplanten van de palmenstammen voorkomen, zijn kleiner en
hebben een minder bepaalden vorm. In 't eene zoowel als in 't andere
geval, worden zij bijna uitsluitend vervaardigd van de halmen van
verschillende grassen; daar deze niet zeer stevig ineengevlochten
zijn, kan het nest niet veel weerstand bieden. Het broedsel bestaat
uit 6 à 8 glanzig witte eieren.

Op Zanzibar is de Rijstvogel inheemsch geworden. In Japan, waar
hij sinds overouden tijd gefokt wordt, heeft men een zuiver wit
ras verkregen, dat in den laatsten tijd geregeld op de Europeesche
vogelmarkten komt. De Witte Japansche Rijstvogel is geen albino,
maar het product van een langdurige, moeitevolle teeltkeus. Hij
heeft donkere oogen en krijgt soms eenige donkere veeren. Niet zelden
ontmoet men bonte exemplaren.



De Troepiaal-vogels (Icteridae) hebben een slank, maar toch krachtig
gebouwd lichaam, met een langwerpig kegelvormigen snavel; deze is soms
iets korter, soms een weinig langer dan de kop; het achterste gedeelte
van den bovensnavel is min of meer schildvormig tusschen de veeren
van den voorkop verlengd; de pooten zijn krachtig, de vleugels en
de staart middelmatig lang. Onder de kleuren van het tamelijk zachte
en glanzige vederenkleed hebben zwart, geel en rood de overhand. De
grootte wisselt af tusschen die van een Kraai en die van een Vink.

De Troepiaal-vogels leven uitsluitend in Amerika. Alle soorten van
deze familie zijn gezellig, opgewekt, beweeglijk van aard en tot
zingen bekwaam. Zij bewonen en verlevendigen de wouden; hun voedsel
bestaat uit kleine Gewervelde en Gelede dieren en uit Schelpdieren,
uit vruchten en zaden; sommige halen zich den haat van den mensch
op den hals door de schade, die zij aanrichten; andere zijn zeer
nuttig. Hunne nesten, welke dikwijls, wat sierlijkheid betreft,
voor die van de Wevervogels niet behoeven onder te doen, zijn soms
koloniesgewijs aan de boomen opgehangen; de leden van één ondergeslacht
bouwen echter geen nesten en broeden niet, maar vertrouwen hunne
eieren aan den zorg van vreemde Vogels toe.



Onder de Noord-Amerikaansche soorten van de familie verdient de
Baltimorevogel of Baltimore-troepiaal, door de Anglo-Amerikanen
Hangnest genoemd (Icterus galbula), als de meest bekende, in de
eerste plaats vermelding. Hij vertegenwoordigt het soortenrijke
geslacht der Troepialen (Icterus). De kop, de hals, de kin en de
keel, de mantel, de schouders, de vleugels en de beide middelste
staartveeren zijn donkerzwart, de bovendekveeren van vleugels en
staart, de staartwortel en de onderdeelen (met uitzondering van de
reeds genoemde) zijn hoog oranje; de armpennen hebben een breeden,
de handpennen (doch alleen aan 't topgedeelte) een smallen, witten
buitenzoom; de witte eindhelften van de dekveeren der handpennen vormen
gezamelijk een breeden dwarsband over den vleugel; de staartpennen,
met uitzondering van de beide middelste, zijn oranjekleurig, op het
wortelgedeelte met breede, zwarte dwarsstreepen. Het oog is bruin,
de snavel zwartachtig loodgrijs, de poot loodgrijs. Totale lengte
20, staartlengte 8 cM. De kleuren in het wapen van Lord Baltimore,
den vroegeren eigenaar van Maryland, zijn zwart en oranje, evenals
die van dezen, o.a. in Maryland levenden Vogel; vandaar zijn naam.

Het broedgebied van den Baltimorevogel omvat de oostelijke
staten van Noord-Amerika, van Canada tot aan de hoogvlakten in
't westen. Van hier trekt hij in den winter naar West-Indië en
Midden-Amerika. Volgens Audubon is hij op de voor hem geschikte
plaatsen zeer veelvuldig, terwijl hij andere slechts op den trek
bezoekt. Heuvelachtige landschappen behagen hem, naar 't schijnt,
het meest. In het eerstgenoemde gebied is hij een zomervogel, die in
't begin van de lente bij paren in 't land komt en dan zeer spoedig
voor de voortplanting begint te zorgen. Zijn nest is verschillend
ingericht, al naarmate het door hem bewoonde land heeter of kouder
is; altijd echter is het zeer kunstmatig gebouwd en aan een slanke
twijg opgehangen. (Vandaar de Engelsche naam van dezen Vogel.) In
de zuidelijke staten van Noord-Amerika bestaat het eenvoudig uit
zoogenaamd "Spaansch mos" en is het zoo los gebouwd, dat de lucht er
overal gemakkelijk doorheen kan dringen; zelfs wordt het van binnen
niet met slechte warmtegeleiders gevoerd en aan de noordzijde van
de boomen opgehangen. In de noordelijke staten daarentegen wordt het
bevestigd aan twijgen, die aan de zonnestralen blootgesteld zijn en van
binnen met de warmste en fijnste bouwstoffen gevoerd. De nestbouwende
Vogel vliegt naar den grond, zoekt hier geschikte materialen op,
hecht ze met het eene einde aan een twijg vast en vlecht alles op zeer
kunstmatige wijze dooreen. De Baltimore-vogel kan, terwijl hij bezig is
met het bouwen van een nest, soms last veroorzaken aan de menschen in
de buurt, o. a. door het wegnemen van het garen van de bleek. Dikwijls
heeft men kluwens zijden draden in den wand van zijn nest aangetroffen.

Als het nest gereed is, legt het wijfje er 4 à 6 eieren in,
die op lichtgrijzen grond een uit donkerder vlekken, stippels en
strepen bestaande teekening vertoonen. Nadat zij veertien dagen
lang bebroed zijn, komen de jongen uit; 3 weken later kunnen zij
vliegen. Waarschijnlijk broedt, althans in de zuidelijke staten,
het paar nog eens in denzelfden zomer. Vóórdat de jongen uitvliegen,
kruipen zij vaak als jonge Spechten uit en in het nest en gaan er
dikwijls buiten op zitten. Hierna volgen zij ongeveer 14 dagen lang
hunne ouders, die hen intusschen voederen en terechtwijzen. Zoodra
de moerbeien en de vijgen rijp beginnen te worden, bezoeken zij
de plaatsen, waar deze vruchten groeien; hier kunnen zij tamelijk
groote verwoestingen aanrichten, zooals vóór dien tijd in de kerse-
en andere vruchtboomgaarden. In de lente daarentegen voeden zij zich
bijna uitsluitend met Insecten, die zij van de twijgen en bladen
afzoeken of met groote behendigheid in de vlucht vangen.--Reeds vroeg
beginnen zij hun reis naar het zuiden. Over dag vliegen zij hoog,
meestal ieder afzonderlijk, onder luidklinkend geschreeuw en met
grooten spoed. Eerst tegen zonsondergang strijken zij op de boomen
hunner keuze neer, zoeken haastig eenig voedsel, slapen, ontbijten,
en zetten vervolgens de reis voort.

De bewegingen van den Baltimore-vogel zijn sierlijk en gelijkmatig. Hij
vliegt rechtuit zonder op te houden; op den bodem loopt hij tamelijk
goed. In zijn volle kracht toont hij zich te midden van de twijgen
der boomen, hier wedijvert hij met de Meezen in behendigheid.

Wegens zijn schoonheid wordt deze Vogel dikwijls in een kooi
gehouden. Zijn gezang, hoewel eenvoudig, is zeer aangenaam door de
volheid, kracht en welluidendheid van de 3 of 4, hoogstens 8 of 10
tonen, waaruit het bestaat.



Tot het geslacht der Hordevogels (Agelaeus) behooren de kleinste
soorten van de geheele familie. Hun snavel heeft een rechten rug,
de zijrand is aan den mondhoek hoekig naar beneden gebogen. De
achterteen draagt een spoorvormigen klauw. Het vederenkleed van de
jongen herinnert dikwijls aan dat van de Gorsen; de oude Vogels zijn
zeer verschillend van kleur en teekening.

Een der veelvuldigste en meest gehate Vogels van Noord-Amerika, de
Bobolink, ook wel Rietvogel, Rijsttroepiaal of Paperling geheeten
(Agelaeus oryzivorus), verdient in de eerste plaats vermelding,
omdat hij half Vink, half Troepiaal schijnt te zijn.

Het ondergeslacht der Rijsttroepialen (Dolychonyx), dat door hen
vertegenwoordigd wordt, onderscheidt zich door den middelmatig
langen, dikken, kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel,
welks bovenste deel smaller is dan het onderste en welks kaakranden
op soortgelijke wijze binnenwaarts gebogen zijn als bij de Gorsen;
de loop is tamelijk lang en krachtig, de romp gedrongen, de kop groot,
de vleugel middelmatig lang. Totale lengte 18, staartlengte 6 cM. In
het prachtkleed van het mannetje zijn de voor- en de bovenkop, alle
onderdeelen en de staart zwart; de nek is bruinachtig geel; de veeren
van den bovenrug zijn zwart met breeden, gelen zoom. De schouder-
en staartwortelveeren zijn wit met gelen weerschijn, de slagpennen
en vleugeldekveeren zwart, alle met gelen zoom. Het oog is bruin,
de bovensnavel donkerbruin, de ondersnavel blauwachtig grijs, de
poot lichtblauw.

De Bobolink is in Noord-Amerika een zomervogel, die zeer geregeld
komt en vertrekt. Op zijn reis naar 't zuiden doet hij Middel-Amerika
en vooral West-Indië aan, misschien ook de noordelijke landen van
Zuid-Amerika; naar het schijnt, dringt hij echter niet tot Brazilië
door. Het nest wordt op of kort boven den bodem zonder groote zorg,
maar toch altijd tusschen gras- of graanhalmen aangelegd; het is,
zooals van zelf spreekt, het middelpunt van het woongebied van een
paar. Terwijl de wijfjes met het leggen of broeden bezig zijn, vliegen
de mannetjes stoeiend en elkander najagend, boven het halmenwoud
rond. Nu en dan verheft een hunner zich al zingend in de lucht en
dartelt hier met eigenaardige rukken op en neer. Door dit lied tot
navolging geprikkeld, stijgen de mannetjes weldra in menigte omhoog,
onder het zingen van dezelfde liefelijke en vroolijke melodie. Met
recht roemen de Noord-Amerikanen het gezang van den Bobolink; het
bevredigt zelfs het verwende oor van den liefhebber van Europeesche
Zangvogels. Met grooten ijver wordt het zingen volgehouden; de tonen
zijn rijk aan afwisseling, maar volgen zeer snel en schijnbaar in
bonte verwarring op elkander; dit maakt dat men soms het gezang van
een half dozijn Vogels meent te hooren, hoewel er in werkelijkheid
slechts één zingt.

In de laatste dagen van Mei vindt men in het nest 4 à 6 eieren,
die op bruinachtig gelen of blauwachtigen grond met zwartbruine
vlekken en krullen geteekend zijn. De jongen worden hoofdzakelijk met
Insecten gevoederd, hebben een snellen wasdom en vereenigen zich na
het verlaten van het nest met andere van hun soort tot vluchten. Nu
vooral bedrijft de Bobolink de daden, die hem door de landbouwers zoo
kwalijk genomen worden. Kolossale zwermen van deze Vogels strijken op
de graanvelden neer, eten de nog weeke zaden met evenveel smaak als
de reeds rijpe en veroorzaken door hun ontzaglijk aantal den boer
groote schade. Alle geweren zijn in gebruik tot het verdrijven van
de plunderaars, die bij duizenden en honderdduizenden gedood worden;
dit baat echter niet veel; de verwoesting duurt toch voort. Hoogstens
laten de Vogels zich van het eene veld naar het andere drijven. Zoodra
zij hun vernielingswerk in 't noorden volbracht hebben, trekken zij
op de plantages der zuidelijke staten los. Zoo gaat het verscheidene
weken achtereen; over dag houden de roovers zich in de graanvelden
op, des nachts slapen zij in de rietbosschen. Daarna trekken zij
langzamerhand verder zuidwaarts.

In de kooi eet de Bobolink dadelijk met smaak den gevangeniskost;
na korten tijd is hij hier even vroolijk en onbezorgd als in de vrije
natuur; hij klimt, gymnastiseert en zingt zóó, dat het een lust is hem
te zien en te hooren; om hem eenige jaren lang in 't leven te houden,
moet men hem vooral niet overdadig voeren.



Van het ondergeslacht der Veetroepialen (Molobrus) is de beroemde
of beruchte Cow-bird of Koevogel (Agelaeus pecoris) de meest bekende
soort. Zijn kop en hals zijn roetkleurig bruin, alle overige veeren
bruinachtig zwart, op de borst met blauwachtigen, op den rug met
groenen en blauwen glans; de oogen zijn donkerbruin, de snavel en de
pooten bruinachtig zwart. Totale lengte 19, staartlengte 8 cM.

De Koevogel is eveneens over het grootste gedeelte van Noord-Amerika
verbreid en, in eenige gewesten althans, zeer veelvuldig. Hij bewoont
hoofdzakelijk moerassige oorden, vooral die, waar vee wordt geweid,
daar hij gaarne te midden van de Runderen en Paarden vertoeft. Zijne
slaapplaatsen zoekt hij in het struikgewas of in de rietbosschen
aan de oevers der rivieren. In kleine vluchten verschijnt hij in
het laatst van Maart of in het begin van April in het noorden van
de Vereenigde Staten. Tegen het einde van September verlaat hij dit
land weer, gewoonlijk in gezelschap van andere Vogels. Zijn voedsel
is in hoofdzaak hetzelfde als dat, waarmede zijne verwanten zich
verzadigen. Hij gelijkt op onze Spreeuwen in zoover, dat ook hij van
den rug van het vee dikwijls de woekerdieren afzoekt, die zich hier
hebben vastgehecht.

De Koevogels en andere leden van zijn ondergeslacht onderscheiden zich
door de belangrijke eigenaardigheid, dat zij niet zelf broeden, maar
hunne eieren aan den zorg van andere Vogels toevertrouwen; bovendien
is bij hen de huwelijksband even los als bij onzen Koekoek. "Als
men," zegt Potter, "een vlucht Koevogels gedurende den broedtijd
nagaat, zal men zien, dat het wijfje op een gegeven oogenblik haar
gezelschap verlaat, onrustig rondvliegt en ten slotte geruimen
tijd blijft zitten op een plaats, van waar zij de bewegingen van
andere Vogels kan bespieden. Toen ik eens een wijfje op deze wijze
zag zoeken, besloot ik, zoo mogelijk de reden van haar gedrag na te
sporen en reed haar langzaam achterna. Ik verloor haar soms uit het
oog, maar zag haar telkens spoedig weder. Zij vloog naar iedere met
struikgewas dicht begroeide plek, onderzocht met groote zorg alle
plaatsen, waar de kleine Vogels gewoon zijn hunne nesten te bouwen,
schoot ten slotte pijlsnel neer op een dicht boschje van elzen en
doornstruiken, bleef hier 5 of 6 minuten en keerde vervolgens naar
haar gezelschap op het veld terug. In de struiken vond ik het nest
van een Grondwoudzanger of Geelborstje (Geothlypis trichas) en hierin
het ei van een Koevogel. Het komt mij zeer waarschijnlijk voor, dat
deze parasiet met geweld in het nest van andere Vogels doordringt en
hen uit hun rechtmatig eigendom verdrijft. Alleen wanneer dit niet
mogelijk is, tracht hij langs sluipwegen zijn doel te bereiken."

Het ei is, evenals dat van den Koekoek, kleiner dan men, op de
grootte van den Vogel afgaande, vermoed zou hebben; het is op
lichtgrijzen grond met omberbruine vlekken en strepen geteekend,
die in de nabijheid van het dikste uiteinde het dichtst opeengehoopt
zijn. Volgens Audubon legt de Koevogel nooit meer dan één ei in
hetzelfde nest, ongetwijfeld legt hij er echter verscheidene gedurende
ieder voortplantingstijdperk. Na een bebroeding van 14 dagen komt de
jonge Vogel te voorschijn en wordt op dezelfde wijze grootgebracht
als de jonge Koekoek.



Bijna even veelvuldig als de Bobolink is de Roodvleugel, de Redwinged
Blackbird (Roodvleugelige Zwartvogel) der Amerikanen, ook wel
Epaulettenspreeuw genaamd (Agelaeus phoeniceus). Het bruiloftskleed
van het mannetje is donkerzwart, over de schouders loopt een breede,
prachtig karmijnroode band, die van onderen door een bruinachtig gele
strook begrensd wordt. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.

Ook de Roodvleugel is over geheel Noord-Amerika verbreid en overal,
waar hij voorkomt, veelvuldig; in het noorden van de Vereenigde Staten
broedt hij geregeld; in het zuiden komt hij slechts in den winter,
tijdelijk in zeer grooten getale voor. De eerste jongen vliegen in 't
begin van Juni uit, die van het tweede broedsel in de eerste dagen van
Augustus. In dezen tijd is het graan in de middelste staten nagenoeg
rijp; de landbouwers moeten dan ernstige maatregelen nemen om de
verwoestingen te keer te gaan van de uit tallooze individuën bestaande
zwermen Roodvleugels, die hunne akkers komen plunderen. Gewoonlijk
echter is zelfs hun grootste ijver vruchteloos; het ontzaglijk aantal
Vogels verijdelt hun streven.

Wegens zijn schoonheid wordt de Roodvleugel dikwijls in de kooi
gehouden; hij is niet veeleischend, zingt vlijtig, is voortdurend
opgewekt en bedrijvig, steeds blijmoedig en, althans in het verkeer
met Vogels, die tegen hem opgewassen zijn, verdraagzaam. Hij is een
sieraad voor een volière.



Nauw verwant met de Hordevogels zijn de Frontvogels (Cassicus),
de grootste leden van hun familie. Zij zijn slank gebouwd, hebben
een langen, spits kegelvormigen snavel, die van boven schildvormig
tusschen de veeren van het voorhoofd verlengd is; aan hun breed,
halfrond voorhoofd danken zij hun naam. De pooten zijn sterk en met
lange teenen voorzien, de vleugels tamelijk lang en toegespitst; de
staart is lang en uit breede veeren samengesteld; het zwartachtige
vederenkleed is glanzig en met geel en rood afgezet.

De Frontvogels, die in Amerika tot op zekere hoogte de plaats van onze
Raven innemen, zijn fraaie, levendige en beweeglijke dieren, die in
de wouden en steeds op de boomen leven. Als de granen en vruchten rijp
zijn, komen zij onbeschroomd in de nabijheid van woningen en plantages,
waar zij soms lastig worden. In het woud maken zij jacht op Insecten,
de grootste soorten ook op kleine Gewervelde Dieren; bovendien eten
zij vruchten en zaden. Hun stem is niet zoo welluidend als die van
de Hordevogels, maar klinkt toch in 't geheel niet onaangenaam en
onderscheidt zich door groote buigzaamheid. Volgens Schomburgk worden
sommige soorten door de Europeesche bewoners van Guyana "Spotvogels"
genoemd. Zij bootsen niet alleen de geluiden van alle om en naast
hen zingende en schreeuwende Vogels, maar ook die van Zoogdieren na.

Bijna even merkwaardig als hun stem is hun nestbouw. Zij vormen
broedkolonies en hangen hunne buidelvormige, tamelijk kunstige nesten
gemeenschappelijk aan denzelfden boom op, niet zelden in broederlijke
eendracht met verwante soorten, die na hun broedtijd hun eigen gang
gaan en zich om de medebewoners der kolonie niet meer bekommeren. De
nesten zijn langwerpig fleschvormig en zoo doorluchtig, dat men den
licht gekleurden staart van den broedenden Vogel door den nestwand heen
zien kan. Het bouwen van deze nesten vordert veel tijd, behendigheid
en moeite. Enkele soorten gebruiken geen andere grondstof dan de op
naaigaren gelijkende strooken of vezels, die zij van de bladen der
palmen afschillen.



Een merkwaardige vertegenwoordiger van dit geslacht is de Sjapoe
(Japoe) of Kuiftroepiaal (Cassicus cristatus). Hij is 40 à 45 cM. lang
en heeft een 18 à 19 cM. langen staart. Op het midden van den bovenkop
zijn de veeren smal en vormen een kuif. De vijf buitenste paren
stuurpennen hebben een citroengele kleur; de staartwortelveeren en
de dekveeren van den staart zijn licht kastanjebruin; overigens is
de geheele Vogel glanzig zwart. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner
dan het mannetje.

Met uitzondering van de westelijke districten van Zuid-Brazilië, is
de Sjapoe over de geheele oostelijke helft van Zuid-Amerika verbreid,
noordwaarts tot in Guatemala. Hij is een woudbewoner en wordt alleen
dan op plantages of bij menschelijke woningen aangetroffen, wanneer
deze dicht bij het woud gelegen zijn. Zijn gezellige aard verloochent
hij zelfs gedurende den broedtijd niet; op een kleine ruimte ziet men
dan dikwijls 30, 40 of meer paren van deze Vogels bezig met het bouwen
van hunne merkwaardige nesten, die soms alle te zamen aan de twijgen
van één enkelen hoogen of wijd getakten boom van het oerwoud hangen.

Het nest van den Sjapoe is een smalle, lange, van onderen afgeronde,
1 à 1.5 M. lange buidel, welks onderste gedeelte, dat de ligplaats
voor de jongen bevat, een wijdte heeft van 13 à 17 cM.; het bovenstuk
is geslingerd om, en hierdoor stevig bevestigd aan een tamelijk
slanke twijg, die ongeveer zoo dik is als een vinger. De langwerpige,
volkomen onbeschutte opening voor het in- en uitvliegen bevindt zich
aan het dunne gedeelte van den uit een los vilt samengestelden buidel,
die wegens zijn vorm en buigzaamheid in hooge mate blootgesteld is
aan de werking van den wind en reeds door een zwakke luchtstrooming
in beweging wordt gebracht. Dit nest, dat op zeer kunstige wijze
vervaardigd wordt van ineengevlochten en tot vilt verwerkte vezels van
tillandsia's, gravatha's en andere planten, is zoo stevig, dat het
moeite kost het te verscheuren. Op den bodem van den diepen buidel
liggen de eieren (1 of 2) en later de jonge Vogels op een laag mos,
droge bladen en boombast. De met nesten beladen boom, de groote, fraaie
Vogels, die af- en aanvliegen en ijverig werkzaam zijn, leveren voor
den natuuronderzoeker en den jager een zeer aantrekkelijk schouwspel
op. Het grootst en het fraaist zijn de mannetjes; als zij hun stem
zullen laten hooren, spreiden zij den prachtigen staart uit, lichten
op de wijze van een Zwaan hunne vleugels een weinig op, houden den
kop omlaag en verwijden den krop. In plaats van den kort afgebroken,
heeschen, eenigszins krassenden loktoon, brengen zij dikwijls een
zonderling, doch niet onaangenaam klinkend, fluitend keelgeluid
voort, dat met den loktoon en andere klanken vereenigd wordt tot een
vreemdsoortig, niet onbehagelijk gezang.

Gevangen Sjapoes kunnen jaren achtereen in 't leven gehouden
worden; zij toonen ook in de kooi hun opgewekten en bedrijvigen
aard. Binnenshuis zijn zij echter hinderlijk door de onaangename lucht,
die zij verbreiden.



De Spreeuwvogels (Sturnidae) zijn middelmatig groot, hebben een
gedrongen lichaamsbouw, een korten staart en tamelijk lange vleugels;
hun snavel is langer dan de kop en even lang als deze: hij is recht
en slank, en neemt in de richting van de spits gelijkmatig in breedte
en hoogte af; de pooten zijn middelmatig lang en tamelijk forsch,
de veeren tamelijk overvloedig, maar hard; haar kleur is zeer ongelijk.

Evenals de Troepialen voor Amerika, zijn de Spreeuwvogels voor de Oude
Wereld in hooge mate karakteristiek; beide familiën zijn ongeveer
even rijk aan soorten; die van de Spreeuwvogels heeft in ieder deel
van het oostelijk halfrond vertegenwoordigers, in 't geheel ongeveer
150. Evenals de genoemde, in hooge mate gezellige Vogels, vormen
ook zij, zoowel in als buiten den broedtijd, meer of minder groote
gezelschappen en verrichten hunne bezigheden gemeenschappelijk. Hun
gang is stappend, een weinig waggelend, maar toch vlug en goed;
zij vliegen gemakkelijk, met behendige vleugelslagen, snel en met
gedruisch; te midden van de twijgen en in de rietvelden weten zij zich
flink te bewegen. Alle soorten van Spreeuwen hebben een levendigen
en onrustigen aard: zij zijn onophoudelijk werkzaam en houden zich
ook gedurende den korten rusttijd vaak met eenigen arbeid bezig. Hun
voedsel bestaat uit Insecten, Wormen en Slakken, bovendien ook uit
vruchten en plantendeelen; zij worden echter niet schadelijk voor
den mensch. Hun nest is groot en onregelmatig gebouwd; het wordt in
holten van boomen, rotsen, muren enz. gevonden. Het aantal eieren,
waarop de Vogel broedt, wisselt van 4 tot 7 af. Alle soorten verdragen
de gevangenschap licht en gedurende langen tijd; sommige van hen kan
men tot de vermakelijkste kooivogels rekenen.



Onze algemeen bekende Spreeuw (Sturnus vulgaris), wordt in Groningen
Sproa of Sprotter, in Friesland Sprotter, in Overijsel Sproa,
in Gelderland Spraan, te Amsterdam Panlijster, in het land van
Kuik Sproon genoemd. De jongen heeten in Groningen Kale Dotter,
in Overijsel Doddekonte. De kleur is in verband met leeftijd en
jaargetijde verschillend. Het kleed van het oude mannetje is in
de lente zwart met groenen en purperkleurigen weerschijn; de kleur
van de vleugels en van den staart schijnt lichter wegens de breede,
grijze randen der veeren; enkele veeren van den rug hebben geelachtig
grijze eindvlekken. De oogen zijn bruin, de pooten roodbruin; de snavel
is zwart. Geheel anders is het kleed kort na het ruien. Dan zijn de
spitsen van alle veeren van den nek, den bovenrug en de borst witachtig
van kleur; het geheele dier ziet er dan gestippeld uit. Tevens wordt de
snavel donkerder. Het wijfje gelijkt op het mannetje, maar is ook zelfs
in het lentekleed sterker dan hij. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM.

In het zuiden van Europa wordt onze Spreeuw vervangen door den
Eénkleurigen of Zwarten Spreeuw (Sturnus unicolor). Deze onderscheidt
zich door den eigenaardigen vorm van de kop-, borst- en nekveeren, die
zeer lang en smal zijn, en ook door de teekening; daar het leikleurige
kleed, dat een zwakken metaalglans vertoont, bijna geheel vrij van
vlekken is.

Bij IJsland en de Fär-öer te beginnen, wordt de Gewone Spreeuw in
't grootste deel van Europa, althans gedurende een deel van 't
jaar, aangetroffen, zoo ook in de voor hem geschikte gewesten van
Middel-Azië, o. a. in het zuidwesten van Siberië en in Klein-Azië. In
Europa is hij volstrekt niet overal standvogel. In alle zuidelijke
provinciën van Spanje, in Zuid-Italië en in Griekenland b. v.,
vertoont hij zich slechts gedurende de wintermaanden, hoewel hij in
de Pyreneeën en de Zuidelijke Alpen broedt. Hij geeft de voorkeur aan
vlakke gewesten en bewoont hier het liefst boschrijke weidegronden,
maar blijft ook in de streken, die hij anders alleen op den trek
bezoekt, wanneer men hier doelmatige broedkasten voor hem plaatst. Lenz
heeft op deze wijze gemaakt, dat hij in het Thüringer-woud inheemsch
werd. In de meeste koude en gematigde gewesten is hij een trekvogel;
intusschen blijven in zachte winters vele exemplaren hier, evenals
ook in Groot-Brittannië en zelfs in het zuiden van Zweden. Op de
Fär-öer, waar hij in de nabijheid van de talrijke schapenkudden
een overvloed van voedsel vindt, is hij standvogel, hoewel hij
vele streken van Middel-Europa, die veel verder zuidwaarts liggen,
tegen den winter verlaat. Bij ons komt de Spreeuw vroeger terug
dan de meeste andere trekvogels, soms reeds in Februari, gewoonlijk
in Maart; hij blijft tot laat in den herfst. Zijn reis strekt zich
hoogstens tot Noord-Afrika uit; in Algerië en Egypte komt hij iederen
winter geregeld voor. Het hoofdleger blijft echter in Zuid-Europa
achter en zwerft hier met allerlei andere Vogels, vooral Raven en
Lijsters, het land rond. Zoodra hij meent, dat zijn geboortegrond
hem weer voedsel kan verschaffen, begeeft hij zich op den terugweg;
men ziet hem daarom bij ons in den regel reeds vóór het smelten van
de sneeuw. Vooral daar, waar de menschen hem gedurende den winter
het blijven gemakkelijk maken, vertrekt hij niet naar 't zuiden;
op vele plaatsen, waar hij vroeger niet overwinterde, is hij in den
laatsten tijd begonnen dit wel te doen.

Er bestaat misschien geen opgewekter, blijmoediger, vroolijker Vogel
dan de Spreeuw. Als hij bij ons terugkomt, is het weer dikwijls nog
zeer ongunstig, de sneeuwvlokken dwarrelen door de lucht, het voedsel
is nog schaarsch, kortom, de geboortegrond heeft den reiziger geen
vriendelijke ontvangst bereid. Toch laat hij reeds van den eersten
dag af zijn lied hooren en plaatst zich daartoe, als gewoonlijk,
op de hoogste punten, waar hij van alle kanten aan weer en wind is
blootgesteld. Hij beschouwt de omstandigheden met de kalmte en de
gelijkmoedigheid van een wijsgeer en verliest er in geen geval zijn
onveranderlijk blijde gemoedsstemming door. Ieder, die hem kent,
moet van hem houden en wie hem nog niet kent, kan ik ten sterkste
aanbevelen, zich met hem te bemoeien. Hij wordt voor den mensch een
lieve vriend, die de aan hem besteede zorg duizendvoudig vergeldt.

Onmiddellijk na hun terugkomst in de lente, vertoonen de mannetjes
zich op de hoogst gelegen plaatsen van het dorp of van de stad, op den
kerktoren of op oude boomen, om hier onder levendige bewegingen met de
vleugels en den staart te zingen. Hun gezang is niet veel bijzonders,
meer een gekweel dan een lied, het bevat ook eenige onaangename,
krassende tonen; maar, daar het met zooveel vuur en vroolijkheid
wordt voorgedragen, hoort men het toch zeer gaarne. Het buitengewoon
talent van nabootsing, dat den zanger eigen is, verhoogt zeer de
onderhoudendheid van zijn gezang. Alle geluiden, die in een streek
gehoord worden, het ingehouden gefluit van den Wielewaal zoowel als
het krijschen van de Vlaamsche Gaai, het luide geschreeuw van den
Buizerd zoowel als het kakelen van de Hoenderen, het klapperen van
een molen, het knarsen van een deur of van een windvaan, het slaan
van den Kwartel, het neuriën van den Boomleeuwerik, geheele strophen
uit het gezang van Rietzangers en Lijsters en van het Blauwborstje,
het gekweel van de Zwaluwen, al deze en dergelijke klanken worden met
een geoefend oor aangehoord, met grooten ijver bestudeerd en daarna
op de vermakelijkste wijze weergegeven. Zelfs het gefluit van den
mensch bootst hij zeer getrouw na, zooals blijkt uit het volgende
bericht van G. Dieck: "Een van mijne Spreeuwen gaf aanleiding tot
een zeer grappig voorval. Daar ik aan een keelaandoening lijd, ben ik
gewoon, mijne tuinlieden te roepen door te fluiten. Nu was het reeds
meermalen gebeurd, dat een van hen snel kwam aanloopen, zonder dat ik
gefloten had en zelfs, terwijl ik in 't geheel niet thuis was. Wij
konden hiervoor geen verklaring vinden. Ten slotte bleek het, dat
een van de Spreeuwen, die in de nabijheid van mijn woonhuis nestelen,
mij dit gefluit had afgeluisterd en het dikwijls nauwkeurig en luid
liet hooren."--Des morgens vroeg begint de Spreeuw te zingen, hij
zwijgt gedurende een deel van den dag en geeft 's avonds nogmaals
een langdurige voordracht ten beste.

In het begin van Maart wordt het nest gebouwd. In bosschen van
breedbladige boomen kiest de Spreeuw hiervoor holle stammen; wanneer
hij zulke door de natuur gevormde broedplaatsen niet tot zijn
beschikking heeft, vestigt hij zich in gebouwen; het liefst maakt
hij echter gebruik van de broedkastjes, die door den mensch voor hem
vervaardigd zijn. Dit zijn uitgeholde stukken van boomstammen van 50 à
60 cM. hoogte en 20 cM. middellijn, die van boven en van onderen met
een plankje gesloten en op korten afstand van het bovenste plankje
met een opening van 5 cM. middellijn voorzien zijn, of kistjes,
die uit aaneengespijkerde plankjes bestaan en overigens ongeveer
dezelfde inrichting hebben. Zij worden in de boomen gehangen, op
palen geplaatst of aan den gevel van het huis bevestigd. De onderlaag
van het slordige nest bestaat uit stroo en grashalmen; van binnen is
het bekleed met veeren van Ganzen, Hoenderen en andere groote Vogels;
des noods behelpt de Spreeuw zich echter ook wel met stroo of hooi en
in het woud met verschillende korstmossen. Tegen het einde van April
is het eerste broedsel compleet: 5 à 6 langwerpige eieren, welker
eenigszins oneffen schaal een fraaien glans en een lichtblauwe kleur
bezit. Met het broeden houdt alleen het wijfje zich bezig. Zoodra
de jongen uit het ei gekomen zijn, hebben de beide ouders het zoo
druk met het aandragen van voedsel dat de vader weinig tijd voor 't
zingen overhoudt; een enkel uurtje weet hij echter hiervoor nog wel
te vinden. In dezen tijd ziet men daarom de eerwaardige familievaders
tegen den avond bijeenkomen en zich met gezang vermaken.

Wanneer de jongen 3 à 4 dagen lang onder de leiding van hunne ouders
in de buitenwereld hebben verkeerd, zijn zij in staat om zichzelf
te redden. Zij voegen zich bij andere jongen van hun soort en
vormen nu reeds tamelijk talrijke vluchten, die zonder bepaald doel
rondzwerven. Intusschen beginnen de ouders met hun tweede broedsel
en zoeken, als ook deze jongen ver genoeg ontwikkeld zijn, door hen
vergezeld, de jongen van het eerste broedsel op. Van nu te beginnen
slapen zij niet meer op de broedplaatsen, maar in het bosch en later
ook in de rietvelden aan den kant van 't water. "Van mijlen ver,"
zegt Lenz, "trekken zij naar zulke plaatsen; van alle zijden komen
zij iederen avond opzetten en verzamelen zich tot troepen. Tegen
het einde van Augustus zijn de riethalmen en de lischdodden in de
rivieren, poelen en meren hoog en sterk genoeg om hen te dragen; zulke
plaatsen zoeken zij op; des daags over een gebied van vele mijlen
verspreid, vereenigen zij zich des avonds tot zwermen van duizenden,
ja zelfs honderdduizenden stuks, die uren lang, soms bijeengevoegd,
soms gescheiden, als wolken door het luchtruim zwieren, nu eens op
de weiden, dan weer op het riet neerstrijken en zich eindelijk, als
de nacht invalt, snorrend, kweelend, fluitend, zingend, krijschend,
twistend te ruste begeven, nadat ieder hunner voor zich een plaatsje
uitgekozen of vechtend veroverd heeft op een halm, die door zijn
zwaarwichtigen persoon naar beneden gebogen wordt. Als de halm onder
den last bezwijkt, vliegt de daarop gezeten Vogel met geraas omhoog en
neemt op even luidruchtige wijze een nieuwe rustplaats in bezit. Als
een schot of een andere even ernstige rustverstoring een panischen
schrik heeft teweeggebracht, stijgt het geheele leger onder hevig
gesuis en gebruis in het luchtruim omhoog en zwiert hier een tijdlang
rond, voordat het weer nederstrijkt. Als het einde van September naakt,
zetten de zwermen hun gezellig, vroolijk leven nog een tijdlang voort;
de oude paren evenwel gaan naar hunne nesten terug en zingen hier 's
morgens en 's avonds, alsof er in 't geheel geen winter in aantocht is;
zij verdwijnen echter uit onze gewesten en trekken met de lieve jeugd
naar het zuiden, zoodra de eerste strenge vorst invalt of de eerste
sneeuw de velden overdekt. Als het weer gunstig is, blijven zij tot de
laatste week van October of tot de eerste week van November; daarna
zijn zij door geen enkele reden te bewegen om hun reis tot later uit
te stellen." In hunne winterkwartieren leiden zij hetzelfde leven als
bij ons. Men kan ze in Januari van de torens van de Domkerk van Toledo
en in Egypte van den rug van de Buffels hun lied hooren voordragen.

Hoewel onze Spreeuwen in de wijnbergen een belangrijke, in de
kersenboomgaarden en groentetuinen nu en dan een niet onaanzienlijke
schade aanrichten, hoewel zij in de rietvelden, waar zij in grooten
getale overnachten, door het breken der halmen aanzienlijke verliezen
kunnen veroorzaken, is overigens hun nut zoo buitengewoon groot,
dat men ze als de beste vrienden van den landman kan aanmerken. "Bij
geen Vogel," zegt Lenz, "kan men zoo gemakkelijk als bij den Spreeuw
waarnemen, hoe nuttig hij is. Als de jongen van het eerste broedsel
uitgekomen zijn, brengen de ouders in den regel des voormiddags om de
drie minuten voedsel naar het nest, des namiddags alle vijf minuten:
in 't geheel dus iederen voormiddag in 7 uren 140 vette Slakken (of
in plaats van deze hun equivalent aan Sprinkhanen, rupsen enz.), des
namiddags 84. Voor de twee ouders te zamen reken ik per uur minstens 10
slakken; dus in 14 uren 140, in 't geheel worden dus door de familie
dagelijks 364 vette Slakken verorberd. Na het uitvliegen dezer jongen
gebruikt het gezin nog meer voedsel; later komen ook de jongen van het
tweede broedsel om hun portie; door hen vermeerdert het aantal leden
der familie tot 12; indien ieder familielid per uur 5 Slakken eet,
verdelgt het Spreeuwengezin dagelijks 840 Slakken. Ik heb nesthokjes
voor Spreeuwen aan mijne gevels, onder de lijsten en aan de boomen, die
dicht bij mijne gebouwen staan, te zamen 42. Als deze alle bezet zijn,
breng ik, ieder gezin op 12 stuks rekenend, ieder jaar van mijn woning
uit een troep van 504 Spreeuwen in 't veld, die per dag een leger van
35.280 groote, dikke, vette Slakken om 't leven brengen en verzwelgen."

Een fourageerende Spreeuw levert een alleraardigst schouwspel
op. Bedrijvig loopt hij op den bodem rond, rusteloos keert hij zich
nu eens naar den eenen, dan weer naar den anderen kant, zorgvuldig
doorzoekt hij ieder kuiltje, ieder boschje gras. Bij deze gelegenheid
wordt de snavel met zooveel behendigheid en op zoo verschillende
wijzen gebruikt, dat het een lust is om te kijken naar den kunstenaar,
die met zulk een eenvoudig werktuig zoo velerlei werkzaamheden kan
verrichten. Wat aan het oog ontgaat, wordt met de tong opgespoord;
met de prooi, die heden niet gevangen wordt, wordt morgen de disch
voorzien.

