Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reis-impressies
Author: Couperus, Louis, 1863-1923
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Reis-impressies" ***


                        Reis-Impressies

                              Door

                         Louis Couperus


                     L. J. Veen--Amsterdam



   Typ. Th. A. van Zeggelen. (M. J. P. van Santen) Amsterdam



I.

ANNONCIATIE.


In de Oostelijke galerij der Uffizië schittert ze als een straal
van goud, de Heilige Boodschap van Simone Martini en Lippo Memmi,
van Siena....



Neêrgedaald is juist de Engel, verrassende de Maagd, waar ze zat
op haren ivoor-ingelegden zetel,--achter zich een doek van goud--,
haar gebedenboek nog in de vingers....

Toen de Engel daalde, heeft zijn glans alles overstraald en goud
gemaakt. Want éen gouden licht heeft de architectuur van de maagdelijke
kamer overschitterd, en de atmosfeer is er geworden als een atmosfeer
van goud, zichtbaar stofgoud, of de trillingen van de lucht zichtbaar
zijn geworden en goud. Goud, maar etherisch goud, en niet goud van
metaal, maar goud van engelglans, ronden zich nu de drie bogen der
kamer. En in het midden der middenste boog daalt de geaureoolde
duif van den Heiligen Geest al neêr in een krans van hemelduifjes,
tweevoudig gewiekte toovervogelen met cherubijnengezichten....

Op de knieën is de Engel neêrgezonken, de Engel uit zijn mystieken
fabelhemel, in zijn goudblauw brokaat, dat goudt in zijn eigen
licht maar diep donkerblauwt in de plooien van zijn kleed. Banden,
met heilige spreuken bestikt, hangen om hem neêr.... Juist is
hij neêrgezonken, geene seconde geleden, want hoog nog en pas even
toegevouwen staan zijne ranke vedervleugels, en zijn roodbruingouden
mantel, waarvan hij twee einden om zijn hals bond, fladdert nog
met éen slip in de lucht, in de allerlaatste windbeweging van zijn
engelvlucht door sferen.

Lang, bleek en fijn is zijn gelaat, en zijne half toegesloten oogen
onder even opgaande wenkbrauwbogen geven iets voornaam chineezigs aan
zijne schoonheid, als was hij een jonge mandarijnenzoon, maar blond
toch golven zijne haren, waarom zich een glans van olijvenbladeren
wijd-uit heenrondt: een juweelen sieraad, als een kleine diadeem,
houdt dien op zijn voorhoofd vast.

Zijne eene lange, fijne hand heft een olijventwijg; van zijne andere
steekt hij den wijsvinger op, als vraagt hij aandacht....

En nu opent hij de lippen en spreekt hij zijne woorden, die, als
een mirakel, goud zichtbaar worden in het stofgoud der heilige
kameratmosfeer, en goud gaan naar de jonkvrouw toe....

Goud, door de leliën heen, die hoogslank bloeien in een gouden vaas,
tusschen hen beiden, engel en maagd:

Ave, gratia plena, Dominus tecum...



Heel even maar is Maria geschrikt alsof een heilig voorgevoelen haar
reeds doorsidderd heeft en de Heilige Boodschap niets is, dan wat
zij verwachtte... Gezeten is zij gebleven op haren ivoor-ingelegden
zetel,--achter zich een doek van goud--; maar zij is wat gedeinsd,
schuchter even huiverend in elkaâr. De eene hand houdt nog het boek
tusschen de bladeren, als om het nog niet uitgelezen blad niet te
verliezen; de andere klemt den donkerblauwen mantel, die ook het
hoofd omgeeft, wat dichter aan den open hals.

En die blauwe mantel, arabesk-omboord, omgiet geheel haar heilig
lichaam; omlijst haar gelaat, zustergelaat van den Engel, zacht
chineezig als van een mandarijnendochter, met de oogen, toevallend
onder zware leden en hoog opgaande brauwen; den langen neus, den
neêrgetrokken mond;--die mantel, kuisch, houdt haar geheel omgoten
en laat maar even zichtbaar het roode onderkleed....

Reeds straalt de heilige krans haar om het hoofd. Een medelijden kijkt
onder op uit den blik van den Boodschapper, als weet hij reeds van hare
smarten, die komen zullen.... Maar zij neemt aan in vrome resignatie
en zonder hoogmoed, neemt alzoo aan, omdat zij voorgevoelde--niet
hare smarten nog, maar wel de Annonciatie, gezegd in gouden woorden
van mirakel, gaande door engelschittering, die alles overglansde:

Ave, gratia plena, Dominus tecum...



In de Oostelijke galerij der Uffizië schittert ze als éen straal
van goud, de Heilige Boodschap van Simone Martini en Lippo Memmi,
van Siena.

                                                 Florence, Oct. '93.



II.

PINCIO.


Op de balustrades, de treden van de groote Scala della Trinita de'
Monti--de trap, die naar de Piazza di Spagna neêrtreedt--slenteren
de modellen, of liggen ze lang-uit, lui.

Jongens--zwarte oogen, zwarte haren,--in hunne Romeinsche
Campagna-dracht, blauw en roodbruin en gelapt, op den puntigen hoed
een geknakte pauweveêr.

Lui liggen ze: ondeugend gaan hunne zwarte oogen naar de vreemdelingen,
die boven wandelen, als zeggen ze: je kijkt naar ons, je vindt ons
mooi en wij, wij eten onze china's-appelen: de zon schijnt warm,
gemakkelijk is het leven....

In de zon geuren de gouden vruchten, de china's-appelen en mandarijnen;
achter de stapels zitten de verkoopers op den grond.

Een enkele vrouw, met zuigend kindje aan ontbloote borst; een
paar meisjes met vierkanten hoofddoek, reikende hare bloem;
een oude, grijze man, in ruimen, bruinen plooimantel, net een
patriarch of een profeet. Maar meer de jongens en de kinderen;
de kleine dreumessen--nauwlijks kunnen ze loopen en bieden ze hun
lucifers--de dreumessen in wat gelapt oud bruin fluweel en het hemdje
slippende uit een scheur van het fluweelen broekje, expres zoo,
om de schilderachtigheid.

En bijna Moorsch doet de Trinita de' Monti, roomgeel met twee torens,
tegen de blauwende late middaglucht; terwijl zoo sterk als een aroom
van zonvitaal leven, de china's-appels geuren....



Naar den Pincio toe stevenen de wandelaars, de rijtuigen, bont in
strooming van kleuren. De rijtuigen met de paarden, trappelend en
glad van huid en met de gecambreerde koppen, met de wirlende gele
en roode spaken der wielen; in de rijtuigen de kleurige dames, de
bonte kindermeiden, frisch en blozende lachende, de breede bonte
linten gestoken op het zwarte haar met groote, zilveren spelden,
die staan in aureool; en lachende houden zij de teêre kinderen op,
de rijke-lui's-kinderen, als pakjes witte kant....

Onder aan de viale's en terrassen van den Pincio koepelt de groote
stad. Eerst, ruim, en vlak beneden, de Piazza del Popolo, met den
obelisk en de waterspuwende leeuwen, de groepen beeldhouwwerk, de
granieten kolommen en de bronzen trofeeën; een lange, eenzame weg,
grijzig, schiet recht weg naar St. Pieter, opwelvenden reuzenkoepel,
naar de gevangenisachtige vierkantmassa van het Vaticaan, aan het eind,
in de verte. Links, aan de Piazza del Popolo, de koepels harer beide
kerken--Santa Maria rechts--en achter die koepels, verder en verder
weg, wijkende naar de verte, de koepels en de koepels altijd, de ronde
en de ovale en de plattere koepels, de zee van koepelende kerken....

En achter die kerken en koepels en torens de violetvale Campagna,
terwijl de heuvelenkling met de cypressen van den Monte Mario en
de pijnen van den Janiculus--parapluie-achtige boomen, klein in de
verte,--den horizont stremmen....



En rond, als een gouden bal, verblindend wie uitkijkt over de
stad, hangt de zon in de wolkenlooze lucht, het transparante ether,
limpidener naar het Oosten toe, wit brandende, nu ze daalt, en straks
achter de daken verdwijnen zal....



Of ... nevelen zweven over, drijvende doorzichtige vaalheden, die
vullen de straten en afstompen de duizenden koepelingen, en zich in
de verre perspectieven opstapelen tot meer melkachtige wezenlijkheden,
als spoken, die belichamen....



Dan is het einde.... maar hangt nog de zon, dan schittert de Pincio
bont, en onder op zijn vialen, boven op zijn terrastuin, fonkelen de
palmen en mimosa's zuide-achtig in de laatste schijnsels, flonkeren
de cactussen en aloës, blauwgroen met weêrflikkeringen van brons en
metalen; en de herfstplatanen, vol bladeren van effen goud, klateren
hunne gouden tinten aan tegen den limpiden blauwen hemel....



Dan schittert de Pincio bont, onder zijn bonte boomen, goud en groen;
en de wielen der rijtuigen, de linten en spelden der minnen, de pluimen
en uniformen der muziekanten, de soutanes der seminaristen--rood,
blauw, paarsch,--de pijen der monniken,--de Capucijners bruin, en
wit de Benedictijners,--wirlen kaleidoscopisch door elkaâr; bont,
maar klein bont, terwijl de stad zich beneden uitbreidt, koepelend
en reusachtig....

                                                    Rome, Dec. '93.



III.

SAN PIETRO.


De zon schijnt in vol licht binnen, in de baziliek, waar de menschen
nog weinig zijn: de groote baziliek, wijd en goud met de gouden
stukken vierkant aan hare binnenkoepels, die in de lucht horizontale
cirkels ronden, waarop weêr andere cirkels recht staan, als gouden
regenbogen. Zoo buigen de cirkels zich langs elkaâr, in perspectief
van segmenten en snijdende cirkelbogen, van goud.

Het licht is er egaal, koud, op al dat goud, zonder wazigheid en
zonder ziel, zonder mystiek tusschen al die cirkels van overal even
fel schittergoud. En koud, boven den bronzen reuzenbaldakijn van
gedraaide zuilen, cirkelt de Spreuk zich in blauwe reuzenletters van
mozaïek op goud:

Gij, Petrus, zijt een rots, en op dien rots zal Ik bouwen Mijne kerk
en aan u zal Ik geven de sleutelen van het Rijk der Hemelen....



Er zijn weinig menschen nog, verloren onder de gouden
reuzencirkels. Hunne kleine aantallen verliezen zich, waar ze wachten,
waar ze eindelijk, op de ellebogen geleund, wachten aan het hek van
planken, dat een gang maakt van de kapel van het H. Sacrament, met een
hoek midden de baziliek door, met een hoek naar het zijaltaar rechts.

En klein is de wachtende menigte, al telt ze duizenden, klein zwart
verloren over het marmer, onder de hoog opbuigende koepelingen....

Op enkele afstanden staan de hellebaardiers, telkens twee, in de gang
van planken; weinige. Flink staan ze, leunende op hunne hellebaarden,
de uniform rood, geel en zwart; de broek rood wijd, waarover losse
gele banden hangen tot de knie, met de nauwere hozen, geel en zwart,
tot den voet in lagen schoen. De koperen stormband van den helm,
die diep op de oogen rust, sluit nauw aan de onderlip.

Een oude heer, omslachtig, buigt zich over de planken balustrade
en vraagt iets, in log Italiaansch, aan een van hen. Hoe Zijne
Heiligheid komen zal en van waar en hoe laat.... Kort antwoordt de
hellebaardier, vriendelijk toch, tot het hem eindelijk te lang duurt,
en hij, korter, zegt:

--Non so questa.... non so.

De oude heer, omslachtig, bedankt den hellebaardier, bedankt hem zéer,
omdat het zoo interessant is, niet waar, zoo een interessante dag....

En verlegen, niet wetende hoe te doen, lacht de groote hellebaardier
even, en zegt: Si, si, en wendt zich af, verlegen.....

De menigte is wat zwarter en dichter geworden, maar dertigduizenden
schijnen zij toch nog niet, die menschen aan het hek, in die reuzekerk,
die zich reusachtiger uitbreidt, naarmate er meerdere komen...

Door de vrije ruimte tusschen de planken loopen af en aan kanunniken
met bonte pelerines, bisschoppen, een enkele kardinaal.... Ze loopen
haastig, met een slordige haast; slordig zijn hunne kleederen, vaal,
goor, dof, onaanzienlijk. Dat is een bisschop en dat een kanunnik en
dat is een kardinaal, wijst men elkaâr, want hen aanzien, dat ze het
zijn, doet men niet. Dan heeren in rokken, met ceremoniekettingen om
den hals en choorjongens, in het zwart met vuile, witte choorhemdjes;
af en aan loopen ze: éen brengt er, lachende, een hoop witte hemdjes
in zijn armen ergens weg, en haast zich....

De groote hellebaardier heeft het warm onder zijn drukkenden helm en
ligt dien even op, met een zucht.

En men wacht. Dames, in het zwart, kanten voiles over het hoofd, zitten
op vouwstoeltjes, aan het hek, te wachten. Andere dames dringen op,
bonter gekleed, binocles in de hand. Hier en daar, tegen het massief
vierkant der zuilen aan, ligt iemand te bidden, in vrome verliezing.

En geene emotie is in het wachten. Onder de reusachtige gouden cirkels,
aan het plompe, houten hek, dat een gang maakt, is alleen een zacht
dringen, een zielloos zich opstellen, om te zien....

Eindelijk. Een optocht wil zich vormen: de vuile choorjongens,
lachende, giechelende, peuterende in hun neus, slecht gedrild
door een pater, die geen orde houden kan.... De heeren in rok, de
bisschoppen, ordeloos, wachtende op elkaâr; misschien nog anderen:
een paar kardinalen. Maar men ziet niet meer, want eéne stem begint er
eene lange fraze van eentonig gejuich, waarin het: Evviva il Papa-Re,
opklinkt en andere stemmen, zwak, juichen meê....

En alle oogen zien met gulzigheid naar den verguld-en-glazen
draagstoel, de portantina, gedragen door dragers in livereiën van
gebloemd rood Utrechtsch fluweel, die aan ouderwetsche kanapé's
doen denken...



De hellebaardiers staan recht en salueeren met de wit katoenen hand. In
den draagstoel schemert zichtbaar de gezetene gestalte van den Paus,
oud-tenger, in het wit, de witte kalot op de grijs-witte haren, het
hoofd buigende links en rechts en de handen naar de menigte rechts
en links heffende met het gebaar der zegenende vingers. Het gelaat
is oud-fijn, wasbleek, van eene effene wasblankheid, zonder vele
zichtbare rimpels, zonder dien van den neus om den mond heen gegroefden
grijnsglimlach der portretten en platen. Want de glimlach is maar
even; over het gelaat wasemt eene benevolente glimlachende zachtheid,
en het oog, met diep-in gloeiende intelligente vonk, wendt overal
heen zijn innigen blik, met iets van liefhebben en weemoed, over de
juichende getrouwen... En navrant is dit: die Majesteit der Katholieke
Kerk, toegejuicht, maar omgeven door Zijne onwaardige, onplechtige,
slordige cortège: de vuile choorjongens, de gore kanunniken, de
leelijke dragers, gaande tusschen de planken die een hek vormen...



Gaande voorbij het Hoogaltaar onder den bronzen reuzenbaldakijn,
met de tombe van St. Peter, waar, om rouw over het wereldlijk gezag,
de mis nauw meer gelezen wordt; gaande, om rouwe, zonder wierook,
de kardinalen zonder hunne slepende plechtgewaden, gaande zonder
de wuivende schaduwen van veêrenwaaiers, gaande zonder al den
splendeur van vroeger, toen de Heilige Vader gedragen werd tusschen
een dichte haie van hellebaardiers en niet tusschen een leelijk hek
van onversierde planken.



In de kapel van het transept, rechts van het verweduwde Hoogaltaar,
is de menigte der dertigduizenden opgedrongen, benauwd vol, aan
weêrszijden van het hek; de menschenlucht hangt er, zoet en wee.... En
in het choor zingen nu de zangers der Sixtijnsche kapel, matweg,
zonder extaze....

Ontzettend wijd en hoog schijnt de kerk, achter leêg verlaten;
de zijkapel eene kerk op zichzelve; de Paus niet te zien, vergeefs
gezocht door binocles in weifelende handen voor reikhalzende gezichten.

Op het altaar daarginds, ver, verweg, tegen de vaag schemerende martyre
van den H. Erasmus aan, niets dan een kruis en, aan weêrszijden,
drie kaarsen. De priesters-ceremoniemeesters nemen er de misgewaden
en gaan er meê de trappen af, om ze den Paus te bieden. En de
Opperpriester verrijst eindelijk, zichtbaar nu boven de oogen der
menigte, in de gouden kazuifel, de witte kalot op de witgrijze haren
en voorzichtig, langzaam plechtig, doen zijne handen de gebaren,
die heiligen.... Kleintjes klinkt de bel en klinkt weêr en de menigte
knielt, dicht in elkaâr gedrongen....

En niet, zooals vroeger, daveren er boven den koepel bazuinen den
hemel toe, en vermelden het oogenblik, dat de Hostie omhoog is gebeurd,
en niets is te zien door het zwart der knielende menigte, tot de bel
weêr klinkt en ze rijst....



Het kruis en de zes kaarsen zijn weggenomen en een vergulde armstoel
wordt er op de zelfde plaats, op het altaar zichtbaar. En de Paus is er
nu gezeten; in de verte gaat iets om van het aanbieden van een groot,
wit, vierkant plakkaat, een adres: aan beide zijden der kapel zijn de
verschillende sociëteiten opgesteld, met hare vanen: op haar verzoek
was het, dat Zijne Heiligheid deze mis vierde.... En er gaat, vaag, in
de verte iets om van het buigen van ruggen en men raadt den voetkus;
dan rijst een heer, die het adres voorleest, op zij van den Paus;
met luide galmingen klinkt telkens zijne stem....

Eene vermoeidheid schijnt den Heiligen Vader neêr te breken. Het
hoofd hangt diep op de borst, en heft zich, nerveus, in eens op;
nerveus steunt de rechter dan het hoofd en de linker daarna, alsof
het hoofd moê is en niet weet waarheen.... Dan vallen de beide armen
slap en de handen hangen af van de leuningen van den gouden stoel,
alsof die zwakke handen het opgeven het moede hoofd te steunen....

En groot is hierna de verwondering, als--het voorlezen geëindigd--eene
resurrectie den Paus bezielt; hij zich recht heft in den zetel en
antwoordt, en van zijne stem is geen klank te hooren, maar krachtig,
energisch slaan de gebaren zijner gesterkte handen, slaan ze rechts,
links; overtuigend knikt het grijze hoofd meê en met iedere beweging
onderlijnt hij zeker wat hij zegt, in dankbare aandoening om hun
aller liefde....



