Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De 'handel in blanke slavinnen'.
Author: Collard, Wolter Louis Albert
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De 'handel in blanke slavinnen'." ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                    De "handel in blanke slavinnen".

                        Academisch Proefschrift

                   Ter verkrijging van den graad van
                     Doctor in de Rechtswetenschap
                   Aan de universiteit van Amsterdam,


                   Op gezag van den rector-magnificus

                             Dr. S. Cramer,

            Hoogleeraar in de Faculteit der Godgeleerdheid,

                     In het openbaar te verdedigen
           op Woensdag 11 Juli 1900, des namiddags te 4 uren,
                      In de aula der Universiteit,

                                  Door

                      Wolter Louis Albert Collard,

                         Geboren te Soestdijk.


                               Amsterdam,

        Boek-, kunst- & handelsdrukkerij v/h. Gebroeders Binger.

                                 1900.



                                  Aan

                    mijn Vader en mijne Stiefmoeder.



INHOUD.


Inleiding                                                    blz. 1
Hoofdstuk    I. Aard van den handel in blanke slavinnen           4
Hoofdstuk   II. Omvang                                           36
Hoofdstuk  III. Oorzaken                                         57
Hoofdstuk   IV. Middelen tot bestrijding                         64
Hoofdstuk    V. Algemeene rechtskundige gezichtspunten           79
Hoofdstuk   VI. Wetgeving in Nederland

    § 1. Wetboek van Strafrecht                                  85
    § 2. Wet op de uitzetting van vreemdelingen                  97
    § 3. Internationale verklaringen                            105
    § 4. Wetgeving betreffende de ouderlijke macht              131

Hoofdstuk  VII. Wetgeving in het Buitenland

    § 1.  Engeland                                              139
    § 2.  Duitschland                                           150
    § 3.  België                                                170
    § 4.  Frankrijk                                             179
    § 5.  Zwitserland                                           186
    § 6.  Oostenrijk-Hongarije                                  193
    § 7.  Het Skandinavische Noorden                            197
    § 8.  Rusland                                               202
    § 9.  Finland                                               204
    § 10. Italië                                                205
    § 11. Spanje en Portugal                                    207
    § 12. Turkije en Bulgarije                                  208
    § 13. Amerika                                               209
    § 14. Azië                                                  214
    § 15. Afrika                                                217
    § 16. Australië                                             219

Hoofdstuk VIII. Conclusie                                       220
Naschrift                                                       255



INLEIDING.


"Authenticated facts and precise details being at the present moment
the only efficacious weapon for obtaining either judicial reform or
vigorous measure for the repression of misdemeanours, it seems to us
of primary importance that they should be carefully collected,... etc."

Met deze woorden ving Mme de Tscharner, Presidente van de Zwitsersche
afdeeling der «Union internationale des Amies de la jeune Fille»
in haar belangrijk rapport tijdens het «Congress on the white slave
traffic», in Juni 1899 te Londen gehouden, de voorstellen aan, die
zij aan het oordeel van 't Congres onderwierp.

Gaarne maak ik deze woorden tot de mijne. Op deze wijze moet toch
blijken van de behoefte aan rechtsregelen. Een zware kamp is echter
te doorworstelen. Vooreerst die strijd, welke zich immer openbaart
tusschen vrijheid en staatsdwang. Dit leert ons de geschiedenis, zooals
von Ihering zegt in zijn geschrift «Der Kampf ums Recht». De historie
toont aan, dat «het recht, gelijk de menschen, niet anders geboren
werd, dan onder hevige barensweeën», (vertaling van Prof. v. Hamel). En
wanneer deze strijd uitgestreden is, komen andere moeilijkheden. De
instelling van een nieuwen rechtsregel grijpt overal om zich heen,
heeft vaak afschaffing van een ouden ten gevolge, verandering van veel,
wat er eenigszins mede in verband staat. Dit is natuurlijk het gevolg
van den nauwen samenhang, waardoor alle rechtsregels met elkander in
verbinding slaan.

De principiëele strijd echter tusschen vrijheid en staatsdwang,
waarop ik zooeven doelde, is des te heftiger, waar strafrechtelijke
regelen verlangd worden. Het geldt hier toch bescherming van belangen,
en de waardeering van deze verschilt uitermate, zelfs in een zelfde
maatschappij. En, om nu tot den handel in blanke slavinnen speciaal
over te stappen, hoe verschillend is niet het oordeel over hetgeen
men noemt de "goede zeden"!

Ten opzichte van dezen handel is een beweging in gang tot het in het
leven roepen van maatregelen ter bestrijding. De behandeling van deze
stel ik mij in dit proefschrift ten doel.

De eerste stoot tot deze beweging had plaats door een Engelschman,
den Heer Dyer te Londen, in het jaar 1879. Hij werd namelijk gewaar,
dat een aantal jonge meisjes door bedriegelijke middelen uit Engeland
in Belgische bordeelen gelokt werden [1]. De openbaarmaking van deze
ontdekking had verschillende gevolgen. Vooreerst in 't algemeen de
aandrang om dergelijke handelingen te keeren. Verder de vervolging van
verschillende schuldigen op verzoek van het Engelsche Gouvernement
door de Belgische Regeering bevolen, die de veroordeeling van
sommigen ten gevolge had. Deze processen leidden ook tot het ontslag
van eenige magistraatspersonen (o.a. van het politiehoofd Lenaers,
die de wijnleverancier der Brusselsche bordeelen bleek te zijn),
van wier medeplichtigheid een en ander gebleken was. Vervolgens is
de Criminal Law Amendment Act van 1885 (48 en 49 Vict. Ch. 69) het
gevolg van deze onthullingen, waartoe ook de Pall Mall Gazette van
1885 in haar kolommen een belangrijke bijdrage leverde onder den titel
"The Maiden Tribute of Modern Babylon".

Van Engeland uit is toen de beweging om strafrechtelijke maatregelen
te nemen tegen dien handel op 't continent overgegaan.

Uit den aard der zaak volgt--de woorden, waarmede ik deze inleiding
aanving, verklaren het--dat ik in het begin van dit proefschrift
een betrekkelijk ruime plaats voor de behandeling der feiten moest
openstellen.



HOOFDSTUK I.

AARD VAN DEN HANDEL IN BLANKE SLAVINNEN.


Handel in blanke slavinnen is een technische uitdrukking geworden;
in officieele stukken komen deze woorden reeds voor. Bij eventueele
wettelijke voorziening kan het strafbare feit, bestaande in het
als beroepsuitoefening plegen van handelingen, die onder dezen
meisjeshandel gerangschikt kunnen worden, gevoegelijk als handel
in blanke slavinnen gequalificeerd worden. In Duitschland is als
technische uitdrukking te vinden "der Mädchenhandel", in Engeland
"the white slave traffic" (of "trade"), in Frankrijk "la traite
des blanches."

Evenwel, ieder technische uitdrukking heeft eene verklaring, eene
omschrijving noodig. Wat is nu onder handel in blanke slavinnen
te verstaan? Door bedriegelijke middelen maken vele individuen er
hun werk van vrouwen en meisjes aan een ontuchtig leven over te
leveren; dit geschiedt meestal door plaatsing in een bordeel; door
misleiding, waarbij dikwijls misbruik gemaakt wordt van onwetendheid en
onervarenheid, brengen zij ze in een toestand, waarin eerbaarheid en,
in verband met deze, gezondheid en vrijheid in gevaar komen, terwijl
zij 't oogmerk hebben deze in gevaar te brengen. Daarenboven weten
de slachtoffers niet, in welken toestand zij gebracht worden [2]. De
misleiding heeft plaats onder de meest verschillende omstandigheden
en door de meest verschillende middelen, ofschoon bij iedere daad van
meisjeshandel het misleidende element op den voorgrond treedt en de
resultaten op hetzelfde neerkomen.

Deze handel doet zich voor in 2 vormen, een minder en een meer ernstige
vorm nl. de binnenlandsche en de buitenlandsche handel:

1e. Een vrouw of meisje wordt door misleiding in het land zelf aan
een ontuchtig leven overgeleverd;

2e. Een vrouw of meisje wordt door misleiding overgehaald het land
te verlaten met het bedriegelijke oogmerk haar in het buitenland aan
een ontuchtig leven over te leveren.

Ik noem den tweeden vorm den meer ernstige, omdat het slachtoffer
op deze wijze in een hulpeloozer toestand verplaatst wordt. Zij
zijn zonder bescherming, want zij vertoeven ver van haar familie en
vrienden; zij zijn onbekend met de taal van het land, meestal ook
met de middelen, die haar rechtens mochten ten dienste staan tot
steun in hare hulpeloosheid. Daar de handelaars, placeurs of bureaux
de placement, zich meestal trachten te voorzien van weezen of alleen
staande vrouwen, zoo missen deze reeds van zelf de zorg en de nasporing
van haar natuurlijke verzorgers en beschermers.

De omstandigheden, waaronder iedere daad van meisjeshandel geschiedt,
zijn altijd eenigszins ingewikkeld en variëeren dan ook bij ieder
geval. Ze zullen het beste uitkomen bij het nagaan van de door de
handelaars bedreven feiten. Eveneens is dit het geval met de middelen,
waarvan zij voor het beoogde doel gebruik maken; eenige der meest
aangewende zijn wel de plaatsing van advertenties, het aanklampen aan
stations, in treinen of stoombooten en steigers van de vrouwelijke
personen, die in de stad komen met het doel eene betrekking te zoeken.

Aan de meisjes, die een dienst zoeken, wordt een oogenschijnlijk zeer
voordeelige positie aangeboden, hetzij als gouvernante, hetzij als
bonne, of iets anders. Vooral de dagbladen, die door de burgergezinnen
en den arbeidersstand gelezen worden, leveren een keur van dergelijke
aanbiedingen op.

Merkwaardig zijn sommige advertenties in Turksche bladen, evenwel niet
met 't doel betrekkingen aan te bieden of meisjes te vragen, maar
om de waar, waarvan men zeker is, te verhandelen. Er wordt b.v. in
vermeld, dat te koop worden aangeboden jonge leeuwinnen uit Soedan,
Perzische gazellen en jonge berinnen uit den Kaukasus. Ieder weet
dat daarmee vrouwen en meisjes bedoeld worden.

Een staaltje volge hier uit ons land. Einde October 1899 waarschuwde
de hoofdcommissaris van politie te Amsterdam tegen in den laatsten
tijd in enkele dagbladen voorkomende advertentiën onder verschillende
opschriften als o.a. "Meisje", »Ernstig gemeend" enz., ongeveer van
den volgenden inhoud: "Gevraagd een flink burgermeisje van 16-20
jaar voor gezelligheid. Liefst wees of vrij meisje; afleiding en
verzorging aangeboden. Franco brieven met opgaaf van leeftijd en
familieomstandigheden onder Lr. enz."

Een ander middel, dat althans in andere landen aangewend wordt,
is het aangaan van een huwelijk. Deze wijze van handelen schijnt
vooral in Rusland nog al eens voor te komen. Daarop wijst ons althans
de Russische rapporteur op het Londensche Congres van Juni 1899,
de staatsraad en senator A. Sabouroff. Van overheidswege werden in
1884 maatregelen getroffen om dezen handel te fnuiken, toen het de
aandacht getrokken had, dat de zuidelijke kusten van Rusland door
verschillende individuën druk bezocht werden en in de Russische
zeehavens, vooral te Odessa, een druk handelsverkeer bestond. Deze
administratieve bepalingen gingen het bedrijf slechts ten deele tegen:
"Yet the cases of voluntary consent escaped the control of the police,
as well as such cases, where the parties were provided with a marriage
testimonial; for several cases indeed have been registered of men
of Jewish extraction having sold their weives into servitude; after
leaving Odessa with their weives, they returned within a certain time
with their pasport bearing the remark in the hand of the Russian consul
in Constantinople: »Wife remained abroad" or »Divorced". It is evident
that such cases, presenting an appearence of complete matrimonial
legality can scarcely be rooted out by administrative measures."

Ook beloften om in een ander land het meisje te trouwen worden bij
herhaling als middel aangewend. Tonny Kellen verhaalt dat de leden van
een placeursvereeniging te Bombay zich indringen bij de familie van het
meisje, dat zij willen meenemen. Wanneer hun dat gelukt is, trouwen
zij het meisje of geven voor tot het huwelijk over te zullen gaan na
aankomst in Indië. Menigmaal komen in Duitsche bladen advertenties
voor om vrouwen over te halen de reis naar Voor- en Achter-Indië te
ondernemen. Men maakt den meisjes diets, dat er zich in Bombay vele
Duitsche jongelieden bevinden, die gaarne willen trouwen met meisjes
uit hun vaderland.--Verder maakt Tonny Kellen melding van een geval,
dat een meisje uit Rome door den handelaar getrouwd werd en in Bombay
voor 300 ropijen verkocht.

Uit de herhaaldelijk voorkomende gevallen blijkt, dat ieder meisje of
iedere vrouw de dupe kan worden van deze bedriegelijke handelingen,
zonder nu altijd onvoorzichtig te zijn of het slachtoffer te worden
van eigen onervarenheid en onwetendheid. Het grootste quantum toont
evenwel aan, dat de placeurs partij trekken van de onnoozelheid der
meisjes en daarvan misbruik maken. 't Is een raadsel, hoe sommige
meisjes zich onnadenkend kunnen verbinden een betrekking te aanvaarden
in haar onbekende landen.

Baronesse de Montenach, secretaresse van het Oeuvre Catholique
Internationale pour la Protection de la jeune Fille, deelt ons in
haar rapport op het Londensche Congres van 1899 een interressant
geval mede (zie pag. 170 van de Transactions). Ik acht het niet meer
dan billijk, dat de staat, waar verwacht wordt, dat hij degenen,
die de dupe zijn van bedriegelijke handelingen in bescherming zal
nemen van zijn kant redelijker wijze mag vorderen, dat althans niet
een dusdanige zorgeloosheid aan den dag worde gelegd als vele gevallen
aantoonen, waaronder het zooeven geciteerde. De staat strekt niet zijn
beschermende hand uit om zorgeloosheid en roekelooze onbedachtzaamheid
aan te kweeken. Men behoeft slechts het gering intellectueel gehalte
van het personeel der bordeelen na te gaan om, aannemende dat het
voor een deel gerecruteerd wordt door den handel, de conclusie uit
te spreken, dat in de meeste gevallen de werving zonder veel moeite
zal geschied zijn.

Doch duur komt haar onvoorzichtigheid haar te staan.

Het groote publiek spreekt met zekere geringschatting, zoo niet
minachting, over de prostituée (ik laat in 't midden, of deze
opinie wel te rechtvaardigen is). In den aanvang dikwijls een soort
weelde genietend, is ten slotte groote armoede haar deel; de goede
eigenschappen en hoedanigheden worden tot een minimum gereduceerd, zij
maken plaats voor tot misdaad overhellende neigingen. In het Jahrbuch
für Gesetzgebung enz. van 1897 schildert ons Dr. A. Korn (Berlin)
in zijn artikel »Strafrechtsreform oder Sittenpolizei" de physieke
en psychische toestand der gevallen vrouw aldus: »Wird sie (d. h. die
gewerbsmässige Unzucht) dauernd als Gewerbe betrieben, so führt sie zu
einer völligen geistigen und körperlichen Entartung der ihr ergebenen
Weibspersonen. Die Fähigkeit zu irgendwie anstrengender Arbeit hort
bei ihnen auf, das Gefühl für Recht und Unrecht stumpft sich ab;
Gedächtnisschwäche, gedankenlose Geschwätzigkeit, Lügenhaftigkeit
aus blossem Hange zum Lügen und unüberwindliche Arbeitsscheu
charakterisieren diese Art der Degeneration. Dirnen, welche soweit
gekommen sind, fallen stets den Hospital und Gefängnisverwaltungen
und schliesslich der Armenpflege zur Last." In dergelijken zin maalt
ons Dr. C. Ströhmberg in zijn werkje »Die Prostitution" blz. 37 de
eigenschappen en hoedanigheden der publieke vrouw.

In dezen toestand van lichamelijk en zedelijk verval geraakt het
slachtoffer van den handel in blanke slavinnen. Men meene niet,
dat het ondenkbaar is, dat een vrouw, in wie niet de kiem zit van
dergelijke eigenschappen en hartstochten, het leven van prostituée
niet lijdelijk zou dulden, wanneer zij eenmaal tot dat leven gebracht
is. Integendeel, wanneer zij eenmaal de eerste schrede gedaan heeft
hetzij door dwang hetzij vrijwillig, valt geen onderscheid meer te
maken tusschen de misleide vrouw en haar, die zich vrijwillig aan het
prostitutieleven overgaf. Pauline Tarnowskaja vermeldt het volgende
geval: Door bedriegelijke middelen wordt een meisje in een bordeel
gevoerd; een bezoeker interesseert zich voor haar en stelt haar in
de gelegenheid op 't platte land met haar kind onbezorgd te leven. Ze
blijkt evenwel reeds zoo aan het bordeelleven gewoon te zijn geraakt,
dat zij dit rustige landelijke leven vaarwel zegt om in het bordeel
terug te keeren. Nu en dan gaat zij terug om haar kind te bezoeken,
doch keert ten slotte weer in het bordeel terug.

Slechts door het behoud van haar eerbaarheid kan de vrouw in onze
maatschappij haar goeden naam intact houden, het verlies der onschuld
buiten huwelijk is voor het meisje meestal van zeer ingrijpende
beteekenis. Teruggaan is onmogelijk, het "tot hiertoe en niet verder"
blijkt onder de tegenwoordige maatschappelijke toestanden en tengevolge
der physieke gesteldheid van den mensch geen voldoende kracht te
bezitten om haar voor den verderen val te behoeden.

"Ist einmal die Jungfräulichkeit verloren, so ist der schlimmste
Schritt gethan, und in den Gefühl durch keine Mühe sich rehabilitiren
zu können, suchen sie ihre Situation verwerthbar zu machen," zegt
Lombroso.

Aan de eene zijde daalt meestal op den duur het moreele peil der
prostituée langzamerhand tot het minimum, aan de andere zijde is het
verlies harer eerbaarheid en het voortgaan op den eenmaal ingeslagen
weg van zeer nadeeligen invloed op hare physieke gesteldheid. Ook deze
grief, dat de handelaars in blanke slavinnen door hun handelingen
de vrouw in een leven werpen, waarin haar gezondheid, ja haar leven
in groot gevaar komt, is ernstig. Door haar ontuchtig leven stelt
het meisje zich aan vele meer en minder gevaarlijke ziekten bloot:
het vermoeiende leven, het slapeloos doorbrengen der nachten, het
misbruik van spiritualiën, gebrek aan buitenlucht en 't leven in
een duffe atmosfeer putten haar lichaam uit. Statistieken wijzen
uit, dat de meeste prostituées zich binnen de eerste 3 jaren van
haar ontuchtig leven met ernstige venerische ziekten besmet hebben,
doch ook overigens heeft de omgang met de velen, die haar onbekend
zijn en met haar onbekende ziekten besmet zijn, ten gevolge, dat zij
zich ook daaraan blootstelt. En wat zijn de gevolgen voor haar, die
dit leven leiden, totdat zij niet meer aan de vereischten voldoen,
noodig op met eenig succes dit bestaan vol te houden? Overgang tot
de misdaad is slechts een kleine schrede, anders een kommervolle
ouderdom zoo deze althans bereikt wordt of eindiging van het
leven in armenhuizen of hospitalen. Doch een vroegtijdige dood is
meestal het deel der prostituée; hare gezondheid stelt zij door
haar leven op te zware proef. August Bebel vermeldt in zijn werkje
"Die Frau in der Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft", dat Fait
voor Edinburg de gemiddelde levensduur der prostituée stelt tusschen
22-25 jaar. Volgens denzelfde doet jaarlijks een vierde, ja dikwijls
een derde der prostituées poging tot zelfmoord en gelukt het dan ook
minstens een twaalfde zich zelf te dooden.

De vermelding waard zijn de volgende woorden die Mme. E. de Morsier
op het Penitentiair-Congres te Parijs (1895) uitsprak:

"Ah, Mesdames, avez-vous songé à ce qui a du se passer dans le coeur
et l'intelligence de ces malheureuses, avant qu'elles en arrivent a
ce dégré de dépravation où, hélas, nous mèmes nous sommes forcées de
dire qu'il n'y a plus guère d'espoir?

"Une de nos amies, qui habite un port de mer nous écrivait ces mots
tragiques:

. . . . . . . . . "Je les ai entendues rire et plaisanter ces pauvres
filles, un jour où elles se rendaient en troupe sur le port. Et l'une
d'elles criait à un homme, qui les regardait passer--un habitué de
sa maison:

"Ne vous étonnez pas si nous sommes si gaies, ce sera bientot fini. On
nous emmène à Riga pour les marins, que l'on attend, maintenant,
que les glaces sont fondues dans le Baltique; trois semaines de ça
et nous serons finies. Alors on se jette à la mer et puis tout est
dit. Hourrah"!

De tegenwoordige handel in blanke slavinnen openbaart zich op
die wijze, dat de vrouwen in een bordeel gelokt worden; is de
straatdeur eenmaal achter haar gesloten, dan zijn zij als 't ware
gevangenen. Van dit oogenblik is haar vrijheid van handelen tot een
minimum gereduceerd. Om zich goed in dezen toestand in te denken,
doe ik het best een officiëel rapport van het vroegere hoofd der
Brusselsche politie, Lenaers, aan te halen: "The women in the houses
are subjected to obligations without number, they are forced, so to
speak, to give themselves up to the first comer, however deep their
repugnance to him may be; they are compelled to incur heavy expenses
and to submit themselves to the yoke of the keeper of the houses;
their liberty of action is exceedingly limited; they must never be
seen at the door or windows of the houses; they scarceley ever go
out, and then always under the escort of the mistress; in a word,
they possess only that amount of liberty, which the mistress chooses
to grant them, and the mistresses extend or control their liberty, as
it suits their own interests, and without any reference to the will
or preferences of the women." 't Ligt dan ook in den aard der zaak,
dat er buitengewone maatregelen genomen moeten worden om de misleide
vrouw te dwingen aan het doel te beantwoorden, waarvoor zij in het
bordeel gebracht is; iedere poging om te ontvluchten moet zooveel
mogelijk--althans in den aanvang, daar naderhand de vrouw zich in
haar toestand begint te schikken--worden voorkomen.

Daarom het uiterst scherp toezicht, dat op de pensionnaires gehouden
wordt. Tot deze slavernij werken ook indirect mede andere feitelijke
maatregelen: bij de komst in het bordeel worden de kleederen
der nieuwelinge zoogenaamd uit vriendelijke voorzorg in bewaring
genomen; ze ontvangt daarvoor andere kleederen, waarin zij zich
niet in het publiek kan vertoonen. En dan nog de vrijheid, die de
bordeelhouders zich veroorloven op eigen initiatief de meisjes als
persoonlijk onderpand in gijzeling te houden voor de schulden, die
zij van haar kunnen vorderen ten gevolge van de verplichtingen,
die zij haar opgelegd hebben, zich tegen exorbitante prijzen
hare toiletbenoodigdheden en kleederen bij haar meesters aan te
schaffen. Yves Guyot drukt dit kenschetsend uit als zoude een hypotheek
op haar rusten.

Andere gevallen doen zich voor, waarin de vrouw ook het kind van de
rekening wordt. Daar toch, waar eene bepaalde inschrijving gevorderd
wordt, zien de bordeelhouders zich genoodzaakt door middel van valsche
papieren, geboorteacten e.a. den waren leeftijd van het meisje, indien
dit nog minderjarig is, te verbergen; hun worden te dien einde door
hen, die de meisjes verschaffen, de valsche stukken ter hand gesteld;
van deze maken de meisjes gebruik, want haar wordt diets gemaakt,
dat het om deze of gene reden noodig is een anderen naam en anderen
leeftijd aan te nemen. Het dilemma wordt den meisjes dan voorgehouden
òf in het bordeel te verblijven, òf daaruit weg te gaan om in vrijheid
zijnde, op aangifte van den bordeelhouder terstond wegens valschheid
vervolgd te worden en daarna wederom een toestand van onvrijheid in
de gevangenis te ondergaan. En dat dit geen illusoir schrikbeeld is,
bewijst menig exempel van veroordeeling in contumaciam ter zake van
valschheid in dergelijke gevallen.

De processen in 1881 in België gevoerd brachten verschillende
valschheden in geschriften aan 't licht. Ter zake van het opzettelijk
gebruik maken van dergelijke stukken werd meer dan eens eene
veroordeeling tegen een meisje uitgesproken.

Als slotbemerking worde er nogmaals op gewezen, dat langzamerhand
de vrouw zich in haar toestand begint te schikken, dat zich dan bij
haar een zucht naar vrijheid niet meer openbaart--zij is een willoos
voorwerp geworden--en dat dientengevolge geen poging meer aangewend
wordt het juk van zich af te schudden. Zij gaat door koop van hand
tot hand over van den een op den ander, steeds pensionnaire wordende
van huizen van minder allooi, totdat de waar geen opgang meer maakt
en niet meer aan haar bestemming voldoet; zij wordt dan aan haar
lot overgelaten.

't Spreekt van zelf dat de wervers het eerst hun oog vestigen op
onschuldige meisjes, die door de natuur met schoone vormen en schoon
uiterlijk begiftigd zijn, en liefst zoo jong mogelijk, bijna immer
minderjarig; deze zijn toch het meest gewild en brengen groote
sommen op. Naar gelang van de qualiteit der koopwaar bezorgt deze
den placeur douceurtjes van 50 tot 500 gulden en meer. 't Is dus
voornamelijk de onschuld, die in aanmerking komt. Voor den kooper
wordt op verlangen een geneeskundig certificaat opgemaakt om de
maagdelijkheid te constateeren.

De Pall Mall Gazette van 1885 meldt eenige getuigenissen:

    June 27, 1885

    «This is to certify, that I have this day examined ---- D----
    aged 16 years and have found her a virgin."

    ----, M. D.

    June 29, 1885.

    «This is to certify, that I have examined ---- W---- aged
    17 years, and ---- K----aged 17 years, and have found them
    both virgins."

    ----, M. D.


Het oog valt dan vooral op jonge en dus minderjarige meisjes; doch daar
de bordeelhouders in deze gevallen onder het bereik der strafwet zouden
vallen, worden de middelen wel gevonden om dit kwaad te ontkomen,
hetzij men zich van valsche stukken voorziet, hetzij zooals de feiten
uit andere landen genoegzaam aangetoond hebben, de politie met de
inschrijving belast, oogluikend een en ander door de vingers ziet. [3]

Overigens wordt in deze gevallen meermalen gehandeld als op eene
markt, waar het stuk vee van alle kanten betast wordt, voordat tot
den koop overgegaan wordt. Goron, ancien chef de Sûreté, liet einde
1899 het licht zien aan een nieuw deeltje van zijn werk "L'amour
à Paris" getiteld "Le marché aux Femmes." Het eerste hoofdstuk
"La confession d'une pierreuse" is in dit opzicht de lezing wel
waard. Zij wordt gegrepen, toen zij haren "Rouquin", een souteneur,
bij diens arrestatie te hulp snelde. Voor den chef de Sûreté gebracht
verhaalt zij hem haar levensgeschiedenis. Zooals zoovelen viel zij
in handen van een placeuse, die tegenover haar in de coupé zat van
den trein naar Parijs. Deze koppelaarster bracht haar bij een bureau
de placement. En het hoofd van dit bureau bood haar te koop aan een
bordeelhoudster, Mme Angélique, die hem bezocht.

"Madame Angélique promena sur toute ma personne le même regard
connaisseur, que mon maître le marquillier. Je me souviens, que
mentalement je fis ce rapprochement, mais sans y mettre d'autre
importance....

"Mme Angélique en vint même à me toucher la poitrine..... ce qui me
fit rougir malgré moi.

"Pas mal, dit-elle, je te prends. Allons, fiche tes frusques dans mon
sapin, je t'emmène. Tu n'as à t'occuper de rien; c'est moi, qui paie
le bureau."

Dat zij na dezen koop in het koetsje naar het bordeel vervoerd werd,
behoeft haast niet vermeld te worden.

De prijs der blanke slavin varieert, zooals ik reeds zeide; hij is
natuurlijk afhankelijk van de oeconomische wet van vraag en aanbod
en van de hoedanigheden, die ik zooeven opnoemde. Zij is een bron
van inkomsten zoowel voor den placeur, als voor den bordeelhouder;
deze laatste berekent, wat hij voor haar zal betalen, naar hetgeen
hij veronderstelt dat zij hem in zijne affaire op zal brengen.

De heer de Meuron zegt karakteristiek in zijn rapport op 't Congres
te Londen (1899) om het lucratieve van den handel in vrouwen en
meisjes aan te toonen: «We hope to give here the result of work,
undertaken by the society of Public Morality in the Canton of Zürich,
which has labouriously collected biografical information of some
of our most notorious traffickers in white slaves. Nothing is more
instructive than to follow the career of one of these business men,
commencing with the conduct of a house, then spreading his business,
entering into relationships abroad, creating channels for international
commerce, then little by little abandonning the catering for his «den»
in order to give himself to larger transactions in the far East, and
finally securing for his old age a peaceful retreat in some costly
villa on the shores of the lake of Zürich or of Geneva!»

De handel in blanke slavinnen is dus de uitoefening van een beroep,
bestaande daarin, dat men uit winstbejag door misleiding vrouwen en
meisjes aan een ontuchtig leven overlevert door ze in een bordeel
te lokken. Deze tak van koophandel is voor sommige individuen
evenzeer een levensberoep als het in andere takken voor anderen
is; een dergelijke daad, bedreven door een niet-koopman, dus een
op zich zelf staande handeling komt betrekkelijk zelden voor. Een
recent geval (midden 1899), dat ik vernam van de directie van een
der toevluchtsoorden in Amsterdam, wil ik in 't kort mededeelen:
Een Zeeuwsch meisje kwam bij haar zwager in de hoofdstad logeeren;
haar voorkomen was van dien aard, dat de gastheer meende eens zaken
te kunnen doen. Hij wendde zich dan ook tot een besteedster, die
zich wel meer met dergelijke aangelegenheden bemoeide en verkocht
haar aan deze vrouw voor de luttele som van f 15, waaruit wel bleek
zijne onbekendheid met de waarde, die dergelijke levende koopwaar
onder geroutineerde handelslieden vertegenwoordigt. Het meisje werd
diets gemaakt, dat een voordeelige betrekking in Rotterdam open was,
welke zij zou kunnen innemen. Zij accepteerde. Bij hare aankomst
aldaar kwam zij in een bordeel te land.

Doch meestal zijn het geroutineerde kooplieden, die, zooals uit de
gevallen, die ik hier zal aanhalen, blijken zal, van alle mogelijke
omstandigheden partij trekken om slachtoffers te maken.

Het Bulletin Continental van April 1896 meldt:

"On annonce l'arrestation, à Vienne (Autriche) d'un Juif Maschoulim
Langer et de sa fille Rose. Ces deux personnages se livraient en grand
à la traite des blanches. Leur agence, qui avait des commis-voyageurs
très habiles et des succursales dans toute l'Europe, alimentait les
maisons de tolérance et autres lieux mal famés de la Roumanie, de la
Serbie, de la Turquie, voire même de l'Amérique, où l'une de filles
de Langer était propriétaire d'un mauvais lieu et où son fils était
associé à ses opérations.

Les agents de la maison Langer parcouraient les campagnes, les petites
villes surtout, de la Galicie et de la Russie. Découvraient-ils de
jolies filles pauvres ou cherchant une place, ils s'abouchaient avec
elles, ils leur promettaient monts et merveilles et les expédiaient à
Vienne à la maison principale. Là, Langer et sa fille les recevaient,
les gardaient quelques jours en les accablant de soins et de
distractions, puis leur proposaient une place dans telle ou telle
ville. Arrivées a destination, les malheureuses se trouvaient dans
une maison de tolérance ou chez une entremetteuse. Langer touchait
jusqu'à 500 florins suivant la beauté du sujet. Au moment où on est
venu l'arrêter ce trafiquant de chair humaine avait en dépôt chez
lui sept jeunes filles, presque toutes étrangères, et sa fille Rosa
venait de recevoir du correspondant de Varsovie une dépêche ainsi
conçue: "Marchandises à Varsovie saisies. Attention! Demande appui,
Baumwolle". Deux agents de Langer, Isidore Dickfaden et Jacof Friedberg
(de son vrai nom Rozenkrantz) ont été également arrêtés."

In de Chronique (Brussel) van 5 Nov. 1898 lezen wij: "Il y a quelques
jours une fille de 18 ans apprit par une annonce, qu'on demandait à
Saint-Josse des jeunes filles pour un service facile.

"La jeune fille se rendit a l'adresse indiquée: c'était un café,
dont la propriétaire la reçut et la présenta à une dame d'origine
anglaise. Cette dame demanda à la jeune fille de l'accompagner à
Londres, où elle lui procurerait une belle place; la jeune fille
accepta et partit le même jour pour l'Angleterre.

"Deux autres jeunes filles faisaient partie de l'expédition; on les
conduisit dans un hôtel de Londres et quelques jours après elles
devaient partir à destination de l'Amérique du Sud. On inscrivit
les deux jeunes filles a l'hôtel sous un nom d'emprunt et on les
éblouit par des promesses mirifiques devant se réaliser, lorsqu'elles
arriveraient à destination; on obtint ainsi leur consentement au
départ. La jeune fille, partie avec les deux autres compatriotes,
alarmée par des agissements louches, parvint à tromper la surveillance,
dont on l'entourait et avertit son père. Ce dernier s'empresse de
se rendre à Londres et y arriva avant le départ de son enfant. Les
deux autres jeunes filles font actuellement voile pour l'Amérique du
Sud. Une de ces jeunes filles était employée dans un magasin de la
rue du Marais; elle avait été embauchée par un individu, qui par des
offres brillantes, l'avait décidée à partir pour Londres avec la femme
anglaise; l'autre jeune fille avait été accostée à la gare du Nord et
était tombée dans la même piège. La police a reçu depuis quelques mois
le signalement de nombreuses jeunes filles disparues mystérieusement;
il est très probable, qu'elles sont tombées entre les mêmes mains."

Volgens het Bulletin Continental van Dec. 1896 bevatte de Etoile
Belge nog eenige bijzonderheden over het verloop van de ontdekking
van bovengenoemde door de Chronique gememoreerde feiten.

Wij lezen: "D'après l'Etoile Belge du 28 Nov. la proxénète qui
avait emmené a Londres les jeunes Bruxelloises dans les conditions,
que la Chronique de Bruxelles a relatées, a été arrêtée à Londres en
vertu d'un mandat de Mr. le juge d'instruction. Mais d'après la loi
anglaise, pour que l'extradition puisse être obtenue, il faut que le
juge anglais rende une sentence, pour laquelle la présence d'une des
jeunes filles enlevées est nécessaire. Pour obéir a cette formalité,
la police métropolitaine s'était mise en rapport avec l'une des
victimes rentrée à Bruxelles, Melle Marguérite K., qui consentit a
faire le voyage à condition, que les frais lui fussent remboursés.

"Conduite à la gare et mise dans un train en partance pour Anvers,
la jeune fille a subitement et mystérieusement disparu. On est sans
nouvelles d'elle aussi bien à Londres qu' à Bruxelles et on se demande,
si elle n'a pas éte enlevée à son arrivée à Anvers.

De Matin van 23 Juli 1896 vermeldt: [ERROR: unhandled comment start]
facsimile op internet -->

"M. Garnot, commissaire de police du quartier des Grandes-Carrières a
arrêté hier et envoyé au dépôt un nommé Eugène Jousse, âgé de 32 ans,
demeurant 16 passage de Clichy, qui surveillait les abords de la gare
Saint-Lazare, abordait les bonnes sans emploi et les expédiait dans
des maisons mal famées de la France ou de l'étranger.

"Une perquisition opéreé chez cet individu a amené de tristes
découvertes. C'est une des victimes de cet ignoble trafiquant,
qui est venue se plaindre au commissariat de la rue Cauchois et a
provoqué l'arrestation du misérable".

In het Maandblad "Getuigen en Redden" van April 1896 is onder het
opschrift "Handel in meisjes" het volgende te lezen:

"In Indië neemt de handel in meisjes onrustbarende verhoudingen
aan. Volgens een Indisch blad worden de meisjes van Java naar Singapore
(Engelsch-Indië) vervoerd, eene stad, die bekend is door de talrijkheid
harer bordeelen, waarin vrouwen van allerlei naties vertoeven.

"Een soort koppelaarsters, die zich als geestelijke zusters voordoen
en in Turksche kleederdracht gansch Java rondreizen, houden zich
vooral met dien handel bezig.

"Immers zij genieten een blind vertrouwen van de zijde der
dessabewoners en met beide handen grijpen deze het aanbod aan als een
dier "barmhartige zusters" hun voorstelt, hun dochters in de geheimen
van den Koran in te wijden en ze als Cicerone naar de Heilige stad
te vergezellen.

"En juist die matrones maken nog al wat reisjes naar Mekka, terwijl het
vermoeden, als zouden zij betrokken zijn in dien slavenhandel--welke,
niettegenstaande pertinente tegenspraak wel degelijk bestaat--niet
licht opkomen zal, want en landaard en het vrome kleed pleiten
voor hen.

Maar hoevelen van deze jonge dochters keeren niet weerom, en bereiken
nimmer het heilige land, doch verdwalen op Singapore in bordeelen. 
   (Controleur).

De "Javabode" van 18 Sept. 1897 vermeldt het volgende geval:

"Omtrent den handel in Japansche meisjes in het Oosten deelt de
"Kobe Herald" het volgende mede:

"Het is bekend, dat door de havenautoriteiten in Japan strenge
maatregelen genomen worden om de wegvoering naar het buitenland van
jonge meisjes voor onzedelijke doeleinden te beletten, maar meermalen
worden de bepalingen ontdoken. De lotgevallen van een 17 jarig meisje
dezer dagen van Singapore te Yokohama teruggekeerd zijn wel geschikt
om de politie tot grootere waakzaamheid aan te sporen. Terwijl zij
werkzaam was in een waaierfabriek te Osaka, maakte zij kennis met
een vrouw, die haar een goede positie aanbood in een theehuis te
Yokohama. Met een vriendin vertrok zij met de vrouw derwaarts.

"Na 10 dagen te Yokohama te zijn gebleven, werden beide meisjes met
nog elf anderen, die zij niet kenden, aan boord gebracht van de
"Müki-Mara" en allen in het ruim verscholen, in gezelschap van 3
mannen, die haar om de beurt bewaakten.

"Te Hongkong werden zij in een hotel onder dak gebracht.

"Tot driemalen toe trachtten 5 der ongelukkigen te vluchten, maar
werden door de haar vergezellende mannen weder gevat, geslagen,
geschopt en in het hotel teruggebracht. Twee harer was het gelukt het
politiebureau te bereiken, maar niemand kon ze daar te woord staan
en toen het avond geworden was, besloten zij naar het hotel terug
te keeren. Van Hongkong werden negen meisjes gebracht aan boord van
een naar Australië vertrekkend stoomschip. Twee dezer waren bestemd
voor Singapore, waar zij in een bordeel geplaatst werden. Een dezer
laatsten werd spoedig door een bordeelhouder eerst naar Batavia
en van hier naar Sumatra gebracht. Toen zij zwaar ziek geworden
was, besloot de bordeelhouder haar naar Singapore terug te zenden,
vanwaar zij door de zorgen van den Japanschen Consul naar Yokohama werd
doorgezonden. Zij heeft aan de politie medegedeeld, dat er op Sumatra
verscheidene door Japanners gehouden bordeelen bestaan, waarvan de
bewoonsters op bedriegelijke wijze uit Japan zijn weggevoerd."

Het B. C. van Maart 1895 brengt ons op de hoogte van een zeer
interressant geval.

"La police d'Anvers, celle de Rotterdam et la police de Berlin
s'occupent en ce moment d'une grave affaire de moeurs. Une jeune
fille d'Anvers, agée d'environ 17 ans, est tombée entre les mains
de proxénètes, qui l'ont expediée à Riga en Russie. C'est la police
de Rotterdam, qui a donné l'éveil. Depuis longtemps, elle savait,
qu'une femme d'origine hongroise, qui tenait à Rotterdam une maison
de prostitution, se livrait à la traite des blanches. Maintes fois
le commissaire avait essayé de surprendre les infames agissements de
la Hongroise, mais il avait toujours échoué dans ses tentatives. Il
avait même demandé des éclaircissements aux autorités russes, mais
celles-ci n'avaient pas répondu.

"Il y a trois ou quatre jours, le commissaire de police reçut une
lettre anonyme, datée de Bruxelles, per laquelle il fut averti,
que la Hongroise préparait un nouveau coup. L'honorable magistrat
avertit le parquet. Une descente fut ordonnée chez la proxénète,
mais l'oiseau s'était déjà envolé. On y fit cependant une capture
importante, celle de la ténancière de la maison de Riga, qui avait
acheté la jeune Anversoise.

"La police poursuivit rapidement son instruction et apprit, que la
Hongroise était partie pour Berlin en compagnie de la victime. La
police de Berlin fut avertie par dépêche. Malheureusement,
il était trop tard. La fillette avait été livrée a un "placeur"
venu de Bruxelles, et qui était immédiatement parti avec elle pour
Riga. Quand l'autorité berlinoise eut connaissance de l'affaire le
misérable avait déjà atteint la frontière russe.

"Au moment où je vous écris, un inspecteur de la police hollandaise se
trouve à Anvers. L'enquête a déjà révélé, que la fillette a d'abord été
conduite d'Anvers à Bruxelles, où elle a été vendue par la Hongroise
à la proxénète russe. Celle-ci, comme je le constate plus haut se
trouve entre les mains de la justice depuis quatre jours. Quant à
sa complice hongroise, elle est revenue, hier soir, de Berlin, et
elle a été immediatement mise en prison. Le placeur bruxellois est
guetté à Berlin et il est probable qu'il sera arrêté également d'ici
à quelques heures." [4]

Enkele grepen heb ik hier gedaan uit den overvloed van gevallen, die
verschillende bladen ons te lezen geven, vaak in een speciaal voor
den handel in meisjes bestemde rubriek. Deze gevallen koos ik overal,
verspreid om aan te geven, dat zoowel in het oude Europa en Azië als
in het nieuwe Amerika de handel welig bloeit daarom staan evenwel
Afrika en Australië niet ten achter bij de eersten; ook hier komen
dergelijke feiten voor.

Een geval wil ik hier vermelden, dat Hollandsche meisjes naar
Californië vervoerd zijn. Ik ontleen het aan een brief, dien de
oud-consul Van Löben Sels te San-Francisco mij op mijn verzoek
om inlichtingen zond. "Handel in blanke slavinnen komt hier
ongetwijfeld ook veel voor--gewoonlijk worden de meisjes door
houdsters van bordeelen in Parijs, Amsterdam etc. in persoon
geëngageerd--dikwijls ook per brief--om als naaisters, bedienden
in restauraties etc. werkzaam te zijn. Eens hier zijnde, zijn zij
"stranded" en raken ze spoedig aan haar nieuw bedrijf gewend en er mee
verzoend." Iets verder volgt in den brief: "Ongeveer 5 jaar geleden
ontving dit consulaat per brief verzoek om hulp en voorlichting van
2 Hollandsche meisjes, die bleken door een zekere Maria van Pelt,
eene Hollandsche vrouw uit Rotterdam (alhier een bordeel houdende) in
Rotterdam te zijn aangenomen om in San Francisco als naaisters werkzaam
te zijn tegelijk met, ik meen, 4 andere meisjes. Ik vond het tweetal
ziek te bed in een privaat dames-hospitaal, bedekt met syphilis, zwak
en ziek en zonder een cent. Ze waren uit het huis weggeloopen," etc.

»Door die meisjes vernam ik, dat bij die Maria van Pelt nog 4 andere
Hollandsche meisjes als prostituées werkzaam waren." etc.

Een der Hollandsche afgevaardigden op het Congres van Juni '99 te
Londen gehouden, de heer Velthuijzen, vermeldt in zijn rapport dat
hem uit vertrouwbare bronnen bekend geworden was, dat niet alleen
te Parijs en Londen, doch ook in Rusland, Egypte en Britsch-Indië
Hollandsche vrouwen in bordeelen aangetroffen worden.

't Is evenwel uiterst moeilijk op de hoogte te komen van dergelijke
gevallen om deze redenen: de meisjes verlaten het land met het plan
in een "fatsoenlijke" dienst te gaan, dus de nabestaanden weten niet
anders of het is zoo; zijn de meisjes evenwel eenmaal gevallen, dan
schamen zij zich haar betrekkingen hiervan op de hoogte te brengen,
zoo zij althans in de gelegenheid gesteld worden te schrijven. Indien
de nabestaanden niets vernemen, hoe kunnen zij dan opsporing verlangen
of inlichtingen vragen, waar zij niet eens weten, waar het meisje zich
bevindt, daar toch de oorspronkelijke plaats van bestemming meestal
gefingeerd was? Zelfs bij den binnenlandschen handel komt 't voor dat
de betrekkingen niets aangaande den val van het meisje te weten komen.

De toestanden zijn overigens overal dezelfde; ten bewijze, dat de
Nederlandsche toestanden, speciaal de Amsterdamsche, identiek zijn
met die welke ik in dit hoofdstuk beschreef, haal ik een en ander
aan uit het officiëel verslag der Commissie, die een verandering
der Amsterdamsche strafverordeningen in zake de bordeelen moest
voorbereiden.

»De vrouwen in de erkende bordeelen zijn bijna allen van vreemde
nationaliteit. De bordeelhouders werven haar aan door zoogenaamde
placeurs, de makelaars in dezen menschen-handel."

"Voor elkeen en voor iederen vorm van natuurlijke of tegennatuurlijke
ontucht zijn die vrouwen beschikbaar."

"Meestal is de bordeelhoudster de leverancierster van kleedingstukken
en verdere benoodigdheden. De rekening daarvan is gewoonlijk zoo
hoog, dat de bordeelhoudster in voorschot blijft." "In een bordeel
op de Heerengracht konden wij inzage nemen van de boeken, zoo kostte
o.a. een japon f100, zes zakdoeken f16, zes paar kousen f12, enz."

"Op straat komen de vrouwen niet dan in gezelschap der
zgn. gouvernante."

"Ook bij ons onderzoek is gebleken, dat een groot deel van de
gruwelijkheden, die Fiaux ("Les maisons de tolérance et leur fermeture,
3e uitg. 1896") verhaalt omtrent het leven in de bordeelen te Parijs,
ook ten onzent wordt aangetroffen."

Uit het voormalig zgn. geheime rapport, dat in deze zaak werd
uitgebracht, het volgende:

"De meeste vrouwen zijn van vreemden oorsprong, kennen het land niet,
noch de zeden der bewoners, en zijn genoodzaakt, indien zij aan de
politie verklaren, dat zij het huis willen verlaten, dit te doen in
hoogst primitief costuum en ontbloot van alle geld. Feitelijk kunnen
de prostituées beschouwd worden als slavinnen." "Indien het blijkt, dat
zij niet meer geschikt zijn voor het werk dat van haar wordt verlangd,
worden zij tegen een som, die grootendeels bepaald wordt door de
geldelijke schuld die op haar hoofd rust, overgedaan aan den eigenaar
of eigenaresse van een ander bordeel hier ter stede of elders."

"Alle houdsters verklaarden ons, dat met vreemde vrouwen zooveel
beter valt te werken."

Meestal Fransche en Belgische, Hollandsche weinig in trek, Engelsche
in het geheel niet, hier en daar een Duitsche (gering aantal Duitsche
een gevolg van het tractaat met Duitschland in 1889, omdat volgens
dit tractaat voor de toelating in het bordeel een proces-verbaal moet
opgemaakt worden, dat door den Duitschen consul moet worden gezien).

"De houders of houdsters der publieke huizen gaan òf zelf naar Parijs
en Brussel, zoo b.v. L. F..., vroeger eigenaar van het groote bordeel
op de Spuistraat (F...) thans rentenier te Vreeland, òf krijgen hunne
vrouwen door placeurs."

"De bordeelhoudster van de Heerengracht nam eene vrouw over van
W.... en betaalde daarvoor f200. Een ander meisje kostte der Madame
f90. Dit geld voor overname moet door de meisjes worden inverdiend."

De Commissie verhoorde eene vrouw A. D., die thans het onzedelijk
leven vaarwel heeft gezegd, doch vroeger jaren lang geleefd heeft
met een bekenden placeur.

Ik laat hier eenige vragen en antwoorden volgen.

Vr. Welke ervaring hebt gij omtrent placeurs en souteneurs?

Antw. De placeur, die in aanraking wenscht te komen met vrouwen en
meisjes plaatst eene advertentie, die nu eens waarheid dan onwaarheid
bevat. Uit de ingekomen antwoorden wordt de geschikste door den placeur
gekozen, die aan den placeur f5.--betaalt voor eene plaatsing in een
Café. De prijs voor een prostituée is veel duurder tot f80.--toe.

Buitenlandsche placeurs zorgen, dat de geplaatste de noodige papieren
krijgt, wat natuurlijk aanleiding geeft tot 't verkeerd opgeven van
den leeftijd.

Op een andere vraag als antwoord: "De clandestiene bordeelen zijn
geheel ingericht als de erkende en bekomen op dezelfde wijze de
vrouwen."

Verder: "Verschillende bekende bierhuizen zijn bordeelen, die alleen
voor de leden toegankelijk zijn. De meeste vrouwen worden door een
bekenden placeur uit Keulen in die inrichtingen geplaatst."

Vr. Wat is u bekend omtrent het zedelijk leven van waarzegsters,
werksters met ei, masseuses?

Antw. Hieronder vindt men velen, die ontucht in de hand werken.

Mme H, specialiteit in maagdom, handgeld f25.--"

Wat den leeftijd der prostituées betreft was het antwoord:

"Onder haar zijn vele minderjarigen."

Dit blijkt positief eveneens uit het rapport van een der
commissieleden, waar sprake is van de ondervraging van eenige meisjes
uit verschillende bordeelen. Om een voorbeeld te noemen, het volgende:
Uit 't bordeel van Mme R. werd gehoord M. G., 21 jaar oud, geboren
te Rennes, Frankrijk, sinds 6 maanden prostituée en even zoo lang
te Amsterdam, eerst bij Mme F., thans hier. 't Is duidelijk dat dit
meisje een slachtoffer van een placeur is, eveneens U. v. d. G., 26
jaar, geboren te Roubaix, die uit 't bordeel Mad. C. gehoord werd,
zij was prostituée en steeds te Amsterdam in hetzelfde huis. Eveneens
A. M. F. uit 't bordeel W.; zij was 24 jaar oud, geb. te Parijs,
sinds één jaar prostituée en steeds bij W. Deze 3 zijn toch den tijd,
dat zij prostituée waren, steeds in Amsterdam geweest, en 't is niet
aan te nemen, dat zij vrijwillig uit Frankrijk gekomen zouden zijn
om in Amsterdam in een bordeel te gaan.