Onze groote soorten van Valken, vooral de Haviken en Sperwers, voorts
de Kraaien, Eksters en Vlaamsche Gaaien, bovendien de Edelmarters,
Wezels, Eekhoornen en Zevenslapers, zijn erge vijanden van de
Spreeuwen. De eerstgenoemde brengen de voor 't vliegen geschikte Vogels
in gevaar, de laatstgenoemde de nog hulpbehoevende jongen, die zij
uit de nesten halen, hoe dapper de ouders zich ook tegen de roovers
verzetten. De sterke vermenigvuldiging van onze Vogels vergoedt echter
weldra alle verliezen, die geleden mochten zijn; bovendien wordt het
gevaar verminderd door de schranderheid van den Vogel. Deze houdt zich
b.v., wanneer hij in 't veld voedsel zoekt, in gezelschap van Kraaien
en Roeken op, maakt zich aanhoudend hun waakzaamheid te nutte en vlucht
bij de nadering van een roofdier, vooral van een Roofvogel, terwijl
deze door de moedige Kraaien aangevallen wordt. Tegen vervolging door
den mensch is hij gelukkig gevrijwaard door zijn lieftalligheid en in
hoogere mate nog, doordat zijn vleesch onsmakelijk, ja zelfs bijna
oneetbaar is. In de kooi wordt hij minder dikwijls gehouden, dan
hij verdient. Hij is niet veeleischend, zeer schrander, buitengewoon
leerzaam, vroolijk, opgeruimd, tot spelen en stoeien geneigd, leert
wijsjes nafluiten en woorden naspreken, sluit een innige vriendschap
met zijn verzorger, kan bijna een menschenleeftijd lang in de kooi
blijven leven en vereenigt zoo vele goede eigenschappen in zich als
nagenoeg geen andere kamervogel van dergelijk slag.



De naaste, in Europa wonende verwant van onze Spreeuw is de
Roséspreeuw (Pastor roseus), een vertegenwoordiger van het geslacht
der Steppenspreeuwen (Pastor). Zijne veeren hebben aan den kop, waar
zij een lange, hangende nekkuif vormen, en aan den hals, van voren
tot aan de borst, van achteren tot daar waar de mantel begint, een
zwarte kleur met donkervioletten, metaalachtigen weerschijn; zwart met
groenen weerschijn zijn de vleugels, de staart, de dekveeren van den
staart; de overige veeren zijn licht rozerood; de snavel is rozerood,
de poot roodachtig bruin. Totale lengte 21 à 23, staartlengte 7 cM.

De Roséspreeuw behoort tot de "Zigeunervogels", daar hij in sommige
jaren in grooten getale voorkomt in bepaalde streken, waar hij in
andere jaren in 't geheel niet gevonden wordt, hoewel naar allen schijn
de omstandigheden in hoofdzaak dezelfde zijn gebleven. De steppen van
Centraal-Azië moeten als het brandpunt van zijn verbreidingsgebied
beschouwd worden; van hier te beginnen vindt men de plaatsen, waar
hij geregeld broedt, aan den eenen kant tot in Zuid-Rusland en de
Donau-laagvlakte, aan den anderen kant tot in Klein-Azië en Syrië,
oostwaarts bovendien tot in Mongolië en China. Op den trek begeeft hij
zich iederen winter naar Indië; ook bezoekt hij, hoewel niet ieder
jaar, Griekenland en Italië, zeer zelden soms ook Afrika. Bovendien
komt het nu en dan voor (en wel gewoonlijk des zomers, ongeveer in
den broedtijd), dat hij de grenzen van zijn verbreidingsgebied ver
overschrijdt en niet alleen in de richting, die hij op den trek volgt,
maar ook straalsgewijs naar verschillende zijden reist. Hij vertoont
zich dan in alle deelen van Italië en Griekenland, voorts in de
andere gewesten van het Balkan-schiereiland, in de Donau-laagvlakte
en in Hongarije, ook wel in alle overige kroonlanden van Oostenrijk,
voorts in Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, Nederland, België,
Denemarken, Groot-Brittannië, ja zelfs op de Fär-öer. In Nederland
werden in 1856, 1874, 1885, 1886 en 1893 exemplaren van deze soort
gevangen, in 't eerstgenoemde jaar in Juli, in de overige jaren in
September of October.

De Roséspreeuw is veel onrustiger dan onze Spreeuw: iederen dag
doorkruist hij een zeer uitgestrekt gebied, herhaaldelijk vertoont hij
zich in den loop van den dag op dezelfde plaatsen, houdt zich hier
echter steeds slechts korten tijd op, doorzoekt een streek, stijgt
omhoog en vliegt weg, om misschien eerst verscheidene kilometers
verder hetzelfde spel te hervatten. Van tijd tot tijd, vooral in
de middaguren, zwerft de geheele vlucht een kwartier uurs of langer
hoog in de lucht rond, waar deze Vogels op de wijze van de Bijeneters
Insecten vangen, om vervolgens weer op den bodem neer te strijken
en hier zoo ijverig te zoeken, alsof zij hoog boven den grond in
't geheel niets gevonden hadden.

Het gezang van deze Vogels is slechts een tamelijk heesch gesnap,
waarin de loktonen nog de welluidendste, alle overige geluiden echter
ratelend en krijschend zijn, zoodat het geheel ongeveer weergegeven
kan worden door de syllaben "etsj retsj rietsj riets sjerr tsierr
tswie sjierr kier" enz.; "rietsj" en "sjierr" zijn de veelvuldigst
voorkomende klanken.

Insecten van allerlei slag, vooral groote Sprinkhanen en Kevers,
bovendien bessen en vruchten zijn het voedsel van de Roséspreeuwen. Met
het verdelgen van de terecht gevreesde Treksprinkhanen houden zij
zich zoo ijverig bezig, dat de Tartaren en Armeniërs ook thans nog
tot afwering van het dreigende gevaar processies houden bij het
verschijnen van deze Vogels, omdat zij hen als de voorloopers van de
Sprinkhanenzwermen beschouwen.

Bij de keuze van een broedplaats legt de aanwezigheid van water
groot gewicht in de schaal; in de steppe vindt men daarom de
Roséspreeuwen in den broedtijd zoo goed als uitsluitend in de
nabijheid van rivieren, beken of meren. Ook thans nog even gezellig
als in de andere jaargetijden, zijn zij op de broedplaatsen meestal
tot ontzaglijk groote zwermen van duizenden en nogmaals duizenden
exemplaren vereenigd, zoodat er weldra evenzeer gebrek is aan geschikte
gelegenheden om te nestelen, als aan slaapplaatsen. Het nest wordt
gebouwd in door hen zelf gegraven holen, in allerlei spleten en
gaten van gesteenten en van muren, ook wel, ofschoon zeldzamer, in
holle boomen. Daar echter de goede nestplaatsen weldra bezet zijn,
moeten vele zich behelpen met de tusschenruimten van houtstapels,
steenhoopen of afgevallen takken; vele nesten worden zelfs op de
eerste de beste plaats gebouwd en zijn niet eens beschut of overdekt.



De Ossenpikkers (Buphaga) onderscheiden zich van alle overige Spreeuwen
hoofdzakelijk door het maaksel van den snavel en van de pooten,
in niet geringe mate echter ook door hun levenswijze. De snavel is
korter dan de kop, aan den wortel breed en afgerond, volgens de
ruglijn eerst een weinig neergedrukt, verder naar voren gewelfd,
de spits een weinig voor die van den ondersnavel gelegen en naar
beneden gebogen, terwijl de voorhelft van de onderkaak stomphoekig
naar boven klimt. De pooten hebben een dikken, korten loop en lange
teenen met sterk gekromde, spitse, zijdelings samengedrukte nagels.



De Roodsnavelige Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha), de meest bekende
van de beide soorten van dit geslacht, is van boven olijfbruin;
de zijden van den kop, de kin en de keel zijn lichter van kleur,
de overige onderdeelen licht roestgeelachtig vaal, de slagpennen
en de onderdekveeren van den vleugel donkerbruin. De iris en een
naakte ring om het oog zijn goudgeel, de pooten bruin; de snavel is
lichtrood. Totale lengte 21, staartlengte 9 cM. Het verbreidingsgebied
van dezen Vogel omvat geheel Middel-Afrika. De andere, iets grootere
soort--de Geelsnavelige Ossenpikker (Buphaga africana)--bewoont
Senegambië en Zuid-Afrika en wordt ook op sommige plaatsen nevens
zijn verwant aangetroffen.

Men ontmoet de Ossenpikkers in kleine gezelschappen van 6 à 8 stuks,
steeds in de nabijheid van groote Zoogdieren, zonder welke zij, naar
het schijnt, in 't geheel niet zouden kunnen bestaan. Zij volgen
de kudden van grazende Runderen of Kameelen, maar worden ook bij
afgezonderd levende exemplaren aangetroffen en strijken gewoonlijk op
één dezer dieren neder. Uit de berichten van reizigers in Zuid-Afrika
blijkt, dat zij aan de Olifanten en Neushoornen dezelfde diensten
bewijzen als aan het vee. Volgens Levaillant zoeken zij ook de
Antilopen, waarschijnlijk dus alle groote Zoogdieren op. Vooral op
dieren, die open wonden hebben, waarop de Vliegen azen, zijn zij
werkzaam. Hierdoor hebben zij zich de haat van de Abessiniërs op
den hals gehaald, die in de meening verkeeren, dat het pikken met
den snavel de gewonde plaatsen prikkelt en de genezing verhindert;
deze Vogels worden echter voornamelijk aangelokt door de Horzellarven,
die zich onder, en door de bloedzuigende Teeken, die zich op de huid
van de Zoogdieren hebben gevestigd. De eerstgenoemde halen zij uit
hunne schuilhoeken te voorschijn, de laatstgenoemde zoeken zij van
alle lichaamsdeelen hunner vrienden af. Gezonde Zoogdieren, die
sinds hun jeugd aan deze Vogels gewoon zijn, laten nooit blijken,
dat het pikken hun lastig is, integendeel zij gaan met de Buphaga's
steeds zeer vriendschappelijk om en laten hen begaan, onverschillig
hoe zij ook bezig zijn, zonder ooit met den staart naar hen te slaan:
daarentegen gaan de dieren, die met de Ossenpikkers niet bekend zijn,
op onzinnige wijze te keer, als zij plotseling een bezoek krijgen
van deze met de beste bedoelingen verschijnende Vogels. Zoo verhaalt
Anderson, dat eens des morgens de ossen van zijn wagen met de komiekste
sprongen, in wilde wanorde wegrenden, omdat zij een bezoek kregen
van een zwerm Ossenpikkers.

Een Paard of Kameel, dat met deze Vogels bedekt is, levert een grappig
schouwspel op. Ehrenberg merkt zeer terecht op, dat zij op het vee
rondklauteren evenals de Spechten op de boomen. Zij houden zich onder
aan den buik tusschen de pooten vast, klimmen hierlangs met den kop
naar boven of naar beneden op en af, gaan op den rug of op den neus
zitten, kortom zij zoeken in den letterlijken zin van 't woord het
geheele lichaam af. De Vliegen en de Dazen pikken zij behendig van
het vel op, de maden pluizen zij uit de door hen opengepikte huid
weg. Hoe zij ook werken, de dieren waarop zij zitten, houden zich
volkomen rustig, omdat zij weten, dat de pijn, die hun wordt aangedaan,
met een voor hen heilzame operatie gepaard gaat.

De Ossenpikker van zijn kant stelt alleen in de dieren vertrouwen;
voor den mensch neemt hij zich zeer in acht. Zoodra deze nadert, vooral
als het een vreemdeling is, klimt het geheele gezelschap schielijk op
den rug van het dier, waarop het zich bevindt, en blijft hier zitten,
om voorzichtig naar den naderenden persoon uit te kijken. Dat de in
't wild levende dieren langzamerhand de gewoonte aannemen om op de
waarschuwing van den Ossenpikker te letten, is zeer licht te begrijpen.



De prachtigste leden van de familie zijn die, welke het geslacht der
Glans-, Pracht- of Purperspreeuwen (Lamprotornis) vormen; deze Vogels
zijn van gedrongen lichaamsbouw, hebben een middelmatig langen,
krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel met gewelfden rug,
lange pooten met tamelijk lange teenen, middelmatig lange vleugels,
een staart van verschillende lengte en een prachtig, glanzig kleed.

De Purperspreeuwen bewonen Afrika, bevolken de meest verschillende
oorden, zijn hoogst gezellig, levendig, opgewekt, driest en snapachtig;
zij voeden zich zoowel met plantaardige als met dierlijke stoffen;
hun gang is snel, meer stappend dan huppelend; zij vliegen zonder
inspanning en behendig, maar op eenigszins slepende wijze; zij
zingen ijverig, maar slecht en broeden in holten of in groote,
slordig samengestelde, koepelvormige nesten op 5 of 6 gevlekte eieren.



De meest bekende soort is waarschijnlijk de Langstaartige
Glansspreeuw of Glansekster (Lamprotornis aeneus), wiens totale
lengte 50 cM. bedraagt en die een 30 cM. langen staart heeft. De
kop, de kin en de bovenkeel, zijn zwart met een goudkleurigen
weerschijn, de bovendeelen en de slagpennen donker metaalachtig
groen; elke bovendekveer van den vleugel is met een kleine, dof
fluweelzwarte vlek versierd: het midden van de keel, de staartwortel,
de bovendekveeren van den staart, de onderdeelen en de stuurpennen zijn
donker purper-violet: iedere staartpen is met meer of minder duidelijk
zichtbare, donkerder dwarsbanden geteekend, de veeren van het midden
van de borst hebben een meer koperroode tint. Het geheele vederenkleed
heeft een prachtigen glans. De oogen zijn lichtgeel, de pooten zwart.

West-, Middel-, Oost- en Zuid-Afrika zijn het vaderland van deze
prachtige Vogels. Levaillant verhaalt, dat zij, tot groote vluchten
vereenigd, op boomen leven, maar ook op den grond afdalen om Wormen
en Insecten te zoeken, dat zij zich op den bodem bewegen als Eksters
en onophoudelijk schreeuwen, maar weet overigens niets van hen te
berichten. De paren of vluchten begeven zich vaak op den grond en
bewegen zich hier geheel op de wijze van onze Eksters; de overeenkomst
valt te meer in 't oog, omdat, de Purperspreeuw zijn prachtigen staart
geheel als de Ekster naar boven gericht draagt. Al wat vreemd is,
boezemt dezen Vogel argwaan in; hij is ook daar schuw, waar hij den
mensch alleen van zijn goede zijde heeft leeren kennen. Zijn stem is
heesch en krijschend, maar zoo eigenaardig, dat men haar niet licht
met die van een anderen, ons bekenden Vogel verwarren zal; zijn
gezang, dat men, behalve in den ruitijd, tot vervelens toe hoort,
is niets anders dan een in 't oneindige voortgezette herhaling en
vervorming van de gewone stemgeluiden of een voortdurend gekrijsch,
gekras, geratel en gekwiek.

Zijn voedsel bestaat uit Insecten, zaden en vruchten van allerlei
soort. De Insecten worden van den grond opgezocht en in de vlucht
gevangen, en zelfs uit doode dieren losgepeuterd.

Omdat het niet moeilijk is de gevangen Langstaartige Glansspreeuwen
met voedsel te voorzien, komen zij niet zelden levend in Europa. Bij
goede verzorging houden zij zich jaren lang goed in de kooi, waar
zij zich ook wel voortplanten.



In Noordoost-Afrika ontmoet men tamelijk veelvuldig den Groenstaartigen
Glansspreeuw (Lamprotornis chalybeus), wiens totale lengte 27
cM. bedraagt en die een 9 cM. langen staart heeft. Zijne veeren zijn,
met uitzondering van een onduidelijke vlek in de oorstreek en van de
dekveeren van den onderarm, donker metaalglanzig groen; de armpennen
en de grootste bovendekveeren van den vleugel zijn ieder aan de
spits met een roodachtige fluweelzwarte vlek versierd. De veeren
hebben een bewonderenswaardigen glans en weerschijn; al naar het
licht valt, wijzigen zich de kleuren; het geheel maakt een indruk,
die nauwelijks met woorden weer te geven is. Tusschen het mannetje
en het wijfje bestaat in dit opzicht geen verschil.

De Groenstaartige Glansspreeuwen bewonen de dichte wouden der
rivierdalen zoowel als de meer ijle bosschen van de steppe of
van het gebergte. Gewoonlijk leven zij paarsgewijs, alleen na den
broedtijd vormen zij kleine vluchten. Deze ontmoet men zoowel in
het dichtste struikgewas als op de rotsblokken, die over den bodem
verspreid zijn. De Groenstaartige Glansspreeuwen zijn opgewekt en
bedrijvig, evenals alle leden van hun familie; zij verkeeren veel op
den bodem en in lage struiken, maar houden zich tegen den avond in
hooge boomen op. Hun eigenaardige wijze van vliegen, die hen voor
een deskundige op iederen afstand kenbaar maakt, is volkomen in
overeenstemming met hunne fluweelen vleugels; deze veroorzaken een
zachte beweging, die betrekkelijk weinig moeite kost, maar niet snel
is. Zij loopen zeer snel, meer springend dan stappend, komen goed
vooruit en zijn rusteloos in beweging. Op hunne andere begaafdheden
valt niet te roemen. Hun gezang mag ternauwernood dezen naam dragen,
omdat het niet veel anders is dan een voortdurende herhaling van den
wanluidenden en krijschenden loktoon met een daartusschen ingevoegd
geratel en gekras. Toch vergeeft men den Vogel al deze wanklanken
met het oog op zijn voorkomen, dat gewoonlijk schranderheid,
levendigheid, zelfbewustzijn en zelfs behaagzucht verraadt; hij
houdt zich steeds zorgvuldig rein, gaat niet met andere Vogels om,
is (met uitzondering alleen van de middaguren) onophoudelijk in de
weer en tracht steeds zijne eigenschappen en begaafdheden goed te
doen uitkomen. Hierdoor reeds wekt hij belangstelling, die echter tot
bewondering stijgt, wanneer men op de pracht van zijn vederenkleed
let. De reiziger, die de duistere wouden van Afrika doorkruist, zal
menigmaal plotseling een helder schijnsel waarnemen, alsof ergens in
de omgeving een zonnestraal wordt teruggekaatst door een spiegelend
voorwerp van metaal of glas. Dit schijnsel is inderdaad niets anders
dan de weerkaatsing van het zonlicht door het vederenkleed van den
Glansspreeuw; als men den Vogel gevonden heeft, kan men opmerken,
dat hij bij iedere beweging een zonnestraal weerspiegelt. Onmiddellijk
na den dood verliezen de veeren grootendeels haar schoonheid; in haar
volle pracht vertoonen zij zich alleen, zoolang de Vogel leeft.

Bij de Abessinische zangers en dichters speelt de Groenstaartige
Glansspreeuw een belangrijke rol; want, meer lettend op den ijver
dan op het resultaat, schrijven zij aan hem de uitvinding van het
gezang toe. Toch wordt deze Vogel in Noordoost-Afrika door niemand
in de kooi gehouden; men ziet hem minder dikwijls dan zijne verwanten
levend in Europa.



De Prachtige Glansspreeuw (Lamprotornis superbus) wordt in 't geheel
21 cM. lang en heeft een 6.5 cM. langen staart. De bovenkop en de
nek zijn zwart met zwakken, goudkleurigen weerschijn, de bovendeelen
metaalachtig groen, de keel, de voorhals en de krop blauwgroen; de
overige onderdeelen, die door een smallen, witten dwarsband van de
donkere bovenborst gescheiden zijn, hebben een fraaie, kaneelbruine
kleur; de beide onderste reeksen van bovendekveeren van den vleugel en
de dekveeren van den staart zijn, zooals bij de meeste Glansspreeuwen,
met ronde, fluweelachtige vlekken versierd, die twee dwarsbanden
vormen. De oogen zijn wit, de snavel en de pooten zwart.

Het verbreidingsgebied van dezen prachtigen Vogel is, voor zoover
men het kent, beperkt tot Oost-Afrika van den 8en graad N.B. tot den
7en graad Z.B. Over zijn levenswijze ontbreken uitvoerige berichten;
uit hetgeen men er van weet, valt af te leiden, dat zij in hoofdzaken
overeenstemt met die van een verder noordwaarts, in Abessinië levende
verwant, de Goudbuikige Glansspreeuw (Lamprotornis chrysogaster). Beide
soorten volgen zooveel mogelijk de kudden van Runderen en Schapen of
houden zich op daar waar dit vee gegraasd heeft.



Door een sierlijken, eenigszins gebogen snavel, tamelijk zwakke
pooten met lange teenen, betrekkelijk korte vleugels, een middelmatig
langen staart en veeren, die als 't ware een schubbenkleed vormen,
onderscheidt zich de Geschubde Glansspreeuw (Lamprotornis leucogaster)
van zijne verwanten. Alle bovendeelen en de hals tot aan de borst
zijn purperblauw met een prachtigen, violetten weerschijn, de borst
en de buik daarentegen wit, de slagpennen zwartachtig bruin, aan
de buitenzijde met violetten rand. Alle donkere gedeelten van het
kleed schitteren bij een bepaalde wijze van verlichting met een
koperkleurigen metaalglans. De kleur van de iris is fraai bruin;
de snavel en de pooten zijn zwart.

De Geschubde Glansspreeuw is over geheel Middel-Afrika en een deel
van West-Arabië verbreid; hij bewoont bij voorkeur bergachtige
streken en komt in Abessinië nog voor op een hoogte van 2500 M., op
sommige plaatsen misschien nog hooger. Zelfs in Abessinië, dat zoo
rijk is aan fraai gekleurde Vogels, valt de Geschubde Glansspreeuw
wegens de kleurenpracht van zijne vederen in 't oog. Vooral als hij
vliegt, maakt het zonlicht op het heerlijke blauw van zijn rug een
bewonderenswaardig effect.



De Beo's (Eulabes) [18] kenmerken zich door een zeer gedrongen
lichaamsbouw, door een dikken, hoogen, van boven afgeronden, op
den rug sterk gewelfden snavel, die ongeveer zoo lang is als de
kop, door krachtige en tamelijk korte pooten, een zacht, als zijde
glanzend vederenkleed en meer of minder uitgebreide, naakte plekken
en huidlappen (lellen) aan den kop.



De volksnaam van dit geslacht is ontleend aan dien van een soort,
welke, omdat zij gewoonlijk uit Java tot ons komt, ook wel Java-Beo
(Eulabes javanensis) wordt genoemd. (De Maleische naam is Tiseng.) Zij
heeft de grootte van een kleine Duif, bewoont de Soenda-eilanden en
Bangka, maar komt ook op Malakka en de Nicobaren voor. Aan weerszijden
van den achterkop heeft deze Vogel een zeer groote, naakte, gele lel,
die zich over de oorstreek tot aan het oog uitstrekt. Weinig grooter
is de veelvuldig in dierentuinen voorkomende Groote Beo (Eulabes
intermedius), die van Nepal tot Bengalen verbreid is en zeer kleine
lellen heeft. Beide soorten zijn zwart van kleur. De hals, de krop,
de buik en de staart zijn daarentegen hooggeel bij een soort, die op
de westkust van noordelijk Nieuw-Guinea werd aangetroffen (Eulabes
pectoralis); deze heeft in plaats van lellen, eenvoudig een naakte
plek achter het oog.

De Meinate, Meino of Mino (Eulabes religiosus) heeft een totale lengte
van 26 cM., terwijl de staart 7 cM. lang is. Haar kleed is donkerzwart;
de toppen van de veeren, die den kop en den hals bedekken, hebben een
donkere viooltjeskleurige tint, die van de andere kleine veeren een
metaalachtig groenen weerschijn. De worteleinden van de handpennen zijn
wit en vormen een dwarsstreep over den vleugel. De schel oranjegeel
gekleurde lellen, die zich van achter het oog over de oorstreek tot
den achterkop uitstrekken, verdikken zich hier en vormen een smalle,
overlangsche kruinstrook, die bij de vroeger genoemde soorten niet
voorkomt. Een andere naakte plek bevindt zich onder het oog. De snavel
is oranjekleurig, de pooten zijn geel, de oogen donkerbruin.

De Meinate bewoont de met dichte bosschen bedekte bergstreken van het
zuiden van Indië en van Ceylon. Zij is een levendige, schrandere en
beweeglijke Vogel, die, wat aard en gewoonten betreft, nog het meest
tot onze Spreeuwen nadert. Haar gezang is zeer rijk aan tonen en
vol afwisseling; het maakt een aangenamen indruk, hoewel het eenige
wanluidende klanken bevat. Evenals de Beo, bezit de Meino in hooge
mate de gave om klanken na te bootsen. Deze Vogels worden daarom
dikwijls getemd. Voor een uitmuntend afgericht exemplaar wordt zelfs
in Indië of op Java niet zelden twee honderd gulden betaald (de gewone
prijs is f 15). Vooral de Meino geraakt snel aan haar gebieder gewoon;
men kan haar vrij door het geheele huis, of uit en in laten vliegen;
grootendeels zoekt zij haar voedsel zelf; zij sluit vriendschap
met de huisdieren en vermaakt ieder door haar vroolijken aard, haar
leerzaamheid en haar talent van nabootsing. De liefhebbers beweren,
dat zij in dit opzicht alle Papegaaien ver overtreft. Zij kan niet
slechts den klank van de menschelijke stem trouw navolgen, maar
onthoudt bovendien, evenals de best sprekende Papegaai, geheele
volzinnen, leert liedjes fluiten en zelfs zingen, terwijl de
onaangename eigenschappen van de Papegaaien haar vreemd zijn.



De Spitsvogels (Artamus), zoogenaamd wegens hunne lange, spitse
vleugels, houden het midden tusschen de Spreeuwen, de Zwaluwen
en de Klauwieren en heeten daarom ook wel Zwaluwspreeuwen
of Zwaluwklauwieren. De Australiërs noemen ze Wood-Swallows
(Boschzwaluwen). De meeste leden van dit geslacht, dat ongeveer 20
soorten omvat, bewonen het Australische faunistische Rijk, dat zich,
gelijk bekend is, uitstrekt tot de zeeëngten, die Celebes van Borneo
en Bali van Java scheiden. Enkele soorten komen in Indië voor. Zij
hebben een korten, kegelvormigen snavel, korte, krachtige pooten, een
korten, of middelmatig langen, recht afgeknotten of ondiep uitgesneden
staart en een donkerkleurig kleed. Zij voeden zich met Insecten,
bewonen bij voorkeur boschrijke gewesten tot op een hoogte van 1000
M. en meer en hebben hierin bepaalde lievelingsboomen. Zoo komt één
soort hoofdzakelijk voor op plaatsen, waar de Palmyra-palm groeit;
zij wordt daarom door de inboorlingen Palmyra-zwaluw genoemd.



Bij den Bruinen Spitsvogel (Artamus fuscus) zijn kop, kin, keel en
staartwortel dof bruinachtig aschgrauw, de mantel en de schouders
donkerder, de teugel zwart, de vleugels en stuurpennen leikleurig
zwart, deze aan 't einde wit gezoomd, de onderdeelen isabelroodachtig
bruin, de oogen bruin, de pooten en de snavel loodkleurig blauw, deze
aan de spits zwart. Totale lengte 17, staartlengte 5 cM. Hij wordt
in verschillende gewesten van Britsch-Indië min of meer veelvuldig
aangetroffen, komt ook op Ceylon voor en is tot in Birma, Siam en
China verbreid.

Het gunstigst doet deze Vogel zich voor, als hij vliegt; op den bodem
komt hij zelden, gelijk duidelijk blijkt uit zijne bewegingen bij een
toevallige neerdaling. Als het fraaie weder de Insecten naar de hoogere
luchtlagen heeft gelokt, ziet men daar steeds een zwerm Spitsvogels
met sierlijke zwenkingen rondzwieren. Dikwijls blijven zij lang op
deze hoogte vliegen en herinneren dan levendig aan onze Zwaluwen. Dit
is ook het geval, wanneer zij dicht langs den waterspiegel heen en
weer schieten, om hier en daar een Insect uit het water op te nemen;
vervolgens rusten zij eenige oogenblikken op het struikgewas aan
den oever, en hervatten daarna hun jacht. Bij dezen arbeid zijn zij
soms tot troepen vereenigd, die zoo talrijk zijn, dat het water "door
hun spiegelbeeld verduisterd wordt," gelijk Gould zegt. De geluiden,
die men van hem hoort, gelijken op den loktoon van de Zwaluwen, maar
zijn heescher en eentooniger. Een eigenlijk gezang hebben zij, naar
't schijnt, niet.

Een op Java en Sumatra levende soort, de Bleekbuikige Spitsvogel of
Kapeh-kapeh (Artamus leucogaster), kiest tot woonplaats landstreken,
waar uitgestrekte, met gras begroeide vlakten of velden met kleine
boschjes of tuinen afwisselen, waar althans enkele alleenstaande
boomen hem de gelegenheid verschaffen om op de gewone wijze zijn
gemak te nemen. Op deze boomen, die als verzamel- en rustplaatsen
dienen en daarom het middelpunt van het jachtgebied vormen, kan
men, naar Bernstein bericht, de Spitsvogels gemakkelijk nagaan; zij
laten er zich niet licht uit verdrijven; zelfs naar boomen, waar
zij aan vervolging bloot staan, keeren zij telkens weer terug. Na
den broedtijd vindt men gewoonlijk de geheele familie op denzelfden
boom vereenigd; wanneer één van de leden van het gezelschap door een
schot gedood wordt, vliegen de overige wel is waar oogenblikkelijk
weg en gaan ook wel voor een tijdje op een andere plaats zitten, maar
keeren toch altijd zóó spoedig naar hun lievelingsboom terug, dat het
mogelijk is er nog een tweede en later nog zelf een derde exemplaar
van te schieten. Als de broedtijd voorbij is, vormen zich in gunstig
gelegen oorden soms talrijke troepen; dan levert de lievelingsboom
een aantrekkelijk schouwspel op. Onder de leden van den zwerm heerscht
de meest volledige vrijheid. Iedere Vogel handelt, naar het schijnt,
onafhankelijk van het overige gezelschap en doet datgene, waaraan
hij voor 't oogenblik behoefte heeft. Zoo verlaat gedurig nu eens
de eene, dan weer een andere Spitsvogel den tak, waarop hij tusschen
zijne dicht opeengepakte metgezellen zat, huppelt op en neer, maakt
jacht op een Insect en keert daarna weer op zijn vorige zitplaats
terug. Niet altijd bestaat de zwerm uit dieren van één soort; de
Spitsvogels vereenigen zich zeer dikwijls met andere Vogels, vooral
met familieverwanten of met Zwaluwen; verschillende soorten van de
Spreeuwen-familie broeden op denzelfden boom eendrachtelijk bijeen.

De meest verbreide soort in Nieuw-Holland en Tasmanië (Artamus
sordidus) onderscheidt zich door een hoogst zonderlinge gewoonte:
deze vogels vereenigen zich n.l. op de wijze van zwermende Bijen
tot één massa. Aan de onderzijde van een dorren tak, klemmen eenige
zich vast, andere hechten zich aan deze, enz.; soms zijn zij in zoo
grooten getale dicht opeengedrongen, dat de geheele kluit de ruimte
van een schepelsmaat inneemt.



De Wielewaal, in Friesland Gelegouw geheeten (Oriolus galbula),
is de eenige Europeesche vertegenwoordiger van de familie der
Kortpoot-spreeuwen (Oriolidae), die ongeveer 75 soorten omvat; welke
voor het meerendeel de keerkringsgewesten van het oostelijk halfrond
bewonen. De kenmerken van deze familie zijn: een betrekkelijk lange,
krachtige, bijna kegelvormige snavel met flauw gekromden, afgeronden
rug, de bovensnavel steekt een weinig voorbij den nagenoeg even dikken
ondersnavel uit; de pooten hebben een korten loop; de vleugels zijn
lang en tamelijk spits; gewoonlijk is de derde handpen de langste;
de staart is middelmatig lang en recht afgesneden; het kleed is dicht
en meestal prachtig gekleurd; de kleur verschilt al naar het geslacht
en den leeftijd.



Onze Wielewaal (die het geslacht van denzelfden naam vertegenwoordigt,
het soortenrijkste van de geheele familie) is prachtig hooggeel
(licht oranje of guttegomkleur); de teugel, de schouders en
de vleugeldekveeren zijn zwart, de eveneens zwarte slagpennen
hebben aan de buitenzijde en aan de spits een smallen, witten of
(aan de achterste armpennen) geelachtigen rand; de eindhelft van
de bovendekveeren der handpennen is geel; de staartpennen zijn
zwart, de beide middelste met gelen eindzoom; van de overige heeft
het laatste derde of vierde gedeelte deze kleur. De wijfjes, de
jongen en de éénjarige mannetjes zijn van boven geelachtig groen,
van onderen grijsachtig wit, op den buik zuiver wit; de schenkels
en de onderdekveeren van den staart zijn hooggeel, de slagpennen
zwartachtig olijfkleurig, de staartpennen geelachtig olijfgroen,
met gele vlek op de spits aan de binnenvlag. Het oog is karmijnrood,
de snavel vuilrood, bij de wijfjes en de jongen zwartachtig grijs;
de pooten zijn loodkleurig grijs. Totale lengte 25, staartlengte 9 cM.

De Wielewaal broedt in geheel Europa (met uitzondering van het hooge
noorden) en in het grootste deel van West-Azië. Hij blijft hier
slechts gedurende korten tijd, n.l. van de eerste helft van Mei tot
half Augustus. Nergens wordt hij in grooten getale aangetroffen, bij
ons overal, waar kreupelhout en hooge boomen staan, ook in groote
tuinen. Naaldhoutbosschen worden evenwel door hem vermeden. Bij
voorkeur houdt hij verblijf in eiken of berken; kleine bosschen, die
uit deze beide boomsoorten bestaan, vallen het meest in zijn smaak,
vooral wanneer zij in de vlakte gelegen zijn; in het hooge gebergte
en binnen in uitgestrekte wouden houdt hij zich weinig op. Op den
trek bezoekt hij geheel Afrika, ook Madagaskar.

De Wielewaal herinnert zoowel aan de Lijsters als aan de
Vliegenvangers, in sommige opzichten ook aan de Scharrelaars. "Hij is,"
zegt Naumann, "een schuwe, wilde en onrustige Vogel, die zich steeds
aan de blikken der menschen tracht te onttrekken, hoewel hij dikwijls
in hun nabijheid woont. Hij huppelt en fladdert altijd in de dichtst
bebladerde boomen rond, blijft zelden lang achtereen in denzelfden
boom en nog minder op denzelfden tak; zijn onrustige aard drijft hem
nu eens naar de eene, dan weer naar een andere plaats. Slechts zelden
houdt hij zich in laag struikgewas op, nog zeldzamer komt hij op den
grond. Als dit een enkele maal gebeurt, blijft hij er niet langer
dan noodig is om een Insect of een dergelijke prooi te grijpen. Niet
dan bij uitzondering doet hij in dit geval eenige zeer onbehendige,
plompe sprongen; want hij gaat nooit stappend. Zijn moed en vechtlust
openbaart hij niet alleen in 't verkeer met zijne soortgenooten, die
hij voortdurend met snavelhouwen vervolgt, maar ook jegens andere
Vogels, zoodat er aan zijn getwist geen einde komt. Hij vliegt
met gedruisch en schijnbaar niet zonder inspanning, toch komt hij
tamelijk snel vooruit; als zijn weg over een groot, open terrein
leidt, schiet hij op de wijze van de Spreeuwen volgens een groote,
zwak gekromde booglijn of volgens een lijn met kronkels van geringe
hoogte voort. Over een korten afstand volgt hij een rechtlijnigen weg,
nu eens zwevend, dan weer fladderend. Hij houdt veel van vliegen,
zijne veelvuldige zwerftochten strekken zich over een groot terrein
uit; dikwijls ziet men hem een anderen Vogel van zijn soort een
kwartier lang opjagen en onophoudelijk vervolgen."

Zijn loktoon is een schel klinkend "jèk jèk" of een heesch "krek",
zijn angstkreet een leelijk, ratelend "kwer" of "krr"; een teeder
gevoel geeft hij te kennen door een zacht geluid, dat als "bulow"
klinkt. Het gezang van het mannetje is vol van toon, luid en zeer
welluidend. Klanknabootsingen hiervan zijn de volksnamen en de
wetenschappelijke naam van dit dier. Naumann omschrijft het gezang door
de klanken "dietleo" of "giedadietleo"; de boeren in Noord-Duitschland
hooren er uit: "Pfingsten Bier hol'n; aussaufen, mehr hol'n", of
"Hest du gesopen, so betahl och", en scheppen, naar het schijnt,
wegens de beteekenis van deze gezegden, een buitengewoon behagen in
den Wielewaal, die door hen "bierezel" genoemd wordt. In Thuringen
is deze vertaling van het gezang onbekend, toch heeft men ook hier en
overal elders veel met den Wielewaal op. Hij is een van de vlijtigste
zangers van het woud, begint reeds vóór zonsopgang te zingen en gaat
er met weinige tusschenpoozen mede voort tot tegen den middag, om zich
opnieuw te laten hooren, als de zon aan 't dalen is. In tegenstelling
met andere Vogels laat hij ook op zwoele dagen zijn stem hooren. Een
enkel paar Wielewalen brengt leven in een geheel woud.

Weinige dagen na zijn aankomst begint de Wielewaal zijn kunstig nest te
bouwen. Steeds hangt het in een gaffel van een slanken tak. Het wordt
vervaardigd van half droge grasbladen, halmen, ranken, bastvezels van
brandnetels, heede, wol, berkenschors, mos, spinnewebben, spinsels van
rupsen en dergelijke materialen; het heeft den vorm van een diepen
nap en wordt van binnen met fijne graspluimen of met wol en veeren
bekleed. In den regel kiest de Wielewaal een hoogen boom als drager van
zijn nest; het gebeurt echter ook wel, dat het op manshoogte boven den
bodem is opgehangen. Pechuel-Loesche zag een dergelijk laag gebouwd
nest in den tuin voor een houtvesterswoning in Anhalt op een afstand
van 15 schreden van de huisdeur; de Vogels waren in 't geheel niet
schuw, lieten zich door de voorbijgangers niet storen en trachtten
al te nieuwsgierige bezoekers door schijnaanvallen en geschreeuw van
hun nest af te houden. Het paartje bouwde drie jaren achtereen zijn
nest op dezelfde plaats. In de eerste plaats worden lange draden door
middel van speeksel aan den tak vastgeplakt en verscheidene malen
er om heen gewikkeld, totdat de grondlaag van het nest gereed is, de
overige stoffen worden dan hiertusschen ingevlochten en ingeweven. Het
mannetje en het wijfje zijn beide even ijverig met het bouwen bezig. In
het begin van Juni heeft het wijfje 4 of 5 eieren gelegd; deze zijn op
helderwitten grond met aschgrauwe en roodachtig zwartbruine stippels
en vlekken geteekend. Nu begint zij ijverig te broeden. Gedurende de
middaguren wordt zij door het mannetje afgelost. De broedende Vogels
verdedigen hun nest met grooten moed tegen iederen vijand en laten
zich moeielijk verjagen; beide ouders toonen groote liefde voor hun
kroost. Na 14 of 15 dagen komen de jongen uit het ei. Zij groeien
schielijk en ruien reeds in het nest, zoodat zij dit niet in het
eigenlijke jeugdkleed verlaten.

