Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het huiselik en maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner - in de eerste helft der 18de eeuw
Author: Dominicus, F. C. (Foort Cornelis), 1884-
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het huiselik en maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner - in de eerste helft der 18de eeuw" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +--------------------------------------------------------------+
  |                                                              |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                 |
  |                                                              |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,   |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te    |
  | moderniseren.                                                |
  |                                                              |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan    |
  | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.           |
  | De voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind     |
  | van het hoofdstuk.                                           |
  |                                                              |
  | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.   |
  | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens". |
  |                                                              |
  | De in het origineel als cursief weergegeven tekst is in dit  |
  | e-boek weergegeven als _cursief_.                            |
  |                                                              |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn     |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.           |
  |                                                              |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de         |
  | aangebrachte correcties.                                     |
  |                                                              |
  +--------------------------------------------------------------+



                 HET HUISELIK EN MAATSCHAPPELIK LEVEN

                                VAN DE

                            ZUID-AFRIKANER

                   IN DE EERSTE HELFT DER 18de EEUW

                                 DOOR

                           F. C. DOMINICUS
                   ST. ANDREWS KOLLEGE, GRAHAMSTAD


                            'S-GRAVENHAGE
                           MARTINUS NIJHOFF
                                 1919



DIT WERK WERD IN 1917 BEKROOND DOOR DE ZUID-AFRIKAANSCHE AKADEMIE



INHOUD.


                                                       Blz.

  HOOFDSTUK I. De Kolonie en zijn bewoners                1

  HOOFDSTUK II. De Oostindiese Kompanjie en de
  maatschappelike rechten der bewoners van de Kaap       13

  HOOFDSTUK III. Het maatschappelik en huiselik
  leven in engere zin                                    36

  HOOFDSTUK IV. Bestuurslichamen en belastingen          93
  Lijst van geraadpleegde werken                        105
  Register                                              107



HOOFDSTUK I.

DE KOLONIE EN ZIJN BEWONERS.

                         Quidquid delirant reges, plectuntur Achivi.


Wanneer ik in de volgende bladzijden een en ander over het huiselik en
maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner in de eerste helft der 18de
eeuw wens neer te schrijven, dan zal het zeker in de allereerste
plaats wenselik mogen geacht worden om duidelik te maken, wat men
onder de term »Zuid-Afrikaner in de eerste helft van de 18de eeuw"
verstaan moet.

Ik begin dan met uit te sluiten de niet-blanke bewoners, daar zeker
omtrent het merendeel van hen zeer weinig over hun huiselik en nog
minder over hun maatschappelik leven zou kunnen gezegd worden.

Wat we over hen beschreven vinden is zo vaak doorweven met allerlei
fantastiese verhalen, dat het weinige, dat we er over zouden kunnen
zeggen, zeer zeker volstrekt niet als histories kan beschouwd worden.

Kolbe heeft ons zeer veel verhaald, maar aangezien zijn autoriteit wel
wat wankel staat, zouden we bij andere schrijvers als Valentijn en
Sparrman of bij de romantiese Le Vaillant ons licht moeten opsteken en
op hun wijsheid is zo vaak volkomen toepasselik het woord van De
Genestet:

    »Wat ons de wijzen als waarheid verkonden,
    Straks komt een wijzer, die 't wegredeneert."

We zullen ons dus moeten bepalen tot een bespreking van de blanke
bevolking van Zuid-Afrika in de eerste helft der achttiende eeuw.

En dan moeten we tot recht begrip teruggaan tot de stichting van de
volksplanting aan de Kaap.

Toen de Heren Zeventien hadden ingezien, welk een uitstekende
verversingsplaats de Tafelbaai zou kunnen worden en Van Riebeeck
dientengevolge hier voet aan wal had gezet, werd de grond gelegd tot
een zuiver hollandse kolonie. Maar dat stichten van een kolonie lag
volstrekt niet in de bedoeling der Bewindhebbers.

Hun maatschappij was een _handels_maatschappij in de eerste plaats en
bij alles, wat ze ondernamen, hielden ze dat in 't oog. Vandaar dan
ook, dat hier een kolonie is ontstaan, meer door de energie van mannen
als Simon van der Stel en anderen, dan door de wil van de Heren
Zeventien.

Zolang de maatschappij voor haar schepen de nodige levensmiddelen en
verversingen kon bekomen, kon het haar bitter weinig schelen, wat er
verder gebeurde, als maar die gebeurtenissen haar niet dadelik of in
afzienbare tijd enige verantwoordelikheid oplegden.

Want de Verenigde Oost-Indiese Kompanjie had zich als voornaamste doel
gesteld de grootst mogelike dividenden uit te keren onder het
aanvaarden van de kleinst mogelike verantwoordelikheid.

In dit licht nu moeten al haar handelingen, haar bepalingen, wetten en
plakkaten beschouwd worden.

De kolonisten zijn voor haar een noodzakelik kwaad. Zij heeft ze nodig
als producenten, maar wenst ze dan ook niet veel hoger te stellen dan
menselike machines, die juist zoveel brandstof mogen verbruiken als
nodig is om aan den gang te blijven, doch ook niets meer.

Als we dit in het oog houden, dan kan het ons niet verwonderen, dat,
zooals rechter Watermeyer het uitdrukt, de Kaap door dit tirannieke
systeem anderhalve eeuw van vooruitgang moest derven.

Maar ook kan het dan geen verwondering wekken, dat de kolonisatie niet
biezonder vlug ging. Er waren zo weinig redenen om Holland te verlaten
bovendien.

Holland was in die tijd in zijn grootste bloei-periode. Er was geen
overbevolking en men kwam handen te kort. Waarom dan zou iemand de
zekerheid van een goed bestaan laten varen om zich in een onzekere
toekomst te wagen?

Andere natieën wilde men zoveel mogelik uitsluiten, vooral de
zeevarende en dus was er weinig kans voor de jonge kolonie om tot
bloei te geraken.

Een grote en machtige faktor moest wel aanwezig zijn om toch eindelik
die kolonisatie te doen plaats hebben.

De herroeping van het edikt van Nantes werd die beslissende faktor.

De Heren Zeventien hebben voorzeker die stroom van franse
vluchtelingen niet met genoegen Nederland zien binnenkomen, want het
was duidelijk, dat voor hen allen geen plaats zou kunnen gevonden
binnen de grenzen van het kleine Holland en dan zou natuurlik de
eerste, die raad moest schaffen, de V. O. I. C. zijn.

Want ze begrepen wel, dat ze aan de drang van het volksgeweten geen
weerstand zouden kunnen bieden en dus hun bezittingen zouden moeten
openstellen voor hen, die in korte tijd wellicht tot een gevaar voor
de Kompanjie zouden worden.

Het was dan ook slechts schoorvoetend, dat ze het besluit namen om de
franse réfugiés een nieuw vaderland aan te bieden aan de Kaap.

En omtrent twintig jaren later, toen er geen gevaar meer was van
openbare afkeuring, trachtten ze goed te maken, wat zij misschien door
hun vrijgevigheid in vroeger jaren mochten bedorven hebben.

Op 22 Junie 1700 namelik besloten ze om wèl kolonisten naar de Kaap te
sturen maar met de bijvoeging »mitsgaders zorg dragende en lettende
dat het soo veel doenlijk is mogen zijn Nederlanders of onderdaanen
van dese Staat of van Hoogduijtsche natien geen traficq ter zee
doende, mitsgaders van de gereformeerde of Luyterse godsdienst, hun op
de lantbouw of culture der wijnen verstaende, dogh geen franschen, de
selve om redenen in voorn. als anders in 't geheel excuserende"[1].

Maar ook dit besluit scheen hun nog te veel ruimte te laten voor 't
insluipen van gevaarlike elementen, want dit werd ingetrokken op 26
Okt. 1706, merkwaardig genoeg op dezelfde dag, waarop het besluit werd
genomen tot de terugroeping van Van der Stel c. s.

Begon de zucht naar vrijheid, die uit de petitie der burgers van de
Kaap sprak, hen bevreesd te maken en dachten ze, dat een groeiend
aantal kolonisten het steeds moeiliker zou maken de oude banden zo
nauw te houden, als ze waren aangelegd?

Het leek er wel veel op.

Ofschoon door het toedoen van de Kamer van Middelburg het besluit op
de volgende dag weer werd aangehouden, toch kon dit niet beletten, dat
op 15 Juli 1707 de permissie tot het zenden van vrijlieden geheel werd
ingetrokken.

En terwijl de deur voor kolonisatie open was, had men steeds er voor
gezorgd, dat men allen goed aan de band had, want van vrije
kolonisatie in de zin, die wij tegenwoordig aan dat woord hechten, was
allerminst sprake.

Ieder, die wenste burger te worden aan de Kaap, moest de volgende eed
afleggen:

»Ick belove en sweere dat ick de Ho: Mo: Heeren Staten Generael der
Vereenichte Nederlanden als onse hooghste en souvereijne overheyt, de
Bewinthebberen van de Generale Geoctroyeerde Oost Indische Comp: in
deselve landen, mitsgaders den Gouverneur Generael en de Raden in
Indië en voorts alle Gouverneurs, Commandeurs, en Bevelhebberen, die
geduyrende dese reyse te water, en voort te lande over ons sullen
wesen gestelt, gehouw en getrouw sal wesen, dat ick alle wetten,
placcaten, en ordonnantiën bij de Bewinthebberen voorn: ofte den
Gouverneur Generael ende de Raden alrede gemaeckt off noch te maken
getrouwelijck in alle pointen nae mijn vermogen sal onderhouden en
naekomen en voort mij in alles soodaenich draegen en quijten als een
goet en getrouw onderdaen schuldich en gehouden is te doen."

Zij waren dus _onderdanen_ van de V. O. I. C. en dat was waarlik geen
blote formule, zoals ik verder zal trachten duidelik te maken.