De directrice van Beth-San, een stichting voor gevallen vrouwen,
(Warmoesstraat, Amsterdam) vertelde mij de lotgevallen van 2 meisjes.

Een meisje uit Parijs reflecteerde op een advertentie, waarin een
kinderjuffrouw in Amsterdam gevraagd werd. Zij werd aangenomen en
bij haar aankomst alhier werd zij door eene bekende koppelaarster
aan 't station afgehaald. Deze bracht haar in een bordeel op de
Heerengracht. Na eenigen tijd vond zij gelegenheid chanteuse te worden.

Een ander meisje, dochter van een rechterlijk ambtenaar uit 't Zuiden
van Frankrijk, werd op gelijke wijze voor eene betrekking in den
Haag aangenomen. Aan 't station den Haag werd zij met een rijtuig
afgehaald en in het vroegere bordeel van Mme O. gebracht. Zij viel,
nadat men haar dronken gemaakt had. Negen maanden lang werd zij in
dat bordeel gevangen gehouden. Een bezoeker verloste haar, door het
verlof te krijgen eenigen tijd met haar buiten het bordeel door te
brengen; hij moest echter zijn horloge, dat hij voor de zekerheid van
haar terugkeer als pand had achtergelaten, in den steek laten. Op
't oogenblik is zij diacones bij eene dame. Zij is een ontwikkeld
meisje en verstond bij haar komst slechts Fransch.

De voorbeelden en gevallen, die ik tot dusver aanhaalde zijn in
hoofdzaak gevallen van buitenlandschen handel; het meisje wordt met
het bekende oogmerk over de grenzen gevoerd. Zooals ik in den beginne
aangaf, is dit een meer ernstige vorm van den meisjeshandel, en dat wel
om de daar opgenoemde redenen. En daar het een menschelijke eigenschap
is, steeds met het meer ernstige voor den dag te komen, komt 't dat
de gevallen van internationalen handel het meest ruchtbaar worden. De
binnenlandsche handel komt in ons land evenwel ook voor, meestal als
recruteeringen voor de bordeelen van minder allooi. De misleidende
aanvragen in de kleine bladen en ook in de provinciale bladen, het
aanwezig zijn der placeurs, koppelaars en bordeelhouders aan stations,
aan steigers van stoombooten uit de provincie, bewijzen, dat het
eenvoudige meisje van het platteland menigwerf bij hare aankomst in
de groote stad in handen valt van personen, die haar exploiteeren.

Zoo is mij bekend, dat een meisje van buiten in den Haag een plaats
als keukenmeid gekregen had, evenwel, hetgeen zij niet wist, in
een bordeel. Bij hare aankomst in den Haag, in den avond volgens
afspraak, werd zij afgehaald en in het huis aankomende in de keuken
gelaten. Tot dusver was er niets wat hare achterdocht kon opwekken,
doch den volgenden morgen vond zij naast haar bed in plaats van
hare eigene kleederen een zgn. bordeelcostuum, natuurlijk van vrij
indecenten aard, waarin zij zich niet op straat kon vertoonen. Zij
was dus gevangen en het gelukte haar slechts na eenigen tijd te
ontsnappen met behulp van een hondenscheerder, die geregeld in dat
huis zijn taak kwam verrichten. Het noodige bewijsmateriaal ontbrak,
zooals in de meeste van deze gevallen, om met afdoend succes eene
strafvervolging in te stellen.



HOOFDSTUK II.

OMVANG.


Noch oeconomisch, noch juridisch, noch taalkundig kan het als onjuist
aangemerkt worden, dat hier gesproken wordt van "handel".

Er is ruiling van goederen tegen geld; de vrouw vervult hier toch de
functie van een goed, althans in de oogen der placeurs e. a.

In zooverre als men onder het begrip handel een zekere continuïteit van
handelen zou willen verstaan, is deze ook hier aanwezig. Insgelijks
kan men de benaming ook niet onjuist noemen, in zooverre men eene
identiteit of althans eene vergelijking zou willen aannemen met
andere handelsbedrijven ten opzichte van de overeenstemming der
wijzen, waarop deze handel gedreven wordt, ten opzichte van de
gelijkheid der instituten, die deze meisjeshandel met anderen
handel gemeen heeft, kortom ten opzichte van alles, wat men in
betrekking tot dezen meisjeshandel aantreft en dat bij de andere
handelsbedrijven ook gevonden wordt. Te onderscheiden is de binnen-
en buitenlandsche handel; onder dezen laatsten is te vatten een in-,
door- en uitvoerhandel, (alhoewel ten opzichte van mijne beschouwingen
alleen de exporthandel in aanmerking komt).

Bij dezen meisjeshandel treft men onderscheidingen aan tusschen
kooplieden en niet-kooplieden, tusschen alleenstaande kooplieden en
associatiën, tusschen den principaal en zijne agenten.

Alhier eveneens een koopwaar, met hare waardeverschillen naar
qualiteit. Wij zagen dit reeds in het vorige hoofdstuk. Eveneens een
welontwikkelde tusschenhandel, de makelaardij en de commissiehandel.

Alhier vaste afnemers. Bij dezen handel ook markten van blanke
slavinnen, beurzen van koophandel, en in geval van oogenblikkelijken
grooten toevoer, dus bij grooten voorraad, entrepôts en pakhuizen.

En dan moge niet vergeten worden, dat--want juist door de gedurige
ontwikkeling van het verkeer met het buitenland is deze handel evenals
iedere andere handel zoo tot bloei gekomen en is de verbetering der
verkeersmiddelen hem zoo ten goede gekomen,--dit handelsbedrijf
ook geregelde middelen van vervoer tot zijn dienst heeft, vaste
handelswegen voor het gewone vervoer der koopwaar en last not least een
geheime brief- en telegram-correspondentie. Maar dan ten slotte: een
handelsadresboek ontbreekt ook hier niet. Ik wees er in Hfdst. I op,
dat het aantal der niet-kooplieden, die deze handelingen verrichten,
gering is. Het gilde der kooplieden is rijk vertegenwoordigd en steeds
met vrucht werkzaam, hetzij het een alleenstaand persoon is, hetzij
een machtige corporatie, die overal haar bedrijf uitoefent zoowel in de
drukke wereldstad als in het verafgelegen eenzaam dorpje. De handelaar
is of zelf werkzaam als ambulant agent of hij staat aan het hoofd van
een bureau de placement met talrijke ondergeschikten. Volgens Tony
Kellen zetelt in Bombay eene vereeniging, die ongeveer 100 beruchte
handelaars als leden heeft. Bonesse de Montenach, Secretaresse van
het Oeuvre Catholique Internationale pour la Protection de la jeune
Fille vertelde: "At Zürich in Switzerland there exists a central
recruiting office for houses of prostitution."

Het Bulletin Continental van Jan. 1899 vermeldt:

"Un très grand nombre de plaintes parvenues de Vienne, de Berlin et de
St. Pétersbourg au Parquet de Paris, lisons nous dans le Soleil du 17
Nov. dernier, ont amené le service de sûreté à s'occuper des faits et
des gestes de plusieurs individus, pratiquant la traite des blanches.

"Chargés de recruter un personnel féminin de choix pour les maisons
hospitalières des grandes capitales d'Europe deux de ces individus,
les frères S., avaient ouvert à Paris une agence de placement, et par
l'insertion d'avis dans certains journaux ils faisaient connaître,
qu'ils s'occupaient de placer à l'étranger des institutrices, des dames
de compagnie et des gouvernantes. Les malheureuses, qui commettaient
l'imprudence de s'adresser à eux étaient dirigées sur une de ces
grandes villes où les attendaient des agents des frères S. etc."

Het Maandblad van 1 April 1889 maakt melding van het feit, dat
er in sommige steden werkelijke slavenmarkten bestaan en vooral in
Constantinopel. Daar is een markt, waar men de jonge vrouwen verkoopt,
die tot dat doel uit Oostenrijk, Duitschland, Italië en Rusland worden
gebracht. En wat de beurzen betreft, zoo zegt hetzelfde maandblad,
dat er in Constantinopel een gebouw is, het Casino genaamd, dat in
werkelijkheid niets anders is dan een beurs, waar men die menschelijke
koopwaar even gemakkelijk verhandelt als andere koopwaren op de beurs
te New-York. Goron vermeldt in zijn reeds genoemd werkje, dat sedert
lang te San-Francisco localiteiten bekend staan onder den naam van
»Chambres de la Reine", die in waarheid openbare slavinnenmarkten zijn.

Een enkel woord over het handelsadresboek: het heeft het volgende
opschrift: (overgenomen uit Fiaux: Les maisons de Tolérance; Leur
fermeture)


    Annuaire Reirum
    Indicateur des Adresses
    des
    Maisons de Sociétés,
    dites de Tolérance
    De France, Algérie et Tunisie
    et des principales villes
    de Suisse, Belgique, Hollande, Italië et Espagne.
    Prix 5 frcs. 50
    Editeur
    Th. MURIER, Impasse Briarè 12
    PARIS.

    Au verso: Avis: Nous engageons les personnes, dont les noms ne
    figurent pas sur cet Annuaire, et dont les noms et adresses
    ne sont pas rigoureusement exactes, à bien vouloir envoyer
    toutes rectifications:

    Paris, Impasse Briarè 12.


Het bevat 70 pag. kleine druk.

Met zeer veel moeite is de vroegere Hoofdcommissaris van Den Haag,
de Heer van Schermbeek, in het bezit van een exemplaar gekomen. Men
moet n.l. voor de verkrijging van dit boekje tot de geheime corporatie
behooren, op wier rekening het jaarboekje uitgegeven wordt en bij
de bestelling moet een geheim teeken staan onder den naam van den
schrijver. Dit teeken bewijst, dat men voor den loopenden jaargang
tot de ingewijden behoort.

Al wisten wij verder niets, dan nog zou de conclusie dat
klaarblijkelijk de handel in meisjes eene niet onbeduidende
uitgebreidheid heeft verkregen over dezen aardbol volkomen
gerechtvaardigd wezen op grond daarvan, dat eene zoo deugdelijke
organisatie van dezen handel niet zoude in het leven geroepen zijn,
tenzij het ware om steunend op deugdelijke berekeningen met succes
dezen handel in vrouwen en meisjes tot meerderen bloei te brengen.

Doch wij weten meer. De onverdachte getuigenissen van mannen,
die zich op de hoogte gesteld hebben, spreiden den omvang van den
blanke slavinnenhandel in al zijn naaktheid ten toon. De Heer Fritz
Robert, gewezen vice-consul van Oostenrijk en Hongarije in Egypte
en Engelsch-Indië, heeft een studie geschreven over den blanke
slavinnenhandel, waarin hij o. a. zegt:

"Enumerons brièvement les principaux pays d'importation. L'Amérique
du Sud (en particulier le Brésil et Buenos-Ayres) s'approvisionne en
Italie, en Espagne, au Portugal et dans le Midi de la France.

L'Amérique du Nord (New-York et la Nouvelle Orléans) est en
rapports continus avec la Grande-Bretagne, surtout l'Irlande et
l'Allemagne. Ports d'embarquement: Londres, Liverpool, Southampton,
Dublin, Hambourg, et Brême. L'Australie est un important
marché pour les Allemandes et les Françaises indépendamment des
nombreuses Anglaises et Irlandaises importées directement. En Orient,
principalement en Turquie d'Asie, les Grecques et les Italiennes sont
les plus demandées. Constantinople, ce grand dépôt international
d'esclaves blanches, fournit des Autrichiennes, des Roumaines et
quelques Russes. Chose curieuse, les Hongroises ne se trouvent guère
à l'étranger sauf dans les pays danubiens. On peut calculer que 33
p. 100 environ des prostituées de Smyrna et Bayrouth sont des juives
Autrichiennes, avant déjà séjourné en Turquie. L'Autriche (la Galicie,
Trieste et ses environs) fournit avec l'Italie à peu près 75 p. 100 des
pauvres filles importées en Egypte, sans compter celles, qui viennent
grossir le nombre des indigènes, qui peuplent les harems du Caïre,
d'Hélonan et de l'Alexandrie.

Théoriquement, le Gouvernement de sa Majesté Britannique ne tolère
pas de prostituées anglaises aux Indes, en sorte que ce sont les
Autrichiennes, les Allemandes et les Italiennes, qui alimentent en
grande partie la prostitution des "bars" et des "bazaars." Bombay et
Calcutta sont les deux villes où la prostitution des blanches a pris
le plus grand développement et où elle s'étale le plus effrontément.

"Dans les Indes néerlandaises on ne rencontre que de rares
Hollandaises, peu de Flamandes et d'Anglaises, celles-ci venant
directement d'Europe; mais en revanche on y voit beaucoup de
malheureuses ayant séjourné précédemment en Turquie, en Egypte et dans
les Indes anglaises; Batavia, Singapore sont les dernières étapes de
ce triste voyage vers l'Orient, au terme duquel les victimes de la
traite des blanches sont perdues pour jamais."



Een ander geloofwaardig man, de heer Joest, heeft in zijn reisverhaal
een en ander geopenbaard over de wereldhandel in Duitsche en
Oostenrijksche meisjes: "On les embarque à Hambourg pour l'Amérique
méridionale, Bahia, Rio de Janeiro, et surtout Monte-Video et
Buenos-Ayres; un faible résidu va par le détroit de Magellan à
Valparaiso.

"Un autre courant se dirige par l'Angleterre directement sur l'Amérique
du Nord; ici cependant la concurrence indigène l'oblige souvent à
descendre le Missisippi jusqu'à la Nouvelle Orléans et le Texas, ou
bien à se rendre à travers l'Ouest en Californie. Depuis la on pourvoit
la côte jusqu'à Panama, tandis que Cuba, les Indes occidentales et
le Mexique s'approvisionnent depuis la Nouvelle-Orléans.

"D'autres jeunes filles allemandes sous la dénomination de
"Bohémiennes" sont dirigées par les Alpes sur l'Italie, d'où elles
vont à Alexandrie, Suez, Bombay, Calcutta jusqu'à Singapore et même
à Hongkong et à Shangaï.

"Les Indes néerlandaises et l'Extrême Orient, notamment le Japon sont
de mauvais marchés, car la Hollande ne tolère pas de filles blanches
de cette catégorie dans ces colonies et au Japon les filles du pays
sont jolies et à bas prix; en outre la concurrence américaine de San
Francisco achève de gâter le marché.

"La Russie se pourvoit depuis la Prusse orientale, la Poméraine et
la province de Posen; la première station est ordinairement Riga;
c'est là que les pourvoyeurs de Saint-Pétersbourg et de Moscou font
leurs assortiments, qu'ils expédient ensuite par grands convois à
Nigni-Novgorod et à travers l'Oural à Irbis et à Krestofsky et jusqu'au
fond de la Sibérie. C'est ainsi, qu'il m'est arrivé de rencoutrer une
jeune Allemande vendue de la sorte à Tschita au delà du lac de Baïkal."

En wanneer ik hierbij voeg, dat ook Zuid-Afrika, speciaal Kaapstad
en Johannesburg, een vaste bestemmingsplaats is voor die vrouwen,
dan kan men zich in verband met de bovengenoemde getuigenissen een
denkbeeld vormen over welk een gebied de handelaars reeds werkzaam
zijn. Doch dan blijft het nog een open vraag, of het aantal meisjes
en vrouwen, die overal heen verhandeld worden, werkelijk groot is.

Op het in Juni 1899 gehouden Congres te Londen, dat plaats
had op initiatief van the National Vigilance Association waren
vertegenwoordigd: 11 Staten van Europa en de Vereenigde Staten van
Noord-Amerika. Vraag 6 van de eerste serie vragen, die den rapporteurs
ter beantwoording waren voorgelegd, luidde:

"Whether any official or trustworthy statistics have been prepared,
showing the extent, to which young women of your nation have been
induced to go abroad to an immoral life?"

De rapporteurs van bijna alle landen hebben òf beslist ontkennend
geantwoord op deze vraag òf zij hebben de beantwoording in het geheel
ter zijde gelaten. De rapporteur van België ontkende voor zijn land
eveneens het bestaan van statistieken, doch tevens voegde hij er
aan toe dat hem uit een onderzoek ingesteld bij de politiehoofden
van de voornaamste steden gebleken was, dat gevallen van dergelijke
misleiding zelden voorkwamen; de burgemeester van Luik o. a. beweerde,
dat in de 10 laatste jaren een dergelijk geval zich niet voorgedaan
heeft, altijd volgens de "Brigade de Sûreté".

Een enkele opmerking moet mij naar aanleiding van dit antwoord uit de
pen, opdat de conclusie, die men uit dit antwoord en andere van dien
aard zou willen trekken, zooveel mogelijk juist zij: de geheimzinnige
werkzaamheid der traffickers aan de eene zijde, de schaamte der jonge
vrouwen om haar lot bekend te maken aan de andere zijde, werken er toe
mede, dat het grootste percentage der gevallen onbekend blijft. Verder
is de faam van de zedenpolitie zoowel in België als in Frankrijk van
dien aard, en is bij meerdere gelegenheden haar medeplichtigheid aan
de daden der handelaars en bordeelhouders zoo duidelijk geworden,
dat ik niets meer behoef te zeggen om de volkomen betrouwbaarheid
der bovenbedoelde antwoorden der politiehoofden in twijfel te trekken.

Op andere wijze moet dus nog een denkbeeld verkregen worden aangaande
den omvang van den buitenlandschen of export- en den binnenlandschen
handel, beiden zoowel van vreemde landen als van Nederland.

Ik zal mij ten eerste bepalen tot de rapporten van het Congres te
Londen (1899) en een en ander, wat op dezen omvang betrekking kan
hebben, memoreeren. Ingewonnen inlichtingen doen bij Bérenger de
overtuiging ontstaan dat aan de Fransche havens een voortdurende
emigratie plaats heeft voor buitenlandsche publieke huizen. In
Engeland hebben nu en dan vervolgingen plaats tegen personen, die door
misleiding Jodinnen uit Rusland naar Engeland hebben gelokt. Dit feit
is wel de vermelding waard, daar in Engeland het houden van bordeelen
op straffe verboden is en zoo velen beweren, dat daarmee ook aan den
meisjeshandel den kop ingedrukt is. 't Behoeft geen betoog, dat de
placeurs en bordeelhouders bij dusdanig verbod veel sluwer optreden
en dan mag 't verbazing wekken, dat alsdan toch nog feiten uitlekken,
die tot vervolgingen aanleiding geven. De Heer Bunting spreekt op
het congres van een recent geval in Engeland; een vrouw was vervolgd,
omdat zij 3 meisjes uit België met een onzedelijk doel naar Engeland
gelokt had. De conclusie is dus niet gewaagd, dat in Engeland de handel
nog genoeg voorkomt, ondanks het verbod van bordeelen, in weerwil van
het feit, dat de Criminal Law Amendment Act van 1885, naar aanleiding
van de onthullingen der Pall Mall Gazette, den meisjeshandel strafbaar
heeft gesteld. Een der Engelsche rapporteurs op 't congres te Londen,
de advocaat W. Fielden Craies zegt o.a. ook dit: "Judging by the large
number of prosecutions and sentences under the Vagrancy Act of 1898
the police have a considerable amount of information with respect to
persons trading on the vice of others.

"It is probable, that at Scotland Yard much information exists as to
persons concerned in the white slave trade".

De Heer Bunting vermeldt zonder omwegen het feit, dat door misleiding
jonge vrouwen, al zijn het geene Unbescholtenen meer, naar een bordeel
in den vreemde of in een koloniale stad gelokt worden, terwijl haar
een gemakkelijker leven en ruimer verdienste voorgespiegeld worden; ook
dit is een daad van meisjeshandel en valt ook onder de wet van 1885.

Baronesse von Langenau, de afgevaardigde van Oostenrijk, verzekert, dat
de politie in dat land in 't bezit is van volkomen vertrouwenswaardige
lijsten van personen, die in den meisjeshandel hun bedrijf zoeken;
te Weenen zou hun aantal de 180 overschrijden. Het aantal misleide
meisjes moet volgens haar jaarlijks 1500 bedragen. Dezelfde dame
citeert een brief van de "Société de Protection et de Secours aux
Femmes amenées par émissaire en Argentine" gericht aan de redactie van
de "Arbeiter-Zeitung"., het orgaan der sociaal-democratische partij;
in dien brief lezen we o.a., dat honderden ouders in Europa ongerust
zijn over het lot hunner dochters, niet wetend, hoe deze plotseling
verdwenen zijn en waar zij nu toeven; welnu deze meisjes vertoeven
in Buenos-Ayres of Rio de Janeiro.--Op het oogenblik, dat die brief
geschreven wordt, maken vele handelaars zich gereed naar Europa af te
reizen om na weinige maanden met een rijke lading terug te keeren. Hun
agenten in Europa hebben reeds het voornaamste werk gedaan vóór
hun komst. Zij behoeven slechts hun zorgvuldig uitgekozen koopwaar
in ontvangst te nemen en ze in te schepen. Dit geschiedt te Genua,
Marseilles, Cherbourg, Hâvre, La Palice en Southampton. In Genua zijn
2 hotels, waar steeds een lading levende koopwaar in gereedheid wordt
gehouden om op het eerste bericht gezonden te worden.

Volgens den Heer de Meuron verklaart de Heer Fritz Robert, die door
zijn werkkring als consul in Egypte en Engelsch-Indië vertrouwen
verdient, dat er zeeschepen zijn, waarvan bekend is, dat zij vooral
gebezigd worden voor het vervoer van vrouwen. Te Port-Said zijn
tijdelijke depôts.

Mr. Coote, de secretaris van de National Vigilance Association, vernam
op zijn rondreis door Europa ter voorbereiding van het Londensche
Congres van een Russisch ex-consul te Buenos-Ayres, dat aldaar 3000
Europeesche vrouwen in bordeelen als slavinnen opgesloten zijn.

Bonesse v. Langenau vermeldt in haar rapport op meergenoemd Londensch
congres, dat het aantal slachtoffers in Hongarije ontelbaar is. Het
oostelijk Europa schijnt een terrein te zijn, dat de placeurs en
bordeelhouders gemakkelijk kunnen brandschatten en waar zij dan ook
met enorm succes werkzaam zijn. Op het Congrès international de l'Union
de droit pénal in 1899 te Budapest gehouden citeert Dr. Ludwig Gruber
(Königl. Vize-Staatsanwalt in Budapest) een bericht, dat kort te
voren een blad te Budapest mededeelde:

"Mädchenhandel in Siebenbürgen:

"Die in der letzten Zeit mit Bezug auf den scheusslichen Seelenhandel
veröffentlichten Details haben allenthalben peinliches Aufsehen erregt
und auch die Aufmerksamkeit der Behörden wachgerufen. Wie bereits
gemeldet, wurden aus Bereczk 86 junge Mädchen ohne Pässe über die
Grenze geschmuggelt; nun werden aus Kézdi-Vásárhely dem "Kel. Ért"
die folgenden sensationellen Details über den dort schwunghaft
betriebenen Mädchenhandel berichtet. Demgemäss erstrecken sich die
Umtriebe auf sämtliche Gemeinden des Kézdi-Vásárhelyer Bezirks;
ausser den oben erwähnten 86 Székler Mädchen wurden aus Lemhény 40,
Almás 20, Polyán 10, Esztelnek, Csomor Bálafalva und Kurtafatak 40,
Altorja 10, Alesernáton 15, Martonfalva und Hatolyka 10, Karatna,
Volál, Peselnek und Szarazpatak 30, also aus dem Kézdi-Vásarhelyer
Bezirk allein 261 Székler Mädchen von gewissenlosen Seelenhändlern nach
Rumänien entführt. Der berüchtigteste Mädchenschmuggler des Székler
Bodens, namens Georg Raduly (Magyar Gyurka) war schon wiederholt
schwer bestraft; das reichliche Erträgnis des Geschäfts lässt ihn
jedoch immer wieder zu dem scheuszlichen Geweibe zurückkehren. Auch
jetzt ist er zu einer zweimonatlichen Gefängnisstrafe verurteilt."

(Pester Loyd No. 130 Sonntag 28 Mai 1899.)

Eenigen tijd daarvoor had hetzelfde blad, (Pester Loyd 24 Mei '99)
een bericht opgenomen over «Excursionen ungarischer Tänzerinnen nach
Russland, wo sie gewöhnlich in die Hände gewissenloser Mädchenhändler
geraten und an die Inhaber von öffentlichen Häusern verschachert
werden."

De Heer Julius László publiceerde naar aanleiding van dien handel
in Hongaarsche meisjes een geschriftje «Székely és Csángó leányok,"
(Marosvásárhely, 1899); hij schat het aantal meisjes, die uit de
oostelijke Hongaarsche grensprovinciën met en zonder passen emigreeren,
op duizenden.

De feiten, die ik hier memoreer, blijken allen uit getuigenissen van
den allerlaatsten tijd; wilde men vroeger teruggaan, in allerhande
geschriften en bladen zou men verklaringen kunnen vinden aangaande
den omvang van dezen handel. Zoo heb ik toevallig onder oogen een
Maandblad (G. en R.) van April 1889, waarin vermeld staat, dat te
Constantinopel iedere week ladingen Duitsche en Italiaansche meisjes
aankomen, hetzij over den weg van Varna-Odessa-Salonica, hetzij door
de havens der Adriatische zee.

Het Bulletin Continental van 15 Juni 1891 spreekt over "la traite des
jaunes." Ladingen Chineesche en Japansche meisjes worden vervoerd
naar San-Francisco en daar komt maar geen einde aan; 't geschiedt
als van oudsher voortdurend. Japansche meisjes van 15 tot 16 jaar
worden gekocht te Yokohama en te Yeddo om ze aan de bordeelhouders
in Californië voor 1000 tot 3000 francs te verkoopen. Wanneer
een scheepsvracht vrouwen aankomt, dan hebben er werkelijke
verkoopingen plaats, en de toewijzingen hebben plaats aan den
meestbiedende. Datzelfde blad vestigt de aandacht op den Europeeschen
exporthandel naar Amerika: "Quelques fournisseurs parisiens forment
de véritables troupeaux, qu'ils conduisent eux-mêmes une ou deux
fois par an à New-York. Ajoutons que ce fait n'est pas spécial à
Paris. Il part chaque année de Suisse de véritable cargaisons. A
notre connaissance un ténancier de maison clandestine de Genève,
parfaitement connu de la police et même toléré par elle au mépris de
la loi, se rend fréquemment en Amérique avec des jeunes filles."

Het Bulletin C. van Jan. '93 en van Mei '94 bevatten beiden
respectievelijk het bericht van het vervoer van meer dan een dozijn
Italiaansche meisjes naar New-York en van een half dozijn Brusselsche
meisjes naar San-Francisco.

Het Bulletin Continental van Nov. 1892 maakt melding van een
strafvervolging te Lemberg tegen 27 beklaagden. 't Waren recruteurs,
die brutaal te werk gingen; ze liepen het land af en zoodra ze een
karavaan konden vormen, stelden zij zich aan het hoofd en vervoerden
de vrouwen overal heen. O. a. werden 60 Galicische jonge vrouwen
in de publieke huizen van Constantinopel gevonden, ook in Indië, te
Port-Saïd en te Alexandrië zijn alle bordeelen gevuld met Europeesche
meisjes. Wat den handel betreft in Nederlandsche jonge vrouwen,
zoo is het materiaal, dat mij ten dienste staat om aan te toonen,
dat ook deze vrij omvangrijk is, zeer gering.

In zijn rapport op het Congres te Londen, vermeldt de Hollandsche
rapporteur, (ik zeide dit reeds in een ander verband op pag. 29) dat
hij er van op de hoogte gesteld is, dat niet slechts te Parijs en
Londen, maar zelfs in Rusland, Egypte en Britsch-Indië Hollandsche
meisjes in bordeelen worden aangetroffen, ofschoon hij niet weet,
op welke wijze zij daar gekomen zijn.

Op blz. 28 citeerde ik reeds een gedeelte van den brief van den
heer van Löben Sels, oud-consul te San-Francisco. In dien zelfden
brief schrijft Mr. van Löben Sels mij, dat hij van het op pag. 28
vermelde geval een uitvoerig rapport opstelde aan Z. Ex. den Minister
van Buitenlandsche Zaken. "Ik gaf daarin alle détails, den waren en
valschen naam der makelaarster, haar adres te Rotterdam met vermelding,
dat zij geacht werd geregeld elk jaar naar Holland te gaan en dan
meisjes per Noord-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij vervoerde.»
Men ziet dus, dat die koppelaarster geregeld jaarlijks Hollandsche
meisjes uitvoerde naar San-Francisco. De schrijver van den brief vernam
1 1/2 jaar geleden, dat er weer eenige Hollandsche jonge vrouwen
in San-Francisco door Maria van Pelt waren ingevoerd. Ik twijfel er
niet aan of er bestaat ook een geregelde exporthandel in Hollandsche
meisjes naar andere steden en landen; tegenover de objectie, dat men
er dan toch wel eens iets over zou hooren bij geruchte, stel ik ten
bewijze, dat zelfs niets behoeft uit te lekken en de handel toch kan
floreeren, mijne reeds meer dan eens aangevoerde argumenten. Groote
geheimzinnigheid in doen en laten der makelaars, gerustheid der ouders
en nabestaanden omtrent het lot hunner dochters en verwanten (zij
worden toch voor een "fatsoenlijke" betrekking in dienst genomen),
indien althans de misleide vrouwen niet zoo goed als geheel alleen
op de wereld zijn, zoodat niemand zich om haar bekommert. Vrees
en schaamte der meisjes om haar familie van haar lot op de hoogte
te stellen.

En dan, van de koopmanstalenten van Marie van Pelt heeft toch ook
niemand iets gehoord, en dat terwijl de Regeering toch door meer dan
éen rapport tegen haar handelingen gewaarschuwd is.

De geïsoleerde plaats, die onze Nederlandsche taal op de aarde inneemt,
wordt als argument aangevoerd, dat de uitvoer van jonge vrouwen uit
Holland wel zeer beperkt zal zijn. In zoover men dit argument ook
voor andere nationaliteiten zou willen bezigen, geef ik toe, dat het
voor onze Nederlandsche taal meer grond heeft; doch in den aard der
zaak geloof ik toch, dat in zooverre de taal voor vreemde meisjes
geen beletsel is om naar alle staten van den aardbol rondgezonden
te worden, zij ook niet verhinderen zal, dat een Hollandsche vrouw
in aanmerking komt door een placeur in een buitenlandsch bordeel
geplaatst te worden. Maar naar het mij voorkomt zal aan den anderen
kant de waarde der vrouw grooter worden, indien de vrouw een meer
internationale taal er bij kent. Dit toont toch de werkelijkheid:
zoogenaamde "dubbele kisten" [5], dat zijn twee talen sprekende
meisjes, vertegenwoordigen grootere waarde. Bij de keuze van meisjes
zal natuurlijk wel gelet worden op den landaard der bezoekers. Overal
waar dus Nederlanders in vrij grooten getale vertoeven of wonen,
zal men m.i. ook Hollandsche prostituées kunnen verwachten.

De invoer van vreemde vrouwen in Nederland heeft gestadig door
plaats. Reeds lang is die handel naar ons land bekend, want in
September 1877 heeft de oud-hoofdcommissaris te 's Gravenhage, de heer
van Schermbeek, reeds te doen gehad met een geval, dat een Engelsch
meisje aan een bordeelhoudster in den Haag verkocht was. Doch die
feiten zullen wel reeds lang voor dit laatstgenoemde dateeren. De
Amsterdamsche commissie tot herziening der politieverordeningen
verklaart in haar rapport, dat de vrouwen in de erkende bordeelen
bijna allen van vreemde nationaliteit zijn en dat de bordeelhouders
haar aanwerven door zoogenaamde placeurs, de makelaars in dezen
menschenhandel. Nu is het houden van bordeelen verboden door de
politieverordening, doch ik heb voor mij liggen officieele bescheiden,
waarin een opgave van personen (vreemdelingen), die zich in Maart '99
in de zoogenaamde daarin opgenoemde verdachte huizen bevonden; in ±
40 van deze huizen leven plm. 105 vreemde vrouwen, in die perceelen
zoo verdeeld, dat er in ieder een tot 15 vrouwen gevonden worden. Het
is niet te denken dat deze allen zich vrijwillig hier zouden bevinden,
integendeel op bladzijde 33 haalde ik een geval van dezen handel aan
en ook onlangs kwam mij een recent geval ter oore, dat een meisje uit
Frankfort a. Main alhier in een bordeel gelokt is, waaruit zij nog
tijdig kon ontvluchten. Uit een schrijven van den Hoofdcommissaris
van Amsterdam aan de Middernachtzending, gedateerd 25 April 1899
blijkt ook, dat de handel in Amsterdam nog wel degelijk bestaat;
daarin worden ook nog een paar gevallen van recenten datum vermeld;
en deze zullen wel enkele zijn, die tot de ooren van het publiek komen;
het grootste aantal zal wel steeds onbekend blijven.

Evenzeer als de buitenlandsche handel in meisjes in Amsterdam gedreven
werd en ook nu nog gedreven wordt ondanks het verbod der bordeelen,
evenzeer heeft deze ook voortdurend plaats in de andere steden van
ons land, zooals mij door verkregen inlichtingen gebleken is.

Met alles, wat ik in de voorgaande pagina's releveerde, heb ik
getracht duidelijk aan te wijzen, hoe omvangrijk de buitenlandsche
blanke slavinnenhandel is en tot welk een belangrijk bedrijf hij zich
in onze tegenwoordige maatschappij ontwikkeld heeft.

Ik wees er reeds op, dat de buitenlandsche handel in meisjes zoo tot
bloei gekomen is door de gedurige ontwikkeling der verkeersmiddelen;
de oorspronkelijke vorm is zonder twijfel de binnenlandsche
geweest. Deze wordt ook nu nog gedreven, doch de meerdere ernst van
den buitenlandschen handel heeft dien binnenlandschen meer ter zijde
gedrongen wat betreft het openbaar maken der feiten. Doch er is meer:
van grooten invloed is wel, dat eene inboorlinge van het land al
datgene als voordeelen geniet, waarvan ik het gemis als een nadeel
schetste voor de vrouw bij haar vervoer naar het buitenland. Zij
kent de taal, zij weet tot wien zij zich om hulp moet wenden. Haar
nabestaanden zijn wellicht niet veraf wonende. Dit alles draagt er
toe bij, dat de binnenlandsche handel niet den omvang bereikt heeft
van den exporthandel. Doch ik acht het een plicht er op te wijzen
dat dit vooral ook te danken is aan de krachtdadige pogingen der
particuliere liefdadigheid, der philanthropische vereenigingen,
die door ruime bekendmakingen in het land de bevolking wijzen op
de gevaren, waaraan haar jonge dochters blootgesteld zijn, doch ook
overigens op alle mogelijke manieren werkzaam zijn om de uitbreiding
van deze handelingen tegen te gaan en liefst om ze ook te verminderen.

Deze werkzaamheid dier vereenigingen bewijst dat ook de omvang van
dezen vorm van het kwaad onze aandacht verdient. De verschillende
bladen, die hun kolommen geregeld openstellen voor de openbaarmaking
van den handel in meisjes, vermelden steeds bij herhaling gevallen
van dezen aard in het buitenland. Vooral trekt daarin mijne aandacht
de binnenlandsche handel in Frankrijk: het is hier een geschacher
van het Noorden naar het Zuiden, van 't Zuiden naar het Noorden.

Ook in Nederland worden nu en dan eens gevallen ruchtbaar, dat
onervaren boerenmeisjes of eenvoudige burgermeisjes uit de provincie in
den val loopen. Men ziet verdachte individuën dan ook bij aankomst van
stoombooten uit de provincie aan de steigers ronddwalen. Advertentiën
in provinciale bladen zijn het middel om de naar de groote stad
hunkerende meisjes te vangen.

Doch omdat 't hier niet zoo gemakkelijk gaat Hollandsche meisjes
in bordeelen op te sluiten, wordt ook een andere wijze in praktijk
gebracht om ze aan een ontuchtig leven over te leveren. En wel
plaatsing in eene betrekking: b. v. als buffetjuffrouw of kellnerin,
of als dienstmeisje bij een verdachte meesteres of in een verdacht
huis, waardoor het meisje langzamerhand door de verzoeking ten val
wordt gebracht. Van dien aard zijn vele gevallen bekend. Bij dezen
handel heeft dus de misleiding niet altijd het gevolg gedwongen
verblijf in een bordeel, doch deze toestand van onvrijheid behoeft
ook geen essentiëel vereischte te zijn voor den handel in meisjes,
al heeft deze in generali die krenking der persoonlijke vrijheid
ten gevolge. De kwestie is, dat vrouwen en meisjes door misleiding
in een toestand gebracht worden, waarin zij zich als gevolg van die
misleiding aan een ontuchtig leven over geven.

Wanneer men deze 2 wijzen van handelen samenvat, moet ook de omvang
van den binnenlandschen handel als van dien aard aangemerkt worden, dat
pogingen ter bestrijding niet als doelloos beschouwd hoeven te worden.



HOOFDSTUK III.

OORZAKEN.


Weinig maatschappelijke euvels hebben het feit van hun bestaan te
wijten aan een samenstel van oorzaken zóo gecompliceerd, als deze
zich bij den meisjeshandel openbaren.

De ontwikkeling der strafrechtswetenschap tot sociale wetenschap,
welk verschijnsel vooral op 't einde der 19e eeuw zoo onze aandacht
trekt, werpt verre van zich de gedachte als zou de straf als strenge
repressie, doch tevens met hare preventieve werking, het eenige middel
zijn, waarmede de staat de rechtsorde in het algemeen zou kunnen
beschermen, het speciale onrecht zou kunnen keeren. Uitgaande van het
nieuwere beginsel, dat, wat nu strafrecht heet, alle maatregelen ter
bestrijding van criminaliteit omvatten zal, dient vooreerst nauwkeurig
nagegaan te worden, welke omstandigheden, welke toestanden etc., in
het algemeen welke oorzaken aanleiding kunnen wezen, dat dergelijken
feiten zich in onze maatschappij kunnen voordoen. Dat samenspel van
oorzaken, die hetzij afzonderlijk, hetzij gecombineerd in werking
treden, noemde ik zooeven gecompliceerd.

Deels toch werken zij aan de zijde van de vrouw, deels aan de zijde
van den misdadiger. De eersten roepen bij de vrouw in het leven
den drang te trachten elders haar brood te verdienen of in ieder
geval ter bereiking van andere verlangens zich elders een dienst
of plaats te zoeken; de anderen stellen het individu in staat zijn
misdadige neigingen in daden voldoening te doen vinden; in generali,
qua individu handelende in strijd met de rechtsorde, drijven hem
natuurlijk tot de anti-sociale daad de gewone criminaliteitsoorzaken,
zoo anthropologische als sociologische.

Vooreerst en voornamelijk zijn sociale invloeden de krachtige
werkingen, die eensdeels de vrouw of het meisje spoediger doen zwichten
voor een haar in gewone omstandigheden wellicht afkeerig dienstaanbod,
doch die anderdeels evenzeer aanleiding zijn het misdadig individu de
gelegenheid te geven in daden uiting te geven aan zijn anti-socialen
aanleg. Dezen kan door hervormingsmaatregelen hun kracht hetzij voor
een deel hetzij voor het geheel ontnomen worden.

En ten tweede individueele invloeden; bijzondere aan de zijde van de
vrouw, de gewone anthropologische aan de zijde van den misdadiger.

Onder de eersten meen ik te mogen rekenen:

De slechte levensomstandigheden in de lagere klassen der
maatschappij. Deze zich ook voor een deel openbarend in slechte
huisvesting, tengevolge waarvan het gevoel van zedelijke kracht en
zedelijkheid zeer achteruitgaat.

De lage loonstandaard heeft ten gevolge, dat bij ieder aanbod van
hooger loon de oude betrekking opgegeven wordt om een nieuwe en
oogenschijnlijk betere te verkrijgen; het meisje laat zich veel
gemakkelijker overhalen voor een dubieuse offerte haar woonplaats,
zelfs haar geboorteland te verlaten.

Vooral de bij vrouwen bestaande zucht naar opschik en grootere weelde
doet haar verlangen een dienst te zoeken in een groote stad, waar men
aan dat verlangen gemakkelijker kan voldoen en waar hoogere loonen
verdiend worden. Deze drijfveer is meer dan eens oorzaak geweest, dat
de jonge vrouw, die naar de groote stad vertrokken is en vooral zij,
die op goed geluk daarheen trok, in handen valt der bordeelhouders
door middel van hun agenten, welke haar aan spoorwegstations en
stoombootsteigers opwachten.

Verder mag de aandacht wel gevestigd worden op het feit, dat de
vermindering van het aantal huwelijken een zijdelingschen invloed
op den meisjeshandel uitoefent. Wat toch is de kwestie? Door de
hoogere eischen, die het moderne leven stelt en tevens door de
innerlijke zucht naar weelde, door het tengevolge der grootere
vermeerdering der bevolking verhoogde aanbod van werkkrachten
tegenover de niet zoo evenredig stijgende vraag daarnaar, wordt
opgezien tegen den huwelijksband; men verwacht niet, als de tijd
daar is, vrouw en kinderen te kunnen onderhouden, zooals het modern
leven en de eventueele stand het eischen; het huwelijk wordt dus
nagelaten. Onmiddellijk gevolg daarvan is grooter aantal ongehuwde
vrouwen en mannen; de vrouw overigens geen middel van bestaan hebbende,
dient zich dat te verzekeren en tracht een dienst of betrekking
te verkrijgen. Een dusdanige haar aangeboden wordende wordt, naar
gelang de nood meer of minder dringt, meer of minder nauwkeurig in
overweging genomen en zoo is het mogelijk, dat placeurs en koppelaars
menig meisje kunnen vangen.

Eigenaardig is de cirkelgang, die hier waar te nemen is. Door verhoogde
levenseischen etc. minder huwelijken, meer ongetrouwde vrouwen, die
betrekkingen zoeken; zij dringen in vele gevallen mannen ter zijde,
die dus niet volgens hun bestemming in hun onderhoud kunnen voorzien
en dus allicht minder zullen verdienen; dit heeft weer ten gevolge,
dat het huwelijk voor hen onmogelijk gemaakt wordt.

Van de andere zijde heeft het verminderde aantal der huwelijken een
ander gevolg en tevens ook het huwen op lateren leeftijd. Eensdeels
stijgt het aantal verleidingen; ontelbaar zijn de gevallen, dat
het verleide meisje, zwanger geworden of eenmaal moeder zijnde,
genoopt wordt buiten hare woonplaats een betrekking te zoeken, welk
streven haar in vele gevallen in handen van agenten en koppelaars doet
vallen. Anderdeels brengt 't grooter aantal ongetrouwde mannen teweeg
een grootere vraag naar vrouwen; gevolg is, dat er altijd individuen
gevonden worden, die aan die vraag willen voldoen. Aldus worden zij
in staat gesteld een lucratief bedrijf uit te oefenen.

Het groote kinderaantal in de huisgezinnen der armere bevolking dwingt
zoowel de jongens als de meisjes reeds vroegtijdig, meestal zoodra
ze de schoolbanken verlaten hebben, te trachten hun eigen brood te
verdienen. Hoe licht is het dan niet mogelijk, dat de meisjes in
handen vallen van koppelaars e. a.

De bordeelen zijn het vooral, die de handelaars in staat stellen hun
bedrijf, zooals zich dit tegenwoordig voordoet, met succes uit te
oefenen. De gestadige behoefte aan "chair frais" doet een voortdurende
fluctuatie ontstaan; oude afgekeurde elementen worden afgedankt,
nieuwe moeten gerecruteerd worden uit den nieuwen aanvoer.

Als een individueele invloed zou ik kunnen vermelden de zucht van
een meisje om geheel en al vrij te zijn. Dikwijls is 't motief voor
het verlaten van het ouderlijk huis de te krachtige druk van het
ouderlijk gezag.

In 't kort: al de omstandigheden, die ik opsomde zijn indirecte
oorzaken, die het jonge meisje in de macht der koppelaars brengt. Die
oorzaken roepen in het leven de zucht om de positie te verbeteren
of de zucht om er eene te verkrijgen bij gebreke van arbeid: de
Arbeitslosigkeit; een contrast met de Arbeitsscheu, die ook zoovelen
in handen der prostitutie brengt. Hoezeer de moraliteit in beide
gevallen in den aanvang verschilde, naderhand zijn zij niet meer van
elkaar te onderkennen.

De levensomstandigheden van ieder individueel vrouwelijk wezen brengt
ten slotte ook zeer veel bij om haar ongeluk meer of minder mogelijk
te maken; o. a. verwaarloozing der opvoeding, slecht voorbeeld der
omgeving, en andere.

Ik wil eindelijk ook nog op een geval wijzen, waaruit blijkt, hoe
soms politieke maatregelen werkzaam kunnen wezen in de richting door
mij bedoeld. Een der rapporten op 't congres te Londen vermeldt,
dat na de vervolging der Joden in Rusland (1894?) de bordeelen van
Zuid-Amerika meer dan gevuld waren met Russische Jodinnen.

Op een algemeen verschijnsel wil ik nu nog de aandacht vestigen. Het is
niet zoozeer op te vatten als een onmiddellijke oorzaak van 't bestaan
van toestanden, zooals wij ze bij den handel in blanke slavinnen zien
als wel een oorzaak van de criminaliteit in het algemeen. Het is een
vermindering der zedelijke kracht bij het volk.

Tarde, "de degelijke Magistraat en diepe Denker" (Prof. van Hamel),
wijst op eene vermindering van den manslag, doch op eene stijging van
het cijfer dier misdrijven, die met een pecuniair oogmerk bedreven
worden. Hij wijt dit aan de "voluptuosité de nos moeurs" ("Criminalité
comparée" pag. 182).

Aangaande den blanke slavinnenhandel spreekt Tarde zich aldus uit:

"Les scandales, nullement exeptionnels, révélés par le Pall Mall
Gazette, nous ont édifiés sur la moralité de la nation réputée à bon
droit peut-être la plus chaste du continent et précisément dans ses
classes les plus civilisées.

"La surexcitation nerveuse et l'affaiblissement musculaire, effet du
développement de la vie urbaine, conduisent à la nymphomanie et au
priapisme. L'amour plus précoce, l'amour plus prolongé, l'amour plus
libre et plus infécond; à ces signes surtout se reconnait, soit dans
une nation, soit dans une classe, l'avancement en civilisation."

Men ziet het, dat deze anti-sociale daad, evenals ieder strafbaar
feit, doch in veel sterkere mate, een bij uitstek maatschappelijk
verschijnsel is. Onder de preventieve middelen, die het kwaad in zijn
kiemen moeten verstikken en welke de criminalist ook niet uit 't oog
mag verliezen, alhoewel juist deze wegens hun socialen aard meer tot
het terrein van den oeconoom behooren, is dus vooral te rangschikken
de wegneming der invloeden, die het kwaad als noodzakelijk gevolg na
zich sleepen. Wanneer dit middel volkomen kan helpen, dan houde de
zuivere criminalist zijn handen thuis, zoo niet dan moet hij optreden;
doch dit diene hij ook te doen, waar de mogelijkheid om de oorzaken
op te heffen nog niet of in het geheel niet bestaanbaar is of waar
de opheffing dier oorzaken wellicht om andere redenen geheel af te
raden is.



HOOFDSTUK IV.

MIDDELEN TOT BESTRIJDING.


De veelzijdigheid der oorzaken, hun bestaan vindende in
maatschappelijke toestanden, waarvan de wording aan rechtsregels
toegeschreven kan worden, of die langs den weg der historie zelfstandig
ontstaan zijn, welke den handel in meisjes in het leven kunnen roepen,
mag wel a priori de vrees wettigen, dat, om niet te spreken van
de geringe waarschijnlijkheid, dat in alles verbetering zal kunnen
gebracht worden, de tijd, dat men met eenig succes kan werkzaam wezen
door ze weg te nemen om iets van zijn doel te bereiken, nog verre is.

Wat de slechte huisvesting betreft, hierin wordt eerlang in Nederland
verbetering gebracht. (De Mem. van Toel. van het ontwerp-woningwet
getuigt, dat de Regeering doordrongen is van den slechten invloed
der woningtoestanden op de goede zeden. "Het onderhoud der woning,
behoorlijke reiniging, beperking van het aantal bewoners in verband
met de hoeveelheid beschikbare lucht, de afscheiding der slaapplaatsen,
kortom alle factoren, die een element van behoorlijke bewoning vormen,
zijn--het behoeft nauwelijks betoog--voor gezondheid en zedelijkheid
van het grootste gewicht.)

Verbetering der te lage loonen zou volgens sommigen kunnen plaats
hebben door vaststelling van een minimum loon.

Toelating van 't onderzoek naar het vaderschap kan den vader dwingen
zijn kind mede te onderhouden, zoodat 't meisje deswege niet de eerste
de beste gelegenheid behoeft aan te grijpen een dienst te verkrijgen.

Streng toezicht op de ouderlijke macht, ontzetting bij verwaarloozing
(in den ruimsten zin) van de opvoeding der kinderen, vermeerdert
't bewustzijn van zedelijke kracht bij die kinderen, voorkomt hun val.

In het algemeen is iedere vermeerdering der welvaart van de
volksklassen zonder twijfel in de gewenschte richting werkzaam.

Hoe is het met het verbod van het houden van bordeelen?

Prof. Dr. Karl Stooss, wiens meening wel door velen zal gedeeld worden,
sprak op het in 1895 te Parijs gehouden Pénitentiair Congres in dezen
zin: «La suppression des maisons publiques, voilà la plus simple et la
plus efficace des mesures à prendre contre la traite des blanches,"
en iets verder: "Donc, quiconque veut couper court à la traite des
blanches, doit demander la suppression des maisons de tolérance." Deze
apodictische uitspraak durf ik niet volkomen te onderschrijven,
maar gaarne erken ik, dat 't verbod van bordeelen zeer zeker mede een
factor is om den meisjeshandel eenigszins tegen te gaan. Doch ik waag
het te beweren, dat deze maatregel volstrekt niet afdoende is.