Insecten van allerlei soort, vooral echter Rupsen en Vlinders,
Wormen en, zoodra de vruchten rijp zijn, ook kersen en bessen maken
het voedsel van den Wielewaal uit. Daar zijn eetlust bijzonder groot
is, richt hij in kersenboomgaarden en vooral in tuinen met slechts
enkele vruchtboomen soms schade aan, die echter ruimschoots wordt
opgewogen door het voordeel, dat hij door het dooden van schadelijke
Insecten aanbrengt. Hij verdient daarom bescherming in plaats van
de vervolging, die hij niet zelden, vooral wegens zijn fraaie kleur,
heeft te verduren.

De meest zorgvuldige verzorging is noodig om den Wielewaal in de kooi
verscheidene jaren in 't leven te behouden; den ruitijd komen zij
moeilijk door, meestal is het kleed, dat zij daarna krijgen, veel
minder fraai dan het vorige; zij worden daarom alleen bij kundige
vogelliefhebbers gevonden.



De Drongo's (Dicrurus) bewonen Afrika, Zuid-Azië en Australië;
zij zijn gekenmerkt door hun zijdelings samengedrukten en daarom
hoogen, stevigen, van voren eenigszins haakvormigen snavel,
die aan zijn breeden wortel, bij den mondhoek van lange, stijve,
borstelige baardveertjes voorzien is. Dit geslacht bestaat uit
ongeveer 32 soorten, waarvan wij er slechts één zullen noemen. Deze,
de Vlaggendrongo (Dicrurus paradiseus), heeft, evenals de meeste
van zijne verwanten, een langen, gegaffelden staart; van de 5 paar
staartpennen is het buitenste veel langer dan de overige; deze twee
veeren loopen ter hoogte van de gaffelspitsen ieder in een langen
draad uit, daar hier de schaft de vlag mist tot dicht bij haar einde,
waar zij weder met een langwerpige vlag voorzien is. De veeren van
den voorkop vormen een kuif. Haar kleed is goed gevuld, effen zwart
van kleur met metaalachtig blauwen glans; de oogen zijn bruin,
de snavel en de pooten zwart. Zonder de buitenste staartpennen,
die ongeveer 25 cM. ver achter de overige uitsteken, is de totale
lengte van dezen Vogel 36, de staartlengte 19 cM. Hij bewoont Java,
Sumatra en het Indische vasteland.

De Drongo's behooren tot de meest opmerkelijke Vogels van hun
vaderland. Van de zeekust tot op een hoogte van 2500 M. vindt
men ze in voor hen geschikte oorden overal, sommige in 't open
veld, andere te midden van de bosschen. Eenige soorten zijn zeer
veelvuldig, andere zeldzamer vertegenwoordigd. Men ziet ze op den
uitkijk zitten op de dorre twijgtoppen van een hoogen boom, op den
nok van een huis, op telegraafpalen, op lage struiken, omtuiningen,
muren en mierenhoopen. Niet zelden ontmoet men enkele bovendien als
trouwe begeleiders van het vee, op welks rug zij even onbeschroomd
neerstrijken als op hare gewone uitkijkplaatsen. De meeste zijn
gedurende den geheelen dag werkzaam; eenige echter jagen, evenals
onze Gierzwaluwen, nog lang na zonsondergang en zijn zelfs, naar
het schijnt, als de volle maan aan den hemel staat, gedurende den
ganschen nacht, zoo niet werkzaam, dan toch wakker en opgewekt; want
men hoort dan op ieder uur haar druk gesnap, dat niet licht met andere
geluiden verwisseld kan worden. Levaillant en andere onderzoekers
noemen de Drongo's hoog begaafde dieren, die niet alleen door de
eigenschappen van hun lichaam, maar ook door hare geestvermogens
uitmunten. Haar wijze van vliegen houdt het midden tusschen die
van een Vliegenvanger en die van een Zwaluw, verschaft haar geen
bijzonder groote snelheid op de golvende lijn, die zij daarbij
volgen; na eenige weinige vleugelslagen laten zij zich gedurende
geruimen tijd door de lucht glijden. Zoodra echter de Drongo door
de een of andere oorzaak opgewonden is, beweegt zij zich zoo snel,
dat zij bijna iederen vijand inhaalt. Op den bodem begeeft zij zich
niet anders dan om van hier een buit op te nemen; tot een behoorlijken
gang is zij niet in staat. Zij drinkt en baadt al vliegend. Te midden
van de twijgen toont zij geen grootere bekwaamheid dan andere Vogels,
die ongeveer dezelfde levenswijze hebben. Zij kiest een gemakkelijk
bereikbaren tak, zet zich hierop neder en doet haar best het evenwicht
te bewaren; tot andere bewegingen is zij niet in staat.

Onder hare zintuigen nemen de groote, altijd vurige oogen ongetwijfeld
den eersten rang in. De Drongo bespeurt een vliegend Insect reeds op
een grooten afstand; haar gezichtsvermogen begeeft haar zelfs gedurende
de schemering niet, gelijk uit de bovengenoemde feiten blijkt. Dat
het gehoor weinig minder scherp is, toonen deze Vogels door hun
geschiktheid tot zingen en bovendien door het talent van nabootsing,
dat men bij haar, bij eenige soorten althans, heeft waargenomen. Het
gewone stemgeluid van de Drongo is een luid, onaangenaam, heesch
gefluit of een eigenaardig gekras, dat moeielijk omschreven kan worden,
maar zoo vreemdsoortig is, dat ieder die het eens gehoord heeft,
het gemakkelijk herkennen zal. Als de broedtijd nadert, zingen de
mannetjes van nagenoeg alle soorten op een hoogst aangename wijze.

De Drongo's hebben echter nog andere goede eigenschappen. Zij
zijn niet alleen snapachtig, maar ook beweeglijk, bedrijvig en in
sommige gevallen zeer moedig. De Koningskraai, een der meest bekende
Indische soorten, dankt haar naam aan de gewoonte om alle Kraaien,
en ook alle Valken, die door haar gebied vliegen, aan te vallen
en te vervolgen. Vooral gedurende den broedtijd, van Mei tot Juli,
als het wijfje op de eieren zit, legt het mannetje een zeer groote
waakzaamheid en bovendien een bewonderenswaardige stoutmoedigheid
aan den dag. De koenheid van de Drongo bereikt den hoogsten graad,
als zij een Uil of een andere, in 't oog vallenden en oogenschijnlijk
onbeholpen Vogel ontdekt. De brutale dwerg verheft zich in zulk een
geval snel in de lucht en schiet, terwijl hij den staart beurtelings
uitbreidt en opvouwt, onder luid en heesch geschreeuw van boven met
geweld op den vijand neer.

Alle Drongo's voeden zich uitsluitend met Insecten en maken
hoofdzakelijk jacht op Bijen en verwante dieren. De groote soorten
eten ook Sprinkhanen en Krekels, Waterjuffers, Vlinders en dergelijke
wezens; aan stekende Insecten geven zij echter, naar het schijnt, in
alle gevallen de voorkeur. Bij de Hollandsch sprekende Zuid-Afrikanen
zijn zij daarom bekend onder den naam van Bijeneters (ook wel onder
dien van Duivelvogels). Volgens de berichten van Levaillant verdienen
zij dezen naam met volle recht. "In den regel" dus verhaalt de
genoemde reiziger, "maken de Drongo's des avonds vóór zonsondergang
en des morgens vóór zonsopgang jacht op de nijvere Insecten. Met dit
doel vereenigen alle Drongo's van een woud zich op een afgezonderd
staanden boom, het liefst op een dooden, of althans op zulk een,
die vele doode takken heeft; zij wachten hier de terugkomst of het
uitvliegen van de Bijen af, die met honig beladen naar de door haar
bewoonde boomen in het woud terugkeeren of van hier komen. Van het
tafereel vol gedruisch en beweging, dat deze boom oplevert, kan men
een denkbeeld verkrijgen, door zich voor te stellen, dat omstreeks 30
Vogels onverpoosd om den boom heenvliegen en daarbij alle zwenkingen
uitvoeren, alle "haken slaan", welke noodig zijn bij de vangst van de
Bijen, die voor hare welbekende vijanden vluchten. De weinige Drongo's,
die haar buit misten, gaan dadelijk op een andere Bij los; zij maken
soms achtereenvolgens 5 of 6 prachtige zwenkingen, naar rechts, naar
links, naar boven, naar onderen, tot de vangst heeft plaats gehad of
tot zij te veel vermoeid zijn. Bijna iedere beweging gaat vergezeld
van een luid geschreeuw; alle jachtgezellen roepen tegelijkertijd en
op verschillenden toon. Op den grond vindt men tallooze overblijfselen
van het hierboven gehouden feestmaal: Bijen, die de eene helft van
't lichaam missen en toch nog leven, afgerukte vleugels en pooten,
enz. Eerst in het uur, waarin de Nachtroofvogels hun jacht beginnen,
neemt de arbeid van de Drongo's een einde."

Het broeden heeft, althans bij eenige soorten, in verschillende
tijdperken van het jaar plaats. Het nest wordt tamelijk hoog boven
den bodem gebouwd, in den regel op gelijke wijze als dat van onzen
Wielewaal aan een takgaffel opgehangen; gewoonlijk is het niet
verborgen en derhalve aan weer en wind blootgesteld; op een zeer
slordige wijze wordt het van eenige weinige, opeengehoopte takjes
en worteltjes vervaardigd, dikwijls van binnen niet eens bekleed,
hoogstens met eenige haren gevoerd. Het broedsel bestaat uit 3 of 4,
soms uit 5 eieren, die op witten of roodachtig witten grond met lichte
of donkere, roode en bruine stippels geteekend zijn.

Alle in Indië levende soorten van Drongo's worden door de inboorlingen
gaarne in de kooi gehouden. Zij geraken weldra aan de gevangenschap en
aan eenvoudig voedsel gewoon, worden tam en gehoorzaam, zingen vlijtig
en vermaken hare huisgenooten buitengemeen door het nabootsen van zeer
verschillende stemmen van Vogels, ook van uitmuntende zangers. Bij
ons worden zij zeldzamer in de kooi gehouden, dan zij verdienen.



Eerst in de laatste dertig jaren zijn ons nauwkeuriger berichten
geworden over de betooverend schoone Vogels van Nieuw-Guinea en
omringende eilanden, welker gedeeltelijk verminkte huiden reeds sinds
eeuwen bij ons ingevoerd werden en aanleiding gaven tot wonderlijke
verhalen. Paradijsvogels noemde en noemt men ze, op grond van de
onderstelling, dat zij regelrecht uit het paradijs afkomstig zouden
zijn en zich door een eigenaardige wijze van leven onderscheiden. Zij
kwamen zonder pooten in den handel: men dacht er niet aan, dat zij door
de inboorlingen verminkt konden zijn, en meende, dat hun van nature de
pooten ontbraken. De eigenaardige ontwikkeling en de prachtige kleuren
van het vederenkleed in deze groep, waarvan de wederga, zoo al, dan
toch bezwaarlijk te vinden zal zijn, lieten vrije speelruimte aan
de phantasie en maakten, dat de ongeloofelijkste fabelen in omloop
kwamen. "Men kan zich voorstellen," zegt Pöppig, "welk een verbazing
de bewoners van het Europeesche vasteland, die met zulk een klein
deel van de overige wereld in verkeer waren, vervulde, toen zij van
Pigafetta, den in 1522 te Sevilla teruggekeerden metgezel van den op
reis overleden Magelhaes, de eerste berichten over de hier bedoelde
Vogels ontvingen. Niet zonder eenige aandoening leest men, hoe eenige
van de ijverige, maar met uiterst bekrompen hulpmiddelen arbeidende
natuuronderzoekers van de 16e eeuw, het een van de belangrijkste
gebeurtenissen van hun leven, de vervulling van een sinds lang te
vergeefs gekoesterden wensch, noemden, dat zij eindelijk de huid van
een Paradijsvogel (verminkt als zij was) te zien kregen. Het is dus
verklaarbaar, dat er in dit tijdperk fabelen ontstaan zijn, die een
buitengewoon langen tijd geloof vonden. Men beschouwde de bedoelde
Vogels als "sylphen", als wezens, die alleen in de eindelooze luchtzee
verblijf houden, alle voor hun levensonderhoud vereischte werkzaamheden
vliegend verrichten en slechts gedurende eenige vluchtige oogenblikken
rusten, door met de lange draadvormige staartveeren aan boomtakken
te gaan hangen. In zekeren zin vergelijkbaar met wezens van hoogeren
rang, zouden zij van de noodzakelijkheid om met de aarde in aanraking
te komen, ontheven zijn en zich alleen met etherisch voedsel, met
morgendauw, voeden. Het baatte niets, dat Pigafetta zelf het afwezig
zijn van pooten bij deze wondervogels een fabel noemde, dat Marcgrave,
Clusius en andere onderzoekers uit dien tijd de ongerijmdheid van deze
meening aantoonden: het volk volhardde in zijn eens opgevatte meening."

Eeuwen gingen voorbij, zonder dat de levenswijze van de Paradijsvogels
ons bekend werd. Verscheidene reizigers leverden meer of minder
belangrijke bijdragen tot de kennis van deze dieren; bijna geen hunner
bleef echter vrij van het nu eenmaal heerschende wondergeloof. Lesson,
die gedurende zijn reis om de wereld zich 13 dagen op Nieuw-Guinea
ophield, is de eerste geweest, die op grond van eigen aanschouwing
mededeelingen over levende Paradijsvogels heeft gedaan. Na hem zijn
in de laatste jaren belangrijke berichten over het leven van deze
geheimzinnige Vogels gegeven door Bennett, Wallace en Von Rosenberg.

De Paradijsvogels (Paradiseida) zijn prachtige, aan onze Raven verwante
Vogels, welker grootte afwisselt tusschen die van een Vlaamsche Graai
en die van een Leeuwerik. De snavel is bij de verschillende soorten
ongelijk van lengte, recht of gebogen, aan den wortel niet, zooals
bij de Raven, met borstels bedekt: de neusgaten liggen dus vrij. De
loop is langer dan de snavel, de poot krachtig en met groote teenen
voorzien, die met stevige en scherpe, sterk gekromde nagels gewapend
zijn. De vleugels zijn middelmatig lang en zeer afgerond, daar hun
spits gevormd wordt door de zesde en de zevende handpen. De recht
afgesneden, uit twaalf pennen samengestelde staart is middelmatig lang
en valt dikwijls door draadvormig verlengde veeren zeer in 't oog,
òf hij is zeer lang en eenvoudig van vorm. Bij verscheidene soorten
zijn de veeren van de flanken buitengewoon lang en hare baarden niet
tot een vlag aaneenverbonden. De wijfjes en de jongen zijn steeds
eenvoudiger van kleur dan de mannetjes.

De Paradijsvogels, waarvan ongeveer 50 soorten bekend zijn, bewonen het
Australische faunistische Rijk; slechts één soort wordt op Madagaskar
gevonden. Niet alleen van hen, maar ook van andere prachtig bevederde
Vogels wordt het vel sedert eeuwen in den handel gebracht; vooral
de Nederlanders hebben zich met het inruilen van deze huiden tegen
andere waren bezig gehouden. De wijze, waarop de inboorlingen ze
toebereiden, wordt door Wallace op de volgende wijze beschreven:
"Nadat de vleugels en pooten afgesneden zijn, wordt de huid tot aan
den snavel afgetrokken en zelfs de schedel weggenomen. Tot steun van
de huid dient een stevige stok, die aan den staart beginnend, vóór den
hek uitkomt. Om dien stok heen worden eenige bladen in de huid gestopt;
het geheel wordt gewikkeld in de bloemscheede van een palm en gedroogd
in de rookerige hut van den inboorling. Op deze wijze verschrompelt
de kop, die inderdaad groot is, tot bijna niets en wordt het lichaam
klein en kort, zoodat het wapperend gedeelte van den vederendos des
te sterker uitkomt. Vele van deze door inlanders bereide huiden zijn
zeer zuiver; niet zelden vindt men er eenige bij, waaraan de vleugels
en de pooten niet ontbreken; andere daarentegen zijn vreeselijk
zwart van den rook; alle geven een geheel verkeerd denkbeeld van de
proportiën van den levenden Vogel." "De inboorlingen van Misool," zegt
Von Rosenberg, "laten de pooten en slagpennen aan het vel; de van daar
afkomstige huiden zijn om die reden het best geschikt om naar behooren
opgezet te worden. Ook de Aroeneezen zijn, toen zij bespeurden, dat
ongeschonden exemplaren meer gevraagd en beter betaald worden dan
defecte, langzamerhand begonnen af te wijken van de oude gewoonte
om de pooten en de vleugels af te snijden, zoodat thans ook van de
Aroe-eilanden goede huiden ter markt komen. De Paradijsvogelhuiden
worden voornamelijk door handelaars van Makassar, Ternate en Oost-Ceram
opgekocht en vervolgens onder den naam van Boerong-Matie (doode vogels)
naar Ternate, Makassar en Singapoer gebracht, van waar zij verder
naar Europa en China worden uitgevoerd. Volgens het zeggen dezer
lieden komen de fraaiste huiden van de noordkust van Nieuw-Guinea en
van de gewesten, die in de nabijheid van het verst van zee gelegen
deel van de Geelvinkbaai voorkomen. De sultan van Tidore, aan wien
het onder Nederlands oppergezag staande gedeelte van Nieuw-Guinea
schatplichtig is, ontvangt jaarlijks van daar bij wijze van schatting
een onbepaald aantal huiden, welker geldswaarde op de plaats zelf 25
cents à 1 gulden bedraagt." Deze huiden worden, gelijk bekend is,
ter versiering van de hoofdbedekking gebruikt en, met uitzondering
van de Indische volken, alleen door vrouwen gedragen. De Indische
grooten gebruiken ze sedert eeuwen als optooisel voor hunne tulbanden.



De Paradijsvogels worden verdeeld in drie onderfamiliën: de Eigenlijke
Paradijsvogels (Paradiseinae), de Speelvogels (Chlamydoderinae)
en de Lelvogels (Glaucopinae).

Het meest typische geslacht van de eerste dezer groepen is dat
der Paradijsraven (Paradisea). Het kenmerkt zich door de sierpluim
van lange veeren met onsamenhangende (niet tot een vlag vereenigde)
baarden, die bij het mannetje aan elke zijde van 't lichaam voorkomt,
in een huidplooi onder het eerste vleugelgewricht ontspringt en
door een hiervoor bestemde spier uitgespreid en bijeengevoegd kan
worden. Een andere eigenaardigheid van dit geslacht is de buitengewone
lengte van de beide middelste staartpennen, welker vlag niet of zeer
weinig ontwikkeld is.

Het grootste lid van dit geslacht is de Groote Paradijsvogel, door de
Maleische kooplieden Manoek dewata of Godenvogel, op de Aroe-eilanden
Faneam genoemd. Om het oude sprookje te vereeuwigen gaf Linnaeus
hem den naam van Pootlooze Paradijsvogel (Paradisea apoda). Totale
lengte ten naasten bij 45, staartlengte 18 cM. Hij is dus ongeveer
zoo groot als onze Kauw. De bovenkop, de slapen, de achterhals en
de bovenste gedeelten van de zijden van den hals zijn donkergeel,
de voorkop, de zijden van den kop, de oorstreek, de kin en de keel
donker goudgroen, de teugel groenachtig zwart, de overige deelen,
de vleugels en de staart donker kaneelbruin, welke kleur in de
kropstreek in zwartbruin overgaat; de lange, fijne veeren, die aan
weerszijden van de borst een sierpluim vormen, zijn hoog oranjegeel,
in de nabijheid van het losbaardige eindgedeelte in vaalwit overgaande;
de kortere, stijve veeren te midden van het wortelgedeelte van de
pluim zijn donker kastanjebruinzwart. De beide middelste staartveeren
hebben geen vlag of althans slechts een spoor daarvan bij den wortel
en aan de uiterste punt; zij vertoonen zich als draadvormige ranken
van 60 à 90 cM. lengte, die zich met een sierlijke, dubbele kromming
naar achteren richten. De iris is zwavelgeel, de snavel groenachtig
grijsblauw, de poot vleeschbruinachtig. Het wijfje mist alle lange
veeren, haar kleur is doffer, op de bovendeelen bruinachtig vaalgrijs,
aan de keel grijsachtig violet, aan den buik vaalgeel.

Tot dusver werd de Groote Paradijsvogel uitsluitend op de Aroe-eilanden
aangetroffen.



De Gewone Paradijsvogel, te Doreh aan de noordkust van Nieuw-Guinea
Mambefoor, ook wel Tsiankar en Woembi genaamd (Paradisea minor),
is aanmerkelijk kleiner dan de vorige soort, ongeveer zoo groot als
een Tortelduif. Totale lengte 38, staartlengte 16 cM. De mantel en
de schouders, benevens twee dwarsbanden op de bovendekveeren van den
vleugel zijn olijfgeel, de keel, de krop en de overige onderdeelen
donker kastanjebruin, de sierpluimvederen aan haar wortelgedeelte
hoog oranje, aan de eindhelft zuiver wit; alle overige lichaamsdeelen
hebben dezelfde kleur als bij den Grooten Paradijsvogel.

Volgens Wallace bewoont de Tsiankar naar alle waarschijnlijkheid het
geheele groote eiland Nieuw-Guinea, alsook de naburige eilanden Misool,
Jobie, Salawatti, Biak en Soak; hij is hier de meest gewone soort.

De Roode of Bloedparadijsvogel, de Seboem der inboorlingen (Paradisea
sanguinea), is nog kleiner dan de vorige soort (totale lengte 33,
staartlengte 14 cM.); van de beide reeds genoemde vormen onderscheidt
hij zich bovendien door de betrekkelijke kortheid der middelste
staartpennen en door het bezit van een dwarse kuif, gevormd door de
metaalachtig groene, schubvormige voorhoofdsveeren; deze zijn in het
midden gescheiden en zoo als 't ware in twee horens verdeeld; zij
kunnen opgericht en tegen den kop aangedrukt worden. De rug is vaal
geelachtig grijs, welke kleur zich in den vorm van een borstband ook
over de onderzijde uitstrekt; de keel is smaragdgroen; de borst en
de vleugels zijn roodbruin, de snavelwortelstreek en een vlek achter
het oog fluweelzwart; de vederpluimen aan de zijden, die zich 8 à 10
cM. ver voorbij den staart uitstrekken, zijn prachtig karmijnrood,
met de einden, die in witte punten uitloopen, naar beneden en naar
binnen omgekruld. De lange, middelste staartveeren zijn spits,
eenvoudig verlengd en van vlag verstoken, maar hebben schaften
van ongeveer 13 mM. breedte en gelijken op half cilindervormige,
zwarte strooken hoorn of balein van omstreeks 57 cM. lengte; zij zijn
eenigszins schroefvormig gedraaid en vormen bij het levende dier een
op zeer sierlijke wijze dubbel gebogen lijn. De oogen zijn lichtgeel,
de snavel en de pooten blauwachtig aschgrauw. Bij het wijfje zijn
de voorkop en de keel fluweelachtig bruin, de bovendeelen en de buik
roodbruin, de hals en de borst helderrood. Tot dusver werd deze soort
uitsluitend op de eilanden Waigioe en Batanta bij de noordwestkust
van Nieuw-Guinea aangetroffen.



Waarschijnlijk komen de drie genoemde soorten in de meeste opzichten
overeen, wat levenswijze en gewoonten betreft. Hare vertegenwoordigers
zijn levendig, opgewekt en schrander, maar behaagziek van aard en
vermoedelijk wel bewust van hun schoonheid en van het gevaar, dat
deze voor hen oplevert. Alle reizigers, die hen in hun vaderland
hebben nagegaan, zijn vol verrukking over 't geen zij zagen. "De
Paradijsvogel," zegt Von Rosenberg, "is een zwerfvogel, die zich
nu eens naar de kust, dan weer naar het binnenland begeeft, al naar
hier of daar rijpe boomvruchten te vinden zijn. Tijdens mijn verblijf
te Doreh waren de vruchten van de Laurineën, die op korten afstand
achter de dorpen groeiden, juist rijp. Met krachtige vleugelslagen
kwamen de Vogels, voor 't meerendeel wijfjes en jonge mannetjes,
op deze boomen af; zij waren zoo weinig schuw, dat zij, zelfs nadat
eenige malen op hen geschoten was, toch nog terugkeerden. Overigens
zijn de Paradijsvogels, vooral de oude mannetjes, vreesachtig en
moeilijk onder schot te krijgen. Hun geschreeuw klinkt heesch, maar
is op grooten afstand hoorbaar en kan het best weergegeven worden
door de lettergrepen "woek woek woek", waarop dikwijls een krassend
gedruisch volgt."

Voortdurend in beweging, van den eenen boom naar den anderen vliegend,
blijven de Paradijsvogels nooit lang op denzelfden tak zitten en
verbergen zich reeds bij een gering gedruisch in de dichtst bebladerde
boomkronen. Reeds vóór zonsopgang zijn zij wakker en houden zich
bezig met het zoeken van hun voedsel, dat uit vruchten en Insecten
bestaat. Des avonds vereenigen zij zich tot troepen, om in de kroon
van den een of anderen hoogen boom den nacht door te brengen.

De tijd van de paring hangt af van den moesson. Op de oostkust en op
de noordkust van Nieuw-Guinea valt hij in de maand Mei, op de westkust
en op Misool in de maand November. De mannetjes vereenigen zich tegen
dezen tijd tot troepen van 10 à 12 stuks (die door de inboorlingen
"dansgezelschappen" worden genoemd) op bepaalde, gewoonlijk zeer hooge,
stijf getakte en dun bebladerde boomen van het Woud, vliegen in een
toestand van groote opgewondenheid van twijg tot twijg, rekken den hals
uit, verheffen en schudden de vleugels, draaien den staart heen en weer
en laten intusschen een vreemdsoortig, kwakend geluid hooren, dat de
wijfjes aanlokt. De nesten en de eieren heeft men nog niet waargenomen.

"Om den Paradijsvogel machtig te worden," verhaalt Von Rosenberg
verder, "gaan de inboorlingen van Nieuw-Guinea op de volgende wijze
te werk. In den jaagtijd, die in het midden van den drogen moesson
valt, trachten zij de boomen op te sporen, waarop de Vogels den nacht
doorbrengen; hierin geslaagd zijnde, klimmen zij in de toppen, die
gewoonlijk de hoogste van het woud zijn, en maken tusschen de bladen
een loofdak of hutje, uit bladen en takjes samengesteld. Omstreeks
een uur vóór zonsondergang klimt een geoefend schutter, gewapend met
boog en pijlen, naar boven, verschuilt zich in het hutje en wacht
hier de komst van de Vogels af, zich intusschen zoo stil mogelijk
houdend. Naarmate de Vogels komen aanvliegen, schiet hij ze één
voor één op zijn gemak neder. Zoo zij met scherp gepunte pijlen
geraakt worden, vallen zij dood ter aarde, waar zij door een der
makkers van den jager, die aan den voet van den boom gebleven is,
worden opgeraapt. Deze krijgt ze ongedeerd in handen, wanneer zij
geschoten zijn met pijlen, die verscheidene uitsteeksels hebben,
welke te zamen een drievlakkenhoek vormen, waarin het lichaam van den
Vogel door de kracht van het schot beklemd geraakt." Volgens Lesson
vangen de inboorlingen de Vogels echter ook wel met lijm, bereid uit
melksap van den broodboom. Wallace verhaalt, dat de bewoners van de
Aroe-eilanden "de Vogels schieten met boog en pijlen en dat deze pijlen
aan het uiteinde voorzien zijn van een kegelvormigen, houten knop,
zoo groot als een theekopje, zoodat de Vogels gedood worden door
de hevigheid van den schok zonder wond of bloedverlies." "De Roode
Paradijsvogels worden op een zeer vernuftige wijze gestrikt. Zekere
groote, tot de Aroïdeeën behoorende klimplant draagt roode, als met
een net bekleede vruchten, waarvan deze Vogels groote liefhebbers
zijn. De jagers steken deze vruchten op een stevigen, vorksgewijs
vertakten stok en voorzien zich van een dun, maar sterk touw. Daarop
zoeken zij in het bosch een boom uit, waarop deze Vogels gewoon zijn
zich neer te zetten, klimmen in dien boom, maken den stok aan één der
takken vast en leggen op zóó behendige wijze een strik in het touw,
dat de pooten van den Vogel, wanneer hij van de vrucht komt snoepen,
er in verward raken, waarna de jagers, door aan het afhangende eind
van het touw te trekken, den stok losmaken, zoodat hij met Vogel en
al naar beneden komt. Wanneer de Vogels elders overvloed van voedsel
vinden, gebeurt het soms, dat de jager van den morgen tot den avond
met zijn touw in de hand onder den boom zitten, ja zelfs twee of drie
dagen achtereen wachten moet, eer in het lokaas gebeten wordt; maar
aan den anderen kant gebeurt het ook wel, indien hij zeer gelukkig is,
dat hij op één dag twee of drie Vogels bemachtigt."

Op Amboina en Makassar, te Batavia, Singapoer en Manila heeft men den
Tsiankar reeds herhaaldelijk in gevangenschap gehouden. Een Chineesch
koopman op Amboina bood Lesson twee Paradijsvogels te koop, die reeds
een half jaar in de kooi geleefd hadden en met gekookte rijst gevoederd
werden. De goede man eischte echter 250 gulden per stuk en deze kon
de natuuronderzoeker destijds niet missen. Volgens een mededeeling
van Von Rozenberg betaalde de gouverneur-generaal van Nederlandsch
Indië, Sloet van de Beele, voor twee volwassen mannetjes de som van
150 gulden. Deze Vogels werden door Von Rozenberg zelf van Makasser
naar Java overgebracht. Bennett zag een gevangen Tsiankar in China,
die 9 jaren lang in de kooi geleefd had. Wallace heeft in 1862 twee
exemplaren, die hij onderweg met pisangs en Kakkerlakken voedde,
levend naar Europa overgebracht; de eene heeft één jaar, de andere
twee jaren in den zoölogischen tuin te Londen geleefd. Ook te Berlijn
zijn Groote en Kleine Paradijsvogels jaren lang in 't leven gebleven.

Over het leven van deze dieren in de kooi geeft Bennett de volgende
berichten: "De Paradijsvogel beweegt zich op een gemakkelijke,
speelsche en lieftallige wijze. Hij kijkt schelmsch en uitdagend rond
en beweegt zich als 't ware met danspassen, wanneer een bezoeker
zijn kooi nadert; hij toont duidelijk behaagzucht en wil, naar
het schijnt, bewonderd worden. Op zijne vederen duldt hij niet de
geringste smet; hij baadt zich tweemaal daags en breidt dikwijls
de vleugels en den staart uit met de bedoeling zijn pronkgewaad
te overzien. Het is waarschijnlijk, dat hij slechts uit ijdelheid,
om zijne veeren te sparen, zoo zelden op den bodem komt. Vooral des
morgens tracht hij zich in zijn volle pracht te vertoonen; hij is dan
bezig zijn veeren in orde te brengen. De korte vleugels worden zoo ver
mogelijk geopend en trillend bewogen; de prachtige, lange zijdeveeren
uitgespreid en zachtjes door den snavel getrokken; daarna verheft
hij ze ook wel boven den rug, maar breidt ze ook in dit geval uit,
zoodat zij als dons in de lucht schijnen te zweven. Nadat dit pronken
eenigen tijd geduurd heeft, begint hij zich met vlugge sprongen en
wendingen op en neer te bewegen. Ook dan geven zijne handelingen op
onmiskenbare wijze ijdelheid en verrukking over zijn eigen schoonheid
te kennen. Hij bekijkt zich achtereenvolgens van boven en van onderen;
intusschen openbaart hij zijne gewaarwordingen dikwijls door geluiden,
die evenwel geen aangenamen indruk maken. Na elke vertooning van een
gedeelte van zijn prachtigen tooi, acht hij het noodig zijne veeren te
ordenen; deze arbeid schijnt hem echter te behagen, want telkens zet
hij, als een ijdele vrouw, opnieuw zijne veeren op. Niet voordat de
begeerte om te eten bij hem levendig geworden is, vergeet hij zijn
coquetterie. De zonnestralen zijn hem blijkbaar zeer hinderlijk;
hij tracht ze zooveel mogelijk te ontgaan."

Hoewel zijn stem aan het gekras van Raven herinnert, biedt zij echter
meer verscheidenheid van intonatie aan. Ieder afzonderlijk geluid
wordt met een zekere hevigheid uitgestooten en dikwijls herhaald. Soms
gelijkt zijn geschreeuw wel eenigszins op blaffen; elke toon is hooger
dan de vorige en zoo luid, dat men er met het oog op de grootte van
den Vogel over verwonderd is. Als men beproeft, ze door lettergrepen
weer te geven, kan men de zwakkere klanken ongeveer door "hi ho hei
hau", de sterkere door "hok hok hok hok" aanduiden.

Het voedsel, dat hem gedurende de gevangenschap gegeven wordt,
bestaat uit gekookte rijst, gemengd met harde eieren en verschillende
plantaardige stoffen, bovendien uit levende Sprinkhanen. Doode Insecten
versmaadt hij. Een levenden buit van de genoemde soort weet hij met
groote behendigheid te vangen, waarna hij hem op zijn zitstok legt, met
de klauwen vasthoudt, den kop stuk pikt, de voor 't springen dienende
achterpooten er afrukt en het overige verslindt. Hij is volstrekt niet
gulzig en gebruikt zijn voedsel op een bedaarde, zindelijke wijze,
het eene rijstkorreltje na het andere. Ook bij 't eten gaat hij niet
op den grond zitten; hier komt hij niet anders dan als hij baden wil.



Het geslacht der Borstelvogels (Lophorina) wordt vertegenwoordigd
door den Koningsparadijsvogel (Lophorina regia). Deze is, volgens
Von Rosenberg, de meest algemeen verbreide vertegenwoordiger van de
onderfamilie, aanmerkelijk kleiner dan de vroeger genoemde soorten,
ongeveer van de grootte van een kleine Lijster. Hij verschilt er
bovendien van door zijn zwakken snavel, door de niet bijzonder
lange zijdeveeren, alsook door de beide, 15 cM. lange, middelste
staartveeren. Deze missen de baarden tot aan de spits, maar zijn hier
aan de buitenzijde met een vlag voorzien, die tot een rondachtig
schijfje spiraalvormig naar binnen opgekruld is; men noemt den
Vogel daarom ook wel Cicinnurus (Krulstaart). Met uitzondering van
een kleine, vierhoekige, zwarte plek aan den bovenrand van het oog,
zijn de bovendeelen, de kin en keel kersrood met prachtigen glans;
de bovenkop en de bovendekveeren van den staart zijn lichter, de
onderdeelen wit, met uitzondering van een over den kop gerichten,
donker smaragdgroenen dwarsband, deze is van boven door een smallen,
roestbruinen zoom begrensd; de sierpluimen, die aan de zijden van
den krop ontspringen, zijn roestbruin, de verbreede en afgeknotte
uiteinden van deze zijdeveeren donker en glanzig goudgroen, de vleugels
kaneelrood, de staartveeren olijfbruin, naar buiten met roestkleurigen
zoom; de schroefvormig naar binnen opgerolde buitenvlag van de beide
middelste, draadvormige stuurpennen is donker goudgroen. Het oog is
bruin, de snavel hoorngeel, de poot lichtblauw. Het wijfje heeft
roodbruine bovendeelen, terwijl de onderdeelen roestgeel zijn met
smalle, bruine dwarsstrepen.

De Prachtige Paradijsvogel (Lophorina superba) kenmerkt zich
door den betrekkelijk korten, krachtigen snavel en door twee
breede vederschilden, die opgericht en neergelegd kunnen worden; in
uitgespreiden toestand hebben zij ongeveer den vorm van pijlpunten, die
met de spits in de huid zouden zijn doorgedrongen. Het eene ontspringt
aan den nek en is zoo groot, dat de toppen der buitenste veeren nog
ruim 1 cM. verder reiken dan de spitsen der 12 cM. lange vleugels in
den rusttoestand. Het bestaat uit breede veeren, fluweelachtig zwart
van kleur met brons- en purperkleurigen gloed. Het andere schild
komt uit het bovenste deel van de borst voort en is samengesteld uit
smallere, stijve veeren van prachtige, metaalachtig groene kleur en
aan de spits met goud- en koperkleurigen weerschijn. Het mannetje is in
't geheel 23 cM., zijn staart 10 cM. lang. De hoofdkleur van de veeren
is fluweelachtig zwart met zwakken, purperbruinen gloed; de veeren van
de teugels en om de neusgaten verheffen zich bij wijze van een kam
en zijn glansloos; die van bovenkop, nek en achterhals daarentegen
hebben een metaalachtig blauwen glans en zijn vóór de spits met een
purperen dwarsstreep versierd; de bovendekveeren van den vleugel zijn
glanziger dan de rugveeren; de vleugels en de staartveeren vertoonen
een metaalachtig blauwen, de veeren van het aangezicht een donker
koperachtig bronskleurigen, die van de onderdeelen een purperzwarten
weerschijn. De bovendeelen van het wijfje zijn donkerbruin, de kop
en de nek zwartbruin, de onderdeelen vuil geelachtig wit met bruine
golflijnen. Deze prachtige Vogel bewoont de gebergten van Nieuw-Guinea
op een hoogte van minstens 2000 M.



De Paradijsekster (Lophorina nigra), onderscheidt zich van de vroeger
genoemde Paradijsvogels, behalve door den vorm van den snavel, ook
door den staart, welks lengte (45 cM.), die van het overige lichaam
(25 cM.) ver overtreft, en door den tooi van den kop. Als het mannetje
pronkt, vormen de verlengde veeren aan weerszijden van den bovenkop
twee overlangsche, waaiervormige pluimen.

Volgens Lesson en andere onderzoekers is het onmogelijk den glans
van het kleed van dezen Vogel naar behooren te beschrijven. Zijne
veeren schitteren, al naar de wijze waarop het licht invalt, met
allerlei gloeiende kleuren; die van de bovendeelen zijn purperzwart
met prachtigen, metaalachtigen weerschijn. De veeren van den bovenkop
zijn hyacintrood met metaalachtig smaragdgroene spitsen, de onderdeelen
zijn malachietgroen. Van den hoek van het oog gaat een hyacintroode
streep uit, die, na een halven cirkel beschreven te hebben, aan de
zijden van den hals eindigt. De bek is zwart, de pooten zijn geel.



De Paradijshoppen (Epimachus) zijn gekenmerkt door een dunnen,
sabelvormig gekromden snavel. Een van de prachtigste soorten van dit
geslacht is de Twaalfdradige Paradijshop (Epimachus nigricans), die
een lengte van 32 cM. heeft, waarvan er 8 op den staart komen. De
fluweelachtige veeren van kop, hals en borst zijn zwart met
donkergroenen en purpervioletten weerschijn; dezelfde kleur hebben
de verlengde veeren van de zijden van de borst, met uitzondering
van haar glanzenden of iriseerenden, smaragdgroenen zoom. De lange,
langen losbaardige zijdeveeren zijn prachtig goudgeel, welke kleur
echter verbleekt en in vuilwit overgaat, wanneer de huid, al is het
slechts gedurende korten tijd, aan de werking van lucht en rook
is blootgesteld. De vleugels en de staart zijn violet en hebben
een prachtigen glans; bij een bepaalde verlichting vertoonen zij
dwarsbanden. Het merkwaardigste verschijnsel leveren echter de lange
zijdeveeren op; de langste reiken tot voorbij den staart, de laatste
en onderste loopen uit in een langen, baardeloozen draad, die de
dikte heeft van een paardehaar; deze is bij zijn oorsprong goudgeel,
maar verderop bruin gekleurd. De oogen zijn karmijnrood, de pooten
vleeschkleurig geel, de snavel is zwart. Deze Vogels worden alleen
aan de oost- en westkust van Nieuw-Guinea en op het eiland Salawatti
aangetroffen; hier echter zijn zij in de bergstreken volstrekt niet
zeldzaam.