In de School-Regulaties voor Slave-kinderen vinden we de volgende
zinsnede:

»De Heere God en het welvaren van de Hoog Edele Groot Achtbare Heeren
Bewinthebberen van de Oost Indische Compagnie zij de hoogste wet"[2].

Er wordt niet gesproken over het welvaren van het land of van de
kolonisten. Geen woord ervan. Maar de Bewinthebberen zijn de personen
aan wier welvaren als hoogste wet moet worden gedacht.

Daar zou geen bezwaar tegen hebben kunnen bestaan, als maar altijd de
belangen van de Kompanjie identiek waren geweest met die van de
burgers.

Dat was er echter verre vandaan. En de hele geschiedenis van de Kaap
in hollandse handen, kan samengevat worden in de formule, die aan de
slavenkinderen moest worden ingeprent: »Het welvaren der Compagnie zij
de hoogste wet."

Het is dan ook niet te verwonderen, dat de getallen van kolonisten,
die van 1700 tot 1750 zich aan de Kaap vestigden zo buitengewoon laag
zijn.

Sedert 1707 was het uitzenden van vrije boeren afgeschaft, zoals we
boven zagen en de vermeerdering van het getal der kolonisten
geschiedde dan ook slechts door het uitgeven van brieven van
burgerschap aan hen, die hun diensttijd als soldaat hadden voleindigd.

Op deze manier kwamen de kolonisten a. h. w. druppelsgewijze in de
kolonie. In de halve eeuw van 1700 tot 1750 vinden we behalve door
geboorten, het aantal der kolonisten vermeerderd met 255 Duitsers, 166
Nederlanders en 11 Fransen. Van onbekende nationaliteit kwamen er 65
personen in die tijd en van verschillende andere nationaliteiten dan
de drie bovengenoemde 38, zodat het gehele aantal der personen, die in
een halve eeuw aankwamen, slechts 535 bedroeg[3]. Bij deze getallen
moet verder nog in 't oog gehouden worden, dat in 1710 Mauritius door
de Hollanders verlaten werd. De kolonisten van dat eiland kregen de
keuze om naar Java of naar de Kaap te gaan. Negen gezinshoofden kozen
toen de Kaap. Zij kwamen dus volstrekt niet aan de Kaap onder dezelfde
omstandigheden als de anderen.

Volgens een berekening van Theal uit de kerk-registers bestond in 1691
de kaapse bevolking voor 2/3 uit Hollanders, voor 1/6 uit Fransen,
voor 1/7 uit Duitsers en de rest van hen waren Zweden, Denen en
anderen. En nooit in de gehele eerste helft van de achttiende eeuw of
daarna hebben de Fransen meer dan 1/6 der bevolking uitgemaakt, de
ambtenaren der V. O. I. C. inbegrepen. In 1700 bestond de bevolking
uit 418 mannen, 222 vrouwen, 310 dochters en 295 zonen[4].

Men ziet hieruit dus, dat de Heren Zeventien hun maatregelen zó hadden
genomen, dat de réfugiés nooit een gevaar voor »het welvaren der
Bewinthebberen" zouden worden.

Om nog duideliker te maken, hoe de Kompanjie stond tegenover
kolonisatie en hoe angstvallig ze haar rechten trachtte te verdedigen
tegen elke vreemde inmenging, haal ik aan een brief, die de Zeventien
op 20 November 1667 zonden aan de Commandeur. Het schijnt wel, zo zegt
de missive, dat ze aan de Kaap de vreemdelingen eerder aanlokten dan
afstootten. Ze behoorden een voorbeeld te nemen aan Portugal in
Brazilië, dat zijn gasten een zeer onwelkome ontvangst gaf.

Tegelijkertijd moest dan steeds, of het waar was of niet, opgegeven
worden, dat schaarsheid en onvoldoende voorraad beletselen waren om
vreemde schepen, die in de Baai kwamen, van wat dan ook te voorzien.

Om aan te tonen, hoe ze tegenover de belangen der burgers stonden,
haal ik uit een brief van Wagenaar het volgende aan: »Met betrekking
tot de vrij-landbouwers of kaapse kolonisten moet ik opmerken, dat tot
hier toe hun vrijheid en hun woonplaatsen hun geschonken werden _met
geen andere bedoeling_ dan om te helpen in 't bebouwen van de grond en
het vruchtbaar maken daarvan."

Het schijnt wel, dat de eerste kolonisten met deze opvatting vrijwel
tevreden waren, want al mocht al eens tegen van Riebeeck gezegd
worden, dat ze niet »'s Compagnies slaven" waren, dit was toch nog
geen teken van een algemeene geest van verzet.

Dit werd echter anders, toen andere standen in de kolonie kwamen. En
in dit opzicht brachten de Hugenoten een grote verandering. Zij waren
niet aan de tyrannie van de franse koning ontvlucht om zich gewillig
te begeven in die van de Heren Zeventien.

Doch hun aantal was te gering om zich met veel sukses te kunnen
verzetten, want het despotisme had te diep wortel geschoten en
ofschoon het mooie woord vrij-landbouwers bleef bestaan, dat woord had
absoluut de beteekenis verloren, die het in Europa had en de vrijheid
was ver te zoeken.

Wat hielp het echter of men murmureerde? Het trachten naar politieke
rechten of het verzet tegen afpersingen bracht mee verbeurdverklaring
van eigendommen, scheiding en verbanning naar Mauritius of een andere
strafplaats[5].

       *       *       *       *       *

Nadat we nu in algemeene trekken die we in 't vervolg van deze
verhandeling nader zullen uitwerken, hebben aangeduid, wie de
kolonisten waren in 't begin der achttiende eeuw en in welke
omstandigheden ze zich bevonden, willen we ook even nagaan wat we
onder de Kaap-kolonie van die tijd moeten verstaan.

Langzamerhand waren de pioniers uitgetrokken, de wildernis in, van het
Kasteel weg. Maar vóór de komst der Hugenoten betekende dit vanzelf
niet zo veel als daarna.

De aankomst van zulk een aantal personen opeens moest natuurlik leiden
tot het openen van nieuwe wegen en ontginnen van nieuwe landstreken.

In 1657 waren reeds aan sommige van de ontslagen ambtenaren der
Kompanjie kleine plaatsen bij Rondebos ter bebouwing gegeven. Zij
werden de eerste kolonisten[6].

Voor 't eind van 1679 had de eerste boer de ploeg in de grond gezet in
Stellenbosch en in Mei 1680 volgden 8 families.

In 1684 werd, volgens Valentijn, Draakestein met 80 gezinnen bevolkt.
Het kreeg zijn naam naar de Heer Van Rheede, die toen juist op de
komst was en bij wie Simon van der Stel klaarblijkelik in een goed
blaadje wenste te komen.

Theal geeft echter op, dat dit eerst in 1687 plaats had en niet door
80 gezinnen, maar door 23 mensen, die na de kermis te Stellenbosch
zich in Draakestein vestigden.

Daar Valentijn niet altijd even juist is in zijn jaartallen, kunnen we
veilig aannemen, dat 1687 het juiste jaar is.

In Julie 1700 trokken enige kolonisten naar 't land van Waveren en
werd daar een militaire post gevestigd, bestaande uit 1 korporaal en
zes soldaten ter bescherming van die kolonisten tegen de Bosjesmannen.
Gedurende 43 jaar is die post daar gebleven, wat wel bewijst, dat de
kolonisatie, die kant uit tenminste, geen al te groote vorderingen
maakte.

In Des. 1711 werden de grenzen van het Kaap-distrikt bepaald als
zijnde de Mosselbank- en Kuilsrivieren. Aan de andere zijde oefende de
landdrost van Stellenbosch gezag uit, tot zoover als zich Europeanen
hadden gevestigd. De stichting van Fransche Hoek en de Paarl vallen
mede in de tijd van de komst der Hugenoten[7].

Hier en daar waren militaire posten en enige kolonisten waren zelfs
tot in Hottentots-Holland doorgedrongen.

Vóór het jaar 1750 had de kolonie zich nog wat verder uitgebreid en
we denken dan natuurlik allereerst aan de stichting van Swellendam,
Zwartlandskerk en Roodezandskerk.

Maar toch bestond de kolonie honderd jaar na de stichting slechts uit
drie distrikten, die van de Kaap, Stellenbosch en Swellendam.

Doch het sprak eigenlik vanzelf, dat dit zo moest wezen.

De Zeventien waren zeer beslist gekant tegen uitbreiding der grenzen.
Zo zelfs, dat in 1724 een wet werd gemaakt, waarbij werd bepaald, dat
niemand zijn distrikt mocht verlaten zonder verlof van gouverneur of
landdrost en heemraden en zelfs dan nog 50 rkd. moest betalen in de
schatkist van het distrikt.

Doch toen reeds zat de trekkersgeest de kolonisten in 't bloed. Want
ze trokken zich er niets van aan, zodat in 1727 die wet maar weer werd
herroepen, daar men ze toch niet kon toepassen.

Kaapstad was vrij hard vooruitgegaan in huizenaantal.

Valentijn zegt er van: »Wanneer ik in 't jaar 1685 hier quam, stonden
er de huizen vrij ijdel en in vergelijking van nu (1714) zeer weinig.

Ik heb er in de Tafelbaai in 't jaar 1714 omtrent 254, zoo groote als
kleine zelf geteld, zonder deze en gene openbare gebouwen (gelijk het
touwpakhuis en meer andere huizen der E. Maatschappij) hierbij te
rekenen."

Dampier verhaalt in zijn »Reizen" (Deel I) Hoofdstuk 19, dat er in
1691 nog maar 50 of 60 huizen stonden in Kaapstad. Ze waren gebouwd
van steen, die in een steengroeve er dichtbij werd gehakt.

De stad was in 1700 nog niet zeer uitgestrekt. Aan de ene kant kwam ze
maar tot aan de tegenwoordige Burgstraat en aan de andere kant tot de
Pleinstraat. De tuinen van de Compagnie strekten zich uit tot aan de
Kortmarkt Straat.

