Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: A Christmas carol. Dutch - Een Kerstlied in Proza
Author: Dickens, Charles, 1812-1870
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "A Christmas carol. Dutch - Een Kerstlied in Proza" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                           Wereld Bibliotheek
                      Onder leiding van L. Simons

                            Charles Dickens


                         Een Kerstlied in Proza

                        Vertaald door J. Kuylman
                        Met inleiding door L. S.


      Uitgegeven voor De Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur door
                        G. Schreuders Amsterdam



De vertaler wenscht openlijk te erkennen, dat hij hier en daar een
dankbaar gebruik heeft gemaakt van de aanteekeningen van den heer
Ten Bruggencate in diens bekende uitgaaf van het origineel.

J. K.



IETS OVER CHARLES DICKENS

(1812-1870).


Er is geen werk en er zijn geen schrijvers, waarover het zoo moeilijk
valt in later leven te oordeelen als die, waarmee men geleefd heeft
in zijn jonge jaren, waarvan men genoten heeft toen lezen nog een
wonderbaarlijk opgaan was in vreemde werelden van volkomen echtheid,
zonder andere toets dan "boeiend" of "vervelend".--Dickens is er
zoo éen voor mij geweest. En ik zou niet graag geroepen worden een
oordeel te schrijven over Pickwick, Barnaby Rudge, Olivier Twist en
de Kerstvertellingen, want ik kom er niet los genoeg van mijn jonge
ervaringen.

Doch oordeelen over deze Kerstvertelling moet de lezer maar zelf. Een
kort woord is alleen noodig over den schrijver.

Toen hij deze Kerstvertelling schreef was hij dertig jaar en al een der
populairste vertellers van zijn tijd door zijn Samuel Pickwick. Hij had
achter den rug een nogal moeilijk leven van den kleinen burgerjongen,
die van buiten naar Londen was gekomen om er zijn weg te zoeken. Zijn
eerste rustpunt dáár was een advocaten-kantoor; zijn tweede was het
verslaggeversambt van terechtzittingen. Zoo leerde hij veel kennen
van den ondergrond van het groote stadsleven; van de praktijken der
rechtsgeleerden; de kronkelpaden van het gerecht; de hardheid van het
armelijke leven in de groote stad. En hij oefende zich in schrijven;
werd novellistisch reporter; schetsenmaker; later: romancier, die in
wekelijksche afleveringen lange verhalen pende vol avontuur, realisme,
humor, satire, pathos en zedeles,--alles door elkander.

Door zijn eigen tijdgenooten is Dickens nogal eens geschuwd om
zijn realisme; en tegelijkertijd is hem de kritiek niet gespaard
om zijn tot in de karikatuur-vervallende òver-typeering en zijn
effectbejag. Wat tegenstrijdig klinkt, doch het in zijn geval niet
is. Want zijn realisme was zuiver zedekundig-maatschappelijk en
humanitair, stond geheel onder den invloed van zijn behoefte tot
aanwijzen van misbruiken en opwekken tot verbeteren. Niet om de koel-
en verstandelijk waargenomen werkelijkheid weer te geven, was het
hem te doen. Maar om zijn lezers te doordringen van de vele ellende,
die om hen heen groeide, en waar zij onverschillig voorbijgingen;
en ze de misbruiken te doen kennen, die om verbetering riepen. Zelf
zoo sterk gevoelsmensch, dat hij onder het neerschrijven zijner eigen
verbeeldingen soms half ziek werd, liet hij zich al schrijvend door
dat gevoel beheerschen tot overdrijvingen en sentimentaliteiten,
welke in dien éersten tijd der 19e eeuw nog uit de 18e eeuw in
heel de romantische letterkunde voortleefden. En zijn humor was
onder den invloed van de echt Engelsche clowneries en de gezochte
aardigheden, die nog tot vandaag den dag het tooneel er beheerschen,
in éen rechte lijn van Shakespeare tot Bernard Shaw. Het is de humor
van een volk van lijn-kunst, dat gauw overslaat tot de charge en
de caricatuur der overdreven vormen en òver-typeering. En Dickens,
geboren acteur en voordrager, is wel in alle opzichten de sterke
openbaring van al zijn volks-eigenaardigheden gebleken. Maar hij
bezat daarnaast de onontbeerlijke eigenschappen om zijn fouten te
doen vergeten in de sterke wegsleependheid van zijn aard; de kracht
van zijn verbeelding; de fleur van zijn grappigheid; de uitbundigheid
van zijn vinders-vernuft, en de meegevoeligheid van zijn hart.

Tijdens de jaren van zijn leven (1812-1870) heeft Engeland een
geleidelijke evolutie doorgemaakt, waarin versteend industrialisme
en verrotte politiekerij door de zelf-ontwaking van de onderdrukten
en het edelmoedig verzet van idealisten uit de andere klassen,
werden omgewerkt tot bescherming van de arbeiders en zuiverder
democratie. Tot die edelmoedige idealisten heeft ook Dickens behoord
en zijn strijd tegen misbruiken in de rechtspraak, misbruik in de
kostscholen, tyrannie van den gehuwden man, kinderverwaarloozing,
heeft de hervormingsbeweging niet weinig geholpen. Hij had een macht
over duizenden van lezers, in wier gemoed hij soms wel wat òverforsch
kwam roeren, maar die zóo in hem en zijn scheppingen geloofden,
dat zij, naarmate zijn werk in wekelijksche afleveringen vorderde,
hem overstelpten met smeekbrieven om een kleine heldin toch niet te
laten sterven; of dìè toch met dìèn te laten trouwen--.

Aan een populariteit als deze zit altijd gevaar. Men wordt geen
schrijver voor de menigte, als men niet in sterke mate eigenaardigheden
heeft die tot velen spreken en velen gemeenzaam zijn, en wat vele
menschen met elkaar gemeen hebben, kan alleen het àlgemeene zijn. Het
fijnere, bizondere, in zich zelf verlorene is uit den aard der zaak
maar voor weinigen. Doch dit algemeene behoeft niet noodzakelijk
het grove, alledaagsche, oppervlakkige, sentimenteele te wezen. Er
zijn kunstenaars door wie de sterke en groote levensstroom beweegt;
menschen met breed gebaar, gansche levensruimten vullend, en die
aldus op dien breeden, gullen en warmen levensstroom velen met zich
nemen. Victor Hugo is zulk een mensch geweest, Peter Benoit was er
een. Ook Björnson en Zola. En Dickens, hoewel zijn gebaar niet zóo
breed, en zijn verbeeldingsleven niet zoo gul-echt was, behoorde
toch wel tot hen, die hun populariteit dankten aan het sterke dat
in hen was, en niet aan hun levensvervalschingen en niets-ontziende
doordravende oppervlakkigheden, als nu Marie Corelli haar voorbijgaande
populariteit bezorgen.--

Zijn Kerstvertelling, in 1842 geschreven, is een heel karakteristiek
staal van zijn eigenaardige kunst. Er is de echt-Engelsche,
op het ijzingwekkende gerichte, verbeelding; de bizarre humor;
de sterke gevoeligheid en de humanitaire strekking in, die de vier
grond-elementen van zijn werk vormen. In zijn soort is het compleet en
ook door hem zelf niet overtroffen. Werk van langer adem van hem--en
dat is wel het meeste--was zoo spoedig niet te vertalen. Maar het
staat op onze lijst voor de toekomst. Want het behoort gemeengoed
van allen te blijven of te worden.


L. S.



EEN KERSTLIED IN PROZA
ZIJNDE EEN SPOOK-KERSTVERTELLING DOOR CHARLES DICKENS


EERSTE ZANG.

MARLEY'S GEEST.


Om 't dadelijk te zeggen: Marley was dood. Twijfel daarover
is onmogelijk. Zijn begrafeniscedel werd geteekend door den
geestelijke, den burgerlijken ambtenaar, den begrafenisondernemer
en den voornaamsten rouwdrager. Scrooge teekende haar; en Scrooge's
naam was op de Beurs goed voor alles waarop hij zijne handteekening
verkoos te zetten. De oude Marley was zoo dood als een deurpen. [1]
Let wel! ik wil niet zeggen, dat ik uit eigen ervaring weet, wat er
bijzonder doods is aan een deurpen. Ik voor mij zou geneigd zijn
een nagel in een doodkist te beschouwen als het doodste ding in
den ijzerhandel. Doch in deze vergelijking steekt de wijsheid onzer
voorouders; en mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, of
't is gedaan met het land. Ge zult mij daarom veroorloven nog eens
met nadruk te herhalen, dat Marley zoo dood was als een deurpen.

Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het
anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons
geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur,
zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige
rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó
volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich
nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf,
en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van
Marley's begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.--Er
bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley's dood.--Dit moet goed
verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis
die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat
Hamlet's vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets
méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht,
bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan
er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van
middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den
avond gaat wandelen op een winderige plaats--bijvoorbeeld St. Pauls
Churchyard--met geen ander opzet, dan om den zwakken geest van zijn
zoon in verbazing te zetten.

Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond
er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en
Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu
eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan
weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles
hetzelfde.

Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een
uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige
oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit
een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf
gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken
verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte
zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw,
en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op
zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen
lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de
hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis.

Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op
Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud
maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende
sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was
minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan
te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden
slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen
nog wel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield
hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: "m'n
waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?" Geen
bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen
vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den
weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der
blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten
zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken,
en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: "géén oog
is beter dan een boos oog, blinde meester!"

Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich
een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte,
en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden,
dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge's hand noemden.

Op een keer--en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den
avond vóór Kerstmis--was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het
was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon
de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen,
hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op
de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken
van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel
donker--het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest--en
kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als
rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar
binnen door iedere reet en elk sleutelgat, en was buiten zóó dicht,
dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde
niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer
zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de
Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was.

De deur van Scrooge's kantoor stond open, opdat hij een oogje kon
houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort
hok, brieven copiëerde. Scróóge had al een klein vuurtje, doch het vuur
van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon
er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer;
en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn
meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn
witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat
hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte.

"Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!" riep een vroolijke
stem. Het was de stem van Scrooge's neef, die hem zoo plotseling
overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was.

"Bah!" zei Scrooge, "nonsens!"

Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle
loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was
rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte.

"Kerstmis nónsens, oom!" zei Scrooge's neef, "dat meent u niet."

"Waarachtig wel," zei Scrooge. "Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb
jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen."

"Kom nu," antwoordde de neef vroolijk, "welk recht hebt ù om knorrig
te zijn? ù is rijk genoeg."

Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij
nogmaals "bah" en liet er op volgen: "Nonsens."

"Wees nu niet knorrig, oom," zei de neef.

"Wat kan ik anders zijn," antwoordde de oom, "als ik in zoo'n wereld
vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat
beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen
moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf
een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te
maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te
zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou," zeide Scrooge verontwaardigd,
"zou iedere idioot die rondloopt met "vroolijke Kerstmis" op zijn
lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met
een hulsttak door zijn hart.--Dàt zou ie!"

"Oom!" pleitte de neef.

"Neef!" antwoordde de oom streng, "vier Kerstmis zooals je verkiest
en laat mij het doen zooals ik het wil."

"Vieren!" hernam Scrooge's neef. "Maar u viert het heelemaal niet."

"Laat me het dan laten voor wat het is," zeide Scrooge. "Veel goed
moge het je doen! 't Heeft je altijd veel geluk gebracht!"

"Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen
nut getrokken heb waarschijnlijk," antwoordde de neef, "en van deze
dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd
als hij weder dáár was--nog afgezien van den eerbied, verschuldigd aan
zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past
er van afgescheiden kan worden)--gedacht heb als aan een goeden tijd:
een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen
tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen
als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen,
en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar
het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een
ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een
greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het
mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem."

De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk
daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het
vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit.

"Laat ik joù nog es hooren," zeide Scrooge, "en jij zult je Kerstmis
vieren met het verlies van je betrekking.--Ge zijt bepaald een groot
redenaar, meneer," voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. "'t
Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit."

"Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten."

Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han--, ja, waarachtig,
dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij
hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien.

"Maar waarom?" riep Scrooge's neef uit. "Waarom?"

"Waarom trouwde je?" zeide Scrooge.

"Omdat ik verliefd werd."

"Omdat je verliefd werd!" gromde Scrooge, alsof dit het eenige
ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke
Kerstmis. "Goeien middag!"

"Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit
gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen."

"Goeien middag," zei Scrooge.

"Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen
wij geen goede vrienden zijn?"