Mijn eerste argument is ontleend aan de feiten, zooals die zich
voordoen in verschillende plaatsen en landen, waar bordeelen verboden
zijn. Hier is natuurlijk slechts te letten op den invoer in die
plaatsen en landen. Het blijkt nu, dat de strafbaarstelling van de
huizen van ontucht luttel of geene uitwerking heeft.

Sedert 1897 zijn de bordeelen in Amsterdam door den gemeentelijken
wetgever verboden; zij bestaan niet meer: zoogenaamde hôtels verrezen
als paddestoelen uit den grond, door de politie als "verdachte huizen"
gequalificeerd. Deze huizen worden op dezelfde wijze als vroeger van
vrouwen voorzien. Officiëele bescheiden (ik deelde dit reeds mede op
blz. 53) toonen mij aan, dat in pl.m. 40 zoogenaamde verdachte huizen
pl.m. 105 buitenlandsche meisjes zich bevinden. In den allerlaatsten
tijd zijn eenige gevallen ruchtbaar geworden. Zeer merkwaardig is
dit, daar nu toch de bordeelhouders door het verbod veel meer op
hun hoede zijn. Een meisje uit Frankfort a/M., dat enkele maanden
geleden naar Amsterdam gelokt was, doch aanstonds bij haar aankomst
in een huis aan de Spuistraat achterdocht kreeg en het geluk had nog
te kunnen ontvluchten, voordat haar koffers aangekomen waren. Het
"Nieuws van den Dag" van 2 Januari 1900 vermeldt eveneens een geval
van een misleid Duitsch meisje. [6]

Paragraaf 180 van het Duitsche Strafwetboek verbiedt het houden van
bordeelen in het Duitsche Rijk.

"Wer gewohnheitsmässig oder aus Eigennutz durch seine Vermittelung
oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht
Vorschub leistet, wird wegen Kuppelei mit Gefängniss bestraft" etc. De
ruime redactie van dit artikel is de reden, dat het ook treft "das
Anwerthen oder Verbringen der Dirnen in ein Bordell von oder nach
auswärts oder aus einem andern Bordell." [7] Het handelen in vrouwen
valt er dus ook onder. Niettemin bestaan feitelijk de bordeelen in
Duitschland, heeft aldaar feitelijk zoowel de binnenlandsche als
buitenlandsche handel in jonge meisjes en vrouwen plaats. Zelfs
officiëele lichamen meenden, dat de van oudsher bestaande en onder
politietoezicht staande inrichtingen, ondanks paragraaf 180 Duitsche
Strafwetboek konden blijven bestaan, (c.f. na de invoering van het
Reichsstrafgezetzbuch de gedachtenwisseling tusschen den senaat van
Hamburg en het Reichskanzlerambt, wiens opinie gedeeld werd door de
overgroote meerderheid der juridische faculteiten in Duitschland.)

Dr. Miehe zegt in het "Archiv für Dermatologie und Syphilis: [8] So
hat man denn in irgend einer Weise die Kuppeleiparagraphen umgehend
ausser in den genannten Orten (Leipzig, Würzburg) soweit mir bekannt,
in Hamburg, Lubeck, Rostock, Flensburg, Magdenburg, Braunschweig,
Nürnberg, Strassburg, Metz, Mühlhausen, Heidelberg, Mainz, Frankfurt
a. Main die Bordells wieder eingeführt. (N. B. geen ontduiking van
de wet door bordeelhouders, doch dulding van huizen, die feitelijk
bordeelen zijn, door voorschriften van de overheid en wel ten
gevolge van den feitelijken drang der omstandigheden). Anderwärts,
wo man dieselben nicht wider eingeführt, hat man sich genötigt
gesehen, die sie ersetzenden geheimen Prostitutionsorte wenigstens
unter polizeiliche Controlle zu stellen, etc. Dr. Miehe vermeldt,
dat naar aanleiding van deze toestanden aan den Duitschen Rijksdag
verzoekschriften zijn gericht om verandering van par. 180 Duitsche
Wetboek te verkrijgen, "womit dann die Bordelle wieder gestattet
sein würden."

In Engeland is het houden van bordeelen verboden en eveneens straf
gesteld op den handel in blanke slavinnen sedert de Criminal Law
Amendment Act van 1885. Niettegenstaande dit feit is het aantal
vreemde prostituées in Londen ontelbaar. Hoe komen deze daar? Daarop
kan ik geen antwoord geven, maar men kan wel een en ander vermoeden. Ik
vermeld dit slechts om de aandacht daarop te vestigen. Doch positieve
verklaringen vind ik vermeld in het verslag van den Heer Yves Guyot
op het Pénitentiair Congres in 1895 te Parijs vergaderd en in de
rapporten van de H.H. Craies en Bunting op het Congres te Londen.

De Heer Yves Guyot zegt, dat het effect van de Criminal Law Amendment
Act nul is. Noch de koppelaars noch de bordeelen zijn er door
verdwenen, integendeel vele gevallen van chantage zijn het gevolg
van de wet. "C'est une nouvelle preuve à ajouter à toutes les autres,
que le législateur ne doit pas essayer d'imposer une direction morale
aux justiciables. Il n'a qu'un devoir: assurer la liberté d'action
et la sécurité de chacun."

De Heer Craies deelt ons mede, dat nu en dan vervolgingen plaats
hebben tegen personen, die door misleiding Jodinnen uit Rusland naar
Engeland gelokt hebben.

Mr. Bunting spreekt over een recent geval, dat eene vrouw uit België
3 meisjes naar Engeland overgebracht heeft met het oogmerk ze aan de
prostitutie over te geven.

Tevens is in 't Rapport van den Heer Bunting te lezen, dat
verschillende comités herhaaldelijk op 't spoor komen van gevallen,
waarin Engelsche meisjes naar het buitenland gelokt zijn, zonder dat 't
maar eenigszins mogelijk is den schuldige voor den rechter te brengen.

De suppressie van den blanke slavinnenhandel kan, naar 't mij voorkomt,
slechts een gering argument wezen voor het verbod der huizen van
ontucht.

Doch ik acht mij verplicht nog op 2 andere mogelijkheden te wijzen,
voor 't geval de huizen van ontucht verboden worden.

Ten eerste: het valt niet te loochenen, dat bij dergelijk verbod
de positie der inwonende vrouwen in huizen, waar in strijd met de
wet gelegenheid tot 't plegen van ontucht gegeven wordt, treurig zal
worden, of zoo men nu reeds dien toestand als zoodanig wil aanmerken,
zal hij nog treuriger worden dan nu. Dit nader uit te leggen is haast
overbodig: nu reeds gaat alles zeer geheimzinnig toe in publieke
huizen. Doch bij streng verbod hebben de houders er alle belang bij
om niets van hun onwettig bedrijf te doen uitlekken; hoe strenger de
wet, hoe meer de vrouwen er voor boeten zullen.

Ten tweede: Tegenwoordig bestaat de handel, voor zoover de gevallen
bekend worden, in dien zin, dat hij dient om het bordeelpersoneel
aan te vullen. Tot de onmogelijkheden behoort het niet, dat die
handel ook geschiedt ter wille van den een of anderen particulier;
het Augustusnummer van het Bulletin Continental van 1895 geeft een
dergelijk geval te lezen. Deze gevallen zouden zich zonder twijfel
vermenigvuldigen, indien het houden van een bordeel streng gestraft
en op alle denkbare wijzen onmogelijk gemaakt werd.

Verheffing van het zedelijk bewustzijn draagt bij tot de vermindering
der criminaliteit in het algemeen, tot vermindering van den handel
in blanke slavinnen in het bijzonder.

In dezen geest zou gewerkt kunnen worden om het bedoelde euvel tegen te
gaan door de kiemen er van te verstikken: een preventie van de verste
strekking. Doch deze wijze van werken ondervindt haar moeilijkheden;
in ieder geval moet men het feit, zooals het zich voordoet onder de
oogen zien en middelen beramen om het zoowel te prevenieeren als
te reprimeeren, en tevens om de gevolgen van de daad, indien ze
eenmaal plaats heeft, af te wenden geheel of gedeeltelijk, of ook
mogelijkerwijze de gevolgen te verzachten.

Preventief kan de wet werkzaam wezen door een streng toezicht uit te
laten oefenen op verhuurkantoren, besteedsters en emigratiebureaux,
zooals dit in het buitenland hier en daar geschiedt.

Toezicht op de opvoeding der kinderen van Staatswege om hunne
verwaarloozing te verhinderen kan ten goede werken. Daar het wezen en
doel van het ouderlijke gezag ligt in een conscentieuse lichamelijke
en moreele opvoeding der kinderen en de Staat hierbij groot belang
heeft, zoo is 't niet in strijd met de beginselen van het recht,
dat bij grove verwaarloozing der moreele opvoeding hunner kinderen of
bij een groot gevaar daarvoor, de ouders van hunne ouderlijke macht
kunnen ontzet worden. Een wet regele de gevallen, waarin dat kunne
plaats hebben buiten een strafvonnis.

De politie zou stations, stoombootsteigers en havens bijzonder in
het oog kunnen houden. Aan die plaatsen kan ze waarschuwingsborden
doen plaatsen, om aankomende vrouwen tot voorzichtigheid aan te sporen.

Hier te lande bestaat het stellen onder politietoezicht, opgelegd door
rechterlijk vonnis, niet; desniettegenstaande zou de politie een streng
toezicht kunnen uitoefenen op het doen en laten van hen, die reeds
eens ter zake van een aanverwant strafbaar feit veroordeeld zijn en
die vermoed worden zich met den handel in te laten; maar niet alleen op
de handelingen van dezen, maar ook op die van andere verdachte lieden.

Er moesten termen gevonden kunnen worden tot uitzetting van vreemde
placeurs, die verdacht worden meisjes te verleiden, of hun toelating
in het land te verhinderen. De politie moet door waarschuwingen nu
en dan de bevolking opmerkzaam maken op de handelingen van verdachte
individuen.

De politie van de eene plaats kan door in contact te treden met de
politie van een andere plaats of van een ander land op 't spoor geraken
van of inlichtingen geven omtrent placeurs en hun handelingen. Zij
kan op deze wijze den val voorkomen van het meisje, dat reeds misleid
is. De politie van de eene plaats of van 't eene land kan aan de
politie van het andere het vertrek van een verdacht individu melden
of informaties inwinnen na aankomst van zoo iemand.

In sterke mate preventief optreden kan het particulier
initiatief. Philanthropische vereenigingen kunnen alom de oogen doen
opengaan voor het gevaar, dat jonge meisjes loopen door ondoordacht
buitenslands doch ook binnenslands in betrekking te gaan.

Zij kunnen de verantwoordelijkheid der ouders en voogden levendig
houden voor het welzijn hunner dochters en pupillen.

Particuliere vereenigingen kunnen geregelde posten uitzetten aan de
stations, stoombootsteigers en havens der groote steden. Zij kunnen
de bevolking van hare tegenwoordigheid op de hoogte stellen. Door
waarschuwingsborden aan stations, in spoorwegcoupés enz., door annonces
zijn zij in staat bekend te maken, tot wie een meisje zich moet wenden,
indien het in moeilijkheden verkeert.

Een belangrijke factor is, dat zij de overheid kunnen steunen
in allerlei opzicht, o. a. kunnen zij de aandacht der politie
en justitie vestigen op de verdachte handelingen van gevaarlijke
personen en aldus eene vervolging uitlokken, althans zorgen, dat
een wakend oog op hen gevestigd wordt. Verder kunnen zij verdachte
handelingen van verhuurkantoren openbaar maken. Door oprichting van
"Tehuizen" openen zij een toevluchtsoord voor onbeschermde meisjes,
wier val aldus kan voorkomen worden. Vereenigingen tot redding van
gevallen meisjes steunen de goede zaak door de ernstige gevolgen van
den val der vrouw voor een deel af te wenden.

Door een internationale band in het leven te roepen doet de
philanthropie veel goed. Zij kan overeenkomen, dat de vereenigingen
in de verschillende landen op allerlei wijze hare wederzijdsche
landgenooten zullen steunen en helpen. De eene vereeniging kan de
andere vereeniging op de plaats van aankomst verwittigen van het
vertrek van een meisje. Zij kunnen elkaar op de hoogte brengen van
het vertrek van verdachte individuen.

Hetgeen ik tot nu toe over de werkzaamheid der particuliere
liefdadigheid aangaf, moet niet beschouwd worden als een eventueel
door particulieren, zoowel afzonderlijk als in vereeniging, te
volgen richting. Het is integendeel de wijze, waarop reeds gewerkt
wordt. Ik mag daarom der liefdadigheid den lof niet onthouden, waarop
zij in waarheid aanspraak mag maken. Haar culminatiepunt heeft zij
reeds bereikt. Wanneer ik nu een en ander over enkele der in Europa
bestaande groote vereenigingen ga vermelden, maak ik er volstrekt geen
aanspraak op volledig te willen schijnen. Dengene, die meer wil weten
van de onderscheidene vereenigingen, in Europa en de Vereenigde Staten
werkzaam, verwijs ik naar het tweede deel van de verzameling rapporten
op 't congres te Londen. Vooreerst verdient bijzondere aandacht de
onder den naam van "Union Internationale des Amies de la jeune Fille",
te Genève in 1877 door 8 verschillende landen opgerichte vereeniging,
die zich ten doel stelde "een beschermnet te vormen ten behoeve van
jonge meisjes, die genoodzaakt zijn, elders eene broodwinning te
zoeken en die, zonder hulp en raad, lichtelijk op verkeerde wegen
zouden komen" (art. 2 der statuten). Deze vereeniging telt duizenden
leden in 32 verschillende landen volgens de presidente der Zwitsersche
afdeeling. Het Centraalbureau is gevestigd te Neuchâtel. Behalve
in nog 6 andere landen bestaat in Nederland een afdeeling, in Mei
1882 opgericht, in 't algemeen hetzelfde doel nastrevende als de
moedervereeniging, bepaaldelijk echter dienende voor de bescherming van
Hollandsche meisjes. Art. 1 van de gewijzigde statuten (1887) verruimde
het arbeidsveld, zoodat "geene nationaliteit, geen kerkgenootschap
of eerlijk beroep iemand van die bescherming kan uitsluiten."

Iets bijzonders mag wel heeten het door de Union ingestelde Livret,
dat aan ieder meisje op aanvrage toegezonden wordt. Er bestaat een
Livret international; daarnevens in verschillende landen, waaronder ook
Holland, Livrets nationaux. Het boekje is bestemd voor de jonge vrouw,
die het ouderlijk huis verlaat. Het bevat raadgevingen "Conseils
de l'Expérience", vervolgens eenige godsdienstige overdenkingen
met bijbeltexten. Daarna volgen de "Conseils pour voyages" en de
"Renseignements" die de Tehuizen en andere inlichtingen bevatten. "Le
Journal du Bien public" is het officieele orgaan van de Union
internationale des amies de la jeune fille en van de Association de
femmes suisses pour l'oeuvre du relèvement moral. Het blad verschijnt
maandelijks.

De "National Vigilance Association for the repression of criminal vice
and public immorality" zetelt te Londen. Op haar initiatief werd in
1899 het Congress on the white slave Traffic te Londen gehouden. Haar
naam duidt reeds het doel der vereeniging aan. In art. 3 van de
statuten staat onder meer, dat de vereeniging zich ten doel stelt
de repressie van "the fraudulent seduction of women or girls",
"the entrapping or inveigling of women or girls into brothels", "the
procuring of women or girls for foreign brothels", "the detention
of women or girls in houses of ill fame". Zij heeft een maandelijks
verschijnend orgaan "The Vigilance Record". Het "Executive Committee"
doet jaarlijks een belangrijk verslag in 't licht verschijnen.

Vooral voor de machtige werkzaamheid der particuliere liefdadigheid
in Duitschland verwijs ik gaarne naar 't belangrijke verslag van den
Heer Burckhardt op 't Congres te Londen.

Als specifiek nationale vereeniging verdient voor ons land zeer
de aandacht de te 's Hage in Mei 1884 opgerichte "Nederlandsche
Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn", (erkend
bij K. B. van 7 October 1886 No. 15). De werkkring van dezen Bond,
die volgens art. 1 der statuten opgericht is in aansluiting aan
de Fédération britannique, continentale et générale en aan de
Nederlandsche vereeniging tegen de Prostitutie, is omschreven in
art. 2 en de Bond stelt zich dan ten doel, zooals de naam luidt,
de verhooging van het Zedelijk Bewustzijn, aan welk beginsel met
alle daartoe beschikbare middelen gearbeid wordt. De Bond geeft
een maandblad uit: "Orgaan van den Nederlandschen Vrouwenbond tot
verhooging van het Zedelijk Bewustzijn".

In denzelfden geest als de Union bovengenoemd haar Livret bezit,
verspreidt de Vrouwenbond haar lijsten met »Adressen ter informatie
vanwege den Nederlandschen Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk
Bewustzijn". Aan die adressen zijn de noodige inlichtingen te bekomen
voor meisjes, aan wie de gelegenheid ontbreekt om zelve eenig onderzoek
in te stellen omtrent betrekkingen, die haar aangeboden worden. De
10e uitgaaf van deze lijsten vermeldt 214 gemeenten in ons land, waar
inlichtingen bij de daarin opgenoemde leden te verkrijgen zijn. Verder
bevatten deze lijsten nog eenige wenken en raadgevingen.

Dat in ons land nog menige andere vereeniging te vinden is, die
het bovengenoemde doel mede nastreeft, behoef ik haast niet te
vermelden. Ik noem daarvan slechts de vereenigingen, die Tehuizen
opgericht hebben. Verder de Middernachtzending en anderen.

Het consulaat moet met kracht optreden voor de belangen van zijn
landgenooten, die door misleiding in den vreemde gevaar loopen. Van de
aankomst van die meisjes moet het op de hoogte gebracht worden door de
plaatselijke politie en humanitaire vereenigingen. Ieder vreemd meisje,
dat vermoed wordt zich aan de prostitutie over te geven, zou voor den
consul van haar land gebracht kunnen worden. Wanneer een individu, dat
zich met den handel occupeert, de plaats verlaat om in het rijk van het
consulaat zelf zijn slag te slaan of wanneer dit slechts vermoed wordt,
behoort de consul zijne regeering er van in te lichten, opdat deze in
staat zij waarschuwingen tegen dergelijke individuën openbaar te maken.



Onder de repressieve maatregelen valt in de eerste plaats te wijzen
op een streng verbod op straffe van het misleiden van eene vrouw met
't oogmerk haar aan de ontucht over te leveren met een verzwaring van
straf, indien zij naar den vreemde gelokt wordt, en eveneens, wanneer
van dergelijke handelingen een bedrijf gemaakt wordt. Openbaarmaking
van het veroordeelend vonnis, tevens verstrekking van de volgens de
nieuwste methode opgemaakte signalementen der veroordeelden aan de
politie der voornaamste steden behoort onder de repressie, doch zal
in sterker mate preventief werken.

Dit strafbare feit worde in de uitleveringstractaten opgenomen.

Strenge toepassing van het misdrijf der wederrechtelijke
vrijheidsrooving.

Om beter in staat te zijn op het spoor te geraken van deze strafbare
feiten is een streng toezicht noodig op de plaatsen, waar ontucht
gepleegd wordt; een nauwkeurig omschreven uitgebreide bevoegdheid
der politie om in die huizen binnen te treden en daar onderzoek in
te stellen. Ook deze bevoegdheid kan preventief werken.

Internationale tractaten moeten zich ten doel stellen daarin te
voorzien, dat er geen twijfel besta omtrent het forum delicti met
't oog op den buitenlandschen handel; ze moeten regelen geven omtrent
eene doelmatige bescherming en terugvoering der misleide meisjes.

Wij zien het: deze wantoestand kan op de meest verschillende wijzen
aangetast worden. Het is een maatschappelijk euvel, dat aan de
algemeene welvaart en bloei ook zijn toenemende welvaart en bloei te
danken heeft. Die veelzijdigheid van bestrijding van een strafbaar
feit, een gevolg van de nieuwere richting, die het misdrijf als een
sociaal verschijnsel beschouwt, vindt vooral eene toepassing bij
den handel in blanke slavinnen. Een eisch is het die bestrijding met
kracht aan te vatten.



HOOFDSTUK V.

ALGEMEENE RECHTSKUNDIGE GEZICHTSPUNTEN.


Bij de wording onzer hedendaagsche strafwetten was de aandacht nog
niet in die mate op den ernstigen aard en den omvang van den handel in
blanke slavinnen gevestigd, dat men meende reeds strafbepalingen tegen
deze handelingen in het leven te moeten roepen. Ik mag nog verder gaan
en zeggen, dat vele wetgevers zich van haar bestaan nog onbewust waren.

De groote agitatie ontstond in Engeland. De door het Hoogerhuis in
1881 benoemde Enquête-Commissie en daarna in 1885 de krachtige stooten
door den Heer Stead gegeven met zijn artikelen, gepubliceerd in de
"Pall Mall Gazette" onder den titel: "The Maiden Tribute of Modern
Babylon", hadden de Engelsche Criminal Law Amendment Act van 1885
ten gevolge. Dit is de eerste wet, die speciale strafbepalingen
bevat tot bestrijding van den meisjeshandel. Na dien heeft men
hetzij in ontwerpen voor afzonderlijke wetten hetzij in ontwerpen
voor strafwetboeken pogingen aangewend door straffen het kwaad te
beteugelen. Intusschen trachtte men toch in de leemte te voorzien
en andere strafbepalingen pasklaar te maken en te verruimen en te
verwringen om de daden van hen, die door misleiding jonge meisjes
aan de prostitutie overleveren, te kunnen achterhalen. Dat dit een
afkeuringswaardige en niet geoorloofde wijze van wetsinterpretatie
is, behoeft geen betoog. Men betreedt op deze wijze toch den weg der
analogische wetsuitlegging, al zou men haar gaarne een extensieve
interpretatie willen noemen. Zoolang men, door een ruim gestelde
strafwettelijke bepaling gesteund, de handelingen der placeurs als
een specialen vorm kan aanduiden van een feit, dat in die bepaling
aangeduid is, zoolang kan ook nog gebruik gemaakt worden van eene
extensieve interpretatie. Maar wanneer men slechts uit kan gaan van
de idee, dat de bewuste handelingen in strijd zijn met een principe,
met een hoogere gedachte, die aan de bijzondere strafbepaling ten
grondslag ligt en van welke men aanneemt dat de wetgever haar in haar
vollen omvang geaccepteerd heeft, dan komt men in flagranten strijd met
de in de hedendaagsche strafwetgevingen gehuldigde leer van Feuerbach:
«nullum delictum, nulla poena sine lege praevia poenali," welke leer in
het Nederl. strafwetboek gehuldigd is in art. 1. Men zoude daarmee de
analogische wetsuitlegging toepassen, die juist verboden is, waar het
betreft vermeerdering van delicten. Onbewust komt men op dit terrein:
de meisjeshandel draagt zulk een eigenaardig karakter, dat het wel
een toeval is, wanneer hij in een ruim gesteld artikel kan vallen, bij
welks wording de wetgever in het minst niet dacht het te doen strekken
tot bestrijding van handelingen, die onder den blanke slavinnen handel
kunnen gerangschikt worden. Zooals deze zich voordoen, treedt op den
voorgrond bij alle feiten het overleveren aan een ontuchtig leven,
verder bij verreweg de meeste een bedriegelijk element, waarvan het
een vereischte is, dat 't berekend is om het ware oogmerk voor het
slachtoffer verborgen te houden en dan de opsluiting in een bordeel.

In de eerste en voornaamste plaats brengen de bedrijvers van
de feiten in gevaar de eerbaarheid der vrouw. Met 't oog op dit
rechtsbelang kan men den meisjeshandel plaatsen onder de misdrijven
tegen de zeden. Men wil hem dan beschouwen òf als medeplichtigheid
aan koppelarij òf als het plegen van koppelarij zelve. Dit hangt af
van de meer of minder ruim gestelde redactie van dit misdrijf in de
verschillende wetboeken. De overweging, dat de blanke slavinnenhandel
zonder twijfel een misdrijf tegen de zeden moet worden bij eventueele
afzonderlijke strafbaarstelling, verder dat vele gevallen van dien
handel wel onder het misdrijf der koppelarij zouden kunnen vallen,
brengt er mij toe een nauwkeurig onderzoek in te stellen in de
verschillende strafwetten, die nog geen speciale strafbepalingen
inhouden tegen den blanke slavinnenhandel, in hoeverre hetzij met of
zonder behulp eener extensieve interpretatie de meisjeshandelaar ter
zake van koppelarij zou kunnen vervolgd worden.

Dit wensch ik in de volgende hoofdstukken voor verschillende landen te
bespreken. Ik mag evenwel niet nalaten reeds hier op de mogelijkheid
te wijzen, dat het onderzoek in de meeste gevallen geen bevredigende
resultaten zal opleveren. En dit wel om een tweetal redenen. De
koppelarij-artikelen hebben meestal het oog op de bestraffing van het
eenvoudige lenocinium, dat in zich sluit, dat de vrouw, alhoewel ten
gevolge der gebezigde middelen, op de hoogte is van hetgeen er gaat
geschieden. Anders bij den handel in blanke slavinnen. Verder is de
redactie van meerdere strafbepalingen van dien aard, dat er slechts
sprake is van het plegen van ontucht met een bepaalden derde. Dit
opzet bestaat bij den placeur nooit. Ten slotte moet ik er nog op
wijzen, dat de meeste koppelarij-artikelen voor 't voltooide misdrijf
vorderen, dat de ontucht moet opgewekt of bevorderd zijn. Dit nu is
een vereischte, dat bij de strafbaarstelling van eene daad van handel
in vrouwen en meisjes volstrekt niet gesteld mag worden.

De wensch om de placeurs en consorten toch te treffen, leidt tot
't onderzoek of hunne handelingen onder bedrog zouden kunnen
vallen. Ongelukkigerwijze raakt men hier op een dwaalspoor door
een overeenkomst van woorden. Mogelijk zou het zijn, indien de
juridische uitdrukking "bedrog" aangaf alle misdrijven, die door
bedriegelijke handelingen of verzuimen volvoerd worden. Dit ruime
begrip huldigde de Oostenrijksche en Pruisische wetgeving der 18e
eeuw. Doch historisch ontstaan uit de Romeinsrechtelijke stellionatus,
die krenking van vermogen en »calliditas" vorderde (v. Liszt Lehrbuch
pag. 489) heeft het moderne »bedrog" als een speciaal misdrijf een
veel enger begrip. Dat is slechts beperkt tot het door bedriegelijke
middelen met een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeeling aantasten
van eens anders vermogen. Het is dus een bij uitstek tegen het
vermogen gericht misdrijf en is ook in bijna alle wetgevingen onder
de vermogensmisdrijven te vinden. Om deze reden kan de placeur dus
niet ter zake van bedrog vervolgd worden.

Het feit, dat ook hij door bedriegelijke middelen zijn vermogen
vermeerdert, doet daartoe niets af, daar de persoon, van wien hij
geld ontvangt een andere is dan die, tegen welke hij de bedriegelijke
middelen aanwendt; verder is in de verhouding tusschen hem, wiens
vermogen vermeerderd wordt en dengene, van wie die vermeerdering
afkomstig is, niets incorrects te zien, d. w. z. het is geen
wederrechtelijke vermogensvermeerdering. Het bedrog tegen de
vrouw gepleegd is niet de beweegreden, die den ander noopt eenige
vermogensvermeerdering toe te kennen aan den bedrieger.

De vrouw wordt in een bordeel opgesloten, zij wordt van hare
persoonlijke vrijheid beroofd. Zij wordt in een hulpeloozen toestand
verplaatst. Kunnen we den dader op grond van de bepaling, die
menschenroof strafbaar stelt, vervolgen?

Menschenroof is een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid; het
oogmerk van den dader is daarop gericht, dat het slachtoffer van de
vrijheid beroofd of in hulpeloozen toestand geplaatst wordt.

In de meeste gevallen zal hier het motief, de drijfveer tot
de handeling hetzelfde zijn als het bijkomend oogmerk. Bij den
meisjeshandel moeten wij er op letten, dat de vrijheidsrooving of de
verplaatsing in een hulpeloozen toestand geen noodzakelijk gevolg van
het delikt behoeft te zijn, verder dat bij dit feit de vrijheidsrooving
etc. slechts middel is om het doel te bereiken, dat de vrouw aan het
verlangen, dat zij zich aan de ontucht overgeeft, voldoet.

Het oogmerk is hier daarop gericht om de vrouw aan een ontuchtig leven
over te leveren, terwijl het motief, de drijfveer tot de handeling
meestal vermogensvermeerdering zal zijn.

Menschenroof en blanke slavinnenhandel verschillen dus innerlijk zeer
van elkaar en het is derhalve een onjuiste wetstoepassing de feiten,
die men als blanke slavinnenhandel qualificeert, als menschenroof te
willen berechten.



HOOFDSTUK VI.

WETGEVING IN NEDERLAND.


§ 1. WETBOEK VAN STRAFRECHT.

Den 1sten September 1886 trad onze nationale strafwetgeving in
werking. Vóórdien gold nog steeds de Fransche Code Pénal, zooals deze
in den loop der jaren gewijzigd en aangevuld was. De 2de titel van
dit wetboek, "Misdaden en wanbedrijven tegen bijzondere personen",
bevatte in zijn 4de afdeeling "Aantasting der zeden" art. 334, dat
een strafbepaling inhield tegen de koppelarij. Art. 335 stelde eenige
bijkomende straffen vast.

Art. 334a luidde:

Quiconque aura attenté aux        Alwie zich feitelijk tegen de
moeurs en excitant, favorisant    zeden vergrepen zal hebben met
et facilitant habituellement      zijn werk te maken om de
la débauche ou la corruption      ongebondenheid of
de la jeunesse de l'un ou de      onzedelijkheid (débauche) of
l'autre sexe au dessous de        de verleiding van jonge lieden
l'age de vingt-un ans, sera       beneden den ouderdom van 21
puni etc.                         jaren van de een of andere
                                  kunne op te wekken, te
                                  bevorderen of behulpzaam te
                                  zijn, zal gestraft worden etc.

Bij de behandeling van het Fransche recht hierachter zullen wij
gewaarworden, dat dit Code-artikel niet aan de behoeften voldeed. Het
straft het eenvoudige lenocinium en kan dus niet dienstbaar gemaakt
worden om den placeur te treffen, die uit den aard der zaak in
de meeste gevallen slechts zijne medewerking verleent; of hij
als medeplichtige zou kunnen getroffen worden, is in ieder geval
afzonderlijk te beslissen.

Het nu vigeerend artikel, dat de koppelarij strafbaar stelt, art. 250
Sw., luidt:

Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:

1º met gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren, de vader, moeder,
voogd of toeziende voogd, die opzettelijk het plegen van ontucht door
zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij
staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;

2º met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren, ieder ander, die uit
winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige
met een derde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk
teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met
een derde een gewoonte maakt.

De Memorie van Toelichting begint met de woorden: "Het lenocinium is
strafbaar, indien blijkt dat iemand òf uit winstbejag òf als gewoonte
personen jonger dan 21 jaren tot ontucht met anderen aanzet." Hieruit
volgt, dat de daad van den handelaar in blanke slavinnen, die toch
slechts medeplichtigheid aan het lenocinium kan wezen, niet het feit
is, dat art. 250 bedoelt te straffen.

Dit blijkt ook daaruit dat, terwijl de daad van den placeur reeds
afgesloten is, vóordat het plegen van de ontucht heeft plaats gehad,
art. 2502º evenals de koppelarij artikelen in andere wetgevingen
voor het voltooide misdrijf vordert, dat de ontucht teweeggebracht of
bevorderd moet zijn. Een bijkomende voorwaarde van straf waardigheid,
als deze omstandigheid zou daarstellen, mogen we niet vorderen voor de
bestraffing van eene daad van handel in vrouwen en meisjes. Bovendien
is de minderjarige, bij wien de ontucht opgewekt of bevorderd
wordt, op de hoogte van de dingen, die gebeuren zullen. Dit althans
veronderstelt het begrip koppelarij, al staat het niet met zooveel
woorden in het artikel.

Art. 250 2º., dat de eigenlijke koppelarij daarstelt, is ruimer
gesteld dan het overeenkomstige art. 334a van den Code, in zooverre
als de gewoonte niet een noodzakelijk bestanddeel vormt, mits dan
het winstbejag bewezen is. Wat den leeftijd van 23 jaar aangaat,
zoo is het een vereischte, dat de dader bij het plegen daarvan
kennis droeg. Dit volgt uit de plaatsing van het woord opzettelijk
en dit is dan ook meer dan eens in dezen zin door den Hoogen Raad
beslist. Juist dit punt maakt de mogelijkheid eener bestraffing van
den placeur als medeplichtige van den koppelaar nog geringer, daar
toch uit de beginselen der medeplichtigheid volgt, dat het opzet
van de medeplichtige op de door de wet gestelde bestanddeelen van
het misdrijf van den dader gericht mocht zijn; hij moet dus òf zijn
opzet richten daarop, dat de dader uit winstbejag opzettelijk het
plegen van ontucht door een minderjarige met een derde teweegbrengt
of bevordert, òf dat de dader van het opzettelijk teweegbrengen of
bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene
gewoonte maakt. De wetenschap van de minderjarigheid zal bij den
placeur hoogst moeilijk bewezen kunnen worden; het zal gemakkelijker
gaan, indien het bewijs geleverd is, dat hij opzettelijk valsche
legitimatiepapieren aan den bordeelhouder verschaft heeft. Wanneer
de vrouw klaarblijkelijk zeer jeugdig er uit ziet, kan de leer
van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn toepassing vinden. De
placeur etc. kan slechts dan onder het bereik van art. 250 2º vallen,
indien hij onder valsche voorspiegelingen een meisje, van wie hij de
minderjarigheid kent, aan een derde verkoopt van wien hij weet, dat
deze uit winstbejag de ontucht van haar met een ander zal teweegbrengen
of bevorderen.

Nu moet verder de vraag gesteld worden in hoeverre de placeur
etc. medeplichtig kan zijn aan het feit, dat iemand van het opzettelijk
teweeg brengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met
een derde eene gewoonte maakt.

Wat beteekent art. 250 2º in fine?

Is de dader strafbaar, indien hij van het opzettelijk teweeg brengen
of bevorderen van de ontucht door een enkele minderjarige met een
derde een gewoonte maakt? Of is hij het pas, àls hij er een gewoonte
van maakt opzettelijk de ontucht van minderjarigen met derden teweeg
te brengen of te bevorderen, zoodat in dit geval het aantal keeren,
dat bij een dier minderjarigen de ontucht teweeggebracht of bevorderd
is, niet op een gewoonte behoeven te wijzen. Moet dus het aantal der
minderjarigen kunnen wijzen op eene gewoonte in tegenstelling met het
eerste geval, waarbij 't het aantal malen is, dat ten opzichte van
een minderjarige het teweeg brengen of bevorderen der ontucht plaats
heeft? Dit is niet erg duidelijk en hoe 't wezen moet blijkt ook niet
uit hetgeen bij de tot standkoming der wet heeft plaats gehad. Het is
toch van belang deze kwestie op te lossen. Het O. R. O. luidde: "... of
die van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht
door zoodanige personen met derden eene gewoonte maakt". "Zoodanige
personen" sloeg op het voorafgaande "persoon beneden den leeftijd
van 21 jaar", doch toen dit daarna in "minderjarige" veranderd werd
had deze verandering ook plaats bij het daarop volgende; evenwel werd
zonder reden het meervoud door het enkelvoud vervangen.

Ik meen op grond van het feit, dat tijdens de totstandkoming van het
artikel op dit punt de aandacht niet gevestigd is, de heerschende
practijk onder vigeur van art. 334 C. P., die niet alleen pluralité
de victimes, maar ook pluralité de faits ten opzichte van éen
persoon, zoodat de herhaling eene gewoonte opleverde, toestond, bij
de behandeling van het artikel geen tegenspraak ondervond, tot 't
besluit te mogen komen, dat ook nu zoowel de herhaling met betrekking
tot meerdere personen als de herhaling met betrekking tot handelingen
ten opzichte van éen persoon, welke een gewoonte oplevert, binnen de
strafbepaling vallen.

Met betrekking tot de medeplichtigheid valt dit op te merken,
hetgeen uit de medeplichtigheidsleer volgt: in het laatste geval,
pluralité de faits bij een persoon kan de meisjeshandelaar niet als
medeplichtige van den koppelaar vervolgd worden. In het eerste geval,
bij pluralité de victimes, kan hij slechts dan vervolgd worden,
indien hij een minimum aantal medeplichtigheidshandelingen begaat
ten opzichte van de handelingen van den hoofddader, welke beiden eene
gewoonte moeten opleveren.

De makelaar in meisjes, die geregeld aan eenzelfden bordeelhouder
verkoopt, is dus strafbaar, maar hij, die aan alle mogelijke
bordeelhouders slechts nu en dan meisjes afstaat, valt buiten het
bereik onzer strafwet. Verder natuurlijk degene, die slechts éen of
enkele daden van blanke slavinnenhandel verricht.

Afzonderlijke bespreking vereischt nog het geval dat de makelaar in
meisjes zonder opdracht handelt van een bordeelhouder, doch als 't ware
ze op eigen risico aanwerft. Hier hangt de beantwoording der vraag,
of hij naar bovengemelde regels als medeplichtige gestraft kan worden,
allereerst af van de uiterst moeilijke kwestie, of men medeplichtig
kan zijn aan een misdrijf, wanneer het opzet tot het plegen van dat
misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik
dat deze verleend wordt, niet aanwezig is. Er is in deze gevallen
natuurlijk slechts sprake van hulpverleening vóor het plegen van een
misdrijf, zooals die in art. 48 2º Sw. beperkt is aangegeven.

Allereerst is het van belang te weten of in het geval, dat een
makelaar met een of meer meisjes zich tot een bordeelhouder wendt,
met wien hij geen afspraak heeft en van wien hij geen last ontving,
zou mogen aangenomen worden, dat bij den bordeelhouder bestaat een
volkomen geïndetermineerd opzet om te koppelen. Een dergelijk in geen
enkel opzicht bepaald opzet wordt zoo goed als algemeen verworpen,
zoodat in het bovengenoemd geval de bordeelhouder geen opzet had een
misdrijf te plegen, op het oogenblik dat de makelaar hem de gelegenheid
of de middelen verschafte om zich schuldig te maken aan art. 2502º
Sw. De zooeven gestelde moeilijke kwestie is door den Hoogen Raad in
zijn arrest van 13 Juni 1898 W. 7145 in dien zin beslist, dat tot het
bestaan van medeplichtigheid aan misdrijf in het algemeen en voor die
omschreven in art. 48 sub 2º in het bijzonder wordt vereischt, dat
het opzet tot het plegen van het misdrijf bij hem, aan wien de hulp
verleend wordt, op het oogenblik, dat deze wordt verleend, aanwezig
wordt gevonden. Dit gevoelen van ons hoogste rechtscollege deel ik.

Dus in het geval, dat de makelaar op eigen risico meisjes misleidt
met het oogmerk ze aan een ontuchtig leven over te leveren, kan hij
niet wegens medeplichtigheid veroordeeld worden.

Na het voorgaande betoog alles resumeerende kom ik tot de volgende
conclusie: de handelaars die meerderjarige vrouwen door misleiding
aan een ontuchtig leven overleveren, komen nimmer te dier zake voor
den strafrechter. Doch waar het minderjarige meisjes geldt, blijven
vele hunner daden volgens onze wet ongestraft.

Gewapend met ons art. 2502º valt dus nagenoeg niet op te treden tegen
den handel in blanke slavinnen. En zelfs dan, wanneer de toedracht
der zaken van dien aard is, dat volgens onze strafwet de daden van
den meisjeshandelaar in het algemeen zouden kunnen vervolgd worden,
dan nog ontsnapt hij de gerechtigheid, wanneer in het speciale geval
de koppelaar zelfs niet wegens strafbare poging kan terechtstaan,
ondanks het feit, dat de placeur al het zijne er toe bijgebracht
heeft om aan zijn daad een gunstig resultaat te verzekeren.

Doch onze strafwet bezit een ander artikel, dat de vermelding waard
is. Het is door de Regeering in het wetsontwerp opgenomen naar
aanleiding van de beraadslagingen in de Tweede Kamer over artikel
250. 't Is artikel 452, dat afgaande op de redevoering van het Kamerlid
van Houten juist moest strekken om bescherming te verleenen aan die
meisjes, die in bordeelen opgenomen worden en het karakter van het
huis niet kennen.

De woorden van den Heer van Houten bij de beraadslagingen over
art. 250 Strafwetboek luiden aldus: "Er is nog eene bepaling, die
ik zeer gaarne aan het Wetboek zag toegevoegd. Men hoort dikwerf,
dat houders van bordeelen meisjes van buitenaf als dienstboden in huis
nemen, zonder dat deze met het karakter van het huis, waarin zij komen,
bekend zijn. Daartegen wordt hier op geenerlei wijze voorzien. Toch
komt het mij zeer wenschelijk voor, eene strafbepaling te maken tegen
hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van
het huis onbekend is, in een bordeel lokken. Iedereen zal erkennen,
dat het binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf
reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar
brengt." Hierop antwoordde de Heer Modderman, Minister van Justitie:
"Eindelijk merk ik den Heer van Houten op, dat ik, geenszins afkeerig
van verscherping, in overleg met de Commissie van Rapporteurs gaarne
zal overwegen of het mogelijk zij in het derde boek eene bepaling
op te nemen als door dien geachten afgevaardigde wordt bedoeld, ter
voorkoming van het opnemen van meisjes in een publiek huis, quasi
als dienstmeisjes of in een andere betrekking, zonder dat men haar
met het karakter van het huis bekend maakt."

Deze besprekingen hadden ten slotte tengevolge de opneming van
art. 449a in het G. O., dat na verschillende wijzigingen bij de
behandeling ons tegenwoordig art. 452 geworden is. Het luidt:

"De bordeelhouder, die in het huis, waarin hij zijn bedrijf uitoefent,
eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar
vooraf, op voor haar verstaanbare wijze in tegenwoordigheid van den
burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens
bureel te hebben bekend gemaakt met het bedrijf, dat in dat huis
wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3
maanden of geldboete van ten hoogste 300 gulden". De bedoeling van den
Heer van Houten was goed; hij wilde eene strafbepaling in het leven
roepen tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wie de
bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken. Doch heeft
hij hiermede op 't oog den handel in blanke slavinnen? 't Is niet
twijfelachtig, dat zonder 't antwoord van den minister men onzeker
zou zijn omtrent de werkelijke strekking van het verlangen van den
Heer van Houten. Zijn woorden laten ruimte voor tweeërlei opvattingen
of desnoods drie: 1º hij heeft 't oog op die vrouwen, die gedwongen
worden zich in het bordeel aan de prostitutie over te geven. 2º
hij bedoelt de bescherming tegen verleiding van degenen, die in het
bordeel in een dienstbetrekking gaan zonder van den aard van het huis
kennis te dragen. Dit zou ik vooral ook op kunnen maken uit de woorden:
"Iedereen zal erkennen, dat 't binnentreden van een meisje in zulk een
huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst
in gevaar brengt". Verder ook uit de begin-woorden. 3º. Hij sprak met
't oog op deze beide categoriën. Doch de woorden van den Minister
laten geen twijfel, dat vooral de meisjes, die als prostituées daar
haar verblijf moeten houden, beschermd worden; hij zegt toch: quasi
als dienstmeisjes of in een andere betrekking.

Kan mij nu art 452 bevrediging schenken? 't Zij verre van daar. Ik
stel mij niet op 't standpunt van sommige moralisten, die het artikel
aanvallen met weinig steekhoudende argumenten. [9]

Doch het artikel voldoet volstrekt niet aan het verlangen, door den
Heer van Houten in zijn woorden uitgedrukt. Onbegrijpelijk dat hij
zich met 't voorgestelde artikel heeft kunnen vereenigen. Ware aan
den wensch in zijn woorden uitgedrukt volkomen gevolg gegeven, dan
hadden wij een zoo goed als zeker afdoende bepaling tegen den handel
in blanke slavinnen. De kennis van het bestaan van dezen handel blijkt
uit de woorden van den Heer v. H., en bovendien was op 't oogenblik der
beraadslagingen in de 2de K. over art. 449a, den 9den Nov. 1880, reeds
in voldoende mate van allerlei zijden op het euvel gewezen. En wij,
Nederlanders, zouden er op kunnen bogen de eersten geweest te zijn,
die een strafbepaling tegen dezen handel vastgesteld hadden. Doch
dit heeft niet zoo mogen zijn.

De indruk, die het artikel geeft, is veeleer die van eene
administratieve bepaling, die alle andere doeleinden beoogt, dan de
bestrijding van den meisjeshandel, dan die van een bepaling, welke hen
treft "die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming
van het huis onbekend is, in een bordeel lokken".

Het geeft den indruk, alsof het 't doel is b.v. na te gaan, hoeveel
vrouwen in een bordeel zijn, of n'importe welk ander administratief
doel, terwijl 't toevallig ook misleide meisjes kan redden.

Geenszins, dat door het artikel in bescherming zouden worden genomen
rechtsbelangen van hooge waarde, waarop bij ernstige krenking
zware straffen zouden moeten gesteld worden. Doch het schijnt,
dat dit toch het doel geweest is. In hoeverre beantwoordt nu het
artikel aan dit doel? Slechts voor een zeer klein gedeelte en wel
dan wanneer degenen, die personen, vooral minderjarige vrouwen,
wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken,
toevalligerwijze juist zelf de bordeelhouders zijn, wat in het gros
der gevallen niet zoo is. Had de Heer van Houten als zijn wensch
te kennen gegeven, dat iedere bordeelhouder gestraft moest worden,
wanneer hij meisjes tegen haar wil in het bordeel gevangen houdt, dan
zou ik art. 452 kunnen beschouwen als een door straf gesanctioneerde
maatregel om de vrijheidsrooving aan 't licht te brengen. Het zou
dan tevens, zonder dat de wensch daartoe te kennen gegeven ware, den
bordeelhouder treffen, die meisjes door misleiding in zijn huis lokt.

Ik kan dus niet verhelen, dat mijns inziens art. 452 een der treurigste
artikelen is uit ons Wetboek van Strafrecht zoowel om zijn redactie,
die niet doet vermoeden, dat de wensch, die zijn ontstaan tengevolge
had, luidt, zooals de Heer Van Houten haar uitgesproken heeft,
als ook omdat het slechts voor een zeer klein gedeelte en met halve
maatregelen aan dien wensch voldoet.

En nu, hoe werkt dit artikel 452 in de practijk? Vele belangrijke
gevallen van vervolgingen ter zake van overtreding van art. 452 hebben
zeker niet plaats. Ik althans heb nergens een enkel geval aangetroffen.

De bordeelhouders geven slechts dan gevolg aan het voorschrift
in den norm van art. 452 S. W. vervat, wanneer zij er geen nadeel
door kunnen ondervinden; 't staat toch slechts aan hen om naar den
burgemeester te gaan of naar dengene, die door dezen aangewezen
is. En voldoende contrôle of de bepaling nageleefd wordt is
onuitvoerbaar. Wat is toch de kwestie? De clandestiene huizen van
prostitutie, verder de zoogenaamde verdachte huizen in die gemeenten,
waar bij politieverordening het houden van een bordeel verboden is,
vallen geheel buiten deze bepaling. En 't is toch een bekend feit, dat
deze huizen de bordeelen in aantal verre overtreffen. Wat de bordeelen
betreft, zoo is het te dwaas om aan te nemen, dat de bordeelhouders
zelf door gevolg te geven aan art. 452 aangifte zullen doen van een of
ander strafbaar feit, waaraan zij zich schuldig gemaakt hebben. Van
den anderen kant is de algemeene klacht, dat 't artikel geenerlei
uitwerking heeft, omdat de bordeelhouders hun slachtoffers zoo
weten te suggereeren, dat deze slechts napraten, hetgeen deze haar
geboden hebben te zeggen; zij zijn zich toch ook niet bewust, welke
de strekking van het artikel is. Hoe licht valt 't niet eene vreemde
vrouw in dergelijken toestand iets op den mouw te spelden! Ten opzichte
van bordeelhouders, die de plicht hun door art. 452 opgelegd nakomen
zooals het behoort, is het voorschrift voorzeker van nutteloozen dwang.



§ 2. WET OP DE UITZETTING VAN VREEMDELINGEN.

Bij eene conscentieuse en nauwkeurige opvatting harer taak als hulp
der justitie bij de opsporing en constateering van strafbare feiten
en eveneens bij een dergelijke opvatting harer taak om een door geen
wet geboden, doch in haar wezen liggend preventief toezicht uit te
oefenen, opdat de rechtsorde niet verstoord worde niet alleen, doch
ook opdat door ruimer verzorgend optreden kwade praktijken, die door
geen wetsbepaling getroffen worden, tegengegaan worden, kan de politie
zeer veel uitrichten om den handel in blanke slavinnen te bestrijden,
repressief en preventief. Dit geldt zoowel voor den binnen- als voor
den buitenlandschen handel.

Ten opzichte van den buitenlandschen handel bezit de politie een
machtmiddel, waarvan hier en daar ook werkelijk gebruik gemaakt
wordt. Waarom wordt dat middel dan niet algemeen toegepast? Dit is
wel toe te schrijven aan de werkelijk meer of mindere gegrondheid,
waarmede de rechtmatigheid van het gebruik van de bewuste maatregel
betwist wordt. Dit dien ik dus te bespreken. Ik heb het oog op de wet
van 13 Aug. 1849 (S. 39) tot regeling der toelating en uitzetting
van vreemdelingen. Het zijn de artt. 1, 10 en 11 van deze wet, die
op indirecte wijze den handel in meisjes in zijn kracht kunnen fnuiken.

Art. 1. "Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben
of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten
op den voet bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven."

't Hangt hier af van eene uitlegging van "voldoende middelen van
bestaan"; men zou door het bestaan van deze te ontkennen bij de
publieke vrouw vreemde prostituées uit den lande kunnen weren. Een zeer
deugdelijke maatregel voorwaar om de prostitutie van vreemde vrouwen
tegen te gaan, doch daarvoor is vereischte, dat bij de toelating
blijke, dat zulk een vrouw prostituée is. In het gros der gevallen is
dit ondoenlijk en kan men het ook niet vermoeden. Vooral bij den import
van vrouwen is dit iets hopeloos, want de aard van den meisjeshandel
brengt toch mee, dat juist de vrouw in het land komt, omdat zij haar
middelen van bestaan door eigen werkzaamheid kan verkrijgen in de een
of andere dienstbetrekking, al is deze ook gefingeerd, hetgeen alleen
de placeur weet. Hiervan kan desnoods door brieven of contracten
blijken. Doch in deze gevallen zouden bij toelating der vreemdelinge
toegepast kunnen worden de artt. 10 en 11 die aldus luiden:

Art. 10. "Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden
gebracht dan op bevel van den kantonrechter der plaats, waar zij zich
ophouden of op onzen last."