De voornaamste straten waren toen de Herengracht (tans Adderley
straat), de Keizersgracht (tans Darling straat), de Burgstraat en de
Bergstraat (tans St. George straat).

Deze 4 brede rechte straten waren volgens Valentijn (blz. 13) »112
treden lang en 15 treden breedt."

Van de dwarsstraten was er één »350 treden lang en 25 treden breedt".
De andere waren de helft smaller.

Hij spreekt echter nog steeds van het »vlek" in 1714.

Van Stellenbosch deelt dezelfde schrijver ons mee, dat er in 1705 nog
maar 13 of 14 huizen stonden in het dorp zelf.

In deze vrij oppervlakkige beschouwingen heb ik trachten duidelik te
maken wie de Zuid-Afrikaners in het begin der achttiende eeuw waren en
wat de term Kaap-kolonie, toegepast op die tijd, beteekent.

In een volgend hoofdstuk wens ik na te gaan, wat we te verstaan hebben
door de »Oost-Indische Compagnie" en hoe zij het land bestuurde.

VOETNOTEN:

[1] Theal, Bel. Hist. Dok. III.

[2] Theal, Chronicles of Cape Comm. pag. 331.

[3] Theal, Hist. of S. A. II pag. 325.

[4] Mrs. Trotter, Old Cape-Colony.

[5] E. B. Watermeyer, Three lectures.

[6] Theal, Gesch. v. Z. A. pag. 31.

[7] In 1697 zond Van der Stel ongeveer 30 personen uit Stellenbosch en
Draakestein naar de Wagenmakers-vallei ten N. van Paarl. Zij vormden
de kern van het tegenwoordige Wellington.



HOOFDSTUK II.

DE OOSTINDIESE KOMPANJIE EN DE MAATSCHAPPELIKE RECHTEN DER BEWONERS
VAN DE KAAP.


Het oktrooi, dat in 1602 aan de Oost-Indiese Kompanjie werd gegeven,
hield o. a. in, dat zij het recht zou hebben traktaten te sluiten met
de indiese regeringen, forten te bouwen en civiele en militaire
beambten aan te stellen. Ze was dus een soort van staat in de Staat.
Een kleine republiek in de Republiek der Verenigde Provincieën.

Daarin lag haar kracht en haar zwakheid. Maar ondanks de grote
gebreken, die het stelsel aankleefden, is zij tot schade der bewoners
van de Kaap blijven bestaan tot aan de eerste inbezitneming door de
Engelsen in 1795.

Zij, die hier met Van Riebeeck aankwamen, waren allen ambtenaren van
de Kompanjie. Zij hadden een kontrakt aangegaan voor de tijd van vijf
jaar[8]. Na die tijd konden ze door middel van een »vrijbrief" hun
ontslag krijgen. Dan waren zij ook vrij om handel te gaan drijven,
voor zover de wetten en plakkaten der Kompanjie dat toelieten.

Maar die vrijheid was slechts voorwaardelik. Want de Kompanjie behield
zich het recht voor »omme hun ten allen tijden wanneer benodigt ofte
zijn gedrag niet betamelijk weesen mogen wederom in dienst te nemen."
Ook mochten de vrijlieden een handwerk kiezen, maar geen ander nemen,
voor ze daartoe verlof hadden gekregen van de Raad. (Antwoord op
petitie van Johan Hendrik Gans 5 Sept. 1780).

Het recht van terugneming in haar dienst strekte zich zelfs uit over
de kinderen van zo'n man.

De lagere ambtenaren van de maatschappij werden op de volgende wijze
uitbetaald: 1/4 van hun loon kregen ze in handen in Indië, 1/4 werd
hun uitbetaald in klederen en de andere helft werd hun eerst gegeven,
als ze weer in Nederland terug kwamen.

Volgens de »Artikel Brief", een wet, waaraan de ambtenaren zich hadden
te houden, was het hun verboden dobbelstenen of speelkaarten mede aan
boord te brengen of die daar zelf te maken.

Het was dan ook wel nodig om strenge bepalingen te maken ten opzichte
van haar ambtenaren, in 't biezonder met betrekking tot haar
schepelingen. Want de manier, waarop ze verkregen werden, strekte er
vaak niet toe om ze onderdanig of gewillig te maken. Men had in de
grote steden, vooral Amsterdam, de z.g. »zielverkopers", die trachtten
op allerlei manieren manschappen voor de Kompanjie te krijgen. Een van
de meest gewone manieren was het pressen van vreemdelingen.

Wanneer één van deze ongelukkigen in Amsterdam kwam, belandde hij vaak
bij gebrek aan geld in een van de mindere soorten zeemansherbergen.

Zeer vaak gebeurde het, dat men hem hier dronken maakte of op andere
manier hem overweldigde en hem dan zonder verwijl op een gereedliggend
schip bracht. Op deze manier zijn honderden vreemdelingen geprest in
de dienst van de Kompanjie.

Sparrman vertelt, dat dit zelfs soms gebeurde met zonen van
hooggeplaatste lieden, welke dan als gewoon soldaat tegen een loon van
9 gulden 's maands op de vloot terecht kwamen.

Zelden of nooit kwamen de bloedverwanten dezer jongelui daarvan iets
te weten. Want een brievepost bestond niet, evenmin in de Kolonie zelf
als overzee. Als men een brief wilde verzenden, kon men trachten goede
vrienden te worden met een schipper, die dan de brief meenam, maar ook
dat was niet gemakkelik, want niemand mocht brieven schrijven naar
Holland over oorlog, handel en andere belangrijke zaken dan aan de
Heren Zeventien.

Onder die belangrijke zaken kon de regering van de Kaap natuurlik zo
ongeveer rekenen, wat ze zelf wilde en daarom was het voor een
schipper altijd min of meer gewaagd een brief van een vreemdeling mee
te nemen. Te meer, daar de Kompanjie geheel volgens de manieren van
haar tijd niet karig was met straffen. Als men het »Journal" van
Leibbrandt doorleest (1699-1732) staat men verbaasd, hoe op de duur
nog iemand zonder brandmerk in Kaapstad rondliep. Het getal straffen
is eenvoudig legio. En ofschoon de slaven er gewoonlik het slechtst
afkwamen, is het aantal straffen, die aan blanken werden voltrokken,
ook reusachtig groot.

Robben-eiland was tamelik dichtbij Kaapstad en de reis daarheen heeft
menigeen moeten doen zonder een kans om gauw weer terug te komen. Zo
lezen we b.v. dat op 9 Des. 1700 een ambtenaar van de Kompanjie werd
gevonnist. Hij was blijkbaar het dienen moe geworden en had de
vrijheid genomen om het binnenland in te gaan. Daar had hij 9 maanden
lang in Draakestein geleefd, alsof hij zelf een burger was. Voor dit
uitstapje werd hij gegeseld en moest een jaar lang in de boeien
dwangarbeid verrichten[9].

Op 11 Maart 1706 werd besloten om nu en dan eens wat opruiming te
houden onder de ongehuwden en luiaards in de stad en daarbuiten.
Speciaal zij, die zich ook in andere opzichten misdroegen, zouden dan
worden gevangen genomen en om het land te zuiveren, zouden ze per
eerste gelegenheid naar Indië worden gezonden als soldaat tegen 9 gld.
per maand[9].

Dat de Zeventien volstrekt niet erg kieskeurig waren in de keuze van
hun ambtenaren blijkt b.v. ook uit wat we lezen van een vonnis op 28
Febr. 1710.

Jacob Hendriksz., ex-burger van Stellenbosch, werd verbannen naar
Robben-eiland, doch slechts tot aan het vertrek der vloot, want, omdat
hij vrouw en kind had, zou hij in dienst genomen worden als soldaat en
met z'n familie naar Ceylon worden gezonden[9].

Het mooie van deze »medelijdende" daad was, dat natuurlik de Kompanjie
er ook door gebaat werd.

Het kan ons dan ook geenszins verwonderen aan de andere kant, dat op
30 Junie 1731 de telling van de ambtenaren der Kompanjie aantoonde,
dat er van 1000 man 56 veroordeelden en 20 gekommandeerden op
Robbeneiland waren. Dat is ruim 7-1/2 percent. De staat van gezondheid
gaf aan dat er 170 man in 't Hospitaal lagen[10].

De telling in 1732 bracht aan 't licht dat van de 1016 ambtenaren er
50 veroordeelden en 17 Gekommandeerden op Robbeneiland waren.

Zo weinig waren zij in tel, die in dienst der Kompanjie stonden, dat
men zelfs geen eerbied had voor de heiligheid van de nalatenschap der
zeelieden en matrozen.

Als een van hen aan de Kaap stierf, werden zijn bezittingen verkocht
om de onkosten van de begrafenis enz. te bestrijden. Dat werd
gewoonlik zó gedaan, dat het zelden gebeurde, dat er iets van
betekenis aan de bloedverwanten in Europa kon gestuurd worden[11].

Uit deze enkele gegevens heeft men reeds kunnen opmaken, dat mijn
oordeel over het bewind der Oost-Indiese Kompanjie niet al te gunstig
is. En nu weet ik wel, dat men ze verdedigt door te zeggen, dat ze in
geen enkel opzicht slechter was dan andere Handelsmaatschappijen van
haar tijd.

Dit mag waar wezen. Het ligt natuurlik buiten het bestek van deze
verhandeling om dit te verdedigen of te bestrijden. Daar ik slechts
aan te geven heb in hoeverre de daden der Kompanjie het maatschappelik
leven der kaapse burgers raakten, wil ik met een aantal feiten
duidelik maken, wat die Kompanjie dan wel deed en welke fouten haar
aankleefden, zonder daarbij na te gaan of ze slechter of beter was dan
andere van haar tijdgenoten.

