Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Reis om de Wereld
Author: Darwin, Charles, 1809-1882
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Reis om de Wereld" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                          De reis om de wereld
                    27 December 1831--2 October 1836



                           Wereld Bibliotheek

                      Onder Leiding van L. Simons


                          DE REIS OM DE WERELD

                    Dagboek van onderzoekingen in de
                 natuurlijke geschiedenis en aardkunde
                   van de landen, bezocht op de reis
                  rondom de wereld van H. M. vaartuig
                              "The Beagle"

                                  Door

                             CHARLES DARWIN

                            M. A., F. R. S.

                       Uit het Engelsch vertaald
                             Door J. Brandt


                                2e Druk

                  Uitgegeven door De Maatschappij voor
                 Goede en Goedkoope Lectuur--Amsterdam



BEMERKING VAN DEN VERTALER.


Hier en daar zijn, ter verduidelijking van den tekst, eenige noten
bijgevoegd. Een uitvoerige alphabetische index van de in het geheele
werk voorkomende namen en vreemde woorden, volgt aan het einde van
het tweede deel. Men zal in dit deel eene herleiding van de Engelsche
maten vinden.



CHARLES DARWIN.


Charles Robert Darwin, kleinzoon van den geneesheer, dichter en
natuuronderzoeker Erasmus Darwin (gestorven 1802), en van Josias
Wedgwood, den vermaarden pottenbakker, werd op 12 Februari 1809
geboren te Shrewsbury, waar zijn vader arts was.

Van de Latijnsche School te Shrewsbury stuurde men hem in 1825 als
medisch student naar de universiteit te Edinburg; maar wijl hem de
geneeskunde als beroep niet aanstond, bewilligde hij schoorvoetend
in zijns vaders voorstel om predikant te worden. Zoo ging hij dan
naar Christ's College in Cambridge; doch in stede van zich op de
theologie toe te leggen, wijdde hij zich aan plant- en aardkunde, en
nam eene uitnoodiging aan om als natuuronderzoeker op H. M. Beagle
eene reis om de wereld te doen. Hij aanvaardde deze reis op 27
December 1831 en bleef vijf jaren onderweg. Bij zijne terugkomst
gaf hij achtereenvolgens in 't licht zijn Journal; The Zoology of
the Beagle; The Structure and Distribution of Coral Reefs (1842);
Geological Observations on Volcanic Islands (1844), en The Geology
on parts of South America (1846).

In 1839 trad Darwin in 't huwelijk met zijne nicht Emma Wedgwood,
en vestigde zich metterwoon te Down in Kent. Hier zette hij zich met
ijver aan het uitwerken van de ideeën, welke als gevolg van zijne
Voyage in hem kiemden, en publiceerde eindelijk in 1859 zijn Origin of
Species by Means of Natural Selection, dat Darwin als den hoofdarbeid
zijns levens beschouwde. De uitwerking er van was geweldig, want tot
op dit oogenblik twijfelden de mannen der wetenschap niet aan het
voortbestaan der soorten.

Toen volgden: The various contrivances by which Orchids are
fertilized by Insects (1862); The Variation of Animals and Plants
under Domestication (1867). Zoodra Darwin overtuigd was, dat soorten
veranderlijke producten zijn, zag hij in, dat de mensen onder dezelfde
wet moest vallen. The Descent of Man (1871) was hiervan het gevolg
en verwekte spoedig een "storm van toorn, verbazing en bewondering
tegelijk."

Darwin's leven had, afgescheiden van zijn werk, weinig dat
belangstelling verdient; maar het getuigt van buitengewone vlijt. Eene
proefneming in verband met zijn werk The Formation of Vegetable
Mould through the Action of Worms (1881) omvatte een tijdruimte van
meer dan dertig jaren. Altijd werd hij door eene zucht naar waarheid
gedreven. Zijne methode om de natuur te bestudeeren was uitermate
nauwgezet en vernuftig.

Darwin bereikte den leeftijd van 73 jaren en onderzocht nog daags
vóór zijn dood (19 April 1882) eene plant in zijne studeerkamer. Hij
ligt begraven in de Westminster-Abdij, waar ook de beroemde Isaac
Newton rust.



INLEIDING.


Darwin's reis om de wereld als natuuronderzoeker op de Beagle was,
volgens zijn zeggen, verreweg de belangrijkste gebeurtenis zijns
levens, die zijne geheele verdere carrière bepaald heeft.

Ook was zij een allergewichtigst voorval in hare gevolgen op het
hedendaagsche denken.

"Toch," zegt Darwin, "hing zij slechts af van het onbeduidende feit,
dat mijn oom mij aanbood mij 30 mijlen ver naar Shrewsbury te rijden,
en van zoo'n bagatel als den vorm van mijn neus." [2]

De reis maakte Darwin met zekere feiten bekend, welke "eenig licht
schenen te werpen op het ontstaan der soorten--dat grootste aller
mysterieën." Darwin's groote theorie der Natuurkeus was een uitvloeisel
van deze reis, en die theorie--gelijk Grant Allen zegt--bracht
eene algeheele omwenteling teweeg in de wetenschappen der plant-
en dierkunde, en maakte de leer der Organische Evolutie, die toen
slechts door een klein getal scherpzinnige wijsgeerige biologen was
aangenomen, tot het algemeene geloof van alle mannen der wetenschap.

Huxley verklaart, dat het "te voorschijn treden van de wetenschap
der Evolutie uit den limbus van haat en--zooals velen hoopten--van
vergeten dingen, in de houding van kroonpretendente van het rijk der
gedachte, het meest beteekenende feit is in de negentiende eeuw."

De Beagle, onder bevel van kapitein Fitz-Roy, had een inhoud van
235 ton, was "uitgerust als brik en voerde tien kanonnen." Lang na
Darwin's reis (in 1888), werd het te Yokosoeka door de Japanners als
oefeningsvaartuig gebruikt.

Darwin's hut, welke hij met een officier deelde, was zeer
klein. "Kapitein Fitz-Roy zegt er voor te zullen zorgen, dat de
eene hoek zóó zal worden ingericht, dat ik mij daar op mijn gemak
zal voelen alsof ik thuis was, maar dat ik ook den zijnen zal mogen
gebruiken. Mijne hut is de receptiehut; en in het midden staat eene
groote tafel, waarboven wij beiden in hangmatten slapen."

"Mijn vader placht te zeggen," schrijft Francis Darwin in "Het Leven"
van zijn vader, "dat het de volstrekte behoefte aan netheid was in de
beperkte ruimte van de Beagle, die hem "zijne methodische gewoonte
van werken hielp verkrijgen." Ook placht hij te zeggen, dat hij op
de Beagle leerde, wat hij als den gulden regel voor tijdsbesparing
beschouwde, namelijk--op de minuten te letten."

Na afloop van de reis, vertelde hij kapitein Fitz-Roy, dat hij zijne
herinneringen en wat hij van de Natuurlijke Historie geleerd had,
voor geen £ 20,000 per jaar zou willen ruilen.



VOORWOORD VAN DEN SCHRIJVER.


Ik heb in de voorrede bij de eerste uitgaaf van dit werk en in
de Zoology of the Voyage of the Beagle medegedeeld, dat een door
Kapitein Fitz-Roy geuite wensch om een wetenschappelijk man aan
boord te hebben, vergezeld van zijn aanbod om een deel zijner eigen
gemakken op te offeren, reden waren waarom ik mijne diensten aanbood,
die door de vriendelijkheid van den hydrograaf, Kapitein Beaufort, de
goedkeuring der Lords of the Admiralty verwierven. In het bewustzijn,
dat de gelegenheid welke mij te beurt viel tot het bestudeeren van de
Natuurlijke Geschiedenis der verschillende door ons bezochte landen,
geheel aan Kapitein Fitz-Roy te danken is, hoop ik, dat het mij vergund
zij hem te dezer plaatse mijne dankbaarheid opnieuw te betuigen, met
de bijvoeging, dat ik gedurende de vijf jaren van ons samenzijn de
hartelijkste vriendschap en de duurzaamste hulp van hem genoot. Zoowel
Kapitein Fitz-Roy als alle officieren van de Beagle zal ik steeds ten
hoogste dankbaar zijn voor de onverflauwde welwillendheid, waarmeê
zij mij op onze lange reis bejegenden. [3]

Dit deel bevat, in den vorm van een Dagboek, eene geschiedenis
onzer reis en eene schets van die waarnemingen in de Natuurlijke
Geschiedenis en Aardkunde, welke ik denk dat voor den algemeenen lezer
van eenig belang kunnen zijn. In deze uitgaaf heb ik sommige gedeelten
aanmerkelijk bekort en verbeterd, en aan andere iets toegevoegd,
om het boek zoodoende meer voor eene populaire lezing geschikt te
maken; ik vertrouw echter, dat natuuronderzoekers zullen begrijpen,
dat zij voor bijzonderheden de grootere uitgaaf moeten naslaan, die de
wetenschappelijke uitkomsten van den tocht bevatten. De "Dierkunde van
de Reis van de Beagle" bevat een verslag van de Fossiele Zoogdieren,
door Prof. Owen; van de Levende Zoogdieren, door Waterhouse; van de
Vogels, door Gould; van de Visschen, door Rev. L. Jenyns, en van de
Kruipende Dieren, door Bell. Aan de beschrijving van elke soort heb
ik een verhaal van hare leefwijze en verspreiding toegevoegd. Deze
werken, die ik te danken heb aan de talenten en den belangeloozen
ijver der bovengenoemde schrijvers, hadden niet ondernomen kunnen
worden zonder de milde vrijgevigheid der Lords Commissioners van
H. M. Schatkist, die, vertegenwoordigd door den Edelhoogachtbaren
Kanselier der Rijks-Schatkist, [4] zoo goed zijn geweest eene som van
£ 1000 beschikbaar te stellen, om de kosten van uitgaaf gedeeltelijk
te bestrijden.

Zelf heb ik verscheidene deelen in het licht gegeven, als: The
Structure and Distribution of Coral Reefs; The Volcanic Islands visited
during the Voyage of the Beagle, en The Geology of South America. Het
zesde deel der Geological Transactions bevat twee bijdragen van mij
over de Zwerfblokken en Vulkanische Verschijnselen van Zuid-Amerika. De
heeren Waterhouse, Walker, Newman en White hebben verscheidene goede
geschriften uitgegeven over de Insecten, die toen verzameld werden, en
ik vertrouw, dat vele andere hierna zullen volgen. De planten uit de
zuidelijke gedeelten van Amerika zullen door Dr. J. Hooker behandeld
worden in zijn groot werk: The Botany of the Southern Hemisphere. De
Flora van den Galápagos-archipel is het onderwerp eener afzonderlijke
verhandeling van hem in de Linnean Transactions. De Rev. Professor
Henslow heeft eene lijst in 't licht gegeven van de planten, die ik
op de Keeling-Eilanden verzameld heb; en de Rev. I. M. Berkeley heeft
mijne kryptogamische planten beschreven.

Gaarne erken ik de groote hulp, die ik in den loop van dit en
mijne overige werken van verscheidene andere natuuronderzoekers
ontvangen heb; tevens zij het mij vergund hier mijn oprechtsten dank
te betuigen aan den Rev. Professor Henslow, die toen ik undergraduate
[5] te Cambridge was, een der hoofdpersonen was, die mij neiging voor
de Natuurlijke Historie inboezemde; die gedurende mijne afwezigheid
zorg droeg voor de verzamelingen welke ik naar huis zond, en door
zijne briefwisseling mijne pogingen leidde; en die mij sedert mijne
terugkomst al de hulp heeft bewezen, zooals de hartelijkste vriend
ooit bieden kon.


    Down, Bromley, Kent.
        Juni 1845.



HOOFDSTUK I.

ST.-JAGO. DE KAAP-VERDISCHE EILANDEN.


Na tweemaal door hevige stormen uit het zuidwesten te zijn
teruggedreven, zeilde H. M. Beagle, een brik van tien kanonnen onder
bevel van Kapitein Fitz-Roy der Koninklijke Marine, op 27 December
1831 uit Devonport.

Het doel der expeditie was de opmeting van Patagonië en Vuurland
(Tierra del Fuego), welke in de jaren 1826-1830 onder Kapitein King
begonnen was om de kusten van Chili, Peru en eenige eilanden in den
Stillen Oceaan in kaart te brengen, te voltooien en eene reeks van
chronometer-waarnemingen om de wereld te volbrengen. Den 6den Januari
1832 bereikten wij Teneriffe, doch konden niet landen doordien de
bevolking vreesde, dat wij de cholera medebrachten. Den volgenden
morgen zagen wij de zon achter de oneffen kim van het Groote Kanarische
Eiland opgaan en plotseling de Piek van Teneriffe verlichten,
terwijl de lagere gedeelten in vlokkige wolken gehuld waren. Dit was
de eerste van vele verrukkelijke dagen, die onvergetelijk voor mij
zullen zijn. Den 16den Januari 1832 ankerden wij te Porto Praya op
St.-Jago, het hoofd-eiland van den Kaap-Verdischen Archipel.

De omtrek van Porto Praya, van uit zee gezien, biedt een troosteloozen
aanblik. De vulkanische uitbarstingen uit vroegeren tijd en de
verschroeiende hitte eener tropische zon hebben op de meeste plaatsen
den grond ongeschikt gemaakt voor plantengroei. Het land stijgt
in opvolgende terrassen van tafelland, afgewisseld door enkele
afgeknot-kegelvormige heuvels, terwijl de horizon begrensd wordt
door eene onregelmatige keten van hoogere bergen. Gezien door de
dampige atmospheer van dit klimaat, is het tooneel zeer belangwekkend,
althans wanneer men, pas uit zee en voor het eerst in een boschje met
kokosboomen wandelende, over iets anders dan over zijn eigen geluk kan
oordeelen. In 't algemeen zou het eiland als zeer onbelangrijk worden
beschouwd; maar voor iemand, die alleen aan een Engelsch landschap
gewoon is, bezit de nieuwe aanblik van een geheel onvruchtbaar land
eene grootschheid, welke door meer plantengroei bedorven zou kunnen
worden. Op de uitgestrekte lava-velden kan met moeite een enkel groen
blad worden ontdekt, wat niet belet, dat kudden geiten en een klein
getal koeien hier een bestaan pogen te vinden. Regen is zeer zeldzaam;
maar gedurende een korten tijd van het jaar vallen hevige buien, en
onmiddellijk daarna schiet dan uit elke spleet eene lichte vegetatie
op. Deze verwelkt spoedig, en het is van dit natuurlijk gevormde hooi
dat de dieren leven. Nu had het een geheel jaar lang niet geregend.

Toen het eiland ontdekt werd, was de onmiddellijke omgeving
van Porto Praya met boomen bedekt, [6] waarvan de roekelooze
vernieling hier, evenals op St.-Helena en enkele der Kanarische
Eilanden, bijna algeheele onvruchtbaarheid veroorzaakte. De breede,
vlakke dalen, waarvan vele slechts enkele dagen in het seizoen
als waterloopen dienen, zijn met kreupelboschjes van bladerlooze
struiken bedekt. Weinig levende wezens bewonen deze dalen. De meest
voorkomende vogel is een ijsvogel (Dacelo Jagoensis), die gedwee op
de takken van den Ricinus communis zit, en van hier op sprinkhanen en
hagedissen jacht maakt. Hij is helder gekleurd, maar niet zoo fraai
als de Europeesche soorten; ook in zijne vlucht, zijne gewoonten en
woonplaats, die zich in 't algemeen tot de droogste vallei bepaalt,
bestaat een groot verschil.

Op zekeren dag reed ik met twee officieren naar Ribeira Grande, een
dorp enkele mijlen oostwaarts van Porto Praya gelegen. Alvorens wij de
vallei St.-Martin bereikten, vertoonde het land zijn gewoon dof bruin
aanzien; maar hier brengt eene kleine waterbeek een alverfrisschenden
zoom van welig plantenleven voort. Na verloop van een uur kwamen wij
te Ribeira Grande, en werden hier verrast door den aanblik van een
groot vervallen fort en eene kathedraal. Voordat hare haven verzandde,
was deze kleine stad de hoofdplaats van het eiland; nu biedt zij een
droefgeestigen, maar zeer schilderachtigen aanblik. Nadat wij een
zwarten Padre als gids, en een Spanjaard, die in den Peninsulairen
Oorlog [7] gediend had, als tolk hadden aangenomen, bezochten wij eene
groep gebouwen, waarvan eene oude kerk het hoofdgedeelte vormde. Hier
is 't, dat de gouverneurs en kapitein-generaals der Eilanden begraven
zijn. Enkele grafsteenen vermeldden datums uit de 16e eeuw. [8] De
heraldieke versieringen waren de eenige voorwerpen op deze afgelegen
plek, welke ons aan Europa herinnerden. De kerk of kapel vormde de
zijde van een vierkant, in welks midden eene breede groep banaanboomen
groeide. Aan eene andere zijde stond een hospitaal, dat een twaalftal
bewoners bevatte, die er ellendig uitzagen.

Wij keerden naar de vénda terug om onze maaltijden te gebruiken. Een
groot aantal mannen, vrouwen en kinderen, allen gitzwart, schoolden
samen om ons aan te gapen. Onze metgezellen waren uiterst jolig;
en al wat wij zeiden of deden werd van hun kant door een hartelijk
gelach gevolgd. Voordat wij de stad verlieten, bezochten wij de
kathedraal. Deze ziet er niet zoo rijk uit als de kleinere kerk,
maar boogt op een klein orgel, dat zonderlinge wanluidende tonen
voortbracht. Wij schonken den zwarten priester enkele shillings,
waarna de Spanjaard, hem op het hoofd kloppende, zeer openhartig de
opmerking maakte, dat hij dacht dat zijne kleur niet veel verschil
maakte. Toen keerden wij, zoo snel onze ponies loopen wilden, naar
Porto Praya terug.

Op een anderen dag reden wij naar het dorp St.-Domingo, bij het midden
van het eiland gelegen. In eene kleine vlakte, die wij overtrokken,
groeiden enkele schrale acacia's; hare toppen waren door den
aanhoudenden passaatwind op zonderlinge wijze gebogen--bij sommige
zelfs loodrecht op den stam. De richting der takken was nauwkeurig
NNO-ZZW; en deze natuurlijke vaantjes moeten de overheerschende
richting der kracht van den passaat aanduiden. De tocht had op den
kalen grond zoo weinig indruksels achtergelaten, dat wij hier ons
spoor kwijtraakten en den weg naar Fuentes insloegen. Dit laatste
bemerkten wij niet eer voordat wij er aankwamen; doch later hadden
wij pleizier van onze vergissing. Fuentes is een aardig dorp aan
een kleinen stroom gelegen; en alles scheen welvarend, behalve zij
die dit het meest moesten wezen, namelijk--de bewoners. De zwarte
spiernaakte kinderen zagen er zeer armzalig uit, en droegen bosschen
brandhout half zoo groot als zij zelven.

Dicht bij Fuentes zagen wij eene groote schaar paarlhoenders
[9]--misschien wel vijftig of zestig in getal. Zij waren zoo schuw,
dat wij hen niet konden naderen, ontweken ons door evenals patrijzen
op een regenachtigen Septemberdag met opgeheven kop weg te loopen,
en spreidden onmiddellijk de vleugels uit als wij hen vervolgden.

De natuur van St.-Domingo bezit eene schoonheid, die men volstrekt
niet verwacht te midden van het overwegend mistroostige karakter van
het overige deel van het eiland. Het dorp is gelegen in de kom eener
vallei, die door hooge, uitgetande muren van in lagen afgezette lava
begrensd is. Dit zwarte gesteente vormt eene treffende tegenstelling
met de lichtgroene plantenwereld, die de oevers van een kleinen
helderen waterstroom omzoomt. Juist was het een groote feestdag, en
het dorp vol menschen. Op onzen terugkeer haalden wij een troepje in
van omstreeks 20 jonge zwarte meisjes in zeer smaakvolle kleeding,
wier zwarte huid en sneeuwwit linnen met gekleurde tulbanden en
groote shawls waren afgezet. Nauwelijks kwamen wij dichterbij, of
allen keerden zich plotseling om, spreidden hare shawls op den weg
en zongen met groote levendigheid een wild lied, waarbij zij met de
handen op de beenen de maat sloegen. Wij wierpen haar eenige vintéms
toe, die zij onder gillend gelach aannamen; en toen wij ze verlieten,
vervolgden zij haar gezang met verdubbelde kracht.

Op zekeren morgen was het uitzicht bijzonder helder: de verwijderde
bergen teekenden zich met de scherpste omlijning op eene zware bank
van donkerblauwe wolken af. Te oordeelen naar het voorkomen en naar
dergelijke gevallen in Engeland, meende ik, dat de lucht met waterdamp
verzadigd was. Doch juist het tegengestelde was waar. De hygrometer
wees een verschil van 29°6 tusschen de luchttemperatuur en het
dauwpunt. Dit verschil was ongeveer het dubbele van wat ik op vorige
ochtenden had waargenomen. Deze ongewone graad van atmospherische
droogte werd door aanhoudende bliksemflitsen vergezeld. Is het geen
zeldzaam verschijnsel eene merkwaardig doorschijnende lucht zoo
gepaard te zien gaan met zulk eene weersgesteldheid?

In 't algemeen is de dampkring mistig, hetgeen veroorzaakt wordt door
den val van ontastbaar fijn stof, dat op de sterrekundige instrumenten
eenigszins schadelijk bleek gewerkt te hebben. Den morgen voordat
wij te Porto Praya ankerden, verzamelde ik een klein pakje van dit
bruingekleurde fijne stof, dat door het gaas van het vlaggetje aan
den top van den mast bleek heengezift te zijn. Ook heeft Lyell mij
vier pakjes stof gegeven, dat op een schip enkele honderden mijlen ten
noorden van deze eilanden gevallen was. Prof. Ehrenberg [10] vindt, dat
dit stof voor een groot deel bestaat uit infusoria met kiezelhoudende
schalen en uit kiezelskeletten van planten. In vijf kleine pakjes,
die ik hem zond, heeft hij niet minder dan 67 verschillende organische
vormen geconstateerd! Met uitzondering van twee zee-species, zijn alle
infusoria zoetwater-bewoners. Ik heb niet minder dan 15 verschillende
berichten gevonden over stof, dat op schepen ver in den Atlantischen
Oceaan gevallen was. Uit de richting van den wind toen het viel,
en uit het feit dat het steeds gevallen is in maanden, waarin de
harmáttan, naar men weet, wolken stof hoog in den dampkring voert,
mogen wij veilig besluiten, dat al dit stof uit Afrika komt. [11]

Het is intusschen een zeer zonderling feit, dat, ofschoon
Prof. Ehrenberg vele soorten infusoria kent welke in Afrika
tehuisbehooren, hij geen enkele dezer in het stof vindt dat ik hem
zond; daarentegen vindt hij er twee soorten in, waarvan hij tot nu toe
weet, dat zij alleen in Zuid-Amerika leven. Het stof valt in zulke
hoeveelheden, dat het alles aan boord vuil maakt en de oogen van
den mensch zeer doet; zelfs is het gebeurd, dat schepen ten gevolge
van de duisternis op het strand geloopen zijn. Dikwijls viel het op
schepen, die verscheidene honderden en zelfs meer dan duizend mijlen
van de Afrikaansche kust verwijderd waren, en op punten 1600 mijlen
in noordelijke of zuidelijke richting. In eenig stof, dat 300 mijlen
ver van land op een schip verzameld was, vond ik tot mijne groote
verbazing stukjes steen ter grootte van ruim het duizendste deel van
een vierkante inch, vermengd met fijnere materie. Na dit feit behoeft
men zich niet te verwonderen over de verspreiding der veel lichtere
en kleinere sporen van kryptogamische planten.

De geologie van dit eiland is het belangrijkste deel van zijne
natuurlijke geschiedenis. De haven binnenkomende kan men tegenover
het rotsachtig zeestrand een volkomen horizontalen witten band zien,
die omstreeks 45 voet boven het water uitsteekt en eenige mijlen ver
langs de kust loopt. Bij onderzoek blijkt deze witte laag uit eene
kalkachtige stof te bestaan met talrijke ingesloten schelpen, waarvan
de meeste of alle dieren thans op de naburige kust leven. Zij rust
op oude vulkanische gesteenten en is met een basaltstroom bedekt,
die in zee gevloeid moet zijn toen de witte schelpenlaag op den
bodem lag. Van belang is het de veranderingen na te gaan, door de
hitte der bovenliggende lava op de broze massa teweeg gebracht,
welke deels in kristallijnen kalksteen, deels in een compact gevlekt
gesteente is omgezet. Toen de kalk door de slakvormige fragmenten aan
de ondervlakte van den stroom werd opgenomen, veranderde zij in fraai
gestraalde vezelgroepen, op arragoniet gelijkend. De lavabeddingen
stijgen in opvolgende zachtglooiende vlakten landwaarts in, vanwaar
de stroomen gesmolten steen oorspronkelijk kwamen. Naar ik geloof,
heeft men nergens op St.-Jago sporen van vulkanische werkzaamheid in
historische tijden aangetroffen. Zelfs de vorm van een krater kan
maar zelden op de toppen der talrijke uit roode sintels bestaande
heuvels worden ontdekt; niettemin kan men de jongere stroomen op de
kust onderscheiden, waar zij klipreeksen vormen van geringere hoogte
doch meer naar voren reikend dan die, welke tot eene oudere reeks
behooren. De hoogte der klippen levert dus een ruwen maatstaf voor
den ouderdom der stroomen.

Gedurende ons verblijf nam ik de leefwijzen van enkele zeedieren
waar. Een groote Aplysia (Zeehaas) is hier zeer algemeen. Deze
zeeslak [12] is circa 5 inches lang en heeft eene vaalgeele kleur
met purperkleurige aderen. Ter wederzijden van het onderlijf bevindt
zich een breed membraan, dat soms als ventilator schijnt te werken,
doordien het een stroom water over de rugkieuwen of longen doet
vloeien. Zij voedt zich met het fijne zeewier, dat in modderig en
ondiep water tusschen de steenen groeit; en zoo vond ik in haar
maag een aantal kleine steentjes, evenals in den krop van een
vogel. Gestoord, scheidt deze slak eene zeer fijne purperroode
vloeistof af, die het water een voet in den omtrek kleurt. Behalve
dit verdedigingsmiddel, is er nog een bijtend vocht, dat over het
lichaam verspreid, eene scherpe, prikkelende gewaarwording opwekt,
evenals men waarneemt bij de Physalia (Blaaskwal of Spaansch Fregat,
tot de orde der Siphonophorae of Zwempoliepen behoorende).

Met zeer veel belangstelling sloeg ik bij verschillende gelegenheden
de gewoonten van een Octopus of inktvisch gade. Ofschoon algemeen
in de waterpoelen voorkomende, die door de eb worden achtergelaten,
waren deze dieren niet licht te vangen. Door middel van hunne lange
armen en zuigers, konden zij hun lichaam in zeer nauwe spleten wringen;
en eenmaal zoo vastgehecht, werd er groote kracht vereischt, om hen
los te werken. Een ander maal schoten zij, met den staart naar voren,
pijlsnel van de eene zijde van den poel naar de andere, waarbij zij
tegelijk het water met een donker-kastanjebruinen inkt kleurden. Ook
onttrekken deze dieren zich aan de waarneming door een zeer bijzonder
vermogen om hunne kleur te veranderen, waarin zij op het kameleon
gelijken. Zij schijnen hunne tint te wijzigen naar den aard van den
grond waarover zij gaan: in diep water was de tint meestal bruinachtig
purper; maar op het land of in ondiep water gezet, veranderde die
donkere tint in eene geelachtig grijze. Onderzocht men de kleur
aandachtiger, dan was zij parelgrijs met talrijke kleine heldergele
vlekjes; de eerste veranderde in intensiteit, de laatsten verschenen
en verdwenen beurtelings. Deze verandering geschiedde zóó, alsof er
gestadig wolken over het lichaam trokken, welker tinten afwisselden
tusschen hyacinthenrood en kastanjebruin. Bracht men ergens op
het lichaam een galvanischen schok voort, dan werd die plek bijna
geheel zwart; en een dergelijk effect, ofschoon minder sterk, werd
teweeg gebracht als men de huid met eene naald krabde. Men beweert,
dat deze wolken of blozingen, gelijk wij ze zouden kunnen noemen,
worden voortgebracht door de beurtelingsche uitzetting en contractie
van kleine blazen, die verschillend gekleurde vloeistoffen bevatten.

De intkvisch openbaarde zijn kameleonachtig vermogen zoowel gedurende
het zwemmen, als wanneer hij stil op den bodem lag. Kostelijk
vermaakten mij de verschillende manieren, waarop een dezer dieren,
hetwelk ten volle besefte dat ik het bespiedde, de aandacht poogde te
ontwijken. Gedurende een poos lag het roerloos, om dan steelswijs een
paar inches naar voren te komen, evenals een kat eene muis beloert,
waarbij het soms van kleur verwisselde. Zoo kroop het voort, totdat
het een dieper gedeelte bereikt had, en schoot dan eensklaps weg met
achterlating van een donker spoor inkt, dat het hol verborg waarin
het gekropen was.

Terwijl ik zoo, met het hoofd omtrent twee voet vooruit over het
rotsachtig strand naar zeedieren keek, werd ik meer dan eens door een
straal water begroet, vergezeld van een zwak knarsend geluid. Eerst
kon ik niet begrijpen wat dit was; doch later zag ik, dat het deze
inktvisch was, die, ofschoon in een hol verborgen, mij zoodoende meer
dan eens tot de ontdekking er van leidde. Dat hij het vermogen bezit
om water uit te werpen, valt niet te betwijfelen; en het kwam mij voor
dat hij, door den tubus of siphon aan den onderkant van zijn lichaam
te richten, wel in staat was zijn doel goed te bepalen. Wegens de
moeite, waarmeê deze dieren het hoofd ophouden, kunnen zij, op den
grond geplaatst, niet gemakkelijk kruipen. Ik merkte op, dat een
exemplaar hetwelk ik in de hand had, in donker zwak phosphoresceerde.

De St.-Paulus-Rotsen. Op onzen tocht over den Atlantischen Oceaan,
voeren wij op den morgen van 16 Februari 1832 dicht langs het
St.-Paulus Eiland. Deze groep rotsen is gelegen op 0°58' N.B. en
29°15' W.L., of wel 540 mijlen van de Amerikaansche kust en 350 van
het eiland Fernando Noronha. Het hoogste punt van het eiland ligt
slechts 50 voet boven den zeespiegel, en de geheele omtrek meet nog
geen driekwart mijl. Dit kleine punt rijst loodrecht uit de diepten
van den Oceaan. De mineralogische samenstelling van het eiland is
niet eenvoudig: in sommige gedeelten is het gesteente kwarts- of
hoornsteenachtig, in andere veldspaatachtig, waarin fijne aderen van
serpentijn. Het is merkwaardig, dat al de vele kleine eilanden, ver van
eenig vasteland in de Stille, Indische en Atlantische Oceanen gelegen
(met uitzondering van de Seychellen [13] en dit kleine rotspunt), naar
ik meen òf uit koraal òf uit eruptie-stoffen bestaan. De vulkanische
gesteldheid dezer oceaan-eilanden is blijkbaar een uitbreiding van
de wet, en het gevolg van dezelfde hetzij chemische of mechanische
oorzaken, volgens welke eene groote meerderheid der thans werkende
vulkanen in de nabijheid van zeekusten of als eilanden midden in zee
is gelegen.

De St.-Paulus Rotsen schijnen van verre eene schitterend witte kleur
te hebben. Deels is die toe te schrijven aan den mest eener groote
menigte zeevogels, deels aan eene harde glinsterende zelfstandigheid
met parelachtigen glans, welke de oppervlakte der rotsen bekleedt
en nauw daarmeê verbonden is. Met den microscoop onderzocht, blijkt
dit bekleedsel te bestaan uit talrijke uiterst dunne lagen, welker
gezamenlijke dikte omstreeks het tiende van een inch bedraagt. Zij
bevat veel dierlijke materie, en ongetwijfeld is de oorsprong er van
toe te schrijven aan de werking van regen of fijnverdeeld zeeschuim op
vogelmest. Op Ascension en op de Abrolhos Eilanden vond ik onder eenige
kleine hoeveelheden guano zekere vertakte stalactietachtige lichamen,
die op dezelfde wijze gevormd schenen als het dunne witte bekleedsel op
deze rotsen. Het algemeen voorkomen dezer vertakte lichamen geleek zoo
nabij op zekere Nulliporae (eene familie van kalkhoudende zeeplanten),
dat ik, onlangs in haast mijne collectie naziende, het verschil niet
opmerkte. De bolvormige uiteinden der takken bezitten een parelachtig
weefsel, evenals het verglaassel van tanden, maar zoo hard, dat het
in spiegelglas krast. Ik wil hier vermelden, dat op een deel der kust
van Ascension, waar groote hoeveelheden schelpzand zijn opgehoopt, het
zeewater eene korst op de getijrotsen heeft afgezet, overeenkomende met
zekere kryptogamische planten (Marchantiae), die dikwijls op vochtige
muren worden gezien. De oppervlakte van het loof is fraai glanzig;
en die deelen, welke onder de volle werking van het licht gevormd
zijn, hebben eene gitzwarte, andere, daarentegen, die door klipranden
beschaduwd worden, alleen eene grijze kleur. Aan verscheidene geologen
heb ik monsters van deze korst laten zien; en allen meenden, dat zij
van vulkanischen of plutonischen oorsprong waren! In hare hardheid
en doorschijnendheid; in hare polijsting, welke die van de fraaiste
oliva-schelp evenaart; in den onaangenamen geur, dien zij verspreidt,
en in het verlies van hare kleur onder de blaaspijp, vertoont die korst
eene nauwe verwantschap met nog levende zeeschelpdieren. Bovendien
zijn bij zeeschelpen, naar men weet, die deelen welke door den mantel
van het dier gewoonlijk bedekt en beschaduwd zijn, bleeker van kleur
dan die welke aan het volle licht zijn blootgesteld, juist zooals
ook met deze korst het geval is. Bedenken wij, dat kalk, hetzij als
phosphorzuur- of als koolzuurzout, een bestanddeel vormt der harde
deelen (als beenderen en schelpen) van alle levende dieren, dan is het
een belangrijk physiologisch feit, stoffen te vinden harder dan het
verglaassel van tanden, en gekleurde oppervlakken even goed gepolijst
als dat eener nieuwe schelp, welke door anorganische middelen uit
doode organische stof getransformeerd zijn, en bovendien in vorm
sprekend op enkele lagere plantaardige producten gelijken. [14]

Wij vonden op St.-Paulus slechts twee soorten vogels: Bóbo en
Nodí. [15] De eerste is eene soort rotspelikaan, en de laatste
eene zeezwaluw. Beiden zijn tam en dom van aard, en zoo weinig aan
bezoekers gewoon, dat ik er zooveel ik wilde met mijn geologischen
hamer had kunnen dooden. De bóbo legt zijn eieren op de naakte rots;
maar de nodí maakt een zeer eenvoudig nest van zeewier. Naast vele
dezer nesten was een kleine vliegende visch gelegd, naar ik vermoed
door het mannetje voor zijne gezellin hierheen gebracht. Het was
vermakelijk te zien, hoe vlug eene groote en wakkere krab (Graspus),
die de spleten der rots bewoont, den visch naast het nest wegstal,
zoodra wij de oude vogels verjaagd hadden. Sir W. Symonds, een van
de weinige personen die hier geland zijn, deelt mij mede, dat hij de
krabben zelfs de jonge vogels uit hunne nesten had zien sleuren en
verslinden. Geen enkele plant, geen mos zelfs, groeit op dit eiland;
niettemin is het door verscheidene insecten en spinnen bewoond. De
volgende lijst omvat, naar ik geloof, de geheele landfauna: eene
vlieg (Olfersia), die op den bóbo parasiteert, en eene groote mijt,
die als vogelparasiet hierheen gekomen moet zijn; verder een kleine
bruine mot, behoorende tot eene soort die op vederen teert; een kever
(Quedius) en een houtluis onder den mest; en eindelijk tal van spinnen,
die vermoedelijk op deze kleine metgezellen en tafelschuimers der
watervogels jacht maken. De vaak herhaalde beschrijving van den
statigen palmboom en andere edele tropische planten, van vogels, en
eindelijk van den mensch die de koraaleilanden in den Stillen Oceaan
terstond na hunne vorming in bezit nam, is waarschijnlijk niet geheel
juist. Ik vrees, dat de poëzie van dit verhaal gestoord wordt door de
wetenschap, dat vederen- en mestetende, alsmede parasiteerende insecten
en spinnen de eerste bewoners van nieuw gevormd oceaanland zijn.

De kleinste rots in de tropische zeeën, als vormende eene basis voor
den groei van talrijke soorten zeewier en velerlei dieren, onderhoudt
ook een groot getal visschen. De haaien en de zeelieden in de booten
voerden een aanhoudenden strijd, wie van beiden het grootste deel
van den buit zou behouden, die met de vischsnoeren gevangen was. Ik
heb hooren zeggen, dat eene rots nabij de Bermudas, welke vele mijlen
ver in zee en op aanzienlijke diepte was gelegen, ontdekt werd door
de omstandigheid, dat er visch in de nabijheid was gezien.



Fernando Noronha, 20 Februari 1832. Voorzoover ik in de weinige uren,
gedurende welke wij op deze plaats vertoefden, kon nagaan, heeft dit
eiland eene vulkanische samenstelling, doch waarschijnlijk niet van
jonge dagteekening. Het merkwaardigste dat de natuur hier te zien
geeft, is een kegelvormige heuvel van omstreeks 1000 voet hoogte,
welks bovendeel buitengewoon steil is en aan eenen kant over zijne
basis helt. Het gesteente is phonoliet, en is verdeeld in onregelmatige
zuilen. Bij het zien van een dezer geïsoleerde rotsmassa's, is men
eerst geneigd te gelooven, dat zij plotseling in half vloeibaren staat
omhoog is gestuwd. Maar op St.-Helena overtuigde ik mij, dat enkele
toppen van bijna gelijke gedaante en samenstelling gevormd waren
geworden door inspuiting van gesmolten gesteente in weeke aardlagen,
die zoodoende als vormen hadden gediend voor deze reusachtige
obelisken. Het geheele eiland is met houtgewas bedekt; maar wegens de
droogte van het klimaat is er geen overvloed van groen. Halverwege
op den berg gaven eenige groote zuilvormige rotsmassa's, beschaduwd
door boomen die op laurieren geleken, en versierd met andere welke
met fraaie anjelieren waren bedekt doch geen enkel blad hadden,
een aangenaam effect aan de naburige gedeelten van het landschap.



Bahia, of San Salvador. Brazilië, 29 Februari. De dag is genotvol
voorbijgegaan. Genot op zichzelf is echter een zwakke term om de
gevoelens van een natuuronderzoeker uit te drukken, die voor het
eerst in eigen persoon een Braziliaansch woud heeft bezocht. De
sierlijke grasgewassen, het nieuwe der parasiteerende planten,
de schoonheid der bloemen, het glanzend groen der bladeren, maar
bovenal de algemeene rijkdom der plantenwereld, vervulden mij met
bewondering. Een zeer zonderling mengsel van geluid en stilte heerscht
in de belommerde deelen van het woud. Het geraas der insecten is zoo
luid, dat het zelfs gehoord zou kunnen worden op een schip, dat vele
honderden yards van de kust voor anker ligt. In de diepten van het
woud schijnt echter eene algemeene stilte te heerschen. Voor iemand,
die de natuurlijke historie liefheeft, brengt een dag als deze grooter
vreugde dan hij ooit mag hopen opnieuw te smaken.

Na eene wandeling van eenige uren, keerde ik naar de landingsplaats
terug; maar alvorens die te bereiken, werd ik door eene tropische
onweersbui overvallen. Ik trachtte eene schuilplaats onder een boom
te vinden, die zoo dik was, dat een gewoon engelsch regenbuitje er
nooit doorheen had kunnen dringen; maar hier vloeide binnen weinige
minuten een kleine stroom langs den stam. Aan zulke hevige regens
moet het groen worden toegeschreven, dat op den bodem der dichtste
wouden groeit. Waren de buien evenals die van een kouder klimaat,
dan zou het grootste deel verdampen of opgeslurpt worden, voordat het
den grond bereikte. Voor het oogenblik wil ik niet trachten het bonte
tafereel te beschrijven, dat deze indrukwekkende baai te zien gaf,
omreden wij op onze terugreis hier ten tweeden male vertoefden en
dan zal ik gelegenheid hebben er de aandacht op te vestigen.

Over de geheele lengte der Braziliaansche kust--een afstand van
minstens 2000 mijlen--en zeker over eene aanzienlijke breedte
landwaarts in, behoort het voorkomende vaste gesteente tot eene
graniet-formatie. De omstandigheid, dat deze reusachtige oppervlakte
saâmgesteld is uit stoffen, welke de meeste geologen aannemen als in
heeten staat onder hooge drukking gekristalliseerd te zijn, leidt tot
vele interessante beschouwingen. Had dit proces plaats op den bodem
van een diepen oceaan, of strekte zich aanvankelijk een lagendek
daarover uit, dat later verwijderd is geworden? Mogen wij aannemen,
dat eene kracht, die haast oneindig lang werkte, in staat was het
graniet over zooveel duizenden vierkante leagues te ontblooten?

Op een punt niet ver van de stad, waar een riviertje in zee vloeide,
zag ik een feit, dat verband hield met een onderwerp door Humboldt
besproken. Bij de watervallen der groote rivieren: de Orinoco, de
Nijl en de Congo, zijn de syeniet-rotsen bekleed met een zwarte
zelfstandigheid, welke er uitziet alsof die rotsen met potlood
gepolijst zijn. De laag is uiterst dun, en toen Berzelius haar
onderzocht, bleek zij uit mangaan- en ijzeroxyde te bestaan. In de
Orinoco komt zij voor op de rotsen, die periodiek door de getijden
worden bespoeld, en wel alléén op plaatsen van stroomversnellingen--of,
zooals de Indianen zeggen: "de rotsen zijn zwart waar de wateren
wit zijn." Hier heeft het bekleedsel eene fraai bruine in plaats
van zwarte kleur en schijnt alleen uit ijzerhoudende stof te
bestaan. Kleine handspecimens geven geen juist denkbeeld van deze
bruine gepolijste steenen, die in de zonnestralen glinsteren. Zij
komen alléén voor binnen de grenzen der getijgolven; en daar het
riviertje langzaam omlaag vloeit, moet de branding het polijstend
vermogen der watervallen in de groote rivieren vervangen. Evenzoo
komen, waarschijnlijk, het wassen en vallen van het getij overeen
met de periodieke overstroomingen; en zoo worden onder schijnbaar
verschillende, doch inderdaad gelijke omstandigheden dezelfde
werkingen voortgebracht. Nochtans is de oorsprong dezer bekleedsels
van metaaloxyden, die als 't ware één zijn met de rotsen, niet bekend;
en ik geloof, dat geen reden kan worden aangegeven, waarom hunne
dikte dezelfde blijft.

Op zekeren dag sloeg ik met genoegen de gewoonten gade van den Diodon
antennatus, die zwemmend bij het strand gevangen werd. Deze visch
(behoorende tot de Orde der Teleosteï), met zijne zachte huid,
bezit, naar genoegzaam bekend is, het zonderlinge vermogen zich
tot een spherischen vorm uit te zetten. Heeft men hem eene korte
poos uit het water genomen en vervolgens weer daarin geworpen, dan
wordt eene aanzienlijke hoeveelheid water en lucht samen door den
mond opgenomen, en wellicht ook door de kieuwopeningen. Dit proces
geschiedt op tweederlei wijze: de lucht wordt ingezogen en in de
holte van het lichaam gedreven, waarbij eene van buiten zichtbare
spier-contractie den terugkeer er van belet; het water, evenwel,
vloeit in een fijnen stroom door den mond, die onbewegelijk wijd open
wordt gehouden. Deze laatste werking moet dus op zuiging berusten. De
huid rondom het abdomen is veel losser dan die op den rug; daarom
wordt bij de opblazing de benedenoppervlakte veel meer uitgezet
dan het bovenvlak, en drijft de visch dientengevolge met zijn rug
omlaag. Cuvier betwijfelt of de Diodon in dezen stand wel zwemmen
kan; doch niet alleen kan hij zich op die wijze in eene rechte lijn
voortbewegen, maar ook naar wederzijden omkeeren. Deze laatste beweging
wordt alleen met behulp van de staartvinnen uitgevoerd; de staart zelf
hangt machteloos en wordt niet gebruikt. Omdat het lichaam met zooveel
lucht drijvend wordt gehouden, steken de kieuwopeningen boven water;
maar een stroom, die door den mond wordt ingezogen, vloeit bestendig
door ze heen.

Als de visch korten tijd in dezen opgeblazen toestand verkeerd had,
dreef hij gewoonlijk de lucht en het water met groote kracht uit
de kieuwopeningen en den mond. Hij kon naar verkiezing een zeker
gedeelte van het water uitwerpen; en zoo schijnt de onderstelling
gegrond, dat deze vloeistof voor een deel wordt opgenomen om zijn
soortelijk gewicht te regelen. Deze Diodon bezat vele middelen ter
verdediging. Hij kon een vinnigen beet geven en water op eenigen
afstand uit den mond werpen, waarbij hij tegelijk door eene beweging
met de kaken een zonderling geluid voortbracht. Door het opblazen
van zijn lichaam worden de tepels, waarmeê zijn huid bedekt is,
rechtstandig en puntig. Maar het zonderlingste feit is wel, dat hij,
in de hand genomen, uit de huid aan de buikzijde eene zeer fraaie,
karmijnroode vezelachtige stof afscheidt, welke ivoor en papier zoo
blijvend kleurt, dat de tint er van met al hare helderheid tot heden
bewaard is gebleven. De aard en het nut dezer afscheiding zijn mij
geheel onbekend. Van Dr. Allan uit Forres heb ik gehoord, dat hij
menigmaal een Diodon levend en opgeblazen in de maag van een haai heeft
zien drijven, en dat hem verscheidene gevallen bekend waren, waarin
het dier zich een weg gebaand had niet alleen door de bekleedsels van
de maag, maar door de zijden van het monster, dat op die wijze zijn
dood vond. Wie had ooit kunnen denken, dat een kleine zachte visch
in staat was den grooten en woesten haai om het leven te brengen?



[18 Maart.]

Wij zeilden uit Bahia. Weinige dagen later, toen wij ons niet ver van
de Abrolhos Eilanden bevonden, werd mijne aandacht getrokken door een
roodbruin verschijnsel in zee. De geheele oppervlakte van het water,
zooals het zich onder eene zwakke lens voordeed, scheen met stukjes
gehakt stroo bedekt, welker uiteinden gekerfd waren. Deze zijn niet
anders dan kleine cylindrische watermossen in bundels of vlotten
van twintig tot zestig in elk. Berkeley bericht mij echter, dat zij
dezelfde species zijn (Trichodesmium erythraeum) als die, welke over
groote ruimten in de Roode Zee gevonden wordt, en waaraan deze zee
haren naam ontleent. [16] Hun aantal moet ontzettend groot zijn: het
schip ontmoette verscheidene strooken of banden van deze plantjes,
waarvan één omtrent 10 yards breed en, naar de modderachtige kleur
van het water te oordeelen, minstens twee en een halve mijl lang
was. Op bijna elke lange reis wordt eenig gewag van deze watermossen
gemaakt. Zij schijnen bijzonder algemeen in de zee nabij Australië;
en op de hoogte van Kaap Leeuwin vond ik eene verwante, maar kleinere
en vermoedelijk afwijkende soort. Kapitein Cook merkt in zijn derde
reisverhaal op, dat de zeelieden aan dit verschijnsel den naam van
zeezaagsel geven.

Bij Keeling-Atol in den Indischen Oceaan bespeurde ik vele kleine
groepen zeemossen, ter grootte van enkele inches in het vierkant,
bestaande uit lange cylindrische, uiterst dunne draden, welke
ternauwernood voor het bloote oog zichtbaar zijn, vermengd met andere
eenigszins grootere lichamen, die aan de beide einden fraai kegelvormig
toeloopen. Zij wisselen in lengte af van 0.04 tot 0.06 en zelfs 0.08
inch, bij eene middellijn van 0.006 tot 0.008 inch. Bij het eene
einde van het cylindrische gedeelte ziet men gewoonlijk een groen
septum of scheidvlies, uit korrelachtige stof bestaande en waarvan
de dikte naar het midden toeneemt. Naar ik geloof, is dit vlies
de bodem van een zeer fijnen, kleurloozen zak, bestaande uit eene
vleezige zelfstandigheid, die in den buitenkoker sluit maar zich niet
tot in de kegelvormige eindpunten uitstrekt. In sommige exemplaren
vervingen kleine, maar zuivere bolletjes eener bruine korrelige stof
de plaats der scheidvliezen, waarbij ik het zonderlinge proces van
hunne ontstaanswijze waarnam. De vleezige stof van het binnenbekleedsel
groepeerde zich plotseling in lijnen, waarvan sommige een vorm aannamen
als straalden zij uit een gemeenschappelijk middelpunt; daarna trok
zij zich met eene onregelmatige en snelle beweging voortdurend samen,
zoodat het geheel zich binnen eene secunde tot een zuiver bolletje had
vereenigd, dat de plaats van het septum innam aan het eene einde van
den nu geheel hollen koker. De vorming van het korrelig bolletje werd
door een of ander toevallig letsel verhaast. Ik kan hier bijvoegen, dat
dikwijls een paar van deze lichamen aan elkander waren gehecht, de eene
kegel naast den anderen, aan het einde waar het septum zich bevindt.

Ik zal hier een paar andere waarnemingen bijvoegen, die met de
verkleuring der zee door organische oorzaken in verband staan. Aan
de kust van Chili, enkele leagues ten noorden van Concepcion,
stevende de Beagle op zekeren dag door groote strooken modderig
water, volkomen gelijk aan dat eener gezwollen rivier; en een graad
ten zuiden van Valparaiso, op 50 mijlen van het land, vertoonde
zich hetzelfde verschijnsel op nog grootere schaal. Eenig water,
in een glas gedaan, had een bleek-roode tint, en toen het met een
microscoop onderzocht werd, zag men het wemelen van kleine diertjes,
die snel rondschoten en dikwijls uiteenbarstten. Deze diertjes
hebben eene ovale gedaante, in 't midden saâmgesnoerd door een krans
van trillende gebogen wimpers. Het was echter zeer moeilijk hen
zorgvuldig te onderzoeken, want bijna op 't oogenblik dat de beweging
ophield--zelfs terwijl zij door het gezichtsveld gingen--barstten
hunne lichamen. Soms barstten de beide einden tegelijk, dan weer
slechts één, en werd eene hoeveelheid bruinachtige, grofkorrelige
stof uitgeworpen. Een oogenblik voordat het barstte, zette het dier
zich uit tot anderhalfmaal zijne natuurlijke grootte; en ongeveer
15 secunden nadat de snelle voortgaande beweging ophield, had de
ontploffing plaats. In enkele gevallen werd deze voorafgegaan door
eene draaiende beweging om de lengte-as. Omstreeks twee minuten nadat
eenige hunner in een druppel water waren afgezonderd, stierven zij
aldus. De dieren bewegen zich met de smalle punt naar voren door middel
van hunne trillende wimperharen en meestal in snelle sprongen. Zij
zijn uiterst klein en voor het bloote oog geheel onzichtbaar, daar
de ruimte die zij innemen slechts het millioenste van een vierkanten
inch bedraagt. Hun aantal was verbazend, want de kleinste druppel
water dien ik kon afzonderen, bevatte er nog zeer vele. Op zekeren
dag voeren wij door twee aldus gekleurde strooken water, waarvan ééne
alleen stellig eene uitgestrektheid van verscheidene vierkante mijlen
bezat. Hoe onberekenbaar groot is wel het aantal dezer microscopische
dieren! Op eenigen afstand gezien, geleek de kleur van het water op
die eener rivier, welke door een gebied van roode klei heeft gevloeid;
maar in de schaduw der zijden van het schip was zij donkerbruin als
chocolade. Duidelijk onderscheidde men de lijn waar het roode en blauwe
water zich vermengden. Eenige dagen te voren was het kalm weêr geweest,
en de zee bevatte een ongewonen overvloed van levende wezens. [17]

In de zee rondom Tierra del Fuego (Vuurland) en niet ver van het
land, heb ik smalle strepen water gezien van eene helderroode kleur,
tengevolge van een aantal Crustacea, die in vorm eenigszins op groote
garnalen gelijken. De zeelieden noemden hen walvischvoedsel. Of
zij werkelijk tot voedsel van walvisschen dienen, weet ik niet;
maar zeezwaluwen, zeeraven en reusachtige troepen groote, plompe
robben vinden op sommige gedeelten der kust hun hoofdvoedsel in deze
zwemmende krabben. Zeelieden schrijven de verkleuring van het water
onveranderlijk toe aan kuit; maar slechts in één geval vond ik dit
bewaarheid. Op verscheidene mijlen afstands van den Galápagos-Archipel,
zeilde het schip door drie smalle strooken van een donkergeel of
modderachtig water; deze strooken waren eenige mijlen lang, doch
slechts weinige yards breed en van het omringende water gescheiden
door een gebogen, maar duidelijk waarneembaren rand. De kleur was
een gevolg van kleine geleiachtige balletjes met eene middellijn van
omstreeks een vijfde inch, waarin talrijke kleine bolvormige eitjes
lagen; die balletjes waren van tweederlei soort: de eene roodachtig
gekleurd en in vorm van de andere afwijkend. Ik kon niet nagaan tot
welke twee diersoorten deze organismen behoorden. Kapitein Colnet
merkt op, dat dit verschijnsel tusschen de Galápagos Eilanden zeer
algemeen is, en dat de richting der strooken die der stroomingen
aanwijst; in het genoemde geval was de lijn echter een gevolg van
den wind. Het eenige verschijnsel dat ik nog te vermelden heb, is
eene dunne olieachtige deklaag op het water, die de kleuren van den
regenboog vertoont. Aan de kust van Brazilië zag ik een uitgestrekte
strook water, welke met deze laag bedekt was en door de zeelieden
werd toegeschreven aan het rottende lijk van een of anderen walvisch,
dat waarschijnlijk niet ver van daar ronddreef. Ik spreek hier niet
van de kleine geleiachtige deeltjes (waarop ik later terugkom), die
dikwijls door het water verspreid zijn, want deze zijn niet talrijk
genoeg om eenige kleurverandering te veroorzaken.

In de bovenstaande verhalen zijn twee omstandigheden, die ons
merkwaardig voorkomen: 1o. Hoe worden de verschillende lichamen, die
de strooken met begrensde randen vormen, saâmgehouden? In het geval der
garnaalachtige krabben waren hare bewegingen even gelijktijdig als bij
een regiment soldaten; maar dit kan bij de eitjes of de watermossen
niet het gevolg zijn van eene zekere vrijwillige handeling; ook bij
de infusoria is dit niet waarschijnlijk. 2o. Wat is de oorzaak, dat
de strooken zoo lang en smal zijn? Het verschijnsel gelijkt zoozeer op
hetgeen men bij elken vloed kan zien, waar de stroom het in draaikolken
verzamelde schuim in lange strepen verdeelt, dat ik het resultaat
aan eene dergelijke werking moet toeschrijven, hetzij van de lucht-
of van de zeestroomen. Dit vooropstellende, moeten wij aannemen, dat
de verschillende bewerktuigde lichamen op zekere gunstige plaatsen
zijn voortgebracht, en door het spel van wind en water vandaar zijn
weggevoerd. Ik beken echter, dat het zeer moeilijk is zich een plek
voor te stellen als de geboorteplaats van millioenen bij millioenen
kleine diertjes en watermossen. Immers: vanwaar komen de kiemen op
zulke plaatsen, als de lichamen der ouders door wind en golven over
den onmetelijken oceaan verspreid zijn geraakt? Toch kan ik met geen
andere hypothese hunne groepeering in lijnen verklaren. Ik kan hier
de opmerking van Scoresby bijvoegen, dat in een bepaald gedeelte der
N.-IJszee altijd groen water wordt aangetroffen, waarin een overvloed
van pelagische diervormen.



HOOFDSTUK II.

RIO DE JANEIRO.


[4 April tot 5 Juli 1832.]

Weinige dagen na onze aankomst, maakte ik kennis met een Engelschman,
die zijne plantage ging bezoeken, welke iets meer dan honderd mijlen
van de hoofdstad ten noorden van Kaap Frio was gelegen. Gaarne nam
ik zijn vriendelijk aanbod om hem daarheen te vergezellen, aan.

[8 April.]

Ons gezelschap bestond uit zeven personen. De eerste pleisterplaats
was zeer interessant. De dag was brandend heet, en toen wij door de
bosschen gingen, was alles in een toestand van rust, behalve de groote
en schitterende vlinders, die traag in 't rond vlogen. Het panorama,
dat wij bij het overtrekken van de heuvels achter Praia Grande zagen,
was allerschoonst; onder de levendige kleuren had het donkerblauw eene
overheerschende tint; de lucht en de kalme waters der baai wedijverden
saâm in pracht. Na eenig bouwland te zijn doorgegaan, kwamen wij
in een woud, dat alom eene grootschheid vertoonde, die de stoutste
verwachtingen overtrof. Tegen den middag bereikten wij Ithacaia--een
klein dorp, dat in eene vlakte ligt en waar het raadhuis omringd
is door de hutten der negers. De regelmatige vorm en ligging dezer
hutten deden mij denken aan de teekeningen der Hottentotten-woningen
in Zuid-Afrika.

Daar de maan vroeg opkwam, besloten wij denzelfden avond naar onze
nachtkwartieren aan het Lagoa Marica [18] te vertrekken. Toen het
donker werd, gingen wij langs een dier reusachtige, naakte en steile
bergen van graniet, welke in dit land zoo algemeen zijn. Deze plek
is merkwaardig, omdat zij langen tijd de verblijfplaats is geweest
van weggeloopen slaven, die door het bebouwen van een klein stuk
grond nabij den top hun leven poogden te rekken. Eindelijk werden zij
ontdekt, en allen door een op hen afgezonden troep soldaten gegrepen
met uitzondering van eene oude vrouw, die zich van den bergtop te
pletter wierp, liever dan opnieuw in slavernij te vervallen. In eene
Romeinsche vrouw zou deze daad met den naam van vrijheidsliefde
bestempeld zijn geworden; bij eene arme negerin is zij eenvoudig
beestachtige koppigheid...

Wij reden eenige uren voort. Op het laatst werd de weg enkele mijlen
ver moeilijk en liep door eene verlaten wildernis van moerassen en
lagunen. Gezien bij het nevelig maanlicht, was het landschap zoo
mistroostig mogelijk. Enkele vuurvliegen fladderden om ons heen; de
eenzame snip vloog onder het aanheffen van zijn klaagkreet omhoog,
en van verre klonk het doffe gebruis der zee, dat nauwelijks in staat
was de stilte van den nacht te verbreken.

[9 April.]

Wij verlieten onze ellendige slaapplaatsen vóór zonsopgang. De weg
liep door eene smalle zandige vlakte, gelegen tusschen de zee en
de zoutlagunen aan de landzijde. De menigte fraaie vischvogels,
als reigers en kraanvogels, en de sappige planten in de meest
phantastische vormen, gaven aan het landschap eene bekoring, welke
het anders zou gemist hebben. De enkele schrale boomen waren beladen
met parasiteerende planten, waaronder eenige schoone, welriekende
orchideeën het meest te bewonderen waren. Toen de zon opging, werd
de lucht brandend heet, en was de weerkaatsing van het licht en de
warmte op het witte zand zeer hinderlijk.

Wij aten het middagmaal te Mandetiba, toen de thermometer 84° in
de schaduw wees. Het fraaie uitzicht op de begroeide heuvels in de
verte, weerkaatst in het volkomen stille water eener uitgestrekte
lagune, wekte ons geheel op. Daar de vénda hier zeer goed was, en de
aangename maar zeldzame herinnering aan een goeden maaltijd mij bij is
gebleven, zal ik ze uit dankbaarheid als type in hare soort terstond
beschrijven. Dikwijls zijn de véndas groote huizen, gebouwd van dikke
rechtopstaande palen, onderling door takken verbonden en daarna
bepleisterd. Zij hebben zelden vloeren en nooit glazen vensters,
maar in 't algemeen goede daken. Gewoonlijk is het voorgedeelte
open, eene soort waranda vormende, waaronder tafels en banken zijn
geplaatst. Aan elken kant bevinden zich de slaapkamers, en hier kan de
reiziger zoo gemakkelijk mogelijk op een houten platform slapen, dat
met eene dunne stroomat bedekt is. De vénda staat op eene binnenplaats,
waar de paarden gevoederd worden. Bij de eerste aankomst plachten wij
de paarden te ontzadelen en hun hunne maïs voor te zetten; daarna
vroegen wij den senhór met eene lichte buiging zoo goed te willen
zijn ons wat eten te geven.

"Al wat gij verkiest, mijnheer," was het gewone antwoord.

De eerste twee keeren dankte ik onnoodig de Voorzienigheid, dat Zij
ons bij zulk een goed man gebracht had; maar in den loop van het
gesprek nam de zaak meestal eene onaangename wending.

"Kunt ge ons dan den visch geven, dien wij wenschen?"

"O neen, mijnheer."

"Dan een soep die wij verlangen?"

"Neen, mijnheer."

"Brood dan?"

"O neen, mijnheer."

"Dan soms gedroogd vleesch?"

"O neen, mijnheer."

Zoo wij geluk hadden, kregen wij na een paar uren wachtens gevogelte,
rijst en farinha (meel). Niet zelden gebeurde het, dat wij genoodzaakt
waren om zelf de kippen voor ons avondeten met steenen te dooden. Als
wij, geheel uitgeput van vermoeienis en honger, schroomvallig te
kennen gaven, dat wij blijde zouden zijn ons maal te ontvangen,
was het hoogdravende (ofschoon ware) en geheel onvoldoende antwoord:

"Het zal gereed zijn als het gereed is!"

Hadden wij het gewaagd verdere opmerkingen te maken, dan zou
ons eenvoudig zijn aangezegd onze reis te vervolgen, omdat wij te
onbeschaamd waren. De herbergiers zijn zeer onwellevend en onaangenaam
in hunne manieren; hunne huizen en personeel zijn dikwijls in hooge
mate vuil; het gemis van het gerief van messen, lepels en vorken
is aan de orde van den dag; en ik ben er zeker van, dat in geheel
Engeland geen hut of kot is te vinden, die zoo volmaakt van alle
gerief verstoken is. Te Campos Novos, echter, was mijn voedsel
voortreffelijk: bij het middagmaal rijst en gevogelte, beschuit,
wijn en geestrijke dranken; des avonds koffie, en bij het ontbijt
visch en koffie. Dit alles, benevens goed voedsel voor de paarden,
kostte slechts 2 shil. 6 p. per hoofd. Maar toen wij den herbergier
dezer vénda vroegen, of hij ook iets wist van eene zweep, die een
van het gezelschap verloren had, antwoordde hij ruw:

"Hoe zou ik dat weten? Waarom hebt gij er niet op gepast? Ik denk,
dat de honden haar hebben opgegeten."

Na ons vertrek uit Mandetiba, trokken wij verder door een
woest labyrint van meren, waarvan sommige zoetwater-, andere
zoutwaterschelpdieren bevatten. Van de eerste soort vond ik
talrijke individuën van eene Limnaea in een meer, alwaar, zooals de
inboorlingen mij verzekerden, de zee eens en somtijds meermalen in 't
jaar binnenstroomt en het water geheel verzout. Ik heb vele stellige en
gewichtige bewijzen in verband met het feit, dat men in deze keten van
lagunen, die de kust van Brazilië omspant, zee- en zoetwaterdieren zou
kunnen vinden. M. Gay [19] heeft verklaard, dat hij in de nabijheid van
Rio schelpen heeft gevonden van de zeegeslachten Solen en Mytilus, die
samen met de zoetwatersoorten Ampullariae in brak water leefden. Ook
vond ik dikwijls in de lagune bij den Plantentuin, waar het water
slechts iets minder zout is dan in zee, eene soort Hydrophilus, veel
overeenkomende met een watertor, welke in de slooten van Engeland
algemeen is; in hetzelfde meer behoorde de eenige voorkomende schelp
tot een soort, die gewoonlijk in riviermonden gevonden wordt.

De kust voor eenigen tijd verlatende, trokken wij opnieuw het woud
binnen. De boomen waren zeer hoog en merkwaardig om hunne witte
stammen, vergeleken bij die in Europa. In mijn notitieboek schreef
ik: "wondervolle en fraaie bloeiende parasieten troffen mij steeds
als de nieuwste vormingen in deze grootsche natuurtooneelen." Op
onzen verderen tocht trokken wij door strooken weiland, die veel
geleden hadden van de reusachtige, bijna 12 voet hooge kegelvormige
mierennesten. Zij gaven aan de vlakte geheel het voorkomen der
moddervulkanen van den Jorullo, zooals Humboldt die afbeeldt.

Wij kwamen te Engenhodo, toen het reeds donker was, na tien uur in
den zadel te hebben gezeten. Gedurende den ganschen tocht was ik
verbaasd over de krachtsinspanning, die de paarden konden verduren;
ook schenen zij zich veel eerder van eenig letsel te herstellen dan
onze Engelsche fokdieren. De bloedzuiger-vleermuis veroorzaakt dikwijls
veel last, door de paarden in hunne schoften te bijten. Gewoonlijk
is het letsel niet zoozeer te wijten aan het bloedverlies, als aan
de ontsteking die naderhand de drukking van den zadel veroorzaakt. In
Engeland is onlangs het geheele geval in twijfel getrokken; zoodat ik
mij gelukkig achtte toen in mijne tegenwoordigheid zulk een vleermuis
(Desmodus D'Orbignyi, Wat.) werkelijk op den rug van een paard gevangen
werd. Eens bivouakeerden wij laat in den avond bij Coquimbo in Chili,
toen mijn bediende, opmerkende dat een der paarden zeer stug werd,
ging onderzoeken wat er aan de hand was, en meenende dat hij iets
kon onderscheiden, plotseling zijne hand op de schoften van het paard
legde en den vampier greep. Des morgens kon men de plek, waar de beet
was toegebracht, gemakkelijk aan eene lichte, bloederige opzwelling
onderscheiden. Drie dagen later bereden wij het paard zonder eenige
kwade gevolgen.

[13 April.]

Na drie dagen reizens kwamen wij te Socégo, de plantage van Senhór
Manuel Figuireda, een bloedverwant van iemand uit ons gezelschap. Het
huis was eenvoudig en, al had het de gedaante van eene schuur, wel
voor het klimaat geschikt. In de zitkamer vormden vergulde stoelen
en sofa's een zonderling contrast met de gewitte muren, het rieten
dak en de vensters zonder ruiten. Het huis, benevens de korenschuren,
stallen en werkplaatsen voor de zwarten, die in verschillende ambachten
onderwezen waren geworden, vormden eene soort onregelmatigen vierhoek,
in het midden waarvan een groote stapel koffie lag te drogen. Deze
gebouwen stonden op een lagen heuvel, die het uitzicht had over den
bebouwden grond en aan alle zijden omringd was door een muur van donker
groen en dichtbegroeid bosch. Het hoofdproduct in dit gedeelte van
het land is koffie. Iedere boom wordt ondersteld gemiddeld twee pond
's jaars op te leveren; maar sommige brengen er wel acht op. Mandioca
of Cassave [20] wordt eveneens in groote hoeveelheid gekweekt. Elk
deel van deze plant is nuttig: de bladeren en stengels worden door de
paarden gegeten, en de wortels tot pulp gemalen, dat, drooggeperst en
gebakken, de farinha vormt--het voornaamste voedingsmiddel in Brazilië.

Het is een merkwaardig ofschoon wel bekend feit, dat het sap dezer
zeer voedzame plant in hooge mate giftig is. Weinige jaren geleden
stierf eene koe in deze fazénda, doordien zij er wat van gedronken
had. Senhór Figuireda vertelde mij, dat hij het vorig jaar één zak
feijões of boonen en drie zakken rijst geplant had, waarvan de eerste
het 80-voud, de laatste het 320-voud voortbrachten. Het weiland voedt
een fraaien veestapel en de bosschen zijn zoo vol wild, dat op elk
der drie voorgaande dagen een hert gedood was. Deze overvloed van
voedsel bleek bij het middagmaal, waar, zoo niet de tafels, dan toch
de gasten er onder zuchtten; want elk persoon wordt geacht van iederen
schotel te eten. Op zekeren dag, toen ik mijne berekeningen zoo gemaakt
dacht te hebben, dat niets onaangeroerd zou weggaan, verschenen tot
mijne groote verslagenheid een gebraden kalkoen en een varken in al
hunne stoffelijke werkelijkheid op tafel. Gedurende de maaltijden
was een man belast met een aantal oude honden en dozijnen zwarte
kleine kinderen uit de kamer te jagen, die bij elke gelegenheid naar
binnen drongen. Indien men het denkbeeld van slavernij verbannen kon,
lag er iets uitermate bekorends in deze eenvoudige en aartsvaderlijke
leefwijze; het was zulk een volkomen afzondering en onafhankelijkheid
van de overige wereld. Zoodra men een vreemdeling ziet komen, wordt
een groote bel geluid en gewoonlijk een klein kanon afgeschoten. De
gebeurtenis wordt aldus aan rotsen en wouden bekend gemaakt, doch
aan niets anders.

Op zekeren morgen wandelde ik een uur vóór zonsopgang naar buiten,
om de plechtige stilte van het landschap te bewonderen. Eindelijk
werd de stilte verbroken door een morgengezang, dat door de geheele
familie van zwarten met kracht werd aangeheven. Meestal begint op deze
wijze de dagelijksche arbeid. Ik twijfel niet of op zulke fazèndas,
als deze, brengen de slaven gelukkig en tevreden hun leven door. Op
Zaterdag en Zondag werken zij voor zich zelven; en in dit vruchtbare
klimaat is het werk van twee dagen voldoende om een man en zijn gezin
de geheele week te onderhouden.

[14 April.]

Socégo verlatende, reden wij naar eene andere plantage aan den Rio
Macahé, welke het laatste plekje bebouwde grond in die richting was. De
plantage was twee en een halve mijl lang, maar hoe breed--dit was
de eigenaar vergeten. Slechts een zeer klein stuk bosch was gekapt;
toch was bijna elke acre grond geschikt om al de verschillende
rijke producten van een tropisch land op te leveren. De reusachtige
oppervlakte van Brazilië in aanmerking genomen, kan de hoeveelheid
bebouwde grond, vergeleken bij die welke nog in den natuurstaat is,
nauwelijks in aanmerking komen; maar welk eene reusachtige bevolking
zal dit land in de toekomst kunnen voeden! [21]

Gedurende onzen tocht op den tweeden dag vonden wij den weg dermate
versperd, dat het noodig was een man met een zwaard vooruit te
laten gaan, om de slingerplanten weg te kappen. Het woud vloeide
over van fraaie planten, waaronder de boomvarens, hoewel niet groot,
om haar helder groen loof en de sierlijke kromming harer bladerkronen
alleszins de bewondering verdienden.

Des avonds viel er een hevige regen, en ofschoon de thermometer 65°
wees, had ik het zeer koud. Het was merkwaardig de buitengewone
verdamping op te merken, die, toen de regen ophield, over de geheele
uitgestrektheid van het bosch begon. Ter hoogte van omstreeks
honderd voet waren de heuvels in een dichten witten damp gehuld,
die als rookzuilen uit de dichtstbegroeide deelen en in 't bijzonder
uit de dalen opsteeg. Dit verschijnsel nam ik bij verschillende
gelegenheden waar, en ik meen het te moeten toeschrijven aan de groote
bladerenoppervlakte, die vooraf door de zonnestralen verwarmd is.

Tijdens mijn verblijf op deze plantage scheelde het zeer weinig of
ik was getuige geweest van een dier wreede handelingen, welke alleen
in een slavenland kunnen plaats vinden. Tengevolge van een twist
en een rechtsgeding, was de eigenaar op het punt om alle vrouwen
en kinderen aan de mannelijke slaven te ontnemen en op de publieke
veiling in Rio afzonderlijk te verkoopen. Eigenbelang en geenszins
een gevoel van medelijden verhinderde deze handeling. Inderdaad:
ik geloof niet, dat de eigenaar zelfs eenig begrip heeft gehad van
de onmenschelijkheid om dertig gezinnen te scheiden, die vele jaren
te zamen hadden gewoond. Toch durf ik de verzekering geven, dat hij
in menschelijkheid en goedhartigheid boven het gewone slag menschen
stond. Men kan zeggen, dat er geen grens bestaat voor de blindheid
van het eigenbelang en zelfzuchtige gewoonten. Ik wil hier eene zeer
onbeduidende anecdote vertellen, die destijds een dieperen indruk
op mij maakte dan een verhaal over wreedheid. In gezelschap van een
buitengewoon dommen neger trok ik over een veer. Pogende mij door
hem te doen verstaan, sprak ik luid en maakte teekens, waarbij ik met
mijne hand dicht langs zijn gezicht ging. Vermoedelijk dacht de man,
dat ik driftig was en hem zou slaan, want onmiddellijk liet hij met
een verschrikt gezicht en half gesloten oogen de handen zakken. Nooit
zal ik het gevoel van verwondering, afkeer en schaamte vergeten,
dat in mij opwelde toen ik een groot, sterk man zelfs bevreesd zag
om een slag af te wenden, dien hij dacht dat op zijn gelaat gemunt
was. Deze man was door het drillen gedemoraliseerd tot een trap,
lager dan de slavernij van het meest hulpelooze dier.

[18 April.]

Bij onzen terugkeer brachten wij twee dagen op Socégo door, welke ik
besteedde aan het verzamelen van insecten in het woud. De meeste boomen
meten, trots hunne hoogte, niet meer dan drie of vier voet in omtrek,
waaronder natuurlijk ook enkele van veel grootere afmetingen. Senhór
Manuel was toen bezig een kano te maken van 70 voet lengte uit een
enkelen stam, die oorspronkelijk 110 voet lang en zeer dik geweest
was. De tegenstelling, als palmboomen groeien temidden van de
gewone takkenschietende soorten, geeft aan het landschap steeds een
intertropisch karakter. Hier prijkten de wouden met den Koolpalm,
[22] een der fraaiste van deze familie. Met een stam zoo dun,
dat men hem met twee handen zou kunnen omvatten, verheft hij zijn
sierlijken kruin tot eene hoogte van 40 of 50 voet boven den grond. De
houtslingerplanten, zelven door andere slingerplanten bedekt, bereikten
eene groote dikte; enkele, die ik mat, waren twee voet in omtrek. Vele
oudere boomen leverden met de aan hunne takken hangende slingers van
lianen, die op bundels hooi geleken, een zeer merkwaardigen aanblik op.

Wendde het oog zich van de bladerenwereld boven naar den grond
daaronder, dan werd het geboeid door de buitengewone sierlijkheid
der bladeren van varens en mimosae. De laatsten bedekten den bodem
op sommige plaatsen met een kreupelhout van slechts enkele inches
hoogte. Wandelde men door deze dichte lagen van mimosae heen, dan
vormde zich een breed spoor, kenbaar aan de verandering in schaduw,
die deze plantjes door het laten hangen van hunne gevoelige bladstelen
teweegbrengen. Het is gemakkelijk een voor een de voorwerpen te
vermelden, die in deze majestueuze tafereelen onze bewondering wekken;
maar onmogelijk is 't een voldoend idee te geven van de hoogere
gevoelens van verwondering, van stomme verbazing en diepen eerbied,
welke de ziel vervullen en tot hooger stemmen.

[19 April.]

Na ons vertrek uit Socégo, keerden wij de eerste twee dagen op
onze schreden terug. Het was een zeer vermoeiend werk, daar de weg
meestal door eene gloeiend heete zandvlakte liep, niet ver van de
kust. Ik merkte op, dat telkens als mijn paard zijn poot op het fijne
kiezelzand zette, een aangenaam rinkelend geluid werd voortgebracht. Op
den derden dag sloegen wij eene andere richting in en trokken door
het vriendelijke dorpje Madre de Déos. De gekozen richting is een
van de hoofdwegen in Brazilië; niettemin was de weg zoo slecht,
dat geen voertuig op wielen, behalve de plompe ossenwagen, hem kon
berijden. Op onzen ganschen tocht passeerden wij geene enkele steenen
brug; en die, welke van houten blokken waren gemaakt, hadden meestal
zooveel herstel noodig, dat men genoodzaakt was langs één kant te
gaan om ze te vermijden. Alle afstanden waren onjuist bekend. De weg
is dikwijls met kruizen in plaats van mijlsteenen gemerkt, om aan te
duiden waar menschenbloed vergoten is. Op den avond van den 23sten
kwamen wij te Rio, en hadden ons aangenaam uitstapje volbracht.

Gedurende de rest van mijn verblijf te Rio woonde ik in een landhuis
aan de Botofogo Baai. Onmogelijk kon men iets aangenamers wenschen dan
zoo eenige weken in zulk eene prachtige landstreek door te brengen. In
Engeland geniet een minnaar van de natuurlijke historie op zijne
wandelingen het groote voorrecht, dat hij altijd iets heeft hetwelk
zijne aandacht trekt; maar in deze vruchtbare, van leven overvloeiende
klimaten zijn de aantrekkelijkheden zoo talrijk, dat hij bijna in
't geheel niet kan gaan wandelen.

De weinige waarnemingen, welke ik doen kon, bepaalden zich bijna
uitsluitend tot de ongewervelde dieren. Het bestaan eener afdeeling van
het geslacht Planaria, die het droge land bewoont, boezemde mij veel
belang in. Deze dieren hebben zulk een eenvoudigen bouw, dat Cuvier
[23] hen onder de ingewandswormen heeft gerangschikt, ofschoon zij
nooit in de lichamen van andere dieren gevonden zijn. Talrijke soorten
bewonen zout- en zoetwater; maar de door mij bedoelden werden, zelfs in
de drogere gedeelten van het woud, onder blokken rottend hout gevonden,
waarop zij, geloof ik, teerden. Wat vorm betreft, gelijken zij in
't algemeen op kleine slakken; maar zij zijn naar evenredigheid veel
smaller, en verscheidene soorten zijn fraai gekleurd met overlangsche
(longitudinale) strepen. Hun bouw is zeer eenvoudig: bij het midden
van de onder- of kruipvlakte bevinden zich twee kleine dwarsspleten,
uit de voorste waarvan een trechtervormige en zeer prikkelbare mond
kan worden gestoken. Eenigen tijd nadat de rest van het dier geheel
dood was aan de gevolgen van zoet water of eene andere oorzaak,
behield dit orgaan nog zijne levensvatbaarheid.

Ik vond niet minder dan 12 verschillende soorten van Land-planariae
in verschillende gedeelten van het zuidelijk halfrond. [24] Enkele
exemplaren, door mij op Van-Diemen's Land verkregen, hield ik bijna
twee maanden in 't leven, door hen met verrot hout te voeden. Toen
ik een hunner overdwars in twee bijna gelijke helften had verdeeld,
bezaten beide na verloop van 14 dagen den vorm van volledige dieren. Ik
had echter het lichaam zóó verdeeld, dat de eene helft de beide
onderopeningen bevatte, en de andere dus geene. Vijf en twintig dagen
na de bewerking, kon de meer volledige helft bijna niet meer van een
ander exemplaar onderscheiden worden. De andere was zeer in grootte
toegenomen; en aan het achtereinde had zich in de parenchym-houdende
massa eene heldere ruimte gevormd, waarin een rudimentaire bekervormige
mond duidelijk te onderscheiden was; aan de benedenoppervlakte was
de overeenkomstige spleet echter nog niet open. Zoo de toenemende
warmte van het weder, naarmate wij den equator naderden, niet alle
individuën gedood had, zou ongetwijfeld dit laatste stadium zijn
bouw hebben voltooid. Ofschoon het experiment zeer wel bekend is, was
't toch merkwaardig het trapswijze ontstaan van elk wezenlijk orgaan
eenvoudig uit de extremiteit van een ander dier gade te slaan. Het is
uiterst moeilijk deze Planariae te bewaren, want zoodra het ophouden
van het leven aan de gewone wetten van verandering gelegenheid geeft in
werking te treden, worden de lichamen in hun geheel zacht en vloeibaar,
zoo snel als ik nooit te voren gezien had.

Het eerst bezocht ik het woud, waarin deze Planariae gevonden waren,
in gezelschap van een ouden Portugeeschen priester, die mij mede op
de jacht nam. De laatste bestond hierin, dat men eenige honden in het
kreupelhout joeg en dan geduldig met vuren wachtte totdat zich een
of ander dier vertoonde. Wij werden vergezeld door den zoon van een
naburigen pachter--een echt voorbeeld van een wilden Braziliaanschen
jongeling. Hij was gekleed in een gescheurd oud hemd en dito broek,
en liep blootshoofd; een oud-models geweer en een groot mes vormden
zijne bewapening. De gewoonte van een mes te dragen is hier algemeen;
en bij het doortrekken van een dicht bosch is dit wapen haast
onmisbaar wegens de vele slingerplanten. Het menigvuldig voorkomen
van moord kan ten deele aan deze gewoonte worden toegeschreven. De
Brazilianen zijn zoo behendig met het mes, dat zij het nauwkeurig en
met voldoende kracht een eind ver kunnen werpen om eene noodlottige
wond toe te brengen. Ik heb een aantal kleine jongens deze kunst als
eene soort sport zien beoefenen, en uit de vaardigheid, waarmeê zij een
rechtop staanden stok troffen, beloofden zij heel wat voor ernstiger
aanslagen. Mijn metgezel had daags te voren twee groote gebaarde apen
geschoten. Deze dieren hebben grijpstaarten, waarvan het einde zelfs
na den dood het geheele lichaamsgewicht kan dragen. Een hunner bleef
aldus stevig aan een tak gehecht; en wij moesten een grooten boom
omhakken om hem machtig te worden. Dit was weldra volbracht, en met
een hevig gekraak kwamen boom en aap naar beneden. Behalve den aap,
bepaalde onze jacht zich dien dag tot verscheidene kleine groene
papegaaien en enkele pepervogels of toekanen. [25] Ik profiteerde
intusschen van mijne kennismaking met den Portugeeschen padre, want
bij eene andere gelegenheid gaf hij mij een fraai exemplaar van de
Jaguarondo of Jaguar-kat.

Ieder heeft wel eens gehoord van de schoonheid van het landschap
nabij Botofogo. Het huis, waar ik logeerde, lag dicht bij den voet
van den welbekenden Corcovado Berg. Zeer terecht is opgemerkt,
dat steile kegelvormige heuvels kenmerkend zijn voor de formatie,
door Von Humboldt met den naam van gneiss-graniet aangeduid. Niets
kan treffender zijn dan de indruk dezer reusachtige, ronde en naakte
steenen gevaarten, die uit den weelderigsten plantengroei omhoog
rijzen.

Dikwijls sloeg ik met belangstelling de wolken gade, die van den
zeekant komende, een bank vormden juist onder het hoogste punt van den
Corcovado. Zoo gedeeltelijk gesluierd, scheen deze berg, evenals vele
andere, zich veel hooger te verheffen dan zijne werkelijke hoogte van
2300 voet. Daniell heeft bij zijne weêrkundige proeven opgemerkt, dat
eene wolk somtijds aan een bergtop bevestigd schijnt, terwijl de wind
er voortdurend overheen blaast. Hier vertoonde hetzelfde verschijnsel
een eenigszins anderen aanblik. Men zag de wolk duidelijk omkrullen
en toen snel over den top schieten, zonder dat zij in grootte was af-
of toegenomen. De zon ging onder en eene zachte koelte, die tegen
den zuidkant van den berg blies, mengde haren stroom met de koudere
bovenlucht, tengevolge waarvan de damp zich verdichtte; maar op het
oogenblik, dat de lichte wolkkringen over den rand zweefden en onder
den invloed kwamen der warmere atmospheer aan de noordelijke helling,
losten zij zich terstond weer op.

Gedurende de maanden Mei en Juni--of het begin van den winter--was
het klimaat verrukkelijk. De gemiddelde temperatuur, bepaald
uit waarnemingen te 9 ure des morgens en des avonds, was slechts
72°. Dikwijls regende het hevig; maar de droge zuidenwind maakte de
wandelwegen spoedig weer aangenaam. Op zekeren morgen vielen in 6
uren tijds 1,6 inches regen. Toen deze stortbui over de bosschen trok,
die den Corcovado omgeven, was het geluid door de kletterende druppels
op de tallooze menigte bladeren voortgebracht, zeer merkwaardig. Het
kon op den afstand van een kwart mijl gehoord worden en geleek op
het geluid eene groote stroomende watermassa. Na de heete dagen was
het heerlijk, rustig in den tuin te zitten en den avond in nacht
te zien overgaan. In deze klimaten kiest de natuur hare zangers uit
nederiger virtuozen dan in Europa. Een kleine kikvorsch, behoorende
tot het geslacht Hyla, zit op een grashalm ongeveer een inch boven den
waterspiegel en brengt een aangenaam geluid voort; waar meerdere bijeen
zijn, zingen zij eendrachtig in verschillende tonen. Het kostte mij
eenige moeite een exemplaar van dezen kikvorsch te vangen. Bij het
geslacht Hyla eindigen de teenen in kleine zuigers; en ik zag, dat
dit dier tegen eene glasruit kon opkruipen, die volkomen verticaal
stond. Tegelijk onderhouden verschillende krekels en cicadae een
onafgebroken doordringend geschreeuw, dat echter, door den afstand
verzwakt, niet onaangenaam klinkt. Elken avond na donker begon dit
groote concert; en dikwijls heb ik er naar zitten luisteren, totdat
mijne aandacht door een of ander eigenaardig voorbijvliegend insect
werd afgeleid.

Op deze tijden ziet men de vuurvliegen van heg tot heg rondvliegen. In
een donkeren nacht kan haar licht omtrent tweehonderd pas ver gezien
worden. Het is merkwaardig, dat bij al de verschillende soorten
glimwormen, glinsterende springkevers (Elater) en verschillende
zeedieren (zooals de crustacea, medusae, nereïdae, een koraalgewas van
het geslacht Clytia, en Pyrosoma), welke door mij zijn waargenomen,
het licht van eene duidelijk merkbare groene kleur geweest is. Al de
vuurvliegen, die ik hier ving, behoorden tot de Lampyridae (tot welke
familie ook de Engelsche glimworm behoort), en het meerendeel der
exemplaren tot Lampyris occidentalis. [26] Ik vond, dat dit insect
de schitterendste flikkeringen uitstraalde, wanneer het geprikkeld
werd; in de tusschenpoozen werden de abdominale ringen verdonkerd. De
flikkering was bijna op hetzelfde oogenblik waarneembaar in de beide
ringen, doch iets eerder in den voorsten. De glinsterende stof was
vloeibaar en zeer klevig; kleine plekjes daar, waar de huid werd
afgetrokken, bleven helder glinsterend, terwijl de ongeschonden
deelen donker waren. Wanneer het insect onthoofd werd, bleven de
ringen voortdurend helder, maar niet zoo schitterend als te voren;
plaatselijke prikkels met eene naald verhoogden steeds de helderheid
van het licht. In één geval behielden de ringen hunne lichtende
eigenschap 24 uren na den dood van het insect.

Uit deze feiten zou duidelijk blijken, dat het dier alleen het
vermogen bezit om het licht voor korte tusschenpoozen te verbergen of
te dooven, en dat de uitstraling op andere tijden onwillekeurig is. Op
modderige en nat-zandige wandelplaatsen vond ik de larvae of maskers
van dezen Lampyris in grooten getale, die in vorm in 't algemeen op
het wijfje van den Engelschen glimworm geleken. Deze maskers bezaten
slechts zwak lichtende eigenschappen; zeer verschillend van hunne
ouders hielden zij zich bij de minste aanraking dood, en doofden
hun schijnsel; ook wekten prikkels geen nieuwe lichtuitstraling
op. Vele er van hield ik eenigen tijd in het leven. Hunne staarten
zijn zeer zonderlinge organen, want deze werken door eene geschikte
inrichting als zuigers of hechtorganen, en tevens als reservoirs of
bewaarplaatsen voor speeksel of dergelijke vloeistof. Bij herhaling
voedde ik hen met rauw vleesch, waarbij ik steeds opmerkte, dat het
einde van den staart om een haverklap naar den mond werd gebracht
en een druppel vloeistof op het vleesch gestort, dat dan voor het
gebruik gereed was. Ondanks zooveel oefening, scheen de staart niet
in staat zijn weg naar den mond te vinden: de nek, ten minste, werd
altijd het eerst aangeraakt, blijkbaar om als gids te dienen.

Toen wij te Bahia waren, scheen een Elater of kever (Pyrophorus
luminosus, Illig.) [27] het meest algemeene lichtgevende insect. Ook in
dit geval werd het licht door prikkeling schitterender gemaakt. Eens
vermaakte ik mij met het springvermogen van dit insect gade
te slaan, dat, naar mij toeschijnt, niet voldoende beschreven
is. [28] Als het dier, op den rug gelegd, zich gereedmaakte tot
springen, bewoog het zijn hoofd en borstkas achterwaarts, zoodat
de borst-ruggegraat naar buiten werd gedrongen en op den kant harer
scheede rustte. Bij voortzetting van dezelfde achterwaartsche beweging
werd de ruggegraat door de volle kracht der spieren als een veer
gebogen; en op dit oogenblik rustte het insect op het uiteinde van
zijn hoofd en vleugeldeksels. Bij plotselinge ontspanning van deze
beweging, vlogen hoofd en borstkas op, en sloeg bijgevolg de basis
der vleugeldeksels met zooveel kracht tegen het steunvlak, dat het
insect door de reactie een of twee inches hoog werd opgeworpen. De
uitstekende punten der borstkas en de scheede der ruggegraat dienden
om het geheele lichaam tijdens den sprong rechtop te houden. In de
door mij gelezen beschrijvingen schijnt geen voldoende nadruk gelegd
te zijn op de veerkracht der ruggegraat; zulk een plotselinge sprong
zou niet het gevolg kunnen zijn eener eenvoudige spiercontractie,
zonder behulp van een mechanischen kunstgreep.

Bij verschillende gelegenheden verlustigde ik mij in eenige korte,
maar hoogst aangename uitstapjes naar de naburige landstreek. Op
zekeren dag ging ik naar den Botanischen Tuin, waar men vele om haar
nut wel bekende planten kon zien groeien. De bladeren van de kamfer-,
peper-, kaneel- en kruidnagelboomen verspreidden een heerlijk aroma,
terwijl de broodvrucht, de jaca en de mango samen wedijverden in de
pracht van hun loof. Het landschap in den omtrek van Bahia ontleent
bijna zijn karakter aan de twee laatste boomen. Voordat ik hen zag,
had ik geen idee, dat er boomen waren, die zulk eene zwarte schaduw op
den grond konden werpen. Beiden staan tot de altijdgroene vegetatie
dezer klimaten in gelijksoortige verhouding als laurieren en hulsten
in Engeland tot het lichtere groen der na de bevruchting afvallende
boomen. Hier zij opgemerkt, dat de huizen in de tropen omringd zijn
door de schoonste vormen der plantenwereld, omdat vele er van tevens
hoogst nuttig zijn voor den mensch. Wie kan betwijfelen, dat deze
eigenschappen vereenigd zijn in den oranje- en broodboom, in de vele
soorten van palmboomen, in den banaan- en kokosboom?

Dien dag werd ik bijzonder getroffen door eene opmerking van Von
Humboldt, die dikwijls zinspeelt op "de ijle damp, welke, zonder de
doorschijnendheid der lucht te veranderen, hare tinten meer harmonisch
maakt en hare werkingen verzacht." Dit is een verschijnsel, dat ik
nooit in de gematigde gordels heb waargenomen. Gezien over den korten
afstand eener halve of driekwart mijl, was de dampkring volkomen
doorschijnend; maar op grooteren afstand smolten alle kleuren samen
tot een wonderschoonen, bleek-grijzen damp, waarin een zweem van blauw
vermengd was. De toestand der atmospheer gedurende den morgen tot
omstreeks den middag, toen het verschijnsel het meest in 't oog viel,
had, behalve in de droogte, geringe verandering ondergaan. In dien
tusschentijd was het verschil tusschen het dauwpunt en de temperatuur
van 7 1/2° tot 17° gestegen.

Bij eene andere gelegenheid ging ik vroeg van huis en wandelde tot
aan den Gavia of Marszeil-berg. De lucht was heerlijk koel en geurig,
en stil glinsterden de dauwdruppels op de bladeren der lelie-vormige
planten, die de klare waterstroompjes omzoomden. Gezeten op een
blok graniet, sloeg ik met welgevallen de verschillende insecten en
vogels gade, die langs mij heen vlogen. De kolibri schijnt bijzonder
verzot op zulke belommerde, afgelegen plekjes. Telkens als ik deze
kleine schepsels om eene bloem zag gonzen, waarbij hunne vleugels
zoo snel trilden, dat het nauwelijks zichtbaar was, werd ik aan den
Sphinx-vlinder [29] herinnerd. Inderdaad komen hunne bewegingen en
gewoonten in vele opzichten met elkaar overeen.

Een pad inslaande, trad ik een majestueus woud binnen, waar zich op
eene hoogte van 5 of 600 voet een dier prachtige panorama's ontrolde,
die in den geheelen omtrek van Rio zoo algemeen zijn. Op deze hoogte
bereikt het landschap zijne schitterendste tint; en elke vorm,
elk lommer overtreft al wat de Europeaan ooit in zijn eigen land
aanschouwde zoozeer in pracht, dat hij niet in staat is zijne gevoelens
uit te drukken. De algemeene indruk riep mij het levendigste decoratief
uit de opera of groote schouwburgen voor den geest. Nooit keerde ik met
ledige handen van deze uitstapjes terug. Dien dag vond ik een exemplaar
eener merkwaardige schimmelplant, Hymenophallus geheeten. Menigeen
kent den Engelschen Phallus, [30] die met zijn afschuwelijken geur
in den herfst de lucht bederft; maar, zooals de entomoloog wel weet,
is dit voor enkele kevers juist een heerlijke geur. Zoo ook hier:
want een Strongylus, door dezen geur aangetrokken, streek op de
schimmelplant neer, toen ik haar in mijne hand had. Wij zien hier in
twee verschillende landstreken eene gelijksoortige betrekking tusschen
planten en insecten van dezelfde families, ofschoon de species van
beide verschillend zijn. Is de mensch de leidende oorzaak bij den
invoer van eene nieuwe soort in een land, dan wordt deze verwantschap
vaak verbroken. Als voorbeeld daarvan wil ik meedeelen, dat de bladen
van kool en salade, welke in Engeland aan zulk eene menigte slakken en
rupsen voedsel verschaffen, in de tuinen nabij Rio onaangetast blijven.

Gedurende ons verblijf in Brazilië legde ik eene groote verzameling
insecten aan. Enkele algemeene opmerkingen over de vergelijkende
beteekenis der verschillende orden kunnen voor den Engelschen
entomoloog van belang zijn. De groote en schitterend gekleurde
Lepidoptera kenmerken de streek, die zij bewonen, veel duidelijker
dan eenig ander dierenras. Ik zinspeel alleen op de kapellen; want
in tegenstelling met wat men wegens den weligen plantengroei had
mogen verwachten, kwamen de nachtvlinders in veel geringer aantal
voor dan in onze eigen gematigde gordels. Zeer stond ik verrast over
de levenswijze van Papilio feronia. Deze kapel is niet zeldzaam en
bewoont meestal de boschjes oranjeboomen. Ofschoon een hoog vlieger,
strijkt zij zeer dikwijls op de stammen van boomen neer. Bij deze
gelegenheden is haar hoofd steeds benedenwaarts gericht, en strekken
haar vleugels zich uit in een horizontaal vlak, in plaats van, zooals
gewoonlijk, verticaal te zijn gevouwen. Dit is de eenige kapel, die ik
ooit de beenen tot loopen heb zien gebruiken. Onbekend met dit feit,
naderde ik behoedzaam met mijne tang, waarop het insect meer dan eens
uitweek, juist als het instrument op het punt was zich te sluiten--en
zoo ontsnapte. Maar een veel zonderlinger feit is het vermogen,
dat deze soort bezit om geluid te maken. Verscheidene keeren als een
paar--waarschijnlijk een mannetje en wijfje--elkander in ongeregelde
vlucht najoegen, gingen zij mij op enkele yards voorbij; en duidelijk
hoorde ik dan een tikkend geluid, evenals dat van een getand rad dat
onder een veerpal doorgaat. Het geluid werd met korte tusschenpoozen
vervolgd en kon circa 20 yards ver gehoord worden. Ik ben zeker,
dat er geen fout in de waarneming is. [31]

Ten opzichte van het algemeen voorkomen der Coleoptera werd ik
teleurgesteld. Het aantal kleine en donkergekleurde kevers is verbazend
groot. [32]

De Europeesche kabinetten kunnen vooralsnog alleen op de grootere
soorten uit tropische klimaten bogen; maar werpt men een blik op
de toekomstige afmetingen van een volledigen catalogus, dan is dit
voldoende om de gemoedsrust van een entomoloog te verstoren. De
vleeschetende kevers of Carabidae komen tusschen de keerkringen
in uiterst klein aantal voor, hetgeen des te opmerkelijker is, als
men het geval vergelijkt met de vleeschetende viervoetige dieren,
welke in heete landen zoo menigvuldig zijn. Deze ontdekking trof
mij zoowel bij mijne komst in Brazilië, als toen ik de vele fraaie
en beweeglijke vormen der Harpalidae opnieuw zag verschijnen in de
gematigde vlakten van La Plata. Vervangen soms de zeer talrijke
spinnen en roofzuchtige Hymenoptera de vleeschetende kevers? De
aaskevers en Brachelytra komen zeer weinig voor; daarentegen vindt
men de Rhyncophora en Chrysomelidae, die voor hun onderhoud alle van
de plantenwereld afhangen, in verbazende menigte. Ik spreek hier niet
van het aantal verschillende soorten, maar van dat der individuën,
want hiervan hangt het meest opvallende kenmerk der insectenkunde
van de verschillende landen af. De orden der Orthoptera en Hemiptera
zijn bijzonder talrijk; dit geldt ook voor de stekende afdeeling der
Hymenoptera, behalve misschien de bijen.

Voor het eerst een tropisch woud betredend, staat men verbaasd over
den arbeid der mieren. Goed aangelegde paden vertakken zich in alle
richtingen, waarop men een leger van nooit ontbrekende, komende en
gaande fourageerders kan zien, beladen met stukjes groen blad, die
soms grooter zijn dan zij zelven. Een kleine donkergekleurde mier
trekt soms in tallooze zwermen naar elders. Te Bahia werd op zekeren
dag mijne aandacht getrokken door een aantal spinnen, kakkerlakken
en andere insecten, benevens eenige hagedissen, die zich in de
grootste onrust over eene open plek gronds spoedden. Kort achter hen
was elke stengel, elk blad zwart van kleine mieren. Toen de zwerm de
open ruimte was overgetrokken, verdeelde zij zich en daalde langs een
ouden muur af. Een aantal insecten werd hierdoor geheel ingesloten, en
verwonderlijk waren de pogingen, die de arme kleine schepsels deden,
om zich aan zulk een dood te onttrekken. Toen de mieren aan den weg
kwamen, veranderden zij van koers en klommen in smalle rijen weder
tegen den muur op. Ik plaatste nu een kleinen steen zoodanig, dat hij
een dezer rijen den pas afsneed; waarna de geheele drom er op aanviel
en toen onmiddellijk terugtrok. Kort daarop viel een tweede troep op
de versperring aan; maar toen ook deze aanval zonder gevolg bleef,
werd deze marschroute geheel opgegeven. Door een omweg te maken van
een duim breed, hadden de mieren den steen kunnen vermijden; en dit
zou zonder twijfel gebeurd zijn als hij daar aanvankelijk gelegen had;
doch nu zij aangevallen werden, wilden de heldhaftige kleine strijders
van geen wijken weten.

In de nabijheid van Rio vindt men eene soort insecten, op wespen
gelijkende, die in de hoeken der waranda's kleicellen maken voor hunne
larven, en zeer talrijk zijn. Deze cellen stoppen zij vol halfdoode
spinnen en rupsen, die zij, naar 't schijnt, zoo wonderlijk weten te
steken, dat de slachtoffers verlammen maar in leven blijven totdat
de eitjes der anderen zijn uitgebroed. De larven voeden zich dan met
de afzichtelijke rompen van machtelooze, halfdoode slachtoffers--een
gezicht, dat door een enthousiastischen natuuronderzoeker als aangenaam
en merkwaardig beschreven is! [33]

Op zekeren dag sloeg ik met belangstelling een doodelijken strijd
gade tusschen eene wesp (Pepsis) en eene groote spin van het geslacht
Lycosa. De wesp deed een plotselingen stoot naar hare prooi, en
vloog toen weg. De spin was blijkbaar gewond, want toen zij poogde
te ontsnappen, rolde zij eene kleine helling af, maar had nog kracht
genoeg om in een dicht hoopje gras te kruipen. Weldra keerde de wesp
terug, en scheen verwonderd, dat zij haar slachtoffer niet dadelijk
vond. Zij begon toen eene even geregelde jacht als ooit een hond
een vos najoeg: beschreef korte halve cirkels, en trilde daarbij
voortdurend met hare vleugels en voelhorens. Het duurde niet lang of
de spin, hoe goed ook verborgen, werd ontdekt; waarna de wesp, die
blijkbaar nog bevreesd was voor de kaken van haren tegenstander,
dezen, na veel manoeuvers, twee steken aan de onderzijde der
borstkas toebracht. Na de nu roerloos liggende spin behoedzaam met
hare voelhorens onderzocht te hebben, maakte de wesp zich gereed het
lichaam weg te sleepen, toen ik zoowel den geweldenaar als zijn prooi
tegenhield. [34]

Het getal spinnen in verhouding tot andere insecten is hier,
vergeleken met Engeland, zeer veel grooter, wellicht meer dan met
eene andere afdeeling der gelede dieren het geval is. De afwisseling
in soorten onder de springende spinnen schijnt bijna oneindig. Het
geslacht, of liever de familie Epeïra (Kruisspin) [35] kenmerkt zich
hier door vele eigenaardige vormen; enkele bijzondere soorten hebben
puntige lederachtige schilden, andere breede en doornige tibiae. Elk
pad in het woud wordt versperd door het sterke gele web eener soort,
behoorende tot dezelfde afdeeling als de Epeïra clavipes van Fabricius,
die, volgens Sloane, [36] vroeger in West-Indië webben maakte, sterk
genoeg om vogels te vangen.

Eene kleine en aardige soort spin met zeer lange voorpooten en die
tot een onbeschreven geslacht schijnt te behooren, leeft als parasiet
op bijna al deze webben. Ik vermoed, dat zij voor de groote Epeïra
te onbeduidend is om er nota van te nemen, en dat deze haar daarom
toestaat op de kleine insecten jacht te maken, die anders vernield
zouden worden wanneer zij aan de draden blijven kleven. Als deze
kleine spin gestoord wordt, houdt zij zich dood door de voorpooten
uit te strekken, of laat zich plotseling uit het web vallen.

Eene groote Epeïra van dezelfde afdeeling als Epeïra tuberculata en
conica is uiterst algemeen, vooral op droge plaatsen. Haar web, dat
meestal tusschen de groote bladeren der gewone agave of Amerikaansche
aloë gespannen is, wordt soms nabij het midden versterkt door een
tweetal, of zelfs vier zigzagvormige banden, die twee opvolgende
stralen verbinden. Is een of ander groot insect, bijv. een sprinkhaan
of wesp, gevangen, dan wentelt de spin het door eene fluksche beweging
zeer snel om, schiet tegelijk een bundel draden uit hare spinklieren,
en hult hare prooi in een koker, evenals de pop van een zijdeworm. Nu
onderzoekt de spin het machtelooze slachtoffer, en geeft het den
noodlottigen beet op de achterzijde der borstkas; daarna trekt
zij zich terug en wacht geduldig tot het gif zijne werking heeft
volbracht. De sterkte van dit gif laat zich beoordeelen uit het feit,
dat ik eene halve minuut later de pop openende, eene groote wesp geheel
levenloos vond. De Epeïra staat altijd met het hoofd benedenwaarts
bij het midden van het web. Wordt zij gestoord, dan handelt zij
verschillend naar omstandigheden: is er een kreupelboschje onder,
dan valt zij plotseling omlaag, en duidelijk heb ik den draad uit de
spinklieren door het dier zien verlengen, terwijl het nog stilstond,
als eene voorbereiding tot zijn val. Is de grond beneden onbegroeid,
dan laat de Epeïra zich zelden vallen, maar kruipt snel door eene
middenopening van de eene naar de andere zijde. Nog verder gestoord,
voert zij eene allermerkwaardigste handeling uit: staande in het
midden van het web, dat aan buigzame takken is gehecht, rukt zij dit
krachtig heen en weer, totdat het geheele dradenweefsel eindelijk zulk
eene snelle trillende beweging verkrijgt, dat zelfs de omtrekken van
het lichaam der spin onduidelijk worden.

Het is een welbekend feit, dat de meeste Britsche spinnen, als een
groot insect in hare webben gevangen is, de draden pogen af te breken
en hare prooi bevrijden, om hare webben tegen totale vernieling
te vrijwaren. Maar eens zag ik in eene broeikas te Shropshire eene
groote wijfjes-wesp gevangen in het onregelmatige web eener zeer kleine
spin. In stede nu dat deze haar web afbrak, ging zij ijverig voort met
het lichaam en vooral de vleugels van haar prooi te verstrikken. In
't eerst deed de wesp herhaalde vergeefsche uitvallen met haren angel
op den kleinen tegenstander. Nadat ik de wesp meer dan een uur had
laten worstelen, kreeg ik eindelijk medelijden met haar, doodde ze
en legde ze toen weer in het web. Weldra keerde de spin terug; en
een uur later vond ik deze tot mijne groote verwondering met hare
kaken in de opening geboord, door welke de levende wesp haren angel
naar buiten steekt. Twee- of driemaal verjoeg ik de spin; maar de
eerste 24 uren vond ik haar steeds op dezelfde plek opnieuw aan het
zuigen. Door de sappen van haar prooi, die verscheidene malen grooter
was dan zij zelve, werd de spin zeer opgeblazen.

Het is hier de plaats mede te deelen, dat ik dicht bij Sa-Fé Bajada
vele groote zwarte spinnen zag, met robijnkleurige figuren op den rug
en die de gewoonte hadden troepsgewijze te leven. De webben hadden
een verticalen stand, zooals met het geslacht Epeïra steeds het geval
is, en waren onderling gescheiden door eene ruimte van omstreeks twee
voet. Alle waren echter aan zekere gemeenschappelijke draden gehecht,
die eene groote lengte hadden en zich naar alle zijden der gemeenschap
uitstrekten. Op deze wijze waren de toppen van eenige hooge struiken
door de vereenigde webben ingesloten.

Azara [37] heeft eene in Paraguay troepsgewijze levende spin
beschreven, die volgens Walckenaer een Theridion moet zijn, doch
waarschijnlijk eene Epeïra is en mogelijk van dezelfde soort als de
mijne. Ik kan mij echter niet herinneren een centraalweb te hebben
gezien zoo groot als een hoed, waarin, gelijk Azara zegt, gedurende
den herfst als de spinnen sterven, de eitjes worden gelegd. Daar
alle spinnen, die ik hier zag, even groot waren, moeten zij ongeveer
even oud geweest zijn. Deze gewoonte om troepsgewijze te leven bij
een zoo typisch geslacht als Epeïra: bij insecten zoo bloeddorstig
en eenzelvig, dat zelfs de beide seksen elkander aanvallen, is een
zeer zonderling feit.

In eene hooggelegen vallei van de Cordilléra, bij Mendoza, vond
ik eene andere spin met een zonderling gevormd web. Sterke draden
straalden in een verticaal vlak uit een gemeenschappelijk middelpunt,
waar het insect zijne standplaats had; maar slechts twee stralen waren
door een symmetrisch mazennet verbonden, zoodat het web, instede van
cirkelvormig zooals meestal het geval is, uit een wigvormig segment
bestond. Alle webben waren gelijkvormig samengesteld.



HOOFDSTUK III.

MALDONADO.


[5 Juli 1832.]

In den morgen lichtten wij het anker en verlieten de prachtige
haven van Rio de Janeiro. Op onzen tocht naar de Rio de la Plata
zagen wij niets bijzonders, behalve op zekeren dag eene groote school
bruinvisschen, vele honderden in getal. De zee werd op sommige plaatsen
geheel er van doorploegd; en een zeer buitengewoon schouwspel vertoonde
zich, toen honderden tegelijk met sprongen, waarbij hun lichaam geheel
boven water kwam, de zee doorkliefden. Toen het schip negen knoopen
in het uur liep, konden deze dieren met het grootste gemak heen en
weer langs den boeg gaan, en daarna recht vooruit schieten.

Zoodra wij den zeearm der Plata-rivier invoeren, werd het weder
zeer onbestendig. In een donkeren nacht werden wij omringd door
tallooze robben en pinguins, die zulke vreemde geluiden maakten,
dat de officier van de wacht rapporteerde, dat hij het vee op den
oever kon hooren loeien. Den daarop volgenden nacht woonden wij een
prachtig schouwspel van natuurlijk vuurwerk bij. De top van den mast
en de einden der raas blonken in het St.-Elmusvuur [38]; en bijna
kon men den vorm der vlag onderscheiden, alsof zij met phosphorus
bestreken was. De zee lichtte zoo sterk, dat de sporen der pinguins
door een vurig zog kenbaar waren; en elk oogenblik werd de duisternis
der lucht door den helsten bliksemschijn verlicht.

Toen wij in den riviermond waren, zag ik met belangstelling hoe
langzaam het water van zee en rivier zich mengden. Het laatste,
modderig en kleurloos, dreef door zijn kleiner soortelijk gewicht op
het oppervlak van het zoute water. Duidelijk was dit te zien in het
kielwater van het schip, waar men een streep blauw water in kleine
draaikolkjes zich met de omringende vloeistof zag mengen.

[26 Juli.]

Wij ankerden te Montevideo. De Beagle maakte zich gereed de uiterste
zuid- en oostkusten van Amerika, ten zuiden van de Plata-rivier,
gedurende twee achtereenvolgende jaren op te meten. Om onnoodige
herhalingen te voorkomen, zal ik die gedeelten van mijn dagboek
samenvatten, welke op dezelfde districten betrekking hebben, zonder
steeds op de volgorde te letten, waarin wij ze bezochten.



Maldonado is gelegen aan den noordelijken oever der Plata-rivier en
niet heel ver van de monding van den zeearm. Het is een zeer rustig,
verlaten stadje, waarvan de straten, zooals algemeen in deze landen
het geval is, onderling rechthoekig zijn aangelegd, en met eene
ruime plaza of plein in het midden, dat door zijne grootte de geringe
bevolking nog meer doet uitkomen. Het heeft bijna geen handel, en de
uitvoer bepaalt zich tot enkele huiden en levend vee. De inwoners
zijn voornamelijk landeigenaars, benevens enkele winkeliers en de
noodige handwerkslieden, als grofsmeden en timmerlieden, die binnen
een omtrek van 50 mijlen bijna al het werk doen. De stad is van de
rivier gescheiden door een strook zandheuvels van ongeveer een mijl
breedte, en aan alle andere zijden omringd door een onbegroeid, zwak
golvend terrein, dat met eene gelijkvormige fraaigroene graslaag,
waarop tallooze kudden vee, schapen en paarden grazen, bedekt
is. Zelfs dicht bij de stad is zeer weinig land in cultuur. Enkele
hagen van cactussen en agaven wijzen aan, waar eenige tarwe of maïs
geplant is. De aanblik van het land is zeer gelijkvormig langs den
geheelen noordelijken Plata-oever, en het eenige verschil is, dat de
granietheuvels hier wat steiler zijn. Het landschap is zeer weinig
aanlokkend: er is nauwelijks een huis, een omheind stuk grond of
zelfs een boom, die er een zweem van vroolijkheid aan geeft. En toch,
als men een tijd op een schip gevangen heeft gezeten, ligt er iets
bekoorlijks in het onbestemde gevoel van over grenzenlooze grasvlakten
te wandelen. Daarenboven, als uw uitzicht tot eene kleine ruimte is
beperkt, bezitten vele voorwerpen schoonheid. Eenige kleinere vogels
zijn schitterend gekleurd, en het heldergroene, door het vee afgeweide
grasveld, is versierd met dwergbloemen, waaronder eene plant, die
er uitziet als het madeliefje, aanspraak maakte op den naam van een
oud vriend. Wat zou een bloemkweeker wel zeggen van geheele strooken
grond, zoo dicht met Verbena melindres (ijzerkruid) bedekt, dat zij
zelfs op een afstand in het bontste scharlakenrood prijken?

Ik bleef tien weken te Maldonado en verschafte mij in dien tijd
eene bijna volledige verzameling vogels, viervoetige en kruipende
dieren. Alvorens eenige opmerkingen daarover te doen, zal ik een klein
uitstapje vertellen, dat ik deed naar de omstreeks zeventig mijlen
ver in noordelijke richting gelegen rivier Polanco. Als een bewijs
hoe goedkoop alles in dit land is, wil ik meedeelen, dat ik slechts
twee dollars of acht shillings daags betaalde voor twee mannen met
een troep van omstreeks twaalf rijpaarden. Mijne metgezellen waren
goed gewapend met sabels en pistolen--eene voorzorg, die ik dacht
dat eigenlijk onnoodig zou zijn; doch het eerste nieuwtje dat wij
hoorden was, dat daags te voren een reiziger uit Montevideo met
afgesneden hals dood op den weg was gevonden. Dit gebeurde dicht bij
een kruis--de herinnering aan een vroegeren moord.

Den eersten nacht sliepen wij in een afgelegen landhuisje, waar ik
spoedig tot de ontdekking kwam, dat ik twee of drie artikelen bezat--in
't bijzonder een zakkompas--welke grenzenlooze verbazing wekten. In elk
huis werd mij gevraagd het kompas te laten zien en daarmee, gevoegd bij
eene kaart, de richting van verschillende plaatsen aan te wijzen. Het
wekte de levendigste bewondering, dat ik, een volslagen vreemdeling,
den weg kende (want weg en richting zijn synoniem in dit open land)
naar plaatsen, waar ik nog nooit geweest was. In één huis liet eene
jonge vrouw, die ziek te bed lag, mij verzoeken binnen te komen om
haar het kompas te laten zien. Was hare verbazing groot--de mijne
was nog grooter, dat er zooveel onwetendheid gevonden werd onder
menschen, die duizenden stuks vee en uitgestrekte landgoederen
bezaten. Het kan alléén verklaard worden door het feit, dat dit
afgelegen deel des lands maar zelden door vreemdelingen bezocht
wordt. Ook vroeg men mij of de aarde dan wel de zon zich bewoog;
of het in 't noorden warmer of kouder was; waar Spanje lag en vele
andere dergelijke vragen. Het meerendeel der bewoners had een vaag
denkbeeld, dat Engeland, Londen en Noord-Amerika verschillende namen
waren voor dezelfde plaats; maar de beter ingelichten wisten wel,
dat Londen en Noord-Amerika verschillende landen waren, dicht bij
elkander gelegen, en dat Engeland een groote stad in Londen was!

Ik droeg eenige Prometheus-zwavelstokken bij mij, die ik aanstak door
er op te bijten. Nu vond men het zoo wonderlijk, dat een mensch in
staat was vuur te maken met zijn tanden, dat doorgaans de geheele
familie bijeenkwam om het te zien. Eens werd mij een dollar voor
een enkelen zwavelstok geboden. In het dorp Las Minas gaf het feit,
dat ik des morgens mijn gezicht wiesch, veel stof tot bespiegeling;
een voornaam handelaar ondervroeg mij uitvorschend over zulk een
zonderlinge gewoonte, en tevens waarom wij aan boord onze baarden
droegen: want hij had van mijn gids gehoord dat wij dit deden. Hij keek
mij zeer wantrouwend aan; misschien had hij gehoord van reinigingen in
den Mohammedaanschen godsdienst en kwam hij, wetende dat ik een ketter
was, waarschijnlijk tot de slotsom, dat alle ketters Turken waren.

In dit land is het de algemeene gewoonte om aan het eerste huis het
beste nachtverblijf te vragen. De verbazing over het kompas en mijne
andere goocheltoeren waren in zekeren zin voordeelig, omdat ik daarmee
en met de lange verhalen, die mijne gidsen deden over mijne kunst van
steenen te breken, giftige en onschadelijke slangen te onderscheiden,
insecten te verzamelen, enz. enz. de lieden voor hunne gastvrijheid
betaalde. Ik schrijf alsof ik onder de bewoners van Midden-Afrika
geweest was; Oost-Banda zou zich door deze vergelijking niet gevleid
achten, maar zoo waren mijne indrukken in die dagen.

Den volgenden dag reden wij naar het dorp Las Minas. Het land was iets
heuvelachtiger, maar droeg overigens hetzelfde karakter; een bewoner
van de Pampas zou het ongetwijfeld als een echt Alpenland beschouwd
hebben. Het land is zoo dun bevolkt, dat wij den ganschen dag bijna
niemand ontmoetten. Las Minas is nog veel kleiner dan Maldonado, ligt
in eene kleine vlakte en is door lage rotsachtige bergen omgeven. Het
bezit den gewonen symmetrischen vorm en ziet er met zijne gewitte,
in het midden staande kerk vrij aardig uit. De buiten de kom gelegen
huizen, die geen tuinen of binnenplaatsen bezaten, lagen als geheel
verlaten in de vlakte. Dit is op het land algemeen het geval, en
bijgevolg hebben alle huizen een ongezellig aanzien.

Tegen den nacht hielden wij stil voor een pulperia of drankwinkel,
waar in den loop van den avond een aantal Gauchos [39] spiritualiën
kwamen drinken en sigaren rooken. Het voorkomen dezer lieden is zeer
opmerkelijk; meestal zijn zij groot en knap, maar hun uiterlijk
is trotsch en losbandig. Vele dragen knevels, en lang zwart haar
dat over hun rug golft. Met hunne helderkleurige gewaden, groote
sporen die tegen de hielen rinkelen, en hunne als dolken in den gordel
gestoken messen, zien zij er uit als lieden geheel verschillend van wat
volgens hun naam Gauchos, of eenvoudige landlieden, verwacht zou mogen
worden. Hunne beleefdheid is overdreven; nooit raken zij hunne dranken
aan zonder af te wachten dat gij die zult proeven; maar terwijl zij
hunne uiterst bevallige buiging maken, schijnen zij volkomen gereed
om, als de gelegenheid schoon is, u de keel af te snijden.

Den derden dag volgden wij een eenigszins onregelmatigen koers,
daar ik met het onderzoek van eenige marmerlagen bezig was. Op
de fraaie grasvlakten zagen wij een aantal struisvogels (Struthio
rhea). Enkele troepen telden twintig tot dertig vogels. Stonden deze
dieren op eene kleine verhevenheid, zoodat zij zich op den helderen
hemel afteekenden, dan boden zij een zeer fraai schouwspel. Nooit heb
ik in een ander deel van het land zulke tamme struisvogels ontmoet;
met gemak kon men tot op korten afstand naar hen toe galoppeeren;
maar dan spreidden zij de vleugels uit, schoten recht voor den wind
weg, en lieten de paarden spoedig achter zich.

Des nachts kwamen wij aan het huis van een rijken landeigenaar, Don
Juan Fuentes, maar die aan geen mijner metgezellen persoonlijk bekend
was. Als men het huis van een vreemdeling nadert, worden gewoonlijk
verscheidene kleine regels der etiquette in acht genomen. Men rijdt
langzaam naar de deur, groet met de woorden "Ave Maria," en stijgt
in den regel niet eer van het paard, voordat iemand naar buiten komt
en u verzoekt af te stijgen; het vormelijke antwoord van den eigenaar
is dan: "Sin pecado concebido." [40] Is men het huis binnengetreden,
dan wordt eenige minuten lang een algemeen gesprek gevoerd, totdat
men verlof vraagt er den nacht door te brengen--hetgeen als eene
natuurlijke zaak wordt toegestaan. De vreemdeling doet dan zijn maal
met het gezin, en men wijst hem eene kamer aan, waar hij met de tot
zijn recado [41] behoorende paardendekken zijn bed maakt. Het is
merkwaardig hoezeer gelijksoortige omstandigheden gelijksoortige
gewoonten ten gevolge hebben. Aan de Kaap de Goede Hoop worden
dezelfde gastvrijheid en op zeer weinig na dezelfde regels der
etiquette algemeen in acht genomen; niettemin blijkt het verschil
tusschen het karakter van den Spanjaard en dat van den Hollandschen
Boer hieruit, dat de eerste zijn gast nooit eene enkele vraag doet
buiten de stiptste regelen der beleefdheid, terwijl de eerlijke
Hollander vraagt waar hij geweest is, waar hij heengaat, wat zijn
beroep is, en zelfs hoeveel broeders, zusters of kinderen hij heeft.

Kort na onze komst in de woning van Don Juan, werd een der groote
kudden vee naar huis gedreven, en werden drie beesten uitgekozen om als
voedsel voor het gezin geslacht te worden. Dit halfwilde vee is zeer
snel ter been; en den noodlottigen lazo zeer wel kennende, bezorgde
het den paarden eene langdurige en vermoeiende jacht. Vergeleken bij
de ruwe weelde, die in het getal dienstboden, paarden en de menigte
vee ten toon werd gespreid, bood het armzalige huis van Don Juan een
zonderlingen aanblik. De vloer bestond uit geharden modder, en de
vensters hadden geen ruiten; de zitkamer boogde slechts op een paar
van de ruwste stoelen en banken, benevens een paar tafels. Ofschoon
verscheidene vreemdelingen aanzaten, bestond het avondeten slechts
uit twee groote stapels vleesch: een van gebraden rund-, de tweede
van gekookt vleesch, met enkele stukken pompoen; buiten deze laatste,
was er geen andere vrucht of groente, en zelfs geen stuk brood. Als
drank diende een groote aarden kruik met water voor het geheele
gezelschap. Toch was deze man eigenaar van verscheidene vierkante
mijlen land, waarvan bijna elke morgen koren en met geringe moeite alle
gewone groenten kon opleveren. De avond werd met rooken doorgebracht,
benevens wat zingen voor de vuist, onder begeleiding van de gitaar. De
segnorita's zaten alle bij elkander in een hoek van de kamer en aten
niet met de mannen.

Er zijn zooveel werken over deze landen geschreven, dat het bijna
overbodig is den lazo of de bolas te beschrijven. De lazo bestaat uit
een zeer sterk, maar dun, goed gevlochten koord van ongelooide huid
vervaardigd. Het eene eind is aan den breeden gordel bevestigd, die het
saâmgestelde tuig van den recado (of den in de Pampas gebruikelijken
zadel) bijeenbindt; het andere einde bestaat uit een kleinen ijzeren
of koperen ring, waardoor een loopende knoop kan worden geschoven. Als
de Gaucho den lazo wil gebruiken, neemt hij een kleinen kronkel in de
hand, die den teugel vasthoudt; in de andere houdt hij den loopenden
knoop, die zeer ruim genomen, meestal eene middellijn heeft van omtrent
acht voet. Dezen zwaait hij om zijn hoofd, houdt door eene behendige
pols-beweging den knoop open, en werpt hem dan zonder te missen naar
de plek, die hij verkiest. Wordt de lazo niet gebruikt, dan bindt
men hem in een kleinen kronkel aan de achterzijde van den recado.

De bolas of ballen zijn van tweederlei soort; de eenvoudigste, die in
hoofdzaak voor het vangen van struisvogels gebruikt worden, bestaan
uit twee ronde met leder overdekte steenen, welke door een dunnen
gevlochten riem van circa acht voet lengte verbonden zijn. De tweede
soort verschilt van de eerste alleen hierin, dat er drie ballen door
de riemen aan een gemeenschappelijk middelpunt verbonden zijn. De
Gaucho houdt den kleinsten der drie ballen in de hand en zwaait de
twee andere om zijn hoofd; dan neemt hij zijn mikpunt, en slingert
hen als een draaienden kettingkogel door de lucht. Nauwelijks treffen
de ballen het een of ander voorwerp, of zij winden er zich om heen,
kruisen zich en kronkelen stevig samen. Grootte en gewicht der ballen
verschillen naar gelang van het doel waarvoor zij gemaakt worden;
zijn zij van steen, dan worden zij, hoewel niet grooter dan een appel,
met zooveel kracht geworpen, dat zij somtijds zelfs een paard het
been verbrijzelen.

Ik heb ballen gezien van hout en zoo groot als een raap, die bestemd
waren om paarden te vangen zonder hen te kwetsen. Soms zijn de ballen
van ijzer, en deze kunnen het verst geworpen worden. De grootste
moeilijkheid bij het gebruik van den lazo of de bolas ligt in de
kunst om zoo goed te rijden, dat men in staat is in vollen ren en
bij plotselinge zwenkingen hen zoo juist om het hoofd te zwaaien,
dat er mee gemikt kan worden; te voet leert iemand de kunst vrij
spoedig. Eens vermaakte ik mij met in vollen galop de ballen om mijn
hoofd te zwaaien, toen het vrije einde bij ongeluk tegen een struik
sloeg. Daar de draaiende beweging zoodoende gestuit werd, viel die bal
onmiddellijk op den grond en greep, als bij tooverslag, een achterpoot
van mijn paard; de andere bal werd toen uit mijne handen gerukt en mijn
paard fluks tot staan gebracht. Gelukkig was het een oud gedresseerd
dier en wist het wat dit beteekende; anders zou het waarschijnlijk
zoo lang achteruit geslagen hebben, tot het gevallen was. De Gauchos
schaterden van het lachen; zij schreeuwden, dat zij alle soorten
dieren hadden zien vangen, maar nog nooit een mensch zichzelf.

Op de twee volgende dagen bereikte ik het verste punt, dat ik wenschte
te onderzoeken. Het land bood denzelfden aanblik, totdat het fraai
groene gras eindelijk vervelender werd dan een stoffige tolweg. Overal
zagen wij groote menigten patrijzen (Nothura major). Deze vogels gaan
niet in scharen, en houden zich ook niet schuil zooals de Engelsche
soort. Hij schijnt een zeer onnoozele vogel. Een man te paard kan,
door in een cirkel of liever in een spiraal rond te rijden zoodat hij
telkens dichter bij komt, er zooveel dooden als hij maar wil. De meer
gebruikelijke manier is, dat men hem vangt met een loopenden knoop of
kleinen lazo, die van eene struisveerschacht gemaakt en aan het einde
van een langen stok bevestigd is. Een jongen op een mak oud paard zal
er op die wijs menigmaal dertig of veertig per dag vangen. In het hooge
noorden van Noord-Amerika vangen de Indianen den Lepus Variabilis
door, als hij in zijn hol is, in een spiraal er om heen te loopen;
men acht daarvoor den besten tijd het midden van den dag, als de zon
hoog staat en de schaduw van den jager niet zeer lang is. [42]

Op onzen terugkeer naar Maldonado volgden wij eene eenigszins andere
richting. Bij Pan de Azucar--een landbaken, welbekend aan allen die de
Plata-rivier zijn opgevaren--vertoefde ik een dag in het huis van een
zeer gastvrijen ouden Spanjaard. Vroeg in den morgen bestegen wij de
Sierra de las Animas. Bij het licht der opgaande zon was het landschap
bijna schilderachtig. Westwaarts weidde de blik over eene onmetelijke
effen vlakte tot aan den Berg--tot Montevideo, en oostwaarts over
het heuvelachtige land van Maldonado. Op den top van den berg lagen
verscheidene kleine steenhopen, die er blijkbaar al vele jaren hadden
gelegen. Mijn metgezel verzekerde mij, dat zij het werk waren van
Indianen uit den ouden tijd. Ofschoon op veel kleiner schaal, kwamen
die hoopen overeen met die, welke zoo algemeen op de bergen in Wales
worden gevonden. Het schijnt, dat de zucht om eene gebeurtenis door
een teeken op het hoogste punt van het naburige land aan te duiden,
een algemeene hartstocht van het menschdom is. Tegenwoordig bestaat
er in dit deel der provincie geen enkele Indiaan, beschaafd of wild,
meer; ook is mij niet bekend of de vroegere bewoners duurzamere
herinneringen hebben achtergelaten, dan deze onbeduidende steenhoopen
op den top der Sierra de las Animas.



Het algemeen en bijna volslagen gemis van boomen in Oost-Banda
is opmerkelijk. Enkele rotsachtige heuvels zijn gedeeltelijk met
kreupelbosschen bedekt, en aan de oevers der grootere rivieren,
vooral ten noorden van Las Minas, zijn wilgeboomen niet zeldzaam. Bij
den Arroyo Tapes hoorde ik van een palmenbosch; en een dezer boomen,
die eene aanzienlijke hoogte had, zag ik bij den Pan de Azucar, op
eene breedte van 35°. Deze en de door de Spanjaarden geplante boomen
vormen de eenige uitzonderingen op de algemeene schaarschheid aan
hout. Onder de ingevoerde soorten mogen genoemd worden: populieren,
olijf-, perzik- en andere vruchtboomen; de perzikboomen gedijen
zoo goed, dat zij de stad Buenos Aires voor het grootste deel van
brandhout voorzien. Bijzonder vlakke landstreken, zooals de Pampas,
schijnen zelden voor den groei van boomen geschikt. Mogelijk is
dit toe te schrijven aan de kracht der winden of aan de wijze van
bevloeiing. Maar in de natuur van het land om Maldonado is zulk een
reden niet duidelijk; de rotsachtige bergen bieden beschutte plaatsen
met verschillende bodemsoorten; waterstroompjes komen in bijna elke
dalkom voor, en de kleiachtige natuur van den grond schijnt geschikt
om vocht vast te houden. Met veel waarschijnlijkheid is beweerd, dat
de aanwezigheid van boschland meestal door de jaarlijksche hoeveelheid
neerslag wordt bepaald [43]; maar in deze provincie vallen des winters
hevige en menigvuldige regens, en de zomer, hoewel droog, is dit
niet in buitengewone mate. [44] Wij zien bijna geheel Australië met
hooggaand geboomte bedekt, en toch bezit dit land een veel droger
klimaat. Bij gevolg moeten wij naar eene andere en onbekende reden
zoeken.

Door ons onderzoek tot Zuid-Amerika te beperken, zouden wij zeker
geneigd zijn te gelooven, dat boomen alléén in een zeer vochtig klimaat
groeiden, want de grens van het woudland volgt op zeer merkwaardige
wijze die der vochtige winden. In het zuidelijk deel van het vasteland,
waar de westelijke koelten, bezwangerd met vocht uit den Stillen
Oceaan, de overhand hebben, is ieder eiland aan de gebroken westkust,
van 38° breedte tot de zuidelijkste punt van Vuurland (Tierra del
Fuego), dicht met ondoordringbare wouden bedekt. Aan de oostzijde van
de Cordilleras en over hetzelfde breedteverschil, waar een blauwe
hemel en een zeer schoon klimaat bewijzen, dat de atmospheer bij
het strijken over het gebergte van haar vocht beroofd is, bezitten
de dorre vlakten van Patagonië een zeer schralen plantengroei. In
het meer noordelijk deel van het vasteland, binnen de grenzen van
den vasten zuidoost-passaat, is de oostzijde met prachtige wouden
versierd, terwijl de westkust van 4° Z.B. tot 32° Z.B. beschreven
kan worden als eene woestijn. Aan deze westkust, noordelijk van 4°
Z.B., waar de passaatwind zijne regelmatigheid verliest en op gezette
tijden hevige regenvloeden vallen, krijgen de stranden van den Stillen
Oceaan, zoo uiterst woest in Peru, bij Kaap Blanco het kenmerk van
plantenweelde, waarom Guayaquil en Panama zoozeer geroemd worden. In
de zuidelijke en noordelijke deelen van het vasteland hebben dus
de woud- en woestijnlanden omgekeerde liggingen ten opzichte van
de Cordilleras, en deze liggingen worden blijkbaar bepaald door de
richting der heerschende winden.

In het midden van het vasteland is eene breede tusschenzone, omvattende
Midden-Chili en de provinciën van La Plata, waar de regenbrengende
winden niet over hooge bergen behoeven te gaan, en waar het land
noch eene woestijn noch met wouden bedekt is. Maar zelfs de regel,
dat boomen alléén bloeien in een klimaat, dat door regenbrengende
winden bevochtigd wordt, maakt, als men hem tot Zuid-Amerika beperkt,
ten opzichte van de Falklands Eilanden eene scherp in 't oog vallende
uitzondering. Deze eilanden, op dezelfde breedte gelegen als Vuurland
en op slechts twee- of driehonderd mijlen van daar: met een nagenoeg
gelijk klimaat en bijna dezelfde geologische formatie: met gunstige
liggingen en dezelfde soort van veengrond--kunnen niettemin op
weinig planten bogen die zelfs den naam van struiken verdienen,
terwijl het in Vuurland onmogelijk is een morgen lands te vinden,
die niet met de dichtste wouden is bedekt. In dit geval zijn èn de
richting der hevige windvlagen èn die der zeestroomen gunstig voor
het overbrengen van zaden uit Vuurland, zooals blijkt uit de kano's
en boomstammen, welke uit dat land komen aandrijven en vaak op de
stranden der Westelijke Falklands Eilanden worden geworpen. Dit is
misschien de reden waarom beide landen zooveel planten gemeen hebben;
maar wat de boomen van Vuurland betreft, zijn zelfs de pogingen tot
overplanten daarvan mislukt.

Tijdens ons verblijf te Maldonado verzamelde ik verscheidene
viervoetige dieren, tachtig soorten vogels en vele kruipende dieren,
waaronder negen species van slangen. Van de inheemsche zoogdieren
is Cervus campestris het eenig overgeblevene van noemenswaardige
grootte, dat algemeen voorkomt. Dit hert is buitengewoon talrijk en
leeft dikwijls in kleine troepen in de streken langs de Rio de la
Plata en in Noord-Patagonië. Als iemand, door dicht langs den grond te
kruipen, zulk een troep herten nadert, gebeurt het vaak, dat dit dier
uit nieuwsgierigheid dichter bij komt om hem te verkennen. Op die wijs
heb ik, van ééne plek uit, drie van denzelfden troep gedood. Ofschoon
zoo mak en nieuwsgierig, zijn zij toch uiterst behoedzaam, als men hen
te paard nadert. In dit land gaat niemand te voet; en het hert kent
den mensch slechts dan als zijn vijand, wanneer hij te paard zit en
met de bolas gewapend is. Te Bahia-Blanca, eene jonge nederzetting in
Noord-Patagonië, zag ik tot mijne verbazing, hoe weinig herten zich om
den knal van een geweer bekommerden. Op zekeren dag vuurde ik tienmaal
op een afstand van nog geen 80 yards op hetzelfde dier, dat nog veel
meer schrikte bij het slaan van den kogel tegen den grond, dan door
het geluid van het schot. Daar mijn kruit op was, moest ik (tot mijne
schande gezegd, hoewel ik een jachtliefhebber ben die vogels in vlucht
kan dooden) opstaan en overluid schreeuwen totdat het hert wegliep.

Het merkwaardigste feit betreffende dit dier is de overweldigend sterke
en onaangename reuk, die van den bok uitgaat. Het is niet mogelijk
dien te beschrijven. Toen ik bezig was het exemplaar te villen, dat nu
in het Zoölogisch Museum is opgezet, gebeurde het verscheidene malen
dat ik bijna braken moest. Ik bond de huid in een zijden zakdoek en
bracht haar zoo naar huis. Deze zakdoek, na flink te zijn gewasschen,
werd voortdurend door mij gebruikt en natuurlijk ook even dikwijls
gewasschen; toch bespeurde ik een jaar en zeven maanden lang duidelijk
dien reuk, telkens als ik den zakdoek openvouwde. Dit feit levert een
verrassend voorbeeld van de duurzaamheid eener stof, die uiteraard
toch zeer fijn en vluchtig moet zijn. Menigmaal heb ik, als wij op
eene halve mijl afstand onder den wind eene kudde voorbijgingen,
bespeurd dat de lucht geheel met deze vluchtige stof doortrokken
was. Ik geloof, dat de reuk van den bok het sterkst is in den tijd,
dat de horens tot volle ontwikkeling gekomen of van de haarhuid
bevrijd zijn. In dit stadium is het vleesch natuurlijk volstrekt
oneetbaar; maar de Gauchos beweren, dat de stank verdwijnt, als het
vleesch eenigen tijd lang in versche aarde wordt begraven. Ergens heb
ik gelezen, dat de eilanders in het noorden van Schotland de sterk
riekende lijken der visch-etende vogels op gelijke manier behandelen.

De orde der Rodentia telt hier vele species: alleen van muizen vond
ik niet minder dan 8 soorten. [45] Het grootste knaagdier ter wereld,
de Hydrochoerus capybara of Waterzwijn, [46] is hier ook algemeen. Een
door mij te Montevideo geschoten exemplaar woog 98 pounds; de lengte
van het eind van den snuit tot den stompvormigen staart bedroeg 3
voet 2 inches, en de omtrek van het lichaam bij het midden 3 voet 8
inches. Deze groote Rodentia bezoeken nu en dan de eilanden in den
mond der Plata-rivier, waar het water geheel zout is, doch zijn veel
talrijker aan de boorden van zoetwater-meren en rivieren. Bij Maldonado
leven meestal drie of vier te zamen. Over dag liggen zij tusschen de
waterplanten, of weiden vrij op de grasvlakte. [47] Op eenigen afstand
gezien, gelijken zij in kleur en gang op varkens; maar als zij, op de
hurken gezeten, met één oog opmerkzaam naar het een of ander voorwerp
kijken, krijgen zij weer het uiterlijk hunner voorvaderen, van Cabiai
[48] en konijnen. Van voren en van ter zijde gezien heeft hun hoofd
een belachelijk voorkomen wegens de groote diepte hunner kaken.

Te Maldonado waren deze dieren zeer mak; door voorzichtig loopen
kon ik vier oude tot op drie yards naderen. Waarschijnlijk is deze
makheid toe te schrijven aan het feit, dat de jaguar voor eenige jaren
verdreven is, en dat de Gaucho het niet de moeite waard acht hen te
jagen. Toen ik dichter bij kwam, lieten zij telkens hun eigenaardig
geluid hooren: een dof, afgebroken geknor, dat op zichzelf niet veel
toon inhoudt, doch meer een gevolg is van de plotselinge uitdrijving
der lucht. Het eenige mij bekende geluid, dat hiermeê overeenkomt, is
het eerste schorre geblaf van een grooten hond. Toen ik het viertal
eenige minuten lang op nog geen armslengte had gadegeslagen (en zij
mij), snelden zij in vollen galop en in den grootsten haast te water,
en lieten tegelijk hun geknor hooren. Na een korte duiking kwamen
zij weer aan de oppervlakte, maar lieten nu slechts het topje van
hun hoofd zien. Men zegt, dat als het wijfje jongen heeft, deze op
haren rug zitten als zij in 't water zwemt. Het is gemakkelijk deze
dieren in menigte te dooden; doch hunne huid heeft weinig waarde en
hun vleesch is zeer middelmatig. Op de eilanden in de Rio Parana zijn
zij buitengemeen talrijk en vormen hier de gewone prooi van den jaguar.

De Tucutuco (Ctenomys Brasiliensis) is een merkwaardig klein dier, dat
kortweg kan beschreven worden als een knaagdier met de eigenschappen
van een mol. In sommige deelen van het land is het zeer talrijk,
doch moeilijk te vangen; en naar ik meen, komt het nooit boven
den grond. Aan den ingang van zijn hol werpt het aardheuveltjes op
evenals die van den mol, maar kleiner. Groote stukken land zijn door
deze dieren zoo volkomen ondermijnd, dat paarden die er over loopen,
er tot boven de hielen inzakken. De tucutucos schijnen tot op zekere
hoogte in troepen te leven: de man, nl., die mij de exemplaren bracht,
had er zes tegelijk gevangen, en volgens zijn zeggen was dit een gewoon
geval. In hunne leefwijs zijn zij nachtdieren, en hun voornaamste
voedsel bestaat uit plantenwortels, die het doel zijn van hunne
uitgestrekte holen aan de oppervlakte.