En daarna wacht men, lang, eindeloos lang. Te zien is niets meer en
wat er eigenlijk gebeurt is iets geheimzinnigs, iets alleen voor
ingewijden.... Want de halzen rekken zich en de bincoles willen
kijken, maar te vergeefs.... En men loopt in het rond door de
kerk; de Pauselijke gardes ook loopen wat rond, zacht glimlachende
pratende.... [1]

Op de balustrade van het Hoogaltaar zoekt men te zitten, stijf van
het lange staan.... En het wachten heeft iets, dat van streek brengt,
omdat men niet meer weet hoe en waarom....

Tot eindelijk een gejuich weêrklinkt, zakdoeken en hoeden wuiven.... Nu
niet in den glazen draagstoel, maar op den gouden zetel wordt de Paus
teruggedragen.... En vol juichen de Evviva's op, met een enthouziasme
vol overtuiging, en eene diepe emotie siddert door allen heen, die
daar juichen, als de Priester, in het wit, met den rooden mantel, die
even over de knie drapeert, nadert, en de zegen over hunne hoofden
neêrvalt van de twee vingers, die zich beurtelings heffen, links en
rechts.... Aan een dier wassen vingers--een witte handschoen dekt de
halve hand--schittert de groote ring met flonkerenden steen....

En de emotie is zoo innig waar, spontaan gevoeld, op dat oogenblik,
als de dragers nog éenmaal stil houden,--voor de deur der kapel, vóór
het heengaan--en de Paus zich nog éenmaal buigt, rechts en links,
en voor de laatste maal de zegen neêrvalt, dat zij weenen en er
een oude bedelaar, goor, bruin en bevend vuil, uitbarst in snikken,
die stotteren door zijn laatsten juichklank heen....

De jongelieden der sociëteiten, die vroegen om de Mis, storten,
in extaze, zich nog éénmaal naar de deuren der kapel....

Maar de Paus is verdwenen. De groote middenpoort der baziliek opent
zich. Het zonlicht, het leven daar buiten, vloeit binnen....

En de menigte, zwart, zwermt uit en stroomt, als in cascades van
menschen, over de trappen heen, in de piazza....


                                                  Rome, 17 Dec. '93



IV.

BRIEF UIT ROME.


                                                    Rome, Jan. '94.


Weet je, wat er in Rome van je gevergd wordt, als je eenigszins de
pretentie wil maken Rome te kennen en Rome gezien te hebben? Ten
eerste, dat je de geschiedenis--zoowel wereld- als kunsthistorie--van
Romulus tot Bernini op je duim kent. Dan dat je vast bent geverseerd in
Rome's topografieën, van alle die eeuwen door, bij voorbeeld zóó, dat
als je in St. Pieter komt, je oogenblikkelijk ook denkt aan het Circus
van Nero en de Baziliek van Constantijn, waarop de Kathedraal als op
tronen omhoog rees; dat, in het bont-moderne gewoel van den Pincio, je
oogenblikkelijk ook denkt aan Messalina, die er eens hare tuinen had en
orgieën vierde.... Om dit eenigszins naar eisch te kunnen doen, wordt
niet alleen de historisch-topografische kennis der metropool verlangd,
maar daarenboven de psychologische kennis van jezelven; namelijk: de
macht om je indruk-en-stemming van het oogenblik, oogenblikkelijk ook,
een bliksemvluggen retrospectieven gradenboog te laten beschrijven,
die nauwkeurig aanteekent alle indrukken-en-stemmingen, welke je
ondervindt bij dien Schwung van Nero tot Leo XIII en van Messalina
tot de nou-nou's met kleurige linten.... Zoodra je dus voet buiten
de poort van je hôtel zet, geef je je vooral niet over aan een indruk
van het moment--aan de charme der uniek transparante lucht, waartegen
de kerken aankoepelen, de citroenen goud stippelen, de verminkte
zuilen hare weemoedige majesteit strak zetten--maar oogenblikkelijk
stel je je voor--van Romulus af--hoe die straat van je hôtel vroeger
was, en welke ruïnes en statuen onder je voetstap begraven kunnen
liggen.... En terwijl je gaat, moet de retrospectieve gradenboog dat
alles in je geest aanteekenen en juist, alsjeblief.

Dus vooral dit: geen charme van het oogenblik. Heb je hieraan
behoefte, ga dan overal heen, maar niet naar Rome. Lees er Ouida's
Ariadne nog eens op na; dan zal je zien hoe het behoort. Gioia en
Crispin en Hilarion--uit dat boek, dat me, toen ik vijftien was,
in extaze bracht!--en nu? Helaas... --ze zijn allen heel ver in die
kunst van retrospectief genieten en als Crispin in een stalletje van
het Ghetto een oud stuk brokaat ziet, denkt hij oogenblikkelijk aan
Vittoria Colonna, die dat wel zoû kunnen gedragen hebben. Zoo behoort
het als men eenigszins Rome wil bestudeeren, ook al bestaat het Ghetto
niet meer.

Heb je nu deze historische, aesthetische en psychologische kennis
verkregen, ga dan dravende zien, 's ochtends, 's middags en 's avonds
met maanlicht, want de tijd schiet je anders te kort. Hoû je niet op
met eigen opinies te willen verzamelen, want die zijn overbodig en
je kan veel vlugger en praktischer een aardige bloemlezing maken uit
Baedekers Guide, Hare's Walks, en uit romantischer lectuur als Ouida's
Ariadne, Bulwers Rienzi, Hawthorne's Transformation, Frances Elliots
Diary of an idle woman, Taine's Voyage en Bourgets Cosmopolis. Lees
die werken aan je lunch en diner; dit is zeer Engelsch: op andere
uren heb je er geen tijd voor. Trouwens het eenvoudigste is àlles mooi
te vinden: je kan dat doen in meerdere of mindere mate: raadpleeg je
gradenboog. Blijf dan zien--sight-seeing, zooals de aesthetische term
luidt der duizende Engelsche dames, die in stroomen van korte rokken
over Rome heen cascadeeren--blijf dan zien, herhaal ik, gedurende
_tien_ winters--'s zomers mag je weg, maar het is een algemeen erkende
waarheid, dat _tien_ winters vereischt worden. En na den tienden
winter mag je, met niet te veel zelfbewustheid, verklaren: gestudeerd
te hebben aan de Hoogeschool der Wereld en iets van Rome te kennen....



Ik wil wel, nederig, bekennen, dat mijne aspiraties niet zoo ver
gaan. Ik schaam me wel een beetje, maar ik woon ook niet, als Crispin,
aan de Ponte Sisto, maar in een heel banaal hôtel in een leelijke
buurt. Een heele leelijke buurt, want wie van Ouida's helden zoû zoo
barbaarsch kunnen zijn om te wonen in het nieuwe Quartiere Ludovisi,
tusschen de banale hooge-huizen-straten, die eerst de vroegere
Ludovisi-tuinen geruïneerd hebben en daarna eenige speculeerende
Romeinsche bankiers. Ik schaam mij ook, dat ik er woon, maar voel
me eenigszins gedekt door twee Russische dames, die hier ook wonen
en wier eenige levensdoel is: verborgen en overkalkte fresco's van
Andrea del Sarto op te speuren. De eene is weemoedig mooi, en ziet er
uit alsof dat levensdoel ook maar een pis-aller is. Dan ben ik blij,
dat ik uitzie op een palmboom, een stuk balustrade--helaas, niet
antiek--van het Casino della Aurora, en op dat Casino zelve. Toch is
dit Casino een onwrikbaar verwijt, dat altijd voor mijn oogen staat,
een verwijt aan mijne luiheid, want er is een plafond te bewonderen
van Guercino:--de Dageraad, die het Casino zijn naam gaf. Maar
die bewondering wordt alleen geduld vóor negen uur 's morgens, en
te bewonderen vóor negen uur is mij altijd onmogelijk geweest! En
nu kan ik zelfs niet verklaren, dat ik toch Guido Reni's veel meer
beroemden Dageraad zag in het Palazzo Rospigliosi, want de prins is
in Parijs en houdt dien Dageraad achter slot en grendel! Iets, dat
mij zeer teleurstelt en mijne begrippen van logica verwart, want zoo
ik de prins was, zoû ik juist mijn Dageraad publiek maken àls ik in
Parijs was, om er, in Rome, ieder moment van mijn gril zelve van te
kunnen genieten. Logischer vind ik dan den eigenaar van het Casino,
die alleen zijn plafond laat zien, als hijzelve nog in bed ligt....

Vlak bij mij, ook in deze leelijke buurt, is het brandnieuwe Palazzo
Piombino. De prinsen van Piombino zijn, door successie, eigenaars
geworden van Ludovisi--de vroegere mooie tuinen van Le Nôtre--en hebben
die tuinen, die nu een ieder betreurt, verkocht als bouwgrond. Zij
bouwden er zich ook hun nieuw paleis, waarvan een architect mij
vertelde, dat de verhouding van glas en steen zoo goed was, maar dat
ik toch heel leelijk vind, ten eerste: omdàt het geen kleur heeft,
dan die zijner nieuwheid, en ten tweede: omdàt het nieuw is, want een
paleis moet oud zijn, evenals adel, als het iets beduiden wil. Op de
rez-de-chaussée van dit groote blok is in drie of vier kleine zalen
met hideuze plafondschilderingen de beroemde collectie antieken
Ludovisi-Buoncompagni samengeplakt. Arme collectie Ludovisi! Men
behoeft u niet vroeger gezien te hebben, om u nu te beklagen, zooals
ge op een zuinigje geherbergd zijt. Arme, arme Juno Ludovisi! Uwe
majestueuze, olympische schoonheid, noch uwe wereldglorie heeft uw
nieuwen meester ten minste zóo kunnen roeren, dat hij ten minste
ú met verschuldigden eerbied behandelde en u uw eigen zaal gaf, en
een achtergrond van donker fluweel, en een edel licht. Want ge leert
wèl het communisme van onze dagen kennen, met zoovele marmers samen,
en koud, vaal valt een brutaal schijnsel op uwe godinnemajesteit,
tusschen die stijllooze nieuwe muren en die leelijke plafonds...



Mij laat Rome denken aan eene harde, strenge, oude vrouw, met een
strak gezicht vol rimpels, koude grijze oogen, energieke dunne
lippen en groote, sterke handen; eene vrouw, die geleden heeft,
maar wie men niet aanziet den weemoed van hare smart; eene vrouw, die
steeds haar leed weêr heeft afgeschud met sterke zenuwen en onknakbare
vitaliteit. Eene vrouw, die zoo is oud geworden, heel oud, en u leert:
blijf niet neêrzitten en treuren, het verleden heeft afgedaan en het
leven gaat altijd voort, tot in het oneindige; spiegel u aan mij en
schep geen behagen in uwe melancholie: dat is ziekelijkheid. Ge behoeft
niet te vergeten, maar heb geene emotie meer bij wat ge u herinnert;
iedere volgende seconde brengt u de toekomst nader en ge behoort aan
de toekomst, want al het andere, zie, is niets meer dan asch en stof
en scherf en ruïne....

En in hare harde levenskracht schijnt ze te vergeten, dat scherf
en ruïne schoonheid kunnen zijn, en dat de ziel van die schoonheid
toch blijft: de weemoed van hun verleden... Want die weemoed roert
haar niet en tusschen hare ruïnes bouwde zij zich weêr op en wat er
van hare ruïnes overbleef, gebruikte zij soms praktisch: hare tempels
werden kerken, uit wat zij overhield aan antiek marmer trok zij nieuwe
paleizen omhoog.... Tot op onzen modernen tijd toe is zij vitaal
gebleven, en dit vitale heeft iets onsympathieks, iets hards, iets,
dat afweert en geene innigheid verlangt en geene weekheid dulden kan,
en strak blijft zien, met droge oogen. Iedere stad heeft hare eigene
fyzionomie en zooals Florence haar glimlach heeft van bekendheid
voor mij, hare sympathieke weêr-en-weêr-aantrekkelijkheid, alsof ze
mij terugziet na eeuwen, alsof ik vroeger geademd in haar heb met een
ander leven, zoo heeft Rome altijd en overal dat onhartelijk-krachtige,
verwijtende mij mijne zwakheid....

Het liefst heb ik haar dan ook, daar waar ze niet vitaal was, niet
weêr bouwde op hare vroegere fondamenten, afbrokkelde in ruïnes,
het liefst in het Forum en het Colosseum, den Palatijn en de Baden
van Caracalla. Ook al staat er veel moderns omheen, het Forum, het
Colosseum, en de Palatijn vormen een geheel van ruïnes, eene doodenstad
op zichzelve en gemakkelijk is er het verleden op te trekken, in eene
illuzie van zuilen en bogen, paleizen en tempels... Maar ook zonder
illuzie hebben die ruïnes charme. Al heeft het Tabularium zijne
elegante façade van bogen met beeldengalerij daarboven verloren en
is het omhoog getrokken als de achterzijde van het Kapitool, de drie
zuilen van den tempel van Vespazianus, de achtzuilige façade van
dien van Saturnus staan als hooge poëzie in hunne verminktheid met
vermorzelde kapiteelen en stukken kroonlijst, waarop de inscripties
als afgescheurd schijnen, en de eereboog van Septimus Severus, over het
antieke plaveisel van de Via Sacra heen, behield nog veel grandeur der
Romeinsche keizer-eind'eeuwschheid over. En waar kan men dien grandeur
beter nog overleven dan in de titanische ruïne van het Colosseum,
dien cirkelbouw van bogen op bogen op bogen; of in de verbrokkelde
paleizen van Caligula en Tiberius en Augustus, of in de reuzentermen
van Caracalla, waar zich het emplacement nog uitlijnt en opboogt van
een weelde, die al onze nieuwe luxe miniem en kinderachtig maakt?

Nergens meer dan in die ongelooflijke termen verrijst de fantasmagorie
eener sublime decadence in duidelijker ommetrek: de hallen van marmer
en porfier, van zilvergegreind wit en wijnkleurig rood, de vloeren in
elaboraat mozaïek, dat het lichaam der gladiatoren in elke beweging van
zijn spierleven toont [2]; de kolossale zwembassins onder de blauwte
van de open lucht; beelden overal en reuzencoupe's en men ziet er
de baders, de decadenten, die, eens in de termen, den heelen dag
er hangen, zeven malen zich baden met hoogst gecompliceerd gebruik
van zalf en van geuren, geënerveerd dan en gebroken door de massage
hunner slaven wat epicuristiek gaan cauzeeren met de filozofen,
die in den bibliotheek boven lezen, of, lui, uit de loges zien
naar de worstelaars in de palestra, of in het stadium de courses
een oogenblik bijwonen als de keizer gekomen is; Caracalla, met den
breeden zinnelijken type-kop: laag fronsvoorhoofd, diepe gluuroogen,
kort kroeshaar, de neus snuivend, de mond dik sensueel, zooals men hem
nu nog ziet in het Vaticaan en ziet in het Kapitool; of Heliogabalus,
de zonnepriester van Emeze, die zóo vrouweschoon was, dat de soldaten,
zoodra ze hem in den tempel zagen, verliefd riepen tot keizer, en
vooruit zonden naar Rome zijne wonderbeeltenis....



Misschien treffen ons, latelingen van deze eeuw, de ruïne's dezer
baden zoozeer, omdat wij er in loopen, met een glimlach, die begrijpt
het luxe-leven van die baders, en wij, medelijdend met onszelve,
zeggen, dat onze decadence toch grandeur mist; omdat in onze wereld
zulke termen niet meer te vinden zijn, omdat ónze eind'eeuwschheid,
in die termen geanalyzeerd, slap wordt en zeurig, voor een goedkoopje
en vervelend en mesquin....



Het eenige antieke gebouw van Rome, geheel intact, is het sublime
Pantheon--S. Maria Rotonda nu. De muren staan als onverdelgbaar,
al zijn ook de kapiteelen en architraven als met hamers vernield,
geheele stukken marmer er uit neêr gemokerd, tot het schijnt alsof
gapende wonden aan dat bovenbeeldhouwwerk gevreten hebben en er nog
reuzenlitteekens graven. Van binnen maakt de welving--de eenvoudige
enkele welving, met het ronde oog, waardoor de hemel kijkt--op mij
dien lichten schrik van schoonheid, die even adem beneemt en dien
zelfs St. Pieters binnenkoepel mij niet geven kan. En de essence der
schoonheid van die eenvoudige rondte is verder vooral deze gedachte,
dat men den antieken tempel zuiver overhoudt, als men de katholieke
altaren in de nissen rondom er uit wegdenkt...

19 Januari is de sterfdag van Victor Emmanuel, wiens overschot
daar rust in een sarcofaag, tusschen twee zuilen rechts van het
hoogaltaar. Een lijkmis wordt dan in den morgen gehouden, maar een
naïve vreemdeling, die meent, dat de koning en de koningin minstens
bij deze gelegenheid ceremonieel in eene kerk verschijnen zouden,
bedriegt zich en staat op nieuw voor het gecompliceerde raadsel, dat de
verhouding vraagt tusschen Vaticaan en Quirinaal. Hunne Majesteiten,
vertelde mij een officier, hadden slechts de generale repetitie
bijgewoond, ik meen in het Palazzo Doria-Pamphili. Hierbij wil ik
nog even voegen, dat de koningin zeer devoot is, gecanonizeerden
en gebeatifieerden in hare familie telt, en, naar men zegt, iederen
morgen incognito de vroegmis bijwoont in de kerk van hare paroisse
bij het koninklijk paleis....

Aanwezig bij dien lijkdienst waren toch Militaire en Civiele Huizen
van beide Majesteiten, het corps diplomatique, en alle militaire en
civiele autoriteiten. Een betrekkelijk kleine ruimte bleef over voor
andere invités, voor het meerendeel de kolonie der vreemdelingen,
met het onmisbaar rijkelijke Britsche contingent. Vreemd doet het
ons, rigide Noordelingen, aan, hoe gul de Italianen met etiquette
omspringen. Op de invitatiekaarten stond voorgeschreven: rouwkleeding
voor dames en heeren beiden. Onze Minister-Rezident had daarenboven,
bij het toezenden der invitatiekaarten, ons hierop in zijn brief attent
gemaakt, zoodat, zoowel mijne dames als ik, er eenvoudig niet anders
over dachten dan te gaan in het zwart. Maar jawel; al waren de heeren
over het algemeen in rok en witte das, rissen dames vloeiden binnen
in de meest kaleidoscopische kleurenmengelingen... Ik moet eerlijk
zijn om te bekennen, dat zij niet allen Engelschen waren, maar ook
Italiaansche vele. Het scheen, dat het onderschrift op de kaarten
alleen een beleefd verzoek inhield, dat naar keuze kon ingewilligd
worden of niet....

Na de onplechtige, Pauselijke ceremonie, die wij in December in
St. Pieter bijwoonden, trof mij zeer wat wij in het Pantheon zagen,
vooral zágen. Want de muziek, door een krachtig luid choor gezongen
van jongens-sopranen en bassen, was mij te veel als het ensemble of
de finale van een opera en het Kyrie Eleison, dat telkens en telkens
over het doffe bommen der trommen en den zilverslag der bazuinen
uitgedaverd werd, scheen niet gezongen in toon met de smeekbeê der
woorden. Maar misschien vereischte een lijkzang voor een vorst,
zoo krachtig als Victor-Emmanuel, ook niet al te teêre klanken....