In de allereerste plaats moet ik wijzen op de eigenbaat, die uit
zoveel van haar handelingen blijkt en op het schromelike egoïsme,
waarmee ze haar ambtenaren (tot haar eigen voordeel) wenste te
doordringen, een egoïsme, dat natuurlijk echter ook zeer sterk tot
uiting kwam, waar het de belangen van die ambtenaren _zelf_ gold,
zelfs waar die in strijd waren met de belangen van de Kompanjie.

Op de 30ste Desember 1731 was er een schip gestrand in de St.
Helena-baai. Zij, die daar op een post dichtbij waren, kregen bevel om
alle mogelike hulp te geven aan de schipbreukelingen, maar met de
uitdrukkelike bepaling erbij, dat dit alleen mocht geschieden, als het
gestrande schip er een van de Kompanjie was.

Waren het vreemdelingen, dan konden ze verdrinken, daar bemoeide de
V. O. I.-C. zich niet mee.

De geschiedenis van »De Jonge Thomas" is te bekend, dan dat ik
daarover zou behoeven te spreken. En hier gold het nogal haar eigen
landgenoten en dienaren. Maar haar koopwaren waren meer waard dan de
levens van haar matrozen.

Onder Van der Stel de Oudere werd de tabaksteelt streng verboden aan
de kolonisten, omdat zij door die teelt het monopolie der Kompanjie
zouden kunnen benadelen. Dat door veranderde omstandigheden die teelt
later werd toegestaan, doet natuurlik niets aan het feit af.

Niet alleen het monopolie van de tabak had de Kompanjie, maar ze
ontzag zich niet om grof geld te verdienen aan de verkoop van
»Dagga"[12] aan de Hottentotten, die daardoor nog dieper zonken.

In 1699 werd de veehandel opengesteld voor de burgers op voorwaarde,
dat zij dan trekossen zouden leveren aan de Kompanjie voor 10-1/2
gulden per stuk, een zeer lage prijs.

Toen in 1743 uit Indië bericht kwam, dat de prijs van 't koren, dat
aan de Kompanjie werd geleverd, moest verlaagd worden tot zeven
gulden, lokte dit natuurlik protesten uit, want de kostprijs was voor
de burgers in 't beste seizoen reeds over de zes gulden. Eerst toen
men zag, dat men zich een groot nadeel zou berokkenen, door dit
besluit te willen doordrijven, werd de prijs weer op acht gulden
teruggebracht.

Valentijn vertelt, dat in zijn tijd een mud tarwe van 180 of 190 pond
door de Kompanjie werd gekocht voor 8-1/2 gulden en een mud rogge voor
7-1/2 gulden. Maar de bakkers betaalden in dezelfde tijd
respektievelik 15 en 12 gulden.

Dat wordt verteld door de grootste verdediger van al wat de Kompanjie
aanging, die ooit heeft bestaan.

Daaruit blijkt dus, dat men dit als een zeer gewoon en natuurlik
verschijnsel beschouwde.

Dezelfde schrijver verhaalt, dat de Kompanjie ook tienden eiste van 't
hooi en dat dit behoorlik aan de stallen van de Maatschappij moest
worden afgeleverd.

Ze verhandelde, zegt hij, elk jaar voor 300.000 gulden koopwaren,
waarop zij 75 percent won.

Nooit is het misschien openhartiger gezegd dan door d'Ableing, wat het
doel der maatschappij was en waartoe haar ambtenaren moesten dienen.

De plicht van de ambtenaren is, zo zegt hij, de profijten der
Kompanjie te vermeerderen.

Dat hij dit in de praktijk zeer breed opvatte, blijkt uit het
volgende:

Hij had een grote hoeveelheid onverkoopbare tabak en hij schreef nu
aan de landdrost van Stellenbosch, dat deze moest trachten, die te
ruilen tegen tarwe bij de boeren[13]. Als die maar dom genoeg waren om
toe te happen, dan was het geweten van de eerste dienaar van de
Kompanjie ruim genoeg om daar tevreden mee te zijn niet alleen, maar
zelfs om er behagen in te scheppen.

Op 7 Maart 1699 schreven de Heren Zeventien aan de Goeverneur, dat ze
meenden, dat hij wel wol zou kunnen kopen voor 4 stuivers per pond en
die zouden zij dan in Europa voor 18 stuivers van de hand doen. Ze
wilden ongeveer van 1000 tot 1500 pond hebben[14]. Winsten van 350
percent behaald op produkten van hun eigen landgenoten en kolonisten
schenen ze dus niet meer dan natuurlik te vinden.

Maar ze zorgden aan de andere kant wel, dat de burgers geen kans
hadden om op hun beurt ook de Kompanjie te plukken, als ze er werk
voor te verrichten hadden.

De prijs van alles stond vast. Tot zelfs de betaling voor het zetten
van een nieuwe spaak in een wiel was nauwkeurig bepaald.

Geen wagenmaker of smid had ook maar de geringste kans om iets meer te
nemen dan de Kompanjie hem wenste te gunnen.

Michiel Otto van Hottentots-Holland vroeg in 1744 om koren te mogen
malen met zijn eigen molen voor zijn eigen gebruik, daar hij zover van
de molen van de Kompanjie af woonde[15]. Dit werd toegestaan, maar
alleen op konditie, dat hij aan de molenaar van Stellenbosch evenveel
zou betalen, alsof zijn koren dààr was gemalen. En deze permissie zou
niet als precedent mogen dienen.

Het vissen was alleen toegestaan in de Tafelbaai en in de Valse Baai.

Eindelik werd in 1718 ook de visserij toegestaan in de Saldanha-baai,
maar op voorwaarde, dat één vijfde deel der gedroogde vis zou betaald
worden als belasting. Het spreekt vanzelf, dat niemand ooit van dit
»voorrecht" gebruik heeft gemaakt.

Ten laatste deel ik als merkwaardigheid mee, dat het begraven van
misdadigers met de ketenen, waaraan ze geklonken waren geweest, door
de Kompanjie werd afgeschaft, niet, omdat het als te barbaars of als
nutteloos werd beschouwd, maar omdat het te duur was[16].

Een tweede grote fout der Kompanjie was, dat ze haar ambtenaren niet
behoorlik betaalde.

En van beide verkeerdheden, zowel van het egoïsme van de Maatschappij
tegenover de burgers als tegenover haar eigen ambtenaren, werden de
burgers per slot van rekening de dupe, want de ambtenaren hadden
Nederland niet verlaten om armoede te lijden, integendeel, en daarom,
als de maatschappij hen niet betaalde, dan zouden zij zich zelf wel
schadeloos stellen.

Valentijn verhaalt, dat in 1710 de Goeverneur een traktement had van
[f] 2400 waarbij kwam [f] 900 kostgeld. En hij voegt er dan bij, dat
de Kompanjie hem zoveel verschillende voordelen schonk, dat hij zijn
gehele inkomen wel op 9300 gulden schatte.

Maar.... Valentijn was de vriend en verdediger der V. O. I. C. en zijn
schatting lijkt wel wat al te ruim.

Te meer, daar volgens Theal het salaris van zulk een hoge ambtenaar
als de Fiskaal Independent in 1689 slechts [f] 1200 bedroeg.

Dit was echter zeer zeker veel te weinig, omdat hij daardoor niet vrij
genoeg tegenover anderen kon staan. En niet alleen dat, maar het
bracht hem voortdurend in de verzoeking om onrechtvaardig te zijn in
zijn eigen voordeel. Want hij had het recht om 1/3 der opgelegde
boeten als zijn eigendom te beschouwen. Het zou dus slechts een zeer
menselik gebrek zijn, als die boeten soms wat hoger werden dan met de
billikheid tegenover de burgers strookte. Bovendien mocht hij voor
verschillende diensten betaling eisen en had een zeer uitgebreide
macht, zodat hij zeer zeker wel een man was, die men door geld of
geschenken goedgunstig zou trachten te stemmen.

In 1727 was Jan de La Fontaine het kleingeestige plagen van goeverneur
Noodt zo moe geworden, dat hij ontslag vroeg. De Heren Zeventien gaven
hem dat echter niet, maar verhoogden zijn salaris van 80 gulden tot
120 gulden per maand[17].

En hij was op dat ogenblik de secunde, de tweede persoon in de
kolonie.

Het is voorwaar geen wonder, dat de ambtenaren hun best deden om er
met handel wat bij te verdienen. Zo duidelik was dit, dat zelfs de
Heren Zeventien het soms moesten merken en nu en dan een oogje
toedrukten.

Voor het ogenblik zij het voldoende te zeggen, dat toen eindelik ten
gevolge van de drang der burgers de Heren Zeventien genoodzaakt waren
het bezit van landerijen en het handelen aan haar dienaren geheel te
verbieden, er een andere weg op moest gevonden worden om het tekort in
hun salarissen goed te maken.

Als altijd waren natuurlik de burgers degenen, die 't gelag moesten
betalen. Ik zal dit hieronder nader aantonen.

Maar eerst wil ik uit de Archieven van de Kaap nog iets aanhalen, dat
een levendig licht werpt op de salariskwestie van de ambtenaren.

De maatschappij had in haar dienst 16 jonge klerken, maar eerst geen
kosthuishouder, door de maatschappij te hunnen behoeve aangesteld,
zoals dit in Indië de gewoonte was.

Deze jongelui moesten dan zelf maar kosthuizen vinden. Doch de som,
die hun daartoe werd gegeven, was zo klein, dat ze vaak niets te eten
hadden dan droog brood en water. Eindelik werd een kosthuishouder
aangesteld, die hun 2 keer per dag een maal moest verschaffen, 's
morgens om elf uur en 's avonds om zes uur. Hij moest zijn tafel van
goed en voedzaam burgervoedsel voorzien en minstens drie keer per week
schape- of rundvlees opdissen.

Dit was al een hele stap vooruit, maar de andere beperkende
bepalingen, die omtrent die maaltijden gemaakt werden, waren zodanig,
dat zeker al de jongelui liever zelf een keuze zouden gedaan hebben
uit de kosthuizen in de stad, dan op kosten van de maatschappij te
eten. Maar hun salaris liet hun dat niet toe.