Art. 11. "De kantonrechter kan geene uitzetting bevelen dan wegens
gemis der vereischten, in art. 1 omschreven en na den vreemdeling
te hebben gehoord of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen,
etc. etc."

We zien, dat 't hier weer aan komt op de oplossing van de vraag,
wat men met een "middel van bestaan" bedoelt.

Ik meen te kunnen volstaan met de meening van de Redactie van de
Gemeentestem te citeeren, overtuigd als ik ben, dat zij door deze
uiting de meening openbaart van allen, die het zijn van prostituée
niet als voldoende middel van bestaan beschouwen. In Gemeentestem
2000 antwoordt de Redactie op de vraag:

"Kan het bedrijf van publieke vrouw als zijnde in strijd met de
goede zeden ooit opleveren een middel van bestaan in den zin der
vreemdelingenwet?" aldus:

"Het komt ons voor, dat art. 1 der wet op de toelating en uitzetting
van vreemdelingen met de uitdrukking "voldoende middelen van bestaan"
en "werkzaamheid" niet kan bedoeld hebben een middel van bestaan of
eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar
de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen. Wij antwoorden
dus ontkennend."

Ik meen deze argumentatie van de Gemeentestem eenigszins onjuist te
moeten noemen. De wet laat in 't midden, welk een middel van bestaan
vereischt is; het moet slechts voldoende zijn. Het komt hier slechts
aan op het gevolg, of men in staat is zich zelf te onderhouden,
zonder dat eenige onderscheiding gemaakt is van de wijze, waarop
dit geschiedt.

In eene aanschrijving van den Minister van Justitie dd. 28 Augustus
1849 no. 80 bevattende: "Wenken en onderrigtingen aangaande het
doel en de strekking der wet" heet het, dat deze wet "hoofdzakelijk
ten doel heeft om der regeering de middelen te geven, ten einde die
vreemdelingen,.... die ons tot last zouden kunnen worden, doordien zij
geen voldoende middelen van bestaan hebben, noch door werkzaamheid
kunnen verkrijgen te weren of te noodzaken het land te ruimen." Men
mag beweren, dat eene vreemde prostituée ook tot last kan worden van
ons land; maar dan kan men ieder gaan weren of het land uitzetten
van wien blijkt, dat hij een gevaarlijk beroep uitoefent, dat hem
spoedig b.v. armlastig kan maken. Neen, het is noodig, dat "het tot
last worden" een gevolg zij van de onvoldoendheid van het middel van
bestaan. En dit is toch geenszins het geval met de prostituée, die
integendeel eerder in weelderigen dan in armoedigen toestand verkeert,
wanneer zij zich aan dat leven begint over te geven.

't Is dus mijns inziens een verkeerd principe eene vrouw het land uit
te zetten op grond, dat zij prostituée is. De wet toch onderscheidt
niet; eene natuurlijke onderscheiding ligt evenwel daar, waar sprake
zou zijn, dat het middel van bestaan zou gevonden moeten worden
door handelingen of werkzaamheden, die de wet verbiedt, doordat zij
die in strijd met de openbare orde, rust, veiligheid, goede zeden
enz. acht. Een befaamd inbreker zal zich dus op grond dat hij door
groote ervarenheid in het inbreken en stelen een meer dan voldoende
middel van bestaan heeft, niet voor uitzetting kunnen vrijwaren. Waar
men dus stilzwijgend een onderscheiding zou willen maken van de wijze,
waarop door werkzaamheid een middel van bestaan kan gevonden worden,
kan slechts uitgesloten zijn eene werkzaamheid, die in strijd is met
de wet. Want het heeft geen zin, dat de Redactie der Gemeentestem
verkondigt: dat met de uitdrukking "voldoende middelen van bestaan"
en "werkzaamheid" niet kan bedoeld zijn een middel van bestaan of
eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden,
daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen." Zonder
twijfel is dit laatste waar, doch daarmede is nog niet gezegd, dat
de wet hare roeping ook vervult. Eene positieve uiting van de wet is
noodig op eenigerlei wijze, doch in casu is nergens in onze wetgeving
eene bepaling te vinden, die het zijn van prostituée voor onzedelijk
of in strijd met de openbare orde verklaart.

Tot nu toe heb ik mij gehouden aan de veelal gevolgde opvatting van
de uitdrukking "middel van bestaan" in deze wet. Ik kan mij evenwel
niet vereenigen met de aan deze woorden in de dagelijksche spreektaal
gegeven beteekenis. Men stelt "middel van bestaan" synoniem met
"betrekking, bedrijf, ambacht, werkzaamheid etc." Niets is evenwel
meer onjuist. In geen enkel woordenboek van de Nederlandsche taal zal
men van een dusdanig gebruik gewag gemaakt zien. (Zie b.v. van Dale).

Ook de Gemeentestem houdt zich aan dit foutieve gebruik van "middel
van bestaan." Wij zouden hiervoor in de plaats kunnen schrijven
b.v. "geld". Dus: "alle vreemdelingen, die voldoende geld hebben of
door werkzaamheid kunnen verkrijgen" etc. Wat voor zin heeft het nu
te zeggen: geld, dat strijdig is met de openbare orde of goede zeden.

Ik wil nog even het dwaze aantoonen, wanneer men ook in art. 1 der
Vreemdelingenwet "middel van bestaan" gaat gebruiken als "betrekking",
"bedrijf" etc. Wij zouden dan lezen: "Alle vreemdelingen, die
een voldoende betrekking etc. hebben of door werkzaamheid kunnen
verkrijgen" etc. "Door werkzaamheid" zou alsdan geheel overbodig
zijn. Het is toch duidelijk, dat men geen bedrijf etc. kan hebben
of verkrijgen, zonder dat men werkzaam is. Het heeft dus geen zin
te blijven hechten aan het foutieve dagelijksche gebruik van "middel
van bestaan".

Mijne conclusie strekt dus daartoe, dat theoretisch eene vreemde
prostituée op grond, dat zij prostituée is, niet uit het land gezet
kan worden.

Doch nu de practijk. In de Memorie van beantwoording heet het:

"Te omschrijven, welke middelen van bestaan als voldoende zijn aan te
merken ligt buiten den kring der wet. Naar omstandigheden behooren
hieromtrent voorschriften te worden gegeven, hetgeen eene taak van
uitvoering mag heeten."

't Is mij niet erg duidelijk of de minister zich aan dezelfde
onnauwkeurigheid heeft schuldig gemaakt als de Gemeentestem. Mijns
inziens is ook de goede interpretatie in deze uiting van den minister
te lezen. In ieder geval ware het tot recht verstand der zaak beter
geweest, indien hij geschreven had in plaats van "welke" "in hoeverre";
dus: "Te omschrijven, in hoeverre middelen van bestaan als voldoende
zijn aan te merken" etc.

Algemeene voorschriften zijn omtrent de meerdere of mindere
voldoendheid niet gegeven; zij zouden moeten aangeven met welk
minimum van middelen men, zonder dat de vreemdelinge ten laste komt
van het land, zich tevreden kan stellen; verder welke waarborgen
moeten bestaan omtrent eene zekere continuïteit van die middelen etc.

Nu heeft de overheid, met de uitvoering van de wet belast, de
vrijheid in ieder gegeven geval naar eigen oordeel te beslissen, of de
vreemdelinge aan de vereischten, die de wet stelt, voldoet. In zooverre
is practisch mogelijk eene vreemde prostituée het land uit te zetten.

Over 't algemeen wake de ernst en de bezadigdheid der Nederlandsche
overheid er voor, dat, nu haar zulke groote bevoegdheid overgelaten
is, zoo veel mogelijk willekeur in de toepassing der wet gemeden worde.

Moeielijkheid bestaat nog bij den handel in blanke slavinnen. De
vreemde vrouw gaat meestal zoogenaamd in dienst als werkmeisje,
linnenmeisje etc, en dit geschiedt zelfs in optima forma daar, waar de
bordeelen verboden zijn. Brieven of onderhandsche contracten getuigen
daarvan. Mag de overheid met de uitvoering belast op bloot vermoeden
een vrouw als prostituée signaleeren? En kan zij haar, op dien grond
aannemende, dat zij geen voldoende middel van bestaan heeft, over
de grenzen zetten, alhoewel zij (in werkelijkheid of niet) de een
of andere werkzaamheid heeft, waardoor zij wellicht in voldoende
mate in haar onderhoud kan voorzien? 't Is duidelijk, dat volgens
mij de duidelijke bewoordingen der wet dit niet toelaten. Doch in
de practijk zal dit wel weer kunnen geschieden: bij de toelating
toch is de vreemdelinge overgeleverd aan het libre arbitre van het
politiehoofd. Bij de uitzetting is de kantonrechter vrij in zijn
oordeel, behoudens in achtneming van art. 11 der wet van 1849; hij
spreekt toch geen vonnis uit onderworpen aan de gewone regelen bij
de rechtspraak geldig. Slechts een beroep op het uitvoerend gezag,
dat natuurlijk vrij kan beslissen. De geweigerde toelating of de
uitzetting zal echter steeds in waarheid gemotiveerd moeten zijn door
aanneming van het feit, dat er geen voldoende middelen van bestaan
zijn of verkregen kunnen worden (volgens de interpretatie, die ik
van deze uitdrukkingen gaf.)



§ 3. INTERNATIONALE VERKLARINGEN.

Aan Nederland komt de eer toe, dat het wat het internationaal recht
betreft vooraan staat om de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel
ter hulpe te snellen. Om dit initiatief verdient het alle lof en
hulde; doch ook slechts om dit initiatief, want, daar alle begin
moeielijk is, zoo valt ook ongelukkigerwijze te constateeren, dat
de eerste poging zeer weinig bijdraagt om aan het zoo lovenswaardig
doel te beantwoorden. Verbetering valt gelukkig te bespeuren bij de
volgende pogingen.

Ik heb 't oog op de drie verklaringen door Nederland respectievelijk
met België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland uitgewisseld.

Een Koninklijk Besluit van 8 Jan. 1887 bepaalde de plaatsing in het
Staatsblad van de op 18 Dec. 1886 te Brussel uitgewisselde verklaring
betreffende door Nederland en België te nemen maatregelen tegen den
zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes, S. 2.

De 2 eenige artikelen van deze verklaring luiden vertaald aldus:

Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Belgische Regeering
verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te
bevorderen, dat tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes,
welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere
land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op
verzoek der personen die gezag over haar uitoefenen, uit het land,
waar zij zich bevinden worden teruggezonden in de richting van het
land, waartoe zij behooren.

Art. 2. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een
volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje
te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag
over haar uitoefenen, een kennisgeving richten, vermeldende den dag,
waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw
of het meisje zal opgezonden worden.

Ongeveer 2 1/2 jaar later volgde een besluit van den 27sten Dec. 1888,
dat de plaatsing in het Staatsblad bepaalde van de tusschen Nederland
en Oostenrijk-Hongarije uitgewisselde verklaringen, strekkende tot
het wederzijds nemen van maatregelen om den zoogenaamden handel in
jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan. S. 228. Deze verklaringen
tellen een vijftal artikelen van den volgenden inhoud.

Art. 1. De Regeering der Nederlanden en van de Oostenrijk-Hongaarsche
monarchie verbinden zich, binnen de grenzen der wet, zooveel mogelijk
te bevorderen, dat, tot een der beide landen behoorende vrouwen en
meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich in
het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek,
hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, uit
het land, waar zij zich bevinden, worden teruggezonden naar het land,
waartoe zij behooren.

Art. 2. Gezegde regeeringen verbinden zich eveneens binnen de grenzen
der wet zooveel mogelijk te bevorderen, dat meisjes, die volgens de
wetten van haar land minderjarig zijn en zich vrijwillig in het andere
land aan ontucht overgeven, op verzoek hunner ouders of voogden worden
teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.

Art. 3. De terugzending zal plaats hebben zonder rekening te houden met
de aanspraken, welke derden op dezen vrouwen en meisjes zouden kunnen
doen gelden, ten gevolge van de betrekkingen, die uit den staat van
ontucht voortvloeien, uitgezonderd het geval, waarin de terugzending
in strijd zoude zijn met de uitvoering van een rechterlijk bevel.

Art. 4. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een
volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te
doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over
haar uitoefenen, eene kennisgeving richten, vermeldende den dag,
waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats, waarheen de
vrouw of het meisje zal opgezonden worden.

Art. 5. Ingeval de vrouw of het meisje, dat teruggezonden moet worden,
niet in staat mocht zijn zelve de kosten van hare overbrenging terug
te betalen en zij noch echtgenoot, noch ouders, noch voogden mocht
hebben, die voor haar betalen, zullen de op de terugzending gevallen
kosten door ieder der wederzijdsche landen gedragen worden, voor
zooveel betreft de overbrenging op zijn grondgebied.

De kosten van vervoer over het grondgebied van een derden staat
zullen alsdan ten laste komen van het land, tot hetwelk de vrouw of
het meisje, dat teruggezonden is, behoort.



Niet lang na de uitwisseling van deze laatste verklaringen, werd
den 15 Nov. 1889, een derde verklaring uitgewisseld, en wel met het
Duitsche Rijk nopens de van weerszijden te nemen maatregelen tegen
den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes. Wegens de geldelijke
verplichtingen, die ten gevolge van deze verklaring het Rijk op zich
nam, moest deze de goedkeuring der Staten-Generaal verwerven volgens
voorschrift van art. 592º G. W. Den 15den April 1891 volgde pas het
bevel tot plaatsing in het Staatsblad (S. 85) van de wet, waarvan het
eenig artikel de goedkeuring behelsde van de bovengenoemde verklaring
met Duitschland.

De 7 artt. van deze verklaring luiden als volgt:

Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Regeering des Duitschen
Rijks verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk
te bevorderen, dat de tot een der beide landen behoorende vrouwen
en meisjes, die zich in het andere land aan ontucht overgeven,
onderworpen worden aan een verhoor, ten einde te doen blijken, van
waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten.

De te dier zake op te maken processen-verbaal zullen worden medegedeeld
aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes
behooren.

Art. 2. De contracteerende partijen verbinden zich insgelijks zooveel
mogelijk binnen de wettelijke grenzen te bevorderen, dat diegene
van die vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht
mochten zijn zich aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek,
hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, worden
teruggezonden uit het land, waar zij zich bevinden en overgebracht
worden naar de grens van haar geboorteland.

Art. 3. De contracteerende partijen verbinden zich buitendien zooveel
mogelijk, binnen de wettelijke grenzen, te bevorderen, dat meisjes,
die volgens de wetten van haar land nog minderjarig zijn en die zich
in het andere land vrijwillig aan ontucht overgeven, op verzoek harer
ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij
herkomstig zijn.

Art. 4. Alvorens de terugzending van eene der bij de artt. 2 en 3
vermelde personen te doen plaats hebben, zal de daarmede belaste
overheid door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe
de bedoelde persoon behoort, aan de personen, die gezag over haar
uitoefenen, eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop
de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of
het meisje zal worden overgebracht.

Art. 5. De briefwisseling tusschen de overheden der beide landen,
betrekkelijk die terugzending zal, zooveel mogelijk, rechtstreeks
worden gevoerd.

Art. 6. In geval de kosten veroorzaakt door het onderhoud en
de terugzending van die vrouwen en meisjes tot aan de grens, niet
kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelven, noch
door haar echtgenoote, ouders of voogden, zullen die kosten gedragen
worden door den Staat, die de terugzending heeft bewerkstelligd.

Art. 7. De tegenwoordige verklaring zal worden bekrachtigd en de
akten tot bekrachtiging daarvan zullen zoo spoedig mogelijk te 's
Hage worden uitgewisseld etc. etc.



Van dezen inhoud zijn de 3 verklaringen, die onze Regeering
successievelijk met België, Oostenrijk, Hongarije en Duitschland
uitgewisseld heeft. Het zijn verklaringen, geen tractaten;
internationale schikkingen van de laatsten in vorm, inhoud en belang
verschillend, zooals de minister van buitenl. zaken in de Eerste Kamer
zeide. Wat de uiting aangaande het minderwaardige belang aangaat,
dit moge in het algemeen waar zijn, in het onderhavige geval zullen
wij dit niet cum grano salis opvatten. Welke andere belangen toch
evenaren het belang, dat bij deze kwestie op 't spel staat?

De inhoud laat wel is waar iets te wenschen over en vooral bij de
eerste schikkingen hebben wij te doen met zuivere verklaringen van
administratief karakter en er is geen sprake van het bedingen van
wederzijdsche rechten en concessiën, zooals meestal het onderwerp
zijn van tractaten.

Ook de vorm verschilt, in zooverre als de onderteekeningen niet plaats
hebben door speciale gevolmachtigden, maar namens de regeeringen door
de gezanten of ministers met latere ratificatie. Het geheel toont aan,
dat op het stellen van scherpe juridische begrippen blijkbaar minder
is gelet. Vreemd is, dat, waarop ook de aandacht gevestigd werd bij
de behandeling in de Kamers (van het wetsontwerp tot goedkeuring
van de Verklaring met Duitschland), de considerans verschilt van
het intitulé. De eerste spreekt van "de in gemeen overleg te nemen
maatregelen tot bescherming van ontuchtige vrouwen in zekere gevallen
verkeerende" (of: "van zekere categorieën van ontuchtige vrouwen")
terwijl volgens het intitulé maatregelen worden getroffen tegen
den zoogenaamde handel in jeugdige vrouwen en en meisjes. Volgens
de Regeering drukt dit laatste de strekking van de verklaring het
best uit.

In aanmerking moet genomen worden, dat slechts bij de laatste
verklaring een en ander uitlekt van hetgeen de Regeering met sommige
bewoordingen bedoelt, hetgeen zoowel plaats heeft in de Memorie van
Toelichting, als in de Memorie van Antwoord en bij de beraadslagingen
in de Kamers. Daar in sommige opzichten de 3 verklaringen, die toch
hetzelfde doel beoogen, in de redactie der artikelen overeenstemmen,
zoo zal men het niet gewaagd kunnen noemen, als ik bij de interpretatie
der 2 eerste verklaringen een voorzichtig gebruik maak van hetgeen
bij de 3de verklaring gezegd en voorgevallen is.

Artikel 1 van de eerste verklaring stemt overeen met art. 1 van
de tweede en art. 2 van de derde. Een gering verschil in redactie
in art. 1 van de verklaring met Oostenrijk-Hongarije is van geen
belang. Dit artikel stelt daar eene bevoegdheid der politie: eene
nieuwe of een oude bevoegdheid? Dit hangt af van de oplossing der vraag
of er, en zoo ja, in hoeverre er dan een onbeschreven politierecht
zoude bestaan, die der politie een preventieve bevoegdheid toekent
om op te treden, waar 't geldt de openbare orde en veiligheid te
handhaven, personen etc. te beschermen en verder om steeds op alle
wijzen, die de wet niet verbiedt, met tact werkzaam te wezen ter
bevordering van dit doel.

Daar mijns inziens deze vraag in bevestigenden zin moet beantwoord
worden, ben ik van meening, dat bij eene opvatting van hare roeping
door de politie in dezen zin deze ook zonder art. 1 (resp. art. 1
van 1888 en art. 2 van 1889) zou kunnen handelen als in dit artikel
bedoeld wordt. Mogelijk zit dus de kracht van deze artikelen in het
woord "bevorderen", waardoor de Regeering belooft het hare er toe
bij te brengen de magistraten voortdurend op hun plicht te wijzen
door missives en circulaires.

Doch ik loop mijn betoog vooruit door van de taak der politie in
dezen te spreken, voordat ik heb nagegaan wat bedoeld kan wezen met
de woorden "binnen de wettelijke grenzen".

De Minister van Justitie hechtte in 1891 aan de genoemde woorden dezen
zin: "voorzoover de wetten hier te lande 't toelaten met in achtneming
van de vormen bij die wetten voorgeschreven." En daarbij wees hij
vooral op de wet van 13 Augustus 1849 (Stsbl. 39) tot regeling der
toelating en uitzetting van vreemdelingen.

Deze wet regelt de uitzetting van vreemdelingen. Dit geschiedt, zooals
wij reeds zagen, òf door den kantonregter òf op 's konings last. In
het eerste geval wegens gemis der vereischten in art. 1 opgegeven,
altijd mits de vreemdeling toegelaten en hem een reis- en verblijfpas
uitgereikt is. Maar, wanneer er een reden is tot uitzetting, dan moet
de overheid ook haar plicht vervullen en mag er niet gewacht worden,
totdat de vrouw het zelf verzoekt, of totdat het verzoek komt van de
personen, die gezag over haar uitoefenen. En waarom dan de beperking
tot de vrouwen, die tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in
het andere land aan ontucht over te geven? Dat is mij niet duidelijk,
althans van het standpunt van degenen, die het op grond van art. 1 der
vreemdelingenwet toelaatbaar achten, dat eene vreemde prostituée op
grond van haar ontuchtig leven niet toegelaten of uitgezet wordt. De
Minister van Justitie oordeelde ook aldus in zijne Memorie van Antwoord
op de bemerkingen van het voorloopig verslag in zake de verklaring
met Duitschland.

Bij nauwkeurige bestudeering van deze 3 tractaten kan men niet anders
dan tot deze conclusie komen, dat de Regeering gedwaald heeft in
deze zaak.

Van welk standpunt moeten wij uitgaan?

Er moet onderscheid gemaakt worden tusschen:

1e. uitlevering d. i. "de overlevering van ter zake van misdrijf
vervolgde of veroordeelde personen, door de regeering van den staat,
op wiens grondgebied zij zich bevinden aan die van een anderen staat
ter berechting en bestraffing" (Van Hamel, Inleiding tot de studie van
het Nederlandsche Strafrecht, pag. 148). Hierbij heeft overlevering
van de eene politie aan de andere plaats. Deze uitlevering is geregeld
bij de wet van 6 April 1875 (Stsbl. 66) Hiermee hebben wij bij deze
kwestie niets te maken.

2º. Uitzetting, d. i. eene wijze van handelen, die plaats heeft op
grond van de vreemdelingenwet van 1849. De vreemdeling wordt tot
's lands grens vervoerd en daar aan zijn lot overgelaten. Dit gaat
geheel buiten de politie van het andere land om.

3º. Wat ik zou willen noemen "uitleiding". Onder het gezag van
anderen staande vreemdelingen worden op verzoek van hen, die dat
gezag uitoefenen, weer teruggevoerd naar hun land en aan de hoede der
laatsten toevertrouwd. Degenen, die het gezag uitoefenen, nemen de
uitgeleide vreemdelingen zelf over, of als hun lasthebster belast de
vreemde politie zich met deze taak. En onze politie: welke rol vervult
zij bij de uitleiding? Zij steunt op haar algemeene onbeschreven
bevoegdheid om preventief te handelen, met tact en voorzoover zij de
wetten en instructies niet overtreedt. Overigens handelt ook zij als
lasthebster der ouders, voogden etc.; waarom toch zou zij dit niet
doen waar het vreemdelingen geldt, terwijl zij meent wel bevoegd te
zijn, waar het verzoek geschiedt door ingezetenen?



Hebben wij bij deze verklaringen te doen met uitzetting of met
uitleiding? Het is mogelijk, dat in de praktijk wel eens sprake kan
zijn van uitzetting, doch dat in generali van eene uitleiding sprake
is, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. De terugzending naar het
land, van waar de meisjes afkomstig zijn, geschiedt toch op verzoek
der personen, die gezag over haar uitoefenen. (Doch ook op haar
eigen verzoek; dit is dan eene zuivere politiezorg). De uitleiding
van minderjarigen, of in generali de terugbezorging van minderjarigen
aan hun ouders en voogden, is niet door eene wet geregeld. Zij volgt
uit de algemeene beginselen van burgerlijke wetgeving en omtrent
de bevoegdheid der politie. Onjuist is dus de uitlegging van de
woorden "binnen de wettelijke grenzen" als zouden deze beteekenen
"voor zooveel de wetten hier te lande het toelaten met inachtneming
van de vormen bij die wetten voorgeschreven." Ik acht juister eene
negatieve interpretatie: "voor zoover de wetten en instructies het
niet verbieden."

Met eene uitzetting volgens de wet van 1849 hebben wij hier dus niet
te doen. Omdat de Regeering--ten onrechte--dit wel meende, heeft
zij ook slechts de derde verklaring aan de goedkeuring onderworpen
van de Staten-Generaal. Zij beschouwde de bestrijding der kosten van
de uitleiding in de 2 eerste tractaten uit 's lands middelen reeds
gedekt door wettelijke goedkeuring, daar 't toch kosten waren, die
op de uitzetting van vreemdelingen vielen. Dat bij de verklaring
met Duitschland niet volstaan werd met een mededeeling aan de
Staten-Generaal vond--aldus sprak de Regeering--zijn reden in het
feit, dat 't land hier wel eens meerdere kosten zou moeten dragen. In
hoeverre dit waar kan zijn, laat ik daar, maar terecht werd in het
voorloopig verslag van de 2de Kamer opgemerkt, dat dit slechts een
kwestie was van meer of minder.

Daar hier--zooals ik boven betoogde--de uitleiding met eene uitzetting
niets te maken heeft, zoo is het onbetwistbaar, dat zoo er kosten
vallen op uitleidingen volgens de 1ste en 2de verklaring, deze niet
door 't land zullen gedragen kunnen worden. Met andere woorden: ook
deze 2 verklaringen hadden de goedkeuring der Staten-Generaal moeten
verwerven op grond van art. 59 tweede lid G. W.

Er wordt in de 3 verklaringen resp. in de artt. 1, 1 en 2 gesproken
van "vrouwen en meisjes, welke tegen haar wil er toe gebracht mochten
zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven." De woorden
"tegen haar wil" "contre leur volonté" bezorgen velen moeilijkheid. Ook
het verslag der Commissie uit de 2de Kamer, die den 6en Mei rapport
uitbracht over de verklaring met België uitgewisseld, gaf eenige op- en
aanmerkingen over deze 3 woorden. Zij vroeg uit welke omstandigheden
en op welk tijdstip van dit gedwongen worden tegen eigen wil zal
moeten blijken. Wie moet omtrent het al of niet bestaan van dwang
tot prostitutie beslissen?

Het Bulletin Continental van 15 Jan. 1887 brengt, na alle lof aan de
idee toegezwaaid te hebben, ook moeielijkheden aangaande dit punt
te berde. "On ne sait pas au juste, ce qu'il faut entendre par ces
"filles qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer à la
prostitution." Repatriera-t-on toutes les filles, qui se trouvent dans
le besoin et en danger de tomber dans la prostitution où seulement
celles, qui ont été attirées hors de leur pays par des moyens
frauduleux, comme le font supposer les mots "contre leur volonté"?

In de Memorie van Antwoord zegt de minister bij artikel 2 van de
Verklaring met Duitschland. "Wat onder de woorden "contre leur volonté"
moet worden verstaan, kan niet volkomen gedefiniëerd worden. In ieder
bijzonder geval zal 't moeten worden beoordeeld."

Bieden deze woorden in werkelijkheid zoo'n moeilijkheid aan, als deze
bezwaren zouden doen vermoeden? Met den Minister ben ik het eens,
dat in ieder speciaal geval over het gebrek aan toestemming moet
beslist worden. Het intitulé der verklaringen wijst er op, dat hier
sprake moet zijn van de vrouwen en meisjes, die de dupe zijn geworden
van de handelaars in blanke slavinnen. In dien zin moeten dus ook de
woorden "tegen haar wil" verstaan worden. De bezwaren van het Bulletin
Continental zijn dus gemakkelijk op te lossen. Redeneerende volgens
den gedachtengang van dit maandblad zoude bijna iedere prostituée
zonder uitzondering onder het artikel vallen. Iedere prostituée
levert zich in zooverre "tegen haar wil" aan de ontucht over, als zij
toch wel zou prefereeren een ander gemakkelijk bestaan, dat haar ook
een zekere weelde zou kunnen verschaffen. Neen het komt hier alleen
aan op de "moyens frauduleux". Daar de uitdrukking "tegen haar wil"
voor dezen of genen onduidelijk is, ware het beter geweest eene meer
duidelijke uitdrukking van de gedachte te kiezen b.v. "tegen haar
wil door toedoen van anderen".

Daar de meisjeshandel zich onder zooveel verscheidene omstandigheden
voordoet, valt natuurlijk niet a priori aan te geven, uit welke
omstandigheden het gedwongen worden zich tegen eigen wil aan de ontucht
over te geven kan blijken. En op welk tijdstip moet hiervan blijken,
vraagt de commissie van 1887. Mijns inziens moeten de woorden:
"vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten
zijn zich aan ontucht over te geven" geïnterpreteerd worden op de
wijze van het Perfectum van een Grieksch werkwoord. Dus: zij die nu
in den toestand verkeeren, dat zij zich tegen haar wil aan de ontucht
overgeven, nadat zij in dien toestand door anderen gebracht zijn. Het
zich overgeven aan de ontucht tegen haar wil moet dus ook bestaan op
het oogenblik van het verzoek hetzij van de vrouw zelf hetzij van de
personen, die gezag over haar uitoefenen.

In eene circulaire van den Minister van Justitie van den 7den Juli
1892 "houdende voorschriften ter uitvoering van de verklaringen met
België, Duitschland en Oostenrijk betreffende den handel in vrouwen
en meisjes" wordt blijkbaar dezelfde meening gehuldigd. Het heet daar
toch: "Vandaar dan ook dat men allereerst daarop bedacht is geweest
om aan die vrouwen en meisjes, welke tegen wil en bedoeling naar
elders zijn gebracht en met het ontuchtig leven willen breken, den
terugkeer naar haar land en familie gemakkelijk en mogelijk te maken."

Wie nu moet beslissen omtrent het al of niet bestaan van dwang tot
prostitutie, is niet moeilijk aan te geven. Dit is natuurlijk het
hoofd der politie; de politie is hier toch alleen werkzaam, binnen
haar bevoegdheid speelt zich het geheele bedrijf af. Acht men soms
eene beslissing over dit punt door de politie ongewenscht? Ik zou
mij niet kunnen voorstellen, welke moeilijkheid er uit zou kunnen
voortspruiten. Ja, er is toch iets en daarop heeft het Kamerlid de
Beaufort gewezen bij de behandeling van de wet tot goedkeuring van de
verklaring met Duitschland. Het meisje kan doen voorkomen, alsof zij
tegen haar wil door toedoen van anderen een ontuchtig leven leidt om
zoodoende kosteloos naar haar vaderland teruggebracht te worden. Dit
is voorzeker een te vreezen misbruik, waartegen evenwel door een
nauwkeurig onderzoek zooveel mogelijk gewaakt kan worden.

De terugzending kan geschieden op verzoek der personen, die gezag over
de vrouw uitoefenen. Uit de andere bepalingen blijkt dat men hier ook
't oog heeft op de getrouwde vrouw, als staande onder het gezag van
den man. Met een der sprekers in de 2de Kamer betwijfelende of een
dergelijk geval zich wel dikwijls zal voordoen, meen ik overigens,
dat de man niet een dergelijk gezag over zijn vrouw heeft als de
ouders over hun kinderen, zoodat het onmogelijk is dat de politie
zou kunnen optreden als lasthebster van den man om zijne vrouw terug
te bezorgen, daar de man zelf de bevoegdheid mist de vrouw met dwang
tot zich te brengen.

De vrouw of het meisje zal in de richting van het land, waartoe zij
behoort teruggezonden worden.

De bewoordingen in de 3 verklaringen variëeren; de bedoeling komt
evenwel hierop neer, dat zij tot de grens van het land gebracht wordt.

Ons de maatregel der terugzending zoo effectief mogelijk te maken
dienen de bepalingen 2, 4, 4 uit de 3 internationale schikkingen. Zij
schrijven voor, dat, voor dat tot de uitleiding overgegaan wordt,
een kennisgeving gericht moet worden aan de personen, die gezag over
de vrouw uitoefenen. Deze kennisgeving moet vermelden den dag waarop
de terugzending zal geschieden, en de plaats waarheen de opzending
zal plaats hebben. Art. 4 van de verklaring met Duitschland schrijft
voor dat dit geschieden moet door tusschenkomst van de overheden van
het land, waartoe de vrouw behoort. Mij is niet duidelijk, waartoe
deze administratieve omslachtigheid noodig is, althans waarom zij
dringend voorgeschreven is. Men had dit aan 't oordeel van de met de
terugzending belaste overheid kunnen overlaten.

De man kan dus de terugzending zijner vrouw niet verlangen, wanneer zij
er zich tegen verzet [10]; eene kennisgeving is hier niet noodig. Wel,
natuurlijk, wanneer de getrouwde vrouw zelf hare uitleiding verzoekt.

In de reeds geciteerde circulaire van 1892 gaat de Minister in
verhaaltrant deze 2 artikelen, welke de 3 verklaringen gemeen hebben,
door; de Minister vermeldt daar dus geen nieuws. Verder geeft
hij eenige voorschriften aangaande de bestrijding der kosten van
vervoer. Wel dien ik nog naar aanleiding van art. 1 der verklaring
met Oostenrijk op te merken, dat het volgens 's Ministers oordeel
wenschelijk is met 't oog op de verrekening van kosten zooveel mogelijk
de afhaling van Oostenrijksche en Hongaarsche vrouwen hier te lande,
althans aan de Nederlandsch-Duitsche grens, te verzekeren, daar de
terugzending van die vrouwen en meisjes over Duitsch grondgebied
moet geschieden en dit transit niet is geregeld. Nederlandsche
vrouwen en meisjes moeten aan de Oostenrijksch-Duitsche of
Oostenrijksch-Zwitsersche grens door Nederlandsche beambten overgenomen
worden, indien zij niet hierheen gebracht worden.



De bespreking van de verklaring met België uitgewisseld is hiermede
afgesloten. We komen nu tot art. 2 der Oostenrijksche verklaring,
dat overeenkomt met art. 3 van die met Duitschland uitgewisseld. Deze
artikelen hooren niet thuis in deze verklaringen, waarvan het intitulé
en de considerans ten duidelijkste aanwijzen, dat zij slechts het
nemen van maatregelen beoogen om den zgn. handel in jeugdige vrouwen
en meisjes tegen te gaan.

Ook volgens haar statutum personale minderjarige vreemdelingen, die
zich vrijwillig aan de ontucht overgeven, worden op verzoek hunner
ouders of voogden teruggezonden. Ad art. 3 zegt de Memorie van Antwoord
van de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland: "Het is
zeer zeker de taak der politie om wanneer haar daartoe door ouders of
voogden het verzoek wordt gedaan de behulpzame hand te bieden tot het
weder in hunne macht brengen van die minderjarigen. Waar zulks in het
belang der minderjarigen wordt geacht, wordt hier te lande steeds
in dien geest gehandeld en bestaat er geen reden waarom dezelfde
gedragslijn niet tegenover vreemdelingen zoude worden gevolgd."

De voorschriften omtrent vervoer en bestrijding van kosten met 't
oog op de meisjes, die slachtoffers zijn van dezen handel, zijn ook
toepasselijk bij de meisjes, die zich vrijwillig prostitueeren. Dit
wordt uitdrukkelijk in de circulaire te kennen gegeven.

In deze kennisgeving zegt de Minister verder: "Bij de overweging
van de vraag of aan een verzoek om terugzending zal worden gevolg
gegeven--hetwelk steeds zal behooren te geschieden indien de
betrokken persoon verkeert in een geval, als in de toepasselijke
verklaring bedoeld, en geen wettelijk voorschrift of rechterlijk
bevel zich daartegen verzet--mag in geen geval rekening gehouden
worden met aanspraken van derden op de vrouw of het meisje ten
gevolge van betrekkingen uit ontucht voortvloeiende. De verklaring
met Oostenrijk-Hongarije zegt dit ten overvloede uitdrukkelijk." Dit
heeft plaats in art. 3.

Zooals de Minister terecht verklaart, zegt de verklaring met
Oostenrijk-Hongarije dit "ten overvloede." Art. 1371 jo. 1373
Burgerlijk Wetboek verbiedt toch iedere overeenkomst, waarvan de
oorzaak bij de wet verboden is, of strijdig is met de goede zeden of
met de openbare orde.

Een meisje kan dus niet teruggehouden worden, omdat de bordeelhouder
een paar dagen te voren een paar honderd gulden voor haar aan
een placeur gegeven heeft en hij deze op de debetzijde van het
meisje geplaatst heeft. Voor dergelijke schulden kan niet een
quasi-hypotheek (zooals Yves Guyot het uitdrukt) op het meisje
gevestigd blijven. Wat andere schulden betreft, als de voorgeschoten
waarde van kleedingstukken en toiletartikelen, zoo zal de bordeelhouder
zich tot den rechter kunnen wenden, indien hij voldoening daarvan
wenscht. Het rechterlijk vonnis zal dan beslissen in hoeverre
uitleiding niet geoorloofd zal zijn. [11]

De artt. 5, 6 en 7 uit de verklaring met Duitschland zijn bepalingen,
die niet voorkomen in de andere 2 internationale schikkingen.

De briefwisseling betrekkelijk de terugzending, het gevolg zijnde van
de kennisgeving in art. 4 bedoeld, wordt volgens art. 5 tusschen de
overheden der beide landen rechtstreeks gevoerd.

Art. 6 geeft regelen aangaande de kosten van onderhoud en vervoer
tot aan de grens. Zoo deze niet kunnen worden terugbetaald door die
vrouwen en meisjes zelve, noch door haar echtgenooten, ouders of
voogden, worden ze door den Staat gedragen, die de terugzending heeft
bewerkstelligd. Hetzelfde zal toepasselijk zijn bij de terugzending van
Belgische en Oostenrijksche of Hongaarsche meisjes. In het Voorloopig
Verslag werd de vrees uitgesproken, dat zware kosten op Nederland
zouden drukken, naar evenredigheid veel meer dan op Duitschland. In
zijn Memorie antwoordde de minister, dat de kosten toch betrekkelijk
gering zouden zijn. Tijdens de onderhandelingen, die met den meesten
spoed plaats moeten hebben, zullen de vrouwen in een passantenhuis
of in een huis van bewaring worden opgenomen. Zij vallen toch onder
de in art. 33o van de Gestichtenwet van 3 Jan. 1884 (S. 3) genoemde
»andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen". Het
vervoer op de spoorwegen, voor zoover het onder geleide plaats heeft,
geschiedt kosteloos en wat de hoogere kosten aangaat die Nederland
moet dragen in vergelijking met Duitschland, zoo wordt daarentegen
ons land,--aldus zegt de minister--gezuiverd van personen, die er
slechts ellende en verderf verspreiden.

Art. 7 handelt over de bekrachtiging en de spoedige uitwisseling der
akten van bekrachtiging te 's Hage.

We zijn nu zoover gekomen, dat we weten, hoe de verschillende
Regeeringen, boven genoemd, verklaren te zullen handelen om de misleide
vrouwen te redden.

Maar daarmede zijn we werkelijk niet ver, want hoe komt men te weten,
dat er meisjes en vrouwen zijn, die aldus door drang zich aan de
prostitutie overgeven? Ware dit duidelijk aangegeven, we zouden
werkelijk een schrede verder zijn op het goede pad. Doch dit is
en blijft altijd de groote moeilijkheid. Meer dan eens heb ik er
op gewezen, op welke geheimzinnige wijzen de handelaars in blanke
slavinnen te werk gaan.

Er bestaat eene missive van den Minister van Justitie Godefroi dd. 7
Juni 1860 no. 162 houdende bepalingen ter voorkoming en voorziening,
dat vrouwen in de huizen van ontucht, alwaar zij zich bevinden, tegen
haar verlangen worden teruggehouden. Deze missive vaardigde de Minister
uit naar aanleiding van een geval, dat een meisje in een bordeel als
't ware gevangen gehouden werd. De Minister wijst op de bevoegdheid
van den burgemeester, die dezen door art. 188 Gemeentewet verleent
wordt. Aangaande te nemen maatregelen raadt hij overleg aan met de
procureur-generaals en de officieren van justitie. Hoewel de Minister
zelf geen middelen wil aangeven, acht hij toch 't onverwacht bezoeken
van bordeelen door vertrouwde politiebeambten zeer doeltreffend. Een
andere maatregel zou hierin kunnen bestaan, dat de vrouwen in de
bedoelde huizen inwonende onderricht werden van de bevoegdheid,
die zij hebben, die huizen desverlangende te verlaten.

Deze maatregelen worden dan ook wel genomen in gemeenten, waar
bordeelen bestaan, hetzij al dan niet gereglementeerd. De Amsterdamsche
politie had de gewoonte bussen te plaatsen in die huizen, waarin de
prostituées brieven konden werpen; de politie ledigde die bussen zelf.

Verder biedt art. 452 Wetboek van Strafrecht, dat ik hierboven besprak,
gelegenheid werkzaam te zijn om op de hoogte te komen van de gevallen
van gedwongen prostitutie.

Juist de wenschelijkheid om allereerst op 't spoor te geraken van deze
gevallen was de opname van art. 1 in de verklaring met Duitschland
op speciaal verlangen der Duitsche regeering. Zooveel mogelijk
moet bevorderd worden binnen de wettelijke grenzen, dat de bedoelde
meisjes aan een verhoor worden onderworpen ten einde te doen blijken
van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te
verlaten. Hieromtrent zegt de Memorie van Antwoord, dat dit artikel
natuurlijk geen verplichting oplegt om bedoelde vrouwen en meisjes
tot een verhoor te dwingen buiten de wet om. Eigenlijk beteekent dus
dit eerste lid van art. 1 niet veel. In sommige gevallen biedt onze
wetgeving gelegenheid om een dergelijk verhoor af te nemen (ik gaf
ze zoo even aan) doch van een verplichting aan de meisjes opgelegd is
in onze wetgeving niets te bespeuren. "Binnen de wettelijke grenzen"
wil m.i. zeggen: voorzoover de wet zoodanig verhoor toelaat, dat is
niet verbiedt; volstrekt niet; voorzoover de wet zoodanig verhoor
"voorschrijft". (Memorie van Antwoord).

De minister zegt ook: "Intusschen behoeft men zich geenszins te
beperken tot vrouwen in bordeelen." Dit is werkelijk gemakkelijk
gezegd. De praktijk en de wet leeren evenwel anders. De moeilijkheid om
aan te toonen, dat eene vrouw zich buiten een bordeel aan prostitutie
overgeeft is zeer groot en bovendien zijn de weinige middelen, die
gelegenheid geven zich prostituëerende vrouwen een verhoor te doen
ondergaan beperkt tot de prostituées in bordeelen.

En daar waar de bordeelen bij politieverordeningen in ons land verboden
zijn, is de toepassing van het geheele artikel onmogelijk. Zoo b. v. in
Amsterdam sedert de strafbaarstelling van het houden van bordeelen
bij politieverordening van 1897.

Hoe groot de practische bezwaren en moeielijkheden zijn om ten
opzichte van prostituées in bordeelen achter de waarheid te komen,
zal de politie zelf het beste kunnen getuigen.

Het 2de lid van art. 1 van de verklaring met Duitschland bepaalt, dat
de processen-verbaal der genomen verhooren moeten worden medegedeeld
aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes
behooren.

Naar aanleiding van klachten, door de Duitsche regeering geuit,
over de niet zeer nauwkeurige invulling van deze processen-verbaal,
bestaat een circulaire van den Minister van Justitie dd. 19 Aug. 1896
no. 314, "betreffend nauwkeurige invulling van de geboorteplaats in
processen-verbaal van verhoor van Duitsche prostituées".



Hier en daar bij de bespreking der 3 verklaringen heb ik reeds
eenige indrukken weergegeven, waartoe de verschillende artikelen mij
aanleiding gaven. Wat is nu de indruk van het geheel? Met niet genoeg
ernst zijn de belangen behartigd van de vrouwen en meisjes, die dupe
zijn der bedriegelijke handelingen van placeurs en bordeelhouders. Men
heeft meer gedacht aan eene bescherming van minderjarigen, dan het
opschrift der verklaringen het recht zou geven te vermoeden. Daarvan
getuigen reeds de artt. 2 en 3 respectievelijk uit de verklaringen
met Oostenrijk-Hongarije en Duitschland.

En als men ook aan meerderjarigen (de getrouwde vrouwen buiten
bespreking gelaten) heeft gedacht, dan is 't bepaald eene ironie
te vernemen, dat zij zelf hare terugzending moeten verlangen aan de
overheid. Ja, wanneer zij eenmaal daartoe in staat zijn dan is het
ergste reeds geleden; in de 99 van de 100 gevallen zal der overheid
een dergelijk verzoek niet ter oore komen.

Er moet aan den anderen kant wel bedacht worden, dat we ons op
een terrein bevinden, dat zich pas in een begin van exploitatie
bevindt. Hoe meer men er mee vertrouwd geraakt, des te beter zullen de
maatregelen zijn, die getroffen worden. Buitendien hebben we te doen
met verklaringen; deze kunnen uit den aard der zaak nieuwe onderwerpen
slechts gebrekkig regelen.



Deze verklaringen strekken dus ook om beschermende maatregelen
te nemen ten opzichte van de Nederlandsche meisjes en vrouwen,
die naar België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland geëxporteerd
zijn. Zijn nu de vrouwen, die naar andere landen vervoerd zijn,
geheel van bescherming verstoken? Dit behoeft niet zoo te wezen. Tot
de vertegenwoordigers der Nederlandsche Regeering kunnen zij of
derden zich wenden met een verzoek om hulp en steun. Ik heb hier
vooral het oog op de consulaire ambtenaren. De plichten van deze
zijn toch niet alleen tot handelsaangelegenheden beperkt. Zij hebben
hun "goeden raad en bijstand te verleenen aan alle Nederlanders en
onderdanen van Nederlandsch-Indië, die deze inroepen." (Algemeene
voorschriften voor de Nederlandsche consulaire ambtenaren door den
Minister van Buitenlandsche Zaken L. Gericke.) Mochten Nederlandsche
of Nederl.-Indische onderdanen in hunne personen of goederen bedreigd
worden, dan hebben de consulaire ambtenaren deze in hun goed recht
en de voorrechten hun bij de verdragen verzekerd te handhaven, zij
moeten vooral onderstand verleenen aan hen, die door omstandigheden
geheel buiten hun toedoen in nood geraakt zijn. (id.) Het consulair
reglement van 27 Juni 1874 bepaalt, dat de behoeftigen op de minst
kostbare wijze naar het land teruggezonden moeten worden. (art. 24).

We zien dus dat de consulaire ambtenaren op velerlei wijze in de goede
richting werkzaam kunnen zijn ter bestrijding van dit maatschappelijk
euvel, ter bescherming van de slachtoffers daarvan, doch ook ter
voorkoming, dat de plannen der handelaars verderfelijke gevolgen na
zich sleepen. Zij kunnen toch bekend maken, dat er zich handelaars van
elders naar ons land begeven om op roof uit te gaan. Deze bekendmaking
moet uitgaan van het Departement van Buitenlandsche Zaken waaraan
deze mededeelingen gericht kunnen worden.

Vele consuls hebben het goede voor, en zij, die er niet op bedacht
zijn, kunnen de noodige aanschrijvingen in dezen geest van de
Regeering ontvangen. Bij slotsom hangt alles af van den goeden wil
van het Departement van Buitenlandsche Zaken. Dat deze goede wil in
dit opzicht nimmer moge ontbreken is mijn welgemeende wensch! 't
Is duidelijk, wanneer de drang niet van boven uitgaat, geeft de
werkzaamheid der consulaire ambtenaren ten slotte niets; en hunne
pogingen op den duur zonder goeden uitslag bekroond ziende, zullen
er allicht zijn, die ten slotte hunne moeite om op allerlei wijzen
den blanke slavinnenhandel tegen te gaan zullen opgeven.

Een zware last drukt verder op de niet-gesalariëerde consuls, wanneer
zij hulp moeten bieden met geldelijke steun aan de behoeftige en
verlaten meisjes, die zij uit de handen der placeurs en bordeelhouders
hebben kunnen redden.

Van de diplomatieke vertegenwoordigers, gezanten en anderen kan ook
zeer veel heil verwacht worden; als mogelijke tusschenpersonen tusschen
de consulaire ambtenaren en het ministerie van buitenlandsche zaken
behooren zij het goede voor te staan en met allen aandrang te wijzen
op den deerniswaardigen toestand, waarin Hollandsche meisjes zich in
den vreemde bevinden. Van de détails, waarmee zij uit den aard der
zaak niet zoo licht bekend raken, moeten de consuls en anderen hen
op de hoogte brengen.

't Zij nogmaals herhaald: ook in deze kwestie kan en moet
"Buitenlandsche Zaken" met kracht en ijver werkzaam zijn, opdat door
zijne medewerking de handel in blanke slavinnen niet spoedig tot het
verleden zal behooren--want dit zal steeds tot de pia vota blijven
behooren--maar opdat hij althans wat den omvang zijner gevolgen
betreft zooveel mogelijk beperkt worde.



§ 4. WETGEVING BETREFFENDE DE OUDERLIJKE MACHT.

Het ligt in den aard der zaak, dat het bedrijf van den placeur zich
zooveel mogelijk bepaalt tot het aanwerven van jeugdige vrouwen, die
door haar frischheid en maagdelijkheid het uitzicht openen op ruime
verdiensten. Vele van dezen bevinden zich dan ook nog onder het gezag
van anderen, ouders of voogden. De twee uiterste mogelijkheden vragen
hier onze aandacht niet. Ten eerste, dat het meisje tegen den wil harer
ouders of voogden onttrokken wordt aan de macht van dezen; een feit,
waartegen vele strafwetten reeds voorzien. Ten tweede, dat het juist
de werkzaamheid der ouders is, die het jonge meisje aan den placeur
overlevert. Ook in dit geval voorzien de meeste strafwetten. Het
meest voorkomende euvel ligt hiertusschen: ouders of voogden zijn
onverschillig, het lot van het meisje boezemt hun geen belang in;
zij dragen schuld of mogelijkerwijze is de treurige opvoeding en
zorg--hierop komt 't toch aan--in 't geheel niet aan eenige schuld
hunnerzijds te wijten. In 't kort: zij verrichten of verzuimen niets,
waardoor zij onder 't bereik der strafwet zouden kunnen vallen.