Vooral heel schoon in zijne funèbre harmonie was de decoratie
der kerk, donker gehouden, omdat het oog van boven--het eenige
licht--gesloten was en het maar schemerde van de tallooze kaarsen
der groote kandelabres, om de eere-katafalk, die, in het midden der
kerkruimte, zeer hoog oprees. Dan, op alle hoogten, hier en daar de
vlammende urnen; soms bluschten ze half uit, en daarna, door een
tocht, flikkerden ze weêr op met groote tongen. Over den ingang,
achter de katafalk, het hoogaltaar, waar de hofkapelaan officieerde;
kurassiers, stil-stijf en harnas-blinkend, op de treden; er achter,
in de koorzetels, de litanieën murmelende kanunniken, in de hand lange
kaarsen, die hen half verlichtten in het schaduwduister en hunne witte
bonten pelerines deden opvlakken als stukken blanke sneeuw.... Links
dan, in een estrade, de zangers en het orchest en rechts het mauzoleum:
de sarcofaag tusschen de twee zuilen, met twee kandelabres er voor,
van den antieken vorm, en waaruit hooge vlammen opkronkelden....



Ik herinner mij, den eersten keer, dat wij in het Pantheon kwamen--de
eenvoudige, welvende ruimte toen--den veteraan met zijne medailles,
die waakte bij het graf, en de twee soldaten, die er, in een boek,
hunne namen schreven, met ernstige gezichten, vol van de aandoening
dat graf te zien, en ernstig elkaâr vroegen, of ze ook den naam van
hun dorp, hun paese, zouden zetten, en, langzaam, toen besloten van
ja, en ik kan niet zeggen, waarom mij dit roerde: dat ze den naam
van dat plaatsje met groote langzame letters schreven: misschien
alleen om den simpelen eenvoud van dat feit en misschien wel om de
onbeduidendheid ervan.



Ik voel mij beschaamd, dat ik dit herinneringetje vermeld. Want Rome
is de stad niet voor zulke kleine dingen en Rome is de stad van het
ruime, het geweldige en ontzaglijke.... Een oogenblik herinner ik
mij wel vreemd, dat het Forum toch zoo klein was, voor het compacte
leven, dat er in de oudheid geleefd werd, tusschen de bazilieken
en tempels, die er op elkaâr drongen... Maar die herinnering duurt
niet lang, want dadelijk doemt op de Palatijn, een berg van nièt dan
paleizen; het Colosseum, waarin zeeslagen gemimeerd werden; en ik
zie de huizingen van den ouden adel: Doria en Colonna en Farnese;
ik zie het oude Pauselijke paleis van het Lateraan in al de wijdte
van wat nu muzeumzalen zijn, en eindelijk zie ik ook, als altijd,
St. Pieter en het Vaticaan, de Pauselijke stad op zichzelve.... En
al die lijnen strekken zich uit als met horizonten van architectuur
en koepels als regenbogen, duizelingwekkend bij de gedachte aan wat
menschen konden doen...

Men zoû het Michelangelo niet aanzien, dat hij een der heroën was,
die deze wereld van het kolossale schiepen. Zijne portretten en bustes
in de Uffizie en de Casa Buonarotti te Florence geven hem niet als
een titan, maar meer met het burgerlijke type van een misantropischen
timmerman. Maar portretten en bustes bedriegen en voor Michelangelo
is het woord der conventie altijd: titanisch geweest, en blijft
dat woord ook de eerste spontane uiting, van wat ieder bij zijne
scheppingen voelt....

En toch... na die eerste overweldiging, rijst een twijfel op en een
vraag. Wat is het gevoel, dat ons déconcerteert in de Sixtijnsche
kapel? Is het waarlijk de openbaring van een onmacht? Maar zoo dit
onmacht is, is het de onmacht van het genie, de onmacht van het
te vergeefs willen naar het empyreum van het állerhoogste, naar
dat supreme en alomvattende, dat voor de menigte in wolk versluierd
blijft en dat de hoogste ziel dan toch gezien heeft in een vizioen van
bovenaardschheid: een onmacht, die tragisch is en dieper roert dan de
gladde perfectie van welk klein talent ook. Want in die onmacht is de
moed, en moed is meer dan kracht, omdat moed ziel is en kracht feit:
moed de gedachte en kracht het middel slechts tot de daad....

Ik kan, wat de meeste der kunstbeschrijvers doen, in de Sixtijnsche
kapel niet juist dàt zien: de eenheid, de volmaaktheid der
eindconceptie van het geheel. In de Sixtijnsche kapel zie ik eerst:
het Laatste Oordeel, de reusachtige altaarfresco: een gewriemel van
alle even zwaar gespierde ledematen in een somber, door den adem van
eeuwen geëmbrouilleerd koloriet. Heel boven meen ik in een machtige
figuur, die mij bliksemend treft, God te zien of minstens Jezus, maar
ik vergis mij: [3] het is maar de profeet Jonas... En nu eerst ziet
de blik, die zakt, den Oppersten Rechter, in een geagiteerde houding,
die ik niet begrijp...

Nu zoek ik ook het plafond boven mij; spiegels worden gereikt en
gelukkig, want eenigszins lang naar boven te zien met verwrongen
nekspieren is ondoenlijk in het genieten van schoonheid...

Waarom toch al die meest supreme kunst voor plafonds, waar wat
arabesken voldoende zouden zijn?

En ik zie geen geheel. Ik zie een mozaïek van fresco's in de
lucht, die elkaâr vierkant opvolgen: het zijn grootere en kleinere
middenstukken, ingesloten door een elaborate architectuur en sculptuur
van geschilderde zuilstukken en engeltjes. Hoe Michelangelo die
geschilderde architectuur en sculptuur concepieeren kon, is mij
iets raadselachtigs. In die middenstukken zijn de tafereelen van
de Schepping en den Zondvloed, en op de vierkante piedestallen der
zuilstukken zitten, in houdingen, die elkaâr nieeren, telkens vier
figuren, engelen of genieën.

Dit is reeds veel, reeds duizelingwekkend van idee en elaboraat
van opstelling, maar het is niet alles... Want wat de kleinere
middenstukken kleiner zijn dan de grootere, zijn ze opgevuld met
medaille-achtige medaillons.

En vooral: waar het langwerpige plafond zich aan weêrszijden welft,
zitten, onder de kleinere middenstukken, de machtige Profeten
en Sibyllen; daartusschen, in ogivale bogen, figureeren de minder
vooruitkomende Voorouders van den Heiland, met, op zij nog, kleinere
bruinige figuren...

Beken, dat het u duizelt. Beken, dat het te veel is, voor een plafond,
te veel vooral, omdat de reusachtige Sibyllen en Profeten de figuren
der ontzettende wereldhistoriën op een tweeden grond dringen en zelve
toch niet schijnen te kunnen ademen, evenmin als de genieën schijnen
te kunnen zitten op hunne nauwe stukken piedestal...

Maar nu ook zie ik plotseling, duidelijker en duidelijker, dat alles
op zichzelve, trots dit gemis aan atmosfeer, van een ongedroomde
heroïsche schoonheid wordt, die bliksemend en weêr bliksemend treft....

En dat het geen onmacht was van den schepper, want dat hij kòn,
maar dat hij te veel schiep in eene te kleine ruimte, te veel leven
riep op een te kleine oppervlakte: het plafond en den altaarmuur van
een kapel...

En een verlangen rijst op om ieder dier figuren alleen te zien,
telkens afgezonderd van al de anderen....



Ik herinner mij, in Florence, in de Academia delle Belle Arti, den
Eterno Padre van Carlo Dolci. Toen ik dat stuk voor de eerste maal in
het oog kreeg, naderde ik het met een glimlach, maar bleef er toch lang
op staren. Een jong, week, weemoedig gelaat, met lange blonde haren,
met oogen vol van een onuitsprekelijke melancholie, een gelaat als een
bloem, smartdroomend ziende uit het licht van eigen goddelijkheid,
de blauwe en roode draperie vastgehouden door een stralend juweel
en de handen--de kleine, zwakke, mooie vrouwenhanden, die nooit een
wereld konden scheppen--in een vaag gebaar bewogen... Neen, dat was
geen Eterno Padre, dat was nauwlijks zijn Zoon, dat was zelfs geen
Heilige, die naar martyre smachtte; dat was een mensch, een kind,
een zwak kind, op den goddelijken troon verheven, en er niet voor
geschapen, en niet wetende hoe en wat, en vol melancholie, over het
lot, dat hem God maakte, Vader van het Heelal, Eterno Padre...

En toch, dit juist was de innige charme van die schilderij, die
absolute menschen boos maakt en die absolute menschen minachten. Het
was de charme, de teeder melancholieke charme, van het zwakke, dat
geroepen wordt tot den plicht van het allerhoogste, de charme, die ons,
op aarde, roert in een kind, dat een kroon draagt... En zeg me nu niet:
die Eterno Padre van Carlo Dolci is geen God: ik zie dat wel en ik
weet dat wel. Maar ook zie ik, dat uit die bloem van blonde kleur en
zachten glans, die Carlo zijn Eterno Padre noemde, geheel het karakter
van den schilder trilt, ten minste zooals ik dat karakter zie...

Want meer doen wij niet en wij bedriegen ons altijd...

En dit verhoogt oneindig de charme van de absolute schoonheid eener
schilderij: er den schilder in te zien, zooals ik Fra Angelico in
zijne fresco's zie van San Marco en Carlo Dolci in zijn Eterno Padre
en Michelangelo in den Zijnen...



In den Zijnen... De immense macht, de kolossaalste kracht, die zich
ooit de menschen droomden: de God, die schept. De God, die uit den
chaos in zeeën van glans opzweeft en is en duisternis scheidt van
licht, met éen gebaar van openspreidende armen, en uit kolken van
warrelend licht de zon rondt en ze slingert waar ze nu eeuwig staan
zal, en de maan dan slingert en dichter dan zweeft en oproept en
verdeelt, alles slechts met éen gebaar: het water hier, het land daar,
de planten en de dieren...

De God, met den machtigen frons van scheppingsgedachte, die troont op
zijn voorhoofd, met de oogen, die vèr zien door het opdoemende heelal,
en die, terwijl zijn engelen zich dringen tegen hem aan en zich
verschuilen in zijn opblazenden mantel en zich dekken de oogen voor
het licht, dat geboren wordt--de machtige armen uitzwaait en met den
vinger de zon haar punt wijst hier en de maan hare baan, daarginds...

De God, dien daarna eene intimere, mysterieuze gedachte bezielt,
een ondoorgrondelijke droom, en schept den mensch, Adam; zijn
fronsvoorhoofd heeft zich vereffend; iets teederders verzacht zijn
blik, en gedragen door zijne engelen, die hijzelve weêr in zijne
armen draagt of ze schuilen laat in zijn welvenden mantel, strekt
hij een arm uit en roept, met voorzichtigen wijsvinger, den mensch
op, zijn speelding, dat hij liefheeft, en Adam _is_, half liggende
nog, gemodeleerd in ledematen van mooiste, jonge kracht, de laatste
wezenloosheid nog schemerende in zijne oogen en den arm, hij ook,
strekkende naar den Schepper als om aan te roeren diens vinger met
zijn vinger ook...

De God, die daarna is neêrgedaald in het menschenparadijs, dat hij
maakte en er niet meer zweeft, maar staat en, terwijl Adam slaapt,
er Eva schept uit zijne zijde, Eva, die men er ziet rijzen uit
hare geboorte met dat volschoone gebaar van opstaan uit het niet,
dat gebaar van wording, de knieën nog even gebogen, de schuchterheid
nog in haren oprichtenden rug, de handen gevouwen, als in eerbied of
in dankbaarheid...



Ik zie Michelangelo in die ontzettende creaties, ik zie hem ook in
de Profeten en in de oude, subliem machtig denkende Sibyllen, met
die sombere oogen, die vooruit zien in hare afwachting der langzaam
ontsluierende toekomsten; maar ik zie Rafaël nooit als een omlijnd
karakter uit zijne kunst oprijzen. Of liever, ik zie hem nu eens
zoo, en dan weêr eens anders, met de wisselingen van eene lenige
plooibaarheid, met de schitterreflets van eene ziel, die zich geeft
zooals het op het oogenblik het beste is, zich schikkende naar de
pauselijke opdrachten en toch zich niet geheel en al schikkende en
eindelijk met eene glimlachende insinuatie kronkelend tusschen alles
door en gevende wat hem goed dunkt....

Uit zijne fresco's, maar vooral uit zijne titanensculptuur, komt het
karakter van Michelangelo, die met Paus Julius II meer vocht--over
de détails der Sixtijnsche kapel--dan dat hij de knie voor hem boog,
als gespierd marmer zelve voor ons uit, maar Rafaël blijft altijd
indécis en gecompliceerd beide....

Zie hem te Milaan in zijne Sposalizio, te Florence in zijne madonna's
en portretten, te Rome in zijne Stanza's of Loggia's, of arrazzi;
in de Farnesina of in de Sibyllen van S. Maria della Pace of in de
Transfiguratie van het Vaticaan; en het zijn karakterwisselingen
en -schitteringen als van steeds andere facetten, in steeds andere
lichten, en niet alleen te verklaren door de drie periodes, waarin
men zijn schilderleven onderscheidt. Hoog sympathiek zijn al die
wisselingen mij niet, want ik zie altijd in Rafaël iets van een
genialen faiseur: een artist, die heel veel en gemakkelijk kan, en
alles glimlachend doet en beminnelijk. Ik heb hooger achting voor
Michelangelo, met zijn streven naar het onmogelijke en zijn vechten
met het marmer; ik zie in geen enkel kunstenaar zóoveel menschelijks
en heroïsch samen. Maar de Sposalizio is mij minder waard dan welke
schilderij ook van Perugino, dan welk stukje kunst, die heilige kunst
van Perugino--al was hij zelve ook niet zoo heel heilig--omdat imitatie
van manier, hoe perfect ook, toch altijd secondair blijft. Hoog
bekoren mij het magistrale portret van Julius II, in de Uffizie,
en de glanzig kuische en goudschoone Madonna del Gran-Duca in het
Palazzo Pitti, maar in de Madonna del Cardinello vind ik het Jezuskind
bepaald dik-leelijk en den voet, die op den voet der moeder staat,
niet minder dan wanstaltig, en de Madonna della Sedia houdt telkens
en telkens iets prenterigs voor mij, tegelijk met iets ra-terre-'s....



De goddelijke glorie van Rome zijn al hare antieke marmers: de
weêrgalooze muzeums in het Vaticaan: Pio-Clementino, Chiaramonti en
de Braccio Nuovo, waar allen zoo heerlijk ruim staan, alsof de eigen
atmosfeer dier nu verminkte en ontheiligde goden nog om hen heen waait,
en bij deze unieke verzamelingen sluiten zich de collecties aan van
het Kapitool, van het Lateraan, van Borghese, van Ludovisi en van de
Termen van Diocletianus....

In Pio-Clementino het eerst de zaal van het Grieksche Kruis: de antieke
mozaïeken op den vloer; de kolossale zacht gespikkelde en purperende
porfieren sarcofagen van de moeder en dochter van Constantijn den
Groote, en vooral de aanbiddelijke Afrodite, naar die van Knidos
van Praxiteles, met hare oogen van innigheid, en haar glimlach van
innigheid, met hare zacht goddelijke lieftalligheid, die dichter tot
ons menschen nadert dan de hoogere majesteit der Venus van Milo. Al
heeft men ook hare benedenvormen verborgen achter eene barbaarsche
draperie van geslagen ijzer, dat wit is gemaakt, zij is nog schoon,
zoo innig, lief mooi nog, dat men haar schijnt te mogen aanbidden van
heel dichtbij, zonder profanatie van hare goddelijke essence, en bij
die innige mooiheid schijnt de Mediceïsche Venus--in de Tribuna te
Florence--geaffecteerd en pretentieus...

En nu verder te gaan wordt louter genot voor de ziel, die zich vol
gebeeldhouwde impressie's opstapelt.... In de Rotonda, in het midden,
de porfieren reuzencoupe uit de termen van Diocletianus; ginds de
Juno Barberini, maar zij roert me niet zeer; ze lijkt te veel op de
jonge prinsessen van Wales.... Maar dan, naast haar, Antinoüs, zijne
buste alleen, zijn kop van schoonheid en vol raadsel.... De nek jong
krachtig en geserreerd; het gelaat beeldschoon Grieksch, de haren laag
tot op het voorhoofd, in rechte krullen dan vallende achter.... En de
oogen, de oogen vol weemoed, vol raadsel, vol vragen aan het leven:
waarom die smart, omdat ik mooi ben; die oogen vol peinzens over het
onoplosbare; die mijmerblik, waarin geheel de sfinx schijnt weg te
schuilen; die straal van levend marmer!

Naast hem, tevens aan de voeten van den goudbronzen Herkules, de
kop van Adrianus, maar niet zoo treffend en te veel als opgemaakt,
te netjes, en uit zijne oogen de antwoordblik niet op dien van mijn
Antinoüs....

Maar dan nog eens hij, wiens schoonheid zijne essence was, de essence
van zijn leed en zijn geluk: Antinoüs, vergood, verheerlijkt door zijn
keizer na zijn dood, als Bacchos, gekranst, den tursos in zijn hand....

En op die menschelijkheid, tragedie van twee zielen, blikt neêr de
Zeus Otricoli, als in een al begrijpend, olympisch medelijden....



In de Galleria delle Statue treft mij het meest de verminkte Eros naar
Praxiteles, zonder armen en zonder beenen, en daarom zoo pijnlijk, zoo
armoedig, als eene gemartyrizeerde godheid, maar zijn kop is intact,
het haar wat opgebonden in een strik op het hoofd van voren.... Eene
onuitsprekelijke peinzing in de neêrkijkende oogen, waarin bijna iets
trilt van wroeging, omdat hij de liefde is en het leed geeft aan de
arme menschen; en dan tevens dat aanbiddelijk noodlottige van geheel
zijn armelijk verminkt wezen, alsof hij stil fluistert: ik kan niet
anders en ik moet zoo: vergeef me.... En zijne ziel, de zoete ziel
van dat stuk marmer is zoo iets zoets, zoo iets diep-in levends, dat
mijne oogen vochtig worden, als ik hare openbaring opmerk, en dat ik
hem zoû willen troosten, en hem zeggen: het leed, dat je geeft: het
is het geluk, en de arme menschen, ze willen het niet missen, nooit....



Het is heerlijk daar te dwalen, en hoe langer men dwaalt,
hoe levender de marmers worden, in hunne atmosfeer, tegen hunne
purperende achtergronden, met hier en daar de prachtige baden van
zwaar, rood-geaderd albast, en de zetels en coupes van rosso antico,
en de marmeren bas-reliefs tegen de muur.