"Goeien middag!" zei Scrooge.

"Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben
wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb
geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch
mijn Kerststemming bewaren tot 't laatste. En daarom, een gelukkig
Kerstfeest, oom!"

"Goeien middag!" zei Scrooge.

"En een gelukkig Nieuw Jaar!"

"Goeien middag!" zei Scrooge.

En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te
uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den
dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer
was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.

"Daar heb je nòg zoo'n idioot," mompelde Scrooge, die hem hoorde:
"mijn klerk met negen gulden in de week en een vrouw en kinderen,
en dat praat over 'n vroolijke Kerstmis. Ik geloof dat ik maar naar
Bedlam [2] zal verhuizen."

Deze idioot had, toen hij Scrooge's neef uitliet, twee andere menschen
binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te
zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge's kantoor stonden. Zij
hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge.

"De firma Scrooge en Marley, geloof ik," zei een der heeren, zijn
lijst inziend. "Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer
Marley te zien?"

"Mijnheer Marley is al zeven jaren dood," antwoordde Scrooge. "Vanavond
voor zeven jaren is hij gestorven."

"Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij
zijn overlevenden compagnon," zeide de heer, zijne geloofsbrieven
overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante
zielen geweest. Bij het onheilspellende woord "mildheid," fronste
Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven
terug.

"In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge," zei de heer,
een pen opnemend, "is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij
iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd
veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen;
honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!"

"Zijn er geen gevangenissen?" vroeg Scrooge.

"O ja, gevangenissen in overvloed," zei de heer, zijn pen weder
neêrleggend.

"En de werkhuizen?" vroeg Scrooge. "Zijn die nog in werking?"

"Zeker. En toch," antwoordde de heer, "wenschte ik dat ik zeggen kon
dat ze 't niet meer waren."

"De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?" zeide
Scrooge.

"Beide nog op volle kracht, meneer."

"Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er
iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had,"
zeide Scrooge. "'t Doet me genoegen dàt te hooren."

"In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist
christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen," antwoordde
de heer, "trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den
armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen
dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld
wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?"

"Voor niets!" antwoordde Scrooge.

"Wenscht u anoniem te blijven?"

"Ik wensch met rust gelaten te worden," zeide Scrooge. "Daar u mij
vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen
feest op Kerstmis en 't kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden
vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven
noemde--en die kosten genoeg--en zij die 't arm hebben kunnen
dáárheen gaan."

"Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven."

"Als zij liever willen sterven," zeide Scrooge, "dan moeten ze dat
maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien--neem
me niet kwalijk--maar daar weet ik niet van."

"Maar u kòn het toch weten," merkte de heer op.

"'t Zijn mijn zaken niet," antwoordde Scrooge. "Het is voldoende als
een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van
anderen. De mijne houden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!"

Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden,
gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden
dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk.

Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen
buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen
uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk,
wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag
vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg
de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna,
alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De
kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje,
waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een
flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze
mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking
met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf
overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling
gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels,
waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages,
kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers-
en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke
praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe
dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden.

De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtige Stadhuis, gaf zijnen
vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze,
zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs
de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete
opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest,
roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn
magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch
te koopen.

Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend
koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen
had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen
(smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst
lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus,
afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door
honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge's sleutelgat om
hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van:


        "Heil en zegen op deez' dag,
        Dat geen leed u treffen mag!"


greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk
verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist
en de nog meer met Scrooge's aard overeenkomende vorst.

Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn
kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok,
die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette.

"Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?" zeide Scrooge.

"Als 't gelegen komt, meneer."

"'t Komt nièt gelegen," zeide Scrooge, "en 't is bovendien niet
billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker
dat je je al heel verongelijkt zou achten."

De klerk glimlachte flauwtjes.

"En toch," zeide Scrooge, "vind je niet dat ìk benadeeld word, als
ik jou een dag salaris betaal voor geen werk."

De klerk merkte op, dat 't maar eens in 't jaar was.

"Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten
December te rollen!" zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin
toeknoopend. "Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten
vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te
vroeger bent."

De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend
heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de
lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend,
(want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken
op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig
maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde
toen huiswaarts naar Camden Town, [3] zoo hard zijne beenen slechts
draven wilden, om blindemannetje te spelen.

Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige
restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen,
en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek,
ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamers die voortijds
behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber
stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar
het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld
hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was,
om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten
had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders
in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als
kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die
iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De
mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat
het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op
den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den
klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een
feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde,
en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht
noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder
begrijpend--wat een stout woord is--den raad, de schepenen en de
gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik
meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds
hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan
eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij
den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder
dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper,
doch Marley's gezicht.

Marley's gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen, in
ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig
licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren
kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts
aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril,
die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde
vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel
de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de
lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen
onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een
deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit
verschijnsel keek was het weder een klopper.

Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan
was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke
sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch
hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had,
draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.

Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur
sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half
en half verwachtte verschrikt te worden door Marley's staartpruikje,
uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de
schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij:
poe, poe! en sloot de deur met een slag.

Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven,
en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een
eigen naklank van echo's te hebben. Doch Scrooge was er de man niet
naar zich door echo's uit het veld te laten slaan. Hij grendelde
de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam,
onder het gaan zijn kaars snuitend.

Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen
een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet;
maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen
oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur
en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed;
wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich
voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een
half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te
goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk
donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch
vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te
zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist
genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.

Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals 't behoorde. Niemand
onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard;
lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge
had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand
in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding
tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm,
oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.

Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en sloot zichzelf in; draaide
den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd
tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak
en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur
zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje,
van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er
zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het
geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De
schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen
Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels,
die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en
Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden
die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams,
Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden
figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit
gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al
het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere
gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het
vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de
losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley's
gezicht te zien zijn geweest.

"Malligheid!" zei Scrooge en liep de kamer op en neer.

Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen
hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn
blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel,
die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergeten
doeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste
verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden
onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze
bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het
begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op,
en al de schellen in het huis deden eveneens.

Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden,
doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen
waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend
gerommel laag beneden in 't huis, alsof iemand een zwaren ketting
sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge
herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en
dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open
met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker,
op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht
op zijn deur aan.

"'k Hou toch vol dat het malligheid is!" zei Scrooge. "Ik wil er niet
in gelooven."

Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil
te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne
oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur
helder op, alsof het zeggen wilde: "die ken ik! Marley's Geest!" en
toen doofde het weder.

Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn
pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten
aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje,
en zijn jaspanden en het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij
voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang,
slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want
Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten,
grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam
was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn
vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.

Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar
dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.

Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.

Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan;
hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde
en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en
kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had,
was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. "Wat heeft
dat nu te beteekenen!" zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. "Wat
wilt ge van mij?"

"Heel veel!"--Marley's stem, daar viel niet aan te twijfelen.

"Wie zijt ge?"

"Vraag me wie ik geweest ben."

"Wie ben je dan geweest?" zeide Scrooge, zijn stem verheffend. "Je
bent nog al kieskeurig--voor een schim." Hij had willen zeggen
"kieskeurig tot op een haar," maar stelde het eerste ervoor in de
plaats, als meer passend.

"Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley."

"Kunt ge--kunt ge gaan zitten?" vroeg Scrooge, hem twijfelachtig
aanziend.

"Jawel."

"Doe dat dan."

Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende
geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat
ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het
noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den
anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.

"Ge gelooft niet aan mij," merkte de Geest op.

"Nee, dat doe ik ook niet," zeide Scrooge.

"Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat
uwer zintuigen?"

"Dat weet ik niet," zeide Scrooge.

"Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?"

"Omdat," zeide Scrooge, "er maar heel weinig noodig is om ze in
de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze
bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn,
een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge
komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan
ook zijn moogt!" Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en
ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig
gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn
eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want
de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde,
dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde
oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen.

Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen
atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch
het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt
stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en
weer als door de heete lucht uit een oven.

"Ziet ge dezen tandestoker?" zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend,
om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het
visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.

"Zeker," antwoordde het spook.

"En je kijkt er niet eens naar," zei Scrooge.

"Maar ik zie hem tòch," zei het spook.

"Nu," antwoordde Scrooge, "ik heb dezen maar door te slikken, om voor
de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters,
allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je--allemaal nonsens."

Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde
zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn
stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch
hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook den binddoek van
zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te
dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.

Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.

"Genade!" zeide hij. "Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij
lastig?"

"Wereldschgezinde man," antwoordde het spook, "gelooft ge in mij
of niet?"

"Ja," zeide Scrooge, "ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over
de aarde, en waarom komen zij tot mij?"

"Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder
zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest
dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den
dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen--oh, wee mij--en
getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen
deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen."

Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong
zijne doorschijnende handen.

"Ge zijt geboeid," zeide Scrooge bevend. "Zeg mij waarom."

"Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde," antwoordde de
Geest. "Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen
vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is
het model ervan ù vreemd?"

Scrooge beefde al meer en meer.

"Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge
zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar
en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan
gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!"

Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf
omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch
hij zag niets.

"Jacob," zeide hij smeekend. "Oude Jacob Marley, vertel mij nòg
meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob."

"Die heb ik niet voor u," antwoordde de Geest. "Die komen van andere
regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere
menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou
willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens
toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren
van ons kantoor--luister--gedurende mijn leven dwaalde mijn geest
nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle
lange reizen liggen vóór mij!"

Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in
zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld
had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of
zijne knielende houding te verlaten.

"Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob," merkte Scrooge op,
op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.

"Langzaam!" herhaalde de Geest.

"Zeven jaren dood!" zeide Scrooge peinzend. "En al dien tijd op reis?"

"Al dien tijd," zei het spook. "Geen rust, geen vrede en voortdurende
knaging van berouw."

"Reist ge snel?" zei Scrooge.

"Op de vleugelen van den wind," antwoordde de Geest.

"Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn," zei Scrooge.

Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde
zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de
nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal
van op te maken wegens burengerucht.

"O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende," riep het spook
uit, "gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door
onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te
niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich
ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest,
in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit
sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht
en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de
ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit
alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!"

"Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob," stamelde
Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.

"Zaken!" riep de Geest uit, zijne handen wringend. "De menschheid
was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde,
mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne
zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts
een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!"

Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak
was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag
weder op den grond.

"In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd 'k het meest," zei
het spook. "Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de
menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar
die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren
er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?"

Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde
voortgaan, en begon erg te beven.

"Hoor mij aan," riep de Geest. "Mijn tijd is bijna om."

"Dat wil ik," zeide Scrooge. "Maar wees niet hard tegen me en wees
niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!"

"Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt,
mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten."

Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte
zich het zweet van het voorhoofd.

"Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening," ging de Geest
voort. "Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om
mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb,
Ebenezer."

"Je waart altijd een goed vriend voor mij," zeide Scrooge. "Dank
je wel."

"Je zult bezocht worden," hernam het spook, "door Drie Geesten."

Scrooge's gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.

"Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?"

"Ja."

"Dan geloof ik, dat--dat ik 't toch maar liever niet wou," zeide
Scrooge.

"Zonder hun bezoek," zeide de Geest, "kunt ge niet hopen het pad
te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten,
als de klok één slaat."

"Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan
hebben, Jacob?" stelde Scrooge voor.

"Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag
van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet
andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden
wat er tusschen ons is voorgevallen."

Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de
tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij
dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley's tanden maakten,
toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij
waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen
bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den
arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem
en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open,
zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest
wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog
slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley's
geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef
staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees;
want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden
in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw,
onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het
spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen
lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.

Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne
nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol
spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts
zweefden. Elk van hen torste ketenen zooals die van Marley's geest;
een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar
geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij
hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden
geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast
aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze
vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon
helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten
ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor
altijd de macht verloren hadden.

Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij
niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen
en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.

Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest
binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn
eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij
probeerde om weder "nonsens!" te zeggen, doch bleef bij de eerste
lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad
had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in
de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met
den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust
had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel
onmiddellijk in slaap.



TWEEDE ZANG.

DE EERSTE DER DRIE GEESTEN.


Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed
keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden
zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis
met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige
kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij
tot zij het volle uur zouden slaan.

Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en
zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en
het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk
zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf!

Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche
klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg
twaalf; en zweeg.

"Wel heb ik van m'n leven, 't is toch niet mogelijk dat ik een
heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben,"
zei Scrooge. "Er zal toch niets met de zon wezen, zoodat dit twaalf
uur 's middags kan zijn?"