Dit dier is algemeen bekend om een zeer bijzonder geluid, dat het maakt
wanneer het onder den grond is. Wie dit geluid voor 't eerst hoort,
staat zeer verwonderd; want het is niet gemakkelijk te zeggen van waar
het komt: ook kan men onmogelijk raden welk soort van schepsel het
voortbrengt. Het geluid bestaat in een kort, maar niet ruw neusgebrom,
dat ongeveer viermaal snel achtereen eentonig herhaald wordt. [49] De
naam Tucutuco zelf is ter nabootsing van het geluid gegeven. Daar waar
dit dier talrijk is, kan het op alle tijden van den dag gehoord worden,
en soms onmiddellijk onder onze voeten. Binnen een kamer gebracht,
bewegen de tucutucos zich langzaam en traag, wat een gevolg schijnt van
de buitenwaartsche beweging der achterpooten; en wegens het gemis van
een ligament in de holte van het dijbeen, zijn zij geheel onbekwaam om
zelfs over de kleinste verticale hoogte te springen. Zij zijn zeer dom
bij het doen van eene poging om te ontsnappen; en in oogenblikken van
toorn of schrik laten zij het "tucutuco" hooren. Van die welke ik in
leven hield, werden verscheidene, zelfs op den eersten dag, geheel mak
en poogden niet te bijten of te ontsnappen; andere waren wat wilder.

De man, die hen gevangen had, verzekerde dat er zeer vele gevonden
worden, die geheel blind zijn. Een door mij in spiritus liquor bewaard
exemplaar verkeerde in dien toestand, welke door Reid beschouwd wordt
als het gevolg van ontsteking in het knippend ooglid. Toen het dier
leefde, hield ik mijn vinger op nog geen halven inch afstand van
zijn hoofd, zonder dat dit in 't minst werd opgemerkt; toch vond
het dier bijna even goed zijn weg door de kamer als de andere. Let
men op de strikt onderaardsche leefwijs van den tucutuco, dan kan
de blindheid, ondanks hare algemeenheid, geen kwaad zijn van zeer
ernstigen aard. Het schijnt echter vreemd, dat een dier een orgaan moet
bezitten, hetwelk dikwijls aan letsel onderhevig is. Lamarck zou dit
feit, zoo hij het gekend had, verheugd hebben, toen hij (waarschijnlijk
met meer waarheid dan hij gewoon was) bespiegelingen maakte [50] over
de trapsgewijs verworven blindheid van den Aspalax--een knaagdier dat
onder den grond woont, en van den Proteus--een kruipend dier dat in
donkere met water gevulde holen leeft; bij deze dieren verkeert het
oog in bijna rudimentairen staat en is door een peesachtig vlies en
vel bedekt. Bij den gewonen mol is het oog buitengewoon klein maar
volkomen, hoewel vele ontleedkundigen twijfelen of het met den waren
gezichtszenuw verbonden is; zijn gezicht moet zeker onvolkomen zijn,
ofschoon het hem waarschijnlijk nuttig is bij het verlaten van zijn
hol. Bij den tucutuco, die, naar ik meen, nooit aan de oppervlakte van
den grond komt, is het oog wel iets grooter, maar dikwijls blind en
nutteloos, al schijnt dit het dier volstrekt niet te hinderen. Zonder
twijfel zou Lamarck gezegd hebben, dat de tucutuco nu in den toestand
van den Aspalax en Proteus overgaat.

Op de golvende grasvlakten rondom Maldonado komen vele soorten
vogels in buitengewone menigte voor. Daaronder zijn verscheidene
species eener familie, die in bouw en leefwijs aan onze spreeuw
verwant is; eene daarvan, (Molothrus niger), is merkwaardig om zijne
gewoonten. Dikwijls ziet men er verscheidene tegelijk op den rug van
een paard of koe staan; en zijn zij op eene haag neergestreken, dan
trachten zij soms, onder het opstrijken van hunne veêren in de zon,
te zingen of liever te fluiten; het geluid, dat zij daarbij maken,
is zeer eigenaardig en gelijkt op het borrelen van luchtbellen,
die snel uit eene kleine opening onder water ontsnappen, zoodat een
doordringend geluid ontstaat. Volgens Azara, legt deze vogel, evenals
de koekoek, zijne eieren in de nesten van andere vogels. Dikwijls
vertelde mij het landvolk, dat er stellig een vogel bestond die
deze gewoonte bezat; en mijn adsistent bij het verzamelen--een zeer
nauwkeurig man--vond een nest van de inheemsche musch (Zonotrichia
matutina), waarin een ei lag, grooter dan en verschillend in kleur
en vorm van de andere. In Noord-Amerika bestaat eene andere soort
Molothrus (M. pecoris), die eene dergelijke koekoekachtige gewoonte
bezit en in elk opzicht zeer na verwant is aan de La Plata-species,
zelfs in de beuzelachtige bijzonderheid, dat hij op den rug van het
vee gaat staan; het eenige verschil is, dat deze dieren iets kleiner,
en hunne veêren en eieren eenigszins anders getint zijn. Deze nauwe
overeenstemming in bouw en gewoonten bij plaatsvervangende soorten
uit tegengestelde hoeken van een groot vasteland, treft steeds als
zijnde een belangwekkend, ofschoon alledaagsch feit.

Swainson heeft juist opgemerkt, [51] dat, uitgezonderd Molothrus
pecoris, waarbij gevoegd moet worden M. niger, de koekoeken de
eenige vogels zijn, die werkelijk "parasieten" genoemd mogen worden:
nl. zoodanige, "die zich als 't ware op een ander levend dier
vasthechten, welks dierlijke warmte hunne jongen in 't leven roept,
van wiens voedsel zij leven, en welks dood den hunnen ten gevolge zou
hebben in de periode der kindsheid." Het is opmerkelijk, dat eenige
species, maar niet alle, zoowel van den Koekoek als van den Molothrus,
alléén in deze vreemde gewoonte van parasitische voortplanting zouden
overeenstemmen, terwijl zij in bijna alle andere gewoonten lijnrecht
verschillen. De Molothrus is, evenals onze spreeuw, uiterst gezellig,
en leeft zonder kunst of vermomming in de opene vlakten; daarentegen is
de koekoek, zooals ieder weet, een bijzonder schuwe vogel, bewoont de
meest afgelegen kreupelbosschen, en leeft van vruchten en rupsen. Ook
in bouw loopen deze twee families zeer uiteen.

Vele theorieën, zelfs phrenologische of hersenkundige, zijn
voorgedragen om te verklaren waarom de koekoek zijne eieren in de
nesten van andere vogels legt. Ik denk, dat alleen Prévost door
zijne waarnemingen licht op dit raadsel heeft geworpen. [52] Hij
vindt, dat de wijfjes-koekoek, die volgens de meeste waarnemers
minstens vier tot zes eieren legt, met het mannetje moet paren
telkens nadat zij slechts een of twee eieren heeft gelegd. Ware nu
de koekoek genoodzaakt op hare eigen eieren te zitten, dan moest
zij òf op alle tegelijk zitten en dus de eerst gelegde zoo lang in
den steek laten tot zij waarschijnlijk bedorven waren: òf zij zou
elk ei of twee eieren terstond na het leggen afzonderlijk moeten
uitbroeden. Maar wijl de koekoek korter in dit land blijft dan elke
andere trekvogel, zou zij stellig geen tijd genoeg hebben voor de
achtereenvolgende uitbroedingen. Wij kunnen dus in het feit, dat de
koekoek verscheidene keeren paart en hare eieren bij tusschenpoozen
legt, de oorzaak vinden waarom zij die in de nesten van andere vogels
legt en hen aan de zorg van pleegouders overlaat. Ik ben zeer geneigd
te gelooven, dat deze meening juist is, daar ik onafhankelijk hiervan
(gelijk wij hieronder zien zullen) tot eene overeenkomstige slotsom ben
gekomen ten opzichte van den Zuid-Amerikaanschen struisvogel, waarvan
de wijfjes, als ik het zoo zeggen mag, op elkander parasiteeren. Elk
wijfje legt verscheidene eieren in de nesten van vele andere wijfjes,
en de mannetjes-struisvogel belast zich met de zorgen der broeding,
evenals de vreemde pleegouders met den koekoek.

Ik zal slechts twee andere vogels vermelden, die zeer algemeen zijn en
door hunne gewoonten de aandacht trekken. De Saurophagus sulphuratus is
het type van den grooten Amerikaanschen stam der tyran-vliegenvangers
(Muscicapa). In bouw komt hij zeer nabij de ware Worgers of wilde
Eksters (Lanius) [53], maar in zijne gewoonten kan hij met vele vogels
vergeleken worden. Ik heb hem menigmaal een veld zien afjagen, waarbij
hij evenals een valk boven eene plek fladderde, om dan naar eene
andere te gaan. Als men hem zoo in de lucht ziet zweven, zou men op
korten afstand hem zeer licht voor een roofvogel kunnen houden; maar
de kracht en snelheid, waarmeê hij omlaag schiet, zijn veel geringer
dan bij een valk. Op andere tijden houdt de Saurophagus zich in de
nabijheid van water op, en vangt, terwijl hij hier als een ijsvogel
(Alcedo) post vat, elk vischje dat aan den kant verschijnt.

Niet zelden worden deze vogels gekortwiekt in kooien of op
binnenplaatsen gehouden. Zij worden spoedig mak en zijn zeer
vermakelijk om hunne koddige listige gewoonten, die mij beschreven
worden als op die van den gewonen ekster te gelijken. Hunne vlucht
is slingerend, doordien het gewicht van hoofd en snavel te groot
schijnt voor het lichaam. Des avonds vat de Saurophagus post op een
struik, dikwijls aan den kant van den weg, en laat voortdurend een
onveranderlijken, schrillen en eenigszins aangenamen kreet hooren,
die iets weg heeft van gearticuleerde woorden. De Spanjaarden zeggen
dat hij gelijkt op de woorden: Bien-te-veo (Ik-zie-je-wel), en hebben
hem diensvolgens dezen naam gegeven.

Een spot-vogel (Mimus orpheus), door de bewoners Calandria genoemd,
is merkwaardig om zijn gezang, hetwelk dat van alle andere vogels
in het land overtreft; inderdaad is hij omtrent de eenige vogel
in Zuid-Amerika, dien ik voor het zangen een bepaalden stand heb
zien aannemen. Het gezang kan vergeleken worden bij dat van het
veldsijsje, maar is krachtiger: eenige harde tonen en sommige zeer
hooge gaan daarin met een aangenaam gekweel gepaard. Men hoort het
alleen gedurende de lente. Op andere tijden is zijn kreet hard en
verre van welluidend. Bij Maldonado waren deze vogels mak en driest;
voortdurend zwierven zij in menigte bij de landhuizen, om aan het
vleesch te pikken dat aan muren of deurposten was gehangen. Voegde
zich een andere kleine vogel bij het gastmaal, dan joeg de Calandria
hem spoedig weg.

Op de uitgestrekte onbewoonde vlakten van Patagonië leeft eene andere
naverwante soort: Orpheus Patagonica (d'Orbignyi), die in de met
doornige struiken begroeide dalen huist; deze is een wilder vogel en
heeft een eenigszins ander stemgeluid. Het schijnt mij een merkwaardig
feit, als zijnde een bewijs voor de fijne verschillen in gewoonten,
dat, toen ik voor het eerst deze tweede soort zag en alleen van
het laatstgenoemde standpunt oordeelde, de gedachte in mij opkwam,
dat zij van de Maldonado-soort verschilde. Later, toen ik mij een
exemplaar verschafte en beide soorten zonder bijzondere aandacht met
elkander vergeleek, schenen zij mij zóó gelijk, dat ik van meening
veranderde. Maar nu zegt Gould, dat zij wel degelijk verschillen:
welke gevolgtrekking in overeenstemming is met het geringe verschil
in leefwijze, waarvan hij echter geen kennis droeg.

Het aantal, de tamheid en walgelijke gewoonten der aasetende valken
in Zuid-Amerika, maken hen bijzonder belangrijk voor iemand, die
slechts aan de vogels van Noord-Europa gewoon is. Tot deze groep
kunnen gerekend worden vier soorten van de Caracara's of Polyborus,
de Kalkoensche buizerd, de Gallinazo en de Condor. [54] De Caracara's
worden om hun lichaamsbouw tot de arenden gerekend; maar wij zullen
weldra zien hoe kwalijk hun zulk een hooge titel past. In hunne
gewoonten vervangen zij juist onze aaskraaien, eksters en raven--een
groep vogels die ruim verspreid zijn in het overige deel der wereld,
doch in Zuid-Amerika geheel ontbreken.

Te beginnen met de Polyborus Brasiliensis: deze vogel komt algemeen
voor en bewoont een uitgestrekt geographisch gebied; hij is het
talrijkst in de grasrijke savana's van La Plata (waar hij den naam
Carrancha draagt), en is lang niet zeldzaam op de dorre vlakten van
Patagonië. In de woestijn tusschen de rivieren Negro en Colorado
houden zich steeds verscheidene in de nabijheid van den grooten
weg op, om de lijken van dieren te verscheuren, die uitgeput door
honger en dorst gestorven zijn. Ofschoon dus algemeen in deze droge
en onbegroeide streken alsmede aan de dorre stranden van den Stillen
Oceaan, blijkt hij toch ook de vochtige, ondoordringbare wouden van
West-Patagonië en Vuurland te bewonen. De Carrancha's met de Chimango's
zwerven steeds in menigte op landgoederen voor vee-cultuur [55] en bij
slachthuizen. Sterft een dier op de vlakte, dan begint de Gallinazo
of Braziliaansche gier het maal, waarna de twee soorten Polyborus de
beenderen schoon pikken. Ofschoon deze vogels dus gewoonlijk samen
eten, zijn zij op verre na geen vrienden. Als de Carrancha rustig op
een boomtak of op den grond zit, vliegt de Chimango dikwijls lang
achtereen in een halven cirkel op en neer, voor- en achterwaarts,
waarbij hij, telkens als hij in 't laagste punt van zijne vliegbaan is,
zijn grooteren soortverwant poogt te raken. Behalve door het hoofd te
schudden, neemt de Carrancha weinig nota van die aanvallen. Hoewel
de Carrancha's zich dikwijls in grooten getale vereenigen, leven
zij niet in troepen; want op eenzame plaatsen kan men hen alleen of,
meer algemeen, bij paren aantreffen.

De Carrancha's heeten zeer listig te zijn en eieren in menigte te
stelen. Ook pogen zij, in vereeniging met de Chimango's, de roven van
de ontvelde of zeere ruggen der paarden en muildieren af te pikken. Aan
den eenen kant het arme dier met hangende ooren en gebogen rug: aan
den anderen de fladderende vogel, die op den afstand van een yard het
walgelijk hapje gadeslaat--vormen een tafereel, dat door kapitein Head
met de hem eigen bijzondere geestigheid en juistheid beschreven is
geworden. Deze valsche arenden dooden hoogst zelden een levenden vogel
of ander dier; en hunne gierachtige, op lijken azende gewoonten blijken
zeer duidelijk aan iemand, die op de woeste vlakten van Patagonië in
slaap is gevallen; want bij het ontwaken zal hij op elk heuveltje in
't rond een dezer vogels zien, die hem met boosaardigen blik geduldig
gadeslaat. Dit is een trek in het landschap dezer streken, welke door
ieder zal zijn opgemerkt, die er gereisd heeft. Als een troep mannen
met paarden en honden ter jacht gaan, zullen zij over dag door vele
dezer dieren vergezeld worden. Na het eten steekt de naakte krop
vooruit; op zulke oogenblikken, en eigenlijk in 't algemeen, is de
Carrancha een werkelooze, makke en laffe vogel. Zijn vlucht is traag
en langzaam, evenals die van de Engelsche kauw. Zelden vliegt hij hoog;
maar tweemaal heb ik er een op aanzienlijke hoogte met veel gemak door
de lucht zien zweven. Hij loopt (ter onderscheiding van huppelen),
doch niet zoo snel als zijne soortgenooten.

Nu en dan is de Carrancha luidruchtig, doch in 't algemeen niet; zijn
kreet is luid, zeer hard en eigenaardig, en kan vergeleken worden met
de Spaansche keelletter g, gevolgd door eene schorre, dubbele rr. Bij
het uiten van dien kreet zet hij den bek wijd open en richt den kop
al hooger en hooger, totdat zijn kruin bijna het achtereinde van den
rug raakt. Dit feit, hetwelk door sommigen in twijfel is getrokken, is
volkomen waar; ik heb hen verscheidene malen met den kop naar achteren
in een geheel omgekeerden stand gezien. Aan deze waarnemingen kan ik,
op het hooge gezag van Azara, toevoegen dat de Carrancha zich voedt
met wormen, schelpdieren, slakken, sprinkhanen en kikkers; dat hij
jonge lammeren doodt door hunne navelstreng open te rijten, en dat
hij den Gallinazo zoo lang vervolgt, tot deze vogel genoodzaakt is het
aas uit te braken, dat hij kort te voren heeft ingeslikt. Ten slotte
beweert Azara dat verscheidene Carrancha's, vijf of zes te zamen,
zich zullen vereenigen om op groote vogels, zelfs reigers bijv.,
jacht te maken. Al deze feiten getuigen, dat het een vogel is met
zeer veranderlijke gewoonten en groote scherpzinnigheid.

De Polyborus Chimango is aanmerkelijk kleiner dan de vorige
species. Hij is inderdaad omnivorus (allesetend), en zal zelfs brood
eten. Men verzekerde mij, dat hij aan de aardappeloogsten op Chiloë
werkelijke schade toebrengt door de wortels uit te roeien na het
eerste planten. Van alle aaseters is hij gewoonlijk de laatste, die
het geraamte van een dier verlaat; en dikwijls kan men hem tusschen
de ribben van een koe of paard zien, evenals een vogel in eene kooi.

Eene andere soort is de Polyborus Novae Zelandiae, die bijzonder
algemeen is op de Falklands Eilanden. In hunne gewoonten gelijken deze
vogels in vele opzichten op de Carrancha's. Zij leven van het vleesch
van doode dieren en van zeevoortbrengselen; en op de Ramirez-Rotsen
moet hun geheele bestaan afhangen van de zee. Zij zijn buitengewoon
mak en onbevreesd, en zwerven in den omtrek van huizen voor afval. Als
een jachtgezelschap een dier doodt, verzamelt zich spoedig een aantal
dezer vogels, die geduldig aan alle kanten van het terrein staan
te wachten. Na het eten worden hunne naakte kroppen ver naar voren
gestoken, hetgeen hun een walgelijk voorkomen geeft. Gewonde vogels
vallen zij dadelijk aan; een zeeraaf (Corvus marinus), die gewond
mee naar het strand was genomen, werd onmiddellijk door verscheidene
aangevallen, die door hunne slagen zijn dood verhaastten.

De Beagle was alleen gedurende den zomer bij de Falklands Eilanden;
maar de officieren van de Adventure, die er in den winter waren,
vertellen vele buitengewone staaltjes van de driestheid en roofzucht
dezer vogels. Stoutweg schoten zij neer op een hond, die bij een van
het gezelschap in diepen slaap lag; en de jagers hadden moeite om te
beletten, dat de gewonde ganzen voor hunne oogen werden weggerukt. Men
zegt, dat er verscheidene bij den ingang van een konijnenhol staan te
wachten (in dit opzicht gelijken zij op de Carrancha's) en gezamenlijk
het dier grijpen als het naar buiten komt. Zij vlogen voortdurend
aan boord van het schip zoolang dit in de haven lag; en men moest
goed uitkijken, dat zij het leder niet van het want of het vleesch
en wild van het achterschip rukten.

Deze vogels zijn zeer kwaadwillig en nieuwsgierig. Zij zullen bijna
alles van den grond oppikken. Een groote, zwartglimmende hoed werd
bijna eene mijl ver weggedragen, evenals een paar zware bolas, die voor
het vangen van vee gebruikt werden. Usborne leed gedurende de opmeting
een ernstiger verlies, doordien de vogels een klein Kater-kompas in
rood marocco-lederen étui stalen, dat nooit teruggevonden werd. Ook
zijn deze vogels twistziek en zeer oploopend: van woede rukken zij
het gras met hunne snavels uit. Zij leven niet bepaald in troepen,
vliegen niet hoog en hunne vlucht is log en onbeholpen; op den grond
loopen zij uiterst snel, zeer veel op de manier van fazanten. Zij zijn
luidruchtig en uiten verscheidene harde kreten, waarvan een op dien van
de Engelsche kauw gelijkt; daarom noemen de robbenvangers hen altijd
kauwen. Merkwaardig is het, dat zij bij het schreeuwen den kop omhoog
en naar achteren werpen op dezelfde manier als de Carrancha's. Zij
nestelen in de rotsachtige klippen der zeekust, maar alleen op de
nabijgelegen eilandjes, en niet op de twee hoofd-eilanden; bij zulk
een makken en onversaagden vogel is dit een zonderlinge voorzorg. De
robbenvangers zeggen, dat het vleesch van dezen vogel, gekookt, zeer
blank en goed eetbaar is; maar de man, die zulk een maal aandurft,
dient moed te hebben.

Wij hebben nu alleen nog den Kalkoenschen Buizerd (Vultur aura)
[56] en den Gallinazo te vermelden. Den eersten vindt men overal
waar het land matig vochtig is, van Kaap Hoorn tot Noord-Amerika. In
tegenstelling met den Polyborus Brasiliensis en den Chimango, heeft hij
zijn weg naar de Falklands Eilanden gevonden. De Kalkoensche Buizerd
is een eenzelvige vogel; hoogstens leeft hij paarsgewijze. Men kan
hem op verren afstand terstond herkennen aan zijne hooge, stijgende
en zeer sierlijke vlucht. Met zekerheid weet men, dat hij een echte
aaseter is. Aan de westkust van Patagonië, te midden der dicht
begroeide eilandjes en landriffen, leeft hij uitsluitend van wat de
zee opwerpt, en van de lijken van doode robben. Waar deze dieren op
de rotsen verzameld zijn, kan men de buizerds vinden.

De Gallinazo (Cathartes atratus) [57] bewoont een ander gebied
dan laatstgenoemde soort, en komt nooit zuidelijker dan 41°
breedte. Azara zegt, dat er eene overlevering bestaat, volgens
welke deze vogels ten tijde der Verovering niet in de nabijheid van
Montevideo gevonden werden, en dat zij de bewoners allengs uit meer
noordelijke districten gevolgd zijn. Tegenwoordig zijn zij talrijk in
het dal der Colorado-rivier, dat 300 mijlen ten zuiden van Montevideo
ligt. Waarschijnlijk is het, dat deze verdere trek sedert Azara's tijd
heeft plaats gehad. De Gallinazo verkiest in 't algemeen een vochtig
klimaat, of liever de nabijheid van zoet water; daarom is hij uiterst
talrijk in Brazilië en La Plata, terwijl hij nooit gevonden wordt
op de dorre en verlaten vlakten van Noord-Patagonië, behalve in de
nabijheid van een stroom. Deze vogels bewonen de geheele Pampas tot
aan den voet der Cordilleras; maar nooit zag of hoorde ik van een in
Chili. In Peru worden zij beschermd als straatvegers. Van deze gieren
kan met zekerheid gezegd worden, dat zij in troepen leven; want zij
scheppen behagen in gezelligheid en worden niet alleen door het lokaas
van een gemeenschappelijke prooi te zamen gebracht. Dikwijls kan
men op een fraaien dag een zwerm hoog in de lucht zien, waarbij elke
vogel, zonder de vleugels in te trekken, in de bevalligste wendingen
rondzwiert. Blijkbaar geschiedt dit uit louter oefeningsvermaak,
of mogelijk staat het in verband met hunne huwelijksverbintenissen.

Ik heb nu alle aaseters opgenoemd, behalve den Condor of Grijpgier,
van wien het gepaster is eene beschrijving te geven, als wij eene
landstreek bezoeken, die meer aan zijne gewoonten beantwoordt dan de
vlakten van La Plata.



In eene breede strook zandheuvels, welke de Laguna del Potrero
scheidt van de oevers der Plata-rivier, en op enkele mijlen afstands
van Maldonado, vond ik eene groep van die verglaasde kwartshoudende
buizen, die door het inslaan van den bliksem in los zand gevormd
worden. Deze buizen gelijken in alle bijzonderheden op die uit
Drigg in Cumberland, beschreven in de Geological Transactions,
Vol. II, blz. 528. [58] De zandheuvels van Maldonado, welke door geen
plantengroei beschut worden, veranderen voortdurend van plaats. Om
die reden staken de buizen boven de oppervlakte; en talrijke in de
nabijheid liggende brokstukken bewezen, dat zij vroeger dieper geboord
waren geworden. Vier kokers daalden loodrecht in het zand; door mijne
handen er in te steken, peilde ik een tot eene diepte van twee voet;
en toen ik enkele stukken, die blijkbaar tot dezelfde buis behoord
hadden, bij het andere gedeelte voegde, werd eene diepte verkregen
van vijf voet drie inches. De geheele buis had eene ongeveer gelijke
middellijn, en daarom moeten wij aannemen, dat zij oorspronkelijk een
veel grootere diepte heeft gehad. Deze afmetingen zijn echter gering
vergeleken bij die van de buizen te Drigg, waarvan eene gepeild werd
tot eene diepte van niet minder dan 30 voet.

De binnenoppervlakte is geheel verglaasd, glanzig en effen. Een
klein stuk, met den microscoop onderzocht, geleek door de menigte
kleine ingesloten lucht- of mogelijk dampbellen, op een proefje, dat
voor de blaaspijp gesmolten was. Het zand is geheel of grootendeels
kwartshoudend; maar sommige punten zijn zwart van kleur en bezitten
door hunne glanzige oppervlakte een metaalachtigen weerschijn. De
dikte van den buiswand wisselt af van 1/30 tot 1/20 inch en bedraagt
in sommige gevallen zelfs 1/10. Aan den buitenkant zijn de zandkorrels
afgerond en hebben een zwak glanzig aanzien; ik kon geen teekenen van
kristallisatie ontdekken. Op eene dergelijke wijze als in de Geological
Transactions is beschreven, zijn de buizen meestal samengedrukt en
hebben diepe overlangsche groeven, zoodat zij zeer veel overeenkomst
hebben met een verschrompelden plantenstengel, of met de schors van
een olm- of kurkboom. Haar omtrek bedraagt omstreeks twee inches;
maar in sommige cilindervormige stukken waarin geen groeven zijn,
bedraagt zij vier inches. De samendrukking door het omringende losse
zand, die geschiedde toen de buis nog week was tengevolge van de hevige
hitte, heeft blijkbaar de kreuken of groeven veroorzaakt. Te oordeelen
naar de niet samengedrukte stukken, moet de maat of boorwijdte van
den bliksem (indien wij zulk een woord mogen bezigen) ongeveer 1 1/4
inch hebben bedragen.

Aan Hachette en Beudant te Parijs [59] gelukte het buizen te maken,
welke in de meeste opzichten op deze fulgurites geleken, door fijn
gepoederd glas aan de werking van zeer sterke galvanische stroomen
bloot te stellen; door toevoeging van zout, om de smeltbaarheid te
verhoogen, werden de buizen in alle afmetingen grooter. De proeven
mislukten met fijn verdeeld veldspaat en kwarts. Eene dergelijke
van gestampt glas gemaakte buis was ongeveer een inch (0.982) lang,
en bezat eene binnenmiddellijn van 0.19 inch. Als wij weten, dat
in Parijs de sterkste batterij gebruikt werd, en dat haar vermogen
om buizen te vormen in zulk eene licht smeltbare stof als glas zoo
gering was--dan moeten wij ten hoogste verbaasd staan over de kracht
van den bliksemstraal, die het zand op verschillende plaatsen trof
en cilinders heeft gevormd, eens een van minstens 30 voet diepte,
waarvan het boorgat op de niet samengedrukte plaatsen eene wijdte had
van ruim 1 1/2 inch. En dat in zulk eene buitengewoon weerspannige
stof als kwarts!

Zooals ik reeds heb opgemerkt, loopen de buizen in bijna verticale
richting door het zand. Maar eene, die minder regelmatig was dan de
andere, week bij haren sterksten bocht 33° van de raaklijn af. Uit
diezelfde buis ontsproten, ongeveer een voet van elkander, twee kleine
takken, de een benedenwaarts en de ander naar boven gericht. Dit
laatste geval is merkwaardig, wijl de electrische middenstof
onder den scherpen hoek van 26° tot hare hoofdrichting moet zijn
teruggekeerd. Behalve de vier buizen, die ik in verticale richting
onder den grond vond loopen, waren er verscheidene andere groepen van
stukken, waarvan de oorspronkelijke ligplaatsen ongetwijfeld in de
nabijheid waren. Allen kwamen voor op een vlak terrein van stuifzand,
zestig yards lang bij twintig breed, dat tusschen eenige zandheuveltjes
omstreeks een halve mijl verwijderd lag van eene vier- of vijfhonderd
voet hooge heuvelreeks. De meest merkwaardige omstandigheid, naar
het mij voorkomt, zoowel hier als te Drigg in Cumberland, alsmede in
een door Ribbentrop in Duitschland beschreven geval, is het aantal
buizen, dat binnen zulke enge ruimten gevonden is. Te Drigg werden
binnen eene ruimte van 15 yards drie ontdekt, en in Duitschland vond
men hetzelfde getal. In het door mij beschreven geval bevonden zich
stellig meer dan vier binnen de ruimte van 60 bij 20 yards. Daar het
niet waarschijnlijk is, dat de buizen door opvolgende, verschillende
ontladingen ontstaan zijn, moeten wij aannemen dat de bliksem, kort
voordat hij in den grond dringt, zich in verschillende takken verdeelt.

De omstreken van de Plata-rivier schijnen bijzonder aan electrische
verschijnselen onderhevig. In het jaar 1793 [60] ontlastte zich boven
Buenos Aires een der meest vernielende onweders, die ooit beleefd zijn:
op 37 plaatsen in de stad sloeg de bliksem in, en 19 menschen werden
gedood. Wegens feiten, die in verschillende reisverhalen bevestigd
worden, ben ik geneigd te onderstellen, dat onweders zeer algemeen zijn
bij de monden van groote rivieren. Zou mogelijkerwijs de vermenging
van groote hoeveelheden zout- en zoetwater het electrisch evenwicht
verstoren? Zelfs gedurende onze gelegenheidsbezoeken aan dit gedeelte
van Zuid-Amerika hoorden wij, dat een schip, twee kerken en een huis
waren getroffen. Het huis en een der kerken zag ik kort daarna; het
huis behoorde aan Hood, den consul-generaal te Montevideo. Sommige
uitwerkselen waren merkwaardig. Ongeveer een voet aan weerszijden
van de lijn waar de beldraden hadden geloopen, was het behangsel
zwart geworden. Het metaal was gesmolten; en ofschoon de kamer
ongeveer 15 voet hoog was, hadden de druppels die op stoelen en
huisraad waren gevallen, daarin een reeks van gaatjes geboord. Een
deel van den muur was als door buskruit verbrijzeld, en de brokken
met zooveel kracht weggeslingerd, dat zij den overstaanden muur der
kamer gedeukt hadden. De lijst van den spiegel was zwart geworden
en het verguldsel ongetwijfeld vervluchtigd, want eene reukflesch,
die op den schoorsteen stond, was met heldere metaalvlekken bedekt,
die er zoo vast aan hechtten, alsof zij er op geëmailleerd waren.



HOOFDSTUK IV.

VAN DE RIO NEGRO NAAR BAHIA BLANCA.


[24 Juli 1833.]

De Beagle zeilde uit Maldonado en kwam den 3den Augustus ter hoogte
van de monding van de Rio Negro. Deze is de voornaamste rivier langs
de geheele kustlijn tusschen de Straat van Magelhaen en de Rio de la
Plata, en valt omstreeks 300 mijlen ten zuiden van den zeearm dezer
laatste in zee. Omtrent 50 jaar geleden, onder het oude Spaansche
gouvernement, was hier eene kleine kolonie gevestigd; en nog is
dit punt het zuidelijkste (41° B.) aan deze oostkust van Amerika,
dat door beschaafde menschen bewoond wordt.

Het land nabij den riviermond is uitermate woest. Aan de zuidzijde
begint eene lange lijn van loodrechte klippen, die eene doorsnede van
den geologischen bodem van het land te zien geven. De lagen zijn van
zandsteen, en ééne laag was merkwaardig omdat zij bestond uit een vast
samenhangend conglomeraat van puimsteenen, die meer dan 400 mijlen
ver van de Andes afkomstig moeten zijn. Overal is de oppervlakte
bedekt met eene dikke laag grofzand, welke zich heinde en ver over
de open vlakte uitstrekt. Water is uiterst schaarsch, en waar het
nog gevonden wordt, altijd brak. Ook de plantengroei is schraal,
en hoewel er vele soorten struiken groeien, zijn alle met geweldige
doorns gewapend, die den vreemdeling schijnen te waarschuwen niet in
deze ongastvrije oorden door te dringen.

Achttien mijlen ver de rivier op ligt de nederzetting. De weg volgt
den voet der steile rotsketen, die de noordelijke grens der groote
vallei vormt, waardoor de Rio Negro vloeit. Onderweg gingen wij
voorbij de ruïnen van eenige fraaie estáncias, die eenige jaren
geleden door de Indianen verwoest waren. Zij hadden verscheidene
aanvallen doorstaan. Een man, die bij een er van tegenwoordig was
geweest, gaf mij eene levendige beschrijving van het voorgevallene. De
bewoners waren voldoende van het plan ingelicht om al het vee en de
paarden naar den corrál te drijven die het huis omringde, [61] en
ook om een klein kanon op te stellen. De Indianen waren Araucaniërs
uit het zuiden van Chili, verscheidene honderden sterk en uitstekend
gedrild. Het eerst verschenen zij in twee groepen op een naburigen
heuvel; hier stegen zij af, ontdeden zich van hunne bonten mantels,
en gingen toen naakt tot de bestorming over. Het eenige wapen van
een Indiaan is een zeer lange bamboe of chuzo (spies), die met
struisveêren versierd is en in eene scherpe speerpunt eindigt. Mijn
zegsman scheen zich met bijzonderen schrik het gekletter dezer spiezen
te herinneren, toen de Indianen naderden. Nauwelijks waren zij in
de nabijheid, of de Cacique Pincheira eischte de belegerden op hunne
wapenen af te geven: anders zou hij hun allen de keel afsnijden. Daar
dit vermoedelijk toch gebeurd zou zijn indien zij binnenkwamen,
werd de opeisching met eene hagelbui van kogels beantwoord. De
Indianen kwamen nu met groote vastberadenheid tot aan het paalwerk
van den corrál, maar zagen tot hunne verwondering, dat de palen
niet met lederen riemen doch met ijzeren spijkers waren gekoppeld,
die zij met hunne messen natuurlijk niet door konden snijden. Dit
redde het leven der christenen: vele gewonde Indianen werden door
hunne makkers weggedragen; en toen eindelijk een der onder-caciquen
gewond werd, schalde de horen het sein tot den aftocht. Zij keerden
naar hunne paarden terug en schenen krijgsraad te houden. Dit waren
voor de Spanjaarden angstige oogenblikken, daar al hun kruit en lood
verschoten was, behalve een paar kartetsen. Plotseling sprongen de
Indianen te paard en galoppeerden weg. Een volgende maal werden zij
nog spoediger afgeslagen. Een koelbloedige Franschman bediende het
kanon; hij wachtte tot de Indianen vlak bij waren, en overstelpte
hen toen met schroot, waardoor 39 man buiten gevecht werden gesteld;
en na zulk een verlies verstrooide zich natuurlijk de geheele bende.

De stad wordt zoowel El Carmen als Patagones genoemd. Zij is gebouwd
op de helling van eene klip tegenover de rivier, en vele huizen
zijn zelfs in den zandsteen uitgehouwen. De rivier is ongeveer
twee- of driehonderd yards breed, alsmede diep en snel. De vele
eilanden met hunne wilgeboomen, gevoegd bij de vlakke landtongen
bieden, als men ze in het heldere zonlicht achter elkander op
den noordelijken zoom der breede groene vallei ziet liggen, een
allerschilderachtigsten aanblik. Het getal inwoners bedraagt niet
meer dan enkele honderden. Deze Spaansche koloniën dragen niet de
kiemen van ontwikkeling in zich, zooals de Engelsche. Hier wonen
verscheidene Indianen van echten bloede: de stam van den Cacique
Lucanee heeft steeds zijne tóldos [62] aan de grenzen der stad. Het
plaatselijk bestuur voorziet hen gedeeltelijk van levensmiddelen door
hun alle oude versleten paarden te geven, terwijl zij zelven wat met
het maken van paardedekken en ander voergerei verdienen. Deze Indianen
gaan voor beschaafd door; maar wat hun karakter gewonnen heeft door
een mindere mate van wreedheid, wordt bijna opgewogen door hunne
verregaande zedeloosheid. Niettemin zijn enkele jonge mannen op den
weg ter verbetering: zij willen werken, en een troep die onlangs op
eene robbenjacht uitging, gedroeg zich zeer goed. Nu genoten zij de
vruchten van hun werk door in zeer opzichtige, schoone kleêren rond
te loopen en flink te luieren. De smaak, dien zij in hunne kleeding
aan den dag legden, was bewonderenswaardig; en als men een dezer
jonge Indianen in een bronzen standbeeld had kunnen veranderen,
zou zijne drapeering hoogst bevallig zijn geweest.

Op zekeren dag reed ik naar een groot zoutmeer of salina, dat 15
mijlen van de stad ligt. Des winters vormt dit een ondiep pekelmeer,
dat des zomers in een veld van sneeuwwit zout verandert. De laag
nabij den rand is vier tot vijf inches dik, doch naar het midden
neemt de dikte toe. Dit meer was twee en een halve mijl lang en één
breed. In den omtrek vindt men andere, die vele malen grooter zijn,
en met een zoutbodem van twee en drie voet dikte, zelfs als zij des
winters onder water liggen. Zulk eene schitterend witte en vlakke
ruimte biedt een ongewoon schouwspel te midden van de bruine en
woeste vlakte. Eene aanzienlijke hoeveelheid zout wordt jaarlijks
uit de salina gewonnen, en groote stapels, sommige van honderd ton
gewicht, lagen ter verzending gereed. Het seizoen voor de ontginning
der salinas is de oogsttijd van Patagones, want daarvan hangt de
voorspoed der plaats af. Bijna de gansche bevolking kampeert aan
de oevers der rivier, en het volk wordt gebruikt om het zout in
ossenwagens aan land te halen. Dit zout kristalliseert in groote kuben,
en is bijzonder zuiver. Trenham Reeks is voor mij zoo vriendelijk
geweest er iets van te onderzoeken, en vindt er slechts 0.26% gips
en 0.22% aardbestanddeelen in. Het is zonderling, dat dit zout niet
zoo dienstig is voor het bewaren van vleesch, als zeezout van de
Kaap-Verdische Eilanden; en een koopman te Buenos Aires vertelde mij,
dat hij het 50% minder waard achtte. Zoodoende wordt er steeds zout
van de Kaap-Verdische Eilanden ingevoerd en met dat uit deze salinas
vermengd. De zuiverheid van het Patagonische zout, of het ontbreken
daarin van die andere zoutverbindingen welke steeds in zeewater worden
gevonden, is de eenig aanwijsbare grond voor deze minderwaardigheid:
eene gevolgtrekking, die waarschijnlijk niemand vermoed zou hebben,
maar door het onlangs gestaafde feit verklaard wordt, dat zoodanige
zouten 't best voor het bewaren van vleesch geschikt zijn, welke de
meeste oplosbare chloriden bevatten.

De oever van het meer bestaat uit modder; en hierin liggen talrijke
groote gipskristallen, waarvan sommige drie inches lang zijn, terwijl
andere kristallen van zwavelzure soda (glauberzout) aan de oppervlakte
zijn verspreid. De Gauchos noemen het eerste "Padre del Sal" en het
tweede "Madre del Sal," daarbij bewerende, dat deze voorouderlijke
zouten steeds op de oevers der salinas voorkomen, als het water
begint te verdampen. De modder is zwart en heeft een stinkenden
reuk. Eerst kon ik mij niet voorstellen wat hiervan de oorzaak was;
doch later bemerkte ik, dat het schuim, hetwelk de wind naar het
strand dreef, groen gekleurd was, alsof het watermossen bevatte. Ik
poogde wat van die groene stof mee naar huis te nemen, maar slaagde
daarin ongelukkig niet. Sommige deelen van het meer schenen, op korten
afstand gezien, roodachtig gekleurd, hetgeen waarschijnlijk aan eenige
infusie-diertjes was toe te schrijven. Op vele plaatsen werd de modder
door talrijke wormen of Annelides van de eene of andere soort naar
boven geworpen. Hoe wonderlijk, dat er nog wezens in staat zijn om
in pekel te leven en tusschen kristallen van zwavelzure kalk en soda
rond te kruipen! En wat wordt er van deze wormen als de oppervlakte
gedurende den langen zomer tot eene vaste zoutlaag is verhard?

Talrijke flamingo's (Phoenicopterus) bewonen dit meer, en broeden hier;
door geheel Patagonië, in Noord-Chili en op de Galápagos Eilanden
ontmoette ik deze vogels overal waar zoutmeren waren. Ik zag hen hier
rondwaden om voedsel te zoeken--vermoedelijk wormen die in den modder
graven; en de laatsten leven waarschijnlijk van infusie-diertjes of
watermossen. Zoo hebben wij dan eene kleine levende wereld op zich
zelve, die voor deze binnenlandsche pekelmeren geschikt is. Een klein
schaaldier (Cancer salinus) leeft, naar men zegt, in tallooze menigte
in de zoutputten van Lymington, [63] doch alleen in die, waar de
vloeistof door verdamping sterk geconcentreerd is (bij ongeveer 1/4
pond zout op één pint water). Terecht mogen wij beweren, dat elk deel
van de wereld bewoonbaar is! Hetzij pekelmeren, of zoodanige, welke
onder vulkanische bergen verborgen zijn: hetzij warme minerale bronnen;
de uitgestrekte ruimten en diepten der zee; de hoogere streken van den
dampkring en zelfs het oppervlak der eeuwige sneeuw--alle onderhouden
organische wezens!



Noordelijk van de Rio Negro, tusschen deze rivier en het bewoonde land
bij Buenos Aires, hebben de Spanjaarden slechts eene kleine kolonie,
welke onlangs te Bahia Blanca gevestigd is. De afstand in rechte lijn
naar Buenos Aires bedraagt op zeer weinig na 500 Britsche mijlen. Daar
de zwervende stammen der bereden Indianen, die steeds het grootste
deel van dit land bewoond hebben, de verwijderde estancias onlangs
zeer lastig vielen, rustte de regeering te Buenos Aires eenigen tijd
geleden een leger uit onder bevel van generaal Rosas, met het doel
hen uit te roeien. Thans waren de troepen gekampeerd aan de oevers
der Colorado-rivier, die omstreeks 80 mijlen ten noorden van de Rio
Negro ligt. Toen generaal Rosas Buenos Aires verliet, trok hij in
eene rechte lijn over de maagdelijke vlakten; en nadat het land op die
wijs vrijwel van Indianen gezuiverd was, liet hij op groote afstanden
kleine detachementen bereden soldaten achter (zoogenaamde posta's),
ten einde zoo de gemeenschap met de hoofdstad te onderhouden. Daar de
Beagle voornemens was Bahia Blanca voor kort te bezoeken, besloot ik
er over land heen te gaan; en eindelijk breidde ik mijn plan hiertoe
uit om den geheelen weg naar Buenos Aires over de posta's af te leggen.

[11 Augustus.]

Mr. Harris, een te Patagones wonend Engelschman, een gids en vijf
Gauchos, die zich naar het strijdvoerende leger begaven, waren mijne
reisgenooten. Zooals ik reeds zeide, ligt de Colorado omstreeks
80 mijlen ver; en daar wij langzaam reisden, waren wij twee en een
halven dag onder weg. De geheele streek die wij doortrokken, verdient
ternauwernood een beteren naam dan dien van woestijn. Water vindt
men er slechts in twee kleine putten en heet "frisch;" maar zelfs in
dezen tijd van het jaar--het regenseizoen--was het geheel brak. Des
zomers moet het hier een ellendige tocht zijn, want nu was hij al
mistroostig genoeg. Het dal van de Rio Negro is, ondanks zijn breedte,
geheel in de zandsteenvlakte uitgehold; want onmiddellijk boven den
oever waarop de stad ligt, begint een vlakke landstreek, die slechts
door enkele onbeduidende dalen en ondiepten wordt afgebroken. Overal
heeft het landschap hetzelfde dorre aanzien: een droge grofzandige
grond waarop bosjes bruin verweerd gras, en laag verspreid struikgewas
met doorns gewapend.

Kort nadat wij de eerste bron voorbij waren, kregen wij een
vermaarden boom in zicht, dien de Indianen als het altaar van Walleechu
vereeren. Hij ligt op een hoog gedeelte der vlakte en is dus eene baak,
die op grooten afstand zichtbaar is. Zoodra een Indianenstam hem in
't oog krijgt, beginnen zij hem met luide kreten te aanbidden. De
boom zelf is laag, doch vertakt en doornig; vlak boven den wortel
heeft hij eene middellijn van omstreeks drie voet. Hij staat geheel
alleen zonder buurman, en was werkelijk de eerste boom dien wij zagen;
later ontmoetten wij enkele andere van dezelfde soort; maar zij waren
verre van algemeen. Daar het winter was, had de boom geen bladeren;
doch in plaats hiervan tallooze draden, waaraan de verschillende
offeranden, als: sigaren, brood, vleesch, stukken doek, enz. waren
opgehangen. Arme Indianen, die niets beters hebben, trekken alleen
een draad uit hunne poncho's, en hechten dien aan den boom. Rijkere
Indianen zijn gewoon geestrijke dranken en maté in eene bepaalde
opening te gieten, en tabaksrook omhoog te blazen, in de meening
Walleechu zoodoende alle mogelijke genot te verschaffen. Om het
schouwspel te voltooien, was de boom door de gebleekte beenderen
van paarden omringd, die als offers geslacht waren geworden. Alle
Indianen van elken leeftijd en beide seksen brengen hunne offeranden;
zij denken dan, dat hunne paarden niet moede zullen worden en dat
zij zelven voorspoedig zullen zijn. De Gaucho die dit alles vertelde,
zeide, dat hij dit schouwspel in vredestijd gezien had, en dat hij en
anderen gewoon waren te wachten tot de Indianen hunne hielen hadden
gelicht, om dan de offeranden van Walleechu te stelen.

De Gauchos denken, dat de Indianen den boom als den God zelven
beschouwen; maar het schijnt veel aannemelijker, dat zij hem voor het
altaar aanzien. De eenige reden die ik voor deze keus bedenken kan is,
dat de boom een baken is op een gevaarlijken tocht. De Sierra de la
Ventana is op zeer verren afstand zichtbaar; en een Gaucho vertelde
mij, dat hij eens enkele mijlen ten noorden van de Rio Colorado
met een Indiaan reed, toen deze plotseling hetzelfde luide geraas
begon te maken, dat op het eerste gezicht van den verwijderden boom
gebruikelijk is; tegelijk hield hij de hand voor het hoofd en wees
in de richting van de Sierra. Naar de reden hiervan gevraagd, zeide
de Indiaan in gebrekkig Spaansch: "Zie voor het eerst de Sierra."

Omstreeks twee leagues voorbij dezen zeldzamen boom hielden wij halt om
te overnachten. Op dit oogenblik kregen de scherpziende Gauchos eene
ongelukkige koe in het oog, die zij in vollen ren achterna snelden,
weinige minuten later met hunne lazos binnensleepten en daarna
slachtten. Wij hadden hier de vier levensbehoeften "en el campo,"
nl. gras voor de paarden, water (slechts een modderpoel), vleesch
en brandstof. De Gauchos waren hoogst vernuftig in het vinden van al
deze weelde, en weldra begonnen wij de arme koe op te peuzelen. Dit
was de eerste nacht dien ik onder den blooten hemel doorbracht,
met het gareel van mijn zadel als bed. Er ligt een groot genot in
het onafhankelijke leven van den Gaucho, waar deze elk oogenblik
zijn paard kan laten stilstaan en zeggen: "Hier zullen wij den nacht
doorbrengen." De doodsche stilte der vlakte, de wakende honden, de
zigeuner-gestalten der Gauchos, die om het vuur hun leger opsloegen,
hebben het beeld van dien eersten nacht zoo diep in mijne ziel gegrift,
dat ik het nimmer zal vergeten.

Den volgenden dag vertoonde het land weer hetzelfde gelijkvormige
karakter, als boven is omschreven. Het wordt bewoond door enkele vogels
of dieren van iedere soort. Nu en dan kan men een hert of guanaco
(wilde lama of schaapkameel) zien; maar het Aguti (Cavia Patagonica)
[64] is de meest voorkomende viervoeter. Dit dier vertegenwoordigt
hier onze hazen, doch verschilt van deze in vele belangrijke punten, en
heeft bijv. slechts drie teenen aan de achtervoeten. Ook is het bijna
tweemaal zoo groot, bij een gewicht van 20 tot 25 Eng. ponden. Het
aguti is een getrouw vriend der woestijn; zoo is het iets gewoons
in dit landschap twee of drie in eene rechte lijn snel achter
elkander over deze woeste vlakten te zien springen. Men vindt hen
noordwaarts tot aan de sierra Tapalguen (37°30' breedte), waar de
vlakte plotseling groener en vochtiger wordt; en hunne zuidelijke
grens ligt tusschen Port Desiré en St.-Julian, waar de natuur van
het land niet verandert. Het is een zonderling feit, dat, hoewel
het aguti thans niet zoover zuidelijk als Port St.-Julian voorkomt,
kapitein Wood op zijne reis in het jaar 1670 zegt, dat zij daar
talrijk waren. Welke oorzaak kan het trekgebied van zulk een dier
in een uitgestrekt, onbewoond en schaars bezocht land veranderd
hebben? Ook blijkt uit het aantal door kapitein Wood op één dag
te Port Desiré geschoten stuks, dat zij daar vroeger aanmerkelijk
talrijker moeten geweest zijn dan nu. Daar, waar de bizcacha [65]
leeft en zijn hol maakt, maakt het aguti er gebruik van; waar echter,
zooals te Bahia Blanca, de bizcacha niet gevonden wordt, graaft het
aguti voor zichzelf. Hetzelfde gebeurt met den kleinen Pampas-uil
(Athene cunicularia), waarvan de beschrijving zoo dikwijls gezegd
heeft, dat hij als schildwacht aan den ingang der holen staat;
want in Oost-Banda is deze vogel, bij afwezigheid van de bizcacha,
verplicht zijn eigen woning te graven.

Toen wij den volgenden morgen de Rio Colorado naderden, veranderde
de aanblik van het landschap. Weldra kwamen wij aan eene met gras
bedekte vlakte, die om hare bloemen, hooge klaver en kleine uilen
op de Pampas geleek. Ook trokken wij door een slijkmoeras van
aanzienlijke uitgestrektheid, dat des zomers opdroogt en met eene
korst van verschillende zouten bedekt wordt; om die reden draagt het
den naam van salitrál. Nu was het bedekt met lage sappige planten,
van gelijke soort als die aan het zeestrand groeien.

Ter plaatse waar wij de Colorado overtrokken, is de rivier slechts
60 yards breed; doch in 't algemeen moet hare breedte het dubbele
bedragen. Haar loop is zeer bochtig en slingert zich tusschen
wilgeboomen en rietbanken. Naar men zegt is de afstand tot den
mond der rivier in rechte lijn negen leagues, maar te water vijf en
twintig. Toen wij in booten de rivier overstaken, werden wij door
talrijke troepen merriën opgehouden, die over de rivier zwommen
om eene afdeeling soldaten naar het binnenland te volgen. Koddiger
schouwspel heb ik nooit gezien dan die honderden en honderden koppen,
alle naar één kant gericht, met gespitste ooren, snuivende, gezwollen
neusgaten, en even boven het water uitstekende als een groote school
van eene of andere amphibie. Merrievleesch is het eenige voedsel,
dat de soldaten hebben als zij op expeditie zijn. Dit verschaft hun
eene groote gemakkelijkheid van beweging, aangezien paarden zeer ver
over deze vlakten gedreven kunnen worden. Men verzekerde mij, dat een
onbelast paard vele dagen achtereen honderd mijlen daags kan afleggen.

Het kamp van generaal Rosas lag dicht bij de rivier, en vormde een
vierkant van wagens, kanonnen, stroohutten, enz. De manschappen waren
bijna allen cavaleristen; maar ik geloof, dat er nooit een leger
heeft bestaan zoo schelm- en bandietachtig als dit. Het meerendeel der
soldaten was van gemengd ras, van Negers, Indianen en Spanjaarden. Ik
weet niet waarom, maar lieden van dergelijke afkomst hebben zelden
eene gunstige gelaatsuitdrukking. Ik vroeg naar den officier van
administratie om mijn paspoort te toonen. Deze begon mij op de
hooghartigste en geheimzinnigste manier te ondervragen. Gelukkig
had ik een aanbevelingsbrief van het gouvernement te Buenos Aires
aan den commandant van Patagones. [66] Deze brief werd naar generaal
Rosas gebracht, die mij eene zeer beleefde boodschap zond, welke de
officier mij lachend en hoffelijk overbracht. Wij namen onzen intrek
in den rancho of hoeve van een merkwaardigen ouden Spanjaard, die
onder Napoleon op diens tocht naar Rusland gediend had.

Wij toefden twee dagen aan de Rio Colorado. Ik had hier weinig te doen,
want het omringende land was een moeras, dat des zomers (December),
als de sneeuw op de Cordilleras smelt, door de rivier overstroomd
wordt. Mijne voornaamste bezigheid bestond in het gadeslaan van de
Indiaansche gezinnen, als zij in den rancho, waar wij logeerden,
kleine artikelen kwamen koopen. Er werd ondersteld, dat generaal
Rosas omstreeks 600 Indiaansche bondgenooten had.

Deze Indianen behoorden tot een lang, fraai ras; doch later was aan
de Vuurlandsche wilden gemakkelijk te zien, hoezeer koude, gebrek
aan voedsel en geringere beschaving hetzelfde voorkomen afschuwelijk
maakten. Sommige schrijvers hebben in hunne bepaling van de eerste
menschenrassen deze Indianen in twee klassen verdeeld; maar dit is
zeker niet nauwkeurig. Onder de jonge vrouwen of chinas verdienden
enkele zelfs den naam van "schoon." Heur haar was grof, doch zwart
en glanzend, en zij droegen het in twee vlechten die tot aan het
middel hingen. Zij hadden eene hooge kleur en schitterende, fonkelende
oogen; hare beenen, voeten en armen waren klein en sierlijk gevormd;
hare enkels en soms hare middels prijkten met breede braceletten of
blauwe kralen. Geen belangwekkender schouwspel dan enkele van deze
gezinnen bijeen te zien. Eene moeder kwam dikwijls met een of twee
dochters op hetzelfde paard gezeten, naar onzen rancho. Zij reden
als mannen, maar met de knieën hooger opgetrokken. Deze gewoonte komt
misschien hieruit voort, dat zij bij het reizen steeds de lastpaarden
berijden. De vrouwen zijn verplicht de paarden te laden en te ontladen,
de tenten op te slaan voor den nacht, in 't kort, om als de vrouwen
van alle wilden, nuttige slavinnen te zijn.

De mannen vechten, jagen, zorgen voor de paarden en maken het
rijgarnituur. Een hunner voornaamste bezigheden thuis is, twee
steenen zoolang tegen elkander te slaan, dat zij rond worden, om
daarvan bolas te maken. Met dit belangrijke wapen vangt de Indiaan
zijn wild, en ook zijn paard, dat vrij over de vlakte zwerft. In het
gevecht is zijne eerste poging het paard van zijn tegenstander met
de bolas te doen neertuimelen; en als deze door den val in de klem
raakt, hem met den chuzo te dooden. Grijpen de bolas slechts den hals
of het lichaam van een dier, zonder meer, dan worden zij den werper
dikwijls uit de handen gerukt en zijn verloren. Daar het afronden van
de steenen twee dagen werk eischt, is de vervaardiging daarvan eene
zeer gewone bezigheid. Verscheidene mannen en vrouwen hadden rood
geverfde gezichten; maar nooit zag ik de horizontale strepen, die
zoo algemeen zijn onder de Vuurlanders. Hun voornaamste trots is om
alles van zilver te hebben. Ik heb een cacique gezien, wiens sporen,
stijgbeugels, mesgreep en toom van dit metaal waren; hoofdstel en
teugels bestonden uit zilverdraad, niet dikker dan zweeptouw. Het
was een fraai gezicht een vurigen Indiaanschen hengst onder zulk
een schitterend tooisel te zien zwenken, wat aan de rijkunst een
merkwaardig kenmerk van sierlijkheid gaf.

Generaal Rosas gaf zijn wensch te kennen mij te zien--eene
omstandigheid waarover ik later zeer verheugd was. Hij is een man van
buitengewoon karakter, en heeft een zeer overwegenden invloed in het
land, dien hij waarschijnlijk tot voorspoed en ontwikkeling ervan
zal aanwenden. [67] Naar men zegt, is hij eigenaar van 74 vierkante
leagues land en ongeveer 300000 stuks vee. Zijne landgoederen worden
voortreffelijk bestuurd en leveren veel meer koren op dan die van
anderen. Hij kreeg het eerst zijne vermaardheid door zijne wetten
voor zijn eigen landgoederen en door het onder tucht houden van
verscheidene honderden manschappen, waardoor hij in staat was de
aanvallen der Indianen met goed gevolg te weerstaan. Er zijn vele
verhalen in omloop over de ruwe manier waarop zijne wetten werden
toegepast. Een dezer was, dat niemand, op straffe van in het blok
te worden gesloten, des Zondags zijn mes mocht dragen; want daar
dit de voornaamste dag was voor dobbelen en drinken, ontstonden vele
twisten, die, wegens de algemeene gewoonte om met het mes te vechten,
dikwijls noodlottig eindigden. Op zekeren Zondag kwam de Gouverneur
in groot tenue de estáncia bezoeken. Deze onverwachte gebeurtenis
verraste generaal Rosas zoozeer, dat hij door den haast, waarin hij
den Gouverneur tegemoet ging, vergat zijn mes thuis te laten, dat naar
gewoonte in zijn gordel stak. De rentmeester tikte hem daarom op den
schouder en herinnerde hem aan de wet; waarop de generaal zich tot
den Gouverneur wendde, zeggende, dat het hem zeer speet, maar dat hij
in het blok moest en zelfs in zijn eigen huis geen macht had voordat
hij er weer uit kwam. Na een poos haalde men den rentmeester over
het blok te openen en den generaal vrij te laten; maar nauwelijks was
dit gebeurd, of Rosas keerde zich tot den rentmeester met de woorden:
"Nu hebt gij de wet overtreden en moet daarom mijne plaats in het blok
innemen." Dergelijke handelingen vielen in den smaak der Gauchos, die
allen een hoogen dunk hebben van hunne eigen waardigheid en gelijkheid.

Generaal Rosas is ook een uitstekend ruiter--eene eigenschap van
geen geringe beteekenis in een land, waar een op de been gebracht
leger zijn generaal koos door de volgende proef. Een troep ongetemde
paarden werd in een corrál gedreven en door een poort, waarboven een
dwarsbalk hing, weer uitgelaten. Nu werd overeengekomen, dat wie van
den balk op een dezer paarden kon springen, terwijl het naar buiten
snelde, en in staat was zonder zadel of toom het niet alleen te
berijden, maar ook naar de deur van den corrál terug te brengen--hun
generaal zou zijn. De persoon, die daarin slaagde, werd dan gekozen
en vormde ongetwijfeld een geschikt generaal voor zulk een leger. Deze
buitengewone daad was ook door Rosas volbracht.

Hierdoor en omdat hij zich in kleeding en gewoonten naar de Gauchos
schikte, heeft hij eene onbeperkte volksgunst in het land verworven,
en bijgevolg eene gebiedende macht. Een Engelsch koopman verzekerde
mij, dat een man, die een ander vermoord had, bij zijne gevangenneming
en toen hem naar de reden van zijn daad gevraagd werd, antwoordde:
"Hij sprak op oneerbiedige wijze over generaal Rosas; daarom doodde
ik hem." Een week later werd de moordenaar in vrijheid gesteld,
hetgeen zonder twijfel een daad was van de partij van den generaal,
en niet van dezen zelf.

In gesprek is hij vol geestdrift, lichtgeraakt en zeer ernstig. Zijn
ernst gaat zelfs zeer ver. Ik hoorde een van zijne hofnarren (want
hij houdt er twee, zooals voorheen de baronnen), de volgende anecdote
vertellen:

"Ik was zeer verlangend zeker muziekstuk te hooren, en zoo ging
ik twee- of driemaal naar den generaal om hem dit te vragen. Hij
antwoordde: "Ga aan uw werk, want ik ben bezig." Ik kwam voor de tweede
maal; toen zeide hij: "Als ge nog eens komt, zal ik u straffen." Toen
ik voor de derde maal vroeg, begon hij te lachen. Ik sidderde en
snelde de tent uit; maar het was te laat. Hij beval twee soldaten mij
te grijpen en op de palen te leggen. Ik smeekte bij alle heiligen in
den hemel mij te laten gaan; maar hij gaf niet toe. Als de generaal
lacht, spaart hij narren noch wijzen."

De arme grappenmaker keek zeer verdrietig bij de herinnering aan
die straf. Deze is werkelijk zeer streng: vier palen worden in den
grond geslagen, en daarop legt men den man met de armen en beenen in
horizontalen stand, en laat hem zoo verscheidene uren liggen. Het
denkbeeld is blijkbaar ontleend aan de gewone manier om huiden te
drogen. Mijn gesprek met den generaal verliep zonder een enkelen
glimlach; en ik kreeg een paspoort en een bevel voor rijks-postpaarden,
welke beide stukken mij op de vriendelijkste en bereidwilligste manier
gegeven werden.

Des morgens vertrokken wij naar Bahia Blanca, dat wij in twee dagen
bereikten. Toen wij het legerkamp verlieten, trokken wij voorbij de
toldos der Indianen. Deze zijn rond, als ovens, en met huiden overdekt;
bij den ingang van elke tent was een spits toeloopende chuzo in den
grond gestoken. De toldos waren in afzonderlijke groepen verdeeld,
welke tot de stammen der verschillende caciquen behoorden; en de
groepen wederom in kleinere, naar gelang van de bloedverwantschap
der eigenaars. Vele mijlen ver reisden wij door het dal van de Rio
Colorado. De alluviale vlakten aan den kant schenen vruchtbaar en deden
vermoeden, dat zij wel geschikt zijn voor den groei van koren. Van de
rivier noordwaarts gaande, kwamen wij spoedig in eene streek, die van
de vlakten ten zuiden der rivier verschilde. Wel was het land nog droog
en onvruchtbaar, maar het bevatte vele verschillende plantensoorten;
en het gras, hoewel bruin en verweerd, werd overvloediger naarmate
de doornstruiken schaarscher werden. Na eene kleine uitgestrektheid
verdwenen deze laatsten geheel, en was de kale vlakte nergens met
eenig struikgewas bedekt. Deze verandering in plantengroei kenmerkt
het begin der groote mergelkalk-formatie, waaruit de uitgestrekte
ruimte der Pampas bestaat en die het granietgesteente van Oost-Banda
bedekt. [68] Van de Straat van Magelhaen tot de Rio Colorado--een
afstand van omtrent 800 mijlen--bestaat de oppervlakte van het land
alom uit grof zand en keisteenen. De keisteenen zijn hoofdzakelijk
porfier en danken hun ontstaan vermoedelijk aan de rotsen van de
Cordilleras. Ten noorden van de Rio Colorado neemt de dikte dezer
formatie af, en worden de steenen uiterst klein; tegelijk houdt hier
de karakteristieke plantengroei van Patagonië op.

Na omstreeks 25 mijl gereden te hebben, kwamen wij aan een breede
strook zandduinen, die zich, zoo ver het oog reikt, naar het oosten en
westen uitstrekt. Doordien deze zandheuvels op de klei rusten, doen
zij kleine waterpoelen ontstaan, en leveren zoodoende in dit droge
land een onwaardeerbaren toevoer van zoet water. Het groote voordeel,
dat uit holligheden en verhevenheden van den bodem voortvloeit, is
ons dikwijls niet duidelijk. De twee armzalige bronnen op den langen
tocht tusschen de Negro- en Colorado-rivieren waren een gevolg van
geringe oneffenheden in de vlakte; zonder deze zou geen druppel water
gevonden zijn. De strook zandduinen is omtrent acht mijlen breed,
en vormde waarschijnlijk in een vroeger tijdperk den rand van een
grooten riviermond, waar nu de Colorado vloeit. In dit district, waar
overtuigende bewijzen zijn van landrijzing in een niet lang verleden,
kunnen zulke beschouwingen moeilijk veronachtzaamd worden, al let men
ook alleen op de physisch geographische gesteldheid van het land. Na
de zandige streek te zijn doorgetrokken, kwamen wij des avonds aan een
der posthuizen; en daar de versche paarden op een afstand graasden,
besloten wij hier den nacht door te brengen.

Het huis was gelegen aan den voet eener tusschen de honderd en
tweehonderd voet hooge verhevenheid--een zeer merkwaardig verschijnsel
in deze streek. Deze post werd bestuurd door een neger-luitenant,
uit Afrika geboortig. Tot zijn eer moet gezegd worden, dat er tusschen
de Colorado-rivier en Buenos Aires geen enkele rancho zoo net in orde
was als de zijne. Hij had eene kleine kamer voor vreemdelingen, en een
kleinen corrál voor de paarden, alles van takken en riet gemaakt; ook
had hij eene gracht om zijn huis gegraven als middel van verdediging
bij mogelijke aanvallen. Dit zou echter weinig gebaat hebben indien er
Indianen waren gekomen; maar zijn voornaamste troost scheen te liggen
in de gedachte om zijn leven duur te verkoopen. Kort te voren was er
des nachts een troep Indianen voorbij gekomen; zoo deze het posthuis
hadden opgemerkt, zou onze zwarte vriend met zijne vier soldaten
ongetwijfeld zijn omgebracht. Nergens ontmoette ik een beleefder en
voorkomender man dan deze neger; en daarom was het des te grievender
te zien, dat hij niet met ons wilde aanzitten en samen eten.

Des morgens lieten wij zeer vroeg de paarden halen en zetten ons
andermaal in een opwekkenden galop. Wij reden voorbij de Cabeza
del Buey: een oude naam, die gegeven is aan den uitlooper van een
groot moeras, dat zich tot Bahia Blanca uitstrekt. Hier wisselden
wij van paarden en trokken eenige mijlen ver door slijklanden en
zoutmoerassen. Voor het laatst van paarden verwisselende, begonnen
wij opnieuw door den modder te waden. Plotseling viel mijn paard en
werd ik deerlijk in het zwarte slijk gedompeld--een zeer onaangenaam
voorval, als men niet in 't bezit van andere kleêren is. Eenige mijlen
van het fort ontmoetten wij een man, die ons vertelde, dat er een
groot kanon was afgevuurd, hetwelk een sein is dat er Indianen in de
buurt zijn. Onmiddellijk verlieten wij den weg en volgden den zoom
van een moeras, dat nog de beste gelegenheid tot vluchten biedt, als
men wordt nagezet. Tot onze blijdschap kwamen wij binnen de muren van
het fort, doch vernamen hier, dat al het alarm om niets was geweest,
daar de Indianen vreedzame lieden bleken te zijn, die naar Generaal
Rosas wilden gaan.

Bahia Blanca verdient ternauwernood den naam van dorp. Enkele huizen
en de barakken voor de troepen zijn door eene diepe gracht en een
versterkten wal omgeven. De nederzetting is nog van jonge dagteekening
(1828), en heeft bij hare ontwikkeling moeilijke dagen doorleefd. Het
gouvernement van Buenos Aires nam haar onrechtmatig met geweld in
bezit, in plaats van het wijze voorbeeld der Spaansche onderkoningen te
volgen, die het land bij de oudere nederzetting aan de Rio Negro van
de Indianen kochten. Vandaar de behoefte aan vestingwerken; vandaar
de weinige huizen en het weinige bebouwde land buiten de grenzen der
omwalling. Zelfs het vee is niet veilig voor de aanvallen der Indianen
buiten de grensscheidingen der vlakte waarop de vesting staat.

Wijl het punt van de haven waar de Beagle voornemens was te ankeren,
25 mijlen ver lag, kreeg ik van den commandant een gids en paarden mede
om te zien of het schip reeds was aangekomen. Bij het verlaten van de
groene grasvlakte, die zich langs den zoom van een beekje uitstrekte,
kwamen wij weldra in een wijde vlakke wildernis, bestaande uit zand,
zoutmoerassen of enkel modder. Sommige gedeelten waren met lage
kreupelbosschen bedekt, en andere met die sappige planten, welke
alléén tieren op plaatsen waar overvloed van zout is. In weerwil dat
het land slecht was, vloeide het over van struisvogels, herten, agutis
en armadillen of gordeldieren (Dasypus). Mijn gids vertelde mij, dat
hij twee maanden geleden er nauwelijks het leven had afgebracht; hij
jaagde met twee andere mannen niet ver van dit gedeelte van het land,
toen zij plotseling een troep Indianen ontmoetten, die hen nazetten,
weldra inhaalden en zijne twee vrienden doodden. Ook de pooten van
zijn eigen paard werden door de bolas gegrepen; maar hij sprong uit
den zadel en sneed het werptuig met zijn mes af. Terwijl hij dit
deed, was hij genoodzaakt om zijn paard heen te snellen, waarbij
hij twee ernstige wonden door hunne chuzos opliep. Weer in den zadel
springende, manoeuvreerde hij met verbazende vlugheid voor de lange
speren zijner vervolgers uit, die hem tot in 't gezicht van het fort
najoegen. Sedert dien tijd was er streng bevolen, dat niemand zich ver
van de nederzetting mocht verwijderen. Ik wist dit niet toen ik het
fort verliet, en had met verwondering gezien hoe ernstig mijn gids naar
een hert keek, dat geschrokken scheen door iets dat van verre opdook.

Bij onze aankomst was de Beagle er nog niet, zoodat wij den
terugtocht aanvaardden; maar wijl de paarden spoedig vermoeid waren,
moesten wij op de vlakte bivouakeeren. Des morgens hadden wij een
gordeldier gevangen, dat, ofschoon een uitmuntend voedsel als het
in zijn pantser gebraden wordt, voor twee hongerige menschen geen
zeer krachtig ontbijt en middagmaal opleverde. Op de plek waar wij
den nacht zouden doorbrengen, was de grond omkorst met een laag van
zwavelzure soda en bevatte dus natuurlijk geen water. Toch wisten
vele kleinere knaagdieren zelfs hier hun leven op te houden, en den
halven nacht liet de tucutuco zijn zonderling zwak geknor onder mijn
hoofd hooren. Onze paarden waren van treurig gehalte, en in den loop
van den morgen waren zij wegens gebrek aan drinken spoedig uitgeput,
zoodat wij verplicht waren te loopen. Omstreeks 9 ure doodden de honden
een jonge geit, die wij braadden. Ik at er iets van, maar kreeg daarop
een ondragelijken dorst. Dit was des te verdrietiger, wijl het pas
geregend had en de weg vol was van kleine plassen helder water, waarvan
echter geen druppel drinkbaar. Ik was nauwelijks 20 uur zonder water
geweest, en slechts gedeeltelijk onder een blakende zon; toch maakte
de dorst mij zeer slap. Hoe sommige menschen twee of drie dagen in
zulke omstandigheden kunnen doorbrengen, kan ik niet begrijpen; maar
tevens moet ik bekennen, dat mijn gids er in 't geheel niet door leed
en zich verwonderde, dat één dag ontbering voor mij zoo'n straf was.

Ik heb verscheidene malen er op gezinspeeld, dat de bodemoppervlakte
met een zoutkorst bedekt was. Dit verschijnsel is geheel iets anders
dan bij de salinas en meer ongewoon. In vele deelen van Zuid-Amerika,
waar het klimaat matig droog is, komen korstvormingen voor; doch
nergens heb ik ze zoo menigvuldig gezien als bij Bahia Blanca. Het
zout bestaat hier, en ook in andere deelen van Patagonië, hoofdzakelijk
uit zwavelzure soda met geringe bijmengsels van gewoon zout. Zoo lang
de grond in deze salitráles (gelijk de Spanjaarden hen ten onrechte
noemen, die deze stof voor salpeter aanzien) vochtig blijft, is er
niets anders te zien dan eene uitgestrekte vlakte met een zwarten
modderigen bodem, waarop verspreide bosjes van sappige planten. Keert
men echter na eene week hitte door een dezer streken terug, dan
staat men verbaasd de vlakte vierkante mijlen ver zoo wit te zien,
als ware er een fijne sneeuw gevallen, die hier en daar in hoopjes
is opgewaaid. Dit laatste verschijnsel wordt voornamelijk hierdoor
veroorzaakt, dat, gedurende de langzame verdamping van het vocht,
door ronde doode grasscheutjes, houtstompjes en stukken losse aarde
de zouten worden omhoog getrokken, in plaats van op den bodem der
waterpoelen te kristalliseeren. De salitráles komen voor op vlakke
gronden, die slechts enkele voeten boven den zeespiegel liggen,
of op alluviaal land dat aan rivieren grenst. Parchappe [69] vond,
dat de zoutkorst in de vlakte op enkele mijlen afstand van zee,
voornamelijk uit zwavelzure soda (Na2SO4) bestond, met slechts 7%
gewoon zout (NaCl), terwijl dichter bij de kust het gehalte aan
gewoon zout steeg tot 37 procent. Door deze omstandigheid zouden
wij geneigd zijn te gelooven, dat de zwavelzure soda in den bodem
ontstaan is uit het chloornatrium of zeezout, dat gedurende de
langzame en jongste rijzing van dit droge land aan de oppervlakte
is achtergebleven. Het geheele verschijnsel is wel de aandacht van
natuuronderzoekers waard. Bezitten de sappige, zoutopnemende planten,
die naar men weet veel soda bevatten, het vermogen chloornatrium te
ontleden? Levert de zwarte, stinkende modder, zoo rijk aan organische
stof, de zwavel en laatstelijk het zwavelzuur?

Twee dagen later reed ik opnieuw naar de haven, toen mijn metgezel,
dezelfde van vroeger, niet ver van de plaats onzer bestemming drie
ruiters over de vlakte zag rennen. Onmiddellijk steeg hij af, en hen
opmerkzaam gadeslaande, zeide hij:

"Zij rijden als Christenen; en niemand mag uit het fort!"

De drie jagers vereenigden zich en stegen van hunne paarden. Eindelijk
sprong er een weer in den zadel en reed over den heuvel uit het
gezicht.

"Wij moeten nu ook weer te paard. Laad uw pistool!" zeide mijn
metgezel, terwijl hij naar zijn zwaard keek.

"Zijn dat Indianen?" vroeg ik.

"Quien sabe?" [70] Zoo het er niet meer dan drie zijn, heeft het niet
veel te beteekenen."

Toen viel mij in, dat de eene ruiter waarschijnlijk over den heuvel
was gegaan om de rest van den troep te halen; welk vermoeden ik mijn
makker mededeelde. Doch al wat ik ten antwoord kreeg was:

"Quien sabe?"

Langzaam en zonder tusschenpoozen verkende zijn oog den verren
horizon. Daar ik zijne buitengewone koelheid voor een overdreven grap
hield, vroeg ik hem waarom wij niet naar huis terugkeerden. Ik schrok
toen hij antwoordde:

"Wij keeren terug, maar in eene richting die dicht langs een moeras
gaat. Hierin kunnen wij onze paarden laten galoppeeren zoover zij
kunnen, en dan op onze eigen beenen vertrouwen. Zoo is er geen gevaar."

Ik vertrouwde daar niet zoo geheel op, en wilde onzen draf versnellen.

"Neen," sprak hij, "niet voordat zij het doen."

Als een kleine verhevenheid ons aan het oog onttrok, reden wij
stapvoets. Eindelijk bereikten wij een dal, sloegen links af en
draafden snel naar den voet van een heuvel. Mijn metgezel gaf mij zijn
paard om vast te houden, deed de honden knielen, en kroop op handen
en voeten rond om de ruiters te verkennen. In die houding bleef hij
eenigen tijd; maar eindelijk barstte hij in een gelach uit, en riep:

"Son mujeres!" (Het zijn vrouwen.)

Nu herkende hij in haar de vrouw en schoonzuster van den zoon van
den majoor, die naar struisvogeleieren zochten. Ik heb opzettelijk
het gedrag van dezen man beschreven, omdat hij handelde in de volle
overtuiging dat zij Indianen waren. Doch zoodra was deze dwaze
vergissing ontdekt, of hij noemde mij honderd redenen, waarom het
geen Indianen zijn konden. Op die oogenblikken had hij echter al deze
redenen vergeten. Wij reden daarop kalm en gerustgesteld naar een
hoog punt, Punta Alta genaamd, waar wij de groote haven van Bahia
Blanca bijna geheel konden overzien.

De uitgestrekte watervlakte wordt door talrijke groote modderbanken
verstopt, welke de inwoners Cangrejáles noemen, vanwege het aantal
kleine krabben. De modder is zoo week, dat het zelfs over zeer
korte afstanden onmogelijk is er over te loopen. Van vele banken is
de oppervlakte met hooge biezen bedekt, waarvan de toppen alleen
bij hoog water zichtbaar zijn. Eens, toen wij in eene boot zaten,
geraakten wij in deze ondiepten zoo verdwaald, dat wij er met veel
moeite weer uit kwamen. Er was niets te zien dan vlakke modderplaten;
de lucht was niet zeer helder en met sterke straalbreking, of, zooals
de zeelieden zeggen: "Een sterke kimrijzing." Het eenige niet vlakke
voorwerp, dat binnen het bereik van ons oog lag, was de horizon;
de biezen geleken op struiken die in de lucht hingen, het water op
modderbanken en de modderbanken op water.

Wij overnachtten op Punta Alta, waar ik mij bezighield met het zoeken
naar fossiele beenderen, wijl dit punt een waar graf is van monsters
van uitgestorven diersoorten. De avond was volkomen stil en helder,
en de uiterst eentonige aanblik der omgeving maakte hem aantrekkelijk
zelfs te midden van modderbanken en zeemeeuwen, van zandheuvels en
gieren. Toen wij des morgens terugreden, kruisten wij een zeer versch
spoor van een Puma, [71] maar konden hem niet vinden. Ook zagen
wij een paar Zorillo's of Peruaansche stinkdieren, die niet vaak
gevonden worden. Wat zijn voorkomen betreft, gelijkt de zorillo in
't algemeen op een bunzing, maar is iets grooter en naar verhouding
veel dikker. In het bewustzijn van zijne macht, zwerft hij bij dag
over de open vlakte en vreest menschen noch honden. Als een hond tot
den aanval wordt gedwongen, doen een paar druppels van de stinkende
olie, die een hevige ziekte en ettering uit den neus tengevolge
heeft, zijn moed terstond bekoelen. Wat eens er mede besmet wordt,
is voor altijd onbruikbaar. Azara zegt, dat de reuk op een league
afstand kan worden waargenomen; en meer dan eens, als wij de haven
van Montevideo bij landwind binnenvoeren, hebben wij den stank van
dit dier zelfs aan boord van de Beagle bemerkt. Een feit is 't,
dat elk dier den zorillo eerbiedig uit den weg gaat.



HOOFDSTUK V.

BAHIA BLANCA.


Den 24sten Augustus kwam de Beagle hier aan, en zeilde een week
later naar de Plata. Met goedvinden van kapitein Fitz-Roy werd ik
achtergelaten om over land naar Buenos Aires te reizen. Ik zal hier
eenige waarnemingen vermelden, die gedurende dit bezoek en bij eene
vorige gelegenheid, toen de Beagle met het opmeten van de haven bezig
was, gedaan werden.

Op enkele mijlen afstands van de kust behoort de vlakte tot de groote
Pampas-formatie, welke deels uit roode klei en deels uit een sterk
kalkhoudend mergelgesteente bestaat. Dichter bij de kust zijn eenige
vlakten gevormd uit het puin der bovenvlakte, alsmede uit modder,
kiezel en zand, die gedurende de langzame rijzing van het land door
de zee zijn opgeworpen. Een bewijs van die rijzing zien wij in de
drooggelegde lagen met jonge schelpsoorten, en de ronde puimsteenen die
over het land verspreid zijn. Op Punta Alta hebben wij eene doorsnede
van een dezer later gevormde kleine vlakten, die zeer belangwekkend
is om het aantal en het ongewone karakter der overblijfsels van
reusachtige landdieren, welke hier bedolven liggen. Deze zijn door
Prof. Richard Owen uitvoerig beschreven in de Dierkunde van de Reis
van de Beagle, en berusten bij het College of Surgeons. Ik zal hier
slechts eene korte schets geven van hunne geaardheid.

Ten eerste: stukken van drie hoofden en andere beenderen van het
Megatherium, welks groote afmetingen door den naam worden uitgedrukt
[72]--Ten tweede: de Megalonyx, een groot daaraan verwant dier--Ten
derde: het Scelidotherium, [73] eveneens een verwante soort, waarvan
ik een bijna volledig skelet vond. Het moet bijna zoo groot geweest
zijn als een rhinoceros; in den bouw van zijn hoofd komt het, volgens
Richard Owen, het dichtst bij den Kaapschen Miereneter (Myrmecophaga);
maar in enkele andere opzichten komt het met de armadillen overeen
[74]--Ten vierde: de Mylodon Darwinii, een naverwant geslacht van
weinig mindere grootte--Ten vijfde: een andere reusachtige viervoeter,
ook tot de Edentata of Tandeloozen behoorende--Ten zesde: een groot
dier met een beenachtig, in vakken verdeeld pantser, dat veel van
een armadil wegheeft--Ten zevende: een uitgestorven paardensoort,
waarop ik nader zal terugkomen--Ten achtste: een tand van een tot de
Pachydermata of Dikhuidigen behoorend dier, waarschijnlijk hetzelfde
als de Macrauchenia: [75] een zeer groot dier met een langen hals,
evenals een kameel, waarop ik eveneens zal terugkomen--Eindelijk:
de Toxodon, een der zonderlingste dieren welke ooit ontdekt zijn; in
grootte evenaarde het een oliphant of megatherium, maar de bouw zijner
tanden--gelijk Owen opmerkt--getuigt onwederlegbaar, dat het nauw aan
de Knaagdieren verwant was, de orde die tegenwoordig het meerendeel
der kleinste viervoetige dieren omvat. In vele opzichten is het aan de
Pachydermata verwant; naar den stand zijner oogen, ooren en neusgaten
te oordeelen, was het vermoedelijk een waterdier, gelijk de doegong
(Halicore) of manati (Manatus), waaraan het eveneens verwant is. [76]
Hoe wonderlijk scherp zijn thans de verschillende orden gescheiden, die
in den bouw van den Toxodon op verschillende wijzen vereenigd waren!

Men vond de overblijfselen dezer 9 groote viervoeters, met vele
losse beenderen, binnen eene ruimte van omtrent 200 vierkante yards
in den bodem van het strand bedolven. Het is een merkwaardig feit,
dat zooveel verschillende species bijeen gevonden worden, en getuigt
hoe veelsoortig de oude bewoners van dit land moeten geweest zijn. Op
ongeveer 30 mijlen afstand van Punta Alta, vond ik in eene kliprots
van roode aarde verscheidene brokstukken van beenderen: enkele van
aanzienlijke grootte. Daaronder waren de tanden van een knaagdier,
welke in grootte zeer op die van de Capybara geleken, wier gewoonten
wij reeds vroeger beschreven hebben, en dat dus waarschijnlijk een
waterdier was. Ook was er een stuk van het hoofd van een Ctenomys:
eene soort, die van den tucutuco verschilde, doch er in 't algemeen
zeer op geleek. De roode aarde, evenals die van de Pampas waarin deze
overblijfsels bedolven waren, bevat, volgens Prof. Ehrenberg, acht
zoetwater- en één zoutwater-infusie-diertjes, en was dus waarschijnlijk
een riviermond-bezinksel.

De overblijfsels te Punta Alta waren in gelaagd kiezelzand en rooden
modder begraven, juist zooals de zee thans op een ondiepen oever
zou kunnen neerslaan. Zij lagen dooreen met 23 soorten schelpen,
waarvan 13 nieuwere en 4 andere, die nauw aan nieuwere vormen verwant
waren. Of de zes overige uitgestorven of eenvoudig onbekend zijn,
is onzeker, wijl op deze kust nog weinig schelpdierenverzamelingen
gehouden zijn geworden. Daar echter de jongere soorten in nagenoeg
dezelfde getalverhouding bedolven lagen met die welke nu in de baai
leven, geloof ik dat er weinig twijfel bestaat of deze laag behoort
tot een zeer jonge tertiaire formatie. Uit het feit, dat de beenderen
van het Scelidotherium (waaronder zelfs de knieschijf of patella) in
hunne juiste standen begraven waren, en dat het beenachtig pantser
van het groote armadil-achtige dier tegelijk met de beenderen van
een zijner pooten zoo goed bewaard zijn gebleven, mogen wij veilig
besluiten, dat deze overblijfsels versch en door hunne ligamenten
verbonden waren, toen zij met de schelpen in het kiezel werden
afgezet. Bijgevolg hebben wij goede bewijzen, dat de bovengenoemde
reusachtige viervoeters, die meer van de tegenwoordige verschillen
dan de oudste tertiaire viervoeters in Europa, leefden toen de zee
met de meeste harer tegenwoordige bewoners bevolkt was; en hebben wij
die merkwaardige wet bevestigd, waarop Charles Lyell zoo vaak gewezen
heeft: namelijk: dat de levensduur der soorten bij de Zoogdieren over
het geheel korter is dan die der Testacea of schelpdieren. [77]

De aanzienlijke grootte van de beenderen der Megatheroida (waartoe
het Megatherium, Megalonyx, Scelidotherium en Mylodon behooren),
is inderdaad verrassend. De leefwijzen dezer dieren brachten
natuuronderzoekers geheel in verlegenheid, totdat Prof. Owen het
vraagstuk onlangs met merkwaardige scherpzinnigheid oploste. [78] De
tanden bewijzen door hun eenvoudigen bouw, dat deze Megatheroida van
plantenvoedsel leefden, en waarschijnlijk van de bladeren en kleinere
takken van boomen. Hunne zware lichaamsvormen en groote, sterke
gekromde klauwen [79] schijnen zoo weinig voor locomotie of verandering
van plaats geschikt, dat enkele uitnemende natuuronderzoekers
werkelijk gemeend hebben, dat zij, evenals de Luiaards, waaraan
zij nauw verwant zijn, hun voedsel zochten door achterwaarts uit de
boomen te klimmen, en de bladeren er van te eten. Het was een stout,
om niet te zeggen ongerijmd denkbeeld aan te nemen, dat er vóór het
Diluvium zelfs boomen bestaan hebben, waarvan de takken sterk genoeg
geweest zouden zijn om dieren te dragen, zoo groot als oliphanten. [80]
Prof. Owen gelooft met veel meer waarschijnlijkheid, dat deze dieren,
in plaats van in boomen te klimmen, de takken tot zich omlaag trokken,
en de kleinere bij de wortels afbraken, om zich zoo met de bladeren
te voeden. De kolossale breedte en zwaarte van hunne achterdeelen,
die men zich moeilijk kan voorstellen zonder ze gezien te hebben,
worden, van dit standpunt gezien, een blijkbaar voordeel in plaats van
een last; hunne schijnbare logheid of plompheid verdwijnt. Met hunne
groote staarten en reusachtige hielen evenals een drievoet stevig op
den grond staande, konden zij al de kracht hunner geweldige armen
en groote klauwen vrijelijk gebruiken. Inderdaad, sterke wortels
moet de boom gehad hebben, die aan zulke kracht weerstand bood! De
Mylodon bezat daarenboven eene zeer rekbare tong, evenals de giraffe,
welke aldus, door een van die schoone voorzorgen der natuur, met zijn
langen hals zijn bladvoedsel bereikt. Ik moet hierbij opmerken, dat,
volgens Bruce, de oliphant in Abyssinië, als hij de bladeren met zijn
snuit niet kan bereiken, met zijn slagtanden diepe inkervingen maakt
in den stam van den boom, op en neer en overal in 't rond, totdat de
boom genoegzaam verzwakt is om te worden doorgebroken.

De lagen, die bovengenoemde versteende resten bevatten, liggen
slechts 15 tot 20 voet boven hoogwaterpeil; indien er dus geen
tusschenperiode van daling geweest is (waarvan wij geen bewijs hebben),
is de landrijzing, sedert de groote viervoeters over de omringende
vlakten zwierven, gering geweest, en moet het uiterlijk voorkomen van
het land destijds bijna hetzelfde geweest zijn als nu. Hoedanig--zoo
vraagt men natuurlijk allicht--was het karakter der plantenwereld in
dat geologisch tijdperk? Was het land even ellendig onvruchtbaar, als
het nu is? Daar zoovele van de mede begraven schelpdieren dezelfde
zijn als die welke thans in de baai leven, was ik eerst geneigd te
gelooven, dat de voormalige plantengroei vermoedelijk gelijk was aan
de bestaande. Maar dit zou eene verkeerde gevolgtrekking geweest zijn;
want eenige van deze zelfde schelpdieren leven aan de plantenrijke kust
van Brazilië; en in 't algemeen is het karakter der zeebewoners een
onbruikbare gids ter beoordeeling van de landbewoners. Toch geloof ik
niet, op grond van de volgende overwegingen, dat het feit dat vele
reusachtige viervoeters op de vlakte rondom Bahia Blanca geleefd
hebben, op zichzelf een veilige grond is voor de onderstelling, dat
zij vroeger met een weligen plantengroei bedekt waren. Ik twijfel niet,
of de dorre, eenigszins zuidelijk bij de Rio Negro gelegen landstreek
met hare doornige verspreide boomen, zou vele en groote viervoeters
kunnen onderhouden.



Dat groote dieren een weligen plantengroei vereischen, is eene
algemeene onderstelling geweest, die van het eene boek in het andere is
overgegaan; maar ik aarzel niet te zeggen, dat zij geheel valsch is, en
dat zij het oordeel der geologen over eenige punten van groot belang in
de oude geschiedenis der wereld ongeldig heeft gemaakt. Waarschijnlijk
is het vooroordeel afkomstig uit Indië en de Indische eilanden,
waar troepen oliphanten, maagdelijke wouden en ondoordringbare
dsjungels [81] in ieders geest samengaan. Nemen wij echter het een
of ander werk over reizen in de zuidelijke streken van Afrika ter
hand, dan zullen wij op bijna elke bladzijde zinspelingen vinden
op het woestijnachtige karakter der streek, of op het aantal groote
dieren die haar bewonen. Hetzelfde blijkt uit de vele teekeningen,
welke van verschillende deelen uit het binnenland in 't licht zijn
gegeven. Toen de Beagle in Kaapstad was, deed ik een uitstapje van
eenige dagen het land in, dat minstens voldoende was om hetgeen ik
gelezen had duidelijker te maken.

Andrew Smith, die aan het hoofd van zijn vermetelen troep er
onlangs in geslaagd is den Steenbokskeerkring te passeeren, bericht
mij, dat, zoo men het zuidelijk deel van Afrika in zijn geheel
beschouwt, er geen twijfel kan bestaan dat het een dor land is. Aan
de zuidelijke en zuidoostelijke kusten zijn eenige fraaie wouden;
maar deze uitgezonderd, kan de reiziger dagen lang door open vlakten
trekken, die met een armen en schralen plantengroei bedekt zijn. Het
is moeilijk een juist denkbeeld te geven van vergelijkende trappen
van vruchtbaarheid; doch veilig kan men zeggen, dat de rijkdom der
plantenwereld welken Groot-Brittannië op zekeren tijd [82] bezit,
dien van eene gelijke oppervlakte in de binnenlanden van Zuid-Afrika
misschien zelfs tienmaal overtreft. Het feit, dat ossenwagens in elke
richting kunnen rijden, behalve in de nabijheid der kust, zonder meer
dan een half uur oponthoud nu en dan voor het weghakken van struiken,
geeft misschien een duidelijker begrip van de schaarschheid van den
plantengroei.

Werpen wij nu een blik op de dieren, die deze wijde vlakten bewonen,
dan zullen wij hen vinden in buitengewoon groot aantal, gepaard aan
een reusachtig volume. Wij noemen hier den oliphant; drie soorten
rhinoceros (en volgens Dr. Smith nog twee andere); het nijlpaard;
de giraffe; den Zuid-Afrikaanschen os (Bos caffer), zoo groot als een
volwassen stier; den weinig minder grooten eland; twee zebra's; den
quagga (paard-zebra); twee gnoe's (paard- of stierhert) en verscheidene
antilopen, die zelfs grooter zijn dan de laatstgenoemde dieren. Nu
zou men wellicht denken, dat, ofschoon de species talrijk zijn, het
aantal individuën van elke soort gering is. Door de welwillendheid
van Dr. Smith ben ik in staat aan te toonen, dat dit niet het geval
is. Hij bericht mij, dat hij op 24° breedte gedurende ééne dagreis met
de ossenwagens, zonder zich ver naar links of naar rechts te begeven,
tusschen de 100 en 150 rhinocerossen zag, welke tot drie soorten
behoorden. Denzelfden dag zag hij verscheidene kudden giraffen, te
zamen ongeveer een honderdtal; en ofschoon geen oliphant gezien werd,
waren zij toch in dat district te vinden. Op weinig meer dan een
uur gaans van hunne legerplaats van den vorigen nacht, doodde zijn
gezelschap op ééne plek acht nijlpaarden en zag er nog verscheidene
meer. In dezelfde rivier waren ook krokodillen. Natuurlijk was
het een zeer buitengewoon geval zooveel groote dieren bijeen te
zien; maar blijkbaar bewijst het, dat zij er in groot aantal moeten
bestaan. Dr. Smith beschrijft het land, waardoor hij dien dag reisde,
als dun bedekt met gras, met struiken van omtrent vier voet hoogte,
en nog dunner met mimosa-boschjes. Niets belette den wagens in bijna
rechte lijn voort te gaan.

Behalve deze groote dieren, heeft elk die ook maar even met de
natuurlijke historie van de Kaap bekend is, gelezen van de groote
kudden antilopen, welke alleen bij zwermen trekvogels te vergelijken
zijn. Voorts pleit het aantal leeuwen, panthers en hyena's,
alsook de menigte roofvogels duidelijk voor den overvloed der
kleinere viervoetige dieren. Op één avond telde men zeven leeuwen,
die tegelijk om de legerplaats van Dr. Smith slopen. Zooals deze
bekwame natuuronderzoeker mij opmerkte, moet het dagelijksch bloedbad
in Zuid-Afrika schrikbarend groot zijn! Ik beken, dat het werkelijk
verrassend is hoe zulk een menigte dieren bestaan kan vinden in een
land, dat zoo weinig voedsel voortbrengt. De grootere viervoeters
zwerven ongetwijfeld door uitgebreide streken om het te zoeken, en
hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit laaghout, dat waarschijnlijk
veel voedsel in een klein volume bevat. Ook bericht Dr. Smith mij, dat
de plantenwereld een snellen groei heeft; nauwelijks is een gedeelte
verbruikt, of een nieuwe voorraad neemt zijn plaats in. Er kan echter
geen twijfel bestaan, of onze ideeën over de schijnbare hoeveelheid
voedsel, noodig voor het onderhoud van groote viervoeters, zijn
zeer overdreven. Laat ons bedenken, dat de kameel, een dier van geen
geringe grootte, steeds als het zinnebeeld der woestijn beschouwd is.

De meening, dat waar groote viervoeters leven, noodzakelijk een
welige plantengroei bestaan moet, is des te zonderlinger, omdat
het omgekeerde verre van waar is. Burchell deed mij de opmerking,
dat, toen hij Brazilië introk, niets hem zoozeer trof als de
pracht der Zuid-Amerikaansche plantenwereld in tegenstelling met
die van Zuid-Afrika, gevoegd bij de afwezigheid van alle groote
viervoeters. In zijne reizen [83] heeft hij de meening uitgesproken,
dat de vergelijking van de respectievelijke gewichten (zoo er voldoende
gegevens waren) van een gelijk aantal der grootste plantenetende
viervoeters uit elke landstreek, uiterst belangrijk zou zijn. Nemen
wij eenerzijds den oliphant, [84] het nijlpaard, de giraffe, den
Zuid-Afrikaanschen os (Bos caffer), den eland, en zeker drie, maar
vermoedelijk vijf soorten rhinocerossen; en aan Amerikaansche zijde
twee tapirs, den guanaco, drie herten, de vicugna (het Peruaansche
of Vigogne-schaap), het pecari, [85] de capybara (waarna wij onder de
apen moeten kiezen om het cijfer voltallig te maken): en plaatsen wij
nu deze twee groepen naast elkander, dan is het niet gemakkelijk meer
wanverhoudingen in grootte te bedenken dan deze reeksen ons te zien
geven. Volgens bovenstaande feiten moeten wij dus, tegen vroegere
waarschijnlijkheid in, [86] besluiten dat er onder de zoogdieren
geen nauwe verwantschap bestaat tusschen het volume der soorten en
de hoeveelheid planten in de door hen bewoonde landen.

Wat het getal groote viervoeters betreft, bestaat er zeker geen streek
op aarde, die de vergelijking met Zuid-Afrika kan doorstaan. Na de
verschillende gegeven verhalen, zal het uiterst woestijnachtig karakter
dier streek wel niet betwist worden. In het werelddeel Europa moeten
wij naar de tertiaire tijdvakken teruggaan, om onder de zoogdieren
een staat van zaken te vinden, overeenkomende met dien, welke
thans aan de Kaap de Goede Hoop bestaat. Deze tertiaire tijdvakken,
die wij als buitengewoon rijk aan groote dieren mogen beschouwen,
omdat wij op sommige plaatsen de overblijfsels van vele formatiën
bijeengehoopt zien, konden moeilijk op meer groote viervoeters bogen,
dan nu Zuid-Afrika. Bij onze bespiegelingen, echter, over den aard der
plantenwereld gedurende die tijdvakken, zijn wij althans in zoover
verplicht bestaande analogieën in aanmerking te nemen, dat wij een
weligen plantengroei niet als volstrekt noodzakelijk beschouwen, nu
wij aan de Kaap de Goede Hoop een geheel anderen stand van zaken zien.

Wij weten, dat de uiterste gewesten van Noord-Amerika, vele graden
boven de grens waar de grond op enkele voeten diepte voortdurend
bevroren is, met wouden van zwaar en hoog geboomte bedekt zijn. [87]
Evenzoo zien wij in Siberië wouden van berke-, denne-, espe- en
lorkeboomen groeien op eene breedte, [88] (64°), waar de gemiddelde
luchttemperatuur onder het vriespunt daalt, en waar de aarde zoo geheel
bevroren is, dat de karkas van een daarin begraven dier volkomen
bewaard is. Met deze feiten voor oogen moeten wij, wat alleen de
quantiteit van den plantengroei betreft, toegeven, dat de groote
viervoeters der latere tertiaire tijdvakken in de meeste gedeelten
van Noord-Europa en Azië geleefd kunnen hebben op de plaatsen waar
thans hunne overblijfselen worden gevonden. Ik spreek hier niet van
de soort planten, noodig voor hun onderhoud; want daar er bewijzen
zijn van physieke veranderingen en de dieren uitgestorven zijn, mogen
wij aannemen, dat ook de plantsoorten verandering hebben ondergaan.

Men veroorlove mij hierbij te voegen, dat deze opmerkingen rechtstreeks
gelden voor de in het ijs bewaard gebleven Siberische dieren. De vaste
overtuiging dat eene vegetatie, welke het kenmerk bezat van tropischen
rijkdom, noodig was voor het onderhoud van zulke groote dieren, en
de onmogelijkheid om dit te rijmen met de nabijheid van eeuwigdurend
ijs, waren eene van de hoofdoorzaken der verschillende theorieën van
plotselinge klimaatomwentelingen en overweldigende natuurrampen, die
ter verklaring van hunne begraving werden uitgedacht. Ik onderstel
op verre na niet, dat het klimaat sinds den tijd waarin deze dieren
leefden die nu in het ijs begraven liggen, niet veranderd is. Voor
het oogenblik wil ik slechts aantoonen dat, voor zoover alleen de
hoeveelheid voedsel betreft, de oude rhinocerossen over de steppen
van Midden-Siberië, [89] zelfs in haren tegenwoordigen toestand,
gezworven kunnen hebben, evenzeer als de levende rhinocerossen en
oliphanten over de Karroos van Zuid-Afrika.



Nu zal ik spreken over de leefwijzen van eenige meer belangrijke
vogels, die in de woeste vlakten van Noord-Patagonië thuis behoorden;
en allereerst van den grootsten, of Zuid-Amerikaanschen struisvogel. De
gewone eigenschappen van den struisvogel zijn aan ieder bekend. Zij
leven van plantaardig voedsel, als wortels en gras; maar te Bahia
Blanca heb ik herhaaldelijk drie of vier bij laag water naar de
uitgestrekte modderbanken zien komen (welke dan droog zijn), om,
zooals de Gauchos zeggen, zich met kleine visschen te voeden. Hoewel
zoo schuw, behoedzaam en eenzelvig van aard, en daarbij zoo vlug
ter been, wordt de struisvogel door de met bolas gewapende Indianen
of Gauchos zonder veel moeite gevangen. Als verscheidene ruiters in
een halven cirkel naderen, wordt hij verlegen en weet niet welken
kant uit te vluchten. In 't algemeen loopen zij bij voorkeur tegen
den wind in; maar bij den eersten aanloop slaan zij de vleugels uit
en zetten, evenals een schip, alle zeilen bij. Op een fraaien heeten
dag zag ik een aantal struisvogels een bosch van hooge biezen ingaan,
waar zij nederhurkten en zich schuil hielden, totdat men hen dicht
genaderd was. Niet algemeen bekend is het feit, dat struisvogels zich
licht te water begeven. Mr. King bericht mij, dat hij deze vogels
in de Baai van San Blas en te Port Valdès in Patagonië verscheidene
malen van het eene eiland naar het andere zag zwemmen. Zij liepen
het water in wanneer zij naar een punt gedreven werden, maar ook uit
eigen beweging, als men hen niet verschrikte; de afstand waarover
zij zwommen was ongeveer 200 yards. Onder het zwemmen vertoont zich
zeer weinig van hun lichaam boven water; hunne halzen zijn iets naar
voren gestrekt en langzaam komen zij verder. Tweemaal zag ik eenige
struisvogels over de rivier Santa Cruz zwemmen, op een plek waar deze
rivier circa 400 yards breed was en een snelle strooming had. Toen
kapitein Sturt de Murrumbidgee in Australië afzakte, zag hij twee emus
(ongehelmde casuarissen) bezig met zwemmen.

De bewoners van het land onderscheiden, zelfs op een afstand,
gemakkelijk het mannetje van het wijfje. Het eerste is grooter en
donkerder van kleur, en heeft een dikkeren kop. [90] De struisvogel
[91]--ik geloof het mannetje--brengt een zonderling, diep klinkend,
fluitend geluid voort; toen ik dit voor het eerst hoorde, terwijl
ik tusschen eenige zandheuvels stond, dacht ik dat het van een wild
dier afkomstig was; want het is een geluid, dat men niet kan zeggen
vanwaar het komt, noch hoe ver het af is. Toen wij in de maanden
September en October te Bahia Blanca waren, werden de eieren in
buitengewoon aantal over het geheele land gevonden; zij liggen òf
verspreid en stuksgewijze, in welk geval zij nooit uitgebroed en
door de Spanjaarden guachos [92] genoemd worden--òf te zamen in een
ondiepe holte, die het nest vormt. Van de vier nesten die ik zag,
bevatten drie elk 22 eieren, en het vierde 27. Gedurende een dag jagen
te paard werden 64 eieren gevonden; van deze lagen 44 in twee nesten,
en de overige 20 waren verspreide guachos. Eenstemmig verklaren de
Gauchos--en er is geen reden om aan hunne woorden te twijfelen--dat
het mannetje alléén de eieren uitbroedt, en later de jongen eenigen
tijd vergezelt. Het mannetje ligt zeer dicht op het nest; ik zelf ben
er bijna over heen gereden. Men beweert, dat zij in zulke tijden soms
woest en zelfs gevaarlijk zijn, en dat zij een man te paard aanvallen,
pogende hem te schoppen en tegen hem op te springen. Mijn berichtgever
wees mij een oud man, die eens, door zulk een struisvogel achtervolgd,
in grooten angst verkeerd had. In Burchell's reizen in Zuid-Afrika
vind ik de opmerking: "Toen ik eens een mannetjes-struis gedood had,
wiens vederen morsig waren, vertelden mij de Hottentotten, dat het een
nestvogel was." Ik verneem, dat de mannelijke emu in den Zoölogischen
Tuin zich met de zorg over het nest belast; deze eigenschap is dus
aan de familie gemeen.

De Gauchos getuigen eenstemmig, dat verscheidene wijfjes in één
nest leggen; en met zekerheid is mij verteld, dat men vier of vijf
wijfjes op het midden van den dag achter elkander naar hetzelfde
nest heeft zien gaan. Ik kan er nog bijvoegen, dat men in Afrika
gelooft, dat twee of meer wijfjes in één nest leggen. [93] Ofschoon
deze gewoonte, oppervlakkig beschouwd, zeer vreemd schijnt, geloof
ik toch, dat de oorzaak op eenvoudige wijze te verklaren is. Het
getal eieren in het nest wisselt af van 20 tot 40, en zelfs tot 50
(volgens Azara soms tot 70 of 80). Ofschoon het nu, deels omdat het
aantal in één district gevonden eieren zoo buitengewoon groot is in
verhouding tot de ouders, anderdeels wegens den bouw van het ovarium
bij het wijfje--zeer waarschijnlijk is, dat dit in den loop van het
seizoen een groot aantal eieren legt, moet de tijd daarvoor toch
zeer lang zijn. Azara zegt, [94] dat een wijfje in tammen staat 17
eieren legde, elk na drie dagen tusschenruimte. Ware nu het wijfje
genoodzaakt hare eigen eieren te broeden voordat het laatste gelegd
was, dan zou het eerste waarschijnlijk bedorven of verrot zijn; maar
zoo elk op achtereenvolgende tijdstippen en in verschillende nesten een
paar eieren legde, en verscheidene wijfjes zich vereenigden (zooals
werkelijk bevestigd is), dan zouden de eieren in één verzameling
ongeveer even oud zijn. Zoo het getal eieren in één dezer nesten
gemiddeld niet grooter is (naar ik geloof) dan het aantal dat een
wijfje in het seizoen legt, moeten er evenveel nesten als wijfjes zijn,
en zal elk mannetje zijn juist aandeel in het werk der broeding hebben,
en wel gedurende een tijdperk dat de wijfjes waarschijnlijk niet
konden zitten, omdat zij nog niet al hare eieren gelegd hadden. [95]

Reeds heb ik over het groot aantal guachos of verlaten eieren
gesproken, waarvan er op één dag twintig gevonden kunnen
worden. Zonderling schijnt het, dat zoo vele verloren gaan. Zou dit
niet hieruit voortkomen, dat vele wijfjes zich moeilijk vereenigen en
een mannetje vinden, bereid de taak der broeding op zich te nemen? Het
is duidelijk, dat er allereerst zekere neiging tot vereenigen moet
bestaan tusschen minstens twee wijfjes; anders zouden de eieren over de
uitgestrekte vlakten verspreid liggen op afstanden veel te groot opdat
het mannetje ze in één nest zou kunnen verzamelen. Enkele schrijvers
hebben gemeend, dat de verspreide eieren als voedsel voor de jonge
vogels gelegd werden. In Amerika kan dit moeilijk het geval wezen, daar
de guachos, ofschoon dikwijls bedorven en verrot, meestal heel zijn.

Toen ik aan de Rio Negro in Noord-Patagonië was, hoorde ik de Gauchos
herhaaldelijk spreken over een zeer zeldzamen vogel, dien zij Avestruz
Petise noemden. [96] Zij beschreven hem als kleiner dan de gewone
struisvogel (die daar veel voorkomt), doch in 't algemeen er veel op
gelijkende. Zij zeiden, dat zijne kleur donker en gevlekt was, en dat
zijn pooten korter en lager gevederd waren dan die van den gewonen
struisvogel. Hij wordt gemakkelijker met de bolas gevangen dan de
andere soort. De weinige bewoners die beide soorten gezien hadden,
bevestigden dat zij de vogels op grooten afstand van elkander konden
onderscheiden. De eieren der kleine soort schenen echter meer algemeen
bekend; en tot mijne verbazing merkte ik op, dat zij zeer weinig
kleiner waren dan die van den Struthio rhea, doch eenigszins anders van
vorm en met een zweem naar lichtblauw. Deze soort vindt men zeer zelden
in de vlakten langs de Rio Negro; maar ongeveer 1°30' zuidelijker zijn
zij vrij talrijk. Gedurende mijn verblijf te Port Desiré in Patagonië
(48° breedte) schoot Martens een struisvogel. Bij het zien van dit
dier, vergat ik voor het oogenblik op de onverklaarbaarste wijze
de geheele species der Abestrúz Petise, en hield den vogel voor
een niet volwassen exemplaar der gewone soort. Hij was gekookt en
gegeten voordat mijn geheugen terugkeerde. Gelukkig waren kop, hals,
pooten, vleugels, verscheidene groote veêren en een groot stuk van
de huid bewaard gebleven, waaruit een nagenoeg volledig exemplaar
werd bijeengebracht en thans in het Museum der Zoological Society
tentoon gesteld is. Bij zijne beschrijving van deze nieuwe species,
heeft Gould mij de eer aangedaan ze naar mij te noemen.

Onder de Patagonische Indianen in de Straat van Magelhaen vonden wij
een halfbloed Indiaan, die eenige jaren bij zijn stam geleefd had,
maar in de noordelijke provinciën geboren was. Ik vroeg hem of hij ooit
van den Abestrúz Petise gehoord had. Hij antwoordde met te zeggen:
"Wel, in deze zuidelijke streken zijn geen andere." Hij deelde mij
mede, dat het getal eieren in het nest van den Petise aanmerkelijk
kleiner is dan in dat der andere soort, namelijk gemiddeld niet
meer dan vijftien; maar hij verzekerde, dat zij door meer dan één
wijfje gelegd werden. Aan de Santa Cruz zagen wij verscheidene dezer
vogels. Zij waren uiterst voorzichtig, en ik geloof dat zij iemand
konden zien naderen op afstanden te ver om zelve gezien te worden. Bij
het opvaren van de rivier zagen wij er weinige; doch toen wij haar in
snelle vaart afzakten, werden er vele in troepen van twee, vier of vijf
gezien. Wij merkten op, dat deze vogel niet de vleugels uitspreidde als
hij zijn eersten aanloop nam, gelijk de noordelijke species gewoon is
te doen. Tot besluit wil ik opmerken dat de Struthio rhea het land van
La Plata bewoont tot 41° breedte--even bezuiden de Rio Negro, en dat
de Struthio Darwinii hem in zuidelijk Patagonië vervangt, zoodat het
deel nabij de Rio Negro onzijdig gebied is. Toen A. d'Orbigny zich aan
de Rio Negro bevond, deed hij groote moeite om dezen vogel machtig te
worden, wat hem echter nooit gelukt is. [97] Aan Dobrizhoffer was het
lang geleden bekend, dat er twee soorten struisvogels zijn. [98] Hij
zegt: "Daarbij moet gij weten, dat de emus in verschillende deelen van
het land in grootte en eigenschappen verschillen. Zij, die de vlakten
van Buenos Aires en Tucuman bewonen, zijn grooter en hebben zwarte,
witte en grijze veêren; de andere bij de Straat van Magelhaen zijn
kleiner en fraaier, want hunne witte veêren zijn aan het einde zwart
gepunt, en omgekeerd hebben hunne zwarte veêren witte punten."

Een zeer zonderlinge kleine vogel, Tinochorus rumicivorus, is hier
inheemsch. In zijne eigenschappen en algemeen voorkomen draagt
hij ongeveer de kenmerken zoo van den kwartel als van de snip--hoe
verschillend deze ook zijn. Den Tinochorus vindt men over geheel
Zuid-Amerika, waar dorre vlakten of open droge weilanden zijn. Hij
bewoont paarsgewijze of in kleine troepen de eenzaamste plaatsen,
waar haast geen ander levend wezen bestaan kan. Als men hen nadert,
hurken zij laag bij den grond, en zijn dan zeer moeilijk hiervan te
onderscheiden. Wanneer zij voedsel zoeken, loopen zij langzaam, met de
pooten wijd vaneen. Op wegen en zandige plaatsen wentelen zij zich in
't stof; en er zijn dan bepaalde plekken, waar men hen dag aan dag kan
vinden. Verschrikt, vliegen zij als patrijzen in ééne vlucht weg. In
al deze bijzonderheden: in den gespierden, voor plantaardig voedsel
geschikten krop; in den gewelfden bek en vleezige neusgaten, in de
korte pooten en vorm der voeten gelijkt de Tinochorus zeer veel op den
kwartel. Maar nauwelijks ziet men den vogel vliegen, of zijn geheele
voorkomen verandert; de lange puntige vleugels, zoo verschillend van
die in de orde der Gallinaceae; de onregelmatige wijze van vliegen,
en de klagende kreet, dien hij uit op het oogenblik van stijgen, doen
denken aan de snip. De jagers van de Beagle noemden hem eenstemmig de
kortsnavelige snip. Zijn skelet toont aan, dat hij werkelijk aan dit
geslacht, of liever aan de Orde der Steltloopers (Grallae) verwant is.

De Tinochorus is nauw aan eenige andere Zuid-Amerikaansche vogels
verwant. Twee soorten van het geslacht Attagis zijn, wat hare
leefwijzen en gewoonten betreft, in bijna alle opzichten sneeuwhoenders
(Lagopus; familie der woudhoenders of Tetraonidae) [99]; de eene leeft
in Vuurland, boven de grenzen van het woudland, en de andere juist
onder de sneeuwgrens op de Cordilleras van Midden-Chili. Een vogel van
een ander naverwant geslacht, Chionis alba, bewoont de Zuidpoolstreken;
hij leeft van zeewier en schelpdieren op de rotsen, die met het
getij droog loopen. Ofschoon hij om eene onverklaarbare reden geen
zwempooten heeft, wordt hij dikwijls ver in zee aangetroffen. Deze
kleine vogel-familie is een dergene die, hoewel zij den systematischen
natuuronderzoeker nu niets dan moeilijkheden oplevert, ten slotte
door hare gewijzigde verwantschappen tot andere familiën dienstig kan
zijn om het groote schema van dit en vroegere tijdperken te openbaren,
naar hetwelk de organische wezens geschapen zijn.

Het geslacht Furnarius omvat verscheidene soorten kleine vogels,
die op den grond leven en open droge streken bewonen. In bouw kunnen
zij niet bij eenigen Europeeschen vorm vergeleken worden. Ornithologen
hebben hen algemeen onder de Pimpelmeezen of Boomkruipers (Certhiidae)
[100] gerangschikt, ofschoon zij in al hunne gewoonten lijnrecht van
die familie afwijken. De best bekende soort is de gewone Ovenvogel van
La Plata, de Casara of Huizenmaker der Spanjaarden. Het nest, waaraan
hij zijn naam ontleent, bevindt zich op de meest blootgestelde punten:
als op den top van een paal, eene naakte rots of op een cactus. Het is
samengesteld uit modder en stukjes stroo, en heeft lange dikke wanden;
in vorm gelijkt het volmaakt op een oven of ingedrukten bijenkorf. De
opening is breed en gewelfd; en vlak vooraan in het nest is eene
afdeeling, die bijna tot het dak reikt en zoo eene voorkamer of
doorgang vormt naar het eigenlijke nest.

Eene andere en kleinere soort Furnarius (F. cunicularius) gelijkt op
den ovenvogel in de meestal roodachtige tint zijner vederen, in een
eigenaardigen schellen herhaalden kreet, en in zijne zonderlinge manier
van loopen met sprongen. Om zijn verwantschap tot de Casara, noemen de
Spanjaarden hem Casarita (of kleine Huizenmaker), niettegenstaande de
bouw van zijn nest een geheel andere is. De casarita bouwt haar nest
op den bodem van een smal cilindervormig gat, dat zich ongeveer zes
voet horizontaal onder den grond heet uit te strekken. Verscheidene
landlieden vertelden mij, dat zij als jongens getracht hadden zulk
een nest uit te halen, maar bijna nooit het einde van het gat hadden
kunnen bereiken. De vogel kiest een lagen dam of stevigen zandgrond
aan den kant van een weg of stroom. Hier (in Bahia Blanca) zijn de
muren om de huizen van harden modder gebouwd; en ik merkte op, dat
een die eene binnenplaats omringde waar ik gelogeerd was, op een
twintigtal plaatsen van ronde gaten was doorboord. Op mijne vraag
aan den eigenaar naar de oorzaak hiervan, klaagde hij bitter over de
kleine casarita, waarvan ik later verscheidene aan het werk zag. Het
is merkwaardig te zien hoe onvatbaar deze vogels zijn om eenig begrip
van dikte te krijgen; want hoewel zij voortdurend over den lagen muur
fladderden, gingen zij vruchteloos voort met er doorheen te boren,
meenende dat de muur een uitmuntende dam voor hunne nesten was. Ik
twijfel niet of elke vogel moet zeer verbaasd geweest zijn, telkens
als hij aan den anderen kant het daglicht zag.

Ik heb reeds bijna alle zoogdieren opgenoemd, die in dit land
voorkomen. Van armadillen vindt men drie soorten, namelijk: Dasypus
minutus of pichy; D. villosus of peludo, en de apár. De eerste
verspreidt zich 10 graden zuidelijker dan een der andere soorten;
een vierde soort, mulita, wordt op de breedte van Bahia Blanca of
zuidelijker niet aangetroffen. Deze vier soorten hebben bijna dezelfde
gewoonten; maar de peludo is een nachtdier, terwijl de andere bij dag
over de open vlakte zwerven en leven van kevers, larven, wortels en
zelfs van kleine slangen. De apár, gewoonlijk mataco geheeten, is
merkwaardig omdat hij slechts drie beweeglijke ringen heeft, [101]
terwijl de rest van zijn pantser bijna onbuigzaam is. Hij bezit het
vermogen zich tot een volkomen bal samen te rollen, evenals eene soort
Europeesche houtluis. In dezen toestand is hij veilig voor de aanvallen
van honden; want niet in staat den geheelen bol in zijn bek te nemen,
tracht de hond er in te bijten, met het gevolg dat de bal wegrolt. Het
gladde harde pantser van den Mataco biedt eene betere verdediging,
dan de scherpe pennen van het stekelvarken (Hystrix).

De Pichy geeft de voorkeur aan een zeer drogen grond: en de zandduinen
bij de kust, waar hij vele maanden lang geen water kan proeven, zijn
zijn geliefkoosd toevluchtsoord. Dikwijls tracht hij aan de aandacht
te ontsnappen door zich plat tegen den grond te drukken. Gedurende
een dag rijden in de omstreken van Bahia Blanca komt men er meestal
verscheidene tegen. Op het oogenblik dat er een gezien werd, moest men
bijna van zijn paard vallen om hem te grijpen; want in een zachten
grond groef het dier zich zoo snel in, dat zijne achterpooten haast
verdwenen eer men af kon stijgen. Het schijnt bijna jammer zulke
aardige kleine dieren te dooden; want zooals een Gaucho, die zijn mes
op den rug van een hunner scherpte, terecht zeide: "Son tan mansos"
(Zij zijn zoo zachtaardig).

Van kruipende dieren vindt men vele soorten. Een slang (Trigonocephalus
of Cophias) moet, wegens de grootte van het giftkanaal in hare
gifttanden, zeer doodelijk zijn. In tegenstelling met eenige andere
natuuronderzoekers, noemt Cuvier haar een subgenus van de Ratelslang
(Crotalus), staande tusschen deze en de adder (Vipera, Coluber). Deze
meening wordt bevestigd door een feit, hetwelk ik waarnam en dat mij
zeer merkwaardig en leerrijk toeschijnt, wijl het aantoont, dat elk
kenmerk neiging heeft tot langzame veranderingen, al is het ook in
zekeren zin onafhankelijk van den bouw zelven. Het staarteinde dezer
slang loopt uit in een punt, die zeer zwak vergroot wordt; als nu
de slang voortglijdt, brengt zij het laatste eindje in gestadige
trilling, zoodat, als het tegen het droge gras of struikgewas
aanslaat, een ratelend geluid wordt voortgebracht, dat op zes voet
afstands duidelijk hoorbaar is. Telkens als het dier geplaagd of
verrast werd, schudde het zijn staart; en de trillingen waren zeer
snel. De neiging tot deze gewone beweging bleek zelfs, zoolang het
lichaam zijne prikkelbaarheid behield. De Trigonocephalus heeft dus
in sommige opzichten den bouw van een adder, met de eigenschappen van
eene ratelslang; het geluid wordt hier echter door een eenvoudiger
inrichting voortgebracht. De gelaatsuitdrukking van deze slang was
afschuwelijk en woest; de pupil bestond uit een verticale spleet in
een gevlekte en koperkleurige iris; de kaken waren aan het ondereinde
breed, en de neus eindigde in een driehoekig uitsteeksel. Ik herinner
mij niet ooit iets leelijkers gezien te hebben, behalve misschien
enkele vledermuizen. Dit terugstootend uiterlijk is, geloof ik,
hieraan te wijten dat de trekken onderling geplaatst zijn in standen,
welke eenige overeenkomst hebben met die van het menschelijk gelaat;
en zoo verkrijgen wij eene schaal van afzichtelijkheid.

Onder de familie der Batrachia of Kikvorschachtige Reptilia vond
ik eene kleine padde [102] (Phryniscus nigricans), die eene zeer
zonderlinge kleur bezat. Stellen wij ons voor, dat deze padde
eerst gedoopt werd in gitzwarten inkt, daarna gedroogd en eindelijk
gezet op een versch met helder vermiljoen geverwde plank, zoodat
zij, voortkruipende, hare voetzolen en een deel van het onderlijf
rood kleurde--dan zal men een goed denkbeeld krijgen van haar
voorkomen. Indien zij eene onbenoemde soort geweest was, had zij
stellig Diabolicus genoemd moeten worden, want deze padde is wel
geschikt om ons op een dwaalspoor te brengen. In plaats van eene
nachtelijke leefwijze te hebben, zooals andere padden, en in donkere
moerassige schuilhoeken te wonen, kruipt zij gedurende de hitte van
den dag over droge zandheuvels en dorre vlakten, waar geen droppel
water te vinden is. Voor het door haar vereischte vocht hangt zij
noodzakelijk van den dauw af, die waarschijnlijk door de huid wordt
opgeslurpt; want het is bekend, dat de huid dezer kruipende dieren
een sterk inzuigend vermogen bezit. Te Maldonado vond ik er een op
eene bijna even droge plek als te Bahia Blanca; en denkende haar
smakelijk te onthalen, bracht ik haar naar een waterplas. Het kleine
dier was echter niet alleen onbekwaam tot zwemmen, maar zou, geloof
ik, zonder hulp ook spoedig verdronken zijn.

Van hagedissen (Lacerta) waren er verscheidene soorten; maar
slechts eene (Proctotretus multimaculatus) is merkwaardig om
hare eigenschappen. Zij leeft in het kale zand nabij de zeekust,
en kan door hare bonte kleur--bruine met wit, geelrood en vaalblauw
gespikkelde schubben--moeilijk van den omgevenden grond onderscheiden
worden. Wordt zij opgeschrikt, dan poogt zij zich aan ontdekking
te onttrekken door met uitgestrekte pooten, platgedrukt lichaam
en gesloten oogen zich dood te houden; nog verder lastig gevallen,
graaft zij zich met groote snelheid in het mulle zand. Door haar plat
lichaam en korte pooten kan deze hagedis niet vlug loopen.

Ik zal hier enkele opmerkingen bijvoegen over het overwinteren van
dieren in dit gedeelte van Zuid-Amerika. Toen wij op 7 September 1832
voor het eerst te Bahia Blanca kwamen, dachten wij, dat de natuur aan
deze zandige en droge streek bijna geen enkel levend wezen geschonken
had. Maar toen wij in den grond groeven, werden verscheidene insecten,
groote spinnen en hagedissen in half verstijfden toestand gevonden. Op
den 15den begonnen enkele dieren voor den dag te komen, en omstreeks
18 September (drie dagen vóór de nachtevening) kondigde alles het
begin der lente aan. De vlakten tooiden zich met de bloemen van een
bleekroode zuringklaver (Oxalis), wilde boonen, wederikplanten, [103]
en geraniums; en de vogels begonnen hunne eieren te leggen. Talrijke
insecten (Lamellicornia en Heteromera)--laatstgenoemden merkwaardig
om hunne diep gegraveerde lichamen, kropen langzaam rond; terwijl
de hagedissen, die standvastige bewoners van een zandigen bodem, in
alle richtingen wegsnelden. Gedurende de eerste elf dagen, toen de
natuur nog sliep, bedroeg de gemiddelde temperatuur uit waarnemingen,
welke om de twee uur aan boord van de Beagle gedaan werden, 51°; en
op het midden van den dag steeg de thermometer zelden boven 55°. Op
de elf volgende dagen, toen alle levende wezens zoo bezield werden,
was de gemiddelde temperatuur 58°, en op het midden van den dag
wisselde zij tusschen 60° en 70°. Hier was dus een stijging van 7°
voor de gemiddelde, maar eene grootere voor de maxima-temperatuur
voldoende om de levens-functiën te doen ontwaken.

Te Montevideo, waar wij pas van daan waren gezeild, bedroeg in de 23
dagen tusschen 26 Juli en 19 Augustus de gemiddelde temperatuur uit 276
waarnemingen 58.4°; de heetste dag was gemiddeld 65.5° en de koudste
46°. Het laagste punt waarop de thermometer viel was 41.5°, en op het
midden van den dag steeg hij soms tot 69° of 70°. Ondanks deze hooge
temperatuur, lagen bijna alle kevers, verscheidene soorten spinnen,
slakken en landschelpdieren, padden en hagedissen verstijfd tusschen
de steenen. Boven hebben wij echter gezien, dat in het 4° zuidelijker
gelegen Bahia Blanca, waar het klimaat dus slechts zeer weinig kouder
is, diezelfde temperatuur met eene iets lagere maxima voldoende was
om alle klassen van bezielde wezens te doen ontwaken. Dit toont aan
hoe nauwkeurig de prikkel, noodig om overwinterende dieren te doen
herleven, beheerscht wordt door het gewone klimaat van het district,
en niet door de absolute warmte.

Het is een welbekend feit, dat de overwintering, of juister gezegd de
overzomering der dieren binnen de keerkringen niet door de temperatuur,
maar door de tijden van droogte bepaald wordt. Bij Rio de Janeiro
trof mij allereerst de ontdekking, dat eenige kleine holten weinige
dagen nadat zij met water waren gevuld, bevolkt waren door tal van
volwassen schelpdieren en kevers, die daar in slapenden toestand
gelegen moeten hebben. Humboldt heeft het zonderlinge feit vermeld,
dat eene hut gebouwd was op eene plek waar een jonge krokodil in den
harden modder begraven lag. Hij voegt er bij: "De Indianen vinden
dikwerf reusachtige boa's, die zij Uji of waterslangen noemen,
in denzelfden verdoofden staat. Om ze te doen herleven, moeten zij
geprikkeld of met water worden bevochtigd."

Terloops wil ik een ander dier vermelden (Virgularia Patagonica,
naar ik meen), eene soort Zeeveder (Pennátula) en tot de Zoophyta
of Plantdieren behoorende. Het bestaat uit een dunnen, rechten,
vleezigen steel met afwisselende rijen poliepen aan elken kant,
binnen welken eene veerkrachtige steenen as, waarvan de lengte
afwisselt van acht inches tot twee voet. De steel is aan het eene
einde afgeknot, maar eindigt aan het andere in een wormvormig vleezig
aanhangsel. De steenachtige as, die aan den steel vastheid geeft,
vertoont geen andere bijzonderheid dan dat zij met dit einde uitloopt
in een zakje, dat met korrelachtige stof gevuld is. Bij laag water kan
men honderden van die zoophyta als stoppels, met het afgeknotte eind
omhoog, enkele inches boven de oppervlakte van het modderige zand
zien uitsteken. Raakt men ze aan of trekt men er aan, dan trekken
zij zich plotseling met zulk een kracht in, dat zij bijna of geheel
verdwijnen. Door deze werking moet de zeer veerkrachtige as aan haar
ondereinde, waar zij uiteraard eenigszins gekromd is, gebogen worden;
en ik denk, dat de zoöphiet alleen door deze veerkracht in staat is
weer door den modder boven te komen. Ondanks de nauwe vereeniging met
hare natuurgenooten, heeft elke poliep een duidelijken mond, lichaam
en voelhorens. Bij een groot exemplaar moeten vele duizenden van deze
poliepen bestaan; toch zien wij dat alle door ééne beweging gedreven
worden. Ook hebben zij ééne centrale as, die in verband staat met
een onbekend circulatie-stelsel; en de eieren worden voortgebracht in
een orgaan, dat onafhankelijk is van elk individu afzonderlijk. [104]
Terecht mag hier de vraag gedaan worden: wat is dit voor een individu?

Het is altijd van belang na te gaan op welken grondslag de
zonderlinge verhalen der oude reizigers berusten; en ik twijfel
niet of de eigenschappen van deze Virgularia verklaren een dergelijk
geval. Kapitein Lancaster verhaalt in zijne reis [105] van 1601, dat
hij in het zeezand van het eiland Sombrero in Oost-Indië "een klein
takje vond, dat als een jonge boom opgroeit, maar bij een poging om
het uit te rukken, tot den grond toe inkrimpt en wegzinkt, tenzij
dat men het stevig vasthoudt. Rukt men het uit, dan vindt men dat
zijn wortel uit een grooten worm bestaat; deze worm wordt kleiner,
naarmate de boom wast; en zoodra de worm geheel in een boom veranderd
is, wortelt hij in de aarde en bereikt zoo zijne volle grootte. Deze
gedaanteverwisseling is een van de zonderlingste wonderen, die ik
op al mijne reizen zag; want als deze boom, terwijl hij nog jong
is, uit den grond wordt getrokken en van bast en bladeren beroofd,
wordt hij, gedroogd, zoo hard als steen, evenals witte koraal. Deze
worm ondergaat dus twee gedaanteverwisselingen in verschillende
natuurrijken. Wij hebben vele er van verzameld en thuis gebracht."


Tijdens mijn verblijf te Bahia Blanca, waar ik op de Beagle wachtte,
verkeerde de plaats in een voortdurenden staat van opwinding,
op geruchten van oorlogen en overwinningen tusschen de troepen van
Rosas en de wilde Indianen. Op zekeren dag kwam het bericht, dat eene
kleine afdeeling, op een der posten aan de lijn naar Buenos Aires,
tot den laatsten man vermoord was. Daags daarop kwamen 300 man van de
Colorado onder bevel van commandant Miranda. Onder deze bevond zich
een groot aantal tamme Indianen (mansos), behoorende tot den stam van
den Cacique Bernantio. Zij brachten hier den nacht door. Onmogelijk
kan men zich iets woesters en wilders voorstellen dan het tooneel van
hun bivouak. Enkelen dronken tot zij geheel bedwelmd waren; anderen
zwolgen het stroomende bloed van het vee, dat voor hun avondeten
geslacht was, bedronken zich tot zij alles weer uitbraakten, en
bevuilden zich zoo met bloed en onrein. Hier golden de woorden van
den Romeinschen dichter:


    "Nam simul expletus dapibus, vinoque sepultus
    Cervicem inflexam posuit, jacuitque per antrum
    Immensus, saniem eructans, ac frusta cruenta
    Per somnum commixta mero."

    (Want tegelijk vol van spijzen, en door den wijn overweldigd,
    Boog hij het hoofd neer, en lag in het hol
    Zoolang hij was: in zijn slaap geronnen bloed
    En bloedige brokken brakend, vermengd met wijn).


Des morgens vertrokken zij naar het tooneel van den moord, met bevel
om het spoor der Indianen te volgen, ook al zou hen dit naar Chili
leiden. Later hoorden wij, dat de wilde Indianen naar de groote Pampas
waren ontsnapt, en dat men hun spoor door de eene of andere oorzaak
verloren had. Eén blik op het spoor vertelt deze lieden eene geheele
geschiedenis. Onderstel dat zij het spoor van een duizendtal paarden
onderzoeken, dan zullen zij spoedig het getal bereden manschappen
raden door te zien hoe vele er in korten galop gereden hebben; uit
de diepte der andere indrukken--of er ook beladen paarden bij waren;
uit de onregelmatigheid der voetstappen--of zij vermoeid waren; uit
de wijze waarop het voedsel gekookt is--of de vervolgden in haast
voorttrokken; en uit het algemeene voorkomen van het spoor--hoelang
het geleden is dat zij voorbijgingen. Een spoor van tien of veertien
dagen beschouwen zij als versch genoeg om vervolgd te worden. Ook
vernamen wij, dat Miranda van het westelijke einde der Sierra Ventana
in rechte lijn voortrukte naar het 70 leagues van de monding der
Rio Negro gelegen eiland Cholechel. Dit is een afstand van tusschen
de twee- en driehonderd mijlen door een totaal onbekend land. Welke
andere troepen ter wereld zullen dit nadoen? Deze mannen, die geen
anderen gids hadden dan de zon, geen ander voedsel dan merrievleesch,
geen andere bedden dan hunne zadeldekken, zouden, zoolang er nog wat
water te vinden is, naar het einde der wereld kunnen trekken.

Weinige dagen later zag ik een anderen troep van deze bandietachtige
soldaten uittrekken op eene expeditie tegen een Indianenstam bij de
kleine Salinas, die door een gevangen Indiaanschen edelman verraden
was geworden. De Spanjaard, die het bevel tot deze expeditie bracht,
was een zeer schrander man. Hij deed mij een verhaal van het laatste
gevecht, dat hij had bijgewoond. Enkele gevangen genomen Indianen
brachten bericht van een stam, die ten noorden van de Colorado
leefde. Tweehonderd soldaten werden uitgezonden, die de Indianen
het eerst ontdekten aan een stofwolk, door de hoeven hunner paarden
bij het rijden opgejaagd. Het oord was bergachtig en woest, en
moest ver in 't binnenland gelegen zijn, want de Cordilleras waren
in zicht. De Indianen--mannen, vrouwen en kinderen--waren ongeveer
110 personen sterk en werden bijna alle gegrepen of gedood, daar de
soldaten elken man neersabelen. De Indianen zijn nu zoo verschrikt,
dat zij troepsgewijze geen weerstand bieden, maar vluchten en zelfs
vrouwen en kinderen in den steek laten; doch worden zij overvallen,
dan vechten zij als wilde dieren tot den laatsten man en tegen de
grootste overmacht. Een stervende Indiaan greep met zijn tanden den
duim van zijn tegenstander, en liet zich liever het oog uitsteken dan
den vinger loslaten. Een andere gewonde veinsde alsof hij dood was,
doch hield zijn mes gereed om opnieuw een noodlottigen stoot toe te
brengen. Mijn berichtgever zeide, dat hij een Indiaan vervolgde, die
om genade smeekte, maar tegelijk de bolas van zijn gordel losmaakte,
om deze om zijn hoofd te zwaaien en zoo zijn vervolgers te grijpen.

"Ik sloeg hem echter met mijn sabel tegen den grond, sprong toen van
mijn paard en sneed met mijn mes zijn keel af."

Dit is van Spaansche zijde een afschuwelijke daad; maar hoeveel
schandelijker nog is het onloochenbare feit, dat alle vrouwen boven
de 20 jaar in koelen bloede vermoord worden. Toen ik uitriep, dat
dit eigenlijk onmenschelijk was, antwoordde hij: "Och, wat hindert
het? Zij vermenigvuldigen zich zoo sterk!"

Elk hier is ten volle overtuigd, dat dit een rechtvaardige oorlog
is, omdat hij tegen barbaren gevoerd wordt. Wie zou gelooven, dat in
dezen tijd zulke wreedheden begaan konden worden in een christelijk,
beschaafd land? De Indiaansche kinderen worden gespaard om verkocht of
weggegeven te worden als dienstpersoneel--ook als slaven, voor zoolang
als de eigenaars hen daarvoor kunnen laten doorgaan. Ik geloof echter,
dat over de behandeling weinig te klagen valt.

In het gevecht reden vier mannen te zamen weg. Men vervolgde hen:
een werd gedood, en de drie anderen werden levend gevat. Zij bleken
boodschappers of afgezanten te zijn van een grooten troep Indianen,
die voor den algemeenen defensie-oorlog aan den voet der Cordilleras
bijeen was. De stam, tot wien zij gezonden waren, stond op het punt
een grooten raad bijeen te roepen; het gastmaal van merrievleesch
was gereed en de dans voorbereid; des morgens moesten deze gezanten
aan de Cordilleras terug zijn. Het waren bijzonder schoone mannen,
fraai gebouwd, meer dan zes voet lang, en allen nog geen 30 jaar
oud. De drie overgeblevenen waren natuurlijk in staat belangrijke
mededeelingen te doen; en om deze af te persen, werden zij op eene
rij gezet. Ondervraagd, antwoordden de twee eersten in 't Spaansch:

"No sé." (Ik weet het niet).

Achtereenvolgens werden beiden doodgeschoten. De derde zeide eveneens:

"No sé;" maar voegde er bij: "Tirad: yo soy hombre, y se
morir!" (Schiet: ik ben man en weet te sterven).

De dapperen wilden geen woord uitbrengen, dat de algemeene zaak van
hun land kon schaden! Het gedrag van den bovengenoemden edelman was
geheel anders: hij redde zijn leven door het voorgenomen krijgsplan
en het punt van samenkomst in de Andes te verraden. Naar men geloofde,
waren reeds zes- of zevenhonderd Indianen bijeen, en in den zomer zou
dit aantal wel verdubbelen. Men zou afgezanten sturen naar de Indianen
in de kleine Salinas bij Bahia Blanca, die, zooals ik zeide, door den
Indiaanschen edelman verraden waren. Bijgevolg strekt de gemeenschap
tusschen de Indianen zich uit van de Cordilleras tot aan de kust van
den Atlantischen Oceaan!

Het plan van generaal Rosas is: alle landloopers te dooden, de overigen
naar een gemeenschappelijk punt te drijven, en dan, geholpen door
de Chileenen, dezen geheelen troep in den zomer aan te tasten. Deze
veldtocht moet drie achtereenvolgende jaren herhaald worden. Dat men
den zomer kiest als tijd voor den hoofdaanval is, geloof ik, omreden de
vlakten dan gebrek aan water hebben, en de Indianen slechts in bepaalde
richtingen kunnen trekken. Het ontsnappen der Indianen ten zuiden van
de Rio Negro, waar zij in dit bijna onbekende land veilig zouden zijn,
wordt belet door eene overeenkomst tusschen Rosas en de Tehuelchen,
luidende: dat de generaal hun eene zekere som zal betalen voor het
dooden van elken Indiaan, die de rivier naar het zuiden overtrekt, maar
hen zelven zal uitroeien, indien zij de belofte niet nakomen. De oorlog
is hoofdzakelijk ondernomen tegen de Indianen bij de Cordilleras; want
vele stammen aan deze oostzijde vechten aan de zijde van Rosas. Daar
de generaal echter, evenals Lord Chesterfield, van meening is, dat
zijn vrienden van heden zijne vijanden in de toekomst kunnen worden,
plaatst hij hen steeds in de voorste gelederen, opdat hun aantal
zal afnemen. Sedert wij Zuid-Amerika verlieten hebben wij gehoord,
dat deze verdelgingsoorlog geheel mislukte.

Onder de in ditzelfde gevecht gevangen genomen meisjes, waren twee
zeer lieve Spaansche, die in hare vroege jeugd door de Indianen waren
weggevoerd en nu alléén Indiaansch konden spreken. Blijkens haar
verhaal waren zij van Salta afkomstig--een afstand van omtrent duizend
mijlen in rechte lijn gemeten. Dit geeft ons een grootsch idee van het
reusachtige gebied, waarover de Indianen zwerven; maar ondanks die
grootte, geloof ik niet, dat na een halve eeuw nog een enkele wilde
Indiaan ten noorden van de Rio Negro zal gevonden worden. De krijg
is te bloedig om lang te duren; de Christenen dooden elken Indiaan,
en de Indianen doen hetzelfde met de Christenen. Het zou een treurig
verhaal zijn, indien ik u vertelde hoe de Indianen voor de Spaansche
indringers geweken zijn. Schirdel zegt, dat er in 1535, [106] toen
Buenos Aires gesticht werd, dorpen waren, die twee- tot drieduizend
inwoners telden. Zelfs in Falconer's tijd (1750) deden de Indianen
tochten tot Luxan, Areco en Arrecife, doch nu zijn zij tot over
de Saldo verdreven. Niet slechts zijn geheele stammen uitgeroeid,
maar de overgebleven Indianen zijn veel wilder geworden; in plaats
van in groote dorpen te wonen en zich met de vischvangst zoowel als
met de jacht bezig te houden, zwerven zij nu op de open vlakten,
zonder woning of vaste bezigheid.