In de vier kabinetten van het Belvedere, de Laöcoon, de Apollo, de
Mercurius en de Perseus en Vuistvechters van Canova.... De Laöcoon
heeft mij niet zoo machtig geroerd, misschien omdat ik in een beeld
meer getroffen wil worden door eene psychische stemming, dan door eene
te dramatische activiteit, die de bekoring van het stille marmer voor
mij te veel tourmenteert.... Van den Apollo verwachtte ik ook geen
ontroering, omdat de blik er op zoo geënerveerd is geworden door
duizenden slechte copies, en toch de Apollo zelve is van eene hoog
geïnspireerde uitdrukking, waarvan de apotheoze straalt uit zijne
oogen; zijne vormen echter hebben iets schraals en gewild elegants....

Canova is in zijne Vuistvechters van eene kracht, die verbaast als
men hem zich herinnert in al zijne teederheid. De vormen der twee
kolossale gladiatoren zijn van de grofste gespierdheid en blijven
toch schoon, maar het is de schoonheid van twee prachtige beesten,
zonder ziel.... Het is de massieve schoonheid van enkel forsche
mannenkracht in het geweldigste van hunne viriliteit; de gezichten
fronsend als woedende beestenkoppen, met woedend vlammende oogen en
spalkende neusgaten, die snuiven... Onwrikbaar staan ze beiden geplant
op hunne zware voeten, waarvan de groote teenen zich sterk uitdrukken
tegen den grond aan; de een getast op zichzelven in de concentratie
van alle zijne spiermassa's, waarvan zijn rug, zijne armen en beenen
tot springens-uit-elkaâr schijnen op te zwellen. Hij staat in de
massieve houding van die een sprong wil doen, de armen aan het lijf,
de omzwachtelde handen met vingers aan elkaâr, reeds uitgestoken,
als om beet te pakken zijn vijand, onder de armen...

En de ander, geheel naar boven opgerekt, ook straf op de beenen,
de sterke voeten gegroeid aan den grond van louter kracht, zwaait
den eenen arm omhoog tot zijn mokerslag, die af zal weren, en de
vierkante vingers van zijn andere vuist drukken zich in elkaâr van
stierenwoede...

En vreemd tusschen hen beiden, contrast, op den achtergrond, heft,
etherischer strijder, de slanke Perseus een Meduzakop omhoog...



Maar van het Belvedere is de Hermes de hoogste schoonheid. Vroeger
werd hij een Antinoüs genoemd, maar al de Antinoüskoppen vertoonen
de zelfde gelijkenis als fotografisch, en deze Hermes heeft het echte
Hermessengelaat, zooals de ideale Hermes van Praxiteles het ook heeft:
het smalle proëminente voorhoofd van fijn verstand, de eigenaardige
oogen van intelligentie en intelligentie vooral de essence zijner
schoonheid. En die schoonheid is zoo wonder, zoo louter, dat zij
onuitsprekelijk wordt en de woorden gaan bezwijmen bij zijn aanblik
en men slechts in stilte bewondert, omdat alle woorden vaal zouden
klinken bij de zijne, als hij de schoone lippen openen ging en zeggen
zoû zijne eigene woorden, van goddelijk vernuft...



Langs den kolossalen Herkulestors door het Chiaramonti-muzeum, maar
hoe schitterende marmers de lange galerij ook verzamelt, men is er
een weinig moê na al het hoogschoone van zoo even.... Ik herinner
mij er toch vele:

Een Eros, die zijn boog spant, in eene losse houding van mikken; een
Niobide, alleen romp, geen hoofd en geene voeten en toch vol vlucht
in de loopende beenen, die gedrapeerd zijn, en zoovele interessante
archaïsche stukken... Toch is het een rust er wat vlugger door te
loopen, naar den Braccio Nuovo, en daar, tergend ver en toch treffend
dadelijk, schittert de Apoxuomenos van Lusippos me toe. En ik moet
altijd eerst naar hem, zonder links of rechts te zien... En toch,
daar staan de keizerlijke Augustus, een typische Domitianus met
een laagwreeden kop; de Dorufoor, de Canon van Polukleitos, copie
natuurlijk, evenals zijne Amazone; en dan links een reeks athleten
en rechts een troep van verschillende saters, die gieren van leven
en vroolijkheid. Maar de Apoxuomenos lokt nader en nader....

Het is een beeld, waaruit eene complexe moderniteit van idee
schiet. Een athleet, maar fijn van leden, de beenen zelfs slank en
de voeten heel lang en tenger; de rechterhand is uitgestoken en twee
vingers er van houden een dobbelsteen, die zij juist willen laten
vallen.... Maar machinaal gaat de andere hand door te schrappen met
den schrapper de olie van zijn onderarm, den balsem, waarmeê hij zijne
leden had gewreven, voor lenigheid. En in zijn beeldschoon gelaat van
eene dwepende, modernere schoonheid--en het zelfde gelaat van Lusippos'
rustenden Ares in Ludovisi--staren zijne mijmeringen uit, als denkt
hij niet aan zijn schrappen, dat gaat van zelf in de machinale beweging
van het steeds-zelve-doen; als denkt hij alleen aan wat hem zeggen zal
de val van den dobbelsteen: zijne overwinning.... of zijn nederlaag....

En hoog boeiend in de gewone realiteit van zijn eenvoudig doen, van
zijn reinigenden uitgestoken arm met den sikkelvormigen schrapper,
is hij; omdat zijne prachtige oogen blikken van eene geheel andere
gedachte en uit zien naar zijne dadelijk nabij zijnde athletentoekomst,
waaraan hij wil gelooven, zoodra de teerling valt.... [4].



De marmers van Rome zijn talloos en wonderschoon. De pen, die hier
schrijft, is een vlugge pen, de pen van een brief uit den vreemde,
die even trekt eene impressie van herinnering; ze schrijft geene
apodiktische, aestethische studie van sculptuur. En ze tikt aan,
en tikt aan, vlug, en hare woorden vallen neêr en willen niets geven
dan de reflets dier indrukken zelve. Ze weet niet, hoe ze ze allen
zal melden, mijn marmers, die ik liefheb....

Een der machtigste gebeeldhouwde impressie's, als gedrukt met een
zegel op de ziel, geeft mij de stervende Gladiator van het Kapitool,
de barbaar met het ruw-mooie gezicht en het steile haar, en met de
stervens-emotie in de oogen.... De galerij aldaar van de keizerbuste's
is vol verrassingen; Caracalla prachtig typisch; Caligula een heerlijk
mooien, intelligenten bazalten kop, die alles verwart in het brein wat
men van Caligula las; Heliogabalus, leelijk en geheel niet gevend de
charme van den vrouweschoonen zonnepriester; en Nero, ook niet dàt,
evenmin als in het Vaticaan waar hij gelauwerd staat.... Ik herinner
me de charmante kinderkopjes van Nero in de Uffizie, vol van de
alleraanvalligste jeugd!

En ik wil nog eindigen hiermeê: zoo ge in Rome komt, ga naar de Termen
van Diocletianus. Er zijn prachtige beelden, een rustende vuistvechter
van brons, een koploos lichaam met gebogen knie van toch nog hoog
harmonische schoonheid, maar er is een kopje....!

Een slapend kopje van bijna goudgeel marmer, afgeslagen aan den hals,
en liggende op een fluweelen kussen, voor een venster, waardoor
het licht er dommelschaduwend op valt. De neus is wreed verminkt,
als weggevreten door een kanker.... Maar de oogen, als onder een
floers van doorschijnende oogleden, leven in de sluimering. De mond
haalt adem. En niets is tot ademloosheid toe treffender--om niet
wakker te maken--dan die indruk van innige sluimerschoonheid van dat
aanbiddelijke amberkleurige vrouwekopje, met haar geschonden neus!



V.

MICHELANGELO'S CUPOLA.


Een langzaam opglooiende ronden steenen weg eerst, als eene kronkelende
viale, die ingebouwd is door een reusachtige steenmassa. Dan een
groote wenteltrap als een reuzenkurketrekker...

En het dak van St. Pieter breidt zich uit, een dak als eene stad, want,
als kerken, rijzen er overal koepels omhoog, waartusschen zich wegen
verliezen, en, eene kathedraal zelve, verheft zich voor me de cupola...

Eene hangende stad, hangende over de wereld beneden haar: Rome. Maar
de stad is desolaat, het gehamer van werklieden weêrklinkt er...

Trappen weêr, eerst buiten, de cupola langs, dan binnen hàar. Een
deur opent zich, op eene galerij...

En de immensiteit van den koepelafgrond gaapt aan mijne voeten. Boven
mij welft het zich nog met de welvingen der reuzenmozaïeken. Maar
aan mijne voeten, even onder de lijn van mijn oog, breidt zich de
duizelingwekkende schijn-ellips uit van den koepel zelve, met de
reuzenspreuk: Tu es Petrus et super hanc petram aedificabo ecclesiam
meam et tibi dabo claves regni coelorum.

En die schijn-ellips is subliem, omdat de rondte, die zij in
waarheid is, gemaakt werd door menschen en ongelooflijk is, van eene
onwaarschijnlijke realiteit.

Heel beneden zwemt de middenruimte van de baziliek als een heilige
afgrond, en een geruisch als van golvende zee, als van duizenden
echo's, fel bewogen lucht, zoemt suizende op, uit die diepte, die
toch beneden eene doodstille kerk is, waar slechts ver, in ééne kapel,
wat wordt gepreveld...



Weêr trappen en trappen altijd, vluchten van nauwer wordende steenen
trappen... Maar rissen van lachende seminaristen, die boven zijn
geweest, rennen er af; uit alle hoeken zwermen zij neêr, als mieren.

Hunne stroom is voorbij. En nu weêr de trappen, die trappen tusschen
den buitenkoepel en den binnenkoepel, al de trappen die naar de
lanterna leiden... En eindelijk, uit de benauwdheid der nauwer en
nauwer wordende blauwe houten trappen, in de lucht, in de ruimte,
op de galerij om de lanterna...



Ik zoû mij kunnen begrijpen, dat een seminarist--een van die, welke mij
daar juist voorbijzwermden--zoo er eerzucht in hem was en genialiteit,
op die galerij, eene zwellende emotie had gevoeld.

Want Rome, de wereld, lag beneden hem, en hij troonde boven Rome,
hij stond op een rand van Rome's heilige tiara, en alles was lager
dan hij, alleen de hemel niet, de zon.... En het moest in hem opkomen,
dunkt mij, dat alles te willen veroveren en dan te heerschen....



Over de stad, die de Albaansche bergen en de Abruzzen insluiten,
drijven de middagnevelen, en wemelt het middagwaas, dat de zon
optrekt als met gordijn na gordijn... En aan den anderen kant deint
zich onmetelijk de desolate campagna uit en daarachter schemert de
verre zee...

De tijd gaat voorbij, het is jammer hier van daan te moeten. Een
zwellende blijdschap, dat de wereld zoo mooi, een zwellende trots,
dat de mensch zoo titanisch kan zijn, om tòch Babel op te trekken,
omhoog tot het einde van den dampkring, kluisteren hier....

Twaalf uur. Ginds, van de ronde massa van Castel San Angelo, gaat
een dikke, witte wolk geluidloos plotseling over den Tiber heen. Dan
davert het schot, dat den middag meldt, en kaatst als tegen de bergen
aan en kaatst dan weêr terug...

En de klokken van Rome trilleren ver, klateren dichterbij, zingend
hoogschel uit hun brons en metaal, en onder mij, zwellende op tot
mij hun goudenen slag, daveren een voor een, in langzame majesteit,
de twaalf donderslagen van St. Pieter zelve...


                                                            Jan. '94.



VI.

VIA APPIA.


Eindeloos gaat de antieke weg, komt van Rome, dat reeds ver ligt
en gaat tot in het eindelooze door, naar de Albaansche bergen,
die ginds in den zonmiddag waasblauwen en zelfs witgloeien, in den
zachten winterzonglans.... En uit de transparante lucht, boven de
ver uitgespreide campagna, valt drukkende neêr de melancholie van
die antieke eenzaamheid....

Verder weg, links, loopen de oude, telkens verbroken aquaducten met
bogen na bogen weg, en verliezen zich, tusschen de steeds smaller
wordende perspectieflijnen van hunne boogsprongen, in het blauwige
middagwaas der verschieten....

Aan den weg de ruïnes der antieke sepulturen met de stukken marmer en
de busten van wier asschen daar rustten.... En ze zijn allen verdwenen,
al hebben ze eens geleefd in Romeinsche oudheid, al hebben ze eens
hunne levens gehad, met al wat het leven geven kan....

Drukkender, den adem benemend, en zittende als een spook op de borst,
zinkt de melancholie zwaar neêr....

Dichtbij, langzaam, zich nauwlijks bewegende, weidt een herder,--in
schaapsvellen en langen mantel, langen stok in de hand,--zijne
schapen en hij is van een warm bruin tegen het waas van den blauwen
middag.... Bij eene oude, kleine pachthoeve,--een hooge steenen
trap gaat naar boven--praaten een paar vrouwen, de eene op de trap,
de andere op den weg melodramatisch gebarende naar boven, en schel
vlakken de penseelvlakjes van hunne roode en gele rokken en witte
doeken in het waas van het dommelende licht op....

Rechts de eindelooze wijdte, ernstig, desolaat in de zon. Troepen van
bersaglieri, dragende den zwaren ransel, die zij verschikken telkens,
op den rug, en, in de hand, het geweer, komen aan, loopen los van
elkaâr, om ergens te kampeeren. Romantisch wapperen hunne zwarte
vederbossen, afhangende van den ronden hoed, die schuin staat....

En eeuwig schijnt de weg te gaan, eeuwig in vreemde zonmelancholie....


                                                            Jan. '94.



VII.

BRIEF UIT NAPELS.


                                                    Napels, Febr. '94.


Milaan, een groote stad als in het Noorden, toen ik ze zag voor het
eerst, des avonds, in grijze mist, waardoor de lantarens schenen als
Londensche lantarens, en met een cosmopolitische grandeur, die men
ook in Stockholm vindt.... Genua, de haven, en aan den rand van de
zee, langs de arcaden der oude paleizen, het bonte leven van allen,
die aan de zee werken; maar vooral de paleizen, de nauwe straten van
paleizen, en de nauwere kleine straten, donker hoog in den avond,
met hier en daar een lichtje, als rooverholen.... Dan langs de zee,
door een lange reeks tunnels, die telkens het licht onderscheppen;
maar in het licht, iets van wat we het Zuiden denken: blauwe lucht en
daartegen groote aloës met bladeren als blauwachtig metalen zwaarden,
en gouden gespikkel van mandarijnen.... Spezia, de kleine haven; Pisa,
de doode stad: tusschen de wijde straten en verlaten paleizen zweeft
de schim van vroegere macht en rijk Italiaansch renaissance-leven,
zweven de schimmen der Torelli's, en, als op eene grassige vlakte
houden zich de wonderschoone Toskaansche dom en de scheeve Campanile
en het Battisterio en het antieke Campo-Santo dicht bij elkaâr.

En zoo naar Florence, zoo was mijn eerste route, nu juist, op den
dag af een jaar geleden; en mijne tweede, nu, van Milaan naar Parma,
het bekoorlijke kleine Parma, en als ik aan Parma denk, zie ik altijd
den vroolijken cour van een Italiaansch hôtel; alle verdiepingen komen
er met galerijen op uit en op eene galerij speelt een trio: de cour
is vol Italiaansche officieren, die luidruchtig dineeren--manoeuvres
zijn in den omtrek--en ze vullen den cour met hun los-flinke elegance
van losse soldateske beweging, als van luchtige kracht... Als ik aan
Parma denk, zie ik dien cour, die eene scène was als uit Carmen en
ik zie ook Correggio's ideaal eetzaaltje der abdis van het Convent
van St. Paul: de gekoepelde treille met open medaillons, waardoor
de lucht schijnt te blauwen, en putti, die er uit neêrkijken en
bevallige schilderingen van sluiers, waarin borden en ramskoppen,
en op het mantelstuk van den schoorsteen de mooie, mondaine abdis
Giovanna van Piacenza zelve, in het gewaad van Diana...

Modena, altijd met mijn levendig klein Parma genoemd in één adem,
maar dood, een stad van doode arcaden. En Bologna, de wijze stad van
geleerden ernst, la docta, met hare twee scheeve torens, haren ouden
San Petronio en haar modern straatgewoel, en dan Florence...

Maar over Florence kan ik niet ter loops schrijven: er hangt te veel
van mijn hart aan die stad: alleen, ze is nog altijd niet geheel
het Zuiden der fantazie: de Arno kan gloeien in de zon, maar koud,
hoog en somber duisteren de kleinere straten en strak en streng zijn
de paleizen, Pitti Strozzi, Riccardi, als uit rotssteen gehouwen.

Om Siena heen, het op en neêr kronkelende Siena, de fijne Italiaansche
landschappen, met de dof zilverende olijven, die flauw-fijntjes
schemeren tegen de niet al te blauwe, als opalen koepels; het
landschap, zooals Perugino het heeft in zijne onuitsprekelijk schoone
kruisiging van S. Maria Maddelena de' Pazzi, in Florence...

Maar het eerst trof mij het Zuiden in Rome; nergens nog was de
lucht geweest zoo transparant, maar ook zoo blauw, en moorsch bijna
sneden er de witte en roomgele lijnen van gebouwen op af, en de
Pincio wàs het Zuiden! En toch, Rome was maar nu en dan het Zuiden,
maar Napels, dat is het! Het ideale Zuiden van de fantazie: de zee
blauw als zee maar blauw kan zijn: de punt van Sorrento en Capri
schemerig omlijnd--van louter licht--in de verte; de Vezuvius, de berg
vol inwendig vuurgeheim, en steeds met zijn op- en opkronkelenden
witten wolkpluim, die zich in eene langzame, grijze zweving verijlt
naar Capri heen; Castellamare schitterend vierkant geplekt in het
waas-blauw der verre bocht en het Castel dell' Ovo, vestingsterk en
massief in het water, als eene realiteit zich scherp kantende in
den droom der lichtwaastinten.... En, verder af, ziende van af de
Chiaia, de palmen der Villa Nazionale, schelgroen tegen de blauwe
zeekleur bladeren aanzettend; de marmeren beelden.... En verder weêr,
de Villa del Popolo en de strada Santa Lucia en de strada Nuova, met
die intense zuidkleur van het volk der Napolitaansche kaden, alsof
hun leven er is als een weefsel van oud versleten brokaat van het
Zuiden, waarin de schelle kleurvlakken van het rood en het blauw en
het geel en het goud door stof en vuil verrot zijn tot schitterrafels
met metaalreflets, die in het diffuze zonlicht telkens opflikkeren
en gloeien in abjecte schoonheid....