Bij den Gekraagden Paradijshop (Epimachus speciosus) is de snavel lang,
boogvormig, de staart zeer lang en trapvormig. Aan weerszijden van de
borst komt een groep van breede pluimveeren voor: de achterste zijn
puntig, terwijl de voorste zich aan hun uiteinde nog meer verbreeden
en gedeeltelijk zeisvormig uitloopen. Deze pronkveeren, die een soort
van waaier vormen, welke opgericht kan worden, maar in den toestand
van rust over den vleugel heenligt, iriseeren prachtig. De Vogel
is 65 cM. lang; hiervan komen 42 cM. op den staart. De kop is met
rondachtige, schubvormige veertjes bedekt, die bronsgroen zijn, maar
een blauwen en metaalachtig groenen weerschijn vertoonen. De lange,
losbaardige veeren van den achterhals zijn fluweelachtig en zwart;
de rug heeft dezelfde kleur; onregelmatig verspreide, langwerpige,
spadevormige veeren met dikke baarden, die een blauwachtig groenen
weerschijn hebben, brengen echter afwisseling in deze kleur; de
onderdeelen zijn zwartachtig violet. De snavel en de pooten zijn zwart.

Ook van dezen merkwaardigen Vogel wordt in geen der Europeesche
verzamelingen tot dusver een ongeschonden huid aangetroffen. Volgens
Von Rosenberg is hij over het geheele noordelijke deel van Nieuw-Guinea
verbreid, maar ontbreekt op de naburige eilanden.



Misschien is het juist gezien, een kleine groep die ongeveer tien
soorten van uitsluitend in Australië inheemsche Vogels omvat, hier
een plaats te geven.

Zij heeten Speelvogels of Priëelvogels (Chlamydoderinae), bereiken
ongeveer de grootte van onze Kauw en kenmerken zich door een dikken
snavel met weinig gekromde bovenspits, middelmatig hooge, dikke
pooten, tamelijk lange vleugels en een middelmatig langen, recht
afgesneden staart.



De meest bekende soort van deze onderfamilie is de Satijnvogel of
Atlasvogel (Chlamydodera holosericea). De donker blauwzwarte veeren van
het oude mannetje hebben den glans van atlas; de hand- en armpennen,
vleugeldekveeren en stuurpennen zijn fluweelachtig zwart, aan de
spits blauw. Het oog is lichtblauw, met uitzondering van een smallen,
rooden ring rondom de pupil, de snavel lichtblauwachtig hoornkleurig,
aan de spits geel; de pooten zijn roodachtig. De lengte bedraagt
ongeveer 36 cM., waarvan er 12 op den staart komen.

Gould heeft ons tamelijk nauwkeurig op de hoogte gebracht van de
levenswijze van dezen Vogel. Zijn vaderland is het grootste deel van
het Australische vasteland, zijn lievelingsverblijf het weelderig
groeiende, dicht bebladerde struikgewas der met wijd uiteenstaande
boomen begroeide districten van het binnenland en der kustlanden.

De merkwaardigste bijzonderheid uit de levensgeschiedenis dezer
Vogels is, dat zij voor hun vermaak een overwelfde galerij van
takjes, een soort van priëeltje, bouwen, waarin zij spelend met
elkander verkeeren. Gould zag zulk een priëeltje voor 't eerst
te Sydney, waar het door een reiziger gebracht was; hij nam zich
voor, de zaak grondig te onderzoeken en ging nu gedurende geruimen
tijd deze dieren bij hun arbeid na. "Toen ik de cederbosschen
van het Liverpool-district doorkruiste," zoo verhaalt hij, "vond
ik verscheidene van deze priëeltjes of speelplaatsen. Zij worden
gewoonlijk in de schaduw van overhangende boomtakken in het eenzaamste
deel van het woud en altijd op den grond aangelegd. Hier wordt van
dicht ineengevlochten rijsjes een grondslag gevormd, waarin de fijnere
en buigzamere rijsjes en twijgen, die het eigenlijke priëel uitmaken,
vastgestoken worden. De bouwstoffen zijn zóó gericht en gebogen,
dat de toppen en gaffels der twijgen van boven samenkomen en met
elkander vereenigd kunnen worden. Aan weerszijden blijft een ingang
open. Op een eigenaardige wijze worden deze priëelen met schitterend
gekleurde voorwerpen van allerlei aard versierd. Men vindt hier de
bontgekleurde staartveeren van verschillende soorten van Papegaaien,
mosselschelpen, slakkenhuisjes, gebleekte beenderen, enz. De veeren
worden tusschen de twijgen gestoken, de beenderen en schelpen aan
den ingang neergelegd. De inboorlingen zijn zoo goed bekend met de
neiging van deze Vogels om allerlei kleine, glinsterende voorwerpen
weg te sleepen, dat zij, indien zij iets dergelijks missen, b. v. een
pijlspits, deze altijd het eerst bij de bedoelde priëeltjes gaan
zoeken. Ik vond bij den ingang van een dezer speelplaatsen een fraai
bewerkten steen van 4 cM. lengte, benevens verscheidene lapjes van
een blauw katoenen stof, die de Vogels waarschijnlijk in een afgelegen
nederzetting hadden opgeraapt."

Nog altijd verkeert men in 't onzekere omtrent het doel van deze
priëeltjes. Stellig zijn het niet de eigenlijke nesten, maar alleen
uitspanningsplaatsen voor de dieren van beiderlei geslacht, die er,
elkander liefkoozend en onderling spelend, door en omheen loopen. Naar
het schijnt, worden de priëeltjes gedurende den tijd van paren en
broeden, als plaatsen van samenkomst gebruikt; waarschijnlijk dienen
zij verscheidene jaren achtereen voor dit doel.

De Vogels gaan ook in de gevangenschap op deze wijze aan 't
bouwen. Strange, een vogelliefhebber te Sydney, schrijft aan Gould: "Ik
heb tegenwoordig in mijn volière een paar Satijnvogels; ik hoopte, dat
zij broeden zouden, daar zij in de beide laatste maanden onophoudelijk
bezig waren priëeltjes te vervaardigen. Beide geslachten werken er aan;
het mannetje is echter de eigenlijke bouwmeester."--Van het broeden
is, naar het schijnt, niets gekomen.



De Kraagvogel (Chlamydodera maculata) bereikt een lengte van 28
cM. (staartlengte 12 cM.). De veeren van den bovenkop en van de
gorgelstreek, de geheele bovenzijde, de vleugels en de staart zijn
bruin met bruingele vlekken, de onderdeelen grijsachtig wit met vele
fijne, zigzagvormige dwarslijnen. De mannetjes hebben aan den nek
een fraaien, waaiervormigen kraag, bestaande uit verlengde, smalle,
zijdeachtige veeren van perzikbloesemroode kleur. De oogen zijn
donkerbruin, de snavel en de pooten bruin.

De Kraagvogels bewonen uitsluitend het binnenland van Australië en
zijn hier talrijk in de strooken laag struikgewas aan de randen
der vlakten; wegens hun groote schuwheid worden zij echter door
de reizigers gewoonlijk niet opgemerkt. Op deze plaatsen vindt men
ook hunne priëeltjes; deze zijn nog kunstiger gebouwd en nog meer
opgesierd, langer en meer gebogen dan die van de vroeger beschreven
soort, sommige zijn meer dan 1 M. lang, van buiten is de uit rijsjes
samengestelde wand met lange grashalmen fraai belegd, van binnen
is de gang buitengewoon rijk en met zeer verschillende voorwerpen
opgesierd. Men vindt er allerlei schelpen van Weekdieren, schedels
en beenderen van kleine Zoogdieren en soortgelijke zaken. Tot het
vasthouden van de grassen en twijgen dienen steenen, die zeer kunstig
gerangschikt zijn. Zij liggen van den ingang af aan weerszijden zóó,
dat daartusschen voetpaden overblijven. De ter versiering bestemde
voorwerpen zijn vóór elken ingang op een hoop geworpen. Waarschijnlijk
worden deze gebouwen verscheidene jaren achtereen gebruikt. Uit den
afstand tusschen de priëeltjes en de rivieren, waaruit de schelpen
afkomstig zijn, kon de onderzoeker afleiden, dat de Vogels den opschik
voor hunne gaanderijen soms wel van mijlen ver aansleepen. Bij het
uitzoeken van deze zaken zijn zij, naar het schijnt, zeer kieschkeurig;
zij nemen alleen zulke, die wit gebleekt of kleurenrijk zijn. Gould
heeft zich er van overtuigd, dat de priëeltjes door verscheidene
Kraagvogels als plaatsen van samenkomst worden gebruikt; want eens,
toen hij in de nabijheid van een dezer gebouwen op den loer lag,
schoot hij schielijk achtereen twee mannetjes, die uit dezelfde gang
naar buiten waren gekomen.



Tot de familie der Paradijsvogels rekent men ook de onderfamilie der
Lelvogels (Glaucopinae), gekenmerkt door het bezit van meer of minder
groote lellen--bontgekleurde, onbevederde uitwassen van de huid,
die bij den snavelwortel ontspringen.

Een vertegenwoordiger van deze groep is de op Nieuw-Zeeland thuis
behoorende Ellia of Hoplelvogel (Creadion acutirostris), die zich van
zijne naaste verwanten en van alle bekende Vogels onderscheidt door het
groote verschil, dat tusschen den snavel van het mannetje en dien van
het wijfje bestaat. Bij het mannetje is dit orgaan ongeveer zoo lang
als de kop, met bijna rechten, in de richting van de breedte flauw
afgeronden rug, aan den wortel hoog, zijdelings sterk samengedrukt,
over 't geheel genomen echter gelijkmatig in hoogte afnemend tot aan de
spits. De snavel van 't wijfje daarentegen is minstens dubbel zoo lang
als die van het mannetje, neemt gelijkmatig in breedte en hoogte af, is
aanmerkelijk gekromd en loopt in een fijne spits uit, die gevormd wordt
door den bovensnavel, welke den ondersnavel in lengte overtreft. Het
mannetje is 48 cM. lang en heeft een snavel van 40 mM.; het wijfje
heeft een lengte van 50 cM., waarvan 96 mM. op den snavel komt. Het
vederenkleed is glanzig zwart met groenen weerschijn, de uiteinden van
de staartpennen zijn echter wit; de iris is donkerbruin, de snavel
ivoorwit, de groote, hoekige lel aan den mondhoek oranjekleurig;
de pooten zijn donker blauwachtig grijs.

De berichten over het leven van de Ellia in de vrije natuur zijn nog
zeer onvolledig, hoezeer ook alle vogelkenners en kolonisten van
Nieuw-Zeeland hun aandacht op dezen Vogel, de Hoeïa der Maoris,
gevestigd hebben gehouden. Hij leeft meer op den bodem dan in
de twijgen, doet groote sprongen en beweegt zich op deze wijze
buitengewoon snel, neemt bij het geringste gedruisch of bij
het zien van een mensch snel de vlucht naar dicht struikgewas
of naar boschstreken en onttrekt zich hierdoor in den regel aan
alle nasporingen. Wel heeft men dieren van deze soort levend naar
Londen gebracht; voor zoover mij bekend is, zijn echter over hunne
gewoonten nog geen mededeeling gedaan; ik kan hiervan daarom niets
anders vermelden dan hetgeen Buller bericht over de exemplaren, die
hij eenige dagen lang verzorgd heeft. Hunne bewegingen op den grond
en in de twijgen waren bevallig en onderhoudend; het was zeer aardig
om te zien, hoe zij den staart bij wijze van een waaier uitspreiden
en in verschillende houdingen onder zacht en teeder gekweel elkander
met den ivoren snavel liefkoosden. Met dezen onderzochten, behakten en
bebeitelden zij alles. Zoodra zij ontdekt hadden, dat het behangsel
van hun kamer niet ondoordringbaar was voor hun snavel, maakten zij
de eene strook na de andere er van los en hadden in zeer korten tijd
den muur geheel blootgelegd.

Daar men onderscheidene in den grond levende maden en engerlingen,
benevens zaden en bessen in de maag van gedoode exemplaren gevonden
had, bracht Buller een halfvergaan blok hout met groote, vette larven
van een Insect, dat "Hoe-hoe" wordt genoemd, in hun verblijf. Dit
blok trok onmiddellijk de aandacht van de Vogels; zij onderzochten
de zachtere gedeelten met hun snavel en togen daarna onmiddellijk
aan den arbeid; zij hakten in het vermolmde hout om, tot de hierin
verborgen larven of poppen van het genoemde Insect zichtbaar werden
en er uit getrokken konden worden. Het mannetje was hierbij steeds
het ijverigst werkzaam en gebruikte zijn snavel op de manier van de
Spechten; het wijfje daarentegen onderzocht met haar langen, buigzamen
snavel alle gangen, die wegens de hardheid van het omgevende hout
door het mannetje niet geopend konden worden en haalde er de prooi
uit. Meermalen merkte Buller op, dat het mannetje, nadat het zich
tevergeefs had uitgesloofd om een larve uit een opengehakte plaats
op te pikken, door het wijfje werd afgelost en haar het hapje, dat
zij zich gewoonlijk toeëigende, ook gewillig afstond.

Van de voortplanting van de Hoeïa weet Buller niets anders mede te
deelen, dan hetgeen hij van de inboorlingen vernam, n.l. dat de Vogel
in holle boomen nestelt en weinige eieren legt.



De naaste verwanten van de Paradijsvogel zijn de Raafvogels
(Corvidae), krachtige Zangvogels van ineengedrongen lichaamsbouw met
een betrekkelijk grooten, dikken snavel, die bij sommige een weinig
gekromd, bij andere recht is, maar ook in dit geval een gekromden rug
heeft: de bovensnavel is meestal iets langer dan de ondersnavel en
vertoont aan den zijrand vóór de spits soms een ondiepe inkerving;
zijn wortel is in den regel met lange, stijve borstels bekleed, die
de neusgaten overdekken; de pooten zijn groot en dik, de vleugels
middelmatig lang; de staart is verschillend van lengte, recht
afgesneden of trapvormig, het vederenkleed dicht, éénkleurig of bont.

Vertegenwoordigers van deze familie, waarvan ongeveer 160 soorten
bekend zijn, komen voor in alle werelddeelen, op alle breedte-
en hoogtegordels. Het aantal soorten neemt aanmerkelijk toe in de
richting van den evenaar; het is echter ook in de gematigde gewesten
groot en eerst in de koude luchtstreek eenigszins beperkt. Verreweg de
meeste blijven als standvogels op één plaats of althans in een bepaald
gebied, waarin zij echter gaarne rondzwerven. Enkele soorten trekken,
andere begeven zich in den winter uit hooge bergstreken naar lager
gelegen gewesten.

De Raafvogels brengen geen welluidend gezang voort; voor 't overige
echter vindt men bij hen om zoo te zeggen alle begaafdheden vereenigd,
die bij de leden hunner orde voorkomen. Zij bewegen zich goed over
den grond, vliegen zonder inspanning en lang achtereen, doen dit
tamelijk vlug, bezitten zeer gelijkmatig ontwikkelde zinnen, vooral
een uitstekenden reuk, en staan, wat hun verstand betreft, bij geen
van de andere leden hunner orde, misschien bij geen enkelen Vogel
achter. Zij zijn alleseters in den eigenlijken zin van 't woord en dus
in sommige gevallen even schadelijk, als over 't geheel genomen nuttig.



De Raven in engeren zin (Corvinae) kenmerken zich door een krachtigen,
middelmatig langen, aan den wortel betrekkelijk breeden, langs den
rug meer of min gebogen, zwarten snavel, welks wortel met stijve,
borstelige veeren bedekt is, voorts door krachtige, zwarte pooten en
lange of middelmatig lange vleugels; de staart is verschillend van
lengte, recht afgesneden, afgerond of trapvormig; het vederenkleed
is tamelijk goed gevuld, min of meer glanzig en meestal grootendeels
zwart van kleur.



Onder de inheemsche Raafvogels komt aan de Raaf (Corvus corax) een
eereplaats toe. Zij is de Raaf bij uitnemendheid, een vertegenwoordiger
van het geslacht der Veldraven (Corvus), dat tot kenmerken heeft:
een lange snavel met gekromden rug en gaafrandige spits, cirkelronde
neusgaten, de mondspleet ongeveer even lang als de loop, lange, spitse
vleugels, welker spits gevormd wordt door de vierde handpen, hoewel
de derde bijna even lang is; de snavel en de pooten zijn zwart. Bij
de Raaf bedekken de vleugels den middelmatig langen, sterk afgeronden
staart geheel; zwart zijn alle lichaamsdeelen met uitzondering van
de oogen, die een bruine iris hebben. Deze soort is 64 à 66 cM. lang,
waarvan 26 cM. op den staart komen.

Van alle Raven heeft, naar het schijnt, de Gewone, die trouwens in
ieder opzicht als het type van de geheele familie kan gelden, het
uitgestrektste verbreidingsgebied. Zij bewoont geheel Europa van de
Noordkaap tot aan Kaap Tarifa en van het schiereiland Finistère tot
aan den Oeral, wordt bovendien aangetroffen in het grootste deel van
Azië, oostwaarts tot in Japan en van de IJszee tot aan den Himalaja
(tot Pendsjab en Sind), komt verder in geheel Noord-Amerika voor,
naar 't zuiden tot in Mexico. In de noordelijke gewesten van Siberië
en in Skandinavië, alsmede op de Fär-Öer en op IJsland komen tamelijk
geregeld ook witte Raven voor.

In ons vaderland behoort deze boschbewoner in de meeste provinciën
tot de zeldzaamheden en wordt dit al meer en meer. In Duitschland
is de Raaf slechts in sommige streken menigvuldig, in andere
reeds uitgeroeid; in die, waar dit lot haar nog niet getroffen
heeft, gaat zij den mensch en zijn bedrijf zooveel mogelijk
uit den weg. Om deze reden huist zij uitsluitend in gebergten of
aaneengeschakelde, hooggelegen bosschen, op rotsachtige zeekusten en
dergelijke toevluchtsoorden, waar zij zoo weinig mogelijk gestoord
wordt. Nader bij de grenzen van ons werelddeel leeft zij in een betere
verstandhouding met den beheerscher der aarde; in Rusland en Siberië
schuwt zij dezen zoo weinig, dat zij met de Bonte Kraai en de Kauw niet
slechts de straten en wegen, maar ook de dorpen en steden bezoekt,
ja zelfs hier in de kerktorens even vaak nestelt als bij ons de Kauw
of Torenkraai. In deze gewesten kan zij dus ook thans nog algemeen
worden genoemd. Ook in Spanje en Griekenland, alsmede in Skandinavië
komt zij veelvuldig voor.

De verblijfplaats van het paar is steeds uitmuntend gekozen. De Raaf
bewoont een uitgestrekt gebied en is er bijzonder op gesteld, dat
het velerlei producten oplevert. Aan streken, waar bosch en akker,
weide en water met elkander afwisselen, geeft zij de voorkeur, omdat
zij hier het meeste voedsel vindt.

"De Raven," zegt mijn Vader, "leven gewoonlijk, dus ook in den winter,
bij paren. Als men er één hoort, behoeft men niet lang te zoeken naar
de andere; deze is niet veraf. Als een paar gedurende het vliegen
een ander paar ontmoet, vereenigen beide zich en zweven eenigen
tijd met elkander rond. De afgezonderd levende en rondzwervende
exemplaren zijn jongen, die nog niet gepaard hebben. De Raaf is een
van die Vogels, welke den eens gesloten huwelijksband levenslang in
eere houden.--Haar wijze van vliegen is verwonderlijk schoon, bijna
volgt zij een rechte lijn. Wanneer een groote snelheid vereischt
wordt bewegen de vleugels zich sterk; dikwijls echter zweeft de Raaf
geruimen tijd en beschrijft dan met sterk uitgebreide vleugels en
staart zeer fraaie kringen. Duidelijk toont zij, dat het vliegen haar
geen moeite kost en dat zij dikwijls alleen voor haar vermaak verre
reizen onderneemt. Bij zulk een gelegenheid komt zij in bergstreken
dikwijls op korten afstand van den bodem; over de dalen trekt
zij echter op groote hoogte heen. Op hare pleizierreisjes schiet
zij dikwijls eenige meters ver naar beneden, vooral als men op haar
geschoten heeft, zoodat de schutter, die met deze gewoonte onbekend is,
in de meening moet verkeeren, dat hij haar getroffen heeft en haar
weldra naar beneden zal zien tuimelen. Gedurende den winter brengt
zij het grootste deel van den dag vliegend door. Meer dan van andere
Kraaivogels gelijkt haar wijze van vliegen op die van Roofvogels;
zij is zoo karakteristiek, dat de vogelkenner haar hieraan op iederen
afstand van de verwante soorten van Kraaien kan onderscheiden.

"Op den grond stapt de Raaf met een geaffecteerd schijnende,
potsierlijke deftigheid rond, houdt dan het voorste gedeelte van
het lichaam een weinig hooger dan het achterste, knikt met den
kop en beweegt bij elken stap het lichaam heen en weer. Als zij
op een tak zit, geeft zij aan het lichaam soms een horizontalen,
soms een zeer steilen stand. De veeren liggen bijna altijd zoo glad
tegen het lichaam aan, alsof dit van metaal gegoten is; alleen bij
gemoedsaandoeningen worden de veeren op den kop en van den geheelen
hals opgericht. De vleugels houdt zij gewoonlijk een weinig van het
lichaam af. In deze opzichten heeft zij niets met hare verwanten
gemeen; ook heeft zij geen deel aan de soort van genegenheid, die de
andere soorten van Kraaivogels voor elkander toonen. De gewone Kraai
verkeert zeer vriendschappelijk met de Bonte Kraai en met den Ekster,
de Kauwen vermengen zich met de Roeken; geen dezer soorten doet de
andere eenig leed: de Raven echter worden door hunne verwanten gehaat
en vijandig behandeld. Men mag echter niet vergeten, dat op dezen regel
ook uitzonderingen bestaan. Zoo zag Pechuel-Loesche in Anhalt een Raaf
gedurende geruimen tijd en zonder dat zij ooit lastig werd gevallen,
met een grooten zwerm Kraaien rondzwerven, met hen de akkers bezoeken
en op dezelfde boomen slapen, totdat zij door een ijverigen vervolger
geschoten werd.

"De Raaf onderscheidt zich ook nog van de andere soorten, doordat zij
schuwer is. De voorzichtigheid van dezen Vogel is ongeloofelijk. Zij
zal eerst dan ergens neerstrijken, als zij herhaaldelijk om de
plaats heen gevlogen is en zoo min met de oogen als door den reuk
een verdacht verschijnsel heeft opgemerkt. Als een mensch haar
nest met eieren nadert, verlaat zij het onmiddellijk; hoe groot
haar moederliefde ook is, toch neemt zij na zulk een ontmoeting de
grootst mogelijke voorzichtigheid in acht, voordat zij naar hare
jongen terugkeert. Haar haat tegen den Ooruil is buitengewoon groot,
haar voorzichtigheid echter nog veel grooter; daarom kan deze schuwe
Vogel zelf van uit den kraaienhut niet dan zeer moeielijk geschoten
worden. De geluiden, die men gewoonlijk van een paar Raven hoort,
klinken als "kork kork kolk kolk" of als "rabb rabb rabb", hieraan is
haar naam (in 't Duitsch Kolkrabe) ontleend. Deze geluiden worden op
verschillende wijze geïntoneerd en zoo met andere gemengd, dat er een
zekere verscheidenheid ontstaat. Bij nauwkeurige waarneming is het zeer
goed te begrijpen, hoe het komt, dat de waarzeggers der oudheid in het
ravengekras zulk een groot aantal verschillende aanduidingen hoorden."

Er is misschien geen enkele Vogel, die evenveel aanspraak kan maken
op den naam alleseter, als de Raaf. Men mag zeggen, dat zij werkelijk
niets wat eetbaar is, versmaadt en in verhouding tot haar grootte
en kracht op dit gebied ongeloofelijke dingen doet. Zij houdt van
vruchten, zaden en andere eetbare, plantaardige stoffen, van welken
aard dan ook, maar is ook een roofdier van de ergste soort. Het zijn
niet alleen Insecten, Slakken, Wormen en kleine Gewervelde dieren,
waaraan zij den oorlog verklaart; zij valt stoutmoedig Zoogdieren
en Vogels aan, die haar grootte overtreffen, en plundert op de
onbeschaamdste wijze de nesten, niet alleen van weerlooze Vogels,
maar ook die van de krachtigste Meeuwen, die zich en haar kroost
wel weten te verdedigen. Van den Haas tot de Muis en van het
Auerhoen tot den kleinsten Vogel, is geen enkel dier veilig voor
hare aanslagen. Koenheid en list, kracht en behendigheid komen
bij haar vereenigd voor en stempelen haar tot een gevaarlijken
roofvogel. In Spanje bedreigt zij de Huishoenderen, in Noorwegen
de jonge Ganzen, Eenden en alle overige huisvogels; op IJsland
en Groenland maakt zij jacht op Sneeuwhoenderen, hier te lande op
Hazen, Fazanten en Patrijzen; aan het strand maakt zij gebruik van
hetgeen de zee uitwerpt; in de noordelijke landen betwist zij aan
de Honden het afval vóór de woningen. "De Raaf," schrijft Olafsson,
"zoekt in den winter haar voedsel te midden van de Honden en Katten
op de boerenerven, tracht in 't warme jaargetijde aan 't strand de
Visschen te verschalken, verslindt in de lente de pasgeboren lammeren,
die zij met snavelhouwen gedood heeft, jaagt de Eiderganzen van het
nest, drinkt de eieren uit en verbergt die, welke zij niet meer op
kan, ieder afzonderlijk in den grond. In kleine troepen volgen de
Raven den Arend; zij durven hem niet aan, maar trachten zich van
de overblijfselen van zijn buit meester te maken. Waar ook zieke of
doode, oude Raven liggen, of jonge, die uit het nest gevallen zijn,
in de maag van één harer soortgenooten vinden zij haar bestemming. In
den winter wordt ieder huis bewaakt door een gezelschap van 2 à 10
Raven en deze nemen geen bentgenooten meer in hun kring op."

De Raaf volgt in Zwitserland den jager om van de door hem geschoten
Gemzen partij te trekken; volgens verscheidene overeenstemmende
mededeelingen neemt zij Schelpdieren met harden schelp met zich
mede omhoog, om ze op een harden steen of op een rotsblok te laten
vallen en zoo te verbrijzelen; den Heremietkreeft weet zij behendig
te grijpen en uit het slakkenhuis, dat hem als woning dient, te
trekken: als dit niet dadelijk gelukt, omdat de Kreeft zich geheel
in de schelp terugtrekt, beklopt zij deze zoolang, dat de Heremiet er
uit te voorschijn komt. Groote dieren gaat zij met onvergelijkelijke
list en sluwheid, maar ook met grooten moed te lijf en weet ze te
overmeesteren; Hazen b.v. vangt zij zonder eenig bezwaar, niet alleen
zieke of aangeschotene, maar ook gezonde exemplaren.

Niet minder groote bewijzen van stoutmoedigheid geeft de Raaf bij
het plunderen van nesten; Wodzicki heeft er zelfs één het ei van
een paar Schreeuwarenden zien wegsleepen. In het noorden is zij de
afschuwelijkste nestenvernielster, die men zich voorstellen kan. In
Noorwegen bevonden zich op een rots, waarop een jonge Ravenfamilie
zat, die nog door de ouders gevoederd werd, omstreeks 60 ledige
eischalen van Eiderganzen, Meeuwen en Wulpen te midden van beenderen
van Hoenderen, vleugels van Eenden, vachten van Lemmingen, ledige
mosselschelpen, overblijfsels van jonge Meeuwen, Strandloopers,
Plevieren enz. Daar de vier jongen onophoudelijk om voedsel
schreeuwden, brachten de ouden hun voortdurend nieuwen buit. Geen
wonder, dat alle Meeuwen uit de buurt, zoodra een der roovers zich
vertoonde, dezen woedend aanvielen en naar den maatstaf harer krachten
bevochten; geen wonder ook, dat de bewoners van de naastbijgelegen
boerderijen de Raven verwenschten en hevig haatten!

Er valt ongelukkig niet aan te twijfelen, dat de Raaf door haar
roofzucht zeer schadelijk is en niet geduld mag worden. Evenals de
overige Veldraven, is ook zij wel eens nuttig werkzaam, maar de schade,
die zij aanricht, overtreft ver alle diensten, die zij aan akkers en
tuinen bewijst. Wel is het daarom opmerkelijk, dat deze Vogel door
enkele volken geliefd en vereerd wordt. Vooral de Arabieren achten
hem hoog en vereeren hem bijna als een godheid, daar zij hem voor
onsterfelijk houden.

Van alle inheemsche Vogels, met uitzondering misschien van den
Kruisbek, paart de Raaf het vroegst in 't jaar; zij bouwt in Februari
haar nest en legt eieren in de eerste dagen van Maart. Het nest is
groot, heeft meestal wel 60 cM. middellijn en 30 cM. hoogte; het
wordt gebouwd op rotsen of, zooals bij ons, op den top van een hoogen
boom, die moeilijk of in 't geheel niet beklimbaar is. De grondlaag
bestaat uit een opeenstapeling van dikke takken, de nestwand uit
fijnere twijgen; de nestholte wordt met strookjes bast, korstmossen
van boomen, stukjes gras, schapenwol en dergelijke materialen warm
bekleed. Gaarne gebruikt de Raaf haar oud nest nogmaals, nadat zij
het een weinig opgeknapt heeft. Ook bij het bouwen van het nest toont
zij haar schranderheid en schuwen aard. Zeer voorzichtig vliegt zij
er heen, als zij bouwstoffen aanvoert; zij verlaat het voor goed,
wanneer er dikwijls menschen in de nabijheid komen. Zij broedt op
5 of 6 tamelijk groote eieren, die op groenachtigen grond bruin en
grijs gevlekt zijn. Volgens eenige berichten broedt het wijfje alleen,
volgens andere om beurten met het mannetje. De jongen worden door de
beide ouders met Wormen en Insecten, Muizen, jonge Vogels, eieren en
aas voldoende verzorgd; hun honger is echter, naar het schijnt, zelfs
door de rijkelijkste voedering niet te stillen, daar zij voortdurend
om voedsel schreeuwen. De beide ouders houden veel van hun kroost en
verlaten het nooit voor goed. In gunstige omstandigheden verlaten de
jonge Raven tegen het einde van Mei of in het begin van Juni het nest,
maar niet de streek, waar het zich bevindt; zij keeren er iederen
avond in terug en houden zich nog weken lang in de omgeving op, waar
zij de weiden en akkers, onder de hoede van hunne ouders bezoeken,
van deze voedsel ontvangen, maar tevens leeren, hoe zij het zelf
kunnen verkrijgen. Eerst tegen den herfst zijn de jonge dieren
zelfstandig geworden.

Jong uit het nest genomen Raven worden na een korte verzorging
bijzonder tam; zelfs oud gevangen Vogels schikken zich in de
gewijzigde omstandigheden. In den omgang met den mensch wordt het
verstand van de Raaf op een bewonderenswaardige wijze gescherpt. Zij
laat zich africhten als een Hond en kan zelfs op dieren en menschen
aangehitst worden; zij voert allerlei grappige en schelmsche streken
uit, verzint aanhoudend iets nieuws en wordt wijzer met het klimmen
harer jaren, niet altijd echter tevens beminnelijker in de oogen van de
menschen. Gemakkelijk kan men de Raaf leeren vrij uit en in de kooi te
vliegen; in den regel echter toont zij zich weldra deze groote vrijheid
onwaardig: zij steelt en verbergt haar roof, doodt jonge huisdieren,
Hoenderen en Ganzen, bijt menschen, die barrevoets gaan in de voeten en
wordt soms zelfs gevaarlijk, daar zij ook jegens kinderen baldadigheden
pleegt. Met Honden sluit zij soms een innige vriendschap, maakt zich
verdienstelijk jegens hen door hunne Vlooien te vangen en hen ook in
andere opzichten te helpen; ook aan Paarden en Runderen geraakt zij
gewoon en wint hun genegenheid. Zij leert zeer goed spreken, zegt
de woorden met een juiste intonatie na en gebruikt ze met verstand,
blaft als een Hond, lacht als een mensch, bootst de stem van de Duiven
na, enz. Het zou te veel ruimte vereischen, hier alle merkwaardige
verhalen mede te deelen, die mij over getemde Raven ter oore gekomen
zijn; ik moet mij bepalen tot het oordeel, dat deze Vogels een
"echt menschelijk verstand" toonen en hunne meesters niet minder
vermaak verschaffen dan zij andere menschen ergernis geven. Ieder
die aan de dieren het verstand ontzegt, zal van meening veranderen,
door gedurende geruimen tijd de handelingen van een Raaf na te gaan.



De Kraaien verschillen van de Raaf door den minder sterk gekromden
rug van den snavel, die iets korter is dan de loop en door het
lossere, niet zeer glanzige vederenkleed; de vleugelspitsen
bereiken de afgeronde spits van den staart niet. Twee soorten
van Kraaien stemmen in grootte, verhoudingen van lichaamsdeelen,
gewoonten enz. zoo volkomen overeen, dat zij, behalve aan de kleur
van de veeren, moeielijk te onderscheiden zouden zijn. Deze--de
Kraai, Zwarte Kraai of Boschkraai (Corvus corone) en de Bonte Kraai,
Winterkraai, Grijze Kraai of Schierroek (Corvus cornix) worden daarom
door sommige onderzoekers als plaatselijke rassen van dezelfde soort
beschouwd. De eerstgenoemde is zwart met een viooltjeskleurigen of
purperen weerschijn en een bruine iris, in de jeugd dofzwart met een
grauwe iris. De Bonte Kraai daarentegen heeft den kop, den voorhals, de
vleugels en den staart zwart, alle overige lichaamsdeelen echter licht
aschgrauw (bij de jongen vuil aschgrauw). De totale lichaamslengte
bedraagt bij beide 47 à 50 cM., de staartlengte 20 cM.

De Zwarte Kraai komt in ons land gedurende het geheele jaar meer
of minder algemeen voor; zij is over een groot gedeelte van Europa
verbreid, vooral talrijk in Midden- en Zuid-Duitschland en in
Frankrijk; in Noord-Duitschland is zij minder algemeen; in Lijfland,
Denemarken en in het zuiden van Zweden treft men haar zeer zelden
aan, in het overige gedeelte van Skandinavië in het geheel niet,
evenmin in Groot-Brittannië en in Noord-Duitschland ten oosten van de
Elbe; in kleinen getale bewoont zij Illyrië, Hongarije, Oostenrijk
en de overige gedeelten van Oost-Europa; ook komt zij voor in de
oostelijke districten van Siberië tot aan Kamtschatka en in Japan, op
de Kaapverdische Eilanden (St. Vincent), op Madera, in Algerië, zelfs
in Afghanistan en in het Himalajagebergte (Kasjmir). Bijna overal is
zij standvogel, slechts bij uitzondering zwerfvogel, nooit trekvogel.

In den regel broedt de Bonte Kraai in streken, welke de Zwarte
niet bewoont. De eene soort vervangt de andere, zonder dat
klimaatverschillen hierop invloed oefenen.

De Bonte Kraai is verder verbreid dan haar verwante; haar ontmoeten
wij als broedvogel niet alleen in Skandinavië, het grootste deel
van Rusland en Noord-Duitschland, maar ook in Galicië, Hongarije,
Stiermarken, Italië (Toscane, Sardinië, Sicilië), Dalmatië, Griekenland
en geheel Egypte (van de zee tot aan de Nubische grens), alsmede in
geheel Middel-Azië (van den Oeral tot Japan) en door Syrië, Toerkistan,
Perzië, Afghanistan tot in het noordwesten van Indië. Naar de kleur
van de veeren kunnen in dit ontzaglijk groot verbreidingsgebied
ongeveer drie rassen van Bonte Kraaien onderscheiden worden. De in
het noorden (West-Siberië, geheel Skandinavië, Denemarken, Schotland,
het grootste gedeelte van Rusland, het noorden van Duitschland, vooral
noordoostelijk langs de Elbe) broedende koloniën verspreiden zich in
het najaar over de overige gematigde gedeelten van Europa om er te
overwinteren en in Maart of half April naar hare broedplaatsen terug
te keeren. De Bonte Kraai komt op deze wijze van September tot in het
midden van October bij ons aan en is dan overal gemeen. In de duinen
aast zij in menigte op de bessen van den kattendoorn. De exemplaren,
die in Zuid-Europa en in de andere genoemde, warme of gematigde
gewesten broeden, zijn daar standvogels. Enkele malen heeft men ook in
de zomermaanden exemplaren van deze soort in Nederland aangetroffen;
deze hebben hier vermoedelijk gebroed; eenige malen is dit broeden hier
werkelijk waargenomen, o.a. in Friesland en Utrecht. Met het voorkomen
van de bonte Kraai in Nederland gedurende den zomer staat het feit,
dat deze soort en de Zwarte Kraai op de grenzen van beider gebied
dikwijls paren en vruchtbare nakomelingen voortbrengen, in verband.

"Onjuist" schrijft A. A. van Bemmelen, "is het algemeen heerschende
denkbeeld, in de wetenschappelijke werken steeds neergeschreven, dat de
Bonte Kraai en de Zwarte geheel en al overeenstemmen in voedselkeus en
levenswijze; de Bonte Kraai is veel meer een liefhebber van dierlijk
voedsel dan de Zwarte en gebruikt hoogst zelden plantaardig voedsel;
zij verslindt een zeer groot aantal Muizen, rooft Visschen, scheurt
het vleesch af van allerlei doode dieren, pikt hun de oogen uit, in
een woord, gedraagt zich daarbij als een roofvogel; de Zwarte Kraai
daarentegen, hoewel eieren en zeer jonge Vogels roovende, leeft bij
voorkeur van plantaardig voedsel, zooals pas ontkiemde graanplantjes,
koolspruiten, jonge boonen en erwten, enz. De Bonte Kraai vertoeft
veel meer op den grond; wil men haar in haar waren aard zien, dan
bespiede men haar langs de zeestranden, waar zij dikwijls aan de Groote
Zeemeeuwen doode en verrotte dieren betwist. De Zwarte Kraai bewoont
bij voorkeur de bosschen, zet zich neder op hooge boomen en is veel
schuwer van aard. De Bonte Kraai vliegt langzamer dan de Zwarte; als
zij te zamen opvliegen en zich op kleineren of grooteren afstand weer
neerzetten, komt de Bonte Kraai altijd het laatst aan."--Boschjes
in de vlakte zijn de liefste verblijfplaatsen van de Kraaien; zij
vermijden echter ook de grootere bosschen niet en vestigen zich,
als zij zich veilig achten, zelfs in onmiddellijke nabijheid van den
mensch, b.v. in boomgaarden. De Kraaien zijn in hooge mate gezellig,
in lichamelijk zoowel als geestelijk opzicht begaafd en hierdoor in
staat om een zeer belangrijke rol te spelen. Zij gaan goed, stappen
wel eenigszins waggelend, maar toch zonder eenige inspanning; zij
vliegen gemakkelijk en lang achtereen, hoewel minder behendig dan de
grootere Raven; hare zintuigen zijn uitmuntend; vooral het gezicht,
het gehoor en de reuk zijn scherp; zij staan, wat geestesgaven betreft,
weinig of niet bij de Raaf ten achter. Op kleinere schaal doen zij
ongeveer hetzelfde, als wat de Raaf op grootere kan verrichten; daar
zij echter in den regel alleen voor kleine dieren gevaarlijk worden,
heeft het nut, dat zij stichten, waarschijnlijk de overhand boven
het kwaad, dat zij bedrijven.