Bij de bespreking van de oorzaken van dezen handel wees ik er reeds op,
dat veel wat aan de zijde der vrouw als oorzaak, direct of indirect,
van den meisjeshandel kan aangemerkt worden, zijn reden vindt in
gebrekkige opvoeding of verwaarloozing. Wanneer wij deze oorzaken
kunnen voorkomen en opheffen door ontzetting uit de ouderlijke macht
of voogdij [12] dan hebben we te doen met een preventief middel
ter bestrijding van den meisjeshandel. Hierop wil ik toch drukken,
opdat er toch geen verschil van opinie ontsta omtrent de grenzen
van hetgeen ik mij hier voorstel in 't kort te behandelen. 't Is de
burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht als preventieve
zorg. Ik laat buiten bespreking de ontzetting als bijkomende straf
na 't begaan van een strafbaar feit, zooals in vele wetgevingen
geschiedt. Hier heeft de ontzetting een ander karakter, en wel die
van repressie als straf voor de ouders, daar is de ontzetting een
louter beschermende maatregel voor de kinderen. Als straf kan zij ook
wel preventief werken en wel b. v. na 't ondergaan van den straftijd,
doch het is meestal voor een beperkten duur, zich slechts tot enkele
gevallen uitstrekkende.

Ik heb hier dus 't oog op de burgerrechtelijke ontzetting uit de
ouderlijke macht.

Het Nederlandsche Burgerlijke Wetboek kent de ontzetting uit de
ouderlijke macht niet. De ontzetting uit de vaderlijke macht bestaat
slechts als bijkomende straf (art. 9b1º jo art. 285º Wetboek van
Strafrecht) in de bij de wet bepaalde gevallen door den strafrechter
uit te spreken en gedurende een duur, waarvan de wet het maximum
vaststelt (art. 30, 31 Strafrecht). Volgens art. 30 kan ontzetting
worden uitgesproken bij veroordeeling der ouders, die opzettelijk
met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf
deelnemen en die tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige
eenig misdrijf plegen omschreven in de Titels XIII XIV XV, XVIII XIX
en XX van het 2e Boek. Verder kan het nog plaats hebben in de gevallen,
die in het 2e Boek speciaal voorkomen.

Het is duidelijk, dat voorzoover men van een regeling van de ontzetting
uit de vaderlijke macht kan spreken deze zeer gebrekkig en onvolledig
is.

De behoefte aan voorziening in de mogelijkheid, dat ouders ook van
hun gezag zouden kunnen worden ontzet, zonder dat dit juist behoefde
verbonden te zijn aan eene strafrechtelijke veroordeeling heeft
zich reeds lang doen gevoelen en een ontwerp van wet tot wijziging
en aanvulling in het Burgerlijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht
en de voogdij, aangeboden door Minister Cort van der Linden bij de
Tweede Kamer bij Koninklijke Boodschap van 13 Mei 1898 [13], heeft
zich dan ook dit onderwerp aangetrokken.

Hoe de burgerrechtelijke ontzetting in het ontwerp geregeld is,
zal ik hier bespreken.

Over de ontzetting, de procedure, het herstel, en de taak van den
voogdijraad wordt gehandeld in de Tweede afdeeling A "van de ontheffing
en ontzetting van het ouderlijk gezag" uitmakende de artt. 374a tot
en met art. 374l. Verder verdient de aandacht art. 413 derde lid.

Het geheele ontwerp berust meer op het grondbeginsel, dat het ouderlijk
gezag is een uitvloeisel van de plicht der ouders voor zoover het
in hun macht staat hun kinderen te onderhouden en op te voeden,
terwijl daaraan natuurlijk onafscheidelijke rechten verbonden zijn
ter behoorlijke vervulling van die plicht, dan van het principe als
zou het ouderlijk gezag nog op hetzelfde beginsel steunen, waarvan
de Romeinsch-rechtelijke patria potestas een gevolg is. Neen, de
bescherming der minderjarige staat op den voorgrond. Er moet gewaakt
worden tegen verkeerde leiding en verwaarloozing van hun opvoeding. Dit
is bij herhaling in de Memorie van Toelichting te lezen. Daarom moeten
beschermd worden die kinderen, die door schuld hunner natuurlijke
verzorgers, dreigen onder te gaan, doch ook zij, tot wier opvoeding
de ouders buiten hun schuld onbekwaam en ongeschikt zijn en zij die
verlaten rondzwerven, zonder dat van het bestaan of van het verblijf
van den vader en de moeder of van eenige voogdij blijkt. Duidelijk
is dat in al deze gevallen het verwaarloosde of verlaten meisje
gemakkelijk in handen kan vallen van individuen, die haar ten eigen
voordeele ten val willen brengen. Daarom zal dit ontwerp, wanneer het
eenmaal wet zal geworden zijn, er veel toe bijdragen, om jonge meisjes
te redden uit de handen van placeurs en koppelaars. In art. 374a
worden de beide rechtsmiddelen aangegeven, die een einde maken aan
de rechten en verplichtingen van de ouderlijke macht.

Artikel 274a eerste lid bepaalt, dat ontheffing van de ouderlijke macht
over een, meer of alle kinderen kan verleend worden op eigen verzoek,
op grond, dat de verzoeker ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot
verzorging en opvoeding te vervullen. Maar het belang der kinderen
mag zich niet uit anderen hoofde tegen die ontheffing verzetten.

De ontzetting regelt het 2de lid. De ontzetting van ieder der ouders
kan op verzoek der in dit lid genoemde personen plaats hebben op
grond van:

1º. misbruik van het ouderlijk gezag of verwaarloozing van de
verplichting tot onderhoud en opvoeding van een of meer kinderen.

2º. slecht levensgedrag.

3º. onherroepelijke veroordeeling wegens het opzettelijk deelnemen
aan eenig misdrijf met een aan zijn gezag onderworpen minderjarige.

4º. onherroepelijke veroordeeling wegens het plegen van eenig misdrijf
omschreven in de titels 1, 2, 3 en 4, de artikelen 140 eerste lid,
en 172, in de titels 13, 14, 15, 18, 19 en 20 en in de artt. 381-385
van het 2de Boek van het Wetboek van Strafrecht.

5º. tweede of verdere onherroepelijke veroordeeling wegens eenig
misdrijf.

Onder misdrijf worden in dit artikel ook begrepen medeplichtigheid
aan en poging tot misdrijf.

De Memorie van Toelichting zegt aangaande de ontheffing en de
ontzetting: "De ontzetting berust op het moedwillig plicht verzuim of
onwaardigheid, de ontheffing op het voor den rechter juist gebleken
eigen oordeel der ouders, dat het belang van hun kind medebrengt,
dat een ander zich met de taak der opvoeding belast." Doch in
het laatste geval worde wel ingezien, dat het belang van het kind
moet vóórstaan; is dit niet zoo, dan zal de rechter de ontheffing
niet verleenen. Bij ontzetting is de reden om aan de rechten en
verplichtingen van het ouderlijk gezag een einde te maken gelegen òf
in een feit, dat strafrechtelijk den dader toerekenbaar is òf in een
feit, dat dit niet is, maar dat toch aan schuld te wijten is. Bij
ontheffing treedt de beschermingsmaatregel voor het kind nog in
een duidelijker licht, daar alsdan zelfs geen sprake is van schuld
aan de zijde der ouders. In de Memorie van Toelichting heet het:
"Het instituut der ontheffing, dat de Staatscommissie niet kent,
zal, naar de ondergeteekende vertrouwt er toe bijdragen, dat vele
ongelukkigen in hun jeugd niet van die zorgen verstoken blijven, die
zij zoo noode missen en waardoor zij voor moreelen ondergang behoed
nuttige leden kunnen worden der maatschappij."

Als preventieve maatregel tegen den handel in blanke slavinnen treedt
vooral op den voorgrond de ontzetting op grond van verwaarloozing
en slecht levensgedrag, waardoor het kind moreel ten onder gaat,
waardoor wellicht het verlangen gewekt wordt zoo spoedig mogelijk het
ouderlijk huis te ontvluchten en elders in zijn onderhoud te gaan
voorzien; verder op grond van een der veroordeelingen in de drie
laatste no's, waarvan het gevolg is geheel gebrek aan opvoeding of
geheele of gedeeltelijke verwaarloozing.

Doch hoe doen zich omstandigheden dikwijls voor?

De val van het meisje--ik wees er in het begin van dit proefschrift
reeds meermalen op en gaf daarvan ook voorbeelden--is dikwijls ook
eenigszins aan eigen schuld toe te schrijven, groote onverschilligheid
zoowel van de zijde van het meisje als van die harer ouders. Van
de zijde van het meisje als gevolg van hare onervarenheid valt ze
wellicht nog door de vingers te zien, maar van de zijde der ouders
is dit geenszins het geval.

Door eenige meerdere oplettendheid en zorg van hun kant zou de val
van het meisje wellicht nog voorkomen kunnen zijn. Doch de ouders
zijn blijde, als het groote gezin weer met een lid verminderd
wordt; de eerste de beste gelegenheid wordt aangegrepen om dit te
bewerkstelligen. 't Is eene afkeurenswaardige onverschilligheid, die
zich ook wel in andere opzichten zal openbaren of geopenbaard hebben.

Voorziet het ontwerp ook in deze gevallen?

Kan een dergelijke meermalen geopenbaarde onverschilligheid, die zulke
verderfelijke gevolgen na zich kan sleepen, onder verwaarloozing van
de verplichting, tot onderhoud en opvoeding gerangschikt worden? 't
Is in ieder geval te loven, dat de Minister in stede van verregaande
verwaarloozing, zooals de staatscommissie dat voorstelde, eenvoudig
verwaarloozing heeft opgenomen en wel om den rechter bij de appreciatie
der feiten zoo weinig mogelijk te binden. Mijn inziens belet de
etymologische beteekenis van het woord en het begrip verwaarloozen
niet, dat daaronder ook een dergelijke grove onverschilligheid
omtrent de toekomst van de minderjarige valt. Aldus kan de rechter,
wanneer zich een dergelijk geval voordoet, al is de maatregel dan voor
het meisje, te wier opzichte ze plaats gehad heeft, te laat genomen,
toch nog ontzetting uitspreken, hetgeen van belang is voor de toekomst
der andere meisjes.

Voor eene andere categorie van kinderen, en wel de verlatenen, die
geen tehuis hebben, baant het ontwerp ook een weg om in staat te zijn
van hen nog goede staatsburgers te vormen. Ik wil nu niet beweren,
dat deze rubriek van verwaarloosden een groot contingent oplevert om
de rij der blanke slavinnen te vullen, maar toch zijn ook deze meisjes
bij uitstek geschikt om zich in de netten der placeurs te laten vangen,
voorzoover ze nog niet vrijwillig prostituées geworden zijn.

In deze gevallen voorziet art. 413 derde lid van het ontwerp. Indien
het bestaan of het verblijf van den vader of de moeder onbekend is,
wordt door den Kantonrechter een voogd benoemd. Gedurende deze voogdij
is de uitoefening van de ouderlijke macht geschorst.



HOOFDSTUK VII.

WETGEVING IN HET BUITENLAND.


§ 1. ENGELAND.

't Keerpunt tusschen het ongehinderd voortwerken der meisjes-handelaars
en het oogenblik, dat men pogingen in 't werk stelde om de feiten door
hen bedreven tegen te gaan, dagteekent ongeveer van het jaar 1880. Naar
aanleiding van de ontdekking eener op groote schaal bestaande uitvoer
van Engelsche meisjes voor de Belgische bordeelen, werden de gemoederen
in Engeland en vandaar uit ook op 't Continent wakker geschud.

In Engeland besloot men 't eerste alle moeite te doen paal en perk te
stellen aan dezen handel. Juist daaraan is mijn plan toe te schrijven,
't eerst de middelen, die Engeland ten dienste staan ter bestrijding
van dezen handel, na te gaan.

De bordeelen, die door de omstandigheid, dat de misleide vrouwen daarin
gelokt worden,--althans wat den heden ten dage meest voorkomenden vorm
van dien handel aangaat--een zoo gewichtige rol spelen in deze kwestie,
waren reeds vroeger in Engeland verboden. Doch niet uitdrukkelijk. De
Common Law vatte ze samen met huizen van hasardspel e. a. onder den
naam van "Disorderly houses". De grond voor de strafbaarheid was dan
ook bij de bordeelen dezelfde als bij die andere huizen.

"The keeping of a brothel is indictable as a common nuisance because
it endangers the public peace by drawing together dissolute and
bebauched persons and also has a tendency to corrupt the manners of
both sexes by such an open profession of lewdness." (Russel on Crimes
vol I pag. 427).

Een gewichtig argument voor de voorstanders van de opheffing van
bordeelen n.l. een waarschijnlijke groote vermindering van den omvang
van den blanke slavinnenhandel, gold toen dus nog niet.

Dit argument zal wel degelijk voorgezeten hebben toen bij Statuted Law
in 1885, een wet, die 't gevolg was van de beweging om maatregelen te
treffen tegen placeurs en consorten, ook de bordeelen uitdrukkelijk
werden verboden.

't Is de wet van 14 Aug. 1885: "An act to make further provision
for the protection of women and girls, the suppression of brothels
and other purposes." Deze wet wordt gewoonlijk geciteerd als "The
Criminal Law Amendment Act 1885," (48 and 49 Vict. Ch. 69), hetgeen
volgens art. 1 geoorloofd is.

Part II handelt over the "Suppression of Brothels." Section 13 luidt:

Any person, who

1. keeps or manages or acts or assists in the management of a
brothel, or

2. being the tenant, lessee, or occupier of any premises knowingly
permits such premises or any part thereof to be used as a brothel or
for the purposes of habitual prostitution, or

3. being the lessor, or landlord of any premises or the agent of
such lessor or landlord, lets the same or any part thereof with the
knowledge that such premises or some part thereof are or is to be
used as a brothel or is wilfully a party to the continued use of such
premises or any part thereof as a brothel,

shall etc.

Een bordeel wordt door Stephen in zijn Digest Crim. Law pag. 110
gedefinieërd als een "a house or room, or set of rooms, in any house,
kept for the purposes of prostitution."

Op alle mogelijke wijzen wordt het leven ontnomen aan de bordeelen;
en bij overtreding zal in den regel wel niet één de kracht der wet
gevoelen doch meer dan een: b. v. de houder, de beheerder van een
bordeel, en dan de huisheer, indien hij er van op de hoogte is,
dat zijn perceel voor dat doel gebruikt wordt. [14]

De onderdrukking der bordeelen geschiedt daardoor op gestrenge wijze.

Dus volgens Engelsche wet geen bordeelen; volgens velen een totale knak
aan den binnenlandschen meisjeshandel, waardoor geheel overbodig wordt
iedere andere repressie. Doch niet aldus de Engelsche wetgever. Niet
blind voor de omstandigheid, dat dit maatschappelijk feit ondanks alle
krachtige maatregelen van repressie zoolang de mensch mensch is, toch
zal blijven bestaan, al is het niet in den vorm van de hedendaagsche
bordeelen, dan toch zeker in een anderen vorm, beiden evenwel hetzelfde
doel beoogende, heeft hij 't toch noodig geoordeeld eene bepaling
in de wet op te nemen, die den binnenlandschen meisjeshandel treft,
al is deze ook juridisch onbestaanbaar.

Daarnevens moest natuurlijk ook de buitenlandsche meisjeshandel
strafbaar gesteld worden en is dit ook geschied.

Part I of the Criminal Law Amendment Act 1885 handelt over de
Protection of Women and Girls.

Section 2 luidt: Any person who

2. Procures or attempts to procure any woman or girl to become,
either within or without the Queen's dominions, a common prostitute; or

3. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave the
United Kingdom, with intent, that she may become an inmate of a
brothel elsewhere; or

4. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave her
usual place of abode in the United Kingdom (such place not being a
brothel) with intent that she may, for the purposes of prostitution,
become an inmate of a brothel within or without the Queen's dominions,
shall be guilty etc.



Vóór het bestaan van deze strafbepalingen, dus vóór 1885, was de common
law in Engeland, dat als misdemeanour (délit) gestraft werd het feit,
dat 2 of meer personen gezamentlijk het plan beraamden, de verleiding
of de ontucht van een vrouw of meisje te veroorzaken of teweeg te
brengen, dat een vrouw zich aan een leven van prostitutie overgeeft.

De Heer Craies deelt in zijn Rapport op 't Congres te Londen mede,
dat deze gewoonte wel lang heeft gegolden, maar de vervolgingen
zelden plaats hadden, daar de vereeniging van 2 of meer personen een
bestanddeel was van het delikt.

De boven geciteerde bepalingen van de wet van 1885 zijn zeer streng,
althans voor hem, die op 't standpunt staat van de bestrijding van
den meisjeshandel. Doch dit is dan ook niet het eenig doel der wet,
daar volgens het intitulé zij behalve eenige andere doeleinden
the Protection of Women and Girls beoogt. Ook van dit ruimer doel
uitgaande, is de wet te streng. De Engelsche wetgever had haar
kunnen tituleeren als de wet tot handhaving en bescherming der goede
zeden in de maatschappij. De bepalingen nemen natuurlijk over 't
algemeen in haar hoede de eerbaarheid etc. der individueele vrouwen
en meisjes en daardoor ook indirect de bescherming der goede zeden in
de maatschappij. Gevallen, waarbij geen sprake is van bescherming der
eerbaarheid eener vrouw, vallen evenwel ook onder de strafbepaling
van dit artikel en dit geeft mij aanleiding te zeggen, dat ik de wet
van 1885 te ruim gesteld vind en dat zij meer omvat dan het opschrift
der wet recht geeft te verwachten. De behandeling der verschillende
nos van art. 2 zal dit aantoonen.

De drie laatste nos van art. 2 die den meisjeshandel treffen geven
een vreemden indruk. Als men 3 bepalingen ziet, mag men toch wel
verwachten, dat ze alle drie verschillende handelingen treffen. 't Kan
dan natuurlijk wel eens voorkomen, dat er concursus idealis plaats
heeft, doch dit blijve buiten beschouwing. Hoe men dan ook deze 3
bepalingen beziet, er blijft slechts over tot de conclusie te komen
dat 't geven van deze 3 nos eene overbodige weelde is, die vooral in
een wet niet te pas komt.

Een placeur, die den binnenlandschen meisjeshandel drijft, valt onder
art. 2 2º. en 4º.; hij, die zich bezig houdt met den buitenlandschen
meisjeshandel wordt getroffen door art. 2 2º., 3º. en 4º.

't Is mij onbegrijpelijk, waaraan deze overvloed van bepalingen
toe te schrijven is, terwijl ze ieder afzonderlijk onnoodig zoo
ruim gesteld zijn, dat handelingen die straffeloos moesten blijven,
getroffen worden.

Afzonderlijke handelingen worden gestraft; zeer goed, doch daarbij ware
vereischt verzwaring van straf, indien die handelingen bedreven worden
als beroep en in geval van recidive en verder ontbreekt strafverzwaring
voor den zooveel zwaarderen vorm van den meisjeshandel nl. het lokken
naar den vreemde. De Engelsche wet geeft voor dit alles eene zelfde
strafbepaling en wel gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar met of
zonder dwangarbeid.

Art. 2 2º.

De poging tot het misdrijf wordt gelijkelijk gestraft als het misdrijf
zelf. Evenzoo bij 2 3º. Een bijkomend oogmerk om de vrouw aan de
prostitutie over te leveren wordt niet vereischt; in 2 2º. bij poging
moet toch een opzettelijk handelen voor dat doel bewezen worden. Het
misdrijf is voltooid, indien de vrouw of het meisje een prostituée
geworden is.

Moeilijk kan het bewijs zijn, indien het zich overgeven aan de
prostitutie in den vreemde plaats heeft, doch dan kan men wellicht
onder een volgend lid vallen, zonder dat bewezen zij, dat werkelijk
het zich prostitueeren hebbe plaats gehad, mits dan het oogmerk
bewezen zij.

Art. 2 2º. laat evenzeer als de beide volgende leden van het artikel
in het midden, welke middelen aangewend zijn.

Onverschillig is het voor dit misdrijf, of de vrouw nog onschuldig
is of niet.

Op welke wijze en waar het meisje zich aan de prostitutie overgeeft
is eveneens van geen belang. Het is zeer juist ingezien, daar toch
voor den meisjeshandel het lokken in een bordeel geen vereischte is.

Art. 2 3º.

Het misdrijf is voltooid, zoodra het meisje of de vrouw het koninkrijk
verlaat om gevolg te geven aan haar besluit, dat gevormd is op aandrang
van hem, die 't oogmerk heeft haar in het buitenland aan een ontuchtig
leven in een bordeel over te leveren.

Werkelijk een zeer strenge bepaling! Het ware karakter van
den meisjeshandel heeft men blijkbaar bij het maken der wet
niet genoeg in het oog gehouden. Wat maakt dien handel toch zoo
afkeurenswaardig? Dit is de omstandigheid dat de placeur het oogmerk
heeft zijn slachtoffer aan de prostitutie over te leveren doch haar
tevens dit oogmerk verzwijgt Van een dusdanig deliktsbestanddeel is
in deze 3 strafbepalingen geen spoor aan te treffen. Zelfs het eigen
initiatief, de eigen dringende wil der vrouw kan voor hem of haar, die
op dat verzoek bemiddeling biedt en hulp verschaft, de strafbaarheid
niet opheffen. Dit geldt zoowel voor lid 3 als voor lid 2 en 4.

Vervolgd wordt b.v. een heer, die in het belang van eene prostituée
te Londen, voor wier gezondheid de Londensche lucht nadeelig is,
haar behulpzaam is of haar overhaalt om in het gezondere Liverpool
haar leven voort te zetten. En dit zonder eenig winstbejag, slechts
met een zuiver altruistische bedoeling. Eveneens straft de wet hem of
haar, die eene prostituée op haar uitdrukkelijk verlangen eene plaats
bezorgt in een binnen- of buitenlandsch bordeel, 't Spreekt van zelf
dat dit te veel ingrijpt in de individueele vrijheid van doen en laten.

Art. 2 4o.

Deze bepaling vult voor een deel art. 2 2o. aan, in zooverre, dat
wanneer in een speciaal geval het misdadig oogmerk bewezen is, de
dader reeds strafbaar is, zoodra ten gevolge van zijn aandrang de
vrouw haar huidig verblijf verlaat.

't Andere gedeelte van dit voorschrift valt geheel onder art 23º. met
uitzondering van het geval, dat de vrouw volgens dit lid van 't artikel
(2 4º.) zich niet reeds in een bordeel mag bevinden. Dit is althans
mijn meening; of zou men zoo scherpzinnig mogen zijn om aan te nemen,
dat de strafbaarheid in art 2 3º. pas begint, op het oogenblik, dat zij
"leaves the United Kingdom" terwijl in art. 2 4º. de strafwet reeds
werkt, wanneer zij "leaves her usual of abode in the United Kingdom?"

't Is mogelijk. M. i. kunnen de woorden van art. 2 3º. "With intent
that she may become an inmate of a brothel elsewhere" niets anders
beteekenen dan die van art. 2 4º. "With intent that she may, for
the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel within
or without the Queen's dominions." Het woord "inmate" kan toch
slechts betrekking hebben op eene pensionnaire van een bordeel;
ik noem b. v. een dienstmeisje of werkster in een bordeel niet een
"inmate of a brothel."

Art. 2 ^4º. treft niet den bordeelhouder, die een meisje overhaalt in
zijn bordeel in dienst te gaan, terwijl hij den waren aard van het
huis verbergt. Ofschoon zij aldaar spoedig meegesleept zal worden
in het leven van ontucht, ontbreekt het vereischte, dat she may
"for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel";
indien evenwel de intentie bestond, zal deze in casu onbewijsbaar zijn.

Het eerste lid van art. 2 luidt:

Any person, who

1. Procures or attempts to procure any girl or woman under twenty
one years of age, not being a common prostitute, or of known immoral
character, to have unlawful carnal connexion either within or without
the Queen's dominions, with any other person or persons.

Dit lid van art. 2 treft de eenvoudige koppelarij.

Een zeer belangrijk en interessante bepaling uit de Criminal Law
Amendment Act 1885 is art. 8.

Gestraft wordt hij, die een vrouw of meisje tegen haar wil in een
bordeel houdt, of in een huis met 't oogmerk, dat zij "unlawfully"
vleeschelijke gemeenschap heeft met een man.

Verder wordt ieder vermoed zich aan deze "misdemeanour" schuldig te
maken, die met 't oogmerk de vrouw te dwingen in het bordeel of in
dat huis te blijven haar kleederen wegneemt.

Ook hij, die in 't geval, dat aan die vrouw kleederen geleend of
verschaft zijn door den bordeelhouder of anderen, haar dreigt met
een gerechtelijke vervolging, indien zij zich met de aldus geleende
of verschafte kleederen verwijdert.

Ten slotte bepaalt het artikel, dat noch ten civiele noch
ten crimineele vervolgd zal worden eene vrouw, die dergelijke
kleedingstukken weggenomen heeft of in wier bezit deze gevonden
zijn. Voorzoover zij althans noodig waren om haar in staat te stellen
het bordeel of een ander huis te verlaten.

Met betrekking tot bovengenoemde bepalingen bevat de Crim. L. Am. Act
1885 nog eenige processuëele voorschriften, waaronder het recht om
woningen binnen te treden en regelen van bewijs.

Daar de meeste uitleveringstractaten tusschen het Vereenigd Koninkrijk
en andere Staten dateeren van vóor 1885, zijn de strafbare feiten
uit de Crim. Law Am. Act. niet daarin opgenomen.

Het tractaat met Rusland uit 1886 bevat er enkele van. De
omstandigheid, dat niet alle Staten dergelijke bepalingen in hun
strafwetgevingen bezitten, sluit voorloopig de opname van den handel
in blanke slavinnen in de uitleveringstractaten met die landen
uit. (Rapport van den Heer Craies, Londensch Congres 1899.)

De Customs hebben volgens de vreemdelingenwet van 1836 de bevoegdheid
een lijst te vragen van alle vreemdelingen, die in de Engelsche
havens aankomen. Dit wordt gedaan ter wille van de statistiek, want de
Engelsche wet staat niet toe een vreemdeling het land uit te zetten,
hoe wenschelijk 't ook zij. Doch de bepaling kan ook dienstbaar
gemaakt worden om op 't spoor te geraken van invoer in Engeland met
ontuchtige oogmerken (id.)

Bij de behandeling der Nederlandsche bronnen vermeldde ik reeds, dat
de politie het publiek wel eens waarschuwt tegen de praktijken der
placeurs en dienstbureaux. De Engelsche politie laat dit integendeel
geheel over aan de philanthropische vereenigingen.

De Engelsche consuls in den vreemde bemoeien zich ook met de
bestrijding van den blanke slavinnenhandel doch slechts dan, wanneer
het Engelsche onderdanen geldt; het uitgangspunt voor hun bemoeiingen
is dus niet de bestrijding van den meisjeshandel, maar wel de zorg
voor behoeftige en verlaten landgenooten.



§ 2. DUITSCHLAND.

De rechtsorde in het Duitsche Rijk is vrij goed gewapend tegen hen,
die haar op de besproken wijze in gevaar trachten te brengen en
aantasten. Het Strafwetboek van 31 Mei 1870, oorspronkelijk voor den
Noord-Duitschen Bond bestemd, werd door de wet van 45 Mei 1871 het
Strafgesetzbuch für das Deutsche Reich. Het geheele strafwetboek
werd na eenige veranderingen den 26 Febr. 1876 nogmaals in het
Reichsgesetzblatt openbaar gemaakt.

De artikelen uit dit wetboek, die in verband met dit onderwerp
bijzondere aandacht verdienen, zijn de artikelen 180 en 181.

Zij luiden aldus:

Art. 180. "Wer gewohnheitsmässig oder aus Eigennutz durch seine
Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit
der Unzucht Vorschub leistet, wird wegen Kuppelei mit Gefängniss
bestraft; auch kann auf Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte, sowie
auf Zulässigkeit von Polizei-Aufsicht erkannt werden.

Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig
noch aus Eigennutz betrieben wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren
zu bestrafen, wenn:

1. um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe
angewendet worden sind, oder

2. der Schuldige zu den Personen, etc. etc.

Deze artikelen toonen bij den eersten oogopslag een aanmerkelijk
verschil met de meeste koppelarij-artikelen der moderne
strafwetgevingen. Zij gaan uit van een in bescherming nemen der
goede zeden, onverschillig van wien ook; de meeste strafwetten
toch beschouwen de koppelarij als een soort bescherming van
minderjarigen. Deze beperking is niet te vinden in de artt. 180 en 181,
voorzoover ik ze citeerde.

Olshausen distilleert uit deze beide artikelen het begrip
koppelarij. "Kuppelei betreibt derjenige welcher durch seine
Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit
der Unzucht Vorschub leistet." Er dient op gelet te worden, dit is
het begrip; en zoo enkelvoudig als het hier gesteld is, stelt de
wetgever het niet strafbaar.

Voor het Vergehen van art. 180 vordert de wet dat de Kuppelei
gewohnheitsmässig of aus Eigennutz geschiedt; voor het Verbrechen van
181 1o. dat "hinterlistige Kunstgriffe" aangewend zijn. In hoeverre er
sprake kan zijn van Vorschub leisten is quaestio facti. Doch dit moet
geschieden òf door Vermittelung van den dader òf door Verschaffung
von Gelegenheit.

"Durch Vermittelung wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich
der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Personen günstigere
Voraussetzungen geschaffen werden" (Olshausen ad art. 180).

"Durch Gewährung von Gelegenheit und durch Verschaffung von Gelegenheit
wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer
Ausübung in concreto erforderlichen Ortes günstigere Voraussetzungen
geschaffen werden (id.)"

En wat de dolus betreft, zoo besliste het Reichsgericht: "Der
Dolus der Kuppelei erfordert das Bewusstsein, dass durch die
geübte Vermittelungsthätigkeit oder Gelegenheitsmacherei Handelungen
befördert werden, welche objectiv sich als Unzucht darstellen. (RG. 10
Oct. 1882.)" Dolus eventualis is evenzeer voldoende.

Voor voltooiing van het misdrijf, bij art. 180 strafbaar gesteld,
is het niet noodig, dat werkelijk ontucht gepleegd zij.

Von Liszt (Lehrbuch pag. 395) zegt:

"Die Vollendung ist erst gegeben wenn durch Vermittelung
usw. thatsächlich günstigere Bedingungen geschaffen sind. Die
Verhandlungen des Bordellwirts mit den anzuwerbenden Mädchen erscheinen
mithin als Vorbereitungshandlungen zür Vermittlung, die Eröffnung
von Gelegenheit. Erfolgte Unzucht ist nicht erforderlich."

Het Duitsche Strafwetboek treft door art. 180 den bordeelhouder. Het
bestaan van bordeelen, al dan niet door de politie gereglementeerd,
is verboden. Sous-entendu moet dus ook de binnenlandsche meisjeshandel
onbestaanbaar zijn.

Doch gesteld het geval, dat er toch een bordeel in strijd met de wet
bestaat, en dat daarvoor meisjes door een placeur geleverd worden,
dan wordt wel de bordeelhouder gestraft, doch alleen voor het feit,
dat hij gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht. De misleider
der meisjes loopt vrij rond. Is 't soms mogelijk, dat ook ten opzichte
van hem met de artt. 180 en 181 gerechtigheid geschiede?

Wanneer placeur en bordeelhouder éen en dezelfde persoon zijn, is
toepassing van art 180 mogelijk.

In de andere gevallen is het de vraag of de placeur voor het begrip
"koppelarij" kan gezegd worden der ontucht Vorschub zu leisten durch
seine Vermittlung.

Na zijne hierboven geciteerde verklaring wat onder Vermittlung moet
verstaan worden, zegt Olshausen "Die Thätigkeit muss somit auf das
Zusammenbringen dieser Personen gerichtet sein, gleichgültig, ob
unmittelbar, wie bei der seitens eines Dienstmannes geschehenden
Zuführung eines Fremden zu einer öffentlichen Person, oder ob
mittelbar, wie bei der Anwerbung bezw. Ueberführung von Frauenspersonen
für ein Bordell."

't Is zoo, de werkzaamheid van den meisjeshandelaar is eene indirecte,
doch voor zijne strafbaarheid zou dan nog vereischt zijn het
gewohnheitsmässig handelen of het handelen aus Eigennutz. Dit punt
vindt echter zijne voor- en tegenstanders. In gelijken zin besliste
het Preusische Ober-Tribunal den 14 Nov. 1873: "de aanbieding van
een meisje om in het bordeel van een derde te gaan is voltooide
koppelarij."

Aan den anderen kant besliste het Reichsgericht dat het te vergeefs
aanbieden van meisjes ter opname in een bordeel is straffelooze
poging, (23 Sept. 1880) (id. Lübeck, 7 Mei 1870). Een arrest van het
Reichsgericht van den 15 Mei 1880 vorderde, dat voor de strafbaarheid
't aanbod aangenomen moest zijn. Onnoodig is dan werkelijke intrede
in het bordeel of nadere condities met den bordeelhouder. Voordat ik
in dezen strijd partij kies, wensch ik aan te geven, dat het zeer
waarschijnlijk is, dat bij de overreiking van het eerste ontwerp
van het strafwetboek op den 31 Juli 1869 aan den Rijkskanselier in
het ontwerpartikel der koppelarij aan geen strafbaarstelling van den
meisjeshandel gedacht is.

Zal dus de blanke slavinnenhandelaar onder het bereik van art. 180
kunnen vallen, dan moet zijn daad allereerst het begrip koppelarij
voldoen. "Kuppelei betreibt derjenige, welcher durch Gewährung oder
Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet."

't Is waar, deze definitie spreekt niet van een directe of indirecte
bemiddeling; ze laat dit geheel in 't midden. 't Behoeft geen betoog,
dat het artikel zeer zeker aan de behoefte voldoet indien iedere
indirecte bemiddeling daaronder valt. Doch tot hoever moet men
dan hiermede gaan? Toepassing van den dolus eventualis aangenomen,
zou het art. de individueele vrijheid gevaarlijk beperken en veelal
juist die personen in bescherming nemen die door hun zorgeloosheid
de bescherming der strafwet niet verdienen.

Doch dit laatste kan geen afdoend argument zijn om de indirecte
bemiddeling uit te sluiten. Mijns inziens kan echter indirecte
Vermittelung niet voldoen aan de etymologische beteekenis van het
woord koppelen. Dit is tot een koppel binden; duidelijk is het, dat de
placeur dit niet doet, wel werkt hij er toe mede. Nu zou de strafwet
wel een ruimere beteekenis kunnen hechten aan dat begrip, doch dan
ware eerste vereischte, dat zij dit ook bepaaldelijk uitdrukte. En
dit geschiedt nergens. Historisch zou dit begrip koppelarij, zonder
uitdrukkelijke uitbreiding, niet voldoen aan het begrip lenocinium,
dat men in de koppelarij-artikelen steeds heeft willen neerleggen. Er
wordt dus mijns inziens aan dit artikel een uitbreiding gegeven, die
om verschillende redenen ongeoorloofd is. Het gevolg van deze engere
interpretatie zouden dus zijn de gewone bezwaren verbonden aan de
koppelarij-artikelen, die niet bestemd zijn voor de bestraffing der
placeurs e. a., doch door wier toepassing men hen toch wil treffen. We
moeten hen dan straffen als Beihülfen van hen, die strafbaar zijn
wegens art. 180. We ondervinden de gewone moeilijkheden verbonden aan
den accessoiren aard der medeplichtigheid, en we zullen gewaar worden,
dat die gevaarlijke individuen door de mazen der strafwet heensluipen.

Ik kan mij dus zeer wel begrijpen eene interpretatie, waartegen de
bewoordingen van art. 180 zich niet rechtstreeks verzetten, en welke
aan de behoefte voldoet.

De meeste criminalisten interpreteeren het artikel dan ook aldus;
von Liszt, Olshausen, Oppenhoff e. a.

Wanneer dan het begrip koppelarij in dien ruimen zin uitgelegd wordt,
bestaat in art. 181 1o. een geducht wapen tegen den binnenlandschen
meisjeshandel.

Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig
noch aus Eigennutz betrieben wird, mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren
zu bestrafen, wenn:

1. Um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe
angewendet worden sind.

Dit artikel vordert 1. dat de ontucht bevorderd is; 2. dat dit geschied
is door aanwending van "hinterlistige Kunstgriffe."

De "hinterlistige Kunstgriffe" zijn het juist die bij den meisjeshandel
zoo'n grooten rol spelen.

"Unter Kunstgriffen sind Handlungen ähnlicher Art zu verstehen, wie
sie von Taschenkünstlern angewendet werden, d.h. geschickt angewendete
auf Täuschung berechnete Massnahmen."

"Hinterlist ist--nach Grimm's Wörterbuch--Kunst hinter Jemandes Rücken
zu dessen Schaden angewendet, verstäckte Arglist. Zu der Arglist tritt
also noch das Moment hinzu, das die Thätigkeit eine versteckte ist,
so dass der andere Theil die List womöglich erst dann erkennt, wenn
ihr Zweck erreicht oder wenigstens gesichert ist."

"Dass die hinterlistigen Kunstgriffen eine Täuschung hervorgebracht
haben ist nicht erforderlich."

Aldus Olshausen ad art. 1811º.

Oppenhoff ad art. 181 geeft de volgende verklaring van hinterlistige
Kunstgriffen:

"Unter "hinterlistigen Kunstgriffen" sind alle listigen Vorkehrungen zu
verstehen, durch welche Jemand geneigt gemacht wird an Orte zu kommen,
wo Unzucht getrieben werden soll, oder sich Anderen zu Unzucht Preis
zu geben, z.B. Verlockungen an einsame Orte, Vorspiegelung glänzender
Zukunft, Missbrauch angesehener Namen, Beibringung aufregender
Getränke etc.

(Dresden. 17 Sept. '77.)

Von Liszt (Lehrbuch § 108 III 2) zegt: "also die Erregung oder
Unterhaltung eines Irrtums durch Vorspiegelung falscher, Unterdrückung
oder Entstellung wahrer Thatsachen, z.B. Versetzung in Trunkenheit,
Verlockung unter den Vorwand, der Frauensperson eine Anstellung oder
einen Dienstplatz zu verschaffen. Mit der Vorschubleistung (meist
mit dem Kunstgriff) vollendet."

Zeer helder stelt von Liszt ons deze feiten voor oogen. Ze vormen
allen bestanddeelen van een daad van blanke slavinnenhandel.

Alle tusschenpersonen, die achtereenvolgens werkzaam zijn om het
plan ten uitvoer te brengen, dat voltooid is door de overreiking
van levende koopwaar door den laatste aan den bordeelhouder, zijn
evenzeer strafbaar. Zoowel hij, die het meisje overhaalde door
valsche voorspiegelingen en mooie woorden als degene, die haar van
dezen overneemt en of aan een derde overlevert, die voor 't verder
vervoer zorgt, of aan den bordeelhoudenden kooper, al zegt hij
geen woord, dat het meisje eenigszins op een dwaalspoor zou kunnen
brengen of houden. Juist dit zwijgen, waar spreken plicht was, moet
ook onder de hinterlistige Kunstgriffen gerangschikt worden. Doch
er moet dan bewezen zijn, dat de persoon in kwestie op de hoogte
was van de omstandigheden, zoodat zijn opzet daaruit blijkt (ook
dolus eventualis). Dat kan b.v. geschieden als gebleken is, dat hij
met zijn voorganger een afspraak had etc. etc. Er mag geen twijfel
bestaan, dat hij te goeder trouw zou gemeend hebben, dat het meisje
van alle omstandigheden op de hoogte was, waarmede hij zijn zwijgen
zou kunnen rechtvaardigen.

De "hinterlistige Kunstgriffe" van art. 1811º. zijn voor het strafbaar
feit strafbepalend; ze zijn ten opzichte van het strafbaar feit van
art. 180 niet strafverzwarend. Hierop te wijzen is in zooverre ook
van groot belang dat een bordeelhouder, die zijn eigen pensionnaires
recruteert, niet zal vallen alleen onder het zwaarder gestraft wordend
feit van art. 1801o., maar zal vervolgd worden èn wegens art. 180 èn
wegens art. 1811o.: concursus realis heeft plaats.

Voor voltooiing is het geen vereischte, dat er ontucht gepleegd zij;
zooals von Liszt zegt: "Mit der Vorschubleistung, meist mit dem
Kunstgriff vollendet." Het misdrijf van den meisjeshandelaar bepaalt
zich dan ook tot de aanwending der bedriegelijke middelen. Uit het
opzet om door deze de ontucht te bevorderen blijkt voldoende het
bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren; de
verzwijging van dit oogmerk moet hier onder de "listige Kunstgriffen"
begrepen worden. Art. 1811o. vordert deze beide vereischten niet
uitdrukkelijk als bestanddeelen van het strafbaar feit.

Dit heeft ten gevolge, dat de "hinterlistige Kunstgriffe" ook in
anderen zin aangewend kunnen zijn, zoodat het feit geheel valt buiten
den kring van den eigenlijken blanke slavinnenhandel: b. v. misleiding
ten opzichte van het loon etc, waardoor eene prostituée zich laat
overhalen pensionnaire van een bordeel te worden.

Het is duidelijk, dat ook de buitenlandsche handel, bestaande in den
export van vrouwen door dit artikel getroffen wordt, in zooverre
deze althans in het land zelf plaats grijpt. Buiten 't bereik van
art. 1801o. valt hij, die met de aanwending der bedriegelijke middelen
pas aan de overzijde der grens begint.

Natuurlijk vordert de levering van het bewijsmateriaal groote
moeielijkheden; nl. in hoeverre werkelijk die kunstgrepen gebezigd
zijn om de ontucht te bevorderen; daar de rechter ten opzichte van
het feit, dat in den vreemde werkelijk de vrouw aan een ontuchtig
leven zou overgeleverd zijn, in de meeste gevallen een non liquet
zal moeten uitspreken, zal de beklaagde in die gevallen vrijgesproken
moeten worden.



Het Duitsche Strafwetboek bevat onder no. 6 van art. 361 de volgende
bepaling:

Mit Haft wird gestraft:

6. eine Weibsperson, welche ohne solchen (i. e. polizeilichen)
Aufsicht unterstellt zu sein, gewerbsmässig Unzucht treibt.

't Is mogelijk, dat deze bepaling ten opzichte van de misleide
meisjes beschermend zou kunnen werken, doch mijns inziens zal zij in de
praktijk weinig uitrichten, daar zij wel met succes ontdoken zal worden
in die gevallen, in welke misbruiken aan 't licht zouden kunnen komen.

Nadat reeds meer dan eens in den Duitschen Rijksdag door
afgevaardigden het bestaan van den meisjeshandel was ter sprake
gebracht, (o. a. door den Heer A. Bebel naar aanleiding van de
door Nederland met Oostenrijk-Hongarije en te voren met België
uitgewisselde verklaringen) werd bij de 2de lezing van het ontwerp-wet
"Ueber das Auswanderungswesen" op voorstel van de afgevaardigden
Graaf von Kanitz-Podangen en Aug. Bebel een artikel 48 in die wet
gevoegd. (Zitting van 6 Mei 1897). Dit artikel met de eindredactie
volgens amendement van de afgevaardigden Dr. Bachem en Dr. von Buchka
bij de 3de lezing werd den 8 Mei 1897 met groote meerderheid door
den Rijksdag aangenomen. Het luidt als volgt.

Art. 48 van Das Reichsgesetz über das Auswanderungswesen vom 9
Juni 1807:

"Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke, sie der gewerbsmässigen
Unzucht zuzuführen, mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes
zur Auswanderung verleitet wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren
bestraft. Neben der Zuchthausstrafe ist der Verlust der bürgerlichen
Ehrenrechte auszusprechen; auch kann zugleich auf Geldstrafe von
einhundertfünfzig bis zu sechstauzend Mark sowie auf Zulässigkeit
von Polizei-aufsicht erkannt werden.

"Dieselben Strafvorschriften finden auf Denjenigen Anwendung, welcher
mit Kenntniss des vom Thäter in solcher Weise vervolgten Zweckes
die Auswanderung der Frauensperson vorsätzlich befördert; sind
mildernde Umstände vorhanden, so tritt Gefängnisstrafe nicht unter
drei Monaten ein, neben welcher auf Geldstrafe von einhundertfünfzig
bis zu sechstausend Mark erkannt werden kann."

Eenige verbazing een dergelijk artikel in deze wet te vinden
is voorzeker niet ongemotiveerd. Het is het laatste artikel van
Hoofdstuk VIII, dat de "Strafbestimmungen" inhoudt ter sanctioneering
en als waarborg voor de nakoming van de verplichtingen in deze
wet opgelegd. 't Zijn dus uitsluitend sancties van bepalingen van
administratief-rechterlijk karakter en inzooverre gaat art. 48 de
perken dezer wet te buiten; deze bepaling behoord onder de "eigenlijke
strafwetten" gerangschikt te worden. Deze wet vordert een verlof voor
de oprichting van emigratiekantoren en voor de medewerking als agent
daaraan. Zij beoogt een waarborg, dat zij, die emigreeren willen,
niet aan de genade worden overgeleverd der emigratiebureaux, b.v. door
't voorschrift dat altijd een schriftelijk contract vereischt is.

Hiernaast mag genoemd worden art. 144 van het Strafwetboek, dat
aldus luidt:

Art. 144. Wer es sich zum Geschäfte macht Deutsche unter Vorspiegelung
falscher Thatsachen oder wissentlich mit unbegründeten Angaben oder
durch andere auf Täuschung berechnete Mittel zur Auswanderung zu
verleiten, wird mit Gefängniss von einem Monat bis zu zwei Jahren
bestraft."

Dit artikel kan, wanneer de omstandigheden van dien aard zijn, den
internationale meisjeshandelaar treffen, doch niet voor een op zich
zelf staande daad; de straf is onbeduidend vergeleken bij die van
art. 48.

Een op deugdelijke grondslagen berustende wet op emigratiekantoren
en emigratieagenten moet zonder twijfel bij uitstek gunstig werken en
veel kwade praktijken en misbruiken tegenover de emigreerenden en in
't algemeen tegenover de bevolking, die door hen tot emigreeren wordt
overgehaald, tegengaan.

In ieder geval is een artikel als § 48 gerechtvaardigd; het
combineert 2 vergrijpen: een tegen de zeden en een tegen de plichten
van het emigratiebureau of van den agent. Daarom is de zwaardere
strafbepaling ook volkomen gewettigd; zwaarder zoowel vergeleken bij de
koppelarij-artikelen als vergeleken bij de artikelen die verwaarloozing
der verplichtingen der emigratiekantoren e.a. moeten verhoeden.

Art. 48 eerste lid vordert:

1. De verleiding van een vrouw om naar den vreemde te gaan.

2. Een bijkomend oogmerk om haar aan een leven van prostitutie over
te leveren.

3. Opzettelijke verzwijging (arglistige Verschweigung) van dit oogmerk.

't Kan niet ontkend worden, dat de Duitsche wetgever bij uitstek
geslaagd is in de opsomming van de elementen, die eigen zijn aan de
handelingen der meisjeshandelaars. We telden dan ook reeds 1897 bij
de totstandkoming van dit artikel; vele jaren lang waren Regeering
en overheid reeds van particuliere zijde in kennis gesteld met den
waren aard van deze wandaden en met de omstandigheden, waaronder ze
gepleegd worden.

Onverschillig is het voor dit Verbrechen of de vrouw onschuldig,
eerbaar was of niet. Zelfs de prostituée wordt in bescherming genomen;
zonder twijfel zal in casu deze omstandigheid op de strafmate van
invloed zijn.

De vrouw, onverschillig, van welken leeftijd zij moge zijn, moet--wil
het delict voltooid zijn--verleid zijn naar den vreemde te gaan; door
de handelingen van den dader moet zij het plan hebben opgevat het
land uit te gaan. Dat dit in werkelijkheid geschied zij, wordt voor
dit misdrijf niet vereischt. De dader kan op alle mogelijke wijzen
haar tot dit plan brengen; de wet bindt niet door het vereischte
van bepaalde middelen (c. f. art. 144 Duitsche Strafwetboek). Het
zal evenwel steeds een middel moeten zijn dat er op berekend is de
ware feiten te verbergen. Dit ligt in de woorden "arglistiger" en
"verleiten". Heeft de vrouw nog niet het plan opgevat het land te
verlaten als gevolg van het streven van den dader, dan kan slechts
sprake zijn van strafbare poging, mits de overige vereischten voor
dezen deliktsvorm aanwezig zijn.

Bewezen moet worden het bijkomend oogmerk, dat het doel bestond de
vrouw aan een leven van prostitutie over te leveren. Dit oogmerk is
vereischt zoowel voor het voltooide delikt als voor de poging en het
behoeft in geen van beide gevallen bereikt te wezen. Zeer terecht
is het zoo algemeen mogelijk uitgedrukt: de overlevering aan de
prostitutie en is 't dus onverschillig of de ontucht in een bordeel
of daarbuiten bedreven zou worden. Doch het blijft vereischte dat de
ontucht "gewerbsmässig" bedreven zou zijn.

Ten slotte moet dit oogmerk arglistig verzwegen zijn. "Mittelst
arglistiger Verschweigung dieses Zweckes", zegt de tekst. Dus een
zwijgen is voldoende, het moet opzettelijk geschieden om tot het doel
nader te komen, zonder het zwijgen moet de vrouw er niet toe komen het
voornemen op te vatten het land te verlaten. Positieve handelingen
om het oogmerk te verbergen, alhoewel mogelijk, zijn onnoodig. Deze
handelingen zullen eventueel misleidende, bedriegende zijn.

Meende de dader,--hoewel ten onrechte--dat het de eigen wil der
vrouw is zich in het buitenland aan de ontucht over te leveren,
dan mist het delict een zijner elementen: er bestaat geen opzet, de
"arglistige Verschweigung" ontbreekt.

Het 2de lid van art. 48 bevat een begunstiging na het plegen van het
delict. De hulpverleening vóor of bij het plegen van het strafbare
feit wordt naar de gewone regelen berecht en gestraft.

Dit 2de lid treft hem, die anders niet gestraft zou kunnen worden noch
als dader noch als medeplichtige van het misdrijf van art. 48 eerste
lid, omdat voor beide gevallen eenige delictsbestanddeelen gemist
worden en voor het laatste de juridische vereischten ontbreken. Hij
toch die de vrouw van den vader overneemt om haar verder naar de
plaats van bestemming geheel of gedeeltelijk te brengen, kan niet
gezegd worden dat hij haar "zur Auswanderung verleitet."

Bestanddeelen van het delict van art. 48 2de lid zijn:

1. Bekendheid met het door den dader beoogde doel, zooals dit arglistig
verzwegen is.

2. Het opzettelijk bevorderen, dat de vrouw het land verlaat.

Het moet eene opzettelijke handeling zijn; dolus eventualis is
voldoende.