Dat leven van kleur als oud brokaat gaat door naar San Giovanni
a Teduccio, Portici, Resina, Torre del Greco, alles aan elkaâr
gebouwd en aangekleefd, alsof de lava, die er eens gevloeid heeft,
en er versteend is aan de huizen, er het leven bij elkaâr plakt. De
Vezuvius altijd links, met steeds duidelijker wordende kraterlijn en,
kookende als stoom, steeds de dikke, witte wolken krullende uit zijn
geheimenis.... Links de zee, met de punt van Sorrento, een landschap
uit een droom in opalen waas-tint, waarin oneigenlijk enkele bootjes
de zeilen doopen; en die zee, nu en dan maar zichtbaar, over een
muur, of door de open poort van een villa en haar tuinperspectief
heen.... Dan de weg naar Torre Annunziata, keiachtig en stoffig;
bossen van op elkaâr bladerende cactussen tieren aan de muren.... Het
rijtuigje hotst vliegende door en langs dat alles heen, eerst als door
een weefsel van reëele, tastbare kleurschoonheid, en dan als door
eene fantasmagorie van onbestaanbare tinten. Want er is in geheel
de atmosfeer om Napels iets dat aan onbestaanbaarheid doet denken,
of er een aroom uit rijst der Duizend-en-Een-Nachten....



En door dien morgendroom bereikt men Pompeï. Tusschen twee kleine
hôtels gaat de weg naar de ruïnes; overal gidsen, gegalonneerde
jongens van Cook; muzikanten, die op cithers dwepen; bedelaars als
oude gentlemen in onmogelijk gelapte jassen; kinderen, de billen uit
den broek, of alleen in een hemd, die een stukje steen oprapen en je
naloopen met: antiche, antiche....: een aplomb, waar je altijd weêr
om lachen moet....

Na den ingresso gaat de weg als door een desolate villa heen. Dan
het eerst de Porta Marina en de doode stad ligt zichtbaar....

Ze is als een graf van het verleden, als een reusachtige, leêge
sarcofaag, waarvan de steen is weggenomen. Een reusachtige zeis schijnt
er al wat boven was te hebben weggemaaid... Rondom haar heen wazen de
bergen in den zonneschijn, en alles is stil, zonder adem en zonder
geluid, en geen vogel vliegt er; alleen de hagedissen, de kleine
zonaanbidders, schieten als groene flikkeringen over de muren heen.

Langs de nauwe straten over het antieke, ongelijke plaveisel, waarin
eens de wielen van karren diepe groeven hebben ingesleten.... Om
over te steken, groote ronde steenen, twee of drie in de breedte der
straat. Een enkele fontein met nog een marmeren kop, waaruit het water
spoot, en in den rand van het bassin de holte, die de handen sleten,
als ze het water schepten, om het te brengen naar den mond....

Langs de straten de kleine winkels, of de grootere huizen, in
hunne elegance van vierkante lijnen, alsof het leven dier menschen,
trots al hunne geraffineerdheid en débauche, eene nog al strenge
harmonie behouden had, eene helleensche herinnering, klassieke
regelmaat. Nergens molligheid van ronde lijnen, zooals ons leven
nu wil, waar alles arabesk wordt; maar integendeel alles vierkant
en regelmatig en eenvoudig plan van rechte lijnen als primitieve
meetkunde. Maar toch alles fijn, alles elegant, de huizen niet alleen
en niet alleen de tempels, maar ook de baziliek met den tribunaal
met den troon, waar de rechter zat; onder hem in het gewelf, de
gevangenen; ook de beurs; en ook de slachtplaats, en deze laatste,
zoo elegant en met zulke artistieke muurschilderingen, dat men ze
eerst een Pantheon noemde; in de winkeltjes de cellen van priesters
zag; in de toonbank, met de goot, waar het bloed liep, hun triclynium,
waar zij op steenen banken zouden hebben aangelegen, met, onder,--die
goot--, hun vomitorium...



Ik had nog meer willen schrijven van Pompeï, maar mijn brief is twee
dagen blijven liggen en de dagen gaan voort en gaan voort en zoo snel,
met hunne lachende snelheid, zoo snel en zoo lachend alsof ze niet de
zware, lange dagen zijn van het Noorden, maar niet meer tellen dan
uren en zoo lachend, alsof ze de Horen zijn, met kapellenvleugels,
en lachende wegsterven in den zonneschijn van de goddelijke stad van
het Zuiden....

Want Napels is vuil--zooals onze Amerikaansche kennissen zeggen,--maar
het is een vuilheid van een verblindende pracht en eene vuilheid, die
niet schijnt te bezoedelen, alsof de zon en de zee alles ontsmetten
met zuurstof en met licht.... En Napels is de bruyantste stad van de
wereld, zooals mijn Baedeker vertelt, maar vreemd hoe al dat leven
niets enerveert, en hoe er eene lachende kalmte en sereniteit schijnt
boven te hangen in de zonlucht. Het schijnt er in te zingen en te
zwijmelen in die lucht, als van een dronken faunen-vroolijkheid;
mijne ramen zijn open, een rammel-symfonie van trammen en rijtuigen,
schreeuwende kooplui, klakkende zweepen, pijpende soldatenmuziek,
wat meer nog? galmt naar binnen in een vloed van zonlicht; de Villa
Nazionale, waardoor de zee blauwschemert, schijnt onder hare boomen
te ruischen van rijk leven; en toch, een serene bekoring drijft uit
dat alles op, en schijnt te schenken het elixer zelve van het geluk.

Wat maakt de drukte van Parijs, van Londen, van Amsterdam, zoo
enerveerend, en waarom is Napels' drukte niets dan harmonie? Ik
geloof, omdat de drukte in Parijs, Londen en Amsterdam machinaal is;
met strakke gezichten gebaart de doende menigte zich, als bewogen door
methodes, die misschien in groepen zouden te verdeelen zijn.... Wanneer
men zich in een dier groepen voegen kan, doet men meê, en voelt zich
bewogen door de juiste veeren, die noodig zijn. Maar kan men zich
niet in een dier groepen voegen, dan druist men tegen allen in en
voelt zich verloren, en verlangt, ontzenuwd, naar eenzaamheid... Hier
schijnen die groepen niet te zijn. Ieder blijft individu, ieder doet
wat hij doen moet, hij alleen, en zonder methode. Eene spontaneïteit
bezielt de drukte. Alles krioelt door elkaâr: een bonte mierenhoop,
in glanzend lachende naïveteit...

En dan die lucht, de vreemde sereniteit van die lucht daarboven, die
stillende atmosfeer, die van af de zee schijnt aan te drijven. Ook
in Rome is dat zoo anders. De lucht is er droog, ijl; men voelt zich
steeds voortgejaagd, voortgezweept; men heeft veel te doen, veel te
zien, touristenplichten zonder eind. Men ziet zijne kennissen niet
meer, al woont men in het zelfde huis. Ieder vliegt een andere kant
uit, met dolle oogen, en ziet men elkaâr terug, dan dweept men, dat
Rome zoo mooi is, en dat men het water van de Trevi wil drinken, om te
moèten terugkomen, in Rome... Hier, niet die opgeschroefdheid. Alles is
natuurlijk, vroolijk. Heeft men ooit in eene stad, behalve in Napels,
fiacres gezien, die met elkaâr om het hardst reden? Vincenzo onze
koetsier, vliegt en hotst er van door met zijn kleine paardje, dat
lava in zijn aderen schijnt te hebben, en zoo vliegen ze allemaal,
de paardjes, klein maar sterk en vlug en hinnikend. Hinnikende
fiacrepaarden! En ze cambreeren zich in hun flikkerende tuigen
vol glimmende spijkers en metaalbeslag en ze willen elkaâr niets
toegeven. Baedeker beweert, dat de Napolitaansche koetsiers bekend
zijn om hunne insolentie. Het is mogelijk, maar Vincenzo is een
ideaal. Hij vindt het alleen prettig je nu en dan een lira meer te
vragen dan het tarief, want het zit hem in het bloed je liever wat
af te zetten, dan op een fooi van je te rekenen. Maar dat is ook zijn
eenige ondeugd. En hij is geboren voor koetsier van goeden huize, al
is zijn jas ook gescheurd aan alle kanten. Als we ons hôtel uitgaan
en niet willen rijden en willen wandelen en al de anderen ons wenken
en met de zweep klappen en vole? vole? roepen, alsof ze de grootste
verleiding voor ons in petto hebben, blijft Vincenzo, die zich tot
onzen lijfkoetsier heeft gepromoveerd, statig zitten, en groet ons met
een glimlach van kalme zelfbewustheid. Maar zit hij niet op zijn bok
en loopt hij zijn karretje met een plumeau af te stoffen, dan komt
hij, met dien zelfden glimlach naar ons toe en vraagt: Morgen weêr
eens naar Pompeï? Of naar Baïa? Of naar de Camaldulen? Van daar zie
je de heele wereld, de heele wereld in zonneschijn!



Alleen als we naar het Muzeum rijden, is Vincenzo een beetje
ongelukkig. Maar het kan niet anders: we moeten nu dan wel eens naar
het Muzeum, Vincenzo!

Ik weet niet, waarom beeldhouwwerken en bronzen mij altijd een sneller
schrik van schoonheid geven dan schilderijen. Er straalt altijd uit
hen een flits, die mij in eens doordringt, zoodat ik in eens het
geheele beeld zie, en schilderijen moet ik langzamerhand veroveren...

Wij gaan door de portiek der keizers naar de bronzen. De keizers
kennen wij van Rome, van het Kapitool en van het Vaticaan, en wij
willen nu naar de bronzen. Toch zie ik, dat hier een Nero is, met een
lauwerkrans, die weêr anders is dan in Rome en een Heliogabalus, die
allervreemdst is. Een plat achterhoofd; het haar sluik en wat vallende
over het gezicht met een vlok hier en daar... Koele, uitpuilende
oogen, een slechte ommelijn van wangen, en de bovenlip hangende over
de onder-... In het geheel iets van een jongen, perversen misdadiger...

De bronzen vullen vier zalen. In de eerste het prachtige bronzen paard
van Herculanum, uit een vierspan over. Nog een prachtige paardenkop,
van een paard, dat vroeger bij den tempel van Neptunus stond,--nu San
Gennaro--en dat de aartsbisschop, op den kop na, versmelten deed tot
een klok, om het heidensche te christianizeeren. Eene Dianabuste,
uit Pompeï, met een holte van achteren, waardoor de priesters aan
het beeld een orakel inbliezen...

In de tweede zaal vooral vier kleine beeldjes, naast elkaâr: de
dansende Faun in Pompeï gevonden, vol rythme in de beweging zijner
levendige armen en beenen; een Silenus, die iets gedragen heeft, op een
support, dat een slang rondt, en, zwaar dik, omkranst, zwoegt hij nog
onder zijn last, die men niet meer ziet; een sater met een wijnzak,
en een Narcissus of liever Bacchus, in een luisterende houding, met
vooruitgestoken wijsvinger... Het zijn vier kleine meesterstukken,
die daar naast elkaâr staan, en als men, geheel gecharmeerd, den een
na den ander beschouwt, is men verwonderd over dat tintelende antieke
leven in klein brons, over die vier kleine bronzen oden, van een zoo
zuivere en gecizeleerde kunst, als verzen van Horatius. Die kleine
volmaaktheden van de oudheid, die men onder zijn arm stilletjes
zoû willen wegnemen, ze geven ons, modernen, een wanhoop, omdat ze
zoo iets zuivers en levends zijn: eene kleine, vroolijke gedachte,
stralende door een vorm van louter zuiverheid.

Maar de derde zaal bevat het schoonste brons: in het midden de dronken
Faun, met zijn dol vroolijk, zalig genietend gezicht, zich wentelend op
zijn leêgen wijnzak; aan zijne zijden, links en rechts, twee andere
beelden, worstelaars, in houdingen van elkaâr-willen-aanvallen;
slank zijn ze, jongens nog, met heele fijne voeten en fijne handen;
ze zullen zeker bliksemsvlug zijn en niet zoo heel sterk. Dan een
sater, die juist wakker wordt en zich opricht, en zijn geheele lichaam
rekt zich als in eene vroolijke lijnenmelodie van natuurlijkheid en
humoristischen dageraad; en dan een rustende Hermes. Even is hij gaan
zitten; hij schijnt dadelijk weêr te willen opstaan. Zijne vleugels
zijn hem met riemen gebonden aan de enkels. Fijn luchtig is zijne jonge
gestalte; de zon, die helder binnenvalt, veegt lange schamplichten
aan de rondingen zijner efebe-ledematen, en laat hem verder in een
donkere tint van moorenzwart. Zijn gelaat heeft iets ineengedrongen
hindoesch; zijne ooren staan een beetje ver van het gezicht af.

Hij is misschien niet zóo intelligent als de marmeren Hermessen
met hun Praxiteles-type, maar hij moet vlug zijn, als de wind, als
hij niet meer rust en zich zal verheffen op den vogelslag van zijne
lichte enkelvleugeltjes...



VIII.

PESTO.



                                       Cava dei Tirreni, Febr. '94.


De Appenijnen als rotsgebergten, die in den wazenden zonneschijn
licht transparant worden: hier en daar een tintelwitte sneeuwkop;
beneden groen grassige vlakten en her en der de tintelwitte vlakken
ook van geiten en de zwarte kroeskoppen van wilde buffels...

Over het landschap drijft een niet zichtbare schim, schijnbaar opgelost
in den luchtglans: de booze geest, de malaria; maar aan den spoorweg
links en rechts balsemen lange reeksen eucalyptussen met volheid van
geur de lucht en sterk, suikerzoet, trillert naar boven de walm van
duizenden narcissen.....



Door de Sirenenpoort gaat een weg naar Poseidonia, het oude Paestum,
de stad van den zeegod, en, in eens, bij het einde van dien weg,
verrijzen de tempels, of ze in Hellas zelve zijn...

In de majesteit van zijn Dorischen eenvoud zuilt de tempel van den
zeegod op, met zijne zuilen, die zijn als gouden lijnen. Sterk,
breed gaan zij op van den grond en, hooger, versmelten ze zich, als
zijn ze volle tonen, die, eerst gezwollen, teerder worden van klank
naar de lucht toe.

Om hen heen drijft de stilte, en tusschen hen door, telkens afgesneden
en als een smalle streep azuur teekent zich ver de zee recht.....

En ze is zoo smal en zoo azuur als Alma Tadema haar geeft boven of
tusschen zijn marmer....

In de zon warmt zich de gouden tempel. Want de zon veegt over den
sponssteen der schachten lange vegen licht, die hel vergulden, en
brons zijn dan de andere schaduwende rondingen.

Sterk stoven in de zon, die al schijnt te zomeren, de volle witte
madelieven, de gespikkelde distels, en vooral sterk de glanzend
groene akanthen, die als met fijne scharen zijn uitgeknipt. En, levend
smaragd, schieten de hagedissen met schichtige juweelen oogjes over
de zuilen en verdwijnen in haar sponsigheid...

Alles is stil. Alleen een kind kijkt naar ons, een meisje; ze is
stil blijven staan: donkerbruin met groote ronde zwarte kralen van
oogen. Recht hangen de plooien van haar rokje, warm vuilblauw, en
met beide handen steunt zij recht op haar hoofd, een lange kruik met
twee ooren.



Opener, ijler, meer ruïne heft links de Baziliek grijzere
zuilen omhoog. En verderop, rechts, grijzer ook, de tempel van
Vesta. Binnen-in bloeit een geheele blankheid van madelieven, als
het laatste, iets wit, dat de verdwenen godin achterliet...

En in deze stilte van zuilende tempels in blauwe lucht, met de
smal-blauwe streep van zee tusschen de gouden en grauwe lijnen door,
heb ik mijne vrome gedachte gewijd aan Vosmaer en "Amazone"...



IX.

BRIEF UIT CORFU.


                                                        Febr. '94


Van Napels door de dorre, woestijnachtige Basilicata, die is
als een landschap van het H. Land of als een streek uit Syrië,
golvend, verbrand door de zon, als verdord onder een vloek van uit
den hemel..... Brindisi, een havenstad van verveling, op den Zondag;
een paar groote mails alleen komen aan van Alexandrië en van Calcutta,
maar geene woelige drukte is bij hunne aankomst; alleen, saaiweg,
worden tonnen ingeladen met een hefboom, als een ijzeren arm die
aanneemt, oplicht en neêrlaat en aanneemt, oplicht en neêrlaat,
den heelen dag door....

En alleen voor het Hôtel International, waar de op den nacht--om te
gaan aan boord--wachtende gasten zich vervelen over altijd de zelfde
illustraties--als hunne brieven geschreven zijn, en gapen en zien op
hunne klokken en dan weêr gapen--alleen voor het hôtel--als iets van
Egypte, daar ver weg, goochelt een Egyptenaar en zwaait met een half
doode slang en lokt eene menigte, die grinnikend naar hem kijkt.

En over den weg heen slingeren schillen van vruchten, die ik niet
ken, purperen schillen met stekels, maar ze laten me denken aan onze
ramboetans uit Indië....



Des nachts aan boord van den Principe Oddone en de nacht aan de leêge
boot, door de stilte van de nachtzee en de nachtlucht, waardoor de
machine haar langen, langen draad van beweging stikt. En des morgens
de bekoring van Albanië; de, even boven, besneeuwde rotsbergen in
het droomlicht van den morgen, dan de kleinere Othonische eilanden,
Samothrake en het eiland van Calypso, en eindelijk de Grieksche stad
Corfu, fabelachtig gelegen en, links, de Oude Forteres, oprijzende
als een begroeid, rond oorlogskasteel....

En de woorden, om nu te zeggen de bekoring van het liggen van die
stad en hare ligging al zoo afzonderlijk te teekenen van andere
stedeliggingen aan zeeën, zijn zoo moeilijk te vinden, omdat het maar
is de bocht van bosschige of van heuvelige lijn en het vierkante rijzen
van witte huizen, en de uitstekende spits van een kerkje, juist zoo
en niet anders en dat alles met de nuances van liggingsarabesken,
die misschien nauwlijks zijn te geven met waterverf en geheel niet
in de abstracte teederheden der woorden, die meer geven de zielen
der dingen, dan hunne lijnen en hunne tinten.



De stad, levendig--mannen in Albaneesch kostuum, zwarte pope's met
iets Assyrisch' in hunne los fladderende soutane's, in hunne zwarte
baarden, in hunne hooge vierkante kalotten--is Grieksch, en niet alleen
om de letters der opschriften, die de ongewone oogen spellen, maar
Grieksch om alles; zooals de mannen loopen en gebaren en kijken met
hunne schuine oogen naar de vreemdelingen en zooals de huizen staan,
misschien. Geheel anders dan alles van Italië en het heeft zeker de
bekoring niet alleen van het nieuwe, maar vooral van het Grieksche,
alleen omdat het Grieksch is en toch in dit alles is een gemis, dat
bijna een heimwee geeft naar Italië, het eenige en aanbiddelijke....