Daar dit denkbeeld hem verontrustte, krabbelde hij uit bed en ging
tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met
den mouw van zijn chambercloak af te wrijven voor hij iets kon zien,
en zag toen nòg maar heel weinig. 't Eenige dat hij zien kon was, dat
het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van
heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker
zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had
doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote
verlichting, omdat "na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den
heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief"
enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier
der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren.

Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet
uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen,
en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht.

Marley's Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog
eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een
droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten
wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde
vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: "Was
het een droom of niet?"

Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder
drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat
de Geest hem een bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij
besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij
wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan,
was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon.

Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd
was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt
zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn
luisterend oor:

"Bim-bam!"

"Kwartier over!" telde Scrooge.

"Bim-bam!"

"Half slag!" zei Scrooge.

"Bim-bam!"

"Kwartier vóór," zei Scrooge.

"Bim-bam!"

"Volslag," zeide Scrooge, triomfantelijk, "en er komt niks."

Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een
zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot
een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden
terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde,
evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend
was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge,
die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte,
zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof,
zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan
uwe elboog.

Het was een vreemde gedaante--gelijkend op een kind; en toch weer
niet zoozeer op een kind, als wel op een oud man, gezien door de
een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen
alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de
proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was
wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat,
en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en
gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht
stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals
de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte
tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans
prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de
hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter,
was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de
verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal
ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel
in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu
onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven.

En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook
dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in
dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat
het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de
gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één
arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een
paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van
al deze verdwijnende ledematen was geen omlijning zichtbaar door de
dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich
hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk
en helder als altijd.

"Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?" vroeg
Scrooge.

"Die ben ik!"

De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre
kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn.

"Wie, en wat ben je?" vroeg Scrooge.

"Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden."

"Van làng verledene?" vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw
opmerkte.

"Neen, van ùw verleden."

Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op
hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest
met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken.

"Wat!" riep de Geest uit, "wilt gij met wereldsche handen reeds zoo
gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg
dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en
mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?"

Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den
Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper
op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat
hij hem vroeg wat hem hierheen voerde.

"Uw welzijn!" zeide de Geest.

Scrooge betuigde zijn' dank, doch kon niet nalaten te denken dat
een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijk voor dit doel geweest
zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij
zeide onmiddellijk:

"Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!"

Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm.

"Sta op! en ga met mij mee!"

Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich
niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat
het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt
stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en
chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik
verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand,
was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar
het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad.

"Ik ben maar een sterveling," zeide Scrooge, "en zou licht kunnen
vallen."

"Laat mijne hand u slechts dáár raken," zeide de Geest, zijn hand op
Scrooge's hart leggend, "en gij zult gesteund worden in meer dan dit!"

Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur
heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De
stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De
duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was
een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond.

"Goeie hemel!" zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij
om zich heen keek. "Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik
jong was."

De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en
kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven
te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden,
elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en
zorgen die lang, lang vergeten waren.

"Uw lip beeft," zeide de Geest. "En wat is dat daar op uw wang?"

Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het
een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij
maar wilde.

"Herinnert gij u den weg nog?" vroeg de Geest.

"Of ik!" riep Scrooge met vuur.--"Ik zou hem blindelings kunnen
loopen."--

"Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!" merkte
de Geest op. "Laten we voortgaan."

Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal
en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde,
met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar
ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die
andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren
gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd
en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde
klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte.

"Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn," zeide de
Geest. "Zij beseffen niet dat wij hier staan."

De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onder het aankomen herkende
Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch
buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en
sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was
hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis
hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen,
naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om "een vroolijke Kerstmis?" Weg
met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht?

"De school is nog niet geheel verlaten," zei de Geest. "Een eenzaam
kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven."

Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij
verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en
kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het
dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een
bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had;
want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren
vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren
vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen;
en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras.

Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te
herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door
de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe
schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht,
een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan
te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen.

De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het
huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige
kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren
schoolbanken en lessenaars.

Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend
vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn
eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger.

Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen
achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp
op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken
van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg
pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn
verteederenden invloed op Scrooge's hart en gaf vrijer loop aan
zijne tranen.

De Geest raakte zijn' arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals
hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in
vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar
te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel
gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel.

"Wel heb ik van m'n leven, dat's Ali Baba!" riep Scrooge verrukt
uit. "'t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog
wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan
zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als
nu. Arme jongen! En Valentijn," zeide Scrooge, "en zijn wilde broeder
Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in
zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet, ziet ge hem
niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd
werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik
ben er tòch blij om, wat moest hij ook met de Prinses trouwen?"

Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge's zakenkennissen uit de
City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen,
te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige
stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde
kleur en opgewonden gezicht te zien.

"Daar heb je de Papegaai ook!" riep Scrooge. "Groen lijf en gele
staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. "Arme
Robinson Crusoë," noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart
om zijn eiland heen. "Arme Robinson Crusoë," waar zijt ge geweest,
Robinson Crusoë?" De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch
niet zoo: Het was de papegaai die 't zei, weet je. Daar gaat Vrijdag,
loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te
redden. "Hallo, hoep, hallo!"

En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd
was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, "arme jongen!" en weende
weder.

"Ik wou," mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich
heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord:
"maar 't is nu te laat."

"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest.

"Niets," zeide Scrooge. "Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje
aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat's al!"--

De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaide met de hand, zeggend
terwijl hij dit deed: "Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien."

Bij deze woorden werd Scrooge's vroeger eigen ik grooter, en de
kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in,
de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten
de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde,
wist Scrooge evenmin als gij of ik.--Hij wist alleen dat het precies
zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij
daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens
naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd.

Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en
neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend
angstig naar de deur.

Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam
binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk
kussend, noemde zij hem haar "lieve, lieve broertje."

"Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!" zei het kind, in
hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen,
"om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!"

"Naar huis, kleine Fan?" antwoordde de jongen.

"Ja!" zeide het kind, dol van vreugde. "Naar huis, en voor goed. Vader
is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een
hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op 'n heerlijken avond toen
ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen
of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met
een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!" zei het kind,
haar oogen openend, "en hier kom je nooit meer terug; maar eerst
moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd
hebben dien je je denken kunt."

"Je bent al 'n heele meid, kleine Fan!" riep de jongen uit. Zij klapte
in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij
te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem
te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de
deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken,
ging met haar mede.

Een barsche stem in den gang riep: "Hei daar, breng de koffer van
jongenheer Scrooge es naar beneden!" en in den gang verscheen
de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met
tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door
hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het
alleroudste gat van een kille "mooie kamer" dat ge ooit gezien hebt,
waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de
kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok
bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze
lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht
naar buiten sturend om den postrijder een glas van "'t een of ander"
aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer's aanbod dankbaar
aannam, maar dat als het 't zelfde was wat hij al meer gehad had,
dan had hij 't liever niet. Daar de koffer van jongenheer Scrooge
nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid
van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden
in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; de sneldraaiende
raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen
der coniferen.

"Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen
blazen," zei de Geest. "Maar ze had een ruim hart."

"Dàt had ze," riep Scrooge uit. "Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik
niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!"

"Ze stierf toen ze 'n vrouw was," zei de Geest, "en had, geloof ik,
kinderen."

"Eén kind," antwoordde Scrooge.

"'t Is waar ook," zeide de Geest, "uw neef."

Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: "Ja."

Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden,
bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar
schimmige passagiers heen en weder liepen; waar schimmige karren en
koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en
het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te
zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd
werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef
stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij
het kende.

"Of ik!" zeide Scrooge. "Ik was hier immers leerling!"

Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen
kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij
twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen
de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit:

"Wel heb ik van m'n leven, 't is de ouwe Fezziwig! God zegen hem;
het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is."

De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur
van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde
vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette,
joviale stem:

"Hallo daar! Ebenezer! Dick!"

Scrooge's vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel
binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling.

"Dick Wilkins, waarachtig!" zei Scrooge tegen den Geest. "Waarachtig
't is 'em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!"

"Yo ho, jongens!" zeide Fezziwig. "Voor vandaag genoeg gewerkt,
hoor. Avond vóór Kerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er
vóór, hoor," riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen,
"vóór je tot tien kunt tellen!"

Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens
aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken--een,
twee, drie--en ze zaten al op hun plaats--vier, vijf, zes--de boomen
en pennen erop--zeven, acht, negen--en daar waren ze al weer terug
voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden.

"Hilli-ho!" riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met
merkwaardige vlugheid. "Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten
we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant
zetten!" Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen,
als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was
alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor
goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werd geveegd
en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur
gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge
en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt
kunnen wenschen.

Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge
kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde
om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één
aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend
en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij
gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die
in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den
bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend,
den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht
van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte
zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist
dat haar meesteres haar aan 'r ooren getrokken had. Binnen kwamen
ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder
schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur,
sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen,
hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los,
twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén
de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van
het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal
en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond
in verschillende houdingen van verliefdheid, het oude eerste paar
dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur
uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze
bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen
laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend
resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten
teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: "Goed
zoo!" en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier,
die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er
weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een
beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers
waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput
op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht,
die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven.

Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst,
en er was tulband en "negus," en er was een groot stuk koud vleesch en
een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch,
rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch
het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt,
toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die
zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen)
Sir Roger de Coverley [4] begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig
aan om te dansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met
een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners;
allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden
te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten.

Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel,
dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig
evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn
in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is,
doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de
plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In
elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit
vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En
toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den
dans gegaan waren, "avancez en retirez," "geef uw partner de hand,"
"buig en curtsey," "kurketrekker," "doe een draad in de naald," en
"weer terug naar uw plaats," sprong Fezziwig in de hoogte--sprong met
de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen
knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht.

Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk
bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan
weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er
een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke
Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na,
wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen
weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne bedden die zich
onder een toonbank achter in den winkel bevonden.

Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een
uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn
vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles,
en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik,
dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog
onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den
Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het
licht op zijn hoofd zeer helder brandde.

"Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze
luidjes!" zeide de Geest.

"Gering iets!" echoëde Scrooge.

De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen,
die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden,
en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: "Nu, is het niet zooals
ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven,
drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar
al dien lof voor verdient?"

"Dàt is het niet," zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en
zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet
zijn later Ik het zou gedaan hebben. "Dat is het niet, Geest. Hij
heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst
licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij
dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en
onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er
alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidt is precies even
groot als wanneer het een vermogen kostte."

Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg.

"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest.

"O, niks bijzonders," zeide Scrooge.

"Toch wel ìets, geloof ik?" hield de Geest aan.

"Neen," zeide Scrooge, "neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar
woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!" Zijn vroeger Ik
draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest
stonden weder naast elkaar in de open lucht.

"Mijn tijd spoedt ten einde," merkte de Geest op. "Vlug!"

Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien
kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want
weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht
des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van
later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er
was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet
zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van
den groeienden boom zou vallen.

Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad,
in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk
uit den Geest van Verleden Kersttijden.

"Het komt er niet erg op aan," zeide ze zacht. "Voor jou al heel
weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan
opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht
hebben, dan heb ik geen reden om te treuren."

"Welke afgod heeft je verdrongen?" vroeg hij.

"Een gouden afgod, de mammon."

"En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld," zeide
hij. "Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is
niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen
van rijkdommen."

"Je bent te bang voor de wereld," antwoordde zij zacht. "Al je hoop
is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb
je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de
overheerschende hartstocht "winstbejag," je geheel in beslag genomen
heeft. Is het niet zoo?"

"Nu, wat zou dat?" antwoordde hij. "Wat zou het dan nog, al bèn ik
veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?"

Zij schudde het hoofd.

"Ben ik wèl?"

"Onze overeenkomst is al 'n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden
arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze
wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je
bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je
een heel ander man."

"Toen was ik 'n jongen," zeide hij ongeduldig.

"Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent,"
antwoordde zij. "Ik ben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde
toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende,
nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan
gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en
dat ik je nu je woord kan teruggeven."

"Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?"

"Met woorden? neen, nooit."

"Waarmede dan?"

"Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een
anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel
van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in
jouw oog. Zeg eens eerlijk," zeide het meisje, hem vriendelijk,
doch vast aanziend, "of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was,
mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet
zeker van niet"--

Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en
dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: "Jìj denkt van niet."