Ongetwijfeld verdienen zij een plaats onder de belangrijkste Vogels van
ons vaderland, zonder haar zouden de overal menigvuldige en op alle
plaatsen aanwezige, schadelijke Gewervelde Dieren en verderfelijke
Insecten op zeer bedenkelijke wijze de overhand nemen. Wel is waar
plunderen zij ook vogelnesten en overvallen zieke Hazen en Patrijzen,
ook kunnen zij in den tuin en op het erf allerlei last veroorzaken
en eindelijk aan het rijpende graan, meer bepaaldelijk aan de gerst,
een belangrijke schade toebrengen: wat beteekent echter het nadeel,
dat zij teweegbrengen door gedurende eenige maanden op een voor ons
onaangename wijze te rooven en te stelen, tegenover het voordeel,
dat de mensch trekt uit haar werkzaamheid gedurende alle overige
maanden van het jaar!

De Kraaien hebben ongeveer de volgende dagverdeeling: Vóór het
aanbreken van den dag verlaten zij haar slaapplaats om zich in oorden,
waar zij geen vervolging hebben te verduren, op een bepaald gebouw
of op een grooten boom te vereenigen. Van hier uit verspreiden zij
zich over de velden en zijn tot omstreeks den middag ijverig bezig
hun kost te winnen. Zij loopen de akkers en de weiden af, volgen
den ploegenden landman om de door hem blootgelegde engerlingen op
te pikken, loeren voor muizegaten, kijken rond naar vogelnesten,
onderzoeken de oevers van beken en rivieren, doorsnuffelen de tuinen,
kortom, zijn overal druk in de weer. Intusschen komen zij nu en dan
met andere dieren van haar soort samen en arbeiden gedurende eenigen
tijd gemeenschappelijk. Als er iets bijzonders gebeurt, zijn zij
ongetwijfeld de eerste, die het bemerken en aan andere wezens te kennen
geven. Een Roofvogel wordt met luid geschreeuw begroet en met zooveel
ijver vervolgd, dat hij dikwijls onverrichter zake moet aftrekken. Te
recht noemt Snell deze handelwijze een van de nuttige zijden van
de werkzaamheid der Kraaien; want het valt niet te betwijfelen,
dat zij het bedrijf van de schadelijke Roofvogels aanmerkelijk
bemoeielijken zoowel door den Roofvogel direct aan te vallen, als
door zijn aanwezigheid aan de menschen en dieren te verraden. Tegen
den middag vliegen de Kraaien naar een dichte boomkroon en verbergen
zich tusschen de bladen om een middagslaapje te houden. Des namiddags
gaan zij ten tweeden male om voedsel uit en verzamelen zich des
avonds in grooten getale op bepaalde punten, als 't ware om elkander
de gebeurtenissen van den dag mede te deelen. Daarna begeven zij
zich naar haar slaapplaats, naar een bepaald deel van het bosch,
waar alle Kraaien van een uitgestrekt gebied zich verzamelen. Hier
gaan zij met zeer groote voorzichtigheid heen, gewoonlijk eerst,
nadat zij verspieders uitgezonden hebben. Na het invallen van den
nacht komen zij hier aan en maken bij het vliegen en neerstrijken zoo
weinig geraas, dat men niets anders hoort dan het ruischen van hare
vleugels. Door vervolgingen worden zij uiterst schuw. Zij leeren den
jager zeer spoedig van een voor haar ongevaarlijk persoon onderscheiden
en vertrouwen over 't algemeen geen andere menschen dan die, welker
welwillende bedoelingen haar duidelijk gebleken zijn.

Het nest, dat zij tegen het einde van Maart of in het begin van
April op hooge boomen aangebracht, of, indien het reeds in vroegere
jaren gebouwd werd, voor het nieuwe broedsel geschikt gemaakt hebben,
gelijkt op dat van de Raaf, maar is aanmerkelijk kleiner; het heeft
hoogstens 60 cM. middellijn en 4 cM. diepte. In de eerste helft van
April legt het wijfje 3 à 5, hoogstens 6 eieren, die op groenachtig
blauwen grond met olijfkleurige, donkergroene, donker aschgrauwe en
zwartachtige stippels en vlekken geteekend zijn. Het wijfje broedt;
het mannetje laat haar slechts dan alleen, als het uit moet vliegen
om voor zich en zijn gade voedsel te halen. De jongen worden met de
grootste liefde door de beide ouders opgepast en gevoederd, tegen
gevaar met moed verdedigd."

Beide soorten van Kraaien, kunnen zonder eenige moeite jaren lang in
de gevangenschap in 't leven gehouden worden en laten zich gemakkelijk
temmen; ook kunnen zij leeren spreken, wanneer het haar onderwijzer
maar niet aan geduld ontbreekt. Toch verdienen zij als kamer- of
huisvogels geen aanbeveling. In de kamer behooren zij niet wegens
haar onzindelijkheid of, juister gezegd, wegens den reuk, dien zij
ook dan verbreiden, als haar eigenaar de kooi zoo goed mogelijk
tracht schoon te houden; op het erf of in den tuin mag men ze ook
niet vrij laten rondloopen, omdat zij, evenals de Raven, allerlei
kattekwaad uitvoeren. De zucht om glinsterende voorwerpen op te nemen
en te verstoppen hebben zij met hare zwakkere verwanten, de roof- en
moordzucht met de Raaf gemeen. Ook zij overvallen kleine Gewervelde
Dieren, zelfs jonge Honden en Katten, hoofdzakelijk echter Vogels,
om ze te dooden of althans te martelen. De nesten van de Hoenderen
en Duiven worden door deze gauwdieven spoedig ontdekt en onmeedoogend
geplunderd.

In den Vos en den Boommarter, in den Slechtvalk, den Havik en
den Ooruil hebben de Kraaien vijanden, die voor haar gevaarlijk
kunnen worden. Bovendien worden zij lastig gevallen door velerlei
parasieten, die zich in hare veeren nestelen. Waarschijnlijk heeft
de Ooruil zich den buitengewoon grooten haat, dien de Kraaien hem
toedragen, op den hals gehaald door zijne aanvallen op deze Vogels,
die des nachts weerloos zijn; zeker is het althans, dat hij bijzonder
veel van hun vleesch houdt. De Kraaien zetten hem zijne nachtelijke
moordaanslagen betaald, zooveel zij kunnen. Zoomin de Ooruil als
eenige andere Uil mogen zich over dag laten zien. Zoodra zulk een
nachtvogel ontdekt wordt, komt de geheele streek in opstand. Alle
Kraaien snellen toe en stooten met voorbeeldelooze woede op dezen
duisterling in vogelgestalte. Op soortgelijke wijze als den "koning
van den nacht," plagen de Kraaien ook alle overige roofdieren, welker
wraak zij voorloopig niet behoeven te vreezen wegens haar bekwaamheid
in 't vliegen of haar groot aantal.

Van den mensch hebben zij tegenwoordig niet zoozeer onmiddellijk
als wel middellijk last. Vroeger meer dan nu maakte men om ze te
dooden gebruik van de "kraaienhut" een jachtbedrijf, dat gedurende het
geheele jaar kan plaats hebben en waarvoor meestal duinstreken gekozen
worden of andere, liefst oneffene, opene en eenzame gronden, waar
Roofvogels en Kraaien zich gewoonlijk vertoonen. Schlegel beschrijft
de toebereidselen hiervoor op de volgende wijze: "De hut zelve plaatst
men veelal onder den grond in een heuveltje en het mansdiepe, met
planken of steenen omkleede gat, waaruit zij in dit geval bestaat,
wordt ook van boven met planken gesloten, die wederom met een dikke
laag aarde of zand bedekt worden. Onder het dak maakt men eenige
openingen van ongeveer een halven vierkanten voet grootte en de deur
der hut plaatst men tegenover deze schietgaten. Tot zitplaats van
den tammen Ooruil neemt men een paal van 3 tot 4 voet hoogte, van
boven met een ijzeren kram, ten einde de riemen te kunnen vastbinden,
waarmede de pooten van den Ooruil voorzien moeten zijn. Deze paal werd
in vroegere tijden op den top der hut bevestigd; het is echter beter
hem op 10 à 15 pas afstand tegenover de schietgaten in den grond te
rammen om uit de verschillende bewegingen van den Ooruil dadelijk
te kunnen afleiden of er Vogels op hem afkomen en van welke soort
zij zijn. Indien men de hut niet in de nabijheid van een enkelen,
vrij staanden boom (dien men echter zoo snoeien moet, dat hij niet
dicht met takken en loof begroeid is) kan plaatsen, plant men op
30 of 40 pas afstand van de hut een of eenige doode boomen in den
grond." De jagers die in de hut verborgen zijn, schieten de Vogels,
die om den Ooruil vliegen, op hem stooten of zich op de naburige
boomen zetten. De Vogels bekommeren zich in dit geval niet om het
vuren, al zien zij hunne kameraden dood of gewond op den grond vallen.

Veel meer nadeel dan door de jacht en door het uithalen en vernielen
van de nesten met eieren en jongen lijden de Kraaien door het
uitstrooien van vergiftigd graan op de door Muizen geteisterde
velden. In muizenjaren vindt men hare lijken bij dozijnen en bij
honderden en kan men gemakkelijk een aanmerkelijke vermindering van
haar aantal aantoonen. Door haar langen levensduur en vruchtbaarheid
worden dergelijke verliezen echter altijd spoedig weer aangevuld;
het is daarom evenmin noodig maatregelen ter harer bescherming aan
te bevelen als een verdelgingsoorlog tegen haar te prediken.



De Roek (Corvus frugilegus) is nuttiger dan de drie reeds beschreven
soorten van inheemsche Raven. Hij onderscheidt zich van deze door een
slankeren lichaamsbouw; de iets rechtere snavel is zoo lang als de
loop; de betrekkelijk lange vleugels bedekken den sterk afgeronden
staart; voorts kenmerkt hen het nauw aansluitend, prachtig glanzend
vederkleed en de kaalheid van het aangezicht, welks korrelige,
lichtgrijze huid tot aan de oogen en de keel blootligt. Aanvankelijk is
dit lichaamsdeel bedekt met veeren; deze komen bij het ruien telkens
terug om kort daarna te verdwijnen; het kaal worden van deze plek
moet niet toegeschreven worden aan het afslijten der veeren door
het wroeten in den grond, want het komt ook voor bij exemplaren,
die in de kooi niet in de gelegenheid zijn om den bek in den grond
te boren of de bedoelde veeren op een dergelijke wijze af te schuren
(Mr. H. W. de Graaff en Mr. H. Albarda). De totale lengte bedraagt bij
deze soort 47 à 50, de staartlengte 19 cM. De veeren van de oude Vogels
zijn zwart met violet-blauwen weerschijn, die van de jongen dof zwart.

Het verbreidingsgebied van den Roek is beperkter dan dat van
zijne beide laatstgenoemde verwanten. Het omvat een groot deel
van de Europeesche vlakten en het zuiden van Siberië, Toerkistan,
Afghanistan, het westelijk deel van het Himalaja-gebied en Pendsjab
worden uitsluitend in den winter door den Roek bezocht. In de koudste
gedeelten van Europa komt hij niet voor; reeds in Zweden is hij
zeldzaam; in Zuid-Europa komt hij niet anders dan op den trek. In
tegenstelling met de Bonte en de Zwarte Kraai, trekt hij geregeld en
in ontelbare scharen naar Noord-Afrika. Vruchtbare vlakten met kleine
bosschen zijn de meest geliefde verblijfplaatsen van de Roeken. In
het gebergte broeden zij in 't geheel niet; in het binnenste van
het woud evenmin. Een uit hoogstammige boomen samengesteld boschje
van geringen omvang wordt in den regel als broedplaats gekozen door
een troep van deze Vogels, die zich van uit dit middelpunt over de
naburige velden verspreiden. In zulk een kolonie treft men dikwijls
honderden nesten aan, soms 12 of 15 op één boom. Mijlen ver in den
omtrek worden dan gewoonlijk geen nesten van Roeken meer gevonden.

In aard en gewoonten komt de Roek in vele opzichten met zijne vroeger
beschreven verwanten overeen; hij is echter veel vreesachtiger en
minder tot kwaaddoen geneigd dan zij. In 't gaan evenaart, in 't
vliegen overtreft hij haar; zijne zintuigen zijn niet minder, zijne
geestvermogens even goed ontwikkeld. Hij onderscheidt zich echter door
zijn veel gezelliger aard; gaarne voegt hij zich bij troepen Kauwen
en Spreeuwen, in 't algemeen bij Vogels van gelijke of geringere
lichaamskracht. Hij mijdt reeds het gezelschap van de Bonte en Zwarte
Kraaien; de Raaf vreest hij zoozeer, dat hij een sinds lang door
hem bewoond gebied, waaruit de mensch hem bijna niet verdrijven kan,
verlaat, zoodra een Raaf zich hier vestigt. Zijn stem is een zwaar,
heesch geluid, dat als "kra" of "kroa" klinkt; gedurende het vliegen
laat hij dikwijls een scheller geluid hooren, dat met "gir" of "kwerr"
overeenkomt, in den regel ook het "jek jek" van de Kauw. Het nabootsen
van allerlei geluiden kost hem geen moeite; hij kan zelfs eenigermate
leeren zingen; voor het leeren spreken toont hij niet veel aanleg.

Ieder, die zonder vooroordeel de levenswijze van den Roek nagaat,
zal dezen Vogel leeren achten. Wel is hij soms zeer lastig, doordat
hij gedurende den voortplantingstijd de wegen en wandelpaden van de
tuinen en plantsoenen, waar hij nestelt, allerafschuwelijkst bevuilt;
ook martelt hij door zijn geschreeuw de gehoororganen van de bewoners
der naburige huizen, wat te meer hinderlijk is, omdat hij zich van
plaatsen, waar hij zich eens gevestigd heeft, zeer moeielijk laat
verdrijven. Wel zal hij nu en dan het leven van eenige jonge Hazen
en Patrijzen verkorten, den landbouwer boos maken door het rooven
van graan, den tuinman door het stelen van vruchten. Alle schade,
die hij aanricht, wordt echter duizendvoudig door hem vergoed;
daar hij tal van Meikevers, engerlingen en naakte Slakken verdelgt
en een der beste muizenvangers is, die ons vaderland bewonen. "Ik
heb," zegt Naumann, "jaren beleefd, waarin een verschrikkelijk
aantal Veldmuizen de groene en gele graanvelden met vernieling
bedreigden. Ik schoot in die jaren geen enkele Kraai of Buizerd,
die niet den krop met muizen gevuld had. Dikwijls heb ik er 6 of
7 in één Vogel gevonden. Dit in overweging nemend, zal men, geloof
ik, de gehate Kraaien met meer rechtvaardigheid leeren behandelen
en genegenheid voor hen gevoelen." Men zou kunnen meenen, dat deze
waarheid, die reeds voor 60 jaren is uitgesproken, bij de menschen,
voor wie ze meer bepaaldelijk bestemd was, vooral bij onze groote
grondeigenaars, eindelijk ingang zal hebben gevonden, en toch is dit
niet het geval. Ook thans nog wordt de Roek, die als een weldoener
van onze akkers de meest mogelijke bescherming verdient, juist door
de bedoelde grondeigenaars op de meest onmeedoogende wijze vervolgd.

Als de broedtijd nadert, vereenigen zich duizenden Roeken op een
zeer kleine ruimte, bij voorkeur in een boschje te midden van het
veld. Het eene paar nestelt hier naast het andere; op iederen boom
vindt men zooveel nesten, als er maar geplaatst kunnen worden. Een
onverpoosd gekras en geschreeuw vervult dit oord, terwijl een
zwarte wolk van Kraaien de lucht in de nabijheid van deze nestboomen
verduistert. Eindelijk bedaart deze drukte eenigszins. Elk wijfje
heeft hare 4 of 5 lichtgroene, aschgrauw en donkerbruin gevlekte
eieren gelegd en is bezig ze uit te broeden. Weldra echter komen de
jongen uit en wordt het gedruisch nog twee- of driemaal zoo erg,
want de kleintjes willen voedsel hebben en weten hun verlangen op
zeer duidelijk waarneembare wijze door allerlei leelijke geluiden te
kennen te geven. Dan kan men het werkelijk in de nabijheid van zulk
een broedkolonie niet uithouden.

Hoe groot ook het aantal Vogels is, die zulk een kolonie bevolken,
met de zwermen die zich vormen, als de reis naar 't zuiden zal
aanvangen, zijn zij niet te vergelijken. Duizenden voegen zich bij
duizenden en het leger groeit aan, naarmate het verder trekt. Niet
alleen soortgenooten, maar ook de Kauwen, die uit sommige landen van
Middel-Europa wegtrekken, worden er in opgenomen.

In het Zuiden van Europa en in Noord-Afrika ziet men zelden zulke
groote vluchten Roeken als bij ons. Het ontzaglijk groote leger, dat
allengs bijeenkwam, heeft zich langzamerhand weer in benden verdeeld,
die van de verschillende terreinen zoo goed mogelijk partij trachten
te trekken. Het gaat hun echter in den vreemde, vooral in Afrika,
dikwijls ver van voorspoedig. Het vruchtbare Nijldal biedt, naar het
schijnt, geen ruimte en voedsel genoeg aan alle Roeken, die hier den
winter komen doorbrengen. Zij begeven zich dan naar de nabijgelegen
woestijnen om voedsel te zoeken, vinden het niet en bezwijken bij
honderden van gebrek.

In de gevangenschap zijn de Roeken minder gezellig en vermakelijk dan
de Raven en Kauwen; zij worden daarom niet zoo dikwijls als deze in
de kooi gehouden.

Jonge Kraaien van allerlei soorten worden in verscheidene streken
door de arme lieden gaarne gegeten; zij leveren over 't algemeen een
niet onsmakelijk gerecht.



Ten zuiden van den 18en graad N.B. ontmoet men voor 't eerst een
over Afrika en Madagaskar verbreide, kleine Raaf met zwakken snavel,
die zich door de eigenaardige kleur van hare veeren onderscheidt: de
Schildraaf (Corvus scapulatus); de Hollanders van Zuid-Afrika noemen
haar "Bonte Kraai". Met uitzondering van de geheele borst, een deel van
den buik en een breeden band over den mantel, die schitterend wit zijn,
is zij glanzig zwart. De donkere veeren iriseeren, de lichte hebben
den glans van satijn. De oogen zijn lichtbruin, de snavel en de pooten
zwart. Totale lengte 45 à 50, staartlengte 16 cM. Deze aan de Kaap
zeer menigvuldige Vogel houdt zich hier en in de andere deelen van
zijn verbreidingsgebied bij voorkeur in de nabijheid van menschelijke
woningen op. In levenswijze komt zij met de gewone Kraai overeen.



Een andere Afrikaansche vertegenwoordiger van het Ravengeslacht is
de Krengraaf (Corvus crassirostris). De reusachtige, buitengewoon
dikke snavel, die langer is dan de kop, de lange vleugels en de
tamelijk sterk trapvormige staart, zijn de belangrijkste kenmerken
van deze soort, die 70 cM. lang wordt, waarvan 24 cM. op den staart
komen. De koolzwarte veeren van de zijden van den hals hebben een
donker purperkleurigen weerschijn, de overige veeren zijn blauwzwart,
met uitzondering van de kleine dekveeren van het handgewricht,
waar kastanjebruin en zwart dooreengemengd voorkomen, terwijl de
achterkop en de nek ieder een peervormige, witte vlek vertoonen. De
oogen zijn kastanjebruin, de pooten zwart, de snavel is aan de spits
wit, overigens zwart.

Deze Vogels bewonen de gebergten in het noorden van Oost-Afrika, vooral
die van Abessinië en van het Somali-land; waarschijnlijk strekt hun
verbreidingsgebied zich westwaarts tot diep in de binnenlanden van
Afrika uit; zij zijn echter alleen te vinden op hoogten van minstens
1200 M. tot aan de sneeuwgrens. Hier, op hoogvlakten en bij voorkeur
in de nabijheid van veeperken en slachtplaatsen, leven zij paarsgewijs
of tot kleine gezelschappen vereenigd, zonder de menschen te mijden
of te vreezen. Gezellig en verdraagzaam, evenals de meeste andere
Raven, leven zij in goede verstandhouding met de krengen-etende
Vogels, maar laten zich door hen niet van het aas verdrijven. In
geval van nood eten zij Kevers en andere Insecten, waarschijnlijk
ook allerlei vruchten; hun voornaamste voedsel bestaat echter uit
afval van vleesch en beenderen. Om deze te verkrijgen, bezoeken zij
de plaatsen, waar menschen wonen, volgen zij de kudden en ook de
legers. Waarschijnlijk gelijkt de Krengraaf in ieder opzicht en dus
ook door haar rooversbedrijf op haar verwante, de Zuid-Afrikaansche
Ringhalskraai (Corvus albicollis), welker levenswijze door Levaillant
beschreven is. Deze Vogel eet wel bij voorkeur krengen, maar valt
ook levende dieren, vooral Schapen en jonge Gazellen aan, die
hij de oogen en de tong uitpikt, om ze vervolgens te dooden en te
verscheuren. Bovendien volgt hij de kudden van Buffels, Runderen en
Paarden, zelfs den Neushoorn en den Olifant, die hem eveneens voedsel
moeten verschaffen. Hij zou voor deze dieren gevaarlijk worden, als
hij er de noodige kracht voor had; nu echter moet hij zich bepalen
tot het hakken met den snavel in de wonden, die door Teeken en maden
veroorzaakt zijn. Vele der genoemde Zoogdieren worden zoo erg gekweld
door parasiteerende Gelede Dieren, dat zij de Halsbandkraai gaarne in
hun rug laten pikken, zelfs als deze van het haar verleende verlof
misbruik maakt en hun bloed laat vloeien, door behalve de Insecten
ook de hun als woonplaats dienende etterende wonden uit te vreten.



De kleinste van de inheemsche Raven is de Kauw, Kerkkauw of Torenkraai,
in Friesland Ka, Akke of Torenkraai genoemd (Colaeus monedula). Zij is
33 cM. lang en heeft een 18 cM. langen staart. Wegens haar korten en
dikken, van boven weinig gebogen snavel wordt zij als vertegenwoordiger
van een afzonderlijk geslacht beschouwd; de mondspleet is veel korter
dan de loop. De veeren zijn op den bovenkop en de kruin donkerzwart,
op den achterkop en den nek aschgrauw, op de overige bovendeelen
blauwzwart, op de onderdeelen leikleurig of grijsachtig zwart;
de iris is zilverwit, de snavel en de pooten zijn zwart. Witte en
isabelkleurig witte Kauwen zijn niet al te zeldzaam.

Ook de Kauw komt niet slechts in het grootste deel van Europa,
maar ook in vele landen van Azië voor; naar 't noorden strekt
haar verbreidingsgebied zich minstens zoover uit, als de graanbouw
reikt. In het zuiden van Europa is zij zeldzamer dan in Nederland
en Duitschland, nergens echter ontmoet men haar zoo veelvuldig als
in Rusland en Siberië. Hier te lande en in Duitschland broedt zij
volstrekt niet overal, waar men haar op grond van de aanwezigheid
van geschikte nestelplaatsen zou kunnen verwachten; zij vestigt zich
in het eene oord wel, in het andere niet, zonder dat men hiervoor
een geldige reden weet aan te wijzen. Waar zij bij ons voorkomt, is
zij met den Spreeuw en de Musch als 't ware een huisvogel geworden;
zij nestelt in onze dorpen en steden in menigte in schoorsteenen,
op kerken of bouwvallen; bovendien ontmoet men haar in bosschen met
breedbladige boomen, vooral in boschjes, die te midden van het veld
staan, voor zoover hier holle boomen te vinden zijn. In Rusland en
Siberië bevolkt zij alle dorpen in grooten getale, vestigt zich op
de blokhuizen en nestelt onder de met hout bekleede daken, achter
de vensterluiken en in alle andere eenigszins beschutte ruimten,
waar plaats genoeg is voor het bouwen van een nest.

De Kauw is een wakkere, levendige, behendige en schrandere
Vogel. In alle omstandigheden weet zij haar goede luim te behouden
en de door haar bewoonde streek op een werkelijk aardige wijze
te verlevendigen. Haar buitengewoon gezelligen aard toont zij niet
slechts door zich met andere Vogels van haar soort tot groote zwermen
te vereenigen, maar ook door zich te voegen bij vluchten van andere
Kraaien, vooral van Roeken; zij trekt zelfs met deze mede naar 't
zuiden en vliegt om harentwil zoo langzaam mogelijk, want zij zelf is
ook in 't vliegen zeer bekwaam en gelijkt in dit opzicht meer op een
Duif dan op een Kraai. Het vliegen kost haar zoo weinig inspanning,
dat zij zich zeer dikwijls door allerlei koene wendingen tracht te
vermaken, zonder doel of reden stijgt en daalt en allerlei bevallige
bewegingen maakt. Zij is even schrander als de Raaf, maar toont alleen
de beminnelijke eigenschappen van dezen Vogel. Haar lokstem klinkt als
"jek" of "djer" en is werkelijk welluidend; in andere gevallen roept
zij "krè" en "krie-jè. Haar loktoon "jek jek" gelijkt sprekend op dien
van den Roek; dit zal er ook wel toe bijdragen om de beide soorten
zoo nauw met elkander te verbinden. Terwijl zij aan 't minnekoozen
is, snapt zij allerliefst; haar stem is trouwens buigzaam en vol
afwisseling. Hierdoor is het verklaarbaar, dat zij zonder groote
moeite het napraten van woorden of het nabootsen van andere geluiden,
b.v. van hanengekraai, kan leeren.

Door de wijze waarop zij zich voedt, komt de Kauw nog het meest met den
Roek overeen. Het lijdt geen twijfel, dat allerlei Insecten, Slakken
en Wormen, het hoofdbestanddeel van haar maal uitmaken. De Insecten
zoekt zij op de weiden en akkers bijeen of pikt ze van den rug der
groote huisdieren af; vol vertrouwen volgt zij den ploegenden landman;
op de straten wroet zij in den mest, bij de huizen in het afval;
behendig vangt zij Muizen en jonge Vogels; eieren zijn voor haar een
lekkernij. Niet minder graag is zij op allerlei plantaardige stoffen,
vooral graankorrels, jonge spruitjes van graangewassen, knolvormige
plantendeelen, jonge plantjes en uitspruitsels van groenten, bessen en
ander ooft enz.; zij kan op deze wijze in groente- en oofttuinen een
zoo niet groote, dan toch merkbare schade aanrichten; in Rusland en
Siberië plundert zij ook wel de graanschoven en de dorschvloeren. Toch
komt het mij voor, dat de diensten, die zij op de velden en akkers
bewijst, niet minder groot, zoo niet van grooter belang zijn dan de
door haar veroorzaakte schade.

De Kauw is in ons geheele land standvogel, ook in sommige gewesten van
Duitschland, vooral in de zeeplaatsen; zelfs in Rusland en Siberië
blijven vele Kauwen den winter over, hoe streng de koude hier ook
zij. Uit vele streken van Duitschland trekken zij met de Roeken weg en
keeren ter zelfder tijd als deze in 't vaderland terug. Haar winterreis
strekken zij uit tot het noordwesten van Afrika, het noordwesten
van Azië en Indië. Zoodra de winter ons voor goed verlaten heeft,
hebben alle paren hunne gewone broedplaatsen weer ingenomen, waar nu
veel drukte en beweging heerschen. Enkele Kauwen nestelen te midden
van de Roeken, verreweg de meeste echter hebben hiervoor gebouwen
uitgekozen. Hier vindt elke spleet in den muur hare bewoners, zelfs
zijn er gewoonlijk meer liefhebbers dan plaatsen. Dit geeft aanleiding
tot vele twisten; iedere bouwlustige Kauw tracht hare mededingers
zooveel mogelijk te verschalken. Het broedsel bestaat uit 4 à 6
eieren, zwartbruin gevlekt op licht groenachtig blauwen grond. De
jongen worden door hunne ouders met Insecten en Wormen grootgebracht,
met groote liefde behandeld en in geval van nood met grooten moed
verdedigd. Zoodra een Uil, een Wouw of een Buizerd zich vertoont,
wordt deze onder vreeselijk geschreeuw door een geheel leger van
Kauwen aangevallen en uren ver vervolgd.

Geen der Raven wordt veelvuldiger in gevangenschap gehouden dan de
Kauw. Haar vroolijke aard, behendigheid en schranderheid, gehechtheid
aan haar meester, goedaardigheid en nabootsingsgave zijn wel geschikt
om haar vrienden te verschaffen. Zonder moeite kan men haar, als zij
jong gevangen is, aan het uit- en invliegen gewennen. Weldra heeft zij
zich aan het huis van haar meester zoozeer gehecht, dat zij het zelfs
in den herfst niet verlaat, of, zoo zij al met hare soortgenooten
in zuidelijk gewesten gaat overwinteren, niet zelden in de volgende
lente naar de woning, die haar dierbaar geworden is, terugkeert.

In Duitschland is op vele plaatsen de meening verbreid, dat de Kauwen
bij 't naderen van de cholera de steden verlaten, die het eerst aan
de beurt zijn om door de gevreesde ziekte bezocht te worden. Het is
volkomen waar, dat de Kauwen nu en dan voor een tijd weggaan; zij
vluchten dan echter niet voor de cholera, maar begeven zich eenvoudig
naar de akkers, zoodra de veldvruchten rijp zijn.



De Eksters (Pica) zijn langstaartige Raven, welker snavel over 't
geheel genomen denzelfden vorm heeft als die der Kraaien, hoewel de
snavelrug sterker gekromd is; zij staan hoog op de pooten, hebben
korte, afgeronde vleugels, welker spits gevormd wordt door de vijfde
handpen, een sterk trapvormigen staart, die langer is dan het overige
lichaam, en een goed gevuld vederenkleed.

De Ekster, bij Breda Atzel, in Friesland Bonte Ekster genoemd
(Pica rustica) [19], bereikt een lengte van 45 à 48 cM., waarvan 26
cM. op den staart komen. De kop, de hals, de rug, de keel, de gorgel
en de bovenborst zijn glanzig donkerzwart, op den kop en den rug
met groenachtigen weerschijn; de schouders, en een meer of minder
volledige, dikwijls slechts flauw aangeduide dwarsband over den rug
zijn, evenals de nog niet genoemde onderdeelen en de binnenvlag der
handpennen, wit; de slagpennen zijn overigens blauw, haar buitenvlag
en de dekveeren van de hand groen, alleen aan de spits donker, de
stuurpennen donkergroen, aan de spits zwart, overal met metaalachtigen,
meestal koperkleurigen weerschijn. De oogen zijn bruin, de snavel en
de pooten zwart.

Het verbreidingsgebied van de Ekster omvat Europa en Azië, van
den noordelijken woudgordel tot Perzië en Kasjmir. In de meeste
landen en gewesten komt zij veelvuldig voor, in andere ontbreekt
zij bijna geheel; zoo ziet men haar in vele provinciën van Spanje in
't geheel niet, terwijl zij in andere gemeen is; bovendien vermijdt
zij in den regel hooge gebergten, boomvrije vlakten en uitgestrekte
bosschen. Boschjes te midden van het veld, boschranden en boomgaarden
zijn hare eigenlijke woonplaatsen. Gaarne vestigt zij zich in de
nabijheid van menschelijke woningen; overal, waar men haar duldt,
wordt zij buitengewoon gemeenzaam of liever gezegd indringerig. In
Skandinavië, waar men haar in zekeren zin als de heilige Vogel van
het land beschouwt, slaat zij niet in den tuin, maar in de hofstede
zelf haar woning op en bouwt op bepaaldelijk voor haar aangebrachte
uitbouwsels onder de daken haar nest. Overal, waar zij voorkomt,
is zij standvogel in den volsten zin van 't woord. Haar eigenlijk
woongebied is klein en zij verlaat het nooit. Als zij in een dorp
uitgeroeid wordt, duurt het vele jaren, voordat zij van de grenzen af
er weder binnenkomt. Alleen in den winter zwerft zij, hoewel steeds
nog in beperkte mate, verder rond dan gewoonlijk.

De levenswijze en gewoonten van de Ekster herinneren wel is waar in
vele opzichten aan die van de Kraaien, maar verschillen er toch in
andere niet onbelangrijk van. Zij gaat stappend als een Raaf, maar
heeft daarbij een andere houding; want zij heft den langen staart
omhoog en beweegt hem wippend, zooals de Lijsters en de Roodborstjes
doen. Haar logge wijze van vliegen, welke geheel anders is dan die van
de eigenlijke Raven, vereischt veelvuldige vleugelslagen en wordt reeds
bij eenigszins krachtigen wind onzeker en langzaam. De Raaf vliegt voor
haar vermaak uren lang rond; de Ekster gebruikt hare vleugels alleen,
als zij moet. Zij begeeft zich van den eenen boom naar den anderen of
van den eenen struik naar den naastbijzijnden, nooit echter zonder
noodzaak. Hare zintuigen zijn, naar het schijnt, even volkomen als
die van de Raaf; ook door haar verstand staat zij volstrekt niet bij
deze achter. Zij weet zeer goed ongevaarlijke menschen en dieren van
gevaarlijke te onderscheiden: jegens menschen is zij steeds op haar
hoede, jegens dieren, die zij niet behoeft te vreezen, driest en in
sommige gevallen wreed. Gezellig van aard, evenals alle leden van haar
familie, mengen de Eksters zich gaarne onder de Raven en Kraaien en
zwerven ook wel met de Notenkrakers rond; zij vereenigen zich echter
bij voorkeur met andere dieren van haar soort tot kleine of groote
vluchten, welker leden gemeenschappelijk jagen en over 't algemeen
innig deelnemen aan elkanders vreugde en leed. Gewoonlijk ziet men ze
familiesgewijs. Haar heesche stem klinkt als "sjak" of "krak", welke
beide klanken dikwijls verbonden worden tot "sjakerak". Deze geluiden
dienen als loktoon en waarschuwingsroep; de intonatie verschilt,
al naar de beteekenis, die er aan gehecht wordt. In de lente, vóór
en gedurende den paartijd, babbelt zij uren achtereen en laat een
verbazingwekkend aantal gelijksoortige en toch verschillende geluiden
hooren. Te recht is haar gesnap spreekwoordelijk geworden.

Insekten en Wormen, Slakken, allerlei kleine Gewervelde Dieren, bessen,
kersen en andere saprijke vruchten, graankorrels en allerlei zaden
maken het voedsel van de Ekster uit. In de lente richt zij groote
schade aan; daar zij de nesten van alle Vogels, die zich tegen haar
niet kunnen verweren, zonder mededoogen uitplundert en een sterk
bevolkten tuin in den letterlijken zin van 't woord uitmoordt. Ook de
hoenderparken, eendenfokkerijen, fazantentuinen, de kweekerijen van
pluimvee in 't algemeen, hebben veel van haar te lijden; zij vangt
zelfs oude Vogels en doet dit, gelijk Naumann zegt, dikwijls geheel
onverwachts; daar hare slachtoffers, omdat zij voortdurend met hen in
gezelschap is, jegens haar geen argwaan toonen en zich dus, terwijl zij
veilig meenen te zijn, door haar laten verschalken. Hoewel zij zich
bovendien ijverig met de muizenjacht bezig houdt en vele schadelijke
Insecten, Slakken en dergelijk ongedierte vangt en verslindt, moet
zij zonder eenigen twijfel tot de schadelijke dieren gerekend worden,
daar zij minder bij deze, dan bij de nuttige dieren haar roofzucht
openbaart.

De Noren beweren, dat de Ekster op Kerstmis het eerste takje brengt
naar de plaats, waar zij nestelen zal; bij ons en in Duitschland
gebeurt dit gewoonlijk niet voor het einde van Februari. Zij
nestelt veelal in de toppen van hooge boomen, alleen daar, waar
zij zich volkomen veilig acht, in hakhout of lage struiken, b.v. in
de groote doornstruiken van onze duinen. Dorre rijsjes en doornen
vormen de grondlaag van haar nest; hierop volgt een dikke laag leem,
dan eerst komt de eigenlijke nestholte, die uit haren van dieren en
fijne wortelvezels bestaat en zeer zorgvuldig bewerkt is. Het geheele
nest wordt van boven, op een zijdelingsche opening na, met een dak
van doornen en droge rijsjes voorzien, dat wel doorzichtig is, maar
den broedenden Vogel toch volkomen tegen mogelijke aanvallen van
Roofvogels beveiligt. Het broedsel bestaat uit 7 of 8 eieren, die
op groenachtigen grond met olijfbruine streepjes en vlekjes bedekt
zijn. Na een bebroeding van drie weken komen de jongen uit; deze
worden vervolgens door de beide ouders met Insecten, Regenwormen en
slakken gevoederd, totdat zij zelfstandig zijn. Zoowel de vader als de
moeder toonen veel liefde voor hun kroost en verlaten het nooit. Het
is ons gebleken, dat een Ekster, waarop wij geschoten hadden, nog
voortging met broeden met een hagelkorrel in zijn lichaam. Weinige
Vogels naderen hun nest met grooter voorzichtigheid dan de Ekster,
die alle mogelijke listen in toepassing brengt, om de plaats waar
zij broedt, geheim te houden.

Jong uit het nest genomen Eksters worden buitengewoon tam, kunnen met
vleesch, brood, gestremde melk, versche kaas gemakkelijk grootgebracht
worden, geraken zoozeer gewoon aan de gevangenschap, dat men ze
naar vrije verkiezing kan laten rondvliegen, laten zich tot het
verrichten van kunstjes africhten, leeren liedjes fluiten en enkele
woorden spreken en verschaffen hare verzorgers hierdoor veel genoegen,
door haar zucht tot het wegnemen van schitterende voorwerpen trouwens
ook last.

De mensch, die de kleine vogeltjes tracht te beschermen, wordt
vroeger of later een beslist vijand van de Ekster en verdrijft haar
zonder medelijden uit het aan zijn zorg toevertrouwde gebied. Door
haar slimheid en sluwheid weet zij zelfs den geoefendsten jager in
spanning te houden en hem te nopen van verstand en list gebruik te
maken. Behalve den mensch, heeft deze schrandere en moedige Vogel
waarschijnlijk alleen van de sterkste Roofvogels vervolgingen te
verduren. Het meest heeft zij den Havik te vreezen, tegen wiens aanval
alleen dicht struikgewas haar beveiligen kan.



De Blauwraven (Cyanocorax) behooren in Middel- en Zuid-Amerika
thuis. Een van de meest verbreide soorten van dit geslacht is
de Kapdragende Blauwraaf (Cyanocorax chrysops), zoo genaamd,
omdat de opstaande, fluweelzwarte veeren van den bovenkop en den
voorkop duidelijk te samen één geheel uitmaken en een soort van kap
vormen. Bovendien hebben ook de teugels, de zijden van den hals, de
keel en de voorhals tot aan de borst een koolzwarte kleur; de nek,
de rug, de vleugels en de staartveeren (voor zoover deze niet door de
vleugels bedekt worden) zijn ultramarijnblauw, aan den wortel zwart;
de onderdeelen, van de borst tot aan de stuit, de onderdekveeren van
den vleugel en de spits van den staart zijn geelachtig wit; boven en
onder het oog komt een hemelsblauwe, breede, halvemaanvormige vlek
voor; een dergelijke vlek versiert den wortel van den ondersnavel;
de eerstgenoemde is van boven zilverkleurig gezoomd. De oogen zijn
geel, de snavel en de pooten zwart. Deze 35 à 37 cM. lange Vogel
(staartlengte 17 cM.), bewoont alle warme gewesten van Zuid-Amerika,
van Paraguay af noordwaarts.