En een eerste indruk, om te aanbidden het Nieuw-Grieksche in zijn
dadelijke dagelijkschheid, krijgt een vreemdeling niet, zelfs niet
een vreemdeling, die zich geschikt heeft, en gaarne, naar de kleinere
Italiaansche hôtels. Want groote hôtels zijn altijd slecht, zonder
comfort, zonder bediening en met oneetbaar banale tafels. Maar wat te
zeggen van een begindag, dat men zijn door Baedeker gestarde hôtel
verlaat, omdat de met goud te betalen prijzen omgekeerd evenredig
zijn aan zelfs een matig geëischt comfort, in een kleiner pension
aanlandt, waaruit men een half uur later, zich borstelende en
naziende al zijn bagage, vlucht, om eindelijk te moeten stranden
in hèt groote hôtel--de eenige woning die nog te kiezen is. En als
dan nog hèt groote hôtel--met prijzen van dubbel goud--en als men
iets terug krijgt, krijgt men van zijn goud niet aan te raken,
vuile papieren drachmen terug,--die van 10 eenvoudig in tweeën
gescheurd voor twee van 5--als dat hôtel, St. Georges, niet is warm
te stoken op een kouden regenachtigen na-dag, zoû het heimwee naar
Italië grooter en grooter worden, zoo, een vizioen gelijk, door de
lezing van Hamerlings Aspasia heen, de Akropolis, ginds bij Athene,
niet schemerde, als eene heilige belofte....



Ik zit hier voor een week gevangen. Gelukkig gaan de dagen voorbij;
maar hoe? Het is jammer van je jonge jaren, die nooit terugkeeren, zoo
een week. Corfu ademt, tegelijk met nog nergens geroken walgelijke
rotte-visch en rioolluchten, aan hare mooie haven, een suprème
verveling uit. Het is de season, zelfs carnaval; de twee hôtels--beiden
infect--zijn stampvol. De menschen gapen, wandelen 's ochtends,
's middags en 's avonds insipide-weg over de Spianata op en neêr:
de esplanade, een dorre vierkante uitgestrektheid tusschen de stad en
de Oude Forteres. Ook wandelen er kudden kalkoenen, geherderd door een
kortgerokten Albanees. De herders zien er gluiperig uit als roovers. De
priesters met hun Assyrisch type--de ouderen hebben meer iets van
Chineesche bonzes--lamlendig, in hunne slap golvende soutane's. De
soldaten onhandig; ze schijnen niet op hunne voeten te kunnen staan,
en hunne geweren schijnen hun te glippen tusschen de vingers. De
officieren, slordig in hun slecht zittende uniformen. Mannen uit
het volk, soldaten ook, houden een snoer van kralen in de hand,
alleen om wat te hebben om aan te friemelen. De vreemdelingen gapen
en pavaneeren dom weg. Het geheel is iets grenzeloos vervelends.

De gemeenschap, zoowel met Italië als met verder Griekenland, is
langzaam en luttel. Met brieven, via Brindisi, wordt men begunstigd
tweemaal in de week. Ik kijk smachtende uit naar Maandag-namiddag; dan
gaat mijn boot naar Patras. Maar ik vrees ook voor groote desilluzie
in Athene. Ik voel me hier te slap van verveling om reeds Olympia
te bestudeeren. Ik voel me ridicuul, dat ik hier Aspasia nog eens
overlees. In Florence en in de kleinere Italiaansche steden ademt men
nog een aroom van de renaissance; in Rome een aroom van antieken tijd,
maar hier in Corfu is niets Helleensch. Toch ligt er dichtbij de stad,
bij de Canone--vroeger eene batterij, nu een uitzicht--een eilandje
met een wit kerkje tusschen cypressen: Ponti Konisi, Muizeneiland,
en de legende wijst het aan als het schip van Ulyssus, versteend
door den toorn van den zeegod. En de legende wijst ook de plek, aan
het meer van Kalikiopoulo, waar Nausicaa den Homerischen zwerveling
vond..... Arme legende!

De verveling is hier niet door te komen. Te wandelen is er niet;
men kan alleen een paar toeren maken. De natuur, meer het eiland
in, is vooral treffend om de olijven. De olijven zijn prachtig en
geheel anders dan de Italiaansche. De Italiaansche olijven zijn
teeder, tenger vrouwelijk en zilver etherisch. Hier zijn ze forsch
en mannelijk, eeuwenoude boomen, met dikke, twee- en drievoudige,
sponsachtig gespleten stammen: het loover is zwaar en groengrijs,
vol donkere metaalglansingen in de zon. Valleien van olijven glooien
op en af; de forsche olijven zijn de heerschers van het eiland. Door
olijven-valleien klimt de weg naar Gasturri, waar de villa Achilleion
van Keizerin Elizabeth van Oostenrijk op een hoog standpunt rijst en
uitkijkt over het eiland heen.....



Ik raad hierbij iedereen, die mij leest en gelooven wil, een bezoek
aan Corfu af. Ik betaal hier, in goud, een pensionprijs, die in
Zwitserland en Italië alleen prinsen en Amerikanen betalen en ik voel
me, op het oogenblik, dat ik dit schrijf, flauw van den honger. Dit
hôtel, St. Georges, is het eerste en vereerd geworden door het bezoek
van den Oostenrijkschen Keizer; de groote yachtsmen uit Engeland
logeeren hier. Het wemelt er van prinsen en markiezen. Ik ben ijdel
genoeg om te denken, dat hunne magen eenigszins gelijk zijn aan de
mijne en trek dus de conclusie, dat ook zij op dit oogenblik flauw
van den honger moeten zijn.

Nog eens dus: wie naar mij hooren wil, komt niet hierheen. Het is
hier een dure armoede en een onoverkomelijke verveling. Ik slaap half,
en links en rechts hoor ik mijne beide buren snurken. Men reist toch
niet om zijne correspondentie bij te houden. En de unieke olijven
bewonderen, kan men toch niet doen met een sufheid en een geeuwhonger,
waaronder ik op dit oogenblik lijd.



Zeer lief ligt de villa Mon Repos, een zomerverblijf der koninklijke
familie. De tuin is niet zeer onderhouden, maar dit schaadt niet
aan de schoonheid ervan, aan de mooie, fijne eucalyptussen met hunne
zilveren stammen en bossen loover als smalle linten; aan de welige
mispelboomen, de oleanders en magnolia's, vooral niet aan de wilde
anemonen, die er als violet onkruid bloeien. De villa is een klein,
gezellig huis, dat nu juist in orde wordt gebracht voor het koninklijk
bezoek, in April. Van af de balkons heeft men een verrukkelijk gezicht
op Corfu, de Oude Forteres en de kust van Epirus. Het zal daar zijn,
in dat kleine huis, in dien gezelligen tuin, een vrij familieleven
zonder etiquette. In de zee, vlak bij, baadt men. Op een spiegelkast
in de kleedkamer van den koning trof mij een geheele reeks namen,
met een diamant geschreven, van zijne kinderen en familie. Als de
koning met zijne familie hierheen komt, blijft echter de hertog van
Sparta in Athene.



Maar Mon Repos ligt niet dichtbij genoeg om ieder oogenblik, dat men
zich verveelt, te bereiken en dan is de Oude Forteres het eenige
asyl. Zij is de poëzie van Corfu. Een kanaal scheidt haar van de
Spianata, een brug verbindt haar ermêe. Men wandelt haar vrij binnen en
dwaalt over hare opgaande wegen en trappen naar boven. Door de sombere
cypressen heen blauwt de zee als een droom. Overal groeien bloemen,
welige bloemen van onkruid, witte en blauwe violen, madelieven
en goudkleurige bloemen, die op madelieven gelijken, en die hel
schitteren in de zon, tegen den verren saffieren spiegel der zee
aan. Hooge cactusmassa's zijn als bronzen plantvormingen tegen de
etherische goudatmosfeer en telkens door opene kanteelen heen, als
tusschen lijsten, schittert een ander landschap in de verte... Een
verlaten burcht uit een zuidelijke riddersproke en de eenige plaats
in Corfu, waar men zich ieder oogenblik verliezen kan in de zwijmeling
van den vroegen zuidzomer.



X.

BRIEF UIT ATHENE.


Het is een genot weg te gaan van Corfu en het is een genot dat te doen
over de even gekabbelde wateren der Ionische zee, in het roze licht van
het zonnedalen, dat eindigt in gloeiend oranje boven het metaalblauw
van het water. De kust van Corfu blijft lang volgen en ook die van
Epirus tot Paxos toe; dan komt de nacht, en in den morgen vroeg landt
men te Patras, klein en woelig van havenbeweging. De spoorweg naar
Athene, langs den golf van Korinthe, gaat eerst langs onverschillige
landschappen; dan wordt het typischer: de breede, geheel uitgedroogde
rivieren, de eindelooze krentenaanplanten, die zich nu nog voordoen
als dorre, kleine, bladerlooze, stronkige boompjes; en het volk
in de velden treft vreemd door al het wit van zijne kleeding of het
boeren en boerinnen zijn uit een opera. Vóór Korinthe de Acro-Korinth,
de trotsche, kasteelachtige rotsmassa, als een zware diadeem op het
landschap; Nieuw-Korinthe als een doodsch, wijd, stoffig stadje, en
dan het nieuwe kanaal: de trots van Nieuw Griekenland. Het verbindt de
Korintische en Saronische golven, en als de spoor er langzaam overheen
glijdt, ziet men ze beiden liggen en het kleine kanaal als een glad
gepolijsten doortocht, keurig afgewerkt met twee rechte wanden, de
wateren vereenen. Het is iets als een fijne buis, iets onberispelijks
en nets van uitvoering, een klein gulden kanaal.

En nu spoort men langs de Saronische golf tot Megara toe. In
harmonische lijnen, alsof zij besef hebben van hare harmonie, wisselen
en verschuiven de lijnen der Peloponezische bergen en de groote golf
is steeds als een meer, geheel ingesloten door die blauwe harmonieën
en zelve als een spiegel, waarin maar enkele wateringen spelen van
licht. En in zijnen hoogen eenvoud is dit landschap klassiek schoon,
van eene niet zegbare, alleen voelbare, klassiek eenvoudige schoonheid:
de kalme wateren, de blauwe bergen, zacht schuivende in gelijk
golvende lijnen, rythmisch en breed als hexameters, van een rythme,
dat rust geeft, groot droomend de oogen doet openen, weg doet staren
over die stilte, en de ziel heen trekt naar het verleden toe.... Men
voelt zich--zelfs in zijn spoorcoupé--in Hellas; men is blij, daar
gekomen te zijn; het antieke leven is in eens eene openbaring. Men
begrijpt de oude Grieken, hunne ideeën van streng schoon, bij het
droomend volgen dier rythmische berglijnen. Men begrijpt hunne
zuilentempels; in de roze atmosfeer, tegen die harmonie van bergen,
ziet men ze, in gedachte, rijzen als eene harmonie van zuilen. En
het is vooral misschien, om dat stille en rustige, als van een meer,
dat zenuwstillende en grootsche, dat die wateren overdrijft als een
nimbus, en waardoor de bergen heenschemeren, zooals zij schemeren
door het roze zonnedalen, totdat men niet meer onderscheidt en de
gedachte zich weg laat sleepen in de bekoring van eene niet meer met
woorden te duiden droom....



In Athene bekoren mij, zoozeer als levenlooze dingen van uiterlijkheid
mij misschien nooit bekoord hebben, de Acropolis, het Theseion
en de tempel van den Olympischen Zeus. Het is misschien goed voor
men die ruïnes ziet, den tempel van Poseidoon gezien te hebben in
Paestum. Ieder weet wat zuilen zijn, en ieder wat een tempel en
toch: ik zoû het wagen te zeggen: die niet geweest is te Paestum
en in Griekenland, weet het niet. Ik herinner mij nog zoo goed: in
Paestum kreeg ik de sensatie van schoonheid, met deze vraag: waarom,
en hoe die schoonheid door bijna rechte lijnen, die weêr andere rechte
lijnen schragen? En het is misschien goed die vraag zich éens gesteld
te hebben, ook al is er geen antwoord op. Want hier in Athene vraag
ik nu niet meer, en ik laat mij meêslepen, geheel, alsof Paestum mij,
onbewust, geleerd heeft wat zuilen zijn en wat een tempel.

Om die tempelruïnes, als die van den Olympischen Zeus en het Theseion,
zweeft eene atmosfeer van heiligen weemoed, een gouden atmosfeer, een
stralenkrans. In Rome is veel moderns om de ruïnes heengebouwd, hier
is ruimte gelaten, en al het moderne schreeuwt er niet tegen in. En
in die ruimte kan die atmosfeer drijven, die weemoed blijven hangen,
die stralenkrans zacht glanzen. In zulke ruimten heffen de zestien
goudene marmeren zuilen,--Penthelisch goudgewaasd marmer,--van den
Olympischen tempel hunne Korinthische kapiteelen op. Ze heffen ze op
in de blauwe lucht en de heilige weemoed geeft hun den nimbus. Hoe
men ze ook omloopt, ze wisselen hunne lijnen, ze zingen er hunne
lijnen, in goudene harmonie. En het zijn niets dan opgaande lijnen,
doelloos nu opgaande, daar ze niets meer schragen dan een doellooze
architraaf en uitbloesemen in een kapiteel, zonder doel.....

Het Theseion ook staat zoo ruim, in volle lucht, en het staat gehéel
vrij, in geheel zijn tempelrust van Dorischen eenvoud. Onsterfelijk
schijnt het te zijn, ook al hebben aardbevingen de gelijkmatige
onderdeelen der schachten bij sommige zuilen verschoven, zoodat ze
schijnen te zullen bezwijken, geen dag meer te zullen houden... En
toch ze blijven staan, als met eene onbegrijpelijke, bovenmenschelijke
energie....

Maar eenig in zijne onsterfelijkheid, in heilige majesteit, goudene
marmeren goddelijkheid, rijst boven de stad, op den Akropolis,
eeuwig schoon, het allerschoonste wat ooit menschen bouwden. Daar
rijst de maagdentempel, het Parthenon, dat Pheidias reeds lang in
gedachte er had zien rijzen, tot Pericles, de Olympiër, met zijne
Olympische welsprekendheid op den Pnyx de Atheners bewoog toe te
stemmen uit den Schat van Delos te putten voor den goddelijken
marmerbouw. Toen was er op den Akropolis nog maar het Erechtheion,
het heiligdom van Athene Polias, waar het uit den hemel gevallen
olijfhouten beeld der godin vereerd werd naar de aartsvaderlijke
traditie, maar ook stond er reeds de Athene Promachos, de bronzen
Voorvechterin van Pheidias, de reuzenstatue, die over den Piraëus
heenzag en den eersten groet der stad bracht aan de schepen, die thuis
kwamen. Maar Pericles sprak op den Pnyx en het eenige gebaar van zijn
oratie was: het uitstrekken van zijn arm naar de leêge plek, waar het
Parthenon mocht rijzen, en aller oogen volgden waar zijn vinger wees,
en het sein was gegeven. Pheidias zoû zijn droom vereeuwigd zien,
en de Athene van den Vrede geven in goud en ivoor, voor den tempel,
die Iktinos en Kallikrates zouden bouwen in Penthelisch marmer, die
de leerlingen van den hoogen beeldhouwer,--Alkamenes, Agorakritos met
hunne legerschaar van jongeren,--versieren zouden met metopen en met
de wonderfries der cella: den Panatheneïschen feesttocht....

En wat er nog staat van den heiligen bouw na al zijne profanatie's--na
een kruithuis geweest te zijn en een moskee en een Byzantijnsche
kerk--, wat er nog staat is, tot de hooge vreugde der eeuwen, nog
eene volmaaktheid, nog eene harmonie van zingende lijnen, een eeuwig
choor van zuilen, dat vibreert in den reinen, doorglanzenden ether,
of in de oranje zonnedalingen, die aangloeien van Salamis af over den
onmetelijken boog van den hemel. Nooit nog trof mij zooveel emotie voor
marmer: zooveel vreugde om marmer, dat oprijst en zooveel weemoed om
marmer, dat neêrligt. Want is het niet om te weenen als men ze lang
uit, in de onderdeelen hunner schachten, als marmeren reuzenkolommen,
nêergespreid ziet liggen door den zorg der menschen, als doode zuilen,
als zuilen zonder ziel? Dan streelt de hand over hunne gefluteerde
gleuven of over hun Dorisch kapiteel, dat eens zoo hoog was en
neêrgedonderd ligt, dood. Dan wil verbindende gedachte en verbeelding
ze weêr heffen, waar ze stonden, ze weêr zingen doen hunne lijnen,
met de andere meê. Dan treft de menschelijkheid van die harmonische
reuzen, die sterven, of reeds bezweken, het meest, en dan is vooral
de weemoed overstelpend als men er al de gouden onkruidbloemen haar
welig getier ziet tusschendringen, als men er de witte en gele en
gloeiend gekleurde kapellen over heen ziet fladderen met het broze
getril der weiflende wiekjes, omdat die bloemen en die kapellen--die
liefde van éen dag--zoo vreemd in onderscheid is met dat marmer,
dat, zelfs in den dood, eeuwig is: een zoo wijde afstand tusschen
die beiden, kapellen en zuilen, of het geheele leven er tusschen ligt.



In Hamerlings Aspasia is het Erechtheion en zijn priester alles wat
ouderwetsch is en aartsvaderlijk in tegenstelling van den nieuwen,
glanzenden, vroolijken geest, die de schoonheid vereert als met
godsdienst. Door de Perzen vernietigd is het inderhaast en tel-quel
weêr opgebouwd, is het in den roman een sombere, geheimzinnige tempel,
waarvan de priester noode, vlak voor zijne oogen, het Parthenon ziet
omhoog trekken....

Zooals wij nu het Erechtheion nog zien, dagteekent het van later,
van den tijd van Praxiteles. Wie dit niet weet en zich den somberen
tempel uit Aspasia herinnert en daarvan de ruïne meent te zullen
zien, staat verbaasd. Want het Erechtheion nu is, naast de hooge,
verhevene grandeur van het Parthenon, het bevalligste marmerwerk, dat
zich denken laat. De zuilen, de poorten zijn geornamenteerd als met
de fijnste beitels, gecizeleerd tot marmeren juweelwerk; de schachten
zijn fijn, diep-in gefluteerd; de Ionische kapiteelen gelijken om de
mollige lijn van hunne ronde volute's, waarop de drie-deelige epistyl
rust, zachte kussens, die met snoeren van marmeren parelen zijn omzet;
verder zijn de randen onder en boven den architraaf, en boven de fries
gewerkt in de fijnste Lesbische arabesken, en het geheel is als een
overwinning op het marmer, niet om het groot te houwen in trotschen
adel van lijnen, maar om het als met eene vrouwelijke insinuatie teeder
te krijgen en bevallig en bijna week. En dan de portiek der Karyatiden
aan de zuidzijde, waar de architraaf door zes vrouwen getorst wordt,
en die het geheele gebouw van eene lichtheid en eene luchtigheid doen
schijnen, alsof zij daar maar even zijn gaan staan en een oogenblik
torsen het dak van dien portiek en niet torsen voor eeuwen....