"Ik zou er graag anders over denken als ik kón," antwoordde zij. "God
weet 't! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe
sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of
gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje
zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste
gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere
winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo
je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat
je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw
van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart,
terwille van hem die je eens was."

Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort:

"Misschien dat dit je pijn zal doen,--en de gedachtenis aan wat voorbij
is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten
tijd zal dit zoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat
je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende
droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig
moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt."

Zij ging heen, en aldus scheidden zij.

"Geest," zeide Scrooge. "Laat me niet méér zien! Breng mij naar
huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?"

"Nog één schim!" riep de Geest uit.

"Neen, neen, niet meer!" riep Scrooge. "Niet meer. Ik wil het niet
zien. Laat dit genoeg zijn!"

Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem
te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere
omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of
mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi
jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had
gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag,
nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat.

Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer
kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon;
en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit
het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne
koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één
kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen
alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen;
integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot
vermaak in, en de laatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te
doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd.

Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al
had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen! ik had dat gevlochten
haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en
het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje
had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn
leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat
overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen;
ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware
gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare
lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij
ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen
oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar
te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir
zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al
het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben,
en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten.

Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een
stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde
kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden
en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen,
die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en
speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul en het
gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe
ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken
te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze
zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen,
en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet
te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking
waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke
mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van
een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht
werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was,
doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat
het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid
en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg,
dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen,
en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze
naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen.

En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes,
terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met
haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge
er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend,
hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot
een lente maken, werd zijn oog vochtig.

"Bella," zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach,
"ik zag een oud vriend van je van-middag."

"En wie was dat?"

"Raad 'es?"

"Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet 't," voegde zij er in denzelfden
adem bij, evenals hij lachend, "meneer Scrooge."

"Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor;
en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde,
moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt,
en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik."

"Geest!" zeide Scrooge met bevende stem, "voer mij weg van deze
plaats."

"Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden
behooren," zeide de Geest. "Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt
zij zijn."

"Breng mij hier vandaan!" riep Scrooge uit. "Ik kan het niet dragen!"

Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met
een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar
waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem.

"Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!"

In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest
zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots
alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn
licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven
rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed
van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die
onverwacht op zijn hoofd.

De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte
bedekte; doch hoewel Scrooge uit alle macht er op drukte, kon hij
het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en
over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij
overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat
hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten
druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den
tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap.



DERDE ZANG.

DE TWEEDE DER DRIE GEESTEN.


Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande
zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd
te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij
voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver
en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem
door Jacob Marley's tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend
dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke
van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij
ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed
rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen
zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig
gemaakt worden.

Heeren die tot het genus "gladde, gewikste lui" behooren, die er zich
op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken
hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen
dat ze voor alles te vinden zijn, van "kruis of munt," tot manslag toe;
tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen
ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou
ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was
voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat
niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben.

Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins
voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven,
toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten,
tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al
dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die
op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts
licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn
geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde
of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang
dat hij een interessant geval van "spontane verbranding" voorstelde,
zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten
laatste begon hij te bedenken--zooals gij of ik dit dadelijk zouden
gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat,
die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben
ook--ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het
geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou
kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te
komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had,
stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur.

Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge's hand den knop aanvatte, riep een
vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit
deed hij.

Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een
wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het
plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer
er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen
glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en
klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine
spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den
schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in
Scrooge's tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt
op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild
gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange
kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters,
heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen,
lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende
bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken
damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus,
grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante
niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om
haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig
om de deur stak.

"Kom binnen," riep de Geest uit. "Kom binnen! en leer me wat beter
kennen, menschenkind!"

Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen
Geest hangen.

Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel
de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun
blik toch liever niet ontmoeten.

"Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden," zei de Geest. "Bekijk
me maar es goed!"

Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel
eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit
kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst
bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig
kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien
van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen
ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes
schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af;
open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open
hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was
een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij
was geheel doorvreten van den roest.

"Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!" riep de Geest uit.

"Nooit," antwoordde Scrooge.

"Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel
(want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de
laatste jaren geboren werden?" vervolgde het spook.

"Ik geloof het niet," zei Scrooge. "Ik vrees van niet. Hebt ge veel
broeders, Geest?"

"Meer dan achttienhonderd," zei de Geest.

"Een geweldig gezin om te onderhouden!" mompelde Scrooge.

De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op.

"Geest," zeide Scrooge onderworpen, "leid mij waarheen ge
wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les
waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn
voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt."

"Raak mijn kleed aan!"

Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast.

Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild,
gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes,
oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde
oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk
uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen,
waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch
levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der
sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner
huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen
vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De
gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder,
afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken,
en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd
was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen
van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten
en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en
ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke
gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste
straten stonden vol dikke vuile mist, half ontdooid, half bevroren,
welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes,
alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk
in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets
opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op
straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht
en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem
te overschaduwen.

Want de lieden die er op los schoffelden op de daken waren joviaal
en vol vroolijkheid, en riepen elkaar over en weer toe van het eene
dak naar het andere en wierpen elkaar nu en dan uit den grap met een
sneeuwbal--een goediger projectiel dan menige met woorden geuite
grap--hartelijk lachend als hij raak en niet minder hartelijk als
hij mis was. De poelierswinkels waren nog half open en de winkels
der fruitverkoopers straalden in glorie. Daar lagen groote, ronde,
dikbuikige manden kastanjes, gevormd als de vesten van joviale
welgedane oude heeren, manden die lui tegen de deuren hingen en
zóó dik waren dat er gevaar bestond voor eene beroerte. Dan waren
er roode, omvangrijke Spaansche uien, die in hunnen vetten groei
blonken als Spaansche ordebroeders, en die van hunne planken in schuwe
speelschheid den meisjes die voorbijgingen knipoogjes toewierpen,
terwijl dezen, schalks doch stemmig, keken naar het opgehangen takje
mistletoe. Er waren appels en peren, die de winkeliers zoo welwillend
waren geweest op te hangen op in het oog vallende plaatsen, opdat
de lieden gratis zouden kunnen watertanden onder het voorbijgaan; er
lagen stapels hazelnoten, ruig en bruin, die, in hunne welriekendheid,
deden denken aan oude boschpaadjes, en prettig tot aan de enkels
schuifelen door dorre bladeren; daar waren gebraden appels uit Norfolk,
plomp en bruin, die het geel van sinaasappelen en citroenen nog meer
deden uitkomen, en die in de groote stevigheid van hunne sappige
persoontjes dringend verzochten, ja smeekten, om in papieren zakjes
mede naar huis genomen en na het diner opgegeten te worden. Zelfs
de goud- en zilvervisschen die in een vischkom tusschen dezen keur
van vruchten waren geplaatst, en voor 't overige leden van een dom,
koudbloedig ras zijn, schenen te begrijpen dat er iets gaande was,
en zwommen allen, zonder uitzondering, gapend en naar lucht happend,
hun kleine wereldje rond in langzame en hartstochtlooze opgewondenheid.

Maar de kruidenierswinkels! O, die kruidenierswinkels! bijna geheel
gesloten, met misschien maar een of twee luiken ervoor weggenomen;
doch door deze openingen had men verrukkelijke kijkjes! Niet alleen
dat de weegschalen als ze op den toonbank neerkwamen een vroolijk
geluid deden hooren, of dat het bindgaren en de klos zoo plotseling
van elkaar scheidden, of dat de bussen, als ze vlug van de planken
genomen en er weer opgezet werden een ratelend geluid deden hooren,
als in goocheltoeren, of dat de zich mengende geuren van koffie en
thee den reuk streelden of zelfs dat de rozijnen zoo overvloedig
en zeldzaam mooi waren, de amandelen zoo buitengewoon blank, de
kaneelbrokken zoo lang en recht, de andere specerijen zoo heerlijk,
de geconfijte vruchten bedekt en beplekt waren met gesmolten suiker,
zoodat ze de onverschilligste toeschouwers zich flauw in den maag
deden voelen. Het was ook niet dat de vijgen vochtig en week waren,
of dat de pruimedanten zedig bloosden in hunnen zacht-zuren smaak,
vanuit hunne versierde doozen, of dat alles goed was om te eten en in
Kersttooi, doch de klanten hadden allen zulk een haast en waren zoo
ongeduldig door de hoopvolle belofte van dien dag, dat ze bij de deur
tegen elkaar aanliepen, en hunne teenen boodschappenmandjes wild tegen
elkaar aanbonsden, en hunne inkoopen op den toonbank lieten liggen,
en weer terug kwamen hollen om ze te halen, en honderden dergelijke
vergissingen begingen in de beste stemming; terwijl de kruidenier
en zijn helpers er zoo frank en frisch uitzagen, dat de glimmende
harten waarmede zij hunne voorschoten vanachteren vastmaakten hunne
eigene hadden kunnen zijn, binnenstbuiten gedragen, opdat iedereen
ze zou kunnen zien en opdat de Kerst-kraaien er aan konden pikken
als ze wilden.

Doch weldra riepen de torenklokken de goede lieden altemaal naar
kerk en godshuis, en daar kwamen ze aan, in drommen door de straten,
in hunne beste kleêren en met hunne vroolijkste gezichten.

En terzelfdertijd kwam uit tientallen van zijstraatjes, gangetjes
en stegen zonder naam een talrijke menigte, die hun middagmaal naar
bakkerswinkels bracht. Het zien van deze arme feestvierenden scheen
den Geest veel belang in te boezemen, want hij bleef met Scrooge naast
zich in den ingang van een bakkerswinkel staan en de deksels van de
schalen afnemend als de dragers voorbijgingen, sprenkelde hij wierook
op hunne maaltjes van zijnen toorts. En daar het een buitengewoon
soort toorts was, sprenkelde hij er, als er een paar maal harde woorden
vielen tusschen eenige dragenden, die tegen elkaar waren aangeloopen,
een paar druppels water op, en hun goed humeur was onmiddellijk weder
hersteld. Want, zeiden zij, het was schande op Kerstdag met elkaar
te twisten. En dat was het ook! Goddank dat het dat ook was!

Na eenigen tijd hielden de klokken op, en werden de bakkerswinkels
gesloten; en toch was het eene aangename aankondiging, van al deze
diners en het klaarmaken ervan in de ontdooide plek boven elken
bakkersoven, waar het plaveisel dampte en de steenen eveneens schenen
te koken.

"Is er een bijzondere smaak in wat ge van uw' toorts sprenkelt?" vroeg
Scrooge.

"Zeker, mijn eigene."

"Is het van denzelfden invloed op àlle middagmalen vandaag?"

"Op alle die uit een goed hart gegeven worden. Het meest op dat van
een' arme."

"Waarom op dat van een arme het meest?" vroeg Scrooge.

"Omdat die het 't meest noodig heeft."

"Geest," zei Scrooge na eenig nadenken, "wat me verwondert is, dat
juist gij, van al de wezens in de vele werelden die ons omringen,
de gelegenheid tot onschuldige vreugde van deze lieden wilt beperken."

"Ik!" riep de Geest uit.

"Gij wilt ze toch de middelen ontzeggen om iederen zevenden dag
middageten te eten, dikwijls de eenige dag waarop ze wezenlijk gezegd
kunnen worden te eten," zeide Scrooge. "Is dit niet zoo?"

"Ik!" riep de Geest uit.

"Gij tracht toch deze plaatsen te sluiten op den zevenden dag?" zeide
Scrooge. "En dat komt op 't zelfde neer."

"Ik zou trachten...!" riep de Geest uit.

"Vergeef me als ik 't mis heb. Het is toch in uw' naam geschied of
tenminste in dien van uw geslacht," zeide Scrooge.

"Er leven op deze onze aarde," antwoordde de Geest, "enkelen die
beweren ons te kennen, en die hunne daden van hartstocht, trots,
haat en nijd, afgunst, godsdienstige bekrompenheid bedrijven in onzen
naam; voor wien wij en al onzen magen en verwanten zoo vreemd zijn,
alsof wij nooit bestonden. Onthoud dit en leg hùn die daden ten laste,
en niet ons, geesten van het Kerstfeest."

Scrooge beloofde dat hij dit doen zou, en zij gingen door, onzichtbaar,
zooals zij dit te voren ook waren, de voorsteden der stad in. Het was
een merkwaardige eigenschap van den Geest (welke Scrooge ook reeds
in den bakkers winkel had opgemerkt) dat hij, niettegenstaande zijn
reusachtige grootte, zich met gemak aan iedere plaats kon aanpassen,
en dat hij onder een laag dak even gratievol en als een bovennatuurlijk
wezen stond, als hij met mogelijkheid had kunnen doen in de eerste
de beste hooge ruime hal.