Het delict heeft dus plaats, nadat "die Verleitung zur Auswanderung"
reeds geschied is.

De afgevaardigde Bachem stelde in den Rijksdag als voorbeeld den
emigratieagent, die om de provisie te verdienen, den meisjeshandelaar
en het meisje de passagekaarten voor de boot verkoopt, terwijl hij
bekend is met de bestaande verhoudingen.

Zoowel op het delikt van het eerste als op dat van het tweede lid staat
als straf gesteld: tuchthuisstraf van hoogstens 5 jaren. Daarnevens
kan facultatief uitgesproken worden verlies "der bürgerlichen
Ehrenrechte", geldboete van 150 tot 600 Mark en het stellen onder
politietoezicht. Evenwel laat art. 48 2e lid toe voor dat delikt
uit te spreken gevangenisstraf van minstens drie maanden waarnevens
facultatief geldboete van 150 tot 6000 mark, indien er verzachtende
omstandigheden aanwezig zijn. Wat onder die verzachtende omstandigheden
te verstaan is, zoo blijkt uit de beraadslagingen, dat men daaronder
ook den dolus eventualis begreep. Voorzeker nog al vreemd.

Dienstig om in 't algemeen den meisjeshandel te onderdrukken en om in
bijzondere gevallen de justitie en politie op 't spoor te doen komen
van gevallen van dezen aard is § 70 no. 10 van het besluit van den
Bondsraad, betreffende de uitrusting van vaartuigen, waarop zich vooral
emigreerende personen bevinden. Het artikel schrijft den schipper
voor om voor het geval zich aan boord vrouwen bevinden, die vermoed
worden slachtoffers van een placeur te zijn, den Duitschen Consul
van de plaats, waar zij debarqueeren, zoo spoedig mogelijk namen,
nationaliteit en doel der reis van deze vrouwen en hare begeleiders
mede te deelen.

Doch ook buitendien is den diplomatieke vertegenwoordigers van den
consulaten strenge waakzaamheid opgedragen ten opzichte van den
internationalen meisjeshandel.

Wij zien, dat Duitschland een open oog heeft voor die belangen, die
in deze kwestie op het spel staan. Ook reeds vóór het tot stand komen
van deze wet van '97 heeft het getracht in den nood te voorzien. We
maakten reeds kennis met de verklaring, die den 15 Nov. 1889 tusschen
het Duitsche Rijk en Nederland is uitgewisseld (wet 15 April 1891
Stsbl. 85).

Een gelijksoortige verklaring wisselde Duitschland den 4
Sept. 1890 met België uit. "Déclaration conclue à Berlin entre la
Belgique et l'Allemagne concernant le repatriement de certaines
prostituées". Approuvée par la loi du 27 Juillet 1891.--Echange
ratifié, Berlin 25 Juillet 1891. Le procès-verbal de cet echange
constate qu'il a été convenu alors de réserver à chacune des parties
contractantes "la faculté de faire cesser, à l'expiration de six mois,
après en avoir donné avis, les effets de la déclaration". (Conférence
internationale pour la prophylaxie de la syphilis et des maladies
vénériennes, Bruxelles Septembre 1899. Notice de M. Emile Beco,
Belgique.)

De 7 artikelen van deze verklaring luiden:

Art. 1. Les parties contractantes s'engagent à concourir dans les
limites légales à ce que les femmes et les filles appartenant à l'un
des deux pays, et qui se livrent dans l'autre à la prostitution,
soient soumises à un interrogatoire, afin de constater d'où elles
viennent et qui les a déterminés à quitter leur pays.

Le procès-verbaux dressés à ce sujet seront communiqués aux autorités
du pays auquel les dites femmes et filles appartiennent.

Art. 2. Les parties contractantes s'engagent aussi à concourir autant
que possible, dans les limites légales à ce que celles de ces femmes
et filles, qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer à la
prostitution, soient sur leur demande ou sur la demande des personnes
ayant autorité sur elles, renvoyées du pays où elles se trouvent et
conduites à la frontière de leur pays natal.

Art. 3. Les parties contractantes s'engagent en outre, à prêter leur
concours, autant que possible, dans les limites légales, pour que les
filles, encore mineures selon les lois de leur pays, qui se livrent
de leur progre gré à la prostitution dans l'autre pays, soient sur la
demande de leurs parents ou tuteurs renvoyées dans leur pays d'origine.

Art. 4. Avant d'effectuer le renvoi d'une des personnes mentionnées
dans les articles 2 et 3, l'administration qui en est chargée
adressera, par l'intermédiaire des autorités du pays, auquel la
personne en question appartient, un avis aux personnes, qui ont
autorité sur celle-ci, indiquant la date, à laquelle le renvoi aura
lieu et la localité à laquelle la femme ou fille sera dirigée.

Art. 5. La correspondance entre les autorités des deux pays relative
à ce renvoi, se fera autant que possible par voie directe.

Art. 6. Dans le cas, ou les frais occasionnés par l'entretien et le
renvoi jusqu'à la frontière de ces femmes et filles ne pourront être
remboursés par les femmes et filles elles-mêmes ou par leurs maris,
parents ou tuteurs, ou ne devront pas l'être par les ténanciers,
ils restent à la charge de l'Etat, qui a effectué le renvoi.

Art. 7. La présente déclaration sera ratifiée et les ratifications
en seront échangées à Berlin.



Deze verklaring met België uitgewisseld is geheel gelijkluidend met
die, welke Duitschland kort te voren met Nederland uitwisselde. De op-
of aanmerkingen, die ik mij dus bij de behandeling van deze laatste
verklaring veroorloofde, zijn ook hier van kracht, voor zoover het
verschil in wetgeving dit niet uitsluit. Er is slechts eene verandering
te constateeren in art. 6 van de verklaring tusschen Duitschland en
België. 't Is de invoeging van de woorden "ou ne devront pas pas l'être
par les ténanciers", die in onze verklaring ontbreken. Ze stellen
evenwel niets nieuws. 't Is toch duidelijk, wanneer de bordeelhouders
zich verplicht hadden de kosten der terugreis te restitueeren,
(dit is mogelijk om het meisje of de vrouw eerder over te kunnen
halen haar land te verlaten en haar meer vertrouwen in te boezemen,
alhoewel de bordeelhouder in den aanvang natuurlijk toch voornemens
was zich niet aan deze verplichting te houden) dat deze ook rechtens
gevorderd kunnen worden. De Staat schiet de gelden voor. Wellicht
stelt dit artikel een recht van den Staat daar om rechtstreeks den
bordeelhouder voor de kosten der terugreis aan te spreken, die deze
aan het misleide meisje schuldig was.

Bij 't slot mijner beschouwingen van het Duitsche recht in verband
met den blanke slavinnenhandel worde nog gememoreerd, dat voor
de uitleveringstractaten het bestaan van strafbepalingen tegen den
meisjeshandel van zeer gering belang is, daar in dergelijke tractaten
steeds een principe van reciprociteit op den voorgrond staat, en de
meeste strafwetgevingen in de behoefte aan dusdanige bepalingen nog
niet hebben voorzien.

Zoo spreekt het uitleveringstractaat tusschen Duitschland en Nederland
van 2 Nov. 1897, Staatsblad 211 onder no. 8 van art. 1 wel zeer
algemeen van "koppelarij" doch in alinea 1 van het artikel wordt
bepaald dat slechts dan uitlevering voor de na te melden strafbare
feiten plaats heeft, indien het gepleegde feit ook strafbaar is in
het land, van hetwelk de uitlevering gevraagd wordt.



§ 3. BELGIË.

Sedert 1867 geldt de in 1810 in België ingevoerde Fransche Code Pénal
na vele wijzigingen en aanvullingen in een werkelijk voor 't land en
den tijd meer passenden vorm.

Het Fransche artikel 334 Code Pénal, dat de koppelarij strafbaar
stelt, is na eene wijziging door de Belgische wet van 1846 het nu
aldus geredigeerde art. 379 van den Code Pénal Belge:

Art. 379. Quiconque aura attenté aux moeurs en excitant, facilitant
ou favorisant habituellement pour satisfaire les passions d'autrui,
la débauche ou la corruption des mineurs de l'un ou de l'autre sexe
sera puni d'un emprisonnement de trois mois à deux ans, si les mineurs
sont agés de plus de quatorze ans accomplis et de deux ans à cinq
ans d'emprisonnement, si les mineurs n'ont pas atteint cet âge.

Na dit artikel volgt art. 380, dat van dezen inhoud is:

Art. 380. Le fait énoncé à l'article précédent sera puni de la
réclusion, s'il a été commis envers un enfant, qui n'avait pas accompli
sa onzième année. La tentative de ce crime ne sera pas punissable.

't Ligt ook hier niet op mijn weg een grondige behandeling van dit
artikel in alle opzichten te geven, doch slechts in zooverre als dit
voor den blanke slavinnenhandel van belang is.

Ook deze artikelen straffen slecht het proxénétisme, zoodat uit den
aard der zaak in generali de meisjeshandelaar, die toch slechts zijne
medewerking daartoe verleent, niet als hoofddader kan gestraft worden.

Na een historisch opzet komt Nypels in zijn "Code Pénal Belge
interprété" tot deze conclusie: "C'est donc le proxénétisme seul,
que punit notre Code."

De bestanddeelen van het Belgische strafbare feit, dat de koppelarij
treft, zijn de volgende:

1. Het "exciter, faciliter ou favoriser la débauche d'autrui".

2. Er moet bewezen worden, dat het "habituellement" geschiedt.

3. Het moet geschieden "pour satisfaire les passions d'autrui".

4. Teweeggebracht of bevorderd moet zijn de ontucht van minderjarigen.

Het is een délit collectif of délit d'habitude; enkele daden van
proxénétisme vallen buiten 't bereik der strafwet. Nypels vraagt in
zijn werk: "Combien de faits faut-il pour constituer l'habitude?"

Zijn antwoord is "Une jurisprudence, qui parait bien établie,
exige qu'il en faut au moins trois" (Arr. Bruxelles 18 Avril 1856;
Pasicr. 1856, II, 215).

Het derde bestanddeel is ingevoegd door de wet van 15 Juni
1846. (Vóordien bestond in België omtrent de kwestie of de bevordering
van ontucht voor eigen passie ook strafbaar was even grooten strijd
als in Frankrijk en ten onzent onder vigueur van den C.P.)

Wat den leeftijd aangaat onderscheidt de wet tusschen minderjarigen
boven de 14 jaar, beneden de 14 en boven de 11 en ten slotte beneden
de 11 jaar.

M.i. behoeft de dader niet geweten te hebben, dat de leeftijd van
den minderjarige juist boven de 14 òf tusschen de 14 en 11 òf onder
de 11 jaar was.

Voldoende is, als hij wist met een minderjarige te doen te hebben,
dolus eventualis in dit opzet begrepen. Volgens Servais (Code Pénal
belge interprété par Nypels) behoeft het Openbaar Ministerie niet
het bewijs te leveren dat de beschuldigde den leeftijd van zijn
slachtoffer kende. Zooals uit hetgeen ik zooeven zeide, blijkt,
kan ik mij hiermede niet vereenigen. Bewezen moet worden, dat de
beklaagde wist met een minderjarige te doen te hebben (c.q. is dolus
ev. voldoende). Hieruit volgt zijn wil het strafbare feit te plegen;
de lagere leeftijden, die de artt. 379 en 380 stellen, zijn als
objectief verzwarende omstandigheden aan te merken. Wanneer evenwel
de dolus ten opzichte der minderjarigheid vaststaat, is het bestaan
der objectief verzwarende omstandigheden niet zoo hard voor den dader,
als het wel schijnt. In de meeste gevallen toch zal ook ten opzichte
van deze feiten een dolus eventualis aan te nemen zijn.

Onder vigueur van de oude Codebepaling art. 334 heeft de rechtbank
te Luik een vonnis gewezen in zake een geval van meisjeshandel. Hare
beslissing was aldus: "Celui, qui détermine une mineure à se placer
comme servante dans une maison, avec l'assurance qu'elle entrerait
dans une maison honnête est coupable de complicité du délit prévu
par l'article 334 du Code pénal (379 du C. p. de 1897), s'il a su
qu'au lieu d'y être reçu en qualité de domestique cette mineure
serait livrée habituellement à la prostitution, qui s'est réellement
consommée. (Liège, 14 dec. 1844. Pas. 1845 II 165).

Ware dit feit berecht onder den herzienen Code van 1867 dan had de
uitspraak naar gelang der omstandigheden anders kunnen zijn. Dit is
toe te schrijven aan de wijze waarop de leer der hulpverleening in
het Belgische recht thans is geregeld.

Ik heb 't oog op art. 66 2o en 67 3o van den C. P. B. Ze luiden aldus:

Art. 66 2o. (Seront punis comme auteurs d'un crime ou d'un délit:)

Ceux, qui par un fait quelconque, auront prêté pour l'exécution une
aide telle que sans leur assistance, le crime ou le délit n'eût pu
être commis.

Art. 67 3o. (Seront punis comme complice d'un crime ou d'un délit:)

Ceux qui hors le cas prévu par le § 3 de l'article 66 (i. e. 66 2o)
auront avec connaissance aidé ou assisté l'auteur ou les auteurs
du crime ou du délit dans les faits qui l'ont préparé ou facilité,
ou dans ceux, qui l'ont consommé.

Ten opzichte van den Franschen Code van 1810 is hier het begrip
auteur uitgebreider, het begrip complice meer begrensd. De
deelneming "par aide et assistance" kan zich natuurlijk op velerlei
wijze openbaren. Nypels zegt in zijn commentaar daaromtrent: "La
participation par aide et assistance sera suivant les circonstances
ou un acte de participation principale (d'auteur) ou un acte de
participation accessoire (de complice). Si l'aide a été telle qu'à son
défaut le crime ou le délit n'eût pu étre commis le participant sera
puni comme coauteur (66 : 2o). Si l'aide a été simplement accessoire,
c'est à dire si elle n'a fait que faciliter l'exécution du crime le
participant sera puni comme complice". (67 3o).

Het is een feitelijke kwestie, door den rechter in ieder geval
afzonderlijk te beslissen, of hij, die op de een of andere wijze
behulpzaam is geweest, als coauteur of als complice bestraft moet
worden; voor het strafminimum natuurlijk van belang, daar de Belgische
complice niet als de Fransche gestraft wordt als de dader (behoudens
eenige uitzonderingen).

De blanke slavinnenhandelaar kan dus volgens het Belgische recht
naar gelang van de omstandigheden hetzij als dader van hetzij als
medeplichtige aan 't misdrijf van 379 en 380 C. P. B. gestraft worden,
mits de overige vereischten door deze artt. gevorderd, aanwezig
zijn. [15]

Dit stelsel van den C. P. B. biedt in zooverre groote voordeelen, dat
de strafwet ook den meisjeshandelaar treft, die werkzaam geweest is,
vóórdat de dader van het misdrijf van art. 379 of 380 eenig opzet
had het strafbare feit te plegen. Inderdaad van groot belang; eene
beslissing met ons Nederlandsche recht, naar mijne bescheiden meening,
onvereenigbaar.

Nypels geeft in zijn commentaar als voorbeelden op: "Coauteurs par
aide ou assistance avant l'exécution: le domestique, qui ouvre aux
voleurs la porte de la maison, qu'ils veulent dévaliser; celui qui
attire la victime dans la maison, où elle doit être assassinée etc."

In deze gevallen en in een geval van meisjeshandel, waarbij de
placeur valt onder art. 66 2o is er sprake van een "participation
indispensable". Men moet dit evenwel niet opvatten als een absolute
onmisbaarheid: het misleide meisje kon ook door een ander verlokt
worden; doch de Belgische geleerde zegt, dat de onmogelijkheid dat
anders het misdrijf zou gepleegd zijn, slechts relatief moet opgevat
worden. Een anderen zin aan 't artikel te hechten zou leiden tot eene
volkomen onbruikbaarheid van het artikel (66 2o.)

Er moet evenwel niet vergeten worden, dat we hier te doen hebben met
een geval van "participation", al wordt de schuldige ook als coauteur
gestraft. Kwam het dus niet tot het strafbare feit van art. 379 of
art. 380, strafbare poging inbegrepen, de meisjeshandelaar blijft
straffeloos, al had hij ook alles gedaan, wat voor zijn werkzaamheid
noodig was.

Voor ik van deze bespreking afstap wil ik nog een enkel woord wijden
aan het habituellement exciter etc. In 't rapport van den Heer de
Leval op 't Londensche Congres van Juni 1899 vind ik vermeld één
uitspraak van den Belgischen rechter, volgens welke hij die eene
minderjarige aan een bordeelhouder aflevert schuldig zou zijn aan
het feit in art. 379 (jo 66 2o. C. P. B.) omschreven. De wetenschap,
dat een meisje in een publiek huis zich dagelijks aan de prostitutie
overgeeft stelt de voorwaarde van de gewoonte daar. 't Is waar: de
meisjeshandelaar stelt den bordeelhouder in staat het misdrijf van
art. 379 of 380 te plegen. De redactie der artt. 662o. en 673o. zou
ook een argument kunnen wezen. Eene rationeele opvatting en uitlegging
verzetten zich m. i. evenwel tegen de meening als zou de deelnemer
reeds dan strafbaar zijn. Welk een onzekere rechtstoestand zou hierdoor
geschapen worden. Van den dader, een bordeelhouder of ander, zou het
afhangen of de meisjeshandelaar vervolgd moet worden of niet. Bevordert
hij de ontucht van het verkochte meisje éen keer of 2 keer, dan heeft
de placeur niets te vreezen; geschiedt 't nog eens dan is zijn daad
plotseling een feit geworden, waarop een zware straf staat. Welk
een rechtsonzekerheid! Gevorderd wordt niet eenvoudig een gewoonlijk
zich overgeven aan de ontucht, doch dit moet geschieden als gevolg
van een gewoonlijk doen of laten van den schuldige.

De bordeelen zijn niet verboden in België. Het toezicht is overgelaten
aan de plaatselijke overheid, die in hoogste instantie de sluiting
kan bevelen. Het rapport van den Heer de Leval (op 't Londensche
Congres in 1899) vermeldt, dat dit nog al eens plaats heeft.

Daar de politie de bevoegdheid heeft die huizen ieder oogenblik binnen
te treden kan zij in de gelegenheid zijn op 't spoor te komen van
vele ongerechtigheden.

Dit beweert althans bovengenoemde Belgische afgevaardigde op 't
Londensche Congres. Ik heb reeds meer dan eens elders er op gewezen,
dat dit in theorie zeer wel mogelijk is, doch dat de praktijk met
dergelijke theoretische uitingen meestal den spot drijft.

Eene ministeriëele circulaire (1891) heeft der Belgische politie de
aanschrijving gedaan alle vreemde vrouwen, die zich aan prostitutie
overgeven uit te zetten. Woordelijk heet het in de circulaire aldus:
"le fait de se livrer à la prostitution clandestine, quelle que soit
la profession prétendument exércée par les étrangères suffit pour
que leur renvoi soit ordonné." (zie Redev. van Bylandt 2e Kamer 5
Maart 1890). Nog valt te vermelden de Loi du 12 Février 1897 sur les
étrangers, waarvan art 1 luidt:

Art. 1er. "L'étranger résident en Belgique, qui par sa conduite,
compromet la tranquillité publique, ou celui qui est poursuivi ou qui a
été condamné à l'étranger pour les crimes au délits, qui donnent lieu
à l'extradition peut être contraint par le Gouvernement de s'éloigner
d'un certain lieu, d'habiter dans un lieu déterminé ou même de sortir
du royaume.

L'arrêté royal enjoignant à un étranger de sortir du royaume,
parce qu' il compromet la tranquillité publique sera délibéré en
conseil des Ministres." Volgens deze wet kunnen dus placeurs van
vreemde nationaliteit het land uitgezet worden op grond, dat zij
"la tranquillité publique" in gevaar brengen. Te betreuren is de
omslachtige weg, die het artikel aanwijst om tot de verwijdering te
geraken.--Volgens den Heer de Leval is het plichtsgevoel en de zucht
om den meisjeshandel te onderdrukken bij de politie zeer aangewakkerd
na de openbaarmaking van de schandalen van 1880. Een gelukkig
verschijnsel, want vóór 1880 was van beiden niets te bespeuren.--De
nationale wetgeving in België heeft dus nog geen afzonderlijke
bepalingen in het leven geroepen ter bestraffing van placeurs en
consorten. Wij hebben evenwel reeds gezien dat zij toch al een open
oog heeft gehad voor de belangen van de inlandsche meisjes in het
buitenland en van misleide meisjes uit den vreemde in België. Hiervan
getuigen de reeds behandelde verklaringen, die België met Nederland
en Duitschland respectievelijk den 18 Dec. 1886 en den 4 Sept. 1890
(goedgekeurd door de wet van 27 July 1891) uitgewisseld heeft.



§ 4. FRANKRIJK.

Wij hebben het artikel dat in den Franschen Code Pénal onze aandacht
vraagt reeds meer dan eens ontmoet. Art. 334 C. P. is toch de
grondslag geweest voor de bestraffing van de koppelarij in vele
andere strafwetgevingen.

Het luidt aldus:

Art. 334. Quiconque aura attenté aux moeurs en excitant favorisant ou
facilitant habituellement la débauche ou la corruption de la jeunesse
de l'un ou de l'autre sexe au dessous de l'âge de vingt et un ans sera
puni d'un emprisonnement de six mois à deux ans, et d'une amende de
cinquante francs à cinq cents francs.

Si la prostitution ou corruption a été excitée, favorisée ou facilitée
par leurs père, mère, tuteur ou autres personnes chargées de leur
surveillance, la peine sera de deux ans à cinq ans d'emprisonnement,
et de trois cents francs à mille francs d'amende.

Art. 335 geeft eenige nadere voorschriften voor de straf; ook
politietoezicht kan opgelegd worden.



Ad. Chauveau en Hélie Faustin geven in hun Théorie du Code Pénal een
historische ontwikkeling van de koppelarij, zooals deze nu in het
Fransche Code-artikel aan te treffen is. Het blijkt dat art. 334
C. P. beoogt te treffen hetzelfde feit, dat het Romeinsche Recht
als lenocinium strafbaar stelde; d. i. vooral het door (directe)
bemiddeling teweegbrengen van iemands ontucht. (Lenocinium facit,
qui quaestuaria mancipia habuerit; sed et qui in liberis hunc quaestum
exercet, in eadem causa est. L. 4 § 2 D. De his qui not. infam. III 2).

Dat er verder nog sprake is van favoriser en faciliter doet tot de
zaak niets af. Het exciter bedoelt de causa movens, het favoriser
en faciliter, het in de hand werken van het reeds bestaand voornemen
van een derde.

De blanke slavinnenhandelaar, wiens indirecte bemiddeling de vrouw
of het meisje tot de ontucht drijft, is dus niet als hoofddader van
art. 334 C. P. te straffen. Hij verleent slechts zijne medewerking tot
de handelingen van dezen, en is te vervolgen als medeplichtige, indien
zijn eigen handelingen op te vatten zijn als deelnemingshandelingen,
zooals art. 60, 2de en 3de lid C. P. ze omschrijven.

Art. 60. (Seront punis comme complice d'une action qualifiée crime
ou délit).

2o. Ceux qui auront procuré des armes, des instruments ou out autre
moyen, qui aura servi à l'action, sachant qu'ils devaient y servir;

3o. Ceux qui auront, avec connaissance, aidé ou assisté l'auteur
ou les auteurs de l'action dans les faits, qui l'auront préparée ou
facilitée, ou dans ceux qui l'auront consommée, sans préjudices des
peines, qui etc. etc.



Dat met de achterhaling dezer wandaden op deze wijze niet volstaan
kan worden, is dan ook geruimen tijd door sommige staatslieden
ingezien. Frankrijk heeft aan Bérenger te danken een wetsvoorstel,
waarvan art. 5 dezen inhoud heeft:

"L'embauchage par violence ou par fraude pour la prostitution, l'emploi
des mêmes moyens pour contraindre une personne, même majeure, à se
livrer à la prostitution, seront punis d'un emprisonnement de six
mois à deux ans et d'une amende de 100 à 2000 francs.

En cas de récidive dans les conditions prévues par l'article 2,
la relégation pourra être prononcée."

Dit artikel werd in 1895 door den Franschen Senaat aangenomen in
een wetsontwerp in zake de prostitutie; [16] het wordt nu voor de
Fransche Kamer van Afgevaardigden behandeld. (1899 Rapport Bérenger op
't Engelsche Congres). Bérenger achtte het in zijn rapport in ieder
geval noodzakelijkheid, dat aan dit artikel nog werden toegevoegd
de woorden ("or by abuse of authority") "ou par abus d'autorité"
waardoor zouden getroffen worden zoowel de man of de ouders die hun
vrouw of dochter aan de prostitutie overleveren als ook hij, die
het meisje, dat hij verleid heeft, noodzaakt zich te prostitueeren,
opdat hij bestaan kan van 't loon van haar ontucht.

Het artikel, zooals het reeds in eerste lezing aangenomen is treft hem,

1º. qui embauche par violence ou par fraude pour la prostitution,

2º. qui contraint par violence ou par fraude une personne, même
majeure, à se livrer à la prostitution.

In het eerste geval mag men aannemen, dat in zoo ruim mogelijk gestelde
bewoordingen sprake is van den meisjeshandel.

Wanneer de hier gestelde vereischten aanwezig zijn mag voorzeker het
oogmerk om aan de prostitutie over te leveren als bij den placeur
bestaand aangenomen worden.

Zoowel de minderjarige als de meerderjarige vrouw wordt hier
beschermd. De enkele daad van het verkoopen van eene vrouw wordt
reeds getroffen.

Het motief doet niets ter zake: winstbejag en andere motieven staan
gelijk.

Ik kan echter niet verhelen, dat de bepaling mij niet voldoet, daar
ik, omdat het de bedoeling geweest is den meisjeshandel te treffen,
de bestanddeelen van een daad van meisjeshandel niet duidelijk
weergegeven vind. Onder de bepaling vallen ook andere gevallen: 't is
toch mogelijk, dat de vrouw niets weet van hetgeen men met haar zal
doen, en hieronder valt de ware meisjeshandelsdaad; aan den anderen
kant kan het bedrog ten opzichte van andere omstandigheden bij de
daad in concreto gepleegd zijn, zoodat daardoor niet verhinderd wordt,
dat de vrouw zich bewust is, dat zij zich gaat prostitueeren.

Het 2de geval straft hem, die eene vrouw door geweld of bedrog dwingt
zich te prostitueeren.

Dit gedeelte zal vooral den bordeelhouder treffen, die een gekochte
vrouw met geweld of door bedrog (waaronder ook zou kunnen vallen
b. v. het bedwelmen door dranken) dwingt zich aan een man over
te geven. In sommige gevallen wellicht een medeplichtigheid aan
verkrachting. Door dit tweede geval wordt in tweeërlei opzichten eene
uitbreiding gegeven aan het koppelarij-artikel van den Code Pénal, dat
slechts straft het exciter habituellement la débauche d'une mineure. In
dit ontwerp-Bérenger wordt de strafrechterlijke bescherming uitgestrekt
tot iedereen hetzij meerderjarig of minderjarig; behoeft het exciter
niet habituellement te geschieden maar moet het par violence ou par
fraude geschieden.

Het drijven van handel in vrouwen en meisjes, wordt niet aan
strafverzwaring onderworpen, wel de recidive van de enkelvoudige
daad. Op den buitenlandschen handel wordt echter niet speciaal gelet.

Mijn opinie is, dat dit artikel aan de behoeften der praktijk zal
kunnen voldoen, mits de toepassing goed verzekerd worde. 't Komt
hier dus aan op ruime politiebevoegdheden om gelegenheid te hebben op
't spoor te komen van die misdrijven, en vereischt is eene degelijke
plichtsbetrachting van de zijde der politie.

Hierop schijnt vooral in Frankrijk de nadruk gelegd te moeten
worden. Yves Guyot beschouwt het in zijn rapport op 't Congrès
Pénitentiaire, in 1895 te Parijs gehouden, als het kardinale punt. Hij
slaakte deze verzuchting: "Sa répression et sa suppression sont bien
plus une question de police que de législation. A quoi bon avoir des
lois sur le papier, si la police les viole? A quoi bon l'article 334
dans le Code Pénal, si la police inscrit elle même des mineures sur
ses régistres et profite de leur misère et de leur inexpérience pour
les enfermer dans des maisons de tolérance?"

Juist dit is het zwakke punt. Een macht van wetten en dekreten, zoowel
van jongeren als van ouderen datum, tot voor een eeuw her, op het
prostitutie-vraagstuk betrekking hebbende vigeeren in Frankrijk, doch
de uitvoering ontbreekt. Gewapend met de bevoegdheden haar ter dezer
zake in die wetten en dekreten toegekend, is de politie in ruime mate
in staat mede te werken tot de bestrijding van den meisjeshandel [17].

De strenge reglementatie der prostitutie is in dit land dus een
indirect middel voor de politie om het euvel tegen te gaan. Verder
moet opgemerkt worden, dat de politiebevoegdheden, op dit punt
betrekking hebbende, slechts in zeer algemeene bewoordingen
gesteld zijn. Gedetailleerde bepalingen ontbreken, doch juist deze
omstandigheid werkt er toe mede om de politie in staat te stellen
hare taak ruim op te vatten, niet gebonden aan nauwkeurig gestelde
voorschriften die in deze kwestie slechts kunnen uitmunten door
ondoelmatigheid wegens de ontelbare variaties der gevallen, die zich
kunnen voordoen.

De politie, die in deze zaak bevoegd is, is eene afzonderlijke
afdeeling van de Administration de police, de zoogenaamde "service
des Moeurs" die het toezicht heeft op alles wat de prostitutie raakt
en zoowel preventief als repressief kan optreden ten opzichte van de
ongerechtigheden, waartoe de prostitutie zoo bij uitstek aanleiding
geeft.

De Fransche afgevaardigde op 't congres te Londen (1899) de Heer
Bérenger, vermeldt, dat minderjarige meisjes geen buitenlandsch
paspoort kunnen verkrijgen dan op uitdrukkelijk verzoek der
ouders. Dat deze bepaling gemakkelijk kan ontdoken worden, wanneer de
meisjeshandelaar het noodig vindt, behoeft geen verder betoog. Uit
't rapport van denzelfden afgevaardigde blijkt, dat de consuls van
Frankrijk in 't buitenland gevestigd ook hun aandacht vestigen op dit
kwaad en pogingen in het werk stellen om het te voorkomen. Hij haalt
althans het voorbeeld aan van een consul in Rusland gevestigd, die er
op opmerkzaam maakte, aan welke gevaren emigreerende vrouwen en meisjes
blootgesteld werden, hetgeen blijkt uit de bij dat consulaat ingekomen
talrijke aanvragen om onderstand en om terugzending naar Frankrijk.



§ 5. ZWITSERLAND.

Men acht zich gelukkig in den Zwitserschen Bondsstaat, dat de tijd
wellicht niet meer verre zal zijn, die een einde maken zal aan den
onhoudbaren toestand, dat binnen een betrekkelijk klein territoir een
twee en twintigtal verschillende strafwetten heerschen. Deze wijken
zeer van elkander af: de Duitsche kantons hebben hun strafwetten naar
Duitschen leest geschoeid, de Fransche kantons hebben zich den Code
Pénal tot voorbeeld gekozen. Groote verscheidenheid heerscht vooral op
't gebied der zedenmisdrijven.

Wanneer wij het begrip der koppelarij in het dagelijksch leven aangeven
als het teweegbrengen of bevorderen van de ontucht van derden, die
evenwel in deze algemeenheid bijna nergens strafbaar is, dan hebben wij
een juiste maatstaf om aan te stippen, in hoeverre in de verschillende
kantons de koppelarij gestraft wordt. (De cijfers, die ik hierbij
aangeef, wijzen de artt. aan uit de verschillende strafwetboeken.)

Thurgovie straft koppelarij, indien 't uit gewoonte of of uit
winstbejag geschiedt. Strafverzwaring indien manoeuvres frauduleuses
gebezigd zijn. (art. 121-124).

Schwyz: art. 94 vordert het gewoonlijk handelen.

Schaffhausen: art. 183 conform aan de desbetreffende bepalingen
van Thurgovie.

Bern: art. 168 vordert het koppelen uit gewoonte. Strafverzwaring,
indien door prétextes frauduleux eerbare vrouwen tot de prostitutie
verleid worden, zelfs dan wanneer 't doel niet bereikt is.

Grisons: Iedere koppelarij wordt gestraft; de strafmate verschilt
al naar gelang er eene gewoonte of niet te constateeren valt of al
naar gelang er eene persoonlijke betrekking bestaat met de verleide
persoon of niet. (art. 146).

Argovie: dit kanton heeft geen repressie van koppelarij.

Valais: art. 199 vordert een gewoonlijk handelen.

Obwalden: proxénétisme voor de tweede maal bedreven wordt gestraft,
art. 70. Eveneens de begunstiger, die eene gelegenheid verschaft,
waar ontucht bedreven kan worden. (art. 112 Code de Police).

Glarus: art. 83 is identiek met art. 146 van het strafwetboek van
Grisons.

Freiburg: art. 396 vordert dat de koppelarij uit gewoonte bedreven zij.

Bazel, (stad en land). Gewoonte of winstbejag moet bewezen worden,
(art. 96).

Genève: Gewoonte of winstbejag maakt de koppelarij strafbaar, doch
slechts dan wanneer deze in 't openbaar plaats heeft. (Loi pénale
concernant les délits et contraventions contre la morale publique du
26 Nov. 1888).

Zug: art. 99 bevat dezelfde vereischten als art. 146 van Grisons en
art. 83 van Glarus.

St. Gall: art. 170 straft koppelarij in de eenvoudigste gedaante, doch
strafverzwaring bij gewoonte, winstbejag of verleiding van jeugdige,
eerbare personen.

Lucerne: art. 149 treft alle koppelarij en verder het in de gelegenheid
stellen of er toe medewerken dat op eenige wijze in het huis van den
dader of elders ontucht gepleegd wordt.

Soleure: koppelarij is strafbaar indien het uit winstbejag
geschiedt. (art. 105.)

Neuchâtel: iedere koppelarij wordt gestraft; strafverzwaring heeft
plaats, indien eerbare vrouwen buiten haar weten in een huis van
ontucht gebracht worden door hen, die de verleiding tot ontucht als
bedrijf uitoefenen. (art. 292.)

Tessin: 't eenige kanton, dat de strafbaarheid der koppelarij beperkt
tot die der minderjarigen (20 jaar.) mits gewoonte of winstbejag
bewezen zij. (art. 263.)

Appenzell: een gewoonlijk handelen wordt in art. 101 gevorderd.

Vaud. De wet van 20 Nov. 1896 heeft een nieuw artikel over de
koppelarij in 't leven geroepen. Iedere koppelarij is nu in art. 198
(nieuw) strafbaar gesteld.

Zürich. De wet van 30 Maart 1897 om verandering te brengen in het
strafwetboek van 8 Jan. 1871 heeft nevens de oude artikelen 121 en
122, die handelen over het proxénétisme, eenige nieuwe bepalingen
gevoegd. De toestand is nu aldus: koppelarij uit gewoonte of uit
winstbejag is strafbaar. Strafverzwaring bij aanwending van manoeuvres
frauduleuses of bij verleiding van eerbare personen. Bordeelen zijn
op straffe verboden. Verder bevatten de artt. 121, 121a, 122, 122a,
122b nog verschillende bepalingen, die deels het begrip koppelarij
nader uitwerken, deels omstandigheden bevatten, die de straf verzwaren.

Dit is in het kort de inhoud der koppelarijartikelen uit de
strafwetboeken der Zwitsersche kantons, voorzoover ze ons belang
kunnen inboezemen.

Eerlang zal, zooals ik reeds even aanstipte, een strafwetboek ontstaan
voor geheel Zwitserland.

Het herziene ontwerp van Professor C. Stooss is gepubliceerd in
Maart 1896.

Wat de misdrijven tegen de zeden betreft, kan men niet ontkennen
dat het ontwerp zeer streng is. Wat moderne moralisten op dit gebied
kunnen verlangen geeft het ruimschoots.

Artt. 116 en 117 van het ontwerp handelen over proxénétisme 117
speciaal in bordeelen en art. 118 over den meisjeshandel.

Art. 118 luidt aldus in den Franschen text:

Sera puni de la réclusion celui qui, par la ruse, la menace ou la
violence, aura cherché à livrer une femme à autrui dans un but de
débauche.

La peine sera la réclusion pour 5 ans au moins: si la femme est
mineure; si elle est l'épouse, la fille ou la petite fille de
l'auteur ou si elle avait été confiée à ses soins, à sa protection
ou à sa surveillance; si l'auteur a cherché à la livrer à une maison
de prostitution; si c'est à l'étranger qu'elle devait être livrée à
la débauche.

La peine sera la réclusion pour 10 ans au moins où la réclusion à vie:

Si la femme était de réputation intacte et si elle a été effectivement
livrée à débauche.

Deze laatste omstandigheden zijn niet strafbepalend, doch
strafverzwarend.

Dit artikel is m.i. zeer nauwkeurig, wat betreft de afdaling in
détails en voor zoover die omstandigheden als strafverzwarend in
aanmerking komen. Daar het ontwerp nog geen wet is, wil ik mij van
vele op- en aanmerkingen onthouden. Doch éene, m.i. belangrijke, moet
mij uit de pen. Wordt dit artikel aldus aangenomen, dan voorzie ik
de mogelijkheid dat vele tusschenpersonen, n.l. degenen, die na hem,
die door middel van de opgesomde middelen te werk gaat, zich belasten
met de taak de vrouw aan hare bestemming te brengen, eene veroordeeling
zullen ontloopen, al is hun schuld of opzet nog zoo duidelijk!

Eene bepaling in den geest van het 2de lid van art. 48 van het Duitsche
Auswanderungsgesetz ware wel aan te bevelen.

Verder is het onjuist, al zou dit artikel uitsluitend den meisjeshandel
treffen; daarvoor is het te algemeen gesteld. De essentiëele
bestanddeelen van een dergelijke daad treft men daarin niet aan.

Voor den buitenlandschen handel is het melden waard een wet van
24 Dec. 1880 op de emigratiebureaux en agenten geldend in geheel
Zwitserland.

In 't kort is de inhoud van de wet deze:

Om als emigratie-agent op te treden moet men vergunning bekomen.

Met ieder, die het land wil verlaten moet een contract gesloten worden,
waarvan de vorm door de wet voorgeschreven is. Overigens bevat de wet
nog verschillende verplichtingen van welke ik vermeld het verbod om
minderjarigen beneden de 18 jaar behulpzaam te zijn in hun vertrek naar
het buitenland, wanneer deze niet vergezeld zijn van betrouwenswaardige
personen. De minderjarigen moeten in hun onderhoud kunnen voorzien op
de plaats van bestemming en verder is toestemming noodig van hen die
gezag over hen uitoefenen. Verboden is personen behulpzaam te zijn,
die na betaling van hun reisgeld, op de plaats van bestemming geheel
van middelen zouden ontbloot zijn. Verder nog eenige bepalingen voor
de zekerheid van hen, die over zee emigreeren.

De Zwitsersche Consuls in de zeehavens van het buitenland
zijn belast met 't onderzoek van alle klachten van Zwitsersche
émigré's, die betrekking hebben op de niet vervulling van de
contractsvoorwaarden. (Rapport van den Heer de Meuron op het Congres
te Londen 1899.)

Vermeld moet nog worden een interkantonaal tractaat van 1875:
"Concordat entre les cantons de Berne, Fribourg, Vaud, Valais,
Neuchâtel et Genève pour la protection des jeunes gens placés à
l'étranger." De bureaux de placement worden onder toezicht van
de overheid geplaatst. Ze moeten restitueeren de kosten van de
terugkeer van jonge meisjes die zij in den vreemde geplaatst hebben,
zoodat haar terugkomst noodzakelijk is. De plaatsing in een huis van
ontucht wordt hier uitdrukkelijk als voorbeeld genoemd. Verder wordt
nog een opdracht gegeven aan den Consul in het land, waarheen het
meisje zich begeeft. De overheid verstrekt aan de jeugdige personen,
die emigreeren, een boekje met raadgevingen. (Rapport de Meuron.)

De Zwitsersche politie gaat krachtig preventief te werk door
aankondigingen in dagbladen, waarschuwingen tegen verdachte personen.

Het Rapport van den Heer de Meuron vermeldt in dien geest eenige
waarschuwingen, afkomstig van het "Département de Justice et Police
du Canton de Vaud."



§ 6. OOSTENRIJK-HONGARIJE.

In Oostenrijk dateert het vigeerende strafwetboek van 27 Mei 1852. In
zulk een oud wetboek behoeven we voorzeker niet veel te verwachten,
dat ons kan voldoen. Vorm en sanctie zijn in dit wetboek zelfs nog
in afzonderlijke bepalingen neergelegd.

§ 132 IV verklaart "Kuppelei in Beziehung auf eine unschuldige Person"
een strafbaar feit. IV Kuppelei, woferne dadurch eine unschuldige
Person verführt wurde, (oder wenn sich Eltern, Vormünder, Erzieher
oder Lehrer derselben gegen ihre Kinder, Mündel, oder die ihnen
zur Erziehung oder zum Unterrichte anvertrauten Personen schuldig
machen). Dit is een Verbrechen. Eene Uebertretung is neergelegd in
art. 512c, zooals dit door de wet van 24 Mei 1885 (B. d. L. no. 89)
veranderd is. Het artikel straft hen als schuldig aan koppelarij,
"welche sonst sich zu Unterhändlern in unerlaubten Verständnissen
dieser Art gebrauchen lassen."

Het Verbrechen zou ik willen beschouwen als het teweegbrengen van de
ontucht van een onschuldig persoon, de Uebertretung als het bevorderen
van de ontucht van een derde, al dan niet onschuldig. Deze beide
artikelen zijn nog minder ruim dan de gelijksoortige artikelen uit
de huidige strafwetgevingen. Dat een placeur in generali hieronder
zou vallen, daarvan is geen sprake.

In 1861 is men in Oostenrijk begonnen met het ontwerpen van een
nieuw strafwetboek. In 1889 geëindigd heeft het tot nu toe nog geen
resultaat opgeleverd.

§ 198 ontwerp luidt: Wer der Unzucht anderer Vorschub leistet wird
wegen Kuppelei bestraft;

5. Wenn eine Person in das Ausland befördert wird um sie daselbst
dem umzuchtigen Gewerbe mit ihrem Körper zuzuführen [18].

Straf: hoogstens 5 jaar tuchthuis of gevangenis.

Hier wordt dus een zeer ruwe interpretatie gegeven van het begrip
koppelarij. De buitenlandsche meisjeshandel wordt hier getroffen doch
daarnevens vele andere handelingen, die buiten het bereik der strafwet
moesten vallen. De meest eigenaardige elementen van den meisjeshandel
zijn hier genegligeerd. Het artikel is bepaald af te keuren. Het is
veel te ruim gesteld.

Art. 207 IV. van het strafwetboek van Bosnië en Herzegovina is
gelijkluidend met art. 132 IV van het Oostenrijksche strafwetboek.

Oorspronkelijk was het met het Hongaarsche strafwetboek treurig
gesteld. Het strafte slechts den zwaarsten vorm van koppelarij.

Art. 247 is van dezen inhoud:

"Derjenige, welcher seine eheliche oder natürliche Tochter zum
Beischlafe mit einem Anderen, oder welcher sein eheliches oder
natürliches Kind zu geschlechtlicher oder widernatürlicher Unzucht
mit einem Anderen verleitet, begeht das Verbrechen der Kuppelei und
ist mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen.

Dieselbe Strafe trifft auch denjenigen, welcher eine seiner
Vormundschaft, Curatel, Erziehung, seinem Unterrichte oder seiner
Aufsicht anvertraute Person zu einer solchen Handlung verführt."

Aan dien ondragelijken toestand werd in 1892 een einde gemaakt door
den Minister van Justitie Desiderius von Szilágyi, wiens ontworpen
novelle art. 247a van het wetboek werd.

Art. 247a. "Das Vergehen der Kuppelei verübt derjenige und wird
mit Gefängnis bis zu einem Jahre und mit Geldstrafe bis zu tausend
Gulden bestraft, wer eine unbescholtene Frauensperson dazu überredet,
mit einem andern einen ausserehelichen Beischlaf zu vollziehen oder
Unzucht zu verüben oder wer eine solche Frauensperson einem Bordelle
oder einem ähnlichen unmoralischen Geschäft zuführt--insofern derartige
Kuppelei gewohnheitsmässig betrieben wird."

"Die Kuppelei wird mit Kerker bis zu fünf Jahren und mit Geldstrafe bis
zu 2000 Gulden bestraft, wenn dieselbe mit Anwendung von hinterlistigen
Kunstgriffen verübt wurde, oder wenn ein unbescholtenes Mädchen behufs
Zuführung in ein Bordell oder in ein ähnliches unmoraliches Geschäft
in das Ausland beförderd wird. Der Versuch des Vergehens der Kuppelei
ist strafbar."

In 't kort wil ik mijne opmerkingen over dit artikel laten
hooren. Uitvoerige bespreking van de strafwetgeving van ieder land,
voor zoover het dit punt aangaat, zou mij veel te ver voeren. Slechts
eerbare vrouwen worden beschermd. Dit is te beperkt. Alinea 2
is blijkbaar bestemd de koppelarij het karakter te geven van den
meisjeshandel; het zijn verzwarende omstandigheden voor het delikt
van al. 1. Doch het omvat veel meer dan den blanke slavinnenhandel;
ook hier zijn de essentiëele elementen van dit strafbare feit niet
aangegeven.

Het artikel is evenwel te beperkt en omvat in zooverre niet iedere daad
van meisjeshandel, als het hier slechts--zooals ik reeds opmerkte--de
bescherming van eerbare vrouwen aangaat en voor de strafbaarheid het
gewoonte-element gevorderd wordt.

In Hongarije heeft de meisjeshandel zulk een grooten omvang bereikt,
dat het wel verbazing moet wekken, dat op zulk een onvolledige wijze
in deze materie voorzien is.

De rapporteur van het 4de onderwerp "Die internationale Bekämpfung
des Mädchenhandels", op 't congres te Budapest in 1899 behandeld,
Dr. Ludwig Gruber, vermeldt eene ministeriëele circulaire, die de
strekking heeft eenige voorschriften te geven met 't oog op deze
kwestie. Jonge vrouwen, die zich naar het Oosten willen begeven,
onder welk voorwendsel het ook zij, kunnen slechts een pas bekomen,
indien zij blijk geven na haar aankomst in haar onderhoud goed te
kunnen voorzien. De plaatselijke overheid wordt gewezen op haar plicht
alle moeite te doen tot opsporing der handelaars. Ouders moeten op
't gevaar gewezen worden. Hij, die deze koppelaars aan de overheid
aanwijst, geniet eene belooning. De koppelaars kunnen gestraft worden
volgens de strafwet of volgens politieverordening. Vreemdelingen
kunnen na 't ondergaan van hun straf uit 't land gezet worden. De
wet betreffende "die Auswanderungs-Agenturen" van 1881 vordert eene
vergunning om als emigratieagent op te treden.

Zoowel de overheid aan de grensplaatsen, als de ondernemers van
stoomschepen voor het Oosten en de consuls aldaar worden steeds op
hun plicht gewezen en voortdurende waakzaamheid wordt haar aanbevolen.



§ 7. HET SKANDINAVISCHE NOORDEN.

Het strafwetboek van Denemarken dagteekent van 10 Febr. 1866. Zoowel
deze omstandigheid, dat het wetboek reeds van zoo'n ouden datum
is, als het feit, dat in de Noordelijke landen, zoowel Denemarken
als Zweden en Noorwegen niet in die mate de blanke slavinnenhandel
gedreven wordt, als in het overige Europa, is wel reden dat wij geen
hooge verwachtingen omtrent de wettelijke maatregelen ter bestrijding
van dit euvel behoeven te koesteren.

Van Swinderen geeft in zijn Esquisse du Droit Pénal Actuel dans
les Pays-Bas et à l'étranger, als geldende strafbepaling tegen de
koppelarij in het Deensche wetboek aan § 182, waarvan de inhoud is:

"Ceux, qui auront fait le métier de proxénète de même que ceux
qui, moyennant paiement auront donné accès dans leurs demeures à
des personnes de sexe différent pour s'y livrer à la débauche, ou
qui malgré la défense de la police, auront logé chez eux des femmes
vivant de la prostitution seront punis des travaux forcés dans une
maison de correction, ou de l'emprisonnement de pain et à l'eau."

Art. 182 treft dus het teweegbrengen van de ontucht van anderen als
causa movens, doch slechts bij een gewoonlijk handelen, verder het
bevorderen daarvan, uit winstbejag in zoover als de anderen reeds het
plan gevormd hebben, doch slechts als eene woning of kamer daarvoor
beschikbaar gesteld wordt. Ten slotte blijkt uit het artikel, dat zij,
die kamers verhuren aan prostituées, daarvoor vergunning moeten bekomen
van de politie. Het artikel treft dus den blanke slavinnenhandelaar
niet.

Het strafwetboek van Zweden geldt sedert 1 Jan. 1865. Art. 11 van
Hoofdstuk 18 "Des attentats aux moeurs" is van dezen inhoud (van
Swinderen, Esquisse etc.; Rapport Tamm, Congres Londen 1899)

"Quiconque aura favorisé la débauche par maquerellage ou aura tenu
une maison de prostitution, sera puni de 6 mois à quatre ans de
travaux forcés. La femme qui se sera livrée à la débauche dans une
telle maison sera condamnée à un emprisonnement...."

"Maquerellage" zal in de gewone taalkundige beteekenis moeten opgevat
worden en niet uitgebreid mogen worden tot het geval, dat de dader
slechts het bestaand voornemen van anderen begunstigt.

De bordeelen zijn verboden; inzooverre is de binnenlandsche handel
juridisch onbestaanbaar, en kunnen juridisch geen vreemde meisjes in
Zweden ingevoerd worden. Van 2 zijden wordt het bestaan van bordeelen
onmogelijk gemaakt, daar behalve de bordeelhouder ook de zich aldaar
prostitueerende vrouw getroffen wordt. [19]

Groote contrôle oefent sedert eene wet van 1884 de overheid uit op
de bureaux de placement. Deze kunnen slechts door een Zweed gehouden
worden.