Ook hoorde ik een verhaal van een gevecht, dat enkele weken vóór
het straks gemelde op Cholechel had plaats gehad. Dit eiland is een
zeer belangrijk punt voor het overzetten van paarden over de rivier,
en was daarom een tijd lang het hoofdkwartier eener legerdivisie. Bij
hunne eerste komst aldaar vonden de troepen een afdeeling Indianen,
van wie zij 20 tot 30 doodden. De cacique ontkwam op eene wijze die
iedereen verbaasde. De Indiaansche hoofdlieden hebben altijd een
of twee uitstekende paarden, die zij voor dringende gevallen gereed
houden. Op een dezer paarden--een ouden schimmel--sprong de cacique,
zijn zoon met zich voerende. Het paard had toom noch zadel. Om de
kogels te ontwijken, reed de Indiaan op die bijzondere manier,
zijn volk eigen: namelijk met één arm om den hals van het paard
en het eene been op zijn rug. Terwijl hij zoo aan eene zijde hing,
streelde hij het paard over den kop en sprak het toe. De vervolgers
spanden alle krachten in om hem te bereiken: driemaal verwisselde
de commandant van paard--doch alles te vergeefs. De oude Indiaan en
zijn zoon ontkwamen en waren vrij. Welke fraaie schilderij kan men
zich in gedachten scheppen: de naakte, bronskleurige gestalte van den
ouden krijgsman met zijn jeugdigen knaap, die als een tweede Mazeppa
op zijn schimmel in duizelingwekkende vaart over de vlakte rent,
en de bende zijner vervolgers ver achter zich laat!

Op zekeren dag zag ik een soldaat vuur slaan met een stuk vuursteen,
dat ik terstond herkende als deel te hebben uitgemaakt van eene
pijlpunt. Hij vertelde mij, dat dit stuk bij het eiland Cholechel
gevonden was, en dat zij daar herhaaldelijk voorkwamen. Het was
tusschen de twee en drie inches lang, en dus tweemaal zoo groot als
die welke thans in Vuurland gebruikt worden. De spits was gemaakt
van doorschijnenden roomkleurigen vuursteen, maar de punten en
weerhaken waren met opzet afgebroken. Het is een welbekend feit, dat
Pampas-Indianen nu geen bogen en pijlen gebruiken; maar ik geloof,
dat een kleine stam in Oost-Banda daarop eene uitzondering maakt;
deze laatsten leven echter ver van de Pampas-Indianen gescheiden,
en grenzen dicht aan die stammen, welke de wouden bewonen en te voet
leven. Deze pijlpunten schijnen dus een antiquarisch overblijfsel
[107] te zijn van de Indianen vóór de groote verandering in hunne
leefwijzen, die op den invoer van paarden in Zuid-Amerika volgde.



HOOFDSTUK VI.

VAN BAHIA BLANCA NAAR BUENOS AIRES.


[8 September.]

Ik huurde een Gaucho om mij op mijn rit naar Buenos Aires te
vergezellen. Dit huren ging met eenige moeite gepaard, omdat de vader
van den man bevreesd was hem te laten gaan, terwijl een ander, die
oogenschijnlijk wel wilde, mij beschreven werd als zoo vreesachtig,
dat ik bang was hem te nemen; men zeide zelfs, dat, als deze man een
struisvogel in de verte zag, hij dit dier voor een Indiaan zou houden
en als de wind op de vlucht zou gaan. De afstand naar Buenos Aires is
omtrent 400 mijlen, welke weg bijna geheel door een onbewoond land
leidt. Wij reden vroeg in den morgen uit, stegen enkele honderden
voeten boven het groene grasdal waarin Bahia Blanca ligt, en kwamen
in eene uitgestrekte woeste vlakte. De bodem bestaat hier uit een
brokkelig mergelkalk-gesteente, dat wegens de droogte van het klimaat
niet anders voortbrengt dan verspreide bosjes verweerd gras, zonder
dat een enkele struik of boom de eentonigheid verbreekt.

Het weer was prachtig, maar de lucht opmerkelijk dampig. Ik dacht, dat
dit een storm voorspelde; maar de Gauchos zeiden, dat dit kwam omdat
de vlakte op grooten afstand in het binnenland in brand stond. Na een
langen galop en tweemaal van paarden verwisseld te hebben, bereikten
wij de Rio Sauce--een kleine, diepe, snelstroomende rivier van niet
meer dan 25 voet breedte. De tweede post op den weg naar Buenos Aires
ligt aan hare oevers; en iets verder op is eene waadbare plaats voor
paarden, waar het water niet tot aan hun buik reikt; maar vanaf dit
punt is de rivier in haar loop naar zee volkomen ondoorwaadbaar,
en vormt zoo een voortreffelijke grensscheiding tegen de Indianen.

In weerwil, dat deze stroom zoo onbeduidend is, stelt de Jezuïet
Falconer, wiens berichten in 't algemeen zeer nauwkeurig zijn, hem
voor als eene belangrijke rivier, die aan den voet der Cordilleras
ontspringt. Wat haren oorsprong betreft, twijfel ik niet of deze
opgaaf is juist; want de Gauchos verzekerden mij, dat deze stroom in
't midden van den drogen zomer tegelijk met de Colorado periodieke
vloeden heeft, die alleen ontstaan kunnen zijn door het smelten
van de sneeuw op de Andes. Dat zulk een kleine stroom, als de Sauce
toen was, het vasteland in zijne volle breedte zou doorsnijden, is
onwaarschijnlijk; en ware hij het overblijfsel eener groote rivier, dan
zouden zijne waters, gelijk in andere gevallen bevestigd is, inderdaad
zout bevatten. Des winters moeten wij de bronnen rondom de Sierra
Ventana als den oorsprong van zijn helderen, doorschijnenden stroom
beschouwen. Ik vermoed, dat de vlakten van Patagonië, evenals die in
Australië, van vele stroomen worden doorsneden, die hun eigenlijken
loop alleen in bepaalde perioden volbrengen. Waarschijnlijk is dit
het geval met het water, dat in het havenhoofd van Port Desiré vloeit,
alsmede met de Rio Chupat, op welker oevers de officieren, die met de
opmeting belast waren, groote hoeveelheden van zeer poreuze slakken
of scoriae gevonden hebben.

Daar het bij onze aankomst nog vroeg in den namiddag was, namen wij
versche paarden en een soldaat als gids, en reden naar de Sierra
de la Ventana. Deze berg is van de ankerplaats te Bahia Blanca
zichtbaar, en bezit volgens kapitein Fitz-Roy eene hoogte van 3340
voet [108]--een cijfer, dat voor deze oostzijde van het vasteland zeer
merkwaardig mag heeten. Ik weet niet of deze berg, vóór mijn bezoek,
reeds door een anderen vreemdeling bestegen is; maar zeker is 't dat
zeer weinige van de te Bahia Blanca in garnizoen liggende soldaten
iets van hem af weten. Zoo hoorden wij van steenkolenlagen, van goud
en zilver, holen en wouden: hetgeen alles mijne nieuwsgierigheid
prikkelde, maar per saldo teleurstelde. De afstand van den post
bedroeg ongeveer zes leagues, over eene effen vlakte van dezelfde
soort als te voren. Naarmate de berg echter zijn waren vorm begon
te vertoonen, werd de rit belangwekkender. Toen wij den voet der
hoofdsteilte bereikten, kostte het ons veel moeite wat water te
vinden, en dachten wij genoodzaakt te zullen zijn zonder dit den
nacht door te brengen. Eindelijk ontdekten wij iets door vlak bij den
berg te zoeken; want zelfs op enkele honderden yards afstand lagen de
stroompjes verscholen en verloren zij zich geheel in den brokkeligen
kalksteen en het losse puin van den berg.

Ik geloof niet, dat de natuur ooit een woesteren en meer verlaten
steenklomp schiep dan dezen berg, die terecht den naam van Hurtado of
"Ontvoerde" verdient. De berg is steil, uiterst ruw en gespleten,
en zoo geheel van boomen en zelfs struiken ontbloot, dat wij
inderdaad geen spit konden snijden om ons vleesch boven het vuur van
distelstengels te hangen. [109] De vreemde aanblik van dezen berg
vormt eene scherpe tegenstelling met de vlakte, die als een zee niet
alleen tot aan zijn steile hellingen reikt, maar ook de evenwijdige
bergreeksen scheidt. De eenvormige kleur geeft aan het geheele tafereel
een uiterst rustigen aanblik. Het witachtig grauw van het kwarts,
en het lichtkleurig bruin van het verweerde gras der vlakte worden
nergens door meer heldere tinten afgewisseld. Gewoonlijk verwacht
men in de nabijheid van een hoogen en steilen berg een ruw, oneffen
land te zien, bezaaid met groote steenbrokken. Hier toont de natuur,
dat de laatste beweging van een zeebodem, voordat hij in droog land
verandert, soms rustig kan zijn. Onder deze omstandigheden was ik
benieuwd te zien, hoe ver nog brokstukken van het oorspronkelijke
gesteente gevonden konden worden. Aan het zeestrand van Bahia Blanca,
en nabij de kolonie, waren enkele kwartssteenen, die stellig van deze
bron afkomstig waren. De afstand bedroeg 45 mijlen.

De dauw, die in den voornacht de zadeldekken bevochtigde waaronder
wij sliepen, was des morgens bevroren. Onmerkbaar was de vlakte,
welke horizontaal scheen, gestegen tot eene hoogte van 800 tot 900
voet boven de zee. In den morgen van 9 September stelde de gids mij
voor de naaste hoogte te beklimmen, die mij, zooals hij dacht, naar
de vier spitsen zou voeren, waarmee de top gekroond is. Het klimmen
over zulke ruwe rotsen was zeer vermoeiend; de zijden waren zoo
hoekig, dat wat men in de eene vijf minuten won, dikwijls in de vijf
volgende verloren ging. Toen ik eindelijk de hoogte beklommen had,
werd ik zeer teleurgesteld door de ontdekking, dat eene steile vallei
van gelijke diepte als de vlakte die de bergketen in tweeën sneed,
mij van de vier punten scheidde. Deze vallei is zeer nauw, maar heeft
een vlakken bodem en vormt een voortreffelijken pas voor de bereden
Indianen, doordien zij de vlakten aan de noord- en zuidzijden der keten
verbindt. Toen ik de helling afgedaald was, zag ik bij het oversteken
van de vallei twee paarden grazen. Dadelijk verborg ik mij in 't hooge
gras en bespiedde den omtrek; maar wijl ik geen spoor van Indianen
kon zien, begon ik voorzichtig mijne tweede bestijging. Het was laat
op den dag, en dit gedeelte van den berg was, evenals het andere,
steil en oneffen. Te twee ure was ik op den top der tweede hoogte,
die ik echter met de grootste moeite bereikt had; na elke 20 yards
had ik kramp in het bovengedeelte van mijne dijen, zoodat ik vreesde
niet in staat te zullen zijn weer omlaag te komen. Ook was het noodig
langs een anderen weg terug te keeren, daar er geen sprake van was
den genoemden pas nog eens over te steken. Ik was dus verplicht de
twee hooger gelegen toppen op te geven. Hunne meerdere hoogte was
echter gering, en het geologisch doel werd in alle opzichten bereikt,
zoodat het beklimmen de kans op verdere inspanning niet loonde. Ik
vermoed, dat de kramp veroorzaakt werd door de groote verandering in
den aard der spierbeweging: den overgang van het stramme rijden op
het nog strammere klimmen. Het is eene les, die men wel in gedachten
mag houden, daar zij in sommige gevallen veel last kan veroorzaken.

Reeds heb ik gezegd, dat de berg samengesteld is uit wit kwarts, dat
met eene geringe hoeveelheid glanzig leemschiefer vermengd is. Ter
hoogte van enkele honderden voeten boven de vlakte vertoonde het vaste
gesteente op verscheidene plaatsen instrooisels van conglomeraat. [110]
In hardheid en in den aard van het cement geleken deze conglomeraten
op de klompen, welke men dagelijks aan sommige kusten kan zien
vormen. Ik twijfel niet of deze steenen werden op eene dergelijke
wijze saamgevoegd, in een tijdperk toen de groote kalksteen-formatie
onder de aangrenzende zee werd afgezet. Wij mogen aannemen, dat de
gekloofde en gebeukte vormen van het harde kwarts nog de werkingen
vertoonen van de golven eener open zee.

Over het geheel had deze bestijging mij teleurgesteld. Zelfs het
uitzicht was onbeduidend: eene vlakte als eene zee, maar zonder hare
fraaie kleur en scherpe belijning. Toch was het tafereel nieuw, en
een weinig gevaar gaf er smaak aan, evenals zout aan vleesch. Dat het
gevaar zeer gering was, bleek uit het feit, dat mijne twee metgezellen
een flink vuur maakten--iets wat nooit gedaan wordt als men vermoedt,
dat er Indianen in de nabijheid zijn. Ik bereikte de plaats van
ons bivouak bij zonsondergang, dronk een groote hoeveelheid máte,
rookte verscheidene cigarritos, en maakte spoedig daarop mijn bed
gereed voor den nacht. Er woei een zeer krachtige en koude wind,
maar nooit sliep ik aangenamer dan toen.

[10 September.]

Des morgens kwamen wij, flink voortgejaagd door den storm, omstreeks
het midden van den dag aan den post Sauce. Onderweg zagen wij
eene groote menigte herten, en dicht bij den berg een guanaco. De
vlakte, die aan de Sierra grenst, wordt van eenige zonderlinge
waterloopen doorsneden, waarvan een omtrent 20 voet breed en
minstens 30 diep was. Dientengevolge waren wij genoodzaakt een
grooten omweg te maken, voordat wij een overweg konden vinden. Wij
bleven dien nacht bij den post; en zooals meestal het geval was,
liep het gesprek over Indianen. De Sierra Ventana was vroeger een
belangrijk vereenigingspunt; en drie of vier jaar geleden werd er druk
gevochten. Mijn gids was er bij geweest, toen vele Indianen gedood
werden; de vrouwen vluchtten naar den top van den berg, en vochten
als razenden door het werpen van steenen. Vele redden zoo haar leven.

[11 September]

begaven wij ons naar den derden post, vergezeld van den luitenant, die
er het bevel voerde. Zooals het heet, bedraagt de afstand 15 leagues;
maar dit is slechts gissing, en meestal wordt hij overschat. De weg,
die over eene droge grasvlakte liep, bood niets belangrijks; en aan
onze linkerhand stonden op grooteren of kleineren afstand eenige lage
heuvels, die wij na een eind weegs overstaken, om naar den post te
komen. Vóór onze aankomst ontmoetten wij een grooten troep vee en
paarden, onder geleide van 15 soldaten; men zeide ons echter, dat
vele dieren verloren waren geraakt. Het is zeer moeilijk dieren over
de vlakten te drijven; want nadert des nachts een puma (Chileensche
leeuw), of zelfs een vos, dan is niets in staat te beletten, dat de
paarden zich in alle richtingen verstrooien; en een storm zal hetzelfde
doen. Kort te voren verliet een officier met 500 paarden Buenos Aires;
en bij zijne aankomst in het leger had hij er nog geen twintig.

Kort daarop bespeurden wij aan eene stofwolk, dat een troep
ruiters naar ons toekwam; en reeds op verren afstand herkenden mijne
metgezellen aan het lange over den rug golvende haar, dat het Indianen
waren. Meestal dragen de Indianen een haarband om het hoofd, maar
nooit een bedekking; en het zwarte, over hunne roodbruine aangezichten
fladderende haar verhoogt in buitengewone mate het woeste van hun
uiterlijk. Gelukkig bleken zij eene afdeeling te zijn van Bernantio's
bevrienden stam, die zout ging halen in een salina. De Indianen eten
veel zout, en hunne kinderen zuigen het als suiker. Deze gewoonte
verschilt zeer van die der Spaansche Gauchos, die, ofschoon dezelfde
leefwijs voerende, het bijna niet eten. Volgens Mungo Park [111]
hebben lieden, die van plantaardig voedsel leven, een onoverwinnelijke
begeerte naar zout. Toen de Indianen ons in vollen galop voorbijrenden,
knikten zij ons welgemoed toe; zij dreven een stoet paarden voor zich
uit en werden door een troep magere honden gevolgd.

[12 en 13 September.]

Twee dagen bleef ik bij dezen post in afwachting van een troep
soldaten, die, gelijk Generaal Rosas zoo vriendelijk was mij te
berichten, binnenkort naar Buenos Aires zouden vertrekken; en hij ried
mij aan van dat escorte gebruik te maken. In den morgen reden wij naar
eenige naburige heuvels, om het land in oogenschouw te nemen en de
geologische gesteldheid te onderzoeken. Na het middagmaal verdeelden
de soldaten zich in twee groepen, om hunne vaardigheid met de bolas
te beproeven. Twee speren werden op 35 yards afstand van elkander
in den grond gestoken, maar slechts eens van de vier of vijf keeren
geraakt of omslingerd. Men kan de bolas 50 tot 60 yards ver werpen,
doch met geringe zekerheid. Voor een man te paard is dat evenwel
anders; want wordt de snelheid van het paard gevoegd bij de kracht
van den arm, dan kunnen de bolas, naar men zegt, met goed gevolg 80
yards ver geslingerd worden. Als een bewijs van hare kracht, wil ik
meedeelen, dat, toen de Spanjaarden op de Falklands-Eilanden enkele
hunner landgenooten en alle Engelschen vermoordden, het volgende
plaats had. Een jonge, vreedzame Spanjaard liep weg, toen een kloek
gebouwd man, Luciano genaamd, hem in vollen galop achterna reed en
toeriep te blijven staan, zeggende dat hij hem alleen maar spreken
wilde. Juist toen de Spanjaard op het punt was eene boot te bereiken,
wierp Luciano de bolas, die zijne beenen met zulk eene kracht troffen,
dat hij neerstortte en eenigen tijd bewusteloos bleef. Toen Luciano
den man gesproken had, kon deze ontsnappen. Hij vertelde ons, dat
zijne beenen groote striemen vertoonden op de plek waar de riemen
omheen waren geslingerd, even alsof men hem met een zweep had geslagen.

Op het midden van den dag kwamen van den naasten post twee mannen
met een pak, dat naar den generaal moest worden gebracht: zoodat ons
gezelschap, behalve deze twee, dien avond bestond uit den luitenant
met zijne vier soldaten, mijn gids en mijzelf. De soldaten waren
zonderlinge wezens: de eerste was een knappe, jonge neger, de
tweede half Indiaan, half neger; terwijl de twee anderen tot geen
enkele beschreven klasse behoorden: namelijk een oude Chileensche
mijnwerker met eene kleur van mahoniehout, en de andere een soort
van mulat, maar beide van zulk gemengd ras en met zulke verfoeilijke
gezichten, als ik nooit te voren gezien had. Toen zij des nachts om
het vuur zaten kaart te spelen, ging ik op een afstand dit Salvatore
Rosa-tableau gadeslaan. [112] Zij zaten onder een laag rotsblok, zoodat
ik van boven op hen neer kon zien; om hen heen lagen honden, wapens,
overblijfsels van herten en struisvogels; en hunne lange speren staken
in het gras. Verder op den donkeren achtergrond stonden hunne paarden
gekoppeld en gereed in geval van een onmiddellijk gevaar. Indien de
stilte der eenzame vlakte door het blaffen van een der honden gestoord
wierd, zou een soldaat terstond het vuur verlaten, het oor tegen den
grond drukken, en zoo aandachtig den horizon verkennen. Zelfs indien
de luidruchtige teru-tero zijn gegil liet hooren, zouden zij een poos
het gesprek staken, en allen voor een oogenblik het hoofd naar dien
kant wenden.

Hoe ellendig schijnt ons het leven, dat deze mannen leiden! Zij woonden
minstens 10 leagues van den Sauce-post; en sedert den moord door de
Indianen gepleegd, twintig leagues van een volgenden. Men onderstelt,
dat de Indianen hun aanval in 't midden van den nacht gedaan hebben,
want zeer vroeg in den morgen na den moord zag men hen dezen post
naderen. Dit was een geluk, want nu ontkwam de geheele bezetting
met de paarden, waarbij elk man een lijn in de hand hield en zooveel
paarden meêtrok, als hij kon leiden.

De kleine, uit distelstengels gebouwde hut waarin de soldaten sliepen,
was tegen wind noch regen bestand; bij regen was inderdaad het eenige
gevolg, dat het dak het water tot grootere druppels verdichtte. Zij
hadden niet anders te eten dan wat zij konden vangen: struisvogels,
herten, armadillen, enz.; en hun eenige brandstof waren de droge
stengels eener kleine plant, die eenigszins op een aloë geleek. De
eenige weelde, die deze mannen genoten, bestond in het rooken van
kleine papieren sigaren (cigarritos) en het slurpen van máte. Het
treurig lot dezer lieden trof mij nog meer, als ik de aasgieren, die
vaste begeleiders van den mensch op deze naargeestige vlakten, zoo
geduldig op de naburige klippen zag zitten, als zeiden zij tot zich
zelven: "Geduld, als de Indianen komen, zullen wij een feest hebben!"

Des morgens gingen wij allen uit jagen; en ofschoon wij niet veel geluk
hadden, waren er toch eenige opgewekte jachten. Kort nadat wij onderweg
waren verdeelde zich de troep, met de afspraak, dat allen op zekeren
tijd van den dag (dien men in de wildernis zeer juist weet te raden)
uit verschillende richtingen op een vlak terrein zouden samenkomen,
en zoo de wilde dieren bijeendrijven. Te Bahia Blanca ging ik eens uit
jagen; maar daar reden de mannen eenvoudig in eene halve maan, de een
omtrent een kwart-mijl van den anderen. Een fraaie mannetjes-struis,
die door de voorste rijders was omgereden, poogde aan eenen kant te
ontsnappen. De Gauchos vervolgden hem met achteloozen tred, doch
zwenkten hunne paarden op meesterlijke wijs, terwijl elk de bolas
om zijn hoofd zwaaide. Eindelijk wierpen de voorsten het werktuig
kronkelend door de lucht: de riemen strengelden zich om de pooten
van den struis--en in een oogwenk tuimelde de vogel het onderstboven.

De vlakten bevatten een overvloed van patrijzen, welke men vindt
in drie soorten, waarvan twee zoo groot als fazantenhennen. [113]
Hun verslinder, een kleine aardige vos, was er ook zeer talrijk: in
den loop van den dag zagen wij er niet minder dan veertig of vijftig;
en ofschoon zij meestal dicht bij hunne holen waren, gelukte het toch
den honden een te dooden. Toen wij naar den post terugkeerden, vonden
wij hier twee van ons gezelschap, die op eigen gelegenheid gejaagd en
een puma gedood hadden. Ook hadden zij een struisvogelnest gevonden,
waarin 27 eieren. Elk zoo'n ei wordt gezegd het gewicht te hebben
van 11 kippeneieren, zoodat wij uit dit eene nest evenveel voedsel
haalden als uit 297 kippeneieren.

[14 September.]

Daar de soldaten, die tot den naasten post behoorden, plan hadden terug
te keeren, en wij te zamen een gezelschap van vijf gewapenden zouden
vormen, besloot ik om niet op de beloofde troepen te wachten. Mijn
gastheer, de luitenant, verzocht mij dringend te blijven. Daar hij zeer
voorkomend geweest was, niet alleen door mij voedsel te verschaffen,
maar ook door mij zijne eigen paarden te leenen, diende ik hem eene
belooning te geven. Ik vroeg mijn gids of ik dit doen mocht, doch
hij ontkende dit ten stelligste, zeggende dat ik vermoedelijk tot
eenig antwoord zou krijgen: "Wij hebben vleesch voor de honden in
ons land, en misgunnen het dus een Christen niet!" Men onderstelle
evenwel niet, dat de rang van luitenant in zulk een leger een beletsel
zijn zou om betaling aan te nemen; het was slechts de ruime opvatting
van gastvrijheid, waarvan elk reiziger erkennen moet, dat zij in deze
streken bijna algemeen is. Na een galop van eenige leagues, kwamen wij
aan een lage, moerassige streek, die zich omtrent 80 mijlen noordwaarts
tot de Sierra Tapalguen uitstrekt. In sommige gedeelten waren fraaie
vochtige vlakten, met gras bedekt, terwijl andere een zachten,
zwarten, veenachtigen bodem hadden. Ook waren er vele uitgestrekte,
maar ondiepe meren, en groote rietbeddingen. Over het geheel geleek
het land op de betere gedeelten der Cambridgeshire-venen. Des nachts
kostte het ons eenige moeite, te midden der moerassen een droge plek
voor ons bivouak te vinden.

[15 September.]

Zeer vroeg in den morgen stonden wij op, en reden kort daarna voorbij
den post, waar de Indianen de vijf soldaten hadden vermoord. De
officier had achttien chuzo-wonden in het lichaam. Na een gestrekten
galop bereikten wij tegen het midden van den dag den vijfden post,
waar wij des nachts bleven, omdat het eenige moeite kostte paarden te
krijgen. Daar van de geheele linie dit punt het meest aan aanvallen
was blootgesteld, waren hier 21 soldaten geposteerd. Bij zonsondergang
keerden deze van de jacht terug, medebrengende zeven herten, drie
struisvogels, benevens vele armadillen en patrijzen. Het is een
algemeen gebruik om, als men door dit land rijdt, de vlakte in brand te
steken; en zoo was dan bij deze gelegenheid, des nachts, de horizon op
vele plaatsen door helle branden verlicht. Deels geschiedt dit branden
om zwervende Indianen te verontrusten, doch voornamelijk om de weide te
verbeteren. Op grasvlakten, die niet door de groote herkauwende dieren
worden bewoond, schijnt het noodig de overtollige vegetatie door vuur
te verwijderen, ten einde den groei voor het nieuwe jaar te bevorderen.

De rancho hier ter plaatse bezat zelfs niet de weelde van een dak,
maar bestond slechts uit een cilinder van distelstengels om de kracht
van den wind te breken. Hij lag aan den rand van een uitgestrekt,
maar ondiep meer, dat wemelde van wild gevogelte, waaronder de
zwarthalzige zwaan zeer in 't oog viel.

De soort pluvier, die er uitziet alsof hij op stelten loopt (Himantopus
nigricollis), komt hier in zeer talrijke zwermen voor. Ten onrechte
heeft men hem van onbevalligheid beticht: bij het waden door ondiepe
plassen, die zijn lievelingsverblijf vormen, is zijn houding of gang
verre van plomp. In een zwerm vereenigd, brengen deze vogels een
geluid voort, dat eene zonderlinge overeenkomst heeft met den kreet
van een troep jonge honden in vollen draf; en meer dan eens ben ik een
oogenblik geschrokken als ik, des nachts wakker geworden, het geluid in
de verte hoorde. De teru-tero (Vanellus cayanus) is een andere vogel,
die menigmaal de stilte van den nacht verbreekt. In uiterlijk en
gewoonten gelijkt hij in vele opzichten op onze kieviten (Vanellus);
maar zijne vleugels zijn met scherpe sporen gewapend, evenals die aan
de pooten van den gewonen haan. Gelijk onze kievit zijn naam ontleent
aan het geluid zijner stem, zoo ook de teru-tero. Bij het rijden over
de grasvlakten wordt men voortdurend door deze vogels vervolgd, die de
menschheid schijnen te haten, en die zeker op hunne beurt verdienen
gehaat te worden wegens hun onophoudelijk en onveranderlijk rauw
gegil. Voor de jagers zijn zij uiterst hinderlijk, omreden zij elk dier
of vogel hunne nadering verkondigen; daarentegen kunnen zij, zooals
Molina zegt, den reiziger in dit land misschien van nut wezen, door
hem voor den nachtelijken roover te waarschuwen. In den broedtijd pogen
zij, evenals onze kieviten, honden en andere vijanden van hunne nesten
af te leiden, door den schijn aan te nemen dat zij gewond zijn. De
eieren van deze vogels worden als eene groote lekkernij beschouwd.

[16 September]

gingen wij naar den zevenden post aan den voet van de Sierra
Tapalguen. Het land was geheel vlak en bestond uit een met grof gras
begroeiden, zachten veengrond. De rancho was hier bijzonder netjes: hut
en balken waren gemaakt van ongeveer een dozijn droge distelstengels,
onderling door riemen van huiden verbonden; en met deze Ionische
zuilen tot steun, waren dak en wanden met riet gedekt. Men vertelde
ons hier een feit, dat ik haast niet zou gelooven, indien ik niet
voor een deel er van getuige was geweest. Den vorigen nacht had het
vreeselijk gehageld; er waren korrels gevallen zoo groot als kleine
appelen en verbazend hard: en met zulk eene kracht, dat zij het meeste
wild gedood hadden. Een der soldaten had reeds 13 doode herten (Cervus
campestris) gevonden, wier versche huiden mij getoond werden. Een
ander van den troep bracht, kort na mijne komst, er nog zeven mee. Nu
weet ik dat één man, zonder honden, nog geen zeven herten in de week
kan dooden. De mannen meenden ongeveer 15 doode struisvogels gezien
te hebben, waarvan wij een gedeeltelijk tot middagmaal kregen; en
zij zeiden, dat er verscheidene rondliepen, die aan één oog blind
schenen te zijn. Een menigte kleine vogels, als eenden, valken en
patrijzen waren gedood. Ik zag een der laatsten met een zwarte vlek
op den rug, alsof hij door een straatsteen getroffen was. Eene haag
van distelstengels om de hut was bijna geheel vernield; en de man,
die mij dit vertelde, kreeg, toen hij ging kijken wat er gebeurde, eene
ernstige wond, waarom nu een verband zat. Men zeide, dat de donderbui
over eene beperkte ruimte gewoed had; en inderdaad hadden wij uit
ons bivouak van den vorigen nacht eene zwarte wolk met bliksemlicht
in deze richting gezien. Het is merkwaardig, dat zulke sterke dieren,
als herten, hierdoor gedood konden worden; maar op grond van hetgeen
ik gezegd heb, geloof ik, dat de geschiedenis geenszins overdreven
is. Intusschen doet het mij genoegen, dat de geloofwaardigheid er van
door den Jezuïet Dobrizhoffer versterkt wordt, die, sprekende van een
land ver noordwaarts gelegen, zegt, dat er hagelkorrels vielen van
verbazende grootte, die eene groote menigte vee doodden. De Indianen
noemden daarom die plaats "Lalegraicavalca," hetgeen zeggen wil:
"De kleine witte dingen." [114] Ook deelt Dr. Malcolmson mij mede,
dat hij in 1831 in Indië een hagelstorm heeft bijgewoond, die tal van
groote vogels doodde en het vee zeer teisterde. Deze hagelsteenen waren
plat: een had een omtrek van 10 inches, en een ander woog twee ounces
(56,7 gram). Zij ploegden een pad van kiezelsteenen als geweerkogels
om, en sloegen ronde gaten in glasruiten zonder ze te breken.

Na afloop van ons maal van "neergehageld" vleesch, trokken wij
over de Sierra Tapalguen--een lage bergketen van enkele honderden
voeten hoogte, die bij Kaap Corrientes begint. Het gesteente in dit
gedeelte is zuiver kwarts; verder oostwaarts bevat het, geloof ik,
graniet. De bergen hebben een merkwaardigen vorm: zij bestaan uit
vlakke stukken tafelland, omgeven door lage loodrechte klippen, evenals
de uitloopers eener sedimentaire formatie. De berg, dien ik besteeg,
was zeer klein--niet meer dan een paar honderden yards in middellijn;
maar ik zag andere, grootere. Een, die den naam van "Corral" voert,
werd gezegd eene middellijn te hebben van twee of drie mijlen, en
omsloten te zijn door loodrechte klippen van tusschen 30 en 40 voet
hoogte--behalve op één plek, waar de ingang ligt. Falconer [115]
doet een merkwaardig verhaal van de wijze waarop de Indianen troepen
wilde paarden in dezen corral drijven en hier gevangen houden door
den ingang te bewaken. Nooit heb ik van een ander geval gehoord, dat
tafelland in eene kwarts-formatie voorkwam en, zooals in den door mij
onderzochten berg, splijting noch laagvorming vertoonde. Men vertelde
mij, dat het gesteente van den "Corral" wit was en vuur kon slaan.

Niet voordat het donker was, bereikten wij den post aan de Rio
Tapalguen. Gedurende het avondeten hoorde ik hier een uitdrukking, die
mij, bij de gedachte, dat ik bezig was een der lievelingsschotels van
het land te eten--namelijk een halfvoldragen kalf in een stadium van
lang vóór de geboorte--plotseling met afgrijzen vervulde. Het bleek
een puma te zijn, wiens vleesch zeer wit is en in smaak bijzonder op
kalfsvleesch gelijkt. Dr. Shaw werd uitgelachen toen hij verklaarde,
dat "het vleesch van den leeuw zeer in trek is, en zoowel in kleur,
smaak als geur niet weinig op kalfsvleesch gelijkt." Met den puma is
dat zeker het geval. De Gauchos zijn het niet eens omtrent de vraag
of de jaguar een goed eten is, maar zeggen eenstemmig, dat de kat
uitmuntend is.

[17 September.]

Wij volgden den loop van de Rio Tapalguen door eene zeer vruchtbare
streek tot aan den negenden post. Tapalguen zelf, of de stad van
dien naam (indien zij zoo heeten mag) bestaat uit een volkomen
effen vlakte, die, zoover het oog reikt, bezet is met de toldos
of ovenvormige hutten der Indianen. Hier woonden de familiën der
bevriende Indianen, die aan de zijde van Rosas streden. Wij ontmoetten
en haalden vele jonge Indiaansche vrouwen in, die met tweeën of drieën
op één paard zaten; zij waren, evenals vele van de jongere mannen,
bijzonder schoon, en hare fraaie roode aangezichten vormden een
toonbeeld van gezondheid. Behalve de toldos, waren er drie ranchos:
een bewoond door den commandant, en de twee andere door Spanjaarden
die winkeltjes hielden.

Hier hadden wij gelegenheid wat beschuit te koopen. Ik had nu in
verscheidene dagen niet anders dan vleesch geproefd; wel stond
het nieuwe diëet mij volstrekt niet tegen, maar ik gevoelde, dat
ik het niet dan met groote moeite zou volhouden. Ik heb gehoord,
dat patiënten in Engeland, van wie verlangd werd zich uitsluitend
tot een dierlijk diëet te bepalen, zelfs met de hoop op levensbehoud
voor oogen bijna niet in staat waren het te verdragen. Toch eet de
Gaucho in de Pampas maanden lang niet anders dan rundvleesch. Maar,
wil ik opmerken, zij eten ook eene zeer groote hoeveelheid vet,
dat van minder dierlijk gehalte is, en hebben vooral tegen op droog
vleesch, zooals dat van het aguti. Ook heeft Dr. Richardson [116]
opgemerkt, dat "als menschen langen tijd alleen van mager dierlijk
voedsel hebben geleefd, de begeerte naar vet zoo onverzadelijk
wordt, dat zij eene groote hoeveelheid klaar en zelfs olieachtig vet
verteren kunnen zonder te braken." Dit, dunkt mij, is een merkwaardig
physiologisch feit. Misschien is het een gevolg van hun vleesch-diëet,
dat de Gauchos, evenals vleeschetende dieren, zoo lang buiten voedsel
kunnen. Men vertelde mij, dat eenige soldaten te Tandeel vrijwillig
een troep Indianen drie dagen lang vervolgden, zonder eten of drinken.

In de winkels zagen wij vele artikelen, als paardedekken, gordels
en kousebanden, door Indiaansche vrouwen geweven. De patronen waren
zeer aardig, met schitterende kleuren; de bewerking der kousebanden
was zoo goed, dat een Engelsch koopman te Buenos Aires beweerde,
dat zij in Engeland gemaakt moesten zijn, tot hij ontdekte, dat de
kwasten met gespleten zenuwen waren vastgehecht.

[18 September.]

Dezen dag hadden wij een zeer langen rit. Bij den twaalfden post,
die zeven leagues ten zuiden van de Rio Salado ligt, kwamen wij aan
de eerste estancia met vee en blanke vrouwen. Daarna moesten wij vele
mijlen door een overstroomd land rijden, waar onze paarden tot boven
de knieën door het water liepen. Door de stijgbeugels te kruisen,
en op zijn Arabisch met opgetrokken beenen te rijden, wisten wij
ons tamelijk droog te houden. Het was ongeveer donker toen wij aan
de Salado kwamen: de stroom was diep en omtrent 40 yards breed;
maar in den zomer wordt hare bedding bijna droog, en is het weinige
overgebleven water haast zoo zout als zeewater. Wij sliepen in een
der groote estancias van generaal Rosas. Deze was versterkt en zoo
uitgestrekt, dat ik, in donker aankomende, eene stad of vesting
voor mij dacht te zien. Des morgens zagen wij onafzienbare kudden
vee--het eigendom van den generaal, die hier 47 vierkante leagues
land had. Vroeger waren ongeveer 300 man rondom deze estancia
geposteerd, die alle aanvallen der Indianen afsloegen.

[19 September.]

Wij trokken door La Guardia del Monte. Dit is een aardig uitgebouwd
stadje met vele tuinen vol perzik- en kweepereboomen. De vlakte
had hier hetzelfde voorkomen als die om Buenos Aires, met kort en
lichtgroen gras, met klaver- en distelvelden, en ook bizcacha-holen. Ik
stond zeer verrast door de zichtbare verandering in voorkomen van
het land, nadat ik de Salado was overgetrokken. Uit een grove weide
kwamen wij op een tapijt van fraai groen gras. Eerst schreef ik den
overgang toe aan eene kleine verandering in den aard van den grond;
maar de inwoners verzekerden mij, dat hier zoowel als in Oost-Banda,
waar een even groot verschil bestaat tusschen het land om Montevideo
en de dun bevolkte savanas van Colonia--het geheele verschijnsel was
toe te schrijven aan de bemesting en het grazen van het vee. Volmaakt
hetzelfde feit is waargenomen in de prairiën van Noord-Amerika,
[117] waar grof gras van tusschen de vijf en zes voet hoogte in
gewoon weiland verandert, zoodra er vee op graast. Ik ben niet genoeg
plantkundige om te zeggen, of de verandering hier is toe te schrijven
aan den invoer van nieuwe species, aan den gewijzigden groei van
dezelfden, òf aan een verschil in hare getalverhoudingen. Ook Azara
heeft met verbazing deze verandering opgemerkt; ook hij is zeer
verrast door de plotselinge verschijning van planten, niet in den
omtrek voorkomende, aan de kanten van een pad of spoor, dat naar eene
nieuw gebouwde hut leidt. Elders zegt hij: "ces chevaux (sauvages)
ont la manie de préférer les chemins et le bord des routes pour déposer
leurs excréments, dont on trouve des monceaux dans ces endroits." [118]
Wordt het feit niet gedeeltelijk hieruit verklaard? Zoo dienen strooken
vetbemest land als verbindingswegen door uitgebreide districten.

In de nabijheid van Guardia vinden wij de zuidelijke grens van twee
Europeesche planten, die nu buitengewoon talrijk worden. De Venkel
(Anethum foeniculum) bedekt in grooten overvloed de slootkanten in
den omtrek van Buenos Aires, Montevideo en andere steden. Maar de
Cardón of Spaansche (Stekelige) Artisjok (Cynara cardunculus) [119]
heeft eene veel grootere verspreiding, en komt op deze breedten in
het werelddeel aan beide zijden van de Cordilleras voor. Ik zag haar
op onbewoonde plaatsen in Chili, Entre Rios en Oost-Banda. Alleen
in laatstgenoemd land zijn talrijke (waarschijnlijk vele honderden)
vierkante mijlen met een dicht, voor mensch en dier ondoordringbaar
bosch van deze stekelige planten bedekt. Op de golvende vlakten, waar
deze groote bosschen voorkomen, kan tegenwoordig niets anders leven;
maar vóór hare invoering moet de grond, evenals op andere gedeelten,
eene welige gras-vegetatie hebben gehad. Ik betwijfel of een tweede
voorbeeld bekend is, dat eene plant op zoo groote schaal een inval op
inheemsche planten heeft gedaan. Zooals ik reeds gezegd heb, zag ik den
cardón nergens ten zuiden van de Salado; maar het is waarschijnlijk,
dat deze plant haar gebied zal uitbreiden, naarmate het land meer
bewoond wordt. Anders staat het met den Reuzendistel der Pampas (met
bespikkelde bladeren); want dezen vond ik in het dal van de Rio Sauce.

Volgens de zoo juist geschreven "Principles" van Charles Lyell,
hebben weinige landen meer merkwaardige veranderingen ondergaan dan
La Plata, sedert er in 1535 de eerste kolonist met 72 paarden voet
aan land zette. De tallooze kudden paarden, vee en schapen hebben
niet alleen het geheele aanzien der flora veranderd, maar bijna het
guanaco, het hert en den struisvogel verdreven. Evenzoo moeten tal van
andere veranderingen hebben plaats gehad; het wilde zwijn vervangt in
sommige gedeelten waarschijnlijk het pecari; troepen wilde honden kan
men hooren huilen op de begroeide oevers der minder bevaren stroomen,
en de gewone kat, nu veranderd in een groot en wild dier, bewoont
de rotsachtige heuvels. Zooals d'Orbigny heeft opgemerkt, moet de
vermeerdering in aantal van de aasgieren sedert den invoer der tamme
of huisdieren verbazend groot geweest zijn; en wij hebben de redenen
genoemd waarom wij gelooven, dat zij hunne zuidelijke grens hebben
uitgebreid. Zonder twijfel zijn, behalve de cardón en de venkel,
vele planten genaturaliseerd. Zoo zijn de eilanden bij den mond der
Parana dicht met perzik- en oranjeboomen bedekt, afstammende van zaden,
die er door het water der rivier zijn heengevoerd.

Toen wij te Guardia van paarden verwisselden, ondervroegen vele lieden
ons over het leger; en nooit zag ik eene geestdrift als daar betoond
werd over Rosas en het succes van "den rechtvaardigsten aller oorlogen,
omdat hij tegen barbaren gevoerd werd." Deze uitdrukking is--het
moet erkend worden--zeer natuurlijk; want tot voor korten tijd waren
mannen, vrouwen noch paarden voor de aanvallen der Indianen veilig. Wij
hadden een langen dagrit over dezelfde welige groene vlakte, waarin
talrijke afwisselende kudden, en hier en daar eene eenzame estáncia
in gezelschap van haar eenigen ombu-boom. Des avonds kwamen wij onder
een hevigen regen aan een posthuis, waar ons door den eigenaar gezegd
werd, dat, zoo wij geen behoorlijk paspoort hadden, wij dan moesten
voorbijgaan, aangezien er zooveel roovers waren, dat hij niemand
meer vertrouwde. Toen hij echter mijn paspoort las, dat begon met de
woorden: "El Naturalista Don Carlos," was hij even uitbundig in zijn
eerbied en beleefdheid, als te voren in zijn achterdocht. Wat een
natuuronderzoeker eigenlijk was--daarvan had hij, noch hadden zijn
landgenooten, geloof ik, eenig begrip. Doch waarschijnlijk verloor
mijn titel hierdoor niets in waarde.

[20 September.]

Omstreeks het midden van den dag kwamen wij te Buenos Aires. De
voorsteden der stad met hare hagen van Agave, [120] hare boschjes
olijf-, perzik- en wilgeboomen, die alle juist hunne frischgroene
bladeren ontplooiden, zagen er zeer aardig uit. Ik reed naar het
huis van Lumb, een Engelsch koopman, aan wiens vriendelijkheid
en gastvrijheid gedurende mijn verblijf in het land ik zeer veel
verplicht ben.

Buenos Aires is eene groote stad [121] en, naar mijn idee, eene van de
regelmatigste ter wereld. Alle straten kruisen elkander rechthoekig;
en daar de evenwijdige op onderling gelijke afstanden liggen, zijn de
huizen gegroepeerd in vierkanten van gelijke afmetingen, die quadras
worden genoemd. Anderzijds zijn de huizen zelve holle vierkanten,
daar alle kamers op een net binnenplaatsje uitkomen. Meestal zijn
zij slechts ééne verdieping hoog, met platte daken waarop stoelen
geplaatst zijn en waar de bewoners des zomers veel zitten. In het
midden der stad is de Plaza, waar de openbare gebouwen, het fort,
de hoofdkerk, e.a. staan. Vóór de omwenteling hadden hier ook de
oude onderkoningen hunne paleizen. Alle gebouwen, te zamen genomen,
bezitten veel architectonische schoonheid, ofschoon geen enkel daarop
in 't bijzonder kan roemen.

De groote corrál, waar de dieren bewaard en geslacht worden, die als
voedsel moeten dienen voor deze vleeschetende bevolking, is een gebouw,
dat de bezichtiging overwaard is. De kracht van het paard vergeleken
bij die van den os is bepaald verwonderlijk: een man te paard, die
zijn lazo om de horens van een beest heeft geworpen, kan het trekken
waarheen hij wil. Met uitgestrekte pooten den grond omploegende, tracht
het dier te vergeefs de kracht te weerstaan, en rent dan meestal in
volle vaart naar één kant. Maar onmiddellijk zwenkt het paard om den
schok te breken, en staat dan zoo pal, dat de os bijna omver wordt
geworpen, en men zich verwonderen moet dat daarbij zijn nek niet
breekt. Het is echter geen strijd waarin het alleen op kracht aankomt,
want de buikriem van het paard weegt op tegen den gestrekten hals
van den os. Op gelijke wijze kan een man het wildste paard bedwingen,
zoo hij het met den lazo vlak achter de ooren heeft gevangen. Als de
os naar de plek is getrokken waar hij geslacht moet worden, snijdt de
matadór [122] met groote voorzichtigheid zijne kniepezen door. Daarna
geeft men den doodelijken slag. Hartverscheurender geluid dan van
dezen wilden doodstrijd heb ik nooit gehoord. Dikwijls heb ik het op
verren afstand onderscheiden, en wist dan altijd dat het einde van den
strijd nabij was. De geheele aanblik is verschrikkelijk en walgelijk:
de grond is als met beenderen bezaaid, en ruiters en paarden zijn
doorweekt van geronnen bloed...



HOOFDSTUK VII.

VAN BUENOS AIRES NAAR SANTA FÉ.


[27 September.]

Des avonds ondernam ik een uitstapje naar Santa Fé, dat ongeveer 300
Engelsche mijlen van Buenos Aires aan de oevers der Parana gelegen
is. Na het regenachtige weder waren de wegen in de nabijheid der stad
buitengewoon slecht. Ik had nooit gedacht, dat een ossenwagen hier over
kon; zooals de wegen nu waren, vorderde men nauwelijks een mijl in het
uur, en vooruit liep een man om de beste richting aan te wijzen. De
ossen werden verschrikkelijk afgemat. Het is eene groote dwaling zoo
men meent, dat bij betere wegen en een versnelden gang het lijden
der dieren in dezelfde verhouding zou toenemen. Wij reden voorbij een
tros wagens en een troep beesten op weg naar Mendoza. De afstand is
ongeveer 580 geographische mijlen (1075 kilom.), en meestal wordt de
tocht in 50 dagen volbracht. Deze wagens zijn zeer lang, smal en met
riet overkapt; zij hebben slechts twee wielen, waarvan de middellijn
soms tien voet bedraagt. Elke wagen wordt door zes ossen getrokken,
die door een drijversprikkel van minstens 20 voet lengte voortgedreven
worden. Dit werktuig hangt in de kap; voor de disselossen houdt men
een kleineren prikkel in de hand, en voor het middelste paar dient
een punt, welke rechthoekig uit het midden van den langen steekt. Het
geheele toestel had veel weg van een of ander oorlogswerktuig.

[28 September.]

Wij trokken door het stadje Luxan, alwaar een houten brug over de
rivier ligt--iets wat in dit land een zeer ongewoon gebruik is, en
gingen ook door Areco. De vlakten waren schijnbaar effen, doch in
werkelijkheid niet, want op verschillende plaatsen was de horizon
niet te peilen. De estáncias staan hier ver van elkander, omreden
het land bedekt is met velden van een wrange soort klaver of van den
grooten distel, en er dus weinig goed weiland is. De laatsten, wel
bekend uit de heldere beschrijving van Sir F. Head, waren in dezen
tijd van het jaar voor twee derden volwassen; op sommige plaatsen
bereikten zij de hoogte van een paarderug, doch op andere waren
zij nog niet uitgekomen, en was de grond kaal en stoffig als op een
tolweg. De velden waren van het glanzigste groen en vertoonden eene
fraaie miniatuur-gelijkenis met gebroken boschland. Als de distels
volwassen zijn, zijn de groote velden ondoordringbaar, behalve langs
enkele paden, even ingewikkeld als in een doolhof. Deze zijn alléén
aan de roovers bekend, die hen in dit seizoen bewonen en 's nachts te
voorschijn komen om ongestraft te stelen en te moorden. Toen ik ergens
aan een huis vroeg of de roovers talrijk waren, kreeg ik ten antwoord:
"De distels zijn nog niet uit"--waarvan de beteekenis op het eerste
gehoor niet heel duidelijk was. Een tocht langs deze paden biedt weinig
belangrijks, wijl zij door weinig dieren of vogels bewoond worden,
met uitzondering van de bizcacha en haar vriend, den kleinen uil.

De bizcacha of het Peruaansch Konijntje [123] vormt naar men weet, een
sprekend kenmerk in de zoölogie der Pampas. Men vindt het zuidelijk
tot aan de Rio Negro op 41° breedte, maar niet lager. Het kan niet,
zooals het aguti, op de woeste grintvlakten van Patagonië leven,
maar verkiest een kleiachtigen of zandigen bodem, die een anderen en
meer overvloedigen plantengroei voortbrengt. Bij Mendoza, aan den voet
der Cordilleras, komt het dicht in de buurt der verwante hooglandsche
species voor. Het is een zeer opmerkelijk feit in zijne geographische
verspreiding, dat het, gelukkig voor de bewoners van Oost-Banda,
nooit ten oosten van de Uruguay-rivier gezien is, niettegenstaande
dat er vlakten in deze provincie zijn, welke uitmuntend voor zijne
leefwijze geschikt schijnen. De Uruguay heeft een onoverkomelijken
hinderpaal gevormd voor zijne verhuizing, ofschoon de breedere slagboom
van de Parana overschreden werd, en de bizcacha in de tusschen deze
twee groote rivieren gelegen provincie Entre Rios inheemsch is. Bij
Buenos Aires komen deze dieren uiterst veel voor. Hun meest gezocht
verblijf schijnen die gedeelten der vlakte te zijn, welke een half
jaar lang met geen andere planten dan reuzendistels bedekt zijn. De
Gauchos zeggen, dat het van wortels leeft, hetgeen wegens de groote
sterkte zijner knaagtanden en de soort plaatsen die het bezoekt, wel
waarschijnlijk lijkt. Des avonds komen de bizcachas in menigte naar
buiten, en zitten bij den ingang harer holen kalm op de hurken. Op
zulke oogenblikken zijn zij zeer mak; en een man, die ze te paard
voorbijrijdt, schijnt dan slechts een voorwerp van ernstige beschouwing
voor ze te zijn. Zij loopen zeer plomp, en hebben, als zij zich voor
een gevaar uit de voeten maken, met hare opgeheven staarten en korte
voorpooten veel weg van groote ratten. Haar vleesch, gekookt, is zeer
blank en goed, maar wordt zelden gebruikt.

De bizcacha heeft eene zeer zonderlinge gewoonte, hierin bestaande,
dat zij elk hard voorwerp naar de opening van haar hol sleept. Vele
beenderen van vee, steenen, distelstengels, harde aardkluiten, droge
mest, enz. worden in een ongeregelden hoop--dikwijls zooveel als
een kruiwagen bevatten kan--om elke groep holen bijeengebracht. Van
geloofwaardige zijde werd mij verteld, dat een heer gedurende een rit
in een donkeren nacht zijn horloge verloor. Des morgens keerde hij
terug, onderzocht den grond bij elk bizcacha-hol dat langs den weg lag,
en vond het spoedig, gelijk bij verwacht had. Deze gewoonte om alles
op te rapen wat ergens op den grond in de buurt zijner woning ligt,
moet het dier heel wat werk geven. Wáárom het gedaan wordt, kan ik in
de verste verte zelfs niet gissen: voor verdediging kan het niet zijn,
daar de afval in hoofdzaak boven de opening van het hol gelegd wordt,
dat onder een zeer kleinen hoek in den grond dringt. Ongetwijfeld
moet er een goede reden voor bestaan; maar aan de bewoners van het
land is zij geheel onbekend. Het eenige mij bekende feit, dat daarmeê
overeenkomt, is de gewoonte van dien buitengewonen Australischen
vogel (Calodera maculata), die een sierlijk gewelfden doorgang van
takjes maakt om in te spelen, en bij de plek land- en zeeschelpen,
beenderen en vogelveêren, vooral lichtkleurige, verzamelt. Gould, die
deze feiten beschreven heeft, meldt mij, dat de inboorlingen, als zij
een hard voorwerp verliezen, de speeldoorgangen onderzoeken; en hem
is bekend, dat op die manier eens een tabakspijp werd teruggevonden.

De kleine uil (Athene cunicularia), die zoo dikwijls genoemd is,
bewoont op de vlakten van Buenos Aires uitsluitend de holen der
bizcacha; maar in Oost-Banda is hij zijn eigen werkman. Overdag, doch
meer in 't bijzonder des avonds, kan men deze vogels dikwijls bij paren
in alle richtingen op de heuvels bij hunne holen zien staan. Zoo men
hen stoort, gaan zij òf in het hol, òf zij vliegen onder het uiten van
een schellen, rauwen kreet in merkwaardige bochten een kort eind weg,
keeren zich dan om en kijken onbeweeglijk naar hun vervolger. Soms
kan men hen des avonds hooren krassen. In de door mij geopende magen
van twee hunner vond ik overblijfsels van muizen, en eens zag ik
een kleine doode slang wegvoeren. Men zegt, dat slangen hun gewone
buit zijn gedurende den dag. Als een bewijs van welke verschillende
soorten voedsel uilen kunnen leven, wil ik hier vermelden, dat bij
een exemplaar hetwelk op de eilanden van den Chonos-Archipel gedood
werd, de maag vol tamelijk groote krabben was. In Indië bestaat een
visschende uilensoort, die eveneens krabben vangt. [124]

Des avonds staken wij op een eenvoudig, uit saamgebonden vaten
gemaakt vlot over de Rio Arrecife, en sliepen in het posthuis aan den
overkant. Ik betaalde dien dag voor 31 leagues paardenhuur; en hoewel
de zon blakerend heet was, gevoelde ik mij maar weinig vermoeid. Als
kapitein Head spreekt van 50 leagues rijden per dag, stel ik mij
den afstand niet voor als gelijk aan 150 Engelsche mijlen. In elk
geval bedroegen de 31 leagues, in rechte lijn gemeten, slechts 76
Eng. mijlen; dit vermeerderd met vier mijlen voor omwegen in geval
van een open land, zou, naar ik denk, een voldoenden maatstaf geven.

[29 en 30 September.]

Wij vervolgden onzen rit over vlakten van dezelfde gesteldheid. Te San
Nicolás zag ik voor het eerst de statige rivier Parana. Aan den voet
der rots, waarop San Nicolás ligt, lagen eenige groote schepen voor
anker. Voordat wij te Rosario kwamen, staken wij de Saladillo over, een
stroom van helder vlietend water, maar te zout om te drinken. Rosario
is eene groote stad [125] in eene doodsche effen vlakte, die een
zestig voet hoogen rotswand vormt boven de Parana. De rivier is hier
zeer breed, met vele eilandjes, die, evenals de overstaande oever,
laag en begroeid zijn. Men zou wanen een groot meer voor zich te zien,
indien de eilandjes met hunne rechtlijnige vormen niet terstond aan
stroomend water herinnerden. De klippen zijn het schilderachtigste
gedeelte: soms zijn zij zuiver loodrecht en van eene roode kleur;
andere keeren vormen zij groote gebroken rotsen, die met cactussen
en mimosa-boomen bedekt zijn. Het werkelijk grootsche van eene
reusachtige rivier als deze, beseft men eerst uit de overweging, welk
een belangrijk middel van gemeenschap zij vormt voor den handel van
het eene volk met het andere; welk een afstand zij doorloopt, en hoe
uitgestrekt het gebied is, waaraan zij het groote volume zoetwater
onttrekt, dat voorbij uwe voeten vloeit.

Vele leagues ten noorden en ten zuiden van San Nicolás en Rosario
is het land inderdaad vlak. Van hetgeen reizigers over dit zeer
vlakke voorkomen geschreven hebben, kan bijna niets overdreven
worden geacht. Toch kon ik bijna nooit een plek vinden, van waar,
als ik mij langzaam omdraaide, de voorwerpen in sommige richtingen
niet verder af gezien werden, dan in andere; en klaarblijkelijk wijst
dit op oneffenheid van terrein. Op zee ligt de horizon van iemand,
wiens oog zes voet boven de oppervlakte van het water is geplaatst,
op 2 4/5 mijl afstand. [126] Hoe vlakker het terrein, des te meer
ook nadert de horizon deze enge grenzen; en naar mijn idee, ontneemt
dit aan eene uitgestrekte effen vlakte geheel die grootschheid,
welke men denken zou dat zij bezat.

[1 October.]

Wij reden bij maanlicht weg, en kwamen bij zonsopgang aan de Rio
Tercero. Deze rivier wordt óok de Saladillo genoemd, en verdient dien
naam, want het water is brak. Ik bleef hier het grootste deel van
den dag, bezig met het zoeken naar fossiele beenderen. Behalve een
volledigen tand van den Toxodon en vele verspreide beenderen, vond ik
twee reusachtige skeletten, die, dicht bij elkander, als een verheven
beeldwerk uit den loodrechten oeverwand der Parana staken. Zij waren
echter zoo vergaan, dat ik slechts twee kleine stukken van een der
groote maaltanden kon meênemen; maar deze bewijzen voldoende dat de
overblijfsels tot een Mastodon [127] behooren--waarschijnlijk dezelfde
soort als die voorheen de Cordilleras in Opper-Peru in zoo groot aantal
bewoonde. De mannen, die mij in hunne kano vervoerden, zeiden dat
zij deze skeletten al lang gekend en zich dikwijls verwonderd hadden,
dat zij daar gekomen waren; maar het noodzakelijke van eene theorie
beseffende, waren zij tot de gevolgtrekking gekomen dat de Mastodon,
evenals de bizcacha, voorheen een graafdier was geweest! Des avonds
reden wij naar een ander veer en staken de Monge over: wederom eene
brakwater-rivier, die den droesem van het spoelwater der Pampas
medevoert.

[2 October.]

Onze tocht leidde door Corunda, dat om zijn bloeiende tuinen een der
aardigste dorpen was, die ik ooit zag. Van af dit punt naar Santa Fé
is de weg niet heel veilig. De westzijde der Parana is in noordelijke
richting onbewoond; dit heeft tengevolge, dat de Indianen soms tot
hier doordringen en de reizigers belagen. Ook is de gesteldheid
van het land daartoe gunstig; want in plaats van eene grasvlakte,
is hier een open boschland, bestaande uit lage stekelige mimosae. Wij
gingen langs eenige huizen, die geplunderd en sedert verlaten waren,
en zagen tegelijk een schouwspel dat mijne gidsen met de hoogste
voldoening bekeken. Het was het skelet van een Indiaan, die met de
droge huid om zijn gebeente, aan de takken van een boom hing.

Des morgens kwamen wij te Santa Fé, waar ik tot mijn verrassing
bemerkte welke groote klimaatverandering een breedte-verschil van
slechts drie graden tusschen deze plaats en Buenos Aires ten gevolge
had gehad. Dit bleek uit de kleeding en het uiterlijk der menschen,
uit de meerdere hoogte der ombu-boomen, het aantal nieuwe cactussen
en andere planten, maar vooral uit de vogels. In den loop van een uur
bespeurde ik een half dozijn vogels, die ik nooit te Buenos Aires
had gezien. In aanmerking genomen, dat er tusschen beide plaatsen
geen natuurlijke grensscheiding is, in de gesteldheid van het land
bijna dezelfde, zoo was het onderscheid veel grooter dan ik had
mogen verwachten.

[3 en 4 October.]

Deze beide dagen werd ik door hoofdpijn aan mijn bed gekluisterd. Eene
goedhartige oude vrouw, die mij oppaste, wilde mij een aantal
zonderlinge middelen laten beproeven. Een alledaagsch middel is, dat
men een blad van een oranjeboom of een stuk zwarte pleister aan elken
slaap hecht; en een nog algemeenere methode is, dat men een boon in
tweeën snijdt, de helften natmaakt en op elken slaap één legt, waar
zij licht zullen vastkleven. Het wordt niet raadzaam geacht de boonen
of de pleister te verwijderen, maar ze te laten afvallen; en zoo zal
iemand met zulke dingen op het hoofd op uwe vraag wat er aan scheelt,
soms ten antwoord geven: "Eergisteren had ik hoofdpijn." Vele van de
geneesmiddelen, die het volk in dit land gebruikt, zijn belachelijk
vreemd, maar te walgelijk om genoemd te worden. Een van de minst
vuile is, dat men twee jonge hondjes doodt, opensnijdt en hen aan
weerszijden van een gebroken lid vastbindt. Kleine onbehaarde honden
zijn zeer gezocht om aan de voeten van verminkte personen te slapen.

Santa Fé is een rustig stadje, dat zindelijk en goed onderhouden
wordt. [128] De gouverneur Lopez was een gewoon soldaat ten tijde der
revolutie, maar is nu 17 jaar aan het bewind. Deze bestendige regeering
is toe te schrijven aan zijne tyrannieke gewoonten, want tyrannie
schijnt voor deze landen nog beter geschikt dan een republikeinsch
bestuur. De geliefkoosde bezigheid van den gouverneur is het jachtmaken
op Indianen; onlangs vermoordde hij er 48, en verkocht de kinderen
voor den prijs van drie of vier pond het stuk.

[5 October.]

Wij trokken de Parana over naar Santa Fé Bajada, eene stad op
den overstaanden oever. De overtocht duurde eenige uren, wijl de
rivier hier uit een doolhof van kleine stroomen bestond, onderling
gescheiden door lage begroeide eilanden. Ik had een introductie-brief
aan een ouden Spanjaard uit Catalonië, die mij met de meest bijzondere
gastvrijheid behandelde. Bajada is de hoofdstad van Entre Rios. In
1825 had de stad 6000 inwoners en de provincie 30.000; maar ondanks
dit geringe cijfer, heeft geen provincie meer van bloedige en
wanhopige omwentelingen te lijden gehad, dan zij. Men pocht hier
op vertegenwoordigers, ministers, een staand leger en gouverneurs:
bijgevolg is het geen wonder, dat men zijn omwentelingen heeft. In
de toekomst zal dit een der welvarendste provinciën van La Plata
worden. [129] De bodem is afwisselend en vruchtbaar, en door hare
bijna eilandvormige gedaante bezit zij in de rivieren Parana en
Uruguay twee groote verbindingswegen.



Ik had hier een oponthoud van vijf dagen, welken tijd ik besteedde aan
het geologisch onderzoek van het naburige land, dat veel belangrijks
biedt. Wij zien hier, aan den voet der klippen, lagen met ingesloten
haaietanden en zeeschelpen van uitgestorven soorten opwaarts in
een verharden mergel overgaan, en verder in de roode kleiachtige
Pampas-aarde met hare kalkachtige verdikkingen en beenderen van
land-viervoeters. Deze loodrechte doorsnede zegt ons duidelijk,
dat hier eene groote baai met zuiver zoutwater gaandeweg inkromp en
eindelijk in eene modderige rivier-delta veranderde, waar drijvende
lijken werden heengevoerd. Te Punta Gorda in Oost-Banda vond ik
de delta-afzetting van de Pampas afgewisseld door een kalksteen,
die eenige van dezelfde uitgestorven zeeschelpdieren bevatte; dit
laatste wijst dus òf op eene verandering van de vroegere stroomingen,
òf, wat waarschijnlijker is, op eene hoogte-schommeling van den
bodem der oude rivier-delta. Tot voor korten tijd waren de redenen,
waarom ik de Pampas-formatie voor eene delta-afzetting hield, deze:
haar algemeen voorkomen, hare ligging bij de monding van de bestaande
groote Rio de la Plata, en de aanwezigheid van zooveel beenderen van
land-viervoeters. Maar nu heeft Prof. Ehrenberg de goedheid gehad voor
mij wat van de roode aarde te onderzoeken, welke diep uit het afzetsel,
dicht bij de skeletten van den mastodon, genomen was; en daarin vindt
hij talrijke infusiediertjes, deels zout-, deels zoetwater-vormen,
de laatsten met eene geringe meerderheid. Naar aanleiding daarvan
merkt hij op, dat het water brak moet geweest zijn. A. d'Orbigny
vond aan de oevers der Parana, ter hoogte van ongeveer honderd voet,
groote beddingen van een delta-schelpdier, dat nu honderd mijlen
stroomafwaarts dichter bij zee leeft; en dergelijke schelpdieren vond
ik op geringere hoogte aan de oevers van de Uruguay; dit bewijst, dat,
onmiddellijk voordat de Pampas onder langzame rijzing in droog land
veranderde, het daarop staande water brak was. Onder Buenos Aires
zijn gerezen beddingen met zeeschelpdieren van levende soorten, wat
eveneens bewijst, dat de periode der Pampas-rijzing in het jongste
of Quartaire Tijdvak viel. [130]

In de Pampas-formatie te Bajada vond ik het beenachtig pantser van een
kolossaal armadil-achtig dier, waarvan de binnenzijde, na verwijdering
van de aarde, er als een groote ketel uitzag. Ook vond ik tanden van
den Toxodon en Mastodon, benevens een tand van een paard in denzelfden
verkleurden en verweerden staat. Deze laatste tand boezemde mij veel
belang in, [131] en met nauwgezette zorg vergewiste ik mij, dat hij
tegelijktijdig met de andere overblijfsels begraven was. Ik wist toen
namelijk niet, dat onder de fossielen uit Bahia Blanca een paardetand
in het moedergesteente verborgen was; ook was toen niet met zekerheid
bekend, dat de overblijfsels van paarden in Noord-Amerika algemeen
zijn. Onlangs heeft Lyell uit de Vereenigde Staten een paardetand
meêgebracht; en het is een belangrijk feit, dat Prof. Owen bij geen
enkele versteende of jongere soort eenig spoor van karakteristieke
kromming kon vinden, totdat hij op het denkbeeld kwam den tand met
het door mij alhier gevonden exemplaar te vergelijken. Hij heeft
dit Amerikaansche paard Equus curvidens genoemd. Het is zeker een
wonderbaar feit in de geschiedenis der Zoogdieren, dat in Zuid-Amerika
een inheemsch paard geleefd heeft en verdwenen is, om in latere
eeuwen te worden opgevolgd door de tallooze kudden afstammelingen
van de enkele dieren, die door de Spaansche kolonisten zijn ingevoerd!

Dat in Zuid-Amerika een fossiel paard, een mastodon, wellicht
een olifant, [132] en een holhoornig herkauwend dier (door Lund
en Clausen in de holen van Brazilië ontdekt) bestaan, zijn zeer
belangwekkende feiten met betrekking tot de geographische verspreiding
der dieren. Verdeelen wij nu Amerika--niet bij de landengte van Panama,
maar langs het zuidelijk deel van Mexico op 20° breedte, [133] waar
het groote tafelland door zijn invloed op het klimaat, en omdat het
met uitzondering van eenige valleiën en een strook laagland aan de
kust, een breede slagboom is voor den trek der soorten--dan zullen
wij de twee zoölogische provinciën van Noord- en Zuid-Amerika scherp
tegenover elkander hebben gesteld. Slechts weinige species zijn den
slagboom doorgegaan, en kunnen als landverhuizers uit het zuiden worden
aangemerkt: zooals de puma, het opossum of Amerikaansche buideldier,
de kinkaju (Cercoleptes caudivolvolus) en het pecari. Zuid-Amerika
kenmerkt zich door zijn bezit van vele eigenaardige knaagdieren, eene
familie apen, de lama, het pecari, den tapir, buideldieren, en in 't
bijzonder door verschillende geslachten Edentata--eene orde, waartoe
de luiaards, de miereneters en armadillen behooren. Noord-Amerika,
daarentegen, kenmerkt zich (enkele treksoorten niet medegerekend)
door talrijke bijzondere knaagdieren, en door vier geslachten (os,
schaap, geit en antiloop) holhoornige herkauwers, van welke groote
afdeeling men niet weet, dat Zuid-Amerika eenige enkele species bezit.

Voorheen, maar in het tijdperk toen de meeste der nu bestaande
schelpdieren leefden, bezat Noord-Amerika, behalve holhoornige
herkauwers, den olifant, mastodon, het paard en drie geslachten
Edentata, namelijk: Megatherium, Megalonyx en Mylodon. In ongeveer
het zelfde tijdperk (zooals door de schelpdieren van Bahia Blanca
bewezen wordt), bezat Zuid-Amerika--naar wij straks gezegd hebben--een
mastodon, een paard, een holhoornigen herkauwer, en dezelfde drie
geslachten (tegelijk met vele andere) Edentata. Daaruit blijkt,
dat Noord- en Zuid-Amerika, toen zij in een vroeger geologisch
tijdperk deze vele geslachten gemeen hadden, in het kenmerk hunner
landbewoners veel nauwer aan elkaar verwant waren dan nu. Hoe meer
ik over deze zaak nadenk, des te belangwekkender schijnt zij mij:
ik ken geen ander voorbeeld, waar wij bijna kunnen aanduiden wanneer
en hoe één groot gebied gesplitst werd in twee scherp gekenmerkte
zoölogische provinciën. De geoloog, die onder den vollen indruk is
van de groote hoogte-schommelingen welke de aardkorst in vroegere
tijdperken onderging, zal niet schromen de latere rijzing van
het Mexicaansche tafelland, of wat waarschijnlijker is: de latere
landverdrinking in den Westindischen Archipel als de oorzaak te
beschouwen van de hedendaagsche zoölogische scheiding tusschen Noord-
en Zuid-Amerika. Het Zuidamerikaansche kenmerk der Westindische
zoogdieren [134] schijnt er op te wijzen, dat deze archipel voorheen
met het zuidelijk vasteland verbonden was, en in 't vervolg van tijd
een gezonken gebied is geworden.

Toen Amerika, en in 't bijzonder Noord-Amerika zijne olifanten,
mastodonten, zijn paard en holhoornige herkauwers bezat, was het in
zijne zoölogische kenmerken veel nauwer aan de gematigde deelen van
Europa en Azië verwant, dan het nu is. Daar de overblijfsels dezer
geslachten aan weerszijden van de Behring-Straat en in de vlakten van
Siberië gevonden worden, [135] zijn wij genoopt de noordwestzijde van
Noord-Amerika als het vroegere verbindingspunt aan te zien tusschen
de Oude en zoogenaamde Nieuwe Wereld. En aangezien zoo vele soorten,
levende en uitgestorvene, van deze zelfde geslachten de Oude Wereld
bewonen en bewoond hebben, lijkt het hoogst waarschijnlijk, dat de
Noord-Amerikaansche olifanten, mastodonten, paard en holhoornige
herkauwers over later gezonken land bij de Behring-Straat uit Siberië
naar Noord-Amerika verhuisden, en vandaar, over later gezonken land
in West-Indië, naar Zuid-Amerika, alwaar zij zich eenigen tijd met de
inheemsche vormen van dat zuidelijk vasteland vermengden, en sedert
uitgestorven zijn.



Op mijne reis door het land kreeg ik verscheidene levendige
beschrijvingen van de gevolgen eener groote droogte, die onlangs
geheerscht had; en het verhaal hiervan is wel geschikt om eenig
licht te werpen op de gevallen, waarin een groot aantal dieren
van alle soorten te zamen begraven werden. De tijdruimte begrepen
tusschen de jaren 1827 en 1832 wordt de "gran seco" of groote
droogte genoemd. Gedurende dien tijd viel zoo weinig regen, dat de
plantengroei, tot zelfs de distels, mislukte; de beken droogden uit, en
het geheele land kreeg het aanzien van een stoffigen heerweg. Dit was
vooral het geval in het noordelijk deel der provincie Buenos Aires en
in het zuidelijk deel van Santa Fé. Eene groote menigte vogels, wilde
dieren, vee en paarden stierven door gebrek aan voedsel en water. Een
man vertelde mij, dat de herten naar den put op zijne binnenplaats
plachten te komen, [136] dien hij genoodzaakt was geweest te graven, om
zijn gezin van water te voorzien, en dat de patrijzen nauwelijks kracht
hadden om weg te vliegen als zij vervolgd werden. Het verlies aan vee
in de provincie Buenos Aires alléén werd op minstens een millioen stuks
geschat. Een eigenaar te San Pedro had vóór deze jaren 20.000 stuks
vee; aan het einde bleef er geen enkel over. San Pedro is gelegen
te midden van de fraaiste landstreek, en heeft zelfs nu (Oct. 1833)
weer overvloed van dieren; maar in het laatste gedeelte van den "gran
seco" werd het levend vee, dat tot voedsel der bewoners bestemd was,
op groote schepen aangevoerd. De dieren dwaalden van hunne estancias
af, trokken ver naar het zuiden, en vermengden zich daar in zulke
menigte, dat eene Rijkscommissie uit Buenos Aires werd gezonden om
de geschillen der eigenaars te regelen. Sir Woodbine Parish vertelde
mij van eene andere en zeer merkwaardige aanleiding tot geschil:
wegens de groote droogte van den grond woeien zulke massa's stof op,
dat de landpalen in deze open streek overstoven werden, en de menschen
niet konden zeggen waar de grenzen hunner goederen waren!

Een ooggetuige deelde mij mede, dat het vee in kudden van duizenden
in de Parana liep, alwaar het, uitgeput van honger, de kracht
miste weder tegen de modderige oevers op te klimmen, zoodat het
verdronk. De rivierarm, die langs San Pedro vloeit, was zoo vol
verrotte lijken, dat een schippersbaas mij vertelde, dat de stank het
bepaald onmogelijk maakte er door te varen. Zonder twijfel kwamen
zoo vele honderdduizenden dieren in de rivier om: hunne rottende
lichamen zag men den stroom afdrijven, en naar alle waarschijnlijkheid
werden vele in de delta der Rio de la Plata begraven. Alle kleine
rivieren kregen een hoog zoutgehalte; en op sommige plaatsen
veroorzaakte dit den dood van talrijke individuën; want als een
dier van zulk water drinkt, herstelt het niet. Azara beschrijft
[137] de razernij der wilde paarden bij zulk eene gelegenheid,
die zich in de moerassen stortten, en waarbij de eerstaangekomenen
overstelpt en doodgedrukt werden door de volgenden. Hij voegt er bij,
dat hij meer dan eens een duizendtal lijken van wilde paarden zag,
die aldus waren omgekomen. Ik merkte op, dat de beddingen van kleine
stroomen in de Pampas met een beenderen-breccia bedekt waren; maar
waarschijnlijk was dit toe te schrijven aan eene gestadige toeneming,
in plaats van aan een ramp op een of ander tijdstip. Op de droogte van
1827 tot 1832 was een zeer regenachtig seizoen gevolgd, dat groote
overstroomingen veroorzaakte. Zoo is het bijna zeker, dat eenige
duizenden skeletten door de bezonken stoffen van het eerstvolgende
jaar begraven werden. Wat zou een geoloog er van denken, die zulk
eene ontzaglijke massa beenderen van alle diersoorten en alle tijden
aldus in een dikke aardachtige massa begraven zag? Zou hij dit niet
veeleer toeschrijven aan een vloed, die het land overstroomde, dan
aan den gewonen loop der dingen? [138]



[12 October.]

Ik had plan gehad mijne uitstapjes verder uit te strekken; maar daar
ik niet wel was, moest ik op een balandra of eenmast-vaartuig [139]
van omstreeks 100 ton lading en met bestemming naar Buenos Aires,
terugkeeren. Ten gevolge van het ongunstige weder vertuiden wij
vroeg op den dag aan den tak van een boom op een der eilanden. De
Parana is vol eilanden, die een bestendigen kringloop van verval en
vernieuwing ondergaan. Voorzoover de schipper zich herinnerde, waren
verscheidene groote verdwenen, en hadden weer andere zich gevormd,
die door plantengroei beschermd waren. Zij bestaan uit modderig
zand, zonder het kleinste kiezelsteentje, en lagen toen omstreeks
vier voet boven rivierpeil; maar gedurende de periodieke vloeden
zijn zij overstroomd. Alle vertoonen hetzelfde kenmerk: talrijke
wilgen en enkele andere boomen zijn door eene groote verscheidenheid
van slingerplanten saâmverbonden, waardoor een dicht kreupelbosch
ontstaat. Deze kreupelbosschen bieden eene schuilplaats aan capybara's
en jaguars. De vrees voor laatstgenoemd dier verdreef al het genot
om in de bosschen door te dringen. Hedenavond was ik nog geen honderd
yards gevorderd, toen ik de onmiskenbare teekenen van de aanwezigheid
van een tigre [140] ontdekte, en genoodzaakt was terug te keeren. Op
elk eiland waren deze sporen; en evenals op mijn vorigen tocht el
rastro de los Indios (het spoor der Indianen) het onderwerp der
gesprekken vormde, zoo was het hier el rastro del tigre.

De begroeide oevers der groote rivieren schijnen de geliefkoosde
schuilplaatsen van den jaguar te zijn; maar ten zuiden van de
Plata-rivier werd mij gezegd, dat zij het riet langs de meren
bewoonden. Waar zij ook zijn, schijnen zij water te verlangen. Hun
gewone prooi is de capybara, zoodat algemeen gezegd wordt, dat
daar waar de capybara's talrijk zijn, weinig gevaar voor den jaguar
bestaat. Falconer verklaart, dat bij de zuidzijde van de monding der
Plata-rivier vele jaguars zijn, en dat deze voornamelijk van visch
leven: welk verhaal ik meer gehoord heb. Aan de Parana hebben zij
vele houthakkers gedood, en bij nacht zelfs schepen geënterd. In
Bajada leeft thans een man, die, toen hij eens bij donker uit het
ruim van zijn schip kwam, op het dek gegrepen werd. Wel rukte hij
zich los, doch miste daarna het gebruik van zijn eenen arm. Als de
wassende stroomen deze dieren van de eilanden verdrijven, zijn zij
het gevaarlijkst. Men vertelde mij, dat enkele jaren geleden een zeer
groote jaguar eene kerk te Santa Fé binnendrong; twee priesters,
die achter elkander binnenkwamen, werden gedood; en een derde, die
kwam zien wat er gaande was, ontkwam ternauwernood. Het dier werd
afgemaakt, doordien men het uit een hoek van het gebouw, dat geen dak
had, doodschoot. In deze tijden richten zij ook groote verwoestingen
aan onder vee en paarden. Naar men zegt, dooden zij hun prooi door
hem den nek te breken. Worden zij van het lijk verjaagd, dan keeren
zij er zelden naar terug. De Gauchos zeggen, dat de jaguar op zijne
nachtelijke zwerftochten zeer wordt lastig gevallen door het gekef der
vossen, die hem volgen. Dit stemt op merkwaardige wijze overeen met
het algemeen bevestigde feit, dat jakhalzen op dergelijke officieuse
manier den Oostindischen tijger volgen. De jaguar is een luidruchtig
dier, dat des nachts herhaaldelijk brult, vooral wanneer slecht weêr
in aantocht is.

Op zekeren dag, toen ik aan de oevers van de Uruguay jaagde, werden
mij sommige boomen gewezen, waar deze dieren steeds heenloopen, om,
zoo het heet, hunne klauwen te scherpen. Ik zag drie welbekende boomen:
aan de voorzijde was de bast oogenschijnlijk door de borst van het
dier licht gesleten, en aan weerszijden waren diepe schrammen of
liever groeven, die schuins afloopend bijna een yard lang waren. De
schrammen waren van verschillenden ouderdom. Een gewoon middel om zich
te vergewissen of een jaguar in de buurt is, bestaat hierin, dat men
deze boomen onderzoekt. Ik stel mij voor, dat deze gewoonte van den
jaguar volkomen gelijk is aan die, welke men dagelijks bij de huiskat
zien kan, als deze met gestrekte pooten en uitgestoken nagels den poot
van een stoel schraapt; en ik heb gehoord, dat jonge vruchtboomen
in een boomgaard in Engeland hierdoor zeer geleden hadden. Ongeveer
eene dergelijke gewoonte moet ook den puma eigen zijn, want menigmaal
heb ik op den kalen harden bodem van Patagonië kepen gezien zóo diep,
dat een ander dier ze niet kon gemaakt hebben. Ik geloof, dat het doel
dezer handeling is de gescheurde punten van hunne klauwen af te vijlen,
en niet, zooals de Gauchos denken, om ze te scherpen. De jaguar wordt
zonder veel moeite gedood door middel van honden, die hem door hun
geblaf in een boom jagen, waar hij met kogels wordt afgemaakt.

Ten gevolge van slecht weder bleven wij twee dagen aan onze tuien
liggen. Ons eenig vermaak bestond in het vangen van visch voor ons
middageten; en de talrijke soorten die er waren, lieten zich alle
goed smaken. Een visch, genaamd de armado of wentelaar (Silurus),
is merkwaardig om het harde, knarsende geluid, dat hij maakt als
hij met lijn en haak gevangen wordt, en dat duidelijk gehoord wordt
als de visch onder water is. Dezelfde visch heeft het vermogen om
voorwerpen, zooals een riemblad of vischlijn met de sterke graten van
zijn borst- of rugvin stevig vast te grijpen. Des avonds was het weêr
bepaald tropisch, en stond de thermometer op 79°. Tal van vuurvliegen
fladderden rond, en de muskieten waren zeer lastig. Slechts vijf
minuten stak ik mijne hand uit, en weldra zag zij er zwart van; ik
geloof dat er niet minder dan vijftig waren--alle druk aan het zuigen.

[15 October.]

Wij gingen op weg en voeren langs Punta Gorda, waar eene kolonie
van tamme Indianen is uit de provincie Missiones. Snel zeilden wij
den stroom af; maar wegens eene kinderachtige vrees voor slecht
weêr, draaiden wij vóor zonsondergang bij in een smallen arm van
de rivier. Ik nam de boot en roeide een eind deze kreek in. Zij was
zeer smal, bochtig en diep; aan weerszijden een dertig tot veertig
voet hooge muur van boomen, door slingerplanten omkronkeld, die
aan de kreek een bijzonder duister aanzien gaf. Ik zag hier een
zeer zeldzamen vogel, den Schaarbek (Rhynchops nigra). Hij heeft
korte pooten, zwemvoeten, vleugels met buitengewoon lange punten,
en is ongeveer zoo groot als eene zeezwaluw. De bek is zijdelings
afgeplat, namelijk in een vlak loodrecht op dien van den lepelaar
of eend. Hij is zoo plat en buigzaam als een ivoren vouwbeen, en
de onderste kinnebak is, in tegenstelling met alle andere vogels,
anderhalve inch langer dan de bovenste.

In een meer nabij Maldonado, waaruit het water bijna weggevloeid was,
en dat bijgevolg krioelde van zwermen kleine visschen, zag ik vele
van deze vogels, meest in troepjes, snel voor- en achteruit dicht
boven de oppervlakte van het meer vliegen. Zij hielden hunne bekken
wijd open, en de onderste kinnebak half in het water gedompeld. Zoo
scherend langs de oppervlakte, kliefden zij die in hunne vlucht;
het water was geheel effen, en het zien van zulk een zwerm, waarvan
elke vogel zijn smal spoor op het spiegelend oppervlak achterliet,
vormde een zeer vreemd schouwspel. In hunne vlucht zwenken zij
telkens met verbazende rapheid om, en manoeuvreeren voortdurend met
hunne uitstekende onderkinnebak om vischjes op te duiken, die door de
kortere bovenhelft van hun schaarvormigen bek gegrepen worden. Dit
feit zag ik herhaaldelijk, terwijl zij, evenals zwaluwen, gestadig
voor- en achteruit langs mij heen vlogen. Als zij soms de oppervlakte
van het water verlieten, werd hunne vlucht wild, ongeregeld en snel;
dan stieten zij ook luide, harde kreten uit. Gedurende het visschen,
komt het voordeel van de lange eerste slagveêren hunner vleugels,
waardoor deze droog blijven, duidelijk aan het licht. Wanneer zij
zoo bezig zijn, gelijken hunne vormen op het symbool, waardoor vele
kunstenaars zeevogels voorstellen. Hunne staarten worden veel gebruikt
om hunne onregelmatige vlucht te sturen.

Deze vogels wonen ver landwaarts in langs den loop van de Rio Parana;
men zegt, dat zij hier het geheele jaar blijven en in de moerassen
broeden. Overdag rusten zij in zwermen op de grasvlakten, op eenigen
afstand van het water. Toen wij, zooals ik gezegd heb, in een der diepe
kreken tusschen de eilanden in de Parana voor anker lagen, daagde,
bij het vallen van den avond, plotseling een dezer schaarbekken
op. Het water was geheel stil, en vele kleine visschen kwamen naar
boven. Langen tijd scheerde de vogel over de oppervlakte, en vloog
op wilde, ongeregelde wijs de smalle kreek op en neer, die door de
toenemende duisternis en de schaduw der overhangende boomen bijna
geheel donker was. Te Montevideo bespeurde ik, dat eenige groote
zwermen over dag op de modderbanken aan het havenhoofd bleven,
op dezelfde manier als op de grasvlakten bij de Parana; en iederen
avond vlogen zij zeewaarts. Op grond van deze feiten vermoed ik,
dat de Rynchops in 't algemeen bij nacht vischt, als wanneer vele
lagere dieren in groote menigte naar de oppervlakte komen. M. Lesson
verklaart, dat hij deze vogels de schelpen der in de zandbanken op de
Chileensche kust begraven mactrae [141] heeft zien openen; maar hun
zachte snavel met ver vooruitspringende onderkinnebak, hunne korte
pooten en lange vleugels maken het zeer onwaarschijnlijk, dat deze
gewoonte algemeen is.

Toen wij de Parana afzakten, merkte ik slechts drie andere vogels op,
wier eigenschappen der vermelding waard zijn. De een is een kleine
ijsvogel (Ceryle Americana), die een langeren staart heeft dan de
Europeesche soort, en daardoor niet in zulk eene stijve en rechte
houding zit. Ook is zijn vlucht, in stede van recht en snel als de
loop van een pijl, mat en slingerend, evenals bij de zachtsnavelige
vogels. Hij stoot een lagen toon uit, die op het samentikken van
twee kleine steenen gelijkt. Een kleine groene papegaai (Conurus
murinus) met grijze borst, schijnt de hooge boomen op de eilanden als
bouwterrein boven elke andere plek te verkiezen. Een aantal nesten
zijn zoo dicht bij elkander geplaatst, dat zij éene groote massa
takjes vormen. Deze papegaaien leven altijd in troepen, en richten
groote verwoestingen aan in de korenvelden. Men verzekerde mij,
dat er bij Colonia 2500 in den loop van een jaar gedood waren. Een
vogel met een gespleten staart, die in twee lange vederen eindigt,
(Tyrannus savana) en door de Spanjaarden Schaarstaart genoemd, komt
bij Buenos Aires zeer veel voor. Gewoonlijk zit hij op een tak van
een ombu-boom in de nabijheid van een huis, jaagt van daar in korte
vlucht de insecten na, en keert naar dezelfde plek terug. In de
vlucht vertoont hij in zijn wijze van vliegen en zijn voorkomen in
't algemeen eene spottende gelijkenis met de gewone zwaluw. Hij is
in staat zeer korte draaien in de lucht te maken, waarbij hij zijn
staart opent en sluit, soms in horizontale of zijdelingsche, dan in
verticale richting--volkomen als eene schaar.

[16 October.]

Eenige mijlen ten zuiden van Rosario wordt de westelijke oever der
Parana door loodrechte klippen begrensd, die zich in eene lange lijn
tot nabij San Nicolas uitstrekken, zoodat die oever meer op eene
zeekust dan op die eener zoetwater-rivier gelijkt. Het is een groot
nadeel in het natuurschoon der Parana, dat het water ten gevolge van
de zachte gesteldheid harer oevers zeer modderig is. De Uruguay, die
door eene granietstreek vloeit, is veel helderder; en waar de beide
rivieren zich in den mond der La Plata vereenigen, kan men hare waters
op verren afstand aan de zwarte en roode kleuren onderscheiden.--Daar
des avonds de wind niet zeer gunstig was, gingen wij, als naar
gewoonte, onmiddellijk voor anker; en toen het den volgenden dag
wat frisch woei, was de schipper, ondanks den gunstigen stroom,
te vadzig om aan varen te denken. Te Bajada was hij mij beschreven
als een hombre muy aflicto (zeer zwaartillend man): als iemand, die
altijd traag vooruitkwam; maar het moet gezegd worden, dat hij alle
vertraging met bewonderingswaardige gelatenheid droeg. Hij was een
oude Spanjaard, en had vele jaren in dit land gewoond. De Engelschen
mocht hij graag lijden; maar hij beweerde stoutweg, dat de slag bij
Trafalgar (1805, Nelson) alléén gewonnen was, omreden alle Spaansche
kapiteins waren omgekocht, en dat de eenige werkelijk dappere daad
aan beide zijden door den Spaanschen admiraal verricht was. Mij trof
het eenigszins kenmerkende feit, dat deze man liever zou willen,
dat zijne landgenooten voor de slechtste verraders werden aangezien,
dan voor onbekwaam of laf.

[18 en 19 October.]

Langzaam, doordien de stroom ons weinig hielp, zakten wij de statige
rivier af. Gedurende dien tocht ontmoetten wij zeer weinig schepen. Een
van de beste natuurlijke gaven in zulk een groot verbindingskanaal,
nl. eene rivier, waarin schepen uit eene gematigde streek met een even
verrassenden rijkdom van sommige producten als een gemis van andere,
zouden kunnen varen naar eene streek met een tropisch klimaat en met
een bodem, die volgens den besten beoordeelaar, Bonpland, misschien
nergens ter wereld zijn weêrga vindt in vruchtbaarheid--die gave
schijnt hier moedwillig te worden verworpen. Hoe verschillend zou de
aanblik van deze rivier geweest zijn, indien Engelsche kolonisten het
geluk hadden gehad 't eerst de Plata op te varen! Welke fraaie steden
zouden thans hare oevers hebben bedekt! Tot den dood van Francia,
Dictator van Paraguay, moeten deze beide landen gescheiden blijven,
als lagen zij op tegenovergestelde punten van den aardbol! En als de
oude bloeddorstige tyran de eeuwige rust is ingegaan, zal Paraguay
door omwentelingen worden verscheurd, even heftig, als het er vroeger
onnatuurlijk kalm was. Dit land zal moeten leeren, evenals elke
andere Zuidamerikaansche Staat, dat eene republiek niet slagen kan,
voordat zij een zeker corps mannen bezit, die doordrongen zijn van
de beginsels van recht en eer.

[20 October.]

Bij onze aankomst in den mond der Parana, ging ik, gedreven door een
sterk verlangen om Buenos Aires te bereiken, te Las Conchas aan land,
met het plan er heen te rijden. Nauwelijks aan wal, of ik ontdekte
tot mijne groote verrassing, dat ik in zekeren zin een gevangene
was. Wegens het uitbreken van eene hevige omwenteling, waren alle
havens onder arrest gesteld. Ik kon niet naar mijn schip terugkeeren;
en over land naar de stad te gaan--daar was geen sprake van. Na een
lang onderhoud met den commandant, kreeg ik verlof den volgenden dag
naar Generaal Rolor te gaan, die een troep oproerlingen aan dezen
kant van de hoofdstad commandeerde. Des morgens reed ik naar het
kamp. De generaal verscheen met al zijne officieren en soldaten,
die er uitzagen alsof zij groote schurken waren. Des avonds voordat
hij de stad verliet, was de generaal vrijwillig naar den gouverneur
gegaan, en had met de hand op het hart zijn eerewoord gegeven, dat hij
althans tot het laatste trouw zou blijven. De generaal vertelde mij,
dat de stad zeer streng geblokkeerd werd, en dat al wat hij doen kon
was, mij een paspoort geven aan den hoofdaanvoerder der rebellen te
Quilmes. Daar zouden wij een grooten omweg om de stad moeten maken
en slechts met veel moeite paarden kunnen krijgen.

Mijn ontvangst in het kamp was zeer beleefd; doch men zeide mij,
dat mij onmogelijk kon worden toegestaan in de stad te komen. Ik
wenschte dit juist zeer gaarne, daar ik de Beagle in zijn vertrektijd
van de Rio Plata vóór was. Nadat ik echter verteld had hoe voorkomend
Generaal Rosas aan de Colorado jegens mij geweest was, veranderde dit
gesprek nog sneller dan bij tooverslag. Terstond werd mij gezegd, dat,
al kon men mij geen paspoort geven, ik toch voorbij hunne schildwachten
mocht, mits ik mijn gids en mijne paarden wilde achterlaten. Ik nam
dit voorstel met genoegen aan, en een officier werd mij mede gegeven
om te zorgen, dat ik niet aan de brug werd tegengehouden. Drie mijlen
ver was de weg geheel verlaten. Ik ontmoette een troep soldaten,
die zich vergenoegden met mijn oud paspoort ernstig in te kijken,
en bevond mij eindelijk tot mijne niet geringe vreugde in de stad.

Bijna zonder voorwendsel van grieven was deze revolutie uitgebroken;
maar in een staat, die in den loop van negen maanden (van Februari tot
October 1820) vijftien veranderingen in bestuur onderging, terwijl elk
gouverneur volgens de grondwet voor drie jaren gekozen werd--zou het
zeer onredelijk zijn naar voorwendsels te vragen. In dit geval verliet
een troep mannen, die aan Rosas gehecht waren en een afkeer hadden
van den Gouverneur Balcarce, ten getale van 70 de stad--en onder de
kreet van: "Rosas!" greep het geheele land naar de wapenen. De stad
werd toen geblokkeerd, en levensmiddelen, vee noch paarden werden
toegelaten; ook werd er nu en dan geschermutseld, waarbij dagelijks
enkele mannen vielen. De belegerende partij wist wel, dat zij, door den
toevoer van vleesch af te snijden, zeker de overwinning zou behalen.

Generaal Rosas kon van den opstand niet afweten; maar dit scheen
volkomen met de bedoelingen zijner partij te strooken. Een jaar
geleden was hij tot gouverneur gekozen; doch hij weigerde, tenzij
de Sala (Kamer) hem ook buitengewone macht wilden verleenen. Dit
werd geweigerd, en sedert dien tijd heeft zijne partij getoond,
dat geen ander gouverneur zijn plaats kan behouden. De strijd werd
openlijk aan beide zijden gerekt, totdat men van Rosas bericht kon
hebben. Enkele dagen nadat ik Buenos Aires verliet, kwam er een
brief, waarin de generaal het afkeurde, dat de vrede verbroken was,
maar verklaarde, dat de belegerende partij volgens zijne idee het
recht aan haar kant had. Alleen op de ontvangst van dit bericht,
vloden gouverneur, ministers en een deel der militairen, ten getale
van eenige honderden, de stad uit. De oproerlingen kwamen binnen,
kozen een nieuwen gouverneur, en werden ten getale van 5500 man
voor hunne diensten betaald. Uit deze feiten bleek duidelijk, dat
Rosas ten slotte Dictator zou worden: want in den koningstitel heeft
het volk in deze, zoowel als in andere republieken een bepaalden
tegenzin. Sedert wij Amerika verlieten, hebben wij gehoord, dat Rosas
met dictatoriale macht was gekozen, en zich een tijd lang lijnrecht
tegen de grondwettelijke beginsels der Republiek heeft gekant.



HOOFDSTUK VIII.

OOST-BANDA EN PATAGONIË.


Nadat ik omstreeks 14 dagen in de stad was opgehouden, was ik
blijde aan boord van een beurtschip, dat naar Montevideo voer, te
kunnen ontsnappen. Eene geblokkeerde stad moet altijd een onaangename
woonplaats zijn; maar in dit geval bestond daarenboven gestadig vrees
voor roovers binnen. De schildwachten waren de ergste van allen; want
zoowel door hun beroep als omdat zij wapenen in handen hadden, stalen
zij met eene brutaliteit, welke andere lieden niet konden navolgen.

Onze overtocht was zeer lang en vervelend. De Rio de la Plata
heeft op de kaart eene trotsche uitmonding, maar in werkelijkheid
is die zeer arm. Eene wijde uitgestrektheid modderig water bezit
grootschheid noch schoonheid. Op zekeren tijd van den dag konden de
twee oevers, die beide uiterst laag zijn, nog juist van het dek af
onderscheiden worden. Bij mijne aankomst te Montevideo hoorde ik,
dat de Beagle eenigen tijd niet zou zeilen; en dit deed mij besluiten
toebereidselen te maken voor een korten uitstap in dit gedeelte van
Oost-Banda. Al wat ik omtrent de streek bij Maldonado gezegd heb,
is toepasselijk op Montevideo; het land is echter veel vlakker, met
uitzondering alleen van den 450 voet hoogen Green Mount, waaraan
het zijn naam ontleent. Van de golvende grasvlakte is zeer weinig
omheind; maar bij de stad zijn enkele haagdammen, die met agaven,
cactussen en venkel begroeid zijn.

[14 November.]

Wij verlieten Montevideo in den namiddag. Ik was voornemens naar
Colonia del Sacramiento te gaan, eene plaats op den noordelijken
oever der Rio Plata en tegenover Buenos Aires gelegen; van daar de
Uruguay te volgen tot aan het dorp Mercedes aan de Rio Negro (een
der vele rivieren van dien naam in Zuid-Amerika), en van dit punt
rechtstreeks naar Montevideo terug te keeren. Wij sliepen in het huis
van mijn gids te Canelones. Des morgens stonden wij vroeg op, in de
hoop een flinken afstand te kunnen rijden; doch vruchteloos, want alle
rivieren waren overstroomd. In booten staken wij de stroomen Canelones,
Santa Lucia en San José over, waarmeê veel tijd verloren ging. Op een
vorigen uitstap stak ik de Lucia bij hare monding over, en ontdekte tot
mijne verrassing hoe gemakkelijk onze paarden, ofschoon niet gewoon
te zwemmen, over eene breedte trokken van minstens 600 yards. Toen
ik dit te Montevideo vertelde, werd mij gezegd, dat in de Plata eens
een schip met eenige kunstenmakers en hunne paarden vergaan was,
bij welke gelegenheid een paard zeven mijlen ver naar het strand zwom.

In den loop van den dag vermaakte ik mij met de behendigheid, waarmede
een Gaucho een koppig paard dwong eene rivier over te zwemmen. Hij trok
zijne kleeren uit, sprong het dier op den rug, en reed het water in
tot waar het te diep werd. Toen liet hij zich van het kruis zakken,
greep den staart en maakte, telkens als het paard wilde omkeeren,
het dier bang door water in zijn gezicht te spatten. Zoodra het paard
aan de overzijde grond raakte, sprong de man er op, en zat al stevig
met den teugel in de hand, voordat het paard den oever bereikte. Een
naakt man op een even naakt paard is een fraai schouwspel; ik had niet
gedacht, dat die twee zoo goed bij elkander pasten. De staart van een
paard is een zeer nuttig aanhangsel. Eens ben ik met vier man eene
rivier overgestoken in eene boot, die op gelijke manier gesleept werd
als straks de Gaucho. Als een man en paard eene breede rivier moeten
oversteken, doet de man het best met de eene hand den zadelknop of
de manen vast te houden, en zich met den anderen arm zelf te helpen.

Wij sliepen en bleven den volgenden dag aan de Cufre-post. Des avonds
kwam de postman of brievenbesteller. Hij was een dag over zijn tijd,
doordien de Rosario overstroomd was. Dit verzuim zou echter niet vele
gevolgen hebben; want ofschoon hij door enkele van de voornaamste
steden in Oost-Banda was gegaan, bestond zijn geheele bagage uit twee
brieven! Het huis had een aangenaam uitzicht: eene golvende groene
vlakte, met sporen van de Plata in 't verschiet. Het komt mij voor,
dat ik deze provincie met een geheel ander oog aanzie, dan toen ik er
voor 't eerst kwam. Ik herinner mij, dat ik haar bijzonder vlak vond;
maar nu, na mijn galop over de Pampas, is mijn eenige verwondering
deze: wat mij toen bewogen kon hebben haar vlak te noemen. Het land
is eene aaneenschakeling van golvingen, op zichzelven misschien niet
zoo hoog, maar toch ware bergen vergeleken bij de vlakten van Santa
Fé. Door deze oneffenheden ontstaan tal van kleine riviertjes of beken,
en het gras is groen en welig.

[17 November.]

Wij trokken over de diepe en snelstroomende Rosario, gingen door het
dorp Colla, en kwamen des middags te Colonia del Sacramiento. De
afstand bedraagt 20 leagues, door eene streek die met fraai gras
begroeid, maar dun gezaaid is met vee en menschen. Ik werd uitgenoodigd
in Colonia te slapen, en den volgenden dag een heer naar zijne estancia
te vergezellen, waar eenige kalksteen-rotsen waren. De stad is op
een steenen voorgebergte gebouwd, eenigszins in denzelfden geest als
bij Montevideo. Zij is zeer versterkt, maar stad en forten hadden in
den Braziliaanschen oorlog veel te lijden. De onregelmatige straten,
alsook de omringende boschjes, oranje- en perzikboomen gaven aan deze
oude stad een schilderachtig aanzien. De kerk is eene merkwaardige
ruïne: voorheen als kruitmagazijn gebruikt, werd zij in een van de
tallooze onweersbuien, die boven de Rio de la Plata woeden, door
den bliksem getroffen. Twee derden van het gebouw vloog tot aan den
grond in de lucht; en het overschot staat nu als een verbrijzeld en
zeldzaam monument der vereenigde krachten van bliksem en kruit.

Des avonds wandelde ik om de halfgesloopte wallen der stad. Zij was
de hoofdzetel van den Braziliaanschen oorlog, die voor dit land zoo
schadelijk is geweest: niet zoozeer in zijne onmiddellijke gevolgen,
als omdat hij aanleiding gaf tot het benoemen van een menigte generaals
en alle andere officiers-rangen. In de Vereenigde La-Plata-Provinciën
zijn meer generaals benoemd (maar niet betaald), dan in het Vereenigde
Groot-Brittannië. Deze heeren hebben behagen leeren scheppen in macht,
en zijn niet afkeerig van wat schermutselen. Vandaar dat velen altijd
op den uitkijk staan om onrust te stoken, en eene regeering omver
te werpen, die tot heden nooit op vasten grondslag rustte. Niettemin
nam ik hier en in andere plaatsen eene zeer algemeene belangstelling
waar in de eerstvolgende presidentsverkiezing; en dit schijnt een goed
teeken voor de welvaart van dit kleine land. De inwoners eischen niet
veel opvoeding in hunne vertegenwoordigers. Ik hoorde eenige lieden de
verdiensten bespreken van die voor Colonia, waarbij gezegd werd, dat
al waren die vertegenwoordigers ook geen mannen van zaken, zij toch
allen hunne namen konden teekenen! Hiermede, schenen zij te denken,
moest elk redelijk mensch tevreden zijn!

[18 November.]

Ik reed met mijn gastheer naar zijne estancia bij de Arroyo de
San Juan. Des avonds deden wij een rondrit om zijn landgoed: het
besloeg 2 1/2 vierkante leagues, en lag in wat genoemd wordt een hoek,
hetgeen zeggen wil: aan eene zijde begrensd door de Plata-rivier, en
aan de twee andere beveiligd door ondoorwaadbare beken. Er was eene
uitmuntende haven voor kleine schepen, en een overvloed van klein
bosch, dat een gezochte brandstof levert voor Buenos Aires. Ik was
benieuwd de waarde van zulk eene volledige estancia te kennen. Zij
telde 3000 stuks horenvee en zou er drie- of viermaal zooveel kunnen
voeden; dan waren er 800 merries met 150 afgerichte paarden, en 600
schapen. Er was overvloed van water en kalksteen, een ruw gebouwd
huis, uitstekende corrals en een perzikboomgaard. Voor dit alles was
hem £ 2000 geboden, doch hij verlangde slechts £ 500 meer en zou het
waarschijnlijk voor minder verkoopen. Het hoofdbezwaar op eene estancia
is, het vee wekelijks tweemaal naar eene aangewezen plaats te drijven,
om het mak te maken en te tellen. Waar 10 of 15.000 stuks bijeen
zijn, zou dit laatste terecht een moeilijk werk worden geacht. Het
wordt verricht volgens het beginsel, dat het vee zich onveranderlijk
verdeelt in kleine troepen of tropillas van af 40 tot 100 stuks. Elke
tropilla wordt aan enkele bijzonder gemerkte dieren herkend, terwijl
haar aantal bekend is: zoodat, als er een van de 10.000 verloren
is, zulks hieraan ontdekt wordt, dat aan een der tropillas een dier
ontbreekt. In een stormachtigen nacht mengt het vee zich dooreen;
maar den volgenden morgen scheiden de tropillas zich weer als vroeger,
zoodat elk dier zijn maat moet kennen onder 10.000 anderen.

Bij twee gelegenheden ontmoette ik in deze provincie eenige ossen
van een zeer zeldzaam ras, nata genoemd. [142] Uiterlijk schijnen zij
tot ander vee in ongeveer dezelfde betrekking te staan, als bul- of
mophonden tot andere honden. Hun voorhoofd is zeer kort en breed; de
punt van den neus keert zich naar boven, en de bovenlip ligt ver naar
achteren; hunne onderkaken steken voor de bovenste uit en hebben eene
overeenkomstige kromming, ten gevolge waarvan hunne tanden altijd bloot
liggen. Hunne neusgaten zitten hoog op den kop en staan zeer open;
hunne oogen puilen naar buiten. Onder het loopen laten zij hun kop aan
den korten nek laag hangen, en hunne achterpooten zijn, vergeleken
bij de voorpooten, iets langer dan gewoonlijk. Hunne bloote tanden,
korte koppen en bovenwaarts gekeerde neusgaten geven hun een uitdagend
voorkomen van zelfvertrouwen, zoo belachelijk als men zich denken kan.

Sedert mijne terugkomst, ben ik door de welwillendheid van mijn
vriend, kapitein Sulivan der Koninkl. Marine, in het bezit gekomen
van een schedel, welke nu bij de College of Surgeons berust. [143]
Don F. Muniz te Luxan heeft al wat hij omtrent dit ras vernemen kon,
bereidwillig voor mij bijeengebracht. Volgens zijn verhaal schijnt het,
dat dit vee vóór omstreeks 80 of 90 jaar zeldzaam was, en te Buenos
Aires als eene curiositeit werd beschouwd. Algemeen gelooft men, dat
het ras zijn oorsprong vond onder de Indianen ten zuiden van de Plata,
en bij hen voor de meest gewone soort gold. Zelfs nu toont vee, dat
in de provinciën nabij de Plata gefokt is, zijne minder "beschaafde"
afkomst hierin, dat het wilder is dan gewoon vee, en dat de koe licht
haar eerste kalf in den steek laat, als zij te dikwijls bezocht
of lastig gevallen wordt. Het is een zonderling feit, dat, zooals
Dr. Falconer mij bericht, het Sivatherium, die groote uitgestorven
herkauwer in Indië [144], zich kenmerkt door een bijna dergelijken
bouw, als de abnormale van het nata-ras. [145]

Het ras is zeer echt, en een nata-os en koe brengen onveranderlijk
nata-kalveren voort. Een nata-os en eene gewone koe, of de omgekeerde
kruising verwekt eene nakomelingschap met tusschenliggende kenmerken,
doch waarin die van het nata-ras sterk uitkomen. Volgens Segnor
Muniz bestaan de duidelijkste bewijzen, dat, in tegenstelling met het
algemeene gevoelen der landbouwers in zulke gevallen, de nata-koe bij
kruising met een gewonen os hare bijzonderheden sterker overdraagt,
dan de nata-os bij kruising met eene gewone koe. Als het gras tamelijk
lang is, eet het nata-vee met tong en verhemelte evengoed als het
gewone vee; maar gedurende de groote droogten, als zoovele dieren
omkomen, verkeert het nata-ras in zeer ongunstigen toestand, en zou
uitgeroeid worden, indien het niet werd opgepast; want het gewone vee
kan, evenals paarden, zich nog in 't leven houden door met de lippen
de takjes van boomen en riet af te vreten, hetgeen de nata's niet zoo
goed kunnen, omreden hunne lippen niet sluiten; en zoodoende sterven
zij vóór het gewone vee. Dit feit treft mij, als sprekend voorbeeld
hoe weinig wij in staat zijn uit de gewone leefwijzen te beoordeelen
door welke, alleen na lange tusschentijden voorkomende omstandigheden,
de zeldzaamheid of uitsterving eener soort bepaald kan worden.

[19 November.]

Op onzen tocht door de vallei Las Vacas sliepen wij ten huize van
een Noord-Amerikaan, die een kalkoven op den Arroyo de las Vivoras
had. Des morgens reden wij naar eene vooruitspringende landtong aan
de oevers der rivier, Punta Gorda genaamd, en trachtten onderweg
een jaguar te ontdekken. Er waren tal van versche sporen, en wij
bezochten de boomen waaraan zij hunne klauwen heeten te scherpen;
doch het gelukte ons niet er een op te jagen. Van dit punt vertoonde
de Rio Uruguay eene statige watermassa aan ons oog; en de aanblik van
den stroom was wegens zijne helderheid en snelheid veel treffender,
dan die van zijn buurman, de Parana. Aan de overliggende kust vloeiden
verscheidene takken van de laatste in de Uruguay. Als de zon scheen,
konden de twee kleuren van het water zeer duidelijk gezien worden.

Des avonds begaven wij ons op weg naar Mercedes aan de Rio Negro; en
toen het nacht was vroegen wij in de estancia, waar wij aankwamen,
verlof te slapen. Het was een zeer uitgestrekt landgoed van 10
vierkante leagues, welks eigenaar een der grootste grondbezitters in
het land is. Zijn neef had het beheer er over, en dezen trof ik in
gezelschap van een kapitein bij het leger, die onlangs uit Buenos
Aires gevlucht was. Hun stand in aanmerking genomen, was het nu
volgende gesprek vrij vermakelijk. Beiden uitten, als gewoonlijk, hunne
grenzenlooze verwondering dat de aarde rond was, en konden moeilijk
gelooven, dat een gat, mits diep genoeg in den grond gegraven, aan den
anderen kant zou uitkomen. Zij hadden echter wel van een land gehoord,
waar het zes maanden dag en zes maanden nacht was, en waar de inwoners
zeer lang en mager waren! Zeer nieuwsgierig waren zij naar den prijs
en de qualiteit van paarden en vee in Engeland. Toen zij hoorden,
dat wij onze dieren niet met den lazo vingen, riepen zij uit:

"O, dan gebruikt gij zeker niets anders dan de bolas!"

Het denkbeeld van een omheind stuk land was geheel nieuw voor hen. Ten
slotte zeide de kapitein, dat hij mij een vraag te doen had, en dat
hij zich zeer verplicht zou achten, indien ik daarop in volle waarheid
antwoordde. Ik beefde bij de gedachte hoe diep wetenschappelijk die
vraag zou zijn... Zij luidde:

"Zijn de dames in Buenos Aires niet de mooiste ter wereld?"

Ik antwoordde als een afvallige:

"Inderdaad, bekoorlijk."

"Nu heb ik nog eene andere vraag," liet de kapitein er op
volgen. "Dragen de dames in andere deelen der wereld wel zulke
groote kammen?"

Plechtig verklaarde ik den dappere, dat zij dit niet deden: welk
antwoord beiden bepaald in verrukking bracht.

"Zie nu eens aan," riep de kapitein. "Iemand, die de halve wereld
heeft gezien, zegt, dat het zoo is. Wij dachten het wel, maar nu
weten wij het."

Mijn uitstekend oordeel over kammen en mooie meisjes bezorgde mij eene
hoogst gastvrije ontvangst; de kapitein dwong mij zijn bed te nemen,
dan zou hij op zijn zadel slapen.



[21 November.]

Bij zonsopgang togen wij op weg en reden langzaam gedurende den
ganschen dag. De geologische gesteldheid van dit deel der provincie
verschilde van het overige, en geleek veel op die der Pampas. Zoo
waren er uitgestrekte distelvelden, en andere met den cardón; het
geheele land kan inderdaad éen groot veld van deze planten worden
genoemd. De twee soorten groeien afzonderlijk, elke plant in gezelschap
van hare eigen soort. De cardón is zoo hoog als de rug van een paard;
maar de Pampas-distel is dikwijls hooger dan de kruin van het hoofd
des ruiters. Er is geen sprake van dat men een yard ver van den
weg afwijkt; de weg zelf is gedeeltelijk, en in sommige gevallen
geheel versperd. Natuurlijk valt er niet te grazen; indien vee of
paarden eenmaal in het veld komen, zijn zij voor het oogenblik geheel
verloren. Daarom is het zeer gewaagd als men in dezen tijd van het jaar
vee tracht te drijven; want is het genoeg afgejaagd om den distels het
hoofd te bieden, dan loopt het er in en wordt niet meer gezien. In
deze districten zijn zeer weinige estancias, en die enkele liggen
in de nabijheid van vochtige valleien, waar deze woekerende planten
gelukkig geen van beide bestaan kunnen. Daar de nacht inviel voordat
wij aan het einde van onzen tocht waren, sliepen wij in eene ellendige
kleine hut, die door de armste lieden bewoond werd. De buitengewone,
ofschoon eenigszins vormelijke beleefdheid van onzen gastheer en
gastvrouw waren, hun stand in aanmerking genomen, bepaald kostelijk.

[22 November.]

Wij kwamen aan eene estancia op den Berquelo, toebehoorende aan een
zeer gastvrijen Engelschman, aan wien ik een introductie-brief had
van mijn vriend Mr. Lumb. Ik bleef hier drie dagen. Eens reed ik des
morgens met mijn gastheer naar de Sierra del Pedro Flaco, omstreeks 20
mijlen de Rio Negro op. Bijna het geheele land was bedekt met goed,
alhoewel grof gras, dat tot aan den buik van een paard reikte; toch
was over verscheidene leagues geen enkel stuk vee te zien. Mits
goed verdeeld, zou de provincie Oost-Banda een verbazend getal
dieren kunnen voeden. Tegenwoordig beloopt de jaarlijksche uitvoer
van huiden uit Montevideo 300.000, en het binnenlandsch verbruik is,
ten gevolge van verspilling, zeer aanzienlijk. Een estanciero vertelde
mij, dat hij dikwijls groote kudden vee vér weg naar eene inrichting
voor pekelvleesch moest zenden, en dat de vermoeide dieren menigmaal
gedood en gevild moesten worden; maar dat hij nooit de Gauchos kon
bewegen hiervan te eten, en elken avond voor hun maal een versch
beest geslacht werd! De aanblik van de Sierra op de Rio Negro was
schilderachtiger dan elke andere, dien ik in deze provincie zag. De
breede, diepe en snelstroomende rivier kronkelde zich aan den voet
van een steilen rotswand; een boschrand omzoomde hare oevers, en de
horizon verloor zich in de verre golvende grasvlakte.

Toen ik in deze buurt was, hoorde ik verscheidene malen van de Sierra
de las Cuentas: een berg die vele mijlen noordwaarts lag. De naam
beteekent "Bergketen der Rozenkranskralen." Men verzekerde mij, dat
daar een groot aantal kleine ronde steenen, in verschillende kleuren
en elk met een klein cilindrisch gat er in, gevonden werden. Vroeger
plachten de Indianen die te verzamelen om er halssnoeren en armbanden
van te maken--een smaak die, wil ik opmerken, aan alle wilde volken,
zoowel als aan de meest beschaafde gemeen is. Ik wist niet wat ik
van deze geschiedenis moest denken; maar toen ik haar aan de Kaap
de Goede Hoop aan Dr. Andrew Smith mededeelde, vertelde hij mij zich
te herinneren, dat hij aan de zuidoostkust van Afrika, omstreeks 100
mijlen ten oosten van de St. John's-rivier, eenige kwartskristallen
had gevonden met stomp afgewreven kanten, die aan het zeestrand
met kiezelzand vermengd waren. Elk kristal mat ongeveer 5 strepen in
doorsnede, en had eene lengte van een tot anderhalven inch. Vele hadden
een klein kanaal, loopende van het eene einde naar het andere, volkomen
cilindrisch, en zoo wijd dat een grove draad of fijne darmsnaar er
gemakkelijk doorheen kon. De kleur was rood of dof wit. De inboorlingen
waren met dezen kristalbouw bekend. Ik heb deze omstandigheden vermeld,
opdat het geval--ofschoon tegenwoordig geen kristal bekend is dat
dezen vorm aanneemt--den een of anderen reiziger in de toekomst moge
aansporen den waren aard van zulke steenen te onderzoeken.

Gedurende mijn verblijf in deze estancia, vermaakte ik mij met wat
ik van de schaapherdershonden in dit land zag en hoorde. [146] Het
is een gewoon verschijnsel, dat men onder het rijden eene groote,
door een of twee honden bewaakte kudde schapen ontmoet, die zich
op eenige mijlen afstand van een mensch of woning bevinden. Dikwijls
verwonderde ik mij hoe zulk een hechte vriendschap wel ontstaan was. De
wijze van opvoeding bestaat hierin, dat men den hond, als hij nog zeer
jong is, van de teef verwijdert en aan zijne toekomstige metgezellen
gewent. Drie- of viermaal daags laat men eene ooi het jonge dier
zoogen, en in het schapenhok wordt er een nest van wol voor gemaakt;
te geener tijd mag het zich bij andere honden of bij de kinderen van
het gezin voegen. Daarenboven wordt de jonge hond meestal gesneden:
zoodat hij, volwassen zijnde, moeilijk eenige neigingen gemeen kan
hebben met anderen van zijne soort. Door deze opvoeding koestert hij
geen wensch de kudde te verlaten; en evenals een andere hond zijn
meester zal verdedigen, zal deze het de schapen doen. Het is aardig
op te merken hoe de hond, als men eene kudde nadert, onmiddellijk
blaffende vooruitschiet en de schapen zich alle achter hem aansluiten,
evenals om den oudsten ram. Ook kan men dezen honden gemakkelijk
leeren de kudde op een bepaald uur in den avond thuis te brengen. Hun
lastigste gebrek, als zij jong zijn, is hun zucht om met de schapen
te spelen; want in hun sport rennen zij soms ongenadig tegen hunne
arme makkers op.

De schaapherdershond komt elken dag thuis wat eten halen; en zoodra
het hem gegeven is, schuilt hij weg, als schaamde hij zich over
zichzelf. Bij deze gelegenheden zijn de huishonden zeer vijandig,
en de minste hunner zal den vreemdeling aanvallen en vervolgen. Maar
nauwelijks heeft de laatste de kudde bereikt, of hij keert zich om
en begint zoo duchtig te blaffen, dat alle huishonden overhaast de
hielen lichten. Evenzoo zal een groote troep hongerige wilde honden
het hoogst zelden (en enkelen zeiden mij: nooit) wagen eene kudde
aan te vallen, zelfs al wordt zij door slechts één van deze trouwe
herdershonden bewaakt. Het geheele verhaal schijnt mij een zeldzaam
voorbeeld van de buigzame neigingen bij den hond; toch heeft dit dier,
hetzij wild of hoe ook opgevoed, een gevoel van eerbied of vrees voor
hen die hun instinct van vereeniging volgen. Want dat de wilde honden
door den enkelen met zijne kudde worden verjaagd, kunnen wij door geen
ander beginsel verklaren, dan dat een vaag begrip hun de overtuiging
schenkt, dat die enkele, aldus vereenigd, macht verkrijgt, als ware hij
in gezelschap van zijne eigene soort. F. Cuvier heeft opgemerkt, dat
alle dieren die gemakkelijk tam worden, den mensch als een lid hunner
eigene maatschappij beschouwen, en zoo aan hun instinct van vereeniging
voldoen. In bovenstaand geval beschouwt de schaapherdershond de schapen
als zijne medebroeders en wint dus vertrouwen; en de wilde honden,
ofschoon wetende, dat de schapen zelven geen honden maar goed zijn
om op te eten, huldigen gedeeltelijk die zienswijze, wanneer zij hen
in eene kudde zien, met een schaapherdershond aan het hoofd.

Op een avond kwam een domadór [147] of paardenbedwinger, ten
einde eenige veulens af te richten. Ik zal hier de voorbereidende
stappen beschrijven, want ik geloof, dat zij nog niet door andere
reizigers vermeld zijn. Een troep wilde jonge paarden wordt in den
corrál of groote omheining van palen gedreven, en daarna sluit men
de deur. Stellen wij ons voor, dat iemand alléen een paard moet
vangen en bestijgen, dat nog nooit te voren teugel of zadel heeft
gevoeld. Behalve door een Gaucho, ben ik overtuigd, dat zulk eene daad
geheel onuitvoerbaar is. De Gaucho kiest een volwassen veulen uit;
en zoodra nu het beest den circus rondrent, werpt hij zijn lazo zóó,
dat deze de beide voorpooten grijpt. Onmiddellijk valt het paard met
een hevigen schok voorover; en terwijl het op den grond spartelt,
houdt de Gaucho den lazo gespannen, beschrijft een cirkel zoodat hij
een der achterpooten vlak onder den vetlok grijpt, en trekt hem dicht
naar de voorpooten. Hierna knoopt hij den lazo vast, zoodat de drie
pooten samengebonden zijn, gaat op den nek van het paard zitten,
en bevestigt een stevigen teugel zonder gebit aan de onderkaak;
dit doet hij door een smallen riem door de oogen aan het uiteinde
van den teugel te steken en verscheidene malen om de kaak en de tong
te winden. Nu worden de twee voorpooten met een sterken lederen riem,
waarin een schuifknoop zit, vast bijeengebonden; en nadat de lazo, die
de drie pooten verbond, is losgemaakt, staat het paard met moeite op.

De Gaucho houdt den teugel, die aan de onderkaak bevestigd is, stevig
vast en voert het paard uit den corrál. Indien een tweede man bij
de hand is (anders is de moeite veel grooter), houdt deze den kop
van het dier vast, terwijl de eerste zadel en paardedekken oplegt en
alles met den buikriem bevestigd. Gedurende deze bewerking buitelt
het paard, van schrik en verbazing dat het aldus om zijn midden
gebonden wordt, voortdurend over den grond en verkiest niet op te
staan voordat het geslagen wordt. Als dan eindelijk het zadelen is
afgeloopen, kan het arme dier van vrees nauwelijks ademhalen en
is wit van schuim en zweet. Nu maakt de man zich gereed om op te
stijgen, leunt daarbij stevig op den stijgbeugel, opdat het paard
zijn evenwicht niet zal verliezen, en trekt op het oogenblik dat hij
zijn been over den rug werpt, den schuifknoop los die de voorpooten
verbindt, zoodat het beest vrij is. Sommige domadórs gaan boven den
zadel staan, trekken den knoop los terwijl het dier nog op den grond
ligt, en laten het dan onder zich opstaan. Wild van vrees, doet het
paard eenige geweldige sprongen en rent in vollen galop weg; als het
uitgeput is, brengt de man het geduldig naar den corrál terug, waar
het arme dier dampend van de hitte en nauwelijks levend, in vrijheid
wordt gesteld. Paarden, die niet weg willen galoppeeren, maar zich
hardnekkig op den grond werpen, zijn op verre na de lastigste. De
behandeling is dan verschrikkelijk streng; maar in twee of drie
keeren is het paard getemd. Het duurt evenwel eenige weken voordat
het dier met ijzeren gebit en ring gereden wordt; want het moet den
wil van zijn berijder met het voelen van den teugel leeren vereenigen,
eerdat de sterkste teugel van eenigen dienst kan zijn.

In deze landen zijn dieren zoo overvloedig, dat menschelijkheid
en zelfbelang niet nauw samengaan; het is daarom, vrees ik, dat de
eerste hier nauwelijks bekend is. Op zekeren dag reed ik met een zeer
achtingswaardigen estanciero over de Pampas, toen mijn paard wegens
vermoeidheid achteraan begon te komen. Dikwijls riep de man mij toe
het de sporen te geven. Toen ik hem onder het oog bracht, dat dit
wreed zou zijn, wijl het paard geheel uitgeput was, riep hij uit:

"Waarom niet? Het doet er immers niet toe. Geef het de sporen--het
is mijn paard!"

Het kostte mij toen eenige moeite hem duidelijk te maken, dat het
niet om hem, maar ter wille van het paard was, dat ik mijne sporen
niet wilde gebruiken. Met een blik van groote verbazing riep hij uit:

"Ah, Don Carlos, que cosa!" [148]

Blijkbaar was zulk eene gedachte vroeger nooit in zijn brein opgekomen.

De Gauchos staan als voortreffelijke ruiters bekend. Het denkbeeld,
dat zij kunnen worden afgeworpen, onverschillig welke kunsten het
paard ook uithale, komt nooit bij hen op. Hun criterium van een goed
ruiter is: een man, die een ongetemd veulen kan regeeren; die, als
zijn paard valt, op zijn eigen voeten neerkomt, of andere van die
kunststukken kan verrichten. Ik heb gehoord van iemand die wedde,
dat hij twintigmaal zijn paard omver zou werpen en negentien keeren
niet zou vallen. Ik herinner mij een Gaucho, die een zeer koppig
paard bereed, dat driemaal zóó hoog steigerde dat het met veel geweld
achterover viel. Met ongewone koelbloedigheid bepaalde de man het
rechte oogenblik--geen secunde te vroeg of te laat--om zich te laten
afglijden; en zoodra het paard weer opkwam, sprong de man op zijn
rug en reed eindelijk in galop weg. Nooit schijnt de Gaucho eenige
spierkracht te gebruiken. Eens toen wij in een flinken galop reden,
zag ik een goed ruiter schijnbaar zoo zorgeloos op zijn paard zitten,
dat ik bij mijzelven dacht: "Als het paard aan den haal gaat, zult ge
zeker uit den zadel vallen."--Weinige oogenblikken later sprong een
mannetjes-struisvogel uit zijn nest en schoot vlak onder den kop van
het paard door. Het jonge veulen deed een zijwaartschen sprong, evenals
een hert; maar op den man had het gebeurde geen andere uitwerking,
dan dat hij opsprong en den schrik met zijn paard deelde.

In Chili en Peru geeft men zich meer moeite met den mond van het
paard dan in La Plata; en blijkbaar is dit een gevolg van de meer
ingewikkelde natuur van het land. In Chili wordt een paard niet als
volkomen afgericht beschouwd, voordat men het midden in zijn vollen
ren op eene bepaalde plek, bijv. op een op den grond geworpen mantel,
kan doen stilstaan; of het moet een muur kunnen berennen en onder het
steigeren de oppervlakte met zijne hoeven schuren. Ik heb een paard,
slechts door voorvinger en duim bestuurd, opgewekt zien springen;
in vollen galop over eene plaats zien rennen, en daarna met groote
snelheid om den post eener veranda cirkelen, maar op zoo gelijken
afstand, dat de ruiter met uitgestrekten arm al dien tijd zijn vinger
over den post kon laten strijken. Toen maakte hij eene demi-volte,
en cirkelde op gelijke wijze, met den anderen arm uitgestrekt, met
verbazende snelheid in omgekeerde richting om den paal.

Zulk een paard is goed afgericht; en hoewel dit in 't eerst nutteloos
schijnt, is het in werkelijkheid van veel nut. Op die wijs worden de
dagelijks noodige eigenschappen tot volmaaktheid gebracht. Wanneer een
os door den lazo gegrepen en beteugeld is, zal hij soms in een cirkel
rondgaloppeeren, en zal het paard, opgewonden door de inspanning,
niet gemakkelijk als een wiel om zijn as kunnen meedraaien, zoo het
niet goed is afgericht. Ten gevolge hiervan zijn vele ruiters gedood;
want als de lazo één kronkel om het lichaam van den man maakt,
zal hij dezen wegens de kracht der twee trekkende dieren, bijna in
tweeën snijden. Op hetzelfde beginsel worden de rassen gedresseerd;
de loop is slechts twee- of driehonderd yards lang, en de bedoeling is
paarden te hebben, die een snellen uitval kunnen doen. Den raspaarden
wordt niet alleen geleerd met hunne hoeven eene lijn aan te raken,
maar ook de vier pooten bij elkander te trekken, zoodat zij bij den
eersten sprong al de kracht hunner achterste voetpezen in 't spel
kunnen brengen. In Chili werd mij eene anecdote verteld, die ik voor
waarheid aanneem; zij geeft tevens een duidelijk beeld van het nut
van een goed gedresseerd paard. Een geacht man ontmoette eens twee
anderen op zijn rit, van wie er een op een paard zat, hetwelk hij wist
dat hem ontstolen was. Hij sprak hen aan en eischte zijn paard op;
maar tot antwoord trokken zij hunne sabels en zetten hem na. De man,
die een snel en goed paard bereed, vlood voor hen uit, zwenkte toen
hij een dicht kreupelbosch zag, er om heen en bracht zijn paard tot
staan. De vervolgers konden hunne vaart niet stuiten en schoten hem
vooruit. Plotseling deed nu de man een uitval achter hen aan, stak
zijn mes in den rug van den eenen, wondde den anderen, ontnam den
stervenden roover zijn paard en reed naar huis. Voor deze daden van
rijkunst zijn twee dingen noodig: een zeer pijnlijk gebit of mondstuk,
evenals de Mameluk gebruikt en waarvan het paard al de kracht kent,
ofschoon het zelden gebruikt wordt; ten tweede, groote, botte sporen,
die òf alleen voor aanraking, òf als een uiterst pijnlijk werktuig
gebruikt kunnen worden. Ik ben overtuigd, dat het met Engelsche sporen,
die bij de minste aanraking in de huid prikken, onmogelijk zou zijn
een paard af te richten op de Zuidamerikaansche manier.

In eene estancia bij Las Vacas worden wekelijks talrijke merries om
hare huiden geslacht, hoewel deze slechts vijf papieren dollars of
ongeveer een halve crown waard zijn. [149] In 't eerst schijnt het
vreemd, dat het loonen kan voor zulk een bagatel merries te dooden;
maar wijl men het in dit land voor belachelijk houdt eene merrie
af te richten of te berijden, hebben zij geen waarde behalve voor
de teling. Het eenige, waarvoor ik eene merrie zag gebruiken, was
om tarwe uit de aar te treden: met welk doel zij in eene groote
cirkelvormige omheining werden rondgedreven, waar de tarweschoven
neergestrooid waren. De man, die voor het slachten van de merries
gebruikt werd, was om zijne behendigheid met den lazo vermaard. Hij
had eene weddenschap aangegaan, dat hij, op een afstand van 12 yards
van den corrál staande, elk dier in 't voorbijsnellen bij de pooten
zou vangen, zonder ooit te missen. Een ander man zeide, dat hij te
voet den corrál zou binnengaan, eene merrie vangen, hare voorpooten
samenbinden, haar naar buiten drijven, nederwerpen, villen en de
huid op staken bevestigen voor het verven (dit laatste is een zeer
omslachtig karwei); en dat hij zich verbond deze bewerking met 22
dieren op één dag uit te voeren. Of hij zou in denzelfden tijd vijftig
dieren dooden en villen. Dit zou eene reusachtige taak geweest zijn,
want het wordt als een goed dagwerk beschouwd, 15 of 16 dieren te
villen en hunne huiden op staken te bevestigen.

[26 November.]

Ik nam in rechte lijn den terugtocht naar Montevideo aan. Daar ik
gehoord had, dat zich in eene naburige pachthoeve aan den Sarandis
(een kleine stroom, die in de Rio Negro vloeit) eenige reusachtige
beenderen bevonden, reed ik er heen, vergezeld van mijn gastheer,
en kocht het hoofd van een Toxodon voor den prijs van 18 pence. [150]
Toen dit gevonden werd, was het in gaven staat; maar de jongens sloegen
er met steenen eenige tanden uit en zetten toen het hoofd overeind om
er op te mikken. Tot mijn groot geluk vond ik een gaven tand, welke
juist in eene der holten van dezen schedel paste, die zelf ongeveer
180 mijlen ver van deze plek aan de oevers van de Rio Tercero in den
grond was gevonden. Nog op twee andere plaatsen vond ik overblijfsels
van dit buitengewone dier, zoodat het in vroeger tijd algemeen moet
zijn geweest. Ook vond ik hier eenige groote stukken van het pantser
van een reusachtig armadil-achtig dier, en een gedeelte van het groote
hoofd van een Mylodon. De beenderen van dit dier zijn zoo versch,
dat zij volgens onderzoek van T. Reeks 7% dierlijke stof bevatten;
en in eene spirituslamp geplaatst, branden zij met eene kleine
vlam. Het aantal overblijfsels, begraven in de groote delta-afzetting,
die de Pampas vormt en het graniet-gesteente van Oost-Banda bedekt,
moet buitengewoon groot zijn. Ik houd het er voor, dat elke rechte
lijn door de Pampas getrokken, door een skelet of beenderen zou
gaan. Behalve die, welke ik op mijne korte uitstappen vond, hoorde
ik spreken van vele andere; en de oorsprong van zulke namen, als:
De Dierenstroom, De Reuzenberg, enz., is duidelijk. Op andere tijden
hoorde ik van de wonderlijke eigenschap van sommige rivieren, die het
vermogen hadden kleine beenderen in groote te veranderen: of, zooals
sommigen beweerden, dat de beenderen zelven groeiden. Voorzoover ik
weet, stierf geen dezer dieren, gelijk vroeger ondersteld werd, in
de moerassen of modderige rivierbedden van het tegenwoordige land;
maar hunne beenderen werden blootgelegd door de stroomen, die de
onder water gevormde laag waarin zij oorspronkelijk begraven werden,
doorsneden. Wij mogen besluiten, dat de geheele Pampas-oppervlakte
één uitgestrekt graf is van deze uitgestorven reusachtige viervoeters.

Tegen den middag van den 28sten kwamen wij te Montevideo, na twee
en een halven dag onderweg te zijn geweest. Den geheelen weg over
droeg het land een zeer gelijkvormig karakter; alleen waren sommige
gedeelten wat rots- en bergachtiger dan bij de hoogvlakte. Niet
ver van Montevideo reden wij door het dorp Las Pietras, zoo genoemd
naar eenige groote ronde syenietrotsen. De aanblik er van was vrij
aardig. Enkele vijgeboomen rondom eene groep huizen, en eene ligging
op eene plek honderd voet boven het algemeene niveau, mag in dit land
altijd schilderachtig heeten.



Gedurende de laatste zes maanden heb ik gelegenheid gehad iets van
het karakter der bewoners van deze provinciën te zien. De Gauchos of
landlieden staan ver boven de bewoners der steden. Eerstgenoemde is
altijd zeer voorkomend, beleefd en gastvrij: zelfs ontmoette ik geen
enkel voorbeeld van ruwheid en ongastvrijheid. Hij is bescheiden,
heeft achting voor zich zelf en het land, maar is tevens een moedig,
vermetel man. Daarentegen worden vele rooverijen gepleegd, en wordt
er veel bloed gestort; de gewoonte om altijd een mes bij zich te
dragen, is van het laatste de hoofdoorzaak. Het is treurig als men
hoort, hoeveel levens om beuzelachtige twisten verloren gaan. Onder
het vechten tracht elke partij het gezicht van zijn tegenpartij te
merken, door over zijn neus of oogen te snijden; zooals dikwijls uit de
diepe en ijselijke litteekens blijkt. Rooverijen zijn een natuurlijk
gevolg van het algemeene dobbelen, het vele drinken en de verregaande
domheid. Te Mercedes vroeg ik twee mannen, waarom zij niet werkten. De
een zeide ernstig, dat de dagen te lang waren; de ander, dat hij te
arm was. Het aantal paarden en de overvloed van voedsel zijn de dood
van alle nijverheid. Daarenboven zijn er zooveel feestdagen en gelooft
men dat er niets kan slagen, tenzij het bij wassende maan begonnen is;
zoodat de halve maand door deze twee oorzaken verloren gaat.

Politie en justitie zijn totaal machteloos. Indien een arm man een
moord pleegt en gevat wordt, zal hij gevangen gezet en misschien
doodgeschoten worden; maar zoo hij rijk is en vrienden heeft, kan
hij er op rekenen, dat er geen zeer ernstige gevolgen uit zullen
voortvloeien. Het is merkwaardig, dat de geachtste ingezetenen des
lands steeds een moordenaar helpen ontsnappen; zij schijnen te denken,
dat het individu tegen de Regeering en niet tegen het volk zondigt. Een
reiziger heeft geen andere bescherming dan zijne vuurwapenen; en de
gewoonte van deze altijd bij zich te dragen is het beste middel om
talrijker rooverijen tegen te gaan.

Het karakter der hoogere en meer opgevoede klassen, die in de steden
wonen, heeft, schoon in mindere mate, de goede zijden met den Gaucho
gemeen, maar wordt, vrees ik, met vele andere ondeugden bezoedeld,
die hem vreemd zijn. Zinnelijkheid, spotternij met allen godsdienst
en de grootste verdorvenheid zijn verre van ongewoon. Bijna elk
openbaar ambtenaar kan worden omgekocht. De chef van het postkantoor
verkocht vervalschte rijkszegels. De gouverneur en eerste minister
werkten openlijk samen om den staat te plunderen. Als er goud in
't spel kwam, had bijna niemand gerechtigheid te wachten. Ik kende
een Engelschman, die naar den opperrechter ging (hij vertelde mij,
dat hij, met de gebruiken der plaats niet bekend, beefde toen hij de
kamer binnentrad), en zeide:

"Mijnheer, ik kom u hier 200 (papieren) dollar aanbieden (waarde
omstreeks £ 5), indien u vóór een bepaalden tijd een man wilt
arresteeren, die mij bedrogen heeft. Ik weet, dat het tegen de wet is;
maar mijn advocaat (hij noemde dien) ried mij aan dezen stap te doen."

De opperrechter glimlachte toestemmend, bedankte hem, en nog vóor den
avond was de man veilig in de gevangenis. Met dit totale gebrek aan
beginsel in vele van de leidende krachten; met een land vol slecht
betaalde, onrustige ambtenaren, hoopt het volk toch nog, dat een
democratische regeeringsvorm kan slagen!

Bij de eerste intrede in de samenleving dezer landen treffen u twee
of drie kenmerken door hunne bijzondere merkwaardigheid: de beleefde
en waardige manieren, die elke klasse eigen zijn; de uitnemende smaak,
dien de vrouwen in hare kleeding aan den dag leggen, en de gelijkheid
onder alle standen. Aan de Rio Colorado plachten eenige mannen,
die de nederigste winkels hielden, met generaal Rosas te eten. Een
zoon van een majoor te Bahia Blanca verdiende zijn kost met het
maken van cigaretten, en wilde mij als gids of knecht naar Buenos
Aires vergezellen; maar zijn vader weigerde alléén op grond van het
gevaar. Vele officieren in het leger kunnen lezen noch schrijven;
toch ontmoeten zij elkander in gezelschap als gelijken. In Entre Rios
bestond de Sala uit slechts zes vertegenwoordigers. Een hunner hield
een gewonen winkel en werd om zijn ambt er blijkbaar niet minder om
geacht. Dit alles heeft men in een nieuw land te verwachten; niettemin
komt het ontbreken van gentlemen by profession een Engelschman als
iets vreemds voor.

Als men over deze landen spreekt, moet de wijze waarop zij door hun
onnatuurlijken bloedverwant, Spanje, zijn opgeleid, altijd in 't oog
worden gehouden. Over het geheel moet men misschien meer achting
hebben voor hetgeen gedaan is, dan schimpen op hetgeen er te kort
komt. Onmogelijk kan men betwijfelen of het buitengewone liberalisme
dezer landen zal ten slotte tot goede uitkomsten leiden. De zeer
algemeene verdraagzaamheid van vreemde godsdiensten; de aandacht,
die men aan de middelen van opvoeding schenkt; de vrijheid der pers;
de gemakken, die aan alle vreemdelingen geboden worden, en vooral
(moet ik er bijvoegen) aan elk, die ook maar de geringste aanspraak
op wetenschap maakt--dit alles dient met dankbaarheid herdacht te
worden door hen, die Spaansch Zuid-Amerika bezocht hebben.

[6 December.]

De Beagle zeilde de Rio Plata uit, om nooit weer haren modderigen
stroom binnen te varen. Onze koers was gericht naar Port Desiré op
de kust van Patagonië. Eer ik verder ga, zal ik hier eenige op zee
gedane waarnemingen vermelden.