De Kitta's (Cissa) zijn slank gebouwde, voor 't meerendeel Indische
Vogels, met schitterend gekleurde veeren. De Langstaartige Chineesche
Kitta (Cissa erythrorhyncha), een der fraaiste soorten van dit
geslacht, heeft een lengte van 58 cM., waarvan 42 cM. op den staart
komen. De kop, de hals en de borst zijn, met uitzondering van een
witte, overlangsche vlek, die zich over den kop en den rug uitstrekt
en langzamerhand in blauw overgaat, donkerzwart; de rug en de mantel
zijn licht kobaltblauw; de bovendekveeren van den staart hebben
dezelfde kleur, maar zijn met een breede, zwarte spits voorzien;
de onderdeelen, bij de borst te beginnen, zijn witachtig met een
roodachtig aschkleurige tint, de vleugels schitterend kobaltblauw,
de binnenvlag van de slagpennen echter zwart; alle vleugelveeren
hebben witte spitsen. De oogen zijn karmijnroodbruin, de pooten bleek
vermiljoenrood, de snavel is koraalrood.

De Langstaartige Chineesche Kitta komt voor in het westelijk gedeelte
van den Himalaja. In China, vooral in de bosschen om Hongkong, wordt
zij veelvuldig aangetroffen. In Oost-Indië (o.a. op Sumatra) ontmoet
men een meer groenblauwe, langstaartige soort (Cissa venatoria). De
Javaansche (Cissa thalassina) draagt, evenals de vorige, een kleine
kuif op den kop, maar heeft een korteren staart. De Chineesche Kitta
is een schrander, waakzaam dier, dat andere Vogels waarschuwt tegen
loerende Roofdieren. Vooral den Luipaard volgt zij dikwijls mijlen
ver en maakt, dat hem menige buit ontgaat. Als loktoon en waarschuwend
sein laat zij een schel "pienk pienk pienk" hooren, dat door een luid
gesnater wordt gevolgd. Haar voedsel bestaat uit Insecten en vruchten.

In China wordt deze soort soms in de kooi gehouden en met rauw
vleesch, jonge of kleine Vogels, Insecten en dergelijke stoffen
gevoederd. Van hier worden soms enkele van deze prachtige Vogels naar
Europa overgebracht.



De Gaaien (Garrulus) onderscheiden zich van de tot dusver genoemde
Raafvogels door den korten en stompen snavel, met of zonder haakvormig
omgebogen spits aan de bovenkaak, door de zwakke pooten, de zeer
korte, sterk afgeronde vleugels, den betrekkelijk langen, nagenoeg
recht afgesneden of zwak trapvormigen staart en het goed gevulde,
zachte, losbaardige, bontgekleurde vederenkleed.

Alle leden van deze onderfamilie leven veel meer op boomen en veel
minder op den grond dan de Eigenlijke Raven. Hoogst zelden vereenigen
zij zich tot talrijke vluchten; meestal vormen zij kleine troepen of
familiën, die den geheelen dag in het bosch rondzwerven, van den eenen
boom op den anderen overgaande. Wegens hunne korte vleugels is hun
wijze van vliegen meer wankelend, minder vast dan die van de Raven;
zij zijn niet in staat zich tot aanzienlijke hoogten te verheffen en
denken er nooit aan zich, evenals de leden der vorige onderfamilie,
met vliegoefeningen te vermaken. Ook op den bodem zijn zij niet
goed thuis, hun gang is gewoonlijk een gebrekkig huppelen. In
de boomkronen zijn zij op hun plaats; hier bewegen zij zich in
meerdere of mindere mate behendig. Hunne zintuigen zijn ongeveer
even volkomen als die der Raven; slechts bij uitzondering echter
bereiken hunne verstandelijke vermogens den trap van ontwikkeling,
waardoor de Raven zich over 't geheel genomen onderscheiden. Hun aard
komt eenigermate overeen met dien van de Klauwieren; even wreed en
roofgierig als deze, bezitten zij echter niet hun moed en evenmin de
stoutmoedigheid der Raven. Hun voedsel ontleenen zij zoowel aan het
plantenrijk als aan het dierenrijk. Gedurende een deel van 't jaar
voeden zij zich bijna uitsluitend met vruchten, terwijl in een ander
seizoen de nesten van allerlei Vogels door hen op de onmeedoogendste
wijze geplunderd worden. Wegens deze eigenschappen zijn zij over 't
algemeen niet bemind, hoewel zij door sommige begaafdheden, vooral
door hun groote  geschiktheid voor het nabootsen van verschillende
stemmen, den mensch voor zich weten in te nemen.



Onze Vlaamsche Gaai, in Gelderland Eikelaakster, in Overijsel Merklouw,
in Friesland Houtekster genoemd (Garrulus glandarius), kenmerkt zich
door den korten, krachtigen, langs den rug weinig gebogen snavel,
den middelmatig langen loop, de korte, sterk afgeronde vleugels, den
middelmatig langen, zacht afgeronden staart en het zeer ruim voorziene,
zachte, losbaardige, op den kop kuifvormig verlengde vederenkleed,
welks fraaie, wijnroodachtig grijze hoofdkleur aan de bovendeelen
donkerder, aan de onderdeelen lichter is; de witte veeren van de kuif
zijn ieder op 't midden met een lancetvormige, zwarte, blauwachtig
gerande vlek geteekend; de teugel is geelachtig wit met donkerder
overlangsche strepen; de keelveeren zijn wit; een breede en lange
baardstreep aan weerszijden en de schouderveeren zijn fluweelachtig
zwart, de handpennen bruinzwart, aan de buitenzijde grijsachtig
wit gezoomd; de witte wortelhelften van de (overigens fluweelachtig
zwarte) armpennen vormen op den vleugel een spiegel, die dicht bij den
wortel blauw geschubd is; de bovendekveeren van den vleugel hebben
een zwarte binnenvlag en een hemelsblauwe buitenvlag; zij zijn met
witte en zwarte dwarsstreepjes voorzien, waardoor een prachtig schild
ontstaat; de staartpennen eindelijk zijn zwart, aan haar wortelhelft
met meer of minder duidelijke, blauwe, dwarse teekening. De oogen
zijn parelkleurig, de pooten bruinachtig vleeschrood; de snavel is,
evenals bij alle overige inheemsche Raafvogels, zwart. Van de 34
cM. lengte komen 15 cM. op den staart.

In ons land is de Vlaamsche Gaai overal te vinden, waar bosschen zijn;
zelfs bewoont hij het houtgewas om buitenplaatsen of groote tuinen. Men
treft hem hier het geheele jaar door aan; reeds van verre verraadt
hij zijn aanwezigheid door zijn schelle, krijschende stem. Hij bewoont
alle bosschen van Europa, met uitzondering van die der noordelijkste
gewesten. In Duitschland is hij algemeen, in de dichtste bosschen
zoowel als in boschranden en in de door velden omgeven boschjes, in
het naaldhout bijna even veelvuldig als in de breedbladige boomen. In
't voorjaar leeft hij paarsgewijs, gedurende de overige gedeelten
van het jaar in familiën en troepen; hij zwerft door een beperkt
gebied. Streken, waar geen eiken groeien, worden soms voor weken,
ja zelfs voor maanden door hem verlaten; over 't algemeen echter
blijft hij jaar in, jaar uit zijn woonplaats getrouw. Rusteloos,
beweeglijk, listig, ja zelfs buitengewoon schuw van aard, verschaft
hij den mensch door zijn werkzaamheid veel genoegen, maar ook veel
ergernis. Hij neemt tot tijdverdrijf allerlei standen aan en bootst
de meest verschillende geluiden voortreffelijk na. Zijne bewegingen
te midden van de twijgen zijn zeer behendig; tamelijk goed weet
hij zich op den grond te redden; het vliegen gaat hem niet goed af,
hij ziet er daarom zeer tegen op over uitgestrekte, open terreinen
te vliegen. Zoolang mogelijk houdt hij zich in de struiken op; bij
het vliegen over vrije ruimten maakt hij gebruik van iederen boom
om zich te dekken. Hij leeft in aanhoudende vrees voor Roofvogels,
die hem alleen in 't woud niet kunnen bereiken, maar hem gedurende
een eenigszins langduriger vlucht onmiddellijk pakken.

Hoogst vermakelijk is het waarlijk uitmuntende talent voor nabootsing
van den Vlaamschen Gaai, die ongetwijfeld een der meest begaafde en
onderhoudende, inheemsche "spotvogels" is. Zijn gewoon geschreeuw
is een krijschend, afschuwelijk "retsj" of "rè", zijn angstroep een
weinig minder onwelluidend "kè" of "krè". Soms schreeuwt hij als
een Kat "miau"; volstrekt niet zelden zegt hij, wel eenigszins op de
wijze van een buikspreker, maar toch volkomen duidelijk, het woord
"markolf". Behalve deze klanken, die hem van nature eigen zijn,
bootst hij alle tonen en geluiden na, die hij in zijn gebied kan
hooren. Het op miauwen gelijkende geschreeuw van den Buizerd bootst
hij op de meest volkomen wijze en zoo geregeld na, dat men in twijfel
blijft verkeeren, of hij op deze wijze vreemde, dan wel eigen waren
aan de markt brengt. Voor de eerstgenoemde meening pleiten verscheidene
andere feiten van denzelfden aard. Men heeft hem het gedruisch, dat bij
't scherpen van een zaag ontstaat, hooren nadoen; Naumann hoorde een
dezer Vogels onverbeterlijk hinniken als een veulen; andere hebben
zich met goed gevolg geoefend in het kraaien als een haan en het
kakelen als een hen. De verschillende, hier en daar afgeluisterde
tonen worden soms tot een zonderling gesnap of gezang saamgevoegd, dat
al of niet welluidend kan zijn. "In den herfst," verhaalt Rosenhein,
"ging ik eens, vermoeid van de jacht, in het woud onder een hoogen
berk zitten en dacht na over de gebeurtenissen van den dag. Hierin
werd ik op een niet onaangename wijze gestoord door het gekweel van
een Vogel. Zoo laat in 't jaar, dacht ik, en nog gezang in het reeds
winterachtige woud? Wie en waar zou de zanger zijn? Ik keek naar
alle naburige boomen, maar vond den virtuoos niet, wiens tonen toch
nog altijd krachtig weerklonken. Hun groote overeenkomst met die van
den Lijster brachten mij op het denkbeeld, dat deze mij zijn wijsje
voorzong. Kort daarna vernam ik echter in kort afgebroken coupletten
ook minder volle tonen dan die van den Lijster. Het was, alsof een
onzichtbare kring van zangers mij omgaf. Ik hoorde n.l. volkomen
duidelijk zoowel het gepik van den Specht als het gekras van de Ekster,
iets later weerklonk de stem van de Klauwier, toen die van den Lijster,
van den Spreeuw, ja zelfs van den Scharrelaar. Eindelijk zag ik op
aanzienlijke hoogte boven mij--een Vlaamschen Gaai! Hij was het,
aan wien ik al deze navolgingen te danken had."

Ongelukkig bezit de Vlaamsche Gaai andere eigenschappen, waardoor
hij de gunst van den mensch, die hij door zijn talent verwerft,
spoedig weer verliest. Hij is alleseter in de uitgestrekte beteekenis
van het woord en de afschuwelijkste nestenroover, die onze bosschen
bewoont. Alle levende wezens, die niet grooter zijn dan een Muis of
een jong Vogeltje, brengt hij in gevaar; hij rooft ook eieren, zonder
evenwel bessen en andere saprijke en droge vruchten te versmaden. In
den herfst leveren eikels, beukenootjes en hazelnoten dikwijls weken
achtereen de hoofdschotel van zijn maal. De eikels laat hij weeken
in zijn krop, spuwt ze daarna uit en spalkt ze open; de hardschalige
noten hamert hij met zijn krachtigen snavel stuk, hoewel dit niet
zonder moeite geschiedt. Terwijl hij eikels plukt, verricht hij een
nuttig werk, daar hij door het laten vallen van sommige dezer vruchten
tot de verspreiding van den eik bijdraagt. Voor 't overige richt hij
alleen schade aan.

Lenz houdt hem voor een hoofdverdelger van de Adder en beschrijft
uitvoerig, hoe deze Vogel jonge Adders, zoo vaak hij ze ontmoet,
zonder schroom den kop opensplijt en ze daarna met veel smaak opeet;
zelfs de volwassene overmeestert hij, zonder zich aan hare vergiftige
beten bloot te stellen, daar hij in den kop van den Slang zoo ijverig
met den snavel pikt, dat het dier weldra het bewustzijn verliest en
door eenige snel opeenvolgende pikken binnen weinige minuten gedood
wordt. De genoemde onderzoeker schat den Vlaamschen Gaai wegens
deze heldendaden hoog en heeft hem zelfs in een zeer aardig gedicht
verheerlijkt: de roofzucht van onzen Vogel is echter niet alleen
tegen het vergiftige gedierte, maar ook, en in nog veel hoogere
mate, tegen de nuttige, kleine Vogels gericht. Door zijn roofzucht
wordt hij gevaarlijk voor ouden en jongen. Naumann's broeder vond
een Vlaamschen Gaai bezig met het dooden van een oude Zanglijster,
de moeder van een talrijke kinderschaar, die haar leven, naar het
scheen, gewaagd had bij het beschermen van haar kroost; dezelfde
waarnemer zag later den Vlaamschen Gaai ijverig en behendig jacht
maken op jonge Patrijzen. Trinthammer en A. von Homeijer veroordeelen
den Vlaamschen Gaai even sterk, als Lenz hem prijst. "Wat doet deze
dolende ridder," vraagt de eerstgenoemde, "deze doortrapte gauwdief, de
keurigst opgeschikte vertegenwoordiger van de geheele galgenvogelbende,
gedurende den geheelen broedtijd! Van boom tot boom, van struik tot
struik zwervend, overrompelt hij de nesten, slurpt de eieren uit,
verslindt de al of niet vederlooze nestvogels met huid en haar,
pakt en verscheurt de reeds uitgevlogen geelsnavel, die, onbeholpen
en onervaren, hem niet gauw genoeg uit den weg gaan. De Sperwer en
de drie Klauwieren van onze wouden zijn ook wel booze rakkers; zij
alle met elkander richten echter op lange na niet zulk een vernieling
aan onder de zangers van het woud als de Vlaamsche Gaai. Hij is de
"Negenmaal negen dooder", de "Wurger" in de eigenlijke beteekenis van
het woord en als zoodanig versierd met vederpluim en epauletten. Waar
deze struikroover de overhand neemt, kan er van toeneming van het
aantal Zangvogels geen sprake meer zijn. Mijn beschuldiging is zeker
niet te hard."

De broedtijd van den Vlaamschen Gaai valt in de eerste lentemaanden. In
Maart begint het paar met den bouw van het nest; in het begin van
April is het broedsel gewoonlijk voltallig. Het nest staat zelden hoog
boven den grond, soms in den top van een lagen boom, soms in de kroon
van een hoogeren, hetzij in 't midden van deze dicht bij den stam,
of aan den buitenkant in de twijgen. Het is niet bijzonder groot; de
onderste laag bestaat uit fijne, dunne rijsjes, de daarop volgende uit
heide of dorre stengels van kruiden, de binnenbekleeding eindelijk
uit fijne worteltjes, die zeer netjes gerangschikt zijn. De 5 à 9
eieren zijn op vuil geelwitten of groenachtig witten grond overal met
grijsbruine vlekken en stippels geteekend, die aan het stompe einde
gewoonlijk kranswijs bijeenstaan. Na een bebroeding van ongeveer 16
dagen verlaten de jongen de eischaal; zij worden aanvankelijk met
rupsjes en andere larven, met Kevers, Wormen en dergelijke diertjes,
later echter hoofdzakelijk met jonge Vogels gevoederd. Tenzij het
paar gestoord wordt, broedt het slechts éénmaal per jaar.

Van oud gevangen Vlaamsche Gaaien beleeft men weinig genoegen,
omdat zij zelden tam worden; jong uit het nest genomen exemplaren,
die men zelf heeft grootgebracht, kunnen echter hun meester veel
voldoening verschaffen. Ook zij leeren soms eenige woorden naspreken
en dikwijls korte wijsjes nafluiten. Dat zij in een volière met
andere zangvogeltjes niet geduld kunnen worden, spreekt van zelf,
want hun roofzucht verloochent zich nooit.



Aan de noordelijke en oostelijke grenzen van het verbreidingsgebied
van onzen Vlaamschen Gaai begint dat van den Ongeluksgaai (Garrulus
infaustus). Van zijn zooeven beschreven stamgenoot onderscheidt hij
zich vooral door den zeer slanken, langs den kinrand (de plaats van
vereeniging der beide ondersnavelhelften) sterker gekromden snavel,
voorts door den zeer korten loop, den eenigszins trapvormigen
staart en het zeer zachte, losbaardige, op den kop niet verlengde
vederenkleed. De veeren van bovenkop en nek zijn roetkleurig bruin,
die van rug en mantel dof loodgrijs, die van den achterrug en den
staartwortel vosrood; de slagpennen hebben een roetbruine binnenvlag,
een bruinachtig grijze buitenvlag; de stuurpennen, met uitzondering van
de beide middelste loodkleurig grijze, zijn helder vosrood. De oogen
zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lichaamslengte
31, staartlengte 14 cM.

Het verbreidingsgebied van den Ongeluksgaai strekt zich uit van
Finnmarken tot aan het eiland Sachalin en van de noordelijkste grens
van den boomgroei tot 60° N.B., in Siberië waarschijnlijk nog wel
iets verder zuidwaarts. Van hier uit bezoekt hij nu en dan lagere
breedten en heeft zich bij deze gelegenheid herhaaldelijk ook in
Duitschland vertoond.

Zijne bewegingen zijn zeer sierlijk; hij vliegt geheel anders dan
onze Gaai, buitengewoon gemakkelijk en zacht, meestal glijdend;
de roode veeren van vleugels en staart komen dan goed uit. Bij zijn
beweging in de twijgen maakt hij telkens van de vleugels gebruik; hij
doet dit zeer snel en behendig: soms klauterend met groote sprongen,
soms letterlijk schuivend langs den tak. Om de omgeving te bespieden,
hecht hij zich behendig op de wijze van de Spechten aan den stam,
meestal echter niet evenwijdig aan de as van den boom, maar in
schuinsche richting. De klagende geluiden, die hij soms voortbrengt,
hebben aanleiding gegeven tot zijn naam.

Volgens het eenstemmig oordeel van alle onderzoekers is de Ongeluksgaai
een zeer gemeenzame en nieuwsgierige Vogel, die zich, zooals Nilsson
verhaalt, soms op den hoed van een houthakker neerzet, en die, naar
Schrader bericht, met de Rendier-Lappen op den vertrouwelijksten
voet verkeert en met hen of hunne kudden medegaat, als zij zich
naar hunne rustplaatsen begeven. Zij weet echter zeer goed de voor
haar onschadelijke herders te onderscheiden van de jagers. In den
herfst en den winter vormen bessen en zaden, vooral die van de arve
en andere naaldboomen, waarschijnlijk een hoofdbestanddeel van haar
voedsel. Als de sneeuw zoo hoog ligt, dat zij de bessen voortbrengende
struiken bedekt, neemt hij zijn toevlucht tot de kegels van de
naaldboomen. Gedurende den broedtijd van de kleine Vogels wordt hij
een even wreede nestenberoover als de Vlaamsche Gaai; hij verslindt
alle volwassene Vogeltjes en kleine Zoogdieren, die hij krijgen kan,
vergast zich op het te drogen hangende rendiervleesch of op de in
strikken gevangen Ruigpoothoenders en versmaadt, naar men zegt,
zelfs geen krengen.



Bewoners van de noordelijke helft van Amerika zijn de Blauwgaaien
(Cyanocitta).

De meest bekende vertegenwoordiger van dit soorten-arme geslacht is
de Kuifgaai (Cyanocitta cristata). De hoofdkleur van de bovendeelen is
glanzig blauw; de staartveeren zijn door smalle, donkere banden en de
vleugelveeren door enkele zwarte topvlekken geteekend; de uiteinden
van de armpennen en van de groote dekveeren van den vleugel zijn
echter, evenals de buitenste stuurpennen en de onderdeelen beneden
de borst, wit of grijsachtig wit, de zijden van den kop lichtblauw;
een ringvormige band, die van den achterkop over de oogen naar den
bovenhals loopt en een smalle voorhoofdsstreep, die zich tot aan de
oogen uitstrekt, zijn donkerzwart. De oogen zijn grijsachtig bruin, de
snavel en de pooten zwartbruin. Totale lengte 28, staartlengte 13 cM.

Alle berichten stemmen hierin overeen, dat de Kuifgaai, de
Blue Jay, zooals de Amerikanen hem noemen, een sieraad van de
Noord-Amerikaansche wouden is. Toch heeft deze Vogel zich hier niet
vele vrienden gemaakt. Hij is allerwege bekend en overal gemeen, in
de meeste gewesten standvogel, alleen in de noordelijke staten zwerf-
of trekvogel. Zijn levenswijze komt in vele opzichten met die van
onzen Vlaamschen Gaai overeen. Hij geeft de voorkeur aan dichte en
middelmatig hooge bosschen, zonder echter de hoogstammige wouden te
mijden, komt af en toe in de vruchtentuinen, zwerft voortdurend van
de eene plaats naar de andere, let op alle verschijnselen, waarschuwt
door een luid geschreeuw andere Vogels en zelfs Zoogdieren, rooft
naar verhouding van zijn grootte op zeer uitgebreide schaal allerlei
dieren, kortom, hij is in alle opzichten een waardige plaatsvervanger
van zijn bij ons levenden stamgenoot. Hij is dit ook, wat zijn talent
van nabootsing betreft. Zijn stemgeluid is zeer verschillend al naar
de aandoeningen, die hij te kennen wil geven: zacht, wanneer hij zijn
wijfje liefkoost, piepend als het geluid voortgebracht door het wiel
van een slecht gesmeerden kruiwagen, wanneer hij het wijfje roept. Hij
maakt, als hij zijn stem laat hooren, allerlei zonderlinge gebaren,
bootst de manieren en de geluiden van andere Vogels na, schreeuwt,
wanneer hij een Valk ziet, als een Vogel die door een Valk gegrepen
is. Hij is een groot vijand van de Uilen, die hij gedurende hun
dagslaap zoolang verontrust, totdat zij wegvliegen.

Jong uit het nest genomen Kuifgaaien worden spoedig tam, maar moeten
in een afzonderlijke kooi gehouden worden, daar zij andere Vogels
bloedgierig overvallen en dooden. Een gevangen Kuifgaai, die met
andere Vogels in een volière was opgesloten, doodde achtereenvolgens
al zijne metgezellen. Oude Vogels van deze soort leeren zich eveneens
gemakkelijk schikken in het verlies van hun vrijheid. In den laatsten
tijd worden de Blauwe Gaaien dikwijls naar Europa overgebracht
en zijn daarom bijna in iederen dierentuin te vinden. Tot dusver
heeft nog niemand eenige Vogels van deze soort in onze bosschen
laten vliegen. Zij zouden deze ongetwijfeld niet weinig opsieren;
verdienstelijk voor de houtteelt zouden zij echter evenmin worden
als hunne Europeesche verwanten.



Een van de fraaiste Europeesche Vogels--de Spaansche Blauwekster
(Cyanopolius Cookii)--vertegenwoordigt het geslacht der Blauweksters,
dat zich door zijn zwakkeren snavel en eigenaardige kleuren van de
Eksters onderscheidt. De kop en het bovenste deel van den nek zijn
fluweelachtig zwart, de rug en de mantel licht bruinachtig grijs,
de keel en de wangen grijsachtig wit, de onderdeelen licht vaalgrijs,
de vleugels en de staart licht blauwachtig grijs, de handpennen aan
de buitenzijde wit gezoomd. De oogen zijn koffiebruin, de snavel en
de pooten zwart. Totale lengte 36, staartlengte 21 cM.

Men ontmoet de Blauwekster in alle deel en van Zuid- en Middel-Spanje,
waar de altijd groene Eiken samenhangende wouden vormen. Men kan zich
haar bijna niet voorstellen zonder dezen boom, wiens dichte kroon
haar bedekking en bescherming verleent, wiens donker lommer haar,
ondanks haar prachtig gewaad, verbergt en aan het oog onttrekt. In
Noordwest-Afrika, vooral in Marokko, ontmoet men haar eveneens;
in Oost-Siberië wordt zij door een nauw verwante soort (Cyanopolius
cyanus) vervangen. Overal, waar zij voorkomt, is zij veelvuldig. Zij
leeft gezellig en vormt talrijke benden, maar mijdt de nabijheid
van den mensch en komt daarom slechts bij uitzondering in de buurt
van bewoonde gebouwen voor. Hare gewoonten gelijken veel op die van
de Gewone Ekster; haar stem is echter geheel anders; deze klinkt
ongeveer als "krrih" of "prrih", lang gerekt en afgebroken; haar
gesnap ("klikklikklikkli") herinnert eenigszins aan het vroolijke
geluid van den Groenen Specht.

De broedtijd begint eerst in het midden van de lente: in de omstreken
van Madrid niet vóór het begin van Mei. Het nest gelijkt op dat van
onzen Vlaamschen Gaai, nog meer op dat van een Klauwier. Het broedsel
bestaat uit 5 à 9 eieren, op geelachtig grijzen grond geteekend
met donkerder wegsmeltende vlekken, waarover olijfbruine stippels
en vlekjes, die aan het dikkere einde soms kranswijs bijeenstaan,
verstrooid zijn. Gevangen Blauweksters zijn zeldzame, maar allerliefste
bewoners van onze volières, zij houden zich zeer goed en worden,
bij vriendelijke behandeling, even tam als andere Raafvogels.



De Notenkraker (Nucifraga caryocatactes), is de eenige inheemsche
vertegenwoordiger van het geslacht der Notenkrakers (Nucifraga),
waarvan zes soorten over Noord-Europa, Noord- en Middel-Azië (tot Japan
en het Himalaja-gebergte) en het westen van Noord-Amerika verbreid
zijn. Dit geslacht kenmerkt zich door den kegelvormigen, gelijkmatig
versmalden, in een wigvormige, horizontale spits uitloopenden snavel,
die een weinig langer dan de kop en nagenoeg recht is. Bij onze soort
is de hoofdkleur donkerbruin; met uitzondering van den kop en den nek,
die ongevlekt zijn, hebben nagenoeg alle kleine veeren aan de spits
een zuiver witte, langwerpig ronde vlek; de slagpennen en stuurpennen
zijn glanzig zwart, de laatstgenoemde met witten top, de snavel en
de pooten zwart. Totale lengte 36, staartlengte 12 cM.

De Notenkraker bezoekt ons vaderland gedurende den winter van sommige
jaren (o. a. 1847, 1864, 1886-1889, 1893, 1895), terwijl hij in
andere jaren hier in 't geheel niet wordt waargenomen. Standvogel is
hij daarentegen o. a. in de Beiersche Alpen, in de Hartz en in het
Reuzengebergte. Ook in Oost-Pruisen wordt hij gevonden. Veelvuldiger
dan hier broedt hij in de Zwitsersche en Oostenrijksche Alpen, in
Skandinavië en in de Russische Oostzeeprovinciën. De aaneengeschakelde
naaldboombosschen van de Middel-Europeesche hooge bergstreken en de
uitgestrekte naaldboomwouden van het noorden der Oude Wereld dienen
hem tot woonplaats; zijn verbreiding staat in verband met die van
den arve-den of Russische ceder (Pinus cembra), een naaldboom, die
eetbare zaden levert; in oorden waar dit voedsel gevonden wordt, houdt
de Notenkraker zich gedurende het geheele jaar op. In de genoemde
gebergten van Middel-Europa komt hij even geregeld voor als in het
hooge noorden, het veelvuldigst steeds daar, waar arven groeien. In
de andere streken van Duitschland vindt men hem, evenals bij ons,
gedurende de wintermaanden van sommige jaren allerwege; in den regel
volgen hierop verscheidene jaren, waarin slechts enkele exemplaren
zich vertoonen. Ook in het hooge Noorden strekken zijne zwerftochten
in den herfst zich niet altijd even ver uit. Hier bezoekt hij de
gewesten buiten zijn broedgebied wel geregelder, maar niet ieder jaar
in gelijken getale; want alleen het mislukken van de arve-noten drijft
hem van het noorden naar het zuiden of van het gebergte naar de vlakte.

De Notenkraker vertoont met den Vlaamschen Gaai niet veel meer
overeenkomst dan met een Specht. Hij ziet er onbehendig, ja zelfs
onbeholpen uit. Toch is hij een vlugge, wakkere Vogel, die zich op
den bodem goed weet te redden en met zeer groote vaardigheid op de
boomtakken en in de struiken rondhuppelt, of zich, evenals de Meezen,
aan den stam hecht, zoodat men wel mag zeggen, dat hij in 't klimmen
ervaren is. Evenals een Specht gaat hij aan stammen en takken hangen,
om met zijn scherpen, beitelvormigen snavel in de schors te hakken,
totdat er stukken van losraken en hij den hieronder verscholen
buit bemachtigen kan. Hij vliegt zonder inspanning, maar tamelijk
langzaam met sterk uitgebreide en snel bewogen vleugels. Zijn stem,
een op grooten afstand hoorbaar gekrijsch, bestaat uit de klanken
"krek krek krek", die in 't voorjaar dikwijls gevolgd worden door
den vele malen herhaalden klank "körr." Wanneer men zich gedurende
den broedtijd in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel bevindt,
hoort men van hem soms een eigenaardig, zacht, half ingehouden,
aan buikspreken herinnerend gezang. De Notenkraker heeft, naar
het schijnt, goed ontwikkelde zintuigen. Waarschijnlijk staat hij
bij enkele leden van zijn familie achter, wat het verstand betreft;
ten onrechte wordt hij echter voor dom gehouden. Zoodra de hazelnoten
rijpen, verzamelen zich alle Notenkrakers uit de buurt op de plaatsen,
waar hazelaars groeien. Na den morgen aan het zoeken van 't voedsel
te hebben besteed, verdwijnen zij tegen den middag in het bosch, om
laat in den namiddag weder in de struiken terug te keeren, hoewel in
minder grooten getale dan 's morgens. In de morgenuren komt er aan
hun geschreeuw en getwist geen einde. Ieder oogenblik komen eenige
van deze Vogels op dit geschreeuw aanvliegen, terwijl andere, den
rekbaren krop volgepropt met noten, zwaar beladen en met zichtbare
inspanning zich naar het woud terug begeven om hunne schatten daar in
voorraadschuren voor den winter te bewaren. In de bergstreken en de
naaldhoutbosschen van het hooge noorden dienen dergelijke uitstapjes
tot het verkrijgen van arve-noten. Behalve hazelnoten en arve-noten
eet de Notenkraker eikels, beukels, zaden van dennen, zilversparren en
sparren, graankorrels, lijsterbessen, hagedoornvruchten, rhamnusbessen,
aardbeien, boschbessen en andere zaden en vruchten, allerlei Insecten,
Wormen, Slakken, kleine Gewervelde Dieren van alle klassen, kortom
hij is geen lekkerbek en lijdt daarom zelfs in den winter geen
honger. Een tijdlang maakt hij gebruik van den opgespaarden voorraad;
als deze uitgeput is, moet hij elders zijn dagelijksch brood ophalen,
dan bezoekt hij de dorpen van het gebergte of verlaat tijdelijk zijn
geboortegrond.

De ontoegankelijkheid van de oorden, waar de Notenkrakers nestelen,
bemoeielijkt het nagaan van hun voortplanting. In de bergstreken van
Middel-Europa is hun nest moeielijk te bereiken, nog veel bezwaarlijker
gaat dit in hun eigenlijk vaderland, in de wouden van Noord-Europa:
wildernissen, die zelfs in den zomer ternauwernood doordringbaar
zijn en die derhalve in den voortplantingstijd van den Notenkraker
nog veel minder goed bezocht kunnen worden. In gewone omstandigheden
is het noodige aantal eieren (3 of 4) omstreeks het midden van Maart
in het nest aanwezig, in het noorden misschien eerst in het begin van
April. De eieren zijn langwerpig eirond, op lichtblauwachtig groenen
grond met viooltjeskleurige, groenbruine en lederbruine vlekken
geteekend, die over de geheele oppervlakte gelijkmatig verdeeld zijn
en aan het stompe einde soms tot een krans ineenvloeien. Het wijfje
broedt met veel zelfverloochening, zooals noodig is wegens het gure
jaargetijde; het mannetje zorgt voor haar veiligheid en draagt haar
voedsel toe; zij neemt dit gretig in ontvangst, waarbij zij uit
vreugde de vleugels trillend beweegt.

Het is niet bijzonder moeielijk den Notenkraker gedurende zijne
omzwervingen in den winter te vangen onder slagnetten of in knippen,
die met een lokaas voorzien zijn. Spoedig geraakt hij aan de kooi en
aan den gevangeniskost gewoon; hij neemt al wat eetbaar is, voor lief,
hoewel hij aan vleesch boven al het overige voedsel de voorkeur geeft.



Raafvogels met een betrekkelijk korten, langs den rug sterk gebogen
snavel worden in de onderfamilie der Staartkraaien (Dendrocittinae)
vereenigd. Zij bewonen de wouden van de warme landen van de Oude
Wereld, vooral van Zuid-Azië en komen over 't algemeen door hun
levenswijze met onze Eksters en Gaaien overeen.



De meest bekende leden van deze groep zijn de Boomeksters
(Dendrocitta), tamelijk groote Vogels met korten, zijdelings
samengedrukten, sterk gebogen snavel, middelmatig krachtige of korte
pooten, korte, sterk afgeronde vleugels en langen, wigvormigen staart,
welks beide middelste veeren ver voorbij de overige uitsteken.

Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de Zwerfekster, de Kotri
der bewoners van Indië (Dendrocitta rufa). Zij heeft met den 26
cM. langen staart een lengte van 41 cM. De kop, de nek en de borst
zijn roetkleurig of zwartachtig bruin, de onderdeelen beneden de
borst roodachtig of vaal geelachtig, de schouderveeren, de rug en
de bovendekveeren van den staart donkerroodachtig, de dekveeren van
den vleugel en de buitenvlag van de armpennen lichtgrijs, bijna wit,
de overige slagpennen zwart, de middelste stuurpennen aschgrauw met
zwarte spitsen, de overige stuurpennen wit met zwarte eindhelft. De
oogen zijn bloedrood, de pooten donker leikleurig, de snavel is zwart.

De Kotri is over geheel Indië verbreid en komt bovendien voor in
Assam, Tenasserim, China en Kasjmir (in den Himalaja trouwens overal
tot op 2000 M. hoogte). In al deze landen is zij veelvuldig, vooral
in boschrijke vlakten.



In een vierde onderfamilie vereenigen wij de Steenkraaien
(Pyrrhocoracinae), slank gebouwde, langvleugelige en kortstaartige
Raafvogels met tamelijk zwakken, spits eindigenden en eenigszins
gebogen, meestal levendig gekleurden snavel, sierlijk gekleurde pooten,
betrekkelijk lange vleugels en iriseerende veeren.



De Roodsnavelige Steenkraai of Alpenkraai (Pyrrhocorax graculus),
onderscheidt zich door zijn dunnen, tamelijk sterk gekromden bek,
die langer is dan de kop en, evenals de middelmatig hooge, kortteenige
pooten, een fraaie, koraalroode kleur heeft. De vleugels zijn lang en
reiken in rust tot voorbij den staart. Het vederenkleed is effen zwart
met groenen en violetten weerschijn. De oogen zijn donkerbruin. Totale
lengte 40, staartlengte 15 cM.

De Europeesche Alpen in hun geheele uitgestrektheid, de Karpathen,
de Balkan, de Pyreneën en bijna alle overige gebergten van Spanje,
voorts eenige bergen van Engeland en alle gebergten van den Oeral
en den Kaukasus tot aan de Chineesche landruggen en den Himalaja,
bovendien de Kanarische eilanden, de Atlas en de hooge bergtoppen
van Abessinië verschaffen een woonplaats aan dezen in alle opzichten
aantrekkelijken en merkwaardigen Vogel. In de Zwitsersche Alpen is
hij zeldzaam, in Spanje echter, op vele plaatsen althans, buitengewoon
talrijk. Hij bewoont in Zwitserland alleen het eigenlijke hooggebergte,
een gordel op korten afstand van de sneeuwgrens, en dwaalt dikwijls
tot aan de hoogste toppen der Alpen af; in Spanje daarentegen ontmoet
men hem reeds op rotswanden, die zich tot hoogstens 200 à 300 M. boven
den zeespiegel verheffen. In de Rhetische gebergten nestelde hij nog
voor 70 jaren in de klokkenstoelen en torendaken van nagenoeg alle
hooggelegen bergdorpen, terwijl hij tegenwoordig, meestal tengevolge
van de veranderingen, die de torens dezer dorpen ondergaan hebben,
door den nood gedwongen, naar de wildernissen der rotsen teruggekeerd
is. In den hoogsten gordel van het gebergte overwintert hij niet, maar
begeeft zich in October naar lager gelegen rotswanden of zuidelijker
gewesten. In dezen tijd vertoonen zich, naar men zegt, zwermen van
400 à 500 van deze Vogels bij de hospitiën, om echter weldra weer
te verdwijnen.

Volgens ons oordeel herinnert de Alpenkraai sterk aan de Kauw; zij
vliegt echter gemakkelijker en sierlijker, ook is zij schranderder en
voorzichtiger dan deze. Als men geruimen tijd de Alpenkraaien nagaat,
bemerkt men, dat zij met een zekere regelmatigheid op bepaalde plaatsen
verschijnen en deze met dezelfde regelmatigheid weer verlaten. In de
vroegste morgenuren vliegen zij uit om voedsel te zoeken en keeren
omstreeks 9 uur des voormiddags naar hare woonplaatsen terug; zij
houden zich hier slechts korten tijd op, gaan drinken en zoeken opnieuw
voedsel, voordat zij naar haar rotswand terugkeeren. In de schaduwrijke
rotsholen, waar zij zich gedurende de middaghitte verborgen houden,
geven zij nauwkeurig acht op hetgeen er in haar onmiddellijke nabijheid
voorvalt, en laten niets verdachts voorbijgaan, zonder het met luid
geschreeuw te begroeten. Voorbijvliegende Arenden worden door de
geheele bende over een zekeren afstand vervolgd en moedig aangevallen;
er wordt echter wel degelijk onderscheid gemaakt tusschen de eene
soort en de andere; voor den behendigen Havikarend zijn de schrandere
Vogels zeer op hun hoede; zij verbergen zich zelfs voor hem nog dieper
in hunne rotsholen, terwijl zij zich om den Lammergier volstrekt niet
bekommeren. In de namiddaguren vliegen zij nogmaals om voedsel uit en
keeren eerst, als de zon ondergaat, na nogmaals gedronken te hebben,
naar de gemeenschappelijke woon- en slaapplaatsen terug.

Eigenaardig is het, dat de Alpenkraai slechts oorden van een bepaalde
gesteldheid bewoont en in andere, die schijnbaar even gunstig gelegen
zijn, ontbreekt.