De getrouwde ambtenaren konden van dit kosthuis niet profiteren en
daarom werd dit door hen op een andere manier goedgemaakt.

In 1722 werd bepaald, dat de ambtenaren wel tuinen voor eigen gebruik
mochten hebben, maar die mochten niet groter zijn dan 2 morgen. Reeds
sedert 1668 had men op hetzelfde aambeeld gehamerd, maar het scheen
niet veel te helpen, want nieuwe wetten komen telkens om de oude wat
te verscherpen of het geheugen van de mensen in dit opzicht weer eens
op te frissen.

Doch men deed meer in 1722. De handel, die de ambtenaren in
verschillende artikelen hadden mogen drijven, werd nu onwettig
verklaard en als schadeloosstelling werden bepaalde sommen
vastgesteld, die men van de burgers bij sommige gelegenheden mocht
eisen.

Voor iedere legger wijn (± 5-3/4 H.L.) die de burger aan de Kompanjie
verkocht, kreeg hij nominaal [f] 96, maar dat bedrag kwam hem nooit in
handen.

Om te beginnen ging er 25 gulden af voor de goeverneur en de secunde,
die dat in verhouding van 2 tot 1 samen verdeelden. De lagere
ambtenaren kregen dan ook hun percenten, zodat de burger eindelik van
de nominale [f] 96 maar [f] 63-1/2 gld. in handen kreeg.

Officiële dokumenten kostten de burgers veel geld en elk jaar werden
die bedragen hoger.

Omstreeks 1750 kostte een bewijs van ontslag uit de dienst van de
Kompagnie b.v. 3 rkd. aan zegelrecht en de sekretaris van de Politieke
Raad kreeg 10 rkd. voor het in orde maken van dat dokument.

Dit was tenminste nog geen bedrog. Maar erger werd het, als de
ambtenaren op hun eigen houtje middelen gingen vinden om zich te
verrijken.

De beambten der graanpakhuizen b.v. hadden een zeer eenvoudig middel
bedacht om op alle leveranties 4 percent te verdienen. Ze rekenden bij
door hen gedane betalingen 1 kaapse gulden op 16-2/3 stuiver maar bij
betaling aan hen door de burgers rekenden ze de kaapse gulden altijd
op 16 stuivers.

Dat verschil verdween in hun zakken.

De geautoriseerde wijnverkopers, die een hoge pacht voor die
autorisatie aan de Kompanjie betaalden, deden hun best om hun winst
groter of om verliezen goed te maken op een manier, die ook niet
anders dan bedrog kan genoemd worden.

Ze maakten het regel, 't geld, waarmee men hun betaalde, voor 17 tot
20 percent onder de waarde aan te nemen. Nadat dit een tijd geduurd
had, werd de waarde, waarvoor de verschillende munten moesten
aangenomen worden, wel vastgesteld, maar vóór die tijd waren zeker
reeds velen de dupe van deze praktijken geworden[18].

De grote fout van de ambtenaren aan de Kaap in 't algemeen was, dat ze
deze kolonie eenvoudig beschouwden als een doorgangshuis naar een
betere betrekking en Simon van der Stel komt de eer toe de eerste te
zijn geweest bij wie dat gevoel niet aanwezig was.

Na de uitwerking dezer twee punten, waarbij ik de voornaamste fouten
van de Kompanjie heb trachten in het licht te stellen, zal het geen
verwondering wekken, dat de burgers niet biezonder tevreden konden
wezen over de staat van zaken in de Kolonie.

»De naam »vrije burger" was volkomen verkeerd. De eerste burgers waren
inderdaad slechts veranderd van betaalde in onbetaalde dienaren der
maatschappij. Zij dachten, dat ze, door hun ontslag te krijgen, hun
positie veel verbeterd hadden, maar spoedig ontdekten ze, dat het
tegengestelde waar was.

En van deze tijd af aan tot aan het eind der achttiende eeuw vinden we
de voortdurend herhaalde en welgegronde klacht, dat de Kompanjie en
haar ambtenaren ieder voordeel bezaten, terwijl de vrijheden zelfs
niet de vruchten van hun eigen arbeid mochten genieten. Handel met de
inboorlingen, eerst toegelaten onder strenge voorwaarden, werd spoedig
verboden, opdat daardoor niet de prijzen te hoog zouden worden voor de
Kompanjie als zij wenste te kopen"[19].

Een beoordeelaar van de toestand der burgers, zegt in 1672 al:

De hollandse kolonisten dragen de naam vrije mannen, maar zij worden
zó in allerlei dingen belemmerd, dat de afwezigheid van vrijheid maar
al te duidelik is. De wetten zijn zo streng, dat het onmogelik is, de
boeten en straffen, daarin bepaald, toe te passen, zonder de volkomen
ondergang der burgers te veroorzaken[20].

Een korte en krachtige karakteristiek geeft Watermeyer t. a. p. waar
hij zegt:

»In alle politieke zaken was de V. O. I. C. zuiver despoties; in alle
kommerciële zaken zuiver monopolisties".

Reeds in de eenvoudigste zaken was de Kompanjie begonnen monopolisties
op te treden. Onder Van Riebeeck b.v. was ze zelfs zo ver gegaan om
twee burgers aan te stellen, die 't uitsluitend recht hadden wild te
schieten en te verkopen. Eerst toen deze twee een ongeregeld leven
begonnen te leiden en daardoor het benoodigde wild niet altijd
verkrijgbaar was, werd aan alle vrijburgers het recht gegeven om voor
eigen konsumptie te schieten[21].

Toen men in 't jaar 1708 zóveel koren had, dat men er geen raad mee
wist, weigerde het goevernement eenvoudig verder tarwe en rogge te
ontvangen[22]. De boeren moesten die nu maar gebruiken als voedsel
voor de slaven of als veevoeder. Een verzoek om er brandewijn van te
mogen stoken, werd niet toegestaan, aangezien dit de belangen der
Kompanjie zou kunnen benadelen.

De ellendige laksheid, die zich in de politiek van de Staat zo
duidelik toonde in de onderhandelingen met barbarijse zeerovers,
vertoonde zich eveneens in de koloniën.

De Bosjesmannen hadden b.v. van 1728 tot 1731 en ook weer in 1738
verschillende rooftochten gedaan. De Politieke Raad, de landdrost en
de Raad van Militie trachtten toen...... een vriendelike overeenkomst
aan te gaan met de Bosjesmannen en hen door geschenken er toe te
brengen hun tochten niet meer te herhalen.

De geschiedenis, van de tochten der Noormannen af tot op de tijd,
waarvan ik hier spreek, had hun niets geleerd. Zulke politiek moet
schipbreuk lijden, omdat de grondslagen ervan absoluut ondeugdelik
zijn.

Het spreekt dan ook wel vanzelf, dat de boeren daarin geen vertrouwen
stelden en dat er in 1739 een grote paniek ontstond, die ontaardde in
een algemene vlucht naar de Kaap.

Toen eerst begon men handelend op te treden. Maar de wijze van
optreden is weer zo echt die van de Kompanjie, die wel wat doen wou
voor de kolonisten, als 't maar niet veel kostte.

De deelnemers aan de opstand van Estienne Barbier liepen nog
ongestraft rond. Het volk voelde veel sympathie voor deze
opstandelingen en dus ging het niet gemakkelik hen in handen te
krijgen.

Het Goevernement kreeg tans een gelegenheid om zich uit twee lastige
gevallen tegelijkertijd te redden en bovendien nog voor zeer
grootmoedig door te gaan.

Aan alle deelnemers aan bovengenoemde opstand werd een volledige
vergiffenis geschonken, _als ze dadelik zich aanmeldden om te helpen
de Bosjesmannen te bestrijden_. Dit geschiedde en zo was de Kompanjie
weer uit de nood.

Als soms de Kompanjie nu en dan inzag, dat er iets moest gedaan worden
om de kolonisten te helpen, ging dit helpen zo langzaam, dat het te
laat was als de hulp kwam.

Daar er zoveel arme blanken waren in de kolonie tengevolge van de
vreselike jaren 1713 tot 1716, vroegen de Burgerraden op 18 Julie 1719
om vrije handel te mogen drijven op Madagascar en de Mascarenen. Zij
zouden de fabrieksgoederen van de Kompanjie kopen en die op de
eilanden, waarmee ze wilden handelen, ruilen voor slaven, ivoor,
stofgoud, enz. Ze wilden eveneens uit- en invoerrechten betalen en
meenden niet ten onrechte, dat er op die manier ook nog heel wat
voordelen zouden te behalen zijn voor de Kompanjie.

Maar--dat was tornen aan het monopolie. Daarom aarzelden de Heren
Zeventien.

Eindelik in 1732, dat was dus 13 jaar, nadat het verzoek gedaan was,
werd het toegestaan. Maar 't spreekt vanzelf, dat het nu te laat was.
De mensen, die zich voor deze zaak geïnteresseerd hadden, waren òf
dood òf ze hadden hun geld op een andere manier belegd.

En nu is 't wel waar, dat de Burgers van de Kaap 't recht hadden om
zich op de autoriteiten van Batavia te beroepen en te trachten, ook in
geval van vermeende onrechtvaardige behandeling, daar recht te zoeken,
maar dat dorsten ze natuurlik niet doen. Want het zou hun ondergang
geweest zijn. De Goeverneur en de Grote Politieke Raad hadden de
funkties van Uitvoerend en Wetgevend Lichaam te gelijk. Bovendien
vormden ze 't Hoogste Gerechtshof. Ze konden dus gemakkelik iedere
daad een misdaad noemen en die misdaad straffen zonder enige controle
of zonder dat iemand het hun kon beletten.

Het geval met Adam Tas c.s. leert duidelik genoeg, hoe lang iemand
onrechtvaardig in de gevangenis kon gehouden worden. Later kon zo'n
vonnis herroepen worden, maar dan was vaak het onrecht niet meer te
herstellen.