Menigmaal, toen het schip eenige mijlen van den mond der Plata, en
andere keeren toen het ver van de Noord-Patagonische kust verwijderd
was, zijn wij door insecten omringd geworden. Op zekeren avond, toen
wij ongeveer 10 mijlen van de Baai San Bias waren, zagen wij eene
menigte kapellen, die zich in troepen of zwermen van tallooze myriaden
uitstrekten zoover het oog reikte. Zelfs met een kijker konden wij
geen plek zien, die vrij van deze insecten was. De zeelieden zeiden,
dat het witjes sneeuwde; en zoo scheen het ook werkelijk. Er was
meer dan ééne species; maar het grootste aantal behoorde tot eene
soort, die zeer op de gewone Engelsche Colias edusa geleek, doch
niet dezelfde was. Eenige vlinders en Hymenoptera (Vliesvleugeligen)
[151] vergezelden de kapellen; en een fraaie kever (Calosoma) vloog
aan boord. Andere gevallen zijn bekend, dat deze kever ver in zee
gevangen is; en dit is te merkwaardiger, omdat de meeste Carabidae
(Loopkevers) zelden of nooit opvliegen. Het was een fraaie en kalme
dag geweest, en evenzoo daags te voren, met zwakke, afwisselende
luchtbeweging. Wij kunnen dus niet aannemen, dat de insecten van land
af gewaaid waren, maar moeten besluiten, dat zij vrijwillig waren
opgevlogen. Oppervlakkig schijnen de groote zwermen van Colias een
voorbeeld te geven gelijk aan de bekende trektochten, van eene andere
kapel (Vanessa cardui) [152] maar de aanwezigheid van andere insecten
maakt de zaak anders en zelfs minder verklaarbaar. Vóór zonsondergang
stak een sterke bries uit het noorden op, en deze moet tienduizenden
kapellen en andere insecten hebben doen omkomen.

Bij eene andere gelegenheid, toen wij 17 mijlen van Kaap Corrientes
waren, had ik een net overboord geworpen om pelagische dieren te
vangen. [153] Bij het optrekken vond ik er, tot mijne verbazing,
een groot aantal kevers in; en hoewel in volle zee, schenen zij door
het zoute water niet veel geleden te hebben. Eenige exemplaren gingen
verloren; maar die, welke ik bewaarde, behoorden tot de geslachten
Colymbetes, Hydroporus, Hydrobius (2 soorten), Notaphus, Cynucus,
Adimonia en Scarabaeus.

Eerst dacht ik, dat deze insecten van het strand afgewaaid waren;
maar overwegende, dat vier van de acht soorten in hare leefwijze
uitsluitend, en twee andere gedeeltelijk waterspecies waren, scheen
mij het waarschijnlijkst, dat zij door een kleinen stroom die een
meer bij Kaap Corrientes afwatert, naar zee gedreven waren. In welke
onderstelling ook, schijnt het toch een belangrijk feit 17 mijlen
van de dichtst bij zijnde landpunt levende insecten in volle zee
te zien zwemmen. Er bestaan verscheidene verhalen, dat insecten
van het strand van Patagonië in zee gewaaid zijn. Kapitein Cook
nam dit geval waar, en in lateren tijd evenzoo kapitein King op de
Adventure. De oorzaak is waarschijnlijk toe te schrijven aan het gemis
van beschutting door boomen en bergen; zoodat een vliegend insect,
door eene strandbries gedreven, zeer wel naar zee gewaaid zou kunnen
worden. Het belangrijkste voorbeeld, dat ik gezien heb van een insect,
dat ver van land gevangen werd, was dat van een grooten sprinkhaan
(Acrydium), die aan boord vloog, toen de Beagle bovenwinds van de
Kaap-Verdische Eilanden was, en de dichtst bij zijnde, niet recht
tegenover den passaat gelegen landpunt was Kaap Blanco aan de
Afrikaansche kust, op 370 mijlen afstand. [154]

Toen de Beagle zich in den mond der Rio Plata bevond, is het tuig
meermalen met het web van de herfstdraad-spin bedekt geworden. Op
zekeren dag (1 November 1832) besteedde ik aan dit onderwerp al mijne
aandacht. Het was fraai en helder weêr geweest, en des morgens was de
lucht vol pluisjes van dat vlokkig weefsel, evenals op een herfstdag in
Engeland. Het schip bevond zich 60 mijlen van het land in de richting
van eene stijve hoewel zwakke bries. Groote menigten van eene kleine
spin, ongeveer een tiende inch lang en van eene donkerroode kleur,
waren aan de webben gehecht. Ik vermoed, dat er wel eenige duizenden
stuks op het schip bijeen waren. Op het oogenblik, dat het spinnetje
't eerst met het tuig in aanraking kwam, zat het altijd op een enkelen
draad, en niet op de vlokkige massa, die eenvoudig schijnt te ontstaan
door de verwarring der enkele draden. De spinnen waren alle van ééne
soort, maar van beide seksen en vergezeld van hare jongen. Behalve
door geringere grootte, onderscheiden de laatsten zich door hare
donkerder kleur. Ik zal geen beschrijving van deze spin geven, maar
alleen zeggen, dat zij mij tot geen enkele van Latreille's geslachten
schijnt te behooren. [155] Zoodra de kleine luchtreizigster aan boord
kwam, werd zij zeer ijverig, liep rond, liet zich somtijds vallen en
klom dan langs denzelfden draad weer naar boven; soms was zij bezig
met het maken van een kleine en zeer onregelmatige maas in de hoeken
tusschen de touwen. Zij kon gemakkelijk over het water loopen. Stoorde
men haar, dan hief zij de voorpooten op, als nam zij eene afwachtende
houding aan.

Terstond bij hare aankomst scheen zij zeer dorstig en dronk zij
met uitgestoken kaken gretig van de druppels water: welk feit ook
door Starck is waargenomen. Zou dit niet een gevolg hiervan zijn,
dat het insect door een drogen en ijlen dampkring is gegaan? Zijn
weefselvoorraad scheen onuitputtelijk. Terwijl ik eenigen gadesloeg,
die aan een enkelen draad hingen, zag ik verscheidene malen, dat
de minste luchtbeweging ze in horizontale richting uit het gezicht
voerde. Bij eene andere gelegenheid (25 November) zag ik onder gelijke
omstandigheden dezelfde soort kleine spin, nadat zij op eene kleine
verhevenheid gezet of gekropen was, herhaaldelijk haar abdomen
(onderlijf) oprichten, een draad uitschieten, en dan horizontaal
wegzeilen met eene snelheid, die in 't geheel niet te bepalen was. Ik
meende te kunnen bespeuren dat de spin, eer zij die voorbereidende
stappen deed, hare pooten met de fijnste draden verbond, doch weet
niet zeker of deze opmerking juist was.

Te Santa Fé had ik eens eene betere gelegenheid om eenige van die
feiten waar te nemen. Eene spin, ongeveer 0.3 inch lang en die
naar het uiterlijk in 't algemeen op een Citigradus of loopspin
geleek (zij verschilde dus geheel van de herfstdraad-spin), schoot,
terwijl zij op den nok van een paal stond, vier of vijf draden uit
haar spintoestel. Deze in de zon glinsterende draden kon men bij
divergeerende lichtstralen vergelijken; zij waren echter niet recht,
maar golvend als vloszijde waarin de wind speelt. Zij waren meer
dan een yard lang en liepen uit alle openingen in stijgende richting
uiteen. Eensklaps liet toen de spin haar steunpunt op den paal los,
en was spoedig uit het oog verdwenen. Het was heet en schijnbaar
bladstil; maar onder zulke omstandigheden kan de lucht nooit zoo
rustig zijn, dat zij een zoo fijnen wimpel als een spinragdraad
niet in beweging brengt. Als wij op een warmen dag naar de schaduw
van een voorwerp op een oever, of over eene effene vlakte naar een
verwijderd baken kijken, is de werking van een opstijgenden warmen
luchtstroom bijna altijd zichtbaar; men heeft opgemerkt, dat zulke
opwaartsche stroomen ook blijken uit het stijgen van zeepbellen,
die binnenskamers niet opgaan. Het zal dus, denk ik, niet veel moeite
kosten de stijging der fijne draden, die uit het lichaam eener spin
steken, en daarna die van de spin zelve te begrijpen. De divergentie
of afwijking der draden heeft, geloof ik, Murray uit hun gelijknamigen
electrischen toestand pogen te verklaren. Het feit, dat spinnen van
dezelfde soort maar van verschillende sekse en leeftijd, in groot
aantal aan hare draden gehecht, dikwijls vele leagues ver van land
gevonden worden, maakt het waarschijnlijk, dat de gewoonte om door de
lucht te zeilen even kenmerkend is voor dezen stam, als die van het
duiken voor de Argyroneta. Wij mogen dan Latreille's onderstelling,
dat de herfstdraden hun ontstaan zonder onderscheid aan de jongen van
verschillende spinnengeslachten te danken hebben, verwerpen: zeker
is het, dat de jongen van andere spinnen, gelijk wij gezien hebben,
het vermogen bezitten om luchtreizen te doen. [156]

Op onze verschillende tochten ten zuiden der La Plata, sleepte
ik dikwijls een net van vlaggedoek achteraan en ving aldus vele
zeldzame dieren. Van Crustacea (Kreeftdieren) waren er vele vreemde
en onbeschreven geslachten. Een, die in sommige opzichten aan de
Notopoda verwant is (nl. die krabben, wier achterpooten bijna op den
rug geplaatst zijn, met het doel zich aan de onderzijde der rotsen
te hechten), is zeer merkwaardig om den bouw van hun achterste
paar pooten. De voorlaatste geleding eindigt, in plaats van in een
enkelvoudigen klauw, in drie borstelvormige aanhangsels van ongelijke
lengte, waarvan het grootste zoo lang is als de geheele poot. Deze
klauwen zijn zeer dun, en met de fijnste tanden bezet, die naar
achteren zijn gericht; hunne gebogen einden zijn afgeplat, en op
dit gedeelte bevinden zich vijf zeer kleine bekervormige organen,
die schijnen te werken evenals de zuigers op de armen van den
inktvisch. Daar het dier in volle zee leeft en waarschijnlijk eene
rustplaats behoeft, vermoed ik, dat deze fraaie en zeer afwijkende
bouw is aangepast om zich aan drijvende zeedieren vast te houden.

In diep water, ver van het land, is het aantal levende wezens uiterst
gering; zuidelijk van 35° breedte, kon ik nooit iets anders vangen
dan eenige beroë, [157] en enkele kleine soorten Entomostraca. [158]
In meer ondiep water, op enkele mijlen afstand van de kust, treden
vele soorten Crustacea benevens eenige andere dieren in groot aantal
op, doch alleen gedurende den nacht. Tusschen 56° en 57° breedte,
ten zuiden van Kaap Hoorn, werd het net verscheidene keeren achter
uitgeworpen; maar nooit bracht het iets anders boven dan enkele
exemplaren van twee uiterst kleine soorten Entomostraca. Niettemin zijn
walvisschen en robben, Petervogels (Thalassidroma pelagica) [159] en
albatrossen overal in dit deel van den oceaan zeer overvloedig. Het
is voor mij altijd een raadsel geweest, waarvan de albatros, die
ver van het strand leeft, bestaan kan; ik vermoed, dat hij, evenals
de Condor, lang kan vasten, en dat één goed maal aan het lijk van
een rottenden walvisch voor langen tijd genoeg is. De midden- en
tusschenkeerkrings-gedeelten van den Atlantischen Oceaan wemelen van
Pteropoda, Crustacea en Radiata; van hunne verslinders, de Vliegende
Visschen (Exocoetus volitans); en eindelijk van de verslinders van
deze, de Bonitos en Albicoros. [160] Ik veronderstel, dat de talrijke
lagere pelagische dieren zich voeden met de Infusoria, die, zooals
nu uit Ehrenberg's onderzoekingen bekend is, overvloedig in volle
zee voorkomen. Maar waarvan leven deze infusoria in het heldere
blauwe water?

Toen wij in een zeer donkeren nacht even ten zuiden van de Rio
de la Plata zeilden, bood de zee een wondervol en zeer prachtig
schouwspel. Er woei eene frissche bries, en elk deel van het
zeeoppervlak dat men bij dag als schuim ziet, gloeide nu met een bleek
licht. Het schip stuwde vóor zijn boeg twee baren vloeibaren phosphorus
uit, en werd in zijn zog door een melkachtig spoor gevolgd. Zoover het
oog reikte, was de kruin van elke golf helder; en door den glanzigen
weerschijn dezer loodkleurige vlammen, was de lucht boven den horizon
niet zoo geheel donker als onder het hemelgewelf.

Verder zuidwaarts gaande, is de zee zelden phosphoresceerend;
ter hoogte van Kaap Hoorn herinner ik mij niet haar meer dan
eenmaal zoo gezien te hebben en toen was het verschijnsel ver
van schitterend. Deze omstandigheid staat waarschijnlijk in nauw
verband met de schaarschheid aan organische wezens in dat gedeelte
van den oceaan. Na het doorwrochte geschrift van Ehrenberg over het
phosphoresceeren der zee, is het bijna overbodig van mijn kant eenige
opmerkingen over het onderwerp te doen. Ik wil er echter bijvoegen,
dat dezelfde gescheurde en onregelmatige deeltjes geleiachtige stof,
door Ehrenberg beschreven, in het zuidelijk zoowel als in 't noordelijk
halfrond de gemeenschappelijke oorzaak van dit phosphoresceeren
schijnen te zijn. De deeltjes waren zoo klein, dat zij gemakkelijk
door fijn gaas gingen; toch waren vele duidelijk met het bloote
oog zichtbaar. Water, in een groot glas geschonken en geschud, gaf
vonken af; maar eene kleine hoeveelheid op een horlogeglas gaf bijna
nooit licht. Ehrenberg zegt, dat die deeltjes alle een zekeren graad
van prikkelbaarheid behouden. Mijne waarnemingen, waarvan enkele
terstond na het ophalen van het water genomen werden, gaven eene
andere uitkomst. Ook wil ik het volgende vermelden: toen ik eens
des nachts het net gebruikt, daarna gedeeltelijk had laten drogen,
en twaalf uur later gelegenheid had het opnieuw te gebruiken, vond ik
de geheele oppervlakte even helder vonkelend, als toen het pas uit het
water was gehaald. Het komt mij in dit geval niet waarschijnlijk voor,
dat de diertjes zoo lang in 't leven hebben kunnen blijven. Eens toen
ik eene zeekwal van het geslacht Dianaea bewaarde tot zij dood was,
begon het water waarin zij lag, te lichten. Ik geloof, dat als de
golven met helder groene vonken schitteren, dit in 't algemeen aan
kleine Crustacea is toe te schrijven. Er kan echter geen twijfel
bestaan, of zeer vele andere pelagische dieren phosphoresceeren,
als zij levend zijn.

Bij twee gelegenheden heb ik de zee op aanzienlijke diepte onder
de oppervlakte zien lichten. Nabij de monding van de Plata blonken
eenige cirkelvormige en eironde plekken, van twee tot vier yards
in middellijn en met duidelijke omtrekken, in een bestendig maar
bleek licht, terwijl het water er om heen slechts enkele vonken
uitstraalde. Het verschijnsel geleek op eene weerspiegeling van de
maan of ander lichtend voorwerp; want de randen waren gebogen door de
golvingen van het zeeoppervlak. Het schip, dat 13 voet diepgang had,
ging over deze plekken heen zonder er verandering in te brengen. Wij
moeten dus onderstellen, dat er eenige dieren bijeengehoopt waren op
grootere diepte dan de bodem van het schip.

Nabij Fernando Noronha was het lichten der zee straalvormig. Het
verschijnsel geleek veel op wat men zien zou als een groote visch zich
snel door eene lichtende vloeistof bewoog. Aan deze oorzaak schreven
de zeelieden het toe; maar destijds koesterde ik daaromtrent eenigen
twijfel wegens de talrijkheid en snelheid der stralen. Reeds heb ik
opgemerkt, dat het verschijnsel veel meer algemeen is in warme dan in
koude streken; en soms heb ik gemeend, dat een gestoorde electrische
toestand van den dampkring de gunstigste factor voor zijn ontstaan
was. Ik geloof zeker, dat het lichten der zee het sterkst is na enkele
dagen van kalmer weder dan gewoonlijk, als wanneer het gewemeld heeft
van allerlei dieren. Na opgemerkt te hebben, dat het met geleiachtige
deeltjes bezwangerde water in een onzuiveren staat verkeert, en dat
het lichtverschijnsel in alle gewone gevallen wordt voortgebracht door
de beweging der vloeistof in aanraking met den dampkring, ben ik tot
de beschouwing geneigd, dat de phosphorescentie het gevolg is van de
ontbinding der organische deeltjes: door welk proces (bijna is men
geneigd het eene soort ademhaling te noemen) de zee gezuiverd wordt.



[23 December.]

Wij kwamen te Port Desiré, op 47° breedte aan de kust van Patagonië
gelegen. De kreek loopt ongeveer 20 mijlen landwaarts in en heeft eene
onregelmatige wijdte. De Beagle ankerde enkele mijlen de kreek in,
tegenover de puinhoopen eener oude Spaansche nederzetting.

Denzelfden avond ging ik aan land. Het eerste landen in eene
nieuwe streek is zeer belangwekkend, en vooral wanneer, zooals nu,
het geheele landschap den stempel draagt van een scherp omlijnd en
eigendommelijk karakter. Ter hoogte van 2 tot 300 voet boven eenige
porfiergesteenten strekte zich eene groote vlakte uit, die inderdaad
kenmerkend is voor Patagonië. De oppervlakte is geheel effen en bestaat
uit ronde keisteenen, vermengd met eene witachtige aarde. Hier en
daar verspreid groeien bosjes bruin dradig gras, en nog spaarzamer
eenige lage doornboschjes. Het klimaat is droog en aangenaam; en de
fraaie blauwe lucht wordt maar zelden verdonkerd. Staat men midden op
een dezer verlaten vlakten en wendt men den blik naar de landzijde,
dan wordt het uitzicht in 't algemeen begrensd door de steilte van
eene andere vlakte, welke iets hooger, maar even effen en verlaten
is; en in elke andere richting is de horizon onduidelijk door de
trillende luchtspiegeling, die uit de verhitte oppervlakte schijnt
voort te komen.

In zulk eene streek was het lot der Spaansche nederzetting weldra
beslist: de droogte van het klimaat gedurende het grootste deel
van het jaar, en nu en dan de vijandelijke aanvallen der zwervende
Indianen, noodzaakten de kolonisten hunne halfvoltooide woningen
te verlaten. Niettemin toont de stijl waarin zij waren aangelegd,
Spanje's krachtige en onbekrompen hand in oude tijden. De uitslag van
alle pogingen om dit deel van Amerika ten zuiden van 41° breedte te
koloniseeren, is ellendig geweest. Port Famine drukt door haar naam,
Hongerhaven, het kwijnend en vreeselijk lijden uit van vele honderden
ongelukkige lieden, van wie slechts één in 't leven bleef, om hunne
rampen te vertellen. Bij St.-Jozef's Baai, aan de Patagonische kust,
werd eene kleine kolonie gevestigd; maar op een Zondag deden de
Indianen een aanval en vermoordden de geheele nederzetting, behalve
twee mannen, die vele jaren in gevangenschap bleven. Aan de Rio Negro
sprak ik met een dezer mannen, die nu op zeer hoogen leeftijd is.

De Zoölogie van Patagonië is even beperkt als zijne Flora. [161] Op
de dorre vlakten kon men een paar zwarte kevers (Heteromera) langzaam
zien rondkruipen; en soms schoot een hagedis langs ons heen. Van
vogels vonden wij drie aas-valken, en in de dalen enkele vinken
en insecten-eters. Een ibis (Theristicus melanops--eene soort die,
naar men zegt, in Midden-Afrika gevonden wordt) is op de eenzaamste
gedeelten niet zeldzaam. In hunne magen vond ik sprinkhanen, krekels,
kleine hagedissen en zelfs schorpioenen. [162] Den eenen tijd van het
jaar trekken deze vogels rond in troepen, op een anderen bij paren; hun
kreet is zeer luid en zonderling, evenals het gehinnik van het guanaco.

Het guanaco, of wilde lama, is de kenmerkende viervoeter der
Patagonische vlakten en tevens de Zuidamerikaansche plaatsvervanger
van den kameel in het oosten. In natuurstaat is het een fraai dier,
met langen ranken hals en fijne pooten. Het komt veel voor in alle
gematigde deelen van het vasteland: in 't zuiden tot aan de eilanden
bij Kaap Hoorn. Meestal leeft het in kleine troepen, van zes tot
dertig stuks elk; maar aan de oevers der Santa Cruz zagen wij een
troep, die er minstens 500 moet hebben geteld.

In het algemeen zijn deze dieren wild en uiterst op hunne
hoede. Mr. Stokes vertelde mij, dat hij door een kijker eens een troep
van deze dieren, die blijkbaar verschrikt waren, in vollen ren had
zien wegloopen, ofschoon hun afstand zoo groot was, dat hij hen met
het bloote oog niet kon onderscheiden. De jager ontvangt dikwijls het
eerste sein van hunne tegenwoordigheid, doordien hij op verren afstand
hun eigenaardigen, schellen, hinnikenden alarmkreet hoort. Indien hij
dan goed kijkt, zal hij den troep waarschijnlijk op eene rij zien
staan aan den kant van een afgelegen heuvel. Komt men dichter bij,
dan worden nog eenige schelle kreten geuit, en verwijderen zij zich
in een schijnbaar langzamen, doch inderdaad snellen galop, langs een
smal gebaand pad naar een naburigen heuvel. Zoo hij echter toevallig
eensklaps een enkelen of velen tegelijk ontmoet, zullen zij meestal
roerloos blijven staan en hem opmerkzaam aanzien; dan misschien een
paar yards wegloopen, zich omkeeren, en weer kijken. Wat is de oorzaak
van dit verschil in hunne schuwheid? Zien zij van verre een mensch
voor hun hoofdvijand, den puma, aan? Of wint de nieuwsgierigheid het
van hunne beschroomdheid? Dat zij nieuwsgierig zijn, is zeker; want
als iemand op den grond ligt en zonderlinge potsen maakt, bijv. door
zijn voet in de hoogte te steken, zullen zij bijna altijd dichter
bij komen, om hem te verkennen. Deze kunstgreep werd herhaaldelijk
door onze jagers met geluk toegepast, en had bovendien het voordeel,
dat verscheidene schoten gelost konden worden, welke alle werden
opgevat als tot het spel behoorende. Op de bergen van Tierra del
Fuego (Vuurland) heb ik meer dan eens een guanaco gezien, dat,
als men het naderde, niet alleen hinnikte en gilde, maar op bijna
belachelijke manier steigerde en sprong, schijnbaar tartend, als
gold het eene uitdaging. Deze dieren worden zeer gemakkelijk getemd;
en in Noord-Patagonië heb ik eenige gezien, die zelfs zonder toezicht
of dwang in de nabijheid van een huis werden gehouden. In dezen staat
zijn zij zeer driest en vallen licht een mensch aan door hem met beide
knieën van achteren te stooten. Naar men beweert is de beweegreden
tot deze aanvallen jaloezie ten opzichte van hunne wijfjes. De wilde
guanaco's denken echter aan geen verdediging: zelfs één enkele hond zal
een dezer groote dieren in bedwang houden, totdat de jager opdaagt. In
vele hunner gewoonten zijn zij als schapen in eene kudde. Zien
zij bijv. in verschillende richtingen mannen te paard naderen, dan
worden zij spoedig verbijsterd en weten niet naar welken kant te
vluchten. Dit maakt de Indiaansche manier van jagen zeer gemakkelijk;
want zoo worden zij licht naar een middenpunt gedreven en omsingeld.

De guanaco's gaan gereedelijk te water; te Port Valdos zag men
hen vaak van het eene eiland naar het andere zwemmen. Byron zegt
in zijn reisverhaal, dat hij hen zout water zag drinken. Ook zagen
eenige Engelsche officieren bij Kaap Blanco eene kudde, die de zoute
vloeistof uit eene salina scheen te drinken. Ik denk, dat, als zij
in verschillende deelen van dit land geen zout water drinken, zij in
't geheel geen water drinken. Op het midden van den dag rollen zij
herhaaldelijk in schotelvormige holten in het zand. De mannetjes
vechten samen: eens gingen twee mij voorbij, die gillend elkander
trachtten te bijten; en verscheidene werden geschoten, wier huid
diep gekorven was. Soms schijnen er kudden op ontdekkingstochten
uit te gaan; te Bahia Blanca, waar deze dieren binnen 30 mijlen van
de kust uiterst zeldzaam zijn, zag ik eens de sporen van 30 of 40
stuks, die in rechte lijn naar eene modderige zoutwater-kreek waren
gegaan. Zij moeten toen bespeurd hebben, dat zij de zee naderden;
want met de regelmatigheid eener afdeeling cavalerie hadden zij zich
omgewend, en waren in eene even rechte lijn teruggekeerd als dat zij
gekomen waren. De guanaco's hebben eene zonderlinge gewoonte, die mij
geheel onverklaarbaar is, namelijk: dat zij dagen achtereen hun mest
op denzelfden bepaalden hoop laten vallen. Ik zag een dezer hoopen,
welke acht voet in middellijn was en eene groote hoeveelheid stof
bevatte. Volgens A. d'Orbigny is deze gewoonte aan alle soorten van
het geslacht eigen; voor de Peruaansche Indianen, die den mest als
brandstof gebruiken, is zij zeer nuttig, en wordt hun zoodoende de
moeite bespaard van hem te verzamelen.

De guanaco's schijnen lievelingsplekken te hebben om te gaan
liggen sterven. Aan de oevers van de Santa Cruz was de grond op
zekere beperkte ruimten, die meestal heesterachtig en alle bij de
rivier gelegen waren, letterlijk wit van de beenderen. Op ééne plek
telde ik tusschen de 10 en 20 hoofden. In 't bijzonder onderzocht
ik de beenderen; zij schenen niet, zooals sommige die ik hier en
daar verspreid had gezien, afgeknaagd en gebroken, alsof zij door
roofdieren hierheen waren gesleept. In de meeste gevallen moeten deze
dieren, vóór hun sterven, onder en tusschen de struiken doorgekropen
zijn. Bynoe meldt mij, dat hij op eene vorige reis hetzelfde feit
aan de oevers van de Rio Gallegos waarnam. Ik begrijp volstrekt niet
de reden hiervan, maar wil opmerken, dat de gewonde guanaco's aan
de Santa Cruz onveranderlijk naar de rivier liepen. Op Sint-Jago
van de Kaap-Verdische Eilanden herinner ik mij in een ravijn een
afgelegen hoek gezien te hebben, die met geitenbeenderen bedekt
was; wij zeiden toen, dat dit de begraafplaats van alle geiten op
het eiland was. Ik vermeld deze beuzelachtige omstandigheden, omdat
zij in sommige gevallen wellicht het voorkomen kunnen verklaren van
een aantal ongeschonden beenderen in een hol, of van die welke onder
alluviale ophoopingen begraven liggen; alsook de reden waarom sommige
dieren meer in sedimentaire lagen bedolven liggen, dan andere.

Op zekeren dag werd de jol onder bevel van Chaffers met drie dagen
leeftocht uitgezonden, om het bovendeel der haven op te meten. Des
morgens spoorden wij eenige op een oude Spaansche kaart vermelde
plaatsen op, om water in te nemen. Wij vonden een kreek, en aan het
boveneind daarvan een druppelend beekje brak water--het eerste dat
wij hier zagen. Hier noodzaakte het getij ons verscheidene uren te
wachten; en in dien tusschentijd wandelde ik eenige mijlen het land
in. Als gewoonlijk bestond de vlakte uit grof zand, vermengd met
grond, die op 't oog kalk geleek, doch in werkelijkheid er zeer van
verschilde. Door de zachtheid dezer stoffen waren in den bodem vele
greppels ontstaan. Er was geen enkele boom; en behalve het guanaco,
dat als schildwacht over zijne kudde op een heuveltop stond, was bijna
geen enkel dier of vogel te zien. Overal stilte en verlatenheid. Toch
wordt, als men door deze landschappen zonder zichtbare afwisseling
gaat, een onbestemd maar sterk en levendig gevoel van blijdschap in
ons opgewekt. Iemand vroeg mij hoeveel eeuwen de vlakte in dien staat
verkeerd had, en hoeveel andere zij nog gedoemd was zoo te blijven:


        Niemand kan antwoorden; nu schijnt zij eeuwig.
        De wildernis heeft eene geheimzinnige taal,
        Die ontzagwekkend twijfelen leert.

                        (Shelley, regels op den Mont-Blanc.)


Des avonds zeilden wij eenige mijlen verder en sloegen toen eene tent
op voor den nacht. Tegen het midden van den volgenden dag geraakte de
jol aan den grond, en kon wegens het ondiepe water niet verder. Daar
het laatste gedeeltelijk zoet werd bevonden, nam Chaffers de dingey,
[163] en ging drie mijlen hooger op, waar ook dit vaartuig aan den
grond raakte. Wij bevonden ons nu in eene zoetwaterrivier. Het water
was modderig, en hoewel de stroom van zeer onbeduidende grootte was,
zou het moeilijk geweest zijn den oorsprong te verklaren, tenzij uit de
gesmolten sneeuw op de Cordilleras. Op de plek waar wij bivouakeerden,
waren wij door steile klippen en hooge toppen van porfier omringd. Ik
geloof niet, dat ik ooit eene plek heb gezien, die zoozeer van de
overige wereld afgesloten scheen, als deze rotsachtige afgrond in de
wijde vlakte.

Den tweeden dag na onze terugkomst op de aanlegplaats ging een
gezelschap officieren en ik een oud Indiaansch graf doorzoeken, dat
ik op den top van een naburigen heuvel gezien had. Twee reusachtige
steenen, elk vermoedelijk minstens een paar ton wegende, waren
tegenover een omstreeks zes voet hoog vooruitspringend rotsblok
geplaatst. Op den harden steenen bodem van het graf was een laag
aarde van omtrent 1 voet diepte, die uit de omlaag gelegen vlakte
naar boven moet gebracht zijn. Daarop was een vloer van platte
steenen gelegd, en op deze weer andere, zoodat de ruimte tusschen het
vooruitspringend rotsblok en de twee groote steenen gevuld was. Om
het graf te voltooien, waren de Indianen op den inval gekomen om van
het rotsblok een groot stuk los te maken en op den stapel te werpen,
zóo dat het op de twee steenen rustte. Wij ondermijnden het graf aan
beide kanten, doch konden geen reliquieën, en zelfs geen beenderen
vinden. Waarschijnlijk waren de laatsten sedert lang vergaan (in
welk geval het graf van zeer hoogen ouderdom moet geweest zijn),
want op eene andere plek vond ik eenige kleinere hoopen, onder welke
zeer enkele verbrokkelde stukken werden gevonden, waaraan nog te
zien was, dat zij van een mensch afkomstig waren. Falconer zegt,
dat een Indiaan begraven wordt waar hij sterft, maar dat later zijn
beenderen zorgvuldig opgenomen en, al is de afstand nog zoo groot,
naar het zeestrand worden gebracht om begraven te worden. Ik geloof,
dat deze gewoonte te verklaren is, zoo men bedenkt dat deze Indianen,
vóór den invoer van paarden, bijna hetzelfde leven moeten geleid
hebben als nu de Vuurlanders, en dus in 't algemeen in de nabijheid
der zee hebben gewoond. De gewone voorliefde om te liggen waar zijne
voorvaderen hebben gelegen, zou de thans zwervende Indianen nopen om
het minst vergankelijke gedeelte hunner dooden over te brengen naar
hunne oude begraafplaats op de kust.

[9 Januari.]

Vóór het donker was, ankerde de Beagle in de fraaie ruime haven van
Port St.-Julian, omstreeks 110 mijlen ten zuiden van Port Desiré
gelegen. Wij bleven hier acht dagen. Het land is nagenoeg gelijk aan
dat van Port Desiré, maar misschien nog iets onvruchtbaarder. Eens
vergezelde ik met een clubje kapitein Fitz-Roy op eene lange wandeling
om het havenhoofd. Elf uren lang dronken wij geen druppel water,
en eenigen van het gezelschap waren geheel uitgeput. Van den top van
een heuvel (sedert Thirsty Hill of Dorstige Heuvel genoemd) werd een
fraai meer ontdekt, en gingen twee van het gezelschap met afgesproken
seinen er heen, om te wenken of het zoet water was. Hoe groot was onze
teleurstelling, toen wij eene sneeuwwitte uitgestrektheid van zout
zagen, gekristalliseerd in groote kuben! Wij schreven onzen fellen
dorst toe aan de droogte van den dampkring; maar wat ook de reden
zij--zeker is het, dat wij uiterst blijde waren laat in den avond in
onze booten terug te zijn. Ofschoon wij op onzen geheelen tocht nergens
een druppel zoet water konden vinden, moest er toch wat zijn; want door
een zonderling toeval vond ik op de oppervlakte van het zoute water,
bij het hoofd der baai, een niet geheel dooden Colymbetes, die in een
niet ver af gelegen poel geleefd moest hebben. Drie andere insecten
(een Cincindella als bastaard, een Cymindis en een Harpalus, die alle
op modderplaten leven, welke nu en dan door de zee worden overstroomd),
en nog een vierde, dat dood op de vlakte werd gevonden, voltooien
de lijst der kevers. Eene vlieg van tamelijke grootte (Tabanus) was
buitengewoon talrijk, en kwelde ons door haar pijnlijken steek. De
gewone paardenvlieg (Hippobosca), die in de lommerrijke lanen in
Engeland zoo lastig is, behoort tot dezelfde orde. Wij hebben hier
het raadsel, dat zoo dikwijls in het geval der muskieten voorkomt: met
het bloed van welke dieren voeden deze insecten zich gewoonlijk? Het
guanaco is ongeveer de eenige warmbloedige viervoeter en komt,
vergeleken met de menigte vliegen, in zeer gering aantal voor.



De geologie van Patagonië is belangwekkend. In afwijking met Europa,
waar de tertiare formaties zich in baaien schijnen opgehoopt te hebben,
vinden wij hier over honderden mijlen kustland ééne groote afzetting,
in zich bevattende vele tertiaire schelpdieren, die alle uitgestorven
schijnen. Het meest voorkomende schelpdier is een zware reusachtige
oester, soms wel een voet in middellijn. Deze beddingen worden bedekt
door andere van een eigenaardigen zachten witten steen, die veel gips
bevat en op kalk gelijkt, maar inderdaad van puimsteenachtig gehalte
is. Hoogst merkwaardig is het, dat zij voor minstens een tiende deel
in volume uit infusoria bestaan! Professor Ehrenberg heeft er reeds 30
zee-soorten in ontdekt. Deze laagbedding strekt zich 500 mijlen langs
de kust, en waarschijnlijk nog veel verder uit. Te Port St.-Julian
is hare dikte meer dan 800 voet! Deze witte beddingen zijn overal
bedekt met een laag grof kiezel, die misschien een van de grootste
keisteenbeddingen der wereld vormt. Zeker weet men, dat zij zich van
bij de Rio Colorado uitstrekt tot tusschen de 600 en 700 zeemijlen
zuidwaarts; bij de Santa Cruz (eene rivier even ten zuiden van
St.-Julian) bereikt zij den voet der Cordilleras; halfweg de rivier
op is hare dikte meer dan 200 voet, en vermoedelijk strekt zij zich
overal tot de genoemde groote keten uit, vanwaar de wel afgeronde
porfiersteenen afkomstig zijn. Wij mogen hare gemiddelde breedte op
200 mijlen, en de gemiddelde dikte op ongeveer 50 voet stellen. Indien
deze groote laag van kiezelsteenen, zonder bijvoeging van de modder
die noodzakelijk door hunne wrijving is ontstaan, tot een berg werd
opgehoopt, zou zij eene groote keten vormen!

Bedenkt men, dat al die kiezelsteenen, talrijk als de zandkorrels in
de woestijn, afkomstig zijn van langzaam afbrokkelende steenmassa's
op de oude kustlijnen en rivieroevers; dat deze brokken in kleinere
stukken zijn geslagen, en dat elk daarvan sedert dien tijd langzaam
gerold, afgerond en ver is weggevoerd, dan staat de geest ontzet bij de
gedachte aan de lange reeks van jaren, die voor dit proces volstrekt
noodig waren. Toch zijn al die keisteenen vervoerd en waarschijnlijk
afgerond geworden na de afzetting der witte beddingen, en lang na de
vorming der onderliggende beddingen met tertiaire schelpen!

In dit zuidelijk werelddeel is alles op groote schaal ten uitvoer
gebracht; van de Rio de la Plata tot Vuurland--een afstand van 1200
mijlen--is het land in het tijdperk der nu bestaande zeeschelpen in
massa gerezen; en wel in Patagonië tot eene hoogte van tusschen de 300
en 400 voet. De oude en verweerde schelpen, die aan de oppervlakte
der gerezene vlakte zijn achtergebleven, bezitten nog gedeeltelijk
hare kleuren. De rijzende beweging werd afgebroken door minstens
acht lange tijdperken van rust, gedurende welke de zee diep in het
land knaagde, en op allengs volgende peilstanden de lange reeksen
van klippen en steilten vormde, die de verschillende als terrassen
achter elkander verrijzende vlakten scheiden. De opwaartsche beweging
en de knagende werking der zee gedurende de lange perioden van rust,
zijn over lange kustlijnen gelijk geweest; want met verbazing vond
ik, dat de terrasvormige vlakten op verafgelegen punten op nagenoeg
correspondeerende hoogten staan. De laagste vlakte is 90 voet hoog,
en de hoogste die ik bij de kust besteeg, 950 voet; en daarvan vinden
wij slechts overblijfsels in den vorm van vlakke met kiezel bedekte
bergjes. De bovenste vlakte der Santa Cruz loopt glooiend op tot
eene hoogte van 3000 voet aan den voet der Andesketen. Ik heb gezegd,
dat Patagonië in het tijdperk der bestaande zeeschelpen 300 tot 400
voet gerezen is, en kan er bijvoegen, dat de stijging minstens 1500
voet geweest is in het tijdperk toen ijsbergen zwerfblokken over de
bovenvlakte der Santa Cruz vervoerden. Maar Patagonië is niet alleen
aan stijgende bewegingen onderhevig geweest: de uitgestorven tertiaire
schelpdieren van Port St.-Julian en de Santa Cruz kunnen, volgens
Prof. E. Forbes, op geen grootere waterdiepte geleefd hebben dan van
40 tot 250 voet, terwijl zij nu bedekt zijn met uit zee afgezette
lagen van 800 tot 1000 voet dikte; bijgevolg moet de zeebodem, waarop
deze schelpdieren eenmaal leefden, vele honderden voeten gedaald zijn,
om de ophooping der daarboven liggende lagen mogelijk te maken. Welk
eene geschiedenis van geologische veranderingen openbaart die eenvoudig
samengestelde kust van Patagonië!

Te Port St.-Julian [164] vond ik in eene roode modderlaag, die
het kiezelzand op de 90-voet vlakte bedekte, het halve skelet van
de Macrauchenia Patagonica: een merkwaardigen viervoeter, die zoo
groot was als een kameel. Hij behoort tot dezelfde afdeeling der
Pachydermata als de rhinoceros, de tapir en het palaeotherium; maar
in den bouw der beenderen van zijn langen hals, vertoont hij eene
duidelijke verwantschap tot den kameel, of liever tot het guanaco en
de lama. Uit het feit, dat nieuwe zeeschelpdieren gevonden zijn op twee
der hoogere terrasvormige vlakten, die gelaagd en opgeheven moeten zijn
vóór het afzetten van de modder waarin de Macrauchenia begraven was,
blijkt overtuigend, dat deze merkwaardige viervoeter leefde lang nadat
de zee door hare tegenwoordige schelpdieren bewoond was. Eerst was ik
zeer verwonderd, dat een groote viervoeter zoo kort geleden op 49°15'
in deze ellendige keisteenvlakten met haren schralen plantengroei
geleefd kon hebben; maar de verwantschap van de Macrauchenia tot
het guanaco, thans een bewoner van de onvruchtbaarste gedeelten,
verklaart deze moeilijkheid ten deele.

De, ofschoon verre, verwantschap tusschen de Macrauchenia en het
guanaco, tusschen den Toxodon en de Capybara; de nauwere verwantschap
tusschen de vele uitgestorvenen Edentata en de levende luiaards,
miereneters en armadillen, die nu zulk een uitstekend kenmerk
vormen in de zoölogie van Zuid-Amerika; en eindelijk de nog nauwere
verwantschap tusschen de fossiele en levende soorten van Ctenomys en
Hydrochoerus--zijn zeer belangwekkende feiten. Deze verwantschap blijkt
verwonderlijk--even treffend als tusschen de fossiele en uitgestorven
Buideldieren van Australië--uit de groote verzameling, die onlangs door
Lund en Clausen uit de holen van Brazilië naar Europa is gebracht. In
deze verzameling zijn uitgestorven soorten van al de 32 geslachten
der land-viervoeters (op 4 na), die nu de provinciën bewonen waarin de
holen liggen. En de uitgestorven soorten zijn veel talrijker dan de nu
levende: er zijn fossiele miereneters, armadillen, tapirs, pecaris,
guanaco's, opossums, talrijke Zuidamerikaansche knaagdieren en apen,
alsmede andere dieren. Deze wonderlijke verwantschap op hetzelfde
vasteland tusschen de dooden en de levenden zal, ongetwijfeld,
later op de verschijning van organische wezens op onze aarde en
hunne verdwijning daarvan meer licht werpen dan eenige andere klasse
van feiten.

Het is onmogelijk over den veranderden toestand van het Amerikaansche
vasteland anders dan met de diepste verbazing na te denken. Voorheen
moet het gewemeld hebben van groote monsters; nu vinden wij slechts
dwergen, in vergelijking met de vroegere verwante rassen. Indien
Buffon van den reusachtigen luiaard, de armadil-achtige dieren en
verdwenen Pachydermata geweten had, zou hij met meer schijn van
waarheid hebben kunnen zeggen, dat de scheppende kracht in Amerika
haar vermogen had verloren, dan dat zij nooit groote werking had
gehad. De meeste dezer uitgestorven viervoeters, zoo niet alle,
leefden in een laat tijdperk, en waren tijdgenooten van de meeste nu
bestaande zeeschelpdieren. Sedert den tijd dat zij leefden, kan in
den vorm van het land geen zeer groote verandering hebben plaats gehad.

Wat heeft dan zooveel soorten en geslachten uitgeroeid? In 't eerst is
de geest onweerstaanbaar geneigd om aan eene groote ramp te denken;
maar om dieren, groote en kleine, uit te roeien in Zuid-Patagonië,
Brazilië, op de Cordilleras in Peru, en in Noord-Amerika tot aan
de Behring-Straat, moeten wij het geheele wereldspantwerk doen
waggelen. Bovendien leidt een geologisch onderzoek van La Plata
en Patagonië tot de overtuiging, dat alle vormen van het land uit
langzame en trapswijs voortgaande veranderingen ontstaan.

Uit het kenmerk der fossielen in Europa, Azië, Australië, Noord-
en Zuid-Amerika blijkt, dat die voorwaarden welke gunstig zijn
voor het leven der grootere viervoeters, niet lang geleden zich
even ver uitstrekten als de wereld zelve. Welke die voorwaarden
waren, dat heeft niemand zelfs maar vermoed. Moeilijk kon het
eene temperatuurs-verandering zijn, die ongeveer tegelijktijdig
de bewoners van tropische, gematigde en poolgewesten op beide
halfronden verdelgde. Door Lyell weten wij met zekerheid, dat de groote
viervoeters in Noord-Amerika leefden na het tijdperk toen zwerfblokken
naar breedten werden vervoerd, waarop ijsbergen nu niet komen; om
overtuigende, maar indirecte redenen kunnen wij zeker zijn, dat ook de
Macrauchenia in het zuidelijk halfrond leefde lang na de ijsbeweging in
de zwerfblokkenperiode. Was het de mensch, zooals men gemeend heeft,
die na zijne eerste komst in Zuid-Amerika het logge Megatherium
en de andere Edentata uitroeide? Wat de verdelging van den kleinen
tucutuco te Bahia Blanca, van de vele fossiele muizen en andere kleine
viervoeters in Brazilië betreft, moeten wij althans eene andere reden
zoeken. Niemand zal wanen, dat eene droogte, zelfs veel strenger dan
die welke zulke verwoestingen in de provinciën van La Plata aanrichtte,
alle individuën van elke soort vernietigen kon van af Zuid-Patagonië
tot aan de Behring-Straat. Wat te zeggen van de uitsterving van
het paard? Ontbrak het aan gras op die onmetelijke vlakten, later
overstroomd door duizenden en honderdduizenden nakomelingen van het
geslacht, dat door de Spanjaarden werd ingevoerd? Hebben de later
ingevoerde soorten het voedsel verbruikt van de groote voorgaande
rassen? Mogen wij gelooven, dat de Capybara het voedsel heeft genomen
van den Toxodon, het Guanaco van de Macrauchenia, de nu levende
kleine Edentata van hunne talrijke reusachtige prototypen? In de
lange geschiedenis der wereld is voorzeker geen feit zoo verrassend,
als de groote en herhaalde uitroeiingen van hare bewoners.

Beschouwen wij de zaak echter uit een ander oogpunt, dan zal
zij minder ingewikkeld schijnen. Wij bedenken niet steeds, hoe
diep onwetend wij zijn omtrent de levensvoorwaarden van elk dier:
herinneren ons niet altijd dat er eene oorzaak is, die de te snelle
toename van elk georganiseerd wezen in den natuurstaat voortdurend
belemmert. De voorraad voedsel blijft gemiddeld dezelfde; daarentegen
bestaat bij elk dier de neiging om door voortplanting in geometrische
reden toe te nemen; en nergens zijn de verrassende gevolgen daarvan op
treffender wijze gebleken, dan in Amerika, waar de Europeesche dieren
gedurende de paar laatste eeuwen in 't wild loopen. In den natuurstaat
teelt elk dier geregeld; toch is bij eene lang gevestigde soort eene
sterke getaltoename blijkbaar onmogelijk en moet door eene of andere
oorzaak belet worden. Intusschen zijn wij maar zelden in staat bij
eene gegeven soort met zekerheid te zeggen, in welke levensperiode
of in welken tijd van het jaar die storing valt: of zij alleen na
lange tusschentijden optreedt, en wat er de juiste oorzaak van is. Zoo
komt het waarschijnlijk, dat wij zoo weinig verwonderd zijn, als van
twee soorten die in gewoonten na aan elkander zijn verwant, de eene
zeldzaam en de andere overvloedig is in hetzelfde district; of ook als
de eene overvloedig is in dit of in dat district, en de tweede, die in
de huishouding der natuur dezelfde plaats inneemt, overvloedig in een
naburig district met zeer gering verschil in toestanden. Naar de reden
hiervan vragende, antwoordt men onmiddellijk, dat dit veroorzaakt wordt
door een gering verschil in klimaat, voedsel of het getal vijanden;
maar hoe zelden, of nooit, kunnen wij de juiste oorzaak der storing en
hare wijze van werking aangeven! Wij komen dus tot de noodzakelijke
gevolgtrekking, dat in 't algemeen voor ons onwaarneembare oorzaken
bepalen of eene soort overvloedig of schaarsch in aantal is.

In de gevallen waar wij het uitroeien van eene soort door den mensch,
hetzij geheel of in een beperkt district, kunnen nagaan, weten wij
dat zij gaandeweg zeldzamer wordt, en dan verdwijnt. Het zou echter
moeilijk zijn een juist onderscheid aan te geven [165] tusschen
eene soort die door den mensch, en eene die door de toename harer
natuurlijke vijanden wordt verdelgd. Het bewijs van zeldzaamheid, welke
het uitsterven voorafgaat, is, zooals verscheidene bekwame waarnemers
opgemerkt hebben, nog treffender in de opvolgende tertiaire lagen,
waar dikwijls bevonden is, dat eene schelp die in zulk eene laag zeer
algemeen is, thans hoogst zeldzaam, en zelfs lang als uitgestorven
beschouwd is. Indien dus--wat waarschijnlijk lijkt--soorten eerst
zeldzaam worden en dan uitsterven; indien de al te snelle toename van
elke soort, zelfs de meest begunstigde, gestadig wordt belemmerd,
zooals wij moeten aannemen, ofschoon moeilijk te zeggen is hoe en
wanneer; en indien wij zonder de minste verbazing zien--hoewel niet
in staat de juiste oorzaak aan te wijzen--dat in hetzelfde district
de eene soort overvloedig en de andere naverwante zeldzaam is: waarom
dan zoo verwonderd te zijn als die zeldzaamheid een stap verder, in
uitsterving overgaat? Eene werking, die overal om ons heen plaats
grijpt en toch nauwelijks waarneembaar is, kan zeker iets verder
worden geleid, zonder onze opmerkzaamheid te wekken.

Wien zou het zoo verwonderen als hij hoorde, dat de Megalonyx voorheen
zeldzaam was, vergeleken met het Megatherium; of dat een der fossiele
apen gering in aantal was vergeleken met een der nu levende? En
toch zouden wij in deze betrekkelijke zeldzaamheid het duidelijkste
bewijs hebben, dat de voorwaarden voor hun bestaan minder gunstig
waren. Toegeven, dat soorten in 't algemeen zeldzaam worden voordat
zij uitsterven; niet verwonderd zijn over de zeldzaamheid eener soort
vergeleken met eene andere; maar nochtans eene buitengewone werkende
kracht aannemen en groote verwondering toonen als eene soort ophoudt
te bestaan--schijnt mij zoo ongeveer hetzelfde, als toegeven dat
ziekte bij het individu de voorbode is des doods; niet verwonderd
zijn over de ziekte, maar wel zich verwonderen als de zieke sterft,
en gelooven dat hij door geweld stierf.



HOOFDSTUK IX.

DE SANTA CRUZ, PATAGONIË EN DE FALKLANDS-EILANDEN.


[13 April 1834.]

De Beagle ankerde in de monding van de Santa Cruz, eene rivier
omstreeks 60 mijlen ten zuiden van Port St.-Julian gelegen. Gedurende
zijne laatste reis, voer kapitein Stokes haar 30 mijlen op,
maar was, wegens gebrek aan levensmiddelen, verplicht terug te
keeren. Behalve hetgeen destijds ontdekt werd, was omtrent deze
groote rivier nagenoeg niets bekend. Kapitein Fitz-Roy besloot nu
haren loop te volgen, voorzoover de tijd het toeliet. Op den 18den
voeren drie walvischbooten uit, met leeftocht voor drie weken,
terwijl de bemanning, uit 25 koppen bestaande, sterk genoeg was om
desnoods eene bende Indianen te weerstaan. Door een sterk vloedtij
en fraai weder begunstigd, legden wij een flinken weg af, dronken
spoedig wat van het zoete water, en waren tegen den avond bijna boven
den invloed van het getij. De rivier bezat hier eene grootte en een
aanblik, die zelfs op het hoogste punt dat wij later bereikten, bijna
niet verminderden. Zij was in 't algemeen 300 tot 400 yards breed,
en in het midden ongeveer 17 voet diep. De snelheid van den stroom,
die over zijn geheelen loop van 4 tot 6 knoopen in 't uur aflegt, is
wellicht zijne merkwaardigste eigenschap. Het water bezit eene fraaie
blauwe kleur, maar met eene lichte melkachtige tint, en is niet zoo
doorschijnend als men op 't eerste gezicht wel zou verwachten. De
stroom vloeit door een bed van kiezelsteenen, zooals die waaruit de
oevers en de omringende vlakten bestaan, en slingert zich in bochten
door eene vallei, die zich lijnrecht naar het westen uitstrekt. De
breedte dezer vallei wisselt af tusschen 5 en 10 mijlen, en wordt
begrensd door trapvormige terrassen, die zich op de meeste plaatsen
boven elkander tot 500 voet hoogte verheffen, en aan beide zijden
eene merkwaardige overeenkomst bezitten.

[19 April.]

Tegen zulk een sterken stroom op te roeien of te zeilen was natuurlijk
volstrekt onmogelijk; daarom werden de drie booten met boeg aan
achtersteven gekoppeld; en nadat in elk een man was achtergelaten,
gingen de overigen aan land om te trekken. Daar de algemeene
regelingen, door kapitein Fitz-Roy gemaakt, zeer geschikt waren om
het werk van allen te verlichten en omdat elk er aan deelnam, zal ik
het stelsel beschrijven. De troep, met inbegrip van allen, werd in
twee ploegen verdeeld, die elk om beurten anderhalf uur aan de lijn
trokken. De officieren van elke boot werkten mede, aten hetzelfde
voedsel en sliepen in dezelfde tent als hun scheepsvolk, zoodat
elke boot geheel onafhankelijk was van de andere. Na zonsondergang
werd de eerste effen plek, waar eenig struikgewas groeide, voor ons
nachtverblijf gekozen. Elk man van het scheepsvolk nam op zich beurt
om beurt kok te zijn. Onmiddellijk werd de boot aan land getrokken; de
kok maakte vuur; twee anderen sloegen de tent op; de bootsman haalde
het noodige uit de boot; de anderen brachten dit naar de tenten en
zamelden brandhout. Door deze regeling was in anderhalf uur alles
voor den nacht gereed. Een wacht van twee man en een officier stond
altijd op post, wier taak het was op de booten te letten, het vuur
aan te houden en tegen de Indianen te waken. Elk van den troep had
iederen nacht zijn uur wacht.

Gedurende dezen dag trokken wij slechts een kleinen afstand; want er
waren vele eilandjes, met doornboschjes bedekt, en de tusschenliggende
kanalen waren ondiep.

[20 April.]

Wij gingen voorbij de eilanden en trokken verder. Ofschoon onze
geregelde dagelijksche tocht zeer inspannend was, vorderden wij
gemiddeld slechts tien mijlen in rechte lijn, op eene weglengte van
misschien 15 of 20. Voorbij de plek waar wij den vorigen nacht sliepen,
is de streek volslagen onbekend land; want het was dáár dat kapitein
Stokes den terugtocht aannam. Van verre zagen wij een dichten rook;
en tevens het geraamte van een paard vindende, begrepen wij dat er
Indianen in de nabijheid waren. Op den morgen van den 21sten werden
sporen van een troep paarden en sleepstrepen van chuzos of lange
speren op den grond ontdekt. Algemeen dachten wij, dat de Indianen
ons des nachts verkend hadden. Kort daarna kwamen wij aan eene plek,
waar uit de versche voetstappen van volwassenen, kinderen en paarden
bleek, dat de troep de rivier was overgetrokken.

[22 April.]

De streek bleef dezelfde en was uiterst onbelangwekkend. De volkomen
gelijkheid van producten door het geheele land is een van Patagonië's
treffendste kenmerken. De effene vlakten van dorre keien bevatten
dezelfde onontwikkelde en dwergachtige planten; en in de dalen
groeien dezelfde doornboschjes. Overal zien wij dezelfde vogels
en insecten. Zelfs de oevers der rivier en van de heldere daarin
uitloopende stroompjes werden nauwelijks door eene helderder tint van
groen verlevendigd. De vloek van onvruchtbaarheid rust op het land;
en het water dat door een bed van kiezelsteenen vloeit, deelt in
denzelfden vloek. Zoodoende is het getal watervogels zeer beperkt; want
in den stroom dezer dorre rivier is niets om het leven te onderhouden.

Arm als Patagonië in sommige opzichten is, zoo kan het echter op een
grooteren voorraad kleine knaagdieren bogen, [166] dan mogelijk elk
ander land ter wereld. Verscheidene soorten muizen kenmerken zich
uiterlijk door groote, dunne ooren en een zeer fijnen pels. Deze
diertjes zwerven tusschen de kreupelboschjes in de dalen, waar
zij maanden lang geen druppel water kunnen proeven, behalve den
dauw. Zij schijnen allen kannibalen te zijn; want nauwelijks was
er een muis in een mijner vallen gevangen, of zij werd door andere
verslonden. Een kleine en fijngebouwde vos, die ook zeer talrijk is,
vindt waarschijnlijk zijn geheele bestaan in deze kleine dieren. Ook
het guanaco is hier thuis: troepen van 50 of 100 dieren waren aan
de orde van den dag, en zooals ik gezegd heb, zagen wij er een,
die minstens 500 bevatte. De puma, gevolgd door den condor en andere
aasgieren, jaagt en aast op deze dieren. De voetstappen van den puma
zag men bijna overal op de oevers der rivieren; en de overblijfsels
van verscheidene guanaco's met ontwrichte halzen en gebroken beenderen,
bewezen hoe zij den dood hadden gevonden.

[24 April.]

Evenals de oude scheepvaarders wanneer zij een onbekend land
naderden, onderzochten en bespiedden wij het geringste teeken van
verandering. Een aangespoelde boomstam of een rolblok van overoud
gesteente werd met evenveel vreugde begroet, alsof wij een woud op
de helling van de Cordilleras hadden gezien. Het meest belovende
teeken echter was de top van een zware wolkbank, die voortdurend op
éene plaats bleef, en die werkelijk een voorbode bleek te zijn. Eerst
werden de wolken ten onrechte voor de bergen zelve aangezien, in plaats
van voor dampmassa's, die door hunne ijzige toppen verdicht waren.

[26 April.]

Dezen dag ontdekten wij eene merkbare verandering in den geologischen
bouw der vlakten. Sedert wij het eerst op weg gingen, had ik het
grofzand in de rivier zorgvuldig onderzocht, en in de twee laatste
dagen de aanwezigheid van enkele kleine zeer cellige basaltsteenen
opgemerkt. Deze namen trapswijze in aantal en grootte toe, doch geen
enkel was zoo groot als een menschenhoofd. Maar dezen morgen werden
diezelfde basaltsteenen, ofschoon dichter en vaster, plotseling
overvloedig; en na verloop van een half uur zagen wij op een afstand
van 5 of 6 mijlen den hoekigen rand van een groot basaltterras. Toen
wij den voet er van bereikten, zagen wij den stroom tusschen de
gevallen blokken borrelen. Over de volgende 28 mijlen werd de loop
der rivier door deze basaltmassa's belemmerd. Voorbij dit punt
kwamen ook reusachtige klompen van overoud gesteente, afkomstig van
de omringende rolsteenformatie, in groot aantal voor. Geen enkel
brok van eenige aanzienlijke grootte was meer dan 3 of 4 mijlen van
den gemeenschappelijken oorsprong de rivier afgedreven. Let men op
de ongewone snelheid van het groote watervolume in de Santa Cruz,
waarin nergens stille gedeelten voorkomen, dan is dit wel een der
treffendste voorbeelden van het onvermogen der rivieren om brokken
van zelfs matige grootte te vervoeren.

Het basalt is slechts lava, die onder de zee is gevloeid; maar de
uitbarstingen moeten op de allergrootste schaal geschied zijn. Ter
plaatse waar wij deze formatie het eerst vonden, was zij 120 voet dik;
de rivier opwaarts volgend, steeg de oppervlakte onmerkbaar en werd de
laag dikker, zoodat zij 40 mijlen boven het eerste punt 320 voet dik
was. Hoe groot de dikte was nabij de Cordilleras, kon ik niet bepalen,
maar het terras bereikt daar eene hoogte van omstreeks 3000 voet boven
den zeespiegel. In die groote bergketen moeten wij dus den oorsprong
van het basalt zoeken; en stroomen die honderd mijlen ver over den
zacht hellenden zeebodem vloeiden, zijn zulk een oorsprong waardig. Bij
den eersten blik op de basaltklippen aan weerszijden van de vallei,
was te zien dat de lagen eenmaal vereenigd waren. Welke kracht was dan
in staat over eene groote uitgestrektheid land een vaste, zeer harde
steenmassa te verwijderen, die eene gemiddelde dikte had van omtrent
300 voet, en eene breedte van bijna 2 tot 4 mijlen? Ofschoon de rivier
zoo weinig vermogen bezit om zelfs onaanzienlijke brokken te vervoeren,
zou zij toch in den loop der eeuwen door gestadige afknaging eene
werking kunnen voortbrengen, waarvan de omvang moeilijk te schatten
is. Maar afgescheiden van het onbeteekenende van zulk eene werking,
kunnen in dit geval goede redenen worden aangewezen voor de meening,
dat deze vallei eenmaal door een zeearm werd ingenomen.

Het is niet noodig in dit werk de bewijsgronden uit te meten, die tot
deze gevolgtrekking voeren, afgeleid als zij is uit den vorm en de
natuur der trapvormige terrassen aan weerszijden van de vallei; uit de
manier waarop de bodem der vallei nabij de Andes zich uitbreidt tot een
groote delta-vormige vlakte met zandheuvels er op, en uit het voorkomen
van enkele zeeschelpen in de rivierbedding. Indien ik ruimte had,
kon ik bewijzen dat Zuid-Amerika hier vroeger door eene straat werd
afgesneden, die, evenals de Straat van Magelhaen, de Atlantische en
Stille Oceanen verbond. Intusschen kan gevraagd worden, hoe dat vaste
basalt verwijderd werd. Eertijds zouden geologen de hevige werking van
een overweldigenden moddervloed of ijsbreuk in 't spel hebben gebracht;
maar in dit geval zou zulk een onderstelling geheel onaannemelijk zijn,
omdat dezelfde trapvormige vlakten met bestaande zeeschelpen aan haar
oppervlak, die aan de lange Patagonische kustlijn liggen, zich ophoogen
aan elken kant der Santa Cruz-vallei. Geen denkbare vloedwerking kon
het land dien vorm hebben gegeven, noch binnen de vallei, noch langs
de opene zeekust; en door de vorming van zulke trapvormige vlakten
of terrassen is de vallei zelve uitgehold. Ofschoon wetende, dat
er getijden zijn, die met eene snelheid van acht knoopen in 't uur
door de engten der Straat van Magelhaen loopen, moeten wij bekennen,
dat wij bijna duizelen bij de gedachte aan het aantal jaren, die
de getijden, eeuw in eeuw uit, zonder hulp van eene zware branding,
noodig moeten gehad hebben, om zulk eene uitgestrekte en dikke laag
van vaste basaltlava af te knagen. Nochtans moeten wij gelooven,
dat de lagen, door het water dezer oude straat ondermijnd, in groote
stukken werden gebroken, en dat deze, op de oevers verspreid, eerst
werden herleid tot kleinere brokken, daarna tot kiezelsteenen, en
eindelijk tot de fijnste ontastbare modder, die de getijden naar de
Oostelijke of Westelijke Oceanen dreven.

Tegelijk met de verandering in den geologischen bouw der vlakten,
veranderde ook het kenmerk van het landschap. Toen ik door eenige nauwe
en rotsachtige engten doolde, kon ik mij bijna verbeelden weer in de
dorre valleien van het eiland St.-Jago verplaatst te zijn. Onder de
basaltrotsen vond ik eenige planten, die ik nergens elders had gezien;
maar andere herkende ik als zwervers uit Vuurland. Deze poreuze
gesteenten dienen als vergaarbakken voor het schaarsche regenwater;
en zoo kwam het, dat op de grensscheiding tusschen vulkanische en
sedimentaire [167] formaties eenige kleine bronnen (hoogst zeldzame
verschijningen in Patagonië) ontsprongen, die zich van verre aan de
omringende kluitjes van licht groen gras onderscheiden lieten.

[27 April.]

De rivierbedding werd iets smaller en daardoor de stroom sneller. Hij
liep hier met een gang van zes knoopen in het uur. Om deze reden,
en ook om de vele groote hoekige brokken werd het trekken van de
booten tegelijk gevaarlijk en vermoeiend.



Dezen dag schoot ik een condor, metende tusschen de beide vleugeltoppen
acht en een halven, en van den bek tot aan den staart vier voet. Deze
vogel heeft, zooals men weet, eene ruime geographische verspreiding,
want men vindt hem aan de westkust van Zuid-Amerika, van de Straat
van Magelhaen langs de Cordilleras tot acht graden benoorden den
evenaar. De steile rots bij de monding van de Rio Negro is de
noordelijke grens op de Patagonische kust, waar zij omtrent 400
mijlen van de groote middellijn hunner woonplaats op de Andes zijn
afgedwaald. Verder zuidelijk, tusschen de steile afgronden aan het
hoofd van Port Desiré, is de condor niet zeldzaam; maar slechts enkele
zwervers bezoeken nu en dan de zeekust. Deze vogels bewonen ook eene
klipreeks bij den mond der Santa Cruz; en omstreeks 80 mijlen de rivier
op, waar de vallei door steile basaltrotsen wordt omzoomd, verschijnt
de condor opnieuw. Naar deze feiten te oordeelen, schijnen de condors
loodrechte klippen te behoeven. In Chili bezoeken zij gedurende
het grootste deel des jaars het lagere land bij de stranden van den
Stillen Oceaan, waar vele des nachts te zamen in een boom slapen;
maar vroeg in den zomer trekken zij zich naar de ongenaakbaarste
deelen der centrale Cordilleras terug, om hier rustig te broeden.

Wat de voortteling betreft, deelde het landvolk in Chili mij mede, dat
de condor geen soort van nest maakt, maar in de maanden November en
December twee groote witte eieren op eene naakte rotsplaat legt. Men
zeide, dat de jonge condors een geheel jaar lang niet kunnen vliegen;
en lang nadat zij het kunnen, slapen zij des nachts en jagen over
dag met hunne ouders. De oude vogels leven meest paarsgewijze; maar
tusschen de landwaarts in gelegen basaltklippen van de Santa Cruz vond
ik eene plek, waar zij zich gewoonlijk in troepen van een twintigtal
of meer ophouden. Eens, aan den rand van een afgrond komende, werd
ik plotseling door het fraaie schouwspel verrast van een twintig
tot dertig dezer groote vogels statig van hunne rustplaats te zien
opstijgen, en in prachtige kringen wegzweven. Naar de hoeveelheid
mest op de rotsen te oordeelen, hadden zij deze klip zeker langen
tijd voor slapen en broeden bewoond. Wanneer zij zich in de vlakte
omlaag aan aas hebben verzadigd, trekken zij naar deze geliefkoosde
verblijven om hun voedsel te verteren. Om deze feiten moet de condor,
evenals de gallinazo, tot op zekere hoogte als een gezelligen vogel
worden beschouwd.

In dit deel van het land leven zij geheel van de guanaco's, die een
natuurlijken dood gestorven zijn, of, zooals meer algemeen gebeurt,
die door de puma's zijn gedood. Naar wat ik in Patagonië gezien heb,
geloof ik, dat zij in gewone omstandigheden hunne dagelijksche tochten
niet ver van hunne geregelde slaapplaatsen uitstrekken.

Dikwijls ziet men de condors op groote hoogte in de sierlijkste
kringen boven eene bepaalde plek zweven. [168] Ik ben zeker, dat zij
dit in sommige gevallen uit vermaak doen; maar de Chileensche landman
zegt u, dat zij in andere gevallen een stervend dier bespieden, of
den puma als hij bezig is zijne prooi te verslinden. Als de condors
neerstrijken, en dan plotseling alle tegelijk opvliegen, weet de
Chileen, dat de puma in de nabijheid is, die het lijk bespiedende,
uit zijn schuilhoek is gesprongen om de roovers te verjagen. Behalve
dat zij op aas teren, vallen de condors dikwijls jonge geiten en
lammeren aan; en de schaapherdershonden zijn er op afgericht, om,
als zij voorbij vliegen, naar buiten te rennen en met den kop omhoog,
heftig te blaffen.

De Chileenen vangen en dooden hen in menigte. Daarbij zijn twee
methoden in gebruik: de eene is, dat men een lijk op een vlak stuk
grond legt binnen eene omheining van stokken, waarin eene opening is;
en dan, als de condors verzadigd zijn, te paard naar den ingang draaft
en hen op die wijs insluit; want als deze vogel geen ruimte heeft om te
loopen, kan hij zijn lichaam geen voldoende aanloop of hoeveelheid van
beweging geven, om van den grond op te stijgen. De tweede methode is,
dat men de boomen merkt waarin zij dikwijls ten getale van vijf of
zes slapen, en dan des nachts hierin klimt om hen te strikken. Zij
zijn zulke vaste slapers--zooals ik zelf heb waargenomen--dat deze
wijze van vangen niet moeilijk is. Te Valparaiso heb ik een levenden
condor voor sixpence zien verkoopen; maar de gewone prijs is 8 tot 10
shillings. Een, dien ik zag binnenbrengen, was met een touw gebonden en
zeer gehavend; doch nauwelijks was het touw doorgesneden waarmede zijn
bek was dichtgemaakt, of hij begon, trots al het volk om hem heen,
vraatzuchtig een stuk aas te verscheuren. In een tuin op dezelfde
plaats hield men twintig tot dertig levende condors, die slechts eens
in de week gevoed werden, maar toch zeer welvarend schenen. [169]
De Chileensche landlieden zeggen, dat de condor vijf tot zes weken
kan leven zonder eten, en toch zijne kracht behoudt. Voor de waarheid
hiervan kan ik niet instaan; maar het is zeer waarschijnlijk, dat
deze wreede proefneming gedaan is.

Het is een wel bekend feit, dat, als een dier op het land gedood is,
de condors, evenals andere aasgieren, er spoedig kennis van krijgen en
op onverklaarbare wijze samenscholen. Hierbij moet men niet vergeten,
dat de vogels in de meeste gevallen hunne prooi hebben ontdekt en
het skelet kaal geplukt, voordat het vleesch ook maar in 't minst
bedorven is. Gedachtig aan de proefnemingen van Audubon over het
geringe reukvermogen der aashavikken, deed ik in den bovengenoemden
tuin de volgende proefneming. De condors werden, elk aan een touw,
in eene lange rij aan den voet van een muur gebonden; daarop wikkelde
ik een stuk vleesch in wit papier, en liep er mede in de hand, op
ongeveer drie yards van hen af, op en neder. Er werd evenwel geen nota
van genomen. Toen wierp ik het op den grond, nog geen yard van een oud
mannetje af; voor een oogenblik keek hij er aandachtig naar, doch sloeg
er verder geen acht op. Met een stok duwde ik het al dichter en dichter
bij, tot hij het eindelijk met den bek aanraakte; onmiddellijk werd
toen het papier met woede afgerukt, terwijl op hetzelfde oogenblik
alle vogels in de rij begonnen te spartelen en te klapwieken. Een
hond had men onder dezelfde omstandigheden moeilijk kunnen bedriegen.

De bewijzen voor en tegen het scherpe reukvermogen der aasgieren
wegen zonderling tegen elkander op. Professor Owen heeft bewezen,
dat de reukzenuwen van den kalkoenschen buizerd (Cathartes aura)
hoog ontwikkeld zijn; en op den avond toen Owen's verhandeling in
"Zoological Society" werd voorgedragen, deelde een der aanwezigen mede,
dat hij in West-Indië bij twee gelegenheden de aashavikken zich op
het dak van een huis had zien verzamelen, waarin een lijk, dat men
verzuimd had te begraven, in ontbinding overging. In dit geval konden
de dieren moeilijk door hun gezicht er kennis van gekregen hebben. Aan
den anderen kant, en behalve de proefnemingen van Audubon en die eene
van mijzelven, heeft Bachman in de Vereenigde Staten vele verschillende
methoden gebezigd, welke aantoonen, dat noch de kalkoensche buizerd
(de door Prof. Owen ontlede soort), noch de gallinazo hun voedsel door
den reuk vinden. Hij wikkelde stukken zeer onsmakelijken afval in dun
zeildoek en strooide er stukjes vleesch op; de aasgieren aten deze op,
en bleven toen rustig met hunne bekken vlak boven de stinkende massa
staan, zonder ze te ontdekken. Toen er een scheurtje in het zeildoek
gemaakt was, werd de afval onmiddellijk ontdekt. Het zeildoek werd door
een versch stuk vervangen; nogmaals werd er vleesch op gestrooid, en
weder verslonden de gieren dit zonder de verborgen zelfstandigheid
te ontdekken, waarop zij trapten. Deze feiten werden door de
handteekeningen van zes heeren, buiten die van Bachman bevestigd. [170]

Dikwijls, als ik in de open vlakte lag uit te rusten en naar
boven keek, heb ik aashavikken op groote hoogte door de lucht zien
zweven. Waar het land vlak is, geloof ik niet dat een deel des hemels,
hetwelk meer dan 15 graden boven den horizon gelegen is, door iemand
te voet of te paard in 't algemeen aandachtig wordt waargenomen. Is
dit het geval, en zweeft de gier op eene hoogte van 3 tot 4000
voet, voordat hij in het gezicht kan komen, dan zal zijn afstand
in rechte lijn van het oog des waarnemers iets meer dan 2 Engelsche
mijlen bedragen. Is het dan niet licht mogelijk, dat hij niet wordt
opgemerkt? Kan een dier, dat door den jager in eene eenzame vallei
gedood is, niet al dien tijd door den scherpzienden vogel van boven
worden bespied? En zal zijne wijze van neerdalen niet een sein wezen
voor alle aasvreters in het district, dat hunne prooi nabij is?

Als de condors in een zwerm om de eene of andere plek zweven, is
hunne vlucht zeer mooi. Behalve wanneer zij van den grond opvliegen,
herinner ik mij niet een dezer vogels te hebben zien klapwieken. Bij
Lima sloeg ik bijna een half uur lang verscheidene gade, zonder de
oogen van hen af te wenden. Zij bewogen zich in groote bochten,
schoten in kringen voorbij, daalden en stegen zonder een enkelen
wiekslag. Als zij dicht boven mijn hoofd zweefden, sloeg ik van ter
zijde aandachtig de omtrekken der gescheidene en groote eindveêren van
elken vleugel gade; bij de minste trillende beweging zouden die veêren
als 't ware gemengd hebben geschenen; maar zij waren duidelijk op den
blauwen hemel zichtbaar. Hoofd en hals bewogen zich voortdurend en
schijnbaar met kracht; en de uitgespreide vleugels schenen het fulcrum
(steunpunt) te vormen, waarop de bewegingen van hals, romp en staart
werkten. Wilde de vogel dalen, dan vielen de vleugels een oogenblik
samen; en als zij zich bij veranderde helling weer uitspreidden, scheen
de hoeveelheid van beweging of gang, door de snelle daling verkregen,
den vogel opwaarts te drijven met de kalme en gelijkmatige beweging van
een vlieger. Wanneer een vogel stijgt, moet zijne beweging snel genoeg
zijn, opdat de werking der hellende oppervlakte van zijn lichaam op
den dampkring kan opwegen tegen zijne zwaarte. De kracht om het moment
van een lichaam op te houden, dat zich in een horizontaal vlak door
de lucht beweegt (waarin zoo weinig wrijving is) kan niet groot zijn;
en deze kracht is al wat er noodig is. Wij moeten aannemen, dat de
beweging van hals en romp van den condor daartoe voldoende is. Hoe
dit ook zij, het is een waarlijk treffend en fraai schouwspel zulk
een grooten vogel, uur aan uur, zonder schijnbare inspanning over
berg en rivier te zien zwenken en zweven.

[29 April.]

Op een hoogland gekomen, begroetten wij met vreugde de witte toppen
der Cordilleras, als zij nu en dan door hun donker wolkenhulsel
gluurden. De twee volgende dagen kwamen wij langzaam vooruit; want
de rivier bleek zeer bochtig en was bezaaid met kolossale brokken
graniet en verschillende oude leigesteenten. De vlakte, die de vallei
omzoomde, had hier eene hoogte bereikt van omstreeks 1100 voet boven
de rivier, en haar voorkomen was zeer veranderd. De goed afgeronde
porfiersteenen waren vermengd met vele reusachtige brokken basalt
en overoude gesteenten. Het eerste dezer zwerfblokken, dat ik zag,
was 67 mijlen van den naasten berg verwijderd; een ander, dat ik mat,
was vijf yards in het vierkant en stak vijf voet boven het grofzand
uit. Zijne kanten waren zoo hoekig en zijne grootte zoo aanzienlijk,
dat ik het eerst voor eene vaststaande rots hield en mijn kompas
uithaalde om de splijtingsrichting te bepalen. De vlakte hier was
niet zoo geheel effen als dichter bij de kust, maar verried toch geen
teekenen van groot geweld. Ik geloof, dat het onder deze omstandigheden
geheel onmogelijk is het vervoer van deze reusachtige steenblokken,
zoo vele mijlen van hun oorsprong, te verklaren volgens eene andere
theorie dan die van drijvende ijsbergen.

Gedurende de twee laatste dagen ontmoetten wij sporen van paarden,
en vele kleine voorwerpen die aan Indianen hadden toebehoord, als:
stukken van een mantel en een bos struisvederen; maar zij schenen
hier al lang gelegen te hebben. Ofschoon de plaats, waar de Indianen
zoo onlangs over de rivier waren getrokken, en deze buurt zoo vele
mijlen van elkander lagen, scheen het tusschenliggende land geheel
onbewoond. Eerst verwonderde mij dit met het oog op den overvloed van
guanaco's; doch het verklaart zich uit de steenachtige gesteldheid
der vlakten, die een onbeslagen paard spoedig ongeschikt zou maken
om aan de jacht deel te nemen. Niettemin vond ik op twee plaatsen in
deze afgelegen streek kleine hoopjes steenen, die er, naar ik denk,
niet toevallig neergeworpen konden zijn. Zij lagen op uitspringende
punten van den rand der hoogste lavaklip, en geleken, ofschoon op
kleinere schaal, op die bij Port Desiré.

[4 Mei.]

Kapitein Fitz-Roy besloot de booten niet hooger op te brengen. De
rivier had een kronkelenden loop met zeer snelle strooming,
terwijl het aanzien der streek ons niet in verzoeking bracht om
verder te gaan. Overal ontmoetten wij dezelfde voortbrengselen en
hetzelfde naargeestige landschap. Wij waren nu op 140 mijlen van den
Atlantischen, en omstreeks 60 van den naastbij liggenden arm van den
stillen Oceaan. In dit hoogere gedeelte strekte de vallei zich uit
tot eene wijde kom, in 't noorden en zuiden door hooge basaltvlakten
begrensd, en in 't front de lange keten der besneeuwde Cordilleras. Het
was met een gevoel van spijt, dat wij naar deze grootsche bergen
keken; want in plaats van op hunne toppen te staan, zooals wij
gehoopt hadden, moesten wij ons hunne natuur en voortbrengselen
maar voorstellen. Behalve het nuttelooze tijdverlies, dat eene
poging om de rivier nog hooger op te gaan ons gekost zou hebben,
waren wij al eenige dagen op half brood-rantsoen gesteld. Hoewel dit
voedsel voor verstandige menschen inderdaad genoeg is, was het na
een moeilijken dagmarsch toch wat karig. Eene lichte maag en eene
gemakkelijke spijsvertering zijn goede dingen om over te praten,
maar zeer onaangenaam in de praktijk.

[5 Mei.]

Vóór zonsopgang begonnen wij onze daling. Met groote snelheid schoten
wij den stroom af, meest met een spoed van 10 knoopen (18530 Met.) in
het uur. Op dezen eenen dag vorderden wij evenveel als in vijf en een
halven dag hard werken bij het opvaren. Op den 8sten dag bereikten
wij de Beagle na een tocht van 21 dagen. Elk had reden om onvoldaan
te zijn, behalve ik zelf; want mij gaf de opvaring eene hoogst
belangwekkende doorsnede te zien van de groote tertiaire formatie
van Patagonië.

Op 1 Maart 1833 en andermaal op 16 Maart 1834 ankerde de Beagle in
Berkeley Sound op Oost-Falklands-Eiland. Deze Archipel ligt op nagenoeg
dezelfde breedte als en ten oosten der Straat van Magelhaen, beslaat
eene oppervlakte van 120 bij 60 geographical miles, en is iets meer dan
half zoo groot als Ierland. [171] Nadat het bezit van deze ellendige
eilanden door Frankrijk, Spanje en Engeland betwist was geworden,
werden zij onbewoond gelaten. De Regeering van Buenos Aires verkocht
hen toen aan een particulier persoon, doch gebruikte hen, evenals
Spanje in vroeger tijden, voor strafkolonie. Daarop deed Engeland zijne
rechten gelden en nam hen in 1833 in bezit. De Engelschman, die ter
bewaking van de vlag was achtergelaten, werd later vermoord. Hierna
werd er een Britsch officier zonder gewapende macht heen gezonden;
en dezen vonden wij bij onze komst aan het hoofd eener bevolking, die
voor meer dan de helft uit weggeloopen rebellen en moordenaars bestond.

Het tooneel is de voorstellingen waardig, die er op afgespeeld
zijn. Een golvend land met een troosteloozen, ellendigen aanblik, dat
overal met een veenachtigen grond en dradig gras van eene eentonige
bruine kleur bedekt is. Hier en daar breekt een bergspits of rotsrug
van grijs kwarts door de effene oppervlakte. Ieder heeft wel eens van
het klimaat dezer streken gehoord. Men zou het kunnen vergelijken met
dat, hetwelk 1000 tot 2000 voet hoog in de bergen van Noord-Wallis
wordt gevonden: met dit verschil, dat het minder zonneschijn en minder
koude, doch meer wind en regen heeft. [172]

[16 Maart.]

Ik zal nu een korten uitstap beschrijven, dien ik op een deel van
het eiland volbracht. Des morgens reed ik uit met zes paarden en
twee Gauchos: beiden mannen, uitstekend voor het doel geschikt,
en wel gewoon van eigen middelen te leven. Het weder was zeer
koud en onstuimig, met hevige hagelstormen. Wij kwamen echter vrij
goed vooruit; doch behalve de geologie, leverde onze dagrit bijna
niets op dat belangstelling verdiende. Overal hetzelfde golvende
heideland, welks oppervlakte bedekt was met lichtbruin verweerd gras
en enkele zeer kleine struiken, die alle uit een buigzamen veengrond
opschoten. In de valleien kon men hier en daar eene kleine kudde
wilde ganzen zien; en overal was de grond zoo zacht, dat de snip
er zijn voedsel kon vinden. Buiten deze vogels waren er maar weinig
andere. Er is eene hoofdketen van bijna 2000 voet hooge bergen, uit
kwarts bestaande, welker ruwe en naakte toppen ons bij het overklimmen
eenige moeite veroorzaakten. Aan de zuidzijde kwamen wij in land,
dat voor wild vee zeer goed geschikt is; maar daar dit onlangs fel
gejaagd was, vonden wij er niet veel van.

Des avonds stieten wij op eene kleine kudde. Een mijner metgezellen,
St.-Jago genaamd, zonderde spoedig een vette koe af, wierp zijne bolas
en trof hare pooten, maar kon deze niet omstrikken. Toen wierp hij zijn
hoed neer, om de plek terug te vinden waar de bolas gevallen waren,
wond in vollen galop zijn lazo los, en haalde na eene zeer ingespannen
jacht de koe opnieuw in, die hij nu bij de horens ving. Daar de andere
Gaucho met de reserve-paarden vooruit gereden was, kostte het St.-Jago
eenige moeite om het woedende beest te dooden. Hij trachtte haar naar
een effen terrein te voeren, door telkens van de gelegenheid gebruik
te maken als zij op hem toerende. Wilde zij zich niet bewegen, dan
kwam mijn paard, op zulke jachten afgericht, in korten galop achter
haar aan, en gaf haar met zijn borst een hevigen stoot. Maar zelfs
op effen grond schijnt het voor één man geen gemakkelijk werk een
dier te dooden, dat razend is van schrik. En het zou ook niet kunnen,
indien het paard, dat zonder den ruiter aan zijn lot is overgelaten,
voor eigen veiligheid niet spoedig leerde den lazo strak te houden;
zoodat, als de koe of os naar voren stuift, het paard zich even
schielijk voortbeweegt; anders staat het onbeweeglijk naar één
kant geleund. Dit paard was echter een jong dier en wilde niet
stilstaan, maar liep terug als de koe zich poogde los te rukken. Het
was verwonderlijk te zien, met welke behendigheid St.-Jago achter
de koe uitweek, tot hij er eindelijk in slaagde aan de groote pees
van den achterpoot de noodlottige snede toe te brengen. Zonder veel
moeite stak hij toen zijn mes in het hoofdeinde van het ruggemerg,
en viel de koe als door den bliksem getroffen neer. Nadat eenige
stukken vleesch met de huid er aan, doch zonder beenderen en genoeg
voor onzen tocht, waren afgesneden, reden wij naar onze slaapplaats,
en hadden voor ons avondeten carne con cuero of gebraden vleesch
met de huid er aan. Dit is evenver boven rundvleesch te verkiezen,
als wildbraad boven schapenvleesch. Een groot cirkelvormig stuk wordt
boven de gloeiende asch of kolen gehouden, met de huid omlaag en in
den vorm van een schotel, zoodat van het vleeschnat niets verloren
gaat. Indien de een of andere achtbare raadsheer uit Londen dien avond
met ons gegeten had, zou het carne con cuero in die stad ongetwijfeld
spoedig vermaardheid hebben gekregen.

Des nachts regende het, en de volgende dag (17 Mei) was zeer
stormachtig met veel hagel en sneeuw. Wij reden dwars over het eiland
naar de landtong, welke Rincon del Toro (het groote schiereiland
aan de zuidwestpunt) met de rest van het eiland verbindt. Doordien
een groot aantal koeien gedood zijn, zijn hier de stieren ver in
de meerderheid. Deze zwerven alleen, of bij twee en drie te zamen,
en zijn zeer wild. Nooit zag ik zulke prachtige beesten; in hunne
forsche koppen en nekken evenaarden zij de marmeren standbeelden
der Grieken. Kapitein Sulivan meldt mij, dat de huid van een stier
van gemiddelde grootte 47 pounds weegt, terwijl eene minder goed
gedroogde huid van dit gewicht te Montevideo als eene zeer zware wordt
beschouwd. De jonge stieren loopen, bij het zien van een ruiter, in den
regel een eind weg; maar de ouden verzetten geen voet, tenzij om op den
ruiter toe te hollen; en vele paarden zijn zoodoende gedood. Een oude
stier waadde door een modderigen stroom, en vatte recht tegenover ons
post. Vruchteloos poogden wij hem te verjagen; en toen dit mislukte,
waren wij verplicht een grooten omweg te nemen. Uit weerwraak daarvoor
besloten de Gauchos hem te overmannen en voor het vervolg onschadelijk
te maken. Het was zeer van belang te zien, hoe volkomen de kunst
zegevierde over de kracht. Een lazo werd om zijn horens geworpen, toen
hij op de paarden toesnelde, en een tweede om zijn achterpooten; in een
minuut lag het monster machteloos tegen den grond. Wanneer een lazo
eenmaal strak om de horens van een woedend dier is geworpen, schijnt
het oppervlakkig niet gemakkelijk hem te ontwarren, zonder het beest
te dooden; ook vrees ik dat het niet gaan zou, indien de man alleen
was. Doch met behulp van een tweeden persoon, die zijn lazo zóó werpt
dat de beide achterpooten worden gegrepen, is het spoedig geschied;
want zoolang de achterpooten gestrekt worden gehouden, is het dier
volkomen hulpeloos; en de eerste kan met zijne handen den lazo van de
horens losmaken, en daarna kalm te paard stijgen. Op het oogenblik
echter, dat de tweede man iets inloopt en de spanning vermindert,
glijdt de lazo van de pooten van het worstelende dier, dat hierna
vrij oprijst, zich schudt, en vruchteloos zijn tegenstander narent.

Op onzen ganschen tocht zagen wij slechts één troep wilde paarden. Deze
dieren werden, evenals het vee, in 1764 door de Franschen ingevoerd,
en hebben zich sedert dien tijd sterk vermenigvuldigd. Het is een
merkwaardig feit, dat de paarden nooit het oosteinde van het eiland
hebben verlaten, ofschoon geen enkele natuurlijke grens hun belet
rond te zwerven, en dat gedeelte van het eiland niet aantrekkelijker
is dan het overige. De Gauchos, door mij hierover ondervraagd, konden,
ofschoon zij het feit bevestigden, er geen andere verklaring van geven,
dan dat de paarden sterk aan een plek grond hechten waaraan zij gewend
zijn. Overwegende, dat het eiland niet geheel door dieren bewoond
scheen en dat er geen roofdieren waren, was ik bijzonder benieuwd te
weten, wat hunne aanvankelijk snelle vermeerdering in den weg had
gestaan. Dat op een begrensd eiland vroeger of later eene stoornis
moet ontstaan, is onvermijdelijk; maar waarom was de vermeerdering
der paarden vroeger tot staan gekomen dan die van het vee? Kapitein
Sulivan heeft zich veel moeite gegeven dit voor mij te onderzoeken. De
hier wonende Gauchos schrijven de oorzaak voornamelijk hieraan toe,
dat de springhengsten voortdurend van de eene plek naar de andere
zwerven en de merries noodzaken hen te vergezellen, onverschillig
of de jonge veulens al dan niet in staat zijn te volgen. Een Gaucho
vertelde aan Sulivan, dat hij een hengst een vol uur lang eene merrie
had zien schoppen en bijten, tot hij haar noodzaakte haar veulen aan
zijn lot over te laten. Dit merkwaardige verhaal kan kapitein Sulivan
in zoover bevestigen, dat hij verscheidene malen jonge doode veulens
heeft gevonden, en daarentegen nooit een dood kalf. Bovendien worden
meer doode lichamen van volwassen paarden gevonden, dan van vee, alsof
de eersten meer aan ziekten of ongelukken onderhevig zijn. Wegens de
zachtheid van den grond bereiken hunne hoeven dikwijls een onregelmatig
groote lengte; en dit veroorzaakt lamheid. De overheerschende kleuren
zijn roodgrijs en ijzergrauw. Al de hier gefokte paarden, zoo tamme
als wilde, zijn, ofschoon goed geëvenredigd, wat klein van stuk,
en hebben zooveel kracht verloren, dat zij ongeschikt zijn om bij
het vangen van wild vee met den lazo te dienen; bijgevolg moet men
zich de groote kosten getroosten van versche paarden uit La Plata in
te voeren. In de toekomst zal het zuidelijk halfrond waarschijnlijk
zijn ras van Falklandsche ponies hebben, evenals het noordelijke zijn
Shetlandsch ras.

In stede van verbasterd te zijn, zooals de paarden, schijnt het vee,
gelijk wij boven opmerkten, in grootte te zijn toegenomen; ook is het
veel talrijker dan de paarden. Kapitein Sulivan bericht mij, dat het
vee in algemeenen lichaamsbouw en vorm der horens onderling veel minder
verschilt, dan het Engelsche. In kleur verschilt het echter zeer;
en het is een merkwaardig feit, dat op verschillende deelen van dit
eene kleine eiland, verschillende kleuren de overhand hebben. Rondom
Mount Usborne, op eene hoogte van 1000 tot 1500 voet boven de zee,
zijn sommige kudden voor ongeveer de helft muis- of loodkleurig:
eene tint, die op andere deelen van het eiland niet algemeen is. Bij
Port Pleasant heeft donkerbruin den boventoon, terwijl ten zuiden
van Straat Choiseul (welke het eiland bijna in tweeën verdeelt) het
meest witte beesten met zwarte hoofden en voeten voorkomen; zwarte en
enkele gevlekte dieren kan men in alle gedeelten aantreffen. Sulivan
merkt op, dat het verschil in de heerschende kleuren zoo in 't oog
sprong, dat, als men bij Port Pleasant naar de kudden keek, die op
de heuvelhellingen weidden, zij zich op verren afstand als zwarte
vlekken afteekenden, terwijl die ten zuiden van Straat Choiseul
onder dezelfde omstandigheden witte vlekken geleken. Sulivan denkt,
dat de kudden zich niet vermengen; en het is een zonderling feit dat
het muiskleurige vee, ofschoon op het hoogland levende, ongeveer eene
maand vroeger in het seizoen kalft, dan de andere gekleurde beesten
op het lagere land. Het is merkwaardig het eenmaal tamme vee zich zoo
te zien splitsen in drie kleuren, waarvan naar alle waarschijnlijkheid
ééne kleur ten slotte over de andere zou zegevieren, indien de kudden
in de eerstvolgende eeuwen ongestoord werden gelaten.

Een ander ingevoerd dier is het konijn, dat zeer wel geslaagd en nu
op groote stukken van het eiland in overvloed voorkomt. Doch evenals
de paarden, zijn zij binnen zekere grenzen beperkt; want zij hebben
de centrale bergketen niet overschreden, en zouden zelfs niet den
voet er van bereikt hebben, indien er geen kleine kolonies waren
heengebracht--zooals de Gauchos mij vertelden. Ik zou niet vermoed
hebben dat deze dieren, uit Noord-Afrika afkomstig, in een zoo vochtig
klimaat als dit konden leven, en waar zoo weinig zonneschijn is,
dat zelfs tarwe er alleen bij toeval tot rijpheid komt. Men zegt dat
in Zweden, welks klimaat toch algemeen voor gunstiger zou worden
gehouden, het konijn niet buitenshuis kan leven. Bovendien hadden
de eerste weinige paren hier te kampen tegen vijanden, als de vos
en eenige groote havikken, die al vroeger bestonden. De Fransche
natuuronderzoekers hebben de zwarte variëteit voor eene bijzondere
soort gehouden, en Lepus Magellanicus genoemd. [173] Zij meenden dat
Magelhaen deze soort bedoelde, toen hij sprak over een dier, dat onder
den naam conéjo [174] in de Straat van zijn naam voorkwam; maar hij
zinspeelde op een kleine Cávia Patagonica, die door de Spanjaarden
tot heden toe zoo genoemd is. [175]

De Gauchos lachten om het denkbeeld, dat de zwarte soort eene andere
zou zijn dan de grijze, en zeiden, dat de eerste in elk geval
haar gebied niet verder had uitgestrekt dan de tweede; dat beide
nooit afzonderlijk werden gevonden; dat zij gemakkelijk paarden,
en bonte nakomelingen voortbrachten. Van de laatsten bezit ik nu
een exemplaar, dat, wat de kenmerken van het hoofd betreft, van de
Fransche soortbeschrijving afwijkt. Dit feit getuigt hoe voorzichtig
natuuronderzoekers moeten zijn met het maken van soorten; want zelfs
Cuvier dacht, toen hij den schedel van een dezer konijnen bekeek,
dat het waarschijnlijk eene andere soort was!

De eenige inheemsche viervoeter van het eiland is een groote
wolfachtige vos (Canis antarcticus), die zoowel Oost- als West-Falkland
bewoont. [176] Ik twijfel niet of deze is eene bijzondere soort,
die zich tot dezen archipel bepaalt; want vele robbenvangers,
alsmede Gauchos en Indianen, die deze eilanden bezocht hebben,
verklaren eenstemmig dat een dergelijk dier nergens in Zuid-Amerika
gevonden wordt. Wegens eene overeenkomst in leefwijze dacht Molina,
dat deze vos dezelfde was als zijn culpeu; [177] maar ik heb beiden
gezien, en zij zijn geheel verschillend. Deze wolven zijn wel bekend
uit Byron's verhaal over hunne makheid en nieuwsgierigheid, welke
de zeelieden die te water gingen om hen te ontloopen, voor wildheid
hielden. Tot heden blijven hunne gewoonten dezelfde. Men heeft hen
eene tent zien binnengaan, waar zij een stuk vleesch onder het hoofd
van een slapenden man weghaalden. Ook hebben de Gauchos hen dikwijls
des avonds gedood, door hun met de eene hand een stuk vleesch voor te
houden, en met een mes in de andere een steek te geven. Voorzoover
ik weet, bestaat nergens ter wereld een tweede voorbeeld van een
stuk land, zoo klein en gebroken, daarbij ver van een vasteland, dat
zulk een grooten inheemschen viervoeter uitsluitend alleen bezit. Hun
aantal is snel afgenomen; reeds zijn zij van die helft van het eiland
verdwenen, welke oostwaarts ligt van de landtong tusschen St.-Salvator
Baai in Straat Berkeley. Binnen weinige jaren nadat deze eilanden
geregeld gekoloniseerd zullen zijn, zal deze vos waarschijnlijk,
evenals de Dodo, bestempeld worden als een dier, dat op de aarde is
uitgestorven. [178]

Des nachts (17 Mei) sliepen wij op de landtong aan het boveneinde der
Straat Choiseul, die het zuidwestelijk schiereiland vormt. De vallei
was aangenaam tegen den kouden wind beschut, maar er was zeer weinig
kreupelhout voor brandstof. Spoedig, echter, hadden de Gauchos iets
gevonden, dat tot mijne groote verbazing bijna evenveel hitte gaf als
steenkool. Dit was het skelet van een onlangs gedooden jongen stier,
wiens vleesch door de aashavikken was weggepikt. Zij zeiden mij,
dat zij des winters dikwijls een beest doodden, met hunne messen het
vleesch van de beenderen schraapten, en dan met dezelfde beenderen
het vleesch voor hun avondeten braadden.

[18 Mei.]

Het regende bijna den geheelen dag. Des nachts konden wij met onze
zadeldekken ons tamelijk droog en warm houden; maar de grond, waarop
wij sliepen, verkeerde bijna in den toestand van een moeras, en er was
bijna geen droge plek om na onzen dagrit te gaan zitten. Elders heb
ik gezegd hoe zonderling het is, dat op deze eilanden volstrekt geen
boomen zijn, ofschoon Vuurland geheel met bosch bedekt is. De grootste
struik op het eiland, tot de familie der Compositae behoorende,
is nauwelijks zoo hoog als onze brem. De beste brandstof levert een
kleine groene struik, ongeveer zoo groot als het gewone heidekruid,
die de nuttige eigenschap bezit van te branden terwijl hij versch
en groen is. Het was verrassend de Gauchos midden in den regen en
toen alles doorweekt was, met niet meer dan een tonderdoosje en een
lapje onmiddellijk vuur te zien maken. Zij zochten onder de bosjes
gras en struiken naar enkele droge takjes, en wreven die tot vezels;
deze omringden zij met grovere takken, ongeveer in den vorm van
een vogelnest, legden den lap met het vonkje vuur in het midden, en
overdekten hem op gelijke wijze. Nu werd het nest in den wind gehouden;
langzamerhand begon het te rooken, al meer en meer, tot eindelijk
de vlammen er uit sloegen. Ik geloof niet, dat met zulke vochtige
materialen eene andere methode kans van slagen zou hebben gehad.

[19 Mei.]

Elken morgen was ik zeer stijf, een gevolg hiervan, dat ik niet vooraf
eenigen tijd gereden had. Met verwondering hoorde ik de Gauchos, die
van jongs af bijna op het paard geleefd hebben, zeggen dat zij in zulke
omstandigheden altijd pijn hebben. St.-Jago vertelde mij, dat hij, na
drie maanden wegens ziekte aan huis gebonden te zijn geweest, uitging
om wild vee te jagen; maar dat zijn dijen daardoor de twee volgende
dagen zoo stijf waren, dat hij genoodzaakt was in bed te liggen. Dit
bewijst, dat de Gauchos toch wel degelijk spierkracht bij het rijden
gebruiken, al schijnt dit ook niet zoo. Het jagen van wild vee in een
land, dat wegens den moerassigen grond zoo moeilijk te begaan is, moet
een zeer zwaar werk zijn. De Gauchos zeggen, dat zij dikwijls in vollen
ren over een grond heen gaan, die bij langzamer rijden, onbegaanbaar
zou zijn; evenals dat men over dun ijs kan schaatsenrijden, waar
loopen onmogelijk is. Op de jacht pogen de jagers zoo dicht mogelijk
bij de kudde te komen, zonder ontdekt te worden. Elk man draagt vier
of vijf paar bolas bij zich; deze werpt hij achtereenvolgens naar een
gelijk aantal stuks vee, die, als zij gestrikt zijn, eenige dagen in
dien toestand worden achtergelaten, tot zij door honger en inspanning
wat zijn uitgeput. Dan worden zij vrij gelaten en naar eene kleine
kudde tamme dieren gedreven, die opzettelijk naar die plek gebracht
zijn. Daar de voorafgegane behandeling hen te zeer verschrikt heeft
om de kudde te verlaten, worden zij, als hunne krachten het toelaten,
gemakkelijk naar de kolonie gedreven.

Voortdurend bleef het weder zoo slecht, dat wij besloten spoed te
maken, en te trachten het schip nog voor den nacht te bereiken. Door de
groote hoeveelheid gevallen regen was de oppervlakte van het geheele
land moerassig. Ik geloof, dat mijn paard minstens een dozijn malen
viel, en soms spartelden alle zes paarden tegelijk in de modder. De
oevers van alle kleine stroomen bestaan uit zacht veen, dat het den
paarden zeer moeilijk maakt er zonder vallen over te springen. Als om
onzen tegenspoed te voltooien, waren wij verplicht den kop van een
zeeinham te doorwaden, waar het water zoo hoog stond als de ruggen
onzer paarden; en door den hevigen wind sloegen de golfjes over ons
heen, zoodat wij zeer nat en koud werden. Zelfs de Gauchos met hunne
ijzeren gestellen achtten zich gelukkig, toen zij na ons uitstapje
de kolonie bereikt hadden.



De geologische bouw dezer eilanden is in de meeste opzichten
eenvoudig. Het lagere land bestaat uit leemschiefer en zandsteen,
waarin fossielen, die aan de in de silurische formaties van Europa
gevondene zeer na verwant, doch niet geheel gelijk zijn; de bergen
zijn gevormd van wit korrelig kwartsgesteente. De lagen dezer laatsten
zijn dikwijls volkomen symmetrisch gewelfd, en bij gevolg is het
voorkomen van enkele bergen hoogst eigenaardig. Pernety [179] heeft
verscheidene bladzijden gewijd aan de beschrijving van een berg, Hill
of Ruins genaamd, welks op elkander volgende lagen hij terecht bij de
rangen van een amphitheater heeft vergeleken. Het kwartsgesteente moet
zeer deegachtig geweest zijn, toen het zulke merkwaardige buigingen
onderging zonder te breken. Daar het kwarts onmerkbaar in den zandsteen
overgaat, lijkt het waarschijnlijk, dat het eerste uit den zandsteen
is ontstaan, toen deze zoo hoog verhit was, dat hij dik-vloeibaar
werd en bij afkoeling kristalliseerde. De zandsteen moet vooraf in
zachten toestand door de bovenliggende lagen omhoog zijn gestuwd.

In vele gedeelten van het eiland zijn de dalbodems op buitengewone
wijze bedekt met tallooze groote en losse, hoekige brokken kwartziet,
die zoogenaamde "steenstroomen" vormen. Sedert den tijd van Pernety
heeft elk reiziger met verwondering hiervan melding gemaakt. De
brokken zijn niet door het water geslepen of afgerond, alleen zijn
hunne hoeken wat gestompt; in grootte wisselen zij af van een of
twee voet in doorsnede, tot tien- of zelfs meer dan twintigmaal
zooveel. Zij zijn niet in onregelmatige hoopen bijeengeworpen, maar
liggen in horizontale vlakten of groote stroomen verspreid. Het is
niet mogelijk hunne dikte te bepalen; maar verscheidene voeten onder
de oppervlakte kan men het water van kleine stroompjes door de steenen
hooren druppelen. Waarschijnlijk is de werkelijke diepte aanzienlijk,
daar de spleten tusschen de lagere brokken sedert lang met zand
gevuld moeten zijn. De breedte dezer steenvlakten wisselt tusschen
enkele honderden voeten en eene mijl; maar dagelijks overschrijdt de
veenachtige bodem de randen dier vlakten, en vormt zelfs eilandjes
daar waar enkele brokken dicht bij elkander liggen. In eene vallei
ten zuiden van Straat Berkeley, door eenigen van ons gezelschap de
"groote brokken-vallei" genoemd, moesten wij eene onafgebroken strook
van zulke steenen, die eene halve mijl breed was, oversteken, waarbij
wij van den eenen puntigen steen op den anderen sprongen. De brokken
waren zoo groot, dat, toen wij door eene regenbui overvallen werden,
ik gemakkelijk onder een ervan eene schuilplaats kon vinden.

Hunne geringe helling is wel de merkwaardigste omstandigheid in deze
"steenstroomen." Aan de heuvelzijden heb ik ze eene helling van tien
graden met den horizon zien maken; maar in enkele vlakke dalen met
breede bodems is de helling juist groot genoeg om scherp te worden
waargenomen. Er was geen middel om op zulk eene ruwe oppervlakte
den hoek te meten; om echter eene alledaagsche opheldering te geven,
kan ik zeggen dat de glooiing de snelheid van eene Engelsche postkar
niet zou vertraagd hebben. Op sommige plaatsen volgde een onafgebroken
stroom van deze brokken den loop eener vallei, en strekte zich zelfs
tot aan den top van een heuvel uit. Hier, op deze toppen, schenen de
geweldige steenen, die een klein huis in grootte overtroffen, in hun
voorwaartschen loop gestuit; hier stapelden zich ook de gebogen lagen
der overwelfde ruimten op, evenals de bouwvallen eener reusachtige
kathedraal. Poogt men deze tafereelen van geweld te beschrijven,
dan is men onwillekeurig geneigd van de eene gelijkenis in de andere
te vallen. Wij kunnen ons voorstellen, dat stroomen witte lava uit
vele deelen van het gebergte naar het lagere land zijn gevloeid,
en dat zij bij het stollen door eene geweldige golving of trilling
van den bodem in tienduizenden brokken zijn gespleten. De uitdrukking
"steenstroomen," die elk terstond in den mond kwam, sluit hetzelfde
begrip in. Op de plek zelve worden deze tafereelen nog indrukwekkender
gemaakt door hunne tegenstelling met de lage, ronde vormen der
naburige heuvels.

Met belangstelling vond ik op den hoogsten top van eene heuvelreeks
(omtrent 700 voet boven de zee) een groot gewelfd brok, dat op
zijne bolle zijde, of het ondersteboven lag. Moeten wij aannemen,
dat dit in de lucht werd geworpen en zóó dezen vorm verkreeg; of,
wat waarschijnlijker is, dat vroeger in dezelfde keten een hooger
gedeelte bestond dan het punt waarop dit gedenkteeken eener groote
natuurberoering nu ligt? Daar de brokken in de dalen niet afgerond en
hunne spleten niet met zand zijn gevuld, moeten wij besluiten, dat die
hevige beroering plaats had in een tijdperk, nadat het land boven het
water der zee was gerezen. Eene dwarsdoorsnede in deze valleien doet
zien, dat de bodem bijna horizontaal is of maar zeer weinig naar beide
kanten stijgt. Ofschoon de brokken dus van het hoofdeinde der vallei
schijnen gewandeld te hebben, lijkt het inderdaad waarschijnlijker,
dat zij van de naastbijliggende hoogten zijn geslingerd, en sedert
door eene trillende beweging van overweldigende kracht in eene
onafgebroken horizontale laag verspreid zijn. [180] Zoo men zich al
verwonderde over het feit, dat gedurende de aardbeving, die in 1835
de stad Conception in Chili verwoestte, [181] kleine lichamen enkele
inches hoog van den grond werden geworpen, wat zullen wij dan zeggen
van eene beweging, die brokken van vele tonnen gewicht omhoog wierp,
als zand op een trillend carton, en daarna horizontaal verspreidde? In
de Cordilleras de los Andes heb ik de duidelijke bewijzen gezien,
dat ontzaglijke bergen als even zoovele dunne korsten in stukken
waren gebroken, en hunne lagen verticaal omhoog geworpen; maar nooit
drong een natuurtafereel het denkbeeld van eene hevige aardbeving,
waarvan wij in historische tijdperken vruchteloos de wedergade kunnen
vinden, sterker aan mijn geest op, dan deze "steenstroomen." Toch zal
de vooruit strevende wetenschap vermoedelijk eens eene eenvoudige
verklaring van dit verschijnsel geven, gelijk zij het reeds deed
van het zoolang onverklaarbaar geachte vervoer der erratische of
zwerfblokken, die over de vlakten van Europa zijn verspreid. [182]

Over de zoölogie dezer eilanden heb ik weinig op te merken. Den aasgier
of Polyborus heb ik reeds vroeger beschreven. Dan zijn er eenige andere
havikken, uilen, en een paar kleine landvogels. Het watergevogelte
is bijzonder talrijk; en blijkens de verhalen der oude zeevaarders,
moeten er vroeger nog meer geweest zijn.

Op zekeren dag zag ik eene zeeraaf (Carbo cormoranus sive haliaeus)
met een visch spelen, dien hij gevangen had. Achtmaal achtereen liet
de vogel zijne prooi los, dook haar dan na, en bracht ze, ofschoon in
diep water, elken keer weer boven. In de Zoological Gardens heb ik den
otter een visch op gelijke manier zien behandelen, als de kat een muis
doet; ik ken geen ander voorbeeld waarin Moeder Natuur zoo moedwillig
wreed schijnt. Op een anderen keer had ik mij tusschen eene vetgans
(Aptenodytes demersa) [183] en het water geplaatst, en vermaakte
mij zeer met het gadeslaan van hare gewoonten. Het was een moedige
vogel, die mij geregeld slag leverde en terug dreef totdat hij de zee
bereikte. Niet dan met harde slagen kon men hem tot staan brengen;
krachtig handhaafde hij elk duimbreed gewonnen grond, en stond rechtop
en vastberaden voor mij. In die houding waggelde hij met het hoofd
naar rechts en links, op eene zeer koddige manier, alsof het vermogen
van duidelijk zien alleen in het voor- en ondergedeelte der oogen
gelegen was. Deze vogel wordt gewoonlijk de "ezel-vetgans" genoemd,
vanwege zijne gewoonte om, als hij op het strand is, zijn hoofd naar
achteren te bewegen, en een zonderling schreeuwend geluid te maken,
dat zeer op het gebalk van een ezel gelijkt; maar is hij op zee, en
stoort men hem niet, dan is zijn geluid zeer diep en plechtig, en wordt
vaak des nachts gehoord. Bij het duiken worden zijne kleine vleugels
als vinnen gebruikt, maar op het land als voorpooten. Als hij--op vier
pooten kan men zeggen--door de bosjes gras of over de helling eener
begraasde rots kruipt, beweegt hij zich zoo snel, dat men hem licht
voor een viervoetig dier kan houden. Is hij op zee aan het visschen,
dan komt hij, om adem te scheppen, zoo onstuimig naar de oppervlakte
en duikt weer zoo plotseling, dat ik iedereen tart met zekerheid te
zeggen, dat dit geen visch was, die voor pleizier aan het springen was.

Twee soorten van ganzen bewonen de Falklands-Eilanden. De hooglandsche
soort (Anas Magellanica) bewoont paarsgewijze of in kleine troepen het
geheele eiland. Zij trekt niet, maar nestelt op de kleine afgelegen
eilandjes. Vermoedelijk geschiedt dit uit vrees voor de vossen;
en mogelijk om dezelfde reden zijn deze vogels, ofschoon zeer mak
bij dag, schuw en wild in de avondschemering. Zij leven geheel van
plantenstoffen. De klipgans, zoo genoemd omdat zij uitsluitend op
het zeestrand woont (Anas antarctica) [184] huist zoowel hier als
op de westkust van Amerika tot in Chili. In de diepe en afgelegen
kanalen van Vuurland vormt de sneeuwwitte mannetjesgans, die steeds
van zijn donkerder gekleurd wijfje vergezeld dicht bij haar op eene
verwijderde rotspunt staat, een gewoon tafereel in het landschap.

Eene groote, domme gans of eend (Anas brachyptera), die soms een
gewicht van 22 pounds bereikt, is op deze eilanden zeer talrijk. In
vroegeren tijd werden deze vogels, om hunne buitengewone manier
van in het water te pagaaien en te plassen, harddravers genoemd;
doch nu noemt men hen veel gepaster stoomers. Hunne vleugels zijn te
klein en te slap om te vliegen; maar door er deels mede te zwemmen
en deels de oppervlakte van het water te slaan, bewegen zij zich
zeer snel. De manier komt eenigszins overeen met die waarop de gewone
huiseend vlucht, als hij door een hond vervolgd wordt; maar ik ben er
bijna zeker van, dat de Anas brachyptera hare vleugels beurt om beurt
beweegt, in plaats van beide tegelijk, zooals bij andere vogels. Deze
plompe, domme eend maakt zulk een vreemd geluid en geplas, dat het
een ongewonen indruk achterlaat.

In Zuid-Amerika vinden wij dus drie vogels, die hunne vleugels voor
andere doeleinden, als vliegen, gebruiken: de vetgans als vinnen;
de stoomer als riembladen of schoepen, en de struisvogel als zeilen;
terwijl de Apteryx van Nieuw-Zeeland, zoowel als zijn reusachtig
prototype, de Dinornis, slechts rudimentaire vertegenwoordigers
van vleugels bezitten. [185] De stoomer kan alleen over zeer korten
afstand duiken. Hij voedt zich geheel met schaaldieren uit het zeewier
en van vloedrotsen, ten gevolge waarvan zijn bek en kop, om die te
kunnen breken, verbazend hard en sterk zijn. De kop is zoo sterk,
dat ik hem met mijn geologischen hamer bijna niet kon splijten,
en spoedig ontdekten al onze jagers hoe taai het leven dezer vogels
is. Als zij des avonds, in een troep bijeengezeten, hunne vederen
opstrijken, maken zij hetzelfde zonderlinge mengsel van geluiden,
als de oskikvorschen in de keerkringen.



In Vuurland zoowel als op de Falklands-Eilanden deed ik vele
waarnemingen op de lagere zeedieren; maar deze zijn niet van algemeen
belang. [186] Ik zal slechts ééne soort van feiten vermelden, welke
op zekere Zoöphieten of plantdieren in de hooger georganiseerde
afdeeling dezer klasse betrekking hebben. Verscheidene geslachten
(Flustra, Eschara, Cellaria, Crisia, en andere) komen hierin
overeen, dat zij zonderlinge beweeglijke organen bezitten (zooals
die van Flustra avicularia, welke in de Europeesche zeeën gevonden
wordt), die aan hunne cellen bevestigd zijn. Dit orgaan gelijkt in
de meeste gevallen zeer na op een gierekop, met dit verschil, dat
de onderkaak veel wijder geopend kan worden dan in den bek van een
werkelijken vogel. De kop zelf bezit door middel van een korten nek
een aanzienlijk bewegingsvermogen. Bij den eenen zoöphiet was de kop
zelf vast, maar de onderkaak vrij; bij een anderen werd hij vervangen
door een driehoekige kap met eene fraai passende klep, die blijkbaar
de onderkaak voorstelde. Bij de meeste soorten was elke cel van één
hoofd voorzien, doch bij andere had elke cel er twee.

De jonge cellen aan het einde der takken van deze koraalgewassen
bevatten geheel onrijpe poliepen; toch zijn de daaraan gehechte
gierekoppen, hoewel klein, in elk opzicht volkomen. Als de poliep met
eene naald uit eene der cellen verwijderd werd, schenen deze organen in
't minst niet geraakt. Werd een der zoogenoemde gierekoppen van eene
cel afgesneden, dan behield de onderkaak haar vermogen tot openen en
sluiten. Het zonderlingste in hun bouw is misschien wel, dat, als
er meer dan twee rijen cellen op een tak waren, de centrale cellen
van zulke aanhangsels voorzien waren, die slechts een vierde van de
grootte der buitenste hadden. Hunne bewegingen wisselden af naar de
soort; maar terwijl ik bij enkelen nooit de geringste beweging zag,
schommelden anderen, met de onderkaak meestal open en ongeveer ééns
in de vijf secunden, voor- en achteruit; weer anderen bewogen zich
snel en met rukken. Met eene naald aangeraakt, greep de bek de punt
meestal zoo stevig vast, dat men den geheelen tak kon schudden.

Deze lichamen staan in hoegenaamd geen verband met de voortbrenging van
de eieren of knoppen, wijl zij gevormd worden voordat de jonge poliepen
in de cellen aan het einde der groeiende takken verschijnen. Daar
zij zich onafhankelijk van de poliepen bewegen, en in geenerlei
verband met dezen schijnen te staan; en wijl zij op de buitenste en
binnenste celrijen verschillen, koester ik weinig twijfel of zij
zijn in hunne functiën eerder aan de hoornachtige as der takken,
dan aan de poliepen in de cellen verwant. Het vleezige aanhangsel aan
de onderste extremiteit van de zeeveder (te Bahia Blanca beschreven)
maakt ook deel uit van den zoöphiet als een geheel, op dezelfde wijs
als de wortels van een boom deel uitmaken van een geheelen boom en
niet van het loof of de bloemknoppen alleen.

Bij een ander sierlijk klein koraalgewas (Crisia?) was elke cel van
een langen getanden borstel voorzien, die het vermogen had van zich
snel te bewegen. Elk dezer borstels en elk der zoogenoemde gierekoppen
bewoog zich meestal onafhankelijk van de andere; maar soms bewogen
allen aan beide zijden van een tak, of alleen die aan ééne zijde zich
tegelijktijdig; dan weêr bewoog elk zich in regelmatige orde de een
na den anderen. In deze handelingen bij den zoöphiet, ofschoon uit
duizende verschillende poliepen samengesteld, zien wij blijkbaar eene
even volkomen wilsoverdracht, als bij een enkelvoudig dier. Inderdaad
verschilt het geval niet van dat der zeeveders, die zich aan de kust
van Bahia Blanca in het zand terugtrokken, zoodra men ze aanraakte. Ik
zal een ander voorbeeld noemen van gelijkmatige handeling, hoewel van
zeer verschillenden aard, bij een zoöphiet die nauw aan Clytia verwant
en dus zeer eenvoudig georganiseerd is. Nadat ik eens eene groote
pluim daarvan in eene kom met zout water had gedaan, bespeurde ik,
toen het donker was, dat telkens als ik een stuk van den tak wreef, de
geheele pluim met een sterk groen licht phosphoresceerde. Ik herinner
mij niet ooit een schooner verschijnsel gezien te hebben. Doch het
merkwaardigste van het geval was, dat de lichtstralingen zich altijd
opwaarts langs de takken bewogen, van de basis naar de uiteinden.

Het onderzoek van deze samengestelde dieren boezemde mij altijd
zeer veel belang in. Wat kan merkwaardiger zijn dan een plantachtig
lichaam een ei te zien voortbrengen, hetwelk in staat is rond te
zwemmen en eene geschikte plaats te kiezen om zich vast te hechten;
waaruit vervolgens takken ontspruiten, elk met tallooze afzonderlijke
dieren van dikwijls saamgestelden bouw bedekt? Daarenboven bezitten
de takken, gelijk wij juist zagen, somtijds organen, die zich kunnen
bewegen en onafhankelijk zijn van de poliepen. Hoe verwonderlijk deze
vereeniging van afzonderlijke individuën op een gemeenschappelijken
stam ook altijd schijnen moet, vertoont toch elke boom hetzelfde feit;
want knoppen moeten als planten op zich zelven worden beschouwd. Het is
echter natuurlijk, dat men een poliep, die in 't bezit is van een mond,
ingewanden en andere organen, als een zelfstandig individu beschouwt,
terwijl de individualiteit of persoonlijkheid van een bladerknop niet
licht verwezenlijkt wordt; zoodat de vereeniging van afzonderlijke
individuën tot een gemeenschappelijk lichaam ons meer treft in een
koraalgewas dan in een boom. Ons begrip van een samengesteld dier kan,
waar de persoonlijkheid van elk in sommige opzichten niet volledig is,
opheldering vinden door de overweging, dat twee afzonderlijke wezens
worden voortgebracht, als men een enkelvoudig met een mes in tweeën
snijdt, of als de Natuur zelve de taak der halveering verricht. Wij
kunnen de poliepen op een plantdier, of de knoppen aan een boom als
gevallen beschouwen, waarin de deeling van het individu niet geheel is
tot stand gekomen. Te oordeelen volgens analogie met de koraalgewassen,
schijnen zeker, wat de boomen betreft, de door knoppen voortgeplante
individuën nader aan elkander verwant, dan eieren of zaden aan hunne
ouder-individuën. Het schijnt thans vrijwel vastgesteld te zijn, dat
gewassen, door knoppen voortgeplant, allen een gemeenschappelijke
levensduur hebben; en iedereen weet welke zonderlinge en talrijke
eigenaardigheden met zekerheid worden overgebracht door knoppen,
afleggers en enten, die door zaadvoortplanting nooit of slechts
toevallig weêrverschijnen.



HOOFDSTUK X.

TIERRA DEL FUEGO OF VUURLAND.


[17 December 1832.]

Nu ik met Patagonië en de Falklands-Eilanden heb afgehandeld, zal
ik onze eerste aankomst in Vuurland beschrijven. Kort na den middag
zeilden wij Kaap San Diëgo om, en voeren de vermaarde Straat van Le
Maire in. Wij stevenden dicht langs de Vuurlandsche kust; maar de
omtrek van het rotsachtige, ongastvrije Staten-Eiland was tusschen
de wolken zichtbaar. In den namiddag ankerden wij in de Baai van
Good Success. Bij onze binnenkomst werden wij begroet op eene wijze,
zooals den inwoners van dit wildenland betaamde. Een troep Vuurlanders
zat gedeeltelijk in het dichte woud verscholen, op een ongenaakbare,
boven zee uitspringende rotspunt; en nauwelijks gingen wij voorbij,
of zij sprongen op, zwaaiden met hunne gescheurde mantels, en deden
een luid, schreeuwend gejuich hooren. De wilden volgden het schip;
en even voordat het donker was, zagen wij hunne vuren en hoorden
opnieuw hun woest geschreeuw. De haven vormt een fraaien waterplas,
half omringd door hooge ronde bergen van leemschiefer, die tot aan
den rand van het water met een dicht en donker woud bedekt zijn. Een
enkele blik op het landschap was voldoende om mij te toonen hoezeer
dit verschilde van al wat ik ooit gezien had. Des nachts woei er een
stevige koelte en schoten hevige rukwinden uit het gebergte over ons
heen. Het moet dien nacht op zee slecht weêr geweest zijn; en wij
zoowel als anderen kunnen deze kaap terecht Bay of Good Success noemen.

Des morgens zond de kapitein eene bemande boot, om met de Vuurlanders
te onderhandelen. Zoodra wij elkander konden beroepen, trad een
der vier aanwezige inlanders naar voren om ons te ontvangen, en
begon een geweldig geschreeuw aan te heffen, om ons te beduiden waar
wij konden landen. Toen wij aan land waren, schenen de inboorlingen
eenigszins verschrikt, maar bleven, onder het maken van snelle gebaren,
doorpraten. Het was ongetwijfeld het zeldzaamste en belangwekkendste
schouwspel dat ik ooit zag; ik had nooit kunnen gelooven, dat er
tusschen wilden en beschaafden zulk een groot verschil was: het
is grooter dan tusschen een wild en tam dier, omdat de mensch een
grooter vermogen heeft zich te verbeteren. De voornaamste spreker
was een oud man, die het hoofd van het gezin scheen te zijn; de drie
anderen waren krachtige jonge mannen van ongeveer zes voet lang. De
vrouwen en kinderen waren weggestuurd. Deze Vuurlanders behooren tot
een geheel ander ras dan de niet wel opgegroeide, ongelukkige stumpers
die meer westwaarts wonen, en schijnen na aan de forsche Patagoniërs
der Straat van Magelhaen verwant. Hunne geheele kleeding bestaat uit
een mantel van guanaco-huid, met de wol naar buiten; zij dragen dien
los over de schouders geworpen, zoodat hun lichaam beurtelings bloot
en gedekt is. De kleur hunner huid is groezelig koperrood.

De oude man had een band van witte veêren om het hoofd gebonden,
waarachter zijn zwarte, grove en verwarde haren gedeeltelijk verborgen
waren. Twee breede dwarsstrepen kruisten zijn gezicht: de eene,
lichtrood van kleur, liep van het eene oor naar het andere en omsloot
de bovenlip; de andere, wit als kalk, liep boven en evenwijdig aan de
eerste, zóó dat zelfs de oogleden wit waren. De drie andere mannen
waren versierd met strepen van een zwart poeder, dat uit houtskool
bereid was. Het gezelschap had veel weg van de duivels, die in stukken
als Der Freischütz op het tooneel komen.

Hunne houding zelve was kruipend, en de uitdrukking van hun
gezicht wantrouwend, verwonderd en verschrikt. Toen wij hun een
scharlakenrooden doek hadden aangeboden, dien zij terstond om hun hals
wonden, werden wij goede vrienden. Dit bleek hieruit, dat de oude
man ons over de borst streek, en een soort klokkend of liefkoozend
geluid maakte, zooals menschen die kuikens voederen. Terwijl ik met
den oude voortliep, werd dit bewijs van vriendschap verscheidene
keeren herhaald, en eindelijk besloten met drie harde klappen, die
mij tegelijk op borst en rug gegeven werden. Daarna ontblootte hij
zijne borst, opdat ik het compliment zou beantwoorden; en toen dit
gedaan was, scheen hij uitermate verheugd. Voorzoover wij opmerkten,
verdient de taal van deze lieden bijna niet den naam van eene
gearticuleerde. Kapitein Cook heeft haar vergeleken bij het geluid
van iemand, die zijn keel schraapt; maar stellig schraapte nooit een
Europeaan zijne keel met zooveel harde, scherpe en korte keelklanken.

Zij zijn voortreffelijke mimici of nabootsers; telkens als wij
hoestten of gaapten, of eene zonderlinge beweging maakten, bootsten
zij ons onmiddellijk na. Eenigen van ons gezelschap begonnen scheel te
kijken en scheeve gezichten te trekken; maar een der jonge Vuurlanders
(hij wiens gezicht zwart geschilderd was, behalve een witten band
over zijn oogen) maakte veel leelijker grimassen. Zij konden elk
woord van een zin dien wij hun voorzeiden, volkomen juist herhalen,
en herinnerden zich zulke woorden eenigen tijd. Intusschen weten
alle Europeanen hoe moeilijk het is de klanken in eene vreemde
taal van elkaar te onderscheiden. Wie onzer, bij voorbeeld, kon
een Amerikaanschen Indiaan verder dan een zin van drie woorden lang
volgen? Alle wilden schijnen dit nabootsingsvermogen in ongewone mate
te bezitten. Bijna in dezelfde bewoordingen vertelde men mij dezelfde
belachelijke gewoonte onder de Kaffers; ook de Australiërs staan
lang bekend om hunne bekwaamheid in het nabootsen en beschrijven van
den menschelijken gang, zóó dat de persoon herkend kan worden. Hoe
kunnen wij dit vermogen verklaren? Is het een gevolg der meerdere
geoefendheid van het waarnemingsvermogen en de scherpe zintuigen,
die allen wilden stammen gemeen is, vergeleken met de lang beschaafde?

Toen ons gezelschap een lied begon te zingen, dacht ik, dat de
Vuurlanders van verwondering op den grond zouden vallen. Met evenveel
verbazing zagen zij ons dansen; maar op ons verzoek had een der jonge
mannen geen bezwaar tegen een walsje. Hoe weinig zij ook aan Europeanen
gewoon schenen, toch kenden en vreesden zij onze vuurwapenen; en
niets kon hen bewegen een geweer in handen te nemen. Zij verzochten
om messen, die zij bij het Spaansche woord cuchilla noemden. Ook
verklaarden zij wat zij noodig hadden, door te doen alsof zij een
stuk spek in den mond hadden, en dan er schijnbaar in te snijden in
plaats van het vaneen te scheuren.

Tot nu toe heb ik niet van de Vuurlanders gesproken, die wij aan
boord hadden. Op de vorige reis van de Adventure en de Beagle in 1826
en 1830, legde kapitein Fitz-Roy de hand op een troep inboorlingen,
als gijzelaars voor het verlies van eene boot, die tot groot gevaar
van eenige met de opmeting belaste personen gestolen was; en eenige
van deze inboorlingen, benevens een kind, dat hij voor een parelknoop
gekocht had, nam hij mee naar Engeland met het plan hen voor zijne
kosten op te voeden en in den godsdienst te onderwijzen. Deze
inboorlingen weder naar hun land te brengen was voor kapitein
Fitz-Roy eene hoofdreden waarom hij deze reis ondernam; en voordat
de Admiraliteit besloten had deze expeditie uit te zenden, had de
kapitein op edelmoedige wijze een schip bevracht, waarop hij hen zelf
zou terugbrengen. De inboorlingen waren vergezeld van een zendeling,
R. Matthews, over wien de kapitein een volledig en uitmuntend verhaal
in het licht heeft gegeven, waarin ook de inboorlingen uitvoerig
worden besproken.

Aanvankelijk waren meegenomen twee mannen, van wie er een in Engeland
aan de kinderpokken stierf, een jongen en een klein meisje; en nu
hadden wij aan boord York Minster, Jemmy Button (wiens naam "Knoop"
zijn inkoopsprijs uitdrukt) en Fuegia Basket. York Minster was een
volwassen, kort, breed en sterk man; teruggetrokken, stilzwijgend en
knorrig van aard, werd bij geweldig driftig als men hem plaagde. Hij
had voor enkele personen aan boord eene zeer sterke genegenheid
opgevat, en bezat een goed verstand. Jemmy Button was ieders
gunsteling, maar óók opvliegend; de uitdrukking van zijn gezicht
verried terstond zijn prikkelbare natuur. Hij was vroolijk, lachte
dikwijls, en was bijzonder medelijdend jegens elk die pijn had. Bij
ruw weder was ik vaak wat zeeziek, en dan placht hij bij mij te komen
en op klagenden toon te zeggen: "Arme, arme man!"

Maar het denkbeeld, dat bij gedurende zijn leven op zee gekregen
had van iemand die zeeziek is, was al te kluchtig; en meestal moest
hij het gezicht afwenden om een stil of luid gelach te onderdrukken,
en eerst daarna zijn uitroep: "Arme, arme man!" te herhalen. Hij was
vaderlandslievend van aard; prees gaarne zijn eigen stam en land,
waarvan hij terecht zeide, dat er overvloed van boomen waren; schold
op alle andere stammen, en verklaarde stoutweg, dat er in zijn land
geen duivel was.

Jemmy was klein, dik en gezet, maar ijdel op zijn persoonlijk
voorkomen. Altijd droeg hij handschoenen; zijn haar was kort geknipt,
en hij was wanhopig als zijne zorgvuldig gepoetste schoenen morsig
werden. Hij was er op verzot zich in een spiegel te bewonderen. Een
kleine Indiaansche jongen met een jolig gezicht en van de Rio Negro
afkomstig, dien wij eenige maanden aan boord hadden, bemerkte dit
spoedig en hield hem gewoonlijk voor den gek; maar Jemmy, die anders
steeds bereid was den kleinen Indiaan van dienst te zijn, hield
daar volstrekt niet van, en zeide met een eenigszins verachtelijk
hoofdgebaar: "Je snatert te veel!"

En toch, als ik aan al zijn vele goede eigenschappen terugdenk,
schijnt het mij verwonderlijk toe, dat hij tot hetzelfde ras behoorde
en ongetwijfeld hetzelfde karakter heeft bezeten als die ellendige,
achterlijke wilden die wij hier het eerst ontmoetten.

Wat eindelijk Fuegia Basket betreft, zij was een aardig, bescheiden,
ingetogen jong meisje met een eenigszins innemend, maar somtijds
knorrig uiterlijk, en zeer vlug in het leeren, vooral van talen. Dit
bewees zij door het opvangen van wat Portugeesch en Spaansch, toen zij
slechts korten tijd te Rio de Janeiro en Montevideo was achtergelaten,
en door hare kennis van het Engelsch. York Minster was zeer jaloersch
op elke attentie, die haar werd bewezen; want blijkbaar had hij plan
haar te trouwen, zoodra zij aan land zouden zijn.

Ofschoon alle drie vrij goed Engelsch konden spreken en verstaan,
was het toch uiterst moeilijk veel inlichting uit hen te krijgen,
hetgeen gedeeltelijk was toe te schrijven aan de moeite, die zij
schenen te hebben om het eenvoudigste alternatief te begrijpen. Ieder,
die gewoon is met zeer jonge kinderen om te gaan, weet hoe zelden men
een antwoord kan krijgen zelfs op zulk eene eenvoudige vraag als:
of een voorwerp wit of zwart is; het begrip zwart of wit schijnt
beurtelings hun geest bezig te houden. Zoo was het ook met deze
Vuurlanders; en daardoor was het meestal onmogelijk door over en weer
vragen te weten te komen, of men iets, dat zij verteld hadden, goed
begrepen had. Hun gezicht was bijzonder scherp. Het is wel bekend,
dat zeelieden door langdurige oefening een verafzijnd voorwerp
veel beter kunnen onderscheiden, dan iemand die op het land leeft;
maar zoowel York als Jemmy stonden daarin ver boven een zeeman aan
boord. Verscheidene malen hebben zij verklaard wat een verwijderd
voorwerp was; en ofschoon het door elk in twijfel werd getrokken,
bleken zij toch gelijk te hebben, als het met een kijker onderzocht
werd. Zij waren zich dit vermogen ten volle bewust; en toen Jemmy
met den officier van den wacht eens een kleinen twist had, zeide hij:

"Wij schip zien, wij niet praat."

Belangwekkend was het de houding der wilden tegenover Jemmy
Button gade te slaan, toen wij landden; onmiddellijk bespeurden
zij het verschil tusschen hem en ons, en spraken samen druk over
dit onderwerp. De oude man hield eene lange toespraak tot Jemmy,
waarin hij hem scheen uit te noodigen bij hen te blijven. Maar Jemmy
begreep hunne taal zeer weinig, en schaamde zich daarenboven diep
over zijne landgenooten. Toen York Minster daarna aan land kwam,
herkenden zij ook hem, en beduidden hem dat hij zich moest scheren;
toch had de man geen twintig stoppelharen op zijn gezicht, terwijl
wij allen ongeschoren baarden droegen. Zij onderzochten de kleur van
zijne huid en vergeleken die met de onze. Toen zij een onzer armen
bloot zagen, drukten zij hunne levendigste verbazing en bewondering
uit over de witheid er van, juist zooals wij in den Dierentuin den
orang-oetang hebben zien doen. Uit hunne gebaren maakten wij op, dat
zij twee of drie onzer officieren, die, ofschoon met volle baarden
prijkende, kleiner en knapper waren dan de anderen, voor de dames
van ons gezelschap hielden. De grootste onder de Vuurlanders had er
blijkbaar veel schik in, dat zijne lengte de aandacht trok. Toen hij
rug aan rug tegen den grootsten van ons scheepsvolk geplaatst werd,
deed hij zijn best om naar een hooger stuk grond te schuiven en op de
teenen te staan. Hij opende den mond om zijne tanden te laten zien,
en draaide het hoofd om zijwaarts te kijken; en dit alles deed hij met
zulk eene vroolijkheid, dat ik overtuigd ben, hij zichzelven voor den
schoonsten man in Vuurland hield. Nadat ons eerste gevoel van diepe
verwondering voorbij was, konden wij ons niets belachelijkere denken
dan het zonderlinge mengsel van verbazing en nabootsing, dat deze
wilden elk oogenblik te zien gaven.



Den volgenden dag poogde ik dieper landwaarts in te dringen. Vuurland
kan beschreven worden als een bergachtig land, dat gedeeltelijk onder
zee is gezonken, zoodat diepe kreken en baaien liggen op plaatsen
waar dalen moesten zijn. Behalve aan de open westkust, zijn de
berghellingen van af den rand van het water met een onafgebroken woud
bedekt. De boomgordel reikt tot eene hoogte van 1000 tot 1500 voet,
en wordt opgevolgd door een veengordel met kleine Alpenplanten; op
dezen volgt weer de grens der eeuwige sneeuw, die, volgens kapitein
King, in de Straat van Magelhaen eene hoogte bereikt van 3000 tot
4000 voet. Hoogst zelden vindt men ergens in dit land een acre vlakken
grond. Ik herinner mij slechts een klein vlak stuk nabij Port Famine,
en een tweede iets grooter in oppervlakte bij Goeree Roads. Op beide
plaatsen en verder overal is de oppervlakte met eene dikke, moerassige
veenlaag bedekt. Zelfs in het woud is de grond onder een hoop langzaam
rottende plantenstoffen verborgen, die van water doortrokken, onder
den voet wegzinkt.

Daar ik het bijna hopeloos achtte door het woud een weg te banen,
volgde ik den loop van een bergstroom. Eerst kon ik vanwege de
watervallen en de menigte doode boomen slechts met moeite voortkruipen;
maar spoedig werd het stroombed iets ruimer, doordien de vloed de
kanten had schoongeveegd. Langzaam volgde ik een uur achtereen de
gebroken en rotsachtige oevers, en werd door de grootschheid van het
landschap ruimschoots voor mijn zwoegen beloond. De donkere diepe
rotskloof paste volkomen bij de algemeene sporen van geweld. Aan beide
zijden lage vormlooze steenhoopen en afgerukte boomen; andere boomen,
hoewel nog staande, waren van binnen geheel vergaan en stonden op
het punt te vallen. Het warbosch van groeiende en gevallen stammen
deed mij denken aan de wouden in de keerkringen, met dit verschil
echter, dat in deze stille eenzaamheden Dood in plaats van Leven de
overheerschende natuurkracht scheen te zijn. Ik volgde den waterstroom
totdat ik aan eene plek kwam, waar een groote grondverschuiving een
rechte strook van de berghelling had blootgelegd. Langs dezen weg klom
ik tot eene aanzienlijke hoogte, en kreeg zoodoende een goed uitzicht
op de omringende bosschen. De boomen behoorden alle tot ééne soort,
Fagus betuloides; want het aantal andere soorten Fagus en dat der
Winter's-basten (Drymis Winteri) is zeer onbeteekenend. [187] Deze
beuk behoudt het geheele jaar door zijne bladeren, die echter eene
eigenaardige bruingroene, eenigszins geel getinte kleur bezitten. Daar
het geheele landschap zoo gekleurd is, heeft het een somber, eentonig
voorkomen, waarbij nog komt, dat het niet vaak door de zonnestralen
verlevendigd wordt.

[20 December.]

De eene zijde der haven wordt gevormd door een omstreeks 1500 voet
hoogen berg, dien kapitein Fitz-Roy naar Sir J. Banks noemde, ter
nagedachtenis aan diens rampspoedigen tocht, welke voor twee mannen
van zijn gezelschap, en bijna ook voor Dr. Solander een noodlottigen
afloop had. De sneeuwstorm, die de oorzaak van zijn ongeluk was,
woei in het midden van Januari, overeenkomende met onze maand Juli,
en op de breedte van Durham! Ik was verlangend den top van dezen
berg te bereiken, om Alpenplanten te verzamelen; want in de lagere
gedeelten is het aantal bloemen gering. Wij volgden denzelfden
bergstroom als daags te voren, tot waar hij dood liep, en waren toen
genoodzaakt op goed geluk tusschen de boomen door te kruipen. Wegens
de hoogte en den invloed der hevige winden, waren deze boomen laag,
dik en gebogen. Eindelijk bereikten wij de plek, die van verre een
fraai groen grastapijt geleek, maar tot onzen spijt een dicht bosch
van beukeboompjes bleek te zijn, van vier tot vijf voet hoogte. Zij
stonden even dicht opeen, als taxisboomen (buxus) aan den rand van een
tuin, en wij moesten over de effene maar verraderlijke oppervlakte met
geweld voortdringen. Na nog eenige inspanning bereikten wij het veen,
en toen de naakte schieferrots.

Een rotskam verbond dezen berg met een anderen, die eenige mijlen
verder lag en, blijkens de daarop liggende vlakjes sneeuw, hooger
was. Daar het nog niet laat op den dag was, besloot ik er heen te
wandelen en planten langs den weg te zamelen. Dit zou een zeer moeilijk
werk geweest zijn, indien er geen goed gebaand en recht pad geweest
was, dat de guanaco's gemaakt hadden, welke dieren, evenals schapen,
altijd denzelfden weg volgen. Toen wij den berg bereikten, vonden
wij, dat deze de hoogste in den naasten omtrek was. De bergstroomen
vloeiden hier in tegengestelde richtingen naar zee. Wij hadden een ruim
uitzicht over de naburige streek: in het noorden strekte zich een groot
moerasland uit; maar zuidwaarts ontrolde zich een panorama van wild
natuurschoon, dat Vuurland ten volle waardig was. Er lag een zweem
van geheimzinnige grootschheid in die eindelooze reeks van bergen,
met hunne diepe tusschenliggende valleien, allen met een dichte,
donkere woudmassa bedekt. In dit klimaat, waar de stormen elkander
opvolgen met regen, hagel en ijzel, schijnt ook de dampkring zwarter
dan elders. In de Straat van Magelhaen, even zuidelijk onder Port
Famine gelegen, schenen de afgelegen kanalen tusschen de bergen naar
het einde der wereld te vloeien--zoo somber was hun aanblik.

[21 December.]