Als men nagaat, welk voedsel de Alpenkraai hoofdzakelijk gebruikt,
blijkt het, hoe behendig zij haar gekromden snavel weet te
gebruiken. Zij eet namelijk meestal Insecten en slechts in enkele
gevallen andere stoffen. Sprinkhanen en Spinachtigen, o.a. Scorpioenen,
zijn in Spanje waarschijnlijk de hoofdbestanddeelen van haar maal;
deze dieren weet zij zeer behendig te overmeesteren. Zij werpt met haar
langen snavel steentjes om en pikt de daaronder verborgen dieren op;
ook boort zij wel met haar snavel in den grond om Insecten te vangen,
of steekt hem onder groote steenen, die te zwaar zijn om opgetild te
worden, en zoekt op deze wijze haar lievelingsspijs.

De broedtijd valt in de eerste maanden van de lente. Volgens Girtanner
bestaan de bovenbouw en de onderbouw van het nest uitsluitend uit
dunne, naar boven steeds fijner wordende worteltjes, grootendeels
van dezelfde plantensoort afkomstig; de nestholte evenwel is bekleed
met een buitengewoon dichte en stevige, niet minder dan 6 cM. dikke
laag vilt, welks grondstoffen aan nagenoeg alle Zoogdieren van
het gebergte zijn ontleend. Vlokken schapenwol worden met haren
van Geiten en Gemzen, groote bossen witte hazenharen met haren
van Runderen zorgvuldig dooreengewerkt. "Op plaatsen, waar het
nest onmiddellijk tegen de rots aanligt, is de viltwand tamelijk
hoog bij het gesteente opgebouwd, om de moeder en de kinderen
zooveel mogelijk tegen vochtigheid en koude te vrijwaren. De 4 of 5
eieren zijn op witachtigen of vuil grijsgelen grond met lichtbruine
vlekken en stippels geteekend. Hoe lang het broeden duurt, is niet
bekend. Waarschijnlijk broedt het wijfje alleen; aan den moeilijken
arbeid van de voedering der jongen wijden echter de beide ouders
zich onder groot geschreeuw en misbaar. Tegen het einde van Juni
verlaten de jongen het nest; zij worden echter nog lang door hunne
ouders geleid en onderricht.

Ook in den broedtijd bestaat er tusschen de Alpenkraaien van een gewest
dezelfden innigen band als in de overige maanden van het jaar. Zij
zijn gezellige Vogels in den volsten zin van het woord. Geheel zonder
plagerijen verkeeren zij trouwens niet met elkander; ook is het zeer
wel mogelijk, dat de leden van hetzelfde gezelschap elkander bestelen,
zooveel zij kunnen en durven; dit is echter bij de Raafvogels niets
vreemds; de goede verstandhouding wordt er in 't geheel niet door
verstoord. In oogenblikken van gevaar staan de leden van den zwerm
elkander trouw bij; elk hunner toont in sommige gevallen een werkelijk
verheven moed. Zoo zagen wij, dat gezonde Alpenkraaien zich onder
luid geschreeuw om gewonde leden van haar gezelschap heenbewogen
en duidelijk de bedoeling te kennen gaven om hare in 't ongeluk
verkeerende soortgenooten behulpzaam te zijn.

Hoewel alle Raafachtigen aantrekkelijke kooivogels zijn, is geen
harer dit in die mate als de Alpenkraai. Zij wordt bij eenigszins
zorgvuldige behandeling weldra buitengewoon tam en gemeenzaam. Zeer
gehecht aan haar verzorger, luistert zij naar den naam, dien hij haar
gegeven heeft en gehoorzaamt, als zij geroepen wordt. Men kan haar
gerust toestaan zich naar eigen verkiezing in en buiten de kooi te
bewegen. Bij doelmatige verzorging zal zij in een hiervoor geschikte
kooi ook eieren leggen en uitbroeden. Haar sierlijke gedaante,
de fraaie kleur van snavel en pooten, haar bevallige houding,
levendigheid en bedrijvigheid, nieuwsgierigheid en leerlust, haar
zelfbewustzijn, geschiktheid tot het aanleeren van kunstjes en
nabootsingsvermogen zijn een onuitputtelijke bron van vermakelijke
en leerzame waarnemingen. Mettertijd wordt zij een huisdier in
de beste beteekenis van het woord, maakt onderscheid tusschen
bekenden en vreemdelingen, tusschen volwassenen en kinderen, en toont
belangstelling in alle gebeurtenissen, die in den huiselijken kring
voorvallen; men zou bijna kunnen zeggen, dat zij medegevoel toont
voor vreugde en droefheid; bovendien sluit zij vriendschap met andere
huisdieren, doet langzamerhand een schat van ervaringen op, wordt
steeds schranderder, hoewel tevens listiger en neemt om al deze redenen
ten slotte een belangrijke plaats in onder de bewoners van het huis.

Het is niet moeielijk de Alpenkraai in 't leven te houden. Hoewel zij
zich hoofdzakelijk met vleesch voedt, gebruikt zij bijna alle spijzen,
die de mensch eet. Wittebrood is voor haar een lekkernij, versche
kaas niet minder; kleine Gewervelde Dieren worden niet versmaad,
hoewel het haar veel moeite kost een Muis of een vogeltje te dooden
en te verscheuren. Zwakkere Vogels valt zij vol woede aan, maar ook
Vogels van gelijke grootte, zooals Gaaien en Kauwen, worden door haar
afschuwelijk mishandeld. Genegenheid toont zij alleen aan menschen.



De nauw verwante Geelsnavelige Steenkraai of Alpenkauw (Pyrrhocorax
alpinus), verschilt van de Alpenkraai door haar kleed, dat eer op dat
van een Merel dan op dat van een Kraai gelijkt, en door den snavel:
deze is korter dan de kop, hoewel slank, toch dikker dan bij de vorige
soort, heeft een gekromden rug, doch weinig gebogen zijranden en is
geel van kleur. De oude vogels hebben fluweelachtig zwarte veeren
en roode pooten, de jongen dofzwarte veeren en gele pooten. Beide
soorten zijn nagenoeg gelijk van grootte; ook in levenswijze en
gewoonten komen zij in hoofdzaken overeen.

"Evenals de Leeuwerik bij het korenveld, de Meeuwen bij de zee,
de Gors en de Zwarte Roodstaart bij den stal en de weide, de Duif
en de Musch bij de graanschuur, de Winterkoning bij de groene haag,
de Mees en het Goudhaantje bij het jonge lorkenwoud, de Kwikstaart
bij de beek, de Vink bij het beukenbosch, de Eekhoorn bij de met
kegels beladen sparren behoort," zegt Tschudi, "zoo behoort bij de
rotskammen onzer bergen de Alpenkraai. De reiziger of jager moge
overigens in de bergen zoomin twee- als vierpootige bewoners vinden,
een troep Steenkraaien, die twistend en schreeuwend op uitstekende
rotspunten zitten, bij zijn nadering onder schel gefluit met weinige
vleugelslagen opvliegen, met spiraalvormige zwenkingen omhoogstijgen,
daarna wijde kringen om de rotsen beschrijven en zich weldra weer
op een daarvan neerzetten, van waar zij den vreemdeling bespieden,
vindt hij er ongetwijfeld altijd, hetzij op de weiden boven de grens
van den boomgroei, òf op de doodsche, met rolsteenen bedekte hellingen
der hooge Alpen, niet minder veelvuldig ook op de naakte rotsen bij
en in de eeuwige sneeuw. Zelfs in het sneeuwveld, de "firnzee", die
den hoogsten top van den Tödi, meer dan 3500 M. boven den zeespiegel,
omgeeft, vond von Dürrler nog twee zulke Kraaien; ook Meyer ontmoette
bij de bestijging van den Finsteraarhorn verscheidene exemplaren van
deze diersoort op een hoogte van meer dan 4000 M. Zij komen dus op
nog grooter hoogte voor dan de Sneeuwvinken en Sneeuwhoenderen;
hier vervangt hun schel, eentonig geschreeuw het kwinkeleeren
van den Alpen-bastaardnachtegaal en van den Citroenvink, dat den
reiziger op een ongeveer 1000 M. geringere hoogte zoo vriendelijk
begeleidde. En toch doet het dezen aangenaam aan, dat hij te midden
van de eeuwigdurende ijs en sneeuw althans deze vlugge Vogels nog
ziet rondzwerven en zich beijveren om met den snavel de in de "firn"
gezakte Insecten op te sporen.

"Evenals bijna alle Alpendieren, worden ook de Alpenkauwen als
weeraankondigers beschouwd. Hare dikwijls dicht bij elkander gelegen
nesten worden in de spleten en holen van de moeielijkst toegankelijke
bergtoppen gebouwd. Het van grashalmen vervaardigde nest is ondiep en
groot; het bevat in den broedtijd vijf eieren, zoo groot als die van
de Kraai, met donkergrijze vlekken op licht aschgrauwen grond. Sommige
rotsholen worden door vele opeenvolgende geslachten van Alpenkauwen
bewoond, die den bodem met een dikke laag drek bedekken."

"Deze Vogel," zegt Savi, "kan zeer gemakkelijk getemd worden en is
innig gehecht aan zijn verzorger. Men kan hem jaren lang in 't leven
houden en vrij laten loopen of vliegen. Hij springt op de tafel
en eet vleesch, vruchten (vooral druiven, vijgen en kersen), zwart
brood, droge kaas en eidooier. Hij houdt van melk en geeft soms aan
wijn de voorkeur boven water. Evenals de Raven houdt hij de spijzen,
die hij verscheuren wil, met de klauwen vast, verstopt het overige
en bedekt het met papier, houtsplinters en dergelijke voorwerpen,
blijft soms naast dezen voorraad staan en verdedigt hem tegen Honden
en menschen. Hij heeft een merkwaardige liefhebberij voor vuur,
trek dikwijls de brandende pit uit de lamp en slikt deze in, haalt
's winters gloeiende stukjes kool uit het haardvuur, zonder dat dit
hem eenigszins schaadt. Hij vindt het zeer prettig den rook omhoog te
zien stijgen; zoodra hij een test met vuur ziet, zoekt hij een stuk
papier, linnen of hout, werpt dit er in en gaat er dan voor staan om
naar den rook te kijken. Zou het niet kunnen zijn, dat deze Alpenkauw
de "brandstichtende Vogel" (avis incendiaria) van de Ouden is?

"Als zij een Slang, een Kreeft of een dergelijk dier ziet, slaat
zij met de vleugels en den staart en krast als een Raaf; als een
vreemdeling in de kamer komt, schreeuwt zij, zoodat men er bijna doof
van wordt; wanneer een bekende haar roept, snatert zij daarentegen
zeer vriendelijk. Als zij stil zit, zingt zij wel eens; buiten de kooi
fluit zij soms bijna al een Merel; zelfs kan men haar een kleinen
marsch leeren fluiten. Als een harer vrienden na lange afwezigheid
terugkeert, gaat zij hem met half geopende vleugels tegemoet, begroet
hem met geschreeuw, vliegt hem op den arm en bekijkt hem van alle
zijden. Als zij na zonsopgang de deur gesloten vindt, gaat zij naar de
slaapkamer, roept eenige malen, gaat onbeweeglijk op het hoofdkussen
zitten en wacht, tot haar vriend ontwaakt. Zoodra dit geschied is,
heeft zij geen rust meer; zij schreeuwt zoo luid mogelijk, vliegt van
de eene plaats naar de andere en toont op allerlei wijzen haar vreugde
over het gezelschap van haar meester. Haar genegenheid wekt werkelijk
verbazing; zij ontaardt echter niet in slaafsche onderworpenheid;
de Alpenkauw laat zich niet gaarne in de hand nemen; er zijn altijd
eenige personen, die zij niet lijden mag en met den snavel bedreigt."



De laatste onderfamilie van de Raafvogels omvat de Orgelvogels
(Streperinae), die misschien een overgang vormen tot de familie der
Klauwiervogels. Hunne kenmerken zijn: de langwerpig kegelvormige,
aan den wortel breede, zijdelings samengedrukte snavel, welks rug
op het voorhoofd in een breed, half cirkelvormig schild eindigt en
van hier tot aan de haakvormig over den ondersnavel heengebogen spits
nagenoeg recht is; de spleetvormige neusgaten zijn niet door borstelige
veeren overdekt, zooals bij de echte Raafvogels steeds het geval is;
de pooten zijn volkomen raafachtig, de vleugels lang en spits; de
staart is middelmatig lang, recht afgesneden of flauw afgerond.

De Orgelvogels bewonen het Australische faunistische Rijk. Zij
loopen buitengewoon goed op den grond en bewegen zich niet minder
behendig in de twijgen; zij vliegen echter op onvaste wijze en niet
zonder inspanning. Kleine dieren van verschillende klassen, vooral
Sprinkhanen en kleine Gewervelde Dieren, voorts vruchten en zaden
maken hun voedsel uit.



De Fluitvogel (Strepera tibicen), die in den laatsten tijd een
bewoner van alle dierentuinen geworden is, komt in grootte nagenoeg
met den Roek overeen. (Totale lengte 43, staartlengte 14 cM.) Zijn
vederenkleed is grootendeels zwart; de nek, de benedenrug, de boven-
en onderdekveeren van den staart en de voorste vleugeldekveeren zijn
echter wit. De oogen zijn roodachtig nootbruin, de pooten zwart;
de snavel is bruinachtig aschgrauw.

De Fluitvogel is, volgens Gould, vooral veelvuldig in Nieuw-Zuid-Wales,
waar hij sterk in 't oog loopt en het land zeer tot sieraad strekt;
overal, waar men hem niet vervolgt of verdrijft, bezoekt hij de tuinen
der kolonisten en zelfs hunne woningen, als hij er heengelokt wordt;
de hem verleende bescherming beantwoordt hij met een zeer groote
gemeenzaamheid. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Sprinkhanen,
die hij in ontelbare menigte verslindt.

Toen Gould in Australië reisde, waren gevangen Fluitvogels bij
ons zeldzaam; tegenwoordig worden zij dikwijls levend naar Europa
gebracht. Zij zijn zeer gezocht door vogelliefhebbers en mogen in
geen dierentuin ontbreken. Reeds wanneer hij zich stil houdt, trekt
deze Vogel de aandacht, voor iedereen aantrekkelijk wordt hij echter
door zijn zonderling gezang. Iedere klank op zich zelf is vol en
zuiver van toon, de eindstrophe echter is gewoonlijk meer een soort
van gebrom dan gefluit. Deze Vogels kunnen wel muzikale geluiden
voortbrengen, maar ze niet tot een lied samenvoegen; bovendien
bederven zij vaak hun spel door allerlei kuren, die hen toevallig in
den kop komen. Daar zij buitengewoon leerzaam zijn, nemen zij zonder
moeite wijsjes over, zoowel van een Vogel als van een draaiorgel of
ander muziekinstrument. Alle tamme Fluitvogels, die ik heb leeren
kennen, mengden met hun gezang bekende wijzen, vooral straatdeuntjes,
die zij, naar het schijnt, gedurende de overvaart van de matrozen
afgeluisterd hadden. In den regel onthalen zij hunne bekenden op
een lied en begroeten hunne vrienden met een zekere teederheid. Hun
vriendschap kan men echter gemakkelijker verspelen dan winnen; zij zijn
volgens mijne ervaringen zeer hartstochtelijk en oploopend, ja zelfs
wraakzuchtig en verweren zich bij de geringste opwelling van toorn,
dikwijls op gevoelige wijze met den snavel. Zij zetten dan hunne veeren
op, breiden de vleugels en den staart uit en gaan als een booze Haan op
den rustverstoorder af. Ook met hunne soortgenooten hebben zij dikwijls
ruzie; andere Vogels vallen zij met moordzuchtige bedoelingen aan.

Het is niet moeilijk hen in de kooi in 't leven te houden. Hoewel zij
dierlijk voedsel noodig hebben, nemen zij ook plantaardige stoffen voor
lief. Vleesch, brood en vruchten maken het hoofdbestanddeel van hun
voedsel uit. Voor weersveranderingen zijn zij niet bijzonder gevoelig;
zonder gevaar kan men ze 's winters in de open lucht laten blijven.



De familie van de Klauwiervogels (Laniidae) is in bijna 300 soorten
over de geheele wereld verbreid. Hare kenmerken zijn gelegen in den
krachtigen zijdelings samengedrukten snavel, welks bovenste helft
achter de haakvormig omgebogen spits aan weerszijden voorzien is
met een inkerving en een daarachter voorkomend, hoekig uitsteeksel
("tand" genaamd),--in de korte, breede, afgeronde vleugels, welker
derde of vierde handpen gewoonlijk alle overige slagpennen  in lengte
overtreft,--in den tamelijk of zeer langen, trapvormigen, uit twaalf
pennen samengestelden staart. Het vederenkleed	is goed gevuld,
min of meer los en zacht, op aangename en afwisselende, bij sommige
soorten echter op nagenoeg gelijke wijze geteekend.

De Klauwiervogels bewonen boschjes te midden van akkers en weiden,
hagen en struiken op bouwland, tuinen en alleenstaande boomen,
welker hoogste twijgspitsen hun gewone zitplaats zijn. De meeste,
in 't noorden broedende soorten trekken geregeld naar 't zuiden en
strekken hare reizen tot in Middel-Afrika uit. Door levenswijze en
gewoonten herinneren de Klauwiervogels evenzeer aan Roofvogels als
aan sommige Raafvogels. Ondanks hun geringe grootte, zijn zij zeer
moedig, roofzuchtig en moordgierig. Zij onderscheiden zich niet door
den omvang, maar wel door de menigvuldigheid hunner talenten. Ondanks
hun slechte en onregelmatige wijze van vliegen en hun huppelenden
gang, overvallen en vangen zij dikwijls Vogels, die behendiger zijn
dan zij zelf. Hun eigen, eentonig gezang verbeteren zij aanmerkelijk,
door op het lied van andere Vogels te letten en hieruit, blijkbaar met
de grootste inspanning en nauwgezetheid, althans enkele strophen en
tonen af te luisteren, die zij later, op zonderlinge wijze vereenigd
en versmolten, weergeven. Enkele soorten zijn wegens deze gewoonte
de vreugde en de trots van vele vogelliefhebbers.

De Klauwiervogels zijn eigenlijk insecteneters, de meeste soorten maken
echter ook jacht op kleine Vogels, die hen meestal niet vreezen en met
een ongerechtvaardigd vertrouwen vereeren en voor wie zij hierom des
te gevaarlijker zijn. Rustig zitten zij eenige minuten te midden van
andere Zangvogels, die geen argwaan koesteren voor de vreemdelingen,
welke hen soms zelfs bij hun gezang begeleiden, maar zich later als
Roofvogels gedragen, door onverwachts een van de naastbijzittende
leden van het gezelschap aan te grijpen en te dooden. Zij hebben de
vreemde gewoonte om den gevangen buit aan spitse doornen te steken. Op
plaatsen, die door een paar van deze Vogels bewoond worden, zal men
zelden tevergeefs zoeken naar Insecten, of zelfs vogeltjes en kleine
Reptiliën, die zij op deze wijze voor later bewaard hebben. Deze
gewoonte heeft aanleiding gegeven tot den naam van "Negendooder",
dien het volk aan deze roovers heeft gegeven.

Hun nest is meestal met niet geringe kunstvaardigheid te midden van
dichte twijgen of althans te midden van dicht bijeengroeiende takken
gebouwd en gewoonlijk met groene plantendeelen versierd. Het wijfje
broedt op 4 à 6 eieren en wordt intusschen door het mannetje van
voedsel voorzien. De beide ouders wijden zich met teedere liefde
aan de voedering van hun kroost, dat zij in tijd van gevaar met
grooten moed verdedigen; de jongen blijven nog lang nadat zij het
nest verlaten hebben, onder de hoede hunner ouders, die hen leiden
en onderrichten en hen eerst laat in den herfst, waarschijnlijk niet
vóór hun aankomst in de winterkwartieren, aan zich zelf overlaten.

De Europeesche Klauwiervogels behooren allen tot de onderfamilie van
de Wurgers (Laniinae), welker vertegenwoordigers zich o.a. door de
meerdere grootte van den tand aan den bovensnavel van hunne verwanten
onderscheiden en tot het typische geslacht van de Klauwieren (Lanius),
o.a. gekenmerkt door den zeer krachtigen snavel, de stevige pooten
en de vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde en de vierde
handpen, die nagenoeg even lang zijn.



De grootste, inheemsche Klauwier is de Klapekster, Wachter, Blauwe
Klauwier, Negendooder, Waldheer of Vinkenbijter, in Groningen Blauwe
Tuinvalk, Kleine Valk, Grauwe Doorndraaier, in Friesland Tuinekster
genoemd (Lanius excubitor); zij is 26 cM. lang, waarvan 12 cM. op den
staart komen. De veeren van de bovendeelen zijn (op een lange, witte
schoudervlek na) gelijkmatig licht aschgrauw, die van de onderdeelen
zuiver wit; een breede, zwarte, wit gerande teugelstreep strekt
zich tot achter de oogen uit. In den vleugel zijn de wortelhelft
der handpennen, een plek aan den wortel der armpennen, de spits en de
binnenvlag der schouderveeren wit; overigens zijn de slagpennen en hare
bovendekveeren zwart. Zwart zijn ook de beide middelste staartveeren;
bij de overige treedt deze kleur meer en meer op den achtergrond
en wordt door zuiver wit vervangen; de op één na buitenste is,
met uitzondering van een groote, zwarte vlek op het midden van de
binnenvlag, en de buitenste, op een zwarte schaftstreep na, geheel
wit. De oogen zijn bruin, de pooten loodkleurig grijs, de snavel is
zwart. Het wijfje en de jongen onderscheiden zich door minder zuivere
kleuren en flauw golvende, zwartachtige dwarslijnen aan de onderdeelen,
die vooral op de borst duidelijk uitkomen.

Nevens de Klapekster komen in Europa verwante vormen voor, die
soms als verscheidenheden van de genoemde soort worden beschouwd,
maar, voor een deel althans, afzonderlijke soorten mogen heeten; zij
onderscheiden zich door een iets geringere grootte en de meerdere of
mindere uitgebreidheid van het wit aan de vleugels en den staart.

De Klapekster leeft in alle landen van Europa (misschien
met uitzondering van het allerzuidelijkste gedeelte) en in een
groot deel van Azië als stand- of zwerfvogel, in Noord-Afrika en
Zuid-Azië als trekvogel. In ons land wordt zij nergens in groote
getale aangetroffen. In Groningen, Gelderland en Noordbrabant
heeft men haar zien broeden; in de overige provinciën wordt zij
zeer zelden en alleen gedurende hare zwerftochten in het najaar
waargenomen. Sommige overwinteren bij ons, de meeste verhuizen
echter. In den winter komen zij gaarne in de nabijheid van dorpen,
in den zomer bewonen zij paarsgewijs boschranden of afgezonderd in
het vrije veld staande boomen. Boschjes, die door velden omgeven zijn,
of boschranden, die aan weiland grenzen, zijn haar lievelingsverblijf;
gewoonlijk vindt men hier hare nesten. Zij is, naar het schijnt, in
het gebergte even veelvuldig als in de vlakte en ontbreekt slechts
in de hoogste gedeelten der Alpen en in moerassige gewesten. Wie haar
eens heeft leeren kennen, zal haar met geen harer inheemsche verwanten
verwarren; zij onderscheidt zich van deze zoowel door haar aard als
door haar grootte. Gewoonlijk ziet men haar tamelijk bewegingloos
zitten op den hoogsten top van een boom of struik, die een ruim
uitzicht veroorlooft, soms rechtop met recht afhangenden staart,
soms met horizontaal gericht lichaam. Hare onverpoosd rondwarende
blikken ontdekken iederen voorbijvliegenden Roofvogel, ieder op den
bodem zich bewegend Insect, vogeltje of muisje. De groote Vogels,
vooral de Valken, worden met geschreeuw begroet, moedig aangevallen
en plagend vervolgd. Door haar geschreeuw waarschuwt zij alle overige
Vogels voor het naderende gevaar en draagt daarom niet ten onrechte
den naam van "Wachter".

Bij het zien van een klein dier, schiet zij naar beneden en tracht het
te vatten; een vluchtende Muis loopt zij soms een eind weegs op den
bodem na. Niet zelden blijft zij met snelle vleugelbeweging gedurende
geruimen tijd op één plaats in de lucht staan, om bij het opmerken
van een buit als een Valk naar beneden te schieten. In den winter zal
men haar dikwijls te midden van de Musschen op een zonnig plekje zien
zitten; plotseling pakt zij één van deze niets kwaads vermoedende
Vogels van ter zijde aan, wurgt hem met de klauwen en doodt hem met
den snavel, draagt haar prooi nu eens in den snavel, dan weer in de
pooten naar een veilige plaats, waar zij haar dadelijk verscheurt of,
als de honger niet groot is, voorloopig op doornen of spitse takken
of ook wel op het uiteinde van een dunnen stok spietst. De door honger
gekwelde Klapekster laat zich, hoe voorzichtig zij overigens is, door
de aanwezigheid van menschen niet van haar roofgierig plan weerhouden
en gedraagt zich met zulk een vermetelheid, dat men haar met de hand
kan vangen. Indien zij even behendig was als moedig en driest, zou
zij de vreeselijkste van alle roovers zijn. Hoewel hare aanslagen
zeer dikwijls mislukken, is zij een hoogst gevaarlijke vijand voor
alle zwakkere Vogels.

Van hare zintuigen zijn, naar het schijnt, vooral de oogen buitengewoon
goed ontwikkeld; ook haar gehoor is voortreffelijk, zelfs een zeer zwak
gedruisch trekt haar aandacht. Haar schranderheid blijkt duidelijk, nog
meer echter haar hartstochtelijke aard. In de hoogste mate twistziek,
vecht zij gaarne met andere Vogels, tracht iederen bezoeker uit haar
gebied te verdrijven en toont zich tegen Roofvogels zeer vijandig
gezind; vooral den Ooruil vervolgt zij met fellen haat.

Het gewone geschreeuw van de Klapekster, waarmede zij iedere
aandoening, van vroolijken zoowel als van onaangenamen aard, te kennen
geeft, is het dikwijls herhaalde "gè gè gè gè". Haar loktoon is het
zachte "troe-u troe-u"; op mooie winterdagen, vooral bij 't naderen
van de lente, hoort men van haar een echt gezang, dat uit verscheidene
tonen bestaat; het is bij verschillende individuën ongelijk; dikwijls
maakt het een zeer vreemdsoortigen indruk, daar het uit een nabootsing
van de geluiden der in haar gebied wonende, kleine Zangvogels schijnt
te bestaan. Dit aan allerlei bronnen ontleende gezang wordt niet alleen
door het mannetje, maar ook door het wijfje voorgedragen. Soms verneemt
men van beide een schel, piepend geluid, zooals dat van vogeltjes,
die in groot gevaar verkeeren. Intusschen blijft de Klapekster rustig
zitten; het is, alsof zij door hare klaagtonen nieuwsgierige Vogels
tot zich wil lokken; het zou kunnen zijn, dat zij dit doet om op deze
wijze een prooi te bemachtigen.

In April vangt de voortplantingstijd aan. Het paar kiest in
boschranden, in boschjes te midden van het veld, in tuinen of
plantsoenen een geschikten boom uit, bij voorkeur een hagedoornstruik
of een wilden ooftboom; hier bouwt het van droge halmen, rijsjes
en mos een tamelijk kunstig, betrekkelijk groot nest, welks half
bolvormige holte met stroo en grashalmen, wol en haren dicht bekleed
is. Het broedsel bestaat uit 4 à 7 eieren, die op groenachtig grijzen
grond olijfbruin en aschgrauw gevlekt zijn en 15 dagen lang bebroed
worden. In 't begin van Mei komen de jongen uit; de beide ouders
voorzien hen met een menigte Kevers, Sprinkhanen en andere Insecten,
later met vogeltjes en Muizen, verdedigen hun kroost zonder zich te
bekommeren om het gevaar, dat zij zelf loopen; zij voederen dit ook
nog lang na het uitvliegen; tot in het laatst van den herfst duurt
hun zorg.

De Havik en de Sperwer, die in wreedheid voor de Klapekster niet
onderdoen, zijn hare gevaarlijkste vijanden. Zij kent hen wel en
neemt zich zooveel mogelijk voor hen in acht, hoewel zij het niet
altijd laten kan hen te plagen en bij deze gelegenheid dikwijls den
buit van de sterkere roovers wordt. Bovendien wordt zij door velerlei
parasieten gekweld. De mensch vangt haar vóór de kraaienhut en met
het slagnet. Op plaatsen, waar over een grooten afstand geen boomen
groeien, kan men haar gemakkelijk vangen, door op een middelmatig
hoogen paal een met lijmroeden voorzienen struik vast te binden;
ook legt men wel lijmroeden op hare gewone zitplaatsen.

In de gevangenschap wordt de Klapekster weldra tam; dat zij haar
verzorger goed heeft leeren onderscheiden, toont zij door het vroolijke
geschreeuw, waarmede zij hem begroet; zij zingt haar grappig lied met
tamelijk grooten ijver, maar houdt zich in de kooi niet zoo goed als
hare verwanten. Vroeger werd zij, naar men zegt, voor de vogelvangst
(voor het "vluchtbedrijf") afgericht. Beroemd was zij wegens haar
onmisbaarheid bij de vangst van Valken; de valkeniers noemden haar
"handwerk".



Zeer zelden ontmoet men in ons land den Kleinen Klauwier (Lanius
minor): slechts éénmaal is zijn aanwezigheid goed geconstateerd, hoewel
er meermalen sprake van is geweest. In Duitschland daarentegen vindt
men hem in alle vlakke gewesten, waar bosschen met breedbladige boomen
de overhand hebben. Hij is een van de fraaiste leden zijner familie. De
veeren van de bovendeelen zijn licht aschgrauw, die van de onderdeelen
wit, aan de borst als 't ware overtogen met een rozenrood waas;
zwart zijn het voorhoofd en de teugels en het grootste gedeelte van de
vleugels; een witte vlek strekt zich uit over de wortelhelft der negen
eerste handpennen; de armpennen hebben een smallen, witten eindzoom.



De meest bekende, inheemsche Wurger is de Grauwe Klauwier,
Schataakster, Steenekster of Negendooder, in Groningen Roode Tuinvalk,
Vinkenbijter of Bruine Doorndraaier genoemd (Lanius collurio). De
kop, de achterhals, de staartwortel en de bovendekveeren van
den staart zijn licht aschgrauw, de overige bovendeelen fraai
bruinrood. Een smalle voorhoofdsrand en een van boven en van onderen
wit begrensde teugelstreep zijn zwart; de wangen, de kin, de keel
en de benedendekveeren van den staart wit, de overige onderdeelen
licht rozerood. De hand- en armpennen zijn bruinachtig grauwzwart,
met smalle, lichtbruine kanten, de schouderveeren bijna geheel
roestbruin; aan den wortel van iedere armpen bevindt zich een klein,
lichtkleurig vlekje; deze vlekjes vormen, als de vleugel uitgespreid
is, een duidelijk zichtbare streep. De middelste veeren van den
staart zijn bruinzwart, de volgende aan den wortel wit en overigens
zwart, de buitenste voor drie vierde gedeelte wit en slechts aan de
spits zwart. De oogen zijn bruin, de pooten grauwzwart; de snavel
is zwart. Het wijfje is van boven roestgrauw; de onderdeelen zijn op
witachtigen grond met bruine golflijnen geteekend. Totale lengte 18,
staartlengte 7 cM.

Van alle inheemsche Klauwieren heeft de Grauwe het uitgestrektste
verbreidingsgebied. Hij bewoont bijna geheel Europa, van Finland en
Rusland tot het zuiden van Frankrijk en Griekenland, bovendien Siberië
voor zoover het tot de gematigde luchtstreek behoort. In Spanje
broedt hij alleen in de noordwestelijke districten, in Griekenland
alleen in de hoogste gebergten. Op zijn winterreis doorkruist hij
geheel Afrika. Bij ons vindt men hem broedend in droge streken van
de grensprovinciën en langs den duinkant; in Friesland o. a. in
de woudstreken, b.v. in het bosch te Kuikhorne (Albarda). Hij komt
hier in April, houdt verblijf op boomen en doornstruiken, vooral van
boschzoomen, doch ook in groote boomgaarden, en vertrekt weder in
September. Dicht struikgewas is, naar het schijnt, onmisbaar voor zijn
welvaren. Als men deze struiken uitroeit, verlaat de Grauwe Klauwier de
streek, zelfs wanneer hij er vroeger veelvuldig voorkwam. Hij is echter
spoedig tevreden, want reeds een enkele dichte struik te midden van het
veld bevredigt hem volkomen. Het paar nestelt dan vele jaren achtereen
altijd op dezelfde plaats en verdedigt het nest hardnekkig tegen
iederen Vogel, vooral tegen een tweede paar Vogels van zijn soort.

Ook de Grauwe Klauwier is een drieste, moedige, wakkere, onrustige
Vogel. Zelfs wanneer hij zit, draait hij den kop voortdurend naar
alle zijden en wipt intusschen den staart op en neer. Op deze wijze
laat hij van de hoogste toppen van struiken en boomen zijne blikken
zwerven over zijn jachtgebied; na elk uitstapje keert hij naar deze
uitkijkplaatsen terug. Als hij opgejaagd wordt, laat hij zich vallen
tot dicht bij den bodem en schiet er op korten afstand bij langs, om
eerst, als hij wil gaan zitten, weer omhoog te stijgen. Ook hij vliegt
niet graag lang achtereen; liefst rust hij op elke geschikte zitplaats
even uit en gaat daarna eerst verder. Zijn loktoon is een tamelijk
duidelijk hoorbaar "gek gek gek" of een moeielijk te omschrijven
"see" of "grè". Deze beide geluiden worden op verschillende wijzen
geïntoneerd en geven soms vreugde, soms angst te kennen. Dergelijke
tonen dienen tot het waarschuwen van de onervaren jongen. Van
enkele mannetjes hoort men bijna geen andere geluiden, terwijl
andere uitmuntende zangers zijn. Ook de Grauwe Klauwier heeft een
waarlijk verrassend talent voor het nabootsen van de stem van andere
Vogels. "Eens," zegt mijn vader, "heb ik dezen Vogel bewonderenswaardig
fraai hooren zingen. Een mannetje, dat geen wijfje bij zich had, zat
in den top van een struik en zong geruimen tijd achtereen op uiterst
aangename wijze. Het droeg strophen uit het gezang van den Veld-
en den Boomleeuwerik, van de Grasmusch en andere Zangers voor. De
melodiën van de drie eerstgenoemde Zangers werden dikwijls herhaald;
zij waren zoo vol van toon en dooreengemengd, dat zij een buitengewoon
liefelijk geheel vormden."

Hoe ouder een mannetje wordt, des te grooter is zijn muzikaal
talent. "Zoo één Vogel den naam Spotvogel verdient," schrijft Graaf
Gourcy, "dan is het deze. Voor zoover ik kon nagaan, hebben de
Klauwieren, behalve eenige heesche tonen, geen eigen gezang; daarom
zingen de Grauwe Klauwieren, die in den kooi zijn grootgebracht,
tamelijk slecht, wanneer zij niet te midden van andere, goed zingende
Vogels opgroeien. Die, welke in volwassen toestand gevangen zijn,
worden niet dadelijk tam; zijn zij het echter eenmaal en werden zij
gevangen op een plaats, waar geen andere, dan goed zingende Vogels in
hun nabijheid voorkwamen, dan kan men geen aangenamer zanger in de
kamer hebben dan deze Klauwier; met steeds vernieuwden ijver hoort
men hem in bonte afwisseling de gezangen van de hem bekende Vogels,
die hij merkwaardig getrouw nabootst, voordragen. Wel is het jammer,
dat hij bijna elk zijner fraaie liederen door toevoeging van eenige
wanklanken ontsiert! Vooral het geschreeuw van de Pad wordt door
bijna alle Grauwe Klauwieren nagebootst. Het exemplaar dat ik bezit,
is een uitmuntende Vogel, die op een verrukkelijke schoone wijze en
volkomen nauwkeurig den zang van Nachtegaal, Leeuwerik, Boerenzwaluw,
Gestreepte Grasmusch, Zwartkop en Geelgors, de stem van de Merel en
van den Patrijs nabootst en zoo fijn met elkander verbindt, dat men
volstrekt geen overgang bemerkt. Bovendien blaft hij als een Hond. Hij
zong soms in September en begon reeds den 16en November weer."

Ongelukkig maakt deze wegens zijn opgewektheid en zangerstalend
beminde Vogel door andere eigenschappen zich zeer gehaat. Hij is
een van de afschuwelijkste vijanden van de kleine Zangvogels. Wel
is waar maken Insecten zijn voornaamste voedsel uit; vooral Kevers,
Sprinkhanen en Vlinders, ook wel Rupsen, worden ijverig door hem
vervolgd en zelfs dan nog gedood, als hij reeds verzadigd is; hij
maakt echter ook jacht op alle kleine Gewervelde dieren, die hij
op de eene of andere wijze overmeesteren kan, vangt Muizen, Vogels,
Hagedissen en Kikvorschen, en richt vooral onder de bevederde zangers
van onze tuinen en boschjes een groote slachting aan. Op plaatsen,
waar een paar Grauwe Klauwieren zich gevestigd heeft, verdwijnen
langzamerhand alle kleine Grasmusschen, Hofzangers en Boschzangers,
ja zelfs de in holen broedende Zangvogels. Zij verlaten de streek, waar
zij voortdurend in gevaar verkeeren, of worden door den Klauwier gepakt
en opgegeten. Deze weet de nesten zeer knap op te sporen en haalt,
als hij er een gevonden heeft, hieruit het eene jong na het andere
weg. Naumann heeft opgemerkt, dat de Negendooder jonge Grasmusschen,
Gele Kwikstaarten, Graspiepers en Boompiepers doodde en voortsleepte,
dat hij de in strikken gevangen Vogels begon te verslinden, dat
hij Vinken uit een kooi trachtte te halen enz. Andere onderzoekers
hebben soortgelijke ervaringen opgedaan. "Ik heb," zegt Lenz,
"reeds eenige malen de volgende proeven genomen: 1) In een grooten,
met een dikke doornheg omgeven tuin schoot ik eenige jaren achtereen
iederen Klauwier dood, zoodra hij zich er vestigde. Toen konden de
nuttige vogeltjes in de door mij opgehangen broedkastjes en in de
door hen zelf gebouwde nesten broeden; zij roeiden het ongedierte
uit en ik kreeg een groote hoeveelheid ooft. 2) In een op dezelfde
wijze ingerichten tuin liet ik de Klauwieren ongehinderd hun gang
gaan. Deze tuin werd verlaten door alle andere vogeltjes, zelfs door
die, welke gewoon waren in de hier hangende broedkastjes te nestelen;
mijne boomen werden op eene bedroevende wijze kaalgevreten door de
rupsen en ik kreeg in 't geheel geen ooft. 3) In den nog grooteren
tuin van een mijner buren beschermde ik de Klauwieren in een hoek,
waar een groote doornstruik stond. Daarentegen vernielde ik ieder
ander Klauwierennest, dat in dezen tuin gebouwd werd en schoot de oude
Vogels dood. Weldra bleek het, dat in de nabijheid van den bedoelden
hoek alle vruchtboomen kaalgevreten werden en geen vruchten droegen,
terwijl zij op andere plaatsen zich welig ontwikkelden."