Dat zijn de tempels, waarvoor men naar Athene gaat, omdat ze volmaakt
van schoonheid zijn als nergens, misschien alleen te Paestum. En om
die tempels te zien en weêr en weêr te zien, blijft men in deze stad,
en blijft men in dit land. Want groot moet de verbeelding zijn en
nuchter archeologisch het verstand om in modern Athene nog verder
terug te vinden de stad van Pericles. Blik van af de Place de la
Constitution naar den Akropolis op, van het paleis des konings naar
het Parthenon, en in dien blik liggen de doode eeuwen, eene leêgte,
die door niets gevuld wordt. In Florence ademt men de Renaissance;
in Rome, hoe modern de stad ook zij, de oudheid; maar in Athene ademt
men niet de Gouden Eeuw.

Dit is niet verder te bewijzen, het is alleen te voelen, en misschien
wat te omschrijven. De Italianen zijn nog altijd de Italianen, maar
de Grieken, die Albaneezen zijn, zijn geen Grieken meer. Al roepen
zij, dat zij hunne oudheid lief hebben, men voelt dat dit alleen een
fraze van conventie is in de couranten; men voelt dat zij het niet
kunnen. Zij kunnen misschien, trots alle Grieksche toestanden, een
nieuw volk worden, modern; ze hebben misschien nog een toekomst voor
zich. Maar van het verleden voelen zij niets. Zij zullen dat nooit
toegeven, want: zij zijn ontwikkeld, zij richten ontelbare scholen
op, laten zich voorstaan, dat zij veel weten; hunne nieuwe openbare
gebouwen bouwen zij in klassieken stijl, en naast hunne Akademie
van Wetenschappen richtten zij twee hooge zuilen op met vergulde en
marmeren statues van Phoibos en van Athene. Maar die neo-antieke
gebouwen en zuilen detoneeren in de brandnieuwe, stoffige stad en
schijnen niet noodig, omdat de Grieken er niet meer zijn. Dit volk
vertoont duidelijk de ruw gehouwen trekken van zijn afkomst. Hun
kostuum van goud en kleurig geborduurde jakje en zwaar geplooide
witte balletrokje en schoenen met opgewipte punten, de fez op het
hoofd, kleedt hun goed, maar is niet Grieksch en hoeft dat ook niet
te zijn. Hun koning is een Deensch vorst, dien zij niet beminnen en
nauwlijks eer bewijzen, als hij zich vertoont. Somber kijken zij,
met hunne schuine oogen, en hunne passie's schijnen te zijn: kleine
kopjes koffie te nippen, vele glazen water te drinken en aanhoudend
schoenen te doen poetsen. In geene stad zag ik nog zooveel koffie
en water drinken en zoovele schoenen gepoetst worden. Zij zijn niet
onvriendelijk en niet onwillig en zelfs beleefd, maar ook zeer onhandig
en brengen u zelden waar ge zijn moet. Ik geloof niet, dat ze ooit
lachen, en ik geloof, dat als Aspasia hier terug kwam, ze op nieuw tot
het volk van Athene zeggen moest: Je moet vroolijk zijn; het leven en
de liefde zijn vroolijk in hun wezen; het leven moet genot zijn en al
het andere is maar ziekelijk! Maar ik geloof niet, dat ze er dezen
keer veel succes meê hebben zoû, en ik geloof, dat ze eindigen zoû,
zooals ze eindigde tegen Pericles: Neen, jullie zijn geen Grieken meer.



XI.

BRIEF UIT FLORENCE.


De lente nadert aan; van Brindisi tot Foggia zilverden de stoere
olijven--en deze even stoer als die van Corfu--met tintelende
looverglanzen in de zon en de weg was verder als door toovergaarden van
sneeuwig bloesemende vruchtboomen, wit en zacht roze en heel zacht
violet, fabelachtig lieflijk als tuinen van het Paradijs. Goede
Vrijdag in Rome was één bloem al bloem; op de Piazza di Spagna
liepen de jongens en meisjes met korven vol op het hoofd, tulpen en
narcissen, irissen en ooft-bloesemtakken, lelietjes-van-dalen en
violen en vooral de donkere, zoetgeurige violetten, en de geheele
piazza geurde en was er bont om. Goeden Vrijdag gaat natuurlijk
iedereen naar St.-Pieter, en de Engelsche dames stroomden er heen
met onafscheidelijke vouwstoeltjes, bengelende aan een arm. Want de
kerkmuziek is er een rage; van halfacht 's morgens tot 's middags
laat vliegt men van de eene kerk naar de andere om toch alle muziek te
hooren. Wat Romeinsche kerkmuziek betreft, geef ik den voorkeur boven
alles aan het divine gezang der nonnen van de Trinita de' Monti, met
die eene nonnestem als vol heilig klinkend kristal, dat zwellend luidt
de extaze der woorden. Maar Goeden Vrijdag ging ik, als het behoort,
naar St.-Pieter, want het Miserere van Mozart _moet_ men hooren,
Maureschi _moet_ men hooren zingen.... Dan gaat men omdat het _moet_,
en dan hoort men het Miserere, en geniet het, als men kan, in die
gouden reuzen-architectuur, tusschen al die dwarrelende menschen en
dan vindt men Maureschi mooi, als men kan, met zijn hooge falset-stem,
die toch altijd het kristallijne der vrouwlijke sopranen mist, en
mij altijd toeklinkt als van een chanteuse légère op haar retour.

En heeft men dan het Miserere gehoord, dan mag men Rome verlaten,
zelfs al is het Eerste Paaschdag en zelfs al kijken al uwe kennissen
u verwijtend aan, omdat ge niet méer kerkmuziek gaat hooren. En toch,
al hangt mijn hart nu niet zoo sterk aan Rome, ik verliet de stad
toch, na drie dagen, met eene aandoening. Want als men rechtstreeks
van Athene komt, is het dan geen genot en geen geluk in Italië terug
te zijn en zich te laten bederven door al de charme der Italiaansche
gentilezza? Te gaan naar Italië is een délice, er te zijn ook,
maar er terug te keeren is misschien het hoogste genot. Na al het
sombere, schuin-starende, wantrouwende der Albaneezen, is het een
dubbel pleizier weêr overal op uw weg te ontmoeten den Italiaanschen
glimlach met de Italiaansche hartelijkheid. Hoe ze het zijn kunnen,
zoo hartelijk, tegen al die vervelende vreemdelingen, die over hun
mooi land zwerven, ik weet het niet. Maar ze zijn het en geheel uit
hun hart, komt dat voor, en den glimlach, waarmeê zij u ontvangen,
schijnen zij genomen te hebben uit hunne zonneschijn. Ik geloof niet,
dat ik anders veel generalizeer, maar de Italiaansche hartelijkheid
generalizeer ik gaarne, en gaarne zeg ik: Italianen zijn hartelijk
en over hun land waait een adem van sympathie en in hun hart woont
de liefde voor hun naasten...



En mij waait die adem van sympathie vooral in Florence toe. Ik weet
niet, wat dat bijna is, om het in woorden te zeggen; ik weet bijna
niet sympathie te verwezenlijken in taal. Maar het is dit: zoodra ik
weêr ben aan het station van S. Maria Novella, ben ik thuis. Zoodra
ik weêr hier ben, in dit stille paleis, ben ik thuis. Beneden woont
de markies Niccolini; in zijne kelders verkoopt hij zijne wijnen en
olieën; op de eerste verdieping is een spoorwegmaatschappij, waarvan
men niets merkt; op de tweede dit pension, waar ik mijne kamer heb,
kijkende op den hangenden tuin van den markies; onder den tuin zijn
zijne stallen. Links de kleine Via del Moro met al de kleine ramen,
in welker omlijstingen een veelvuldig, stil arm leven schemert; rechts
de Via de' Fossi, met iets van hare antiquiteitenwinkels, vroolijk nu
van de vlaggen om de koningin van Engeland. En wat ik zie uit mijne
ramen heeft een intime bekoring voor mij; de kleine, hangende tuin
met zijne bloeiende oleanders en den vijver met goudvisschen en het
paviljoen, over welks dak ik de huisjes van de Via del Moro zie; de
tuin, afgesloten door den muur van weêr het eerste huis der Via de'
Fossi, waar iets van fresco's schemert, geen kunststukken, maar toch
kleur van bekoring voor mij; en dan de daken, waarvan de lijnen zich
verliezen, en de windwijzer in de lucht.... En dat geheele stille
stadsgezicht heeft zoo iets innigs, terwijl de zon er over een breede
gouden klaarte neêrgooit, dat ik me betrap op de gedachte, dat ik hier
gaarne zoû willen wonen, zoû willen blijven.... Het is dan een stille
sentimentaliteit, die in mij opkomt, een week gevoel, een vreemde rust,
en ik herinner mij zoo een dergelijk gevoel gevoeld te hebben, toen ik
las Töpffers Bibliothèque de Mon Oncle, alsof ik ook in die bibliotheek
had willen wonen, vanwaar men op een stil stuk van oud Genève zag,
een plek, die ik, in September, expres daarom ben gaan zien.... En dat
alles is zoo vreemd, en klinkt, in woorden, zoo nuchter flauw, omdat
ik het eigenlijke toch niet zeggen kan. En dan ook de oude Zwitsersche
dame, die het pension houdt, en altijd in den kleinen hall bij de deur
der étage aan hare schrijftafel en in hare boeken zit; de kleine,
dappere, vrome dame van twee-en-zeventig jaar, die veel te goed is
voor hare locataires, en daarom zeker nooit rijk is geworden, en die
mij ook al bederft, en, wie weet, dat misschien niet zoo zoû doen,
als ze wist, dat ik _Noodlot_ geschreven had.... Maar nu weet ze alleen
maar, dat ik schrijf en niet, dat ik gaarne ter analyze iets nerveus'
en morbide's zoek, en ik wacht mij wel het haar te vertellen....

En dit alles is, niet waar, erg sentimenteel, maar ik laat het dit
zijn, want het is van een groote bekoring, en zoo gaarne zoû ik die
bekoring laten duren, maar dat kan niet, omdat een leven niet is éene
bekoring alleen... En nu reeds kan ik treurig zijn als ik bedenk,
dat ik hier over tien dagen vandaan moet, en dan hier misschien terug
keer, wie weet, nooit meer...



Ik heb hier zeker voorbestaan. De groene Arno, waaruit de grillig
bevensterde achterhuizen oprijzen, en de Ponte Vecchio, en de
Piazza de' Signoria met het Palazzo Vecchio en den Duomo met Giotto's
marmerjuweelen campanile, dat alles ken ik van heel vroeger, van eeuwen
her. Onlangs heeft mijn meester, Prof. ten Brink, gezegd, dat ik, als
kind, wel den sleep had kunnen dragen van een Venetiaansche dogarezza,
maar als ik ooit, in een voorbestaan, page ben geweest, dan ben ik
het niet in Venetië geweest, maar in Florence, en misschien wel aan
het Hof van Lorenzo il Magnifico, in het Palazzo Riccardi. Want in
het Palazzo Riccardi voel ik nog altijd een zeer bizondere emotie;
ik meen in de kapel der Medici's, die Benozzo Gozzoli beschilderd
heeft. Die fresco's behooren voor mij tot het schoonste, dat men
in Florence zien kan, niet het schoonste van religieuze stemming,
maar het schoonste van mondain vertoon.

Op de drie muren der kapel ontrolt zich met al de luxe van Lorenzo's
hofstoet zelven, de optocht der Drie Koningen naar Bethlehem. Het
landschap schijnt eene aaneenschakeling van tuinen en wijde
jachtterreinen; de drie koningen, op hunne monumentale paarden,
witte met goud gecaparaçonneerde schimmels, zijn portretten: Lorenzo
zelve; de keizer van Byzantium, Giovanni Paliolologa Michele; en de
Grieksche Patriarch; de beide laatsten toen te Florence om de belangen
der Kerk. [5] De vorsten zijn omstuwd door schitterende cortèges;
in het cortège van Lorenzo reien zich al de portretten der toenmalige
Medici's met ook dat van den schilder zelven.

Vooral wonderschoon zijn de figuren van den toen twaalfjarigen Lorenzo
en zijne pages en schildknapen; ook de Byzantijnsche keizer, in
zijnen langen goudgebloemden, brokaten wapenrok, op zijn goud-getuigd
paard, is van eene hooge Renaissancebevalligheid. Het geheel heeft
niets orientalisch', maar is een schitterende afspiegeling van het
Mediceïsche leven in en bij het Palazzo Riccardi zelve, afspiegeling
van een Mediceïschen jachttocht met luipaarden aan kettingen, het
geheel zich ontrollende door het wijde landschap op de drie muren,
terwijl ginds, in de hoogte, den heuvel opklimmende, zwaar beladen
kameelen alleen schijnen te herinneren aan wat de prachtflonkerende
compozitie voorstelt: de optocht der Drie Koningen, die schatten
brengen van myrrhe en goud aan het Heilige Kind van Bethlehem.

Vroeger schijnt de kapel geen venster gehad te hebben, met kunstlicht
beschilderd te zijn geworden, met kunstlicht altijd beschenen. Want
waar nu het venster is, was vroeger Maria's Aanbidding van het
Kind door Filippo Lippi--nu in de Academia,--op de vierde muur dus,
waarheen de optocht zich scheen te begeven.

Maar wel zijn op de inspringende zijmuren van het venster, links en
rechts, nog de tuinen van het Paradijs, met de zingende en aanbiddende
engelen, van Gozzoli. En even als de optocht zeer wereldsch is, is dat
Paradijs wereldsch. Die tuinen met pauwen--éen engel voedert er een
pauw--zijn weêr de tuinen van een Mediceïsche villa. De engelen zijn
fabelwezens, met bont-schitterende vedervleugels, met rijke draperieën,
met het Adoramus van hunnen zang, geschreven in hunne diadeemachtige
aureolen. En toch, neemt men dit mondaine Paradijs voor een oogenblik
in vrede aan, dan vindt men het van een verblindende schoonheid. Die
aanbiddende en zingende engelen bewegen zich vol harmonie en leven,
en schijnen te stralen van een onverbleekbaar, eeuwig koloriet. En
noode mist men het Voorwerp van hunne glorificatie, het Kind, waarheen
de koningen zich begeven, en dat, vroeger, daar, aangebeden werd door
zijne Moeder, waar nu het daglicht binnenvalt, dat de custode vangt op
reflectors, om het te doen schijnen op tafereel na tafereel, op groep
na groep, op gelaat na gelaat, tot alles begint te leven met zijn
fabelleven, subliem tableau-vivant; alsof de Medici's er mimeeren
het aanbiddellijke verhaal van de koningen, die kwamen knielen en
geschenken bieden aan het Kind.



Over Florence, over de Arno heen, verbindend hare beide boorden,
bloesemt een paradijs van kunst: ik meen de twee paleizen der Uffizië
en Pitti, die de portrettengalerijen boven de Ponte Vecchio verbinden
tot een ontzaglijk geheel, iets unieks van uitgebreidheid en van
artistieke waarde. Uit de Uffizië domineert men geheel Florence; uit
de zaal der antieke meesters ziet men op San Miniato en Santa Croce;
uit den zuidelijken corridor op den Dom en het Palazzo Vecchio, en
ook op de Arno en de Ponto Vecchio. Met die uitzichten verwezenlijkt
men zich geheel Florence...

Door de vestibule, waar de beroemde marmeren ever is, gaat het eerst
naar de oostelijke galerij, waar een mijner heiligste doeken hangt:
de Annonciatie van Simone Martini en Lippo Memmi, van Siena. Als men
bedenkt dat dit stuk dateert van 1333, evenals de fijn-religieuze
heiligen St. Ansan en St. Julia, die er aan beide zijden hangen,
dan realizeert men gaarne de verblindende perfectie der Sieneesche
school, ook vóór de eigenlijke Renaissance.

Door deze galerij treedt men de Tribuna binnen, eene kleine,
achtkantige zaal, met een plafond van op blauw ingelegde
parelmoêrschelpen: eene zaal als een byouteriekist, opgestapeld en,
misschien te veel, met schilderkunst en sculptuur, alsof het er
vol is van juweelen, en de edele steenen er door elkaâr rammelen
en de parelsnoeren er uit neêr hangen. Er zijn daar de Mediceïsche
Venus, gevonden in de villa van Hadrianus bij Tivoli; een sater,
die dol de pedalen trapt; een compacte groep van twee worstelaars;
een Scyth, die zijn mes slijpt om Marsyas te villen... Van Rafaël
het portret van Julius II, de Madonna del Cardellino, een jeugdige
Johannes; van Titiaan twee liggende Venussen, geheel Venetiaansch
van koloriet; van Dijk, Correggio, Veroneze; een prachtige Perugino;
een meer gesculpteerde dan geschilderde H. Familie van Michelangelo;
een zeer schoone Epifanie van Albert Dürer, het kind treffend door een
heerlijk naïf gebaar, waarmeê het grabbelt in het juweelenkistje, dat
een der oude koningen reikt; dan Guercino, Dominichino, Rubens en Fra
Bartolomeo... Dat alles is te veel en te veel schitterend op elkaâr;
het glanst er tegen elkaâr in; het is er geen muzeumzaal, maar een
byouteriekist. Het is er meestal ook vol kijkers, vol kopiïsten,
en het is er heel moeilijk zuivere impressie's te krijgen, ook al
keert men er nog zoo dikwijls terug.

Om de Tribuna heen schitteren de zalen der Toskaansche, Venetiaansche
en Lombardische scholen; die der Hollandsche, Vlaamsche en Duitsche
scholen; de zaal van Botticelli...



In deze laatste, Botticelli's hemelschoone Madonna met het Kind. Een
ronde schilderij: als in een sfeer zit de heilige groep, en iets van
een Toskaansch landschap schemert in de verte. Twee engelen houden een
fijne kroon, waarvan de fijne sluiers luchtig opfladderen, boven het
hoofd der zittende Maagd, die het Magnificat juist onderschrijft, dat
een groep van drie engelen ophoudt; een ervan reikt den inktkoker. En
niemand let op het kind, dat zit op den schoot der Maagd en het eene
handje rusten laat op een geopenden granaatappel. De Maagd doopt juist
hare pen; de drie engelen zijn vol verwachting; de twee anderen beuren
voorzichtig de kroon. Niemand let op het kind, dat juist in eene extaze
naar boven ziet... Maar zijn andere handje legt zich op den arm der
moeder en op het heilige boek; hij vraagt om aandacht... Dadelijk
zal de Maagd letten en de engelen ook...

En dit roerende oogenblik waast daar in een warm kleurenspel op,
want de kleuren wazen door elkaâr: een zachte regenboog van rood,
blauw, geel en wit, waarin de zuivere ommelijnen der figuren zich
uit-graveeren met de altijd herkenbare ietwat spitse teederheid--fijne
neuzen, ernstig gesloten mondjes, lange kinnen--van Botticelli.