En misschien was het het vermaak dat de Geest er in schepte om deze
eigenschap te toonen, of anders was het zijn eigen goede, edelmoedige,
hartelijke natuur, en zijn sympathie met alle armen, die hem recht naar
het huis van Scrooge's klerk leidde; want daar ging hij heen, en nam
Scrooge mede, die zich aan zijn kleed vasthield; en op den drempel der
deur glimlachte de Geest en hield even stil om Bob Cratchits woning te
zegenen met de sprenkeling van zijn toorts. Denk hièr toch es aan! Bob
had maar vijftien "bob" (shilling) per week; hij stak Zaterdagsavonds
slechts vijftien exemplaren van zijn doopnaam in z'n zak; en tòch
zegende de Geest zijn huis dat uit slechts vier vertrekjes bestond!

Toen stond juffrouw Cratchit op, Cratchit's vrouw, die slechts armelijk
gekleed was in een tweemaal-gekeerde japon, doch prachtig met linten
versierd, want deze zijn goedkoop en lijken heel wat voor dertig cent;
en zij dekte de tafel, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede
harer dochters, eveneens prachtig met linten versierd; terwijl de
jongeheer Pieter Cratchit een vork in de sauskom met aardappels stak,
en niettegenstaande hij de punten van zijn enormen vadermoorder (Bobs
privaat eigendom, dat hij ter gelegenheid van dezen dag aan zijn'
zoon en erfgenaam had afgestaan) in zijn mond kreeg, verheugde hij
zich toch uitermate zoo chic gekleed te zijn en verlangde ernaar om
met zijn mooi overhemd te pronken in de parken waar de groote wereld
komt. En nu kwamen de twee kleinere Cratchits, 'n jongen en een meisje,
binnenstormen, schreeuwend dat zij buiten den bakkerswinkel den gans
al geroken hadden en hem aan den reuk herkenden als de hunne; en
zich overgevend aan weelderige gedachten aan salie en uien, dansten
deze jonge Cratchits om de tafel heen, en prezen jongeheer Cratchit
hemelhoog terwijl hij het vuur aanblies, totdat de langzaam-pruttelende
aardappelen opborrelden en luid tegen het deksel der sauskom tikten
om er uit gelaten en van hun schil ontdaan te worden.

"Waar drommel kan vaderlief toch zoolang blijven," zeide juffrouw
Cratchit. "En je broertje, kleine Tim; en je zuster Martha was op
geen half uur na zoo laat verleden jaar Kerstmis."

"Daar is Martha al, moeder!" riepen de twee jonge Cratchits. "O,
d'r is zoo'n groote gans, Martha!"

"Wel hemelsche goedheid, kind, wat ben je laat!" zeide juffrouw
Cratchit, haar tal van keeren kussend en haar shawl en hoed voor haar
aannemend met behulpzamen ijver.

"Gisterenavond moesten we nog een heele massa werk afmaken," antwoordde
het meisje, "en we moesten van morgen opruimen, moe!"

"Nou, 't is niks, nu je er maar bent!" zeide juffrouw Cratchit. "Ga
voor 't vuur zitten, lieve, en warm je es."

"Nee, nee! Daar komt vader," riepen de twee jonge Cratchits, die
overal tegelijk waren. "Verstop je, Martha, verstop je!"

En zoo verstopte Martha zich, en binnen kwam kleine Bob, de vader
met minstens drie voet bouffante behalve nog de franje, voor zich uit
bengelend en zijn kale kleêren gestopt en geborsteld, om er feestelijk
uit te zien, met kleine Tim op zijn schouder. Die arme kleine Tim,
hij droeg een krukje en zijne ledematen werden rechtgehouden door
een ijzeren beugel!

"Wel, waar is Martha?" riep Bob Cratchit, overal rondkijkend.

"Die komt niet," zeide juffrouw Cratchit.

"Kòmt die niet?" zeide Bob met een plotselingen neerslag in zijn
vroolijke stemming; want hij was Tim's raspaard geweest heelemaal
van de kerk af, en was steigerend naar huis gekomen. "Komt ze nièt
op Kèrstdag?"

Martha kon hem niet goed zoo teleurgesteld zien, al was het dan ook
maar uit de grap, daarom kwam ze te vroeg van achter de kastdeur
vandaan en snelde in zijne armen, terwijl de twee jonge Cratchits
kleine Tim stilletjes aanstootten en hem meetroonden naar het waschhok,
om de pudding te hooren zingen in den aker.

"En hoe heeft kleine Tim zich gehouden?" vroeg juffrouw Cratchit,
toen ze Bob geplaagd had met zijne lichtgeloovigheid en Bob zijne
dochter naar hartelust gepakt had.

"Als goud en nog beter," zeide Bob. "Ik weet niet hoe het komt,
maar hij wordt zoo nadenkend, omdat hij zooveel alleen zit, en dan
bedenkt-ie de vreemdste dingen die je maar verzinnen kunt. Onder
het naar huis gaan vertelde ie me dat hij hoopte dat de menschen in
de kerk hem gezien hadden, omdat hij kreupel was, en het misschien
prettig voor hen was, als ze er op Kerstdag aan dachten, wie de lammen
gezond en de blinden ziende maakte."

Bob's stem beefde toen hij hun dit vertelde en beefde nog meer toen
hij zeide dat kleine Tim sterk en gezond begon te worden.

Zijn steeds in beweging zijnde kleine kruk hoorde men aankomen, en
daar was kleine Tim al weer vóor zij er een woord verder over konden
spreken, door zijn broeder geëscorteerd naar zijn kruk bij het vuur
gekomen, terwijl Bob, zijn mouwen opslaand,--alsof ze nog kaler konden
worden, arme duivel--in een kan een heet mengsel maakte van jenever en
citroenen, en het flink rondroerde en het op de plaat zette om zacht te
koken; jongenheer Pieter en de twee alomtegenwoordige Cratchits gingen
den gans halen, waarmede zij weldra in statige processie terugkwamen.

En nu ontstond er zulk een gedrang, dat ge een gans als de zeldzaamste
aller vogels had kunnen beschouwen, een gevederd natuurwonder, waarbij
een zwarte zwaan nog een doodgewoon iets was, en inderdaad was het in
dat huis een zeer zeldzame vogel. Juffrouw Cratchit warmde de saus
(die reeds tevoren was klaar gezet in den sauskom) zoodat ze siste;
jongenheer Pieter stampte de aardappelen met ongeloofelijke energie;
jongejuffrouw Belinda zoette de appelmoes; Martha veegde het stof
van de borden; Bob nam kleine Tim naast zich aan een klein hoekje
van de tafel; de twee jonge Cratchits zetten stoelen voor iedereen
en vergaten vooral zichzelven niet, en op hunne stoelen postvattend,
stopten zij hunne lepels in den mond opdat zij niet om gans zouden
schreeuwen vóor het hunne beurt was. Eindelijk werden de schalen
opgedragen en werd er gebeden. Het gebed werd gevolgd door een
ademlooze stilte, toen juffrouw Cratchit, langzaam langs de geheele
lengte van het voorsnijmes-lemmet kijkend, zich gereed maakte het in
de borst van den gans te stooten; doch toen zij dat deed, en toen de
lang verbeide stroom vulsel er uit te voorschijn kwam, ging er één
gemompel van verrukking op, de geheele tafel langs, en zelfs kleine
Tim, opgewonden door de twee jonge Cratchits, klopte op de tafel met
het heft van zijn mes en riep zwakjes: "hoerah!"

Nooit had je zoo'n gans gezien. Bob zeide dat hij niet geloofde dat
er ooit zoo'n tweede gans gebraden was. Zijn malschheid en smaak,
zijn grootte en goedkoopte waren dingen die de algemeene bewondering
wekten. Aangevuld met appelmoes en gestampte aardappelen was het een
voldoend diner voor de geheele familie, ja, zooals juffrouw Cratchit
glimmend van pleizier zeide (kijkend naar een klein beentje op den
schotel), ze hadden het bij slot van rekening niet eens allemaal
opgekund! En toch was iedereen verzadigd en de jongste Cratchits in
het bijzonder waren tot aan hunne wenkbrauwen besmeerd met salie en
uien! Doch nu werden er schoone borden rondgedeeld door jongejuffrouw
Belinda, juffrouw Cratchit verliet alleen de kamer--te zenuwachtig om
getuigen mede te nemen--om de pudding op te doen en binnen te brengen.

Stel je voor dat hij nu eens niet gaar was! of dat hij brak als
hij uit den vorm gedaan werd! of dat iemand over den muur van het
plaatsje geklommen was en hem gestolen had, terwijl zij bezig waren
zich te goed te doen aan den gans, een veronderstelling waarbij de
twee jonge Cratchits lijkkleurig werden! Allerlei vreeselijke dingen
werden er geopperd.

Hallo! Een massa stoom! De pudding was uit den vorm. Een lucht als
op waschdag! Dat was de doek waarin hij gekookt was. Ik zeg een
lucht alsof er een gaarkeuken en pasteibakker naast elkaar woonden,
met een waschvrouw daar weer naast! Dàt was de pudding. Na een halve
minuut kwam juffrouw Cratchit binnen, met een opgezette kleur doch
trotsch glimlachend, met de pudding als een gespikkelde kanonskogel,
hard en stevig, brandend in de helft van een half vierde pintje cognac
en versierd met Kersthulst die er bovenop gestoken was.

Och, och, wat een prachtige pudding! Bob Cratchit zei en dat
nog wel bedaard, dat hij die pudding beschouwde als het grootste
succes dat juffrouw Cratchit ooit bereikt had sedert den dag van hun
huwelijk. Juffrouw Cratchit zei, dat zij, nu het pak van haar hart
was, wel wilde bekennen dat zij een oogenblik bang was geweest dat er
geen bloem genoeg was. Iedereen had het zijne er over aan te merken,
doch niemand zeide of dacht ook maar dat het een heele kleine pudding
was voor zulk een groot gezin. Het zou platweg ketterij geweest zijn
zoo iets te zeggen. Een Cratchit zou gebloosd hebben zelfs op zoo
iets te zinspelen.

Eindelijk was het diner afgeloopen, de tafel werd afgeruimd, de haard
aangeveegd en het vuur wat opgerakeld. Nadat het mengsel in de kan
geproefd en uitstekend bevonden was, werden er appels en sinaasappelen
op tafel gezet en een kolenschop vol kastanjes in de asch gelegd. Toen
zette de geheele familie zich om den haard, in wat Bob Cratchit een
kring noemde (hij bedoelde een halven kring); en aan Bob Cratchit's
elboog stond de geheele glasrijkdom der familie, die bestond uit:
twee tumblers en een vlade-glaasje zonder oor.

Doch hierin liet zich het heete vocht uit de kan even goed schenken
alsof het gouden bekers geweest waren en Bob deelde het uit met
stralend gezicht, terwijl de kastanjes op het vuur knapperden en
luidruchtig sputterden. Toen stelde Bob een dronk in:

"Een vroolijke Kerstmis allemaal, kinderen; God zegene ons!"

Wat de geheele familie hem na-zei.

"God zegene ons allemaal!" zei kleine Tim het laatst van allen.

Hij zat heel dicht naast zijn' vader op zijn kleine kruk. Bob hield
het bleeke magere handje in de zijne, alsof hij het kind liefhad,
en het aan zijn zijde wenschte te houden, en bang was dat het hem
ontnomen zou worden.

"Geest," zei Scrooge, met eene belangstelling zooals hij nooit te
voren gevoeld had, "zeg of kleine Tim zal blijven leven."

"Ik zie een ledige plaats," hernam de Geest, "in het hoekje van den
haard en een krukje zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als er in
deze schaduwen geen verandering gebracht wordt door de Toekomst,
zal het kind sterven."

"O, neen, neen," zei Scrooge. "O neen, goede Geest! zeg dat hij
gespaard zal blijven!"

"Als de Toekomst deze schimmen niet verandert," ging de Geest voort,
"zal geen ander van mijn geslacht hem hier vinden. Maar wat zou
dat? Als hij toch dood moet, dan hoe eer hoe beter, dan vermindert
hij meteen de overbevolking."

Toen Scrooge zijn eigen woorden aldus door den Geest hoorde herhalen,
liet hij het hoofd hangen, overstelpt van smart en berouw.