De Beagle lichtte het anker; en onder begunstiging van eene bijzonder
voorspoedige oostelijke bries, bereikten wij den volgenden dag
de Barneveldts-Eilanden, stuurden om Kaap Deceit met hare spitse
rotsen, en zeilden te ongeveer drie ure om de door weêr en stormen
geteisterde Kaap Hoorn. De avond was kalm en helder, en wij hadden
een fraai uitzicht op de omringende eilandjes. Kaap Hoorn eischte
echter haar tol, en joeg ons vóór den nacht eene stijve bries in 't
gezicht. Wij bleven dien nacht op zee, en stevenden den volgenden dag
opnieuw naar land, toen wij dit vermaarde voorgebergte in zijn waren
vorm te loever voor ons zagen: gesluierd in een mist, en de wazige
omtrek gehuld in een bui van storm en regen. Groote zwarte wolken
gierden langs den hemel, en hevige regenbuien, vergezeld van hagel,
joegen met zooveel geweld over ons heen, dat de kapitein besloot in
Wigwam-Kreek binnen te loopen. Dit is eene kleine beschutte haven
niet ver van Kaap Hoorn; en het was hier, dat wij op Kerstavond
in kalm water het anker lieten vallen. Het eenige, dat ons aan den
storm buiten herinnerde, was nu en dan een rukwind van de bergen,
die het schip aan zijne ankers deed stampen.

[25 December.]

Dicht bij de kreek verrijst een steile berg, Kater's Piek genaamd,
die eene hoogte heeft van 1700 voet. De omringende eilanden bestaan
alle uit kegelvormige bergen van groensteen, [188] soms in vereeniging
met minder regelmatige heuvels van kristallijn-gemetamorphoseerd
leemschiefer. Dit deel van Vuurland kan men als het einde der gezonken
bergketen beschouwen, waarop ik reeds doelde. De kreek ontleent haren
naam "Wigwam" aan enkele Vuurlandsche woningen; maar met hetzelfde
recht zou elke baai in den omtrek zoo genoemd mogen worden. De
bewoners, die voornamelijk van schaaldieren leven, zijn verplicht
voortdurend van woonplaats te veranderen, doch keeren na verloop van
zekeren tijd naar dezelfde plaatsen terug, zooals blijkt uit de stapels
oude schelpen, die dikwijls verscheidene tonnen zwaar moeten zijn. Men
kan deze hoopen reeds op een afstand onderscheiden aan de heldergroene
kleur van sommige planten, die er steeds op groeien. Van deze kunnen
genoemd worden de wilde selderij (Apium graveolens) en het lepelblad
(Cochlearia): twee zeer nuttige planten, waarvan de inboorlingen het
gebruik niet ontdekt hebben.

De Vuurlandsche wigwam [189] gelijkt in grootte en afmetingen op een
hooiopper, en bestaat slechts uit enkele afgebroken takken, die in
den grond zijn gestoken en aan één kant zeer onvolkomen met eenige
bosjes gras en biezen zijn afgedekt. Het geheel is nauwelijks het
werk van een uur, en wordt slechts voor een paar dagen gebruikt. Te
Goeree-Roads zag ik een plek, waar een dezer naakte mannen geslapen
had, en die volstrekt niet meer beschutting bood dan een hazenleger. De
man leefde blijkbaar op zichzelf; en York Minster zeide, dat hij
een "zeer slecht man" was, die mogelijk iets gestolen had. Aan de
westkust echter, zijn de wigwams iets beter, want daar zijn zij met
robbevellen gedekt. Wij werden hier verscheidene dagen door het slechte
weêr opgehouden. Het klimaat is alleszins ellendig; ofschoon het
zomer-solstitium voorbij was, viel er elken dag sneeuw op de bergen,
en in de dalen regen vergezeld van ijzel. De thermometer stond meestal
op 45° F., maar daalde des nachts tot 38° of 40°. Wegens den vochtigen
en onstuimigen toestand van den dampkring, die door geen zonnestraal
werd opgehelderd, stelde men zich het klimaat zelfs slechter voor
dan het in werkelijkheid was.

Toen wij op zekeren dag bij het eiland Wollaston aan land gingen,
roeiden wij voorbij een kano [190] met zes Vuurlanders. Deze waren
de ellendigste en meest verworpen schepsels, die ik ooit zag. Aan
de oostkust dragen de inboorlingen, zooals wij gezien hebben,
guanaco-mantels; maar aan de westkust robbevellen. Onder deze
middenstammen hebben de mannen meestal een ottervel, of een klein
lapje ongeveer zoo groot als een zakdoek, dat nauwelijks voldoende is
om hun rug tot aan de lendenen te bedekken. Met koorden of pezen wordt
het over de borst bevestigd, en naar gelang van den wind verschuift
het telkens van plaats. Maar deze Vuurlanders in de kano waren geheel
naakt, en zelfs met de vrouwen was dit zoo. Het regende hevig, en het
frissche water gutste tegelijk met het zeeschuim over hun lichaam. In
eene andere, niet ver van daar gelegen haven kwam eens eene vrouw,
die een pasgeboren kind zoogde, op zijde van het schip en bleef daar
uit loutere nieuwsgierigheid, terwijl de ijzel op haar blooten boezem
viel en dooide, en op de huid van haren naakten zuigeling!

Kwijnend en gebrekkig waren deze arme schepsels opgegroeid; hunne
afschuwelijke gezichten waren besmeerd met witte verf, hun huid was
vuil en vettig, hun haar verward, hunne stem wanluidend, en heftig
hunne gebaren. Bij het zien van zulke menschen kan men zich moeilijk
wijsmaken, dat zij medeschepselen en bewoners van dezelfde wereld
zijn. Een algemeen onderwerp voor gissingen vormt de vraag, welk
levensgenot sommige lagere dieren kunnen smaken; doch met hoeveel meer
reden kan men dezelfde vraag doen ten opzichte van deze wilden! Des
nachts slapen vijf of zes menschelijke wezens, naakt en bijna zonder
beschutting tegen den wind en regen van dit stormachtige klimaat,
op den natten grond, als dieren in elkaar gerold. Zoodra het laag
water is, in winter of zomer, bij nacht of bij dag, moeten zij uit
om schaaldieren van de rotsen te plukken; en de vrouwen duiken in 't
water om zeeëgels te garen, of zitten geduldig in hare kano's vischjes
uit het water te slingeren, met een haarlijn zonder haak, waaraan een
aas bevestigd is. Wordt een rob gedood of het drijvende lijk van een
rottenden walvisch ontdekt, dan is het feest; en dit ellendige voedsel
wordt met eenige onsmakelijke bessen en paddenstoelen verorberd!

Dikwijls lijden zij honger. Low, een robbenjager, die de inboorlingen
van dit land van zeer nabij kent, deed mij een merkwaardig verhaal
van den toestand, waarin een troep van 150 inboorlingen aan de
westkust leefde, die zeer armoedig waren en in groote ellende
verkeerden. Voortdurende stormen beletten de vrouwen schaaldieren
op de rotsen te plukken; ook konden zij niet in hare kano's gaan
om robben te vangen. Op zekeren morgen ging een troepje van deze
mannen op weg; en de andere Vuurlanders vertelden toen, dat zij een
vierdaagschen tocht deden om voedsel te zoeken. Bij hunne terugkomst
ging Low hun te gemoet en vond hen uiterst afgemat. Elk man droeg een
groot vierkant stuk rottend walvischspek met een gat in het midden,
waardoor hij het hoofd stak, evenals de Gauchos met hunne poncho's of
mantels doen. Zoodra het spek in een wigwam gebracht was, sneed een
oud man er dunne mooten af, roosterde die eenige oogenblikken onder het
prevelen van eenige woorden, en verdeelde ze toen onder het hongerige
gezelschap, dat al dien tijd een diep stilzwijgen bewaarde. Low denkt,
dat als er een walvisch op het strand wordt geworpen, de inboorlingen
groote stukken er van in het zand bewaren, als een redmiddel in tijd
van hongersnood; en een Vuurlandsche jongen, dien hij aan boord had,
vond eens een geheelen voorraad, welke aldus begraven was.

De verschillende stammen zijn, als zij oorlog voeren,
kannibalen. Volgens de gelijkluidende, doch geheel onafhankelijke
verhalen van den jongen van Low en van Jemmy Button, is het eene
stellige waarheid, dat, als de honger hen des winters kwelt, zij
hunne oude vrouwen dooden en verslinden, voordat zij hunne honden
dooden. Toen Low den knaap vroeg, waarom zij dit deden, antwoordde hij:

"Hondjes vangen otters, oude vrouwen niet."

Deze jongen beschreef de manier waarop zij gedood worden: men houdt
ze namelijk boven den rook, totdat zij stikken; spottend bootste hij
haar geschreeuw na, en beschreef de gedeelten van haar lichaam, die
als het beste voedsel worden beschouwd. Zulk een dood door de handen
van vrienden en verwanten moet afgrijselijk zijn; maar pijnlijker
is het, als men denkt aan de vrees der oudjes zelven, wanneer de
honger begint te knagen. Men vertelde ons, dat zij dan dikwijls naar
de bergen vluchten, maar dat zij door de mannen achtervolgd en naar
het slachthuis, bij hare eigen haarden worden teruggebracht!

Kapitein Fitz-Roy kon nooit te weten komen of de Vuurlanders een
duidelijk besef hebben van een leven hiernamaals. Soms begraven
zij hunne dooden in holen, soms in de wouden op het gebergte; wij
weten ook niet welke ceremonieën zij verrichten. Jemmy Button wilde
geen landvogels eten, omdat zij "doode menschen eten." Zij willen
zelfs hunne dooden vrienden niet herdenken. Wij hebben geen reden
te gelooven, dat zij een soort godvruchtigen eeredienst verrichten,
ofschoon het prevelen van den ouden man voordat hij het rottende spek
onder zijn uitgehongerd gezelschap verdeelde, misschien iets van dien
aard was. Elke familie of stam heeft een toovenaar of heksenmeester,
wiens taak wij nooit duidelijk konden te weten komen. Jemmy geloofde
aan droomen, ofschoon niet aan den duivel, zooals ik gezegd heb. Ik
voor mij denk niet, dat onze Vuurlanders veel bijgelooviger waren dan
enkele zeelieden; want een oude kwartiermeester geloofde vast, dat de
aanhoudende zware stormen, waarmede wij bij Kaap Hoorn moesten kampen,
veroorzaakt werden door de wilden die wij aan boord hadden. Het dichtst
bij een godsdienstig gevoel kwam, voorzoover ik weet, een trek door
York Minster aan den dag gelegd, die, toen Bynoe eenige zeer jonge
eenden had geschoten, op den plechtigsten toon zeide:

"O, Mr. Bynoe, veel regen, sneeuw, veel windvlagen."

Blijkbaar was dit eene straf ter vergelding voor het vernielen van
menschenvoedsel. Op heftige en overspannen wijze vertelde hij ook,
dat zijn broeder, toen hij eens naar de kust terugkeerde om eenige
doode vogels op te rapen, eenige vederen had zien waaien...

"Wat dat?" zeide zijn broeder (York bootste diens manieren na); en
voortkruipende, sprong hij over de rots en zag "wilde man," die zijne
vogels opraapte. Hij kroop nog dichter bij, slingerde toen een grooten
steen omlaag en doodde hem. "Langen tijd daarna,"verklaarde York,
"woedden stormen, en viel er veel sneeuw en regen"...

Voorzoover wij konden uitmaken, scheen hij de elementen zelven als
de wrekende machten te beschouwen. Het is duidelijk, dat in dit geval
bij een eenigszins beschaafder ras de elementen op natuurlijke wijze
door personen zouden worden voorgesteld. Wie of wat die "slechte wilde
mannen" waren, heeft mij altijd hoogst geheimzinnig toegeschenen. Uit
hetgeen York zeide, toen wij het ellendige hazenleger vonden, waar een
alleenlevend man den vorigen nacht geslapen had, zou ik hen voor dieven
hebben gehouden, die door hunne stammen verdreven waren; maar andere
duistere woorden deden mij hieraan twijfelen. Soms heb ik gedacht, dat
de waarschijnlijkste verklaring was hen voor krankzinnigen te houden.

De verschillende stammen hebben geen regeering of hoofd; toch is
elke stam door andere vijandige omringd, die verschillende dialecten
spreken en slechts door een verlaten strook onzijdig gebied van
elkaar gescheiden zijn. De aanleiding tot hunne oorlogen schijnt
het middel van bestaan te wezen. Hun land is eene, hier en daar
afgebroken aaneenschakeling van ongenaakbare rotsen, hooge bergen en
onnutte wouden, die gehuld zijn in misten en eindelooze stormen. Het
bewoonbare land bepaalt zich tot de steenen op het strand; bij het
zoeken naar voedsel zijn zij steeds gedwongen van de eene plek naar
de andere te trekken; en de kust is zoo steil, dat zij die tochten
niet anders dan in hunne ellendige kano's kunnen doen. Het begrip
van een eigen huis, en nog meer dat van huiselijke liefde kunnen zij
niet hebben, want de echtgenoot staat tegenover de vrouw als een ruwe
meester tegenover eene werkzame slavin. Werd ooit eene afschuwelijker
daad bedreven, dan die welke door Byron aan de westkust is bijgewoond,
die eene ongelukkige moeder haar bloedend en stervend kind zag opnemen,
dat haar echtgenoot meedoogenloos tegen de steenen had verpletterd,
omdat het een mand met zeeëgels had laten vallen? Hoe weinig kunnen
hier de hoogere functiën van den geest in 't spel worden gebracht; wat
is er dat de verbeelding kan malen, dat de rede vergelijken, dat het
oordeel kan beslissen? Eene zeeslak van de rots te plukken, vereischt
zelfs geen list--die laagste functie van den geest. De bekwaamheid
dezer schepsels is in sommige opzichten bij het instinct der dieren
te vergelijken, want zij wordt door de ervaring niet verbeterd. Door
Drake weten wij, dat de kano, trots al hare ellendigheid hun meest
vernuftig werk, in de laatste 250 jaren dezelfde is gebleven.

Als men deze wilden aanziet, rijst de vraag: van waar zijn
zij gekomen? Wat kon een menschenstam bewogen hebben, of welke
verandering dwong hem de betere gewesten van het noorden te verlaten;
de Cordilleras of ruggegraat van Amerika zuidwaarts af te zwerven;
kano's uit te vinden en te bouwen, die door geen enkelen stam in Chili,
Peru en Brazilië gebruikt worden, en eindelijk een der onherbergzaamste
oorden binnen te dringen, die op aarde te vinden zijn? Hoewel zulke
gedachten terstond bij ons moeten opkomen, kunnen wij toch zeker zijn,
dat wij gedeeltelijk dwalen. Er is geen reden om te denken, dat de
Vuurlanders in aantal verminderen; wij moeten dus aannemen dat zij
een voldoende mate van geluk--hoe dit dan ook zij--smaken, om het
leven op prijs te stellen. De natuur, die de gewoonte almachtig en
hare werkingen erfelijk maakt, heeft den Vuurlander voor het klimaat
en de voortbrengselen van zijn ellendig land geschikt gemaakt.



Nadat wij zes dagen door zeer slecht weder in Wigwam-Kreek waren
opgehouden, staken wij op 30 December in zee. Kapitein Fitz-Roy
wilde westwaarts gaan, om York en Fuegia in hun eigen land aan wal te
zetten. Op zee hadden wij voortdurend stormen en tegenstroom, met het
gevolg dat wij naar 57° 23' zuidelijk dreven. Door alle zeilen bij te
zetten, kwamen wij op 11 Januari 1833 tot op enkele mijlen afstand van
den hoogen rotsachtigen berg York Minster (zoo gedoopt door kapitein
Cook, en de oorsprong van den naam van onzen oudsten Vuurlander),
toen een geweldige orkaan ons noodzaakte zeil te minderen en op zee
te blijven. Vreeselijk woedde de branding op de kust, en het schuim
sloeg over rotsen, die naar onze schatting 200 voet hoog waren. Op
den 12den was de storm zeer hevig, en wisten wij niet juist waar wij
waren. Het was alleronaangenaamst telkens den kreet te hooren herhalen:

"Kijk goed uit aan lij!"

Op den 13den woedde de storm in al zijne kracht, en was onze
horizon sterk gekrompen door de hoozen schuim, welke de wind
voortjoeg. Onheilspellend was de aanblik der zee, gelijk eene woeste
golvende vlakte, vol opgewaaide jachtsneeuw. Terwijl het schip
hevig werkte, dreef de albatros of stormvogel [191] met uitgespreide
vleugels recht in den wind. Op den middag sloeg eene hooge zee over
het schip en vulde een der walvischbooten, die onmiddellijk moest
worden gekapt. De arme Beagle trilde onder den schok, en wilde eenige
minuten lang niet naar zijn stuur luisteren; maar zooals een goed
schip van zijn slag betaamde, richtte hij zich spoedig weder op, en
ging andermaal te loever. Ware eene tweede zee de eerste gevolgd, dan
zou ons lot weldra en voorgoed beslist zijn geweest. Wij trachtten nu
reeds 24 dagen lang te vergeefs naar het westen te stevenen; de mannen
waren op van vermoeienis, en hadden gedurende vele dagen en nachten
geen droog stuk kleeren aan het lijf gehad. Toen gaf onze kapitein de
poging om langs de buitenkust naar het westen te gaan op. Des avonds
liepen wij achter Valsche Kaap Hoorn binnen, en lieten 47 vademen diep
ons anker vallen, waarbij de ketting met zulk eene snelheid afliep,
dat het vuur uit het windas sprong. Hoe heerlijk was die stille nacht,
na zulk een lange worsteling onder het geraas der strijdende elementen!

[15 Januari 1833.]

De Beagle ankerde in Goeree-Roads. Daar onze kapitein besloten had
de beide Vuurlanders, overeenkomstig hunnen wensch, in de Straat
van Ponsonby aan land te zetten, werden vier booten uitgerust om hen
door het Beagle-kanaal te brengen. Dit kanaal, hetwelk door kapitein
Fitz-Roy op de vorige reis ontdekt werd, is een hoogst merkwaardig
geographisch punt van dit land of eigenlijk van de geheele wereld. Men
kan het vergelijken bij de vallei van Loch Ness in Schotland, met hare
aaneenschakeling van meren en zeearmen. Het is ongeveer 120 mijlen
lang, bij eene gemiddelde breedte van omstreeks twee mijlen, welke
niet aan veel verandering onderhevig is, en is voor het grootste
gedeelte zoo volkomen recht, dat onze blik, die aan weerszijden
door eene reeks van bergen begrensd wordt, zich allengs in de wijde
verte verliest. Het doorsnijdt het zuidelijk deel van Vuurland in de
richting oost-west, en is in het midden aan de zuidzijde rechthoekig
verbonden met een kanaal van onregelmatigen vorm, dat "Ponsonby Sound"
genoemd is. Hier is de woonplaats van Jemmy Button's stam en familie.

[19 Januari.]

Drie walvischbooten en de sloep, met eene bemanning van 28 koppen,
verlieten onder bevel van kapitein Fitz-Roy het schip. In den namiddag
voeren wij de oostelijke monding van het kanaal binnen, en vonden
kort daarop eene aardige kleine kreek, die tusschen eenige eilandjes
verscholen lag. Hier sloegen wij onze tenten op en staken onze vuren
aan. Schilderachtiger tooneel dan dit laat zich niet denken. Het
klare water in de kleine haven; de boomen die hunne takken over den
rotsachtigen oever lieten hangen; de voor anker liggende booten; de
tenten die over de gekruiste riemen waren gespannen, en de dwarrelende
rookwolkjes boven het dicht begroeide dal--dit alles vormde een
tafereel van stille afzondering. Den volgenden dag (20 Januari) dreven
wij in onzen kleinen inham kalm verder, en kwamen in een meer bewoond
district. Weinige inboorlingen, misschien geen enkele, konden ooit
een blanke gezien hebben; en hunne verbazing over de verschijning
der vier booten laat zich dan ook niet beschrijven. Op elk punt
werden vuren ontstoken (hieraan is de naam "Vuurland" ontleend),
niet alleen om onze aandacht te trekken, maar ook om het nieuws wijd
en zijd te verspreiden. Enkele mannen liepen mijlen ver langs het
strand mee. Nooit zal ik den woesten en schilderachtigen aanblik
vergeten van een groep van vier of vijf mannen, die plotseling aan
den rand eener overhangende rots verschenen. Zij waren geheel naakt,
en hunne lange haren fladderden wild over hunne aangezichten; met
knoestige stokken in de hand sprongen zij van den grond op, zwaaiden
hunne armen boven het hoofd en lieten het afschuwelijkste gegil hooren.

Op etenstijd landden wij onder een troep Vuurlanders, die eerst
niet geneigd waren ons vriendelijk te ontvangen; want zij hielden
hunne slingers in de handen, zoolang tot onze kapitein met zijne
boot naar voren roeide. Het duurde echter niet lang of wij wisten
hen met beuzelachtige geschenken te vermaken, zooals met rood lint,
dat wij om hunne hoofden bonden. Ons beschuit smaakte hun; maar toen
een der wilden met zijn vinger het in tinnen bussen bewaarde vleesch
aanraakte, dat ik bezig was te eten, en voelde dat het zacht en koud
was, legde hij evenveel afkeer aan den dag, als ik zou gedaan hebben
met verrot spek. Jemmy schaamde zich diep over zijne landgenooten,
en verklaarde, dat zijn eigen stam geheel anders was; doch hierin
vergiste hij zich deerlijk. Het was even gemakkelijk deze wilden
te behagen als moeilijk om hun te voldoen. Jong en oud, kinderen
en volwassenen herhaalden steeds het woord: Yammerschooner, [192]
hetgeen zeggen wil: "Geef mij." Wijzend naar bijna elk voorwerp, het
een na het ander, zelfs naar de knoopen op onze jassen, uitten zij
hun geliefkoosd woord in alle mogelijke klanken; bezigden het dan in
onzijdigen zin, en herhaalden werktuigelijk: Yammerschooner. Hadden
zij hoogst verlangend om een of ander voorwerp geyammerschoonerd,
dan wezen zij met een eenvoudig gebaar naar hunne jonge vrouwen of
kleine kinderen, als wilden zij daarmee zeggen: "Indien gij het niet
aan mij wilt geven, dan geeft gij het toch zeker wel aan deze."

Des nachts poogden wij vruchteloos eene onbewoonde kreek te
vinden, en waren eindelijk gedwongen niet ver van een troep wilden
te bivouakeeren. Zoolang hun aantal gering was, waren zij zeer
onschadelijk; maar toen zich op den morgen van den 21sten anderen
bij hen voegden, gaven zij teekenen van vijandigheid, en dachten
wij dat het tot eene schermutseling zou komen. Een Europeaan heeft
veel in zijn nadeel, als hij te doen heeft met wilden zooals deze,
die niet het minste begrip hebben van de kracht van vuurwapenen. In
het aanleggen van zijn geweer schijnt hij in het oog van den wilde
ver beneden iemand, die gewapend is met boog en pijlen, een speer of
zelfs een slinger. Ook is het niet gemakkelijk hun onze meerderheid
te toonen, tenzij door een noodlottig salvo. Evenals wilde beesten,
schijnen zij niet op getalsterkte te letten; want elk individu zal,
zoo hij wordt aangevallen, in stede van te wijken, met een steen
u de hersenen trachten in te slaan, evenals een tijger onder zulke
omstandigheden u zeker zou verscheuren.

Toen kapitein Fitz-Roy eens om goede redenen een troepje van deze
lieden vrees wilde aanjagen, zwaaide hij een hartsvanger dicht voor
hunne oogen--waarom zij eenvoudig lachten; toen schoot hij vlak
bij een inboorling tweemaal zijn pistool af. Beide keeren keek de
man verwonderd op, en wreef zorgvuldig maar snel zijn hoofd; toen
stond hij een poos besluiteloos en babbelde tot zijne metgezellen,
doch scheen volstrekt niet aan wegloopen te denken. Wij kunnen ons
moeilijk in de plaats van deze wilden stellen en hunne handelingen
begrijpen. Wat dezen Vuurlander betrof, nooit kon hij gedacht hebben
aan de mogelijkheid van een geluid zooals het knallen van een geweer
vlak bij zijn oor. Misschien wist hij bij het tweede schot letterlijk
niet of het een geluid dan wel een slag was, en wreef hij daarom
zeer natuurlijk zijn oor. Zoo zal het ook, wanneer een wilde een
kogel doel ziet treffen, eenigen tijd kunnen duren, voordat hij
ten volle kan begrijpen hoe dit gekomen is; want het feit dat een
lichaam ten gevolge van zijne snelheid onzichtbaar is, zou misschien
volkomen onbegrijpelijk voor hem zijn. Bovendien zou de verbazende
kracht, waarmede een kogel eene harde stof doorboort zonder haar
te scheuren, den wilde kunnen overtuigen, dat hij in 't geheel geen
kracht bezit. Ik geloof zeker, dat vele wilden van den laagsten graad,
zooals die in Vuurland, voorwerpen met een kogel hebben zien treffen,
en zelfs kleine dieren zien dooden, zonder ook maar in het minst te
beseffen welk een doodelijk werktuig het geweer is.

[22 Januari.]

Nadat wij een ongestoorden nacht hadden doorgebracht op de plek,
die onzijdig gebied scheen tusschen Jemmy's stam en het volk dat
wij gisteren zagen, zeilden wij in aangename stemming verder. Ik
ken geen duidelijker bewijs voor de vijandige verhouding der
verschillende stammen, dan deze breede grensstrooken of onzijdige
gronden. Ofschoon Jemmy Button de sterkte van onzen troep wel kende,
was hij eerst niet geneigd onder den vijandigen stam die het dichtst
bij den zijnen woonde, aan land te gaan. Dikwijls vertelde hij ons
hoe de wilde mannen van Oens [193] "als de bladeren rood werden"
van de oostkust van Vuurland over het gebergte trokken, en invallen
deden bij de inboorlingen in dit gedeelte des lands. Hoogst belangrijk
was het hem gade te slaan als hij zoo sprak: dan glinsterden zijne
oogen en kreeg zijn gelaat eene ongewone en wilde uitdrukking. Toen
wij verder in het Beagle-kanaal kwamen, vertoonde het landschap
een ongewonen en zeer prachtigen aanblik; maar de indruk er van
werd zeer verzwakt door ons laag gelegen standpunt in eene boot,
en omdat wij langs de vallei keken, waardoor al de schoonheid die
eene opvolging van bergtoppen te zien geeft, verloren ging. De bergen
waren hier omtrent 3000 voet hoog, en eindigden in scherpe en getande
punten. Zij verrezen in eene onafgebroken rij uit den rand van het
water, en waren tot op eene hoogte van 1400 of 1500 voet met de somber
gekleurde wouden bedekt. Hoogstbelangwekkend was het te zien, hoe
zuiver horizontaal de lijn, tot waar de boomen ophielden te groeien,
langs de berghellingen liep; zij geleek volmaakt het hoogwatermerk
van drijfwier op eene zeekust.

Des nachts sliepen wij dicht bij het punt waar de Straat van Ponsonby
in het Beagle-kanaal valt. Eene kleine familie Vuurlanders, die in de
kreek woonde en uit rustige, vreedzame lieden bestond, schaarde zich
spoedig om ons vlammend wachtvuur. Wij waren goed gekleed, zaten dicht
bij het vuur en hadden het toch alles behalve warm; maar deze naakte
wilden, ofschoon verderaf staande, zagen wij tot onze verwondering
baden in hun zweet, toen zij den vuurgloed voelden. Zij schenen echter
wel in hun schik, en zongen allen in het koor onzer zeelieden mede;
maar de wijze waarop zij steeds daarbij wat achterbleven, was alleszins
vermakelijk.

Gedurende den nacht had het nieuws zich verspreid, en vroeg in den
morgen van den 23sten daagde een nieuwe troep op, behoorende tot
de Tekenika, of den stam van Jemmy. Vele van hen hadden zoo hard
geloopen, dat hunne neuzen bloedden, en door het snelle spreken het
schuim op hun mond kwam. Daarbij gevoegd de zwarte, witte en roode
beschilderingen op hunne naakte lichamen, geleken zij inderdaad een
troep duivels, die aan het vechten waren geweest. [194] Door 12 kano's,
in elk waarvan vier of vijf inboorlingen, vergezeld, zakten wij toen de
Straat van Ponsonby af, naar de plek waar de arme Jemmy zijne moeder
en bloedverwanten dacht te vinden. Reeds had hij gehoord, dat zijn
vader dood was; maar wijl hij daarvan reeds "een droom in het hoofd"
had gehad, scheen hij zich om dit punt niet te bekommeren, en troostte
hij zich telkens met de zeer natuurlijke gedachte: "Wij kunnen er
niets aan doen." Hij kon geen bijzonderheden over zijns vaders dood
te weten komen, daar zijne bloedverwanten er niet van wilden spreken.

Jemmy was nu in eene hem welbekende streek, en geleidde de booten
naar eene stille, schilderachtige kreek, Woollya genaamd, die
omringd was van eilandjes, waarvan elk zijn eigen oorspronkelijken
naam droeg. Wij vonden hier eene familie van Jemmy's stam, maar niet
zijne bloedverwanten; en nadat wij samen vriendschap hadden gesloten,
stuurden zij des avonds eene kano uit, om Jemmy's moeder en broeders
van zijne komst te verwittigen. De kreek werd door eenige acres
goed, glooiend terrein begrensd, dat niet zooals elders met veen
of woudboomen bedekt was. Zooals wij boven zeiden, had onze kapitein
aanvankelijk plan om York en Fuegia naar hun eigen stam aan de westkust
te brengen; daar zij echter den wensch uitdrukten hier te blijven en
de plek bijzonder gunstig was, besloten wij het geheele gezelschap,
waaronder den zendeling Matthews, hier te vestigen. Vijf dagen werden
besteed om drie groote wigwams voor hen te bouwen, hun goed aan land
te brengen, twee tuinen te spitten, en daarop te zaaien.

Den morgen na onze komst (24 Januari) keerden de Vuurlanders terug, en
brachten Jemmy's moeder en broeders mede. Jemmy herkende de stentorstem
van eene zijner broeders reeds op zeer grooten afstand. De ontmoeting
was minder belangwekkend dan tusschen een paard dat naar het veld
gebracht wordt, en een ouden makker dien het weêrziet. Geen enkel
vertoon van liefde of genegenheid: zij staarden eenvoudig elkander een
korte poos aan, en daarna ging de moeder onmiddellijk naar hare kano
kijken. Van York hoorden wij echter, dat de moeder over het verlies
van Jemmy ontroostbaar was geweest, en overal naar hem gezocht had,
meenende dat hij misschien was achtergelaten, toen men hem in de
boot had genomen. De vrouwen namen Fuegia goed op en waren zeer
vriendelijk tegen haar. Wij hadden reeds opgemerkt, dat Jemmy zijn
eigen taal bijna vergeten was. Ik geloof, dat er moeilijk iemand te
vinden zal zijn zoo weinig bespraakt als hij, want ook zijn Engelsch
was zeer onvolkomen. Belachelijk, maar tevens bedroevend was het hem
tot zijn wilden broeder in het Engelsch te hooren spreken, en dan in
het Spaansch (No sabe?) te vragen of deze hem niet verstond.

Gedurende de drie volgende dagen, toen de tuinen gespit en de wigwams
gebouwd werden, ging alles vreedzaam zijn gang. Wij schatten het
aantal inboorlingen op ongeveer 120. De vrouwen werkten hard, terwijl
de mannen den ganschen dag luierden en ons aangaapten. Zij vroegen om
al wat zij zagen en stalen wat zij konden. Zij hadden schik in ons
dansen en zingen, en keken met bijzondere belangstelling als wij in
een naburige beek ons wiesschen. Op andere dingen sloegen zij niet
veel acht, zelfs niet op onze booten. Onder al wat York tijdens zijne
afwezigheid uit zijn land zag, schijnt niets hem meer verwonderd te
hebben dan een struisvogel bij Maldonado. Ademloos van verbazing kwam
hij naar Bynoe, met wien hij wandelde, toeloopen onder den uitroep:

"O, Mr. Bynoe, o, vogel net een paard!"

Hoezeer onze blanke huid de inboorlingen ook verbaasde, was zulks,
naar Low verhaalt, veel erger het geval met een neger-kok aan boord
van een robbenvaarder; en de arme duivel werd zoo door hen toegetakeld
en uitgejouwd, dat hij nooit weer aan land wilde gaan.

Alles ging zoo rustig zijn gang, dat enkele officieren en ook ik lange
wandelingen deden op de omringende heuvels en in de bosschen. Maar op
den 27sten verdwenen plotseling alle vrouwen en kinderen. Wij waren
daarover geen van allen op ons gemak, wijl York noch Jemmy de reden
er van begrepen. Sommigen dachten, dat zij door het schoonmaken en
afvuren van onze geweren op den vorigen avond bang waren geworden;
anderen, dat het was toe te schrijven aan ergernis van een ouden
wilde, die, toen hem door den schildwacht gezegd was zich meer op
een afstand te houden, den man brutaal in het gezicht had gespuwd,
en toen door het maken van gebaren boven een slapenden Vuurlander
duidelijk had laten blijken (naar ons gezegd werd), dat hij onze
mannen in stukken wilde snijden en opeten. Om de kans op een treffen
te vermijden, dat voor vele Vuurlanders noodlottig zou geweest zijn,
achtte kapitein Fitz-Roy het raadzaam voor ons bij eene kreek eenige
mijlen verder te gaan slapen. Wat Matthews betrof, deze besloot met
de hem eigen kalme vastberadenheid (wel opmerkelijk in een man, die
schijnbaar weinig vastheid van karakter bezat) om bij de Vuurlanders
te blijven, die hunnerzijds geen onrust aan den dag legden. En zoo
lieten wij hem zijn eersten angstvollen nacht doorbrengen.

Toen wij den volgenden morgen (28 Januari) terugkeerden, vonden wij
tot onze vreugde allen in kalme stemming, en de mannen in hunne kano's
bezig met visch aan hunne speren te rijgen.

Kapitein Fitz-Roy besloot nu de sloep en een der walvischbooten naar
het schip terug te sturen, en met de twee andere booten--de eene
onder zijn eigen commando en waarin hij mij vriendelijk toestond
hem te vergezellen, de andere onder Hammond--verder te gaan, om de
westelijke gedeelten van het Beagle-kanaal op te meten, en daarna op de
terugreis de kolonie te bezoeken. Tot onze verwondering was het dien
dag brandend heet, zoodat onze huid er door geschroeid werd. Bij dit
schoone weder, was het uitzicht in het midden van het Beagle-kanaal
zeer merkwaardig. Waar men ook keek, hetzij rechts of links, geen
enkel voorwerp belemmerde het vrije vergezicht op dit lange kanaal
tusschen de bergen. Dat het een zeearm was, bleek zeer duidelijk
uit het feit, dat verscheidene groote walvisschen in verschillende
richtingen hunne waterstralen opspoten. [195] Eens zag ik twee dezer
monsters, waarschijnlijk een mannetje en wijfje, langzaam achter
elkander zwemmen, op minder dan een steenworps-afstand van den oever,
waarboven de beukeboom zijne takken uitstrekte.

Wij zeilden voort totdat het donker was, en sloegen toen in eene
stille kreek onze tenten op. Het was een groot buitenkansje, dat
wij een oever van kiezelsteenen voor onze legerstede vonden, want
deze waren droog en veerden onder het lichaam. Veengrond is vochtig;
eene rots is oneffen en hard, en zand dringt in het vleesch als dit op
zeemanswijze gekookt en gegeten wordt; maar lagen wij in onze wollen
dekenzakken op een goed bed van zachte kiezelsteenen, dan brachten
wij alleraangenaamste nachten door.

Ik had tot een uur de wacht. Er ligt iets plechtigs in deze woeste,
grootsche natuurtafereelen. Nooit beseft de geest zoo diep in welk
een afgelegen hoek der wereld ge u bevindt, als in die nachtelijke
uren. Alles werkt samen om dien indruk te verhoogen; de stilte om u
heen wordt slechts verbroken door de diepe ademhaling der matrozen
onder de tenten, en somtijds door het geschreeuw van een eenzamen
nachtvogel. Nu en dan herinnert u het geblaf van een hond in de verte,
dat dit het land van den wilde is.

[29 Januari.]

Vroeg in den morgen kwamen wij aan het punt, waar het Beagle-kanaal
zich in twee armen splitst: en wij voeren den noordelijken
binnen. Hier wordt het schouwspel zoo mogelijk nog grootscher dan
te voren. De hooge bergen aan de noordzijde vormen de graniet-as
of ruggegraat van het land, en verheffen zich fier tot eene hoogte
van tusschen de 3000 en 4000, één top zelfs tot ruim 6000 voet. Zij
zijn met een breeden mantel van eeuwige sneeuw bedekt, en tallooze
watervallen storten hunne stroomen door de wouden heen, in het enge
kanaal beneden. Op vele plaatsen strekken zich prachtvolle gletschers
langs de berghelling uit tot aan den rand van het water. Het is haast
niet mogelijk zich iets schooners te denken dan deze zeegroen-blauwe
gletschers, vooral in hunne tegenstelling met het doodsche wit der
hooger liggende sneeuwvlakte. De brokken, die van de gletschers in het
water waren gevallen, dreven weg; en dit kanaal, met zijne ijsbergen,
vertoonde eene mijl ver eene miniatuur-gelijkenis met de zeeën van
Noord- of Zuidpool. Toen op ons etensuur de booten aan land waren
gehaald, aanschouwden wij op eene halve mijl afstand een wondervollen
loodrechten ijswand. Verdiept in dit schouwspel, en vervuld van den
wensch, dat er eenige brokken zouden afvallen, kwam eindelijk zulk een
gevaarte met donderend geweld omlaag, en zagen wij terstond eene hooge
golf recht op ons afkomen. De matrozen snelden zoo spoedig zij konden
naar de booten aan den waterkant; want de kans, dat deze verbrijzeld
konden worden, bleek duidelijk. Een der matrozen greep juist de
boegen, toen de golfslag hem bereikte en onderstboven wierp, doch niet
bezeerde; en hoewel de booten driemaal op en neder werden geworpen,
kregen zij geen schade. Dit was een groot geluk voor ons; want wij
waren een honderd mijlen van het schip af en zouden, behalve de booten,
ook onze levensmiddelen en vuurwapenen kwijt geweest zijn. Te voren
had ik opgemerkt, dat eenige groote rotsblokken op den oever niet lang
geleden verplaatst waren geworden, maar begreep er de oorzaak niet van,
voordat ik deze golf zag. De eene zijde der kreek werd gevormd door een
uitlooper van mica-schiefer, het boveneind door een ijswand van circa
40 voet hoogte, en de andere zijde door een 50 voet hoog voorgebergte,
samengesteld uit groote ronde brokken graniet en mica-schiefer, waaruit
oude boomen groeiden. Dit voorgebergte was blijkbaar eene moraine,
opgehoopt in een tijd, toen de gletscher grootere afmetingen had.

Toen wij de westelijke monding van dezen noordelijken arm van het
Beagle-kanaal bereikten, zeilden wij tusschen tal van onbekende
en eenzame eilanden, terwijl het weder afschuwelijk slecht
was. Inboorlingen ontmoetten wij niet meer. De kust was bijna overal
zoo steil, dat wij dikwijls vele mijlen ver moesten zeilen, voordat
wij ruimte genoeg konden vinden voor het opslaan van onze tenten. Eén
nacht sliepen wij op groote ronde rotsblokken met rottend zeewier er
tusschen; en toen de vloed opkwam, moesten wij in aller ijl opstaan
en onze dekenzakken verleggen. Het eerste punt, dat wij in westelijke
richting bereikten, was Stewart-Eiland, op een afstand van omstreeks
150 mijlen van ons schip. Wij keerden door den zuidelijken arm van
het Beagle-kanaal terug, en voeren hierna zonder verder avontuur naar
de Straat van Ponsonby.

[6 Februari.]

Bij onze aankomst te Woollya, deed Matthews ons zulk een ongunstig
verhaal van de houding der inboorlingen, dat kapitein Fitz-Roy besloot
hem naar de Beagle terug te brengen. Later werd hij op Nieuw-Zeeland
achtergelaten, waar zijn broeder zendeling was. Sedert het oogenblik
van ons vertrek, was door de Vuurlanders eene geregelde plundering
begonnen; en telkens kwamen nieuwe benden aan. York en Jemmy verloren
tal van voorwerpen, en Matthews bijna alles wat niet onder den grond
verborgen was. Elk voorwerp scheen door de Vuurlanders gebroken,
gescheurd en verdeeld te zijn. Matthews beschreef hoe doodelijk
vermoeiend het was voortdurend de wacht te moeten houden; nacht en
dag was hij door de inboorlingen omringd, die hem trachtten af te
matten, door onophoudelijk geluiden bij zijn oor te maken. Eens toen
Matthews een ouden man gevraagd had zijn wigwam te verlaten, keerde
deze onmiddellijk met een grooten steen in de hand terug. Op een
anderen dag kwam eene geheele bende met steenen en stokken gewapend,
zoodat enkele inboorlingen van Jemmy's stam, en ook zijn broeder het
uitschreeuwden van angst. Matthews bewoog hen toen met geschenken
tot den aftocht. Eene andere bende wees met teekens, dat zij hem
naakt wilden uitkleeden, en dan alle haren uit zijn baard en lichaam
plukken. Ik geloof, dat wij juist tijdig genoeg kwamen om zijn leven
te redden.

Jemmy's bloedverwanten waren ijdel en dwaas genoeg om hun buit aan de
onzen te laten zien, en te wijzen hoe zij die gekregen hadden. Het
was een pijnlijke gedachte onze drie Vuurlanders bij hunne wilde
landgenooten achter te laten, hoewel het een groote troost was, dat
zij persoonlijk geen vrees hadden. York, een krachtig, vastberaden man,
was er volkomen zeker van, dat het hem en zijne vrouw Fuegia goed zou
gaan. De arme Jemmy keek wel wat moedeloos; en ik twijfel er haast
niet aan, of hij zou blijde geweest zijn, indien hij met ons had kunnen
terugkeeren. Zijn eigen broeder had hem vele dingen ontstolen; daarom
schold hij op zijne landgenooten: "Wat manier is dat? Allemaal slechte
menschen; weten niets; verdoemde gekken!"--Als hij zoo boos was,
vloekte hij, ofschoon ik hem vroeger nooit had hooren vloeken. Hoewel
onze drie Vuurlanders slechts drie jaren onder beschaafde menschen
hadden geleefd, weet ik zeker, dat zij blijde zouden geweest zijn,
indien zij hunne nieuwe leefwijze hadden mogen behouden; maar dit
was natuurlijk onmogelijk. Ik vrees, dat het meer dan twijfelachtig
is of hun bezoek in den vreemde hun van eenig nut is geweest.

Met Matthews aan boord gingen wij des avonds onder zeil, en keerden,
niet door het Beagle-kanaal, maar langs de zuidkust naar het
schip terug. De booten waren zwaar geladen, en dit gevoegd bij eene
onstuimige zee, bezorgde ons een gevaarlijken tocht. Op den avond van
den 7den waren wij aan boord van de Beagle, na eene afwezigheid van
20 dagen, gedurende welke wij een afstand van 300 mijlen in de open
booten hadden afgelegd. Op den 11den bracht onze kapitein alleen een
bezoek aan de Vuurlanders, vond hen welvarend, en hoorde, dat hun
sedert zijn vorig bezoek weinig dingen meer ontstolen waren.

Op den laatsten dag in Februari van het volgende jaar (1834) ankerde de
Beagle in eene schilderachtige kleine kreek aan den oostelijken ingang
van het Beagle-kanaal. Hier besloot kapitein Fitz-Roy de stoute en,
zooals bleek welgeslaagde poging te doen om tegen de westenwinden in
denzelfden koers te nemen, dien wij vroeger in booten naar de kolonie
bij Woollya hadden gevolgd. Wij zagen niet veel inboorlingen, totdat
wij bij de Straat van Ponsonby waren, waar wij door tien of twaalf
kano's vergezeld werden. De inboorlingen begrepen volstrekt de reden
niet van ons laveeren; en in plaats van ons bij elken boegslag te
gemoet te gaan, poogden zij vruchteloos ons in onzen zigzag-koers
te volgen. Het vermaakte mij toen ik het verschil in belangstelling
opmerkte, waarmede men deze wilden ziet, en dat een gevolg is van
de omstandigheid, dat men hun volstrekt meerdere is in kracht. Toen
ik in de booten was, haatte ik het geluid hunner stemmen, om de
onrust die dit bij ons verwekte. Het eerste en laatste woord was:
Yammerschooner. Bij het binnenvaren van eene kleine stille kreek,
keken wij rond, in de hoop een rustigen nacht door te brengen; maar
dan klonk het hatelijke woord Yammerschooner schril uit een donkeren
hoek der wildernis, en kronkelden de rookwolkjes omhoog, als seinen
om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Bij het verlaten van
eene plaats, zeiden wij tot elkander: "Goddank, dat wij eindelijk
geheel van die ellendelingen afkomen!" en zie: andermaal trof de
zwakke echo van eene daverende stem heel uit de verte onze ooren,
en konden wij duidelijk onderscheiden: Yammerschooner! Maar nu: hoe
meer Vuurlanders, des te grappiger; en inderdaad, het ging zeer jolig
toe. Beide partijen lachten, en gaapten elkander verwonderd aan; wij
beklaagden hen, dat zij ons goede visschen en kreeften gaven in ruil
voor lappen en dergelijke; zij juichten om het buitenkansje lieden
te vinden, dwaas genoeg om zulke prachtige versieringen tegen een
hapje eten te ruilen. Hoogst vermakelijk was het den ongekunstelden,
vergenoegden glimlach te zien, waarmede eene jonge vrouw met zwart
geschilderd gelaat, verscheidene stukken vuurrood doek met biezen om
haar hoofd bond. Haar man, die het in dit land zeer algemeene voorrecht
genoot van twee vrouwen te bezitten, was blijkbaar jaloersch op al de
attentie die zijne jonge vrouw bewezen werd; en na een lang beraad met
zijne naakte schoonheden, werd hij eindelijk door dezen weggepagaaid.

Sommige Vuurlanders bewezen duidelijk, dat zij een goed begrip van
ruiling hadden. Ik gaf een man een grooten spijker (deze gold voor
een kostbaar geschenk), zonder daarbij een teeken te geven, dat ik
er iets voor terug wilde hebben; doch onmiddellijk pikte hij twee
visschen op en overhandigde mij die op de punt van zijn speer. Was
een of ander geschenk voor eene bepaalde kano bestemd, en viel het
bij eene andere in het water, dan werd het steeds aan den rechten
eigenaar gegeven. De Vuurlandsche jongen, dien Mr. Low aan boord
had, bewees door zijn heftige uitbarsting van drift, dat hij het hem
gedane verwijt van een leugenaar te zijn (gelijk hij ook inderdaad
was), volkomen begreep. Wij waren ditmaal, evenals bij alle vroegere
gelegenheden, zeer verwonderd over de weinige, of liever het volslagen
gebrek aan aandacht, die voor vele dingen getoond werd, waarvan de
inboorlingen het nut toch moeten hebben ingezien. Eenvoudige zaken,
zooals helder vuurrood doek of blauwe knoopen, de afwezigheid van
vrouwen op ons schip, onze zorg om ons te wasschen, wekten veel meer
hunne bewondering dan een groot of samengesteld voorwerp, zooals een
schip. Bougainville heeft omtrent deze lieden terecht opgemerkt, dat:
"ils traitent les chefs-d'oeuvre de l'industrie humaine, comme ils
traitent les loix de la nature et ses phénomènes."

Op den 5den Maart ankerden wij in de kreek bij Woollya, doch zagen hier
geen levende ziel. Dit maakte ons ongerust, want de inboorlingen in
de Straat van Ponsonby toonden door gebaren dat zij gevochten hadden;
en later hoorden wij, dat de geduchte mannen van Oens de bergen waren
afgedaald. Weldra zagen wij eene kano met eene kleine wapperende
vlag naderen; en een der inzittenden wiesch zich de verf van het
gelaat. Deze was de arme Jemmy--thans een magere, woest uitziende
wilde, met lange, verwarde haren, en geheel naakt, behalve een lap van
een wollen deken om het midden. Wij herkenden hem niet, voordat hij
dicht bij ons was, want hij schaamde zich over zichzelf, en keerde zijn
rug naar het schip. Welgedaan, dik, zindelijk en goed gekleed hadden
wij hem achtergelaten: nooit zag ik zulk een pijnlijke en algeheele
verandering. Zoodra hij echter gekleed en de eerste verwarring voorbij
was, kreeg alles een beter aanzien. Des middags at hij met kapitein
Fitz-Roy, en gebruikte zijn maal even netjes als vroeger. Hij zeide
ons, dat hij "te veel" (daarmede bedoelde hij "genoeg") te eten had;
dat hij geen koude leed; dat zijne bloedverwanten zeer goede menschen
waren, en dat hij niet naar Engeland wilde terugkeeren. Des avonds
ontdekten wij de oorzaak van dien grooten omkeer in Jemmy's gevoelens,
door de komst van zijn jong en aardig uitziend vrouwtje. Met zijne
gewone goedhartigheid bracht hij voor twee zijner beste vrienden
twee fraaie ottervellen mee, en voor den kapitein eenige eigenhandig
gemaakte speerpunten en pijlen. Hij zeide, dat hij eene kano voor
eigen gebruik gemaakt had, en pochte er op, dat hij wat van zijne
eigene taal kon spreken! Maar hoogst zonderling is het feit, dat
hij zijn geheelen stam wat Engelsch schijnt geleerd te hebben,
waaronder ook een ouden man, die de komst der jonge vrouw op eigen
houtje met: "Jemmy Button's wife" aankondigde. Jemmy had al wat hij
bezat verloren. Hij vertelde ons, dat York Minster eene groote kano
had gebouwd, en verscheidene maanden geleden met zijne vrouw Fuegia
naar zijn eigen land was gegaan, en dat zijn afscheid nemen door eene
uiterst laaghartige daad gevolgd was. [196] Hij had Jemmy en zijne
moeder overgehaald om hem te vergezellen; had hen onderweg des nachts
verlaten, en elk voorwerp, dat hij bezat, ontstolen.

Jemmy sliep aan het strand, keerde des morgens terug, en bleef aan
boord totdat het schip de ankers lichtte. Dit maakte zijne vrouw zoo
beangst, dat zij overluid bleef schreeuwen, tot hij in zijne kano
kwam. Hij keerde met verscheidene voorwerpen beladen, terug. Allen
aan boord deed het van harte leed hem voor het laatst de hand te
moeten drukken. Ik twijfel niet of hij zal nu even gelukkig zijn
als, ja wellicht gelukkiger dan wanneer hij nooit zijn land had
verlaten. Ieder zal zeker oprecht hopen, dat de edele wensch van
kapitein Fitz-Roy vervuld moge worden, en dat, als loon voor de vele
edelmoedige offers die hij zich voor deze Vuurlanders getroostte,
een in de wilde wateren dezer ruwe gewesten verongelukt zeeman
bescherming zal vinden bij het nageslacht van Jemmy Button en zijn
stam!... Toen Jemmy den oever bereikte, ontstak hij een seinvuur; en
de rook daarvan kronkelde opwaarts om een laatst en lang vaarwel toe te
wuiven, toen het schip zijn aangewezen koers door het ruime sop begon.



De volkomen gelijkheid onder de individuën, waaruit de
Vuurlandsche stammen bestaan, moet hunne beschaving geruimen
tijd in den weg staan. Evenals wij dieren, wier instinct hen
tot een maatschappelijk leven en gehoorzaamheid aan een hoofd
drijft, het meest voor ontwikkeling vatbaar zien, zoo is het ook
met de rassen der menschheid. Hetzij wij het als oorzaak of als
gevolg beschouwen--de meer beschaafden hebben altijd de kunstigst
samengestelde regeeringen. De bewoners van Otaheite, bijv., die bij
de eerste ontdekking door erfkoningen geregeerd werden, waren tot
een veel hoogeren trap geklommen, dan eene andere tak van hetzelfde
volk--de Nieuw-Zeelanders, die, ondanks het voorrecht dat zij hunne
aandacht aan den landbouw moesten schenken, republikeinen waren in
den meest absoluten zin. Niet voordat in Vuurland een hoofd opstaat,
die voldoende macht bezit om eenig verkregen voordeel, zooals de
huisdieren, te beschermen, schijnt het haast niet mogelijk, dat de
staatkundige toestand van dat land kan worden verbeterd. Thans wordt
zelfs een stuk laken, dat men een hunner geeft, in reepjes gescheurd en
verdeeld; en geen enkel individu wordt rijker dan de overigen. Aan den
anderen kant laat zich moeilijk begrijpen, hoe een hoofd kan opstaan,
voordat er eene soort van eigendom is, waardoor hij zijne meerderheid
kan toonen en zijne macht uitbreiden.

Ik geloof, dat de mensch in dit uiterste gedeelte van Zuid-Amerika
op een lageren trap van ontwikkeling staat, dan in een ander deel
der wereld. De inboorlingen der beide rassen, die de eilanden in
de Stille Zuidzee bevolken, zijn betrekkelijk beschaafd. De Eskimo
in zijne ondergrondsche hut, geniet eenige levensgemakken, en legt
in zijne goed uitgeruste kano veel vaardigheid aan den dag. Enkele
stammen van Zuid-Afrika, die rondzwerven om wortels te zoeken,
en verscholen in de woeste en dorre vlakten leven, staan op een
vrij lagen trap van ellende. Het dichtst bij den Vuurlander, wat de
eenvoudigheid van het kunstleven betreft, staat de Australiër; maar
deze kan zich nog verheffen op zijn boemerang, [197] zijne speer en
werpstok; zijne manier om in de boomen te klimmen, de voetsporen van
dieren te volgen, en op zijn jagen. Al moge de Australiër echter in
vaardigheid en kennis de meerdere zijn, zoo volgt daaruit geenszins,
dat hij ook in geestesgaven boven de Vuurlanders staat; en werkelijk,
naar hetgeen ik van onze drie wilde metgezellen aan boord zag, en
naar wat ik van de Australiërs gelezen heb, zou ik denken dat juist
het omgekeerde het geval was. [198]



HOOFDSTUK XI.

DE STRAAT VAN MAGELHAEN.--HET KLIMAAT DER ZUIDELIJKE KUSTEN.


Op het einde van Mei 1834 voeren wij de oostelijke monding der Straat
van Magelhaen voor de tweede maal binnen. Het land aan weerszijden
van dit gedeelte der Straat bestaat uit bijna effen vlakten, evenals
die in Patagonië. Kaap Negro, even binnen de tweede Engte gelegen, kan
beschouwd worden als het punt waar het land de duidelijke kenmerken van
Vuurland begint aan te nemen. Aan de oostkust, zuidelijk van de Straat,
verbindt evenzoo een parkachtig landschap deze twee in bijna alle
kenmerken lijnrecht van elkaar verschillende landen. Het is werkelijk
verrassend binnen eene ruimte van 20 mijlen zulke veranderingen in
het landschap te vinden. Nemen wij een wat grooteren afstand, zooals
tusschen Port Famine en Kaap Gregory--dat is ongeveer 60 mijlen--dan is
het verschil nog verwonderlijker. Op de eerste plaats vinden wij ronde
bergen, verborgen achter ondoordringbare wouden, die doorweekt zijn
van de door telkens wederkeerende stormen aangebrachte regens. Bij
Kaap Gregory, daarentegen, welft zich een heldere en blauwe lucht
boven de droge, onvruchtbare vlakten. [199] Ofschoon de snelle,
onstuimige luchtstroomen binnen geen waarneembare grenzen beperkt
zijn, schijnen zij toch, evenals eene rivier in hare bedding, een
regelmatig bepaalden loop te volgen.

Bij ons vorig bezoek (in Januari) hadden wij bij Kaap Gregory eene
ontmoeting met de vermaarde en zoogenaamd reusachtige Patagoniërs, die
ons eene hartelijke ontvangst bereidden. Hunne lengte schijnt grooter
dan zij inderdaad is, ten gevolge van hunne groote guanaco-mantels,
hun lang golvend haar, en hun voorkomen in 't algemeen. Gemiddeld
is hunne lengte omstreeks zes voet; sommige mannen zijn grooter,
doch maar weinige kleiner. [200] Ook de vrouwen zijn lang; en over
het geheel zijn zij stellig het grootste menschenras, dat wij ooit
zagen. In hunne gelaatstrekken gelijken zij treffend op de noordelijker
wonende Indianen, die ik bij Rosas zag; alleen hebben zij een woester
en vervaarlijker voorkomen; hunne aangezichten waren dik met rood en
zwart beschilderd, en één man had witte kringen en vlekken, evenals
een Vuurlander. Kapitein Fitz-Roy bood aan om drie hunner aan boord
te nemen, en allen schenen gezind om tot dit drietal te behooren. Lang
duurde het eer wij de anderen uit de boot hadden; maar eindelijk kwamen
wij met onze drie reuzen aan boord, die met den kapitein aten en zich
als gentlemen gedroegen, daar zij zich van lepel, mes en vork wisten
te bedienen. Niets smaakte hun zoo goed als suiker. Deze stam komt
zoo dikwijls met robbenjagers en walvischvaarders in aanraking, dat
de meeste mannen wat Engelsch en Spaansch kunnen spreken. Zoodoende
zijn zij half beschaafd, en gedeeltelijk van hunne zeden vervreemd.

Den volgenden morgen ging eene kleine afdeeling aan land, om eenige
onzer artikelen tegen huiden en struisvederen te ruilen; vuurwapenen
werden geweigerd, maar tabak werd het meest gevraagd, veel meer dan
bijlen of gereedschappen. De geheele bevolking der toldo's, mannen,
vrouwen en kinderen stond op den oever geschaard. Het was een aardig
tooneel; en onwillekeurig kreeg men schik in deze zoogenaamde reuzen
om hunne welgemeende goedhartigheid en onbevangen aard. Zij vroegen
ons terug te komen. Het schijnt, dat zij gaarne met Europeanen omgaan;
want de "Oude Maria," eene vrouw van beteekenis in den stam, vroeg eens
aan Low om eenige zijner matrozen bij hen achter te laten. Zij brengen
het grootste gedeelte van het jaar hier door; maar in den zomer jagen
zij langs den voet der Cordilleras, en strekken soms hunne tochten
750 mijlen ver noordwaarts tot aan de Rio Negro uit. Van paarden zijn
zij wel voorzien, want volgens Low bezit elk man er zes of zeven,
terwijl alle vrouwen, en zelfs kinderen, hun eigen paard hebben. In
den tijd van Sarmiento [201] hadden deze Indianen bogen en pijlen,
welke nu sedert lang niet meer gebruikt worden; ook bezaten zij eenige
paarden. Dit is een zeer merkwaardig feit, omdat het de buitengewoon
snelle vermenigvuldiging van paarden in Zuid-Amerika bewijst. Het
paard werd in 1537 te Buenos Aires voor het eerst aan land gezet;
en daar de kolonie toen eenigen tijd verlaten was, liepen de paarden
in het wild. [202] Slechts 43 jaren later, in 1580, hooren wij van
hen in de Straat van Magelhaen! Low bericht mij, dat een naburige
stam van Indianen te voet thans in bereden Indianen verandert; de
stam bij Kaap Gregory geeft hun zijn afgereden paarden, en stuurt in
den winter eenige zijner bekwaamste mannen uit om versche te vangen.

[1 Juni.]

Wij ankerden in de fraaie baai, die Port Famine of Hongerhaven
heet. [203] Het was nu in het begin van den winter, en nooit zag ik
een droefgeestiger landschap dan hier: de mistige dampkring was met
een fijnen stofregen bezwangerd, waardoor de sombere wouden met hunne
bontgekleurde sneeuw zich slechts onduidelijk lieten onderscheiden. Wij
waren echter zoo gelukkig twee dagen mooi weêr te hebben; en op een
dezer bood de verwijderde, 6800 voet hooge berg Sarmiento een zeer
fraai schouwspel. Gedurende mijn verblijf in Vuurland was ik meermalen
verrast geweest over de schijnbaar geringe hoogte van werkelijk hooge
bergen. Ik vermoed, dat dit aan eene oorzaak is toe te schrijven,
waarop men niet dadelijk zou zinnen, namelijk: dat de berg van den top
tot aan den rand van het water meestal in zijn geheel zichtbaar is. Ik
herinner mij een berg gezien te hebben: eerst uit het Beagle-kanaal,
waar het geheele oppervlak van den top tot aan den voet te zien was,
en toen uit de Straat van Ponsonby over verschillende opvolgende
bergruggen. Daar in het laatste geval elke nieuwe rug nieuwe middelen
verschafte om over den afstand te oordeelen, was het verrassend op
te merken hoe de berg in hoogte steeg.

Voordat wij Port Famine bereikten, snelden twee mannen langs het
strand en praaiden het schip. Wij zonden eene boot op hen af, en het
bleek toen dat zij twee matrozen waren, die van een robbenvaartuig
waren weggeloopen en zich bij de Patagoniërs hadden gevoegd. Deze
Indianen hadden hen met hunne gewone belangelooze gastvrijheid
behandeld. Ongelukkig waren zij van hen afgedwaald en toen naar Port
Famine geloopen, in de hoop hier een schip te vinden. Ik durf zeggen,
dat deze zwervers echte deugnieten waren; maar nooit zag ik zulke
ellendige vagebonden als nu. Zij hadden eenige dagen van mosselschalen
en bessen geleefd, en hunne gescheurde kleederen waren door het te
dicht bij het vuur slapen verbrand. Dag en nacht hadden zij zonder
eenige beschutting blootgestaan aan aanhoudende stormen met regen,
sneeuw en ijzel; maar ondanks alles waren zij gezond.

Tijdens ons verblijf te Port Famine kwamen de Vuurlanders ons tweemaal
lastig vallen. Daar vele van onze mannen met instrumenten en kleederen
aan wal waren, achtten wij het noodig de inboorlingen door vrees te
verjagen. De eerste maal werden enkele groote kanonnen afgevuurd, toen
de inboorlingen ver af waren. Het was zeer belachelijk, toen wij door
een verrekijker de Indianen bij elk schot dat het water trof, steenen
zagen oprapen en met een trotsche uitdaging naar het schip werpen,
hoewel dit anderhalve mijl ver lag! Nu werd eene boot uitgezonden,
met bevel om op verren afstand enkele geweerschoten te lossen. De
Vuurlanders verscholen zich achter de boomen, en schoten na elk salvo
hunne pijlen af; maar geen van die pijlen bereikte de boot. Toen de
officier hen lachend daarom uitjouwde, werden de Vuurlanders razend van
drift, en zwaaiden in machtelooze woede hunne mantels. Dan, nauwelijks
zagen zij de kogels de boomen treffen en doorboren, of zij liepen weg,
en werden wij verder met rust en vrede gelaten. Op de eerste reis waren
de Vuurlanders hier zeer lastig, en werd, om hen bang te maken, des
nachts een vuurpijl boven hunne wigwams afgeschoten, die volkomen doel
trof. Een der officieren vertelde mij, dat het getier hetwelk zij eerst
maakten, en het geblaf der honden eene koddige tegenstelling vormden
met de diepe stilte, die een of twee minuten later heerschte. Den
volgenden morgen was geen enkele Vuurlander meer in de nabijheid.

Toen de Beagle hier in de maand Februari was, ging ik op zekeren
morgen te 4 ure uit om Mount Tarn te bestijgen, die 2600 voet meet
en het hoogste punt is in dit naburige district. Wij gingen in een
boot naar den voet van den berg (maar ongelukkig niet naar het beste
gedeelte), en vingen toen onze beklimming aan. Het woud begint bij de
hoogwater-lijn, en in de eerste twee uren gaf ik alle hoop den top
te zullen bereiken op. Zoo dicht was de wildernis, dat wij telkens
onze toevlucht moesten nemen tot het kompas; want ofschoon wij ons in
een bergachtig land bevonden, was elk baken geheel uitgesloten. De
diepe ravijnen boden een tooneel van doodsche verlatenheid, welke
alle beschrijving te boven ging; daar buiten woedde een storm, maar
in deze diepten bewoog geen zuchtje zelfs de bladeren van de hoogste
boomen. Zoo donker, koud en nat was elke plek, dat er zelfs geen
mossen, varens of paddenstoelen konden groeien. In de dalen was het
bijna onmogelijk voort te kruipen, daar zij volkomen versperd waren
met groote vergane stammen, die in alle richtingen op den grond
lagen. Als men over deze natuurlijke bruggen heen liep, zonken de
beenen dikwijls tot de knieën in het verrotte hout; andere keeren,
als men tegen een vasten boom trachtte te leunen, ontdekte men tot
zijn schrik, dat deze geheel uit vergane stof bestond, die bij de
minste aanraking in elkander viel. Eindelijk bevonden wij ons onder
de laagstammige boomen, en bereikten nu weldra den naakten bergrug,
die ons naar den top voerde. Hier ontrolde zich een panorama, dat de
kenmerken van Vuurland vertoonde: onregelmatige bergketenen, bezaaid
met vlekken sneeuw; diepe geelgroene dalen, en zeearmen die het land in
talrijke richtingen doorsneden. Er woei een krachtige, snerpend koude
wind; en daar bovendien de lucht wat dampig was, bleven wij niet lang
op den top van den berg. Onze nederdaling was lang zoo moeilijk niet
als de beklimming, omdat het gewicht van het lichaam een doortocht
baande, en elke val of uitslipping in de juiste richting geschiedde.



Reeds heb ik gesproken van het sombere en doodsche karakter dier altijd
groene wouden, waarin, met uitsluiting van alle andere, slechts drie
boomsoorten groeien. [204] Boven de woudstreek zijn vele dwergachtige
Alpenplanten, [205] welke alle uit den veenbodem ontspruiten en
dezen helpen vormen. Die planten zijn zeer merkwaardig om hare nauwe
verwantschap met de soorten, die op de zoo vele duizenden mijlen ver
gelegen bergen van Europa groeien. Het middengedeelte van Vuurland,
waar de leemschiefer-formatie optreedt, is voor den boomgroei het
gunstigst; aan de kuststreken laten de armere granietbodem en de
meerdere blootgesteldheid aan de hevige winden niet toe, dat de
boomen eene aanzienlijke hoogte bereiken. Nabij Port Famine heb ik
meer hooge boomen gezien dan elders; ik mat hier een Drymis Winteri
van vier voet zes inches in omtrek, en verscheidene beuken bereikten
er een van dertien voet. Kapitein King spreekt zelfs van een beuk,
die 17 voet boven de wortels eene middellijn had van zeven voet.

Er is een plantaardig product, dat om zijne beteekenis als
voedingsmiddel voor de Vuurlanders onze aandacht verdient. Het
is een bolvormige, lichtgele zwam of paddenstoel, die in grooten
getale op de beukenboomen groeit. In zijn jeugd is deze paddenstoel
veerkrachtig en gezwollen, en heeft hij eene gladde oppervlakte; maar
rijp geworden, krimpt hij in, wordt taaier, en vertoont aan zijne
geheele oppervlakte diepe groeven of honigraten. Deze paddenstoel
behoort tot een nieuw en zeldzaam geslacht; eene tweede soort vond ik
op eene andere soort beukeboomen in Chili; en nu bericht Dr. Hooker
mij, dat onlangs op eene derde soort beukeboomen in Van-Diemensland
eene derde soort ontdekt is geworden. [206] Hoe zonderling is deze
verwantschap tusschen parasiteerende paddenstoelen en de boomen
waarop zij groeien, in afgelegen deelen der wereld! In Vuurland wordt
deze paddenstoel in taaien en rijpen staat in groote hoeveelheden
door de vrouwen en kinderen verzameld, en ongekookt gegeten. Hij
beeft een slijmerigen, flauw zoeten smaak, met een zwakken reuk
van kampernoelje. Met uitzondering van enkele bessen--voornamelijk
van den dwergachtigen Arbutus--eten de inboorlingen buiten dezen
paddenstoel geen plantaardig voedsel. In Nieuw-Zeeland werden,
vóor het invoeren van den aardappel, de wortels van het varenkruid
in groote hoeveelheden gebruikt. Tegenwoordig is Vuurland, naar ik
geloof, het eenige land ter wereld, waar eene kryptogamische plant
een hoofdvoedingsmiddel uitmaakt.

Zooals wij uit den aard van zijn klimaat en plantenrijk mochten
verwachten, is de dierenwereld van Vuurland zeer arm. Van Zoogdieren
zijn er, behalve walvisschen en robben, eene vleermuis, eene soort
muis (Reithrodon chinchilloides); twee echte muizen; een aan den
tucutuco verwante of daarmede gelijkstaande Ctenomys; twee vossen
(Canis Magellanicus en Canis Azarae); een zeeotter; het guanaco en
een hert. De meeste dezer dieren bewonen alleen de droge oostelijke
gedeelten van het land, en het hert is nooit ten zuiden der
Straat van Magelhaen gezien. Let men op de algemeene overeenkomst
in de oeverrotsen van zachten zandsteen, modder en keisteenen aan
weerszijden der Straat en op eenige tusschenliggende eilanden, dan is
men sterk geneigd te gelooven, dat het land eens met elkaar verbonden
was, waardoor zulke kleine en hulpelooze dieren als de tucutuco en
reithrodon den overtocht konden doen. De overeenkomst in de klippen
bewijst echter zoodanige verbinding op verre na niet, omdat zulke
klippen meestal gevormd worden door de snijding van hellende lagen,
die vóór de landrijzing bij de toen bestaande stranden opgehoopt
waren. Het treft intusschen merkwaardig, dat van de twee groote
eilanden, die het Beagle-kanaal van het overige deel van Vuurland
afsnijdt, het eene klippen heeft, bestaande uit eene stof die men
gelaagd alluvium zou kunnen noemen, en overeenkomende met die aan de
overzijde van het kanaal, terwijl het andere eiland uitsluitend door
oud kristallijn gesteente begrensd wordt. Op het eerste eiland, Navarin
geheeten, komen vossen en guanaco's voor, maar op het andere eiland,
Hoste, worden, naar wat Jemmy mij gezegd heeft, geen dezer dieren
gevonden, ofschoon het in elk opzicht met het eerste overeenkomt,
en slechts door een kanaal van iets meer dan een halve mijl breedte
er van gescheiden is.

De donkere bosschen worden door enkele vogels bewoond. Nu en dan hoort
men den klaagtoon van een wit-gekuifden Tyran (Myiobius albiceps),
[207] die zich in de toppen der hoogste boomen verbergt; en zeldzamer
nog den luiden, zonderlingen kreet van een zwarten specht met fraaien
scharlaken kam op het hoofd. Een klein donkerkleurig winterkoninkje
(Scytalopus Magellanicus) huppelt met loerenden gang door den bajert
van omgevallen en rottende stammen. Maar de meest voorkomende
vogel in het land is de boomlooper (Oxyurus tupinieri). Overal
in de beukenwouden, hoog in 't gebergte en dicht bij den voet,
in de donkerste, vochtigste en ongenaakbaarste ravijnen kan men
hem ontmoeten. Deze kleine vogel schijnt ongetwijfeld talrijker dan
werkelijk het geval is; men moet dit toeschrijven aan zijne gewoonte
om uit blijkbare nieuwsgierigheid den vreemdeling te volgen, die deze
stille bosschen betreedt; onder een voortdurend wanluidend getjilp
fladdert hij van den eenen boom naar den anderen, slechts enkele voeten
van het gezicht des indringers. Hij zoekt allerminst die bescheiden
afzondering van den waren boomlooper (Certhia familiaris). Ook
loopt hij niet, zooals deze vogel, tegen de stammen der boomen op,
maar huppelt op de manier van een wilgensijsje rond, en zoekt op
elken tak of twijg insecten. In de meer open streken komen voor:
drie of vier soorten vinken; een lijster; eene spreeuw (of Icterus);
twee Opetiorhynchi, benevens verscheidene havikken en uilen.

Het ontbreken van alle soorten, die tot de klasse der Kruipende Dieren
behooren, is een kenmerkend verschijnsel in de Fauna van dit land,
evenals in die der Falklands-Eilanden. Ik grond dit getuigenis niet
uitsluitend op eigen waarneming, doch vernam het van de Spaansche
bewoners der laatstgenoemde eilanden, en van Jemmy Button, voor
zoover Vuurland betrof. Aan de oevers der Santa Cruz op 50° Z.B. zag
ik een kikvorsch, en het is niet onwaarschijnlijk, dat deze dieren,
alsook hagedissen, zuidelijk tot de breedte der Straat van Magelhaen
gevonden worden, waar het land het karakter van Patagonië behoudt;
maar binnen de vochtige en koude zone van Vuurland komt geen enkele
voor. Dat het klimaat niet geschikt zou zijn voor enkele Orden, zooals
de hagedissen, was wel te voorzien; maar wat de kikvorschen betrof,
was dit niet zoo duidelijk.

Kevers (Coleoptera) vindt men in zeer klein aantal; en lang duurde
het eer ik kon gelooven, dat een land bijna zoo groot als Schotland,
[208] bedekt met plantvoortbrengsels en in het bezit van afwisselende
verblijfplaatsen, zoo onvruchtbaar kon zijn. De enkelen, die ik vond,
waren Alpen-soorten (Harpalidae en Heteromidae), welke onder steenen
leven. De plantenetende Chrysomelidae, waardoor de keerkringen
zich zoo bijzonder kenmerken, ontbreken hier bijna geheel. [209]
Ik zag zeer weinig vliegen, kapellen of bijen, en geen krekels
(Gryllidae) of Orthoptera. In de waterpoelen vond ik slechts enkele
waterkevers en geen zoetwaterschelpdieren: want hoewel Succinea op
het eerste gezicht eene uitzondering schijnt te maken, moet het hier
een landschelpdier zijn, daar het ver van het water in het vochtige
gras leeft. Landschelpdieren konden alleen op dezelfde hooggelegen
plaatsen worden gevonden, als waar de kevers zijn. Reeds heb ik op
de tegenstelling tusschen Vuurland en Patagonië gewezen, zoowel wat
klimaat als algemeen voorkomen betreft; en een sprekend voorbeeld van
dit verschil levert de insectenkunde. Ik geloof niet dat zij ééne
soort gemeen hebben; en het algemeen kenmerk der insecten is zeker
geheel verschillend.

Gaande van het land naar de zee, zullen wij de laatste even dicht
met levende wezens bevolkt vinden, als het eerste arm daaraan is. In
alle deelen der wereld herbergt een rotsachtig en gedeeltelijk beschut
strand binnen eene gegevene ruimte wellicht een grooter aantal wezens,
dan elke andere verblijfplaats. Er bestaat een zeeproduct, dat om
zijne belangrijkheid eene bijzondere bespreking verdient. Het is de
kelp of Macrocystis pyrifera. Deze plant groeit op elke rots vanaf
het laagwatermerk tot op eene groote diepte, zoowel aan de buitenkust
als binnen de kanalen. [210] Ik geloof, dat er op de reizen van de
Adventure en de Beagle geen enkele rots bij het oppervlak der zee
werd ontdekt, die niet door dit drijvend wier bespoeld werd. Dat het
zoodoende goede diensten bewijst aan schepen, die dicht voorbij dit
stormachtige land varen, is duidelijk; en stellig heeft het menig
vaartuig van schipbreuk gered. Ik ken weinig verschijnselen, meer
verrassend dan het zien groeien en bloeien van deze plant tusschen de
groote brekers van den Atlantischen Oceaan, waaraan geen enkele rots,
hoe hard ook, lang weerstand kan bieden. De stengel is rond, klevig en
zacht, en bereikt zelden een inch in doorsnede. Enkele te zamen genomen
zijn sterk genoeg om het gewicht der groote losse steenen te dragen,
waaraan zij in de binnenlandsche kanalen vastgroeien; toch waren
sommige steenen zoo zwaar, dat, als zij naar de oppervlakte werden
getrokken, één man hen met moeite in een boot kon tillen. Kapitein Cook
zegt in zijne tweede Reis, dat deze plant bij de Kerguélen-Eilanden
uit eene diepte van meer dan 24 fathoms omhoog groeit; "en daar die
groei niet in verticale richting, maar onder een zeer scherpen hoek
met den bodem geschiedt, en een groot deel zich later vele fathoms ver
over het oppervlak der zee uitstrekt, heb ik wel het recht te zeggen,
dat sommige eene lengte van 60 fathoms en meer bereiken." Ik geloof
niet, dat er een tweede plant is, wier stengel, zooals kapitein Cook
verklaart, de verbazende lengte bereikt van 360 voet. Bovendien vond
kapitein Fitz-Roy, dat zij zelfs uit nog grootere diepten, namelijk
45 fathoms, naar de oppervlakte groeit. [211] Deze zeewier-velden
vormen, zelfs wanneer hunne breedte niet groot is, uitstekende en
natuurlijke drijvende golfbrekers. Merkwaardig is het te zien, hoe
spoedig de golven uit volle zee, die door de verspreide stengels eene
opene haven binnenrollen, in hoogte dalen en overgaan in effen water.

Het getal levende wezens van alle Orden, wier bestaan ten nauwste van
de kelp afhangt, is verwonderlijk groot. Men zou een lijvig boek kunnen
schrijven alléén over de bewoners van een dezer zeewier-velden. Bijna
alle bladeren uitgenomen die welke aan de oppervlakte drijven, zijn
zoo dik met koraaldieren bedekt, dat zij eene witte kleur hebben. Wij
vinden keurig fijne structuur-vormen: sommige bewoond door enkelvoudige
hydroidpolypen, andere door meer bewerktuigde soorten, en prachtige
samengestelde zeescheeden (Ascidiae compositae). Op de bladeren
zijn ook verschillende Patellidae, Trochidae, naakte weekdieren, en
eenige tweeschalige schelpdieren vastgehecht. Tallooze schaaldieren
bewonen elk deel van de plant. Schudt men de groote dooreengevlochten
wortels, dan valt daaruit een menigte kleine visschen, schelpdieren,
inktvisschen, kreeften van alle orden, zeeëgels, zeesterren,
prachtige Holothuriae, Planariae, en kruipende Nereïdae in tal van
vormen. Dikwijls keerde ik naar een kelptak terug, en ontdekte dan
altijd dieren van onbekende en merkwaardige structuur. Op Chiloë,
waar de kelp niet bijzonder gedijt, ontbreken de talrijke schelp-,
koraal- en schaaldieren; toch blijven nog enkele Flustraceae en eenige
samengestelde Ascidiae over, waarvan de laatsten echter tot andere
soorten behooren dan die in Vuurland. Het zeewier heeft hier dus
eene grootere verspreiding dan de dieren, welke het als woonplaats
bezigen. Ik kan deze groote waterwouden van het zuidelijk halfrond
alleen vergelijken bij de landwouden in de tusschenkeerkringsstreken;
maar, zoo te land ergens een woud verwoest werd, geloof ik niet, dat
er zooveel soorten dieren zouden omkomen, als hier door het verwoesten
van de kelp het geval zou zijn. Tusschen de bladeren dezer plant leven
talrijke soorten visschen, die nergens anders voedsel of beschutting
konden vinden. Met hunne uitroeiing, zouden ook de vele zeeraven en
andere vischetende vogels, de otters, robben en bruinvisschen spoedig
verdwijnen. Eindelijk zou de Vuurlandsche wilde, de ellendige heer
van dit ellendige land, zijne kannibaalsche feesten verdubbelen,
in aantal verminderen, en mogelijk ophouden te bestaan.

[8 Juni.]

Vroeg in den morgen lichtten wij het anker en verlieten Port
Famine. Kapitein Fitz-Roy besloot de Straat van Magelhaen door het
Magdalena-kanaal te verlaten, dat niet lang te voren ontdekt was. Onze
koers was vlak zuidwaarts, door het sombere kanaal waarop ik boven
zinspeelde, toen ik zeide, dat het naar eene andere en boozere wereld
scheen te voeren. Er woei een gunstige wind, maar de lucht was zeer
nevelig, zoodat wij vele zeldzame berggezichten misten. De donkere,
gescheurde wolken werden snel over de bergen gedreven, van af hunne
toppen tot bijna aan den voet. De vluchtige kijkjes, die wij door de
schemerige massa namen, waren zeer belangwekkend: getande spitsen,
besneeuwde kruinen, blauwe gletschers, scherpe omlijningen die zich op
den bleeken hemel afteekenden, lieten zich op verschillende afstanden
en hoogten zien. Te midden van zulke tafereelen ankerden wij bij
Kaap Turn, dicht bij den berg Sarmiento, die zich toen in de wolken
verschool. Aan den voet der hooge en bijna loodrechte oevers van onze
kleine kreek stond een verlaten wigwam, die er aan herinnerde dat
de mensch nu en dan door deze eenzame streken zwierf. Moeilijk zou
men zich een oord kunnen denken, waar hij minder eischen of minder
macht scheen te hebben. De onbezielde werken der natuur: gesteente,
ijs en sneeuw, en wind en water--alle met elkander, maar vereenigd
tegen den mensch in strijd--regeerden hier in onbeperkte heerschappij.

[9 Juni.]

Tot onze blijdschap zagen wij des morgens den mistsluier van den
Sarmiento optrekken, en hem aan ons oog vertoonen. Deze berg,
die een der hoogste in Vuurland is, heeft eene hoogte van 6800
voet. Zijn ondereinde is tot ongeveer een achtste der totale hoogte
met donkere bosschen bedekt, en daarboven reikt een sneeuwdek tot
aan den top. Deze uitgestrekte sneeuwmassa's, die nooit smelten en
bestemd schijnen om even lang te duren als de wereld zelve, boden
een prachtvol en zelfs verheven schouwspel. De omtrek van den berg
was bijzonder helder en scherp. Door de groote hoeveelheid licht,
die op de witte en glinsterende oppervlakte weerkaatste, vielen geen
schaduwen aan den kant waar ik stond; men onderscheidde slechts de
randlijnen die de lucht sneden; en zoo stond de kolossus in zijne
volle gedaante voor ons. Verscheidene gletschers daalden slingerend
van de hooge, wijde sneeuwvlakten naar de zeekust; men kon hen met
bevroren Niagara-stroomen vergelijken; en misschien zijn deze blauwe
ijsversnellingen ruim zoo schoon als vloeibare watervallen. Des
nachts bereikten wij het westeinde van het kanaal; maar het water
was hier zoo diep, dat wij geen ankerplek konden vinden. Wij waren
dus genoodzaakt om in een stikdonkeren nacht uren lang door dezen
smallen zeearm op en neer te varen.

[10 Juni.]

Des morgens stevenden wij zoo spoedig mogelijk naar den open Stillen
Oceaan. De westkust bestaat in 't algemeen uit lage, afgeronde, geheel
naakte bergen van graniet en groensteen (diabase of dioriet). Sir
John Narborough noemde een gedeelte South Desolation, omdat het land
er zoo naargeestig uitzag; en dit zeggende had hij gelijk. Buiten
de hoofdeilanden liggen tallooze verspreide rotsen, waarop de breede
golfslag van den Stillen Oceaan onafgebroken beukt. Wij gingen tusschen
de Oostelijke en Westelijke Furies naar buiten; iets verder noordwaarts
rollen zooveel brekers, dat de zee hier de Melkweg genoemd wordt. Een
blik op zulk eene kust is voldoende om een landrot eene week lang van
schipbreuken, gevaren en dood te doen droomen; en met dit woeste,
huiveringwekkende schouwspel voor oogen zeiden wij Vuurland voor
altijd vaarwel.



De volgende beschouwing over het klimaat der zuidelijke deelen van het
vasteland in verband met hunne voortbrengselen: over de sneeuwgrens,
de buitengewoon lage daling der gletschers, en over de streek van
eeuwige vorst op de eilanden in het Zuidpool-gebied, kan door lezers,
die in deze merkwaardige onderwerpen geen belang stellen, worden
overgeslagen, of zij kunnen alleen de korte herhaling er van aan het
einde lezen. Ik zal hier echter slechts een uittreksel geven, en moet
voor bijzonderheden naar het Dertiende Hoofdstuk en het Aanhangsel
der vorige uitgaaf van dit werk verwijzen.

Over het klimaat en de Voortbrengselen van Vuurland en van
de Zuidwest-kust. De volgende tabel geeft aan de gemiddelde
temperatuur van Vuurland, de Falklands-Eilanden, en die van Dublin
ter vergelijking:


                   Breedte.     Zomer-     Winter-   Gemid. Zomer-
                               Temperat.  Temperat.   en Winter-
                                                      Temperat.
    Vuurland       53°38' Z      50°       33°08       41°54
    Falklands-Eil. 51°30' Z      51°        --           --
    Dublin         53°21' N      59°54     39°2        49°37


Wij zien hieruit, dat het middengedeelte van Vuurland des winters
omstreeks 6° kouder, en des zomers niet minder dan 9 1/2° minder warm
is dan Dublin. Volgens Leopold von Buch (1774-1853) is de gemiddelde
temperatuur van Juli (niet de heetste maand in het jaar) te Saltenfjord
in Noorwegen 57°8, en toch ligt deze plaats 13° dichter bij de pool dan
Port Famine. [212] Hoe ongastvrij dit klimaat ook zij voor ons gevoel,
er is overvloed van altijd groenende boomen, die welig bloeien. Op 55°
Z.B. kan men kolibries aan de bloemen zien zuigen, en eten papegaaien
de zaden van den Drymis Winteri. Reeds heb ik gewezen op den rijkdom
der zee aan levensvormen; en volgens G. B. Sowerby zijn de Conchyliën
of schelpdieren (zooals de Patellidae, Fissurelidae, Chitonidae en
Lepadidae veel grooter en veel sterker gebouwd dan de overeenkomstige
species in het noordelijk halfrond. Eene groote Voluta (rolslak)
komt veel voor in Zuid-Vuurland en op de Falklands-Eilanden. Te
Bahia Blanca, op 39° Z. B., waren de meest voorkomende schelpdieren:
drie species van Oliva (eene van aanzienlijke grootte), eene of twee
Voluta's, en eene Terebra (boorschelp). Dezen, nu, behooren tot de
best kenmerkende tropische vormen. Het is te betwijfelen of er aan
de zuidkusten van Europa zelfs eene kleine Oliva-species bestaat,
en van de twee andere geslachten zijn er geen soorten. Indien een
geoloog op 39° breedte aan de kust van Portugal eene laag ontdekte,
waarin talrijke schelpdieren van drie Oliva-species, eene Voluta
en eene Terebra, zou hij waarschijnlijk zeggen, dat het klimaat in
den tijd waarin zij leefden, tropisch moet geweest zijn; doch naar
Zuid-Amerika te oordeelen, zou zulk eene gevolgtrekking verkeerd zijn.

Het gelijkvormige, vochtige en winderige klimaat van Vuurland strekt
zich, met slechts eene geringe toename in warmte, vele graden ver langs
de westkust van het vasteland uit. Tot 600 mijlen ten noorden van Kaap
Hoorn hebben de wouden een zeer evenaardig aanzien. Als een bewijs van
het gelijkvormige klimaat zelfs nog tot 300 of 400 mijlen noordelijker,
kan dienen, dat op Chiloë (in breedte met de noordelijke gedeelten
van Spanje overeenkomende) de perzik zelden vruchten voortbrengt,
terwijl aardbeziën en appelen er volkomen gedijen. Zelfs worden de
gerste- en tarwearen dikwerf naar huis gebracht, om te drogen en te
doen rijpen. [213] Te Valdivia (op gelijke breedte als Madrid) komen
druiven en vijgen tot rijpheid, doch worden niet overal gevonden;
olijven rijpen zelden, zelfs niet gedeeltelijk, en oranjeappelen in het
geheel niet. Zooals men weet, gedijen deze vruchten voortreffelijk op
overeenkomstige breedten in Europa. Maar zelfs in Zuid-Amerika worden,
aan de Rio Negro, onder nagenoeg dezelfde parallel als Valdivia,
bataten (Convolvulus batatus) gekweekt, terwijl druiven, vijgen,
oranjeappelen, watermeloenen en cantaloepen (knobbel- of wratmeloenen)
welig vruchten voortbrengen. Ofschoon het vochtige en gelijkvormige
klimaat van Chiloë en van de kust noordelijk en zuidelijk hiervan,
voor onze vruchten zoo ongunstig is, wedijveren de wouden aldaar,
van 38° tot 45°, in hun kwistigen plantengroei bijna met die der
tusschenkeerkringslanden. Statige, veelsoortige boomen met gladde en
levendig gekleurde schorsen, zijn beladen met eenlobbige woekerplanten;
groote en sierlijke varens tieren er in overvloed, en boomgrassen
omwinden de stammen ter hoogte van 30 of 40 voet boven den grond,
tot eene dooreengegroeide massa. Palmboomen groeien op 37° breedte;
een boomgras, dat veel op bamboes gelijkt, op 40°; en eene andere
naverwante soort, die zeer lang maar niet rechtstandig is, bloeit
zelfs nog op 45° Z. B.

Over het grootste deel van het zuidelijk halfrond schijnt een
gelijkvormig klimaat te heerschen, wat blijkbaar is toe te
schrijven aan de groote oppervlakte der zee, vergeleken met het
land. Dientengevolge draagt de plantenwereld een half tropisch
karakter. Boomvarens groeien welig op Van-Diemensland (45° B.), en ik
mat een stam van niet minder dan zes voet in omtrek. Foster vond op 46°
een boomvaren op Nieuw-Zeeland, waar orchideeën-planten op de boomen
woekeren. Op de Aucklands-Eilanden zijn, volgens Dr. Dieffenbach, [214]
varens met zulke dikke en hooge stammen, dat zij bijna boomvarens
mogen heeten; en hier, ja zuidelijker nog tot 55° breedte op de
Macquarie-Eilanden, leven talrijke papegaaien.

Over de Hoogte der Sneeuwgrens, en de Daling der Gletschers in
Zuid-Amerika. Voor bijzonderheden in de bronnen, waaruit de volgende
tabel ontleend is, moet ik naar de vorige uitgaaf verwijzen.


            Breedte                 Hoogte (in voeten)  Waarnemer.
                                    van de sneeuwgrens

Aequatoriaal-zone; gemid. result.        15.748         Humboldt.
Bolivia, van 16° tot 18° Z.B.            17.000         Pentland.
Midden-Chili,  33° Z.B.             14.500 tot 15.000   Gillies en de
                                                        Schrijver.
Chiloë, van 41° tot 43° Z.B.              6.000         Officieren
v. d.
                                                        Beagle en de
                                                        Schrijver.
Vuurland, 54° Z.B.                  3.500 tot 4.000     King.


Daar de hoogte-grens der eeuwige sneeuw in hoofdzaak meer door de
grootste zomerhitte, dan door de gemiddelde jaarlijksche temperatuur
schijnt bepaald te worden, behoeft het ons niet te verwonderen,
dat die grens in de Straat van Magelhaen, waar de zomer zoo koel is,
tot 3500 of 4000 voet boven den zeespiegel daalt, ofschoon wij die
lage grens van eeuwige sneeuw in Noorwegen eerst op 67° tot 70°--dat
is ongeveer 14° dichter bij de pool--ontmoeten. Het hoogteverschil van
circa 9000 voet tusschen de sneeuwgrens op de Cordilleras achter Chiloë
(waar de hoogste punten van slechts 5600 tot 7500 voet afwisselen)
en in Midden-Chili, een afstand van slechts 9 breedte-graden,
is inderdaad verwonderlijk. [215] Ongeveer van af Concepcion (37°
Z.B.) tot zuidwaarts van Chiloë verbergt het land zich achter een
dicht, onafgebroken woud, dat doorweekt is van vocht. De lucht is
bewolkt, en wij hebben gezien hoe slecht de Zuideuropeesche vruchten
er gedijen. In Midden-Chili, daarentegen, iets benoorden Concepcion,
is de lucht meestal helder; gedurende de zeven zomermaanden valt er
geen regen, en de Zuideuropeesche vruchten groeien uitstekend. Zelfs
is er suikerriet geweekt. [216] Zonder twijfel ondergaat de grens
van eeuwige sneeuw de bovengenoemde merkwaardige buiging van 9000
voet--welke zonder weerga is in andere deelen der wereld--niet ver van
de breedte van Concepcion, waar het land niet langer met woudboomen
bedekt is; want in Zuid-Amerika wijzen boomen op een regenachtig
klimaat, en is regen het zinnebeeld van een bewolkten hemel en weinig
warmte in den zomer.

Zooals ik wel begrijp, moet de daling der gletschers naar zee, behalve
natuurlijk van een voldoenden voorraad sneeuw in het hooggebergte,
hoofdzakelijk afhangen van de meer of minder lage grens van eeuwige
sneeuw op steile bergen bij de kust. Daar in Vuurland de sneeuwgrens
zoo laag ligt, mochten wij terecht verwachten, dat vele gletschers
de zee bereikt hadden. Toch stond ik verbaasd, toen ik op de
breedte van Cumberland allereerst eene bergreeks zag van slechts
3000 tot 4000 voet hoogte, waarvan elke vallei tot aan de zeekust
met ijsstroomen gevuld was. Bijna elke zeearm, die tot de hoogere
binnenketen doordringt--niet slechts in Vuurland, maar 650 mijlen ver
noordwaarts aan de kust--eindigt in "geweldige en verbazingwekkende
gletschers," volgens de beschrijving van een der officieren van de
expeditie. Groote ijsbrokken vallen gestadig van deze ijsklippen in
zee, en het gekraak davert, als de geschutdonder van een oorlogsschip
dat de volle laag geeft, door de eenzame kanalen. Gelijk in het vorige
hoofdstuk is opgemerkt, veroorzaken deze ijsstortingen hooge golven,
die op de naburige kusten breken. Het is bekend, dat aardbevingen
dikwijls oorzaak zijn van het afbreken van groote stukken aarde van
de zeekust; hoe verschrikkelijk moet dan de uitwerking zijn van een
hevigen schok (en die komen hier voor) [217] op zulk een gevaarte als
een gletscher, die reeds in beweging en doorploegd is van spleten! Ik
kan dan ook licht begrijpen, dat het water in zulke gevallen uit het
diepste kanaal wordt weggeslagen, daarna met onweerstaanbare kracht
terugkeert, en reusachtige rotsblokken als stroohalmen in het rond
draait. In Eyre's Sound, op de breedte van Parijs, zijn ontzaglijke
gletschers, en toch meet de hoogste berg in den omtrek slechts 6200
voet. In deze zeeëngte zag men op zekeren tijd omtrent 50 ijsbergen
naar buiten drijven, en een daarvan moet minstens 168 voet hoog
zijn geweest. Sommige ijsbergen waren beladen met brokken graniet
en andere van het leemschiefer der omringende bergen verschillende
gesteenten, van niet onaanzienlijke grootte. De verst van de pool
gelegen gletscher, die op de tochten van de Adventure en de Beagle
opgemeten werd, bevindt zich op 46°50' Z.B. in de Golf van Penas. Hij
is 15 mijlen lang, heeft op één punt eene breedte van 7 mijlen, en
daalt tot aan de zeekust. Maar zelfs enkele mijlen benoorden dezen
gletscher ontmoetten eenige Spaansche zendelingen [218] in de Laguna
de San Rafael "vele ijsbergen, waaronder groote, kleine en andere
van middelbare grootte." Zij werden gezien in een smallen zeearm,
op den 22sten December (die met onze maand Juni overeenstemt), en op
eene breedte gelijkstaande met die van het Meer van Genève!

In Europa is de zuidelijkste gletscher die de zee bereikt, volgens
Leopold von Buch, op 67° breedte op de Noorweegsche kust gevonden. Dit
is dus meer dan 20 graden of 1230 mijlen dichter bij de pool dan de
Laguna de San Rafael. Het voorkomen der gletschers op deze plek en in
de Golf van Penas is des te merkwaardiger, omdat het punt waar zij
de zee bereiken, 7°30' of 450 mijlen verwijderd is van eene haven,
waar drie soorten van Oliva, eene Voluta en eene Terebra de meest
voorkomende schelpdieren zijn; 9 graden van een gebied, waar palmen
groeien; 4°30' van eene streek, waar jaguar en puma over de vlakte
zwerven; nog geen 2°30' van de boomgrassen; bovendien in westelijke
richting minder dan 2 lengtegraden van woekerende orchideeën, en nog
geen graad van de boomvarens!

Deze feiten zijn van zeer groot geologisch belang voor de studie van
het klimaat van het noordelijk halfrond in den tijd der zoogenaamde
erratische of zwerfblokken. Ik zal hier niet uiteenzetten hoe
eenvoudig de theorie der ijsbergen, welke met rotsklompen beladen
zijn, den oorsprong en ligging der geweldige rolsteenen verklaart
in Oost-Vuurland, op de hoogvlakte van Santa Cruz, en op het eiland
Chiloë. In Vuurland liggen de meeste rolsteenen aan de strandlijnen
van oude zeestraten, die nu door landrijzing in droge dalen zijn
veranderd. De hun bijgemengde grondstof is eene groote, ongelaagde
formatie van modder en zand, welke ontstaan is door herhaalde
omploeging van den zeebodem, ten gevolge van het stranden van ijsbergen
met hun last van steenen. [219] Thans zijn er weinige geologen, die
twijfelen aan het feit, dat zwerfblokken welke in de nabijheid van
hooge bergen liggen, door de gletschers zelven zijn voortgestuwd;
en dat die, welke ver van bergen en in lagen onder water bedolven
liggen, òf op ijsbergen, òf in kustijs vastgevroren, daarheen zijn
gebracht. Het verband tusschen het vervoer van rolsteenen en de
aanwezigheid van ijs in den een of anderen vorm, blijkt opvallend
uit hunne geographische verspreiding over de aarde. In Zuid-Amerika
vindt men hen niet lager dan 48°, van de zuidpool af gerekend
(zuidpools-afstand); in Noord-Amerika schijnt de grens van hun vervoer
zich tot 53°30' van de noordpool uit te strekken; in Europa echter
niet verder dan 40°, van hetzelfde punt af gerekend. Daarentegen zijn
zij niet waargenomen in de tusschenkeerkringsstreken van Amerika, Azië
en Afrika; evenmin aan de Kaap de Goede Hoop, noch in Australië. [220]

Over het Klimaat en de Voortbrengselen der Eilanden in het
Zuidpoolgebied. De krachtige plantengroei in Vuurland en op de kust ten
noorden daarvan in aanmerking genomen, is de gesteldheid op de eilanden
ten zuiden en zuidwesten van Amerika inderdaad verrassend. Cook vond,
dat Sandwich-Land, op eene zuiderbreedte die met het noordelijk
deel van Schotland overeenkomt, in de heetste maanden van het jaar
"vele vademen diep met eeuwigdurende sneeuw bedekt was." Planten
schijnen er bijna niet te zijn. Zuid-Georgië, een eiland met eene
oppervlakte van 2590 vierkante Kilom., en op de breedte van Yorkshire
gelegen, is "midden in den zomer als het ware geheel met bevroren
sneeuw bedekt." Het kan zich slechts beroemen op mos, eenige bosjes
gras en wilde pimpernel (Pimpinella saxifraga). Bovendien heeft
het maar één landvogel (Anthus correndera), terwijl IJsland, dat 10°
dichter bij de pool ligt, volgens Mackenzie nog 15 landvogels bezit. De
Zuid-Shetlands-Eilanden, op dezelfde breedte als de zuidelijke helft
van Noorwegen, bezit slechts eenige korstmossen (Lichen), mos en wat
gras. Luitenant Kendall [221] vond, dat de baai, waarin hij voor anker
lag, begon te bevriezen op een tijdstip, dat op ons halfrond met 8
September overeenkomt. De bodem bestaat hier uit afwisselende lagen
ijs en vulkanische asch, en moet op geringe diepte onder de oppervlakte
voortdurend bevroren zijn. Luitenant Kendall vond namelijk het lichaam
van een lang te voren begraven zeeman, wiens vleesch en trekken nog
geheel gaaf waren gebleven. Het is een zonderling feit, dat de lage
breedte, waartoe in de twee groote vastelanden van het noordelijk
halfrond (maar niet in het tusschenliggende gebroken land van Europa)
de zone van den altijd bevroren ondergrond zich uitstrekt, nl. 56° in
Noord-Amerika ter diepte van 3 voet, [222] en 62° in Siberië ter diepte
van 12 tot 15 voet--het gevolg is van een geheel tegenovergestelden
staat van zaken, vergeleken met dien in het zuidelijk halfrond. In de
noordelijke vastelanden wordt de winterkoude buitengewoon verscherpt
door de uitstraling eener groote landoppervlakte in eene heldere lucht,
en niet getemperd door warmte-brengende zeestroomen; aan den anderen
kant is de zomer kort en heet. In den zuidelijken Atlantischen Oceaan
is de winter niet zoo buitengewoon koud, maar de zomer veel minder
heet, doordien de bewolkte lucht zelden toelaat, dat de zon den
oceaan verwarmt, die daarbij een slecht warmtegeleider is; vandaar
de lage gemiddelde jaarlijksche temperatuur, die de grens van een
altijddurend bevroren ondergrond bepaalt. Het is duidelijk, dat een
krachtige plantengroei, welke niet zoozeer warmte als wel bescherming
tegen hevige koude vereischt, dichter tot deze zone van altijddurende
bodemvorst zou naderen onder het gelijkmatige klimaat van het zuidelijk
halfrond, dan onder het zeer strenge der noordelijke vastelanden.

Het feit, dat het lijk van een zeeman volkomen bewaard is gebleven in
den ijzigen bodem der Zuid-Shetlands-Eilanden (62° tot 63° Z.B.), op
iets lagere breedte dan waarop Pallas in Siberië het bevroren lichaam
van een neushoorn ontdekte (64°), is zeer belangwekkend. Ofschoon
het eene dwaling is--zooals ik in een vroeger hoofdstuk heb pogen
aan te toonen--te onderstellen, dat de grootere viervoeters een
weelderigen plantengroei voor hun onderhoud behoeven, is toch het
vinden op de Zuid-Shetlands-Eilanden van een bevroren ondergrond op
nog geen 360 mijlen van de met bosschen bedekte eilanden nabij Kaap
Hoorn--waar, voor zoover de hoeveelheid plantengroei betreft, zeer
vele groote viervoeters zouden kunnen bestaan--voor de wetenschap van
gewicht. De volkomen bewaring van de lijken der Siberische olifanten
en neushorens [223] is stellig een der wonderlijkste feiten in de
geologie; maar afgezien van de bewering, dat het aangrenzende land
hen moeilijk van voedsel kon voorzien, geloof ik, dat de geheele
zaak niet zoo ingewikkeld is als men gemeenlijk denkt. Evenals de
Pampas, schijnen ook de vlakten van Siberië onder de zee gevormd te
zijn, waarin rivieren talrijke lijken van dieren uitstortten. Van
de meeste dezer lijken zijn alleen de geraamten bewaard gebleven,
maar van anderen het geheele lichaam. Nu is bekend, dat de bodem in
de ondiepe zee aan de noordkust van Amerika bevriest, [224] en in
de lente niet zoo spoedig ontdooit als de oppervlakte van het land;
bovendien kan op grootere diepten, waar de zeebodem niet bevriest,
de modder enkele voeten onder de bovenlaag zelfs in den zomer onder
32° F. blijven, gelijk ook aan land met den grond op enkele voeten
diepte het geval is. Op nog grootere diepten zou de temperatuur van
modder en water waarschijnlijk niet laag genoeg zijn om het vleesch
te bewaren, en zouden dus van lijken, die buiten de ondiepe gedeelten
in de nabijheid eener poolkust naar zee drijven, alleen de geraamten
bewaard blijven. Nu zijn de beenderen in het hooge noorden van Siberië
buitengewoon talrijk, [225] zoodat zelfs eilandjes, naar men beweert,
er bijna geheel uit bestaan; [226] en deze eilandjes liggen niet
minder dan 10 breedtegraden noordelijk van de plek waar Pallas
den bevroren neushoren vond. Aan den anderen kant zou een lijk,
dat door een vloed naar eene ondiepte der Poolzee gespoeld werd,
voor een onbepaalden tijd bewaard blijven, indien het spoedig daarna
dik genoeg met modder bedekt was, om het doordringen der warmte van
het zomerwater te beletten, en die deklaag ook dik genoeg was om,
als de zeebodem door rijzing in land werd veranderd, te verhinderen
dat de zomerlucht en zon haar ontdooiden en tot bederf deden overgaan.

Recapitulatie. Ik zal in 't kort de hoofdfeiten herhalen, die op
het klimaat, de ijswerking en organische voortbrengselen van het
zuidelijk halfrond betrekking hebben, maar in gedachten het gebied van
onderzoek naar Europa verplaatsen, waarmee wij zooveel beter bekend
zijn. Zoo zouden dan bij Lissabon de meest voorkomende schelpdieren,
nl. drie soorten Oliva, eene Voluta en eene Terebra, een tropisch
karakter bezitten. In de zuidelijke provinciën van Frankrijk zouden
prachtige wouden, dicht begroeid met boomgrassen en met woekerplanten
op de boomen, het land voor het oog verbergen. Puma en jaguar zouden
in de Pyreneeën zwerven. Op de breedte van den Mont-Blanc, en wel
op een eiland ergens in 't westen van Europa, zouden boomvarens en
woekerende orchideeën welig in de dichte bosschen groeien. Zelfs
zoover noordelijk als Midden-Denemarken zou men kolibries om de fijne
bloemen zien fladderen en papegaaien voedsel zien zoeken in de altijd
groene bosschen. Op deze breedte zou de zee ons eene Voluta te zien
geven, en krachtig ontwikkelde schelpdieren, alle van aanzienlijke
grootte. Maar op eenige eilanden, slechts 360 mijlen van onze nieuwe
Kaap Hoorn in Denemarken verwijderd, zou een lijk, dat in den grond
begraven of naar eene ondiepe zee gedreven en met modder bedekt was,
in altijddurend bevroren staat bewaard blijven.

Indien een koen zeevaarder noordwaarts van deze eilanden poogde
door te dringen, zou hij duizendmaal gevaar loopen tusschen
reusachtige ijsbergen verzeild te geraken, waarvan hij sommige
met groote rotsblokken beladen zou zien, die zij ver van hunne
oorspronkelijke ligplaatsen voeren. Een ander groot eiland op de
breedte van Zuid-Schotland, maar tweemaal zoo ver naar het westen,
zou "bijna geheel met eenige sneeuw bedekt zijn," en al zijne baaien
zouden eindigen in ijsklippen, waarvan jaarlijks groote brokken werden
afgeslagen. Dit eiland zou alleen wat mos, gras en wilde pimpernel
bezitten, en een veld- of boschleeuwerik zou de eenige landbewoner
zijn. Van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken zou een bergketen, nog
niet half zoo hoog als de Alpen, in eene rechte lijn zuidwaarts loopen;
en aan de westzijde zou elke diepe zee-inham of fjord in steile en
indrukwekkende gletschers eindigen. Deze eenzame waters zouden bij
herhaling van het nederploffende ijs weergalmen, en telkens zouden
hooge golven langs hunne kusten rollen. Talrijke ijsbergen, enkele
zoo groot als domkerken en soms met "niet onbeduidende rotsblokken"
beladen, zouden op de buiten gelegen eilandjes stranden, en hevige
aardbevingen nu en dan geweldige ijsmassa's in het water daaronder
doen storten. Eindelijk zouden eenige zendelingen bij hunne poging
om een langen zeearm door te varen, talrijke groote ijsstroomen van
de niet hooge naburige bergen naar de zeekust zien dalen, terwijl
hun boottocht door de tallooze groote en kleine drijvende ijsbergen
zou worden belemmerd; en dit zou geschied zijn op onzen 22sten Juni
op eene breedte waar thans het Meer van Genève ligt! [227]



HOOFDSTUK XII.

MIDDEN-CHILI.


[23 Juli 1834.]

De Beagle ankerde laat in den nacht in de baai van Valparaiso, de
voornaamste zeehaven van Chili. Toen de morgen aanbrak, kreeg alles een
verrukkelijk aanzien. Bij Vuurland vergeleken, was het klimaat hier
bepaald heerlijk. De lucht was zoo droog, de hemel met de stralende
zon zoo helder en blauw, dat de geheele natuur scheen te tintelen
van leven. Het gezicht van uit de ankerplaats is zeer mooi. De stad
is gebouwd aan den voet eener heuvelreeks, saamgesteld uit omtrent
1600 voet hooge en eenigszins steile bergen. Ten gevolge van hare
ligging, bestaat zij uit eene lange, verspreid aangelegde straat, die
evenwijdig loopt met het strand; en waar een ravijn uit het gebergte
daalt, verheffen de huizen zich aan weerszijden daarvan. De ronde
heuvels, door een schralen plantengroei slechts gedeeltelijk beschut,
zijn doorploegd met tallooze kleine geulen, die een eigenaardigen
lichtrooden grond ontblooten. Hierdoor, en ook door de lage gewitte
huizen met pannen daken, herinnerde het gezicht mij aan Santa Cruz
op Tenerife. In noordwestelijke richting zijn eenige fraaie vluchtige
kijkjes op het Andes-gebergte; maar deze bergen schijnen veel hooger,
als men hen van de naburige heuvels ziet; de groote afstand, waarop zij
liggen, laat zich dan gemakkelijk begrijpen. De vulkaan Aconcagua is
bijzonder indrukwekkend. Dit reusachtige en onregelmatig kegelvormige
gevaarte heeft eene hoogte, welke die van den Chimborazo overtreft;
want uit metingen, door de officieren van de Beagle verricht, bleek
dat zijne hoogte niet minder dan 23.090 voet was. [228] Van dit punt
bekeken, danken de Andes hunne schoonheid echter grootendeels aan
den dampkring waardoor zij gezien worden. Het was bewonderenswaardig,
als de zon in den Stillen Oceaan onderging, te zien hoe helder hunne
zigzagvormige omtrekken onderscheiden konden worden, en toch hoe
afwisselend en fijn hunne kleurschakeeringen waren.

Hier had ik het geluk Mr. Richard Corfield te ontmoeten, een oud-vriend
en schoolmakker, aan wiens gastvrijheid en vriendelijkheid ik veel
verschuldigd ben, daar hij mij, zoolang de Beagle zich in Chili
ophield, een hoogst aangenaam logies verschafte. De onmiddellijke
omgeving van Valparaiso levert voor den natuuronderzoeker niet heel
veel op. Gedurende den langen zomer blaast de wind voortdurend
uit het zuiden en op eenigen afstand van het strand, zoodat er
dan nooit regen valt; maar in de drie wintermaanden regent het
overvloedig. Dientengevolge is de plantengroei zeer schraal: behalve
in sommige dalen, zijn er geen boomen; alleen zijn de minder steile
gedeelten der heuvelreeks hier en daar met wat gras en eenige lage
struiken begroeid. Zoo wij bedenken, dat 350 mijlen ver naar het zuiden
de helling van het Andes-gebergte geheel achter een ondoordringbaar
woud verscholen ligt, is de tegenstelling zeer merkwaardig. Bij het
verzamelen van voorwerpen op het gebied der natuurlijke historie,
deed ik vele verre wandelingen. Voor oefening biedt het land eene
gezochte gelegenheid. Er zijn vele zeer fraaie bloemen; en evenals in
de meeste andere droge klimaten, bezitten de planten en heesters sterke
en eigenaardige geuren, die zich zelfs aan de kleêren meedeelden,
als men tusschen die planten door drong. Er kwam geen einde aan
mijne verwondering, toen het alle dagen even mooi weer was. Welk een
verschil maakt het klimaat op ons levensgenot! Hoe geheel anders zijn
de gewaarwordingen, als men zwarte bergen ziet die half in wolken zijn
gehuld, of eene bergketen zooals de Andes door den lichtblauwen damp
van een fraaien dag! Het een moge voor eenigen tijd zeer verheven zijn;
het andere biedt ons al vroolijkheid en levenslust.

[14 Augustus.]

Dezen dag ondernam ik een tocht te paard, met het doel de
benedengedeelten van het Andes-gebergte, die slechts in dezen tijd van
het jaar niet door de wintersneeuw ontoegankelijk zijn, geologisch te
onderzoeken. Den eersten dag reden wij in noordelijke richting langs
de kust. Toen het donker was, bereikten wij de Hacienda van Quitero,
het landgoed dat vroeger aan lord Cochrane [229] behoorde. Het doel
mijner komst alhier was de groote schelpenlagen te zien, die eenige
yards boven den zeespiegel liggen en tot kalk verbrand worden. Van
de rijzing dezer geheele kustlijn bestaan ondubbelzinnige bewijzen;
ter hoogte van enkele honderden voeten liggen talrijke oud-typische
schelpen, en ik vond zelfs eenige op 1300 voet. Deze schelpen liggen
òf los aan de oppervlakte, òf in een roodachtig zwarten plantaardigen
grond. Bij onderzoek met den microscoop vond ik tot mijne groote
verrassing, dat deze plantaardige grond werkelijk zeemodder is,
vol kleine deeltjes van organische lichamen.

[15 Augustus.]

Wij reden naar het Quillota-dal terug. De streek was hoogst
aangenaam--juist wat de dichters "landelijk" zouden noemen: groene
open grasvelden, gescheiden door kleine dalen met riviertjes, en op
de heuvelhellingen hier en daar eenige hutten, waarschijnlijk van de
schaapherders. Wij waren verplicht den kam van den Chilicauquen over
te trekken. Aan den voet hiervan stonden vele fraaie, altijd groene
woudboomen; maar deze bloeiden alleen in de ravijnen, waar stroomend
water was. Wie alleen het land in de nabijheid van Valparaiso gezien
had, zou zich nooit hebben voorgesteld dat er zulke schilderachtige
plekjes in Chili waren. Zoodra wij den rand der Sierra bereikten,
lag het Quillota-dal vlak onder onze voeten. Het uitzicht was
merkwaardig om den rijkdom van kweekgewassen. Het dal is zeer breed
en geheel vlak, zoodat de bevloeiing overal gemakkelijk is. De kleine
vierkante tuinen bevatten overvloed van oranje- en olijfboomen, en
alle soorten groenten. Aan alle kanten verrijzen reusachtige naakte
bergen, die door hunne tegenstelling den bonten aanblik van het dal
nog aantrekkelijker maken. Wie "Valparaiso" het "Paradijsdal" noemde,
moet ongetwijfeld aan Quillota hebben gedacht. Wij staken over naar
de Hacienda de San Isidro, die aan den voet van den Klokberg ligt.

Chili is, gelijk men op de kaarten zien kan, eene smalle strook lands
tusschen de Cordilleras en den Stillen Oceaan, welke strook op hare
beurt door talrijke bergreeksen wordt doorsneden, die in dit gedeelte
evenwijdig loopen met de hoofdketen. Tusschen deze bergketens en
de groote Cordilleras strekt zich eene reeks vlakke dalkommen, die
meest met nauwe uitgangen in elkander loopen, tot ver naar het zuiden
uit. Daarin liggen de voornaamste steden, als San Felipe, Santiago,
San Fernando en andere. Ik twijfel niet of deze dalkommen of vlakten
zijn, evenals de horizontale dwarsdalen (bijv. het Quillota-dal)
die ze met de kust verbinden, de bodems van oude inhammen en diepe
baaien, van gelijken aard als die welke nu elk deel van Vuurland
en de westkust doorsnijden. Chili moet in vroegere tijdperken, wat
de verdeeling van zijn land en water betreft, op laatstgenoemd land
geleken hebben. Treffend bleek die gelijkenis nu en dan, wanneer een
vlakke mistbank al de lagere gedeelten van het land als met een mantel
bedekte. Wanneer de witte damp in de ravijnen kronkelde, bood hij eene
fraaie voorstelling van kleine kreken en baaien; en een eenzaam hier
en daar opduikend heuveltje toonde, dat het daar vroeger als eilandje
gestaan had. De tegenstelling dezer vlakke dalen en dalkommen met de
onregelmatig gevormde bergen, gaven aan het landschap een kenmerk,
dat nieuw en zeer belangwekkend voor mij was.

De natuurlijke glooiing dezer vlakten naar den zeekant maakt de
bevloeiing er van zeer gemakkelijk, en dientengevolge zijn zij
bijzonder vruchtbaar. Zonder die bewatering zou het land bijna niets
voortbrengen, want den geheelen zomer door is de lucht onbewolkt. De
bergen en heuvels zijn hier en daar met struiken en lage boomen
bedekt; maar dezen uitgezonderd, is de plantengroei zeer arm. Elk
landeigenaar in het dal bezit een zekere uitgestrektheid heuvelland,
waar zijn half wild vee in grooten getale rondzwerft om genoegzaam
gras te vinden. Eens in het jaar is er een groote rodeo, [230] als
wanneer al het vee naar het dal gedreven, geteld en gemerkt wordt,
en men een zeker aantal afzondert voor vetmesting in de bevloeide
velden. Tarwe wordt op ruime schaal gekweekt, benevens zeer veel maïs;
maar het voornaamste voedingsmiddel van den gewonen arbeider is eene
soort boon. De boomgaarden brengen een overvloedigen voorraad perziken,
vijgen en druiven voort. Bij al deze voordeelen moest het den bewoners
van het land meer voor den wind gaan dan wel het geval is.

[16 Augustus.]

De mayordomo [231] van de hacienda was zoo goed mij een gids en
versche paarden te geven; en zoo gingen wij des morgens op weg om de
Campana of Klokberg te bestijgen, die 6400 voet hoog is. De paden
waren zeer slecht; maar zoowel de geologische gesteldheid van het
terrein als het landschap zelf beloonden ruimschoots de moeite. Des
avonds bereikten wij eene bron, Agua del Guanaco genoemd, die op eene
aanzienlijke hoogte ligt. Deze naam moet van ouden oorsprong zijn,
want het is zeer vele jaren geleden, dat een guanaco het water uit
die bron dronk. Gedurende de beklimming merkte ik op, dat aan de
noordelijke helling niets dan struiken groeiden, aan de zuidelijke,
echter, een bamboesriet van omstreeks 15 voet hoogte. Op enkele
plaatsen stonden palmboomen, en met verbazing zag ik er een op eene
hoogte van minstens 4500 voet. Deze palmen zijn leelijke boomen in
hunne familie. Hun stam is zeer breed en zonderling gevormd, daar hij
in het midden dikker is dan aan den voet of top. In sommige gedeelten
van Chili zijn zij buitengewoon talrijk, en wegens eene soort stroop,
die uit hun sap gemaakt wordt, gezocht. Op een landgoed bij Petorca
trachtte men hen te tellen, doch moest dit opgeven, toen men een
cijfer van vele honderdduizenden bereikt had. Vroeg in de lente (in
Augustus) worden ieder jaar vele palmen geveld; en als de stam op den
grond ligt, wordt zijn bladerkroon gesnoeid. Onmiddellijk begint dan
het sap uit het boveneinde te vloeien, hetgeen eenige maanden lang
aanhoudt. Men moet echter elken morgen een dun laagje van dat einde
afschaven, om eene versche oppervlakte te ontblooten. Een goede
boom zal 90 gallons (ongeveer 409 lit.) geven; en dit alles moet
in de vaten van den schijnbaar drogen stam gezeten hebben. Naar men
zegt, vloeit het sap veel sneller op dagen van fellen zonneschijn;
ook beweert men, dat het volstrekt noodig is zorg te dragen, dat de
boom bij het omhakken met zijn top naar boven op de helling van den
heuvel valt; want valt hij de helling af, dan zal er bijna geen sap
uitvloeien. Oppervlakkig zou men denken, dat in het laatste geval,
door de zwaartekracht, de werking versterkt in plaats van verzwakt
zou worden. Door koking wordt het sap verdikt en dan stroop genoemd,
waarop het in smaak zeer veel gelijkt.

Wij ontzadelden onze paarden bij de bron, en maakten ons gereed den
nacht door te brengen. Het was eene schoone avond, en de lucht was
zoo helder, dat de masten der in de baai van Valparaiso voor anker
liggende schepen duidelijk als kleine zwarte strepen te onderkennen
waren, hoewel de afstand niet minder dan 26 geographical miles (48.2
kilom.) bedroeg. Een schip, dat met volle zeilen de landtong omvoer,
vertoonde zich als een heldere witte stip. Anson [232] laat op zijn
tocht veel verwondering blijken over den afstand, waarop zijne schepen
van de kust uit gezien werden; doch hij hield niet voldoende rekening
met de hoogte van het land en de groote doorschijnendheid der lucht.

Het ondergaan der zon was prachtig. Terwijl de dalen in diepe
duisternis lagen, vertoonden de besneeuwde Andes-toppen eene
robijnkleurige tint. Toen het donker was, maakten wij onder een klein
priëel van bamboes vuur, braadden onze charqui (reepjes gedroogd
ossevleesch) [233] dronken onze maté, en waren recht op ons gemak. Er
ligt eene onuitsprekelijke bekoring in zulk een leven in de open
lucht. De avond was kalm en stil; alleen hoorde men nu en dan het
schelle geluid van de bergbizcacha, en den zwakken kreet van den
geitenmelker (Caprimulgus europaeus). [234] Behalve dezen, bewonen
weinige vogels of zelfs insecten deze droge, verschroeide bergen.

[17 Augustus.]

Des morgens beklommen wij den ruwen klomp groensteen, die den top
bedekt. Zooals vaak gebeurt, was dit gesteente zeer verbrokkeld en
lag in groote hoekige stukken verspreid. Ik ontdekte echter eene
merkwaardige bijzonderheid, nl. dat vele oppervlakken alle graden
van verschheid vertoonden: sommige steenen schenen den vorigen
dag gebroken te zijn, op andere hadden zich zoo even korstmossen
neergezet, of daar reeds lang gegroeid. Ik geloofde zoo stellig,
dat dit aan de vele aardbevingen moest worden toegeschreven, dat ik
lust gevoelde van elken lossen stapel weg te loopen. Daar men zich in
dergelijke feiten zeer licht vergist, twijfelde ik aan de juistheid
er van, totdat ik den berg Wellington op Van-Diemensland besteeg,
waar geene aardbevingen voorkomen; en daar zag ik den bergtop even
zoo samengesteld en verbrokkeld, met dit verschil, dat het scheen of
alle brokken duizenden jaren geleden zoo waren neergeworpen, als zij
nu lagen.

Wij brachten den dag op den top door; en nooit smaakte ik zoo volop
genot als toen. Ik zag Chili, begrensd door de Andes en den Stillen
Oceaan, als op eene landkaart voor mij. Het genot van dit op zichzelf
reeds schoone panorama werd verhoogd door de vele beschouwingen,
die zich aan ons opdrongen bij het zien van de Campana-keten met
hare kleinere evenwijdig loopende bergreeksen, en van het breede
Quillota-dal, dat die ketens rechtstreeks snijdt. Wie zou zich
niet verwonderen over de kracht, die deze bergen heeft opgeheven,
en meer nog over de tallooze eeuwen, die voor het doorbreken, uit
den weg ruimen en sloopen van geheele berggevaarten noodig moeten
geweest zijn? Men denke in dat geval aan de uitgestrekte grint-
en sedimentaire lagen van Patagonië, die, als zij op de Andes
werden gestapeld, hunne hoogten met vele duizenden voeten zouden
vermeerderen. Toen ik in dat land was, verwonderde ik mij, dat eene
bergketen zulke groote hoeveelheden steen kon hebben geleverd, zonder
geheel te verdwijnen. Thans moeten wij onze verwondering niet omkeeren,
en twijfelen of de alvermogende tijd in staat is bergen--zelfs de
reusachtige Andes--tot grint en modder te vermalen!

Het voorkomen van de Cordilleras was anders dan ik verwacht had. De
onderste sneeuwgrens was natuurlijk horizontaal, en juist evenwijdig
met die grens schenen de effen toppen der keten te loopen. Maar op
enkele ver van elkander gelegen punten wees eene groep bergtoppen of
een enkele kegel de plaats aan, waar een vulkaan bestaan had of nog
bestond. Zoodoende geleek de bergketen op een reusachtigen steenen
muur, waarop hier en daar een toren stond, en die het land op de
volmaaktste wijze afsloot. In bijna elk deel van den Klokberg waren
boringen verricht, om te trachten goudgroeven te openen. De delfwoede
had bijna geen enkele plek in Chili onaangeroerd gelaten.

Ik bracht den avond door zooals te voren, in gesprek met mijne twee
metgezellen om het wachtvuur. De Guasos van Chili, die overeenkomen
met de Gauchos van de Pampas, zijn echter een geheel ander slag
menschen. Van deze twee landen is Chili het beschaafdere, en
bijgevolg hebben zijne inwoners veel van hun persoonlijk karakter
verloren. Verschillen in rangen komen veel scherper uit. De Guaso
beschouwt volstrekt niet elk mensch als zijns gelijke. Zeer verwonderde
het mij te zien, dat mijne metgezellen niet tegelijk met mij wilden
eten. Dit gevoel van ongelijkheid is een noodzakelijk gevolg van het
bestaan eener vermogens-aristocratie. Men zegt, dat zeer enkele van de
groote landeigenaars vijf- tot tienduizend pond sterling jaarlijksch
inkomen bezitten: welk verschil in rijkdom, naar ik geloof, in
geen der verschillende landen ten oosten van de Andes gevonden zal
worden. Een reiziger vindt hier niet die onbeperkte gastvrijheid,
welke alle betaling weigert; toch wordt zij zoo vriendelijk aangeboden,
dat men haar zonder schroom kan aanvaarden. Bijna elk huis in Chili
zal u des nachts opnemen, doch men verwacht, dat ge des morgens
eene kleinigheid zult geven; en zelfs een rijk man zal twee of
drie shillings aannemen. De Gaucho is een "fatsoenlijk man," een
gentleman, al is hij ook een moordenaar; de Guaso is in vele opzichter
beter, maar tevens een alledaagsch man uit het volk. Ofschoon beide
mannen hetzelfde beroep hebben, verschillen zij in hunne gewoonten
en kleeding; en de eigenaardigheden die elk bezit, zijn in de
wederzijdsche landen algemeen. De Gaucho schijnt één te zijn met zijn
paard, en versmaadt alle krachtsinspanning, wanneer hij op den rug van
het dier zit; den Guaso kan men huren om als arbeider in het veld te
werken. De eerste leeft geheel van dierlijk voedsel; de laatste bijna
geheel van planten. Hier zien wij niet de witte laarzen, de wijde
onderbroek en scharlakenroode chilipa--het schilderachtige kostuum
der Pampas. Hier wordt de gewone broek door zwart- en groen-sajetten
slobkousen bedekt. Bij beiden echter is de poncho in gebruik. Bij den
Guaso zijn het meest de sporen in eere, die overdreven groot zijn. Ik
mat er een, waarvan het wieltje zes inches middellijn had en aan den
omtrek meer dan dertig punten telde. De stijgbeugels zijn op gelijke
schaal, en bestaan elk uit een vierkant gebeiteld stuk hout, dat,
ofschoon uitgehold, nog drie of vier pounds weegt. De Guaso is met
den lazo misschien meer bedreven dan de Gaucho, maar de geaardheid
van zijn land brengt mede, dat hij het gebruik der bolas niet kent.

[18 Augustus.]

Wij daalden den berg af, en gingen voorbij eenige kleine gehuchten
met riviertjes en fraai geboomte. Nadat wij in dezelfde hacienda
hadden geslapen als te voren, reden wij op de twee volgende dagen
het dal in en bereikten zoo Quillota, dat meer een verzameling van
kweektuinen dan eene stad is. De boomgaarden waren schoon en vertoonden
eene aaneenschakeling van perzikbloesems. Ook zag ik op een of twee
plaatsen den dadelpalm. Dit is een statige boom, en ik geloof dat
eene groep daarvan in hunne oorspronkelijke Aziatische of Afrikaansche
woestijnen een prachtigen aanblik moet opleveren. Ook reden wij door
San Felipe, eene aardige uitgebouwde stad, evenals Quillota. Op dit
punt verwijdt zich het dal tot een dier groote ruimten of vlakten, die
tot aan den voet der Cordilleras reiken, en, gelijk wij gezegd hebben,
zulk een merkwaardig deel van het landschap in Chili uitmaken. Des
avonds bereikten wij de mijnen van Jajuel, gelegen in een ravijn ter
zijde van de groote keten. Ik bleef hier vijf dagen. Mijn gastheer, de
hoofdopzichter der mijn, was een schrander maar eenigszins onwetend
mijnwerker uit Cornwallis. Hij had eene Spaansche vrouw getrouwd en was
niet van plan naar zijn land terug te keeren; maar zijne bewondering
voor de mijnen van Cornwallis kende nog steeds geen grenzen. Onder
vele andere vragen die hij mij deed, was ook deze:

"Nu George Rex dood is, hoeveel blijven er van de familie Rex nog
in leven?"

Deze "Rex" moet stellig een bloedverwant zijn van den grooten schrijver
Finis, die alle boeken schreef! [235]

De mijnen van Jajuel zijn kopermijnen, en al het erts verscheept
men naar Swansea in Glamorganshire (Wallis), waar het gesmolten
wordt. Zoodoende hebben deze mijnen een bijzonder kalm aanzien,
vergeleken bij die in Engeland; geen rook, geen ovens of groote
stoomwerktuigen verstoren de stilte der naburige bergen.

Het Chileensche gouvernement, of liever de oude Spaansche wet moedigt
op allerlei wijzen het zoeken naar mijnen aan. De ontdekker mag,
tegen betaling van vijf shillings, eene mijn ontginnen op welken
grond ook, en mag haar twintig dagen lang zelfs in den tuin van een
ander beproeven, voordat hij die som betaalt.

Men weet thans, dat de Chileensche manier van mijnontginning
de goedkoopste is. Mijn gastheer zegt, dat de twee voornaamste
verbeteringen die de vreemdelingen hebben ingevoerd, geweest zijn:
1o. reductie van de koperpyrieten door voorafgaande roosting;
(de Engelsche mijnwerkers zagen namelijk, bij hunne komst in
Chili, tot hunne groote verbazing, dat dit erts als waardeloos werd
weggeworpen); 2o. het fijnstampen en wasschen van de slakken uit de
oude ovens--een proces waardoor een overvloed van metaaldeeltjes
gewonnen wordt. Inderdaad heb ik eene lading van zulke sintels
door muilezels naar de kust zien brengen, ter verzending naar
Engeland. Maar het eerste geval is wel het meest merkwaardige. De
Chileensche mijnwerkers waren zoo overtuigd, dat koperpyrieten geen
metaaldeeltjes bevatten, dat zij de Engelschen om hunne onwetendheid
uitlachten; maar dezen lachten op hunne beurt, en kochten de rijkste
aderen voor enkele dollars. Het is zeer zonderling, dat in een land
waar de mijnontginning vele jaren lang op uitgebreide schaal gedreven
wordt, zulk eene eenvoudige bewerking, als zacht roosten van het
erts voor de smelting om de zwavel te verwijderen, nooit ontdekt
is geworden. Ook heeft men in enkele eenvoudige werktuigen eenige
verbeteringen aangebracht; maar zelfs nu nog wordt uit sommige mijnen
het water verwijderd door mannen, die het in lederen zakken door de
schacht naar boven brengen!

De arbeiders werken zeer hard. Er wordt hun weinig tijd voor hunne
maaltijden gegund; in zomer en winter beginnen zij met het aanbreken
van den dag, en eindigen als het donker is. Zij worden betaald met
éen pond sterling 's maands, en hebben bovendien den kost, die bij
het ontbijt uit zestien vijgen en twee kleine broodjes, bij het
middagmaal uit gekookte boonen, en bij het avondeten uit kliekjes
geroosterde tarwekorrels bestaat. Vleesch proeven zij bijna nooit;
en van de twaalf pond 's jaars moeten zij zich kleeden en hun gezin
onderhouden. De arbeiders die in de mijn zelve werken, hebben 25
shillings per maand, en ontvangen een kleine portie charqui. Maar
deze mannen komen slechts eens in de veertien dagen of drie weken
uit hunne zwarte onderaardsche verblijven.

Gedurende mijn oponthoud alhier genoot ik volop van het dolen over
deze reusachtige bergen. De geologische gesteldheid was, zooals men
denken kan, zeer belangwekkend. De gebroken en samengebakken rotsen
met hare tallooze doorsnijdingen van groensteen-dijken, getuigden welke
beroeringen vroeger hadden plaats gehad. Het landschap geleek veel op
dat bij de Campana in het Quillota-dal: dorre naakte bergen, waarop
hier en daar wat struikgewas met schraal gebladerte. De cactussen,
of liever de Opuntia's, waren hier zeer talrijk. Ik mat er een van
bolvormige gedaante, die zes voet en vier inches in omtrek had,
de dorens medegerekend. De hoogte der gewone cilindrische vertakte
soort bedraagt 12 tot 15 voet; en de omtrek der takken met de dorens
3 en 4 voet.

Een hevige sneeuwval in het gebergte belette mij op de laatste
twee dagen eenige belangrijke uitstappen te doen. Ik trachtte een
meer te bereiken, dat de inwoners, om eene of andere onverklaarbare
reden, voor een zeearm houden. Eens, in een zeer droog jaargetijde,
stelde men voor eene poging te doen om van daaruit een kanaal voor
watertoevoer te graven; doch na beraad verklaarde de geestelijke dat
dit te gevaarlijk was, daar geheel Chili zou onderloopen, indien,
zooals algemeen ondersteld werd, het meer met den Stillen Oceaan in
verbinding stond. Wij stegen tot eene aanzienlijke hoogte, maar konden,
door de samengewaaide sneeuw die ons omringde, dit wonderlijke meer
niet bereiken, en aanvaardden met eenige moeite den terugtocht. Ik
dacht, dat wij onze paarden zouden verliezen, want wij konden niet
nagaan hoe diep de sneeuw was; en de dieren die bij den teugel werden
geleid, konden niet anders dan springende vooruitkomen. De donkere
lucht bewees, dat zich nieuwe sneeuwwolken samenpakten, zoodat wij
niet weinig in onzen schik waren een heenkomen te vinden. Nauwelijks
bereikten wij den voet, of de bui barstte los, en het was een geluk
voor ons, dat dit niet drie uren vroeger op den dag gebeurde.

[26 Augustus.]

Wij verlieten Jajuel en reden opnieuw het dal van San Felipe in. Het
was een echt Chileensche dag: een verblindend lichte hemel, en een
volkomen heldere lucht. Het dikke en gelijkmatige dek van versch
gevallen sneeuw maakte het gezicht op den vulkaan Aconcagua en de
groote keten inderdaad prachtvol. Wij waren nu op weg naar Santiago,
de hoofdstad van Chili. Wij trokken over de Cerro del Talguen, en
sliepen in een kleinen rancho. Sprekende over den toestand van Chili
in vergelijking met andere landen, zeide onze gastheer gelaten:

"Sommige menschen zien met twee oogen, anderen met een; maar ik voor
mij geloof, dat Chili met geen van beiden ziet."

[27 Augustus.]

Nadat wij een aantal lage bergjes waren overgetrokken, daalden wij
af in de kleine door land ingesloten Guitron-vlakte. In dalkommen,
zooals deze, die een- tot tweeduizend voet boven zee liggen, groeien
zeer talrijke, doch weinig ontwikkelde acacia's, die op grooten
afstand van elkander staan en tot twee species behooren. Eene andere
kenmerkende bijzonderheid in het landschap dezer dalkommen is, dat men
deze boomen nooit nabij de zeekust vindt. Wij trokken over een lagen
bergrug, welke Guitron scheidt van de groote vlakte waarop Santiago
ligt. Hier was het uitzicht in hooge mate verrassend: eene doodsche,
effene vlakte, gedeeltelijk met acacia-bosschen bedekt, en in de
verte de stad, die horizontaal aan den voet der Andes grensde, welker
besneeuwde toppen in de avondzon blonken. Bij den eersten aanblik was
het volkomen duidelijk, dat deze vlakte den bodem eener voormalige
binnenzee vormde. Zoodra wij op den vlakken weg waren, zetten wij
onze paarden in galop, en bereikten voordat het donker was de stad.

Ik bleef een week in Santiago en genoot zeer veel. Des morgens reed
ik naar verschillende plaatsen op de vlakte, en des avonds at ik
bij verschillende Engelsche kooplieden, wier gastvrijheid te dezer
stede wel bekend is. Een nooit falende bron van genoegen was het
afdalen langs den kleinen rotsheuvel Santa Lucia, die midden in de
stad uitloopt. De streek is inderdaad hoogst verrassend en, zooals ik
gezegd heb, zeer eigenaardig. Naar men mij bericht, dragen de steden
in de groote Mexicaansche hoogvlakte hetzelfde kenmerk. Van de stad
heb ik niets bijzonders te zeggen; zij is niet zoo fraai en groot als
Buenos Aires, maar volgens hetzelfde plan gebouwd. Ik kwam hier langs
een omweg naar het noorden, en besloot nu door een eenigszins langeren
tocht, ten zuiden van den rechten weg, naar Valparaiso terug te keeren.

[5 September.]

Op het midden van den dag kwamen wij aan een der uit huiden
vervaardigde hangbruggen over de Maypu--eene breede schuimende rivier,
enkele leagues ten zuiden van Santiago gelegen. Deze bruggen zijn
zeer ellendig ingericht. De weg, die de kromming der hangtouwen volgt,
is gemaakt van dicht bij elkander geplaatste bundels takken. Hij was
vol gaten, en slingerde tamelijk dreigend, zelfs onder het gewicht van
een man met zijn paard aan den teugel. Des avonds bereikten wij eene
geriefelijke pachterswoning, waar ik verscheidene zeer lieve segnoritas
ontmoette. Toen deze vernamen, dat ik louter uit nieuwsgierigheid
eene harer kerken was binnengegaan, ontstelden zij zeer.

"Waarom wordt u geen christen, segnor Darwin? Onze godsdienst berust
op zekere grondslagen," zeiden zij mij.

Of ik haar al verzekerde, dat ik eene soort van christen was, wilden
zij hier niet van hooren en beriepen zich op mijne eigene woorden.

"U zegt immers, dat uwe geestelijken en bisschoppen trouwen, niet
waar?"

De ongerijmdheid, dat een bisschop eene vrouw had, trof haar
bijzonder. Ternauwernood wisten zij of zij om zulk eene gruweldaad
eens hartelijk moesten lachen, dan wel zich ergeren.

[6 September.]

Wij trokken regelrecht zuidwaarts en sliepen te Rancagua. De weg liep
door eene effen maar smalle vlakte, aan den eenen kant door hooge
heuvels, aan den anderen kant door de Cordilleras begrensd. Den
volgenden dag sloegen wij het dal in van de Rio Cachapual, waarin
de sedert lang om hare geneeskrachtige eigenschappen vermaarde heete
bronnen van Cauquenes gelegen zijn. In de minder bezochte gedeelten
worden de hangbruggen gedurende den winter, als de rivieren laag zijn,
meestal weggenomen. Zulks was ook het geval in de Rio Cachapual-vallei,
zoodat wij genoodzaakt waren te paard den stroom over te steken. Dit
is vrij onaangenaam, wijl het schuimende water, dat echter niet diep
is, zoo snel door het bed van groote, ronde steenen loopt, dat het
hoofd er van duizelt, en het zelfs moeilijk is te zien of het paard
voortloopt dan wel stilstaat. Des zomers, als de sneeuw smelt, zijn
de stroomen geheel ontoegankelijk; hunne kracht en onstuimigheid zijn
dan buitengewoon groot, gelijk duidelijk te zien was aan de merken,
die zij hadden achtergelaten. Des avonds bereikten wij de bronnen,
waar wij vijf dagen bleven--de twee laatste, omdat de hevige regen ons
terughield. De gebouwen bestaan uit een vierkant van armzalige kleine
hutten, elk met ééne tafel en een bank. Zij liggen in eene enge en
diepe vallei even buiten de centrale keten van het Andes-gebergte. Het
is een rustig, eenzaam plekje met een overvloed van wild natuurschoon.

De minerale bronnen van Cauquenes ontspringen op eene
dislocatie-spleet, [236] welke door eene groep gelaagde steenen
loopt. Alles te zamen verraadt de werking van hitte. Eene aanzienlijke
hoeveelheid gas, vergezeld van water, ontsnapt voortdurend uit
dezelfde openingen. Ofschoon de bronnen slechts enkele yards van
elkander liggen, hebben zij zeer verschillende temperaturen; en
dit schijnt het gevolg te wezen van eene ongelijke bijmenging van
koud water, want die met de laagste temperatuur hebben bijna geen
mineralen smaak. Na de vreeselijke aardbeving in 1822 hielden de
bronnen op te vloeien, en duurde het bijna een jaar voordat het water
terugkeerde. Ook de aardbeving van 1835 had eene groote uitwerking op
ze, want hare temperatuur daalde plotseling van 118° tot 92°. [237]
Er is reden om te onderstellen, dat minerale wateren welke diep uit
de ingewanden der aarde ontspringen, altijd meer door onderaardsche
werkingen worden gestoord, dan die nabij de oppervlakte. De man,
die de bronnen bewaakte, verzekerde mij, dat het water des zomers
heeter en overvloediger is dan des winters. De eerste omstandigheid
had ik verwacht op grond van de geringere bijmenging van koud water
in het droge jaargetijde; maar de laatste verklaring schijnt zeer
vreemd en tegenstrijdig. De periodieke toeneming in den zomer, als er
geen regen valt, kan, dunkt mij, alleen door het smelten van de sneeuw
worden verklaard, ofschoon de bergen, die in dat jaargetijde met sneeuw
bedekt zijn, drie of vier leagues van de bronnen af liggen. Ik heb geen
reden om aan de geloofwaardigheid van mijn berichtgever te twijfelen,
die verscheidene jaren op dezelfde plek heeft gewoond, en met de zaak
dus wel bekend moet zijn. Is het geval waar, dan is het stellig zeer
zonderling; want wij mogen aannemen, dat het sneeuwwater, als het door
de poreuze lagen tot de warme onderaardsche ruimten is doorgedrongen,
langs de lijn der verzette en ingespoten [238] gesteenten te Cauquenes
weer naar de oppervlakte wordt gedreven; en de regelmatigheid van
het verschijnsel zou dan een aanwijzing zijn, dat er in deze streek
op geen zeer groote diepte gesmolten gesteente voorkwam.