Het is eigenlik een wonder, dat er in 1706 geen hoofden gevallen zijn
en wanneer dat gebeurd was, had geen straf aan Van der Stel, hoe zwaar
ook, dit kunnen goed maken.

In 1779, dus zelfs nog veel later dan de periode, waarover wij
spreken, werd door de burgers een petitie ingezonden, waarin zij
vroegen om op de hoogte gesteld te worden van de bestaande wetten of
van de indiese statuten en algemene wetten in Holland. Ze vroegen ook
om authentieke afschriften van plakkaten en ordonnanties, betrekking
hebbende op de Kaap of nog liever zouden ze hebben, dat er een drukker
werd aangesteld om de burgers in staat te stellen kopiën te krijgen
van bestaande wetten, opdat ze niet langer mochten blootstaan aan de
willekeur van Fiskaal en Landdrost[23].

Waar dit zo stond in 1779, hoeft men niet te vragen, hoe de toestand
was gedurende de gehele eerste helft van de achttiende eeuw. Natuurlik
eerder slechter dan beter. En de Fiskaal Boers, nog wat later,
schrijft in zijn verantwoording op pag. 43:

Het zou een grote fout wezen te menen, dat er gelijkheid van rechten
kan bestaan tussen de burgers hier en die van de Verenigde
Provincieën. _Zij_ hebben gestreden voor hun vrijheid en de burgers
hier hebben die eenvoudig ontvangen _als een genadegift_.

De manier, waarop de Kompanjie de burgers behandelde, als 't op de
aankoop van hun produkten of op de heffing van belastingen aankwam,
was vaak evenmin geschikt om hen tevreden te stellen.

Over de houding van de regering in 1708, toen de korenoogst zo
overvloedig was, sprak ik hierboven.

Tot 1709 had men alleen tienden geëist van het koren, dat niet voor
eigen onderhoud of voor zaaien nodig was. In dit jaar echter trachtte
de regering ook hiervan de tienden te krijgen.

Op 20 Februarie 1710 zond daarom de Burger Raad een petitie in om van
die verplichting ontheven te worden.

En 't was niet alleen, dat ze tienden moesten geven, zoals dat in
Nederland de gewoonte was, van het koren op 't land, maar de tienden
werden genomen van 't koren, dat schoon aan 't Kasteel werd
afgeleverd.

De Hoge Kommissaris Joan van Hoorn erkende de billikheid van het
verzoek en daarom onthief hij de burgers van deze verplichting.

De Heren Zeventien in hun hoge wijsheid waren het echter hiermee niet
eens en de wet bleef bestaan.

Dit bleef zo driekwart eeuw. De verkeerdheid van dit stelsel lag
vooral hierin, dat men in 't algemeen afging op de opgaven van de
boeren zelf. Hierdoor zette men dus de deur open voor allerlei
misbruiken, vooral voor het doen van te lage aangiften zowel van
veestapel als van produkten. Zo ver ging dit, dat er soms meer koren
naar Java werd gezonden, dan volgens de opgaven der boeren gewonnen
was!

Dit was algemeen bekend. Zo verhaalt b.v. Adam Tas in zijn dagboek (13
Jan. 1706) dat zekere Fransman op Draakestein een boete van 60
Rijksdaalders kreeg, omdat hij aan de Gekommitteerden van de Regering
had opgegeven, dat hij 50 beesten en 200 schapen bezat. Een verklikker
verried, dat dit eigenlik moest zijn vier keer zoveel. En het
onderzoek bracht aan 't licht, dat dit werkelik zo was.

Nu zegt Tas, die overigens een eerlik man was, voorzover we kunnen
nagaan:

»Dog ik kan niet zien, dat over dit misdrijf, indien men 't zo noemen
wil, boete kan worden geeijst en dat erger is 60 Rxdrs."

De belastingen vermeerderden, naarmate de Kompanjie haar dividenden
zag krimpen.

In 1714 werd er een nieuwe weidehuur ingevoerd. In datzelfde jaar kwam
er een belasting van 1 rkd. op iedere legger wijn, in de kolonie
geperst.

Dat zou nu alles misschien te verdragen geweest zijn, als de politiek
der Kompanjie ten opzichte der boeren maar wat meer stabiel was
geweest. Maar dat was er veraf.

In 1699 was b.v. de ruilhandel met de Hottentotten opengesteld. En
daar werd zo'n goed gebruik van gemaakt, dat al gauw enige Fransen
meer vee hadden dan de Kompanjie zelf bezat[24]. De veeteelt werd nu
een levensbestaan voor de burgers, omdat er zeker evenveel aan te
verdienen was als aan de landbouw.

Maar in 1703 werd 't besluit weer ingetrokken. Later werd de handel
weer opengesteld, maar toen maakte Van der Stel dit besluit niet in de
Kolonie bekend.

Verschillende personen hadden het kontrakt voor de vlees-leverantie
aan de Kompanjie gehad, sedert Husing dat in 1700 kreeg. Doch toen in
1722 en '23 er niemand was te vinden, die het kontrakt op de gestelde
voorwaarden aandurfde, kregen de burgers _bevel_ levende schapen voor
6 gulden en vlees tegen 2 stuivers per pond te leveren[25].

Ondanks dit feit nu werd in April 1727 weer een veel strenger plakkaat
uitgevaardigd, dat _alle_ handel van private personen met inboorlingen
verbood. Dit werd nu wel uitgevaardigd als een gevolg van de
onmogelikheid om de deelnemers aan de strooptocht van Van der Heijden
in 1723 te straffen, maar de burgers hadden er _allen_ door te lijden.

Van wijn was er een chroniese overproduktie. Uitvoer was verboden in
't begin der achttiende eeuw, want misschien zou dit het monopolie van
de Kompanjie voor Europeese wijnen benadelen.

De wijnboeren hadden dan ook al lang geklaagd, dat ze ongeveer 2000
leggers wijn over hielden elk jaar, waar ze geen weg mee wisten.
Eindelik in 1743 besloten de Heren Zeventien iets voor deze klagers te
doen. Ze zouden in 't vervolg op schepen en nederzettingen wijn doen
gebruiken in plaats van brandewijn.

En indien een tamelik goed artikel te krijgen was, zouden ze zelfs
vrije handel in wijn op Indië aan de burgers toestaan, op voorwaarde,
dat ze 4 rkd. aan vracht en 12 rkd. aan belasting per legger
betaalden. Deze »weldaad" was weer van zulk een aard, dat de burgers
er maar liever voor bedankten, daar dit de toestand niets zou
verbeteren.

Toen kwam de goeverneur-generaal Van Imhoff met een ander voorstel in
plaats van dit.

De belasting van 1714, die een rijksdaalder per legger bedroeg, zou
worden verhoogd tot drie rijksdaalders. Daarna zouden de burgers nog
moeten betalen 1 rkd. per legger aan de fiskaal, als de schepelingen
de kopers waren, en 5 rkd. per legger aan de wijnpachter, als de
kapitein of administrateur van 't schip de kopers waren. Dan zouden ze
ook mogen verkopen aan alle bezoekers[26].

De Kompanjie echter zou 63-1/2 gulden per legger betalen. Ze dacht
ongeveer 4 leggers voor elk schip nodig te hebben, behalve een deel,
dat ze naar Nederland en naar Batavia zou laten sturen voor de
schepen, die naar de Kaap kwamen en dan nog een aantal vaten voor haar
werkvolk in Indië.

Dit was tenminste een kleine vooruitgang sedert 1698, want toen en
vele jaren daarna bestond de bepaling, dat wie wijn verkocht buiten
de Kompanjie om, zou beboet worden met 125 rkd. bij de eerste
overtreding, gegeseld worden bij de tweede en verbannen worden bij de
derde.

De overproduktie werkte dit »smokkelen" echter in de hand. Want vaten
waren buitengewoon duur, daar ze alle uit Holland moesten komen, en de
boeren konden er dus onmogelik een aantal steeds leeg gereed houden
voor de nieuwe oogst.

Wanneer dan ook de nieuwe oogst kwam, verkochten ze dikwijls wijn aan
't publiek, tegen zeer lage prijzen.

Het kon natuurlik niet lang verborgen blijven, dat dit vrij algemeen
plaats had. Als een redmiddel stelde men vóór de boeren te veroorloven
om azijn en brandewijn te maken.

Maar hoewel dit herhaaldelik werd verzocht, is het nooit toegestaan.

In het voorafgaande heb ik een schets willen geven van de betekenis
van de V. O. I. C. voor het leven der burgers aan de Kaap. Na dit
alles gelezen te hebben, zal men het met mij eens wezen, dat er alle
reden is om te geloven, dat de aanhankelikheid aan Nederland door het
optreden der Kompanjie niet groter werd.

»Als ze spraken van getrouwheid aan Nederland en de Staten-Generaal
dan was dit uit een soort van plicht gevoel, maar niet een uiting van
_persoonlik_ gevoel"[27].

VOETNOTEN:

[8] Deze bepaling gold ook voor de later komende Hugenoten.

[9] Leibbrandt, Journal.

[10] Leibbrandt, Journal.

[11] Thunberg, I. pag. 239.

[12] Mrs. Trotter, Old C. C. pag. 248.

[13] Mrs. Trotter, Old. C. C. pag. 247.

[14] Leibbrandt, Rambles.

[15] Theal, Hist. of S. A. II, pag. 57.

[16] Mrs. Trotter, t. a. p. pag. 218.

[17] De Baas Tuinier had in 1714 een traktement van [f] 60 per maand
(Valentijn blz. 20). De Landdrosten van Stellenbosch en Draakestein
[f] 24 per maand (Journal 28 Febr. 1710).

[18] Leibbrandt, Rambles.

[19] Watermeyer, Three Lectures pag. 46.

[20] Rapport van Commissaris Verburg 1672.

[21] Theal, I. pag. 117.