"Mensch"--vervolgde de Geest--"als je werkelijk in je hart een mensch
en niet een blok steen bent, laat dan die booze praat, tot je ontdekt
zult hebben wat werkelijk overtollig is en wàar. Wil jij beslissen
welke menschen zullen leven en welke sterven? Misschien dat gijzelf in
het oog des Hemels meer waardeloos zijt en minder geschikt om voort te
leven dan millioenen die zijn als dit kind van dezen arme. O God!--te
moeten aanhooren dat het insect op het blad veroordeelt dat er te veel
"leven" is onder zijn hongerige broeders in het stof!"--

Scrooge boog zich voor de terechtwijzing van den Geest en sloeg
bevend zijne blikken neer. Doch hij sloeg ze snel weder op toen hij
zijn naam hoorde noemen.

"Meneer Scrooge!" zeide Bob. "Ik ga een toast uitbrengen op meneer
Scrooge, den stichter van het feest."

"De stichter van het feest! 't mocht wat!" riep juffrouw Cratchit uit,
rood wordend van ergernis. "Ik wou dat ik 'em hier had. Dan zou ik
hem es flink de waarheid zeggen, daar kon hij dan van smullen en ik
hoop dat hij er goeden trek in zou hebben."

"Lieve," zeide Bob, "denk om de kinderen; Kerstdag."

"Het mag dan ook wel Kerstdag zijn, waarop je de gezondheid drinkt van
zoo'n afgrijselijken, vrekkigen, verharden, ongevoeligen man als die
meneer Scrooge. En je weet heel goed dat hij dat is, Robert! Niemand
weet dat beter dan jijzelf, arme jongen!"

"Lieve," was Bob's zachte antwoord, "Kerstdag."

"Ik zal zijn gezondheid drinken om jouwentwil en om den dag," zeide
juffrouw Cratchit, "maar niet om 'mzelf. Nou, lang zal ie leven! Een
vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar!--hij zal beslist wel
erg vroolijk en erg gelukkig zijn!"

De kinderen dronken haar den toast na. Het was de eerste dien dag
waarin geen hartelijkheid lag. Kleine Tim dronk den toast het laatst
van allen, doch het kon hem geen zier schelen. Scrooge was de boeman
van de familie. Toen zijn naam genoemd werd daalde een schaduw op
het huisgezin, die wel volle vijf minuten bleef hangen.

Toen de schaduw opgetrokken was, waren zij nog tien maal zoo vroolijk
als te voren, uit pure verlichting dat ze met den boeman Scrooge klaar
waren. Bob Cratchit vertelde dat hij een betrekking op 't oog had voor
jongenheer Pieter, die, als hij hem kreeg, minstens drie gulden vijftig
per week zou inbrengen. De twee jonge Cratchits lachten uitbundig bij
het idée dat Pieter een man van zaken zou worden, en Pieter zelf keek
in gedachten verzonken in het vuur tusschen zijn twee boordpunten door,
alsof hij met zichzelf te rade ging aan welke geldbelegging hij de
voorkeur zou geven als hij dat enorme inkomen zou genieten. Martha,
die een arm leerlingetje was bij een modiste, vertelde hun toen wat
soort van werk zij te doen had en hoeveel uren zij achtereen werkte,
en dat ze van plan was morgen eens flink lang uit te slapen; want daar
het morgen een vrije dag was, zou ze thuisblijven. En ook vertelde ze
dat ze een graaf en een gravin gezien had een paar dagen te voren,
en dat de graaf vrijwel even groot was als Pieter; waarop Pieter
zijn boord zóó hoog optrok, dat gij, zoo ge dáár geweest waart, zijn
hoofd niet meer hadt kunnen zien. En telkens werd er rondgegaan met
de kan en de kastanjes; en kleine Tim zong, van een kind dat op reis
verloren was geraakt in de sneeuw. Kleine Tim had een fijn stemmetje
en zong zijn liedje heel goed.

In dit alles was niets fijns of elegants. Zij waren geen deftige
familie en zij waren niet goed gekleed; hunne schoenen waren alles
behalve waterdicht; hunne kleederen waren kaal en het zou niet
zoo heel vreemd geweest zijn als Pieter tamelijk vertrouwd was met
het inwendige van een pandjeshuis; ik voor mij ben zelfs overtuigd
dat hij zéér goed wìst hoe dit er uitzag. Doch zij waren gelukkig,
dankbaar, mochten elkander gaarne en waren tevreden met het geluk van
het oogenblik; en toen vervaagden ook hunne schimmen, en zagen er nog
gelukkiger uit in de sprenkeling van de toorts van den Geest. Scrooge
keek naar hen en vooral naar kleine Tim tot zij verdwenen.

Het werd nu donker en het sneeuwde tamelijk erg, en terwijl de Geest
en Scrooge door de straten gingen, was het heerlijk om den gloed van
de helder brandende vuren in keukens en salons te zien. Hier wees het
flikkeren van den gloed op toebereidselen tot een gezellig dinertje,
met warme borden die door en door verhit werden voor het vuur, en
zware roode gordijnen, die klaar hingen om dichtgetrokken te worden en
de koude en duisternis buiten te sluiten. Hier liepen al de kinderen
des huizes om 't hardst naar buiten hun getrouwde zusters tegemoet,
en om de eerste te zijn met hunne begroetingen. Daar zag men weder
schaduwen op de gordijnen, van gasten, die zich verzamelden om aan
tafel te gaan en daar trippelde een troepje knappe jonge meisjes allen
met kappen over 't hoofd en met bont afgezette schoenen aan, licht
naar het huis van een gebuur. En wee den ongetrouwde die hen daar--dat
wisten die schalken wel,--met hoogroode kleur zag binnengaan. Als ge
hadt willen oordeelen naar de massa's menschen die allen op weg waren
naar vriendschappelijke partijtjes, zoudt ge hebben kunnen denken dat
er niemand thuis was om ze te verwelkomen als ze daar aankwamen. Goeie
genade, wat was de Geest in zijn element! Hoe ontblootte hij zijn
breede borst en opende zijn groote handpalm, en zweefde verder, met
milde hand zijn onschuldige vroolijkheid stortend over alles wat binnen
zijn bereik kwam! Zelfs de lantaarnopsteker, die vooruit liep, en de
duistere straten met lichtstippen bespikkelde, en die er op gekleed
was om dien avond ergens op visite te gaan, lachte vroolijk toen de
Geest voorbijging. Maar--dat de Kerstgeest hem nabij, ja in hem was,
wist hij; al kon hij ook niet weten, dat hij behalve den Geest ook
Scrooge was voorbij geloopen!

En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een
sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa's ongehouwen steen
in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een
reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde--of
liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had
gehouden--en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het
westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten,
die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager
zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis.

"Wat is dit voor een plaats?" vroeg Scrooge.

"Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde
werken," antwoordde de Geest. "Doch zij kennen mij. Kijk maar!"

Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij
snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een
vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw,
met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na,
allen in feestdos.

Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van
den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied,
van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen
in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude
man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne
plotselinge energie weder.

De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijn kleed vast
te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich
voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar
zéé. Tot Scrooge's ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land
verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren
werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en
woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen
aanwendde om de aarde te ondermijnen.

Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen
de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame
vuurtoren. Groote massa's zeewier hadden zich aan zijn voet
vastgehecht, en stormvogels--door den wind gebaard, kon men denken,
zooals het zeewier door het water--rezen en daalden er rondom, als
de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten.

Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur
aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een
heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte
hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij
elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de
oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht,
zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met
krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was.

En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee,
voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd
waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast
den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naast de officieren die
de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende
posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of
had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn
makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop
huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen,
goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over
dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere
hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen,
en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis.

Het was tot Scrooge's groote verbazing dat hij, terwijl hij nog
luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een
ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond
welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het
was tot Scrooge's groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een
hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach
zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog,
prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende
vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek.

"Ha, ha!" lachte Scrooge's neef. "Ha, ha, ha!"

Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een
vroolijker lach dan Scrooge's neef, dan is het eenige wat ik zeggen
kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor,
en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden.

Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er
aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo
aanstekelijk is als lachen en goedgehumeurdheid. Als Scrooge's neef
aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en
zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge's aangetrouwde
nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets
bij hen achter en brulden lustig mede.

"Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!"

"Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef,
dat zei hij!" riep Scrooge's neef. "En hij geloofde 't zelf!"

"Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!" zeide Scrooge's nicht
verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die
zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een
gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd
keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt
scheen gekust te worden--wat het zonder twijfel dan ook werd; en het
zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo'n klein
schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend
door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk,
en sympathiek!"

"Een grappige oude man," zeide Scrooge's neef, "dat is een feit;
en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar
zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van
hem spreken, hoor!"

"Hij zit er erg warmpjes in, Fred," zeide Scrooge's nicht. "Tenminste
dat zeg jij altijd."

"Nu, en wat zou dat, lieve!" zeide Scrooge's neef. "Hij kan toch
geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed
mede. En ook zichzelf maakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha,
ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens
goed mee zal doen."

"Ik kan hem niet uitstaan," merkte Scrooge's nicht op.

De zusters van Scrooge's nicht en al de andere dames waren van
dezelfde meening.

"Och, ik wel!" zeide Scrooge's neef. "Ik heb medelijden met hem;
ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt
onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft
zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij
ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet,
is toch niet veel zaaks."

"Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet," viel
Scrooge's nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en
zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd
hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp
om den haard zaten.

"Nou, 't doet me pleizier dat te hooren," zeide Scrooge's neef, "omdat
ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat
zeg jij er van, Topper?"

Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van
Scrooge's nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar
een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over
een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge's nicht,
de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde.

"Ga nu door Fred," zeide Scrooge's nicht in hare handen klappend,
"Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo'n
rare jongen!"

Scrooge's neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was
onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe
deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging.

"Ik wou maar zeggen," zei Scrooge's neef, "dat het gevolg van zijn
hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar
prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker
van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen
gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude
vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid
geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag
tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch
wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder
jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: "Oom Scrooge, hoe
gaat het?" Al bracht 't hem alleen maar in de stemming van zijn armen
klerk vijftig pond na te laten, dan zou 't toch wàt gegeven hebben,
en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb."

Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te
hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen
waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde
hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de
flesch door.

Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale
familie en ze wisten wel wat ze deden, toen ze een lied met een
canon [5] zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper,
die met z'n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit
opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van
werd. Scrooge's nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een
simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in
twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind,
dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de
Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje
gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had,
hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd,
en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren
geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen
aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de
spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen
blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken.

Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd
speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen
te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter
er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst
speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde
er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was,
dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is,
dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge's neef,
en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier
waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat,
zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn
blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen
de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen,
ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster
was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem
aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben
alsof hij trachtte u te grijpen--wat een beleediging zou zijn geweest
van uw inzicht--en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen
zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het
niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij
haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van
de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar
in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was
zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn
voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van
hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger
te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag
en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht,
toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk
achter de overgordijnen zaten. Scrooge's nicht deed niet mee aan 't
blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet,
met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de
Geest en Scrooge vlak achter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan
het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was,
met al de letters van het alphabet. [6] En zeer bedreven, en versloeg
hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge's neef; en toch
waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het
spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een
twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge
deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er
gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne
ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer
dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de
draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.

Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien,
en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij
den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten
heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk.

"Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen," zeide Scrooge. "Nog
één klein half uurtje, Geest, nog maar één!"

Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge's neef aan
iets denken moest, en de overigen moesten zien te vinden waaraan hij
dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde,
naar het geval vereischte.

Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan
het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een
onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en
knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door
de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan
een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en
nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel,
of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken,
of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd,
barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren
werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den
grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken
staat als hij geraakt was, uit:

"Ik heb 't! Ik weet wat 't is, Fred! Ik weet wat 't is!"

"Nou wat is 't dan?" riep Fred.

"'t Is je oom Scro-o-o-o-ge!"

En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen,
hoewel sommigen opperden dat het antwoord op "is het een beer?" "ja"
behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende
was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige
neiging dien kant uit gehad hadden.

"Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft," zei Fred, "en het zou
ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink
hier op hem met een glas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat
hij: Oom Scrooge!"

"Nu goed dan, oom Scrooge!" riepen allen.

"Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man
toegewenscht, wat hij ook zijn moge!" zeide Scrooge's neef. "Hij wilde
mijn wensch niet aannemen, maar 't is hem tòch gegund. Oom Scrooge;
daar ga je!"

Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden,
dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt
hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd
gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord
dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds
weder op reis.

Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij,
doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden,
en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en
de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen,
en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd
rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der
ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur
niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn
zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften.

Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch
Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten
te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd,
dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd,
klaarblijkelijk ouder. Scrooge was deze verandering niet ontgaan,
doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een
kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest
keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het
haar van den Geest grijs was.

"Is het leven van Geesten zóó kort?" vroeg Scrooge.

"Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort," antwoordde de
Geest. "Vanavond loopt het af."

"Vanavond!" riep Scrooge.

"Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert."

De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik.

"Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag," zeide Scrooge,
aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, "maar ik zie iets
vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed
uitsteken. Is het een voet of een klauw?"

"Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch
dat er opzit," antwoordde de Geest pijnlijk. "Zie hier."

Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige,
vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan
zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast.

"O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!" riep de Geest uit. Het waren
een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend
en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie
jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche
tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des
ouderdoms, hen geknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar
engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen
verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke
natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters
voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje
en meisje.

Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond
werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren,
doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken
in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen.

"Geest, zijn dit uwe kinderen?" was alles wat Scrooge kon uitbrengen.

"Zij zijn Menschen-kinderen," zeide de Geest op hen neerziend. "En
zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op
mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas
op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor
dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis,
tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen
onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg," riep de
Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. "Beschimp hen die
't u verzekeren. Geef 't toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak
zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!"

"Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?" riep Scrooge uit.

"Zijn er geen gevangenissen?" zei de Geest, zich voor de laatste maal
tot hem wendend met Scrooge's eigen woorden. "Zijn er geen werkhuizen?"

De klok sloeg twaalf.

Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos
verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde
hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen
opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den
kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend,
op zich toe komen.



VIERDE ZANG.

DE LAATSTE DER GEESTEN.


Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij
kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de
lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid
te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en
gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte
hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen
zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het
omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast
hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde
met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want
het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet.

"Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?" zeide
Scrooge.

De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit.

"Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die
nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd
die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?"

De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik
samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het
eenige antwoord dat hij ontving.

Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap,
was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen
onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen
hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik
staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven
zich te herstellen.

Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter
dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij,
hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien
dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage
onbestemde angst.

"Geest der Toekomst!" riep hij uit. "Ik vrees u meer dan eenig ander
Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij
goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan
ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge
niet tegen mij spreken?"

Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit.

"Ga mij voor!" zeide Scrooge. "Ga voor! De nacht gaat snel voorbij
en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!"

Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was
gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende
hij, hem staande hield en hem voortdroeg.

Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad
hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er
van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen,
en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden
te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met
hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo
dikwerf gezien had.

De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend
dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar
wat zij zeiden.

"Neen," zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. "Ik
kan je d'er niet veel van vertellen, hoe dan ook. 't Eenige wat ik
wéét, is, dat hij dood is.

"En wanneer heeft hij 't afgelegd?" vroeg een ander.

"Gisterenavond, geloof ik."

"En wat heeft 'em gemankeerd?" vroeg een derde, een kolossale
hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. "Ik moet je
zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan."

"God weet 't," zeide de eerste geeuwend.

"En wat heeft ie met zijn geld gedaan?" vroeg een heer met een erg
rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus
had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan.

"Dat heb ik niet gehoord," zei de man met de groote onderkin, weder
geeuwend. "Wellicht aan zijn Gilde vermaakt. 't Eenige wat ik weet,
is, dat hij 't niet aan mij heeft nagelaten."

Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen.

"'t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn," zei dezelfde
spreker; "want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat
zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden
om mee te gaan?"

"O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen," merkte de heer
met den uitwas aan zijn neus op. "Maar ik moet goed te eten hebben,
als ik meedoe."

Weder gelach.

"Nou, ik ben bij slot van rekening de minst geïnteresseerde van jelui,"
zeide de eerste spreker, "want ik draag nooit zwarte handschoenen
[7] en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog
meer voor te vinden zijn. Als ik 't wel beschouw, ben ik heelemaal
zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij
elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een
praatje te maken. Saluut heeren!"

Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere
groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om
een uitlegging.

Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee
personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend
dat de uitleg hier zou liggen.

Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het waren mannen van zaken; heel
rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij
hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken.

"Hoe gaat 't je?" zeide de een.

"Hoe gaat 't jou?" antwoordde de ander.

"Dus," zeide de eerste, "de oude Schraap heeft dan toch eindelijk
gekregen wat hem toekomt, he?"

"Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?"

"Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!"

Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele
gesprek.

Scrooge's eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een
Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale
gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben,
begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet
slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde
tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook
wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond,
en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend
dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden,
nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag,
zorgvuldig te vergâren; en in 't bijzonder zijn eigen schim, zoo
hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte
dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou
geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk
zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim,
doch een ander man stond nu op de plaats waar hij vroeger placht te
staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar
verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte
die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich
hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel
andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede
de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had.

Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen
hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te
maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp
aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud.

Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend,
onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was
doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van
herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen
bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken
en leelijk.

Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen
stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het
geheele kwartier stonk naar vuil en ellende.

Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig
winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen,
beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren
hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen,
weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen,
waarin slechts weinigen den moed zouden hebben door te dringen,
werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen,
hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren
waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude
baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die
zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van
allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte
met al de weelde van een rustig rentenierschap.

Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw
met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij
binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens
binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed
in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag,
dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik
van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten
zij alle drie in lachen uit.

"Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer
één is!" riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. "Laat de
waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de
doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje,
ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder 't te
wille!"

"Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen," zeide Oude Jan,
zijn pijp uit den mond nemend. "Kom maar in de voorkamer. 't Is al
'n heele tijd geleje dat je daar voor 't éérst binnenkwam, en de twee
andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van
de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D'r is geen roestiger stuk
ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik
weet zeker dat d'r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha,
ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij
mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen."

De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude
man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe,
en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner
pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed,
wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en
ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over
elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. "Wat
zou 't! Wat zou 't, juffrouw Dilber?" zei het mensch. "Iedereen heeft
het recht voor z'n eige te zorge... Dat dee hìj ook!"

"Dat zeg uwes wel!" zei de waschvrouw. "Geen loer draaie, zou
'k denke?"

"Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet
er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou 'k denken?"

"Nee, dat geloof 'k ook niet!" zei juffrouw Dilber en de man
tegelijk. "Dat denke we ook niet!"

"Nou, goed dan!" riep de vrouw. "Wie mist een paar dinge als die wij
hier brenge? Zoo'n dooje man zéker niet."

"Nee, daar kun je van op an!" lachte juffrouw Dilber.

"Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom
was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z'n lijf? Als
ie dat gehad had, dan zou d'r wel iemand geweest zijn om voor 'em te
zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te
ligge sterve heelemaal alleen."

"Dat is 't waarste woord dat je ooit gesproke hebt," zeide juffrouw
Dilber. "Nou heeft ie net wat ie verdiend heit."

"Ik wou dat 't wat zwaarder was," antwoordde de vrouw, "en dat zou
't, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen
krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d'r
voor geeft. Zeg 't maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te
zijn, en ook niet dat zij 't zien. Voor we mekaar hier ontmoetten,
wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En
dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!"

Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het
kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst
zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder,
een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was
alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door
den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met
krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam.

"Dat is jouw rekening," zei Jan, "en al werd ik levend gekookt,
geen schelling doe 'k er bovenop. Wie volgt?"

Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een
beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een
paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op
den muur geschreven.

"Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is 'n zwak van me en ik weet dat
'k me zelf d'r mee ruweneer," zei ouwe Jan. "Dat is jouw bedrag. Als
je me d'r een stuiver meer voor vroeg, zou 't me spijte zoo vrijgevig
geweest te zijn en zou 'k er een daalder afdoen."

"En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan," zei de eerste vrouw.

Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa
knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere
stof uit.

"Hoe noem je dit?" zei Jan. "Bed-gordijnen!"

"Ha, ha!" antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen
vooroverbuigend, "bed-gordijnen!"

"Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb
genome, terwijl hij d'r nog leit?" zei Jan.

"Jawel zeker," antwoordde de vrouw. "Waarom zou 'k niet?"

"Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken," zeide Jan, "en dat
zul je zonder mankeere."

"Ik zal vást m'n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan
winne met ze uit te steke, naar 't goed van 'n man als hij, dat kan
'k je wel vertelle, ouwe Jan," antwoordde de vrouw bedaard. "Toe nou,
laat die olie niet op de dekens valle."

"Zijn dekens?" vroeg Jan.

"Van wie anders, denk je?" vroeg het wijf. "Hìj zal geen kou vatten,
al heeft ie ze nou niet meer."

"Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke
ziekte, he?" zeide de oude Jan, even opkijkend.

"Daar hoef je niet bang voor te zijn," antwoordde het wijf. "Ik
ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt
zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je
probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d'r pijn
van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale
steê. 't Is het beste hemd dat ie had en 't is fijn, hoor. Ze zouen
't eenvoudig weggegooid hebbe als ik d'r niet tussche gekomme was."

"Wat bedoel je met "weggooien?"" vroeg de oude Jan.

"Nou, dat ze 't hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde,
natuurlijk," antwoordde de vrouw lachend. "D'r was 't er een gek genoeg
om 't te doen, maar ik heb 't hem weer uitgetrokke. Als katoen niet
goed genoeg is voor zoo iets, dan is 't nergens goed genoeg voor. 't
Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan
ie toch al deed."

Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar
zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den
ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin,
die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende
demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen.

"Ha, ha!" lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje
met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen
op den grond aftelde. "Zie je, zoo loopt 't nou met hem af. Bij z'n
leven schrikte hij iedereen af, om ons d'r van te late profiteeren
nou dat ie dood is! ha ha!"

"Geest!" zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. "Ik
begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou
het mijne kunnen worden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant
uit. Genadige Hemel, wat is dit!"

Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd,
en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen,
waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was,
zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal.

Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate
nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een
geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een
kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het
bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend,
lag het lichaam van een man.

Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het
hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge
het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd
hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen,
en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht
het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden.

"O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed
het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw
rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één
haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één
trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en
slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de
polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk
was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslag die van
een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde
ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien."

Geen stem zei deze woorden aan Scrooge's oor, en toch hoorde hij ze
toen hij naar het bed keek.

Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne
eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid,
geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde
gebracht!

Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind
bij zich, om van hem te getuigen: "hij was vriendelijk en goed jegens
mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal
ìk nù goed voor hem zijn." Er krabde een kat aan de deur en Scrooge
hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge
durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en
waarom zij zoo rusteloos waren.

"Geest!" zeide hij, "dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat
zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal
achterlaten."

Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd.

"Ik begrijp u," antwoordde Scrooge, "en zoo ik kon, zou ik het
doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet."

Wederom scheen de Geest hem aan te kijken.

"Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van
dezen man, smeek ik u mij hem te toonen," zeide Scrooge zeer ontroerd.

Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een
vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht
zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten.

Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar
de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel
nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige
uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde,
en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om
zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij
het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht
(wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te
weten hoe hij haar antwoorden zou.

"Is het goed of slecht nieuws?" vroeg zij, om hem op gang te helpen.

"Slecht!" antwoordde hij.

"Zijn we dan heelemaal geruïneerd?"

"Neen, er is nog hoop, Caroline."

"Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt,
dan is er nièts hopeloos."

"Hij kàn niet meer vermurwd worden," zeide haar echtgenoot. "Hij
is dood."

Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht,
geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren
en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had
zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was
dat wat haar hart haar ingaf.

"Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij
zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen
en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar
al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel
ziek, maar al stervende."

"Aan wien zal je schuld overgaan?"

"Dat weet ik niet. Maar vóór 't zoover is, zullen we 't geld al hebben;
en zelfs al hadden we 't niet, dan zou 't toch al heel erg zijn als
wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen
als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan
slapen, Caroline."

Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten
waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om
hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren
opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger
tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer
gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde.

"Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval," zeide
Scrooge; "of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten
hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen."

De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en
onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet
zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen
Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had,
en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten.

Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten
stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek
voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook
zij hielden zich wel heel stil!

"En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen."

Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet
gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben,
toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door?

De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht.

"Die kleur doet mijn oogen pijn," zei zij.

De kleur? Och, arme kleine Tim!