Op zekeren dag reed ik het dal in naar de verst bewoonde plek. Dicht
voorbij deze plek verdeelt de vallei zich in twee vervaarlijke
ravijnen, welke diep in de groote bergketen dringen. Ik beklom
een steilen top van misschien meer dan 6000 voet hoogte. Hier,
gelijk trouwens op alle punten, ontrolde zich een panorama, dat de
grootste belangstelling verdiende. Het was door een dezer ravijnen, dat
Pincheira Chili binnentrok en de naburige landstreek verwoestte. Deze
is dezelfde persoon, wiens aanval op eene estancia aan de Rio Negro
ik reeds vroeger (Hoofdstuk IV, deel I) beschreven heb. Hij was een
gedeserteerde Spaansche kleurling, die eene talrijke bende Indianen
bijeenbracht, en zich bij eene rivier in de Pampas vestigde. Aan
geen van de troepen, die uitgezonden waren om hem te zoeken, gelukte
het zijn schuilplaats te vinden. Van dit punt ging hij op weg, trok
over de Cordilleras langs passen welke vóor hem door niemand waren
betreden, verwoestte de pachterswoningen en dreef het vee naar zijn
schuilhoek. Pincheira was een verbazend ruiter, en hij maakte al zijne
manschappen even kloek, doordien hij zonder genade elk neerschoot,
die aarzelde hem te volgen. Het was tegen dezen man en andere zwervende
Indiaansche stammen, dat Rosas den verdelgingskrijg begon.



[13 September.]

Wij verlieten de bronnen van Cauquenes, sloegen weder den grooten
weg in, en sliepen aan de Rio Claro. Van dit punt reden wij naar
de stad San Fernando. Voordat wij hier aankwamen, had het laatste
door land ingesloten keteldal zich verruimd tot eene groote vlakte,
die zich zoover zuidwaarts uitstrekte, dat het was als zag men de
besneeuwde toppen der meer verwijderde Andes boven den horizon der
zee liggen. San Fernando ligt 40 leagues van Santiago, en was mijn
verste punt zuidwaarts, want hier wendden wij ons rechthoekig naar
de kust. Wij sliepen bij de goudmijnen van Yaquil, geëxploiteerd door
zekeren Nixon: een welopgevoeden Amerikaan, aan wiens vriendelijkheid
ik gedurende mijn vierdaagsch verblijf in zijn huis veel verschuldigd
ben. Den volgenden morgen reden wij naar de mijnen, die eenige leagues
ver bij den top van een hoogen heuvel zijn gelegen. Onderweg zagen wij
terloops het Tagua-meer, vermaard om zijne drijvende eilanden, waarvan
Gay eene beschrijving heeft gegeven. [239] Deze eilanden bestaan uit
stengels van allerlei doode planten, die zich dooreenslingeren en
waarop andere levenden wortel schieten. Meestal zijn zij cirkelvormig,
bij eene dikte van 4 tot 6 voet, waarvan het grootste gedeelte onder
water ligt. Steekt de wind op, dan drijven zij van den eenen kant
van het meer naar den anderen, en nemen dikwijls vee en paarden als
passagiers mede. Toen wij aan de mijn kwamen, stond ik getroffen over
het bleeke uiterlijk van vele arbeiders. Op mijne vraag aan Nixon hoe
hunne leefwijze was, vertelde hij mij het volgende. De mijn is 450
voeten diep, en elk arbeider draagt omstreeks 200 Eng. ponden gewicht
aan steenen naar boven. Met dezen last moeten zij tegen boomstammen
opklimmen, welke in eene zigzaglijn in de schacht staan, en waarin
kruiselings kepen zijn gehakt. Zelfs baardelooze jongelieden, 18
en 20 jaren oud en met weinig ontwikkelde spieren (ik kon dit zien,
daar zij slechts een broek aan het naakte lichaam hadden), klimmen
met dezen zwaren last uit ongeveer dezelfde diepte. Een sterk man,
die aan dit werk niet gewoon is, baadt reeds in zijn zweet als hij
niet meer dan zijn eigen lichaam naar boven behoeft te dragen. Bij
dezen zeer harden arbeid leven zij geheel van gekookte boonen en
brood. Liever zouden zij alleen brood hebben; maar wijl hun meester
in den waan is, dat zij van brood alleen zoo hard niet kunnen werken,
behandelen zij hen als paarden en laten hen boonen eten. Het loon is
hier iets hooger dan in de mijnen van Jajuel, nl. 24 tot 28 shillings
per maand. Zij verlaten de mijnen slechts eenmaal in de drie weken,
en blijven dan twee dagen bij hun gezin. Er bestaat hier een zeer
krasse maatregel, die voor den opzichter echter van veel nut is. De
eenige weg om goud te stelen is, dat men stukken erts wegbergt, en,
zoodra er gelegenheid is, naar buiten brengt. Telkens als de mayordomo
zulk een verborgen stuk ontdekt, wordt de volle waarde er van op de
loonen van alle arbeiders verhaald, zoodat deze wel genoodzaakt zijn
op elkander toezicht te houden, tenzij dat allen samenspannen.

Als het erts naar den molen is gebracht, wordt het tot een uiterst fijn
poeder vermalen; door wassching verwijdert men de lichtere deeltjes,
en eindelijk wordt door amalgamatie het stofgoud gebonden. Volgens
de beschrijving is het wasschen eene zeer eenvoudige bewerking;
maar het is interessant te zien hoe gemakkelijk het poedervormige
moedergesteente van het metaal zelf gescheiden wordt, door nauwkeurige
regeling van den waterstroom naar het soortelijk gewicht van het
goud. De slib die uit de molens komt, wordt in vijvertjes verzameld,
waar zij bezinkt; nu en dan wordt zij hieruit verwijderd en op
een zelfden hoop geworpen. Dan begint eene reeks van scheikundige
werkingen: verschillende zouten kristalliseeren aan de oppervlakte,
en de massa wordt hard. Nadat zij een jaar of twee zoo gelegen
heeft, wordt zij opnieuw gewasschen, en scheidt dan goud af. Deze
bewerking kan zes- of zevenmaal worden herhaald; maar telkens neemt
de hoeveelheid goud af, en worden de vereischte tusschentijden
langer. [240] Er valt niet aan te twijfelen, of de reeds genoemde
scheikundige werking maakt telkens nieuw goud uit de eene of andere
verbinding vrij. Het ontdekken van eene methode om zulks vóór het
eerste vermalen te doen plaats hebben, zou de waarde van goudertsen
ongetwijfeld vele malen verhoogen. Het is merkwaardig te zien, hoe de
kleine hier en daar verspreide gouddeeltjes, die niet geheel vergaan
zijn, zich eindelijk tot eene merkbare hoeveelheid ophoopen. Kort
geleden kregen eenige mijnarbeiders, die zonder werk waren, verlof
den grond om het huis en de molens af te schrapen; zij wieschen de
aldus verkregen aarde, en scheidden zoo voor eene waarde van dertig
dollars aan goud af. Dit is eene getrouwe kopij van hetgeen in de
natuur plaats heeft. Bergen zijn onderhevig aan verval en slijten,
en met hen de metaaladeren, die zij bevatten. Het hardste gesteente
wordt tot uiterst fijne modder herleid; de gewone metalen oxydeeren,
en beiden worden weggevoerd. Maar goud, platina en enkele anderen
zijn bijna onverwoestbaar, zinken door hun gewicht naar den bodem,
en blijven daar achter. Nadat geheele bergen aldus door de hand der
natuur vermalen, vergruisd en gewasschen zijn, wordt het overschot
metaalhoudend, en acht de mensch het de moeite waard het scheidingswerk
te voltooien.

Al lijkt de bovengenoemde behandeling van de mijnwerkers ook slecht,
toch wordt het werk gaarne door hen aangenomen, want de toestand der
veldarbeiders is veel slechter. Hunne loonen zijn lager, en zij leven
bijna uitsluitend van boonen. Deze armoede moet hoofdzakelijk worden
toegeschreven aan de leenstelselvormige wijze, waarop het land bebouwd
wordt. De landeigenaar geeft eene kleine plek gronds aan den arbeider,
om daarop te bouwen en te kweeken, en heeft daarvoor dagelijks,
zoolang hij leeft en zonder uitbetaling van loon, het gebruik van
zijne diensten (of van die van een gevolmachtigde). Zoolang een vader
geen volwassen zoon heeft, die met zijn arbeid de rente kan betalen,
is er, behalve op enkele dagen, niemand die voor zijn stuk grond kan
zorgen. Dientengevolge is de diepste armoede een gewoon verschijnsel
onder de landbouwersklasse in Chili.

In dezen omtrek bevinden zich eenige oude Indiaansche bouwvallen,
en liet men mij een van die doorboorde steenen zien, welke, volgens
Molina, op vele plaatsen in groot aantal worden gevonden. Zij zijn
cirkelvormig, afgeplat, hebben eene middellijn van vijf tot zes
inches, en eene opening in het midden. Algemeen heeft men ondersteld,
dat zij als knoppen van knuppels werden gebruikt, al schijnt hun vorm
ook geenszins voor dat doel geschikt te wezen. Burchell [241] zegt,
dat sommige stammen in Zuid-Afrika wortels opgraven met behulp van
een stok, die aan het eene einde puntig is; een ronde steen met een
gat in het midden, waarin het andere einde van den stok bevestigd is,
verhoogt de kracht en het gewicht er van. Men acht het waarschijnlijk,
dat de Indianen van Chili vroeger een of ander ruw landbouwwerktuig
in gebruik hadden.

Op zekeren dag kwam er bezoek van een Duitschen verzamelaar in
natuurlijke historie, Renaus geheeten, en bijna tegelijktijdig van een
ouden Spaanschen rechtsgeleerde. Met genoegen hoorde ik het gesprek
aan, dat tusschen hen gevoerd werd. Renaus sprak het Spaansch zoo goed,
dat de oude advocaat hem voor een Chileen hield. De Duitscher vroeg
hem, op mij zinspelende, wat hij wel van den koning van Engeland dacht,
die een geleerde naar Chili zond om hagedissen en kevers te verzamelen,
en steenen te breken. De oude advocaat dacht eene poos ernstig na,
en zeide toen:

"Dat is niet goed. Hay un gato encerrado aqui (Hier schuilt wat
achter). Niemand is zoo rijk, dat hij menschen kan uitzenden om zulke
prullen te verzamelen. Mij bevalt het niet. Indien een van ons naar
Engeland ging om zulke dingen te doen, gelooft u dan niet dat de
koning van Engeland ons heel spoedig uit zijn land zou zetten?"

En die oude rechtsgeleerde behoorde, ambtshalve, tot de beter
onderrichte en meer beschaafde klasse! Drie of vier jaren geleden liet
Renaus eenige rupsen in een huis te San Fernando onder bewaking van
een meisje achter, dat ze zou voeden, opdat zij later in kapellen
zouden veranderen. Dit werd ruchtbaar in de stad; de gouverneur
en de geestelijken hielden raad, en meenden dat hier ketterij in
't spel moest zijn. Diensvolgens werd Renaus bij zijn terugkeer
gevangen genomen.

[19 September.]

Wij verlieten Yaquil en volgden de vlakke vallei, waardoor de Rio
Tinderidica vloeit en van gelijken vorm als het Quillota-dal. Ofschoon
deze vallei slechts enkele mijlen ten zuiden van Santiago ligt, is
het klimaat er veel vochtiger, met het gevolg dat er fraaie stukken
weiland zijn, die niet bevloeid worden. Den 20sten volgden wij deze
vallei tot waar zij in eene groote vlakte overging, die van de zee
tot aan het gebergte ten westen van Rancagua reikt. Weldra verdwenen
alle boomen en zelfs de struiken, zoodat de bewoners bijna evenzeer
van brandhout verstoken zijn als die van de Pampas. Daar ik nooit
van deze vlakten gehoord had, stond ik zeer verrast een dergelijk
landschap in Chili te vinden. De vlakten behooren tot meer dan eene
reeks met afwisselende hoogten, en worden door breede dalen met vlakke
bodems doorsneden. Deze beide omstandigheden getuigen, evenals in
Patagonië, van de werking der zee op langzaam rijzend land. In de
steile klippen, die deze dalen begrenzen, zijn eenige groote holen,
die zonder twijfel het eerst door de golven gevormd zijn; een daarvan,
La Cueva del Obispo of Het Bisschopshol genaamd, is beroemd en was
voorheen heilig. Dien dag gevoelde ik mij zeer onwel, en met zoodanig
gevolg, dat ik niet vóór het einde van October hersteld was.



[22 September.]

Onze tocht leidde voortdurend over groene, boomlooze vlakten. Den
volgenden dag kwamen wij aan een huis bij Navedad aan de zeekust,
waar een rijke haciendero ons onderkomen verschafte. Ik bleef hier de
twee volgende dagen, en besteedde die, ofschoon ik zeer onwel was, aan
het verzamelen van eenige zeeschelpdieren uit het Tertiaire Tijdvak.



[24 September.]

Thans was onze koers naar Valparaiso gericht, dat ik den 27sten met
veel moeite bereikte, en waar ik tot het einde van October aan mijn
bed gekluisterd bleef. Gedurende dien tijd woonde ik in het huis van
Corfield, wiens vriendelijkheid jegens mij ik niet genoeg in woorden
kan uitdrukken.



Ik zal hier een paar opmerkingen bijvoegen over eenige viervoetige
dieren en vogels van Chili. De Puma of Zuidamerikaansche Leeuw
is hier niet zeldzaam. Dit dier heeft eene groote geographische
verspreiding, en wordt gevonden van af de bosschen aan den evenaar,
in de woestijnen van Patagonië, tot 53° of 54° zuidelijk in de
koude en vochtige streken van Vuurland. Ik heb zijn spoor gezien in
de Cordilleras van Midden-Chili, op eene hoogte van minstens 1000
voet. In La Plata jaagt de puma voornamelijk op herten, struisvogels,
bizcacha's en andere kleine viervoeters; zelden valt hij daar vee
of paarden aan, en hoogst zelden menschen. In Chili doodt hij echter
vele jonge paarden en runderen, wat waarschijnlijk een gevolg is van
de schaarschheid aan andere viervoetige dieren; ook hoorde ik, dat
twee mannen en eene vrouw door deze dieren gedood waren. Men zegt,
dat de puma zijne prooi altijd doodt, door deze op den schouder te
springen, en dan met een zijner klauwen het hoofd naar achteren te
trekken totdat de halswervels breken. In Patagonië heb ik geraamten
van guanaco's gezien, wier halswervels aldus ontwricht waren.

Als de puma zijn bekomst heeft gegeten, bedekt hij het lijk met
een aantal groote struiken, en gaat er dan bij liggen waken. Deze
gewoonte is dikwijls oorzaak dat hij ontdekt wordt; want de condors
die in de lucht zweven, komen telkens omlaag om hun deel van het maal
te hebben, worden echter woedend verjaagd en vliegen alle tegelijk
weer op. De Chileensche Guaso weet dan, dat ergens een leeuw zijne
prooi bewaakt. De noodige bevelen worden gegeven, en mannen en honden
snellen ter jacht. Sir F. Head zegt, dat een Gaucho in de Pampas alleen
bij het zien van eenige condors die kringen in de lucht beschreven,
uitriep: "Een leeuw!" Mijzelf is het nooit gelukt iemand te ontmoeten,
die zulk een onderscheidingsvermogen bezat. Men zegt, dat, als een
puma eenmaal op deze wijze bij het bewaken van een lijk overvallen
en daarna opgejaagd is geworden, hij nooit die gewoonte meer volgt,
maar dat hij, na zich zat te hebben gegeten, ver wegloopt. De puma
wordt gemakkelijk gedood. In eene open of onbegroeide streek wordt hij
eerst met de bolas gegrepen, dan gelazeerd, en langs den grond gesleept
totdat hij bewusteloos is. Te Tandeel, in het zuiden van La Plata,
vertelde men mij, dat daar in drie maanden tijds honderd puma's op
die manier gedood waren. In Chili worden zij meestal uit struiken of
boomen verdreven, en dan neergeschoten of door honden doodgebeten. De
honden die voor deze jacht gebruikt worden, behooren tot een bijzonder
ras, leonero's [242] geheeten; deze zijn fijne, ranke dieren, evenals
langbeenige terriers, maar met een aangeboren bijzonder instinct voor
deze soort van jacht. De puma wordt beschreven als zeer listig; als
hij vervolgd wordt, keert hij dikwijls op zijn eerste spoor terug,
doet dan eensklaps een zijsprong in het kreupelhout, en wacht daar
tot de honden voorbij zijn. Hij is een zeer stil dier, en laat,
zelfs als hij gewond is, geen geluid hooren, tenzij eene enkele maal
in den bronsttijd.

Onder de vogels verdienen twee soorten van het geslacht Pteroptochos
(megapodius en albicollis van Kittlitz) wellicht de meeste aandacht. De
eerste, die door de Chilenen "el Turco" genoemd wordt, is zoo groot
als een jeneverbeslijster (Turdus pilaris), waaraan hij ook eenigszins
verwant is: met dit verschil, dat zijne beenen veel langer, zijn
staart korter, en de bek sterker zijn. Zijne kleur is roodbruin. De
Turco is niet zeldzaam. Hij leeft op den grond, verscholen tusschen
het kreupelhout dat op de droge en dorre heuvels is verspreid. Nu en
dan kan men hem, met den staart overeind, op zijne steltvormige beenen
met ongewone vlugheid uit het eene kreupelbosch naar het andere zien
huppelen. Er is inderdaad weinig verbeelding noodig om te gelooven,
dat de vogel over zichzelf beschaamd en zich zijne belachelijke
figuur bewust is. Op het eerste gezicht is men geneigd uit te roepen:
"Een afschuwelijk opgezet exemplaar is uit het een of ander museum
ontsnapt en weer levend geworden!" Niet dan met de grootste moeite
kan men hem dwingen op te vliegen; ook loopt hij niet, maar huppelt
slechts. De verschillende luide kreten, die hij uit als hij in de
struiken verborgen zit, zijn even vreemd als zijn voorkomen. Men zegt,
dat hij in een diep gat onder den grond zijn nest bouwt. Ik ontleedde
verscheidene exemplaren en vond in de maag, die zeer gespierd was,
kevers, plantvezels en steentjes. Wegens dit kenteeken, alsook om zijne
lange beenen, schraapvoeten, vliezig bekleedsel aan de neusgaten,
en zijne korte gewelfde vleugels, schijnt deze vogel in zekeren zin
de lijsters met de orde der Hoenders (Rasores) te verbinden.

De tweede soort of Pteroptochos albicollis is, wat den vorm in
't algemeen betreft, aan de eerste verwant. Deze vogel draagt den
naam van Tapacolo: hetgeen beteekent: "bedek je achterdeel;" en dien
naam verdient de schaamtelooze vogel ten volle, want hij draagt zijn
staart meer dan rechtop, namelijk in eene richting naar den kop. Hij
is zeer algemeen, en houdt zich op aan den voet van boomstammen, of
in de struiken die op de naakte heuvels zijn verspreid, waar bijna
geen andere vogel leven kan. In zijne gewone voedingswijze, zijn
snel heen en weer huppelen uit de kreupelbosschen; in zijne zucht om
zich te verschuilen, zijn onwil om te vluchten, en in de wijze waarop
hij zijn nest bouwt, bezit hij veel overeenkomst met den Turco; maar
zijn voorkomen is niet zoo geheel belachelijk. De Tapacolo is zeer
listig. Als iemand hem schrik aanjaagt, blijft hij onbeweeglijk midden
in een kreupelboschje zitten, en tracht dan na eene poos heel behendig
aan den anderen kant weg te sluipen. Ook is hij een bedrijvige vogel,
die voortdurend geluiden maakt. Deze geluiden zijn verschillend en
tevens zeer zonderling; sommige gelijken veel op het gekir eener
duif, andere op het geborrel van water, en vele tarten alle andere
geluiden. Het landvolk zegt, dat hij vijfmaal in 't jaar zijn geluid
verandert, hetgeen vermoedelijk met eene verandering van seizoen in
verband staat. [243]

Twee soorten van kolibries zijn hier inheemsch: Trochilus forficatus
vindt men over eene uitgestrektheid van 2500 mijlen aan de westkust,
van af het heete droge land van Lima, tot aan de wouden van Vuurland,
waar men hen in sneeuwstormen kan zien fladderen. Op het met bosschen
bedekte eiland Chiloë, dat een uiterst vochtig klimaat heeft en waar
dit vogeltje links en rechts tusschen de druipende bladeren springt,
is het misschien talrijker dan bijna elke andere soort. Ik opende de
magen van een aantal exemplaren, die in verschillende streken van dit
werelddeel geschoten waren, en vond in alle even talrijke overblijfsels
van insecten als in de maag van een specht. Als deze species des
zomers naar het zuiden trekt, wordt zij vervangen door eene andere,
die uit het noorden komt. Deze tweede soort (Trochilus gigas) is een
zeer groote vogel in die tengere familie waartoe hij behoort. Als deze
vogel vliegt, heeft hij een zonderling voorkomen. Evenals andere van
het geslacht beweegt hij zich van plek tot plek met een snelheid,
welke te vergelijken is bij die van Syrphus onder de vliegen, en
van Sphinx onder de nachtvlinders; maar als hij boven een bloem
fladdert, klapwiekt hij zeer langzaam en krachtig op eene wijze
geheel verschillend van die trillende beweging, welke aan de meeste
soorten eigen is en het gonzende geluid voortbrengt. Nooit zag ik
een anderen vogel, wiens vleugels zoo buitengewoon krachtig schenen
(evenals bij een kapel) in verhouding tot het lichaamsgewicht. Als
hij langs eene bloem fladdert, opent en sluit zijn staart zich als een
waaier, terwijl het lichaam een bijna vertikalen stand behoudt. Deze
staartbeweging schijnt den vogel tusschen de langzame slagen zijner
vleugels te steunen en in evenwicht te houden. Ofschoon hij van
de eene bloem naar de andere vliegt om voedsel te zoeken, bevatte
zijne maag bij onderzoek meestal talrijke overblijfsels van insecten,
zoodat ik vermoed dat hij de laatsten veel meer zoekt dan honig. Het
geluid van deze soort is uiterst doordringend, evenals dat van bijna
de geheele familie.



HOOFDSTUK XIII.

CHILOË EN DE CHONOS-EILANDEN.


[10 November 1834.]

De Beagle zeilde van Valparaiso naar het zuiden, met het doel het
zuidelijk deel van Chili, het eiland Chiloë, en het gebroken land--de
Chonos-archipel geheeten--tot aan het schiereiland Tres Montes op
te meten. Op den 21sten ankerden wij in de baai van San Carlos,
de hoofdstad van Chiloë. [244]

Het eiland is omtrent 90 mijlen lang, bij eene breedte van iets meer
dan dertig. Het land is heuvel-, doch niet bergachtig, en is, behalve
op enkele plekken waar het groen rondom de met stroo gedekte hutten
is weggekapt, geheel met een groot woud bedekt. Van verre gelijkt de
aanblik eenigszins op dien van Vuurland; maar van dichterbij gezien
zijn de bosschen onvergelijkelijk prachtiger. Vele soorten van fraaie,
altijd groene boomen en planten die een tropisch karakter dragen,
vervangen hier de donkere, sombere beuken der zuidelijke stranden. In
den winter is het klimaat afschuwelijk, en des zomers is het maar
weinig beter. Ik denk, dat er in de gematigde luchtstreken der
aarde weinige plekken zijn, waar zooveel regen valt. De winden zijn
zeer onstuimig, en de lucht is bijna altijd bewolkt. Eene week lang
mooi weder te hebben, is iets wonderlijks. Het is zelfs moeilijk de
Cordilleras vluchtig te zien. Tijdens ons eerste bezoek vertoonde de
Vulkaan Osorno op zekeren morgen zijne breede omtrekken. Dit gebeurde
vóór zonsopgang. Toen eindelijk de zon opging, was het verrassend
te zien hoe deze omtrekken allengs in het wazige schijnsel van den
oostelijken hemel verdwenen.

Om hunne gelaatskleur en kleine gestalte schijnen de bewoners voor
drie vierden Indiaansch bloed in de aderen te hebben. Zij vormen
een onderdanig, rustig en vlijtig slag van menschen. Ofschoon de
vruchtbare grond, die uit de verweering der vulkanische gesteenten is
ontstaan, een weligen plantengroei voortbrengt, is het klimaat toch
niet gunstig voor een product, dat veel zonneschijn noodig heeft om te
rijpen. Er is voor de groote viervoetige dieren zeer weinig weiland,
en dientengevolge zijn de voornaamste voedingsmiddelen: varkens,
aardappelen en visch. Alle bewoners dragen sterke wollen kleeren,
die elke familie voor zichzelve vervaardigt en met indigo of eene
donkerblauwe kleur verft. De kunst staat echter op den laagsten trap,
gelijk te zien is aan hunne zonderlinge manier van ploegen, hunne
wijze van spinnen, koren malen, en aan den bouw van hunne booten.

De wouden zijn zoo ondoordringbaar, dat het land nergens bebouwd wordt,
behalve in de nabijheid der kust en op de naburige eilandjes. Zelfs
daar waar paden bestaan, zijn deze bijna onbegaanbaar wegens de zachte
en moerassige gesteldheid van den grond. De bewoners doen, evenals
die van Vuurland, hunne tochten voornamelijk langs het strand of in
booten. Ofschoon er overvloed van voedsel is, zijn de lieden zeer arm;
er is geen vraag naar werk, en bijgevolg kunnen de lagere klassen
geen geld genoeg bijeengaren om zelfs de kleinste weeldeartikelen te
koopen. Ook is er groot gebrek aan een circulatie-middel. Ik heb een
man een zak houtskool op zijn rug zien wegbrengen, om daarvoor een
kleinigheid te koopen, en een ander eene plank zien wegdragen om die
tegen eene flesch wijn te ruilen. Elk handelaar moet dus ook koopman
zijn, en de goederen die hij in ruil neemt, weder verkoopen.

[24 November.]

De jol en de walvischboot werden onder bevel van Mr. (nu kapitein)
Sulivan uitgezonden, om de oostelijke of binnenkust van Chiloë op
te meten, en met last om de Beagle aan het zuideinde van het eiland
te ontmoeten--welk punt zij langs de buitenzijde zouden bereiken,
om zoodoende het geheele eiland rond te varen. Ik vergezelde deze
expeditie; maar in plaats van den eersten dag in de booten te gaan,
huurde ik paarden om mij naar het aan het noordeinde van het eiland
gelegen Chacao te brengen. De weg liep langs de kust en kruiste
telkens voorgebergten, die met prachtige wouden waren bedekt. Op
deze belommerde paden is het volstrekt noodzakelijk den geheelen weg
met houtblokken te bedekken, die in 't vierkant afgezaagd en naast
elkander worden gelegd. Doordien de zonnestralen nooit door de altijd
groene bladeren dringen, is de grond zoo vochtig en week, dat zonder
die houtbedekking man noch paard over het pad zouden kunnen gaan. Ik
kwam in het dorp Chacao, kort nadat de bemanning der booten de tenten
voor den nacht had opgeslagen.

In dezen omtrek was het hout over eene groote uitgestrektheid gekapt,
en gaf het woud menig rustig en schilderachtig hoekje te zien. Chacao
was vroeger de voornaamste haven van het eiland; maar toen vele
schepen door de gevaarlijke stroomingen en klippen in de Straat
verloren waren gegaan, verbrandde het Spaansche gouvernement de kerk,
en noodzaakte dus op willekeurige wijze het meerendeel der bewoners
naar San Carlos te verhuizen. Wij lagen nog niet lang in ons bivouak,
toen de zoon van den gouverneur op bloote voeten naar omlaag kwam,
om ons op te nemen. Toen hij de Engelsche vlag aan den top van den
mast der jol bespeurde, vroeg hij met de grootste onverschilligheid of
deze soms altijd te Chacao moest wapperen. Op verscheidene plaatsen
waren de bewoners zeer verwonderd booten van een oorlogsschip te
zien verschijnen, en hoopten en geloofden, dat dit de voorlooper
eener Spaansche vloot was, die het eiland op het patriottische
gouvernement van Chili kwam heroveren. Alle gezaghebbende personen
waren intusschen van ons voorgenomen bezoek onderricht, en ontvingen
ons uiterst beleefd. Terwijl wij ons avondeten gebruikten, bracht de
gouverneur ons een bezoek. Hij was luitenant-kolonel in Spaanschen
dienst geweest, maar verkeerde nu in de diepste armoede. Hij gaf
ons twee schapen, en nam in ruil daarvoor twee katoenen zakdoeken,
eenige koperen sieraden en een weinig tabak.

[25 November.]

Stroomen regen, welke intusschen niet beletten, dat wij snel de
kust afzakten tot aan Huapi-lenou. Deze geheele oostkust van Chiloë
heeft hetzelfde aanzien: eene vlakte, welke door valleien gebroken
en in kleine eilanden verdeeld is--alles met een ontoegankelijk,
donkergroen woud bedekt. Aan de kanten zijn eenige open ruimten,
die de hutten met hare hooge daken omringen.

[26 November.]

Bij het aanbreken van den dag was de lucht prachtig helder. De vulkaan
Osorno wierp wolken rook uit. Deze bij uitstek fraaie berg met zijne
zuiver kegelvormige gedaante, is geheel met sneeuw bedekt en staat
tegenover de Cordilleras. Ook een andere groote vulkaan, met een
zadelvormigen top, spoot uit zijn reusachtigen krater kleine stralen
stoom omhoog. Vervolgens zagen wij den Corcovado, die den naam van
"el famoso Corcovado" ten volle verdient, met zijn hoogen top. Zoo
zagen wij dan van eenzelfde punt drie groote werkende vulkanen,
elk van omstreeks 7000 voet hoogte.

Behalve deze waren er, ver zuidwaarts, andere hooge met sneeuw
bedekte toppen, die, ofschoon niet als werkzaam bekend, oorspronkelijk
vulkanisch moeten geweest zijn. In dezen omtrek is de Andesketen over
het geheel niet zoo hoog als in Chili; ook schijnt zij niet zulk een
volkomen scheidsmuur tusschen de aangrenzende gewesten der aarde te
vormen. Hoewel deze groote keten in eene rechte lijn van noord naar
zuid loopt, scheen zij, ten gevolge van een gezichtsbedrog, altijd min
of meer gebogen. Dit bedrog vond zijn oorzaak in de convergentie der
lijnen, die van de verschillende toppen naar het oog des waarnemers
werden getrokken, evenals de stralen van een halven cirkel in zijn
middelpunt convergeeren; en wegens de helderheid van den dampkring
en de afwezigheid van alle tusschenliggende voorwerpen, was het niet
mogelijk over den afstand der verst verwijderde toppen te oordeelen:
zij schenen in een eenigszins afgeplatten cirkel te staan.

Toen wij des middags aan land gingen, zagen wij een gezin van
zuiver Indiaansch bloed. De vader vertoonde eene zonderlinge
gelijkenis met York Minster, en enkele van de jongere knapen met
hunne roodachtige gelaatskleur hadden voor Pampas-Indianen kunnen
doorgaan. Na al wat ik gezien heb, houd ik mij overtuigd, dat tusschen
de verschillende Indiaansche stammen eene nauwe verwantschap bestaat,
niettegenstaande zij verschillende talen spreken. Dit gezelschap kon
maar weinig Spaansch voor den dag brengen, en sprak onder elkander
zijne eigene taal. Het is aardig de inboorlingen tot denzelfden trap
van beschaving gestegen te zien--hoe laag deze ook zij--als die welken
hunne overwinnaars bereikt hebben. Meer naar het zuiden zagen wij vele
echte Indianen. Werkelijk hebben op sommige eilandjes al de bewoners
hunne Indiaansche bijnamen behouden. Volgens den census van 1832 wonen
op Chiloë en onderhoorigheden 42000 zielen. Het meerendeel daarvan
schijnt van gemengd bloed te zijn; elf duizend hebben hunne Indiaansche
bijnamen behouden, maar het is niet waarschijnlijk, dat deze juist
allen van zuiveren bloede zijn. Hunne leefwijze is dezelfde als die
van de andere arme bewoners. Ofschoon allen christenen zijn, beweert
men, dat zij nog enkele vreemde bijgeloovige ceremoniën bezitten, en
volgens eigen verklaring met den duivel in gemeenschap staan, die in
sommige holen verborgen is. Voorheen zond men elk, die van deze zonde
overtuigd werd, naar de Inquisitie te Lima. Vele bewoners, die niet
onder de elf duizend met Indiaansche bijnamen begrepen zijn, kunnen
naar het uiterlijk niet van Indianen onderscheiden worden. Gomez,
de gouverneur van Lemuy, stamt aan beide zijden van Spaansche edelen
af; maar door voortdurend gemengde huwelijken met inboorlingen is de
tegenwoordige afstammeling een Indiaan. Aan den anderen kant pocht
de gouverneur van Quinchao zeer op zijn zuiver gehouden Spaansch bloed.

Des nachts bereikten wij eene fraaie kleine kreek in het noorden
van het eiland Caucahue. De menschen klaagden hier over gebrek aan
land. Gedeeltelijk is dit te wijten aan hunne eigen nalatigheid in
het sloopen van bosschen, anderdeels aan drukkende bepalingen van het
gouvernement, hetwelk eischt om vóór den aankoop van een stuk land,
hoe klein ook, twee shillings aan den opzichter te betalen voor elken
gemeten cuadro (150 vierk. yards), [245] behalve den prijs dien hij
voor de waarde van het land verkiest te stellen. Na zijne schatting,
moet het land driemaal in veiling worden gebracht, en zoo niemand meer
biedt, kan de kooper het voor dien prijs krijgen. Al deze afpersingen
moeten een ernstige hinderpaal zijn voor het ontbosschen van een land,
waar de bewoners zoo uitermate arm zijn. In de meeste landen worden
de wouden zonder veel moeite door middel van vuur gesloopt; maar op
Chiloë is het wegens de vochtige gesteldheid van het klimaat en de
soort boomen noodig hen eerst te kappen. Dit is een gevoelig nadeel
voor de welvaart van Chiloë. In den Spaanschen tijd konden de Indianen
geen land in bezit krijgen, en kon een gezin, na een stuk grond te
hebben ontboscht, verdreven worden met verbeurdverklaring van zijne
goederen door het gouvernement. De Chileensche autoriteiten verrichten
thans eene daad van rechtvaardigheid, door deze arme Indianen voor
hun verlies schadeloos te stellen en elk man, overeenkomstig zijn
stand, een zekere hoeveelheid land te geven. De waarde van niet
ontboschte gronden is zeer gering. Het gouvernement gaf aan Douglas
(den tegenwoordigen opzichter, die mij deze bijzonderheden mededeelde)
8 1/2 vierkante mijl bosch in de nabijheid van San Carlos, in ruil
voor eene schuld; en dezen grond verkocht hij voor 350 dollars of
ongeveer 70 pond sterling.

Op de twee volgende dagen was het fraai weder, en bereikten wij des
avonds het eiland Quinchao. Deze buurtschap is het meest bebouwde
gedeelte van den archipel; want eene breede strook lands op de
kust van het hoofdeiland, alsmede op vele aangrenzende kleinere
zijn bijna geheel van bosch bevrijd. Sommige pachthoeven schenen
zeer welvarend. Benieuwd hoe rijk zoo'n pachter hier wel zijn zou,
vroeg ik Douglas daarnaar; maar deze zeide, dat geen van deze lieden
geacht kon worden een geregeld inkomen te bezitten. Een van de rijkste
landeigenaars zou mogelijk in een lang, werkzaam leven een 1000 pond
sterling kunnen bijeenbrengen; maar mocht dit gebeuren, dan zou toch
al het geld in een geheimen hoek verborgen worden, want bijna elk
gezin is gewoon zijne schatten in eene kruik of kist onder den grond
te begraven.

[30 November.]

Zondagmorgen vroeg bereikten wij Castro, de oude hoofdstad van Chiloë,
thans echter eene zeer ellendige en verlaten plaats. De gewone
vierhoekige aanleg der Spaansche steden kon hier duidelijk worden
waargenomen, maar de straten waren met een fraai groen grastapijt
bedekt, waarop schapen graasden. De kerk, welke in het midden
staat, is geheel van planken gebouwd en heeft een schilderachtig en
eerwaardig voorkomen. De armoede der plaats kan worden opgemaakt
uit het feit, dat hoewel zij nog een honderdtal inwoners bevatte,
een van ons gezelschap nergens een pond suiker of een gewoon mes
kon koopen. Niemand bezat hier een horloge of klok; en een oud man,
die voor een goed tijdkenner doorging, werd gebruikt om op den gis
de kerkklok te luiden. De komst van onze booten was eene zeldzame
gebeurtenis in dezen stillen, afgelegen hoek der wereld; en bijna
alle bewoners kwamen naar het strand, om ons onze tenten te zien
opslaan. Zij waren zeer beleefd en boden ons een huis aan; één man
stuurde ons zelfs een vat appeldrank ten geschenke. In den namiddag
gingen wij den gouverneur een bezoek brengen--een kalm oud man,
die in zijn uiterlijk en leefwijs bijna niet boven een Engelschen
hutbewoner stond. Des avonds viel er een hevige regen, maar deze was
ternauwernood in staat den grooten kring van nieuwsgierigen om onze
tenten te verjagen. Een Indiaansch gezin, dat in eene kano van Caylen
gekomen was om handel te drijven, kampeerde in onze nabijheid. Zoolang
het regende, hadden deze lieden geene beschutting. Des morgens vroeg
ik aan een jongen Indiaan, die tot op de huid toe nat was, hoe hij
den nacht had doorgebracht. Hij scheen volkomen met zijn lot tevreden
en antwoordde: "Muy bien, segnor." (Zeer goed, mijnheer).

[1 December.]

Wij stevenden naar het eiland Lemuy. Ik was verlangend eene
steenkolenmijn te onderzoeken, waarvan men mij verteld had, maar die
een bruinkolenlaag bleek te zijn in den zandsteen (waarschijnlijk
van een oud tertiair tijdvak), waaruit deze eilanden bestaan. Toen
wij Lemuy bereikten, kostte het ons veel moeite eene plek te vinden
om onze tenten op te slaan; want het was springtij, en het land was
tot aan den rand van het water met bosch bedekt. In korten tijd waren
wij omringd door een grooten troep lieden van bijna echt Indiaansch
ras. Zij waren zeer verwonderd over onze komst, en zeiden tot elkander:

"Dit is de reden waarom wij onlangs zooveel papegaaien hebben gezien;
de cheucau (een zonderlinge kleine vogel met roode borst, die het
dichte woud bewoont en zeer eigenaardige geluiden voortbrengt) heeft
niet zonder reden "pas op" geschreeuwd." [246]

Spoedig kregen zij zin om te ruilen. Geld was bijna niets waard,
maar hunne begeerte naar tabak was iets zeer buitengewoons. Na den
tabak, had indigo de meeste waarde; dan volgden Spaansche peper,
oude kleeren en kruit. Het laatste artikel was noodig voor een zeer
onschuldig doel. Elk kerspel had namelijk een eigen snaphaan, en nu
diende het kruit om op heilige of feestdagen rumoer te maken.

De menschen leven hier voornamelijk van schaaldieren en aardappelen. In
sommige tijden van het jaar vangen zij ook veel visch in corrales
(heggen of omheiningen onder water), die bij vallend tij op de
modderbanken is achtergebleven. Nu en dan houden zij kippen, schapen,
geiten, varkens, paarden en rundvee; de volgorde waarin zij hier
genoemd worden, drukt de getalverhouding uit. Nooit zag ik zulke
voorkomende en onderdanige manieren als bij deze lieden. Meestal
begonnen zij met te verklaren, dat zij arme inboorlingen van de plaats
en geen Spanjaarden waren, en dat zij schromelijk gebrek hadden aan
tabak en andere versnaperingen of gemakken. Op Caylen, het meest
zuidelijke eiland, kochten onze zeelieden voor een handvol tabak ter
waarde van drie halve pences, twee hoenders, waarvan een (zoo beweerde
de Indiaan) een vlies tusschen de teenen had, en die een fraaie eend
bleek te zijn; en voor eenige katoenen zakdoeken ter waarde van drie
shillings, werden drie schapen en een groote rist uien gekocht. De
jol werd hier op eenigen afstand van het strand voor anker gelegd,
daar wij bevreesd waren voor dieven gedurende den nacht. Om dezelfde
reden zeide onze stuurman, Douglas, aan den commandant der plaats,
dat wij altijd schildwachten met geladen geweren op post zetten, en
dat wij, geen Spaansch kennende, zoodra wij iemand in het duister zagen
rondsluipen, onverbiddelijk op hem zouden schieten. Op zeer onderdanige
wijze keurde de commandant de billijkheid van dezen maatregel goed,
en beloofde ons, dat niemand dien nacht uit zijn huis zou komen.

Gedurende de vier volgende dagen zeilden wij voortdurend
zuidwaarts. Over het geheel behield het land hetzelfde aanzien,
doch was veel minder dicht bewoond. Op het groote eiland Tanqui was
bijna geen enkele open plek, en strekten de boomen hunne takken
aan alle zijden boven het strand uit. Op zekeren dag bespeurde
ik op de zandsteenklippen eenige zeer fraaie planten van de panque
(Gunnera scabra), welke eenigszins op eene reusachtige rhabarberplant
gelijkt. De inwoners eten de stengels, die een zuurachtigen smaak
bezitten, looien het leder met de wortels, en bereiden eene zwarte
verf daaruit. Het blad is bijna cirkelvormig, maar aan den rand van
diepe insnijdingen of tanden voorzien. Ik mat er een, dat bijna acht
voet in middellijn was, en dus niet minder dan 24 voet in omtrek. De
stengel is iets meer dan een yard hoog, en elke plant spreidt vier of
vijf van deze reusachtige bladeren uit, die te zamen een prachtigen
aanblik opleveren. [247]

[6 December.]

Wij bereikten Caylen, dat el fin del Cristiandad genoemd wordt. Des
morgens vertoefden wij eenige minuten in een huis aan het noordeinde
van Laylec--een zeer armzalig gehucht, dat den uitersten zetel
vormde van het Zuidamerikaansche christendom. Het lag op 43°10' Z.B.,
derhalve twee graden zuidelijker dan de Rio Negro aan de Atlantische
kust. Deze afgezonderde christenen waren zeer arm, en bedelden onder
verontschuldiging van hun toestand om wat tabak. Als bewijs van
de armoede dezer Indianen wil ik vermelden, dat wij kort te voren
een man hadden ontmoet, die drie en een halven dag geloopen had (en
denzelfden weg terug moest), om den geringen prijs van een bijltje en
eenigen visch te ontvangen. Als men zich zooveel inspanning getroost
om zulk eene kleine schuld te beuren, hoe moeilijk moet het dan zijn
om het kleinste artikel te koopen!

Des avonds bereikten wij het eiland San Pedro, waar wij de Beagle
voor anker vonden. Bij het omvaren van de landpunt, gingen twee
onzer officieren aan wal om met den theodoliet eene reeks hoeken
te meten. Een vos (Canis fulvipes), tot eene soort behoorende welke
uitsluitend op dit eiland voorkomt, hier zeer zeldzaam is en als eene
nieuwe species moet worden aangezien, zat op de rotsen. Hij zat zoo
aandachtig en verdiept naar het werk der officieren te kijken, dat
ik hem in stilte van achteren kon naderen en met mijn geologischen
hamer op den kop kon slaan. Deze vos, die meer nieuwsgierig of
wetenschappelijk, doch minder wijs was dan zijne broeders in het
algemeen, staat nu opgezet in het Museum van de Zoological Society.

Wij bleven drie dagen in deze haven. Op een daarvan poogde kapitein
Fitz-Roy met een gezelschap den top van San Pedro te bereiken. De
bosschen hadden hier een eenigszins ander aanzien dan die op het
noordelijk deel van het eiland. Ook het gesteente verschilde en
bestond uit glimmerschiefer. Er was geen strand, en de steile rotsen
daalden bijna loodrecht in het water. Dientengevolge was het voorkomen
over 't geheel meer dat van Vuurland dan van Chiloë. Vruchteloos
trachtten wij den top te bereiken; het woud was zoo ondoordringbaar,
dat niemand die dit niet gezien heeft, zich zulk eene verwarde massa
van stervende en doode stammen kan voorstellen. Ik ben er zeker van,
dat onze voeten dikwijls langer dan tien minuten achtereen den grond
niet raakten, en menigmaal waren wij tien tot vijftien voeten er
boven, zoodat onze zeelieden voor den grap de peilingen afriepen. Op
andere keeren kropen wij achter elkander op handen en voeten onder
de verrotte stammen door. Op het lagere gedeelte van den berg zag
men statige boomen van den Drymis Winteri, eene soort laurierboomen
evenals de sassafras met welriekende bladeren, en ook andere waarvan
ik de namen niet ken, door een kruipenden bamboes- of rietstengel
ontvlochten. [248] Hier geleken wij meer op visschen die in een
net spartelden, dan op menschen. Op de hoogere gedeelten maken de
grootere boomen plaats voor kreupelhout, met hier en daar een rooden
ceder-, een lorke- of een pijnboom. Ook vond ik tot mijn genoegen,
onzen ouden vriend, den zuidelijken beuk. Het waren echter schrale,
weinig ontwikkelde boomen en ik onderstel dat hier hunne noordelijke
grens moet zijn. Eindelijk gaven wij, wanhopig, de poging op.

[10 December.]

De jol en de walvischboot, onder leiding van Sulivan, zetten de
opmeting voort, terwijl ik aan boord bleef van de Beagle, die den
volgenden morgen San Pedro verliet en koers zette naar het zuiden. Op
den 13den liepen wij snel eene opening binnen in het zuidelijk deel
van den Guaitecas- en Chonos-archipel; en het was gelukkig, dat
wij dit deden, want den volgenden dag woedde er een storm, Vuurland
waardig, met groote kracht. Aan den donkerblauwen hemel pakten zich
witte wolkgevaarten samen, te midden waarvan zwarte dampstroomen met
snelheid werden voortgedreven. De opvolgende bergketenen geleken
op zwarte schaduwen; en de ondergaande zon wierp op het boschland
een gelen glans, die veel overeenkwam met het schijnsel van een
wijngeestvlam. Het water zag wit van het vliegende schuim, en de wind
huilde en gierde opnieuw door het want. Het was een onheilspellend,
grootsch schouwspel. Gedurende enkele minuten vertoonde zich een
heldere regenboog; en nu nam men het zeldzame verschijnsel waar, dat
de gewone halve cirkel, door breking en terugkaatsing van het licht
op het schuim dat over de oppervlakte van het water werd gedreven,
in een geheelen veranderde--eene voortzetting van den prismatischen
kleurenband, die zich van de uiteinden van den gewonen boog, over de
baai heen, tot dicht bij de zijde van het schip uitstrekte, en aldus
een verwrongen, maar bijna volledigen ring vormde.

Wij bleven hier drie dagen. Het slechte weder hield aan; maar wijl de
oppervlakte van het land op al deze eilanden nagenoeg ontoegankelijk
is, deed dat weinig ter zake. De kust is zoo ruw, zoo oneffen, dat
wie daar langs poogt te wandelen, genoodzaakt is voortdurend over
de scherpe rotsen van glimmerschiefer op en neer te klauteren. En
wat de bosschen betrof--onze aangezichten, handen en scheenbeenderen
droegen de sporen van de mishandeling, die wij bij de minste poging
om in hunne verboden schuilhoeken door te dringen, ondervonden.

[18 December.]

Wij bleven voortdurend op zee. Den 20sten zeiden wij het zuiden
vaarwel, en wendden bij een gunstigen wind den boeg van het schip
noordwaarts. Van kaap Tres Montes af zeilden wij voorspoedig langs
de hooge verweerde kust, die met de steile omtrekken van hare bergen
en het dichte woudtapijt op hare bijna loodrechte rotswanden, een
merkwaardigen aanblik oplevert. Den volgenden dag werd eene haven
ontdekt, welke op deze gevaarlijke kust voor een schip in nood van
grooten dienst zou kunnen zijn. Zij is gemakkelijk te herkennen
aan een 1600 voet hoogen berg, van eene nog zuiverder kegelvormige
gedaante dan het vermaarde suikerbrood bij Rio de Janeiro. Den
volgenden dag gingen wij voor anker, en slaagde ik er in den top
van dezen berg te bereiken. Het was eene vermoeiende onderneming,
want de hellingen waren zóó steil, dat op sommige plaatsen de boomen
als ladders gebruikt moesten worden. Hier waren ook verscheidene
uitgestrekte kreupelboschjes van de Fuchsia, met hare fraaie hangende
bloemen bedekt, maar zeer moeilijk om door te kruipen. In deze woeste
streken is het een groot genot den top van een berg te bereiken. Men
wordt gedreven door eene onbestemde verwachting iets zeer vreemds te
zullen zien; en hoe dikwijls ook teleurgesteld, liet die verwachting
nooit na mij bij elke poging opnieuw te streelen. Ieder moet dat
triomfantelijke gevoel van trots kennen, hetwelk een grootsch uitzicht
van een hoog gelegen punt aan onze ziel verschaft. In deze weinig
bezochte oorden paart zich aan dat gevoel ook eene zekere ijdelheid,
dat men misschien de eerste mensch is, die ooit op dezen top stond
of dit panorama bewonderde.

Altijd gevoelt men een sterk verlangen om zich te vergewissen of eene
eenzaam gelegen plek reeds vroeger door een mensch bezocht is. Een
stukje hout met een spijker er in wordt opgeraapt en bestudeerd,
alsof het met hiëroglyphen bedekt was. Door dit gevoelen beheerscht,
vond ik met veel belangstelling op een woest gedeelte der kust, onder
een rotsrand, een leger of bed van gras. Dicht daarbij had een vuur
gebrand en had een mensch een bijl gebruikt. Zoowel het vuur, het
grasbed, als de plek zelve getuigden van Indiaansche slimheid. Toch
kon het moeilijk een Indiaan geweest zijn; want ten gevolge van
den wensen der katholieken om de Indianen met één slag christenen of
slaven te maken, was het ras op dit gedeelte der kust uitgestorven. Ik
had destijds een duister vermoeden, dat de eenzame man die op deze
onherbergzame plek zijn leger had gespreid, een arme schipbreukeling
moest geweest zijn, die bij eene poging om de kust langs te gaan,
zich hier had nedergelegd om den barren nacht door te brengen.

[28 December.]

Gestadig bleef het weder zeer slecht; maar eindelijk stelde het ons in
staat met de opmeting voort te gaan. De tijd duurde ons bijster lang,
zooals steeds het geval was, wanneer wij door voortdurende windvlagen
van den eenen dag in den anderen werden opgehouden. Des avonds werd
eene andere haven ontdekt, waar wij ankerden. Terstond daarop zagen
wij een man met zijn hand zwaaien, en werd eene boot uitgezonden,
die twee zeelieden medebracht. Zij behoorden tot een troepje van zes
man, die in eene boot van een Amerikaansch walvischvaartuig ontvlucht,
iets verder zuidwaarts waren geland, alwaar de boot kort daarop door
de branding in stukken was geslagen. Toen hadden zij vijftien maanden
lang de kust op en neer geloopen, zonder te weten waarheen, noch waar
zij zich bevonden. Welk een wonderlijk buitenkansje, dat deze haven
ontdekt werd! Zonder dit toeval, hadden zij kunnen zwerven totdat
zij oud waren geworden, om ten slotte op deze onherbergzame kust hun
graf te vinden! Hun lijden was zeer groot geweest, en een van den
troep had door een val van de rotsen het leven verloren. Soms waren
zij genoodzaakt geweest elkander te verlaten om voedsel te zoeken;
en dit verklaarde het grasleger van den eenzamen zwerver. Zoo ik in
aanmerking neem al de ellende die deze mannen hadden doorgestaan,
dan meen ik te mogen zeggen, dat zij goed rekening gehouden hadden
met den tijd, want zij waren slechts vier dagen ten achteren.

[30 December.]

Wij ankerden in eene kleine verborgen kreek aan den voet van eenige
hooge heuvels, nabij de uiterste noordpunt van Tres Montes. Den
volgenden morgen, na het ontbijt, beklom ik met anderen een van deze
bergen, welke eene hoogte had van 2400 voet. Hier vertoonde zich een
ongewoon schouwspel. Het hoofdgedeelte van de keten bestond uit hechte,
steile, indrukwekkende granietmassa's, die er uitzagen alsof zij
van het begin der wereld af bestaan hadden. Het graniet was overdekt
met glimmerschiefer, dat in den loop der eeuwen door atmospherische
invloeden tot grillige, vingervormige spitsen was afgesleten. Deze
twee formaties, ofschoon verschillend in omtrekken, hebben dit
gemeen, dat zij bijna geheel van plantengroei zijn verstoken. Dit
kale voorkomen maakte op ons, zoo lang gewoon aan het gezicht van
een bijna onafgebroken woud van donkergroene boomen, een vreemden
indruk. Het onderzoek naar de structuur dezer bergen verschafte mij
veel genot. De samengestelde en hooge ketens droegen een grootschen
stempel van duurzaamheid, die echter voor den mensch en ook voor alle
dieren nutteloos was. Voor den geoloog is graniet klassieke grond:
om zijne uitgebreide grenzen, zijne fraaie en dichte structuur is onze
kennis daarvan zoo oud, dat het hierin door slechts weinige gesteenten
wordt overtroffen. Graniet heeft wellicht tot meer geschilvoeringen
aanleiding gegeven, wat zijn ontstaan betreft, dan alle andere
formaties. Wij zien het in 't algemeen het fundamentale gesteente
samenstellen, en kennen het--hoe ook gevormd--als de diepste laag
in de aardkorst, waartoe de mensch is doorgedrongen. De grens der
menschelijke kennis aangaande eenig onderwerp is van groot belang,
te grooter, misschien, wegens de korte schrede tusschen die kennis
en het rijk der verbeelding.



[1 Januari 1835.]

Het nieuwe jaar is ingeleid met de ceremoniën, welke in deze
streken bij zulk eene gelegenheid passen. Het spiegelt ons geene
bedriegelijke verwachtingen voor: een hevige storm uit het noordwesten
met aanhoudenden regen kondigt het nieuwe jaar aan. Gode zij dank,
zijn wij niet bestemd om hier het einde er van te zien, maar hopen
dan in den Stillen Oceaan te zijn, waar een blauwe lucht ons zegt,
dat er een hemel is--iets aan gene zijde der wolken boven ons hoofd.

De noordwestenwinden, die op de vier volgende dagen heerschten,
gebruikten wij alléen om eene groote baai over te steken, en vervolgens
in eene andere veilige haven te ankeren. Ik vergezelde den kapitein in
eene boot naar het boveneinde eener diepe kreek. Het aantal robben, die
wij onderweg zagen, was inderdaad verbazend; elk plekje vlakke rots,
alle deelen van het strand waren met hen bedekt. Zij schenen goedig van
aard te zijn, en lagen, evenals varkens, in diepen slaap tegen elkander
gedrukt, maar te midden van zooveel vuil en stank, dat zelfs varkens
zich daarvoor geschaamd zouden hebben. Elke troep werd geduldig,
maar onheilspellend bespied door de oogen van den kalkoenschen
buizerd. Deze weerzinwekkende vogel met zijn naakten, scharlakenrooden
kop, die gevormd schijnt om in rottende zelfstandigheden te wroeten,
is aan de westkust algemeen, en hunne tegenwoordigheid bij de robben
getuigt waarop zij rekenen om zich te voeden.

Wij vonden het water (waarschijnlijk alléén dat van de oppervlakte)
bijna zoet. Dit werd veroorzaakt door het aantal stroomen, die in den
vorm van watervallen over de naakte granietbergen in zee stortten. Het
zoete water trekt de visschen aan, en deze trekken op hunne beurt eene
menigte zeezwaluwen, zeemeeuwen en twee soorten van zeeraven. Ook
zagen wij een paar fraaie zwanen met zwarte halzen, en verscheidene
kleine zeeotters, wier pels zoozeer op prijs wordt gehouden. Bij
onzen terugkeer, werden wij nogmaals aangenaam bezig gehouden door de
talrijke robben, oude en jonge, die op onstuimige wijze in het water
buitelden toen de boot voorbijging. Zij bleven echter niet lang onder
water, maar kwamen weer boven, en volgden ons met gestrekte halzen
en teekenen van groote verbazing en nieuwsgierigheid.

[7 Januari.]

De kust opwaarts volgend, ankerden wij bij het noordeinde van den
Chonos-archipel, in Low's Haven, waar wij eene week bleven. Evenals
op Chiloë, bestonden hier de eilanden uit eene zachte, gelaagde
littorale afzetting, en dientengevolge was de plantengroei prachtig
en welig. De bosschen reikten tot aan het zeestrand, evenals altijd
groene heestergewassen boven een grintpad. Van onze ankerplaats
genoten wij ook een prachtig uitzicht op vier besneeuwde toppen van
de Cordilleras, waaronder el famoso Corcovado. De keten zelve had op
deze breedte zulk eene geringe hoogte, dat slechts enkele deelen er
van boven de toppen der naburige eilandjes uitstaken. Wij vonden hier
een troepje van vijf mannen uit Caylen--het reeds genoemde fin del
Cristiandad--die in hunne ellendige kano op de meest gewaagde manier
de opene zee, welke Chonos van Chiloë scheidt, waren overgestoken om
te visschen. Naar alle waarschijnlijkheid zullen deze eilanden binnen
kort bewoond worden, evenals die welke bij de kust van Chiloë liggen.



De wilde aardappel groeit op deze eilanden in grooten overvloed, en
wel op den zandigen, schelpachtigen bodem bij de zeekust. De grootste
plant was vier voet hoog. De knollen zelven waren over 't geheel
klein; maar ik vond er een van ovale gedaante, die twee inches (5.08
centim.) in middellijn was. Zij geleken in alle opzichten op Engelsche
aardappelen en hadden ook denzelfden geur als deze; gekookt, krompen
zij echter sterk samen, waren waterig en flauw, en zonder eenigen
prikkelenden smaak. Zonder twijfel zijn zij hier inheemsch. Volgens
Low groeien zij tot 50° Z.B., en worden daar door de wilde of zwervende
Indianen Aquinas genoemd; de Indianen van Chiloë hebben er een anderen
naam voor. Professor Henslow, die de gedroogde exemplaren onderzocht
heeft, zegt dat zij dezelfde zijn als die uit Valparaiso, door Sabine
beschreven, [249] maar dat zij eene variëteit of basterdsoort vormen,
die sommige plantkundigen als eene verschillende soort beschouwen. Het
is opmerkelijk, dat dezelfde plant zou gevonden zijn op de dorre
bergen van Midden-Chili, waar in meer dan zes maanden geen droppel
regen valt, en in de vochtige wouden dezer zuidelijke eilanden.

In de centrale gedeelten van den Chonos-archipel (45° Z.B.) bezat het
woud vrij wel hetzelfde karakter als langs de geheele westkust--600
mijlen ver zuidwaarts tot Kaap Hoorn. Terwijl het boomvormige gras
van Chiloë hier niet gevonden wordt, groeit de Vuurlandsche beuk tot
eene flinke hoogte, en vormt een aanzienlijk deel van het bosch, doch
niet in die overheerschende mate als verder zuidwaarts. Kryptogamen
of bedekt bloeiende planten vinden hier een zeer voor haar geschikt
klimaat. Zooals ik te voren heb opgemerkt, schijnt het land in de
Straat van Magelhaen te koud en te nat voor deze planten, om zich
volkomen te ontwikkelen; maar op deze eilanden en te midden van
het woud is het aantal soorten en de groote overvloed van mossen,
paddenstoelen en kleine varens inderdaad buitengewoon. [250] In
Vuurland groeien boomen alleen op de heuvelhellingen, daar elk vlak
gedeelte van het land steeds met eene dikke veenlaag bedekt is; maar
op Chiloë draagt het vlakland de weelderigste wouden. Hier, in den
Chonos-archipel, komt het klimaat dichter bij dat van Vuurland dan
van noordelijk Chiloë, want elk plekje vlakke grond is bedekt met
twee soorten planten (Astelia pumila en Donatia magellanica), die
beide door afsterving en verval eene dikke en buigzame veenlaag vormen.

In Vuurland, en wel boven de streek van het boschland, is het
voornamelijk de eerste dezer bij uitstek gezellige planten, welke
de veenvorming veroorzaakt. Rondom den centralen hoofdwortel volgt
steeds het eene versche blad het andere op; de lagere sterven
weldra af, en als men nu een wortel tot onder den grond vervolgt,
kan men de bladeren, nog op dezelfde plaats bevestigd, alle stadiums
van ontbinding zien doorloopen, tot waar het geheel in eene verwarde
massa overgaat. De Astelia wordt bijgestaan door enkele andere planten:
hier en daar een kruipende Myrtus (M. nummularia) met een houtachtigen
stengel, evenals onze blauwbezie (Vaccinium uliginosum), en met eene
zoete bes: vervolgens een Empetrum (E. rubrum) evenals ons heidekruid,
en eindelijk een bies (Juncus grandiflorus). Deze zijn nagenoeg de
eenigen, die op de moerassige oppervlakte leven. Ofschoon deze planten
in het algemeen zeer veel overeenkomst bezitten met de Engelsche
soorten van hetzelfde geslacht, zijn zij toch verschillend. In de meer
effen gedeelten van het land, wisselt de veenoppervlakte af met kleine
waterpoelen, die op verschillende hoogten staan en kunstmatig schijnen
uitgediept te zijn. Kleine ondergrondsche waterstroomen voltooien de
verrotting der plantaardige stof, en maken de geheele massa vast.

Het klimaat van het zuidelijk deel van Amerika schijnt voor de
veenvorming bijzonder gunstig. Op de Falklands-Eilanden wordt bijna
elke plantensoort--zelfs het grove gras dat de gansche oppervlakte van
het land bedekt--in deze stof omgezet. Bijna geen enkele plek houdt
zijn groei tegen. Enkele veenbeddingen zijn tot 12 voet diep, en het
lagere gedeelte wordt door opdroging zóó vast, dat het moeilijk zal
branden. Ofschoon elke plant het hare bijdraagt, is toch de Astelia op
de meeste plaatsen het werkzaamst. Het is een eenigszins zonderling
feit, zoozeer verschillend van wat in Europa geschiedt, dat ik in
Zuid-Amerika nergens het mos door rotting aan de vorming van eene
veenlaag zag deelnemen. Wat de noordelijke grens betreft, tot welke
het klimaat die bijzondere soort van langzame ontbinding toelaat als
voor de veenvorming noodig is, geloof ik, dat op Chiloë (41°-42°
Z.B.) geen veen in den eigenlijken zin voorkomt, niettegenstaande
er veel moerassige grond is; maar op de Chonos-Eilanden, drie graden
zuidelijker, hebben wij het in overvloed gezien. Op de oostkust van
La Plata (35° Z.B.) vertelde mij een Spaansche bewoner, die Ierland
bezocht had, dat hij dikwijls naar deze stof gezocht had, doch ze nooit
had kunnen vinden. Als iets dat er het naast bij kwam, wees hij mij een
door hem gevonden zwarten veenachtigen grond, welke zoo doorboord was
van wortels, dat hij slechts uiterst langzaam en onvolkomen verbrandde.



De zoölogie dezer gebroken eilandjes van den Chonos-archipel is,
zooals te verwachten was, zeer arm. Van de viervoetige dieren
zijn er twee watersoorten inheemsch. De Myopotamus Coypus [251]
(evenals een bever, doch met een ronden staart) is wel bekend om
zijn fraai bont, dat een handelsartikel is door het geheele aan La
Plata cijnsplichtige gebied. Hier bewoont hij echter uitsluitend zout
water, hetgeen, zooals wij reeds schreven, soms ook met het groote
knaagdier, de Capybara, het geval is. Een kleine zeeotter is zeer
talrijk. Dit dier voedt zich niet uitsluitend met visch, maar leeft,
evenals de robben, voor een groot deel van eene kleine roode krab,
die in scholen nabij de oppervlakte van het water zwemt. In Vuurland
zag Bynoe een zeeotter, die een inktvisch at, en in Low's Haven werd
er een gedood, die bezig was eene groote rolslak (Voluta) naar zijn
hol te dragen. Op zekeren dag ving ik in eene val eene zonderlinge
kleine muis (Mus brachiotis), die op vele eilandjes inheemsch scheen
te zijn; maar de Chiloten te Low's Haven zeiden, dat deze muis niet
op alle werd gevonden. Welk eene aaneenschakeling van toevalligheden,
[252] of welke niveau-veranderingen moeten er in 't spel geweest zijn,
om deze kleine dieren zoo door dezen gebroken archipel te verspreiden!

Op elk deel van Chiloë en in den Chonos-archipel komen twee zeer
vreemde vogels voor, die aan den Turco en Tapacolo van Midden-Chili
verwant zijn, en hen hier vervangen. De een wordt door de inwoners
cheucau (Pteroptochos rubecula) genoemd, en houdt zich in de
donkerste en eenzaamste gedeelten der vochtige wouden op. Soms zal
men, ondanks alle opmerkzaamheid, den cheucau niet ontdekken, zelfs
al wordt zijn kreet in de onmiddellijke nabijheid gehoord; op andere
keeren kan het gebeuren, dat de vogel, zoo men zich niet verroert,
op de vertrouwelijkste wijs tot op enkele voeten afstands nadert. Hij
huppelt dan rusteloos, met zijn staartje omhoog, tusschen de verwarde
massa van rottende stengels en takken. De Chiloten koesteren eene
bijgeloovige vrees voor den cheucau, wegens zijne zonderlinge en
afwisselende kreten. Er zijn drie zeer verschillende kreten: de
een wordt chiduco genoemd, en is een gunstig voorteeken; de tweede,
huitreu geheeten, is uiterst ongunstig; en dan een derde, waarvan mij
de naam is ontschoten. Het is inderdaad een allergrappigst wezen, dat
de Chiloten tot hunnen profeet hebben gekozen. Eene verwante soort,
maar iets grooter, wordt door de inboorlingen Guid-guid (Pteroptochos
Tarnii), en door de Engelschen "Blaffende Vogel" genaamd. Deze laatste
naam is juist gekozen; want ik ben er zeker van, dat elk, die hem voor
het eerst hoort, overtuigd is dat ergens in het bosch een kleine hond
keft. Evenals met den cheucau het geval is, zal men het geblaf soms
dichtbij hooren, maar ondanks alle opmerkzaamheid dikwijls vergeefsche
pogingen doen om den vogel te zien; en die kans wordt nog geringer,
wanneer men de struiken schudt; op andere keeren, daarentegen, komt
de guid-guid onbevreesd naar u toe. Zijne wijze van voeding en zijne
gewoonten in 't algemeen, gelijken zeer veel op die van den cheucau.

Op de kust [253] leeft een kleine, donkerkleurige vogel (Opetiorhynchus
Patagonicus), die daar zeer algemeen is. Hij is merkwaardig om zijne
stille leefwijze, en houdt zich, evenals een strandlooper, uitsluitend
aan de zeekust op. Behalve deze vogels, bewonen nog enkele andere dit
gebroken land. In mijne kladaantekeningen beschrijf ik de zonderlinge
geluiden, die, hoewel menigmaal in deze sombere wouden gehoord, de
algemeene stilte bijna niet verbreken. Het gekef van den guid-guid, en
het plotselinge wjoe-wjoe van den cheucau komen nu eens van ver af, en
dan weer van dicht bij. Het kleine zwarte winterkoninkje (Troglodytes)
van Vuurland voegt er soms zijn kreet bij; de boomlooper (Oxyurus)
volgt gillend en tjilpend den indringer; den kolibrie kan men nu en dan
snel van den eenen kant naar den anderen zien schieten, onder het uiten
van zijn schel gepiep, evenals een insect; en eindelijk verneemt men
soms uit den top van een hoogen boom den onduidelijken, doch klagenden
toon van den witgekuifden Myiobius of tyran-vliegenvanger. Het groote
overwicht in aantal van sommige vogelsoorten, bijv. de vinken, in
de meeste landen, is oorzaak, dat men in 't eerst verbaasd staat de
bijzondere soorten, welke wij boven noemden, als de meest gewone
vogels in een district te ontmoeten. In Midden-Chili komen twee
daarvan, nl. Oxyurus en Scytalopus voor, doch hoogst zelden. Vindt
men, zooals in dit geval, dieren, die in het groote raderwerk der
natuur schijnbaar zulk eene onbeduidende rol spelen, dan zou men zich
kunnen verwonderen, waarom zij geschapen zijn. Maar altijd moet men
in het oog houden, dat diezelfde dieren mogelijk in een ander land
hoogst belangrijke leden der samenleving zijn, of dit althans in een
vroeger tijdperk waren. Indien Amerika ten zuiden van 37° Z.B. onder
het water van den oceaan ware gezonken, zouden deze twee vogels langen
tijd in Midden-Chili kunnen voortbestaan; maar zeer onwaarschijnlijk
is het, dat hun aantal zou toenemen. Wij zouden dan een geval zien,
dat onvermijdelijk met zeer vele dieren moet hebben plaats gehad.

Deze zuidelijke zeeën worden door verscheidene soorten van
Zwaluw-Stormvogels of Sint-Pietersvogels bezocht. De grootste soort,
Procellaria gigantea, of nelly (quebrantahuesos of beenderenbreker
der Spanjaarden) [254] is een algemeen voorkomende vogel, zoowel in
de binnenkanalen als in volle zee. In zijne gewoonten en wijze van
vliegen, bezit hij eene zeer nauwe overeenkomst met den Albatros
(Diomedea). Evenals met den laatsten het geval is, kan men hem uren
lang gadeslaan, zonder te bespeuren waarmede hij zich voedt. De
beenderenbreker is echter een roofvogel; en dit wordt bevestigd
door eenige officieren, die hem bij Port San Antonio op een Duiker
(Colymbus) zagen jagen, welke al duikend en vliegend poogde te
ontsnappen, maar telkens omlaag geworpen en eindelijk door een
slag op het hoofd gedood werd. Bij Port San Julian zag men dezen
grooten Sint-Pietersvogel jonge zeemeeuwen dooden en verslinden. Eene
tweede soort, Puffinus cinereus, die in Europa, bij Kaap Hoorn en
aan de kust van Peru voorkomt, heeft eene veel geringere grootte
dan Procellaria gigantea, maar, evenals deze, eene groezelig zwarte
kleur. Meestal bezoekt hij in zeer talrijke zwermen de landwaarts
in gelegen zeeëngten. Ik geloof niet, dat ik ooit zoovele vogels
van eenerlei soort bijeen heb gezien, als op zekeren dag achter het
eiland Chiloë. Honderdduizenden vlogen in eene onregelmatige lijn
uren lang in dezelfde richting. Wanneer een deel van den zwerm op
het water neerstreek, zag de oppervlakte zwart, en hoorde men een
gonzend geluid als van eene woelige menschenmenigte in de verte.

Er zijn verscheidene andere soorten van Sint-Pietersvogels, maar
slechts één er van zal ik noemen, nl. den Pelacanoides Berardi, welke
een voorbeeld oplevert van die buitengewone gevallen, dat een vogel
klaarblijkelijk tot eene scherp bepaalde familie behoort, doch zoowel
in grootte als lichaamsbouw aan eene geheel andere klasse verwant
is. Deze vogel verlaat nooit de stille binnen-zeeëngten. Wordt hij
gestoord, dan duikt hij een eind ver onder water, komt weer aan de
oppervlakte en vliegt daarna met dezelfde snelheid voort. Nadat hij
door snelle beweging met zijne korte vleugels een eindweegs in eene
rechte lijn is voortgevlogen, laat hij zich, als ware hij doodelijk
getroffen, vallen en duikt opnieuw. De vorm van zijn bek en neusgaten,
de lengte van zijn voet, en zelfs de kleur van zijn pluimage, bewijzen
dat deze vogel een Sint-Pietersvogel is; aan den anderen kant doen
zijne korte vleugels en daaruit volgend gering vliegvermogen, de vorm
van zijn lichaam en die van zijn staart, zijne manier van duiken
en zijne keuze van verblijfplaats, in het eerst twijfel ontstaan,
of hij niet even na aan de Alken of Papegaaiduikers (Alcae) verwant
is. Als men hem in de verte zag vliegen of duiken, en rustig in de
afgelegen kanalen van Vuurland zag zwemmen, zou men hem ongetwijfeld
voor een alk houden.



HOOFDSTUK XIV.

CHILOË EN CONCEPCION. EENE HEVIGE AARDBEVING.


Op 15 Januari zeilden wij uit Low's Haven, en ankerden drie dagen
later voor de tweede maal in de baai van San Carlos op Chiloë. In den
nacht van den 19den was de vulkaan Osorno in werking. Te middernacht
nam de schildwacht eene groote ster waar, die tot ongeveer drie
ure trapswijze in grootte toenam, en toen een prachtig schouwspel
aanbood. Met behulp van een verrekijker zag men donkere voorwerpen te
midden van een hel rood lichtschijnsel onafgebroken omhoog werpen en
weer neervallen. Het licht was sterk genoeg om een lang helder spoor
op het water te werpen. In dit gedeelte van de Cordilleras schijnt
het zeer vaak voor te komen, dat groote hoeveelheden gesmolten stof
uit de kraters worden geworpen. Men verzekerde mij, dat als er eene
uitbarsting van den Corcovado plaats heeft, groote wolken stof omhoog
worden geslingerd, die men in de lucht ziet barsten, en dan vele
grillige vormen, zooals boomen e.a., ziet aannemen. De grootte dezer
stofwolken moet geweldig zijn, want zij kunnen worden waargenomen op
het tafelland achter San Carlos, dat niet minder dan 93 mijlen van
den Corcovado verwijderd is. Des morgens kwam de vulkaan tot rust.

Tot mijne verwondering hoorde ik later, dat de Aconcagua in Chili,
480 mijlen noordwaarts, dienzelfden nacht óók in werking was; en die
verbazing steeg nog, toen ik vernam, dat de groote uitbarsting van de
Coseguina (2700 mijlen ten noorden van de Aconcagua), vergezeld van
eene aardbeving die 1000 mijlen ver gevoeld werd, binnen zes uren na
ditzelfde tijdstip plaats had. Dit samenvallen is des te merkwaardiger,
wijl de Coseguina sedert 26 jaren slapend was geweest, [255] en de
Aconcagua hoogst zelden eenig teeken van leven geeft. Het is moeilijk
na te gaan, of dit samentreffen louter toeval was, of dat het op
eene onderaardsche gemeenschap wijst. Indien de vulkanen Vesuvius,
Etna en Hekla (alle drie betrekkelijk dichter bij elkander dan de
bovengenoemde punten in Zuid-Amerika) plotseling in denzelfden nacht
in uitbarsting geraakten, zou dit samenvallen als eene merkwaardige
gebeurtenis worden beschouwd; maar veel merkwaardiger is het in dit
geval, nu de drie openingen in dezelfde groote bergketen liggen,
en de uitgestrekte vlakten langs de geheele oostkust alsmede de uit
zee geheven jongere schelpen meer dan 2000 mijlen ver op de westkust,
getuigen op welke gelijkmatige en samenhangende wijze de opstuwende
krachten gewerkt hebben.

Daar kapitein Fitz-Roy op de buitenkust van Chiloë eenige opmetingen
wenschte te doen, werd besloten, dat Mr. King en ik naar Castro zouden
rijden, en vandaar dwars over het eiland naar de op de westkust gelegen
Capella de Cucao. Nadat wij paarden en een gids hadden gehuurd, gingen
wij op den morgen van den 22sten op weg. Wij hadden nog niet lang
gereden, toen eene vrouw en twee knapen, die denzelfden weg volgden,
zich bij ons voegden. Op dezen weg wordt men spoedig met iedereen
vertrouwelijk, en kan men het in Zuid-Amerika zoo zeldzame voorrecht
genieten van zonder vuurwapenen te reizen. Aanvankelijk bestond het
landschap uit eene reeks heuvels en dalen; maar dichter bij Castro
werd het zeer vlak. De weg zelf is iets zonderlings: hij bestaat over
zijne gansche lengte (met uitzondering van zeer enkele gedeelten) uit
groote houten blokken, die nu eens breed en in de lengte zijn gelegd,
dan weer smal zijn en overdwars liggen. Des zomers is de weg niet
zoo heel slecht; maar in den winter, als het hout glibberig is door
den regen, is de tocht uitermate moeilijk. In dat jaargetijde is de
grond aan weerszijden een moeras en menigmaal overstroomd; het is dan
noodig de overlangsche blokken door dwarsliggers te bevestigen, die aan
beide kanten in den grond worden genageld. Deze pinnen maken een val
van het paard gevaarlijk, daar de kans om op zulk een pin terecht te
komen, niet gering is. Het is echter opmerkelijk, hoe vlug de paarden
van Chiloë door de gedurige oefening worden. Ontmoetten zij slechte
gedeelten, waar de blokken uit hunnen stand waren geraakt, dan sprongen
zij, met de vlugheid en zekerheid van honden, van het eene blok op het
andere. Rechts en links wordt de weg begrensd door hooge woudboomen,
die aan de ondereinden door riethalmen zijn samengevlochten. Als nu
en dan een lang gedeelte dezer laan overzien kon worden, bood dit een
zonderling tooneel van gelijkvormigheid. De witte lijn van blokken,
die in de verte gezien smaller werd, verloor zich in het donkere woud,
of eindigde in eene zigzaglijn die over een steilen heuvel liep.

Ofschoon de afstand van San Carlos tot Castro in rechte lijn slechts
twaalf leagues bedraagt, moet het aanleggen van den weg een groot
werk zijn geweest. Men verhaalde mij, dat vroeger verscheidene
personen het leven hadden verloren, bij eene poging om door het
woud heen te dringen. De eerste, dien dit gelukte, was een Indiaan,
die zich in acht dagen tijds een weg door het riet baande en San
Carlos bereikte. Tot loon daarvoor schonk de Spaansche regeering
hem een stuk land. Gedurende den zomer zwerven vele Indianen in de
wouden (doch voornamelijk in de hoogere gedeelten waar het hout niet
zoo dicht is), om het halfwilde vee op te sporen, dat zich met de
bladeren van rietstengels en sommige boomen voedt. Het was een van
deze jagers, die enkele jaren geleden toevallig een Engelsch schip
ontdekte, dat op de buitenkust gestrand was. Het scheepsvolk begon
gebrek aan proviand te krijgen, en zou waarschijnlijk nooit uit deze
bijna ondoordringbare bosschen gekomen zijn, zonder de hulp van dezen
man. Een der zeelieden stierf onderweg van vermoeienis. De Indianen
richten zich op deze tochten naar de zon, zoodat zij bij aanhoudend
bewolkte lucht niet kunnen reizen.

Het was mooi weder, en de menigte boomen, die in vollen bloei stonden,
vervulden de lucht met welriekende geuren. Maar zelfs dit was bijna
niet in staat den droefgeestigen aanblik van het vochtige woud op
te vroolijken. Hierbij komt nog, dat de vele doode stammen, die als
geraamten voor u oprijzen, nooit nalaten op deze ongerepte wouden
een stempel van plechtigen ernst te drukken, welke in die van lang
beschaafde landen ontbreekt. Kort na zonsondergang sloegen wij ons
bivouak op voor den nacht. Onze vrouwelijke metgezel, die er vrij knap
uitzag, behoorde tot eene van de meest geachte families in Castro;
wat intusschen niet wegnam, dat zij schrijlings en zonder kousen of
schoenen te paard zat. Wat mij verwonderde, was het volkomen gemis
van trots bij haar en haren broeder. Zij hadden voedsel bij zich,
doch zaten Mr. King en mij bij al wat wij aten voortdurend aan te
kijken, totdat wij van schaamte er toe gedreven werden het geheele
gezelschap te laten meeëten. De nacht was onbewolkt, en terwijl wij op
ons leger lagen, genoten wij het alleszins verrukkelijke schouwspel
van de menigte sterren, die de duisternis van het woud met haar zwak
schijnsel verlichtten.



[23 Januari.]

Vroeg in den morgen stonden wij op, en bereikten te ongeveer 2 ure
het aardige, rustige stadje Castro. De oude gouverneur was sedert ons
vorig bezoek gestorven, en een Chileen had zijne plaats ingenomen. Wij
hadden een introductie-brief aan Don Pedro, die ons hoogst gastvrij en
vriendelijk ontving, en op meer belangelooze wijze dan aan deze zijde
van het vasteland gebruikelijk is. Den volgenden dag bezorgde Don
Pedro ons versche paarden, en bood aan ons zelf te vergezellen. Wij
reden verder naar het zuiden, waarbij wij meest de kust volgden,
en gingen door verscheidene gehuchten, elk voorzien van eene groote
houten kapel in den vorm van een veestal. Te Vilipilli vroeg Don
Pedro den commandant ons een gids mede te geven naar Cucao. De oude
edelman bood zelf zijn geleide aan; maar het duurde geruimen tijd eer
hij wilde gelooven, dat twee Engelschen in allen ernst naar zulk een
afgelegen plaats, als Cucao, wilden gaan. Wij werden dus vergezeld door
de twee hoogste autoriteiten in het land; en dit bleek duidelijk uit
de houding van al de armere Indianen tegenover hen. Te Chonchi staken
wij het eiland dwars over, en volgden een doolhof van slingerpaden,
die nu eens door prachtige wouden, dan door vriendelijke open vlakten
liepen, waarop overvloed van koren en aardappelspruiten. Dit golvende
en gedeeltelijk bebouwde boschland herinnerde mij aan de woestere
streken in Engeland, zoodat dit landschap mijn oog bijzonder boeide. Te
Vilinco, dat aan de oevers van het Meer van Cucao is gelegen, waren
slechts enkele velden ontboscht; en alle bewoners schenen Indianen
te zijn. Dit meer is twaalf mijlen lang en strekt zich uit in de
richting van oost naar west. Door plaatselijke omstandigheden waait
de zeewind zeer geregeld over dag, maar gaat des nachts liggen. Dit
verschijnsel heeft tot zonderlinge overdrijvingen aanleiding gegeven,
want volgens de beschrijving, die men ons te San Carlos er van gaf,
geleek het bijna een wonder.

De weg naar Cucao was zoo bijster slecht, dat wij besloten ons op
eene periagua in te schepen. Op den meest gezagvollen toon gaf de
commandant aan zes Indianen last ons over te zetten, zonder zich te
verwaardigen hun te zeggen of zij betaald zouden worden. De periagua
is eene zonderlinge, ruw afgewerkte boot, maar de bemanning was nog
zonderlinger; en ik betwijfel of er wel ooit leelijker mannetjes
in eene boot bijeen zijn geweest, dan deze zes. Zij roeiden echter
zeer goed en met lust. De roeier, die den slag aangaf, babbelde
Indiaansch en uitte zonderlinge kreten, zoo ongeveer op de manier
van een varkenshoeder, die zijne beesten voortdrijft. Wij vertrokken
met een zwakken tegenwind, maar bereikten toch de Capella de Cucao
vóór het donker was. Het land rondom het geheele meer was een en
al woud. In dezelfde periagua, waarin wij zaten, werd eene koe
vervoerd. Oppervlakkig schijnt het moeilijk zulk een groot dier in
eene kleine boot te krijgen; maar de Indianen verrichtten het in eene
minuut. Zij brachten de koe op zijde van de boot, die tot haar werd
overgeheld; plaatsten twee riemen, waarvan de einden op het dolboord
rustten, onder haren buik; deden fluks met behulp van deze hefboomen
het arme dier hals over kop op den bodem der boot tuimelen, en bonden
het toen met twee touwen vast. Te Cucao vonden wij eene onbewoonde
hut (die tot woning van den geestelijke dient, als hij deze Capella
bezoekt), maakten hier een vuur aan, kookten ons avondeten, en waren
recht op ons gemak.

Het district Cucao is het eenige bewoonde gedeelte op de geheele
westkust van Chiloë, en bevat omstreeks dertig of veertig Indiaansche
gezinnen, die vier of vijf mijlen ver langs het strand verspreid
zijn. Dezen leven zeer afgezonderd van de rest van het eiland, en
drijven bijna geen handel, behalve somtijds in wat olie, dat zij uit
zeehondenvet bereiden. Hunne kleederen, die van eigen maaksel zijn,
voldoen redelijk wel; en eten hebben zij in overvloed. Niettemin
schenen zij ontevreden, en toch zoo onderdanig, dat het pijnlijk was
om aan te zien. Ik geloof, dat deze stemming voornamelijk is toe te
schrijven aan de ruwe en gezaghebbende wijs, waarop zij door hunne
regeerders behandeld worden. Ofschoon onze metgezellen tegen ons zoo
uiterst beleefd waren, gedroegen zij zich tegen de arme Indianen, alsof
dezen slaven in plaats van vrije mannen waren. Zij bestelden proviand
en paarden, doch verwaardigden zich nooit te zeggen met hoeveel en
of de eigenaars betaald zouden worden. Toen wij des morgens met deze
arme lieden alleen waren, maakten wij ons spoedig door geschenken
in sigaren en maté bemind. Een klont witte suiker werd onder alle
aanwezigen verdeeld en met de grootste nieuwsgierigheid geproefd. De
Indianen besloten al hunne klachten met de woorden:

"En dat is nu alléén, omdat wij arme Indianen zijn en niets weten;
maar zóó was het niet toen wij een koning hadden."

Den volgenden dag reden wij, na het ontbijt, enkele mijlen noordwaarts
naar Punta Huantamó. De weg liep langs een zeer breed strand, waarop,
zelfs na vele mooie dagen, eene geduchte branding stond. Men verzekerde
mij, dat na een hevigen storm het geraas der branding des nachts
zelfs in Castro kan worden gehoord--een afstand van niet minder
dan 21 zeemijlen (ongeveer 39 kilom.) door een heuvelachtig en met
bosschen bedekt land. Wegens de ondraaglijk slechte paden, kostte het
ons eenige moeite het punt te bereiken; want overal waar schaduw is,
wordt de grond spoedig een volslagen modderpoel. Het punt zelf is een
steile, rotsachtige heuvel, bedekt met eene, naar ik meen aan Bromelia
verwante plant, die door de bewoners Chepones wordt genoemd. Bij
het klauteren door de plantenbedden, werden onze handen deerlijk
geschramd. Ik had er schik in, toen ik onzen Indiaanschen gids uit
voorzorg zijn broek zag opslaan, wijl hij dacht dat zijn broek teerder
was dan zijn harde huid. Genoemde plant bezit eene vrucht in den
vorm van eene artisjok, waarin een aantal zaadhuisjes zijn opgehoopt;
dezen bevatten een aangenaam zoet merg, dat hier zeer gezocht is. Te
Low's Haven zag ik de Chiloten chichi of appeldrank uit deze vruchten
maken. Humboldt's opmerking, dat bijna ieder mensch middelen vindt om
uit het plantenrijk den eenen of anderen drank te bereiden, is dus
volkomen waar. Intusschen hebben de wilden van Vuurland en, naar ik
geloof, ook die van Australië het in deze kunst zoover niet gebracht.

De kust ten noorden van Punta Huantamó is uiterst oneffen en gebroken,
en wordt omringd door talrijke klippen, waarop de zee zonder ophouden
beukt. King en ik hadden, zoo mogelijk, te voet langs deze kust
willen terugkeeren; maar zelfs de Indianen zeiden, dat dit geheel
ondoenlijk was. Zij vertelden ons, dat er wel personen rechtstreeks
door de bosschen van Cucao naar San Carlos waren gegaan, doch nooit
langs de kust. Op deze tochten nemen de Indianen alleen geroosterd
koren mede, waarvan zij slechts tweemaal daags eten.

[26 Januari.]

Wij stapten opnieuw in de periagua, keerden over het meer terug,
en bestegen toen onze paarden. Alle bewoners van Chiloë maakten van
deze week van ongewoon fraai weder gebruik, om het bosch door vuur uit
te roeien. Ondanks hun ijver om overal het bosch in brand te steken,
zag ik toch geen enkel vuur in omvang toenemen. Wij aten bij onzen
vriend, den commandant, en bereikten Castro niet voordat het donker
was. Den volgenden morgen gingen wij zeer vroeg op weg. Nadat wij
eenigen tijd gereden hadden, bereikten wij den top van een steilen
heuvel, en hadden hier (wat eene zeldzaamheid is op dezen weg) een
ruim vergezicht over het groote woud. Boven den horizon van boomen,
staken de vulkanen Corcovado en, ten noorden daarvan, de groote
met den vlakken top, [256] trotsch en oppermachtig hunne kraters
omhoog. Bijna geen enkele andere berg in de lange keten vertoonde
zijn besneeuwden top. Ik hoop, dat ik den afscheidsblik, dien ik van
Chiloë op de prachtige Cordilleras wierp, lang in mijn geheugen mag
bewaren!... Des nachts kampeerden wij onder een wolkloozen hemel, en
bereikten den volgenden morgen San Carlos. Wij kwamen op den rechten
dag, want nog vóór den avond begon het hevig te regenen.

[4 Februari.]

Wij zeilden van Chiloë weg. Gedurende de laatste week deed ik
verscheidene kleinere uitstapjes. Een daarvan had ten doel eene groote
laag schelpdieren van nog levende soorten te onderzoeken, 350 voet
boven den spiegel der zee gelegen. Door deze laag van schelpdieren
groeiden hooge boomen op! Een andere rit was naar Port Huechucucuy. Ik
had een gids bij mij die het land wat al te goed kende, want hij noemde
mij eene eindelooze reeks Indiaansche namen op voor elke kreek, voor
elk plekje en riviertje. Evenals in Vuurland, schijnt de Indiaansche
taal bijzonder goed geschikt te zijn voor het geven van namen aan
de meest onbeduidende vormen van het land. Ik geloof, dat ieder
blijde was Chiloë vaarwel te kunnen zeggen; en toch zou dit eiland
verrukkelijk mogen heeten, zoo wij den eindeloozen en naargeestigen
winterregen konden wegdenken. Ook ligt er iets zeer aantrekkelijks
in den eenvoud en de onderdanige beleefdheid der arme bewoners!

Wij stuurden noordwaarts langs het strand; maar wegens het mistige
weder bereikten wij Valdivia niet voor den nacht van den achtsten. Den
volgenden morgen voer de boot naar de omstreeks tien mijlen ver
gelegen stad. Toen wij den loop der rivier volgden, voeren wij nu en
dan voorbij eene hut, een plekje grond dat in het overigens ongerepte
woud gebaand was, en ontmoetten soms eene kano met eene Indiaansche
familie. De stad ligt aan de lage oevers van den stroom, en zoo geheel
in een bosch van appelboomen begraven, dat de straten letterlijk paden
zijn te midden van een boomgaard. Nooit heb ik eene streek gezien,
waar appelboomen zoo goed schenen te tieren als in dit vochtige
gedeelte van Zuid-Amerika. Aan de kanten der wegen stonden vele,
blijkbaar zelfgezaaide jonge boomen. Op Chiloë bezitten de bewoners
eene verwonderlijk korte methode om een boomgaard te maken. Uit het
ondereinde van bijna elken tak steken kleine, bruine, kegelvormige,
schrompelige punten, die altijd gereed staan om in wortels te
veranderen, zooals nu en dan te zien is waar toevallig wat modder
tegen den boom is gespat. Vroeg in de lente wordt een tak ter dikte
van een menschenvinger uitgekozen, en vlak onder eene groep van zulke
punten afgekapt; alle kleinere takken worden gesnoeid, en de tak zelf
omstreeks twee voet diep in den grond gestoken. In den daarop volgenden
zomer schiet de stomp lange spruiten uit, en draagt nu en dan zelfs
vruchten. Men wees mij er een, die 23 appelen had voortgebracht;
maar dit werd als een zeer ongewoon iets beschouwd. In het derde
seizoen verandert de stomp (gelijk ik zelf heb gezien) in een flinken
houten, met vruchten beladen boom. Een oud man bij Valdivia lichtte
zijn motto: Necesidad es la madre del invencion (Noodzakelijkheid
is de moeder der vindingrijkheid) toe, door een verhaal te doen van
de vele nuttige dingen, die hij uit deze appelen bereid had. Na het
maken van appeldrank en wijn, trok hij uit het overschot een witten
en fijn riekenden ether; door eene andere methode verschafte hij zich
eene zoete stroop, of, zooals hij zeide, honig. In dit jaargetijde
schenen zijne kinderen en varkens bijna in zijn boomgaard te wonen.

[11 Februari.]

Vergezeld van mijn gids deed ik een korten rit, maar zag op dit
uitstapje bijzonder weinig, zoowel van de geologie van het land als
van zijne bewoners. Bij Valdivia is niet veel land ontboscht. Nadat
wij enkele mijlen ver eene rivier waren overgestoken, gingen wij
het woud in, en kwamen toen voorbij slechts ééne armzalige hut,
voordat wij onze nachtelijke slaapplaats bereikten. Het geringe
breedte-verschil van 150 mijlen heeft aan het woud een nieuw aanzien
gegeven, vergeleken bij dat van Chiloë. Dit is toe te schrijven aan
eene eenigszins verschillende verhouding in de boomsoorten. De altijd
groene boomen schijnen hier niet even talrijk; en dientengevolge
heeft het woud eene lichtere tint. Evenals op Chiloë, zijn de lage
gedeelten door riethalmen omvlochten; maar tevens groeit hier eene
andere soort (die op de bamboes van Brazilië gelijkt en ongeveer 20
voet hoog is) in bossen, en versiert de oevers van sommige stroomen
op zeer aangename wijs. Het is van deze plant, dat de Indianen hunne
chuzo's of lange puntige speren maken. Onze rustplaats was zoo vuil,
dat ik liever buiten ging slapen. Op deze tochten is de eerste nacht
meestal zeer onaangenaam, omdat men niet gewoon is aan het kriebelen
en bijten der vlooien. Ik weet zeker, dat er des morgens geen plekje
ter grootte van een shilling op mijne beenen was, dat niet een rood
litteeken vertoonde waar de vlooien hadden gebeten.

[12 Februari.]

Wij vervolgden onzen rit door het ongebaande woud. Slechts nu en dan
ontmoetten wij een Indiaan te paard, of een troep fraaie muildieren,
die lorkeboomenhout en koren van de zuidelijke vlakten vervoerden. In
den namiddag was een der paarden uitgeput; wij bevonden ons toen op den
top van een heuvel, die een fraai uitzicht op de Llanos verschafte. Als
men zoo lang in eene wildernis van boomen heeft rondgezworven, is
het gezicht van deze open vlakten zeer frisch en opwekkend. Deze
westkust doet mij met genoegen terugdenken aan de vrije, onbegrensde
vlakten van Patagonië: en toch kan ik, om de scherpe tegenstelling,
niet vergeten hoe verheven de stilte van het woud is. De Llanos zijn
de vruchtbaarste en dichtst bevolkte gedeelten van het land, daar zij
het onschatbare voorrecht genieten van bijna geheel vrij te zijn van
boomen. Voordat wij het woud verlieten, reden wij door eenige kleine,
effen grasvlakten, met enkele rondom staande boomen, evenals in een
Engelsch park. In boschrijke, heuvelachtige streken heb ik dikwijls
met verwondering opgemerkt, dat de volkomen vlakke gedeelten verstoken
zijn van boomen. De vermoeienis van het eene paard deed mij besluiten
aan de Missie van Cudico halt te houden, te meer omdat ik aan den
monnik er van een introductie-brief had. Cudico is een district,
tusschen het woud en de Llanos gelegen. Het bevat een vrij groot aantal
hutten, met koren- en aardappelveldjes, die bijna alle aan Indianen
toebehooren. De aan Valdivia onderhoorige stammen zijn reducidos y
cristianos (bekeerden en christenen). Verder noordwaarts, bij Arauco
en Imperial, zijn de Indianen nog zeer wild en onbekeerd; maar zij
staan allen in druk verkeer met de Spanjaarden. De padre vertelde,
dat de Christen-Indianen niet zeer gezind waren om naar de mis te
gaan, doch overigens veel eerbied voor den godsdienst toonden. De
grootste moeilijkheid is, hen de huwelijksceremoniën in acht te
doen nemen. De wilde Indianen nemen zoo vele vrouwen als zij kunnen
onderhouden, en een cacique heeft er somtijds meer dan tien. Komt men
bij laatstgenoemden in huis, dan kan men uit het getal vuren aldaar
opmaken hoeveel vrouwen hij heeft. Elke vrouw woont beurtelings eene
week bij den cacique in, maar weeft gedurende dien tijd zijne poncho's
en wat hij verder noodig heeft. De vrouw van een cacique te zijn,
is eene eer waarop de Indiaansche vrouwen zeer gesteld zijn.

Bij al deze stammen dragen de mannen een grof wollen poncho; die
ten zuiden van Valdivia dragen een korte broek, en ten noorden
daarvan een rok evenals de chilipa der Gauchos. Allen binden hunne
lange haren met een scharlaken-rooden band samen, maar dragen geen
andere bedekking op het hoofd. Deze Indianen hebben een flinken
lichaamsbouw, en gelijken zoowel door de vooruitstekende wangbeenderen,
als hun voorkomen in 't algemeen, op de groote Amerikaansche familie
waartoe zij behooren. Het scheen mij echter toe, dat hun uiterlijk
eenigszins afweek van dat der andere stammen, die ik vroeger gezien
had. Hunne uitdrukking is in het algemeen ernstig, zelfs streng,
en bezit veel karakter, dat òf voor eerlijke botheid òf trotsche
vastberadenheid kan doorgaan. Het lange zwarte haar, de ernstige,
scherpgeteekende trekken en de donkere gelaatskleur herinnerden mij
aan oude portretten van Koning Jacobus I. [257] Onderweg ontmoetten
wij nergens die onderdanige beleefdheid, welke op Chiloë zoo algemeen
is. Sommigen uitten hun mari-mari (goeden morgen) vlug en bondig; doch
het meerendeel scheen niet gezind te groeten. Deze onafhankelijkheid in
manieren is waarschijnlijk een gevolg van hunne langdurige oorlogen,
en van de herhaalde overwinningen, door hen alléén (van al de stammen
in Amerika) op de Spanjaarden behaald.

Ik bracht den avond zeer genoeglijk door in gesprek met den padre. Hij
was uiterst vriendelijk en gastvrij; en daar hij uit Santiago kwam,
had hij middelen weten te vinden om zich hier eenig comfort te
verschaffen. Als iemand van eenige, hetzij dan geringe opvoeding,
klaagde hij bitter over het totale gemis van gezelligheid. Hoe
kwijnend moet voor dezen man, die geen bijzonderen godsdienstijver,
geen bezigheid of doel had, het leven voorbijgaan!

Den volgenden dag ontmoetten wij op onzen terugkeer zeven Indianen met
een zeer woest voorkomen, onder wien zich enkele caciquen bevonden,
die van de Chileensche regeering juist hunne kleine jaarlijksche
toelaag voor langdurigen trouw hadden ontvangen. Het waren mannen met
een knap uiterlijk; maar toen zij achter elkander ons voorbijreden,
stonden hunne aangezichten zeer betrokken. Een oude cacique, die
aan het hoofd van den troep reed, had waarschijnlijk nog gulziger
gedronken dan de anderen, want behalve uitermate ernstig, scheen
hij ook zeer knorrig. Kort te voren hadden zich twee Indianen bij
ons gevoegd, die van eene afgelegen missie naar Valdivia reisden
wegens een rechtsgeding. De een was een opgewekt oud man; maar zijn
baardeloos en gerimpeld gezicht geleek meer op dat van eene oude vrouw,
dan van een man. Ik bood beiden meer dan eens sigaren aan; en hoewel
zij die gewillig--ik durf zeggen dankbaar--aannamen, verwaardigden
zij zich bijna niet mij te bedanken. Een Indiaan op Chiloë zou zijn
hoed hebben afgenomen, onder het uitspreken van de woorden: Dios le
page! (God loone u!).

Onze tocht was zeer vermoeiend, zoowel wegens den slechten staat
der wegen, als wegens de talrijke gevallen boomen, die wij moesten
overspringen, of door lange omwegen trachtten te vermijden. Wij sliepen
onder den blooten hemel, en bereikten den volgenden morgen Valdivia,
vanwaar ik mij aan boord begaf.

Enkele dagen later stak ik met eenige officieren de baai over, en
landde nabij het fort, Niebla genaamd. De gebouwen alhier verkeerden
in zeer bouwvalligen staat, en de affuiten der kanonnen waren geheel
verrot. Wickham deed den bevelvoerenden officier de opmerking,
dat deze kanonnen stellig bij het eerste schot in stukken zouden
vliegen. De oude krijgsman trachtte zich goed te houden, en gaf
ernstig ten antwoord: "Neen, segnor, ik ben er zeker van, dat zij
er wel twee zouden doorstaan!" De Spanjaarden moeten voornemens zijn
geweest dit fort onneembaar te maken. Midden op het binnenplein ligt
thans een bergje mortel, welke in hardheid niet onderdoet voor de rots
waarop hij ligt. Hij werd uit Chili hierheen gebracht, en kostte 7000
dollars. Het uitbreken van de omwenteling belette, dat hij voor het
doel gebruikt werd; en nu ligt die kalk daar als een gedenkteeken
aan Spanje's vroegere grootheid.

Ik wilde naar eene omstreeks anderhalve mijl ver gelegen woning gaan,
maar mijn gids zeide, dat het volstrekt onmogelijk was in eene rechte
lijn door het woud te dringen. Wel bood hij aan mijn gids te wezen,
en langs donkere paden, die voor het vee bestemd zijn, den kortsten
weg er heen te volgen. Er waren intusschen nog drie uren voor deze
wandeling noodig. Het werk van dezen man bestond in het opdrijven
van verdwaald vee. Ofschoon hij zoodoende de bosschen goed moest
kennen, was hij niet lang geleden twee dagen zoek geweest, en had
niets te eten gehad. Deze feiten geven een goed denkbeeld van de
onbegaanbaarheid der wouden in deze streken. Dikwijls stelde ik mij
de vraag, hoe lang het spoor van een gevallen boom wel zichtbaar zou
zijn. Deze man wees mij er een, die veertien jaren geleden door een
troep vluchtende royalisten geveld was; en dezen als maatstaf nemende,
denk ik dat een stam van anderhalven voet in middellijn na 30 jaren
tijds in een hoop mestaarde veranderd zou zijn.



[20 Februari.]

Deze dag is in de jaarboeken van Valdivia gedenkwaardig geworden door
de hevigste aardbeving, welke de oudste inwoner zich herinneren kan. Ik
bevond mij op het strand en lag in het bosch uit te rusten. Plotseling
kwam de aardbeving op, en duurde twee minuten; maar de tijd scheen veel
langer. Het schudden van den grond was zeer merkbaar. Mijn metgezel
en ook mij scheen het toe, dat de golvingen uit het oosten kwamen,
terwijl anderen dachten, dat zij uit het zuidwesten straalden; dit
bewijst hoe lastig het soms is de richting der trillingen waar te
nemen. Het kostte geen moeite om staande te blijven, maar de beweging
maakte mij duizelig. Soms geleek deze op het deinen van een schip
in eene zwakke kruiskabbeling, of meer nog op die, welke men voelt
bij het schaatsenrijden op dun ijs, dat onder het gewicht van het
lichaam buigt.

Eene hevige aardbeving vernietigt op eens onze oudste zintuigelijke
gewaarwordingen. De aarde, het ware symbool van hechtheid, heeft
zich onder onze voeten bewogen, evenals een dunne korst boven eene
vloeistof, en ééne secunde tijds heeft in onze ziel een vreemd idee van
onveiligheid gewekt, waartoe uren van overpeinzing niet in staat zouden
geweest zijn. In het woud deed eene koelte de boomen trillen; maar
ofschoon ik de aarde voelde bewegen, zag ik geen ander effect. Tijdens
den schok was kapitein Fitz-Roy met eenige officieren in de stad,
en daar was het schouwspel aangrijpender; want ofschoon de huizen wel
niet omvielen, doordien zij van hout waren gebouwd, werden zij toch
hevig geschud, en kraakten en rammelden de planken. In de grootste
onrust snelden de menschen de deur uit. Het zijn deze bijkomende
gebeurtenissen, welke dien grooten afschrik voor aardbevingen wekken
in het gemoed van allen, die zulke gevolgen er van gezien en gevoeld
hebben. In het woud was het een zeer belangwekkend, doch volstrekt niet
angstwekkend verschijnsel. De invloed op de getijen was verrassend. De
groote schok had plaats op het uur van laag water. Eene oude vrouw,
die juist op het strand was, zeide mij later dat het water zeer snel,
maar niet in vloedgolven tot hoogpeil steeg, en daarna even snel tot
zijn natuurlijk peil terugkeerde. De juistheid daarvan bleek uit de
lijn van nat zand. Eene dergelijke snelle, maar kalme beweging in het
getij had enkele jaren geleden tijdens eene zwakke aardbeving op Chiloë
plaats, en wekte veel noodelooze vrees. In den loop van den avond
waren er vele zwakkere schokken, die in de haven de meest samengestelde
stroomingen schenen voort te brengen--en eenige zeer sterke.

[4 Maart.]

Wij liepen de baai van Concepcion binnen. Terwijl het schip naar
de ankerplaats stevende, landde ik op het eiland Quiriquina. Hier
kwam de mayordomo der plantage snel naar mij toe rijden, om het
vreeselijke nieuws der groote aardbeving van den 20sten te vertellen:
"dat er in Concepcion of Talcahuano (de haven) geen huis meer overeind
stond; dat zeventig dorpen waren verwoest, en dat een vloedgolf de
puinhoopen van Talcahuano bijna geheel had weggespoeld." Van deze
laatste verklaring zag ik weldra bewijzen in overvloed: de geheele kust
was bezaaid met stukken hout en huisraad, alsof er een duizend schepen
waren vergaan. Behalve stoelen, tafels, plankenkasten, enz. in grooten
getale, lagen er verscheidene daken van hutten, die bijna in hun geheel
waren meegevoerd. De pakhuizen te Talcahuano waren gebarsten, en groote
balen katoen, Paraguay-thee en andere kostbare koopmansgoederen lagen
over het strand verspreid. Terwijl ik het eiland rondwandelde, merkte
ik op, dat talrijke rotsblokken, die blijkens de daaraan hechtende
zeevoortbrengselen kort geleden in diep water moesten gelegen hebben,
hoog op het strand waren geworpen. Een dezer blokken was zes voet lang,
drie voet breed, en twee dik.

Het eiland zelf vertoonde even duidelijk de overweldigende kracht der
aardbeving, als het strand dit deed van de vernielende werking der
daarop gevolgde vloedgolf. Op vele plaatsen was de grond in noord-
en zuidlijnen gespleten--wellicht veroorzaakt door het wijken der
evenwijdige en steile zijwanden van dit smalle eiland. Sommige
spleten in de nabijheid der klippen waren een yard wijd. Reeds
waren vele reusachtige rotsblokken op het strand gevallen; en de
inwoners dachten, dat, als de regens begonnen, er nog veel grootere
verschuivingen zouden plaats hebben. De uitwerking van de trilling op
den harden primairen leisteen was nog merkwaardiger: de bovengedeelten
van eenige smalle riffen waren zoo volkomen gesplinterd, alsof men ze
door kruit had laten springen. Deze uitwerking, die duidelijk kenbaar
was aan de versche breuken en den verplaatsten grond, moet zich tot de
oppervlakte hebben bepaald, daar anders in geheel Chili geen stuk vaste
rots meer zou bestaan; ook is die meening niet onwaarschijnlijk, omdat
de oppervlakte van een trillend lichaam (naar men weet) anders wordt
bewogen dan het middengedeelte. Wellicht moet aan dezelfde oorzaak
worden toegeschreven, dat aardbevingen in diepe mijnen niet zulke
geduchte verwoestingen aanrichten, als men zou verwachten. Ik geloof,
dat deze stuiptrekking der aardkorst meer tot de grootte-vermindering
van het eiland Quiriquina heeft bijgedragen, dan de gewone knagende
en sloopende werking van zee en dampkring in den loop eener eeuw.

Den volgenden dag landde ik te Talcahuano, en reed daarop naar
Concepcion. Beide steden boden het vreeselijkste, maar tevens
belangwekkendste schouwspel, dat ik ooit zag. Op iemand, die ze
vroeger gekend had, zouden zij mogelijk een nog sterkeren indruk
hebben gemaakt; want de puinhoopen waren zoo dooreengemengd, en het
geheele schouwspel bezat zoo weinig het voorkomen van eene bewoonde
plaats, dat het bijna niet meer mogelijk was zich den vroegeren
toestand er van voor te stellen. De aardbeving begon te half twaalf des
voormiddags. Zoo zij in het midden van den nacht gebeurd was, zouden de
meeste bewoners (die in deze provincie alléén vele duizenden bedragen)
zijn omgekomen, terwijl het er nu geen honderd waren. Thans was hun
eenig redmiddel de onveranderlijke gewoonte om, bij de eerste schudding
van den grond, de deur uit te loopen. In Concepcion was elk huis op
zichzelf, of elke rij huizen, een puinhoop of eene rij van puinhoopen;
maar in Talcahuano, waar de vloedgolf gewoed had, kon men weinig meer
onderscheiden dan eene laag steenen, dakpannen en stukken hout, met
hier en daar een brok muur dat was blijven staan. Om die reden bood
Concepcion, ofschoon niet zoo geheel verwoest, een vreeselijker, en
als ik het zoo noemen mag, ook schilderachtiger schouwspel. De eerste
schok was zeer onverwacht. De mayordomo op Quiriquina vertelde mij,
dat de eerste kennisgeving, die hij er van ontving, was, dat hijzelf
met het paard waarop hij reed op den grond rolde. Opgestaan, werd
hij opnieuw omvergeworpen. Ook vertelde hij mij, dat eenige koeien,
die op den steilen rand van het eiland stonden, in zee tuimelden. Door
de vloedgolf kwam veel vee om het leven: op een laag eiland, nabij het
hoofd der baai, werden zeventig dieren weggespoeld, die verdronken. In
't algemeen houdt men deze aardbeving voor de vreeselijkste, die
Chili ooit beleefd heeft; maar wijl de hevigsten eerst na lange
tusschentijden plaats hebben, kan men dit niet licht te weten komen;
ook zou een veel heviger schok in zijne gevolgen niet veel verschil
hebben opgeleverd, want de verwoesting was volkomen. Tallooze kleine
schokken volgden op de groote aardbeving, en binnen de eerste twaalf
dagen (20 Februari-4 Maart) werden er niet minder dan 300 geteld.

Nadat ik Concepcion gezien had, kon ik niet begrijpen hoe het
meerendeel der inwoners er ongedeerd was afgekomen. Op vele plaatsen
vielen de huizen naar buiten, en vormden aldus in het midden der
straten kleine heuvels van puin en metselwerk. Rouse, de Engelsche
consul, vertelde ons, dat hij aan het ontbijt zat, toen de eerste
trilling hem waarschuwde om naar buiten te snellen. Nauwelijks
had hij het midden van de binnenplaats bereikt, toen een vleugel
van zijn huis met donderend geraas naar omlaag kwam. Hij behield
tegenwoordigheid van geest genoeg om zich te herinneren, dat, zoo hij
eenmaal op den top van het reeds omlaag gestorte gedeelte zat, hij
in veiligheid zou zijn. Door de beweging van den grond niet kunnende
blijven staan, kroop hij op handen en voeten vooruit; en nauwelijks
had hij deze kleine verhevenheid bereikt, toen de andere vleugel van
zijn huis inviel, waarbij de groote balken rakelings langs zijn hoofd
gingen. Met oogen verblind door de wolk van stof, die het daglicht
verduisterde en hem dreigde te verstikken, bereikte hij eindelijk de
straat. Daar de schokken elkander met eene tusschenruimte van enkele
minuten opvolgden, durfde niemand de verspreide puinhoopen naderen;
en zoo wist niemand of zijne dierbaarste vrienden en verwanten door
gebrek aan hulp stierven. Zij, die wat van hun goed gered hadden,
waren genoodzaakt voortdurend daarbij de wacht te houden; want er
zwierven dieven rond, en bij elke beving van den grond, sloegen dezen
zich met de eene hand op de borst, onder den uitroep: "Misericordia!",
en stalen met de andere uit de puinhoopen wat zij konden. De rieten
daken stortten op de vuren, en aan alle kanten sloegen de vlammen
uit. Honderden zagen zich van alles beroofd, en slechts weinigen
hadden de middelen om zich het dagelijksch voedsel te verschaffen.

Aardbevingen alléén zijn voldoende om de welvaart van een land
te verwoesten. Indien in Engeland de thans sluimerende krachten
losbarsten, waarmede zij zeer zeker in vroegere geologische tijdperken
hebben gewoed [258], hoe volkomen zou dan de geheele toestand van
dat land veranderen! Wat zou er worden van die hooge huizen, die
dichtbevolkte handelswijken, die groote fabrieken, die prachtige
openbare en particuliere gebouwen? Hoe vreeselijk zou het bloedbad
zijn, indien het nieuwe tijdperk van onderaardsche storingen begon in
de doodsche stilte van den nacht! Engeland zou op eens bankroet gaan;
alle waarde-papieren, alle registers, archieven en verslagen zouden
van dat oogenblik af verloren zijn! En de regeering, niet in staat
om de belastingen te innen en haar gezag te handhaven, zou machteloos
moeten aanzien, dat rooverij, geweld en bandeloosheid voortduurden. In
alle groote steden zou hongersnood ontstaan, door pest en dood gevolgd!

Kort na den schok, zag men uit het midden van de baai eene hooge golf
naderen. Zij bevond zich op een afstand van drie tot vier mijlen,
en vertoonde eene effen oppervlakte. Maar nauwelijks bereikte zij
het strand, of zij rukte boomen en hutten weg, en rolde voort met
onweerstaanbare kracht. Aan het hoofd der baai spatte zij uiteen in
eene ontzagwekkende lijn van witte brekers, die tot eene hoogte van 23
voet boven het hoogste springtij stegen. Hare kracht moet ontzettend
zijn geweest, want bij het Fort werd een kanon met zijn affuit, dat op
een gewicht van 4 tons (4064 kilo) werd geschat, 15 voet binnenwaarts
verschoven. Een schoener werd opgelicht, en 200 yards van het strand
tusschen de puinhoopen geworpen. De eerste golf werd door twee
andere gevolgd, die bij haren terugkeer eene menigte overblijfsels
van drijvende voorwerpen medevoerden. In een deel der baai werd een
schip hoog en droog op het strand gezet, toen afgebracht, weêr op het
strand gezet, en nogmaals afgebracht. In een ander gedeelte werden twee
groote schepen, die dicht bij elkander voor anker lagen, rondgedraaid,
en werden hunne kabels driemaal om elkaar gewonden. Niettegenstaande
hun ankergrond hier 36 voet diep was, zaten zij eenige minuten lang aan
den grond. De vloedgolf moet zich overigens langzaam bewogen hebben,
want de inwoners van Talcahuano hadden den tijd om de heuvels achter
de stad op te loopen, terwijl eenige zeelieden het ruime sop kozen,
vertrouwende dat hunne boot veilig over de deining heen zou komen,
zoo zij deze vóór hare breking in stortzeeën konden bereiken. Eene
oude vrouw klom ijlings met een knaapje van vier of vijf jaren in eene
boot; doch er was niemand om hen weg te roeien. Dientengevolge werd
de boot tegen een anker geslingerd en in tweeën geslagen; de oude
vrouw verdronk, maar het kind werd eenige uren later, hangend aan
het wrak der boot, opgevischt. Groote plassen zout water stonden nog
tusschen het puin der huizen, en te midden daarvan zag men kinderen,
bezig booten te maken van oude tafels en stoelen, even gelukkig
spelen als hunne ouders ongelukkig waren. Het trof mij echter in
hooge mate, alle lieden veel vroolijker en bedrijviger te zien,
dan men verwacht zou hebben. Zeer terecht werd opgemerkt, dat, nu
de verwoesting algemeen was, geen enkel individu lager stond dan een
ander, of zijne vrienden van koud egoïsme--dat grievendste gevolg van
het verlies van rijkdom--kon beschuldigen. Rouse woonde met een groot
aantal dakloozen, die hij welwillend onder zijne bescherming nam,
gedurende de eerste week in een tuin onder eenige appelboomen. Eerst
waren deze menschen even vroolijk, alsof zij aan een picnic zaten;
doch later veroorzaakte de hevige regen veel neerslachtigheid, want
zij waren geheel zonder beschutting.

In het uitnemende verslag van kapitein Fitz-Roy over de aardbeving
wordt gezegd, dat er in de baai twee uitbarstingen werden gezien:
eene in den vorm van eene rookkolom, en eene tweede, die op het
waterspuiten van een grooten walvisch geleek. Ook scheen het water
overal in beroering, alsof het kookte, werd "zwart, en dampte een
hoogst onaangenamen zwavelreuk uit." Deze laatste verschijnselen
werden ook waargenomen in de Baai van Valparaiso gedurende de
aardbeving in 1822. [259] Ik onderstel, dat deze uitdampingen hare
verklaring vinden in het loswerken van de modder op den bodem der
zee, welke veel rottende organische stoffen bevat. In de Baai van
Callao bespeurde ik op zekeren dag bij stil weder, dat, toen het
schip zijn kabel over den bodem sleepte, eene rij bellen den koers
van het vaartuig aanwees. De lagere klassen in Talcahuano dachten,
dat de aardbeving veroorzaakt werd door eene oude Indiaansche vrouw,
die twee jaren geleden uit wraak voor eene beleediging den vulkaan
Antuco verstopt had. Dit onnoozele geloof is hierom eigenaardig,
wijl het aantoont, dat de ervaring het volk had leeren opmerken,
dat er verband bestaat tusschen de onderdrukte werking der vulkanen
en het beven van den grond. Op het punt waar hun begrip omtrent
oorzaak en gevolg faalde, moest de tooverij worden toegepast: en dit
was het afsluiten van de vulkaanopening. In het bijzondere geval van
deze aardbeving was zoodanig bijgeloof des te merkwaardiger, omdat,
volgens kapitein Fitz-Roy, de onderstelling gegrond is, dat de Antuco
in 't geheel niet bij het verschijnsel betrokken was. [260]

De stad Concepcion was in den gewonen Spaanschen trant gebouwd,
d.w.z. alle straten kruisten elkander rechthoekig: de eene groep liep
in de richting zuidwest ten westen, en de andere groep noordwest ten
noorden. In de eerste richting stonden de muren ongetwijfeld beter
dan in de tweede, want verreweg het meeste metselwerk werd naar het
noordoosten geworpen. Beide omstandigheden stemmen volkomen overeen
met het algemeen gevoelen, dat de golvingen uit het zuidwesten zijn
gekomen--uit welke streek van den horizon ook de onderaardsche geluiden
werden gehoord; want het is duidelijk, dat de muren, loopend in de
richting zuidwest-noordoost en dus met hunne kanten gekeerd naar het
punt van waar de golvingen kwamen, veel minder kans zouden hebben
te vallen dan die muren, loopende in de richting noordwest-zuidoost,
die op hetzelfde oogenblik over hunne gansche lengte uit de verticaal
werden geworpen, omdat de golvingen die uit het zuidwesten kwamen,
bij het doorgaan onder de fundeeringen, in noordwest en zuidoost
golven moesten worden ontbonden. Men kan dit toelichten, wanneer
men boeken op hun kant op een karpet plaatst, en dan op de manier,
door Mitchell [261] aangegeven, de golvingen van eene aardbeving
nabootst. Men zal dan zien, dat die boeken meer of minder schielijk
vallen, naar gelang hunne richting meer of minder samenvalt met die
welke loodrecht staat op de richting der golven. Ofschoon niet alle,
strekten de spleten in den grond zich over 't geheel uit in eene
richting noordwest-zuidoost, en kwamen dus overeen met de golflijnen
of lijnen van grootste buiging. Gelet op al deze omstandigheden,
die duidelijk op het zuidwesten wijzen als de streek waarin het
hoofdbrandpunt van storing gelegen was, is het een feit van veel
belang, dat het eiland Santa Maria, hetwelk in dien hoek lag, gedurende
de algemeene landrijzing tot eene hoogte steeg bijna driemaal zoo
groot als die van eenig ander deel der kust.

Van den ongelijken weerstand, dien de muren naar gelang van hunne
richting boden, gaf de kathedraal een sprekend voorbeeld. De zijde,
die naar het noordoosten was gekeerd, vertoonde eene grooten puinhoop,
en te midden daarvan staken deurkozijnen en stapels timmerhout omhoog,
als wrakhout in een stroom. Sommige brokken metselwerk bezaten
groote afmetingen, en waren tot ver op het vlakke kerkplein gerold,
evenals stukken rots aan den voet van een hoogen berg. De zijmuren
(loopende in eene richting zuidwest-noordoost) waren, hoewel deerlijk
gescheurd, blijven staan; maar de groote stutten, welke er loodrecht
tegen stonden (en dus evenwijdig aan het frontvlak der gevallen
muren), waren in vele gevallen, als met een beitel, glad afgestoken
en op den grond geslingerd. Eenige vierkante ornamenten op den top
van dezelfde muren waren door de aardbeving in een diagonalen stand
geplaatst. Een dergelijk feit werd waargenomen na eene aardbeving te
Valparaiso, in Calabrië en op andere plaatsen, waaronder ook eenige
Grieksche tempels. [262] Oppervlakkig beschouwd schijnt deze draaiende
verplaatsing te wijzen op eene wervelende beweging onder elk punt dat
dezen stand aanneemt; maar dit is in hooge mate onwaarschijnlijk. Zou
zij niet een gevolg hiervan zijn, dat elke steen neiging heeft
zich in een bijzonderen stand met betrekking tot de trillingslijn
te plaatsen--ongeveer op de manier van spelden op een vel papier,
dat geschud wordt? In 't algemeen gesproken, stonden deuringangen of
vensters veel beter dan andere deelen der gebouwen. Niettemin werd
een arm oud man, die lam was en de gewoonte had om bij kleine schokken
naar een deuringang te kruipen, bij deze gelegenheden verpletterd.

Ik heb niet getracht eene uitvoerige beschrijving te geven van het
voorkomen van Concepcion zelf, want ik gevoel, dat het volstrekt
onmogelijk is de gemengde gewaarwordingen te schetsen, die ik daar
ondervond. Verscheidene officieren bezochten de stad vóór mij; maar
hunne sterkst gekleurde woorden waren onmachtig om een juist denkbeeld
te geven van dat tooneel van verwoesting. Het is bitter en ontmoedigend
in eene enkele minuut het werk te zien vernietigen, dat den mensch
zooveel tijd en arbeid heeft gekost! Toch verdween het medelijden met
de inwoners bijna terstond, om plaats te maken voor de verwondering,
dat men in een oogenblik tijds een toestand zag geboren worden, dien
men alléén aan een langdurig tijdperk van verval meende te kunnen
toeschrijven. Naar mijne overtuiging, hebben wij sedert ons vertrek
uit Engeland geen schouwspel gezien, dat zulk een diepen indruk maakte.

Men beweert, dat bij bijna elke groote aardbeving het naburige
water der zee in hevige beroering geraakt. Zooals in het geval van
Concepcion, schijnt de storing in 't algemeen van tweederlei aard te
zijn geweest: ten eerste vloeit het water, op het oogenblik van den
schok, gestadig en in een hooge golf tegen het strand op, en gaat dan
kalm terug; ten tweede vloeit al het zeewater, eenigen tijd daarna,
van de kust weg, en keert dan in golven van onweerstaanbare kracht
terug. De eerste beweging schijnt een rechtstreeksch gevolg te zijn
van de ongelijke werkingen, die de aardbeving op een vast en vloeibaar
lichaam uitoefent, zoodat hunne betrekkelijke hoogten zwak gestoord
worden; maar het tweede geval is een veel gewichtiger verschijnsel. Het
staat vast, dat bij de meeste aardbevingen, en in 't bijzonder bij die
op de westkust van Amerika, de eerste groote beweging van het water
eene teruggaande is. Eenige schrijvers hebben dit trachten te verklaren
door aan te nemen, dat het water zijn peil behoudt, terwijl het land
omhoog golft; maar dicht bij het land--zelfs bij eene eenigszins
steile kust--zou het water stellig aan de beweging van den bodem
deelnemen. Daarenboven betoogt Ch. Lyell, dat dergelijke bewegingen
der zee hebben plaats gehad op eilanden, ver van de hoofdlijn van
storing gelegen--zooals gedurende deze aardbeving het geval was met
Juan Fernandez, en met het eiland Madeira tijdens de vreeselijke
ramp te Lissabon in 1755. Ofschoon het vraagstuk zeer ingewikkeld is,
onderstel ik, dat iedere golf, hoe ook ontstaan, eerst het water van
het strand aftrekt, waarop zij bij hare nadering breekt. Hetzelfde
heb ik ook waargenomen bij de golfjes, die de schepraderen van eene
stoomboot voortbrengen. Het is opmerkelijk, dat, terwijl Talcahuano en
Callao (bij Lima), die beiden gelegen zijn aan het hoofd van groote
ondiepe baaien, bij elke hevige aardbeving van vloedgolven hebben te
lijden gehad--Valparaiso, dat dicht bij den kant van zeer diep water
ligt, nooit overstroomd is geworden, ofschoon het zoo dikwijls door de
geweldigste schokken geteisterd werd. Uit het feit, dat de vloedgolf
niet onmiddellijk op de aardbeving volgt, maar somtijds eerst na eene
tusschenruimte van een half uur: en ook omdat veraf gelegen eilanden
op gelijke wijze worden getroffen als de kusten nabij het brandpunt
van storing--schijnt het, dat de golf zich het eerst in volle zee
verheft; en daar die verschijnselen algemeen voorkomen, moet er ook
eene algemeene oorzaak voor bestaan. Ik vermoed, dat wij de lijn,
waar de minder gestoorde waters van den diepen oceaan samentreffen met
het water dichter bij de kust, hetwelk aan de bewegingen van het land
heeft deelgenomen--moeten beschouwen als de plaats, waar de vloedgolf
het eerst is ontstaan. Ook schijnt de golf grooter of kleiner zijn,
naar gelang van de uitgestrektheid van het ondiepe water, dat met
den bodem waarop het stond, in beroering geraakte.



Het merkwaardigste gevolg van deze aardbeving was de bestendige rijzing
van het land. Misschien zou het veel juister zijn deze rijzing als de
oorzaak er van te noemen. Ofschoon er geen twijfel kan zijn, dat het
land om de Baai van Concepcion twee of drie voet omhoog werd geheven,
dient toch te worden opgemerkt, dat ik, wegens de omstandigheid dat de
golf de oude lijnen van eb- en vloedwerking op de glooiende zandige
kusten had uitgewischt, geen bewijs voor dit feit kon ontdekken,
behalve in het eenstemmige getuigenis der bewoners, dat eene kleine
rotsachtige diepte, welke nu blootligt, vroeger met water bedekt
was. Op het eiland Santa Maria (dat ongeveer 30 mijlen ver ligt) was
de rijzing grooter; op één gedeelte vond kapitein Fitz-Roy, tien voet
boven hoogwaterpeil, banken met verrotte mosselschelpdieren, welke nog
aan de rotsen vastzaten, terwijl de bewoners vroeger bij doodtij naar
deze schelpdieren gedoken hadden. De rijzing van deze landstreek is
van bijzonder belang, wijl zij het tooneel is geweest van verscheidene
andere hevige aardbevingen, en wegens het groote aantal zeeschelpen,
die op eene hoogte van stellig 600 en, naar ik meen, zelfs 1000
voet over het land verspreid liggen. Zooals ik heb opgemerkt, zijn
dergelijke schelpen te Valparaiso gevonden op eene hoogte van 1300
voet. Er valt bijna niet aan te twijfelen, dat deze groote rijzing
een gevolg is geweest van achtereenvolgende kleine (periodieke)
rijzingen, zooals die, welke de aardbeving van dit jaar vergezelde
of veroorzaakte, alsmede van eene onmerkbare langzame (seculaire)
rijzing, die stellig op sommige gedeelten dezer kust in gang is.

Het eiland Juan Fernandez, 360 mijlen ten noordwesten van Concepcion,
werd op het tijdstip van den grooten schok op 20 Februari hevig
geschud, zoodat de boomen tegen elkander sloegen, en dicht bij het
strand een onderzeesche vulkaan in werking kwam. Deze feiten zijn
merkwaardig, omdat dit eiland ook tijdens de aardbeving op 24 Mei 1751
heviger werd geteisterd, dan andere plaatsen op gelijken afstand van
Concepcion, [263] zoodat zij op eene onderaardsche verbinding tusschen
deze twee punten schijnen te wijzen. Chiloë, ongeveer 340 mijlen ten
zuiden van dezelfde stad, schijnt aan sterkere schokken blootgesteld
te zijn geweest, dan het tusschenliggende district Valdivia, waar
de vulkaan Villarica in 't geheel niet in werking kwam, terwijl in
de Cordilleras tegenover Chiloë twee vulkanen op hetzelfde oogenblik
een hevige uitbarsting hadden. Deze twee vulkanen, en enkele naburige
andere, bleven langen tijd werkzaam, en kwamen tien maanden later
door eene aardbeving te Concepcion opnieuw tot uitbarsting. [264]
Eenige mannen, die bij den voet van een dezer vulkanen bezig waren
hout te hakken, bespeurden den schok van den 20sten Februari niet,
ofschoon het geheele omliggende district toen in trilling was. Hier
zien wij dus een geval, dat eene uitbarsting eene aardbeving verzwakt
en daarvoor in de plaats treedt, zooals volgens het bijgeloof der
lagere klassen ook te Concepcion geschied zou zijn, indien de vulkaan
Antuco niet door tooverij verstopt was geworden. Twee jaren en negen
maanden later (7 November 1837) werden Valdivia en Chiloë nogmaals en
heviger geteisterd dan op 20 Februari 1835, waarbij een eiland in den
Chonos-archipel (het eiland Lemus) eene blijvende rijzing van meer dan
acht voet onderging. Het zal den lezer een beter begrip geven van het
uitgestrekte gebied dezer verschijnselen, zoo wij aannemen (evenals
in het geval van de gletschers), dat zij op overeenkomstige afstanden
in Europa hebben plaats gehad. In dat geval zou het land vanaf de
Noordzee tot de Middellandsche Zee hevig geschokt zijn geworden, en
zouden op hetzelfde tijdstip een groot deel van Engelands oostkust,
benevens eenige afgelegen eilanden blijvend zijn omhoog geheven. Op
de kust van Holland zou eene reeks vulkanen in werking zijn gekomen,
en bij de noordpunt van Ierland zou eene uitbarsting op den bodem
der zee hebben plaats gehad. Eindelijk zouden de oude kraters van
Auvergne (Chaîne des Puys of des Monts Dômes, Le Plomp du Cantal en
Les Monts-Dore) donkere rookkolommen hebben omhoog geworpen, en langen
tijd in hevige werking zijn gebleven. Drie en dertig maanden later
zou Frankrijk vanaf zijne centrale hoogvlakte tot aan het Engelsche
Kanaal opnieuw door eene aardbeving verwoest zijn geworden, en zou
een eiland in de Middellandsche Zee blijvend gerezen zijn.

Het gebied, waarover op den 20sten Februari de vulkanische stof werd
uitgeworpen, besloeg eene ruimte van 720 bij 400 Engelsche mijlen,
zoodat zich hier naar alle waarschijnlijkheid een onderaardsch
lavameer uitstrekte, aanmerkelijk grooter dan de oppervlakte der Zwarte
Zee. [265] Uit het nauwe en samengestelde verband, dat er gedurende
deze reeks van verschijnselen tusschen de opheffende en eruptieve
krachten bleek te bestaan, mogen wij met zekerheid besluiten, dat de
krachten welke langzaam en met kleine rukken vastelandsdeelen opheffen,
en die welke periodiek vulkanische stof uit open kraters werpen,
eene-en-dezelfde zijn. Om vele redenen geloof ik, dat de menigvuldige
aardbevingen op deze kustlijn worden teweeggebracht door het scheuren
der lagen, als een noodzakelijk gevolg van de spanning van het land
bij opheffing, en door het met geweld binnendringen [266] van gloeiend
magma of vloeibaar gesteente. Dit scheuren en binnendringen zouden bij
genoegzame herhaling (en wij weten, dat aardbevingen herhaaldelijk
dezelfde streken op dezelfde wijze teisteren) eindelijk eene lage
bergketen vormen. Een dergelijk proces schijnt met het rechtlijnige
eiland Santa Maria in gang te zijn. Ik geloof, dat het centrale
of as-gedeelte van een berg in zijne ontstaanswijze alleen hierin
van een lagen vulkaankegel verschilt, dat het gesmolten gesteente
bij herhaling naar binnen is geperst, in plaats van herhaaldelijk
naar buiten geworpen. Bovendien geloof ik, dat de structuur van
groote bergketenen--zooals die van de Cordilleras, waar de lagen
die de ingeperste kern van plutonische gesteenten bedekken, langs
verschillende evenwijdige en naburige heflijnen op haren kant zijn
gezet--onmogelijk kan worden verklaard, behalve in de onderstelling,
dat het kerngesteente herhaaldelijk werd ingespoten na tijdruimten,
lang genoeg om aan de bovengedeelten of vulspleten gelegenheid te geven
tot afkoeling en verharding. Want indien de lagen door één enkelen
schok in hare tegenwoordige, zeer steile, loodrechte en stomphoekige
standen waren geworpen, zouden de ingewanden der aarde naar buiten
zijn gestroomd; en in plaats dat men, zooals nu, de steile centrale
bergdeelen zou gevormd zien uit gesteente, dat onder hooge drukking
is vastgeworden, zouden op tallooze punten van elke heflijn stroomen
lava naar buiten zijn gevloeid. [267]


    Dat groote bergketens, en bergen in 't algemeen, op de door
    Darwin omschrevene wijze ontstaan zouden zijn, vindt heden
    geen geloof meer. Ook niet de vroeger zoozeer bekende theorie
    van Hutton, Playfair, A. von Humboldt, E. de Beaumont en L. von
    Buch, volgens welke de bergen waren ontstaan door drukkrachten,
    die in radiale richting van onderen naar boven werkten, en die
    de uitbarsting van eruptieve gesteenten voor de oorzaak hield
    van de opheffing en plooiïng der aardlagen tot bergen. Aan de
    nieuwere onderzoekingen van Favre, Dana, Baltzer, maar vooral
    van E. Suess en A. Heim [268] is het te danken, dat men eene
    juistere en meer natuurlijke voorstelling van het proces der
    bergvorming bezit. Volgens die theorie verdeelt men de bergen in:
    1o. Erosie-gebergten, die door de knagende of wegvretende werking
    van stroomend water op een oorspronkelijk tafelland gevormd werden;
    2o. Vulkanische gebergten, ontstaan door gloeiend vloeibaar
    gesteente, dat door eene spleet of opening (in ruimeren zin:
    eene reeks van zulke openingen) uit het binnenste der aarde drong,
    zich aan de randen der spleet ophoopte en afkoelde; 3o. Tektonische
    gebergten, waartoe de meest voorkomende en reusachtigste bergen en
    bergreeksen behooren. Daaronder verstaat men zulke, die gevormd
    werden door bewegingen der aardkorst zelve (benedenwaartsche en
    samenschuivende), ten gevolge van de afkoeling en daarmede in
    verband staande contractie en verkleining onzer planeet.

    (Noot v. d. Vert.)



HOOFDSTUK XV.

OVERTOCHT VAN DE CORDILLERAS.


[7 Maart 1835.]

Wij bleven drie dagen te Concepcion, en zeilden toen naar
Valparaiso. Daar de wind noordelijk was, bereikten wij den ingang
der haven van Concepcion eerst tegen donker. Omdat wij zeer dicht bij
land waren, en er een mist kwam opzetten, lieten wij hier het anker
vallen. Kort daarna kwam een groote Amerikaansche walvischvaarder
ons op zijde, waarvan wij den kapitein vloekend tot zijn volk hoorden
zeggen, dat het zich stil moest houden, zoolang hij naar de stortzeeën
luisterde. Kapitein Fitz-Roy praaide hem met luide, heldere stem,
om op de plek waar hij was te ankeren. De arme man zal toen zeker
hebben gedacht, dat die stem van het strand kwam, want een storm van
kreten steeg eensklaps van het schip op, daar iedereen schreeuwde:
"Laat het anker vallen! Kabel vieren! Zeil minderen!" Dit was het
belachelijkste, dat ik ooit gezien had. Indien alle koppen van de
bemanning kapiteins waren geweest, had er geen grootere verwarring
van bevelen kunnen heerschen. Later ontdekten wij, dat de kapitein
stotterde, zoodat ik vermoed, dat allen hem hielpen om zijne orders
te geven.

Op den 11den ankerden wij te Valparaiso; en twee dagen later ging ik
op weg, om de Cordilleras over te trekken. Eerst begaf ik mij naar
Santiago, waar Caldcleugh mij zeer vriendelijk op alle mogelijke
wijze hielp bij het maken van de kleine noodige toebereidselen. In
dit gedeelte van Chili zijn twee passen over de Andes naar Mendoza: de
eene, de Aconcagua- of Uspallata-pas, ligt op 32°50' Z.B. en wordt het
meest gebruikt; de tweede, de Portillo-pas geheeten, ligt zuidelijker,
is nader, maar hooger en gevaarlijker. [269]

[18 Maart.]

Wij richtten ons naar den Portillo-pas. Na Santiago te hebben
verlaten, staken wij de uitgestrekte, verschroeide vlakte over,
waarin deze stad ligt, en kwamen in den namiddag aan de Maypu, eene der
voornaamste rivieren van Chili. Ter plaatse, waar de vallei den eersten
Cordilleras-kam snijdt, wordt zij aan weerskanten door hooge, naakte
bergen begrensd; en ofschoon niet breed, is zij zeer vruchtbaar. Tal
van hutten waren omringd door wijngaarden, en boomgaarden met appel-,
nektarine- en perzikboomen, waarvan de takken onder het gewicht der
schoone rijpe vruchten dreigden te breken. Des avonds bereikten wij het
tolhuis, waar onze bagage onderzocht werd. De Chileensche grens wordt
beter bewaakt door de Cordilleras, dan door het water der zee. Er zijn
zeer weinige valleien, die naar de centrale kammen van het gebergte
voeren, en op andere plaatsen zijn de bergen voor lastdieren geheel
onbegaanbaar. De beambten van het tolhuis waren zeer beleefd, hetgeen
misschien voor een deel was toe te schrijven aan het paspoort, dat
de President der Republiek mij gegeven had; maar bijna elke Chileen
bezit eene aangeboren beleefdheid, waarover ik mijne bewondering
moet uitspreken. In dit geval was de tegenstelling met dezelfde
klasse van menschen in de meeste andere landen zeer opvallend. Als
staaltje van Chileensche beleefdheid zal ik eene anecdote vertellen,
die mij destijds zeer vermaakte. Dicht bij Mendoza ontmoetten wij
eene kleine en zeer dikke negerin, die schrijlings op een muildier
zat. Zij had een kropgezwel, zoo verbazend groot, dat men bijna niet
kon nalaten haar voor een oogenblik aan te kijken; doch bijna op
hetzelfde oogenblik--als wilden zij zich verontschuldigen--groetten
mijne beide metgezellen haar op de gebruikelijke manier, door hunne
hoeden af te nemen. Waar zou men in Europa, onder de hoogere of lagere
standen, zulk eene beleefdheid hebben bewezen aan een arm en mismaakt
schepsel van een verworpen ras?