[22] Leibbrandt, Journal. 19 Maart 1708.

[23] Watermeyer, Three Lectures.

[24] Leibbrandt, Rambles.

[25] Leibbrandt, Rambles.

[26] Theal, II. pag. 48.

[27] Theal, II. pag. 326.



HOOFDSTUK III.

HET MAATSCHAPPELIK EN HUISELIK LEVEN IN ENGERE ZIN.


Nu ik uiteen gezet heb, uit welke personen de Kaapse maatschappij van
de eerste helft der achttiende eeuw bestond en onder welke invloeden
van binnen en van buiten ze zich langzamerhand had gewijzigd, wil ik
trachten een beeld te scheppen van het huiselik en maatschappelik
leven aan de Kaap in die tijd.

In de allereerste plaats dienen we dan onze aandacht te vestigen op de
huizen van die tijd.

Een schets van de huizen van Kaapstad in de tweede helft der 18de eeuw
zegt het volgende:

»Wanneer men oppervlakkig ziet, heeft geen plaats meer het voorkomen
van welvaart dan de Kaap. De huizen zijn niet zonder zwier; zommigen
zelfs met pracht gebouwd; van buiten met wit of geel en op enige
weinige oude na, alle vierkant; velen met platte daken, waar op men
wandelende een aangenaam gezicht over het land of de baai heeft;
sommigen hebben twee, andere drie verdiepingen; velen hooge stoepen
en alle schuiframen. Van binnen is de bouworde algemeen ingericht
naar het klimaat. Eerst heeft men een lange breede gaanderij, aan
welker achtereinde vier of zes slavinnen op kleine houten bankjes
zitten te naaijen of te breijen. Deze gaanderij waarin men meest zit,
eet, ontbijt en leeft, is het gewoon vertrek. Ter wederzijde heeft
men kamers, die allen, evenals de gang zelve, met groote vierkante
roode steenen, bevloerd zijn, hetwelk, gevoegd bij de hoogte der
verdiepingen, veel koelte geeft. Een klein vertrek, dat in de
gaanderij uitkomt en waarin eetwaren, tafelgoederen en droge provisiën
bewaard worden, noemt men de dispens, en de keuken, die achter in
het huis is en overal op een binnenplaats uitkomt, heet de kombuis.
In weinige huizen vindt men stookplaatsen, doch dezen beginnen
langzamerhand veld te winnen. Boven is het vrij algemeen slechter
betimmerd; al het fraaije van het huis en de meubelen vindt men omlaag
voor het oog blootgesteld. Dit voorkomen van welvaart in de huizen
vertoonen ook de tafels, die met een aantal schotels, aangenaam
en kostbaar klaargemaakt, opgevuld, en omringd zijn van slaven van
welken sommigen met een groen tak, of wel met een waaijer van
paauwen-vederen, de vliegen van de spijzen houden en anderen de
aanzittende gasten bedienen. Op een afstand staan weder anderen, die
de schotels verruilen of dranken aanreiken, die men niet op tafel
vindt; alles zodanig ingericht, dat men bij de voornaamste lieden in
de Republiek noch beter eet, noch beter gediend is."

In de loop van een halve of driekwart eeuw was er al aardig wat
veranderd in de stad, want in 1714 schrijft Valentijn over de huizen
in Kaapstad:

»Zij zijn meest van Kaapze klippen gebouwt en doorgaans daarom maar
van eene verdieping."

Meestal zijn ze met riet gedekt. Ze hebben »twee Zaletten aan de
straat, en verscheide middel- en agterkamers en ook veeltyds een
groote plaats agter"[28].

Toch waren niet alle huizen zo eenvoudig meer, want dezelfde schrijver
verhaalt ons, dat het huis van Henning Husing en dat van de Fiskaal
Blesius in 1705 reeds twee verdiepingen hadden.

Dat van Husing kan wel een mooi huis geweest zijn, daar het, de voor
die tijd enorme som van tien duizend Rijksdaalders, gekost had.

De stoep rond het huis bestond uit rode tegels, helder geschuurd of
uit blauwe van Robben-eiland.

Buiten Kaapstad zelf waren de huizen natuurlik niet zo mooi, hoewel ze
niettemin op sommige plaatsen er vrij fraai uitzagen.

Sparrman vertelt, dat de meeste huizen wit gepleisterd waren van
buiten en sommige groen geschilderd. Want zegt hij: »De geliefkoosde
kleur voor kleren, boten, schepen en huizen is groen bij de
Hollanders."

Sommige huizen waren toen reeds (1772), met platte leien gedekt in
plaats van met stro.

Dit schijnt echter nog slechts sporadies te zijn voorgekomen, want op
een andere plaats zegt dezelfde schrijver, dat zeer vele huizen nog
met riet gedekt waren en zelfs de kerk, wat hem gelegenheid geeft om
te zeggen, dat de Hollanders niet meer zorg besteedden aan Gods huis
dan aan hun eigen.

Trouwens de beschrijving van de huizen van Kaapstad, die ik boven
aanhaalde, ging niet algemeen door, want mensen van mindere stand
moesten zich tevreden stellen met kleinere huizen, die bestonden uit
een galerij, een kamer aan iedere kant en de keuken achter[29].

Men ziet echter, dat ze wel volgens hetzelfde plan waren ingericht.

De kosten zelfs van deze huizen waren nog hoog genoeg.

Een rieten dak van een dubbelhuis kostte 300 of 350 Rijksdaalders[30].

Daar stond tegenover, dat een dak vrij lang duurde, wel van 20 tot 30
jaar[31].

Buiten Kaapstad had men natuurlik bij de boerderijen korenhopen staan,
zoals men die tegenwoordig nog bij hollandse boerderijen ziet.

Tot 1706 had men die onbedekt gelaten, maar in dat jaar vielen er zeer
zware regens en die deden veel schade aan het opgestapelde graan,
zodat men toen begon ze van een dak te voorzien, om het koren tegen de
regen te beschermen[32].

Bij de boerderij lag ook meestal een soort van kraal, waarin het koren
werd gedorst.

Een bepaalde ruimte werd goed effen gemaakt en daarop kwam dan een
laag van koeiemest en gehakt stro, die men liet verharden.

Dit werd de dorsvloer. Het koren werd in een cirkel op de grond
uitgespreid en dan werden binnen de omheining, die gewoonlik van
dorenstruiken was gemaakt, eenige paarden losgelaten. In het midden
van de kring stonden een of meer slaven met lange zwepen, die de
paarden moesten aanjagen. Door het trappen der paarden werd dan het
koren zo ongeveer uitgedorst.

De methode was verre van zindelik, maar ze was vlug en kostte niet
veel moeite.

Als men meende, dat het koren bijna allemaal uit de aren was, werd het
bijeengeveegd en dan werd het in de wind opgeworpen om zodoende het
kaf er uit te doen verdwijnen.

Men ziet, dat het bij dit alles zeer primitief toeging.

Bij de huizen stonden verder de slavewoningen, die, in de tijd toen
men nog de zinkplaten van tegenwoordig niet tot zijn beschikking had,
vanzelf zeer gebrekkig waren[33].

De gastvrijheid van de bewoners van de Kaapkolonie wordt door alle
reizigers om 't zeerst geroemd.

Het was een gastvrijheid, die niet bestond in veel _woorden_, maar die
zich uitte in daden.

Woorden verspilde de boer niet veel, vooral ook omdat er zo verbazend
weinig onderwerpen waren, waarover hij kon spreken met zijn bezoekers,
als dat niet even als hij boeren waren.

Kranten bestonden niet aan de Kaap. Zelfs een postdienst was in 1795
nog onbekend. Boeken waren slechts bij uitzondering aanwezig.

De Bijbel en het gezangboek van Willem Sluyters waren de enige boeken,
die men kende.

Een enkele, zoals Adam Tas, mocht daarop een uitzondering maken (zie
zijn dagboek), maar die uitzonderingen waren hoogst zeldzaam. Van
alles, wat er buiten zijn eigen kringetje gebeurde, wist de boer dus
zo goed als niets.

Nu en dan mocht hij eens wat nieuws horen van een andere boer, die een
reis naar Kaapstad had gedaan, maar dat was de enige kans, die hij
had.

Wanneer dus reizigers uit Europa, 't zij Hollanders, Engelsen of
Zweden bij hem kwamen, dan waren zij voor hem als wezens uit een
andere wereld.

Om deze reden nu horen we meestal van reizigers, dat ze grote moeite
hadden om enkele woorden aan de boeren te ontlokken. Daarom ook juist
werden ze meestal voor veel dommer gehouden dan ze waren.

Want inderdaad dom waren ze in 't geheel niet. Ze bezaten geen
boeke-kennis, maar als 't op gezond verstand aankwam, hadden ze hun
meester niet.

In hun voortdurende strijd met wilde dieren, met ontvluchte slaven of
Bosjesmannen werd hun geest gescherpt en door het bestuur der
Kompanjie werden ze er ook dikwels toe gebracht om hun natuurlik
verstand tot minder eerlike middelen te gebruiken om aan gehele
ondergang te ontkomen.

Maar dat was _hun_ schuld niet.

En Bernardin de St. Pierre is voorzeker dichter bij de waarheid, als
hij in 1771 schrijft van hen: »Deze mensen, tevreden met huiselik
geluk, het zeker gevolg van een deugdzaam leven, zoeken geen
verstrooiing in romans of toneelvoorstellingen," dan Captain Percival,
die op blz. 204 en 205 van zijn »Account of the Cape of Good Hope"
een oordeel neerschrijft over de kaapse boeren en boerinnen, dat te
schandelik is om het hier te herhalen, maar dat, helaas, door zeer
veel schrijvers van later tijd is overgenomen, zij het dan ook in wat
zachter vorm.

Toch moet erkend worden, dat het oordeel van Bernardin de St. Pierre
ook niet al te letterlik moet opgevat worden.