"Nu is 't al weer over," zei Cratchits vrouw. "Bij kaarslicht zijn ze
een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld
zwakke oogen willen laten zien. 't Zal zoowat tijd zijn dat hij komt."

"'t Is er al over," antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. "Maar
ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de
laatste paar avonden, moeder!"

Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke
stem, die slechts éénmaal haperde:

"Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog
goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog
wel hard ook."

"Ik ook," riep Peter. "Zoo vaak!"

"En ik," riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal.

"Maar hij was ook erg licht om te dragen," ging zij voort, ijverig
doorwerkend, "en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte
heelemaal niet voelde--heelemaal niet. En daar is je vader net aan
de deur!"

Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante
om--en hij had hem wèl noodig, arme drommel--kwam binnen. Zijn thee
stond klaar voor hem op de plaat en allen vochten om 't hardst wie
hem 't eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits
op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof
zij zeggen wilden: "Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees
maar niet bedroefd."

Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij
bekeek het werk op tafel en prees den ijver en 't vlugge werken van
juffrouw Cratchit en de meisjes.

"De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn," meende hij.

"Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?" vroeg zijne
vrouw.

"Ja, beste," antwoordde Bob. "Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het
zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar
je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou
heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!" zeide Bob. "Mijn kleine
jongen!"

Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als
hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder
van elkaar geweest zijn dan zij nu waren.

Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht
was en met hulst behangen.

Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog
kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten,
en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij
het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging
weder gelukkig naar beneden.

Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten, terwijl de meisjes
en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone
vriendelijkheid van meneer Scrooge's neef, dien hij slechts eenmaal
gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat
tegenkomend en ziend dat hij er een beetje--"een heel klein beetje
neerslachtig uitzag," zei Bob,--hem gevraagd had wat er gebeurd was
dat hem zoo hinderde. "Waarop," zei Bob, "want hij is de minzaamste
meneer die je ooit gezien hebt,--ik 't hem vertelde. "Dat spijt me
van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit," zeide hij, "en ook
voor uw goede vrouw." Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet
ik nog niet."

"Wàt wist, lieve?"

"Wel, dat jij een goede vrouw was," antwoordde Bob.

"Maar dat weet iedereen!" zeide Pieter.

"Heel goed gezegd, m'n jongen!" riep Bob. "Ik hoop dat ze 't allemaal
weten. "'t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw," zeide
hij. "Als ik u met iets van dienst kan zijn," zeide hij, mij zijn
kaartje overhandigend, "dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even
aan te komen." Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen,
dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen
Tim gekend had en hij met ons meevoelde."

"Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!" zei juffrouw Cratchit.

"Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. 't
Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter
een betere betrekking bezorgde."

"Hoor nu eens aan, Pieter," zei juffrouw Cratchit.

"En dan," riep een van de meisjes, "gaat Pieter verkeering houden
met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen."

"Och loop heen!" antwoordde Pieter grijnzend.

"O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren," zei Bob, "hoewel dáár nog
tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar
mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine
Tim zullen vergeten--wel?--of deze eerste scheiding die er onder ons
plaats vond?"

"Nooit, vader," riepen allen.

"En ik weet ook zeker," zei Bob, "ik weet ook zeker, dat als we er
aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een
heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en
terwijl we het doen kleine Tim vergeten."

"Nee, nooit, vader!" riepen allen weder uit.

"Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig," zei kleine Bob.

Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee
jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand.

Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God!

"Spook!" zei Scrooge, "iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden
voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de
man was, dien ik dood zag liggen?"

De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te
voren--hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem
voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest
hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen--naar
plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken, doch toonde hem
niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan,
doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge
zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te
blijven staan.

"Deze plaats," zeide Scrooge, "waarover wij nu zoo snel loopen, is
mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat
mij zien wat ik in komende dagen zijn zal."

De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen.

"Het huis is ginds," riep Scrooge uit. "Waarom wijst gij een anderen
kant uit?"

De onverbiddelijke vinger verwrikte niet.

Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek
naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het
meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was
hij ook niet.

Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren.

Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom
hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een
ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken
vóór hij binnentrad.

Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou
te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door
muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood
van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel
te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een
waardige plaats.

De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan.

Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het
geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige
gestalte te zullen zien.

"Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader," zeide Scrooge, "verzoek
ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen
van dingen die kùnnen worden?"

Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond.

"De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde
waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet,"
zei Scrooge. "Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het
einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!"

De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan.

Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger
volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen
naam, "Ebenezer Scrooge."

"Ben ik dan die man, die op dat bed lag?" riep hij op de knieën
vallend uit.

De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug.

"Neen, Geest, o, neen, dàt niet!"

Doch de vinger bleef wijzen.

"Geest," riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen
geleider, "hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik
wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles
mij niet getoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn
geval hopeloos was?"

Voor de eerste maal leek het of de hand beefde.

"Goede Geest," vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den
grond wierp. "Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft
medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan
brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven."

De vriendelijke hand beefde.

"Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het 't geheele jaar door
trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en
de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij
oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O,
zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan
uitwisschen."

In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te
maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch
de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af.

Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot
toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den
kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar,
en werd... een beddepost.



VIJFDE ZANG.

HET EINDE.


Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen
kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd
die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien
tijd tekort geschoten was!

"Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!" herhaalde
Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. "En de Geesten, al deze drie,
zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn
geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!" Hij
was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens,
dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig
gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.

"Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!" riep Scrooge uit, een zijner
bedgordijnen in zijn arm nemend, "ze zijn dus toch nog niet neergehaald
met ringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen
der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!"

Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen
gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend,
ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.

"Ik weet niet wat ik beginnen moet!" zei Scrooge tegelijkertijd lachend
en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij
volkomen op Laokoön geleek. "Ik voel me zoo licht als een veêr en ben
zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik
ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige
Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep,
hallo!"

Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten
adem.

"Daar staat de sauskom, waar de pap in was!" riep Scrooge, opnieuw
beginnend en om den haard dansend. "Daar is de deur waardoor de
Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest
van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de
dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en 't is allemaal zoo
gebeurd. Ha, ha, ha!"

Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had,
was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de
vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!

"Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!" zeide
Scrooge. "Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik
voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik
wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!"

Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die
er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim,
bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.

Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar
buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende
koude; 'n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden
zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke
klokken. O, heerlijk, heerlijk!

"Wat voor 'n dag is 't vandaag?" riep Scrooge een jongen, die op zijn
Zondags gekleed was, toe.

"Hè?" antwoordde de jongen, "wel Kerstdag natuurlijk!"

"Kerstdag zegt ie!" zeide Scrooge bij zichzelven. "Dan heb ik 't tòch
niet gemist. De Geesten hebben 't alles in één nacht gedaan. Zij kunnen
alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen."

"Hallo!" antwoordde de jongen.

"Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den
hoek?" vroeg Scrooge.

"Dat zou 'k gelooven," antwoordde de jongen.

"Knappe jongen!" zei Scrooge. "'n Merkwaardig gladde jongen! Weet
je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine,
maar de groote die bekroond is?"

"Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?" antwoordde de jongen.

"Wat een engel van een jongen!" zei Scrooge. "'t Is een genot op
zichzelf met dièn jongen te praten.--Jawel, kerel, die bedoel ik."

"Nee, die hangt d'r nog," antwoordde de jongen.

"Is 't waar?" zei Scrooge. "Ga hem dan dadelijk halen."

"Mot je mèìn hebbe?" antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem
voor den gek hield.

"Nee, nee," zei Scrooge. "Ik meen 't. Ga 'em dadelijk voor me koopen,
en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem
moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes
van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent,
krijg je een daalder."

De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. 't Moest al een flinke
schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had
kunnen krijgen.

"Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!" fluisterde Scrooge, zich in
de handen wrijvend en innerlijk lachend. "Hij zal niet weten wie hem
stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!"

De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij
kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open
te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl
hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.

"Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!" riep Scrooge uit,
den klopper met zijn hand aaiend. "Vóór vandaag keek ik er nauwelijks
naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een
wonderbare klopper!--Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe
gaat het? 'n Goeie Kerstmis, hoor!"

Wat een kalkoen was dat! 't Was niet mogelijk dat die vogel ooit
fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt
zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak.

"Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen," zeide
Scrooge. "Daarvoor moet je een bakje hebben."

De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede
hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij
den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den
inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en
lachte tot hij begon te huilen.

Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor
en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge
er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden,
dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en
volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z'n Zondagsch en
eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten
door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien
had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen
aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar
opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden "Goeie morgen,
meneer, een prettige Kerstmis!" tegen hem zeiden. En Scrooge placht
nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende
klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn
ooren klonken.

Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de
heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: "Het
kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?" Het gaf hem een steek in
't hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als
zij elkaar ontmoetten, doch hij wist nu welken weg voor hem lag en
dien volgde hij.

"M'n waarde heer," zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den
ouden heer bij beide handen vattend. "Hoe gaat het? Ik hoop dat u
gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een
blijde Kerstmis, mijnheer!"

"Meneer Scrooge?"

"Juist," zeide Scrooge. "Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen
aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus
vraag. En als u zoo goed wilt zijn"--hier fluisterde Scrooge iets
aan zijn oor.

"God beware me!" riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. "M'n
waarde heer Scrooge, meent u dat?"

"Zeker," zeide Scrooge. "Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een
groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u
mij het genoegen doen?"

"M'n waarde heer," zeide de ander, hem de hand schuddend, "ik kan u
niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......"

"Kom, het is de moeite niet waard," hernam Scrooge. "Kom mij eens
opzoeken. Wilt u?"

"Zeker, dat zal ik beslist doen," riep de oude heer uit. En het was
duidelijk dat hij dit meende te doen ook.

"Heel graag," zei Scrooge. "Zeer verplicht. Duizendmaal dank."

Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de
menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en
ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op
naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte. Nooit
had hij gedacht, dat een wandeling--of iets anders,--hem zoo gelukkig
kon maken.

Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn' neef.

Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde
gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.

"Is meneer thuis, kind?" zeide Scrooge tot het dienstmeisje, 'n
knap meisje.

"Jawel meneer."

"Waar is hij, kind?" zeide Scrooge.

"Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan
naar boven."

"Goed hoor, hij kent me wel," zei Scrooge, met zijn hand reeds op
het slot der eetkamer. "Ik zal hier maar binnengaan, meisje."

Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door
de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want
jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke
punten, en zien graag dat alles in orde is.

"Fred!" zeide Scrooge.

Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had
een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den
gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben
doen ontstellen.

"Wel, heere m'n tijd!" riep Fred. "Wie hebben we hier?"

"Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is 't goed, Fred?"

Of 't goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn
arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets
kon hartelijker zijn.

Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was
óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En
iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere
eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.

Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij
was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop
kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.

En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen
Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een
halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open,
om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.

Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn
bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op
los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:

"Hallo!" gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij
kon. "Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft
aankomen?"

"'t Spijt me erg, mijnheer," zei Bob. "Ik bèn werkelijk over mijn
tijd."

"Zoo?" herhaalde Scrooge. "Ja, dat zou 'k ook gelooven. Kom es even
hierheen, alsjeblieft."

"Het is maar eens in 't jaar, meneer," pleitte Bob, uit het hokje
komend. "Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te
veel pret gemaakt, meneer."

"Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje," zei Scrooge. "Ik wil
iets dergelijks niet langer dulden. En daarom," ging hij voort, van
zijn kruk springend en Bob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij
in het hokje terugwankelde, "en daarom ben ik van plan je salaris
te verhoogen."

Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het
schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn
Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en
een dwangbuis te roepen.

"Vroolijke Kerstmis, Bob!" zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem
niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. "Een
vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht
heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en
nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl
dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop
vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit."

Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en
nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede
vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als
de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo
veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan;
want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit
iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om
lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan
ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels
trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke
vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.

Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten, en men zei altijd
van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand
tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd
worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: "God zegene
ons allen!"



EINDE



AANTEEKENINGEN


[1] De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te
vinden, neerkomt.

[2] Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.

[3] Kleinburgerlijke voorstad van Londen.

[4] Een oude danswijs. Over "Sir Roger de Coverley" vindt men een en
ander in Prof. Knappert's aanteekeningen bij Sara Burgerhart--1e deel,
pag. 287.--

[5] Meerstemmig koraal.

[6] Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een
goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.:
Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem
(haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het
ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden,
geeft een pand.

[7] Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte
handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan
het hof nog het geval.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "A Christmas carol. Dutch - Een Kerstlied in Proza" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home