Met 't oog op het feit dat westelijk Finland als 't ware overstroomd
werd door prostituées, die daarheen gingen uit Stockholm, is den 16
April 1861 een tractaat tot stand gekomen tusschen Zweden en Rusland
om hulpbehoevenden en zwervelingen te repatrieëeren. [20]

Het strafwetboek voor Noorwegen bestaat reeds sedert 20 Aug. 1842,
alhoewel het na dien tijd verschillende veranderingen ondergaan heeft.

Hoofdstuk 18 draagt als titel "De l'impudicité" (v. Swinderen
"Esquisse"). Het artikel, dat onze aandacht vraagt is art. 27. Het
straft hem, die teweegbrengt dat een vrouw of meisje vleeschelijke
gemeenschap heeft met een derde. Eveneens hem, die een bordeel houdt
of zijn huis, geheel of gedeeltelijk voor ontuchtige doeleinden
beschikbaar stelt. Art. 27 straft dus weer alleen koppelarij
door directe bemiddeling. Juridisch is de binnenlandsche- en de
import-handel onbestaanbaar, wegens het verbod van bordeelen. Bij
Koninklijk Besluit van 14 Nov. 1885 werd eene commissie benoemd voor
het ontwerpen van een nieuw strafwetboek voor Noorwegen. Artt. 191-214
uit 't ontwerp bevatten de "Verbrechen wider die Sittlichkeit." Ik
zal enkele artikelen in de Duitsche vertaling citeeren, voorzoover
ze bij mijn onderwerp te pas komen.

Art. 200. Wer jemanden zu unzüchtigem Verkehr mit einem andern verführt
oder dazu mitwirkt, dass jemand zu unzüchtigem Verkehr mit einem andern
verführt wird ist mit Gefängnis bis zu einem Jahre zu bestrafen. Die
öffentliche Verfolging tritt nur auf Antrag des Verletzten ein.

Art. 201. Strafverzwaring indien de verleide beneden de 16 jaar oud is.

Art. 202. Wer eine Person dazu verleitet aus der Feilhaltung ihres
Körpers zur Unzucht ein Gewerbe zu machen oder wer zu einer solchen
Verleitung mitwirkt, wird mit Gefängnis bis zu vier Jahren und wenn
die verleitete Person unter 18 Jahren ist oder zu solchem unzüchtigem
Zwecke in das Ausland verbracht wird, mit Gefängnis von einem bis zu
sechs Jahren bestraft.

Art. 204. In de voorgaande gevallen heeft strafverzwaring plaats
wanneer gehandeld wordt uit winstbejag, uit gewoonte, met dwang,
bedreiging of misleiding.

Art. 206. Wer aus Gewinnsucht den unzüchtigen Verkehr andrer befördert
oder wer diesen Verkehr zu gewinnsüchtigem Zwecke ausnutzt, wird
mit Gefängnis bis zu zwei Jahren bestraft ...... Strafverzwaring:
Wenn die Person, deren Unzucht befördert wird unter 18 Jahren ist
oder zu unzüchtigen Zwecken in das Ausland verbracht wird.

Wird das Verbrechen in Ausübung eines Berufes oder Gewerbes begangen,
so kann dem Thäter das Recht aberkannt werden, den Beruf oder das
Gewerbe fortzusetzen.

Laat ik beginnen de artt. 200 en 202 in oogenschouw te nemen. Ons
frappeert allereerst het groote verschil in strafmate; deze is
daaraan toe te schrijven, dat in art. 200 de verleiding geschiedt
tot een enkele daad van ontucht, in art. 202 tot een ontuchtig
leven. Art. 200 straft den meisjeshandelaar niet. Het vordert in
ieder geval toestemming van de persoon tot de handeling, al is ze
door misleiding of beloften verkregen. De meisjeshandel vordert, dat
het meisje integendeel niet weet, dat er ontucht met haar gepleegd
zal worden.

De uitdrukking "verleitet" in art. 202 verhindert mijns inziens
eveneens, dat in het algemeen de meisjeshandel in dit artikel eene
gerechte straf vindt. Hoe bovendien in art. 204 sprake kan zijn dat de
voorgaande strafbare feiten gepleegd worden door dwang of bedreiging
is mij niet duidelijk. 't Ware wel mogelijk, indien in plaats van
verführen en verleiten stond: "er toe gebracht werd" of althans een
werkwoord, dat niet a priori het begrip dwang of bedreiging uitsluit.

Art. 206 straft den bordeelhouder. In zooverre is dus volgens het
ius constituendum van Noorwegen juridisch de meisjeshandel, zoowel
binnenlandsche- als importhandel, onmogelijk, althans in zijn heden
ten dage meest voorkomende gedaante als levering van vrouwen en
meisjes aan bordeelen.

Eene wet van 1896 heeft een toezicht op de zgn. "bureaux de placement"
in het leven geroepen.

In het kort zijn de bepalingen van deze wet de volgende: Vergunning
wordt vereischt; deze kan ingetrokken worden. Borgstelling is
voorgeschreven, evenwel facultatief. Slechts burgers van Noorwegen
kunnen de vergunning bekomen. De overheid kan tarieven vaststellen en
andere nadere voorschriften en reglementen uitvaardigen. De bureaux
of agenten zijn verantwoordelijk voor valsche inlichtingen. Bij
bezorging van een dienst in den vreemde moet een schriftelijk
contract in duplo worden opgemaakt. (Rapport van den Heer Faerden,
Congres Londen 1899). Verder oefent volgens eene wet de overheid
eene speciale contrôle uit op de emigratie naar landen buiten Europa
gelegen. (Rapport Faerden).



§ 8. RUSLAND.

Het positieve strafrecht van het Russische Rijk biedt weinig stof
ter bespreking aan.

De artt. 998, 999 en 1000 van het strafwetboek van 1866 treffen iedere
koppelarij, onafhankelijk van den leeftijd van de beschermde persoon,
alhoewel voor personen beneden den leeftijd van 14 jaar speciale
beschermingsvoorschriften bestaan. Er is evenwel éen restrictie:
de genoemde artikelen treffen alleen het lenocinium, de directe
koppelarij. (Zie rapport Sabouroff, Congres Londen 1899.)

Evenwel valt het feit op te merken, dat de Russische rechter
de daad van den meisjeshandelaar toch tracht te straffen door
haar in de bepaling van art. 1410 te wringen, welk artikel straf
stelt op het verkoopen van Russische onderdanen in slavernij,
(c. f. cass. arr. Senaat, dos. Nordkovitch 1874 no. 395.) (Zie Rapport
Jelatchitch Pénit. Congres Parijs 1895)

Er bestaat evenwel een ontwerp voor een nieuw strafwetboek. De eerste
hoofdstukken van het bijzondere deel, ontworpen door Prof. N. Tagánzeff
te St. Petersburg, zagen omstreeks 1885 het licht. Aan de Duitsche
vertaling van Dr. X. Gretener te Bern ontleen ik art. 70, dat over
de koppelarij handelt. Het luidt aldus:

Art. 70. "Die Verkuppelung

1.) eines Mädchens von zwölf bis zu sechszehn Jahren ohne Missbrauch
seiner Unschuld;

2.) eines Mädchens von 16 bis zu 18 Jahren mit Kenntniss seiner
Jungfräulichkeit;

(3.) der Ehefrau Tochter oder einer in der Erziehung oder unter der
Fürsorge des Schuldigen stehenden Frauensperson unter einundzwanzig
Jahren;

4.) von Personen deren Beischlaf das in den art. 67 u. 68 vorgesehene
Vergehen der Blutschande bildet, zum Beischlafe wird mit Gefängniss
bestraft.")

Binnen zeer enge perken is de koppelarij in dit ontwerp gehouden. Er
is geen sprake van dat de meisjeshandel hieronder zou kunnen vallen
want we hebben te doen met directe koppelarij. Zelfs als medeplichtige
kan de placeur niet getroffen worden, als de vrouw, tusschen de 16 en
18 jaar oud zijnde, reeds haar maagdelijkheid verloren heeft. Indien
de vrouw boven de 18 jaar oud is, dan is er geen sprake meer van
strafbaarheid buiten de zeer buitengewone gevallen van art. 70 3o en
4o. Ik acht de oude bepalingen zonder twijfel beter.

Noch de tegenwoordige, noch de toekomstige Russische wetgeving,--indien
het ontwerp althans niet aanmerkelijk gewijzigd wordt--voorziet dus
in het geval, dat vrouwen en meisjes met een ontuchtig doel in een
bordeel (het meest voorkomende geval) hetzij in 't binnenland hetzij
in het buitenland gelokt worden.

Administratieve maatregelen zijn evenwel reeds getroffen om het kwaad
zooveel doenlijk te keeren. Ten bewijze hiervan b. v. de aanstelling
van een opzettelijk daarvoor bestemd dienaar van politie te Odessa om
een wakend oog te houden op de aan boord gaande vrouwelijke passagiers
en hare begeleiders. De resultaten van dezen maatregel zijn volgens
den heer Sabouroff (Rapporteur Londen 1899) zeer gunstig; menige
arrestatie heeft er reeds plaats gehad en verschillende vrouwen zijn
van een wissen ondergang gered.

Eveneens draagt de strenge reglementeering in Rusland er toe bij,
dat de politie in de gelegenheid is zich op de hoogte te stellen
of onder de ingeschreven vrouwen ook eenige aanwezig zijn die op de
bedoelde wijze tot het leven van prostituée geraakt zijn.



§ 9. FINLAND.

Kapitel 20 van het strafwetboek voor het grootvorstendom Finland van
19 Dec. 1889 handelt over Beischlaf und andre Unzucht. Art. 10 van
dit hoofdstuk luidt naar de Duitsche vertaling van Joh. Ochgvist te
Helsingsfors in Z. f. d. Ges. Strfr. W. 11e deel (Beilagen):

Art. 10. Wer ein Haus unterhält um daselbst Unzucht zu treiben,
oder wer eine Frau zur gewerbsmässigen Unzucht verleitet, wird wegen
Kuppelei mit Zuchthaus bis zu drei Jahren und Verlust der bürgerlichen
Ehrenrechte bestraft.

Der Versuch einer solchen Verleitung ist strafbar.

Eine Frau, die sich in einem solchen Hause oder sonst öffentlich zur
gewerbsmässigen Unzucht brauchen lässt, wird mit Gefängnis bis zu
zwei Jahren bestraft.

Blijkbaar heeft dit artikel ten doel het houden van bordeelen strafbaar
te stellen.

Juridisch is hier de meisjeshandel onbestaanbaar, daar behalve het
verbod van bordeelen ook het zijn van prostituée een strafbaar feit is.

C. q. zou mogelijk (dit hangt af van de feitelijke omstandigheden en
van de speciale wettelijke bepalingen omtrent de leer der uitlokking en
medeplichtigheid) een placeur gestraft kunnen worden wegens provocatie
tot of hulpverleening aan 't misdrijf van art. 10 derde lid.



§ 10. ITALIË.

Sedert 1 Januari 1890 vigeert in Italië het strafwetboek van 30
Juni 1889.

De artt. 345 en 346 die de koppelarij straffen zijn van dezen inhoud:

Art. 345. "Chiunque, per servire all'altrui libidine, induce alla
prostituzione una persona di età minore, o ne eccita la corruzione,
è punito con la reclusione da tre a trenta mesi, e con la multra da
lire cento a tremila."

Strafverzwaring heeft plaats: Si il delitto sia commesso:

1º. Sopra persona che non abbia compiuto gli anni dodici.

2º. on inganno.

3º. da ascendenti da affini in linea retta ascendentale etc.

4º. abitualmente o a fine di lucro etc.

Art. 346. Chiunque, per servire all'altrui libidine favorisce o
agevola la prostituzione o la corruzione di una persona minorenne,
nei modi o nei casi indicati nel primo capoverso dell'articolo
precedente, è punito etc; e nel caso preveduto nel secondo capoverso,
la reclusione etc.

Art. 345 straft het teweegbrengen van de prostitutie of de ontucht
van een minderjarige. Art. 346 het begunstigen en gemakkelijk maken
daarvan. In beide gevallen met strafverzwaring, indien de feiten
geschieden door bedrog (2º) of uit gewoonte of winstbejag. (4º) Mij
komt 't voor, dat deze artikelen ook slechts de directe koppelarij
willen treffen en wel van minderjarigen hetzij als causa movens hetzij
als begunstiger.

Ten opzichte van minderjarigen kan dus de placeur als medeplichtige
van den hoofddader gestraft worden met de gewone beperking en wel dat
er minstens strafbare poging aanwezig zij. M. i. vordert het artikel,
dat voor de voltooiing hetzij de prostitutie hetzij het bederf der
minderjarigen moet plaats gehad hebben.



§ 11. SPANJE EN PORTUGAL.

Het Spaansche strafwetboek, nog van 1848 dateerende, alhoewel sedert
Januari 1871 gewijzigd, bevat als strafbepaling tegen koppelaars
art. 367, dat volgens van Swinderen in zijn Esquisse van den volgenden
inhoud is: "Celui qui, habituellement ou par abus d'autorité ou de
confiance, excitera ou facilitera la prostitution par la corruption
de mineurs pour satisfaire les désirs d'autrui sera puni de la peine
de la prison correctionnelle."

Het lijkt mij vrij wel overbodig tot de bespreking van dit
art. 367 over te gaan. Ik zoude slechts in herhalingen vervallen,
van hetgeen ik reeds vroeger bij andere strafwetten opmerkte. De
blanke slavinnenhandelaar kan niet als dader op grond van dit artikel
gestraft worden.

Art. 406 van het Portugeesche strafwetboek (10 Dec. 1852, omgewerkt
14 Juni 1884 en 16 Sept. 1886.) straft het uit gewoonte teweegbrengen
of bevorderen van den onzedelijken levenswandel of van de verleiding
van minderjarigen beneden de 21 jaren.

Hetgeen ik zooeven in verband met art. 367 van het Spaansche
strafwetboek zeide, zij ook hier gezegd.



§ 12. TURKIJE EN BULGARIJE.

Art. 201 van het Turksche strafwetboek van 25 Juli 1858 bevat
eene strafbepaling tegen de koppelarij; hoe deze luidt is mij niet
bekend. We behoeven er evenwel niet te veel verwachtingen van te
koesteren--althans ten opzichte van den handel in blanke slavinnen--als
wij in het oog houden--zooals in het feitelijk gedeelte van dit
proefschrift werd aangetoond--hoe de Turksche overheid de placeurs
en consorten duldt en hun praktijken tolereert.

In Bulgarije gold tot 1895 Turksch recht. Sedert 4 Maart 1896 werkt
er evenwel een nationaal wetboek. Art. 228 van dit wetboek bestraft
de koppelarij. Het luidt aldus:

Art. 228. Quiconque se rend coupable de proxénétisme en vue
d'impudicité et de coït:

1. envers une personne au-dessous de 16 ans;

2. envers une fille honnête de 16 à 20 ans, dont le proxénète connaît
l'honnêteté.

Verder komen er nog 3 nummers voor om aan te geven de koppelarij
gepleegd tegenover personen, tot wie de dader in zekere betrekking
staat.

De strafbaarstelling van het proxénétisme in art. 228 is binnen
zeer enge perken gehouden. De uiterlijke grens is 20 jaar, doch bij
koppelarij van meisjes tusschen 16 en 20 jaar is men slechts strafbaar,
indien men haar maagdelijken staat kende.

Art. 228 van het Bulgaarsche strafwetboek treft den meisjeshandelaar
als dader niet.



§ 13. AMERIKA.

Van de Amerikaansche strafwetgevingen is het mijn plan slechts die aan
te stippen, welke m. i. de aandacht vorderen in verband met het feit,
dat onder het werkingsgebied van die wetgevingen de handel in blanke
slavinnen op uitgebreide schaal gedreven wordt.

Ik heb 't oog op de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, en van
Mexico en uit Zuid-Amerika op Brazilië (Rio de Janeiro), Uruguay
(Monte Video) en Argentinië (Buenos Ayres).

Mr. van Swinderen vermeldt in zijn Esquisse bij de bespreking van de
misdrijven tegen de goede zeden, dat de wetgevingen der verschillende
Vereenigde Staten van Noord-Amerika wat de koppelarij, speciaal het
houden van huizen van ontucht, betreft in zulke bijzonderheden afdalen
en vooral de wetgeving van New-York, dat het voor iemand een groot
waagstuk is zich aan een dergelijk feit schuldig te maken zonder
onder 't bereik der strafwet te vallen. Daarom wil ik hier citeeren
de strafbepalingen uit het op den 1sten Dec. 1882 in werking getreden
strafwetboek voor New-York (voltooid 26 Juli 1881), en wel de Duitsche
vertaling zooals die te vinden is in de bijlage van het 4de deel van
het Zeitschrift für die gesamte Strafrechtswissenschaft.

Art. 282. Wer

1º. ....

2º. eine bisher unbescholtene unverheiratete Frauensperson unter
fünfundzwanzig Jahren in ein Haus von schlechtem Rufe oder in ein
Hurenhaus oder an einen andern Ort zum Zwecke der Prostitution oder
des fleischlichen Verkehrs verlockt oder verführt;

3º. ...

ist der Entführung schuldig und mit Einsperrung bis zu fünf Jahren
oder mit Geldstrafe bis zu 1000 Dollars allein oder in Verbindung
mit einander zu bestrafen.



Art. 322. Wer ein übelberüchtigtes Haus oder ein Bordell irgend
welcher Art oder ein Haus oder einen Ort für Personen hält, welche
zum Zweck unerlaubten fleischlichen Verkehrs oder zu irgend einem
andern liederlichen, unzüchtigen oder unabständigen Zweck besucht
werden, oder wer ein unordentliches Haus oder einen allgemeinen
besuchten Ort hält, wodurch der Friede, die Behaglichkeit oder
der Anstand der Nachbarschaft regelmässig gestört wird, oder wer
als Agent oder Eigentümer ein Gebäude oder ein Teil eines Gebäudes,
wissend dass dasselbe zu einem der in diesem Paragraphen bezeichneten
Zwecke gebraucht werden soll, vermietet, oder einen solchen Gebrauch
eines Gebäudes oder eines Teils eines Gebäudes zulässt, ist eines
Vergehens schuldig.

(Art. 385. Gemeinschaden ist ein Verbrechen gegen die Ordnung und
Wirtschaft des Staates und besteht in einer ungesetzlichen Handlung
oder Unterlassung, welche 2º. den öffentlichen Anstand verletzt.)

Art. 322 maakt het bestaan van bordeelen juridisch
onmogelijk. Juridisch is dan ook onmogelijk de binnenlandsche- en
de importhandel.

Art. 382 2° stelt het strafbare feit der "Verführung" daar; ik zou
het met de koppelarij willen gelijkstellen.

Het artikel geeft evenwel aanleiding tot de meening, dat het
teweegbrengen (of bevorderen) van de ontucht zonder dat het opzet
bestaat, dat dit geschiedt op een bepaalde plaats, buiten het
bereik der strafwet valt. Anders waren toch de woorden "in ein Haus
von schlechtem Rufe oder in ein Hurenhaus oder an einem andern Ort"
geheel overbodig. Valt nu de meisjeshandelaar onder het bereik van dit
artikel? In mijn oog is dit wel mogelijk, voorzoover de vrouw eerbaar,
ongehuwd en beneden de 25 jaar oud is. De interpretatie van het woord
"verlockt" belet deze meening mijns inziens niet; doch tevens vallen
de gevallen er onder, dat de vrouw wel degelijk weet, dat zij in een
huis van ontucht belandt. De buitenlandsche handel wordt natuurlijk
op gelijke wijze getroffen; processueele moeilijkheden zullen hier
natuurlijk dikwijls vrijspraak ten gevolge hebben.

Het Mexicaansche wetboek van 7 Dec. 1871 (Z. f. d. g. Srtr. W. 14e
deel) geldend voor het Bondsdistrict en het Territoir Neder-Californië
wat de gemeene delikten betreft en voor de geheele Republiek wat de
vergrijpen tegen den Bond aangaat, bevat de volgende strafbepalingen,
in verband met mijn onderwerp te vermelden:

Art. 803. Das vergehen der Verführung Minderjähriger wird nur bestraft
wenn es vollendet worden ist.

Art. 804. Wer gewohnheitsmässig die Verführung Minderjähriger unter 18
Jahren bewirkt oder unterstützt, oder die letzteren dazu anregt, um die
schändlichen Eigenschaften eines andern zu befriedigen, wird u. s. w.

Strafverzwaring, indien de minderjarige beneden de 11 jaar is.

Als gewohnheitsmässig gilt dies Vergehen, wenn der Angeklagte es
drei oder mehrere Male ausgeübt hat, auch wenn es sich jedesmal um
ein und denselben Minderjährigen gehandelt hat.

Art. 805 stelt afzonderlijke straffen, indien het delict uit winstbejag
begaan wordt, terwijl 't dan geen delictum collectivum behoeft te
wezen; Art. 806, strafverzwaring in de gevallen van artt. 804 en 805
bij 't bestaan van zekere betrekkingen.

Het komt mij overbodig voor deze artikelen te bespreken, daar ze zóo
veel overeenkomst toonen met de koppelarij-artikelen van vele andere
strafwetten, dat het duidelijk is dat de blanke slavinnenhandelaar
evenmin door gene getroffen wordt als hij onder het bereik van deze
laatst bedoelden zoude vallen, zooals de bespreking van deze te
rechter plaatse ons aantoonde.

Het Braziliaansche Wetboek van 11 Oct. 1890 straft de koppelarij in
art. 278, dat in de Fransche vertaling van dezen inhoud is:

"Induire des femmes en abusant de leur faiblesse ou de leur misère, ou
en les contraignant par des intimidations ou des menaces à s'employer
dans le trafic de la prostitution; leur prêter pour compte propre
ou d'autrui, sous sa propre responsabilité ou sous celle d'un tiers,
assistance habitation et secours dans le but d'obtenir, directement
ou indirectement, un profit de cette spéculation.

(Peine--prison cellulaire d'un à deux ans et une amende de 500 $
000 à 1000 $ 000)."

Dit art. 278 betreft niet den meisjeshandel, want volgens den
duidelijken tekst is de vrouw op de hoogte van het feit dat zij
zich aan de prostitutie overlevert, alhoewel zij zich slechts ten
gevolge van de praktijken die het artikel aangeeft aan de ontucht
overlevert. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart, etc. (II) vind ik
als inhoud van de artt. 277 en 376 het volgende aangegeven: "Kuppelei
(lenocinio, art. 277, 278) is die Herbeiführung, Begünstigung oder
Erleichterung der Prostituierung einer Person, um die unsittlichen
Absichten oder unkeuschen Gelüste eines Anderen zu befriedigen;
gewohnheitsmässige oder gewerbsmässige Begehung ist zur Strafbarkeit
nicht erforderlich."

De Nederlandsche Consul-Generaal van Brazilië, die mij ook den
bovengenoemden tekst van art. 278 verschafte, zegt in zijn schrijven,
dat de politie een vreemdeling, zoodra zij weet, dat hij placeur is,
maar daarvoor de wettige bewijzen niet te bekomen zijn, aan boord
van eene naar het buitenland vertrekkende boot brengt en aldus dwingt
het land te verlaten.

Op welke wijze de koppelarij in het wetboek van Uruguay van 1889
precies strafbaar gesteld is, is mij onbekend. In de Strafgesetzgebung
der Gegenwart II vind ik onder de "Delikte gegen die guten Sitten"
o. a. vermeld "die Verführung Minderjähriger." Ook dit wetboek voldoet
dus blijkbaar niet aan het verlangen, dat het ook den meisjeshandel
kunne treffen.

Tot mijn leedwezen moet ik hetzelfde opmerken aangaande de voorziening
van bepalingen tegen deze handelingen in het wetboek van Argentinië
uit 't jaar 1886. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart wordt slechts
aangegeven dat het bijzondere deel van deze strafwet ook strafbare
feiten "gegen die Geschlechtsehre" bevat. Algemeener kan het werkelijk
niet aangeduid worden. Ik moet mij natuurlijk onthouden uit deze
algemeene aanduiding conclusies te trekken.



§ 14. AZIË.

Wat de strafrechterlijke bepalingen in Azië geldende betreft wensch
ik mij op hetzelfde standpunt te stellen als bij Amerika en mij
te occupeeren met die landen, waar zooals de feiten aantoonen de
meisjeshandel een zekeren omvang bereikt heeft. Het zijn Nederlandsch
Oost-Indië, Japan, Hongkong en de Straits Settlements en Britsch
Oost-Indië.

Art. 250 van het Ned. Ind. Wetb. voor Europeanen gearresteerd bij
Koninklijk Besluit van 10 Febr. 1866 No. 54 (Staatsblad 55) luidt:
"Ieder, die zich tegen de zeden vergrijpt door er zijn werk van te
maken de ontucht of de onzedelijkheid van jonge lieden van de een
of andere kunne beneden de 21 jaren op te wekken, te begunstigen of
gemakkelijk te maken, wordt gestraft etc."

Art. 252 van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders (en Inlandsche
Christenen--Ord. van 6 Mei 1872, ingevoerd 1 Mei 1873) is gelijkluidend
met het juist geciteerde artikel 250 met uitzondering dat voor
Europeesche minderjarigen de leeftijd van 21 jaar, voor Inlandsche
die van 18 jaar gevorderd wordt. Buitendien bestaat er verschil
in strafmate.

Het behoeft voorzeker niet nader aangetoond te worden, dat
bovengenoemde artikelen niet aan onze wenschen kunnen voldoen.



Het Japansche strafwetboek bestaat sedert Juli 1880; in werking
getreden 1 Jan. 1881.

Art. 233 van dit wetboek luidt:

"Wer gewerbsmässig unbescholtene Frauenspersonen zum geschlechtlichen
Verkehre veranlasst, wird mit Zuchthaus bis zu einem Jahre oder mit
Geldstrafe Bakkin bis zu einhundert Yen bestraft."

(Duitsche vertaling uit das Z. f. d. Ges. Strafr. W. 1899.) Het is
werkelijk niet veel, dat het Japansche wetboek ons biedt. Dit artikel
is dan ook volkomen ontoereikend om een placeur te kunnen treffen,
al ware het alleen omdat de vrouw ten opzichte van hetgeen er met
haar gaat geschieden niet onwetend is.



In Hongkong geldt "The Women and Girls Protection Ordinance 11"
sedert 1890, die krachtige maatregelen treft tegen den handel met
Chineesche vrouwen en meisjes met 't oogmerk ze aan de prostitutie
over te leveren. (Die Strafges.geb. der Gegenwart II).

Het is mij niet mogen gelukken een exemplaar van deze verordening
machtig te worden: in Engeland was ze niet verkrijgbaar, in Hongkong
zelf was ze uitverkocht.

Eene wet van 1891 (Ord. 7) verbiedt het houden van bordeelen, indien
zij tot last strekken der omwonenden.



Van de Straits Settlements heb ik vooral het oog gevestigd op
Singapore. "Hier geldt volgens die Strafg. geb. der Gegenwart II een
strafwet (Ord. IV van 1870) die op een enkele uitzondering na volkomen
gelijkluidend is met het strafwetboek van Britsch Oost-Indië.

De strafwet, die in deze koloniën geldt, dateert van 1860. Hier
stelt de leeftijdgrens van 16 jaar een scheidspaal vast. Beneden de
16 jaar kan slechts sprake zijn van "kidnapping" om zoo te zeggen
"schaking". Boven de 16 jaar kan er slechts van verleiding sprake zijn
(abduction); dwang of bedriegelijke middelen moeten aangewend zijn.

Art. 372 en 373 straffen volgens de Strafges.geb. der Gegenw. II
de koop en verkoop van minderjarige meisjes met 't oogmerk ze aan
de ontucht over te leveren. Hoe de tekst dezer artikelen luidt is
mij onbekend.

Ik wil nog vermelden, dat in Britsch Oost-Indië sedert 1883 (Wet
No. XXI) een wet vigeert, die de emigratie regelt.



§ 15. AFRIKA.

In Afrika vragen de Zuid-Afrikaansche Republiek en de Kaapkolonie
een oogenblik onze aandacht.

In de Transvaal werkte sedert 1897 eene wet "tot het tegengaan van
ontucht in de Zuid-Afrikaansche Republiek". Deze wet is vervangen
door eene wet van betrekkelijk zeer recenten datum, te vinden
in de Staatscourant der Zuid-Afrikaansche Republiek van den 11
Oct. 1899. Deze wet van 11 Sept. 1899 zijnde "de Wet op Ontucht"
bevat de volgende in verband met dit onderwerp te vermelden artikelen:

Art. 2, 4, 5, 9.

Art. 2 al. 1 verbiedt het houden van bordeelen. Een zevental nummers
van art. 2 al. 2 werkt het begrip bordeelhouder zeer uit en stelt
met dezen de meest verschillende personen gelijk b.v. ook den
souteneur. Ik veronderstel, dat de minder juiste redactie op 't oog
had de in die nummers genoemde personen onder dezelfde strafbepaling
als den bordeelhouder te willen laten vallen, zonder hem nu juist
met dezen gelijk te stellen.

Art. 4 straft de vrouw die zich prostitueert. Art. 5 treft dezelfde
feiten, die de Engelsche Crim. Law Amendment act van 1885 in art. 8
straft. Art. 9 bevat eene strafbepaling tegen de gewone koppelarij
uit winstbejag ten opzichte van minderjarigen. In art. 2 al. 2 sub. c
wordt als de houder van een bordeel beschouwd:

Art 2.c "Eenig persoon, die eene vrouw of vrouwen van elders invoert
of van de eene plaats naar de andere in deze Republiek vervoert of
laat vervoeren voor onzedelijke doeleinden."

Onder deze strafbepaling valt de placeur; doch het artikel is veel
ruimer gesteld, zoodat het ook treft feiten, die in veel mindere mate
ingrijpen in de samenleving en in de rechtssfeer van den individu. Voor
de bepaling der straf wordt evenwel geen onderscheid gemaakt. Zij is
evenwel ruim genoeg gesteld om den placeur naar behooren te straffen:
gevangenisstraf met of zonder harden arbeid van ten hoogste 5 jaren
met of zonder verbanning uit de Republiek. Welk een verschil toch
tusschen de daad van hem, die een eerbare vrouw met 't oogmerk haar
aan de prostitutie over te leveren in een bordeel lokt, haar evenwel
dat oogmerk bedriegelijk verzwijgende, en de daad van hem, door wiens
tusschenkomst eene beroepsprostituée uit 't eene bordeel naar het
andere overgebracht wordt!

Voor de voltooiing behoeft de ontucht niet gepleegd te zijn. De
exporthandel wordt niet in 't bijzonder zwaarder getroffen; ze zal
er ook niet dikwijls voorkomen; dit zal wel de reden zijn van de niet
bijzondere vermelding in het artikel.

Wat de Kaapkolonie aangaat, zoo vermeldt de Strafges.geb. der
Gegenwart II, dat de grondslag van het aldaar geldende strafrecht
is het Hollandsch-Roomsche Recht. We hoeven hier dus geen
strafrechtelijke bepalingen te zoeken tegen moderne maatschappelijke
euvels. Trouwens vind ik in Hugo de Groot "Inleydinge tot de
Hollandsche Regtsgeleerdheid" door van Groenewegen bewerkt in het
35ste deel van het 3e boek, dat het opschrift "Van Hoon" draagt (§
1 Misdaed jegens de Vrijheyt werd genoemt Hoon) zeer weinig variatie
in de misdrijven tegen de zeden. Koppelarij is hier in 't geheel niet
te vinden.



§ 16. AUSTRALIË.

Bij 't nagaan, wat de strafwetten van Australië ons bieden in
zake koppelarij en meisjeshandel, ben ik aan zeer beperkte bronnen
gebonden. Die "Strafgesetzgebung der Gegenwart II" biedt toch niet
veel, en wat ze ons geeft, is zeer beknopt.

Het strafwetboek van Victoria geldt sedert 1 Aug. 1890 (The crimes act
1890). Het bijzondere deel straft in §§ 42-52: Notzucht, Kuppelei,
Entführung und Verführung. (Gegenwart II). Ik zou mij overigens wel
kunnen onthouden om na te gaan in hoeverre N. Z. Wales, Queensland,
Nieuw-Zeeland, Tasmania in dit onderwerp voorzien; behalve Melbourne
treedt geen andere plaats ter zake van den handel in blanke slavinnen
op den voorgrond. Evenwel wil ik niet nalaten te vermelden dat volgens
Gegenwart II de strafwet van Nieuw-Zeeland uit 't jaar 1893 in Titel
IV Deel XIV het houden van huizen van ontucht verbiedt.



HOOFDSTUK VIII.

CONCLUSIE.


Lombroso in "Das Weib" (pag. 587) de slachtoffers van den blanke
slavinnenhandel onder de rubriek der gelegenheidsprostituées stellende
en de wijze aanstippende, waarop de placeur haar in zijn netten
vangt, laat zich over deze feiten in dezen zin uit: "Unser invalides
Strafrecht weiss diese Scheusslichkeiten nicht zu verhindern." In de
vorige pagina's toonde ik, dat deze uitspraak in hoofdzaak waarheid
bevat. Verschillende pogingen zijn evenwel aangewend om de wetgevende
machten aan te sporen in dit gemis te voorzien. Het geschiedde op
verschillende congressen, die deels dit onderwerp in een der behandelde
vraagpunten mede aanroerden, deels uitsluitend met 't oog op den
handel in blanke slavinnen bijeengeroepen werden. Ik wil vermelden:

1º. het 5de internationale congres van de Féderation Britannique,
continentale et générale den 10-13 Sept. 1890 te Genève gehouden. De
H.H. van Swinderen, van Schermbeek en Bunting waren de rapporteurs over
"l'importante question de la traite des blanches" zooals de voorzitter
het noemde.

2º. het 5de internationale pénitentiaire congres in 1895 te Parijs
gehouden. De meisjeshandel werd behandeld door de 1ste sectie in het
7de vraagpunt, dat luidde: "Quels seraient les moyens repressifs
à adopter contre ceux, qui à l'aide de manoeuvres fallacieuses,
déterminent des jeunes filles à s'expatrier dans le but de les livrer
à la prostitution?"

Afgevaardigden van Engeland, Frankrijk, Rusland en Zwitserland brachten
hier rapporten uit.

3º. het internationale congres voor den blanke slavinnenhandel op
initiatief van de National Vigilance Association den 21-23 Juni
1899 te Londen gehouden. Hier waren vertegenwoordigd Oostenrijk,
België, Denemarken, Frankrijk, Holland, Noorwegen, Rusland, Zweden,
Zwitserland, Engeland en de Vereenigde Staten.

4º. het Congres van de Union Internationale de Droit Pénal in
Sept. 1899 te Budapest vergaderd. Rapporteurs in zake de internationale
bestrijding van den meisjeshandel (4de vraagpunt) waren de H.H. Ludwig
Gruber en Ferdinand Dreyfus.

Het onder I genoemde congres te Genève heeft bij de behandeling
van het onderwerp de materie van den meisjeshandel mijns inziens
niet voldoende afgebakend: het ruime veld der prostitutie wordt
herhaaldelijk betreden. In de resoluties komt dit ook uit. Het congres
uitte den wensch:

1º. Que dans toutes les législations des dispositions pénales
soient prises pour réprimer le fait de tirer un profit direct de la
prostitution d'autrui.

2º. Que des traités internationaux interviennent entre les divers pays
pour le repatriement des filles mineures se livrant habituellement
à la débauche.

3º. Que des traités internationaux soient passés dans le but de
supprimer la traite des blanches, sans égard aux pays dans lesquels
le crime a été commis ou à la nationalité du criminel.

Ten slotte worden nog eenige wenschen geuit aan 't adres van het
comité intercantonal des dames suisses de la Féderation.

Slechts het onder 3º gestelde votum, dat tijdens de debatten
voorgesteld werd, raakt het onderwerp direct. Doch het hierin
neergelegde verlangen is zoo vaag en onzeker gesteld, dat ik met
den besten wil niet zou kunnen verklaren, wat er precies mede bedoeld
wordt. Juridisch mist dit votum alle nauwkeurigheid. Hetgeen hier later
volgt zal dit aanwijzen. De wenschen onder 1º en 2º raken natuurlijk
het onderwerp ook, doch die onder 1º is veel te ruim gesteld en
verraadt haren oorsprong op een congres van eene vereeniging, die zich
tot haar arbeidsveld de bestrijding der prostitutie in 't algemeen
gekozen heeft. Die onder 2º is te beperkt door de invoeging van het
woord "mineures", dat in het oorspronkelijke voorstel niet voorkwam;
te ruim doordat iedere minderjarige prostituée in aanmerking komt om
gerepatriëerd te worden.

Het onder II bedoelde Pénitentiaire Congres te Parijs vereenigde zijne
conclusies op vraagpunt 7 van de 1ste sectie met die op vraagpunt 8 van
de 4de sectie, handelende over de bestrijding van de prostitutie van
minderjarigen en van die meisjes, die door misleiding buitenslands
aan de ontucht overgeleverd worden. Vraag 7 van de 1ste sectie,
die ik supra citeerde, betreft den buitenlandschen handel.

De conclusies van 't congres waren als volgt:

1º. L'embauchage par réclame ou par fraude pour la prostitution,
l'emploi des mêmes moyens pour contraindre toute personne même majeure
à se livrer, à la prostitution, doivent être sévèrement réprimés,
avec aggravation de la peine en cas de récidive.

2º. Il y a lieu de provoquer une conférence des délégués des
gouvernements pour prendre des mesures internationales contre la
traite des blanches.

De eisch onder 1º gesteld wil den meisjeshandel treffen en wel eerst
de enkelvoudige daad. Doch de wensch is niet scherp weergegeven,
want gevallen, waarin de vrouw ook op de hoogte is van het leven, dat
zij gaat leiden, vallen er ook onder. Het bedrog moet juist gericht
zijn, b. v. op den aard der eventueel aangeboden dienstbetrekking;
de vrouw weet dan niet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat
overgeven. Deze eisch is ongeveer geredigeerd als het Fransche
ontwerp-Bérenger, dat ik te rechter plaatse behandelde. Verder
nog éen opmerking. De enkelvoudige daad wil men treffen, doch den
handel zwaarder. 't Komt mij voor dat men hier wil identificeeren
den handel met de recidive van de enkelvoudige daad. Niets is
onjuister. Qua meisjeshandelaar kan men zwaarder gestraft worden
dan de gelegenheidspleger van dit strafbaar feit, ook reeds bij
de eerste handeling mits alles wijst op het uitoefenen van een
beroep. Niets verhindert evenwel, dat de gelegenheidspleger aan de
gewone recidivebepalingen onderworpen wordt, doch hij die handelt in
de uitoefening van een beroep moet zwaarder gestraft worden als de
recidivist van de enkelvoudige daad.

De eisch onder 2º is een zeer gerechtvaardigde wensch en juist gesteld
zonder nadere bijzonderheden aan te duiden.

Zeer belangrijk is 't congres (III) dat in Juni 1899 te Londen
bijeenkwam. Het had uitsluitend ten doel de bespreking van de
bestrijding van den blanke slavinnenhandel. Dit geschiedde op
tweeërlei wijze. Het eerste gedeelte van het congres was gewijd aan
de aanwijzing van bestaande en te nemen maatregelen van juridische
zijde beschouwd, het andere deel aan de aanduiding van die maatregel
van philanthropische zijde.

Het Criminalistische Congres (IV), dat in Sept. 1899 te Budapest
vergaderde, vereenigde zich met de resoluties genomen op het voornoemde
Londensche Congres.

Zij luiden als volgt: (wat het juridisch deel aangaat.)

The Congress expresses the desire:

A. That an Agreement should be come to among the Governments--

1. To punish, and as far as possible by penalties of equal degree, the
procuring of women and girls by violence, fraud, abuse of authority, or
any other method of constraint, to give themselves to debauchery, or to
continue in it; and in cases, where persons are accused of this crime:

2. To undertake simultaneous investigations into the crime, when the
facts, which constitute it occur in different countries.

3. To prevent any conflict of jurisdiction by determining the proper
place of trial.

4. To provide by International Treaties for the extradition of the
accused.

Ik zou mijn betoog vooruitloopen, indien ik reeds naast deze resoluties
mijne kantteekeningen plaatste. Slechts enkele opmerkingen wil ik
mij veroorloven. Vooreerst de zoo vaak elders gemaakte, dat ook
hier niet het ware karakter van den meisjeshandel voldoende in 't
oog is gehouden. Men heeft zich verder weer laten verleiden--en hoe
gemakkelijk geschiedt dat hier niet--de grenzen van deze materie te
overschrijden. De vermelding van "abuse of authority" doet niets ter
zake, daar de gevallen, waarin b.v. ouders misbruik maken van hun
gezag, buiten den eigenlijken meisjeshandel staan. [21]

Zeer terecht wordt op strafrechtelijke repressie aangedrongen. De
gewraakte feiten brengen een rechtsbelang van groote waarde in gevaar,
en wel gevaar voor algeheele vernietiging. De ervaring toont aan,
dat de omvang van het kwaad van dien aard is, dat repressie volkomen
gewettigd is.

In ons land vallen verschillende nationale pogingen te vermelden om
het euvel op die wijze te keeren, zoowel in den boezem der wetgevende
macht zelve als daarbuiten. Van de laatste vermeld ik de reuzenpetitie
kort na de onthullingen van de Pall Mall Gazette in 1885 aan de
2de Kamer der Staten-Generaal gericht met 't doel internationale
maatregelen te verkrijgen tegen den "uitgebreiden handel in vrouwen,
die zich over een groot gedeelte van Europa en zelfs over andere
werelddeelen uitstrekt." Er wordt gewezen op de aanwezigheid van
"Nederlandsche vrouwen in publieke huizen in het buitenland, tot
in Marseille toe." Het adres was onderteekend door een 15000 tal
vrouwen van Nederland, daartoe uitgenoodigd door den Nederlandschen
Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn.

In den boezem der wetgevende macht zelve is voldoende gelegenheid
geweest om op krachtige maatregelen aan te dringen ter gelegenheid
van de bespreking van de door Nederland met andere mogendheden
uitgewisselde verklaringen, die ik reeds vroeger besprak. Laatstelijk
is het nog geschiedt bij de behandeling van de staatsbegrooting
voor 1900. In 't voorloopig verslag lezen we: "Opnieuw maakte de
handel in vrouwen en meisjes, die over de geheele wereld bestaat en
door elke verbetering der verkeersmiddelen wordt in de hand gewerkt,
in eene afdeeling een punt van bespreking uit." Aangedrongen werd op
medewerking van onzen Staat om vooral eenige internationale regelen,
zooals het congres te Londen ze wenschte, tot stand te brengen. Bij
de openbare beraadslaging in de 2de Kamer geschiedde het o.m. ook
nog met aandrang door den afgevaardigde Graaf van Bylandt. Bij beide
gelegenheden was het antwoord van den Minister in dien zin, dat ik
er uit moet begrijpen, dat van onze Regeering het initiatief tot
regeling dezer materie niet behoeft verwacht te worden. Een voorstel
van een buitenlandsche regeering tot het treffen eener regeling in
den geest van de wenschen door de "National Vigilance Association"
te Londen in Juni l.l. uitgesproken, zou zeker in ernstige overweging
worden genomen.

Opmerking verdient het feit, dat slechts de aandacht gevestigd wordt
op den buitenlandschen handel; slechts op internationale maatregelen
wordt aangedrongen. Al moge het waar zijn, dat de nationale handel niet
in dezelfde mate op den voorgrond treedt en zoodoende in mindere mate
het rechtsbewustzijn schokt, als gevolg waarvan krachtige aandrang
geboren wordt om doeltreffende maatregelen in 't leven te roepen,
toch kan de wenschelijkheid niet verheeld worden, dat de opname van
een strafbepaling in ons strafwetboek om de bedoelde handelingen te
keeren niet lang meer op zich moge laten wachten. Is dit geschied, zoo
wordt het individu, dat zich met den buitenlandschen handel occupeert,
ook in de meeste gevallen vervolgbaar. Het voorloopige gemis van
internationale overeenstemming wordt daardoor wel niet volkomen
gedekt, doch op enkele resultaten valt dan toch reeds te wijzen. De
vraag blijft nu op welke wijzen moet eene dergelijke strafbepaling
geredigeerd worden? Dat deze vraag niet van moeielijkheid ontbloot is,
blijkt uit menige poging elders reeds gedaan om den meisjeshandel als
delict in een artikel te belichamen, en dat zoowel door officieele
strafrechtelijke commissies als door vergaderingen en congressen. Doch
meestal zonder gunstige resultaten. Ik wees hierboven passim meer
dan eens daarop. Men begrijpe mij niet verkeerd. Zeer zeker wordt
de placeur door de meeste dier bepalingen getroffen; in zoover is
't doel bereikt. Doch beoogd was eene strafbepaling uitsluitend tegen
placeurs. Door onnauwkeurige ontleding hunner handelingen ontstaat een
veel te ruim gestelde bepaling. In zooverre wraak ik de resultaten der
bovenvermelde pogingen, dat daardoor ook achterhaald worden feiten,
die men zich niet ten doel gesteld had te achterhalen.

Om een goede bepaling te verkrijgen is het noodig de handelingen der
placeurs te ontleden, ontdaan van alle bijomstandigheden, die niet
tot 't wezen der zaak behooren. We krijgen dan successievelijk de
feitelijke bestanddeelen van het delikt voor oogen.

Doch vooreerst nog enkele andere opmerkingen. Ik sprak van het
delikt. Zou het niet de voorkeur verdienen door verruiming der grenzen
van het huidige artikel 250 2º Sw. zoodanig, dat de meisjesverkooper
ook vervolgd kan worden, een nieuw zelfstandig delikt overbodig te
maken? Hierop het volgende ten antwoord.

Dat aan art. 250 2º Sw. gebreken kleven, hebben reeds velen
betoogd. De vereischten der minderjarigheid en der gewoonte maken het
onvoldoende. Doch het blijft een open vraag of ook bij weglating van
deze vereischten het artikel den meisjeshandel wel in zich sluit, of
dat althans de placeur als medeplichtige kan getroffen worden. Is dit
laatste mogelijk, dan rijzen de gewone bezwaren, dat de handelingen
van den placeur eerst strafbaar zijn, wanneer de bevordering van
ontucht voltooid of, binnen de grenzen der wet, gepoogd is. Bij
geval men echter de interpretatie van genoemd artikel zoover mocht
drijven dat men daden van meisjeshandel als indirecte bevordering van
ontucht daaronder zou willen brengen--wat m. i. niet kan, daar ook
bij weglating van de twee genoemde feitelijke deliktsbestanddeelen
toch niets veranderd wordt aan het historisch begrip lenocinium,
dat ook art. 2502º bedoelt te treffen en dat dusdanige indirecte
bemiddeling uitsluit--dan staan wij voor de vraag, of de wetgever zoo
doende zijn goedbedoelde bescherming niet te ver zou uitstrekken, door
meerderjarigen in alle gevallen en onafhankelijk van omstandigheden
als die welke den meisjeshandel karakteriseeren, onder de hoede van de
strafwet te stellen. Mijn bezwaar is dus, dat art. 2502º. niet dusdanig
kan veranderd worden, dat een daad van meisjeshandel daardoor alleen er
bij zou kunnen gestraft worden. En de beoordeeling of het wenschelijk
is, dat ook andere feiten nog strafbaar gesteld zouden moeten worden,
ligt buiten mijn bestek. Ook vordert het behandelen van deze kwestie
bij de wetgevende macht te veel tijd, dan dat een strafbaarstelling
van den handel in vrouwen en meisjes daarop zoude kunnen wachten. Het
strafwetboek is nog niet lang genoeg in werking om met vrucht deze
oude zaken weer te berde te brengen, die bij de behandeling van het
wetboek dezelfde stof tot gedachtenwisseling aanboden als nu. Daarom
wensch ik afzonderlijke strafbaarstelling van daden van meisjeshandel.

Ter wille der duidelijkheid resumeer ik de feitelijke bestanddeelen
van een daad van meisjeshandel aldus: Iemand wil een vrouw aan de
prostitutie overleveren. Bij volkomen bewustheid van wat men met haar
voor heeft, is zij niet over te halen. List, misleiding is noodig,
het oogmerk moet dus verzwegen worden. Hoe de misleiding plaats
heeft is onverschillig, meestal door 't aanbod van een gefingeerde
dienstbetrekking. Dit is de quintessens.

In verband hiermede zou ik dan willen aanbevelen het volgende artikel,
dat ik als artikel 250bis in het strafwetboek zou willen vragen:

Art. 250bis. Als schuldig aan eene daad van handel in blanke slavinnen
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren

1º. hij die opzettelijk wederrechtelijk eene vrouw, met 't oogmerk
haar aan de prostitutie over te leveren en dit oogmerk verzwijgende,
voor de prostitutie aanwerft;

2º. hij die opzettelijk, wetende welk oogmerk de dader heeft en voor
de vrouw wederrechtelijk verzwijgt, dit oogmerk in de hand werkt.

Daarna volge een art. 250ter, dat ik infra zal behandelen en een
art. 250quater van dezen inhoud:

250quater. Als schuldig aan handel in blanke slavinnen kunnen de in de
artikelen 250bis en 250ter bepaalde straffen worden verdubbeld, voor
hem die van het plegen der daar omschreven misdrijven een beroep maakt.

Art. 251 zou ik wenschen in dezen geest te wijzigen en aan te vullen:

Art. 251. "Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en
241-250quater omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel
28 No. 1-5 vermelde rechten worden uitgesproken.

"Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen
249-250quater omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij
van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

"Bij veroordeeling wegens een der misdrijven in artikel 250quater
bedoeld, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

"Indien tijdens het plegen van een der misdrijven in de artikelen
250bis-250quater omschreven nog geen 5 jaren zijn verloopen sedert
eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der misdrijven
in de voornoemde artikelen bedoeld onherroepelijk is geworden, kunnen
de straffen met een derde worden verhoogd.

Toelichting. Het eerste lid van artikel 250bis omschrijft een daad van
meisjeshandel duidelijk; het omvat alle feitelijke bestanddeelen. Het
oogmerk bestaat om de vrouw aan een leven van ontucht over te leveren
terwijl haar dit oogmerk verzwegen wordt. Deze verzwijging kan niet
geschieden, terwijl er geen intentie bestaat om daardoor het bewuste
oogmerk te bevorderen.