Meer nog dan andere soorten van zijn familie heeft de Grauwe Klauwier
de gewoonte om elken buit, dien hij vangt, op een doorn of anderen
scherpen tak te spietsen, voordat hij hem verslindt. "Op deze wijze,"
zegt Naumann, "vergaart hij, na zich verzadigd te hebben, voedsel
voor een volgend maal, om het achtereenvolgens te gebruiken, zoodra
de honger hem opnieuw kwelt. Bij mooi weder vindt men bijna niet
anders dan Kevers en andere Insecten en kleine Kikvorschen, bij koud,
stormachtig weer daarentegen dikwijls geheele broedsels van jonge
Vogels aan doornen gestoken; dikwijls heb ik daarbij Grasmusschen
en Zwaluwen gevonden, die het nest reeds verlaten hadden en reeds
vliegen konden. Hersenen zijn, naar het schijnt, voor den Klauwier
een lekkernij; van de meeste Vogels die ik opgeprikt vond, had hij
voorloopig alleen de hersenen verslonden. Als men den Klauwier bij zijn
maal stoort, vlucht hij met achterlating van zijn geheelen voorraad,
die dan verdroogt. De kleine Kikvorschen, die men er zeer dikwijls
onder aantreft, zijn zonderlingerwijze alle in den bek gespietst."

Wanneer het paartje bij zijne werkzaamheden niet gehinderd wordt,
broedt het slechts éénmaal per jaar. Het nest is altijd in dicht
struikgewas, bij voorkeur in doornstruiken gebouwd, van buiten
van stevige wortelstokken en halmen van grassen, mos en dergelijke
materialen vervaardigd, verder binnenwaarts afgewerkt met fijnere
bouwstoffen van dezelfde soort, die zorgvuldig bijeengelegd en door
elkander gevlochten zijn. De nestholte is gevoerd met zachte grashalmen
en fijne worteltjes. Het wijfje broedt op 5 of 6 eieren, die, wat
grootte en kleur betreft, verschillen kunnen. Zij zijn langwerpig,
soms eenigszins buikig of zelfs rondachtig, op geelachtigen,
groenachtig grijsgelen, lichtgelen of vleeschroodachtig gelen
grond met aschgrauwe, olijfbruine, bloedroode en roodbruine vlekken
geteekend. Het broedende wijfje blijft zoo standvastig op de eieren
zitten, dat men het lijmroeden op den rug leggen en op deze wijze
vangen kan. De jongen worden door de beide ouders gevoederd; deze
zijn buitengewoon gehecht aan hun kroost en verdedigen het met moed.

In de gevangenschap blijft de Grauwe Klauwier slechts bij zeer
goede verpleging verscheidene jaren in 't leven. In gezelschap
van andere Vogels kan men hem evenmin brengen als eenig ander lid
van zijn familie; in de volière valt hij Vogels aan, die dubbel
zoo groot zijn als hij; zelfs Lijsters en Spreeuwen, die zich zoo
goed mogelijk trachten te verweren, worden langzamerhand door hem
doodgeplaagd. Naumann's vader hield soms verscheidene Grauwe Klauwieren
in een klein tuinhuisje, waarin hij een kleine galg, d. w. z. een
met puntige naalden en spijkers voorzien dwarshout, aangebracht
had. Musschen en andere Vogels, die hij met de Klauwieren opsloot,
werden door deze zeer spoedig gevangen, daarna steeds aan de spijkers
gestoken en afgeplozen. Ten slotte hing de geheele galg vol geraamten.



De vierde inheemsche soort van Wurgers--de Roodkoppige Klauwier
(Lanius senator),--wordt 19 cM. lang (staartlengte 8 cM.) en overtreft
dus onzen Gewonen Leeuwerik in dit opzicht. Bij het mannetje zijn de
voorkop, een breede teugelstreep, de mantel, de vleugels en de staart
zwart, de bovenkop en de nek roestroodbruin; wit zijn een vlek aan
de zijden van het voorhoofd, een vlekje achter het oog, de schouder,
de staartwortel en de bovendekveeren van den staart, alle onderdeelen,
het wortelgedeelte der handpennen, het topgedeelte der armpennen en
der handdekveeren, het onderste derde gedeelte en de spits van de
vier buitenste paren staartpennen.

In Nederland werd deze soort slechts enkele malen (in de provinciën
Gelderland, Noordbrabant en Noord-Holland) broedend aangetroffen. Zij
vertoeft bij ons van April tot September, bewoont bij voorkeur
boschzoomen, heggen en boomgaarden en houdt zich minder dan de
Klapekster in hoog geboomte op. Zij nestelt op middelmatig hooge boomen
en legt 5 of 6 groenachtig witte eieren, waarop zich blauwgrijze
stipjes en (meestal alleen aan het dikke einde) olijfbruine vlekken
vertoonen.

In Duitschland komt de Roodkoppige Klauwier in eenige gewesten (o.a. in
Thuringen, het Rijndal, de Mark, Meckelenburg, Holstein) in geringen
getale, in het zuidwesten daarentegen veelvuldig voor; in de andere
Duitsche landen en provinciën ontbreekt hij geheel. In Zuid-Europa,
vooral in Spanje en Griekenland, voorts in Klein-Azië, Syrië en
Palestina, is hij de algemeenste van alle Wurgers. Zijn winterreis
strekt hij uit tot in de groote wouden van Middel-Afrika; hier is
hij gedurende den regentijd en kort daarna buitengewoon veelvuldig.



In Griekenland, maar veel meer nog in Egypte en Nubië, vindt men,
nevens de genoemde, een andere soort van hetzelfde geslacht,
de Maskerklauwier (Lanius nubicus). De bovendeelen, de teugels,
de vleugels en de staart zijn blauwachtig zwart, de onderdeelen
roestgeelachtig, de zijden roestroodachtig; wit zijn het voorhoofd en
een wenkbrauwstreep, de schouders, de keel en de staartwortel, het
wortelgedeelte der handpennen, een smalle eindzoom van armpennen en
van de kleine dekveeren van de hand; de zes middelste staartpennen
zijn geheel zwart, de buitenste zuiver wit met zwarte schaft, de
overige wit en zwart. Totale lengte 16, staartlengte 8 cM.



Een andere Afrikaansche Klauwier is de Fiskaal (Lanius collaris);
door de voorouders van de Hollandsche bewoners van Kaapland werd
deze Vogel, die tot in de tuinen van Kaapstad aangetroffen wordt,
zoo genoemd, omdat hij met zijne patiënten even kort proces maakte,
als hun fiskaal deed, ofschoon deze niet tevens, zooals de bedoelde
Vogel, de functiën van beul waarnam. In moordzucht doet hij voor geen
zijner verwanten onder. Zijn kop is, met uitzondering van de keel,
tot over den mantel bruinzwart. Zijn verbreidingsgebied strekt zich
tot Abessinië uit.



In Afrika, Indië en Australië leeft de soortenrijke onderfamilie van
de Struikwurgers (Malaconotinae), gekenmerkt door den slanken snavel,
die een korten haak en een onduidelijken tand heeft, de tamelijk
zwakke pooten, middelmatig lange vleugels, den korten, nagenoeg niet
trapvormigen staart en de zeer overvloedige, vooral op den staartwortel
sterk ontwikkelde, dikwijls prachtig gekleurde bevedering.



Bij de Tsjagra (Malaconotus erythropterus), zijn de veeren van den
bovenrug bruinachtig grijs, die van de onderdeelen licht aschgrauw; een
breede streep, die, aan het voorhoofd beginnend, zich over 't midden
van den geheelen kop uitstrekt, en een tweede, smalle streep, die door
het oog gericht is, zijn zwart; tusschen deze beide bevindt zich een
van voren witte, van achteren meer lichtgele band; de buitenvlag van
de slagpennen is grijs met breeden, roestbruinen zoom; in den toestand
van rust treedt de laatstgenoemde kleur op den voorgrond; hieraan
dankt deze Vogel zijn wetenschappelijken soortnaam. De oogen zijn
roodbruin, de pooten loodkleurig grijs met groenachtigen weerschijn;
de snavel is zwart. Totale lengte 21, staartlengte 9 cM.

Het verbreidingsgebied van de Tsjagra omvat geheel Afrika, het
uiterste noordwesten alleen uitgezonderd. In de gebergten van
Abessinië komt zij nog voor op een hoogte van ongeveer 2000 M. Hare
gewoonten verschillen aanmerkelijk van die harer verwanten. Zij houdt
zich uitsluitend op in de dichtste struiken, kort boven den grond,
maar niet boven in de boomkronen, ofschoon zij bij felle vervolging
hier een schuilplaats zoekt. Op den vlakken grond pleegt zij hare
rooverijen. Hier beweegt zij zich met een behendigheid, die men bij
geen tweeden Wurger aantreft. Ook deze Vogels leven paarsgewijs of
afzonderlijk en vereenigen zich eerst na den broedtijd tot kleine
gezelschappen, waarschijnlijk familiën.

Bij den Karmijnwurger (Malaconotus erythrogaster) is de bovenzijde
glanzig zwart, de onderzijde, met uitzondering van den lederkleurigen
stuit, prachtig karmozijnrood, het oog geel, de snavel zwart, de poot
loodkleurig. Totale lengte ongeveer 23, staartlengte 10 cM.

Bij den Fluitwurger (Malaconotus aethiopicus) zijn de bovendeelen,
met uitzondering van een witte streep over de vleugels, zwart,
de onderdeelen zuiver wit met rozeroode tint, de oogen roodbruin,
de pooten blauwachtig grijs; de snavel is zwart. Totale lengte 35,
staartlengte 9 cM.

De Karmijnwurger komt voor in het geheele oosten van Middel-Afrika,
hoewel meer in de oerwouden van de vlakten dan in het gebergte. Hij
is een sieraad van de bosschen. Zijn hoogroode borst is reeds op
een afstand zichtbaar te midden van het dichte groen der weelderig
bebladerde boomen; hij is niet slechts fraai van kleur, maar ook vlug
van beweging en met een fraaie stem begaafd. In het gebergte wordt
hij, naar het geluid te oordeelen, vervangen door den Fluitwurger,
die nog op hoogten van 2000 à 3000 M. voorkomt. De leden van beide
soorten leven altijd paarsgewijs. In oorden, die voor hen geschikt
zijn, komen zij zeer veelvuldig voor; het eene paar woont er naast
het andere; hun schel gefluit, dat men in 't eerst verrukkelijk vindt,
hoort men er zoo vaak, dat het bijna een kwelling wordt. Elk paar moet
leven van de opbrengst der jacht in een klein gebied, welks middellijn
misschien 150 schreden bedraagt; het stelt zich tegen iederen indringer
te weer en moet dit wel doen uit zucht tot zelfbehoud; daar wegens de
veelvuldigheid dezer Vogels iedere geschikte plaats bezet is. In den
regel hoort men de Fluitwurgers veel eerder dan men hen ziet; want
hun liefste verblijfplaats is het dichtste struikgewas; zij vliegen
alleen dan naar hooge boomen, als deze een gesloten kroon hebben en
dus een uitmuntende dekking opleveren. Hoewel zij op dicht bebladerde
takken verblijf houden, zijn zij hier eigenlijk niet verborgen;
want hunne in 't oog vallende kleuren schemeren toch nog door het
dichte gebladerte heen; wanneer zij niet meer zichtbaar zijn, wordt
hun aanwezigheid weldra verraden door hun stem. Deze is het meest
opmerkelijke verschijnsel in hun levenswijze. Een eigenlijk lied
brengen zij niet voort, maar slechts enkele tonen, die door volheid
van klank uitmunten en zeer dikwijls herhaald worden. Het geluid
van den Karmijnwurger gelijkt op het (als 't ware ingezogen) fluiten
van onzen Wielewaal; de roepstem van den Fluitwurger bestaat uit drie
(zeldzamer twee) volkomen zuivere klanken. Op den eersten (middelmatig
hoogen toon) volgt een lageren en daarna een aanzienlijk hoogeren. De
afstand tusschen de beide eerste bedraagt ongeveer een terts, die
van de beide laatste een octaaf. Deze drie tonen worden, evenals het
gefluit van den Karmijnwurger, alleen door het mannetje voortgebracht;
onmiddellijk daarna antwoordt het wijfje met een onaangenaam gekrijsch
of gekras, dat moeielijk nagebootst en nog moeielijker beschreven kan
worden. Als men het wijfje door een schot uit den boom laat tuimelen,
houdt het gekrijsch natuurlijk terstond op; het mannetje herhaalt
dan angstig verscheidene malen zijn gefluit. Als het mannetje gedood
wordt, krijscht of krast het wijfje. Het bespieden en beluisteren
dezer Vogels verschaft den waarnemer in den beginne veel genoegen;
hij krijgt echter weldra zijn bekomst van deze geluiden en vindt ze
ten slotte, wegens hun regelmatigheid en onveranderlijke gelijkheid,
onuitstaanbaar vervelend.



In Australië treft men eenige soorten van Struikwurgers aan, die door
voorkomen, kleur en levenswijze eenigszins aan de Meezen doen denken
en te zamen het geslacht der Valksnavelwurgers (Falcunculus) vormen,
dat zich onderscheidt door den zeer stevigen, korten, samengedrukten
en van een grooten haak voorzienen snavel, door een kleine kuif op
het voorhoofd en door den staart, die niet langer is dan de romp.

De Gewone Valksnavelwurger (Falcunculus frontatus) is een krachtig
gebouwde, fraai geteekende Vogel, iets grooter dan onze Musch (totale
lengte 16 cM.). Hij herinnert aan onze Koolmees, maar is dadelijk
kenbaar aan zijn zeer krachtigen snavel, welke veel op dien van een
Valk gelijkt, hoewel de haak en de tand aan den bovensnavel minder
sterk ontwikkeld zijn. De kleur van de veeren is bij beide geslachten
nagenoeg gelijk. De bovendeelen zijn olijfkleurig, de onderdeelen
hooggeel; wit zijn, behalve een streep over het voorhoofd, ook de
zijden van den kop, met uitzondering van een bij het oog beginnenden,
zwarten band, die zich tot in den nek uitstrekt; eveneens zwart zijn
de kuif, de keel en een deel van den voorarm; de zwartbruine hand-
en armpennen hebben een breeden, grijzen zoom; dezelfde kleur als de
slagpennen, met uitzondering van de buitenste en van de spitsen der
overige, die zuiver wit zijn. De iris is roodachtig bruin, de poot
blauwachtig grijs, de snavel zwart.

Het voedsel van dezen bewoner van Nieuw-Zuid-Wales bestaat
hoofdzakelijk uit bessen, doch ook uit Insecten, die van de bladen
afgezocht of van onder de schors van dikke takken opgepikt worden. De
snavel, die met goed gevolg als verdedigingsmiddel dienst doet,
is een buitengewoon krachtig wapen voor een Vogel van deze grootte.



De Menievogel (Pericrocotus speciosus) vertegenwoordigt de familie
der Rupsvogels (Campephagidae), welker leden (ongeveer 100 soorten)
over Australië, de Maleische eilanden, Zuid-Azië en Afrika verbreid
zijn en zich hoofdzakelijk met Insecten voeden, die zij van de bladen
der boomen afzoeken of in de lucht vangen. Bij 't mannetje van de
genoemde soort zijn de bovendeelen, de vleugels en de beide middelste
stuurpennen glanzig blauwzwart; de onderrug, een breede band over den
vleugel (gevormd door een vlek op de buitenvlag van iedere slagpen en
van eenige dekveeren), de overige stuurpennen en de geheele onderzijde
(te beginnen bij de borst) zijn prachtig karmijnrood. Totale lengte
23, staartlengte 11 cM.

Een groot deel van het noorden van Indië (het Himalaja-gebied,
de noordwestelijke en centrale provinciën en Bengalen), Assam, het
noorden van Birma en het zuiden van China zijn het vaderland van
dezen prachtigen Vogel; hij bewoont voornamelijk de wouden tot op
een hoogte van bijna 2000 M. Voor de kooi is hij niet geschikt.



De romp der Vliegenvogels (Muscicapidae) is slank, de hals kort,
de kop breed, de snavel dik en kort, aan den wortel breeder en hier
van boven naar onderen samengedrukt, op den rug kantig, de spits van
de bovenkaak naar beneden gebogen en aan weerszijden ingekorven; de
pooten kort en zwak (de buitenste teen met den middelsten vergroeid),
de vleugels tamelijk lang (de derde slagpen de langste); de staart
is middelmatig lang, recht afgeknot of flauw uitgesneden; de veeren
zijn los en zacht, om den snavel heen borstelig; de kleur is in den
regel bij mannetjes, wijfjes en jongen ongelijk.

De Vliegenvogels, waarvan men meer dan 300 soorten kent, die voor 't
meerendeel in het oostelijk  halfrond (slechts voor een klein deel
in Amerika) thuis behooren en vooral talrijk zijn in de tropische
gewesten, bewonen de wouden en boomaanplantingen, leven meer op
de boomen dan in de struiken en komen zelden op den bodem. Op een
tak zittend, die zoo vrij mogelijk uitsteekt en een ruim uitzicht
veroorlooft, kijken zij uit naar Insecten, vliegen hen behendig
na, grijpen ze met den snavel en keeren hierna gewoonlijk naar
hun zitplaats terug. Bij slecht weer, vooral wanneer zij jongen
te verzorgen hebben, plukken zij ook bessen. Bijna gedurende den
geheelen dag zijn zij werkzaam, opgewekt, onrustig en bij de hand, in
tegenwoordigheid van den mensch niet zeer schuw, jegens Roofvogels koen
en driest. In tegenstelling met de Vogels van verwante familiën, laten
zij hun stem zelden hooren; het veelvuldigst nog geschiedt dit uit
den aard der zaak gedurende den voortplantingstijd, zelfs inspireert
deze de mannetjes tot een zeer eenvoudig en zacht gezang. Het nest,
dat los en ruw ineengevoegd, maar van binnen warm bekleed is, wordt in
holle boomen of tusschen takgaffels, gewoonlijk dicht bij den stam,
gebouwd. Het bevat 4 of 5 eieren. Beide ouders broeden, zwerven na
het uitvliegen van de jongen met deze nog een tijdlang rond en vangen
daarna zeer vroeg in 't najaar hun winterreis aan, die zich tot in
de oerwouden van Centraal-Afrika uitstrekt, van waar zij eerst laat
in de lente terugkeeren.



De eerste onderfamilie, die der Zijdestaarten (Bombycillinae), omvat
een tiental soorten, die (op grond van den afwijkenden vorm van
den snavel) door sommige onderzoekers als een afzonderlijke familie
worden beschouwd. Hiertoe behoort een Vogel, die, blijkens de talrijke
namen, die hij bij ons draagt, welbekend is. Men noemt hem Pestvogel,
Sneeuwvogel, Wijnstaart, Zijdestaart, Beemer, Zwartemantel en in
Groningen Lakvogel (Bombycilla garrula). Zijne veeren zijn tamelijk
gelijkmatig roodachtig grijs, die van de bovendeelen gewoonlijk
donkerder dan die van de onderdeelen, waar de kleur in witachtig grijs
overgaat; het voorhoofd en de stuitstreek zijn roodachtig bruin,
de kin, de keel, de teugels en een streep boven het oog zwart,
de handpennen grijsachtig zwart, de spits van de buitenvlag licht
goudgeelachtig gevlekt, de binnenvlag met witten rand; de schaften
der armpennen loopen uit in breede hoorn- of perkamentachtige
plaatjes van roode kleur; de stuurpennen zijn zwartachtig, aan den
top licht goudgeel en (vooral bij zeer oude mannetjes) versierd met
hoornplaatjes van soortgelijken vorm en van dezelfde kleur als die
der armpennen. Totale lengte 20, staartlengte 6 cM. Bij de wijfjes
zijn de hoornplaatjes minder ontwikkeld.

Onze Pestvogel bewoont het noorden van Europa, Azië en Amerika. De
uitgestrekte wouden in het noorden van ons werelddeel, die uitsluitend
uit sparren of uit sparren en berken bestaan, moeten als het
eigenlijke vaderland van dezen Vogel aangemerkt worden; hij verlaat
ze alleen dan, wanneer buitengewoon hevige sneeuwbuien hem er toe
noodzaken. Eigenlijk is hij een Zwerfvogel, die zich 's winters beweegt
binnen een beperkt gebied, welks grenzen hij wegens gebrek aan voedsel
soms overschrijdt, waardoor hij dan op een trekvogel gelijkt. In alle
verder noordwaarts gelegen landen komt hij veel geregelder voor dan
in Nederland en Duitschland. Reeds de Russische en Poolsche wouden
en de bosschen van het zuiden van Skandinavië bezoekt hij bijna
iederen winter. Hier te lande en in Duitschland vertoont hij zich
zoo ongeregeld, dat het volk een getal, waaraan het een geheimzinnige
beteekenis toekent, ook op hem heeft toegepast: men beweert, dat hij
slechts om de zeven jaren verschijnt. De jaren, waarin hij bij ons
in zeer grooten getale overwintert, zijn echter vaneengescheiden
door tijdperken van zeer ongelijken duur, waarin slechts enkele
voorwerpen tot ons overkomen. Zoo was hij zeer menigvuldig in 1847,
1849 en 1851, zeer zeldzaam in alle volgende jaren. In December 1892
verscheen hij voor 't eerst weer in kleine vluchten in de oostelijke
provinciën. In Januari en Februari 1893 kwam hij zeer algemeen voor
in nagenoeg alle gewesten van ons land: niet zelden werden vluchten
van 30 à 40 stuks waargenomen. In het begin van Maart verminderde hun
getal sterk en in het laatst van deze maand waren alle verdwenen. In
't volgende jaar werd slechts van één enkel exemplaar (Maart 1894)
melding gemaakt (Albarda). In den regel komen de Pestvogels, die
de winter uit het noorden verdrijft, eerst in de laatste helft van
November bij ons aan en blijven hier tot in de eerste helft van Maart;
bij uitzondering worden zij hier vroeger aangetroffen of blijven zij
langer. Dit heeft aanleiding gegeven tot de bewering, dat enkele paren
in Duitschland genesteld zouden hebben; het is thans echter uitgemaakt,
dat de Pestvogel eerst in 't laatst van de lente broedt.

Gedurende hun verblijf in den vreemde zijn de Pestvogels steeds
vereenigd tot meer of minder talrijke troepen, die, al naar de
hoeveelheid voedsel, welke in een streek te vinden is, hier langer of
korter blijven. In sommige winters ontmoet men ze op plaatsen, waar
zij anders zeer zelden verschijnen, weken en zelfs maanden achtereen in
grooten getale; dat dit niet veel vaker gebeurt, is waarschijnlijk te
wijten aan de meedoogenlooze vervolging, die zij maar al te dikwijls
ondervinden van onbeschaafde menschen; het is, alsof deze hen zoo
onbegrijpelijk schoon, zoo begeerlijk achten, dat zij het niet
laten kunnen hen uit te roeien. Het is trouwens ook wel mogelijk,
dat de arme Vogels lijden onder de nawerkingen van een veroordeel
uit vroegere eeuwen; toen wist men het ongeregeld verschijnen van
de Pestvogels niet beter te verklaren, dan door ze te beschouwen
als voorboden van vreeselijke oorlogen, duurte van levensmiddelen,
pest en andere besmettelijke ziekten, kortom, van algemeene rampen,
en vond hierin aanleiding om ze te haten en te vervolgen.

De Pestvogel verlaat ongaarne een eens gekozen woonplaats; omdat hij
niet veel van beweging houdt, zich alleen bij 't eten dapper weert,
maar overigens traag en lui is. Overal waar voedsel te vinden is,
gedraagt hij zich zeer driest of liever onnoozel, b. v. door te
midden van dorpen (of zelfs van steden) in tuinen en plantsoenen
te verschijnen, ondanks het gewoel der menschen. Hij is echter meer
onervaren dan dom; door voortdurende vervolging wordt hij voorzichtig
en schuw. Uit onverdraagzaamheid of onverschilligheid bekommert hij
zich om andere Vogels niet. In de winterkwartieren houdt hij trouw
gemeenschap met zijne soortgenooten: gewoonlijk zit het geheele
gezelschap 's middags op één boom, alle zoo dicht mogelijk bij
elkander, verscheidene op dezelfde twijg; de mannetjes, die aan
den top van den boom de voorkeur geven, houden zich onbeweeglijk,
zoolang zij hier blijven. Meer bedrijvigheid toonen zij in de morgen-
en avonduren; dan wordt het voedsel gezocht op alle boomen en struiken,
die bessen dragen. Alleen om te drinken komen zij op den grond, waar
zij onbeholpen voorthuppelen en zich niet lang ophouden. Het op- en
neerklauteren in de twijgen bij het eten valt hun gemakkelijk. Zij
vliegen zonder groote inspanning, fraai en betrekkelijk snel volgens
wijde booglijnen, waarbij de vleugels beurtelings zeer snel bewogen
en uitgebreid worden.

Hun gewone lokstem is een zonderling sissende triller, die niet
door letters omschreven kan worden. Het gefluit, dat zij soms laten
hooren, klinkt, volgens Naumann, als het blazen in de pijp van een
sleutel; het schijnt, dat zij hierdoor een teeder gevoel te kennen
geven. Hun gezang is zacht en onbeduidend; het wordt echter met ijver
en oogenschijnlijk met inspanning voorgedragen. De wijfjes doen het
weinig minder slecht, maar minder lang achtereen dan de mannetjes,
die in den winter ieder zonnestraaltje met hun lied begroeten en
bijna het geheele jaar door zingen.

Het voornaamste, zoo niet het eenige voedsel, dat de Pestvogels
gedurende den zomer, in hun vaderland gebruiken, wordt hun verschaft
door de muggenzwermen, die hier zoo onbeschrijfelijk talrijk zijn; in
den winter daarentegen moeten zij zich met andere voedingsmiddelen,
vooral met bessen, behelpen. De Insecten jagen zij geheel op de
wijze van de Vliegenvangers; de bessen zoeken zij zonder moeite van
de twijgen af, soms ook wel van den bodem op. Opmerkelijk is het,
dat de gevangen Vogels de Insecten, die hun voorgeworpen worden,
niet willen eten. "Lijsters, die in een kooi zijn opgesloten," zegt
Naumann, "kan men geen grooter genoegen doen dan door hen af en toe
een Insect te geven. Zij zijn er gretig naar en vangen de Vliegen, die
op hun etensbakje gaan zitten. Met den Pestvogel is het geheel anders
gesteld. De Vliegen zetten zich vaak genoeg op hun snavel neder. Geen
van de Pestvogels, die ik getemd heb, heeft ooit een Insect of een
insectenlarve of een Regenworm willen aanraken." Er kan tegenwoordig
geen twijfel meer over bestaan, dat zij in de vrije natuur geheel
anders handelen. De buitengewone gulzigheid van den Pestvogel is
waarlijk stuitend. Iederen dag verzwelgt hij een hoeveelheid voedsel,
die bijna even zooveel weegt, als hij zelf. In de kooi blijft hij
altijd in de nabijheid van het etensbakje zitten en verdeelt den dag
tusschen eten en rusten om het voedsel te verteren.

Tot in den laatsten tijd verkeerde men geheel in 't onzekere over de
voortplanting van den Pestvogel. Eerst in het jaar 1858, den 12en Juni,
slaagde Wolley er in, een nest en een ei te vinden, een jaar nadat zijn
jachtgezel zoo gelukkig was geweest. Toen de eerste nesten gevonden
waren, ging, naar het schijnt, de halve bevolking van Lapland aan
't nesten zoeken; in den zomer van 1858 waren, zegt men, reeds meer
dan 600 eieren ingezameld. De nesten zijn in den regel goed verborgen
tusschen de twijgen van sparren, niet bijzonder hoog boven den grond;
de buitenwand bestaat grootendeels uit korstmossen, die op boomen
groeien, doorweven met eenige dorre sparretwijgen; van binnen is het
nest gevoerd met grashalmen en eenige veeren. Het broedsel bestaat
uit 4 à 7, gewoonlijk echter uit 5 eieren, en is in de tweede week
van Juni voltallig. De eieren zijn op blauwachtig of roodachtig
blauwwitten grond spaarzaam bestrooid met donker- en lichtbruine,
zwarte en violette vlekken en stippels, die aan het uiteinde dichter,
kransgewijs, bijeengeplaatst zijn.

Zonder moeite kan men de Pestvogels in slagnetten of strikken
vangen. In de kooi schikken zij zich in hun lot, beginnen dadelijk
te eten en verschaffen hun verzorger genoegen zoowel door hun fraaie
kleur als door hun zachten aard; in een ruime kooi, die op een koele
plaats staat, kunnen zij jaren lang in 't leven blijven. Dat enkele
van deze Vogels in een kooi gehouden worden, is niet af te keuren,
wel dat men ze in grooten getale nutteloos, alleen ten behoeve van de
keuken doodt; omdat zij in de vrije natuur ons geen schade veroorzaken,
maar ons integendeel door het verslinden van schadelijke Insecten
een dienst bewijzen en in den winter een pronksieraad zijn voor de
ontbladerde boomen.



Een tweede onderfamilie, die der Vliegenvangers (Muscicapinae), bij
ons vertegenwoordigd door het gelijknamige geslacht (Muscicapa),
verschilt o. a. van de vorige door den platteren snavel, welke
eenigszins aan dien van de Zwaluwen herinnert.



De Grauwe of Grijze Vliegenvanger, bij Haarlem Kersenpikkertje,
in Gelderland Plaatvink, in Groningen Muggensnapper genoemd
(Muscicapa grisola), onderscheidt zich van de andere soorten van
zijn geslacht door den eenigszins slankeren snavel en het (bij beide
seksen voorkomende) gevlekte kleed. De bovendeelen zijn donkergrijs,
de bovenkop is zwartachtig grijs met eenigszins lichtere vlekken;
elke veer heeft witte of donkergrijze randen, waardoor een lichte
vlekkenteekening ontstaat; de geheele onderzijde is vuilwit, aan de
zijden van de borst met roestgeelachtig waas, aan de zijden van de
keel en over de borst met donkergrijze, uitvloeiende, overlangsche
vlekken geteekend; de lichtgrijze eindzoomen van de vleugeldekveeren
vormen twee weinig uitkomende strepen op den vleugel. De oogen zijn
bruin, de snavel en de pooten zwart. Het mannetje is 14 cM. lang,
waarvan 6 cM. op den staart komen.

Met uitzondering van de noordelijkste landen van Europa, bewoont
de Grauwe Vliegenvanger alle breedte- en hoogtegordels van ons
werelddeel. In Zuid-Europa is hij gemeen; oostwaarts strekt zijn
gebied zich uit tot den Kaukasus en den Altaï; op zijn winterreis
begeeft hij zich tot in de wouden van Centraal-Afrika. Hij is volstrekt
niet kieschkeurig, maar neemt iederen struik voor lief, die slechts
eenigermate voldoet aan de door hem gestelde eischen. Hooge boomen,
vooral zulke, die aan den waterkant staan, bieden hem al wat hij voor
zijn leven noodig heeft. Hij schuwt het gewoel van de menschen niet,
vestigt zich daarom dikwijls te midden van dorpen, ja zelfs op het
erf van een hofstede; even lief zijn hem echter de oorden, die de
mensch slechts zelden bezoekt. Al naar het weer gunstig is of niet,
verschijnt hij bij ons in het laatst van April of in het begin van Mei,
gewoonlijk paarsgewijs; kort na zijn aankomst begint hij zijn nest te
bouwen. Dit geschiedt op een afstand van 2 à 6 M. van den bodem, op
zeer verschillende plaatsen, al naar het gebied waarin de Vogel woont,
liefst op afgeknotte, lage boomen, vooral oude knotwilgen, ook wel
op kleine twijgen dicht bij den stam, in het latwerk van leiboomen,
onder veranda's, op den kop van een balk onder het dak, in een wijde
holte van een boomstam, in gaten van muren aan, volgens Liebe ook in
zwaluwnesten. Het halfbolvormige nest is op zeer eenvoudige wijze
uit mos en wortelvezeltjes samengesteld en van binnen met haren,
veeren en wol belegd. In het begin van Juni bevat het 4 of 5 eieren
(groenachtig blauw of lichtblauw met licht roestkleurige vlekken),
die afwisselend door het mannetje en het wijfje gebroed worden. Binnen
14 dagen komen de jongen uit. Het paartje broedt slechts éénmaal
per jaar. Het verlaat ons weer in het laatst van Augustus of in het
begin van September; enkele exemplaren worden hier nog in 't laatst
van September en zelfs in 't begin van October waargenomen.

De Grauwe Vliegenvanger is een zeer wakker en bedrijvig vogeltje,
dat den geheelen dag naar buit uitkijkt. Boven in een boom of struik,
op een dorren tak of op de spits van een uitstekende twijg gezeten,
laat hij zijne blikken over den geheelen omtrek gaan, wipt af en toe
met den staart en wacht, totdat een vliegend Insect in zijn nabijheid
komt. Zoodra hij het heeft waargenomen, vliegt hij het na, vangt het
met groote behendigheid, waarbij men duidelijk het dichtklappen van
den snavel kan hooren, en keert terug naar de plaats, van waar hij
is uitgevlogen. Als het weder fraai is, verkrijgt hij zijn voedsel
gemakkelijk, spelenderwijs; bij regenachtig weer moet hij, evenals
de Zwaluwen, dikwijls gebrek lijden.

Van de liefde van den Vliegenvanger voor zijn kroost verhaalt Naumann
een treffend voorbeeld: "Eens ving een knaap een oud wijfje bij haar
nest, waarin vier nauwelijks halfwassen jongen lagen en droeg alle te
zamen in de kamer. Zoodra de oude Vogel door het onderzoeken van de
vensters tot de overtuiging was gekomen, dat hier geen gelegenheid
om te vluchten bestond, schikte hij zich in zijn lot, ving Vliegen,
voederde de jongen er mede en deed dit met zooveel ijver, dat de kamer
in uiterst korten tijd in 't geheel geen Vliegen meer bevatte. Om
het vogelgezin niet te laten verhongeren bracht de knaap het naar een
buurman, hier werd de kamer eveneens spoedig gezuiverd. Nu kreeg een
andere buurman de Vogels in zijn kamer; ook hier werden de Vliegen
weldra uit den weg geruimd. Nogmaals werd het nest met zijne bewoners
vervoerd en zoo ging de Vliegenvangerfamilie in het dorpje van de
eene kamer naar de andere en bevrijdde de bewoners van hun lastig
gezelschap, van de gehate Zwarte Vliegen. Ook ik kwam aan de beurt;
uit dankbaarheid wist ik later te bewerken, dat de geheele familie in
vrijheid werd gesteld. De jongen groeiden bij het nooit ontbrekende
voer zeer schielijk en leerden spoedig zelf Vliegen vangen."



De Zwartkop-vliegenvanger of Zwart-grauwe Vliegenvanger (Muscicapa
atricapilla) is in 't bruiloftskleed op de geheele bovenzijde donker
zwartgrauw, soms effen, soms meer of minder duidelijk zwart gevlekt;
het voorhoofd, de geheele onderzijde en een schild op de vleugels zijn
wit. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale
lengte 13, staartlengte 5 1/2 cM.



De aanmerkelijk grootere Witgehalsde of Bonte Vliegenvanger (Muscicapa
collaris) werd dikwijls met de vorige soort verward; de wijfjes van
beide zijn inderdaad moeilijk van elkander te onderscheiden. Het
oude mannetje herkent men aan den breeden, witten nekkraag, het
wijfje aan het ontbreken van den witten zoom aan de drie achterste
armpennen. Totale lengte 16 1/2, staartlengte 5 1/2 cM.

De Zwartkop-vliegenvanger bewoont alle landen van Europa, die
zuidelijker dan Groot-Brittannië en het midden van Scandinavië
gelegen zijn; in den winter trekt hij door Klein-Azië, Palestina
en Noord-Afrika tot aan het woudgebied aan gene zijde van den
woestijngordel. De Witgehalsde Vliegenvanger daarentegen behoort meer
tot het zuiden van ons werelddeel, vooral Italië en Griekenland,
is ook over het zuidoosten van Duitschland verbreid, komt in het
noorden van dit rijk zeldzaam, in Scandinavië in het geheel niet
voor, maar broedt wel in Schotland; hij begeeft zich 's winters even
ver zuidwaarts als zijn naaste verwant. Beide soorten bezoeken ons
land geregeld ieder jaar op den trek, de meeste exemplaren zoowel in
't najaar als in 't voorjaar; enkele houden zich ook gedurende den
zomer in ons land op: een paar malen werd de Zwartgrauwe, zoowel als
de Witgehalsde Vliegenvanger hier broedend aangetroffen.

In levenswijze komen deze beide, nauw verwante soorten overeen. Overal,
waar de Zwartkop-vliegenvangers geregeld broeden, kan men ze door
doelmatig ingerichte nesthokjes in bepaalde tuinen of plantsoenen
houden; zij worden dan dikwijls merkwaardig tam. Baldamus verhaalt, dat
zulk een Vogel, die in een nesthokje van zijn tuin broedde, door het
herhaaldelijk kijken naar het nest, zoozeer aan dergelijke storingen
gewoon was geraakt, dat hij rustig op het nest bleef zitten, wanneer
het kastje in de kamer gebracht en het deksel er afgenomen werd.

De Zwartkop-vliegenvangers worden vaak in de kooi gehouden;
zij behooren tot de prettigste kamervogels, die zoowel door hun
gemeenzaamheid als door hun gezang genoegen verschaffen. Als men ze
vrij in de kamer laat rondvliegen, bevrijden zij deze volkomen van
Vliegen en Muggen en worden zoo tam, dat zij hun verzorger de Vliegen,
die hij hun voorhoudt, uit de hand nemen.

Bij ons worden deze nuttige Vogels gelukkig door niemand vervolgd;
in Italië is het helaas anders gesteld. Gedurende den najaarstrek
staan de netten en vallen van vogelvangers van allerlei stand ook voor
hen gereed; ongelukkig levert deze vangst een rijken buit. Op iedere
markt ziet men gedurende den trektijd honderden van deze Vogels,
die verraderlijk vermoord werden om een afschuwelijke begeerte naar
lekkernijen te bevredigen.



Enkele malen zijn in ons land (Haagsche bosch, Lisse, Amersfoort)
sedert 1888 exemplaren waargenomen van een vierde soort van
hetzelfde geslacht, van den Kleinen Vliegenvanger (Muscicapa parva)
die zich door een betrekkelijk dikken snavel en pooten met langen
loop onderscheidt. Het oude mannetje gelijkt in 't voorjaar door de
kleurverdeeling op ons Roodborstje. De bovendeelen zijn roodachtig
bruingrijs; de veeren van bovenkop en bovenrug zijn, evenals de
bovendekveeren van den staart, iets donkerder van kleur; de groote
vleugeldekveeren en de achterste slagpennen hebben lichter gekleurde
randen; de kin, de keel, de gorgel, de krop en de bovenborst zijn
roestroodachtig, de overige onderdeelen vaalwit, de handpennen
zwartachtig bruingrijs met lichteren zoom. Bij jonge mannetjes
is het roodgeel van de keel bleeker dan bij de oude. De oogen
zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 12,
staartlengte 5 cM.

De geheele uitgestrektheid van het verbreidingsgebied van den Kleinen
Vliegenvanger is nog niet met zekerheid bekend. Hij komt zelden
in 't westen, veelvuldiger in 't oosten van Europa voor, bewoont
geheel Middel-Azië tot Kamtschatka en bezoekt op zijn winterreis
het zuiden van China, Formosa en Indië, misschien ook Noord-Afrika;
in vele landen, waar hij naar alle waarschijnlijkheid ook leeft,
werd hij tot dusver nog niet gevonden. De enkele exemplaren, die
in alle gewesten van Duitschland aangetroffen zijn, werden steeds
als groote zeldzaamheden beschouwd; vermoedelijk is hij hier echter
veelvuldiger dan men meent. In 't zuidoosten en oosten werd hij vaker
gevonden dan in het westen.



De Vliegensnappers (Myiagrinae