Des nachts sliepen wij in eene hut. Onze onafhankelijke manier van
reizen was verrukkelijk. In de bewoonde gedeelten kochten wij wat
brandhout, huurden weiland voor de beesten, en kampeerden bij hen
in een hoek van hetzelfde veld. In den ijzeren pot, dien wij bij
ons hadden, kookten wij ons avondeten, nuttigden dit onder een
onbewolkten hemel, en kenden geen zorg. Mijne metgezellen waren:
Mariano Gonzales, die mij reeds vroeger in Chili als gids had gediend,
en een arriero (muildierendrijver) met zijne tien muildieren en
eene madrina (petemoeder). Laatstgenoemde is een hoogst gewichtig
personage: namelijk eene oude, bezadigde merrie met een belletje
aan den nek, die, waar zij gaat, door de muildieren als gehoorzame
kinderen gevolgd wordt. De liefde van deze dieren voor hunne madrinas
bespaart tallooze moeilijkheden. Zoo er verscheidene groote troepen
tegelijktijdig in hetzelfde veld grazen, behoeven de arrieros des
morgens hunne madrinas alleen wat ter zijde te voeren en hare bellen
te laten klinken: en al waren er dan ook twee- of driehonderd muilen
bijeen, toch kent elk onmiddellijk de bel van zijne eigene madrina,
en komt naar haar toe. Het is bijna onmogelijk een oud muildier
te verliezen; want zoo het verscheidene uren lang met geweld wordt
achtergehouden, zal het, evenals een hond, met zijn fijnen reuk het
spoor zijner makkers of liever van de madrina volgen, aan wie het,
zooals de arriero beweert, de meeste liefde toedraagt. Deze neiging
is echter niet van individueelen aard; want ik geloof geen ongelijk
te hebben als ik zeg, dat elk dier met een bel aan voor madrina kan
dienen. Elk muildier draagt op een effen weg een last van 416 pounds
(meer dan 29 stone); [270] maar in eene bergachtige streek 100 pounds
minder. Het is merkwaardig, dat deze dieren met hunne fijne, schrale
ledematen, zonder evenredige spierontwikkeling, zulk een grooten
last kunnen dragen. Het muildier schijnt mij altijd een hoogst
wonderlijk dier toe. Dat een basterd of speelsoort meer verstand,
geheugen, halsstarrigheid, neiging tot het vereenigingsleven,
volhardingsvermogen bij spierarbeid, en ook een langer leven bezit
dan een zijner ouders, schijnt aan te duiden, dat de kunst hier de
natuur heeft overtroffen. Van onze tien dieren waren zes bestemd voor
rijden, en vier voor het dragen van lasten, waarin allen elkander
afwisselden. Wij hadden eene flinke hoeveelheid voedsel meegenomen
voor het geval, dat wij ingesneeuwd werden, omreden het seizoen voor
een tocht over den Portillo-pas eenigszins verstreken was.

[19 Maart.]

Dezen dag reden wij naar het laatste, en dus hoogst gelegen huis
van de vallei. Het aantal bewoners werd schaarsch; toch was het
land op plaatsen, waar het water kon worden heengevoerd, nog zeer
vruchtbaar. Alle hoofdvalleien in de Cordilleras bezitten dit kenmerk,
dat zij aan beide zijden worden omzoomd door een ruw gelaagd, en
meestal zeer dik terras van keien en zand. Blijkbaar is er een tijd
geweest, dat deze terrassen zich dwars over de valleien uitstrekten
en vereenigd waren. Dit vermoeden wordt bevestigd in Noord-Chili,
waar geen stroomen zijn, en waar men de dalbodems op de genoemde wijze
gelijkmatig gevuld ziet. Over deze randterrassen leiden meestal de
wegen; want hunne oppervlakten zijn effen, en met eene zeer geringe
stijging volgen zij den loop der valleien. Vandaar dat zij ook
gemakkelijk door irrigatie worden bebouwd. Men kan hen vervolgen tot
eene hoogte van 7000 of 9000 voet, waar zij zich eindelijk tusschen
de onregelmatige hoopen rotspuin verliezen. Aan het ondereinde of
den ingang der valleien gaan zij geleidelijk over in die door land
ingesloten (ook uit keien gevormde) vlakten aan den voet der hoofdketen
van de Andes, welke ik in een vroeger hoofdstuk als kenmerkend voor
het Chileensche landschap heb beschreven, en die daar ongetwijfeld
ontstonden in een tijd, toen de zee in Chili doordrong, gelijk zij het
nu in de zuidelijke kusten doet. Geen enkel feit in de geologie van
Zuid-Amerika boezemde mij meer belang in, dan deze terrassen van grof
gelaagde keien. In samenstelling gelijken zij volkomen op de stof,
die de stroomen in elke vallei zouden afzetten, indien zij door de
eene of andere oorzaak--zooals het vloeien in een meer of zeearm--in
hun loop belemmerd werden; maar in plaats van stof af te zetten,
zijn de stroomen nu voortdurend bezig met het afknagen van het vaste
gesteente en van deze alluviale aanslibbingen over de geheele lengte
van elke hoofd- en zijvallei. Het is niet mogelijk hier de redenen op
te noemen; maar ik ben overtuigd, dat die kei- of grofkiezel-terrassen
gedurende de trapsgewijze rijzing der Cordilleras werden opgehoopt door
de stroomen, die bij opvolgende peilstanden hun rotspuin aanslibden op
de strandhoofden van lange smalle zeearmen--eerst hoog in de valleien,
toen lager en lager naar het ondereinde, terwijl het land gestadig en
langzaam rees. Indien dit zoo is (en ik kan er niet aan twijfelen),
dan is de groote en gebroken keten van de Cordilleras niet--zooals
de geologen tot voor korten tijd algemeen dachten, en zooals nu nog
de gewone meening is--plotseling omhooggeworpen, maar langzaam in
haar geheel opgeheven, op dezelfde gestadige manier als de kusten
van de Atlantische en Stille Oceanen in jongere tijdperken. Eene
menigte feiten in de structuur van de Cordilleras vinden door deze
beschouwing eene eenvoudige verklaring.

De rivieren, die door deze valleien vloeien, moesten eerder
bergstroomen worden genoemd. Hare helling is zeer groot, en het water
heeft de kleur van modder. Het geraas, dat de Maypu maakte terwijl
zij over de groote ronde brokken schoot, geleek op het bruisen
der zee. Tusschen het geweld van het stroomende water, was het
ratelende geluid der over elkander schurende steenen zeer duidelijk
hoorbaar--zelfs op een afstand. Dag en nacht kan men dit ratelende
geluid langs den geheelen loop van den stroom hooren. Voor den geoloog
lag er iets welsprekends in dien klank. Die duizenden en duizenden
steenen, welke rammelend tegen elkander het doffe en eentonige geluid
verwekten, spoedden zich allen in ééne richting. Zij deden denken aan
den tijd, waarin elke voorbij snellende minuut onherroepelijk in de
eeuwigheid verzinkt! Voor deze steenen is de oceaan hunne eeuwigheid;
en elke toon in die wilde muziek sprak mij van een stap, dien zij
nader tot hunne bestemming deden.

Het is voor den menschelijken geest onmogelijk, anders dan door een
langzaam verloop, eene werking te begrijpen, welke is voortgebracht
door eene zoo dikwijls herhaalde oorzaak, dat het noemen van het
herhalings-cijfer al geen duidelijker begrip van de zaak geeft dan
de wilde, die naar de haren op zijn hoofd wijst. Zoo dikwijls als ik
modder-, zand- en kiezellagen tot eene dikte van vele duizenden voeten
opgehoopt zag, voelde ik mij geneigd uit te roepen, dat oorzaken,
als de vermalende werking der tegenwoordige rivieren en tegenwoordige
strandvloeden, nooit zulke massa's konden hebben voortgebracht. Maar
aan den anderen kant: als ik luisterde naar het ratelende geluid dezer
stroomen: als ik mij voor den geest riep, dat geheele dierengeslachten
van de aardoppervlakte verdwenen zijn gedurende dat lange tijdvak,
waarin deze steenen dag en nacht met hetzelfde geluid in hunnen loop
zijn voortgeschuifeld--dan heb ik bij mijzelf gedacht: welke berg,
welk vastland kan zulk eene slooping weerstaan?

In dit gedeelte der vallei waren de bergen aan weerszijden van 3000
tot 6000 of 8000 voeten hoog, met afgeronde omtrekken en steile, kale
hellingen. De algemeene kleur van het gesteente was dof purperachtig,
en zijne laagswijze structuur zeer duidelijk waarneembaar. Zoo al niet
schoon, was toch het landschap merkwaardig en grootsch. In den loop van
den dag ontmoetten wij verscheidene kudden vee, die door mannen uit de
hoogere valleien in de Cordilleras naar omlaag werden gedreven. Dit
teeken van den naderenden winter verhaastte onze schreden, meer dan
voor geologische waarnemingen wel wenschelijk is. Het huis, waarin
wij sliepen, lag aan den voet van een berg, op welks top zich de
San-Pedro-de-Nolasko-mijnen bevinden. Sir F. Head verwondert zich, dat
er mijnen ontdekt zijn geworden op zulke buitengewone plaatsen als de
schrale top van den berg San Pedro de Nolasko. Toch laat die ontdekking
zich zeer goed verklaren. In de eerste plaats zijn metaaladeren in deze
streek meestal harder dan de omringende lagen, zoodat zij gedurende
de allengs voortgaande slijting der bergen buiten de oppervlakte van
den grond steken. Ten tweede heeft bijna elk arbeider, vooral in de
noordelijke gedeelten van Chili, eenig verstand van het voorkomen van
ertsen. In de groote mijnprovinciën Coquimbo en Copiapó is brandhout
zoo schaarsch, dat er op ieder bergje en in elk dal naar gezocht wordt;
en door dit zoeken zijn bijna al de rijkste mijnen in die streek
ontdekt. Chagnarcillo, waaruit in den loop van weinige jaren voor
eene waarde van vele honderdduizenden ponden zilver te voorschijn is
gebracht, werd ontdekt door een man, die een steen naar zijn beladen
ezel wilde werpen. In de meening, dat hij zeer zwaar was, raapte hij
den steen op, en ontdekte, dat deze grootendeels uit zuiver zilver
bestond. Niet ver van de plek stond de ader recht overeind, als eene
wig van metaal. Ook wandelen de mijnwerkers dikwijls op Zondagen met
een breekijzer over de bergen. In het zuidelijk deel van Chili zijn
de ontdekkers gewoonlijk mannen, die vee in de Cordilleras drijven,
en elk ravijn bezoeken waar eenig weiland te vinden is.

[20 Maart.]

Naarmate wij hooger in de vallei kwamen, werd de plantengroei, met
uitzondering van enkele fraaie Alpen-bloemen, uiterst schaarsch;
en van viervoetige dieren, vogels of insecten kon er nauwelijks een
worden ontdekt. De hooge bergen, waarvan de toppen enkele plekjes
sneeuw vertoonden, stonden goed van elkander gescheiden, terwijl de
tusschenliggende dalen gevuld waren met alluviale lagen van ontzaglijke
dikte. Het berglandschap van de Andes bevatte eenige bijzonderheden,
welke mij om hare tegenstelling met de andere mij bekende bergketens
bovenal troffen. Die bijzonderheden waren: de vlakke zoomen aan
weerszijden van de valleien, welke randen zich dikwijls tot smalle
vlakten verbreedden; de heldere kleuren, voornamelijk rood en purper,
der volkomen naakte en steile heuvels van porfier; de indrukwekkende
en onafgebroken steenaderen, welke het voorkomen hadden van muren; de
duidelijke afscheiding der lagen, die, daar waar zij bijna verticaal
stonden, de schilderachtige en ruwe middentoppen vormden, doch bij
geringere helling de groote bergenmassa aan de grenzen der keten
samenstelden; en eindelijk, de rechte kegelvormige stapels fijn
en helderkleurig rotspuin, die onder een steilen hoek van den voet
der bergen af, soms tot eene hoogte van meer dan 2000 voet langs de
wanden opliepen.

Zoowel in Vuurland als in de Andes merkte ik herhaaldelijk op,
dat waar het gesteente gedurende het grootste deel van het jaar met
sneeuw bedekt was, het op zeer buitengewone wijs in kleine hoekige
stukken was gesplinterd. Scoresby [271] heeft hetzelfde feit op
Spitsbergen waargenomen. De zaak schijnt mij eenigszins duister;
want het gedeelte van een berg, dat door een sneeuwmantel wordt
beschut, moet minder aan herhaalde en groote temperatuurswisselingen
onderhevig zijn, dan elk ander gedeelte. Soms heb ik gedacht, dat
de aarde en steenbrokken aan de oppervlakte misschien minder snel
werden verwijderd door langzaam doorzijgend sneeuwwater, [272] dan
door regen, en dat dus de schijnbaar snellere verweering van het
vaste gesteente onder de sneeuw bedriegelijk was. Wat ook de reden
zij, de hoeveelheid afbrokkelend gesteente op de Cordilleras is
zeer groot. In de lente glijden somtijds groote hoopen van dit puin
de bergen af, overdekken de sneeuw die in de dalen is samengewaaid,
en vormen zoo natuurlijke huizen van ijs. Wij reden over zoo'n huis,
dat op eene hoogte lag ver onder de grens van eeuwige sneeuw.

Tegen het vallen van den avond bereikten wij eene eigenaardige
komvormige vlakte, La Valle del Yeso (De Gips-Vallei) geheeten. Zij
was met eenig droog weiland bedekt, waarop wij tot ons genoegen eene
kudde vee zagen grazen, te midden van de omringende steenwoestijnen. De
vallei ontleent haar naam aan eene groote, naar schatting minstens
2000 voet dikke laag van wit gips, dat op sommige plaatsen geheel
zuiver is. Wij sliepen bij een troepje mannen, wier werk het was om
deze stof, die bij de wijnbereiding gebruikt wordt, op muildieren
te laden. Vroeg in den morgen van den 21sten gingen wij op weg, en
volgden weer den loop der rivier, die hier zeer klein was geworden,
totdat wij aan den voet van den machtigen bergrug kwamen, die de
wateren der Stille en Atlantische Oceanen gescheiden houdt. De
weg, tot dusver goed, en voortdurend doch zeer langzaam stijgende,
veranderde nu in een steil zigzagvormig pad over den grooten rotswand
op de grensscheiding tusschen de republieken Chili en Mendoza.



Ik zal hier eene korte schets geven van de geologische gesteldheid
der verschillende evenwijdige bergreeksen, die de Cordilleras
vormen. Van deze reeksen zijn twee aanmerkelijk hooger dan de
anderen: namelijk aan den kant van Chili, de Peuquenes-keten,
die op het punt, waar de pas haar kruist, 3927 Met. hoog is; en
aan den kant van Mendoza, de Portillo-keten, die 4060 Met. hoog
is. De lagere ruggen der Peuquenes-keten en van de verschillende
groote reeksen westelijk daarvan, bestaan uit eene reusachtige,
vele duizenden voeten dikke ophooping van porfier-gesteenten, die
als onderzeesche lava's, afgewisseld door hoekige en ronde brokken
van dezelfde gesteenten, uit kraters op den bodem van voorwereldlijke
zeeën omhoog zijn geworpen. Deze afwisselende gesteenten zijn in de
centrale gedeelten bedekt met eene dikke laag van rooden zandsteen,
conglomeraat en kalkhoudend leemschiefer, verbonden met en overgaande
in reusachtige gipslagen. In de bovenlagen komen vrij veel schelpdieren
voor, die ongeveer behooren tot de periode der Lagere Witte Kalk in
Europa. [273] Het is eene oude geschiedenis, maar daarom niet minder
verwonderlijk, van schelpdieren te hooren spreken, die weleer over
den bodem der zee kropen, en nu bijna 14000 voet boven haren spiegel
liggen! De onderste beddingen in deze groote ophooping van lagen zijn
door de werking (contactmetamorphose) van eruptieve steenmassa's,
uit een eigenaardig wit soda-graniet bestaande, verzet, verglaasd,
gekristalliseerd en bijna samengesmolten. [274]

De andere hoofdketen, nam. de Portillo-keten, is geheel anders gevormd,
en bestaat hoofdzakelijk uit hooge, naakte toppen van een rood kali- of
potasch-graniet, die ver omlaag aan de westelijke helling bedekt zijn
met een zandsteen, welke door de vroegere hitte in een kwartsgesteente
is omgezet. Op het kwarts rusten beddingen van een conglomeraat, ter
dikte van verscheidene duizenden voeten, die door het roode graniet
zijn opgeheven en onder een hoek van 45° naar de Peuquenes-keten zijn
gericht. Tot mijne verwondering zag ik, dat dit conglomeraat bestond:
deels uit rolsteenen, afkomstig van de gesteenten der Peuquenes-keten
met hunne fossiele schelpdieren, en deels uit rood potasch-graniet,
gelijk aan dat van de Portillo-keten. Daaruit moeten wij besluiten,
dat de Peuquenes- en Portillo-ketens beiden gedeeltelijk opgeheven en
aan verweering en slooping waren blootgesteld, toen het conglomeraat
zich vormde; maar wijl de beddingen van het conglomeraat door het roode
Portillo-graniet tot eene inclinatie van 45° zijn omhoog geworpen,
en de onderliggende zandsteen door ditzelfde graniet verglaasd
is, kunnen wij zeker zijn, dat de indringing van het graniet
en de opheffing der reeds gedeeltelijk gevormde Portillo-keten,
grootendeels plaats hadden na de ophooping van het conglomeraat,
en lang na de rijzing der Peuquenes-keten. De Portillo--de hoogste
keten in dit deel van de Cordilleras--is dus niet zoo oud als
de minder hooge Peuquenes-keten. Een hellende lavastroom aan den
oostelijken voet van de Portillo zou als bewijs kunnen dienen, dat
de groote hoogte van die keten gedeeltelijk is toe te schrijven aan
rijzingen van nog latere dagteekening. Wat haar vroegste ontstaan
betreft, zoo schijnt het roode graniet te zijn ingedrongen door
de lijn van zwaksten weerstand eener oude, voorbestaande keten van
wit graniet en mica-schiefer. Men mag aannemen, dat in de meeste,
wellicht in alle gedeelten van de Cordilleras elke keten gevormd is
door herhaalde opheffingen en inschuivingen van eruptief gesteente;
en dat de verschillende evenwijdige ketenen van verschillenden
ouderdom zijn. Alleen zóó kunnen wij tijd winnen, noodig en voldoende
om den werkelijk verbazenden omvang der slooping te verklaren, die
deze hooge ofschoon, in vergelijking met de meeste andere ketens,
nog jonge bergen ondergaan hebben.

Eindelijk bewijzen de schelpen in de Peuquenes- of oudste keten,
dat zij, zooals boven is opgemerkt, 14000 voet gestegen is sedert
het bestaan eener formatie uit het Secondaire of Mesozoïsche Tijdvak,
die wij in Europa gewoon zijn als verre van oud te beschouwen. Doch
er is meer: de zee, waarin die schelpdieren leefden, had slechts eene
matige diepte; en nu kan men aantoonen, dat het gebied, thans door de
Cordilleras ingenomen, verscheidene duizenden voeten (in Noord-Chili
ongeveer 6000 voet) gezonken moet zijn, om aan die machtige groep van
onderzeesche lagen gelegenheid te geven zich op de bedding, waarin die
schelpdieren leefden, af te zetten. Het bewijs is hetzelfde als dat,
waardoor werd aangetoond, dat in een tijdperk, zeer lang nadat de
tertiaire schelpen der voormalige Patagonische Zee leefden, de bodem
dier zee verscheidene honderden voeten gedaald moet zijn, door eene
latere rijzing gevolgd. Dagelijks vindt de geoloog gelegenheid zich
te overtuigen, dat er niets--zelfs niet de wind--zoo wankelbaar en
onstandvastig is als het eigenlijk oppervlak onzer aardkorst.

Ik wil nog eene andere geologische opmerking doen. Ofschoon
de Portillo-keten hier hooger is dan de Peuquenes, hebben de
waterstroomen, die de tusschenliggende valleien bevloeien, zich een weg
er door gebaand. Hetzelfde feit, op grootere schaal, is waargenomen
in de oostelijke en hoogste keten der Boliviaansche Cordilleras,
waardoor de rivieren zich een weg banen, en dergelijke feiten zijn
ook in andere deelen van de wereld opgemerkt. In de onderstelling,
dat de Portillo-keten in lateren tijd en gaandeweg is opgeheven,
laat zich dit feit verklaren, want in dit geval zou eerst eene reeks
eilandjes verschijnen; en terwijl dezen werden omhoog geheven, zouden
de getijen steeds diepere en breedere kanalen daarin uithollen. Ten
huidigen dage zijn in de meest afgelegen zeeëngten op de kust van
Vuurland, de stroomingen in de dwarsgeulen, die de overlangsche
kanalen verbinden, zeer sterk, zoodat in een dier zijkanalen zelfs
een klein zeilschip om en om werd gedraaid.



Omstreeks den middag aanvaardden wij de moeilijke bestijging van de
Peuquenes-keten, en ondervonden toen voor de eerste maal eene kleine
belemmering in onze ademhaling. De muildieren wilden bij iedere
50 yards halt houden; en na enkele seconden rust begonnen de arme,
gewillige dieren den tocht opnieuw. De korte ademhaling ten gevolge
van den ijlen dampkring wordt door de Chileenen puna genoemd, [275]
en zij hebben de belachelijkste begrippen aangaande de oorzaak er
van. Sommigen zeggen: "al het water hier heeft puna;" anderen: "waar
sneeuw is, daar is puna;" en dit laatste is zonder twijfel waar. De
eenige gewaarwording, die ik ondervond, was eene lichte stramheid in
hoofd en borst, zooals men gevoelt als men snel uit eene warme kamer
in de ijskoude lucht komt. Maar zelfs hierin was eenige verbeelding;
want toen ik op den hoogsten bergrug fossiele schelpdieren vond,
vergat ik van blijdschap de puna geheel. Ongetwijfeld kostte het
loopen buitengewoon veel inspanning, en werd de ademhaling diep en
zwaar. Men zeide mij, dat vreemdelingen, die in Potosi (ongeveer
13000 voet boven de zee) verblijf houden, zelfs in een vol jaar tijds
niet geheel aan de lucht gewend raken. Alle inwoners raden uien tegen
puna aan. Daar dit gewas in Europa somtijds tegen borstkwalen wordt
aangewend, kan het mogelijk van wezenlijk nut zijn; wat mij betreft,
ik vond geen beter middel dan fossiele schelpdieren!

Toen wij omstreeks halfweg op den berg waren, ontmoetten wij een
grooten troep van 70 beladen muildieren. Het was merkwaardig de
woeste kreten der drijvers te hooren, en den langen sleep van dieren
den berg te zien afdalen. Nu er niets in het rond was om dien troep
bij te vergelijken, dan de naakte bergen zelven, wat scheen hij ons
klein toe! Dicht bij den top was de wind, zooals meestal gebeurt,
onstuimig en buitengewoon koud. Aan elke zijde van de keten moesten
wij over breede velden van eeuwige sneeuw gaan, die nu spoedig door
eene versche laag zou worden bedekt. Toen wij den top bereikten
en omkeken, vertoonde zich een prachtig schouwspel. De verblindend
heldere lucht; de donkerblauwe hemel; de diepe valleien; de grillig
gebroken vormen der berggevaarten; de stapels rotspuin, sinds eeuwen
opgehoopt; de tegenstelling tusschen de helderkleurige gesteenten
en de stemmig getinte sneeuwbergen--dit alles smolt samen tot een
tafereel van onbeschrijfelijke schoonheid, zooals niemand zich kan
voorstellen. Enkele condors uitgezonderd, die om de hooge toppen
zweefden, leidden plant noch dier mijne aandacht af van deze grootsche,
doch onbezielde natuur. Ik gevoelde mij verrukt in deze eenzaamheid:
het was als sloeg ik een onweder gade, als hoorde ik daar in vol
orkest een koor van den Messias!

Op verscheidene sneeuwhoopen vond ik den Protococcus Nivalis of roode
sneeuw, zoo wel bekend uit de verhalen van Noorsche zeevaarders. Mijne
aandacht werd er op gevestigd, toen ik zag, dat de voetstappen der
muildieren eene bleekroode tint hadden, alsof hunne hoeven eenigszins
bloederig waren. Eerst meende ik dit te moeten toeschrijven aan stof,
dat van de omringende roode porfier-bergen was afgewaaid; want door
het vergrootings-vermogen der sneeuwkristallen geleken de groepen
dezer microscopische planten op grove stofdeelen. De sneeuw was alleen
dáár gekleurd, waar zij snel ontdooid of toevallig vertrapt was. Eene
kleine hoeveelheid, op papier gewreven, gaf eene flauwe rozeroode tint,
vermengd met een spoor van steenrood. Later schraapte ik iets van het
papier af, en vond dat dit schraapsel bestond uit groepen bolletjes
in kleurlooze kapsels, elk een duizendste inch in doorsnede.

Op den top der Peuquenes-keten is de wind, gelijk ik zoo even
opmerkte, meestal onstuimig en zeer koud; men zegt, dat hij geregeld
van de westzijde waait, of van den Stillen Oceaan. [276] Daar de
waarnemingen hoofdzakelijk in den zomer zijn gedaan, moet deze wind een
boven-keerstroom zijn. De Piek van Tenerife, die minder hoog is [277]
en op 28° N.B. ligt, ligt eveneens in een boven-keerstroom. Eerst
schijnt het eenigszins wonderlijk, dat de passaatwind langs de
noordelijke gedeelten van Chili en op de kust van Peru in zulk
eene zuidelijke richting waait, als hier het geval is; maar zoo wij
bedenken, dat het Andesgebergte, dat in eene noordelijk-zuidelijke
richting loopt, den lageren luchtstroom over zijne geheele diepte als
met een grooten dam onderschept, dan zien wij gemakkelijk in, dat de
passaatwind noordwaarts, langs de bergketen, naar de evenaarsstreken
moet worden getrokken, en dus een deel van die oostelijke beweging
moet verliezen, welke zij anders door de aswenteling der aarde zou
hebben bezeten. Te Mendoza, aan den oostelijken voet der Andes, is
het klimaat, gelijk men beweert, onderhevig aan lange windstilten
en aan herhaalde, ofschoon valsche voorteekenen van dreigende
regenvlagen. Hier kunnen wij ons voorstellen, dat de wind, als hij
uit het oosten komende door de bergketen wordt onderschept, stationair
wordt en onregelmatige bewegingen aanneemt.

De Peuquenes overgetrokken zijnde, daalden wij af in een bergland,
tusschen de twee hoofdketens gelegen, en sloegen hier onze
nachtverblijven op. Wij waren nu in de Republiek Mendoza. De hoogte
was waarschijnlijk niet onder de 11000 voet, en de plantengroei
bij gevolg uiterst schraal. De wortel eener kleine armzalige plant
diende als brandstof, maar gaf een ellendig vuur, terwijl de wind
doordringend koud was. Daar ik door de inspanning van den dag zeer
vermoeid was, maakte ik mijn bed zoo spoedig mogelijk op, en ging
slapen, omstreeks middernacht zag ik de lucht eensklaps betrekken. Ik
wekte den arriero om te weten of er ook gevaar voor slecht weer was;
doch hij zeide, dat er zonder donder en bliksem geen kans op een
hevigen sneeuwstorm was. Wie tusschen de twee ketens in door slecht
weer wordt overvallen, verkeert in levensgevaar en heeft groote
moeite er aan te ontkomen. Caldcleugh, die op denzelfden dag der
maand den overtocht deed, werd daar eenigen tijd door een hevigen
sneeuwval opgehouden. Casuchas [278] of vluchthuizen, zooals in den
Uspallata-pas, zijn in dezen pas niet gebouwd, en daarom wordt de
Portillo gedurende den herfst weinig bezocht. Ik wil hier opmerken,
dat er in de hoofdketen van de Cordilleras nooit regen valt; want
des zomers is de lucht onbewolkt, en des winters komen alleen
sneeuwstormen voor.

Op de plek, waar wij sliepen, kookte het water wegens de geringere
luchtdrukking noodzakelijk bij lagere temperatuur dan in eene minder
hooge streek het geval is. Het verschijnsel was hier het omgekeerde
van dat bij den Pot van Papin. [279] Bij gevolg waren de aardappelen,
na eenige uren in het kokende water te hebben gelegen, bijna even hard
als ooit. De pot werd den ganschen nacht op het vuur gelaten, het water
den volgenden morgen opnieuw aan den kook gebracht, maar de aardappelen
werden niet gaar. Ik ontdekte dit, omdat ik mijne twee metgezellen de
zaak hoorde bespreken; zij waren eenvoudig tot het besluit gekomen "dat
die vervloekte pot (een nieuwe) geen aardappelen verkoos te koken."

[22 Maart.]

Nadat wij ons ontbijt zonder aardappelen gegeten hadden, trokken wij
over de tusschenliggende vlakte naar den voet der Portillo-keten. In
het midden van den zomer wordt hier vee gebracht om te grazen;
maar nu waren alle dieren weggehaald, en zelfs de guanaco's waren
vertrokken, wel wetende, dat zij in een val zouden geraken, zoo
zij hier door een sneeuwstorm werden verrast. Wij hadden een fraai
uitzicht op eene groep bergen, Tupungato geheeten, die geheel met een
onafgebroken sneeuwlaag bedekt waren; in het midden er van vertoonde
zich eene blauwe plek, ongetwijfeld een gletscher, die in deze bergen
een zeldzaam verschijnsel is. Nu begon eene moeilijke en langdurige
beklimming, evenals die van de Peuquenes. Rechts en links verrezen
steile, kegelvormige heuvels van rood graniet, en in de valleien
lagen verscheidene breede velden van eeuwige sneeuw. Deze bevroren
massa's waren, tijdens het ontdooien, op sommige plaatsen in pieken of
zuilen veranderd, [280] die wegens hare hoogte en geringen onderlingen
afstand den muildieren het overtrekken moeilijk maakten. Op een van
deze ijskolommen stond een bevroren paard, als op een voetstuk, maar
met de achterpooten recht omhoog. Ik vermoed, dat het dier met het
hoofd omlaag in een gat is gevallen toen de sneeuw nog versch lag,
en dat de dooi later de omringende hoopen heeft verwijderd.

Toen wij bijna op den top van de Portillo waren, werden wij in eene
dalende wolk van kleine ijsnaaldjes gehuld. Dit was zeer jammer, daar
het den ganschen dag duurde, en ons uitzicht geheel belemmerde. De pas
ontleent haren naam "Portillo" (bijpoort of doorloop voor voetgangers)
aan eene smalle kloof of overweg op den hoogsten kam, waarover de
weg leidt. Van dit punt kan men op een helderen dag die uitgestrekte
vlakten zien, welke zich onafgebroken tot den Atlantischen Oceaan
uitstrekken. Wij daalden tot de bovenste grens van plantengroei, en
vonden een goed nachtverblijf onder beschutting van eenige groote
rotsblokken. Hier ontmoetten wij eenige voorbijgangers, die ons
verlangend naar de gesteldheid van den weg vroegen. Kort nadat het
donker was dreven de wolken eensklaps weg, en de uitwerking daarvan
was bepaald tooverachtig. De hooge bergen, blinkend in den vollen
maneschijn, schenen aan alle zijden boven ons te hangen, als bevonden
wij ons in eene diepe rotskloof. Hetzelfde verrassende effect zag
ik op zekeren morgen, heel in de vroegte. Nauwelijks waren de wolken
weggedreven, of het begon hard te vriezen; maar wijl er geen wind was,
sliepen wij overheerlijk.

De meerdere helderheid van maan en sterren op deze hoogte, ten
gevolge van de zooveel grootere doorschijnendheid der lucht, was
zeer opmerkelijk. Reizigers, die ondervonden hebben hoe moeilijk het
is om hoogten en afstanden te schatten te midden van hooge bergen,
schrijven dit in 't algemeen toe aan het ontbreken van voorwerpen ter
vergelijking. Mij komt het voor, dat het evenzeer is toe te schrijven
aan de doorschijnendheid der lucht, die voorwerpen op verschillende
afstanden vermengt, als ook gedeeltelijk aan de nieuwigheid, dat eene
kleine inspanning een ongewonen graad van vermoeidheid ten gevolge
heeft. Hier is de gewoonte dus in strijd met het getuigenis onzer
zinnen. Ik ben overtuigd, dat deze ongewone helderheid een eigenaardig
karakter aan het landschap verleent, doordien alle voorwerpen
nagenoeg in één vlak vereenigd schijnen, evenals in eene teekening
of panorama. Vermoedelijk is die doorschijnendheid toe te schrijven
aan den gelijkmatigen en hoogen graad van atmospherische droogte. Die
droogte bleek spoedig uit het krimpen van houtwerk (gelijk ik spoedig
ontdekte aan de moeite, die ik met mijn geologischen hamer had);
uit het buitengewoon hard worden van voedingsmiddelen, zooals brood
en suiker, en uit het goed blijven van de huid en vleeschdeelen der
beesten, die onderweg gestorven waren. Aan dezelfde oorzaak moeten
wij het zonderlinge verschijnsel toeschrijven, dat zoo gemakkelijk
electriciteit wordt opgewekt. Mijn flanellen vest straalde, wanneer
het in donker werd gewreven, als ware het met phosphorus gewasschen;
elk haar op den rug van een hond knetterde; zelfs de linnen lakens
en de lederen zadelriemen schoten vonken, als men ze in handen nam.

[23 Maart.]

De daling aan de oostzijde van de Cordilleras is veel korter of
steiler dan aan den kant van den Stillen Oceaan: met andere woorden,
de bergen verrijzen rechtstandiger uit de vlakten dan uit het hoogland
van Chili. Eene effene en schitterend witte wolkenzee strekte zich
onder onze voeten uit, en onttrok de gelijkmatig vlakke Pampas aan
ons oog. Spoedig gingen wij deze wolkenlaag binnen, en kwamen er
dien dag niet uit. Omstreeks den middag bereikten wij Los Arenales;
en daar hier weiland voor de dieren en struiken voor brandhout werden
gevonden, hielden wij stil om te overnachten. Wij waren hier bij de
bovenste grens der struikgewassen, en de hoogte bedroeg, naar gissing,
tusschen de zeven en achtduizend voet.

Zeer trof mij het in 't oog vallend verschil tusschen den plantengroei
dezer oostelijke valleien en die aan den kant van Chili; toch zijn
zoowel het klimaat als de soort van grond ongeveer dezelfden, terwijl
het lengte-verschil zeer gering is. Dezelfde opmerking geldt voor de
viervoetige dieren, en in geringere mate voor vogels en insecten. Als
voorbeeld kan ik de muizen noemen, waarvan ik dertien soorten vond
aan de kusten van den Atlantischen, en vijf aan den Stillen Oceaan;
en hiervan zijn geen twee dezelfden. Eene uitzondering daarop maken al
die soorten, welke gewoonlijk, of nu en dan, hooge bergen bezoeken,
alsmede sommige vogels, die zelfs tot in de Straat van Magelhaen
voorkomen. Dit feit is in volkomen overeenstemming met de geologische
geschiedenis der Andes; want sedert de tegenwoordige dierenrassen op
aarde verschenen, heeft deze bergketen als groote scheidsmuur gediend;
zoodat wij, behalve in de onderstelling dat dezelfde soorten op twee
verschillende plaatsen zijn geschapen, niet mogen verwachten eene
nauwere overeenkomst te zullen vinden tusschen de organische wezens aan
de overzijden der Andes, dan op de tegenovergelegen kusten der twee
oceanen. In beide gevallen moeten wij niet mederekenen die soorten,
welke in staat zijn geweest over den scheidsmuur, hetzij van vast
gesteente of zout water, heen te komen. [281]

Zeer vele planten en dieren waren geheel dezelfden als, of ten
nauwste verwant aan die van Patagonië. Men vindt hier het aguti,
de bizcacha, drie soorten van armadillen, den struisvogel, zekere
soorten van patrijzen en andere vogels, die nooit in Chili worden
gezien, maar de kenmerkende dierentypen zijn in de woestijnvlakten
van Patagonië. Ook vindt men veelal dezelfde (in de oogen van iemand,
die geen plantkundige is) weinig ontwikkelde doornstruiken, verdorde
grassen en dwergplanten. Zelfs de zwarte, langzaam kruipende kevers
gelijken zeer op elkander; en ik geloof, dat, bij streng onderzoek,
sommigen geheel denzelfden zijn. Steeds heeft het mij gespeten,
dat wij onherroepelijk gedwongen waren de opvaring van de rivier
Santa Cruz op te geven, voordat wij de bergen bereikten, daar ik
altijd de stille hoop had, eene groote verandering in den toon van
het landschap te zullen bespeuren; doch nu ben ik overtuigd, dat dit
alléén zou gebeurd zijn, indien wij over de vlakten van Patagonië
eene bergbeklimming ondernomen hadden.

[24 Maart.]

Vroeg in den morgen beklom ik een berg aan eene der zijden van het
dal, en verlustigde mij in een ruim vergezicht over de Pampas. Dit was
een schouwspel, waarnaar ik steeds met belangstelling had uitgezien;
doch ik werd teleurgesteld. Bij den eersten aanblik geleek het veel
op een vergezicht over den oceaan; maar in de noordelijke gedeelten
lieten zich weldra vele onregelmatigheden ontdekken. Het meest trof
mij de aanblik der rivieren, die door spiegeling van de opgaande zon,
als zilveren draden schitterden tot waar zij zich in de onmetelijke
verte verloren. Des middags daalden wij af in de vallei, en bereikten
eene hut, waar een officier en drie soldaten op post stonden voor
het nazien van de paspoorten. Een dezer mannen was een volbloed
Pampas-Indiaan, en werd veel gebruikt voor hetzelfde doel als een
bloedhond, om menschen op te sporen, die te voet of te paard heimelijk
voorbij den post trachtten te geraken. Eenige jaren geleden poogde een
voorbijganger aan de nasporing te ontsnappen, door een langen omweg
over een naburigen berg te maken; maar deze Indiaan had toevallig
zijn spoor ontdekt, en volgde dit den geheelen dag over droge en zeer
steenachtige heuvels, totdat hij eindelijk zijne prooi inhaalde, die
in een hollen weg verborgen zat. Hier hoorden wij, dat de zilveren
wolken, die wij van uit de heldere streek in het hooggebergte hadden
bewonderd, zich in stroomen regen hadden ontlast. Voorbij de hut werd
de vallei gaandeweg vlakker, en werden de bergjes louter verweerde
heuvels, vergeleken met de reuzen achter ons; eindelijk breidde zij
zich uit tot eene zacht glooiende kiezelvlakte, die met lage boomen
en struiken bedekt was. Deze glooiing, hoewel op het oog smal, moet
ongeveer tien mijlen breed zijn tot waar zij overgaat in de schijnbaar
doode, vlakke Pampas. Wij trokken voorbij de Estancia van Chaquaio, het
eenige huis in dezen omtrek, hielden bij zonsondergang op het eerste
het beste aangename plekje halt, en sloegen hier ons nachtleger op.

[25 Maart.]

Gedurende den nacht viel er een zware dauw--een verschijnsel, dat wij
in de Cordilleras niet hadden waargenomen; en toen ik den volgenden
morgen de zon zag opgaan achter een horizon, zoo effen als die van den
oceaan, werd ik aan de Pampas van Buenos Aires herinnerd. De weg liep
eenigen tijd vlak oostwaarts door een laag moeras, kwam vervolgens
uit in eene droge vlakte, en boog toen noordwaarts naar Mendoza. De
afstand bedraagt twee zeer lange dagreizen. Onze eerste dagreis was
bepaald op 14 leagues naar Estacado, en de tweede op 17 naar Luxan,
bij Mendoza. De geheele weg loopt over eene effen, eenzame vlakte,
waarop niet meer dan twee of drie huizen staan. Bedenk daarbij,
dat de zon buitengewoon fel scheen, dan wordt het duidelijk waarom
de rit alle aantrekkelijkheid miste. Op dezen langen weg is zeer
weinig water; en op onze tweede dagreis vonden wij slechts één
kleinen poel. Het weinige water, dat van de bergen vloeit, wordt
door den drogen en poreuzen bodem spoedig opgezogen; en zoo kwam
het, dat wij geen enkelen stroom passeerden, ofschoon wij slechts
tien of vijftien mijlen van de buitenste keten der Cordilleras af
waren. Op vele gedeelten was de grond met eene zoutkorst bedekt, en
vonden wij hier dezelfde zoutlustige planten, die bij Bahia Blanca
voorkomen. Het landschap bezit een gelijkvormig karakter vanaf de
Straat van Magelhaen langs de geheele oostkust van Patagonië tot aan
de Rio Colorado; en dezelfde soort van streek schijnt zich in eene
bochtige lijn van deze rivier af landwaarts in uit te strekken tot San
Luis, en misschien noordelijker nog. Oostelijk van deze kromme lijn
ligt de kom der betrekkelijk vochtige en groene vlakten van Buenos
Aires. De onvruchtbare vlakten van Mendoza en Patagonië bestaan uit
eene laag kiezelsteenen, die door de golven der zee glad afgespoeld en
opgehoopt zijn; terwijl de met distels, klaver en gras bedekte Pampas
gevormd zijn door de modder der oude delta van de Rio de la Plata.

Na onze vermoeiende tweedaagsche reis zagen wij met welgevallen van
verre de rijen wilgen en populieren, die om het dorp en de rivier
Luxan groeiden. Kort vóór onze komst in de plaats bespeurden wij in
zuidelijke richting eene donkere, roodachtig bruine wolk van zeer
onregelmatigen vorm. Eerst hielden wij die voor den rook van een
grooten veldbrand, maar spoedig ontdekten wij, dat het een zwerm
sprinkhanen was. Zij vlogen in noordelijke richting; en geholpen door
eene zwakke bries, haalden zij ons met de snelheid van tien of vijftien
mijlen in het uur in. De hoofdzwerm scheen zich uit te strekken
van eene hoogte van twintig tot twee of drieduizend voeten boven den
grond. Het geluid hunner vleugels was als het "rollen van strijdwagens
door vele rennende paarden voortbewogen:" of juister, zou ik zeggen,
als het gieren van eene stevige bries door het want van een schip. Door
de voorhoede gezien, geleek de lucht op eene teekening in aqua-tinta;
maar de hoofdzwerm was ondoordringbaar voor het oog. Zij waren echter
niet zoo dicht opeengepakt, of zij konden nog een stok ontwijken, die
heen en weder werd gezwaaid. Toen zij neerstreken, waren zij talrijker
dan de bladeren des velds, en veranderde de groene kleur hiervan in
eene roodachtige; maar nauwelijks op den grond, of de insecten vlogen
in alle richtingen heen en weer. Sprinkhanen zijn in dit land niet
zeldzaam; reeds waren in dit seizoen verscheidene zwermen uit het
zuiden gekomen, waar zij, zooals in alle andere werelddeelen schijnt
te gebeuren, in de woestijnen worden uitgebroed. Te vergeefs poogden
de arme hutbewoners door het ontsteken van vuren, door geschreeuw en
het zwaaien van takken den aanval te keeren. Deze sprinkhanensoort
gelijkt zeer veel op den vermaarden Gryllus migratorius uit het Oosten,
en is wellicht dezelfde.

Wij staken de Luxan over--eene rivier van aanzienlijke grootte,
hoewel haar loop naar de zeekust zeer onvolkomen bekend is; zelfs is
het twijfelachtig of zij niet in haar loop over de vlakte verdampt en
spoorloos verdwijnt. Daarna sliepen wij in het dorp Luxan, een plaatsje
door tuinen omgeven, dat vijf leagues ten zuiden van de hoofdstad ligt
en het zuidelijkste bebouwde district is in de provincie Mendoza. Des
nachts doorstond ik een aanval (want een zachteren naam verdient het
niet) van de Benchuca, eene soort Reduvius, de groote zwarte weegluis
van de Pampas. Het is een uiterst walgelijk gevoel, als die weeke,
ongevleugelde insecten van ongeveer een inch lengte over ons lichaam
kruipen. Vóór het zuigen zijn zij zeer dun, maar later worden zij
rond en gezwollen door het bloed, zoodat het dan gemakkelijk is ze
te dooden. Een die ik ving te Iquique (want men vindt ze in Chili en
Peru), was zeer bloeddorstig. Op eene tafel geplaatst, stak het vinnige
insect, wanneer men het een vinger voorhield, onmiddellijk zijn zuiger
uit, deed, ofschoon er menschen om heen stonden, een aanval en begon,
als men het liet begaan, bloed te zuigen. De wond veroorzaakte geen
pijn. Het was merkwaardig zijn lichaam gade te slaan, terwijl het
bezig was te zuigen; want eerst zoo plat als een wafel, werd het in
minder dan tien minuten bolrond. Van dit eene maal, dat de benchuca
aan een der officieren te danken had, bleef zij vier maanden lang vet;
maar reeds na 14 dagen stond zij kant en klaar om opnieuw te zuigen.

[27 Maart.]

Wij reden verder naar Mendoza. Het land was uitstekend bebouwd, en
kwam overeen met Chili. Deze buurtschap is beroemd om haar fruit; en
het dient erkend, dat deze bloeiende wijngaarden, en boomgaarden met
vijge-, perzik- en olijfboomen door niets evenaard konden worden. Wij
kochten watermeloenen, tweemaal zoo groot als een menschenhoofd,
heerlijk koel en goed van smaak, voor een halve penny het stuk; en
een halven kruiwagen vol perziken voor de waarde van drie pence. Het
bebouwde en ompaalde gedeelte dezer provincie is zeer klein, en niet
veel grooter dan dat tusschen Luxan en de hoofdstad, hetwelk wij waren
doorgetrokken. Evenals in Chili, dankt het land zijne vruchtbaarheid
geheel aan kunstmatige bevloeiing; en het is inderdaad verrassend
als men ziet hoe buitengewoon vruchtbaar eene kale vlakte daardoor
gemaakt wordt.

Wij bleven den volgenden dag in Mendoza. De voorspoed van deze
stad is in de laatste jaren zeer gedaald. De inwoners zeggen: "Zij
is goed om er te wonen, maar zeer slecht om rijk te worden." De
lagere standen hebben de luierende, zorgelooze manieren van de
Gauchos der Pampas, en hunne kleeding, hun zadeltuig en leefwijzen
zijn nagenoeg dezelfden. In mijn oog had de stad een geesteloos,
verlaten aanzien. Noch de geroemde alameda, [282] noch de aanleg
der stad zijn te vergelijken met die van Santiago; maar voor hen,
die van Buenos Aires komende, pas hun tocht door de eentonige Pampas
hebben volbracht, moeten de tuinen en boomgaarden een verrukkelijken
aanblik opleveren. Van de inwoners sprekende, zegt Sir. F. Head: "Zij
eten hun middagmaal, gaan slapen omdat het zoo heet is... eilieve,
kunnen zij wel beter doen?" Ik ben het geheel met den zegsman eens:
het gelukkig lot der Mendozinos is: eten, slapen en luieren.

[29 Maart.]

Wij gingen op weg om over den noordelijk van Mendoza gelegen
Uspallata-pas naar Chili terug te keeren. Onze weg liep door
een uitgestrekt en zeer dor gebied, dat 15 leagues lang was. De
bodem was op sommige plaatsen geheel kaal, op andere met tallooze
dwergcactussen bedekt, die met geduchte stekels waren gewapend
en door de inwoners "kleine leeuwen" werden genoemd. Ook waren er
enkele lage struiken. Ofschoon de vlakte bijna 3000 voet boven de zee
ligt, brandde de zon zeer fel; en deze hitte, gevoegd bij de wolken
ontastbaar stof, maakten den tocht buitengewoon vermoeiend. Onze weg
liep dezen dag bijna evenwijdig met de Cordilleras, doch naderde die
langzamerhand. Vóór zonsondergang reden wij eene der breede valleien
of liever dalbochten in, welke in de vlakte uitmonden, en die zich
spoedig vernauwde tot een ravijn, waarin iets hooger op de villa
Vicencio ligt. Daar wij den ganschen dag gereden hadden zonder een
druppel water, waren wij en ook onze muildieren zeer dorstig, en keken
dus verlangend uit naar den stroom, die door deze vallei naar het dal
vloeit. Het was eigenaardig te zien, hoe het water langzamerhand voor
den dag kwam: op de vlakte was de bedding geheel droog; gaandeweg
werd zij iets vochtiger, en toen verschenen plasjes water, die zich
weldra vereenigden, totdat zich eindelijk bij de villa Vicencio een
aardig riviertje vertoonde.

[30 Maart.]

De eenzame hut, welke den indrukwekkenden naam Villa Vicencio draagt,
wordt door elken reiziger vermeld, die de Andes is overgetrokken. Ik
bleef hier twee opvolgende dagen en bezocht ook eenige naburige
mijnen. De geologie van het omliggende land is zeer merkwaardig. De
Uspallata-keten is van de hoofd-Cordilleras gescheiden door eene lange,
smalle vlakte of kom, evenals die in Chili (welke zoo vaak genoemd
zijn), maar hooger, daar zij 6000 voet boven de zee ligt. Deze keten
heeft bijna dezelfde geographische ligging met betrekking tot de
Cordilleras, als de reusachtige Portillo, maar is van geheel anderen
oorsprong. Zij bestaat uit verschillende onderzeesche lava-soorten,
die afwisselen met vulkanische zandsteenen en andere merkwaardige
sedimentaire afzetsels; het geheel komt zeer na overeen met sommige
tertiaire lagen aan de stranden van den Stillen Oceaan. Wegens die
gelijkenis verwachtte ik fossiel hout te zullen vinden, waardoor
deze formaties zich meestal kenmerken. Ik werd in ruime mate tevreden
gesteld. In het middengedeelte der keten bespeurde ik op eene naakte
helling, ter hoogte van ongeveer 17000 voet, eenige sneeuwwitte
uitstekende kolommen. Deze waren versteende boomen, waarvan elf
verkiezeld, en dertig tot veertig in grof gekristalliseerd wit
kalkspaat veranderd waren. Zij waren plotseling afgebroken, zoodat
de overgebleven stompen enkele voeten boven den grond uitstaken. De
stammen maten elk van drie tot vijf voeten in omtrek, en stonden op
geringen afstand van elkander, maar vormden te zamen ééne groep. Robert
Brown is zoo vriendelijk geweest het hout te onderzoeken, en zegt dat
het tot het geslacht der dennen behoort, omreden het de kenmerken
draagt van de familie der Araucaria's of Andesdennen, maar dat het
eenige merkwaardige verwantschapspunten met betrekking tot den iep
bezit. De vulkanische zandsteen, waarin de boomen waren begraven en
uit welks lagere gedeelten zij ontsproten moesten zijn, heeft zich
achtereenvolgens in dunne lagen om de stammen opgehoopt, en de steen
heeft nog den indruk der schors bewaard.

Er was weinig geologische kennis noodig ter vertolking van de
wonderbare geschiedenis, welke dit landschap onmiddellijk voor oogen
stelde, hoewel ik beken, dat ik in 't eerst zoozeer verbaasd was,
dat ik het klaarste bewijs nauwelijks kon gelooven. Ik zag de plek,
waar in een lang vervlogen tijd eenige fraaie boomen hunne takken
wuifden aan de stranden van den Atlantischen Oceaan, toen deze Zee--nu
700 mijlen teruggevloeid--tot aan den voet der Andes reikte. Ik zag,
dat die boomen waren ontsproten uit een vulkanischen grond, die boven
den zeespiegel was geheven, en dat dit droge land met zijn rijzig
geboomte daarna was weggezonken in de diepten van den Oceaan. In deze
diepten werd het vroeger droge land bedekt met sedimentaire lagen,
en dezen weer met ontzaglijke stroomen onderzeesche lava, waarvan
één zelfs eene dikte van 1000 voet bereikte; en vijfmaal waren die
stroomen van gesmolten gesteenten, door waterbezinksels afgewisseld,
over den zeebodem verspreid. De oceaan, waarin zulke dikke beddingen
ontstonden, moet ontzettend diep geweest zijn. Maar wederom kwamen
de onderaardsche krachten in werking; en nu zag ik den bodem van dien
oceaan eene bergketen vormen van meer dan 7000 voet hoogte. Nòg waren
die vijandige machten, welke altijd bezig zijn de oppervlakte van het
land te sloopen, niet tot rust gekomen: de groote lava-beddingen waren
doorsneden geworden van breede valleien, en de nu versteende boomen
blootgelegd door uitspoeling van den vulkanischen, thans evenzeer
versteenden bodem, waaruit zij eenmaal, groenend en bloeiend, hunne
rijzige toppen hadden omhoog geheven. Nu is dit alles eene volslagen
woestenij, want zelfs het mos kan zich niet hechten aan de steenen
rompen van voormalige boomen. Hoe reusachtig en bijna onbegrijpelijk
zulke veranderingen ook moeten schijnen, hebben zij toch allen plaats
gehad in een tijdperk, dat jong is, vergeleken met de geschiedenis
der Cordilleras zelve; en deze bergketen is beslist nieuw, vergeleken
met vele fossielen-bevattende lagen in Europa en Amerika!

[1 April.]

Wij trokken over de Uspallata-keten, en sliepen des nachts in het
tolhuis--de eenige bewoonde plek op de vlakte. Kort voordat wij de
bergen verlieten, zagen wij een zeer buitengewoon schouwspel: roode,
purpere, groene en zuiver witte sedimentaire gesteenten, afwisselende
met zwarte lava's, waren door porfier-kegels in allerlei kleuren,
van donkerbruin tot het helderste lila, opgebroken en in de grootste
wanorde dooreengeworpen. Ik zag thans voor het eerst een schouwspel,
dat werkelijk geleek op die fraaie doorsneden, welke de geologen van
het binnenste der aarde maken.

Den volgenden dag staken wij de vlakte over, en volgden den loop
van denzelfden grooten bergstroom, die voorbij Luxan vloeit. Hier
was die stroom een wild bruisende, geheel ondoorwaadbare vloed, die
breeder scheen dan in het laagland, evenals met het riviertje van Villa
Vicencio het geval was. Op den avond van den volgenden dag bereikten
wij de Rio de las Vacas, die beschouwd wordt als de slechtste stroom
in de Pampas, wat het oversteken betreft. Daar al deze rivieren een
snellen en korten loop hebben, en door het smelten der sneeuw gevormd
zijn, brengt het uur van den dag een aanzienlijk verschil mede in hun
volume. Des avonds is de stroom modderig en gezwollen; maar tegen het
aanbreken van den dag wordt hij klaarder en veel minder onstuimig. Wij
vonden, dat dit ook met de Rio de las Vacas het geval was, en staken
haar des morgens met geringe moeite over.

Tot dusverre was het landschap zeer weinig belangrijk, vergeleken met
dat van den Portillo-pas. Men kan weinig zien van hetgeen er ligt
aan gene zijde van de kale rotswanden der groote vlakke vallei,
waardoor de weg tot aan den hoogsten top voert. De vallei en de
ontzaglijke rotsachtige bergen zijn uiterst dor: gedurende de twee
vorige nachten hadden de arme muildieren letterlijk niets te eten,
want behalve enkele harsachtige struiken, is er bijna geen plant
te zien. In den loop van dezen dag trokken wij over eenige van
de slechtste passen in de Cordilleras; doch het daaraan verbonden
gevaar wordt zeer overdreven. Men zeide mij, dat ik duizelig zou
geworden zijn, indien ik er te voet had trachten over te gaan, en
dat er geen ruimte was om af te stijgen; maar ik zag geen enkele
plek, waar men niet ruggelings had over kunnen loopen, of aan beide
zijden van zijn muildier stijgen. Van een der slechtste passen (las
Animas--de Zielen), dien ik was overgetrokken, vernam ik eerst een
dag later, dat hij een van de gevaarlijkste was. Ongetwijfeld zijn er
vele punten, waar de ruiter, bij eene struikeling van het muildier,
in een diepen afgrond zou worden geslingerd; doch hiervoor bestaat
weinig kans. Van de laderas of wegen, die elk jaar over de stapels
gevallen rotspuin opnieuw worden aangelegd, durf ik zeggen, dat zij
in de lente zeer slecht zijn; maar blijkens hetgeen ik zag, geloof
ik, dat het werkelijke gevaar nul is. Met gepakte muildieren is het
geval eenigszins anders, doordien de pakken zoo ver uitsteken, dat
de beesten, als zij toevallig tegen elkander of tegen eene rotspunt
loopen, hun evenwicht verliezen en in den afgrond worden geworpen. Bij
het oversteken van rivieren kan ik wel gelooven, dat de moeilijkheid
soms zeer groot is; in dit jaargetijde was er weinig last, maar in
den zomer moeten zij zeer gevaarlijk zijn. Volgens de beschrijving
van Sir F. Head kan ik mij zeer goed de verschillende uitdrukkingen
verklaren van hen, die zulk een bergstroom zijn overgestoken, of
bezig zijn het te doen. Ik heb nooit gehoord, dat een mensch verdronk,
maar met gepakte muildieren gebeurt het vaak. De arriero zegt u, dat
gij uw muildier de beste richting moet wijzen, en het dan zijn gang
moet laten gaan; het gepakte muildier neemt zijne richting slecht,
en is dikwijls verloren.

[4 April.]

Van de Rio de las Vacas tot de Puente del Inca is eene halve
dagreis. Daar er weiland voor de muildieren was, en een geologisch
terrein voor mij, sloegen wij hier onze nachtkwartieren op. Als men
van eene natuurlijke Brug (Puente) hoort, stelt men zich een diep
en smal ravijn voor, waarover schrijlings een geweldig rotsblok is
gevallen, of een grooten boog die als een grotgewelf is uitgehold. In
plaats daarvan bestaat de Puenta del Inca uit een korst van gelaagde
keisteenen, die door de bezinksels der naburige heete bronnen zijn
samengemetseld. Het schijnt, dat de stroom aan den eenen kant een
kanaal heeft uitgegraven, waarbij eene overhangende rots ontstond, die
zich vereenigde met de aarde en steenen welke van de tegenoverstaande
klip vielen. De schuine verbinding, die in zoodanig geval zou ontstaan,
was inderdaad aan één kant zeer duidelijk merkbaar. De Inca-brug is
geenszins de groote koningen waardig, naar wien zij genoemd is.

[5 April.]

Wij hadden een langen dagrit noodig, om van de Puente del Inca,
over de centrale keten, naar de Ojos del Agua te komen, die bij de
laagste casucha aan den kant van Chili liggen. Deze casuchas zijn
kleine ronde torens, met trappen aan de buitenzijde om den vloer
te bereiken, die wegens de sneeuwhoopen eenige voeten boven den
grond is aangebracht. Zij zijn acht in getal, en werden onder het
Spaansche gouvernement des winters goed van leeftocht voorzien,
terwijl elke koerier een looper op de torens had. Nu dienen zij
alleen tot kerkerholen. Wegens hare eenigszins hooge ligging, passen
zij niet kwaad bij deze woeste en eenzame omgeving. De zigzagvormige
beklimming van de Cumbre, [283] of Waterscheiding, was zeer steil en
vermoeiend; volgens Pentland bedraagt de hoogte 12.454 voet. Nergens
leidde de weg over eeuwige sneeuw, ofschoon er aan beide kanten
hoopjes lagen. Op den top was de wind snerpend koud; toch kon ik niet
nalaten eenige minuten stil te houden, om telkens weer de kleur van
den hemel en de prachtige doorschijnende lucht te bewonderen. Het
was een indrukwekkend schouwspel. In het westen vertoonde zich eene
fraaie, dicht opeengedrongen groep van bergen, door diepe ravijnen
gescheiden. Meestal valt er vóór dezen tijd van het jaar wat sneeuw:
en het is zelfs gebeurd, dat de Cordilleras omstreeks dezen tijd
geheel waren afgesloten. Maar wij troffen het zeer gelukkig. Nacht en
dag was de lucht onbewolkt, uitgenomen enkele ronde klompjes damp,
die over de hoogste toppen dreven. Dikwijls heb ik deze wolkjes in
de lucht gezien, wijzende de plek waar de Cordilleras lagen, als de
ver verwijderde bergen achter den horizon verborgen waren.

[6 April.]

Des morgens ontdekten wij, dat een dief een onzer muildieren benevens
de bel van de madrina gestolen had. Wij reden daarom slechts twee of
drie mijlen dieper de vallei in, en bleven daar den volgenden dag, in
de hoop het muildier te zullen terugvinden, dat, volgens het oordeel
van den arriero, ergens in een ravijn verborgen was. Het landschap had
in dit gedeelte een Chileensch karakter aangenomen. De onderzijden
der bergen, welke dun begroeid zijn met den bleeken, altijd-groenen
Quillay-boom, en met den grooten kandelabervormigen cactus, [284]
zijn stellig meer te bewonderen dan de kale oostelijke valleien;
maar met de bewondering, door sommige reizigers aan den dag gelegd,
kon ik niet geheel instemmen. Ik vermoed, dat de prettige stemming,
waarin men verkeert, hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het
vooruitzicht van een flink vuur en een goed avondeten, nadat men aan
de koude streken van het hooggebergte ontkomen is, en ik ben overtuigd,
dat anderen deze gevoelens van harte met mij deelen.

[8 April.]

Wij verlieten de Aconcagua-vallei, waardoor wij waren afgedaald, en
bereikten des avonds eene hut nabij de Villa della Santa Rosa. De
vruchtbare vlakte bood een verrukkelijken aanblik. Daar de herfst
reeds ver gevorderd was, vielen de bladeren van vele fruitboomen af;
en van de arbeiders waren sommige bezig met het drogen van vijgen
en perziken op de daken hunner hutten, terwijl andere de druiven uit
de wijngaarden verzamelden. Het was een opwekkend tafereel; maar ik
miste die plechtige en ernstige stilte, welke den herfst in Engeland
terecht als den avond des jaars kenmerkt. Op den 10den bereikten wij
Santiago, waar mij door Caldcleugh eene zeer vriendelijke en gastvrije
ontvangst werd bereid. Mijn uitstapje kostte mij slechts 24 dagen;
en nooit had ik in een even langen tijd zooveel genoten. Enkele dagen
later keerde ik naar de woning van Corfield in Valparaiso terug.



HOOFDSTUK XVI.

NOORD-CHILI EN PERU.


[27 April.]

Ik maakte mij op voor eene reis naar Coquimbo, en vandaar over Huasco
naar Copiapó, waar kapitein Fitz-Roy het vriendelijke aanbod deed, mij
aan boord van de Beagle te nemen. De afstand in rechte lijn langs het
strand noordwaarts is slechts 420 mijlen; doch mijne manier van reizen
maakte den tocht zeer lang. Ik kocht vier paarden en twee muildieren,
waarvan de laatsten om den anderen dag de pakkage droegen. De zes
dieren te zamen kostten slechts 25 pond sterling, en te Copiapó
verkocht ik hen weer voor drie en twintig. Wij reisden op dezelfde
ongedwongen manier als te voren, kookten zelf ons maal, en sliepen
in de open lucht. Toen wij naar de Vigno del Mar reden, wierp ik
een afscheidsblik op Valparaiso, en bewonderde haar schilderachtig
aanzien. Voor geologische onderzoekingen deed ik een tocht van den
grooten weg naar den voet der Klok van Quillota, en met dit doel
trokken wij door een alluviaal district, dat rijk aan goud was, naar de
buurtschap Limache, waar wij sliepen. Het goudwasschen onderhoudt de
bewoners van een aantal hutten, die langs de oevers van elk riviertje
verspreid zijn; maar gelijk alle personen met onzekere verdiensten,
zijn zij verkwistend van aard, en bijgevolg arm.

[28 April.]

In den namiddag bereikten wij eene hut aan den voet van den
Klok-berg. De bewoners waren vrijgoedbezitters, hetgeen in Chili niet
veel voorkomt. Zij leefden van de voortbrengselen van een tuin en
een klein veld, doch waren zeer arm. Er is hier zooveel gebrek aan
kapitaal, dat de menschen genoodzaakt zijn hun nog te velde staand
koren te verkoopen, om het noodige te koopen voor het volgende
jaar. Dientengevolge was tarwe in het district, waar zij groeide,
duurder dan te Valparaiso, waar de afnemers wonen. Den volgenden dag
bereikten wij weer den grooten weg naar Coquimbo. Gedurende den nacht
viel er een zeer fijne regen, en dit waren de eerste druppels sinds
den hevigen regen van 11 en 12 September des vorigen jaars, die mij
in de Baden van Cauquenes gevangen hield. De tusschentijd bedroeg
zeven en eene halve maand; maar dit jaar was de regen in Chili iets
later dan gewoonlijk. Prachtig was de aanblik der verwijderde Andes,
die nu met eene dikke sneeuwlaag bedekt waren.

[2 Mei.]

Voortdurend volgde de weg de kust, op geen grooten afstand van de
zee. De weinige boomen en struiken, die in Midden-Chili voorkomen,
namen snel in aantal af, en werden vervangen door eene hooge plant, die
eenigszins op eene Yucca of Amerikaansche Adamsnaald geleek. Ofschoon
op kleine schaal, vertoonde het land met zijne steile, lage rotstoppen,
die uit de kleine vlakten of dalkommen verrezen, eene eigenaardig
gebroken en onregelmatige oppervlakte. Dergelijke vormen zouden ook
de oneffen kust en de bodem der naburige zee vertoonen, wanneer zij
in land veranderd werden; en zonder twijfel had zulk eene verandering
plaats gehad in het gedeelte, waarover wij reden.

[3 Mei.]

Onze tocht leidde van Quilimari naar Conchalee. Het land werd meer
en meer onvruchtbaar. In de valleien was nauwelijks water genoeg voor
bevloeiing, en het tusschenliggende land was zóó dor, dat er zelfs geen
geiten konden grazen. In de lente schiet, na de wintervlagen, snel eene
dunne graslaag op, en kan het vee uit de Cordilleras worden gedreven
om hier voor korten tijd te grazen. Het is merkwaardig te zien hoe
de gras- en andere plantenzaden, als door eene aangenomen gewoonte,
zich schikken naar de hoeveelheid regen, welke op verschillende
deelen dezer kust valt. Eéne bui te Copiapó, ver noordwaarts, heeft
op den plantengroei eene even groote uitwerking als twee te Huasco,
en als drie of vier in dit district. Een winter te Valparaiso,
zoo droog dat aan het weiland ernstige schade wierd toegebracht,
zou te Huasco een overvloed voortbrengen, die daar ten zeerste
ongewoon is. In noordelijke richting schijnt de hoeveelheid regen
niet in juiste verhouding tot de breedte af te nemen. Te Conchalee,
dat slechts 67 mijlen benoorden Valparaiso ligt, wordt de regen niet
vóór het einde van Mei verwacht, terwijl te Valparaiso meestal reeds
vroeg in April wat valt. Ook is de jaarlijksche hoeveelheid klein in
verhouding tot het vergevorderde seizoen, waarin de regen begint.

[4 Mei.]

Daar wij op den kustweg niets belangrijks vonden, gingen wij landwaarts
in naar het mijndistrict in de vallei van Illapel. Deze vallei is,
evenals alle andere in Chili, vlak, breed en zeer vruchtbaar; zij
wordt aan beide zijden begrensd òf door klippen van gelaagd grof
keizand, òf door kale rotsachtige bergen. Boven de rechte lijn van
het hoogste besproeiingskanaal is alles donkerbruin als op een
straatweg, terwijl alles daaronder helder kopergroen is door de
velden met alfarfa (eene soort klaver). Wij reden verder naar Los
Hornos, een ander mijndistrict, waar de hoogste berg doorzeefd was
met gaten, evenals een groot mierennest. De Chileensche mijnwerkers
zijn in hunne leefwijze een bijzonder slag van menschen. Wanneer zij,
na weken lang op de eenzaamste en naargeestigste plaatsen te hebben
gewoond, op feestdagen naar de dorpen afdalen, is er geen uitspanning
of buitensporigheid, waaraan zij niet deelnemen. Soms verdienen zij
een flink loon, maar trachten dit zoo spoedig mogelijk te verkwisten,
evenals zeelieden hun premiegeld. Zij drinken onmatig, koopen overvloed
van kleeren, en keeren na enkele dagen zonder een penny op zak naar
hunne ellendige verblijven terug, om daar nog harder dan lastdieren te
werken. Deze onbedachtzaamheid is blijkbaar, evenals bij zeelieden,
het gevolg van eene gelijksoortige leefwijze. Voor hun dagelijksch
voedsel wordt gezorgd, en zoo gewennen zij zich niet aan spaarzaamheid;
bovendien hebben zij de middelen om aan de verleiding toe te geven,
zoodra die in hunne macht is. In Corwallis en eenige andere districten
van Engeland, waar het stelsel wordt gevolgd om een gedeelte van eene
gang te verkoopen, zijn de mijnwerkers daarentegen een bijzonder
schrander en oppassend slag van menschen, omdat zij verplicht zijn
voor zichzelven te handelen en te denken.

De kleeding van den Chileenschen mijnwerker is eigenaardig en
eenigszins schilderachtig. Hij draagt een zeer lang hemd van
donkerkleurige baai met lederen voorschoot, die beiden door een
lichtkleurigen gordel om zijn middel zijn bevestigd. Zijn broek is
zeer wijd, en zijne kleine scharlakenroode muts sluit strak om het
hoofd. Wij ontmoetten een troep van deze mijnwerkers in groot costuum,
die het lijk van een hunner makkers gingen begraven. Zij liepen in
een zeer snellen pas, terwijl vier mannen het lijk droegen. Als het
eene viertal ongeveer 200 yards geloopen had zoo hard als zij konden,
werd het afgelost door vier anderen, die eerst te paard vooruit
waren gerend. Zoo gingen zij voort, elkander door woeste kreten
aanmoedigende. Het geheele schouwspel vormde eene allerzonderlingste
begrafenis.

Wij vervolgden in eene zigzaglijn onzen tocht naar het noorden,
met nu en dan een dag oponthoud voor geologische onderzoekingen. Het
land was zoo dun bevolkt, en het spoor was zoo onduidelijk, dat wij
dikwijls moeite hadden onzen weg te vinden. Op den 12den Mei vertoefde
ik bij eenige mijnen. Het erts alhier wordt niet als bijzonder goed
beschouwd; maar wegens den overvloed er van onderstelde men, dat de
mijn voor 30000 of 40000 dollars (d.i. 6000 of 8000 pond sterling)
zou worden verkocht. Trots deze onderstelling, werd zij door eene
Engelsche Maatschappij gekocht voor één ons goud, of drie pond acht
shillings. Het erts bestaat uit gele pyrieten, die, zooals ik reeds
opmerkte, vóór de komst der Engelschen geacht werden geen koperdeeltjes
te bevatten. Op bijna even groote winstgevende schaal als in het
bovengenoemde geval, werden hoopen vulkanische asch gekocht, die rijk
was aan kleine korrels zuiver koper; maar ondanks deze voordeelen,
hebben de mijnmaatschappijen, naar men weet, ontzaglijke sommen geld
verloren. De dwaasheid van de meeste commissarissen en aandeelhouders
grensde aan verblinding: soms werden duizend pond sterling 's jaars
uitgegeven om Chileensche autoriteiten te onderhouden; men hield
er bibliotheken op na met keurig gebonden geologische boeken; liet
mijnwerkers komen voor bijzondere metalen, zooals tin, die in Chili
niet gevonden worden; verbond zich om de mijnwerkers van melk te
voorzien op plaatsen, waar geen koeien waren; bestelde machinerieën,
waar zij toch niet gebruikt konden worden--in 't kort, men nam honderd
maatregelen, die getuigden van onze dwaasheid en den inwoners nog
heden stof tot vermaak geven. Toch valt er niet aan te twijfelen,
of hetzelfde kapitaal, mits wel besteed, zou ontzaglijke winsten uit
deze mijnen hebben geput; al wat men noodig had, was een betrouwbaar
man van zaken, een practisch mijnwerker en essayeur.

Kapitein Head heeft de verbazende vracht beschreven, die de Apiri
[285]--ware lastdieren--uit de diepste mijnen naar boven brengen. Ik
beken, dat ik het cijfer overdreven achtte, zoodat ik blijde was in de
gelegenheid te zijn een dezer vrachten te wegen, die ik op goed geluk
in handen nam. Ofschoon ik er recht boven stond, vereischte het groote
inspanning haar van den grond te lichten. Op de weegschaal gezet,
bleek zij 197 pounds (ruim 89 1/3 kilo) zwaar te zijn. De arbeider had
dezen last 80 yards (ruim 73,1 met.) omhoog gedragen, gedeeltelijk
langs een steilen opgang, maar grootendeels langs trappalen,
welke in eene zigzaglijn in de schacht zijn geplaatst. Volgens de
algemeene verordening, mag de arbeider onderweg niet stoppen om adem
te scheppen, behalve wanneer de mijn 600 voet diep is. De gemiddelde
last wordt op iets meer dan 200 pounds (ruim 90,7 kilo) geschat;
en men heeft mij verzekerd, dat er eens, bij wijze van proefneming,
een van 300 pounds (circa 136,1 kilo) uit de diepste mijn naar boven
was gebracht! Tijdens mijn bezoek droegen de apiri den gewonen last
twaalfmaal daags omhoog, dat is: 2400 pounds (1088,6 kilo) uit eene
diepte van 80 yards, en waren in de tusschentijden bezig met het
uithakken en breken van ertsen.

Ongelukken uitgezonderd, zijn deze mannen gezond en oogenschijnlijk
opgeruimd. Zeer gespierd is hun lichaam niet. Zij eten slechts
eenmaal in de week vleesch, nooit meer, en dan alléén het harde
droge charqui. Ofschoon wetende, dat de arbeid vrijwillig was, kwam
toch het gemoed in opstand bij het zien van den jammerlijken staat,
waarin zij de mijnopening bereikten: het lichaam voorover gebogen, de
armen op de treden geleund, de beenen gekromd; met trillende spieren,
gezwollen neusvleugels, de mondhoeken diep naar achteren gezonken;
met aangezicht en borst badende in het zweet, en diep beklemden
ademtocht. Telkens als zij ademhalen, uiten zij een doordringenden
kreet, die eindigt in een diep maar schril keelgeluid, evenals een
fluittoon. Zoo waggelden zij naar den ertsstapel, ledigden hier hun
carpacho, wischten na twee of drie secunden, als zij weer op adem
kwamen, het zweet van hun voorhoofd, en daalden schijnbaar geheel
opgefrischt weer in den mijn af. Mij dunkt, dit is een merkwaardig
voorbeeld van de groote hoeveelheid arbeid, die de mensch kan verduren,
blijkbaar door geen andere oorzaak dan de gewoonte.

Toen ik des avonds met den mayordomo dezer mijnen (nog een jongen
man) sprak over het aantal vreemdelingen, die nu over het geheele
land verspreid zijn, vertelde hij mij uit den tijd, toen hij--niet
lang geleden--te Coquimbo schoolging, zich te herinneren, dat de
jongens vrijaf kregen, om den kapitein van een Engelsch schip te
zien, die naar de stad werd geleid om den gouverneur te spreken. Hij
gelooft, dat niets in staat zou zijn geweest de schooljongens (hijzelf
medegerekend) over te halen, om dicht bij den Engelschman te komen;
zoo diep had de meening bij hen post gevat, dat de aanraking met zulk
een persoon ketterij, besmetting en het kwade zou aanbrengen. Ten
huidigen dage vertelt men van de wreede daden der boekaniers, [286]
en vooral van een, die het beeld der Maagd Maria wegnam, en een jaar
later terugkeerde om dat van den H. Jozef te halen, zeggende, dat
het jammer zou zijn indien de maagd geen echtgenoot had. Ook hoorde
ik vertellen van eene oude dame, die bij een diner te Coquimbo de
opmerking maakte hoe verbazend vreemd het was, dat zij het moest
beleven, met een Engelschman in dezelfde kamer te eten; want zij
herinnerde zich uit hare meisjesjaren, dat bij twee gelegenheden,
op het bloote geroep van: "Los Ingleses!" (De Engelschen), alle
menschen naar het gebergte waren gevlucht, met medeneming van hunne
kostbaarheden, zooveel zij dragen konden.



[14 Mei.]

Wij bereikten Coquimbo, waar wij enkele dagen bleven. De eenige
merkwaardigheid der stad is hare buitengewone kalmte. Men zegt, dat
zij zes tot acht duizend inwoners kan bevatten. Op den morgen van den
17den viel er een zachte regen--de eerste van dit jaar--die ongeveer
vijf uren duurde. De pachters, die bij de zeekust (waar de dampkring
het vochtigst is) koren verbouwen, zouden van deze bui partij trekken,
om den grond te beploegen; na eene tweede bui zouden zij zaaien;
en mocht er eene derde komen, dan zouden zij in de lente een goeden
oogst hebben. Belangrijk was het de uitwerking dezer onbeduidende
hoeveelheid vocht te zien. Twaalf uren later scheen de grond even
droog als te voren; maar na verloop van tien dagen hadden alle heuvels
eene zwak groene kleur ten gevolge van het gras, dat hier en daar in
haarfijne vezels van een inch lang verspreid was. Vóór deze bui was
de geheele oppervlakte zoo kaal als een straatweg.

Des avonds aten kapitein Fitz-Roy en ik bij Edwards, een Engelsch
inwoner die om zijne gastvrijheid aan alle bezoekers van Coquimbo
wel bekend is, toen eene hevige aardbeving plaats had. Ik hoorde
het voorafgaande gerommel; maar door het geschreeuw der dames, het
geloop der dienstboden, en de drukte waarmede verscheidene heeren
naar den uitgang snelden, kon ik de beweging niet onderscheiden. Ook
na den schok schreeuwden eenige vrouwen het uit van angst; en een der
heeren zeide, dat hij den geheelen nacht niet zou kunnen slapen, of
zoo hij al sliep, het dan alleen zou zijn om van instortende huizen
te droomen. De vader van dezen persoon had te Talcahuano have en
goed verloren, en in 1822 was hij zelf in Valparaiso ternauwernood
aan een instortend dak ontkomen. Hij vertelde een merkwaardig geval,
dat toen plaats had. Hij zat kaart te spelen, toen een Duitscher,
tot het gezelschap behoorende, opstond, zeggende, dat hij in deze
streken nooit in eene kamer met gesloten deur wilde zitten, omdat hij
te Copiapó zoodoende bijna het leven had verloren. Hij opende dus de
deur; en nauwelijks had hij dit gedaan, of hij schreeuwde luid:

"Daar komt er weer een!"

Op hetzelfde oogenblik voelde men den eersten schok der bekende
aardbeving. Het geheele gezelschap ontkwam. Het gevaar bij eene
aardbeving ligt niet in den tijd, die met het openen van eene deur
verloren gaat, maar in de kans, dat zij door de beweging der muren
beklemd raakt.

Men behoeft er zich niet zeer over te verwonderen, dat inboorlingen
en oude bewoners bij aardbevingen meestal zoo verschrikt zijn, hoewel
sommigen van hen om hunne groote tegenwoordigheid van geest bekend
staan. Ik geloof echter, dat deze overmaat van schrik gedeeltelijk is
toe te schrijven aan eene ongewoonte om hunne vrees te beheerschen,
daar zij zich over deze ontroering niet schamen. Inderdaad kunnen
de inboorlingen niet dulden, dat iemand onverschillig is. Ik hoorde
vertellen van twee Engelschen, die tijdens een hevigen schok in
de open lucht sliepen, maar wetende, dat er geen gevaar was, niet
opstonden. Verontwaardigd schreeuwden toen de inboorlingen:

"Kijk die ketters eens, zij staan zelfs niet van hun bed op!"



Ik besteedde eenige dagen aan het onderzoeken van de trapvormige
grintterrassen, die het eerst door kapitein B. Hall zijn opgemerkt,
en volgens de meening van Charles Lyell, gedurende de trapswijze
verhooging van het land door de zee zijn gevormd. Dit is zeker de
juiste verklaring, want ik vond talrijke schelpen van bestaande
diersoorten op deze terrassen. Vijf smalle, zacht glooiende,
strookvormige terrassen verrijzen achter elkander, die daar waar
zij het best zijn ontwikkeld, uit keizand bestaan; zij liggen met
den voorkant naar de baai, en strekken zich aan weerszijden van de
vallei uit. Te Huasco, noordelijk van Coquimbo, openbaart zich dit
verschijnsel op eene veel grootere schaal, zoodat zelfs enkele inwoners
er verbaasd van staan. De terrassen, waarvan in sommige gedeelten zes,
maar in 't algemeen slechts vijf voorkomen, zijn daar veel breeder,
en kunnen als vlakten worden bestempeld; zij strekken zich tot
zeven en dertig mijlen van de kust uit. Deze trapvormige terrassen
of strooken komen veel overeen met die in de Santa-Cruz-vallei, en
met de groote terrassen langs de geheele kust van Patagonië, behalve
dat zij op kleinere schaal zijn. Ongetwijfeld zijn zij gevormd door
eene terugtrekkende beweging der zee, gepaard met of veroorzaakt door
eene trapswijze, door lange tijdperken van rust afgebroken rijzing
van het vasteland.

Schelpen van vele bestaande soorten liggen niet alleen aan de
oppervlakte der terrassen bij Coquimbo (op eene hoogte van 250
voet), maar ook begraven in een brokkelig kalkhoudend gesteente,
dat op sommige plaatsen tusschen de twintig en dertig voet dik is,
bij geringe uitgestrektheid. Deze quartaire lagen liggen op eene
oude tertiaire formatie, welker ingesloten schelpdieren naar het
schijnt alle zijn uitgestorven. Ofschoon ik zoowel aan den kant van
den Stillen, als van den Atlantischen Oceaan vele honderden mijlen
kustland onderzocht had, vond ik geen geregelde lagen met ingesloten
zeeschelpen van nieuwe soorten, behalve op deze plek en nog op enkele
punten noordwaarts langs den weg naar Huasco. Dit feit schijnt mij
hoogst merkwaardig toe; want de verklaring, die de geologen er in
't algemeen van geven, wanneer gelaagde fossielenhoudende afzettingen
uit een of ander tijdperk in een district ontbreken--namelijk: dat de
oppervlakte destijds als droog land bestond, is hier niet toepasselijk,
omreden de aan de oppervlakte verspreide en in los zand of pootaarde
ingesloten schelpen ons leeren, dat kort geleden het land duizenden
mijlen ver langs beide kusten onder zee heeft gelegen. De verklaring is
ongetwijfeld te zoeken in het feit, dat het geheele zuidelijke gedeelte
van het werelddeel sinds geruimen tijd langzaam rijzende is geweest,
en dat dus alle in ondiep water langs het strand afgezette stof spoedig
omhoog gebracht, en langzaam blootgesteld moet zijn geweest aan de
sloopende werking der vloedgolven. Alleen in betrekkelijk ondiep
water kunnen de meeste bewerktuigde zee-wezens tieren; en het is wel
duidelijk, dat zich in zulk water onmogelijk lagen van eenigszins
groote dikte kunnen ophoopen. Om aan te toonen welke verbazende kracht
de sloopende werking der vloedgolven bezit, behoeven wij slechts te
wijzen op de hooge klippen langs de tegenwoordige kust van Patagonië,
en op de steilten of oude zeeklippen, die aan dezelfde kustlijn op
verschillende hoogten, de eene boven de andere liggen.

De oude onderliggende tertiaire formatie te Coquimbo schijnt ongeveer
van gelijken ouderdom te zijn, als verschillende afzettingen op de kust
van Chili (waarvan die te Navidad de voornaamste is), en als de groote
Patagonische formatie. Zoowel te Navidad (Prov. Antofagasta) als in
Patagonië blijkt, dat sinds den tijd toen de daar begraven schelpdieren
leefden, [287] het land verscheidene voeten onder zee gezonken, en
vervolgens weer gerezen is. Terecht mag men vragen, hoe het komt,
dat, ofschoon aan weerszijden van het vasteland geen uitgestrekte
afzettingen met ingesloten versteeningen bewaard zijn, noch uit het
Quartaire Tijdvak, noch uit eene periode tusschen de quartaire en de
oude tertiaire formaties, er toch in deze oude tertiaire formatie
sedimentaire stof met ingesloten versteende overblijfsels, afgezet
en bewaard is op verschillende punten in noordelijke en zuidelijke
richtingen, over eene uitgestrektheid van 1100 mijlen aan de stranden
van den Stillen en minstens 1350 mijlen aan die van den Atlantischen
Oceaan, en bovendien van 700 mijlen in oost-westelijke richting
door het breedste gedeelte van het vasteland. Ik geloof, dat de
verklaring niet moeilijk, en misschien op ongeveer gelijksoortige, in
andere hoeken van de wereld waargenomen feiten toepasselijk is. Het
buitengewone denudatie-vermogen, dat de zee bezit en hetwelk door
tallooze feiten bewezen wordt, in aanmerking genomen, is het niet
waarschijnlijk, dat eene uit zee geheven sedimentaire afzetting de
werking der golven zóó kon doorstaan, dat ze in voldoende hoeveelheid
bewaard bleef om tot een ver tijdperk te duren--tenzij die afzetting
oorspronkelijk eene groote uitgestrektheid en eene aanzienlijke dikte
bezat. Nu is het onmogelijk, dat op een betrekkelijk ondiepen bodem,
die voor de meeste levende wezens de eenige gunstige is, eene dikke
en vèrstrekkende sedimentaire laag kon worden uitgespreid, tenzij
die bodem zonk om de achtereenvolgende lagen op te nemen. Dit schijnt
werkelijk omstreeks hetzelfde tijdperk in Zuid-Patagonië en Chili te
hebben plaats gehad, hoewel deze streken duizend mijlen van elkander
liggen. Derhalve, indien langdurige, ongeveer tegelijktijdig plaats
hebbende zinkende bewegingen in 't algemeen een uitgestrekt gebied
omvatten--zooals ik op grond van mijn onderzoek van de koraalriffen
der groote oceanen zeer geneigd ben te gelooven: of indien--wanneer
wij ons overzicht tot Zuid-Amerika bepalen--de dalende bewegingen even
omvangrijk zijn geweest als de rijzende, waardoor in hetzelfde tijdperk
van levende schelpdieren de stranden van Peru, Chili, Vuurland,
Patagonië en La Plata omhoog zijn geheven--dan kunnen wij zien, dat
tegelijktijdig op ver verwijderde punten de omstandigheden gunstig
zouden geweest zijn voor de vorming van uitgestrekte fossielenhoudende
afzettingen van aanzienlijke dikte; en zulke afzettingen zouden
bijgevolg eene goede kans hebben gehad, om de sloopende en knagende
werking van achtereenvolgende strandvloeden te weerstaan, en tot een
later komend tijdperk te duren.

[21 Mei.]

Ik vertrok in gezelschap van Don José Edwards naar de zilvermijn
Arqueros, en ging van daar de Coquimbo-vallei in. Na een tocht door
eene bergachtige streek, bereikten wij tegen het vallen van den
avond de aan Mr. Edwards toebehoorende mijnen. Hier genoot ik mijne
nachtrust door eene oorzaak, die in Engeland niet ten volle gewaardeerd
zal worden, namelijk door de afwezigheid van vlooien. De kamers
in Coquimbo wemelen er van; maar hier, op eene hoogte van slechts
drie of vierduizend voet, kunnen zij niet leven. Het kan moeilijk de
geringe temperatuursverlaging zijn, die deze lastige insecten hier
verdelgt, zoodat hier eene andere oorzaak moet bestaan. De mijnen
verkeeren thans in slechten staat, hoewel zij vroeger ongeveer 2000
gewichtsponden per jaar aan zilver opleverden. Men heeft beweerd,
dat iemand met eene kopermijn winnen moet, dat iemand met eene
zilvermijn winnen kan, doch met goud verliezen moet. Dit is niet
waar: alle groote fortuinen in Chili zijn verkregen door mijnen
van de meer kostbare metalen. [288] Korten tijd geleden keerde een
Engelsch geneesheer uit Copiapó naar Engeland terug, met medeneming
van de winsten op een aandeel in eene zilvermijn, ten bedrage van
ongeveer 24000 pond sterling. Ongetwijfeld is eene met zorg beheerde
kopermijn een veilig spel, terwijl het andere dobbelspel, of liever
een lot in de loterij is. De eigenaren verliezen groote hoeveelheden
rijke ertsen, want ondanks alle voorzorgen, zijn diefstallen niet
te voorkomen. Ik hoorde vertellen van een heer, die met een ander de
weddenschap aanging, dat een van zijne arbeiders hem voor zijne oogen
zou bestelen. Wanneer het erts uit de mijn is gehaald, wordt het in
stukken gebroken, en de waardelooze steen ter zijde geworpen. Een
paar mijnwerkers, die hiermede bezig waren, namen, als bij toeval,
op hetzelfde oogenblik twee stukken weg, en riepen toen voor de grap:

"Laat ons zien welk het verst rolt!"

De eigenaar, die er bij stond, wedde met zijn vriend om een sigaar
op den afloop van dezen worp. Des avonds nam de mijnwerker, die
nauwkeurig de plek had onthouden, waar de steen tusschen het puin was
blijven liggen, het stuk op, bracht het naar zijn meester, en zeide,
terwijl hij hem een kostbaar stuk zilvererts toonde:

"Dit is de steen, waarop u een sigaar won, omdat hij zoo ver gerold
was."

[23 Mei.]

Wij daalden af in de vruchtbare Coquimbo-vallei, en volgden die
totdat wij eene hacienda bereikten, die aan een bloedverwant van
Don José behoorde. Hier bleven wij tot den volgenden dag. Ik reed
toen eene dagreis verder om te onderzoeken wat er waar was van
eenige beweerde versteende schelpen en boonen; doch het bleek, dat
deze laatsten eenvoudig kleine kwartssteenen waren. Wij reden door
verscheidene dorpjes te midden van de fraai bebouwde vallei, en het
geheele landschap bood een zeer prachtigen aanblik. Dat wij hier bij de
hoofdketen van de Cordilleras waren, bleek uit de hooge bergjes in het
rond. In alle gedeelten van Noord-Chili brengen de vruchtboomen meer
ooft voort op eene aanmerkelijke hoogte in de nabijheid der Andes,
dan in de lagere landstreek. De vijgen en druiven van dit district
zijn om hare uitmuntende qualiteit beroemd, en worden over eene groote
uitgestrektheid gekweekt. Deze vallei is misschien de vruchtbaarste
benoorden Quillota, en bevat, naar ik meen, 25000 inwoners, Coquimbo
medegerekend. Den volgenden dag keerde ik naar de hacienda terug,
en van daar met Don José naar Coquimbo.

[2 Juni.]

Wij begaven ons op weg naar de Huasco-vallei, en volgden daartoe den
kustweg, die voor iets minder eenzaam werd gehouden dan de andere. Onze
eerste dagrit was naar een eenzaam gelegen huis, Yerba Buena geheeten,
waar gras voor onze paarden was. De bui, die, zooals boven gezegd
is, veertien dagen geleden gevallen was, reikte slechts tot ongeveer
halfweg Huasco; zoodat het zeer zwak getinte groen, dat wij op het
eerste gedeelte onzer dagreis zagen, spoedig geheel verdween. Zelfs
daar waar het groen 't helderst was, herinnerde het toch op onvoldoende
wijze aan het frissche gras en de ontluikende lentebloemen van andere
landen. Wanneer men door deze dorre streken reist, voelt men zich
als een gevangene, die op eene doodsche binnenplaats is opgesloten,
eenige groen verlangt te zien en frissche lucht te ademen.

[3 Juni.]

Van Yerba Buena naar Carrizal. Gedurende het eerste gedeelte van den
dag trokken wij door eene bergachtige steenwildernis, en daarna over
eene uitgestrekte, diepzandige vlakte, waarop gebroken zeeschelpen
verspreid lagen. Er was zeer weinig water, en dat weinige nog
zoutachtig; het geheele land, van de kust tot aan de Cordilleras,
is eene onbewoonde woestijn. Slechts van één levend dier zag ik
overvloedige sporen, namelijk de schelpen van een Bulinus, die in
buitengewoon groot aantal op de droogste plekken bijeen waren. In de
lente schiet een nederig plantje enkele blaadjes uit, en daarmee voeden
zich de slakken. Daar men dezen alleen zeer vroeg in den morgen ziet,
als de grond wat vochtig is van den dauw, gelooven de Huascos dat
zij daaruit worden geteeld. Op andere plaatsen heb ik waargenomen,
dat bijzonder droge en onvruchtbare streken buitengewoon gunstig zijn
voor landschelpdieren, mits de bodem kalkhoudend is. Te Carrizal vonden
wij enkele hutten, eenig brak water, en een spoor van cultuur: maar
slechts met moeite kochten wij wat koren en stroo voor onze paarden.

[4 Juni.]

Van Carrizal naar Sauze. Wij reden verder over verlaten vlakten,
bewoond door groote kudden guanaco's. Ook trokken wij door de
Chagnaralvallei. Ofschoon deze de vruchtbaarste is tusschen Huasco
en Coquimbo, is zij zeer smal en brengt zoo weinig gras voort,
dat wij niets voor onze paarden konden koopen. Te Sauze vonden wij
een zeer beleefden ouden heer, die het oppertoezicht had over een
kopersmeltoven. Als eene bijzondere gunst stond hij mij toe voor hoogen
prijs een armvol morsig stroo te koopen; en dit was al wat de arme
paarden na eene lange dagreis voor hun avondeten kregen. Tegenwoordig
zijn in Chili zeer weinig smeltovens in werking: men vindt het
voordeeliger het erts naar Swansea (Wallis) te verschepen, omdat het
brandhout hier zoo uiterst schaarsch en de Chileensche methode van
ertsbewerking zoo ongeschikt is. Den volgenden dag trokken wij over
eenige bergen naar Freyrina in de Huasco-vallei. Met elken dag dat
wij verder noordwaarts reden, werd de plantengroei schaarscher; zelfs
de groote kandelabervormige cactus (Cereus atacamensis) was hier door
eene andere en veel kleinere plant vervangen. Zoowel in Noord-Chili als
in Peru hangt gedurende de wintermaanden eene eenvormige wolkbank op
geen groote hoogte boven den Stillen Oceaan. Van de bergen hadden wij
een zeer verrassend gezicht op dit schitterend witte luchtveld, dat
vertakkingen uitzond naar de valleien, en eilanden en voorgebergten
vormde op dezelfde manier als de zee in den Chonos-Archipel en in
Vuurland.

Wij bleven twee dagen te Freyrina. In de Huasco-vallei liggen vier
kleine steden; maar de haven, welke den ingang vormt, is eene geheel
verlaten plek, zonder water in de onmiddellijke nabijheid. Vijf
leagues verder ligt Freyrina, een lang, uitgebouwd dorp met knappe
witgepleisterde huizen. Weer tien leagues verder ligt Ballena, en
daarachter Huasco Alto--een tuinbouwdorp, dat vermaard is om zijne
gedroogde vruchten. Op een helderen dag is het gezicht op de vallei
zeer schoon; de rechte doorgang eindigt bij de ver verwijderde,
besneeuwde Cordilleras, en aan weerszijden ontwaart men tallooze
dwarsketens, zich oplossend in een zilverwitten nevel. Eigenaardig zijn
de talrijke evenwijdige en trapvormige terrassen op den voorgrond;
en de ingesloten groene dalstrook met hare wilgenstruiken vormt eene
schrille tegenstelling met de kale bergen aan beide kanten. Dat
het land in den omtrek uiterst dor was, zal men licht begrijpen,
zoo men weet dat er in de laatste dertien maanden geen regen was
gevallen. De bewoners hoorden met den grootsten naijver, dat het
te Coquimbo geregend had, maar hoopten, op het voorkomen der lucht
afgaande, op een goeden uitslag. Veertien dagen later werd deze hoop
verwezenlijkt. Ik was toen te Copiapó, en daar sprak het volk met
dezelfde jaloezie van den overvloedigen regen te Huasco. Na twee of
drie zeer droge jaren, als in al dien tijd misschien niet meer dan
ééne bui valt, volgt meestal een regenachtig jaar; en dit doet nog
meer schade dan de droogte. De rivieren zwellen, en bedekken de smalle
strooken gronds--de eenige die voor cultuur geschikt zijn--met grint
en zand. Ook doen de vloeden schade aan de bevloeiingskanalen. Drie
jaren geleden is op deze wijze groote verwoesting aangericht.

[8 Juni.]

Wij reden door tot Ballena, een plaatsje, dat zijn naam ontleent aan
Ballenagh in Ierland, de geboorteplaats der familie O'Higgins, die
onder het Spaansche gouvernement presidenten en generaals in Chili
telde. Daar het rotsachtige gebergte aan weerszijden achter wolken
verscholen was, gaven de terrasvormige vlakten aan de vallei een
voorkomen, als dat der Santa-Cruz-vallei in Patagonië. Na een dag
toevens te Ballena, vertrok ik den 10den Juni naar het bovendeel
der Copiapó-vallei. Wij reden den geheelen dag door eene streek,
die weder zoo onbelangrijk was, dat ik het moede word de bijnamen
"dor" en "onvruchtbaar" te herhalen. In het gewone spraakgebruik
zijn deze woorden evenwel betrekkelijk; ik heb hen altijd toegepast
op de vlakten van Patagonië, die nog op doornstruiken en eenige
bosjes gras kunnen roemen--hetgeen beslist vruchtbaar mag heeten,
vergeleken met Noord-Chili; en hier is weer geen plek van 200 yards
oppervlakte, waar niet bij zorgvuldig onderzoek een struikje, een
cactus of korstmos valt te ontdekken, terwijl er sluimerende zaden
in den grond gereed liggen, om in den eerstkomenden regenachtigen
winter op te schieten. In Peru, echter, komen op uitgestrekte deelen
van het land werkelijke woestijnen voor. Des avonds bereikten wij eene
vallei, waarin een vochtig stroombed werd gevonden; wij volgden dit en
kwamen eindelijk aan vrij goed water. Des nachts vloeit de stroom, ten
gevolge van de minder snelle verdamping en opzuiging door den grond,
ongeveer een mijl dieper dalwaarts, dan over dag. Wijl er takken voor
brandhout in overvloed waren, was het eene goede plek voor ons om te
bivouakeeren; maar voor de arme dieren was er geen hapje eten.



[11 Juni.]

Wij reden twaalf uren lang zonder te rusten, totdat wij eene oude
smeltoven bereikten, waar brandhout en water werden gevonden; maar
onze paarden, die op eene voormalige binnenplaats gestald werden,
hadden weder niets te eten. De weg was bergachtig, en leverde
door de verscheidenheid van kleuren der kale bergen, verrassende
vergezichten op. Het was bijna jammer de zon voortdurend boven zulk
een onvruchtbaar land te zien schijnen; zulk een stralende hemel had
groene velden en fraaie tuinen moeten verlichten. Den volgenden dag
bereikten wij de Copiapó-vallei. Dit verheugde mij van harte, want de
geheele tocht was een voortdurende bron van verdriet. Onaangenaam was
het, terwijl wij bezig waren ons avondeten te gebruiken, de paarden
aan de palen te hooren knagen, waaraan zij waren vastgebonden, en
niets te kunnen doen om hun honger te stillen. Toch waren de dieren
schijnbaar volmaakt gezond, en niemand zou gezegd hebben, dat zij in
de laatste vijf en vijftig uren niets gegeten hadden.

Ik had een introductie-brief aan Mr. Bingley, die mij in de Hacienda
del Potrero Seco zeer vriendelijk ontving. Dit landgoed is tusschen de
twintig en dertig mijlen lang, doch zeer smal, daar het slechts twee
velden breed is--aan elken rivierkant één. In sommige gedeelten heeft
het landgoed geen breedte, d.w.z., het land kan niet bevloeid worden,
en is dus even waardeloos, als de omringende steenwoestijn. De geringe
hoeveelheid land, over de geheele lengte der vallei in cultuur, is niet
zoozeer een gevolg van terreinoneffenheden en dus van ongeschiktheid
voor bevloeiing, als van den geringen watervoorraad. Dit jaar was de
rivier geweldig gezwollen: hier, hoog in de vallei, reikte zij tot
aan den buik van een paard, was omtrent vijftien yards breed en bezat
eene snelle strooming; meer dalwaarts wordt zij steeds kleiner, en
verdwijnt meestal geheel, gelijk eens dertig jaren achtereen gebeurd
was, zoodat er geen druppel in zee viel. De inwoners verbeiden een
storm over de Andes met veel belangstelling, daar een flinke sneeuwval
hen voor het volgend jaar van water voorziet. In het laagland heeft dit
oneindig grootere gevolgen dan regen. Regen is, zoo dikwijls hij valt
(en dat is ongeveer eens in de twee of drie jaren), een groot voordeel,
omdat het vee en de muildieren dan eenigen tijd later wat gras op
de bergen kunnen vinden; maar zonder sneeuw op de Andes heerscht
er mismoedigheid door de geheele vallei. Drie gevallen zijn bekend,
dat bijna alle inwoners genoodzaakt zijn geweest naar het zuiden te
verhuizen. Dit jaar was er overvloedig water, en besproeide elk zijn
grond zooveel hij wilde; maar dikwijls is het noodig geweest soldaten
bij de sluizen te zetten, om te zorgen, dat elke boerderij eenige uren
per week slechts zooveel nam als toegestaan was. Naar men zegt, telt
de vallei 12000 zielen; doch hare opbrengst is slechts voldoende voor
drie maanden in 't jaar; de overige voorraad moet uit Valparaiso en het
zuiden worden gehaald. Vóór de ontdekking der beroemde zilvermijnen van
Chagnarcillo, verkeerde Copiapó in een toestand van snel verval; nu,
echter, is zij zeer welvarend, en de stad, die op 22 November 1822 door
eene aardbeving geheel verwoest werd, is weer opgebouwd geworden. [289]

De Copiapó-vallei, eenvoudig uit eene strook groen bestaande te midden
van eene woestijn, loopt in eene zeer zuidelijke richting, en heeft
tot aan haar oorsprong in de Cordilleras eene aanzienlijke lengte. De
Huasco- en Copiapó-valleien kunnen beiden beschouwd worden als lange,
smalle eilanden, die in plaats van door zoutwater, door steenwoestijnen
van het overig deel van Chili gescheiden zijn. Benoorden dezen, ligt
eene andere, zeer onvruchtbare vallei, Paposo genaamd, die ongeveer
200 zielen bevat; en daarna begint de werkelijke Woestijn van Atacama,
die een veel geduchteren slagboom vormt dan de onstuimigste oceaan. Na
enkele dagen toevens te Potrero Seco, ging ik de vallei in naar het
huis van Don Benito Cruz, aan wien ik een introductie-brief had,
en die mij hoogst gastvrij ontving. Men kan inderdaad niet genoeg
de vriendelijkheid roemen, waarmede reizigers in bijna alle deelen
van Zuid-Amerika ontvangen worden. Den volgenden dag huurde ik eenige
muilezels, om mij door het Jolquera-ravijn naar de centrale Cordilleras
te brengen. Den tweeden dag scheen de lucht een sneeuwstorm of regen
te voorspellen; en toen wij te bed lagen, voelden wij een lichten
schok van aardbeving.

Het verband tusschen aardbevingen en het weder is dikwijls betwist
geworden. Mij schijnt dit een punt van groot gewicht toe, dat weinig
begrepen wordt. Humboldt heeft de opmerking gedaan, dat iemand, die
lang in Nieuw-Andaluzië of Neder-Peru heeft gewoond, moeilijk zou
kunnen loochenen, dat er tusschen deze verschijnselen eenig verband
bestaat; maar elders schijnt hij zoodanig verband denkbeeldig te
achten. [290] Te Guayaquil, zegt men, wordt eene zware bui in het
droge jaargetijde onveranderlijk door eene aardbeving gevolgd. In
Noord-Chili is, wegens de groote zeldzaamheid van regen of zelfs
van regen voorspellend weder, de kans op toevallig samentreffen
zeer gering; toch zijn de inwoners ten stelligste overtuigd, dat
er tusschen den dampkringstoestand en het beven van den grond eenig
verband bestaat. Dit trof mij bijzonder, toen ik aan eenige lieden
te Copiapó vertelde, dat er te Coquimbo een hevige schok had plaats
gehad, en zij terstond daarop uitriepen:

"Hoe gelukkig, dan zal er dit jaar overvloed van gras zijn!"

Volgens hunne meening voorspelde eene aardbeving regen, even zeker
als regen overvloedig gras voorspelde. Dit kwam in zoover uit, dat
de regenbui, die, zooals ik gezegd heb, in tien dagen tijds een dun
laagje gras voortbracht, viel op den dag der aardbeving zelven. Op
andere tijden is er op aardbevingen regen gevolgd in een tijd van
het jaar, dat de regen een veel grooter wonder was dan de aardbeving
zelve; dit gebeurde te Valparaiso na den schok in November 1822,
en nogmaals in 1826; ook na dien te Tacna in September 1833. Men
moet aan het klimaat dezer streken eenigszins gewoon zijn om te
begrijpen, hoe uiterst onwaarschijnlijk het is, dat er in zulke
jaargetijden regen valt, behalve wanneer deze het gevolg is van
een natuurverschijnsel, dat met den gewonen gang van het weder in
hoegenaamd geen verband staat. In het geval van groote vulkanische
uitbarstingen, zooals die van de Coseguina in Januari 1835, toen er
stroomen regen vielen in een tijd van het jaar, welke daartoe zeer
ongewoon en "in Midden-Amerika bijna zonder voorbeeld" was--is het
niet moeilijk te begrijpen, dat wellicht de groote wolken damp en
asch het evenwicht in den dampkring gestoord kunnen hebben. Humboldt
strekt deze meening uit tot het geval van aardbevingen, die niet van
uitbarstingen vergezeld gaan; maar ik acht het bijna niet mogelijk,
dat de kleine hoeveelheid vluchtige zelfstandigheden en dampvormige
vloeistoffen, welke dan uit den gespleten grond ontwijken, zulke
merkwaardige werkingen kunnen voortbrengen. Veel waarschijnlijkheid
lijkt de meening te bezitten--het eerst door Scrope uitgesproken, [291]
dat bij lagen barometerstand en onder omstandigheden die werkelijk
regen kunnen doen verwachten, de verminderde dampkringsdrukking over
eene groote uitgestrektheid lands wel den juisten dag kan bepalen,
waarop de aarde, door inwendige krachten tot het uiterste gespannen,
moet wijken, barsten, en bij gevolg beven. Toch is het twijfelachtig,
in hoever dit denkbeeld de omstandigheid zal verklaren, dat er in
het droge jaargetijde verscheidene dagen lang stroomen regen zijn
gevallen na eene aardbeving, die niet van eene uitbarsting vergezeld
ging. Dergelijke gevallen schijnen op een inniger verband tusschen
de luchtstreken en de onderaardsche ruimten te wijzen.

Daar wij in dit gedeelte van het ravijn weinig belangrijks vonden,
richtten wij onze schreden weder naar het huis van Don Benito, waar
ik twee dagen bleef, en hout en schelpdieren verzamelde. Groote
versteende boomstammen, die in een conglomeraat begraven lagen,
werden in buitengewoon aantal gevonden. Ik mat er een, die vijftien
voet in omtrek was. Hoe verwonderlijk toch, dat elke molecule houtstof
in dezen grooten cilinder zoo volkomen door kiezel is verdreven en
vervangen, dat alle vezels en poriën bewaard zijn gebleven! Deze
boomen bloeiden ongeveer in het tijdperk van de Lagere Witte Kalk
(Lower White Chalk) in Engeland, en behoorden alle tot het geslacht
der dennen. Het was vermakelijk de inwoners over de schelpdieren,
die ik verzamelde, in bijna dezelfde woorden te hooren spreken, als
men eene eeuw geleden in Europa deed, namelijk: of zij al dan niet zoo
"door de natuur" geschapen waren. Mijn geologisch onderzoek van het
land wekte in 't algemeen heel wat verwondering onder de Chileenen;
en lang duurde het eer zij overtuigd konden worden, dat ik niet op
mijnen kwam jacht maken. Dit was somtijds lastig. Toen ontdekte ik,
dat de beste manier om het doel van mijn werk te verklaren was, hun
te vragen hoe het toch kwam, dat zij zelven niet nieuwsgierig waren
naar aardbevingen en vulkanen; waarom sommige bronnen heet en andere
koud waren; waarom er in Chili bergen waren, en in La Plata zelfs geen
heuvel. Deze eenvoudige vragen stelden de meesten terstond tevreden
en brachten hen tot zwijgen; maar sommigen dachten (evenals eene
eeuw geleden enkele lieden in Engeland), dat al zulke onderzoekingen
ijdel en goddeloos waren, en dat het geheel voldoende was te weten,
dat God de bergen zoo gemaakt had.

Onlangs was een bevel uitgevaardigd om alle losloopende honden af te
maken; en zoo zagen wij er velen dood op den weg liggen. Dit bevel
was een gevolg van het groot aantal gevallen van dolheid, waarbij
vele personen door honden gebeten en gestorven waren. Watervrees of
hondswoede heeft verscheidene malen in deze vallei geheerscht. Het is
merkwaardig, dat zulk eene zonderlinge en vreeselijke ziekte van tijd
tot tijd op dezelfde afgelegen plek verschijnt. Men heeft opgemerkt,
dat ook in Engeland sommige dorpen veel meer aan deze bezoeking
blootstaan, dan andere. Dr. Unanuè zegt, dat zij in Midden-Amerika
uitbrak, en langzaam zuidwaarts trok. In 1807 bereikte zij Arequipa,
waar, naar men zegt, sommige personen die niet gebeten waren werden
aangetast, evenals eenige negers, die van een aan watervrees
gestorven jongen os gegeten hadden. Te Ica stierven 42 menschen
aldus een ellendigen dood. De ziekte kwam tusschen de twaalf en
negentig dagen na den beet op; en in al de gevallen dat zij optrad,
volgde de dood onveranderlijk vijf dagen later. Na 1808 volgde een
lang tijdperk zonder ziektegevallen. Bij onderzoek vernam ik, dat
op Van Diemensland, of in Australië geen watervrees bekend was; en
Burchell zegt, dat hij gedurende zijn vijfjarig verblijf aan de Kaap
de Goede Hoop er nooit van gehoord heeft. Webster beweert, dat op de
Azoren nooit watervrees is voorgekomen, en hetzelfde wordt gezegd van
Mauritius en Sint Helena. [292] Voor zulk eene vreemde ziekte zou men
mogelijk eenige opheldering kunnen vinden door de omstandigheden na
te gaan, waaronder zij in verwijderde klimaten ontstaat; want het is
onwaarschijnlijk, dat een reeds gebeten hond naar deze verre landen
overgebracht zou zijn.

Des nachts kwam een vreemdeling aan het huis van Don Benito, en vroeg
verlof om te slapen. Hij zeide, dat hij verdwaald was en zeventien
dagen lang door het gebergte had gezworven. Uit Huasco vertrokken,
en aan het reizen in de Cordilleras gewoon, verwachtte hij geen
moeilijkheden te ondervinden als hij het spoor naar Copiapó volgde;
doch spoedig geraakte hij in een doolhof van bergen verdwaald,
waar hij niet uit kon komen. Eenige van zijne muildieren waren in
afgronden gevallen, en hij had in groote verlegenheid verkeerd. De
hoofdoorzaak van zijn tegenspoed was, dat hij niet wist waar hij in
het laagland water zou vinden, zoodat hij genoodzaakt werd den zoom
der centrale keten te volgen.

Wij daalden weêr de vallei af, en bereikten op 22 Juni de stad
Copiapó. Het ondereinde der vallei is breed, en vormt eene fraaie
vlakte evenals de Quillota-vallei. De stad beslaat eene aanzienlijke
oppervlakte, doordien elk huis een tuin bezit; maar zij is ongezellig,
zonder gerief, en de woningen zijn armoedig gemeubeld. Elk, die
er komt, schijnt slechts één doel te hebben, nl. fortuin te maken,
en dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Alle bewoners zijn meer
of minder rechtstreeks bij de mijnen betrokken; en mijnen en ertsen
zijn de eenige onderwerpen van gesprek. Behoeften van allerlei aard
zijn uiterst duur, wijl de afstand van de stad tot de haven achttien
leagues bedraagt, [293] en een landvoertuig zeer kostbaar is. Eene
kip kost vijf of zes shillings; vleesch is bijna even duur als in
Engeland; brandhout, of liever takken worden twee of drie dagreizen
ver op ezels uit de Cordilleras gehaald, en het weiden van dieren kost
één shilling daags. Dit alles is voor Zuid-Amerika buitensporig duur.

[26 Juni.]

Ik huurde een gids en acht muildieren, om mij langs een anderen weg
dan op den vorigen tocht naar de Cordilleras te brengen. Daar het
land volkomen woest was, namen wij anderhalve vracht gerst mede,
vermengd met gehakt stroo. Omstreeks twee leagues boven de stad
ontspringt eene breede vallei, genaamd El Despoblado (De Onbewoonde),
uit die, waardoor wij gekomen waren. Hoewel eene vallei van de grootste
afmetingen, die rechtstreeks naar een pas over de Cordilleras leidt,
is zij geheel droog, behalve misschien gedurende enkele dagen in een
zeer regenachtigen zomer. Bijna geen enkel ravijn doorsneed de zijden
der afbrokkelende bergen, en de met grof keizand gevulde bodem der
hoofdvallei was effen en bijna vlak. Geen stroom van eenige beteekenis
kon ooit over deze grintbedding gevloeid hebben; want ware dit het
geval geweest, dan zou stellig, evenals in alle zuidelijke valleien,
een groot door klippen begrensd kanaal gevormd zijn. Weinig twijfel ik
er aan, of deze vallei werd bij de langzame rijzing van het land, door
de golven der zee in den toestand gelaten, waarin wij haar nu zien,
evenals het geval was met eenige valleien in Peru, waarvan de reizigers
melding maken. Op eene plek, waar in de Despoblado een ravijn uitmondde
(dat in bijna elke andere keten eene groote vallei genoemd zou zijn),
merkte ik op, dat hare bedding, ofschoon alleen uit zand en grint
bestaande, hooger was dan die van het zijravijn. Een riviertje of zelfs
eene beek zou zich in den loop van een uur een doorweg hebben gegraven;
maar blijkbaar waren geheele tijdperken voorbijgegaan, zonder dat
zulk een riviertje dit zijravijn bespoeld had. Het was belangwekkend
het geheele bespoelingsmechanisme (indien zulk een woord gebruikt mag
worden) tot in de kleinste bijzonderheden compleet te zien, doch zonder
eenig teeken van werking. Ieder zal hebben opgemerkt hoe modderbanken,
door het dalend getij achtergelaten, in het klein een land met bergen
en dalen nabootsen; hier hebben wij het oorspronkelijke model in steen,
zooals het gevormd werd bij de rijzing van het vasteland, gedurende
de eeuwenlange terugvloeiing der zee, in plaats van gedurende het
ebben en wassen der getijen. Indien eene regenbui op de drooggelegde
modderbank valt, verdiept zij de reeds gevormde ondiepe uithollingen;
en hetzelfde geschiedt door den regen, eeuw aan eeuw, op de bank van
steen en aarde, die wij "vastland" noemen.

Toen het donker was reden wij voort, totdat wij een zijravijn bereikten
met eene kleine put of wel, Agua amarga (Bitter water) geheeten. Het
water verdiende dien naam, want het was niet alleen zoutachtig,
maar ook bedorven en bitter, zoodat wij er geen thee of maté van
durfden koken. Ik onderstel, dat de afstand van de rivier de Copiapó
tot deze plek minstens 25 of 30 Engelsche mijlen bedroeg; over die
gansche ruimte was geen enkele druppel water, en het land verdiende
den naam van "woestijn" ten volle. Toch kwamen wij ongeveer halfweg,
bij Punta Gorda, voorbij eenige Indiaansche ruïnen; meer nog--recht
voor den ingang van sommige in de Despoblado uitmondende valleien
bespeurde ik twee stapels steenen, die eenigszins zijwaarts gelegen,
zóó waren gericht, dat zij op de ingangen dezer kleine valleien
wezen. Mijne metgezellen wisten hier niets van, en beantwoordden
mijne vragen slechts met hun onveranderlijk: "quien sabe!"

Indiaansche puinhoopen ontdekte ik in verscheidene gedeelten van
de Cordilleras; de meest volledige, die ik zag, waren de Ruinas
de Tambillos in den Uspallata-pas. Deze bestonden uit kleine
vierkante kamers, die op slordige wijze hier en daar in groepen
waren samengehoopt. Sommige deuren stonden nog overeind, en werden
gevormd door een overdwarschen platten steen van slechts drie voet
hoogte. Ulloa heeft op de lage deuren bij de oude Peruaansche woningen
opmerkzaam gemaakt. In volledigen vorm moeten deze ruïnen in staat
zijn geweest een groot aantal personen te bevatten. De overlevering
zegt, dat zij dienden als rustpunten voor de Incas op hunne tochten
over de bergen. Sporen van Indiaansche woningen zijn op vele andere
plaatsen ontdekt, waar het niet waarschijnlijk lijkt, dat zij
alleen tot rustpunten dienden, maar waar toch het land even volkomen
ongeschikt is voor elke soort van cultuur, als bij de Tambillos, bij
de Inca-brug, of in den Portillo-pas; op al welke plaatsen ik ruïnen
zag. In het ravijn Jajuel, bij Aconcagua, waar geen pas is, hoorde ik
spreken van puinhoopen van huizen, die op eene groote hoogte lagen,
waar het buitengewoon koud en onvruchtbaar is. Eerst verbeeldde ik mij,
dat deze gebouwen schuilplaatsen waren geweest, door de Indianen bij de
eerste komst der Spanjaarden gebouwd; doch later ben ik gaan gelooven,
dat er vermoedelijk eene geringe klimaatverandering heeft plaats gehad.

In dit noordelijke gedeelte van Chili, zegt men, zijn oude Indiaansche
huizen in de Cordilleras bijzonder talrijk. Bij het graven tusschen
de puinhoopen worden niet zelden lapjes wollen stoffen, kostbare
metalen werktuigen en hoopjes Indiaansch koren ontdekt. Eens gaf
men mij een pijlpunt, van agaat gemaakt, en geheel van denzelfden
vorm als nu in Vuurland wordt gebruikt. Ik weet, dat de Peruaansche
Indianen nu menigmaal de hoogste en guurste plaatsen bewonen; maar
te Copiapó werd mij door lieden, die hun leven met reizen in de Andes
hadden doorgebracht, verzekerd, dat er zeer vele (muchisimas) gebouwen
gevonden werden op plaatsen zoo hoog, dat zij bijna tot de sneeuwgrens
reiken, en op punten waar geen passen zijn; waar het land volstrekt
niets voortbrengt, en wat nog merkwaardiger is: waar geen water
is. Niettemin zijn de landlieden (ofschoon met het geval zeer verlegen)
wegens het voorkomen der huizen van meening, dat de Indianen hen als
woonplaatsen moeten gebruikt hebben. Te Punta Gorda, in deze vallei,
bestonden de overblijfsels uit zeven of acht vierkante kleine kamers,
van een dergelijken vorm als die te Tambillos, doch voornamelijk van
modder gebouwd en zoo stevig, dat de hedendaagsche bewoners, hetzij
hier of (volgens Ulloa) in Peru, ze niet kunnen namaken. Zij stonden
op de meest zichtbare en onbeschermde plek, in de kom der breede,
vlakke vallei. Water was er niet binnen een kring van minstens drie
of vier leagues, en dan nog in zeer geringe hoeveelheid en slecht;
de grond was volkomen onvruchtbaar; zelfs zocht ik te vergeefs een
mosplantje op de rotsen. Tegenwoordig kan eene mijn, die het voordeel
heeft met lastdieren te werken, bijna niet met winst geëxploiteerd
worden, tenzij zij zeer rijk is. En zulk een oord kozen de Indianen
voorheen tot woonplaats! Indien er nu elk jaar twee of drie regenbuien
vielen, in plaats van ééne zooals sinds vele jaren het geval is,
zou in deze groote vallei waarschijnlijk een beekje worden gevormd;
en door bevloeiing (eene kunst, welke de Indianen voorheen zoo goed
verstonden) zou de grond dan gemakkelijk vruchtbaar genoeg worden
gemaakt, om enkele gezinnen te voeden.

Ik heb overtuigende bewijzen, dat dit deel van het vasteland van
Zuid-Amerika sedert het tijdvak der levende schelpdieren, bij de
kust minstens 400 tot 500 voet, en in sommige gedeelten 1000 tot
1300 voet gerezen is; dieper landwaarts in is de rijzing mogelijk nog
grooter geweest. Daar het buitengewoon dorre karakter van het klimaat
blijkbaar een gevolg is van de hoogte der Cordilleras, kunnen wij er
bijna zeker van zijn, dat de dampkring vóór de laatste rijzing niet
zoo geheel van vocht beroofd was, als nu het geval is; en daar de
rijzing trapswijze is geschied, zou ook het klimaat aldus veranderd
zijn. Volgens deze meening--eene klimaatverandering sedert de gebouwen
bewoond werden--moeten de ruïnen een zeer hoogen ouderdom hebben. Dat
zij zoo lang bewaard konden blijven, acht ik onder het klimaat van
Chili niet zoo moeilijk. Volgens dit begrip moeten wij ook aannemen
(en dit is wellicht moeilijker), dat de mensch sinds een onmetelijk
langen tijd Zuid-Amerika bewoond heeft, daar eene klimaatverandering
ten gevolge van de landrijzing een uiterst langzaam verloop moet
hebben gehad. Te Valparaiso is de rijzing in de laatste 220 jaren
iets minder dan 19 voet geweest; te Lima is eene zeekust gedurende de
Indiaansche periode van het Quartaire of Anthropozoïsche Tijdvak van
80 tot 90 voet gerezen; maar zulke kleine wijzigingen konden weinig
bij machte zijn de vocht-aanbrengende luchtstroomen van richting te
doen veranderen. Inmiddels heeft Dr. Lund in de holen van Brazilië
menschengeraamten ontdekt, waarvan het uiterlijk hem tot de meening
bracht, dat het Indiaansche ras sedert een lang tijdsverloop in
Zuid-Amerika bestaan heeft. [294]

Toen ik te Lima was, besprak ik dit onderwerp met den civiel-ingenieur
Gill, die veel van het binnenland gezien had. [295] Hij vertelde mij,
dat de onderstelling aangaande eene klimaatverandering somtijds bij
hem was opgekomen; maar dat hij dacht, dat het grootste deel van het
land, hetwelk nu ongeschikt voor cultuur doch met Indiaansche ruïnen
bedekt is, tot dezen staat was vervallen, doordien waterleidingen, die
de Indianen voorheen op zulk eene grootsche schaal hadden aangelegd,
door verwaarloozing en onderaardsche bewegingen beschadigd waren
geworden. Ik wil hier opmerken, dat de Peruanen werkelijk hunne
bewateringstroomen door tunnels leidden, die zij door harde steenen
bergen groeven. Mr. Gill vertelde mij, dat hij ambtshalve geroepen was
er een te onderzoeken; de tunnel was laag, smal, gebogen en ongelijk
van breedte, maar bezat eene zeer aanzienlijke lengte. Is het niet
hoogst verwonderlijk, dat menschen zulke werken hebben ondernomen,
zonder het gebruik van ijzer of kruit? Ook vertelde Gill mij een
zeer belangwekkend en, voorzoover ik weet, geheel ongeëvenaard geval,
dat eene onderaardsche storing de waterafvoer van een land gewijzigd
had. Op reis van Casma naar Huarez (niet ver van Lima) vond hij eene
vlakte, bedekt met puinhoopen, maar niet geheel onvruchtbaar. Dicht
daarbij was de droge bedding eener belangrijke rivier, waardoor het
bevloeiingswater voorheen was aangevoerd. Uiterlijk vertoonde het
rivierbed alle kenteekenen, dat de stroom hier vóór enkele jaren
gevloeid had; op sommige plaatsen waren zand- en keisteenlagen
gespreid; elders was het vaste gesteente tot een breed kanaal
uitgehold, dat op ééne plek omstreeks 40 yards breed en 8 voet diep
was. Het is wel duidelijk, dat iemand, die een stroomloop opwaarts
volgt, altijd onder eene meer of minder groote helling zal stijgen. Men
kan zich dus de verwondering van Gill voorstellen, toen hij de bedding
dezer oude rivier opgaande, plotseling ontdekte, dat hij eene hoogte
afging. Hij onderstelde, dat deze dalende glooiing een loodrechten val
had van omtrent 40 of 50 voet. Hier hebben wij dus een ondubbelzinnig
bewijs, dat schrijlings over eene oude stroombedding een rif of
rotskam omhoog is geheven. Van af het oogenblik, dat het rivierbed
aldus gewelfd werd, moest het water noodzakelijk wegvloeien en zich
een nieuw kanaal graven. Maar tegelijk moest ook de naburige vlakte
haar vruchtbaar makenden stroom verliezen, en eene woestijn worden.

[27 Juni.]

Vroeg in den morgen gingen wij op weg, en bereikten tegen den middag
het ravijn van Paypote, waarin eene zeer kleine beek stroomt, en
waar eenige plantengroei is, o.a. zelfs enkele algarroba-boomen
(eene soort van mimosa). [296] Doordien men hier brandhout had,
was er voorheen eene smeltoven gebouwd; en werkelijk vonden wij een
kluizenaar, die deze oven bewaakte, en geen andere bezigheid had,
dan op guanaco's te jagen. Des nachts vroor het sterk; maar wijl wij
overvloedig hout voor ons vuur hadden, sliepen wij warm.

[28 Juni.]

Wij vervolgden onzen langzaam stijgenden tocht door de vallei,
die nu in een ravijn veranderde. Gedurende den dag zagen wij
verscheidene guanaco's, alsmede het spoor van de Vicugna, eene na aan
de eersten verwante soort. Laatstgenoemd dier is in zijne leefwijze een
voortreffelijk bewoner van hooge bergstreken; zelden daalt het onder
de grens van eeuwige sneeuw, en houdt zich dus in een nog hooger en
onvruchtbaarder gebied op, dan het guanaco. Het eenige dier, dat wij
verder in vrij groot aantal zagen, was een kleine vos; ik onderstel
dat deze laatste op muizen en andere kleine knaagdieren jacht maakt,
die in groot aantal op zeer woeste plaatsen leven, zoolang er nog een
spoor van plantengroei is. In Patagonië wemelt het van deze kleine
dieren, zelfs op de grenzen der salinas, waar nooit een druppel water
te vinden is, behalve dauw. Na de hagedissen, schijnen muizen het
best in staat te zijn op de kleinste en droogste plekken der aarde
voedsel te vinden--zelfs op eilandjes midden in de groote oceanen.

Aan beide zijden vertoonde het landschap eene troostelooze
verlatenheid, welke in het licht der heldere, onbewolkte lucht
scherp en tastbaar uitkwam. Voor een poos maakt zulk een landschap
een grootschen indruk; maar deze kan niet duren, en dan wordt het
onbelangwekkend. Wij bivouakeerden aan den voet der primera linea of
eerste linie van waterscheiding. Aan den oostkant vloeien de stroomen
echter niet naar den Atlantischen Oceaan, doch naar eene hoogvlakte,
in welker midden eene groote salina of zoutmeer ligt, en vormen
zoo op eene hoogte van misschien tien duizend voet eene Kaspische
Zee in 't klein. Op de plek, waar wij sliepen, lagen eenige groote
sneeuwvelden, die echter niet het geheele jaar duren. In deze hooge
streken gehoorzamen de winden aan zeer regelmatige wetten; elken dag
waait eene frissche koelte uit de vallei opwaarts, en des avonds--een
uur of twee na zonsondergang--daalt de lucht uit de koude bovenstreken
als door een trechter omlaag. Dezen nacht woei er eene stijve bries,
en moest de temperatuur ver onder het vriespunt geweest zijn, daar het
water in onze kan spoedig één blok ijs werd. Tegen zulk eene lucht
schenen kleêren geen beschutting te bieden, want ik leed zeer veel
koude, zoodat ik niet kon slapen en des morgens geheel verstijfd en
verkleumd opstond.

Verder zuidwaarts in de Cordilleras komen sommige lieden door
sneeuwstormen om het leven; hier bezwijkt men door eene andere
oorzaak. Toen mijn gids een jongen van 14 jaren was, trok hij met
een gezelschap in de maand Mei de Cordilleras over. In de centrale
gedeelten gekomen, stak een hevige storm op, zoodat de mannen met
moeite op hunne muildieren konden blijven, terwijl de steenen over den
grond vlogen. De lucht was onbewolkt, en er viel geen vlokje sneeuw;
maar de temperatuur was laag. Waarschijnlijk heeft de thermometer niet
heel veel graden onder het nulpunt gestaan; toch moet de uitwerking op
hunne lichamen, door de kleeding slecht beschut, evenredig geweest zijn
aan de snelheid van den kouden luchtstroom. De storm duurde ruim een
dag lang; de mannen voelden hunne krachten afnemen, en de muildieren
wilden niet verder. De broeder van mijn gids poogde terug te keeren,
maar kwam om het leven; en twee jaren later vond men zijn lijk dicht
bij den weg naast zijn muildier liggen, met den teugel nog in zijne
hand. Twee andere mannen van den troep verloren vingers en teenen;
en van de tweehonderd muildieren en dertig koeien brachten slechts
veertien er het leven af. Vele jaren geleden is een groot gezelschap
vermoedelijk door eene dergelijke oorzaak omgekomen; maar hunne
lijken zijn tot heden niet gevonden. Eene onbewolkte lucht, gepaard
met lage temperatuur en een hevigen storm vormen een verschijnsel,
dat, naar ik denk, wel in alle werelddeelen als een ongewoon feit
zal worden beschouwd.

[29 Juni.]

Opgewekt daalden wij de vallei af naar ons verblijf van den vorigen
nacht, en van daar tot dicht bij de Agua amarga. Op den eersten Juli
bereikten wij de Copiapó-vallei. Recht aangenaam was ons de geur
der bloeiende klaver, na die lucht zoo arm aan geuren in de droge,
onvruchtbare Despoblado-vallei. Terwijl ik in de stad was, hoorde ik
verscheidene inwoners spreken van een heuvel in den omtrek, dien zij
El Bramador, den Bruller of Bulker noemden. Ik sloeg destijds niet
voldoende acht op dit verhaal; maar voor zoover ik hen begreep, was de
heuvel met zand bedekt, en werd het geluid alleen dan voortgebracht,
als menschen bij het beklimmen het zand in beweging brachten. Dezelfde
feiten zijn, op het gezag van Seetzen en Ehrenberg, [297] uitvoerig
beschreven als de oorzaak der geluiden, welke vele reizigers op
den Berg Sinaï bij de Roode Zee gehoord hebben. Een der personen,
die ik sprak, had zelf het geluid gehoord, en beschreef dit als zeer
wonderlijk; beslist verklaarde hij, dat, als kon hij niet begrijpen
hoe het eigenlijk veroorzaakt werd, het afrollen van het zand langs
de helling er toch noodzakelijk mede in verband moest staan. Wanneer
een paard over droog en grof zand loopt, ontstaat een eigenaardig
knarsend geluid ten gevolge van de wrijving der deeltjes. Dit feit,
aan de meesten bekend, nam ik verscheidene keeren waar op mijne
tochten langs de kust van Brazilië.

Drie dagen later hoorde ik, dat de Beagle de Haven was binnengeloopen,
welke achttien leagues van de stad ligt. Langs de glooiing der
vallei is weinig land in cultuur; en die geheele uitgestrektheid
bevat slechts een schraal, borstelig gras, dat zelfs ezels met
moeite kunnen eten. Deze armoedige plantengroei is een gevolg van
de hoeveelheid zoutachtige stof, waarvan de bodem doortrokken is. De
Haven bestaat uit eene vereeniging van kleine armoedige hutten, aan
den voet eener dorre vlakte gelegen. Tegenwoordig, nu de rivier genoeg
water bevat om de zee te bereiken, hebben de bewoners het voordeel,
dat er binnen een afstand van anderhalve mijl zoet water is. Op het
strand lagen groote stapels koopwaren, en het plaatsje vormde een
tooneel van groote bedrijvigheid. Des avonds zeide ik mijn metgezel
Mariano Gonzales, met wien ik zoo vele mijlen in Chili gereden had,
vaarwel en riep hem een hartelijk "tot weêrziens" toe. Den volgenden
morgen zette de Beagle koers naar Iquique.

[12 Juli.]

Wij ankerden in de haven van Iquique op 20°12' Z.B. aan de kust van
Peru. De stad telt ongeveer 1000 inwoners, [298] en ligt in eene kleine
zandvlakte aan den voet van een grooten, 2000 voet hoogen rotswand,
die hier de kust vormt. De geheele streek is uiterst woest. Slechts
eens in zeer vele jaren valt er eene kleine regenbui; dientengevolge
zijn de ravijnen gevuld met puin, en de berghellingen zelfs tot eene
hoogte van duizend voet met stapels fijn wit zand bedekt. In dezen
tijd van het jaar hangt er eene zware wolkbank boven den oceaan, die
zich zelden boven den rotswand aan de kust verheft. Het aanzien der
stad was allertreurigst; de kleine haven met hare weinige schepen,
en een groepje armzalige huisjes schenen buiten alle verhouding tot
het overige landschap, en zonken er geheel in weg.

De inwoners leven als lieden aan boord van een schip: al het noodige
komt van verre; water wordt in booten aangevoerd van het omstreeks
40 mijlen noordwaarts gelegen Pisagua, en verkocht voor den prijs
van 9 realen (4 shill., 6 pence) per vat van achttien gallons. [299]
Ik kocht een wijnflesch vol water voor drie pence. Evenzoo worden
brandhout, en natuurlijk ook alle voedingsmiddelen aangevoerd. In zulk
eene plaats kan men zeer weinig dieren onderhouden; zoo huurde ik den
volgenden morgen (13 Juli) met moeite, tegen den prijs van vier pond
sterling, twee muildieren en een gids om mij naar de salpeterwerken te
brengen, waarvan Iquique tegenwoordig bestaat. Van dit zout--in 1830
voor het eerst uitgevoerd--werd in één jaar tijds voor eene waarde van
honderdduizend pond sterling naar Frankrijk en Engeland gezonden. [300]
Het wordt voornamelijk gebruikt als meststof en voor de bereiding
van salpeterzuur, maar kan wegens zijne vervloeibaarheid niet voor
kruit dienen. Vroeger waren er twee uiterst rijke zilvermijnen in
dezen omtrek, die echter tegenwoordig zeer weinig opleveren.

Onze komst in het gezicht van het strand verwekte eenige vrees. Peru
was in een staat van regeeringloosheid; en daar elke partij eene
brandschatting geëischt had, verkeerde de arme stad Iquique in angst
en zorgen, denkende dat het kwade uur geslagen had. Maar het volk had
ook zijne inwendige troebelen; kort te voren hadden drie Fransche
timmerlieden in denzelfden nacht de twee kerken opengebroken, en
al het gouden en zilveren vaatwerk gestolen; doch later had een
der dieven bekend, en kreeg men het vaatwerk terug. De schuldigen
werden naar Arequipa opgezonden, de hoofdstad dezer provincie, die
omstreeks tweehonderd leagues ver ligt. De regeering aldaar achtte
het jammer zulke nuttige werklieden te straffen, die alle soorten
meubelen konden maken, en stelde hen daarom op vrije voeten. Terwijl
dit plaats had, werd in de kerken opnieuw ingebroken; maar ditmaal
kreeg men het vaatwerk niet terug. Hierover in hevige woede ontstoken,
en onder de leus, dat alléén ketters in staat waren "den almachtigen
God" zoo te plunderen, gingen de inwoners eenige Engelschen te lijf,
martelden hen en dreigden hen later te zullen doodschieten. Eindelijk
kwam het gezag tusschenbeide, en werd de rust hersteld.

[13 Juli.]

Des morgens vertrok ik naar de salpeterwerken, een afstand van veertien
leagues. Nadat wij het steile kustgebergte langs een zigzagvormig
zandspoor bestegen hadden, kwamen weldra de mijnen van Guantajaya
en Santa Rosa in 't gezicht. Deze twee dorpjes liggen vlak bij de
ingangen der mijnen; en daar zij bovendien op bergen zijn gebouwd,
hadden zij een nog onnatuurlijker en zwaarmoediger aanzien dan de
stad Iquique. Wij bereikten de salpeterwerken eerst na zonsondergang,
na den geheelen dag door een heuvelachtig land te hebben gereden,
dat eene volslagen woestenij was. De weg was bezaaid met de beenderen
en verdroogde huiden der vele lastdieren, die hier van vermoeienis
en uitputting waren bezweken. Behalve de Vultur (Cathartes) aura of
Zwartkoppige Urubu, die op lijken aast, zag ik geen enkelen vogel,
viervoetig of kruipend dier, zelfs geen enkel insect. Ter hoogte
van omstreeks 2000 voet op het kustgebergte, waar de wolken meestal
in dezen tijd van het jaar hangen, groeiden enkele cactussen in
de rotsspleten, en was het losse zand met eene mosplant bedekt,
die geheel vrij aan de oppervlakte lag. Deze plant behoort tot het
geslacht Cladonia, en gelijkt eenigszins op het rendiermos (Lichen
rangiferinus). Op sommige plaatsen was zij in voldoende hoeveelheid
vereenigd, dat het zand, van verre gezien, er eene matgele kleur
door kreeg. Dieper het land in, zag ik op den langen rit van veertien
leagues slechts één ander plantaardig product, namelijk eene uiterst
kleine, gele mosplant, welke op de beenderen der doode muildieren
groeide. Ofschoon dit de eerste ware woestijn was, die ik ooit gezien
had, maakte zij geen sterken indruk op mij: wat ik geloof hieraan te
moeten toeschrijven, dat ik op mijn rit noordwaarts, van af Valparaiso
over Coquimbo naar Copiapó, langzamerhand aan zulke tooneelen gewoon
was geraakt. Het land bood een merkwaardigen aanblik, doordien het
bedekt was met eene dikke korst van gewoon zout, en van een gelaagd
zouthoudend alluvium, dat gedurende de langzame rijzing van het land
boven den zeespiegel schijnt afgezet te zijn. Het zout heeft eene witte
kleur, is zeer hard en dicht, en treedt, met veel gips verbonden, op
in gladgespoelde klompjes, die uit het samenklevende zand steken. In
voorkomen geleek deze bovenkorst zeer veel op een land, dat onder
sneeuw heeft gelegen, en waarop de laatste groezelige plekjes nog
niet ontdooid zijn. Het bestaan dezer korst van eene oplosbare stof
over de geheele oppervlakte van het land bewijst, hoe buitengewoon
droog het klimaat gedurende eene lange tijdruimte geweest moet zijn.

Des nachts sliep ik in het huis van den eigenaar van een der
salpetermijnen. Het land is hier even onvruchtbaar als bij de kust,
maar door het graven van putten kan men water krijgen, dat eenigszins
brak en bitter van smaak is. Daar er bijna geen regen valt, is het
water blijkbaar niet hiervan afkomstig, want in dat geval moest
het zoo zout als pekel zijn, omdat de geheele omtrek met eene korst
van verschillende zoutachtige stoffen bedekt is. Wij moeten daaruit
besluiten, dat, hoewel de Cordilleras vele mijlen ver liggen, het
water van daar af onder den grond is doorgezijpeld. In die richting
liggen enkele dorpjes, waar de inwoners, in 't bezit van wat meer
water, eenig land kunnen besproeien en hooi verbouwen, waarmee zij
de ezels en muildieren voeden, die bij het salpetervervoer gebruikt
worden. Het natronsalpeter werd nu tot aan het schip verkocht voor
veertien shillings de honderd pond; de hoofdonkosten komen op het
vervoer er van naar de zeekust. De mijn bestaat uit eene harde,
tusschen twee en drie voet dikke laag van het salpeterzure zout,
vermengd met wat zwavelzure soda (Na2SO4) en zeer veel steenzout
(NaCl). Het ligt dicht bij de oppervlakte, en volgt over eene lengte
van honderd vijftig mijlen den rand eener groote dalkom of vlakte,
die, naar hare grenzen te oordeelen, blijkbaar eens een meer moet
zijn geweest, of, wat waarschijnlijker is, een landwaarts in zich
uitstrekkende zeearm, gelijk uit de aanwezigheid van jodiumzouten in
de zouthoudende laag zou mogen worden afgeleid.

[19 Juli.]

Wij ankerden in de Baai van Callao, de zeehaven van Lima, dat de
hoofdstad van Peru is. Hier bleven wij zes weken; maar wegens
de troebelen op staatkundig gebied, zag ik zeer weinig van het
land. Tijdens den geheelen duur van ons bezoek was het klimaat op verre
na zoo aangenaam niet, als meestal wordt voorgesteld. Eene donkere,
zware wolkbank hing onafgebroken boven het land, zoodat ik gedurende
de eerste zestien dagen slechts eens de Cordilleras achter Lima in
't oog kreeg. De aanblik dezer bergen, zooals ik hen door openingen in
de wolken in verdiepingen boven elkander zag, was zeer grootsch. Het
is bijna spreekwoordelijk, dat in het lagere gedeelte van Peru nooit
regen valt. Toch kan dit moeilijk juist zijn, want bijna elken dag
van ons bezoek hing er een dikke, natte mist, wel in staat om de
straten modderig en de kleêren vochtig te maken. Het volk belieft dit
Peruaanschen dauw te noemen! Dat er niet heel veel regen valt, is zeer
zeker; want de huizen zijn slechts met platte daken van geharde modder
gedekt; en op den havendam waren scheepsladingen tarwe opgestapeld,
die zoo weken lang zonder eenige beschutting werden gelaten.