Het verzwijgen heeft plaats met dit vooropgestelde doel en kan
niet onwillekeurig geschieden, b.v. omdat de dader in de meening
verkeerde, dat de vrouw van de feitelijke omstandigheden op de
hoogte is, en hij dus de vermelding van de feiten zooals zij zijn,
onnoodig achtte. Het vereischte dat de aanwerving geschiede zonder
dat de vrouw zelve met bewustheid daartoe medewerkt, wordt uitgedrukt
door het woord "wederrechtelijk", dat den eigen, vrijen wil van de
vrouw ten eenenmale uitsluit, terwijl bij minderjarigen het gebrek
aan medeweten en toestemming van ouders en voogden, daarin mede
begrepen wordt. De plaatsing van het woord opzet zorgt er voor, dat
de dader niet, te goeder trouw in de meening verkeerende, dat de vrouw
werkelijk weet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven
(b.v. bij overplaatsing van een prostituée uit 't eene bordeel naar
het andere), veroordeeld kunne worden. Het opzet beheerscht door de
plaatsing al hetgeen volgt. Door ruime erkenning van het opzet bij
mogelijkheidsbewustzijn worde bewerkt, dat de dader zich niet met een
Franschen slag over zijn twijfel heenzet, of de vrouw al dan niet weet,
dat zij een leven van ontucht gaat leiden. Zoo het blijkt, dat hij geen
positieve gronden had om dat aan te nemen of b.v. aan te nemen, dat zij
reeds prostituée was, moet, indien overigens de vereischten daarvoor
aanwezig zijn, veroordeeling volgen. De ondubbelzinnige erkenning en
toepassing van deze schakeering van het opzet maakt het bestaan van
een culpoos delikt naast dit doleuze overbodig en is hier ook onnoodig.

Het delikt is voltooid, zoodra de aanwerving heeft plaats gehad;
het bijkomende oogmerk behoeft niet bereikt te zijn. Dus zoodra
er een bepaalde afspraak, verbintenis bestaat tusschen de vrouw en
den placeur, dan hebben we het delictum consummatum van art. 250bis
eerste lid.

We nemen hier het verschijnsel waar, dat de dader bijna altijd voor
het voltooide delikt zal terechtstaan; de gevallen van strafbare
poging zullen zich betrekkelijk in gering aantal kunnen voordoen, want
dikwijls zal als onbewezen moeten aangenomen worden het vereischte,
dat uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van den wil des
daders onafhankelijk niet is voltooid.

De medeplichtige is strafbaar volgens de gewone regelen b.v. de houder
van een dienstkantoor, die de vrouw willens en wetens in relatie
brengt met een hem bekend placeur, met wien hij volgens afspraak meer
verbintenissen van dezen aard sluit.

Doch er bestaan nog een reeks van helpers, die, omdat zij hun hulp
verleenen na de voltooiing van het delikt, eene gerechte straf zouden
ontloopen. Het zijn degenen, die na de aanwerving, na het sluiten van
de verbintenis tusschen de vrouw en den placeur om b.v. de gefingeerde
dienst aan te nemen, de noodzakelijke keten vormen om het bijkomende,
hun welbekende oogmerk van den dader te doen bereiken. Het zijn de
begunstigers van het delikt, die ik in navolging van art. 48 tweede
lid van de Duitsche wet op het Auswanderungswesen door art. 250bis 2de
lid heb willen treffen. O. a. alle personen, die, onder de vereischten
in dit lid gesteld, successievelijk behulpzaam zijn de vrouw in dien
toestand te brengen, dat zij zich aan de prostitutie overgeeft door
haar b.v. in het bordeel te brengen. In de meeste gevallen zal het
bewijs gemakkelijk te leveren zijn of het vereischte opzet, opzet
bij mogelijkheidsbewustzijn inbegrepen, aanwezig is.

Art. 250quater omschrijft het misdrijf "handel in blanke
slavinnen". Art. 250bis treft de enkelvoudige daad van
aanwerven. "Handel in blanke slavinnen" veronderstelt echter 't
verrichten als beroep. Daarvoor is niet noodig dat er reeds meer
daden verricht zijn, ook een enkele kan een beroepsdaad wezen, mits
aanwezig en bewezen zij de wil om dergelijke daden te herhalen. Dit
is het karakter van een zgn. "beroeps-delikt" in tegenstelling van
een "gewoonte-delikt". De straf wordt hier verdubbeld, omdat hier
een anti-sociale wil voor den dag treedt, die juist wegens zijn
permanentie op zijn krachtigst moet onderdrukt worden.

De invoeging dezer nieuwe artikelen maakt eene aanvulling noodzakelijk
in beide leden van art. 251. Vooral het 2de lid is dan van belang om
b.v. aan dienst- en huurkantoren een verder bestaan te ontzeggen. Deze
juist stichten veel kwaad.

Tevens wensch ik aan art. 250 de boven aangegeven 3e en 4e alinea
toe te voegen.

De openbaarmaking der uitspraak is gewenscht in tweeërlei
opzicht. Vooreerst om in 't algemeen het publiek op het speciëele
geval opmerkzaam te maken zoodat het zich weer helder voor oogen kan
stellen aan hoeveel gevaren de jonge vrouwen blootgesteld zijn; ten
tweede om wantrouwen op te wekken tegen de praktijken van den dader
en zijne eventueele helpers, zoodat 't hun na 't ondergaan van hun
straftijd moeilijker zal vallen vrouwen en meisjes te misleiden.

Art. 251 vierde lid bepaalt een zwaardere straf bij recidive van
de voorgaande misdrijven. Indentiteit is niet vereischt, analogie
voldoende. De recidive verjaart in 5 jaar.

Op deze wijze wordt naar mijne meening op de beste wijze een repressie
voor de bedoelde daden geschapen. Mijns inziens vormt, en vooral voor
onze strafwetgeving, het bovenstaande een deugdelijke basis om op te
bouwen een stelsel van repressie van den buitenlandschen meisjeshandel.

Voor ik verder ga, moet ik blijven stilstaan juist om eenige
algemeene beschouwingen te geven ten opzichte van de bestrijding
van deze internationale wandaden. "Aux maux internationaux il faut
des remèdes internationaux" zegt Bluntschli. Het is juist de vraag:
"wat hebben wij hier te verstaan onder maux internationaux, wat
onder remèdes internationaux?" De beantwoording van deze vragen
moet eenigszins in elkaar vloeien. Met de remèdes hebben we hier te
verstaan strafrechtelijke bepalingen. Met bepalingen van internationaal
strafrecht kan men drieërlei bedoelen.

I. De rechtsregelen, die den omvang van de werking van het inlandsche
strafrecht afbakenen ten aanzien van feiten buiten het territoir
begaan.

II. De rechtsregelen, die de internationale rechtshulp op
strafrechtelijk gebied vaststellen.

III. De door internationale overeenstemming vastgestelde rechtsregelen,
die ten doel hebben de bescherming van internationale rechtsbelangen.

Strafrecht heeft ten doel bescherming van
rechtsbelangen. Internationaal strafrecht, zooals dat onder III
aangegeven wordt, bescherming van internationale rechtsbelangen. Hebben
wij hier te doen met een internationaal rechtsbelang? Wanneer wij
ons een internationaal rechtsbelang voorstellen als een, waarvan
een geheel van staten als de dragers van dat rechtsbelang zich de
bescherming moet aantrekken, dan moet een beslist ontkennend antwoord
volgen. Met een voorbeeld wordt dit duidelijker. Het geven van regelen
met betrekking tot de bescherming van de onderzeesche telegraafkabels,
van de internationale waterwegen zooals dat nu reeds geschied is, ten
opzichte van de bestrijding van het anarchisme, waartoe Spanje [22]
het initiatief heeft genomen, doch dat het heden nog niet geschied
is, is op een deugdelijken rechtsgrond gebaseerd; we hebben hier te
doen met waarachtig internationale rechtsbelangen. Doch bij den blanke
slavinnenhandel hebben wij te doen met zuiver nationale rechtsbelangen,
die evenwel in ruimeren zin door de omstandigheden internationaal
kunnen heeten. Von Liszt drukt dit aldus uit: "Durch internationale
Angriffe kann eine internationale Solidarität der nationalen Interessen
entstehen, und durch diese das an sich nationale Rechtsgut zu einem
internationalen werden."

Doch nog om eene andere reden zou ik niet wenschen op deze wijze
internationale strafrechtelijke bepalingen in het leven te roepen. Ons
internationale publiekrecht heeft nog niet die vlucht bereikt, waarop
het internationale privaatrecht kan bogen. Doch beiden moeten zich
steeds met een palliatief behelpen, waar het geldt het in leven roepen
van internationale bepalingen. Dit palliatief bestaat daarin, dat eene
conferentie van gedelegeerden uit verschillende landen de grondslagen
vaststelt, volgens welke de Regeeringen beloven aan de wetgevende macht
hunner landen voorstellen voor eene wettelijke regeling in te dienen of
er worden resoluties genomen in den vorm van wettelijke bepalingen, die
de bedoelde Regeeringen aannemen door de respectieve wetgevers tot wet
te doen verheffen. Er is geen ander middel mogelijk. De zuiverste wijze
van handelen zou zijn, dat een centraal gezag of centrale wetgever
over die landen bevoegd is de wettelijke bepalingen uit te vaardigen,
die in het internationaal belang noodig blijken te zijn. Doch tot
zulk een hoogte is het internationaal recht nog niet gevorderd,
een dergelijk centraal gezag ontbreekt vooralsnog. Daarom ben ik
eenigszins afkeerig van het gebruik van een dergelijk palliatief
(tot welke punten van verschil dit aanleiding geeft heeft nog
onlangs het internationale tractaat van 1897 voor de regeling van
eenige bepalingen van formeel privaatrecht aangetoond) en zou ik mij
wenschen te houden aan andere onder I en II aangegeven beginselen,
die den grondslag vormen voor een deugdelijke regeling.

De omvang van de werking van ons strafrecht is nauwkeurig aangegeven
in de artt. 2-7 Wetboek van Strafrecht en wel voornamelijk volgens het
territorialiteitsbeginsel. Iedereen is strafbaar voor feiten op ons
territoir gepleegd. Verder onder bepaalde voorwaarden en beperkingen
ieder Nederlander voor in het buitenland gepleegde misdrijven. Ten
slotte ook de vreemdeling, die bepaald aangegeven misdrijven in het
buitenland pleegt. Deze beginselen heerschen in zekere mate meer of
minder verschillend in de meeste strafwetten. In ieder geval ware
't anders wenschelijk, dat zij op gelijke wijze in alle landen
bestonden. Dit zou een gezonde grondslag vormen om de criminaliteit
tegen te gaan, waarnaast tevens een ruime erkenning van het onder II
aangegevene, met name van het instituut der uitlevering, moest bestaan.

Eene dergelijke uniforme regeling en vaststelling van
uitleveringstractaten voor zoover zij nog niet bestaat, zou ik in
alle moderne strafwetboeken ingevoerd wenschen te zien. Dit is van
belang voor de bestrijding van de internationale criminaliteit in
het algemeen, van den internationalen meisjeshandel in het bijzonder.

Doch hiermede hebben wij ons doel nog niet bereikt. Waar het
territorialiteitsprincipe overheerschende is, is het van het grootste
gewicht aan te geven waar het gepleegde feit berecht moet worden,
m. a. w. er mag geen twijfel bestaan aangaande den locus delicti
commissi. Daarom moet zoowel om 't feit, dat ik, zooals blijken zal,
de mogelijkheid van meerdere loci delicti commissi aanneem, als ten
gevolge van de omstandigheid dat in bijna iedere strafwet naast het
territorialiteitsbeginsel nog andere principes gehuldigd worden,
in acht genomen worden, dat er geen botsingen ontstaan tusschen
de strafvordering der verschillende staten. Hiertegen zouden bij
eene internationale conferentie maatregelen te nemen zijn. Van den
buitenlandschen handel wensch ik niet te maken een delictum sui
generis. M. i. voldoet art. 250bis voldoende aan de behoefte, indien
wij het oogmerk om de vrouw of het meisje in ontucht buiten het rijk
te doen leven als verzwarende omstandigheid aannemen. Te meer, daar
de punten van internationaal strafrecht, die ik hierboven aanstipte,
in onze wet reeds grootendeels gevonden worden.

Ik zou deze gequalificeerde daad van meisjeshandel dan willen
neerleggen in art. 250ter, dat dan aldus zou luiden:

Art. 250ter "De schuldige aan een der in het vorige artikel omschreven
misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven
jaren en zes maanden, indien het oogmerk van den dader daarop gericht
was de vrouw in het buitenland aan de prostitutie over te leveren." De
hierop volgende artikelen zijn ook op dit artikel van toepassing,
zooals reeds gebleken is.

Ook hier is voor het voltooide delikt natuurlijk hetzelfde van
toepassing, wat ik supra over art. 250bis zeide. M. i. is de
strafbaarstelling van den buitenlandschen handel op deze wijze
correcter dan ze in art. 48 van het Duitsche Auswanderungsgesetz van
9 Juni 1897 plaats heeft. Daar heet het toch: "Wer eine Frauensperson
zu dem Zwecke sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen mittelst
arglistiger Verschweiging dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet,"
u. s. w. Wat is toch de kwestie? De Verleitung zur Auswanderung kan
plaats gehad hebben om de reis korter te maken b. v. van Maastricht
over Hasselt naar Amsterdam, verder om niettegenstaande het bedoelde
oogmerk als einddoel de vrouw of het meisje in het buitenland eerst
in een overgangsstadium te doen verkeeren. M. a. w. er is hier niet
aangegeven, dat de "gewerbsmässige Unzucht" in het buitenland moet
plaats hebben.

Inzooverre acht ik mijn artikel beter.

De schuldige van art. 250bis tweede lid moet weten, dat de dader dit
oogmerk koestert.

Het strafbare feit is gepleegd. Waar moet het berechting vinden
m. a. w. welke strafwet moet worden toegepast? Wanneer het strafbare
feit gepleegd, voltooid is, gaf ik reeds aan.

Onder A 3 van de resoluties van het Congres te Londen werd besloten:
"To prevent any conflict of jurisdiction by determining the proper
place of trial." Welke redenen aanleiding kunnen geven tot eenig
conflict gaf ik reeds hierboven aan.

Neem aan dat de meisjeshandel zoowel in Nederland als Duitschland op
denzelfden grondslag strafbaar gesteld is; in beide landen heerschen
dezelfde bepalingen ten opzichte van den omvang van de werking der
strafwet. De verleiding van een Hollandsch meisje om in een Duitsch
bordeel te gaan is in Nederland voltooid. Zonder twijfel moet dan de
berechting in ons land plaats hebben. Heeft evenwel het misdrijf van
art. 250bis jo 250ter 1º deels in Nederland, deels in Duitschland
plaats gehad, dan zou ik van het volgende beginsel wenschen uit
te gaan. Waar een misdrijf deels in het eene land, deels in het
andere land is gepleegd, mag de rechtsorde in beide landen zoodanig
daarbij betrokken geacht worden, dat berechting in beide landen
gerechtvaardigd is. Zoolang dus slechts een deliktsbestanddeel in
het eene land gepleegd is, is ook de rechter van dat land bevoegd
in te grijpen. Heeft b. v. het misdrijf plaats van 250 bis 2e lid:
de begunstiger neemt in Keulen het meisje van den placeur of het
plaatsbureau onder zijn hoede en reist met haar naar Amsterdam,
waar zij in een bordeel geplaatst wordt. Zoowel de Duitsche als de
Nederlandsche rechter zijn dan bevoegd. Aan welken moet dan evenwel
de berechting overgelaten worden? Dit geschilpunt zou ik wenschen,
dat ook op een internationale conferentie uitgemaakt werd. Bij slot
van rekening zal, dunkt mij, de processueele opportuniteitsvraag
den doorslag moeten geven. Welke rechter zal het dan wel moeten
zijn? Zeer moeilijk is het in weinige woorden de wenschelijkheid van
't een of andere beginsel te bepleiten. Is de rechter bevoegd der lex
originis van den dader of van de vrouw? Soms de rechter van 't land,
waar de vrouw zich aan de ontucht overgeeft? Of wellicht van het forum
deprehensionis? Deed ieder geval zich zeer eenvoudig voor, dan zou ik
het laatste beginsel verkiezen, om mij aan 't bovengenoemde voorbeeld
te houden: de dader wordt te Amsterdam gevat. Om processueele redenen
zou ik n. l. in dit geval aan het forum deprehensionis den voorkeur
geven. Doch dit beginsel is ook niet vol te houden, daar juist wegens
het ambulante van de bezigheid van den dader deze wellicht na 1 of 2
dagen in België, Frankrijk, Oostenrijk of Engeland verblijft en daar
gevat wordt. Dan moet er uitlevering plaats hebben, doch aan wien?

Aan Nederland of aan Duitschland? Na nauwgezette overweging komt
't mij voor, dat bij internationaal tractaat de rechter van dat land
tot de berechting bevoegd is, waar de vrouw thuis behoort; ik bedoel
hier niet hare nationaliteit, maar daar waar zij woont, van waar men
dus mag verwachten, dat in de meeste gevallen de verleiding begonnen
is. En processuëele redenen op den achtergrond schuivende omdat zich
toch steeds moeilijkheden zullen voordoen, die bij tractaat moeten
opgelost worden, geef ik dit voor de aanneming van gemeld beginsel
als hoofdargument op, dat juist daar, waar de vrouw thuis hoort
het rechtsbewustzijn het meest geschokt is door het plegen van het
misdrijf tegen iemand, die alom meer of minder bekend is.

Voor de strafprocedure is vooral met 't oog op 't bewijs van eminent
belang de rechtshulp van het andere land b.v. om te weten te komen
of de dader werkelijk het bewuste oogmerk bezat.

't Is buitendien van het hoogste belang voor de ontwikkeling van het
internationaal strafrecht in 't algemeen, voor de berechting van den
meisjeshandel in 't bijzonder, dat tractaten regelen, in hoeverre
vreemdelingen gedwongen kunnen worden als getuigen gehoord te worden,
of en in welke gevallen zakelijke bewijsmiddelen ten dienste van een
strafproces afgestaan kunnen worden, in hoeverre rogatoire commissiën
toelaatbaar zijn en de dwang voor den vreemde rechter bestaat om aan
de verzoeken te voldoen. De consulaten zouden in deze kwesties ook
een rol kunnen vervullen. Wie de kosten der rechtshulp moet dragen
en de regeling hiervan moet alsdan ook vastgesteld worden.

Daar bij deze strafbare feiten dikwijls meer dan een persoon betrokken
is, die ieder zelfstandige feiten plegen waarvan het complex de vrouw
ten val moet brengen, zal in 't belang van het onderzoek in vele
gevallen voeging noodig blijken te zijn. Voor den Nederlandschen
rechter geeft het wetboek van strafvordering eenige gevallen van
connexiteit (art. 87-91). Aldus zou een tractaat ook voor connexiteit
in gevallen van internationalen meisjeshandel voeging kunnen ordenen.

Voor het geval een Nederlander in het buitenland een der strafbare
feiten van art. 230bis-250quater begaat, zijn de artt. 52º en 68 van
het Wetb. v. Str. in acht te nemen.

Ten opzichte van de toepassing van art. 251 vierde lid n.l. de recidive
van daden van verkoop van vrouwen wensch ik het groote belang te
betoogen, dat individuën, reeds in een anderen staat een strafvonnis
ter zake van een dergelijk feit ten hunne laste hebbende, in onzen
staat, als recidivisten zullen veroordeeld worden en omgekeerd.

Wanneer eens als gevolg van eene internationale conferentie de bedoelde
feiten op denzelfden grondslag strafbaar gesteld zullen zijn, dan kan
er geen bezwaar bestaan bij tractaat, dat daarna voor onzen Staat
wettelijk goedgekeurd zal zijn, aan het buitenlandsche strafvonnis
internationale rechtskracht te verleenen, althans voor zoover dat
voor de recidive noodig zal blijken te zijn.

In aanmerking nemende, dat de boven ontworpen strafbepalingen, hoe
streng zij ook zijn, dikwijls niet bij machte zullen zijn preventief
te werken uit hoofde van het feit, dat de te behalen winsten van
dien aard zijn, dat men hare strengheid durft trotseeren, verder dat
degenen, te wier behoeve de werving geschied is, evenzeer een groote
mate van criminaliteit openbaren, wensch ik nog aan te bevelen een
nieuw artikel, dat als art. 250quintus een geval van gequalificeerde
koppelarij moet opleveren. Het luidt aldus:

Art. 250quintus. Hij die opzettelijk het plegen van ontucht door
eene op de wijze in art. 250bis of ter omschreven voor de prostitutie
aangeworven vrouw met een derde teweegbrengt of bevordert, wordt als
schuldig aan begunstiging van handel in blanke slavinnen gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. [23]

Ten slotte acht ik voor het behoud van art. 452 Sw. geen gegronde
argumenten aanwezig. In Hoofdstuk VI § 1 bij de behandeling van de
wetgeving in Nederland besprak ik dit artikel uitvoerig. Ik wil daarom
hier niet in herhalingen vervallen door deze mijne meening nog maals
te argumenteeren.

Doch hoe te zorgen dat deze strafbepalingen geen doode letter
blijven? Hier moet de politie aan 't woord komen. In deze materie
heeft zij een groote rol te vervullen. Hare taak is tweeledig;
preventief: ter voorkoming en afwending van deze gevaren; repressief:
ter opsporing van deze gepleegde delikten. Op dit laatste deel van
haar taak doelde ik zooeven. Laat ik evenwel de justitiëele politietaak
aanstonds behandelen.

Duidelijk heb ik reeds in het begin dezer proeve doen uitkomen, dat
ik niet veel heil verwacht van opheffing van bordeelen ten opzichte
van deze feiten. Integendeel streng toezicht op de bordeelen acht ik
van meer nut. Zoowel preventief als repressief kan de politie werkzaam
zijn, als zij een onbeperkt recht van toegang heeft in deze huizen. In
die gemeenten, waar het houden van een bordeel op straffe verboden
is, moest de wet verlof verleenen, dat de dienaren der politie bij
vermoeden van overtreding zoo ruim mogelijke bevoegdheid verkrijgen,
b. v. met schriftelijke toestemming van het hoofd der plaatselijke
politie, de verdachte huizen binnen te treden.

Van groot belang acht ik, dat de politie op de hoogte gekomen van
verdachte handelingen van suspecte individuën openlijk waarschuwingen
richt aan het publiek. Particuliere vereenigingen kunnen haar groote
diensten bewijzen.

Met enkele woorden wil ik wijzen op enkele punten, die Dr. Gruber in
zijn rapport op 't Criminalisten Congres te Budapest, Sept. 1899,
onder zijn desiderata rangschikte. Eventueele uitreiking van een
buitenlandsche pas moest geweigerd kunnen worden aan minderjarige
vrouwen, die 't land onder verdachte omstandigheden verlaten
willen. Uitschrijven van belooningen aan de aanbrengers van deze
gewraakte praktijken. M. i. een zeer af te keuren beginsel. Bewaking
van stations en stoombootaanlegplaatsen, rondreizende vrouwelijke
politiedienaren. Photographieën en metingen volgens Bertillon
genomen van de bekende de koppelarij uitoefenende individuën aan
de politieoverheden der groote steden te zenden en verder van
deze stukken een internationaal ruilsysteem in 't leven te roepen,
zou Dr. Gruber wel willen aanbevelen.--Ofschoon dit laatste votum
meer als een algemeene wensch voor eene doortastende bestrijding
der internationale criminaliteit mag aangemerkt worden, ontken ik
haar groot belang niet voor de bestrijding van den meisjeshandel in
't bijzonder. Onderlinge civiliteit van de politiemagistraten der
verschillende landen is juist, behoudens enkele uitzonderingen, in deze
materie het eenige, dat dienstbaar gemaakt wordt aan 't keeren van deze
internationale criminaliteit. Doch van groot gewicht moet geacht worden
zoowel voor de repressie als voor de preventie van deze misdrijven
eene op internationale overeenstemming berustende wederzijdsche
verplichting der politieoverheden elkaar de noodige inlichtingen,
gevraagde hulp--deze laatste nader te omschrijven--te verleenen om
deze euveldaden af te wenden, de gevolgen ervan te keeren. (Zonder
twijfel is ook voor de bestrijding van de internationale misdadigheid
in 't algemeen van belang, dat dergelijke politieëele bevoegdheden
en verplichtingen in algemeene bewoordingen omschreven worden.)

Wat nu reeds als internationaal collegiale vriendelijkheid wel betracht
wordt behoorde een wettelijken, althans een bij tractaat vastgestelden
grondslag te hebben; b.v. het wederzijds op de hoogte brengen van doen
en laten van beruchte individuën, van verdachte lieden, voorzoover dit
tenminste volgens 't oordeel der politieoverheid zelve haar voor de
handhaving der rechtsorde in ruimeren zin doeltreffend voorkomt. Wat
deze materie speciaal aangaat kan der overheid van de plaats van
bestemming, indien deze bekend is, verzocht worden een oogje in 't
zeil te houden in gevallen waarin personen onder min of meer verdachte
omstandigheden, die evenwel nog tot geen ingrijpen aanleiding kunnen
geven, het land verlaten.

Wanneer eenmaal het strafbare feit gepleegd is, (of wanneer
men vermoedt dat er een gepleegd is) treedt de politie als
justitiëele op. Zij staat hier onder het gezag der justitiëele
ambtenaren zelve. Hare bevoegdheid en plicht om hier in het belang
der internationale bestrijding van den meisjeshandel op te treden
hangt dus af van de bevelen haar gegeven door de justitie zelve, wier
bevoegdheid, van internationaal formeel strafrechtelijk karakter, om
bevelen uit te vaardigen, weer afhangt van de op tractaten of wetten
steunende bevoegdheden en plichten om in dezen werkzaam te wezen. Welke
desiderata hier te vervullen zijn, besprak ik reeds hierboven.

Waar het misdrijf gepleegd is, kan het kwaad reeds geleden zijn en
is 't ook mogelijk, dat de gevolgen nog niet zijn ingetreden. In 't
eerste geval moeten de verdere gevolgen gekeerd worden, in 't tweede,
het intreden afgewend. Met andere woorden het slachtoffer moet in
bescherming genomen worden. Dit gebiedt ons ook art. 4 eerste lid van
onze Grondwet. Hier bij den buitenlandschen handel komt dan vooral in
aanmerking de zorg, dat de vrouw gelegenheid hebbe het land te verlaten
en naar haar eigen land terug te keeren, dat zij te kwader ure zonder
volkomen vrijheid van toestemming (in den meest ruimen zin) verliet.

Bij tractaat moeten de zich aansluitende staten de verplichting op
zich nemen iedere vrouw, die aan de ontucht overgeleverd is door
misleiding van anderen op haar verzoek weder naar het land, waar
zij woonde (natuurlijk, mits zij onderdaan was van een der staten
onderteekenaars van het tractaat) terug te leiden. Doch ieder land
moet dan voor zich zelve regelen stellen om uit te maken, dat van
dit favoriet-voorschrift geen misbruik gemaakt worde, b.v. door eene
vrouw, die wel als slachtoffer van een placeur gevallen is doch
zich binnen korter of langer tijd volkomen verzoend heeft met het
ontuchtig leven. 't Zou toch mogelijk zijn, dat een dergelijke vrouw
na langen tijd den aandrang in zich voelde opkomen om kosteloos naar
haar land terug te keeren. Hiertegen moet gewaakt worden. Het verdrag
moet dan voorschrijven, dat hierop nauwkeurig toegezien moet worden,
en de nationale wetgeving hiertegen doeltreffende regelen moet geven.

Ten opzichte van minderjarigen moet dan nog dit beginsel aangenomen
worden, dat zelfs tegen haar wil de meisjes op verzoek der personen die
volgens de wetten des lands gezag over haar hebben, kunnen teruggevoerd
worden, natuurlijk slechts dan, wanneer zij door toedoen van placeurs
prostituées zijn geworden. (wenschelijk is 't, dat 't ook in alle
andere gevallen geschiede, doch dit raakt de materie, die ik behandel,
niet.) De status ante moet toch zooveel mogelijk hersteld worden.

Dit terugvoeren naar het land, waarvan de vrouw herkomstig is,
is zuivere politietaak. Bij de behandeling der drie verklaringen
tusschen Nederland eenerzijds en België, Oostenrijk en Duitschland
anderzijds sprak ik over de zoogenaamde "uitleiding" uitvoerig.

Ik wees er daar reeds op, dat in het laatste geval de politie optreedt
als gevolmachtigde der gezaghebbenden, hetzij ouders of anderen. In
het eerstgenoemde geval, dus daar waar zij de terugkeer bewerkstelligt
van haar, die in den val gelokt zelf verzoekt uitgeleid te worden,
treedt eene taak der politie op den voorgrond, die een uitvloeisel is
van haar algemeene bevoegdheid en plicht op te treden en in te grijpen
waar de zorg voor de veiligheid der rechtsorde en voor de bescherming
van het individu dergelijk ingrijpen rechtvaardigen. Grondwettelijken
steun vindt deze zorg voor vreemdelingen in art. 4 Grondwet.

Om reciprociteit te waarborgen en efficaciteit van den maatregel
te bewerkstelligen is vaststelling en nadere regeling bij tractaat
gewenscht. Wat de financiëele lasten betreft, die mogelijkerwijze
op den Staat zouden kunnen drukken, is nadere wettelijke goedkeuring
vereischt in volge art. 59 tweede lid van onze Grondwet.

Met nadere regeling van de uitleiding bij tractaat bedoel ik juist
eene regeling, die ten doel heeft te zorgen, dat met de uitleiding
werkelijk gevolgen bereikt worden, die haar in waarheid den naam kunnen
geven van een maatregel te zijn ter bescherming van het slachtoffer
van den meisjeshandel.

Men heeft getracht in de respectieve drie verklaringen zooeven genoemd,
ook aan dezen eisch te voldoen. M.i. zou dit het beste resultaat
opleveren. Daar waar het verzoek geschiedt door de vrouw of het meisje
zelf, moet bij tractaat de verplichting opgelegd worden, dat de politie
van het land, waar de vrouw zich tijdelijk bevindt, aan de politie
van het land, waarheen de vrouw uitgeleid wordt (in casu b.v. van de
plaats, waarvan zij herkomstig was) kennis geeft van plaats en tijd
der uitleiding; nadere inschikkelijkheden moeten geheel afhangen van
het plichtsgevoel der betrokken autoriteiten en van haar onderlinge
overeenstemming. Waar beide staten niet aan elkander grenzen, moet
deze zelfde hoofdregel in acht genomen worden. De overheid van den
anderen staat kan dan of zelf aan de plaats van uitleiding de hoede
over de vrouw op zich nemen of zij kan schikkingen treffen met den
staat van doorreis om het terugbrengen zoo doeltreffend en economisch
mogelijk te bewerkstelligen.

De staat, waar het meisje zich bevindt, moet op zich nemen in de
gevallen, waarin de personen die gezag over de minderjarige hebben
het verzoek tot de overheid richten, hun zelf bericht te geven van
de plaats en tijd der uitleiding. Nadere afspraken kunnen tusschen
de politie en deze personen gemaakt worden. En de ouders of anderen
kunnen aan de politie van hun eigen land het verzoek richten als hun
gemachtigden op te treden.

Doch in het laatste geval is de kostenkwestie een belangrijke
factor. Van welk standpunt moeten wij uitgaan? Er bestaan slechts
2 mogelijkheden: òf de respectieve staten dragen alle kosten òf
de belanghebbenden doen dit. Een derde mogelijkheid dat beiden ze
zullen dragen moet reeds aanstonds verworpen worden bij gebreke van
hoegenaamd iederen maatstaf, die voor deze deeling geschikt zou kunnen
zijn. Ik ga hier vooral uit van de rechtsbeginselen geldend in onzen
Nederlandschen Staat. En dan pleit m.i. het beginsel waarom in deze
materie ingegrepen wordt, n.l. de bescherming van hoogst gewichtige
rechtsbelangen, geheel voor de beslissing dat de staat of staten de
kosten zullen dragen. En verder nog een negatief argument, dat in het
tegenovergesteld geval de ouders door te hooge kosten ervan afgeschrikt
kunnen worden het belang hunner kinderen te bevorderen door hun
uitleiding te verzoeken. De kosten zouden bovendien in vele gevallen
wegens insolventie der betrokken personen niet te verhalen zijn.

Elders wees ik reeds op de gewichtige taak, die in deze stof de
consulaire ambtenaren te vervullen hebben; daarheen verwijs ik in
hoofdzaak op deze plaats (zie pagg. 77, 128-130.)

Dit zijn de desiderata, waarvan de vervulling, naar het mij voorkomt,
in werkelijkheid de koop en verkoop van meisjes in dien zin, dat
er werkelijk ernstig gevaar voor de integriteit van gewichtige
rechtsbelangen ontstaat, en welke ik in deze proeve behandelde,
zal kunnen tegengaan. Met alle bescheidenheid bied ik deze te nemen
maatregelen de bevoegde machten dan ook ter overweging aan.

Bestaat er evenwel een gegrond motief voor onzen Minister van
Justitie om niet het initiatief te willen nemen tot de internationale
bestrijding van dit kwaad? Dat de binnenlandsche handel niet in die
mate bestaat, dat zij een dergelijk initiatief zou rechtvaardigen geef
ik toe, maar daarvoor wordt ze ook niet verlangd. Doch de import is
omvangrijk genoeg om krachtige maatregelen van internationalen aard
te treffen. Iedere staat toch heeft een roeping te vervullen zoowel
ten opzichte van zijn ingezetenen als van de op 't gebied van dien
staat komende vreemdelingen. Ik verwijs nogmaals naar art. 4 eerste
lid van onze Grondwet.

Dit artikel heeft een dieperen zin, dan de eerste lezing zou doen
vermoeden. Gelijke aanspraak hebben allen, die zich op 't grondgebied
van het Rijk bevinden, op bescherming van persoon en goederen. Het valt
niet te ontkennen, dat het de plicht van iederen staat tegenover zijn
eigen onderdanen is de verwezenlijking van hun geluk zooveel mogelijk
te bevorderen door hun belangen voorzoover het kan geschieden zonder
dat de staat zijn werkkring overschrijdt, in bescherming te nemen.

Het grondwetsartikel gebiedt dit ook ten opzichte van
vreemdelingen. Men interpreteere het dus niet te eng door er slechts
in te lezen, dat op den vreemdeling behalve de in art. 4 tweede lid
genoemde gevallen geen uitzonderingsgevallen op de positief bestaande
beschermingsvoorschriften toelaatbaar zijn.

Neen, maar waar voor den onderdaan eventueel in hetzelfde geval
verkeerende als de vreemdeling maatregelen ter bescherming zouden
geschapen worden, daar moeten indien de vreemdeling in dat geval
verkeert, dezelfde pogingen tot bescherming aangewend worden.

Daarom zou 't mij voorkomen, dat het met deze voorgaande beschouwingen
in overeenstemming is, en niets er zich tegen verzet, dat van Nederland
ook in deze materie het initiatief voor eene internationale regeling
uitgaat en naar mijne bescheiden meening een regeling 't beste
gebaseerd op de door mij in dit proefschrift voorgestane beginselen.



NASCHRIFT.


Na het afdrukken van dit proefschrift verscheen in het Zeitschrift
für die gesamte Strafrechtswissenschaft (20ster Band 4es Heft) een
artikel van Dr. jur. Karl Hatzig, getiteld "Der Mädchenhandel".

In de literatuuropgave, die boven het opstel staat, mis ik een van de
voornaamste bronnen en wel de rapporten van het Pénitentiair Congres in
1895 te Parijs vergaderd. De tijd ontbreekt mij eene uitvoerige kritiek
te leveren over dit opstel, dat een dertigtal pagina's druk bevat.

Nieuwe gezichtspunten in zake deze materie vind ik er niet in
geopend. Integendeel de opvattingen, die de schrijver huldigt,
stemmen in generali overeen met die, welke ik in mijn proefschrift
neerlegde. Doch juist daarom bevreemdt het mij des te meer, dat
het door Dr. Hatzig ontworpen artikel den indruk geeft als te zijn
voorgesteld door iemand, wien het juiste karakter van den handel in
blanke slavinnen onbekend is.

Zijn artikel luidt aldus:

"Wer gewerbsmässig eine Frauensperson zu Zwecken der gewerbsmässigen
Unzucht anwirbt, wird mit Zuchthaus bestraft u. s. w."

Men ziet, dat de vermelding van het bedriegelijk element in dit artikel
verwaarloosd is, ten gevolge waarvan ook vele andere handelingen,
die geheel buiten den meisjeshandel vallen en wellicht geen misdadig
karakter bezitten, onder deze strafbepaling zouden vallen.

Op zich zelf staande daden van meisjeshandel wil S. blijkbaar
ongestraft laten.



AANTEEKENINGEN


[1] Bij het later gehouden onderzoek bleek, dat voor een 50-tal
bordeelen van Frankrijk, België en Holland, Engelsche vrouwen en
meisjes op dergelijke bedriegelijke wijze verhandeld werden.

[2] Hetgeen hier in dit hoofdstuk volgt, zal aan den eventueelen lezer
wellicht de opmerking ontlokken, dat het in hoofdzaak bevat feiten
van algemeene bekendheid. Dit geef ik gaarne toe. In welken moreelen
en physieken toestand de prostituée en vooral de bordeel-prostituée
zich bevindt mag van algemeene bekendheid verondersteld worden. Doch
ter wille der volledigheid mocht ik niet nalaten toch nog een en
ander duidelijk aan te geven. En de systematische wijze, waarop dit
geschied is, toont den lezer aan, dat het niet zoozeer mijn doel was
beschrijving van de positie der prostituée, als wel aanduiding van
de meer of mindere mate, waarin de gezegde rechtsbelangen gekrenkt
worden, indien het bewuste oogmerk bereikt wordt.

[3] Zie de onthullingen van de Pall Mall Gazette over de Belgische
politie. Zie verschillende rapporten op het Pén. Congres '95.

[4] Op enkele uitzonderingen na zijn de door mij hierboven aangehaalde
gevallen te vinden in het Bulletin Continental. Al mag verwacht worden,
dat organen van vereenigingen, die zich met zgn. Prinzipienreiterei
bezig houden, zich wel eens aan overdrijving zullen schuldig maken,
zoo zal meestal toch de kern waarheid zijn. Het Bulletin Continental
boezemt mij evenwel vooral door zijn bezadigdheid en verder door het
nauwkeurig aangeven der gevallen, vertrouwen in. De Heer Yves Guyot
doorspekt zijn geheele verslag op 't Pénitentiair Congres (Parijs)
van 1895 met citaten uit dit maandelijks verschijnend blad. Ik achtte
het echter mijn plicht een greep uit de door mij aangehaalde gevallen
te doen en de meer of mindere waarheid daarvan te controleeren. Ik heb
het laatst genoemd geval genomen en den Hoofdcommissaris van Politie
te Rotterdam verzocht mij te willen melden, of het feit naar waarheid
geschetst was. Ter contrôle citeer ik het daartoe betrekking hebbend
deel uit diens antwoord.

»In Maart 1895 heeft een Belgische placeur in een bordeel alhier,
gehouden door eene Oostenrijksche vrouw, een Belgisch meisje van
17 jaren gebracht, 't welk daar slechts eenige uren heeft vertoefd,
nadat zij met dien placeur te zamen (in een kamer, ingeschreven als
man en vrouw) den nacht in een groot hotel alhier had doorgebracht
om daarna via Berlijn naar Riga te reizen, waar zij in een bordeel
van eene Oostenrijksche vrouw, Rabuchin, zou worden geplaatst. Deze
laatste vrouw werd in het bordeel van hare landgenoote aangehouden en
door bemoeiingen mijner administratie de placeur met het minderjarige
meisje gearresteerd, terwijl de Oostenrijksche bordeelhoudster bij
terugkomst te Rotterdam werd aangehouden. Zij werd aan de Belgische
justitie uitgeleverd evenals de bordeelhoudster van Riga en beide
vrouwen werden tot vele jaren tuchthuis veroordeeld te Brussel,
terwijl het bordeel werd opgedoekt. De Oostenrijksche bordeelhoudster,
destijds hier gevestigd heette Anna Tabatz, hare collega uit Riga
Alexandrina Rabuchin.

[5] Te vinden in een Duitsche correspondentie in een Handelsblad van
den zomer 1899.

[6] N.B. 1. In Duitschland is het door misleiding verlokken van
meisjes om zich in den vreemde aan de prostitutie over te geven met
strenge straffen bedreigd: hoogstens 5 jaar tuchthuis, ten hoogste
6000 Mark boete, politietoezicht. 2. Sedert het verbod der bordeelen
te Amsterdam is de verklaring met Duitschland uitgewisseld voor deze
stad van geen waarde meer. (Doch hierover later.)

[7] "Das Strafgesetzbuch für das Deutsche Reich in seiner gegenwörtigen
Gestalt" (Uitgave Heule en Schierlinger) art. 180. noot 6.

[8] Jaargang 1895 "Ueber den Einfluss der Kasernirung der Prostituirten
auf die Ausbreitung der Syphilis."

[9] Velen onder hen vallen het artikel scherp aan o.a. op dezen
evenzeer merkwaardigen als onjuisten grond als zouden de bordeelen
door dit artikel een soort wettelijke sanctie verkregen hebben.

[10] Hier moet onderscheiden worden: dit verzet zal b.v. plaats hebben
omdat de vrouw niet meer naar haren man terug wil; niet omdat zij in
haar leven van ontucht wil blijven, want dan ontbreekt het vereischte
voor de uitleiding dat zij tegen haar wil een ontuchtig leven leidt.

[11] Zie art. 17 van het door de wet van den 31 December 1897
(Stbl. no. 275) goedgekeurd op 14 Nov. 1896 te 's Hage gesloten verdrag
tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van
sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht op de burgerlijke
rechtsvordering betrekking hebbende.

[12] Gemakshalve en ter bekorting zal ik in de volgende bladzijden
in hoofdzaak spreken van de ouderlijke macht.

[13] Te vergelijken met het wetsontwerp over hetzelfde onderwerp,
ingediend door Minister van der Kaay, doch bij verwisseling van
Ministerie met Koninklijke machtiging ingetrokken, voordat het in de
afdeelingen der Tweede Kamer was onderzocht.

[14] De wet is streng. Juist daarom is merkwaardig te vernemen wat
Yves Guyot in zijn rapport op 't Penitentiair Congres te Parijs in
1895 gehouden over de werking van die wet vermeldt.

"Le Criminal law amendment act est en vigueur depuis 1885. Il a donné
lieu à des dénonciations et à des chantages; il n'a supprimé ni les
proxénètés ni les brothels, ni les rapports sexuels dans des maisons
installées dans ce but, parce qu'il y a des hommes et des femmes, qui
cherchent à avoir des relations entre eux, en dépit des dispositions
législatives; et ils les éludent."

[15] Ik moet er nog op wijzen, dat de artt. 379 en 380 vorderen,
dat het plegen van ontucht voor het voltooide misdrijf moet plaats
gehad hebben.

[16] Proposition de loi "sur la prostitution et les outrages aux
bonnes moeurs."

[17] Les femmes, qui exploitent des lieux de prostitution doivent faire
enregistrer dans les vingt-quatre heures, au bureau administratif du
dispensaire de salubrité, les filles qui se présentent chez-elles
pour y demeurer et s'y prostituer. Les infractions à cette règle
peuvent entrainer la suspension ou le retrait définitif de la
tolérance. (Rapport van den Heer Lecour, op 't Pénitentiair Congres
te Parijs 1895).

[18] De wet van 21 Jan. 1897 (R. Ges. Bl. 27.) geeft voor Oostenrijk
voorschriften met betrekking tot de emigratiekantoren.

[19] De exporthandelaar kan mogelijk nog getroffen worden door de
bepaling, waardoor hij die eene minderjarige of getrouwde vrouw met een
ontuchtig doel aanzet het land te verlaten, gestraft wordt. (Hoofdstuk
15, art. 8 of 18).

[20] Tevens moet vermeld worden een Koninklijk Besluit van 28 Mei
1886; volgens dit besluit kan iedere vreemdeling zonder middelen van
bestaan, en geen moeite doende om op eenige wijze werkzaam te zijn
ter voorziening in zijn onderhoud, maar gevaar opleverende voor de
algemeene zedelijkheid etc. naar het land, vanwaar hij afkomstig is,
teruggezonden worden.

[21] Men verwijte mij geen inconsequentie. Zooals ik zeg, de gevallen
van "abuse of authority" zijn niet onder den blanke slavinnenhandel te
ordenen. Hier wordt toch gedoeld op "abuse of authority" als middel,
waardoor de kinderen vallen. Waar ik hierboven in dit geschrift
sprak van verwaarloozing of misbruik van gezag, was sprake van een
der oorzaken, die de resultaten van den handel in vrouwen en meisjes
kan bevorderen.

[22] Na den aanslag te Barcelona is een dergelijk voorstel uitgegaan
van Spanje. Het is evenwel afgestuit op den tegenstand van Engeland,
dat zich door zijn geïsoleerde ligging immuun genoeg gevoelde om het
vooralsnog zonder dergelijke internationale strafrechtelijke regelen
te kunnen stellen. "Les répressions des attentats anarchistes" par
M. Albéric Rolin in de Revue de droit international et de législation
comparée, tome 26, pag. 150.

[23] 't Is natuurlijk, dat, indien in een gegeven geval de vereischten
voor strafbaarheid ter zake van medeplichtigheid aan verkrachting
aanwezig zijn, in volge art. 55 de bepaling van art. 242 jo art. 48
toegepast moet worden.



STELLINGEN.


I.

Het Justiniaansche Recht vorderde niet, dat het pas geboren kind,
om rechtssubject te kunnen zijn, levensvatbaar was.


II.

Door welke omstandigheden de verantwoordelijkheid van den voogd voor
't beheer van de goederen van een minderjarige ook moge verminderen,
steeds zal vermindering van de hypotheekstelling toegestaan kunnen
worden.


III.

De Ambtenaar van den Burgerlijken Stand is na verloop van den bij
art. 29 B. W. gevorderden termijn van drie dagen niet meer bevoegd tot
't opmaken eener geboorteacte.


IV.

De aansprakelijkheid van den eigenaar van het schip en van de reeders
krachtens art. 321 W. v. K. wordt beperkt door de bepaling van art. 372
W. v. K.


V.

Bij tweezijdige overeenkomsten, waaraan tijdens de faillietverklaring
nog niet geheel is voldaan, heeft de tegenpartij het recht ontbinding
te vragen ook dan, als de wanpraestatie na de faillietverklaring
plaats heeft.


VI.

Het verlof tot dagvaarding op verkorten termijn ingevolge art. 7
B. Rv. kan in spoedeischende zaken worden verleend ook dan, wanneer
op 't oogenblik, dat het verzoek wordt gedaan, de gewone termijn van
dagvaarding tegen de eerstvolgende terechtzitting nog kan worden in
acht genomen.


VII.

Onder het "rijk in Europa" in art. 2 Wetboek van Strafrecht moet
ook begrepen worden de luchtruimte boven het grondgebied van den
Nederlandschen Staat in Europa. Ergo is een strafbaar feit gepleegd
in een luchtvaartuig, zich bevindend in die luchtruimte, te berechten
volgens de Nederlandsche Strafwet.

Wenschelijk is het op luchtvaartuigen voor de toepassing der strafwet
bepalingen in het leven te roepen gelijk aan die, welke voor gewone
vaartuigen bestaan.


VIII.

Art. 452 W. v. Sr. is van geen kracht tegenover hem, die een
bordeel houdt in eene gemeente, waar het houden van bordeelen bij
politieverordening verboden is.


IX.

Art. 452 W. v. Sr. voldoet niet aan het doel, dat zich de Heer van
Houten voorstelde, toen hij het initiatief nam tot de opname van een
artikel, dat eene strafbepaling moest inhouden tegen hen die personen,
vooral minderjarige vrouwen, wie de bestemming van het huis onbekend
is, in een bordeel lokken.


X.

Er is geen strafbare poging tot diefstal aanwezig, in geval
de beklaagde met 't oogmerk om diefstal te plegen een winkel is
binnengetreden, zich over de toonbank heenbuigende, met 't oogmerk
om zich het eventueel daarin bevindend aan een ander toebehoorend
geld wederrechtelijk toe te eigenen, de toonbanklade opent en zijn
hand daarin steekt, doch in de volvoering van zijn voornemen wordt
verhinderd door de afwezigheid van geld in die lade.

Wanneer ceteris paribus een offerbus toevallig ledig is, kan er
evenmin sprake zijn van strafbare poging tot diefstal.


XI.

Het is als gevolg van de uitbreiding en vergemakkelijking van het
moderne internationale verkeer van het grootste belang, dat aan
het buitenlandsche strafvonnis onder zekere beperkingen een voor de
recidive van invloed zijnde kracht toegekend wordt.


XII.

Zoolang tractaten over internationaal strafprocesrecht de
internationale rechtshulp nog niet op ruimeren grondslag geregeld
hebben, is het wenschelijk uit art. 68 Swb. voor binnenslands gepleegde
misdrijven in alinea 21º het geval van "vrijspraak" te laten vervallen.


XIII.

Bij de toepassing van art. 1 der wet van 13 Aug. 1849 (S. 39), "tot
regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen", wordt steeds
ten onrechte de uitdrukking "middelen van bestaan" geïnterpreteerd
als te zijn synoniem met het uitoefenen van een beroep of ambacht e. d.


XIV.

Art. 6 van de wet van 1 Juni 1865 (S. 60), regelende de uitoefening
der geneeskunst, verplicht den geneeskundige aan den inspecteur van
het geneeskundig Staatstoezicht en aan B. en W. zijner gemeente kennis
te geven van ieder geval eener ziekte, waardoor de volksgezondheid
bedreigd wordt.


XV.

In strijd met de Gemeentewet is een veelvuldig in reglementen van
orde voor gemeenteraden voorkomende bepaling, die bij de toepassing
van art. 51 Gem. wet van deze gedachte uitgaat, dat de rijkswetgever
den raad zou hebben vrijgelaten naar willekeur te bepalen, wanneer
geacht moet worden, dat de stemmen staken hetzij dit plaats hebbe na
de eerste, hetzij na eene volgende stemming.


XVI.

Het is onverklaarbaar, hoe art. 14 der wet op de Regterlijke
Organisatie en het Beleid der Justitie, zooals het gewijzigd is
door de wet van 4 Juli 1874 (S. 90) "tot wijziging van de wettelijke
bepalingen omtrent de regterlijke tucht" spreken kan van het recht
van waarschuwing van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad
tegenover de andere voor hun leven benoemde ambtenaren van het Openbaar
Ministerie, welke immers sedert de Grondwet van 1848 niet meer bestaan.


XVII.

Wenschelijk is het niet aan den arbeidsduur voor volwassen mannelijke
arbeiders wettelijke beperking te stellen.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De 'handel in blanke slavinnen'." ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home