Maar de Uffizië heeft nog een tweede byouteriekist, behalve de
Tribuna: ik meen het kabinet der gemmen: allerlei kostbaarheden van
fijnsten smaak en hooge waarde, die aan de Medici's hebben toebehoord:
kleine kolommen van agaath en rotskristal, waarvan de kapiteelen met
edele steenen bezet zijn, als stukken architectuur uit een klein
feeënpaleis; bekers van onyx en vazen van lapis-lazuli; een beker
van goud-geëmailleerd rotskristal, dien Benvenuto Cellini voor Diane
de Poitiers maakte en waarin hare halve maan straalt; een portret
van Cosimo II. in Florentijnsch mozaïek van louter edelsteen; japis
beelden met chalcedonen koppen; een vaasje, gesneden uit een enkelen
smaragd; een hond, gesneden uit een parel; een kolossale topaas; de
Piazza dei Signoria in bas-relief van goud met eêlgesteenten; een
beker van onyx van Giovanni da Bologna met rijk bewerkten deksel,
waarop een gouden Herkules de veelkoppige Hydra bekampt... De adem
van den tijd heeft een waas van dofheid over al die exquize pracht
geblazen, maar toch is ieder voorwerp nog een reflet van het leven
der Renaissance, van het leven der Medici's. En in het midden van
dit kleine wonderkabinet schittert misschien het allerschoonste:
eene cassette van allerfijnst gecizeleerd rotskristal, die Valerio
Belli maakte voor Clemens VII; iets onwaarschijnlijks van fijnheid,
want in het kristal zijn vier-en-twintig groepen en tafereelen uit
Jezus' leven geëtst als met een feeënnaald, zoo klein, zoo fijn,
zoo diamant-duidelijk uitkomend tegen het zilveren fond der wandjes,
dat het geen menschenwerk schijnt, maar edele kunst van een klein
artistje onder de elven...



Er is misschien geene stad in Italië--en ik zonder Rome zelfs niet
uit--waarin de Italiaansche schilderkunst zich zoo bewonderenswaardig
heeft gekristallizeerd als hier, zich zoo tot een uniek kort-begrip
van Italiaansche kunst heeft geconcentreerd als hier. Misschien zoû
men uit Florence alleen heel die Italiaansche kunst leeren kennen. De
drie groote verzamelingen der Uffizië, van Pitti en van de Academia
zijn onvergelijkbaar, en daarbij sluiten zich kerken en kloosters tot
een wonderbaar volkomen geheel aan. Wil men met Cimabue beginnen, men
vindt zijne Heilige Maagd in de Rucellai-kapel van Santa Maria Novella,
schilderij, dat om zijn toen zoo begrepen goddelijke schoonheid in
processie deze kerk werd binnengevoerd. Giotto is prachtig in Santa
Croce, in de frescoverhalen van Johannes den Dooper en St. Franciscus
van Assisi, en zijne school is verspreid door alle kerken van
Florence heen. De oude meesters, Masolino en Massaccio bestudeert
men in S. Maria del Carmine. De gelukzalige Angelico openbaart zich
in geheel zijne mystische genialiteit in San Marco, en ook in het
Laatste Oordeel der Academia en in de Kroning der Maagd der Uffizië....



Het Laatste Oordeel: de Rechter, gezeten in den eivormigen aureool,
achter welks stralen de teederste engelenkopjes uitkijken, en omstuwd
door legioenen van strijd- en van vrede-engelen. Aan zijne zijden
Maria en Johannes de Dooper en de scharen der heiligen; onder naar de
aarde toe, de bazuinende engelen; op de aarde de naïve allee van open
graven in perspectief.... Links de hel en de duivels, die koningen
en monniken meêsleepen, en rechts het paradijs....

En men moet Il Beato niet te veel vragen naar zijne hel en zijn
duivels, maar men moet met hem meêgaan, dat paradijs in. De voortuinen
bloesemen; de zaligen dansen er glimlachend een melodieuzen rondedans,
en wie gescheiden waren op aarde ontmoeten er elkaâr, en omhelzen
er elkaâr zacht met hemelsche omhelzingen, en die jaren lang gewacht
hebben, voeren er de weêrgevonden zusterzielen den rondedans in, over
het tapijt van bloemen.... En ginds zijn de goudene poorten open, en
de stralen van het vlekkelooste licht vloeien de poort uit, en twee
zielen, naast elkaâr, de zachte extaze in de golving harer gewaden,
in het verrukt opheffen der armen, zweven er op de stralen heen,
de poort in, het paradijs binnen....

In onuitsprekelijke teederheid, in heilig verwachten van zulk een
binnenzweven, is dat alles geschilderd, zóo heilig teeder dat men er
gaarne aan zoû willen gelóoven...

In de Uffizië de kroning: dat heiligste en feestelijkste oogenblik
in den hemel. In de zon van het empyreum zitten Maria en Jezus, en
juist heeft de Zoon zijne Moeder gekroond tot Koningin der Hemelen,
en zijne vingers raken nog, met het wegtrekken der hand, haren grooten
aureool aan, waartegen de kroon straalt. Om de zon dansen de engelen,
schetteren de engelen op lange bazuinen en blazen ze op trompetten
en spelen ze op cithers, op violen en harpen, en lager zwaaien
ze wierookvaten. Dan, lager ook, de dichte scharen der heiligen,
der bisschoppen met hunne beparelde myters.... En dat alles in
de primitieve voltinten van blauw, roze, rood, en groen voor het
laagste, als een choraal van volle tonen, dat opgaat in al het goud
der zonnesferen, het goud van de zon der zonnen, in welker kern het
hooge feest gevierd wordt, met goddelijke eenvoudigheid....



Een allerliefst contrast met dit hooge feest, van goud en blauw en
zang en licht, is de Kroning in een der cellen van St. Marco, luchtig
dun gewasschen fresco: niets dan de twee zittende goddelijke figuren,
in stille witte tinten, als een witte vrede, als eene witte rust....



En verder kristallizeert zich het schoonste der Italiaansche kunst
hier samen tot éen juweel met duizenden facetten; elk facet een
meesterstuk; want ziet men hier niet de meeste schilders in eene
zelf-overtreffing hunner karakteristiciteit: Filippino Lippo, in
zijne wat morbide fragiliteit van madonna's en expressieve waarheid
van kinderen--de Apparitie aan St. Bernard in de Badia--; Andrea
del Sarto, in zijne gezonde, reëele lijnen, zijne ietwat ra-terre
werkelijkheidzin, maar gesublimizeerd door een tegenstralend koloriet:
in alle de drie groote verzamelingen en dan nog in de Annunziata en
het Scalzo-klooster; Ghirlandajo in zijne Florentijnsche bevalligheid
van geheel Florentijnsche types: de choorfresco's van St. Maria
Novella--en in zijne luxe-zucht: de Adoratie der koningen van St. Maria
degli Innocenti. En waar ziet men Lorenzo di Credo inniger, waar
Perugino heiliger, waar Botticelli schitterender en magistraler
dan te Florence? Waar zag ik in Siena--en de Flagellatie niet
uitgezonderd--zulk een prachtigen Sodoma als hier zijn St. Sebastiaan
met die mengeling van menschelijke pijn en martelaar-extaze?

Van Leonardo da Vinci is in Florence weinig, maar Rafaël heb ik
hier liever dan in Rome, en Michelangelo misschien zelfs ook--als
schilder--om zijne H. Familie van de Tribuna....



De groote lijn, die ik hier zwaai, ommelijnt het
juweel-met-duizend-facetten natuurlijk zeer onvolkomen, en stippelt
alleen de punten dier facetten in epistolaire vlugheid aan. Ik wil ook
niet meer. Maar ik wed, dat weinigen, die in Italië zijn geweest, mij
geen gelijk zullen geven. In alle andere steden van Italië ontvangt
men onbetaalbare alleen-indrukken van Italiaansche schilderkunst;
in Florence alleen concepieert men het geheel dier kunst in geheel
zijne flonkering, alsof dat veelfacettige juweel éen geconcentreerden
straal van schoonheid schiet, die in de ziel valt en hare onwetendheid
in éens verlicht....



Nog eens, in Florence, behalve in Riccardi en in het gemmenkabinet
der Uffizië, ziet men de onwaarschijnlijke luxe der Medici's in
hunne grafkapel van San Lorenzo. Deze kapel is in het begin der
17de eeuw opgericht, heeft twee-en-twintig millioen franken gekost,
en is nooit voltooid; alleen de sepultuur van Ferdinandus III is
geheel af. Een achtkantige kapel, als eene kerk, de koepelfresco's
onbeduidend en recent, maar weinig in het oog vallend. Want de
kapel zelve is geheel opgetrokken van verschillende marmers en
edele steenen, van steensoorten, die alleen een geoloog kent. In de
kolossale nissen staan de zes sarcofagen van spikkelig serpentina of
roze graniet, gedekt door kronen, en twee beheerscht door de--eene
slechts vergulde--statuen der doode vorsten. De edelsteenen der
kronen waren eens echt, maar zijn door de Franschen weggenomen en
nu door glas vervangen. Maar wat geeft dit, als de geheele kapel is
éen spiegel van juweel? Kornalijn van Spanje en jaspis van Sicilië
en Corsica wisselen de veelkleurige marmers af. Onder de sarcofagen
zijn de namen der prinsen vermeld, met letters van chalcedoon, in
mozaïek op porfier. Een breede rand, menschenhoog, omringt de kapel
beneden en vertoont in mozaïek eene afwisseling van urnen met de
wapens der zestien Toskaansche steden. Rosso antico, verdo antico,
het oude zwart, dat men paraone noemt, het oude geel van Numidië,
koraal, parelmoêr en lapis-lazuli, onyx, bloed-jaspis en albast, dat
alles bloesemt daar in eene fabelachtige heraldiek op den spiegelmuur,
en misschien nergens ziet men zooveel kostbaarheid en zooveel smaak
te zamen als op het wonderpiedestal dier Mediceïsche grafkapel.



Er zijn van die wereldschoonheden in Florence, die gratie's zijn voor
het oog of voor de ziel. Onder die wonderen heb ik genoemd de kapel
van Riccardi, de Sieneesche Annonciatie, het kabinet der gemmen, de
Mediceïsche kapel.... Onder die wonderen zoû ik gaarne nog eens noemen:
Giotto's marmerjuweelen campanile, en ik zoû die willen na-noemen met
een heel mooi beeld van Mrs. Oliphant--uit hare: Makers of Florence--de
lelie, die bloesemt naast Maria op het oogenblik van de H. Boodschap:
de lelie, de slanke blanke toren, en Maria, S. Maria dei Fiore zelve,
de prachtige kathedraal.... Onder die wonderen zoû ik willen noemen
de bronzen poorten van het Battisterio, van Lorenzo Ghiberti: poorten,
die Michelangelo waardig noemde om het Paradijs te sluiten. En nog zulk
een weêrgaloos wonder is het marmeren orgelstuk van Luca della Robbia
in de Opera del Duomo. Er is er ook een van Donatello: een lange ris
dansende kinderen: vroeger waren beide marmeren orgelstukken in den
Dom; daarna zijn ze bewaard geweest in het Bargello. Dat van Donatello
is heel mooi, maar dat van Luca della Robbia is een wonder. Een wonder
van zingen en dansen en spelen van kinderen, van jongens en meisjes:
dolle, lachende rondedans; op het rythme van den zang en, hand in hand,
met dolle cancanbeweging van hoog in de lucht gegooide beentjes; of
bij het slaan op de trommen, bij het pijpen van lange bazuinen, die
eenige blazen en andere beuren, omdat ze zoo zwaar zijn, bij den zwaren
bazuinenmond: een dans van twee of drie, een dans van naakte jongetjes
met antieke beweging van armen en van beenen. Dan groepen, die spelen,
op harpen en luiten en cithers; een groep, die slaat met cymbalen,
en om de verschillende en wonderfijn genuanceerde vingerzettingen aan
de verschillende instrumenten, is het als hoort men de verschillende
klanken ruischen uit het levend-vroolijke marmer. Ernstiger de twee
groepen op zij, zingende van een lange rol en zingende uit een boek,
en vol aandacht bij hun zingen, de monden geopend in vollen zang,
en sommige slaande de maat met een hand of een vinger... Heeft Luca
della Robbia in Griekenland gereisd? Ik herinner mij een antieke
sarcofaag in het muzeum van Athene en daarop een groep van dansende
genieën, en wat geleken de groepen van Luca niet wondergelijkelijk
op die antieke groep!



Van morgen ben ik nog eens voor het laatst in het Bargello geweest. Het
is het oude paleis der Podestaten, in het einde der 16de eeuw
gevangenis en rezidentie van den bargello of chef der politie. In
den mooien cour werden de gevangenen ter dood gebracht; die cour, die
nu een geliefkoosd motief is voor schilders: bont en als heraldisch
bezaaid met de wapens der oude podestaten, en met de typische trap,
die naar eene loggia voert, gedekt met arcaden, waarop Florences
lelie zich goud op blauw spikkelt: loggia, waar antieke klokken worden
bewaard. Het Bargello is nu Nationaal Muzeum. Er is eene zeer schoone
verzameling bronzen: een klein langwerpig bas-relief, waar Silenus,
dronken en spelende met een fauntje, dat hij in zijne armen opgooit,
op een kar wordt getrokken en voorgegaan door een dollen stoet van, met
druiventrossen spelende, wijngodjes. Dan het Offer van Abraham, twee
haut-reliefs, van Brunelleschi en van Ghiberti, gemaakt in concours
voor de bronzen deuren van het Battisterio. In het midden dier zaal de
David van Andrea da Verrocchio, het lichaam slank en spierig mager,
maar het gezicht met die ouwelijke trekken, die Andrea dikwijls
heeft. In de andere zaal vooral de zwevende Mercuur van Giovanni da
Bologna, vlucht en luchtigheid, opgeblazen door den bronzen adem van
een windgod, met zijn luchtige teen slechts staande op dien adem;
en de staf in de hand, met windsnelheid zijn doel tegemoet...

Maar wat een genot is het Donatello te bestudeeren in zijn groote
zaal van het Bargello. Ik kan hier niet alles van hem uit die zaal
ommelijnen, maar een paar woordenkrabbels wil ik maken van zijne
twee Davids. De eene, de marmeren, heeft iets vreemds in de houding,
iets gemaakts in het gezicht, iets laatdunkends in den blik, iets
gewilds in de draperie om beenen en pols. Maar de bronzen! Dat is de
volmaaktheid in brons! Wat een ideale schoonheid kan toch een mensch,
een artist, kon Donatello ons geven! Die bronzen David is eenvoudig
subliem, is het hoogste. Op het oogenblik is het het ideaalste brons,
dat ik ken. Ga alleen naar Florence om dien David...

Een jonge held, een kind nog, rijst zijn efebelijf, den voet op den
Goliathkop, uit den cirkel van een grooten lauwerkrans,--die zijner
overwinning--naar boven. Die lauwerkrans is zijne sfeer. Nooit
was een conceptie zoo bevallig, zoo krachtig tegelijk, zoo louter
volmaakt. De jeugd zijner bronzen ledematen is gemodelleerd in de
nog halve teederheid van het kind, dat zich reeds begint te spieren
tot jonge man. Nooit was overgang zoo buigzaam uitgedrukt. Dat is
de juiste leeftijd voor den jongen herdersheld. Zijne slankheid is
heerlijk, zijn buik verrast door een ietwat vrouwelijke lijn. De ronde
herdershoed, losgestrikt, dempt een beetje zijn hoofd, beschaduwt
zijn blik, die neêrkijkt naar het groote afgehouwen reuzenhoofd, nog
in zwaren, rijk gecizeleerden, en wijd gewiekten helm omprangd. Op
dat hoofd drukt hij in bescheiden overwinningspraal den voet. Zijne
onderbeenen zijn gepantserd in gecizeleerde beenstukken, maar anders
is hij naakt. Zijn rechterhand steunt op zijn zwaard; zijn linker-
rust op de linkerheup en houdt nog een bal vast voor zijn slinger... En
hij is een epos van schoonheid en moed, van jeugd en zege.

Dan de H. George van Or San Michele--in deze zaal kopie--een jonge
held ook, maar zoo geheel anders; geserreerd achter zijn lang schild,
den fronsblik spiedende in de verte: het moment, dat de draak
aanblazende komt... Dan de buste van het Florentijnsche meisje; de
gipsen kopieën der kindjonge, zuiver kind-bevallige H. Johannes en
Jezus; het steenen relief van den jongen Johannes, met dat ascetisch
magere halsje en dien ascetischen blik, type, dat men weêr terug
vindt in den loopenden, lezenden Dooper; dan de Eros, brons, dansende
met zijn afzakkend broekje aan riemen, de handjes in de lucht, en
trappelende op een slang. En dan geheel iets anders weêr: de in kleur
gemodelleerde terracotta kop van Niccolo da Uzzano: Romeinsche kop
met spitse faunooren; een gezicht met niet te vertrouwen, opgetrokken
oogen, slechte pupillen, een slecht gegroefd gezicht, waarachter een
slechte geest schuilt, een leven van slecht geheim: zoo prachtig in het
schemeren van dat ondeugdmysterie. Wat is dat alles mooi, wat doet het
goed daarmeê te dwepen! Wat dankbaarheid voelt men, dat dit bestaat,
dat dit een mensch kon maken, kon geven uit zijne ziel in marmer of in
brons; wat dankbaarheid vooral om dat zoo allerschoonste van Florence,
dien lieveling van mijn oogen, dien David!



AANTEEKENINGEN


[1] Redevoeringen volgden. De prezidenten der verschillende Katholieke
sociëteiten werden toegelaten tot den Handkus. Dames van de Romeinsche
arristocratie boden een rijk verlucht perkament aan, in gouden doos.

[2] Nu in het Muzeum van St. Jan Lateraan.

[3] Eene vergissing, die natuurlijk slechts een allereersten keer
kan worden gemaakt.

[4] Men zegt mij, dat deze opvatting niet juist is, en dat de athleet
met den dobbelsteen slechts zijn volgnummer wierp: dit is mogelijk,
maar ik behoû liever mijne eerste, misschien dan foutieve opvatting,
omdat ik het beeld zoó zag en zoó mooi vond.

[5] Ik heb dit en den naam des keizers slechts uit den mond van den
custode en kan het op het oogenblik niet verifieeren.



VAN LOUIS COUPERUS VERSCHEEN:


Majesteit, Roman in 2 deelen.       Prijs ingen. f 4.90, geb. f 5.50.
Extaze, Een boek van geluk. 2e druk.
                                    Prijs ingen. f 1.90. geb. f 2.50.
Een Illuzie. Met portret van den schrijver.
                                    Prijs ingen. f 2.50, geb. f 2.90.
Een Lent van Vaerzen. 2e druk.      Prijs ingen. f 1.40, geb. f 1.90.
Orchideeën. Een bundel poëzie en proza.            2e druk ter perse.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Reis-impressies" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home