Ik kan niet zeggen, dat het zeer weinige wat ik van Peru zag, mij
beviel; doch men beweert, dat het klimaat des zomers veel aangenamer
is. In alle jaargetijden lijden zoowel inwoners als vreemdelingen
aan hevige aanvallen van koorts. Deze ziekte komt voor langs de
geheele Peruaansche kust, maar is in het binnenland onbekend. De
ziekte-aanvallen, die door smetstof ontstaan, zijn altijd hoogst
geheimzinnig van aard. Het is zóó moeilijk uit het voorkomen van een
land te beoordeelen of het al dan niet gezond is, dat, zoo men iemand
gezegd had binnen de keerkringen een oord te kiezen, hetwelk voor de
gezondheid gunstig leek, hij zeer waarschijnlijk deze kust genoemd zou
hebben. De vlakte, welke het gebied van Callao omgeeft, is spaarzaam
met grof gras bedekt; en op sommige punten zijn enkele, ofschoon
zeer kleine plassen stilstaand water. Naar alle waarschijnlijkheid
ontstaat daaruit de smetstof; want de stad Arica verkeerde in dezelfde
omstandigheden, en door het droogleggen van enkele kleine plassen werd
hare gezondheidstoestand zeer verbeterd. Miasma ontstaat niet altijd
door den invloed van een heet klimaat op een weligen plantengroei; want
vele gedeelten van Brazilië, zelfs die waar een krachtige plantengroei
gepaard gaat met moerassen, zijn veel gezonder dan deze onvruchtbare
kust van Peru. De dichtste wouden in eene gematigde luchtstreek,
zooals op het eiland Chiloë, schijnen op den gezondheidstoestand der
lucht niet den minsten invloed te hebben.

Het eiland St.-Jago van de Kaap-Verdische Eilanden is een ander sterk
sprekend voorbeeld van een land, dat naar ieders verwachting uitermate
gezond moest zijn, maar zeer het tegendeel daarvan is. Bij den aanvang
van dit boek heb ik gezegd, dat de kale en open vlakten gedurende
eenige weken na het regenseizoen een lichten plantengroei bezitten,
die onmiddellijk verwelkt en verdroogt; in dezen tijd schijnt de lucht
geheel vergiftigd te worden, want dikwijls hebben zoowel inboorlingen
als vreemdelingen van hevige koortsen te lijden. Daarentegen is
de Galápagos-Archipel, in den Stillen Oceaan met een dergelijken,
periodiek aan hetzelfde plantengroei-proces onderworpen bodem, volmaakt
gezond. Humboldt heeft opgemerkt, dat in de heete luchtstreek "de
kleinste moerassen het gevaarlijkst zijn, wanneer zij, zooals te Vera
Cruz en Carthagena, omringd zijn door een dorren zandgrond, die de
temperatuur der omringende lucht doet stijgen." [301] Op de kust van
Peru is de temperatuur echter niet bijzonder hoog, en zijn misschien
daardoor de intermitteerende koortsen niet van de boosaardigste
soort. In alle ongezonde landen loopt men het grootste gevaar door
op het strand te slapen. Is dit te wijten aan de gesteldheid van het
lichaam gedurende den slaap, of aan eene grootere hoeveelheid smetstof
op zulke tijden? Het schijnt een feit te wezen, dat zij die aan boord
van een schip blijven, ook al ligt dit op slechts korten afstand van
de kust voor anker, in 't algemeen minder lijden, dan zij die op het
strand zijn. Daarentegen heb ik een merkwaardig geval gehoord, dat er
koorts uitbrak onder de bemanning van een oorlogsschip op ongeveer
honderd mijlen van de Afrikaansche kust, op denzelfden tijd toen te
Sierra Leone een van de gevreesde sterfte-perioden begon. [302]

Sedert de onafhankelijkheidsverklaring [303] heeft geen Staat in
Zuid-Amerika meer van anarchie te lijden gehad, dan Peru. Tijdens
ons bezoek streden vier aanvoerders gewapenderhand om de oppermacht
in de regeering. Kreeg een hunner voor eenigen tijd veel macht, dan
spanden de anderen tegen hem samen; maar nauwelijks behaalden dezen de
overwinning, of zij werden elkander weer vijandig. Den volgenden dag,
op het Jaarfeest der Onafhankelijkheid, werd eene hoogmis gevierd,
waarbij de president het sacrament gebruikte. Nu had onder het Te
Deum laudamus het ongehoorde feit plaats, dat elk regiment in stede
van de Peruaansche vlag, eene zwarte vlag waarop een doodshoofd
stond, ontplooide. Denk u eene regeering, waaronder bij zulk eene
plechtige gelegenheid bevel kan worden gegeven tot eene vertooning,
welke op zoo sprekende wijze getuigde van hunne vastbeslotenheid om
zich dood te vechten! Deze staat van zaken heerschte op een voor
mij zeer ongelukkigen tijd, daar ik verhinderd werd uitstapjes te
doen ver buiten de grenzen der stad. Het kale eiland San Lorenzo,
dat de haven vormt, was bijna de eenige plek waar men veilig kon
rondloopen. Het bovendeel, ter hoogte van ongeveer 1000 voet,
ligt gedurende dit jaargetijde (des winters) beneden de onderste
wolkengrens; en dientengevolge bedekt een rijkdom van kryptogamen,
benevens enkele bloemen den top. Op de heuvels bij Lima, waar de grond
slechts weinig hooger is, vindt men dien bedekt met een tapijt van
mos en bedden prachtige gele leliën, Amancaes geheeten. Dit wijst
op een veel hoogeren graad van vochtigheid, dan er heerscht op een
gelijke hoogte te Iquique. Verder noordwaarts boven Lima wordt het
klimaat vochtiger, totdat wij aan de oevers van Guayaquil (Ecuador),
bijna onder den evenaar, de weligst begroeide wouden vinden. Volgens
de beschrijving, echter, geschiedt deze overgang van de onvruchtbare
Peruaansche kust tot dit vruchtbare land eenigszins plotseling op de
breedte van Kaap Blanco, twee graden ten zuiden van Guayaquil.

Callao is eene morsige, slecht gebouwde, kleine zeehaven. Zoowel
hier, als te Lima, vertoonden de inwoners alle denkbare tinten
van vermenging tusschen Europeesch, Neger en Indiaansch bloed. Zij
schijnen een verbasterd, verloopen slag van menschen. De lucht is
vervuld met kwade geuren, en die eigenaardige reuk, welke in bijna
iedere stad binnen de keerkringen kan worden waargenomen, was hier
zeer sterk. Het fort, dat het langdurige beleg van Lord Cochrane
doorstond, [304] heeft een indrukwekkend voorkomen. Maar tijdens ons
verblijf verkocht de president de koperen kanonnen, en begon enkele
gedeelten te ontmantelen. Als reden daarvan werd opgegeven, dat hij
geen officier had, dien hij het bevel over zulk een gewichtigen post
kon toevertrouwen. Persoonlijk had hij alle redenen om zoo te denken,
daar hij het presidentschap had verworven door muiterij te plegen
terwijl hij commandant was van dezelfde vesting! Na ons vertrek uit
Zuid-Amerika kreeg hij zijne straf op de gewone manier: door eerst
te worden overwonnen, toen gevangen genomen, en eindelijk onthoofd.

Lima ligt op eene vlakte midden in eene vallei, die gedurende het
langzame wijken der zee gevormd is. Haar afstand tot Callao bedraagt
zeven mijlen, en hare hoogte boven deze plaats 500 voet; maar wijl de
glooiing zeer geleidelijk is, schijnt de weg volkomen horizontaal. Dit
verklaart waarom men, te Lima gekomen, moeilijk zelfs kan gelooven dat
men één honderd voet gestegen is. Humboldt heeft op dit eigenaardige,
bedriegelijke feit gewezen. Steile, kale heuvels verrijzen als eilanden
uit de vlakte, die door rechte modderbanken in groote, groene velden
is verdeeld. Met uitzondering van enkele wilgen, en hier en daar eene
groep banaan- en oranjeboomen, groeit op deze velden bijna geen enkele
boom. De stad Lima verkeert nu in een treurigen staat van verval;
de straten zijn bijna ongeplaveid, en in alle richtingen ontwaart men
hoopen vuil, waaruit de zwarte gallinazos, tam als kippen, stukken aas
oppikken. De huizen hebben in 't algemeen eene bovenverdieping, die om
de aardbevingen van gepleisterd houtwerk is gemaakt; maar eenige oude,
welke nu door verscheidene familiën bewoond worden, zijn verbazend
groot en zouden in hunne rijen van vertrekken met de fraaiste huizen
van elders kunnen wedijveren. Lima, de Stad der Koningen, moet weleer
eene weelderige stad geweest zijn. Het bijzonder groot aantal kerken
geeft haar, zelfs nog heden, een eigenaardig en treffend karakter,
vooral wanneer men dit alles van nabij ziet.

Op zekeren dag ging ik met eenige kooplieden in de onmiddellijke
nabijheid der stad op jacht. Onze vangst was zeer karig; maar
ik had gelegenheid de puinhoopen van een oud Indiaansch dorp te
zien, met zijn grafheuvel, evenals een natuurlijke heuvel, in het
midden. De overblijfsels der huizen, omheiningen, besproeiingskanalen
en grafheuvels, welke over deze vlakte verspreid liggen, laten niet
na den bezoeker een hoog denkbeeld te geven van de maatschappelijke
welvaart en de talrijkheid der oude bevolking. Let men op hun
aardewerk, wollen kleederen en sierlijk gevormd keukengereedschap van
het hardste gesteente; op hunne koperen werktuigen, versieringen van
edelgesteenten, hunne paleizen en waterleidingwerken--dan moet men
wel eerbied koesteren voor de verbazende vorderingen, door hen in
de beschavingskunsten gemaakt. De grafheuvels, Huacas genaamd, zijn
inderdaad verbazingwekkend, al schijnen zij ook op sommige plaatsen
natuurlijke heuvels te wezen, die afgestoken en vervormd zijn. Men
vindt hier nog eene andere en zeer verschillende soort van ruïnen,
welke eenige belangstelling verdienen, namelijk die van oud Callao,
dat door eene zeegolf die de groote aardbeving van 28 October 1746
vergezelde, overstroomd werd. [305] De verwoesting moet toen zelfs nog
grooter geweest zijn dan te Talcahuano. Hoopen grof keizand verbergen
bijna de fundamenten der muren, en groote stukken metselwerk schijnen
als kiezelsteenen door de golven rondgedraaid te zijn. Men heeft
beweerd, dat het land tijdens deze gedenkwaardige aardbeving zonk
(dat een deel der kust bij Callao in eene baai veranderde, zegt Lyell
duidelijk in zijne Principles of Geology); maar hiervan kon ik geen
bewijs ontdekken. Toch lijkt mij dit verre van onwaarschijnlijk;
want sedert de stichting der oude stad moet de kust zeker eenige
verandering ondergaan hebben, daar niemand, die bij zijn gezonde
verstand is, vrijwillig de smalle strook zand tot woonplaats zou
hebben gekozen, waarop nu de puinhoopen staan. Sedert onze reis,
is Tschudi door vergelijking van oude en nieuwe kaarten tot de
gevolgtrekking gekomen, dat de kust ten noorden en ten zuiden van
Lima zonder twijfel gezonken is.

Op het eiland San Lorenzo zijn zeer voldoende bewijzen van
landrijzing in het hedendaagsche tijdperk--wat natuurlijk niet in
strijd is met de meening, dat later eene kleine daling van den grond
heeft plaats gehad. De zijde van het eiland tegenover de Baai van
Callao is in drie onduidelijke terrassen uitgehold, waarvan het
onderste eene mijl ver bedekt is met eene bedding of laag, bijna
geheel uit schelpen bestaande, die tot 18 thans in de naburige
zee levende soorten behooren. De hoogte dezer bedding bedraagt 85
voet. Vele van deze schelpen zijn ver weggeteerd, en zien er veel
ouder en verweerder uit, dan die op 500 of 600 voet hoogte op de
kust van Chili. Zij zijn vergezeld van veel steenzout, een weinig
zwavelzure kalk (beiden vermoedelijk ontstaan door indroging en
verdamping van het zeeschuim, terwijl het land langzaam rees),
benevens zwavelzure soda en chloorcalcium (CaCl2). Zij rusten op
brokstukken van den onderliggenden zandsteen, en zijn eenige inches
dik met rotspuin bedekt. De hooger op dit terras liggende schelpen
bleken, bij onderzoek, af te schilferen en vielen tot een fijn poeder
uiteen. Eindelijk vond ik op een boventerras, ter hoogte van 170 voet,
alsmede op eenige aanmerkelijk hoogere punten, eene laag zoutachtig
poeder van volmaakt hetzelfde voorkomen, en betrekkelijk evenzoo
gelegen. Ik twijfel niet of deze bovenlaag vormde oorspronkelijk eene
bedding schelpen, evenals die op de 85 voet hooge klip; maar thans
bezit zij geen spoor meer van organische structuur. De heer Reeks heeft
het poeder voor mij onderzocht: het bestond uit sulphaten en chloriden
van calcium en natrium, met zeer geringe bijmengsels van koolzure
kalk. Het is bekend, dat groote hoeveelheden steenzout en koolzure
kalk, eenigen tijd vermengd zijnde, elkander gedeeltelijk ontleden,
wat echter met kleine opgeloste hoeveelheden niet gebeurt. Daar
de half vergane schelpen in de lagere gedeelten vergezeld zijn van
veel steenzout, benevens eenige van de zouthoudende stoffen die de
zoutachtige bovenlaag vormen; daar verder deze schelpen op merkwaardige
wijze verteerd en vervallen zijn, vermoed ik sterk, dat deze dubbele
ontleding hier heeft plaats gehad. In dat geval moeten de resulteerende
zouten zijn: koolzure soda en chloorcalcium, waarvan het laatste wèl,
het eerste niet aanwezig is. Dit leidt mij tot de onderstelling,
dat de koolzure soda door tot nu toe onverklaarbare werkingen in het
zwavelzure zout wordt omgezet. Het is duidelijk, dat de zoutlaag niet
bewaard had kunnen blijven in een land, waar nu en dan overvloedig
regen valt; maar tevens is juist deze omstandigheid--namelijk, dat het
steenzout niet is weggespoeld geworden--welke op het eerste gezicht
zoo uiterst gunstig lijkt voor het langdurige behoud van onbeschutte
schelpen, waarschijnlijk de zijdelingsche oorzaak geweest van hare
ontbinding en vroegtijdig verval.

Met zeer veel belangstelling vond ik, 85 voet hoog op het terras,
eenige stukjes katoendraad, gevlochten bies, en den knop van een
Indiaansch-hoornen stok: alles bedolven tusschen de schelpen en
velerlei afval, dat uit zee was aangespoeld. Ik vergeleek deze
overblijfsels met andere van dien aard, welke uit de Huacas of oude
Indiaansche grafheuvels waren opgedolven, en vond dat zij er eender
uitzagen. Bij Bellavista, op het vasteland tegenover San Lorenzo,
ligt eene uitgestrekte, effen en ongeveer honderd voet hooge vlakte,
waarvan het benedengedeelte bestaat uit afwisselende lagen zand en
onzuivere klei, benevens wat grint; terwijl de oppervlakte drie tot
zes voet diep uit een roodachtig leem bestaat, met hier en daar enkele
zeeschelpen, en verder talrijke kleine stukken grof rood aardewerk,
welke op sommige plaatsen menigvuldiger zijn dan op andere. Eerst
was ik geneigd te gelooven, dat deze bovenbedding wegens hare groote
uitgestrektheid en effen oppervlakte onder de zee moest afgezet zijn;
maar later vond ik eene plek, waar bleek, dat zij op een kunstvloer
van ronde steenen lag. Het komt mij daarom hoogst waarschijnlijk
voor, dat er in een tijd toen het land op lager peil stond, eene
vlakte was, zeer gelijkend op die welke thans Callao omringt en,
door een strand van grof grint beschermd, slechts zeer weinig boven
den zeespiegel gerezen is. Ik stel mij voor, dat op deze vlakte met
hare onderliggende roode-kleibeddingen de Indianen hunne aarden potten
maakten; voorts, dat de zee gedurende eene hevige aardbeving over het
strand sloeg en de vlakte in een tijdelijk meer veranderde, zooals
in 1713 en 1746 rondom Callao gebeurde. Het water zou dan modder
hebben afgezet, waarin stukken steengoed uit de pannenbakkerijen,
die op sommige plekken talrijker waren dan op andere, vermengd met
zeeschelpen. Deze bedding met haar fossiel aardewerk ligt op ongeveer
dezelfde hoogte als de schelpen op het benedenterras van San Lorenzo,
waarin de katoendraden en andere overblijfselen begraven lagen. Uit
dit feit mogen wij met zekerheid besluiten, dat er in het Indiaansche
tijdvak der geschiedenis van het menschdom eene rijzing is geweest van
meer dan 85 voet, zooals wij boven zeiden, want van die rijzing is een
klein deel verloren gegaan, omdat de kust sedert de vervaardiging der
oude kaarten gedaald is. Ofschoon de rijzing te Valparaiso in de 220
jaren vóór ons bezoek niet meer dan 19 voet kan hebben bedragen, is
daar echter na 1817 eene deels onmerkbare, en gedurende de aardbeving
van 1822 deels plotselinge rijzing geweest van tien of elf voet. De
ouderdom van het Indiaansche ras alhier--te oordeelen naar de 85-voet
hooge rijzing van het land sedert de overblijfsels bedolven werden--is
des te merkwaardiger, wijl de Macrauchenia (de uitgestorven dieren,
wier geraamten in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden worden) nog
leefde op de kust van Patagonië, toen het land daar ongeveer evenveel
voeten lager stond; maar wijl de kust van Patagonië op eenigen afstand
van de Cordilleras ligt, is de rijzing daar mogelijk langzamer geweest
dan hier. Te Bahia Blanca heeft de rijzing slechts één voet bedragen,
sedert de talrijke reusachtige viervoetige dieren er begraven werden;
en zooals algemeen wordt aangenomen, bestond de mensch nog niet toen
deze uitgestorven dieren leefden. Misschien staat echter de rijzing
van dat gedeelte der Patagonische kust in geen enkel verband tot de
Cordilleras, maar eerder tot eene reeks oude vulkanische gesteenten
in Oost Banda, zoodat zij oneindig langzamer geschied kan zijn dan
op de kusten van Peru. Het is intusschen wel duidelijk, dat al deze
bespiegelingen vaag moeten zijn; want wie zal durven zeggen, dat er
niet verscheidene perioden van daling zijn geweest, zich inschakelend
tusschen de rijzende bewegingen? Weten wij niet met zekerheid, dat
er langs de geheele kust van Patagonië in de rijzende werking der
opstuwende krachten vele en langdurige tijdperken van rust geweest
moeten zijn? [306]



HOOFDSTUK XVII.

DE GALÁPAGOS-ARCHIPEL.


[15 September 1835.]

Deze archipel bestaat uit tien hoofdeilanden, waarvan vijf de anderen
aanmerkelijk in grootte overtreffen, en ligt onder den evenaar,
op een afstand van vijf- tot zeshonderd mijlen van de Amerikaansche
kust. Zij zijn allen uit vulkanische gesteenten gevormd, want enkele
stukken graniet van eene eigenaardige, door de hitte gewijzigde
kristallijnen structuur, kunnen nauwelijks als eene uitzondering
worden beschouwd. Sommige kegels of kraters, die zich op de grootere
eilanden verheffen, zijn verbazend groot en bezitten eene hoogte
van 3000 tot 4000 voet. Hunne hellingen zijn bezaaid met tallooze
kleinere openingen. Bijna zonder aarzelen durf ik zeggen, dat er in den
geheelen archipel minstens 2000 kraters zijn. Deze bestaan òf uit lava
en slakken, òf uit fijn gelaagde, zandsteenachtige tuf. [307] Kraters
van laatstgenoemde soort, waarvan de meesten een fraaien symmetrischen
vorm bezitten, hebben hun ontstaan te danken aan uitbarstingen van
vulkanische modder zonder lava. Het is een opmerkelijk feit, dat
bij alle 28 tufsteen-kraters die onderzocht werden, de zuidelijke
hellingen òf veel lager dan de andere zijden, òf geheel vernield
en gesloopt waren. Daar al deze kraters klaarblijkelijk in zee zijn
gevormd, en de door den passaatwind voortgezweepte golven benevens de
deining uit volle zee hare krachten hier op de zuidelijke kusten van
al deze eilanden samentrekken, laat die zonderlinge overeenstemming
in den gebroken vorm der uit de zachte en buigzame tuf samengestelde
kraters, zich gemakkelijk verklaren.

Zoo men bedenkt, dat deze eilanden onmiddellijk onder den evenaar
liggen, dan is het klimaat verre van buitengewoon heet. Dit schijnt
in hoofdzaak een gevolg van de bijzonder lage temperatuur van het
omgevende water, hetwelk door den grooten Zuidpool-stroom hierheen
wordt gevoerd. Eene korte poos uitgezonderd, regent het hier zeer
weinig en dan nog ongeregeld; maar de wolken hangen meestal laag. Dit
heeft ten gevolge, dat, terwijl de lagere gedeelten der eilanden
zeer dor zijn, de bovengedeelten ter hoogte van een duizend voet, en
daarboven, een vochtig klimaat met een rijken en weligen plantengroei
bezitten. Vooral is dit het geval aan de windzijden der eilanden, welke
de vochtdeelen uit den dampkring het eerst ontvangen en verdichten.

Op den morgen van den 17den landden wij op het eiland Chatham, [308]
dat, evenals de andere, een vlakronden omtrek heeft, hier en daar
afgebroken door lage, verspreid staande heuvels--de overblijfsels van
vroegere kraters. Niets kon minder aantrekkelijk zijn dan de eerste
aanblik van dit eiland. Men stelle zich voor eene woest golvende
oppervlakte van zwarte basaltlava, die in de wildste stroomen heeft
gevloeid, doorsneden van groote scheuren, en overal bedekt met een
kwijnend, verschroeid kreupelhout, dat weinig teekenen van leven
vertoont. Door de middagzon verwarmd, verwekte die droge, geblakerde
oppervlakte een gevoel van drukkende hitte in de lucht, evenals die
van een kachel; ik verbeeldde mij zelfs, dat de struiken branderig
roken. Ofschoon ik al mijn best deed zooveel planten te verzamelen
als mogelijk was, kon ik er maar weinige bijeenbrengen; en die kleine
kruiden zagen er zoo armzalig uit, dat zij beter bij eene arctische
dan bij eene equatoriale flora gepast zouden hebben. Op eenigen
afstand gezien, schijnt het kreupelhout even bladerloos als onze
boomen in den winter; en het duurde eenigen tijd voor ik ontdekte,
dat niet alleen bijna elke plant nu geheel in blad stond, maar dat
de meesten ook in bloei stonden. De meest voorkomende struik behoort
tot de Euphorbiaceae, [309] terwijl eene acacia en een groote, vreemd
uitziende cactus de eenige boomen zijn, die eenige schaduw geven. Men
zegt, dat na het seizoen der hevige regens de eilanden er korten tijd
gedeeltelijk groen uitzien. Het vulkanische eiland Fernando Noronha,
dat in vele opzichten in bijna gelijke omstandigheden verkeert, is
de eenige andere plek waar ik een plantengroei gezien heb, geheel
gelijk aan die der Galápagos-Eilanden.

De Beagle zeilde het eiland Chatham (of Chatam) om, en liet in
onderscheidene baaien het anker vallen. Een nacht sliep ik op
het strand van het eiland op eene plek, waar groote afgeknotte
kraterkegels in bijzonder groot aantal voorkwamen; van eene kleine
verhevenheid telde ik er zestig, allen met meer of minder volkomen
krateropeningen aan den top. De meesten bestonden alleen uit een ring
van roode, aan elkander gebakken sintels of slakken, terwijl hunne
hoogte boven de lava-vlakte niet meer dan vijftig tot honderd voet
bedroeg. Geen enkele was in den laatsten tijd in werking geweest. De
geheele oppervlakte van dit deel van het eiland schijnt, evenals eene
zeef, van de onderaardsche dampen doorstoomd te zijn. Hier en daar is
de lava, toen zij nog week was, tot groote bobbels opgeblazen; elders
zijn de toppen van op dergelijke wijze gevormde holten ingestort,
waardoor ringvormige putten met steile kanten ontstonden. Wegens
den regelmatigen vorm dien vele kraters bezitten, geven zij het
landschap een kunstmatig voorkomen, dat mij levendig aan het deel
van Staffordshire herinnerde, waar de meeste groote ijzergieterijen
zijn. Daags daarop was het gloeiend heet, en het klauteren over
de ruwe oppervlakte en door de verwarmde struiken zeer afmattend;
gelukkig werd ik door het vreemde cyclopische landschap ruimschoots
voor de inspanning beloond. Op mijne rondwandeling ontmoette ik twee
groote schildpadden, die elk minstens 200 pond moeten gewogen hebben;
de eene was bezig een stuk van een cactus te eten, keek mij strak
aan zoodra ik haar naderde, en liep toen weg; de andere liet een
scherp gesis hooren, en trok haar kop in. Deze reusachtige reptiliën
te midden van de zwarte lava, de bladerlooze heesters en hooge cacti,
verplaatsten mij in gedachten naar een tijdperk vóór den zondvloed. De
enkele donkerkleurige vogels in deze ongerepte natuur stoorden zich
aan mij niet meer dan aan de groote schildpadden.

De Beagle zeilde verder naar het eiland Charles. De Galápagos-archipel
is lang bezocht geworden--eerst door de boekaniers, en later door
walvischvaarders; maar pas in de laatste zes jaren heeft zich
eene kleine kolonie op dit eiland gevestigd. Het aantal inwoners
bedraagt twee tot driehonderd [310]--zijnde bijna allen kleurlingen,
die om politieke misdrijven uit de Republiek Ecuador, waarvan
Quito de hoofdstad is, verbannen zijn. De kolonie ligt omstreeks
4 1/2 mijl landwaarts in, op eene hoogte van waarschijnlijk 1000
voet. Op het eerste gedeelte van den weg trokken wij door bladerlooze
kreupelbosschen, evenals op het eiland Chatham. Hooger op werden de
bosschen gaandeweg groener; en nauwelijks bereikten wij het hoogste
punt van het eiland, of eene heerlijke, zuidelijke koelte woei
ons tegemoet, terwijl eene groene en welige plantenwereld ons oog
verkwikte. In deze bovenstreek is overvloed van grof gras en varens;
maar boomvarens ontbreken. Nergens zag ik een vertegenwoordiger van
de familie der palmen: wat des te zonderlinger is, omdat het 360
mijlen noordwaarts gelegen Kokos-eiland zijn naam ontleent aan den
overvloed van kokosnoten. De huizen zijn ongeregeld over eene vlakke
ruimte verspreid, die met Spaansche bataten [311] en bananen bebouwd
is. Men zal zich niet licht kunnen voorstellen, hoe aangenaam het ons
was, na zulk een lang verblijf op den verdroogden bodem van Peru en
Noord-Chili, eindelijk eens zwarte modder te zien. Hoewel de bewoners
over armoede klagen, vinden zij toch zonder veel moeite hun middel van
bestaan. In de bosschen zijn tal van wilde zwijnen en geiten; maar het
voornaamste dierlijk voedsel leveren hier de schildpadden. Ofschoon het
aantal dezer dieren natuurlijk zeer verminderd is, rekenen de bewoners
toch, dat twee dagen jagens hun voedsel genoeg verschaft voor de vijf
overige dagen der week. Men zegt, dat enkele schepen er vroeger tot
700 hebben medegenomen, en dat de bemanning van een fregat eenige jaren
geleden twee honderd schildpadden op één dag naar het strand voerde.

[29 September.]

Wij zeilden de zuidwestpunt van het eiland Albemarle om, en kwamen den
volgenden dag tusschen dit en het eiland Narborough in bijna windstil
water. Beide eilanden zijn bedekt met ontzaglijke stroomen zwarte,
kale lava, die òf over de randen der groote kraters is gevloeid,
evenals pek over den rand van een pot waarin het overkookte, òf uit
kleine openingen op de hellingen is gespoten. Bij hunne nederdaling
hebben de stroomen zich over mijlen oppervlakte langs de zeekust
verspreid. Met zekerheid weet men, dat zoowel op Albemarle als
Narborough uitbarstingen hebben plaats gehad; en op eerstgenoemd
eiland zagen wij uit den top van een der groote kraters een kleine
rookkolom omhoog dwarrelen. Des avonds ankerden wij in Bank's Cove
op het eiland Albemarle, waar ik den volgenden morgen aan land ging,
om eene wandeling te doen. Ten zuiden van den gebroken tufkrater
waarin de Beagle voor anker lag, verrees een andere van fraaien,
symmetrischen, elliptischen vorm. Op den bodem van dezen krater, die
over de grootste as der ellips bijna eene mijl lang en omstreeks 500
voet diep was, lag een ondiep meer, met een zeer kleinen krater in den
vorm van een eilandje in het midden. Het was dien dag brandend heet;
en daar het blauwe meer er zoo klaar uitzag, ijlde ik, verstikt van
het stof, de sintelige helling af, tastte gretig naar het water--doch
vond dit tot mijn groote spijt zoo zout als pekel.

De rotsen op de kust wemelden van groote, drie tot vier voet lange,
zwarte hagedissen, terwijl op de heuvels nog eene leelijke, geelachtig
bruine soort algemeen voorkwam. Van deze laatste soort zagen wij
er vele: sommigen gingen ons traag uit den weg, anderen kropen in
hare holen. Straks zal ik de gewoonten dezer beide kruipende dieren
uitvoeriger beschrijven. Dit geheele noordelijke gedeelte van Albemarle
is ellendig dor.

[8 October.]

Wij kwamen aan het eiland James. Evenals het eiland Charles, ontleent
ook dit sedert lang zijn naam aan Engelsche koningen in de lijn der
Stuarts. Bynoe, de schrijver zelf en onze bedienden werden hier voor
eene week met levensmiddelen en eene tent achtergelaten, terwijl de
Beagle water ging halen. Wij vonden hier een troepje Spanjaarden,
die van het eiland Charles waren gezonden om visch te drogen en
schildpaddenvleesch te zouten. Ongeveer zes mijlen het land in, en op
eene hoogte van bijna 2000 voet was eene hut gebouwd, bewoond door
twee mannen, wier bezigheid bestond in het vangen van schildpadden,
terwijl de anderen aan de kust vischten. Ik bracht dezen lieden
tweemaal een bezoek, en sliep er een nacht. Evenals op de andere
eilanden, was het lagere deel met bijna bladerlooze struiken bedekt;
maar de boomen waren hier hooger, en vele ervan bereikten twee voet,
sommige zelfs twee voet negen inches in middellijn. De door de
wolken vochtig gehouden bovenstreek bezit eene groene en bloeiende
flora. Zoo vochtig was de grond, dat ik groote velden zag, bedekt met
een grof cypergras, waarin talrijke zeer kleine riethoenen leefden
en broedden. Gedurende ons verblijf in deze bovenstreek, leefden wij
geheel van schildpaddenvleesch. Het borstschild met het vleesch er
aan gebraden (zooals de Gauchos hun carne con cuero), smaakt zeer
goed, terwijl de jonge schildpadden eene uitmuntende soep leveren;
maar anders laat de smaak van het vleesch mij onverschillig.

Op zekeren dag vergezelden wij een troepje Spanjaarden in hun
walvischvaartuig naar eene salina, of meer waaruit zout gehaald
wordt. Aan land gekomen, hadden wij eene zeer vermoeiende wandeling
over een jong hobbelig lavaveld, waarop zich een tufkrater verhief,
die bijna geheel door de lava omringd was en op welks bodem de salina
lag. Het water was slechts drie of vier inches diep, en dreef op eene
laag van fraai gekristalliseerd, wit zout. Daar het meer cirkelvormig
en omringd was met een krans van lichtgroene, sappige planten:
wijl verder de bijna loodrechte kraterwanden met bosch waren bedekt,
bood dit tafereel een schilderachtigen en verrassenden aanblik. Enkele
jaren geleden vermoordden de matrozen van een zeilschip hun kapitein op
deze stille plek; en nu vonden wij zijn schedel tusschen de struiken.

In de week dat wij hier vertoefden, was de lucht meestal onbewolkt;
en ging de passaatwind een uur liggen, dan werd het drukkend heet. Op
twee dagen wees de thermometer in de tent eenige uren lang 93°, maar
in de open lucht, in wind en zon slechts 85°. Het zand was buitengewoon
heet; plaatsten wij den thermometer in wat bruinkleurig zand, dan rees
hij onmiddellijk tot 137°; en hoeveel hij nog meer gerezen zou zijn,
weet ik niet, want de verdeeling raakte niet verder. Het zwarte zand
voelde veel heeter aan, zoodat het wandelen daarover, zelfs met dikke
laarzen aan, hoogst onaangenaam was.



De natuurlijke historie dezer eilanden is bij uitstek merkwaardig,
en verdient zeer de aandacht. De meeste organische voortbrengselen
zijn oorspronkelijke scheppingen, die nergens worden weêrgevonden;
toch vertoonen alle eene duidelijke verwantschap tot die van Amerika,
niettegenstaande zij door een open zeearm van 500 tot 600 mijlen
breedte van dat vasteland gescheiden zijn. De Archipel is een wereldje
op zichzelf, of liever een tot Amerika behoorende wachter, die enkele
verdwaalde kolonisten uit de hoofdplaneet Amerika opnam, en het
algemeene kenmerk verkreeg van hare inheemsche voortbrengselen. De
geringe grootte dezer eilanden in aanmerking genomen, staan wij nog
meer verbaasd over het aantal oorspronkelijke wezens in verband met
hunne beperkte ruimte; want hier, waar wij elke hoogte met een krater
gedekt zien, waar de grenzen van de meeste lavastroomen nog onduidelijk
zijn, dringt zich de meening aan ons op, dat in een geologisch jong
verleden de oceaan zich overal op deze plaatsen uitstrekte. Zoo
schijnen wij dan, in ruimte en tijd, eene schrede nader te komen
tot dat groote feit--het belangrijkste van alle mysteriën: de eerste
verschijning van nieuwe wezens op deze aarde.

Onder de landzoogdieren is er slechts één, dat als inheemsch moet
worden beschouwd, namelijk eene soort muis (Mus Galapagoensis), die,
voor zoover ik kon nagaan, tot het eiland Chatham (het oostelijkste
van den archipel) beperkt is. Naar Waterhouse mij bericht, behoort zij
tot eene aan Amerika eigen afdeeling der muizenfamilie. Op het eiland
James leeft eene rat, die zoozeer van de gewone soort verschilt, dat
Waterhouse haar noemt en beschrijft; maar wijl zij tot de in de Oude
Wereld levende afdeeling der familie behoort, en het gemelde eiland
in de laatste 150 jaren herhaaldelijk door schepen is bezocht, kan ik
er nauwelijks aan twijfelen, dat deze rat slechts eene variëteit is,
voortgebracht door een nieuw en eigenaardig klimaat, door voedsel en
bodem, aan welker vereenigde invloeden zij heeft blootgestaan. Hoewel
niemand het recht heeft zonder stellige feiten natuurphilosophische
bespiegelingen te maken, moet men toch--zelfs ten aanzien van de muis
op het eiland Chatham--in 't oog houden, dat zij wellicht eene uit
Amerika hier ingevoerde soort is: welk vermoeden iets nader wordt
bevestigd door het feit, dat ik in een der minst bezochte gedeelten
van de Pampas eene levende inlandsche muis heb gezien onder het dak
van eene pas gebouwde hut. Men mag daaruit afleiden, dat deze niet
onwaarschijnlijk in een schip is meegekomen. Dergelijke feiten zijn
door Dr. Richardson in Noord-Amerika waargenomen. [312]

Van de landvogels verzamelde ik 26 soorten, die aan dezen archipel
eigen zijn, en nergens anders gevonden worden--behalve een
leeuwerikachtige vink uit Noord-Amerika (Dolichonyx oryzivorus),
die op het vasteland aldaar tot 54° breedte voorkomt, en meestal
moerassen bewoont. [313] De 25 andere vogels zijn: Ten eerste, een
havik, die in lichaamsbouw merkwaardig het midden houdt tusschen
een buizerd en de Amerikaansche groep der aasetende Polybori, met
welke laatste vogels hij in elke gewoonte en zelfs in stemgeluid
zeer na overeenkomt. Ten tweede, twee uilen, vertegenwoordigende
de kortoorige en witte sluieruilen (Strix flammea) van Europa. Ten
derde, een winterkoninkje, drie tyran-vliegenvangers (waaronder twee
soorten Pyrocephalus, welke sommige vogelkundigen, òf beide òf een
van beide slechts als variëteiten beschouwen), en eene duif. Al deze
vijf komen overeen met Amerikaansche soorten, maar onderscheiden zich
er toch van. Ten vierde, eene zwaluw, die, ofschoon van de (Procne)
purpurea uit Noord- en Zuid-Amerika alleen hierin verschillend,
dat hij kleiner, schraler en iets donkerder van kleur is, door
Gould als eene andere species beschouwd wordt. Ten vijfde, drie
soorten van spotlijsters: een type, dat in hooge mate aan Amerika
eigen is. De overige landvogels--uitmakende dertien soorten, die
Gould in vier ondergroepen heeft verdeeld--bestaan in eene zeer
eigenaardige groep vinken, die in den vorm hunner snavels, korte
staarten, lichaamsbouw en gevederte aan elkander verwant zijn. Al
deze soorten zijn aan dezen archipel eigen; en hetzelfde geldt voor
de geheele groep, behalve ééne soort uit de onderfamilie Cactornis,
die onlangs van het eiland Bow in den Tuamotu- of Lagen Archipel is
meêgebracht. De twee soorten Cactornis of Cactusvogel kan men dikwijls
om de bloemen der groote cactusboomen zien vliegen; maar alle andere
soorten van deze groep vinken grazen, troepswijze vermengd, op den
drogen en onvruchtbaren grond der lagere gedeelten. Bij allen, of
althans bij het meerendeel zijn de mannetjes gitzwart, terwijl de
wijfjes misschien op ééne of twee uitzonderingen na bruin zijn. Het
zonderlingste feit is wel de regelmatige grootte-opvolging van de
bekken der verschillende soorten Geospiza: te beginnen met een zoo
groot als de bek van een kersebijter [314] tot dien van een beukvink,
[315] en (indien Gould gelijk heeft door zijne onderfamilie Certhidea
in de hoofdgroep op te nemen) zelfs tot dien van een zangvogel. Den
grootsten bek bij het geslacht Geospiza zien wij in Fig. 1, en den
kleinsten in Fig. 3; maar in plaats dat er slechts ééne tusschensoort
is met een bek zoo groot als in Fig. 2, zijn er niet minder dan
zes, wier bekken eene onmerkbare grootte-opvolging tusschen de in
Fig. 1 en 3 afgebeelden vertoonen. Den bek van de onderfamilie der
Certhidea zien wij in Fig. 4. Die van Cactornis gelijkt eenigszins
op een spreeuwenbek, en de bek der vierde ondergroep (Camarhynchus)
heeft wat van den papegaaivorm weg. Die verschillende overgangen
in bouw bij eene zoo kleine, nauw verwante vogelgroep, zouden ons
werkelijk in den waan kunnen brengen, dat uit een oorspronkelijk
klein aantal vogels ééne soort was uitgenomen en voor verschillende
doeleinden gewijzigd. Evenzoo zou men zich kunnen voorstellen,
dat hier oorspronkelijk een buizerd was ingevoerd, om de taak der
aasetende Polybori van het Amerikaansche vasteland te verrichten.

Van de steltloopers (Grallae) en watervogels kon ik slechts elf soorten
verzamelen, en daaronder zijn niet meer dan drie nieuwe, met inbegrip
van een wachtelkoning (Crex), die tot de vochtige toppen der eilanden
beperkt is. De zwervende leefwijze der zeemeeuwen in aanmerking
genomen, verwonderde het mij op deze eilanden eene species aan te
treffen, die, ofschoon verwant aan eene uit de zuidelijke gedeelten
van Zuid-Amerika, toch een bijzonder type vormt. Vergelijkt men de
veel grootere eigenaardigheid der landvogels--namelijk, dat 25 van de
26 nieuwe soorten of althans nieuwe rassen zijn--bij de steltloopers
en zwemvogels (Natatorii), dan is zulks in overeenstemming met de
grootere verspreiding dezer laatste families over alle deelen der
wereld. Later zullen wij deze wet: dat de waterorganismen (hetzij zee-
of zoetwatervormen) op een gegeven punt van den aardbol minder typisch
zijn dan de landorganismen derzelfde klassen, treffend bevestigd
zien bij de schelpdieren en in mindere mate bij de insecten van
dezen archipel.

Twee van de steltloopers zijn iets kleiner dan dezelfde species,
die van elders zijn ingevoerd; ook de zwaluw is kleiner, hoewel het
twijfelachtig is of deze al dan niet van haar analogon verschilt. De
twee uilen, de twee tyran-vliegenvangers (Pyrocephalus), en de duif
zijn eveneens kleiner dan de overeenkomstige maar afwijkende soorten,
waaraan zij het naast verwant zijn; daarentegen is de zeemeeuw
iets grooter. De twee uilen, de zwaluw, al de drie spotlijsters,
de duif in hare nevenkleuren (hoewel niet in haar geheele pluimage),
de Totanus en de zeemeeuw, zijn evenzoo donkerder gekleurd dan hunne
overeenkomstige species, en--wat in 't bijzonder de spotlijsters en
den Totanus betreft--donkerder dan elke andere species der beide
geslachten. Behalve een winterkoninkje (Troglódytes) met fraai
gele borst, en een tyran-vliegenvanger met scharlakenroode kuif en
borst, zijn geen van de vogels schitterend gekleurd, zooals men in
een equatoriaal gewest had mogen verwachten. Men zou dus allicht
vermoeden, dat dezelfde oorzaken, welke hier de nederzetters van
eene species kleiner maken, ook de meeste inheemsche soorten van den
Galápagos-archipel kleiner, en zeer dikwijls donkerder van kleur maken.

Alle planten hebben een armzalig, onkruidachtig voorkomen, en
ik zag geen enkele schoone bloem. Ook de insecten zijn klein van
stuk en donker gekleurd, terwijl, naar Waterhouse mij bericht, hun
uiterlijk in 't algemeen niets bezit, wat hem deed denken dat zij
uit de evenaars-zone afkomstig waren. [316] De vogels, planten en
insecten dragen een woestijnachtig karakter, en zijn niet schitterender
gekleurd dan die van Zuid-Patagonië. Wij mogen dus daaruit afleiden,
dat het gewone bonte koloriet der tusschenkeerkrings-organismen
niet in verband staat met de warmte of het licht dezer streken,
maar met eene andere oorzaak--wellicht deze, dat in 't algemeen de
levensvoorwaarden gunstig zijn.



Wij zullen nu overgaan tot de klasse der kruipende dieren, welke
aan de fauna dezer eilanden het treffendste kenmerk verleent. De
soorten zijn niet talrijk, maar het getal individuën van elke soort is
buitengewoon groot. Men vindt er: eene kleine hagedis, die tot eene
Zuidamerikaansche familie behoort; twee soorten (en waarschijnlijk
meer) Amblyrhynchus--eene familie, die tot de Galápagos-Eilanden
beperkt is; en talrijke individuën van eene slang, die, zooals Bibron
mij bericht, dezelfde is als Psammophis Teminckii uit Chili. [317] Van
zeeschildpadden (Cheloniidae) zijn er, geloof ik, meer dan ééne soort;
en straks zullen wij zien, dat er twee of drie soorten of rassen van
landschildpadden (Chersidae) zijn. Dat er geen padden (Bufonidae) en
kikvorschen (Ranidae) waren, verwonderde mij, aangezien de gematigde
temperatuur en de vochtige bovenbosschen zoozeer voor hen geschikt
schenen. Ik herinnerde mij de opmerking, door Bory St.-Vincent gedaan,
nl. dat er op geen der vulkanische eilanden in de oceanen een individu
dezer onderorde (Phaneroglossa) gevonden wordt. [318] Voor zoover ik
in verschillende werken kon nagaan, schijnt dit voor den geheelen
Stillen Oceaan te gelden, en zelfs voor de groote eilanden van den
Sandwich-Archipel. Mauritius vormt schijnbaar eene uitzondering,
want ik vond er de Rana Mascariensis in overvloed. Volgens zeggen
bewoont deze kikvorsch thans de Sechellen, Madagascar en Bourbon;
daarentegen verklaart Du Bois in zijn "Voyage" in het jaar 1669, dat
er op Bourbon geen kruipende dieren waren, uitgezonderd schildpadden;
en de Officier du Roi verzekert, dat er vóór 1768 vergeefsche pogingen
zijn gedaan, om kikvorschen op Mauritius in te voeren, vermoedelijk
om als voedsel te dienen; zoodat wel betwijfeld mag worden of deze
kikvorsch een oorspronkelijke bewoner van genoemde eilanden is. Het
ontbreken van de kikvorschen-familie op de eilanden der groote oceanen
is des te merkwaardiger, om de tegenstelling daarvan met de hagedissen
(Lacertidae), [319] die op de meeste kleinere eilanden wemelen. Zou dit
verschil niet hieraan zijn toe te schrijven, dat de door kalkschalen
beschermde eieren van hagedissen gemakkelijker door zout water vervoerd
konden worden, dan het slijmige broedsel van kikvorschen?

Eerst zal ik de gewoonten van de schildpad beschrijven (Testudo nigra,
vroeger genoemd Indica), waarvan ik al dikwijls gesproken heb. Naar ik
geloof, worden deze dieren op alle eilanden van den archipel gevonden,
of stellig op de meeste, waar zij zich bij voorkeur in de hooge
vochtige gedeelten ophouden, maar ook in de lagere en droge streken
leven. Reeds heb ik door het cijfer, dat er op één dag gevangen
wordt, aangetoond hoe bijzonder talrijk zij moeten zijn. Sommige
bereiken eene reusachtige grootte. Lawson, Engelschman van geboorte en
onder-gouverneur der kolonie, vertelde ons, dat hij er verscheidene
gezien had, zoo groot, dat zes of acht man noodig waren om ze van
den grond te lichten, en dat sommige tweehonderd pond vleesch hadden
opgeleverd. De oude mannetjes zijn het grootst, terwijl de wijfjes maar
zelden die grootte bereiken. Het mannetje laat zich door de grootere
lengte van zijn staart gemakkelijk van het wijfje onderscheiden. De
schildpadden, die eilanden bewonen waar geen water is, of die zich in
de lagere en droge gedeelten der anderen ophouden, leven hoofdzakelijk
van de sappige cactus. Zij die de hoogere en vochtige streken bewonen,
eten de bladeren van verschillende boomen, eene zure en wrange soort
bes (guayavita genaamd), alsmede een lichtgroen vezelig mos (Usnera
plicata), dat in vlechten van de takken der boomen hangt.

De schildpad houdt veel van water, dat zij in groote hoeveelheden
drinkt, en wentelt zich gaarne in de modder. Daar alleen de grootere
eilanden bronnen bezitten, en deze altijd op aanzienlijke hoogte in
de middengedeelten liggen, zijn de schildpadden die de lagere streken
bewonen, genoodzaakt een grooten weg af te leggen, wanneer zij dorst
hebben. Dientengevolge loopen breede en goed gebaande paden in alle
richtingen van de bronnen naar de zeekust; en door deze te volgen,
ontdekten de Spanjaarden het eerst de plaatsen waar water te vinden
was. Toen ik op het eiland Chatham landde, kon ik maar niet begrijpen,
welk dier zulke stelselmatige en goed gekozen paden had aangelegd. Het
was een merkwaardig schouwspel deze kolossale dieren zich in twee
groepen bij de bronnen te zien verdringen: de eene groep met gestrekte
halzen gretig voorwaarts dringend, terwijl de andere, na haar bekomst
te hebben gedronken, terugkeerde. Als de schildpad aan de bron komt,
steekt zij, zonder zich om de toeschouwers te bekommeren, haar kop
tot over de oogen in het water, en zwelgt gretig mondenvol--ongeveer
tien in de minuut. De bewoners zeggen, dat elk dier drie of vier
dagen in de nabijheid van het water blijft, en dan naar het lagere
gedeelte terugkeert; maar hunne opgaven betreffende het aantal dezer
bezoeken loopen zeer uiteen. Waarschijnlijk regelt het dier die naar
den aard van het verbruikte voedsel. Het is intusschen een feit,
dat schildpadden zelfs op deze eilanden kunnen leven, waar geen ander
water is, dan hetgeen er op enkele regenachtige dagen in het jaar valt.

Naar ik meen, is het eene uitgemaakte zaak, dat de blaas van den
kikvorsen als reservoir dient van het vocht, dat het dier voor zijn
leven noodig heeft; dit schijnt ook met de schildpad het geval te
wezen. Eenigen tijd na een bezoek aan de bronnen is haar pisblaas
door vloeistof gezwollen, die, naar men zegt, langzamerhand in volume
afneemt, en minder zuiver wordt. Bewoners, die op hunne tochten in de
lagere streken door dorst overvallen worden, maken dikwijls van deze
omstandigheid gebruik, en drinken den inhoud der blaas, wanneer zij
vol is. Ik zag een doode schildpad, bij wie de vloeistof volkomen
helder, en alleen wat bitter van smaak was. Maar altijd drinken de
bewoners eerst het water uit het pericardium, [320] dat als best
wordt beschreven.

Als de schildpadden zich met opzet naar een zeker punt begeven,
trekken zij dag en nacht, en bereiken het doel harer reis veel vroeger,
dan men zou verwachten. Door vooraf gemerkte dieren in het oog te
houden, zijn de bewoners tot de ontdekking gekomen, dat zij in twee
of drie dagen een afstand van omtrent acht mijlen afleggen. Ik sloeg
eene groote schildpad gade, die elke tien minuten 60 yards aflegde:
dat is 360 yards [321] in het uur, of vier mijlen daags--na aftrek
van een korten poos om onderweg te eten. Gedurende den broeitijd,
als het mannetje en wijfje bij elkander zijn, laat het mannetje een
schor gebrul of geloei hooren, dat, naar men zegt, meer dan honderd
yards ver gehoord kan worden. Het wijfje verheft nooit hare stem, en
het mannetje alléén in deze tijden; men weet dus, bij het hooren van
dit geluid, dat beiden te zamen zijn. Tijdens ons bezoek (October)
waren zij aan het eieren leggen. Is de grond zandig, dan legt het
wijfje de eieren bij elkander, en bedekt hen met zand; maar is de grond
steenachtig, dan laat zij hen zonder onderscheid vallen in elk gat,
dat zij ontmoet. Bynoe vond er zeven in eene spleet. Het ei is wit en
bolvormig; ik mat er een van 7 3/8 inches in omtrek--derhalve grooter
dan een kippenei. Nauwelijks zijn de jonge schildpadden uitgebroed,
of zij worden in menigte eene prooi van den aasetenden buizerd. De
ouden schijnen meestal ten gevolge van ongelukken te sterven,
bijv. door het vallen in een afgrond; althans, verscheidene bewoners
verzekerden mij, dat zij nooit eene doode schildpad gezien hadden,
die niet op noodlottige wijze gestorven was.

De bewoners gelooven, dat deze dieren stokdoof zijn; en werkelijk
hooren zij niet, dat iemand dicht achter hen loopt. Telkens
wanneer ik een van deze groote monsters op hare rustige wandeling
inhaalde, vermaakte het mij ze, op het oogenblik dat ik voorbijging,
plotseling kop en pooten te zien intrekken, en onder het uiten van
een scherp gesis met een zwaren plof als dood op den grond te zien
vallen. Dikwijls ging ik op haren rug zitten, en gaf haar dan een
paar tikken op het achterdeel van het schild--waarna zij opstonden en
voortwandelden. Het kostte mij echter veel moeite mijn evenwicht te
bewaren. Het vleesch van dit dier wordt veel gegeten, zoowel versch
als gezouten; en uit het vet wordt eene klare olie bereid. Als eene
schildpad gevangen is, geeft men haar eene insnijding in de huid nabij
den staart, om zoo in het lichaam te zien, of er eene dikke vetlaag
onder het rugschild ligt. Is dit niet het geval, dan laat men het
dier los, dat, zoo beweert men, spoedig van deze zonderlinge operatie
geneest. Om zich van de schildpadden meester te maken, is het niet
genoeg, dat men ze ondersteboven keert, zooals men de zeeschildpadden
doet; want dikwijls gelukt het haar weer op de pooten te komen.

Er kan weinig twijfel bestaan, of deze schildpad is eene
oorspronkelijke bewoonster van de Galápagos-Eilanden, want men vindt
haar op alle, of bijna alle eilanden, zelfs op eenige van de kleinere,
waar geen water is; en dit had moeilijk het geval kunnen zijn in een
zoo weinig bezochten archipel, indien zij eene ingevoerde species
was. Bovendien vonden de oude boekaniers deze schildpad zelfs in nog
grooter aantal dan nu; terwijl ook Wood en Rogers in 1708 vermeldden,
dat de Spanjaarden geloofden, dat zij op geen andere plek in dit
werelddeel gevonden werd. Tegenwoordig is zij veel verspreid,
maar het is de vraag of zij ook op andere plaatsen oorspronkelijk
is. De beenderen van eene schildpad, welke op Mauritius nevens die
van den uitgestorven Dodo gevonden zijn, heeft men algemeen voor
overblijfselen van deze schildpad gehouden. Indien dit juist was,
zou zij daar stellig van den aanvang af geleefd hebben; maar Bibron
meldt mij, dat zij volgens zijne meening eene andere species was,
gelijk met de thans op dit eiland levende zeker het geval is.

Van den Amblyrhynchus--een merkwaardig geslacht hagedissen, dat
zich tot dezen archipel bepaalt--bestaan twee soorten, die, wat den
algemeenen vorm betreft, op elkander gelijken: de eene is eene land-,
en de andere eene waterspecies. Van laatstgenoemde soort, A. cristatus,
zijn de kenmerken het eerst in 't licht gesteld door Bell, die uit den
korten, breeden kop en sterke, even lange klauwen terecht opmaakte,
dat hare leefwijze zeer eigenaardig moest zijn, en verschillend van
die harer naaste verwante, de Iguana of kamhagedis. [322] Zij komt op
alle eilanden van den archipel bijzonder veel voor, leeft uitsluitend
op de rotsachtige zeekusten, en wordt nooit verder op het strand
gevonden, dan tien yards: althans ik heb het nooit gezien. Het is
een schepsel met een afzichtelijk voorkomen, vuil zwart van kleur,
dom, en traag in zijne bewegingen. De gewone lengte van een volwassen
individu bedraagt één yard; maar sommige zijn zelfs vier voet lang,
terwijl opgemerkt zij, dat die op het eiland Albemarle grooter
schijnen te worden dan elders. Een groote Amblyrhynchus woog twintig
pond. Hunne staarten zijn zijdelings afgeplat, en al de vier pooten
gedeeltelijk van zwemvliezen voorzien. Soms ziet men hen op honderd
yards afstand van het strand rondzwemmen; en kapitein Collnett zegt
in zijne reisbeschrijving, dat zij "in scholen naar zee gaan om
te visschen, zich op de rotsen in de zon koesteren, en alligators
in 't klein genoemd zouden kunnen worden." Vermoedelijk leven zij
echter niet van visch. In het water zijnde, zwemt deze hagedis zeer
gemakkelijk en vlug door eene slangvormige beweging van het lichaam
en den afgeplatten staart, terwijl de pooten onbeweeglijk en aan
weerszijden dicht naar het lijf zijn opgetrokken. Een matroos aan boord
had een zwaar gewicht aan het lichaam van een Amblyrhynchus bevestigd,
en daarna het dier in zee geworpen, denkende het op die wijs te dooden;
maar toen hij een uur later het touw ophaalde, roerde het dier zich nog
lustig. Zijne ledematen en sterke klauwen zijn voortreffelijk geschikt
om over de hobbelige en gespleten lavakorst te klauteren, die overal
de kust bedekt. Zoo kan men dikwijls een troep van zes of zeven dezer
afzichtelijke kruipende dieren enkele voeten boven de branding op de
zwarte rotsen zien liggen, waar zij zich in de zon koesteren.

Van verscheidenen opende ik de maag, en vond deze sterk gezwollen
door inliggende stukjes zeewier (Ulvae)--een dunbladerig wijdvertakt
gewas van eene lichtgroene of donkerroode kleur. [323] Ik herinner
mij niet dit zeewier in noemenswaardige hoeveelheid op de vloedrotsen
te hebben gezien, en heb reden te gelooven, dat het op den bodem der
zee groeit, op eenigen afstand van de kust. Is dit het geval, dan
verklaart het zich, waarom deze dieren nu en dan naar zee gaan. De
maag bevatte niets dan zeewier. Wel vond Bynoe er een stuk van eene
krab in; maar deze kon er toevallig in zijn gekomen, op dezelfde
manier als ik in den buik van eene schildpad eene rups tusschen eenig
groen heb zien liggen. Evenals bij andere plantenetende dieren,
waren de ingewanden ruim. De aard van het voedsel dezer hagedis,
zoowel als de bouw van haren staart en voeten, en het feit, dat men
haar vrijwillig naar zee heeft zien zwemmen, bewijzen afdoende hare
leefwijze van waterdier; toch openbaart zich hier eene zonderlinge
tegenstrijdigheid, namelijk, dat zij niet in het water zal gaan,
als men haar plaagt of schrik aanjaagt. Zoo kan men ze gemakkelijk
naar een punt boven zee drijven, waar zij zich eerder bij den staart
zullen laten grijpen, dan in het water springen. Van bijten schijnen
zij volstrekt geen begrip te hebben; maar worden zij veel geplaagd,
dan spuiten zij uit elk neusgat een druppel vloeistof. Ik wierp er
eene verscheidene malen zoover ik kon in een diepen plas, die door het
getij was achtergelaten; maar telkens keerde zij linea recta terug
naar de plek waar ik stond. Zij zwom zeer sierlijk en vlug bij den
bodem van den plas, en krabbelde nu en dan met hare voeten over den
hobbeligen grond. Als zij bijna den kant bereikt had, maar nog onder
water was, poogde zij zich in de boschjes zeewier te verbergen, of
liep eene spleet binnen; en nauwelijks achtte zij het gevaar voorbij,
of zij kroop over de droge rotsen naar buiten, en maakte zich zoo snel
mogelijk uit de voeten. Dikwijls ving ik deze zelfde door haar naar
een punt te drijven, waar dan niets haar kon bewegen in het water
te gaan, ondanks hare volkomen bedrevenheid in duiken en zwemmen;
en telkens als ik haar daarin wierp, keerde zij op de genoemde wijze
terug. Wellicht laat dit eigenaardige staaltje van oogenschijnlijke
domheid zich verklaren door het feit, dat dit dier geen enkelen
vijand op het strand heeft, terwijl het in zee menigmaal een prooi
wordt van de talrijke haaien. Gedreven door een diep geworteld en
erfelijk instinct, dat het strand zijn veiligheidsoord is bij wat er
ook gebeure, zoekt het dan waarschijnlijk hier zijne toevlucht.

Tijdens een bezoek (in October) zag ik zeer weinig kleine individuën
van deze species, en ik geloof geen enkel, dat jonger was dan een
jaar. Daar het mij hierom waarschijnlijk voorkwam, dat de broeitijd
toen nog niet begonnen was, vroeg ik aan verscheidene bewoners, of zij
wisten wanneer de hagedis hare eieren legde, en kreeg ten antwoord
dat zij van hare voortplanting niets wisten, ofschoon de eieren van
de landspecies hun wel bekend waren. Neemt men in aanmerking, dat
deze species zoo algemeen is, dan is dit feit niet weinig merkwaardig.

Wij gaan nu over tot de landspecies (Amblyrhynchus Demarlii),
met ronden staart en teenen zonder zwemvliezen. In plaats dat
deze hagedis, evenals de andere, op alle eilanden gevonden wordt,
bepaalt zij zich tot het middengedeelte van den archipel, en wel tot
de eilanden Albemarle, James, Barrington en Indefatigable. Zuidelijk,
op de eilanden Charles, Hood en Chatham, alsmede noordelijk op Tower,
Bindloes en Abingdon zag ik er nooit eene, en hoorde er ook niet
van. Het schijnt dat zij in het midden van den archipel ontstaan is,
en zich van daar slechts tot op zekeren afstand verspreidde. Eenige
dezer hagedissen bewonen de hooge en vochtige gedeelten der eilanden,
maar veel talrijker zijn zij in de lagere en dordere districten bij
de kust. Ik kan geen overtuigender bewijs van hare talrijkheid geven,
dan door te zeggen, dat wij bij onze komst op het eiland James voor
het opslaan van onze eenige tent eene poos lang geen plek konden
vinden, die niet met hare holen ondermijnd was. Evenals hare zusters,
de zeehagedissen, zijn zij leelijke dieren, oranjegeel op de buikzijde
en bruinachtig rood op den rug. Door haren stompen gelaatshoek hebben
zij een bijzonder dom uiterlijk. Misschien zijn zij in 't algemeen
iets kleiner dan de andere species: toch wogen velen van haar nog
tusschen tien en vijftien pond. In hare bewegingen zijn zij traag en
half verstijfd. Zoo men ze niet plaagt, kruipen zij langzaam rond,
terwijl staart en buik over den grond slepen. Dikwijls staan zij een
of twee minuten te sluimeren, met de oogen dicht en de achterpooten
op den verschroeiden grond gestrekt.

Zij wonen in holen, die zij somtijds tusschen stukken lava graven,
doch meer algemeen op vlakke schollen van de zachte, zandsteenachtige
tuf. De holen schijnen niet zeer diep te wezen, en dringen onder
een kleinen hoek in den grond, zoodat tot groot verdriet van den
vermoeiden wandelaar, die over deze hagedissengangen loopt, de grond
telkens onder zijne voeten wegzakt. Als het dier zijn hol maakt, werkt
het beurtelings met beide kanten van zijn lichaam. De eene voorpoot
graaft eene korte poos den grond uit, en werpt het graafsel naar den
achterpoot, die gereed staat het buiten de opening van het hol te
brengen. Is die kant van het lichaam vermoeid, dan neemt de andere het
werk over, en zoo vervolgens. Ik sloeg er langen tijd een gade, totdat
haar lichaam half begraven was, trad toen nader en trok haar bij den
staart. Dit scheen haar zeer te verwonderen, want spoedig kroop zij
naar buiten om te zien wat er aan de hand was, en keek mij strak in
het gezicht, als wilde zij zeggen: "Waarom trekt ge aan mijn staart?"

Zij zoeken bij dag haar voedsel, en verwijderen zich niet ver
van hare holen. Worden zij opgeschrikt, dan snellen zij er in de
plompste houding heen. Behalve wanneer zij eene hoogte afloopen,
kunnen zij zich niet zeer vlug bewegen, wat een gevolg schijnt van den
zijwaartschen stand harer pooten. Vreesachtig zijn zij in 't geheel
niet; als zij iemand opmerkzaam gadeslaan, krullen zij haren staart,
richten zich op de voorpooten omhoog, en trachten door eene snelle,
verticale, knikkende beweging met het hoofd eene dreigende houding
aan te nemen. Maar in werkelijkheid zijn zij niet gevaarlijk; men
behoeft slechts even op den grond te stampen, en hare staarten gaan
omlaag, terwijl zij zoo snel zij kunnen wegschuifelen. Dikwijls heb
ik kleine vliegenetende hagedissen op volkomen dezelfde manier met
het hoofd zien knikken, als zij het een of ander gadesloegen; maar om
welke reden, weet ik volstrekt niet. Als men dezen Amblyrhynchus met
een stok tegenhoudt en plaagt, zal hij er woedend in bijten; maar ik
greep er velen bij den staart, zonder dat zij mij ooit trachten te
bijten. Worden er twee op den grond bij elkander gezet, dan zullen
zij aan 't vechten gaan en elkander tot bloedens toe bijten.

De individuën, die de lagere streken bewonen--en deze zijn het
talrijkst--kunnen het geheele jaar door bijna geen druppel water
bekomen; zij eten echter veel van de sappige cactus, waarvan de
wind nu en dan takken afbreekt. Dikwijls wierp ik een groepje van
twee of drie een stuk toe; en het was vermakelijk te zien, hoe
gretig zij dit met den bek poogden te grijpen en er mee wegliepen,
evenals hongerige honden met een been. Zij eten zeer voorzichtig,
maar kauwen haar voedsel niet. Zelfs vogeltjes weten hoe onschadelijk
deze schepsels zijn. Eens zag ik een diksnaveligen vink pikken aan het
eene einde van een stuk cactus (waarin alle dieren van het laagland
veel smaak vinden), terwijl eene hagedis van het andere einde at;
en daarna huppelde het vogeltje met de grootste onverschilligheid
over den rug van het reptiel.

Bij velen opende ik de maag, en vond die gevuld met plantvezels
en bladen van verschillende boomen, vooral van eene acacia. In de
bovenstreek leven zij hoofdzakelijk van de zure en wrange bessen der
guayavita; en onder dezen boom heb ik den Amblyrhynchus Demarlii met
de groote schildpadden zien eten. Om de bladeren van de acacia meester
te worden, krabbelen zij tegen de lage, weinig ontwikkelde boomen op;
en zoo ziet men niet zelden een paar van deze dieren, verscheidene
voeten boven den grond op een tak gezeten, rustig knabbelen. Gekookt,
geven deze hagedissen een wit vleesch, dat voor lieden wier magen
vrij van alle vooroordeelen zijn, een gezocht voedsel is. Humboldt
heeft opgemerkt, dat alle hagedissen in het tusschenkeerkringsgebied
van Zuid-Amerika, die droge streken bewonen, voor smakelijke gerechten
worden gehouden. De inwoners vertellen, dat de in de hoogere, vochtige
streken levende hagedissen water drinken, maar dat de anderen daarvoor
niet uit het onvruchtbare laagland naar boven trekken, zooals de
schildpadden. Tijdens ons bezoek hadden de wijfjes talrijke, groote,
langwerpige eieren in het lichaam, die zij in hare holen leggen,
en door de inwoners als voedsel worden gezocht.

Zooals ik reeds gezegd heb, komen deze twee soorten Amblyrhynchus
in algemeenen lichaamsbouw en in vele gewoonten met elkander
overeen. Geen van beiden heeft die snelle beweging, zoo kenmerkend voor
de geslachten Lacerta en Iguana. Beiden zijn plantenetende dieren,
hoewel de soorten planten waarvan zij leven zeer verschillen. Bell
heeft het geslacht dezen naam gegeven om zijn stompen snuit; [324]
en werkelijk kan de vorm van den bek bijna met dien van de schildpad
worden vergeleken. De onderstelling ligt voor de hand, dat dit eene
aanpassing is aan hare zucht of drang om planten te eten. Dat men
een geslacht met zulke juiste kenmerken, waarvan zoowel eene zee-
als eene landspecies bestaat, tot zulk een klein gedeelte der wereld
beperkt ziet, is een zeer gewichtig feit. De waterspecies is op verre
na de belangrijkste, omdat zij de eenige levende hagedis is, die
van plantaardige zeevoortbrengselen leeft. Zooals ik in den beginne
opmerkte, zijn deze eilanden niet zoozeer merkwaardig om het aantal
soorten van kruipende dieren, als om dat der individuën. Denken
wij aan de goed gebaande, door de groote schildpadden aangelegde
paden; aan de menigte zeeschildpadden; aan de onderaardsche gangen
van den A. Demarlii, en de op de kustrotsen van elk eiland zich
koesterende groepen van den A. cristatus, dan moeten wij erkennen,
dat de plantenetende zoogdieren in geen enkel deel der wereld zoo
buitengewoon talrijk door de klasse der kruipende dieren vervangen
zijn, als in dezen archipel. Bij het hooren van dit feit, zal de
geoloog in gedachten waarschijnlijk teruggaan tot het Secundaire of
Mesozoïsche Tijdvak der Aardgeschiedenis, toen deels plantenetende,
deels vleeschetende hagedissen, die in grootte alleen met onze levende
walvisschen vergeleken konden worden--krioelden op het land zoowel als
in de zee. Het verdient daarom wel zijne aandacht, dat deze archipel,
in plaats van een vochtig klimaat en een weligen plantengroei te
bezitten, niet anders dan als uiterst dor kan worden beschouwd,
en voor een equatoriaal gewest een bijzonder gematigd klimaat bezit.

Tot besluit van de zoölogie dezer eilanden, vermeld ik, dat alle
vijftien hier door mij verzamelde zeevisschen nieuwe soorten zijn,
behoorende tot twaalf geslachten, die alle zeer verspreid zijn, met
uitzondering van Prionotus, waarvan de vier voorheen bekende soorten
aan den oostkant van Amerika leven. Van landschelpdieren verzamelde ik
zestien soorten (en twee bepaalde variëteiten), die, behalve een op
Tahiti gevonden Helix, alle aan dezen archipel eigen zijn; een enkel
zoetwaterschelpdier (Paludina) dat ik hier vond, komt ook op Tahiti
en Van Diemensland voor. Vóór onze reis verzamelde Mr. Cuming hier
negentig soorten zeeschelpdieren, onder welk cijfer niet begrepen zijn
verscheidene, nog niet nader onderzochte soorten van Trochus, Turbo,
Monodonta en Nassa. Hij is zoo vriendelijk geweest mij de volgende
gewichtige uitkomsten mede te deelen. Van de negentig schelpdieren
zijn niet minder dan zeven en veertig elders onbekend--een verrassend
feit, zoo men in aanmerking neemt, hoe ver zeeschelpdieren in den
regel verspreid zijn. Van de 43 in andere deelen der wereld gevonden
soorten bewonen 25 de westkust van Amerika, en daaronder laten zich
acht als variëteiten onderscheiden; de overige 18 (waaronder ééne
variëteit) werden door Cuming in den Lagen Archipel, en sommige ook
op de Philippijnen gevonden. Dit feit: dat schelpdieren van eilanden
midden in den Stillen Oceaan hier voorkomen, verdient opmerking,
aangezien geen enkel zeeschelpdier, naar men weet, gemeen is aan de
eilanden van dien Oceaan en de westkust van Amerika. Het zeeoppervlak,
dat zich van noord tot zuid langs de westkust uitstrekt, scheidt
twee geheel verschillende gebieden van schelpdieren; maar op de
Galápagos-Eilanden vinden wij een centrum, waar vele nieuwe vormen
geschapen zijn, en waarheen deze twee groote schelpdieren-gebieden vele
nederzetters hebben uitgezonden. Ook heeft het Amerikaansche gebied
hier soorten vertegenwoordigd; want er is eene Galápagische soort
van het geslacht Monoceros, dat alleen op de westkust van Amerika
wordt gevonden; ook zijn er Galápagische soorten van de geslachten
Fissurella en Cancellaria, die op de westkust inheemsch zijn, maar
(zooals Cuming mij berichtte) niet op de eilanden midden in den Oceaan
gevonden worden. Aan den anderen kant zijn er Galápagische soorten
van de geslachten Oniscia en Stylifer, die voorkomen in West-Indië
en in de Chineesche en Indische Zeeën, maar noch op de westkust van
Amerika, noch midden in den Stillen Oceaan gevonden worden. Ik wil
hieraan toevoegen, dat Cuming en Hinds na vergelijking van omstreeks
2000 schelpdieren van de oost- en westkusten van Amerika, slechts één
schelpdier vonden, dat aan beide kusten gemeen was, nl. Purpura patula,
die zoowel West-Indië, als de kust van Panama en de Galápagos-Eilanden
bewoont. Wij hebben dus in dit deel van de wereld drie groote gebieden
van zeeschelpdieren, die, ofschoon bijzonder dicht bij elkander gelegen
(slechts gescheiden door lange noord- en zuidwaarts loopende land-
of zee-oppervlakken), onderling geheel verschillen.

Ik gaf mij veel moeite om de insecten te verzamelen; maar nooit zag
ik een land, Vuurland uitgezonderd, zoo arm op dit gebied, als deze
archipel. Zelfs in de vochtige bovenstreek vond ik er zeer weinige; en
deze waren--met uitzondering van enkele kleine Diptera en Hymenoptera
[325] van zeer alledaagsche vormen. Zooals ik reeds opmerkte,
zijn de insecten voor een tropisch gewest van te geringe grootte
en ook te donker van kleur. Van kevers verzamelde ik 25 soorten
(niet medegerekend een Dermestes en Corynetes, die door schepen
overal worden ingevoerd); hiervan behooren twee tot de Harpalidae,
twee tot de Hydrophilidae, negen tot drie families van Heteromera,
terwijl de twaalf overige tot even zooveel verschillende families
behooren. Dit verschijnsel, nl., dat insecten (en ik kan er bijvoegen,
planten) in streken waar zij schaarsch zijn tot vele verschillende
families behooren, is, geloof ik, zeer algemeen. Waterhouse, die
eene beschrijving van de insecten in dezen archipel in 't licht heeft
gegeven, [326] en aan wien ik de bovenstaande bijzonderheden te danken
heb, meldt mij, dat er verscheidene nieuwe geslachten zijn, en dat
van de niet nieuwe één of twee in Amerika, de overige echter over de
geheele wereld verspreid zijn. Met uitzondering van een houtetenden
Apate, en één of waarschijnlijk twee waterkevers van het Amerikaansche
vasteland, schijnen alle soorten nieuw te wezen.

De flora van dezen Archipel is al even belangwekkend als zijne
fauna. Binnenkort zal Dr. J. Hooker in de "Linnaean Transactions" een
volledig verslag van de flora doen verschijnen, en het is aan hem, dat
ik de volgende bijzonderheden verschuldigd ben. Voor zoover tot nu toe
bekend is, zijn er 185 soorten phanerogamische, en 40 kryptogamische
planten, te zamen uitmakende 225 soorten, waarvan ik zoo gelukkig was
193 soorten thuis te brengen. Onder de phanerogamische soorten zijn
100 nieuwe, die waarschijnlijk tot dezen archipel beperkt zijn. Hooker
meent dat onder de planten, niet tot deze 100 behoorende, minstens tien
ingevoerde species zijn; en deze zijn gevonden op het eiland Charles
in de nabijheid van den bebouwden grond. Het komt mij verwonderlijk
voor, dat er niet meer Amerikaansche species langs natuurlijken weg
zijn ingevoerd, in aanmerking genomen, dat de afstand tot het vasteland
slechts 500 tot 600 mijlen bedraagt, en er (volgens Collnet op blz. 58
van zijn "Voyage") dikwijls drijfhout, bamboes, riet en de noten
van een palmboom naar de zuidoostelijke stranden worden gespoeld. De
verhouding van 100 nieuwe op de 185 soorten phanerogamische planten
(of 175, zoo men het ingevoerde onkruid niet medetelt), is, volgens
mijn idee, voldoende om den Galápagos-Archipel tot een afzonderlijk
botanisch district te maken, hoewel deze flora lang zoo eigenaardig
niet is als die van St.-Helena, of, naar Dr. Hooker mij bericht,
als die van Juan Fernandez. De eigenaardigheid der Galápagische
flora blijkt het best bij sommige families; zoo zijn er 21 soorten
Compositae, waarvan 20 eigen zijn aan dezen archipel, en die behooren
tot 12 geslachten, van welke niet minder dan tien tot deze eilanden
beperkt blijven! Hooker meldt mij, dat de flora een onmiskenbaar
Westamerikaansch type bezit; ook kan hij er geen verband in ontdekken
met de flora van den Stillen Oceaan. Deze gevolgtrekking, gevoegd bij
hetgeen omtrent de fauna gezegd is, leidt tot het volgende besluit:
indien wij uitzonderen de 18 zeeschelpdieren, het eene zoetwater-,
en een landschelpdier, die blijkbaar als kolonisten uit de eilanden
midden in den Stillen Oceaan hierheen zijn gekomen: eindelijk de
eene species van de ondergroep Cactornis, die van het eiland Bow in
den Lagen Archipel is ingevoerd en tot de Galápagische groep vinken
behoort, dan zien wij, dat deze archipel, ofschoon in den Stillen
Oceaan gelegen, in zoölogischen zoowel als in botanischen zin deel
uitmaakt van Amerika.

Zoo dit kenmerk alleen was toe te schrijven aan immigranten uit
Amerika, zou er weinig merkwaardigs in steken; maar wat ons treft
is, dat eene groote meerderheid van al de landdieren, en meer dan
de helft der phanerogamische planten inheemsche voortbrengselen
zijn. Het was hoogst verrassend omringd te zijn door nieuwe vogels,
nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe
planten--en toch door tallooze kleine bijzonderheden in lichaamsbouw,
zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor
oogen te zien van de vlakten in de gematigde streken van Patagonië,
of van de heete droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom--zoo vroeg
ik mij af--werden op deze kleine plekjes land, die ongetwijfeld in
een jong geologisch tijdperk door den oceaan bedekt zijn geweest;
die uit basaltlava zijn gevormd en dus in geologisch karakter van
het Amerikaansche vasteland verschillen; die bovendien een bijzonder
klimaat bezitten... waarom werden de oorspronkelijke bewoners hier naar
Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij, wil ik er
bijvoegen, zoowel in soort als in aantal zich anders verhouden dan die
op het vasteland, en dus ook in wisselwerking verschillen? Ofschoon
de Kaap-Verdische Eilanden waarschijnlijk in alle physische opzichten
veel meer op de Galápagos-Eilanden gelijken, dan deze laatsten op de
kust van Amerika, zijn de inheemsche bewoners dezer beide archipels
geheel verschillend; die van de Kaap-Verdische Eilanden dragen den
stempel van Afrika, terwijl de bewoners van den Galápagos Archipel
dien van Amerika bezitten.



Tot nu toe heb ik niet gesproken van eene bijzonderheid in de
natuurlijke geschiedenis van dezen archipel, die op verre na de
merkwaardigste is: nl. deze, dat de verschillende eilanden in
aanzienlijke verhouding door verschillende groepen wezens bewoond
zijn. Het eerst werd mijne aandacht op dit feit gevestigd door den
vice-gouverneur Lawson, die verklaarde, dat de schildpadden op de
verschillende eilanden afwijkingen vertoonden, en dat hij van ieder
individu met zekerheid kon zeggen van welk eiland het afkomstig
was. Ik sloeg eenigen tijd niet voldoende acht op deze verklaring,
en had de verzamelingen van twee der eilanden reeds gedeeltelijk
vermengd. Nooit was de gedachte in mij opgekomen, dat eilanden,
omstreeks 50 of 60 mijlen van elkander verwijderd, en waarvan de meeste
over en weer zichtbaar waren; die uit volkomen hetzelfde gesteente
bestonden, hetzelfde klimaat deelden en ongeveer gelijke hoogte hadden,
verschillende bewoners zouden hebben; doch spoedig zullen wij zien,
dat dit inderdaad het geval is. Het is het lot van de meeste reizigers,
dat zij uit eene plaats moeten vertrekken, zoodra zij hare eigenlijke
merkwaardigheden beginnen te ontdekken. Maar ik moet misschien dankbaar
zijn, dat ik voldoende gegevens verkreeg, om dit hoogst belangwekkende
feit in de verspreiding van organische wezens met bewijzen te staven.

Zooals ik reeds zeide, verklaren de bewoners, dat zij de schildpadden
van de verschillende eilanden kunnen onderscheiden, en dat deze niet
alleen in grootte, maar ook in andere kenmerken verschillen. Kapitein
Porter heeft die van het eiland Charles, en van het meest naburige
eiland Hood, beschreven als bedekt met een schild, dat van voren dik en
opwaarts is gebogen evenals een Spaansch zadel, terwijl de schildpadden
van het eiland James, ronder, zwarter, en na koking beter van smaak
zijn. [327] Daarenboven meldt Bibron mij, dat hij twee schildpadden van
de Galápagos-Eilanden gezien heeft, die hij voor twee verschillende
species hield; maar van welke eilanden zij waren, wist hij niet. De
door mij van drie eilanden medegebrachte exemplaren waren jong; en
dit is waarschijnlijk de reden, waarom Gray noch ik er soortelijke
verschillen in konden ontdekken. Ik heb opgemerkt, dat de Amblyrhynchus
cristatus op het eiland Albemarle grooter was dan elders; en Bibron
deelt mij mede, dat hij twee verschillende landhagedissen van dit
geslacht gezien heeft; zoodat de verschillende eilanden waarschijnlijk
hunne plaatsvervangende rassen of soorten hebben, zoowel van den
Amblyrhynchus als van de schildpad. Het eerste dat in hooge mate mijne
aandacht trok, was, dat ik bij onderlinge vergelijking van de talrijke
door mij en vele andere personen aan boord geschoten exemplaren van
de spotlijsters, tot mijne verwondering ontdekte, dat alle van het
eiland Charles afkomstigen tot ééne species (Mimus trifasciatus)
behoorden; die van het eiland Albemarle alle tot M. Parvulus; en die
van de eilanden James en Chatham (waartusschen twee andere eilanden
als verbindingschakels gelegen zijn) alle tot M. melanotis. Deze twee
laatste soorten zijn naverwant, en zouden door sommige vogelkundigen
alleen voor goed gekenmerkte rassen of variëteiten worden gehouden;
doch Mimus trifasciatus is zeer verschillend. Ongelukkig waren de
meeste exemplaren van de familie der vinken dooreengeraakt; maar
ik heb gegronde reden om aan te nemen, dat sommige soorten van de
ondergroep Geospiza zich tot afzonderlijke eilanden bepalen. Indien de
verschillende eilanden hunne vertegenwoordigers hebben van Geospiza,
kan dit ter verklaring dienen van het ongewoon groot aantal soorten van
deze ondergroep in dezen betrekkelijk kleinen archipel; en de volmaakte
geometrische grootte-opvolging hunner bekken zou dan waarschijnlijk
een gevolg zijn van hun aantal. In dezen archipel werden gevonden twee
soorten van de ondergroep Cactornis, en twee van Camarhynchus; het
bleek nu, dat de talrijke, door vier verzamelaars op het eiland James
geschoten exemplaren dezer beide ondergroepen, alle behoorden tot ééne
soort van elk, terwijl de talrijke op de eilanden Chatham of Charles
geschoten exemplaren (want de beide collectiën waren reeds vermengd)
alle tot de twee andere species behoorden. Wij kunnen er dus bijna
zeker van zijn, dat deze eilanden hunne plaatsvervangende species
dezer twee ondergroepen bezitten. Bij landschelpdieren schijnt deze
verspreidingswet niet door te gaan. Waterhouse merkt op, dat onder
de exemplaren mijner zeer kleine verzameling insecten, welke een
etiket van de plaats van herkomst droegen, zich geen enkel bevond,
dat aan twee van de eilanden gemeen was.

Wenden wij ons nu tot de flora, dan zullen wij onder de inheemsche
planten der verschillende eilanden wonderlijke verschillen
ontmoeten. De uitkomsten in bijgaande tabel dank ik alle aan de
vertrouwbare opgaven van mijn vriend Dr. J. Hooker. Vooraf zij gezegd,
dat ik op de verschillende eilanden alle planten in bloeienden staat
verzamelde, en mijne collecties gelukkig gescheiden hield. Intusschen
zal men wel doen de betrekkelijke cijfers niet al te zeer te
vertrouwen, daar de kleine, door eenige andere natuuronderzoekers
medegebrachte verzamelingen, duidelijk bewijzen, dat de flora van dezen
archipel nog veel onderzoek vereischt, alhoewel zij de resultaten
ten deele bevestigen. Bovendien zijn de Leguminosae slechts bij
benadering uitgecijferd:


                     Aantal     Aantal       Aantal   Aantal soorten, die
                     soorten in soorten, die soorten  tot den Galápagos-
Naam van    Totaal   andere     tot den      tot het  archipel beperkt
het Eiland. aantal   deelen der Galápagos-   eene     zijn, doch op meer
            soorten. wereld     archipel     eiland   dan één eiland ge-
                     gevonden.  beperkt      beperkt. vonden worden.
                                zijn.

James          71        33          38         30            8
Albemarle      46        18          26         22            4
Chatham        32        16          16         12            4
Charles        68        39          29         21            8
                     (of 29, na
                     aftrek van
                     de waar-
                     schijnlijk
                     ingevoerde
                     planten).


Wij zien in deze tabel het inderdaad wonderlijke feit, dat van
de 38 Galápagische planten op het eiland James, nl. die welke in
geen ander deel der wereld gevonden worden, dertig uitsluitend
tot dit eiland beperkt blijven; terwijl van de 26 oorspronkelijke
Galápagische planten op het eiland Albemarle, twee en twintig tot dit
eene eiland beperkt zijn, en dus slechts vier--naar men tot heden
weet--op de andere eilanden van den archipel groeien. Dergelijke
verrassende uitkomsten leveren ook de planten op de eilanden Chatham
en Charles. Door het geven van eenige voorbeelden zullen wij dit
feit wellicht nog meer in 't oog doen springen. Zoo is Scalesia,
een merkwaardig, boomwordend geslacht der Compositae, tot dezen
archipel beperkt; het bevat zes soorten: één voorkomend op Chatham,
één op Albemarle, één op Charles, twee op James, terwijl de zesde
op een der drie laatste eilanden thuis behoort, men weet echter niet
op welk. Geen dezer zes soorten groeit op twee eilanden tegelijk. Een
tweede voorbeeld levert Euphorbia, een wijd en zijd verspreid geslacht,
dat hier acht soorten heeft, waarvan zeven tot den archipel beperkt
zijn, en geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Acalypha en
Borreria--beiden wereldgeslachten, hebben respectievelijk zes en zeven
soorten, waarvan, met uitzondering van ééne tot Borreria behoorende,
geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Vooral de species
der Compositae zijn plaatselijk beperkt; en Dr. Hooker heeft mij
verscheidene andere hoogst verrasende voorbeelden getoond van het
verschil in soorten op de verschillende eilanden. Hij merkt op, dat
deze verspreidingswet niet alleen geldt voor de tot dezen archipel
beperkte geslachten, maar ook voor die welke in andere hoeken der
wereld verspreid zijn. Evenzoo hebben wij gezien, dat de verschillende
eilanden hunne eigene soorten hebben van het wereldgeslacht der
schildpadden, en van het wijd verspreide Amerikaansche geslacht der
spotlijsters, alsook van twee der Galápagische ondergroepen van vinken;
en bijna zeker van het Galápagische geslacht Amblyrhynchus.

De verspreiding der bewoners van dezen archipel zou lang zoo wonderlijk
niet zijn, indien, bijvoorbeeld, het eene eiland een spotlijster,
en een tweede eiland een ander, geheel daarvan verschillend geslacht
bezat; zoo het eene eiland zijn geslacht hagedissen had, en een
tweede eiland een ander, verschillend geslacht, of in 't geheel
geen; of indien de verschillende eilanden niet door plaatsvervangende
species van dezelfde plantengeslachten werden bewoond, maar door geheel
verschillende geslachten--zooals dat in zekeren zin werkelijk het geval
is; want, om een voorbeeld te noemen, een groote bessendragende boom
op het eiland James heeft geen plaatsvervangende species op het eiland
Charles. Maar juist de omstandigheid, dat vele eilanden hunne eigen
soort schildpad hebben, hun eigen spotlijster, hunne vinken en talrijke
planten, terwijl die soorten dezelfde algemeene leefwijzen hebben,
overeenkomstige districten bewonen, en in de natuurlijke huishouding
van dezen archipel klaarblijkelijk dezelfde plaats innemen--deze is
het, welke mij met verwondering vervult. Men mag aannemen, dat eenige
plaatsvervangende soorten--althans wat de schildpad en sommige vogels
betreft--later zullen blijken goed gekenmerkte rassen te zijn; maar
voor den wijsgeerigen natuuronderzoeker zou dit al even belangwekkend
wezen. Ik heb gezegd, dat de meeste eilanden over en weer zichtbaar
zijn, en voeg er aan toe, dat het eiland Charles 50 mijlen van het
naaste punt van Chatham, en 33 mijlen van het naaste punt van Albemarle
verwijderd is. Chatham ligt 60 mijlen van het naaste punt van James;
maar tusschen deze liggen twee andere, welke niet door mij bezocht
werden. Het eiland James ligt slechts 10 mijlen van het naaste punt van
Albemarle; maar de beide punten waar de verzamelingen gehouden werden,
liggen 32 mijlen van elkander. Ik herhaal, dat noch de aard van den
bodem, noch de hoogte van het land, of het klimaat: noch het algemeen
karakter der samenwonende wezens (en bijgevolg hunne natuurlijke
wisselwerkingen) op de verschillende eilanden veel uiteenloopen. Zoo
er al een merkbaar klimatologisch verschil bestaat, dan moet dit zijn
tusschen de groep eilanden boven den wind (nl. Charles en Chatham),
en die onder den wind; maar een overeenkomstig verschil schijnt niet
te bestaan in de producten dezer twee helften van den archipel.

Het eenige licht, dat ik op dit merkwaardig onderscheid in de
bewoners der verschillende eilanden kan werpen, is, dat zeer sterke,
in westelijke en west-noordwestelijke richting loopende zeestroomen
de zuidelijke eilanden van de noordelijke moeten scheiden, althans
wat het vervoer van individuën over zee betreft. Inderdaad werd
tusschen deze noordelijke eilanden een sterke noordwestelijke
stroom waargenomen, die de eilanden James en Albemarle scherp van
elkander moet scheiden. Daar de archipel in zeer ruime mate vrij
van stormen is, zouden vogels, insecten noch lichtere zaden van het
eene eiland naar het andere kunnen waaien. Ten slotte is het hoogst
onwaarschijnlijk, dat de eilanden ooit verbonden waren, èn wegens de
groote diepte van den oceaan die hen scheidt, èn wegens hun blijkbaar
vulkanischen oorsprong in een geologisch jong verleden. Deze laatste
omstandigheid is van veel gewichtiger beteekenis, dan elke andere,
wat de geographische verspreiding der bewoners aangaat.

Werpen wij thans een blik op bovengenoemde feiten, dan staat men
verbaasd over de hoeveelheid scheppingskracht--indien wij zulk eene
uitdrukking mogen bezigen--welke op deze kleine, kale en rotsachtige
eilanden ontwikkeld is: doch meer nog over hare verschillende en
toch overeenkomstige werkingen op zulke nabijgelegen punten. Ik heb
gezegd, dat men de Galápagos-Eilanden een wachter zou kunnen noemen,
die aan Amerika, als planeet beschouwd, verbonden is; maar eerder zou
men ze eene groep wachters kunnen noemen, die physisch gelijkvormig,
organisch verschillend, toch nauw aan elkander verwant zijn; en allen
weer in duidelijke, hoewel veel mindere mate verwant aan het groote
vastland van Amerika.



Ik zal mijne beschrijving van de natuurlijke geschiedenis dezer
eilanden besluiten met eenige mededeelingen over de ongewone tamheid
der vogels.

Deze tamheid is aan alle landsoorten eigen, nl. aan de spotlijsters,
de vinken, winterkoninkjes, tyran-vliegenvangers, de duif en den
aasbuizerd. Al deze vogels kwamen dikwijls dicht genoeg bij, dat
men hen met een rietje kon dooden, en somtijds vangen met eene muts
of hoed, wat ik zelf heb pogen te doen. Een geweer is hier geheel
overbodig; want met den loop sloeg ik een havik van een boomtak
af. Op zekeren dag streek een spotlijster op den rand van een uit
het pantser eener schildpad vervaardigden waternap, dien ik in de
hand hield, en begon heel bedaard het water op te slurpen. Hij liet
toe, dat ik hem van den grond hief, terwijl hij op den nap zat. Ook
trachtte ik dikwijls deze vogels bij de beenen te grijpen, wat mij op
zeer weinig na gelukte. Voorheen schijnen de vogels nog tammer geweest
te zijn dan nu. Cowley zegt in zijne beschrijving van het jaar 1684,
"dat de tortelduiven zoo tam waren, dat zij dikwijls op onze hoeden en
wapens neerstreken, zoodat wij hen levend konden vangen. Zij vreesden
den mensch niet, voordat een van ons gezelschap op hen vuurde, ten
gevolge waarvan zij schuwer werden." Ook Dampier verhaalt in hetzelfde
jaar, dat iemand op zijne morgenwandeling zes of zeven dozijn van
deze duiven kon dooden. Hoewel zij nu nog zeer tam zijn, strijken zij
toch niet op iemands wapenen neer, en laten zich ook niet meer in zoo
groot aantal dooden. Het is verwonderlijk, dat zij niet wilder zijn
geworden; want in de laatste 150 jaren zijn deze eilanden dikwijls
door boekaniers en walvischvaarders bezocht, terwijl de zeelieden,
als zij door de bosschen loopen om schildpadden te zoeken, er altijd
een wreed vermaak in scheppen de vogeltjes dood te slaan.

Ofschoon tegenwoordig nog meer vervolgd dan vroeger, worden deze vogels
niet spoedig wild. Op het eiland Charles, dat bij mijn bezoek ongeveer
zes jaren gekoloniseerd was, zag ik een knaap bij eene bron zitten met
een rietje in de hand, waarmede hij de duiven en vinken doodde als
zij kwamen drinken. Hij had er reeds een hoopje bijeen, en vertelde
dat deze vogels voor zijn maal moesten dienen, en dat hij altijd bij
deze bron ging zitten voor hetzelfde doel. Daaruit zou dan blijken,
dat de vogels van dezen archipel, nog niet wetende dat de mensch een
gevaarlijker dier is dan de schildpad of de Amblyrhynchus, geen acht
op hen slaan, op dezelfde manier als schuwe vogels, bijv. eksters,
in Engeland geen acht slaan op de koeien en paarden, die in onze
velden grazen.

De Falklands-Eilanden leveren een tweede voorbeeld van dergelijke
tamme vogels, die men daar vindt. De ongewone tamheid van den
kleinen Opetiorhynchus is door Pernety, Lesson en andere reizigers
opgemerkt. Deze eigenschap behoort echter niet alleen aan dezen vogel:
de Polyborus, de snip, de ganzen in het hoog- en laagland, de lijster,
de vlasvink, en zelfs eenige echte haviken zijn alle meer of minder
tam. Als de vogels zoo tam zijn in eene streek, waar vossen, haviken
en uilen voorkomen, mogen wij daaruit besluiten, dat de afwezigheid
van alle roofdieren op de Galápagos-Eilanden niet de oorzaak is van
hunne tamheid hier. De hooglandsche ganzen op de Falklands-Eilanden
bewijzen door de voorzichtigheid, die zij bij het bouwen van hare
nesten op de eilandjes in acht nemen, dat zij het gevaar van de vossen
kennen; maar dit maakt hen toch niet schuw voor den mensch. Deze
tamheid der vogels--vooral van het watergevogelte--vormt eene
scherpe tegenstelling met de eigenschappen van dezelfde species in
Vuurland, waar zij eeuwen lang door de wilde inboorlingen vervolgd
zijn geworden. Op de Falklands-Eilanden kan de jager op één dag soms
meer hooglandsche ganzen dooden, dan hij mee naar huis kan nemen;
terwijl het in Vuurland bijna even moeilijk is er eene te dooden,
als in Engeland het schieten van de gewone wilde gans.

In den tijd van Pernety (1763) schijnen daar alle vogels veel tammer
geweest te zijn dan nu; hij zegt, dat de Opetiorhynchus bijna op zijn
vinger ging zitten, en dat hij met een stokje er tien in een half uur
doodde. Destijds moeten de vogels bijna even tam zijn geweest als nu
op de Galápagos-Eilanden. Op deze laatsten schijnen zij langzamer
voorzichtigheid geleerd te hebben, dan op de Falklands-Eilanden,
waar zij betrekkelijk gelegenheid hadden om ervaring op te doen;
want behalve talrijke bezoeken van schepen, zijn deze eilanden in dat
tijdsverloop bij tusschenpoozen gekoloniseerd geweest. Volgens het
verhaal van Pernety was het vroeger, toen alle vogels zoo tam waren,
zelfs onmogelijk den zwarthalzigen zwaan te dooden--een trekvogel,
die waarschijnlijk zijne in andere landen geleerde wijsheid daarheen
overbracht.

Ik wil er bijvoegen, dat, naar hetgeen Du Bois verhaalt, alle
vogels op Bourbon met uitzondering van de flamingo's en de ganzen,
in 1571/72 zoo buitengewoon tam waren, dat men hen met de hand
kon vangen, of met een stok naar welgevallen dooden. Verder zegt
Carmichael, [328] dat de eenige twee landvogels op Tristan da Cunha
in den Atlantischen Oceaan (ten Westen van de Kaap de Goede Hoop),
nl. een lijster en een vlasvink, zoo tam waren, dat zij zich met
een handnet lieten vangen. Uit deze verschillende feiten meen ik te
mogen afleiden: ten eerste, dat de wildheid van vogels ten opzichte
van den mensch een bijzonder instinct is, dat tegen hem gericht, en
niet afhankelijk is van een algemeenen graad van voorzichtigheid uit
vrees voor andere bronnen van gevaar; ten tweede, dat die wildheid
door vogels op zichzelven, ook dan als men hen fel vervolgt,
niet spoedig wordt verkregen, doch na eene reeks van opvolgende
geslachten erfelijk wordt. Bij tamme dieren zijn wij gewoon te zien,
dat nieuwe geestelijke eigenschappen of instincten erfelijk worden
verkregen of gemaakt; bij dieren in den natuurstaat zal het echter
steeds zeer moeilijk zijn, gevallen van erfelijk verkregen kennis te
ontdekken. Wat de wildheid aangaat van vogels tegenover den mensch,
deze laat zich niet anders verklaren dan als erfelijke gewoonte. In
Engeland is het aantal jonge vogels, die in een jaar tijds door den
mensch worden vervolgd, betrekkelijk klein: toch zijn bijna allen,
zelfs nestvogels, bang voor hem; daarentegen zijn op de Galápagos-
en de Falklands-Eilanden talrijke individuën door den mensch vervolgd
en gekweld, zonder dat de vogels eene heilzame vrees voor hem hebben
geleerd. Uit deze feiten mogen wij afleiden, welke verwoesting het
invoeren van een nieuw roofdier in een land moet teweegbrengen,
voordat de instincten der inheemsche bewoners zich aan de list of de
kracht van den vreemdeling hebben aangepast.



HOOFDSTUK XVIII.

TAHITI (OF TAÏTI) EN NIEUW-ZEELAND.


[20 October 1835.]

Toen de opmeting van de Galápagos-Eilanden was afgeloopen, zetten
wij koers naar Tahiti en begonnen onzen langen tocht van 3200
mijlen. Binnen enkele dagen zeilden wij uit het donkere en bewolkte
zeegebied, dat zich des winters tot ver van de Zuidamerikaansche
kust uitstrekt, en hadden toen bij heldere en onbewolkte lucht eene
aangename reis, met eene snelheid van 150 tot 160 mijlen daags voor
een stijven passaatwind. In dit meer centrale gedeelte van den Stillen
Oceaan is de temperatuur hooger dan bij de Amerikaansche kust. Nacht
en dag wisselde de thermometer in de achterkajuit tusschen 80° en 83°,
hetgeen een zeer aangenaam gevoel verwekt; maar één of twee graden
hooger wordt de temperatuur drukkend. Wij voeren door den Lagen of
Gevaarlijken Archipel, [329] en zagen verscheidene van die hoogst
eigenaardige ringvormige koraalbanken, welke even boven den rand
van het water uitsteken en Lagunen-eilanden genoemd zijn. Het lange,
schitterend witte strand is met een groenen plantenzoom bedekt, die,
waarheen men ook ziet, in de verte snel versmalt en onder den horizon
verdwijnt. Van den top van den mast kan men een uitgestrekte, stille
watervlakte binnen den ring zien. Deze lange, holle koraaleilanden
staan in geen verhouding tot den uitgestrekten oceaan, waaruit zij zich
steil verheffen; en het schijnt verwonderlijk, dat zulke zwakke banken
door de machtige en rusteloos beukende golven van dien grooten en ten
onrechte "De Stille" genoemden Oceaan niet reeds lang zijn weggespoeld.

[15 November.]

Bij het aanbreken van den dag kwam Tahiti in zicht. Dit eiland moet bij
elken reiziger in de Stille Zuidzee blijvende klassieke herinneringen
achterlaten. Van verre was de aanblik niet aantrekkelijk. De welige
plantengroei van het lagere gedeelte was nog niet zichtbaar; en
toen de wolken wegdreven, vertoonden zich de ruwste en steilste
bergtoppen tot bij het midden van het eiland. Zoodra wij in de baai
Matavai ankerden, werden wij door kano's omringd. Het was dien dag
voor ons Zondag, maar voor Tahiti Maandag; in het omgekeerde geval
zouden wij geen enkel bezoek hebben gekregen, daar het bevel om op
rustdag geen enkele kano te water te laten streng wordt opgevolgd. Na
het middageten gingen wij aan wal om al het genot te smaken, dat de
eerste indrukken van een nieuw land bij den mensch verwekken--vooral
nu dit land het bekoorlijke Tahiti was. Een drom van mannen, vrouwen
en kinderen stond op het gedenkwaardige Point Venus geschaard, om
ons met lachende, vroolijke gezichten te ontvangen, en vergezelde ons
naar het huis van Mr. Wilson, den zendeling van het district, die ons
onderweg te gemoet kwam en op zeer vriendelijke wijze ontving. Nadat
wij eene korte poos in zijn huis gezeten hadden, scheidden wij om
eene rondwandeling te doen, maar keerden des avonds er heen terug.

Het land, dat voor cultuur geschikt is, vormt bijna overal niet
veel meer dan eene strook lage alluviale grond, die zich om den
voet der bergen ophoopt en door eene koraalbank, welke de geheele
kustlijn omringd, tegen het geweld der zee beschermd is. Binnen het
rif bevindt zich eene uitgestrekte, stille watervlakte evenals een
meer, waar de kano's der inboorlingen veilig kunnen laveeren en waar
de schepen ankeren. Het laagland, dat tot den oever van koraalzand
reikt, is met de schoonste producten uit de tusschenkeerkringsstreken
bedekt. Te midden van banaan-, oranje-, brood- en kokosboomen zijn
open plekken, waar yam- of broodwortels (Dioscorea), suikerriet en
pijnappels worden gekweekt. Zelfs het kreupelhout is een ingevoerde
vruchtboom, nl. de guajavaboom, die om zijn overvloed even schadelijk
is geworden als onkruid. In Brazilië heb ik dikwijls de afwisseling
in schoonheid bewonderd, welke de banaan-, palm- en oranjeboomen
in hunne tegenstellingen te zien geven; en dan hebben wij hier nog
den broodboom, kenbaar aan zijn groot, glanzig en diep gevingerd
blad. Bewonderenswaardig is de aanblik van geheele boschjes, uit
een boom bestaande, die forsch als een Engelsche eik zijne takken
uitstrekt, beladen met groote en uiterst voedzame vruchten. Hoe zelden
ook het genoegen, waarmee wij een voorwerp zien, kan worden afgemeten
naar het nut dat het biedt, toch laat zich in 't geval van deze schoone
bosschen het gevoel van bewondering ongetwijfeld voor een groot deel
verklaren uit het besef van hunne groote vruchtbaarheid. Eene reeks
van kleine slingerpaden leidden in de koele schaduw der omgeving
naar de hier en daar verspreide huizen, waar de bewoners ons overal
opgeruimd en met de meeste gastvrijheid ontvingen.

Niets beviel mij zoozeer als de aard der bewoners. Er ligt een zekere
zachtheid in de uitdrukking van hun gezicht, dat elke gedachte
aan vermeende wildheid terstond verdrijft, terwijl eene zekere
schranderheid toont, dat zij in beschaving vooruitgaan. Lieden
uit de volksklasse zijn onder het werk op het bovenlijf geheel
naakt; en het is bij zulke gelegenheden, dat men de Tahitiërs
op hun voordeeligst ziet. Zij zijn zeer groot, breedgeschouderd,
sterk en goed geëvenredigd. Men heeft opgemerkt, dat een Europeaan
spoedig zoozeer aan eene donkere huid gewent, dat hij die aangenamer
en natuurlijker vindt dan zijne eigene kleur. Een blanke, die zich
naast een Tahitiër baadde, was evenals eene plant welke een tuinman
kunstmatig heeft gebleekt, vergeleken met eene fraaie donkergroene, die
krachtig in het open veld bloeit. De meeste mannen zijn getatoueerd,
en de versieringen volgen de bochten van het lichaam zoo regelmatig,
dat het een hoogst bevalligen indruk maakt. Een gewoon patroon,
met afwisselende détails en eenigszins op de kroon van een palmboom
gelijkend, ontspringt uit de middellijn van den rug en kronkelt zich
sierlijk naar wederzijden. Misschien is de gelijkenis denkbeeldig, maar
ik vond, dat het lichaam van een aldus getatoueerden man op den stam
van een sierboom geleek, waarom zich eene fraaie slingerplant windt.

Vele oudere personen hadden de voeten met kleine figuren bedekt,
zoo geteekend, dat zij op eene zoogenaamde broos (tooneelschoeisel)
geleken; maar deze mode is gedeeltelijk verouderd en door andere
opgevolgd. Hier moet elk zich houden aan de heerschende mode uit
zijne jeugd, ofschoon die verre van onveranderlijk is. Bij een oud
man staat deze dus voor altijd op zijn lichaam gestempeld, en kan hij
zich nooit het air geven van een jongen modegek. De vrouwen zijn op
dezelfde manier getatoueerd als de mannen, en wel zeer algemeen aan
hare vingers. Eene ongepaste mode, nl. om het haar boven op het hoofd
in een cirkelvorm weg te scheren, zoodat er slechts een buitenste
krans overblijft, is nu bijna algemeen. De zendelingen hebben het volk
pogen over te halen deze gewoonte te veranderen; maar het is mode,
en dit woord is op Tahiti voldoende, evenals te Parijs. Zeer was ik
teleurgesteld door het persoonlijk uiterlijk der vrouwen, die in elk
opzicht ver onder de mannen staan. Een aardig gebruik is, om achter
op het hoofd of door een klein gaatje in de ooren eene scharlakenroode
bloem te dragen. Ook dragen zij een krans van gevlochten kokosbladeren
ter beschutting van de oogen. De vrouwen schijnen nog meer behoefte
te hebben aan eene verandering in mode dan de mannen.

Bijna alle inboorlingen verstaan wat Engelsch, d.w.z. zij kennen de
namen van gewone voorwerpen; en met behulp hiervan, alsmede door
teekens, kon een gebrekkig soort van gesprek worden gevoerd. Toen
wij des avonds naar de boot terugkeerden, hield een aardig tooneel,
waarvan wij getuige waren, ons staande. Een aantal kinderen speelden op
het strand en hadden vreugdevuren ontstoken, die de stille zee en de
boomen in het rond verlichtten, terwijl andere, in kringen geschaard,
Tahitische liederen zongen. Wij naderden het troepje en gingen in het
zand zitten. De liedjes waren geïmproviseerd en zinspeelden, geloof ik,
op onze komst; een klein meisje zong een regel, dien de anderen bij
gedeelten herhaalden, zoodat er een zeer aardig koor ontstond. Het
geheele tooneel herinnerde ons op ondubbelzinnige wijze, dat wij aan
het strand zaten van een eiland in de wijdberoemde Zuidzee.

[17 November.]

Deze dag staat in het logboek genoteerd als Dinsdag 17 November,
in plaats van Maandag den 16den, ten gevolge van onze tot dusver
voorspoedige jacht op de zon. Vóór het ontbijt werd het schip door
eene flotielje kano's omsingeld; en toen de inboorlingen verlof
kregen aan boord te komen, bedroeg hun aantal waarschijnlijk niet
minder dan 200. Ieder was van oordeel, dat het moeilijk zou geweest
zijn er evenveel van een ander volk bijeen te krijgen, die zoo weinig
last veroorzaakten. Elk bood iets te koop aan, waarbij schelpen het
hoofdartikel vormden. De Tahitiërs begrijpen nu de waarde van het geld
ten volle, en verkiezen het boven oude kleêren of andere artikelen,
doch zijn verlegen met de verschillende munten van Engelsche en
Spaansche stempels, en vertrouwen het zilver niet geheel voordat het
tegen dollars is ingewisseld. Enkele hoofden hebben groote sommen
geld bijeengebracht. Niet lang geleden bood een hunner 800 dollars
(ongeveer 160 pond sterling) voor een klein schip, en dikwijls koopen
zij walvischbooten en paarden voor den prijs van 50 tot 100 dollars.

Na het ontbijt ging ik aan wal, en beklom de naastbijzijnde steilte
tot eene hoogte van 2-3000 voet. De buitenste bergen zijn glad en
kegelvormig, maar steil; en de oude vulkanische gesteenten, waaruit
zij bestaan, worden doorsneden van vele diepe ravijnen, die uit de
ongenaakbare bergachtige gedeelten van het midden van het eiland naar
de kust loopen. Na de smalle, lage en vruchtbare, doch onbewoonde
landstreek te zijn doorgetrokken, volgde ik een effen steilen bergkam
tusschen twee diepe ravijnen. Eigenaardig was hier de plantengroei,
bijna geheel uit kleine dwergvarens bestaande, die hooger op met
grof gras vermengd was en niet heel veel verschilde van die, welke
men op sommige bergen in Wallis ontmoet. Eene dergelijke vegetatie,
zoo dicht boven den boomgaard van tropische gewassen op de kust,
was zeer verrassend. Op het hoogste punt, dat ik bereikte, verschenen
weder boomen. De laagste der drie betrekkelijk rijke plantenzonen dankt
hare vochtigheid, en dus hare vruchtbaarheid, aan hare vlakke ligging;
want daar zij zich nauwelijks boven den zeespiegel verheft, vloeit
het water uit het hoogere land langzaam af. De tusschenzone reikt
niet, zooals de bovenste, in een vochtigen en bewolkten dampkring,
en blijft daardoor onvruchtbaar. De bosschen in de bovenste zone
bestaan uit zeer fraaie boomvarens, die de kokosnoot van de kust
vervangen. Toch moet men zich niet voorstellen, dat deze bosschen
maar eenigszins de wouden van Brazilië in pracht evenaren. Men kan
trouwens niet verwachten, dat het groot aantal voortbrengselen,
waardoor een vasteland zich kenmerkt, op een eiland voorkomt.

Van het hoogste punt, dat ik bereikte, had men van verre een goed
uitzicht op het eiland Eimeo, dat onder dezelfde souvereiniteit staat
als Tahiti. Boven de hooge en spitse toppen stapelden zich witte
wolkgevaarten, die een eiland vormden aan den blauwen hemel, zooals
Eimeo zelf in den blauwen oceaan. Met uitzondering van eene kleine
doorvaart, is het eiland geheel door een koraalrif omringd. Van verre
was daarvan slechts eene smalle, doch scherp begrensde, schitterend
witte streep zichtbaar, waar de golven het eerst de koraalbank
troffen. Steil verrezen de bergen uit het kristallen watervlak der
lagune, die binnen deze smalle witte streep besloten is, terwijl
daarbuiten de deinende waters van den oceaan eene donkere kleur
bezaten. De aanblik was treffend, en kon passend bij eene omlijste
teekening vergeleken worden, waarvan de golven de lijst, de stille
lagune het papier, en het eiland zelf de teekening voorstellen. Toen ik
des avonds den berg afdaalde, ontmoette ik een man, dien ik met eene
kleine gift verblijd had, en die nu eenige heete gebraden bananen,
een pijnappel en kokosnoten medebracht. Ik ken niets heerlijkers,
als men eene lange wandeling in de brandende zon heeft gedaan, dan
de melk eener jonge kokosnoot. Pijnappels zijn hier zoo overvloedig,
dat de menschen hen even kwistig eten als wij onze rapen. Zij hebben
een voortreffelijken smaak--misschien zelfs beter dan die in Engeland
worden gebruikt; en dit acht ik den hoogsten lof, dien men eene vrucht
kan toezwaaien. Voordat wij aan land gingen, vertolkte de heer Wilson
voor mij aan den Otaheiter, die mij zulk eene attentie bewezen had,
dat ik hem en nog iemand noodig had om mij op een kort uitstapje in
het gebergte te vergezellen.

[18 November.]

Des morgens vroeg ging ik aan land, met eenige levensmiddelen in een
tasch bij mij, en twee wollen dekens voor de gidsen en mijzelven. Deze
werden aan de uiteinden van een langen stok gebonden, dien mijne gidsen
vervolgens beurt om beurt op de schouders droegen. De inboorlingen
zijn er aan gewoon een aan beide einden met 50 pond bezwaarden stok
aldus een geheelen dag lang te dragen. Ik zeide mijn gidsen, dat zij
zich van voedsel en kleêren moesten voorzien; maar zij antwoordden,
dat er voedsel genoeg in het gebergte was, en dat, wat kleêren betrof,
zij aan hunne huid genoeg hadden. Onze tocht leidde door de vallei van
Tia-auru, waardoor eene rivier vloeit, die bij Point Venus in zee valt;
zij is een van de hoofdrivieren op het eiland, en ontspringt aan den
voet der hoogste centrale toppen, die zich tot omstreeks 7000 voet
verheffen. Het geheele eiland is zoo bergachtig, dat de eenige weg
om tot het binnenland door te dringen is, de valleien te volgen. In
't eerst voerde onze weg door bosschen, die de rivier aan weerszijden
begrenzen; en de kijkjes op de centrale toppen, die als door eene laan
met hier en daar een wuivenden kokosboom aan den kant zichtbaar werden,
waren uiterst schilderachtig. Weldra begon de vallei smaller te worden,
en werden de hellingen hooger en steiler. Na eene wandeling van drie
tot vier uren, vonden wij dat het ravijn bijna niet breeder was dan de
bedding van den stroom zelve. Aan den eenen kant waren de wanden bijna
loodrecht; maar wegens de zachte structuur der vulkanische lagen,
groeiden boomen en velerlei planten uit elken vooruitspringenden
rand. Deze wanden waren ongetwijfeld eenige duizenden voeten hoog
en vormden, over het geheel genomen, eene bergkloof zoo prachtig
als ik nooit te voren gezien had. Omstreeks den middag stond de zon
loodrecht boven het ravijn, en de lucht, die koel en vochtig was,
werd nu brandend heet. In de schaduw eener vooruitspringende rots,
aan den voet van een zuilvormig gestolden lavawand aten wij ons
middagmaal. Mijne gidsen hadden zich al een schotel kleine visch
en zoetwater-garnalen verschaft. Zij hadden een netje bij zich, dat
om een hoepel was gespannen, doken hiermeê op diepe plaatsen en in
maalstroomen te water, volgden als otters met open oogen den visch
in hoeken en gaten, en vingen hem.

Te water hebben de Tahitiërs de vlugheid van tweeslachtige
dieren. Ellis verhaalt eene anecdote, die bewijst hoezeer zij zich in
dit element thuis gevoelen. Toen in het jaar 1817 een paard, dat voor
Pomaré [330] bestemd was, van boord werd geheschen, brak de strop,
en viel het dier te water. Onmiddellijk sprongen de inboorlingen
over boord en wendden, al schreeuwend, vruchtelooze pogingen aan
om te helpen, zoodat het dier bijna verdronken was. Maar nauwelijks
bereikten zij het strand, of de geheele bevolking nam de vlucht en
trachtte zich voor het "varken dat een mensch draagt"--gelijk zij
het paard noemden--te verbergen.

Iets hooger in de vallei verdeelde de rivier zich in drie kleine
stroomen. De twee noordelijke waren onbruikbaar door eene reeks
watervallen, die van den rotsachtigen top van den hoogsten berg omlaag
stortten; en ofschoon ook de derde naar allen schijn ontoegankelijk
was, besloten wij toch hem te volgen. De wanden der vallei waren
hier bijna loodrecht; maar zooals dikwijls met gelaagde gesteenten
het geval is, bevatten die wanden smalle vooruitstekende richels of
randen, welke dicht begroeid waren met wilde bananen, lelie-achtige
planten (Liliaceae) en andere fraaie keerkringsgewassen. Op hunne
klimtochten langs deze rotsranden, met het doel vruchten te zoeken,
hadden de Otaheiters een pad ontdekt, waarlangs de geheele steilte
kon worden beklommen. De eerste beklimming van uit de vallei was zeer
gevaarlijk, daar wij met behulp van touwen, die wij bij ons hadden,
een steilhellend naakt rotsvlak over moesten. Hoe iemand ontdekte, dat
deze hoogst gevaarlijke plek het eenige punt was, waar de zijde van
den berg beklommen kon worden, is mij een raadsel. Daarna liepen wij
voorzichtig langs een der randen, tot waar wij een van de drie stroomen
bereikten. Deze rand vormde een vlak terras, waarboven een prachtige
waterval van eenige honderden voeten hoogte omlaag stortte, terwijl
daaronder een tweede hooge waterval in den hoofdstroom der vallei
beneden viel. Van deze koele en belommerde plek maakten wij een omweg,
ten einde den overhangenden waterval te vermijden, en volgden, als te
voren, kleine vooruitspringende richels, waar het gevaar van omlaag
te storten door den dichten plantengroei gedeeltelijk werd opgeheven.

Op het punt waar wij van den eenen richel op een anderen moesten
overgaan, stond een loodrechte rotswand, die den weg versperde. Een
der Tahitiërs, een kranige sterke kerel, zette een boomstam tegen
deze rots, klom er tegen op en bereikte vervolgens, door spleten als
steunpunten te gebruiken, den top. Hier bevestigde hij de touwen aan
eene vooruitstekende punt, liet ze toen zakken om onzen hond en bagage
op te trekken, en daarna klommen wij zelven naar boven. Ter zijde van
den rand, waarop de doode boom geplaatst was, had de afgrond zeker eene
diepte van 5-600 voet; en zoo de overhangende varens en leliën dien
niet gedeeltelijk aan het oog hadden onttrokken, zou ik duizelig zijn
geworden, en had niets mij kunnen bewegen het gevaar te trotseeren. Wij
klommen verder: nu eens langs richels, dan over mesvormige bergkammen,
met diepe ravijnen aan weerszijden. In de Cordilleras heb ik bergen
gezien op veel grootere schaal, maar die in steilte volstrekt niet
te vergelijken waren met deze. Des avonds bereikten wij eene kleine
vlakke plek aan de oevers van denzelfden stroom, dien wij voortdurend
gevolgd waren, en die in eene reeks van watervallen uit het gebergte
daalt. Hier sloegen wij ons nachtkwartier op. Aan beide zijden van
het ravijn stonden groote groepen bergbanaanboomen, beladen met rijpe
vruchten. Vele van deze planten hadden eene hoogte van 20 tot 25
voet, bij een omtrek van 3 tot 4 voet. Met reepen schors in plaats
van touwen, met bamboesstengels als daksparren, en het groote blad
van den banaan als dak bouwden de Tahitiërs in enkele minuten een
uitstekend huis, en maakten van droge bladeren een zacht bed.

Toen gingen zij vuur maken om ons avondeten te koken. Door een stok
met stompe punt krachtig heen en weer te wrijven in eene holte van een
anderen stok, als wilden zij de groef verdiepen, vatte het zaagsel
eindelijk vuur, en hadden zij licht. Voor dit doel gebruiken zij
alleen eene eigenaardige, witte en zeer lichte houtsoort (Hibiscus
tiliaceus)--dezelfde, die ook dient om stokken te maken voor het
dragen van lasten, en de drijvende loefbalken van hunne kano's. Het
vuur ontstond in enkele secunden; maar voor iemand, die de kunst niet
verstaat, vereischt het de grootste inspanning. Ik ondervond dit zelf,
en was er zeer trotsch op, dat het mij eindelijk gelukte het zaagsel
te doen ontbranden. De Gaucho in de Pampas volgt eene andere methode;
hij neemt een buigzamen stok van omstreeks 18 inches lengte, drukt
het eene einde tegen zijne borst, het andere spitse in eene holte,
die zich in een stuk hout bevindt, en draait dan snel het gebogen deel
rond, evenals een timmerman zijn centerboor. Toen de inboorlingen een
takkevuurtje gemaakt hadden, legden zij een twintigtal steenen ter
grootte van een cricketbal op het brandende hout, zoodat, toen ongeveer
tien minuten later de takjes verteerd waren, de steenen gloeiden. Van
te voren hadden zij stukjes ossevleesch, visch, rijpe en onrijpe
bananen, alsmede een aantal toppen van den wilden kalfsvoet (Arum)
in kleine bladstrooken gewikkeld. Deze groene pakjes werden nu in eene
laag tusschen twee lagen heete steenen gelegd, en alles te zamen met
aarde bedekt om geen rook of damp te laten ontsnappen. In ongeveer
een kwartier was het geheele maal allersmakelijkst gekookt. Nadat
de keur van groene pakjes op een dek van banaanbladeren was gelegd,
gebruikten wij ons landelijk maal en dronken uit eene kokosschaal
het koele water van den snelvlietenden stroom.

Niet zonder bewondering sloeg ik de planten in den omtrek gade. Aan
alle zijden banaanboomwouden, waarvan de vruchten bij hoopen op
den grond lagen te rotten, ofschoon zij in velerlei opzicht als
voedsel dienen. Tegenover ons lag een uitgestrekt en dicht begroeid
bosch van wild suikerriet, terwijl de rivier belommerd werd door
de donkergroene knoestige stammen van den vroeger om zijne sterke
bedwelmende eigenschappen zoozeer vermaarden kawa-struik (Ava). Ik
kauwde een stuk en vond, dat het een bijtenden, onaangenamen smaak had,
hetgeen mij terstond zou hebben doen besluiten de plant voor giftig
te verklaren. Dank zij den zendelingen, tiert deze plant nu alleen in
deze diepe ravijnen, onschadelijk voor elk. Dichtbij zag ik den wilden
kalfsvoet, waarvan de wortels, mits goed gekookt, een degelijk voedsel
vormen, terwijl de jonge bladeren beter zijn dan spinazie. Dan waren er
de wilde brood(yams-)wortel, en eene lelie-achtige plant, Ti genaamd,
welke hier in overvloed groeit en een zachten, bruinen, in vorm en
grootte op een dik blok hout gelijkenden wortel bezit. Laatstgenoemde
wortel diende ons als dessert, want hij is zoo zoet als stroop en heeft
een aangenamen smaak. Daarenboven waren er vele andere wilde vruchten,
en nuttige gewassen. Behalve het koele water, leverde de stroom ook
aal en rivierkreeft. Inderdaad, ik bewonderde dit landschap, toen ik
het vergeleek met een onbebouwd gewest in de gematigde streken, en
begreep den zin der woorden, dat de mensch--althans de wilde mensch
met zijne slechts ten deele ontwikkelde geestvermogens--het kind der
keerkringen is.

Toen de avond begon te vallen, doolde ik onder het duistere lommer
der bananen en volgde den oever verder opwaarts. Mijne wandeling
was echter spoedig ten einde, doordien ik aan een waterval kwam
van 2-300 voet hoogte; en boven dezen was er nog een. Ik noem al
die watervallen in dezen enkelen bergstroom, om in 't algemeen een
denkbeeld te geven van de helling van het land. Het scheen of er op
dit afgelegen plekje waar het water viel, zich nooit een zuchtje van
den wind had doen gevoelen. De dunne randen der groote banaanbladeren,
vochtig van den dauw, waren ongeschonden in plaats van in duizend
reepjes te zijn gespleten, zooals anders meest het geval is. Van onze
verheven standplaats, bijna zwevend tegen de helling van den berg,
hadden wij vluchtige kijkjes op de naburige vallei in de diepte,
en hoog daarboven verrezen de kruinen der centrale bergen, die tot
op 60° van het zenith reikten en den westelijken hemel half in het
duister hulden.

Voordat wij ons te slapen legden, viel de oudste Otaheiter op de
knieën, en zeide met gesloten oogen een lang gebed op in zijne
moedertaal. Hij bad zooals een goed christen doen zou, met gepasten
eerbied en onbevreesd dat hij zich door teekenen van vroomheid
belachelijk zou maken. Gedurende den maaltijd zou geen der mannen
voedsel aanraken, zonder vooraf een kort gebed op te zeggen. Reizigers,
die denken dat een Tahitiër alléén bidt wanneer de oogen van den
zendeling op hem gericht zijn, hadden dien nacht maar eens met ons
op den berg moeten slapen. Voordat de morgen aanbrak, viel er eene
hevige regenbui; maar het goede dak van banaanbladeren hield ons droog.

[19 November.]

Toen de dag aanbrak deden mijne vrienden hun morgengebed en maakten,
op dezelfde wijze als den vorigen avond, een uitstekend ontbijt
voor ons gereed. Zij zelven aten er ruimschoots van; en inderdaad
moet ik bekennen, dat ik nog nooit een mensch zooveel heb zien
eten. Vermoedelijk zijn hunne bijzonder ruime magen een gevolg hiervan,
dat een groot deel van hunne spijs uit vruchten en groenten bestaat,
die in een gegeven volume een betrekkelijk klein quantum voedsel
bevatten. Naar ik later vernam, was ik onbewust de oorzaak, dat
mijne gidsen eene van hunne eigen wetten en besluiten overtraden. Ik
had nl. eene flesch met spiritualiën bij mij, waarvan zij niet
weigeren konden iets te gebruiken; maar telkens als zij een teugje
dronken, legden zij hunne vingers op den mond en prevelden het woord:
"Zendeling." Ofschoon het gebruik van den kawastruik belet was, werd
vóór omstreeks twee jaren door den invoer van spiritualiën dronkenschap
zeer algemeen. De zendelingen bewogen toen enkele goedgezinde mannen,
die zagen dat hun land snel in zijn verderf liep, om te zamen een
"Matigheidsgenootschap" op te richten. Hetzij uit overtuiging of uit
schaamte, lieten alle hoofden en de koningin zelve zich eindelijk tot
aansluiting bij dat genootschap bewegen. Onmiddellijk werd eene wet
uitgevaardigd, dat geen spiritualiën op het eiland mochten worden
ingevoerd, en dat de kooper en verkooper van het verboden artikel
met boete zou worden gestraft. Eene merkwaardig rechtvaardige daad
was, dat men een zekeren tijd toestond om den aanwezigen voorraad
te verkoopen, voordat de wet in werking trad. Maar toen dit plaats
had, werd er een algemeen onderzoek ingesteld, waarbij zelfs de
huizen der zendelingen niet verschoond bleven, en werd al de "ava"
(zooals de inboorlingen alle brandende geestrijke dranken noemen)
op den grond gestort. Denkt men aan de gevolgen der onmatigheid op
de inboorlingen zoowel van Noord- als Zuid-Amerika, dan zal men,
denk ik, toegeven dat ieder die het wèl meent met Tahiti, geen gewone
mate van dankbaarheid aan de zendelingen verschuldigd is. Zoolang het
kleine eiland St.-Helena onder het bestuur der Oost-Indische Compagnie
stond, mochten spiritualiën om het groote nadeel, dat zij veroorzaakt
hadden, niet worden ingevoerd; maar uit de Kaap de Goede Hoop werd
wijn geleverd. Het is een treffend en niet zeer streelend feit,
dat in hetzelfde jaar toen spiritualiën verkocht mochten worden op
St.-Helena, het gebruik daarvan op Tahiti bij volkswil werd afgeschaft.

Na het ontbijt vervolgden wij onzen tocht. Daar mijn doel alléén was
iets van het middenlandschap te zien, keerden wij langs een ander pad,
dat naar de hoofdvallei beneden voerde, terug. Een eind weegs volgden
wij een hoogst ingewikkeld pad, dat spiraalvormig om de helling van den
berg liep, aan welks voet de vallei lag, en trokken in de minder steile
gedeelten door uitgestrekte boschjes wilde banaanboomen. Met hunne
naakte, getatoueerde lichamen en hunne met bloemen versierde hoofden,
zouden onze gidsen onder het duistere lommer dezer boschjes een fraai
type hebben gevormd van menschen, die een oerwoud bewonen. Bij onze
daling volgden wij eene reeks van uiterst smalle bergkammen, die over
groote afstanden zoo steil waren als een ladder, maar alle met planten
begroeid. Wat den tocht zoo vermoeiend maakte, was de buitengewone
zorg, waarmeê hier elke voetstap moest worden gewogen. Telkens als
ik van deze hooge, mesvormige bergkammen de oogen over het land liet
gaan, verwonderde ik mij over deze afgronden en ravijnen, en was
de indruk van dit smalle steunpunt uit bijna dezelfde, als hij voor
iemand in een luchtballon moet zijn. Bij deze daling behoefden wij
slechts eens de touwen te gebruiken, en wel op het punt, waar wij in
de hoofdvallei kwamen. Hier sliepen wij onder denzelfden rotswand, waar
wij den vorigen dag gegeten hadden; maar ofschoon de nacht helder was,
heerschte in de diepe, nauwe bergkloof eene ondoordringbare duisternis.

Voordat ik dit land zag, kon ik moeilijk twee feiten begrijpen,
waarvan Ellis melding maakt, nl., dat de overwonnen Otaheiters,
die na de moordende veldslagen in vroeger tijden in het leven
waren gebleven, met een handvol mannen eene geheele menigte konden
weerstaan. Inderdaad, ik erken, dat op de plek waar onze Otaheiter
den dooden boomstam tegen den rotswand zette, zes man met gemak eenige
duizenden konden afslaan. Ten tweede: dat er na de invoering van het
christendom wilde Otaheiters in de bergen leefden, wier schuilhoeken
aan de meer beschaafde bewoners onbekend waren.

[20 November.]

Vroeg in den morgen gingen wij op weg en bereikten des middags Matavai,
nadat wij onderweg een grooten troep knappe, sterk gebouwde mannen
waren tegengekomen, die wilde bananen gingen zoeken. Ik bevond, dat
het schip wegens de moeite om water in te nemen zich naar de haven
van Papawa had begeven, en wandelde nu terstond daarheen. Deze haven
is eene zeer aardige plek; de kreek is omringd door klippen, en het
water is er zoo effen als in een meer, terwijl de bebouwde grond met
zijne schoone voortbrengselen, waartusschen hier en daar eene hut ligt,
tot dicht bij den waterkant reikt.

Op grond van de verschillende verhalen, die ik vóór mijn bezoek aan
deze eilanden gelezen had, was ik zeer verlangend mij door eigen
waarneming een oordeel te vormen over de zedelijke gesteldheid
der bewoners, ofschoon, zooals vanzelf spreekt, dit oordeel zeer
oppervlakkig moest zijn. Ten allen tijde hangen de eerste indrukken
zeer veel af van onze vooraf verkregen begrippen. Mijne begrippen waren
ontleend aan de Polynesian Researches van Ellis, een bewonderenswaardig
en hoogst belangwekkend boek, maar dat natuurlijk alles uit een
gunstig oogpunt beziet; dan uit Beechey's Reis, en eindelijk uit het
werk van Kotzebue, dat sterk tegen het geheele zendelingenstelsel
gekant is. Hij, die deze drie verhalen vergelijkt, zal, denk ik,
een vrij nauwkeurig begrip krijgen van den tegenwoordigen toestand op
Tahiti. Een mijner indrukken, dien ik aan de twee laatste autoriteiten
ontleende, was beslist onjuist, nl. dat de Otaheiters een neerslachtig
ras waren geworden, dat bevreesd was voor de zendelingen. Van het
laatste zag ik geen spoor, tenzij dat vrees en eerbied onder denzelfden
naam mogen doorgaan. In plaats dat misnoegdheid hun gewone stemming
is, geloof ik, dat men in Europa moeilijk half zooveel opgeruimde
en tevreden gezichten bijeen zou kunnen brengen. Heftig vaart men
uit tegen het verbod van fluit en dans, als dwaas en verkeerd; en de
meer dan presbyteriaansche manier van rustdagvieren beschouwt men in
een dergelijk licht. Ik wil echter den schijn niet aannemen over deze
punten eene meening te voeren, in strijd met personen, die evenveel
jaren, als ik dagen, op het eiland gewoond hebben.

Over het geheel schijnen mij de zedelijkheid en godsdienst der bewoners
hoogst lofwaardig toe. Velen zijn er, die nog scherper dan Kotzebue
zoowel de zendelingen en hun stelsel aanvallen, als de gevolgen
daardoor teweeg gebracht. Zij, die zoo spreken, vergelijken nooit
den tegenwoordigen toestand van het eiland met dien van slechts 20
jaren vroeger, noch met dien van het hedendaagsche Europa, maar meten
hem af naar den hoogen maatstaf van evangelische volmaaktheid. Zij
verwachten, dat de zendelingen zullen uitvoeren wat de Apostelen
zelven niet vermochten. Voor zoover de zedelijkheid van een volk
bij dezen hoogen maatstaf te kort komt, werpt men een blaam op den
zendeling, in plaats van hem te prijzen voor hetgeen hij heeft tot
stand gebracht. Men vergeet, of wil niet bedenken, dat menschenoffers
en de macht eener afgodspriesterschap; een stelsel van verdorvenheid,
dat nergens ter wereld zijne wederga vond; ook kindermoord als een
gevolg van dit stelsel, en bloedige oorlogen waarin de overwinnaars
vrouwen noch kinderen spaarden--dat al deze gruwelen hebben opgehouden
te bestaan, en dat oneerlijkheid, onmatigheid en losbandigheid door
de invoering van het christendom aanmerkelijk zijn verminderd. Dat
een reiziger deze dingen vergeet, getuigt van grove ondankbaarheid,
want mocht hij ooit gevaar loopen op eene onbekende kust schipbreuk
te lijden, dan zal hij met de meeste vroomheid bidden, dat het woord
van den zendeling ook daarheen worde overgebracht.

Op het punt van zedelijkheid maakt vrouwendeugd, zooals dikwijls gezegd
is, de meeste uitzonderingen. Maar voordat men haar te streng berispt,
zal het goed zijn zich de tooneelen duidelijk voor den geest te roepen,
door Kapitein Cook en Banks beschreven, waarin de grootmoeders en
moeders van het tegenwoordige ras eene rol speelden. Zij, die het
strengst zijn, dienden in 't oog te houden, hoezeer de zedelijkheid
der vrouwen in Europa afhangt van het stelsel, dat moeders vroegtijdig
tegenover hare dochters in acht nemen, en hoeveel daarvan in elk
bijzonder geval aan de voorschriften van den godsdienst te danken
is. Maar het is nutteloos met zulke praters te redetwisten! Ik geloof
dat zij, teleurgesteld door de ontdekking dat de losbandigheid niet
meer zoo ruim baan heeft als vroeger, geen achting willen hebben
voor eene zedelijkheid, die zij niet in praktijk wenschen te brengen,
noch voor een godsdienst, dien zij onderschatten, zoo niet verachten.

[Zondag, 22 November.]

De haven van Papéite (of Papeete), waar de koningin verblijf houdt,
kan als de hoofdstad van Tahiti beschouwd worden; ook is zij de
zetel der regeering en het brandpunt van scheepvaart. Kapitein
Fitz-Roy, vergezeld van eenige personen, ging hier dezen dag eene
godsdienstoefening bijwonen, eerst in de Tahitische taal, en vervolgens
in het Engelsch. Pritchard, het hoofd der zendelingen, nam den dienst
waar. De kapel bestond uit eene groote, luchtige, houten loods,
die overvol was met zindelijke, nette menschen van elken leeftijd en
beide seksen. In de mate van aandacht, die de toehoorders schenen te
hebben, werd ik eenigszins teleurgesteld; maar ik geloof, dat dit
kwam door mijne te hoog gespannen verwachtingen. In allen gevalle
waren die houding en stemming naar het uiterlijk geheel dezelfden als
in eene Engelsche kerk op het platteland. Het zingen van de psalmen
was bepaald zeer aangenaam; maar de taal van den preekstoel, ofschoon
vloeiend gesproken, klonk niet mooi; en een voortdurend herhalen van
woorden, als: tata ta, mata mai, maakte haar eentonig. Na afloop van
den Engelschen dienst, keerde een deel van ons gezelschap te voet
naar Matavai terug. Het was eene aangename wandeling, nu eens langs
het zeestrand, dan weer onder het lommer der talrijke fraaie boomen.

Omstreeks twee jaren geleden was een klein schip onder Engelsche vlag
door eenige bewoners der Lage Eilanden geplunderd, die toen onder
de heerschappij der koningin van Tahiti stonden. Algemeen geloofde
men, dat de bedrijvers tot deze daad waren aangespoord door eenige
onbezonnen wetten, welke hare majesteit had uitgevaardigd. De eisch tot
schadeloosstelling van den kant der Britsche regeering werd ingewilligd
en eene som van bijna 3000 dollar werd aangeboden, te betalen op
1 September 1835. De Commodore te Lima gelastte kapitein Fitz-Roy
onderzoek naar deze schuld te doen, en bij niet-betaling voldoening te
eischen. Overeenkomstig dien last verzocht de kapitein om een onderhoud
met koningin Pomaré, die later zulk eene vermaardheid kreeg door de
slechte behandeling, welke zij van de Franschen ondervond. Wat toen
plaats had, zal ik, sedert kapitein Fitz-Roy zijn belangrijk rapport
uitbracht, niet pogen te beschrijven. Het geld scheen niet betaald te
zijn, misschien omdat de aangevoerde redenen wat dubbelzinnig waren;
maar overigens kan ik niet genoeg onze algemeene verbazing uitdrukken
over den fijnen tact, de gezonde taal, de gematigdheid, openhartigheid
en snelle beslissing, die allerwege aan den dag werden gelegd. Ik
geloof, dat wij allen de bijeenkomst verlieten met een geheel anderen
dunk omtrent de Tahitiërs, dan wij bij onze binnenkomst hadden. De
hoofden en het volk besloten in te schrijven en zoo het tekort aan te
vullen. Toen kapitein Fitz-Roy opmerkte, dat het hard voor hen was
wegens de misdaden van andere eilanders hun persoonlijk eigendom op
te offeren, antwoordden zij, dat zij hem dankbaar waren voor zijne
opmerking, maar dat Pomaré hunne koningin was, en zij besloten hadden
haar in deze moeilijke aangelegenheid te helpen. Dit besluit en de
snelle uitvoering er van--want den volgenden morgen vroeg werd er
eene inschrijving geopend--voltooiden op volmaakte wijze dit zeer
merkwaardig geval van loyauteit en fijnen tact.

Nadat de voornaamste bespreking was afgeloopen, maakten verscheidene
hoofden van de gelegenheid gebruik om kapitein Fitz-Roy een aantal
schrandere vragen te doen over internationale gebruiken en wetten, die
betrekking hadden op het behandelen van schepen en vreemdelingen. Voor
sommige punten werd de wet, na genomen besluit, op staanden voet
mondeling uitgevaardigd. Dit Tahitische parlement duurde verscheidene
uren, en toen het geëindigd was, noodigde kapitein Fitz-Roy koningin
Pomaré tot een bezoek aan de Beagle.

[25 November.]

Des avonds werden vier booten afgezonden, om hare majesteit in te
halen. Het schip was in vlaggetooi, en bij hare komst aan boord zat de
bemanning in de raas. Zij werd door de meeste hoofden vergezeld. Allen
gedroegen zich zeer netjes, vroegen om niets, en schenen met de
geschenken van kapitein Fitz-Roy zeer verblijd. De koningin is eene
groote, plompe vrouw, zonder eenige schoonheid, bevalligheid of
waardigheid. Zij heeft slechts één koninklijke eigenschap, nl., dat
de uitdrukking van haar gezicht, die eenigszins knorrig of gemelijk
is, onder alle omstandigheden volmaakt strak blijft. Onze vuurpijlen
werden het meest bewonderd; en na elke ontploffing kon men van het
donkere strand rondom de baai een geluid "o! o!" hooren. Maar ook het
gezang der matrozen werd zeer bewonderd, en een van de onstuimigste
liederen trok zoozeer de aandacht der koningin, dat zij opmerkte dat
dit stellig geen psalm kon zijn! Het koninklijk gezelschap keerde
eerst na middernacht naar het strand terug.

[26 November.]

Des avonds zetten wij, begunstigd door een zachte strandbries,
koers naar Nieuw-Zeeland; en toen de zon onderging, wierpen wij
een afscheidsblik op de bergen van Tahiti, het eiland, waaraan elk
reiziger zijn cijns van bewondering heeft betaald.



[19 December.]

Na eene reis van 23 dagen zagen wij des avonds Nieuw-Zeeland in de
verte liggen. Wij kunnen nu zeggen, dat wij den Stillen Oceaan bijna
zijn overgetrokken. Om de onmetelijke uitgestrektheid van deze zee te
begrijpen, moet men haar overzeilen. Op onze snelle vaart van eenige
weken achtereen zagen wij niets dan lucht, en den blauwen, diepen,
diepen oceaan! Zelfs binnen de archipels zijn de eilanden niets dan
stippen, die op grooten afstand van elkander liggen. Gewoon, als wij
zijn, aan kaarten op kleine schaal geteekend en waarop eilandenstippen,
schaduwen en namen zich verd