Sparrman vertelt b.v. dat, toen hij op een boerderij kwam en daar een
en ander vertelde omtrent het land, waar hij vandaan kwam en wat hij
aan de Kaap kwam doen, de boerin van verbazing de handen ineen sloeg
en uitriep, dat ze niet kon begrijpen, hoe het mogelik was, dat iets
anders dan absoluut gebrek aan de allernoodzakelikste levensbehoeften
in eigen land iemand er toe kon brengen om naar een land als de Kaap
te komen.

Maar laat ik op hun gastvrijheid terugkomen.

De opvatting, die ze daarvan hadden, was zo buitengewoon breed, dat we
onwillekeurig terug moeten denken aan de oude Germanen, bij wie ze als
de hoofddeugd werd beschouwd.

Als een boer een gast zag aankomen, ging hij hem tegemoet, drukte hem
de hand, vroeg hem naar zijn gezondheid en bood hem ogenblikkelik
voedsel en verfrissende dranken aan.

Let wel, het was niet eerst een angstvallig vragen, wie de aankomer
was, om te weten te komen, of men hem zou ontvangen of niet.

Neen, daarnaar vroeg men niet. Hij was een _gast_ en dat was genoeg.
Een breder en schoner opvatting van gastvrijheid is zeker wel niet
mogelik!

Dan werd de gast binnengeleid door de voordeur, die dikwels versierd
was met een hangslot in de vorm van een of ander dier, welke sloten
aan de Kaap vrij algemeen waren en uit China waren ingevoerd[34], en
vervolgens maakte hij kennis met de vrouw des huizes, die, als ze
gezeten was, niet opstond, maar met een hoofdknik de gast begroette.

Hij werd onthaald op wat er in het huis te krijgen was en men
beschouwde dit als iets, dat vanzelf sprak. Het aanbieden van geld
voor deze gastvrijheid werd als een belediging beschouwd.

Des avonds werden van het gehele huisgezin de voeten gewassen. Deze
gewoonte was wel noodzakelik, daar zelfs de meisjes de gehele dag
blootsvoets liepen.

Dit gebruik heeft lang stand gehouden, tot zelfs onder voortrekkers.

Mevrouw Generaal Piet Joubert, nu pas overleden, vertelt in haar
herinneringen (in de »Volkstem" verschenen) dat zij voor de eerste
maal in haar leven een paar kousen aankreeg op haar trouwdag.

Aan de gast werd eveneens deze eer bewezen en daarna ging men ter
ruste.

De mannelike leden van het gezin drukten de gast de hand en de
vrouwelike gaven hem een kus.

Daar dit gold voor de oudere zowel als voor de jongere vrouwelike
leden van 't gezin, zegt Le Vaillant hiervan zeer guitig »dat dit een
voorrecht was, waaraan plichten waren verbonden"[35].

Sparrman is vol lof over de ontvangst bij een boer, die hij Van der
Spoei noemt.

Te voren had hij over de ontvangst bij een ander geklaagd, maar hij
vertelt er zelf bij, dat daar de baas niet thuis was, zodat hij
feitelik gastvrijheid van de slaven genoot. Geen wonder, dat het eten
enz. dat men hem aanbood, niet al te goed was.

In 't algemeen was het voedsel, dat de boeren zelf gebruikten, zeer
voedzaam, te voedzaam zelfs, zodat zich na hun dertigste jaar steeds
een neiging tot zwaarlijvigheid vertoonde.

Daar kwam natuurlik ook bij het gebrek aan beweging. Dit gold vooral
voor de vrouwen.

Zij hadden hun slaven en slavinnen en deden de hele dag niet veel
anders dan bevelen geven. In koud weer zaten ze met de voeten op een
stoof en in elk jaargetijde stond de nooit lege koffiepot onder haar
bereik en werd geregeld duchtig aangesproken. Dat in warm weer de
niet-noodzakelikheid van arbeid soms tot luiheid werd, is duidelik.

Ik geloof echter niet, dat het algemeen was, dat die luiheid zover
ging als in 't geval van de boer in de Karroo, waarvan Sparrman
vertelt.

Deze reiziger was ongelukkig genoeg juist bij een boer aan te komen om
de weg te vragen, toen deze zich gereed maakte zijn middagdutje te
genieten.

Zonder op te staan wees hij met de voet de richting, waarin Sparrman
gaan moest en sliep toen weer in, zonder zich met hem verder te
bemoeien[36].

De dagverdeling van de boeren was als volgt:

Vroeg in de morgen stond men op en nadat men koffie had gedronken,
deed men samen het morgengebed, waarbij dan gewoonlik ook een psalm of
een gezang uit het boek van Willem Sluyters werd gezongen.

Dan ging men naar de kralen om te zien of met het vee nog alles goed
ging en als het in de oogsttijd was, werd een paar uur voor het
ontbijt gewerkt aan het binnenbrengen van 't koren of 't persen van de
wijn.

Het ontbijt werd gebruikt om 7 uur. Dan werkte men in de drukke tijd
door tot 11 uur en gebruikte het middagmaal. Om vier uur at men weer
en om 8 uur werd het avondmaal gebruikt[37].

Daarna had men weer een godsdienstoefening voor het gehele gezin en om
9 uur lag ieder in bed.

Vooral in de zomer was het de gewoonte om na het middagmaal een
slaapje te doen. Ieder ging naar een donker gemaakte kamer en vermeed
op die manier de ergste hitte van de dag.

Dit was zozeer een algemene gewoonte geworden, dat in de tweede helft
der achttiende eeuw zelfs de winkels in Kaapstad van 1 tot 3 uur in de
namiddag gesloten waren, omdat de winkeliers evenveel recht hadden op
een middagdutje als andere mensen!

We hebben gezien, hoe de huizen er van buiten uitzagen. We willen nu
nagaan, hoe 't met de meubelen stond.

Le Vaillant zegt: »Al de meubelen zijn getuigen van eenvoudige en
edele smaak. Er zijn geen tapisserieën en enkele schilderijen en
spiegels vormen de voornaamste ornamenten."

Veel van de meubelen in de 17de en 18de eeuw waren gelijk aan die in
Engeland en Holland gedurende diezelfde eeuwen.

Maar van het metalen vaatwerk kwam er veel uit het Oosten. Zo vinden
we b.v. opgetekend een order voor metalen potten, pannen enz. ten
behoeve van het hospitaal onder Simon van der Stel.

De woorden van Le Vaillant gelden echter weer alleen hoofdzakelik van
Kaapstad. Op de boerderijen was men niet zo goed voorzien, vooral niet
op de boerderijen, die ten oosten van Stellenbosch lagen.

Ook waren b.v. de meubelen meestal kostbaarder en rijker in
Stellenbosch dan in Fransche Hoek. En dit was geen wonder. De
bevolking van Fransche Hoek bestond in 't begin der achttiende eeuw
bijna uitsluitend uit Hugenoten, die uit hun land gevlucht waren met
achterlating van al hun have en goed.

Daardoor waren zij veel armer dan de bewoners van Stellenbosch en
hadden dus geen geld om dure meubelen aan te schaffen.

Zij moesten zich behelpen in velerlei opzichten, zowel als de boeren
in het binnenland.

Meestal kwamen de verder af wonende boeren slechts ééns in hun leven
in Kaapstad, dat was, wanneer ze voor 't Huwelikshof moesten komen om
te trouwen. Geen wonder, dat ze dus vaak hun eigen meubelmakers
moesten wezen. Als we bedenken, dat zelfs in Stellenbosch eerst in
1742 de eerste _slagers_winkel werd geopend, dan kan het geen
verwondering wekken, dat meubelmakers geheele onbekend waren buiten
Kaapstad.

Ruwe houten stoelen met zittingen van riempjes, door de boeren zelf
gesneden en tafels, door hen zelf getimmerd, vormden zowat het enige
meubilair in de woonkamer, terwijl de slaapkamers voorzien waren van
»katels" (ledikanten), die eveneens het werk van de boer zelf waren.

Aardewerk was grotendeels onbekend in de huizen van de boeren. Op de
lange en moeilike reis over de ruwe en hobbelige wegen van Kaapstad
naar hun boerderij brak het bijna allemaal, als ze nog de moeite deden
om het mee te brengen.

Het werd gewoonlik op zeer doelmatige wijze vervangen door houten
vaatwerk of door kalebassen, die voor allerlei doeleinden gebruikt
werden.

Over de eerste rij bergen was geen enkele winkel van manufakturen,
kruideniers-waren of aardewerk.

Alles, wat op dit gebied nodig was, moest dus òf door de boer zelf
meegebracht worden, als hij eens per jaar misschien eens een wagen met
produkten wat dichter naar de beschaafde wereld bracht, òf het moest
verkregen worden van de rondtrekkende »smousen", die echter in die
tijd ook nog vrij zelden zich vertoonden ver van Kaapstad.

Het merkwaardige van 't geval was, dat deze lieden, die in zulke
armoedige omstandigheden leefden, vaak rijk konden genoemd worden.

»Daar zijn plaatsen van 4000, 5000, 10.000, ja van 20.000 Kaapse
guldens ijder tot 16 stuivers gerekend," zegt Valentijn.

En Sparrman deelt mee, dat eigenaars van honderden schapen rondliepen
met lappen op hun ellebogen. De kinderen waren vaak in schapevachten
gehuld als de Hottentotten[38].

Hij vond maar één man in de gehele kolonie, die wol wist te spinnen.

Ze moesten ook hun eigen schoenen maken natuurlik. Nu, leer hadden ze
genoeg, want wild was er nog in overvloed en ossen hadden ze ook veel.

Als merkwaardigheid deel ik mee, dat Sparrman eens een boer ontmoette,
die schoenen aan had, welke van leer van een leeuwehuid vervaardigd,
gemaakt waren. Het was zeer zacht en buigzaam[39]. Dit zal echter wel
een uniek geval zijn geweest.

Voor kleren gebruikte men ook vaak leer, zelfs ongelooid in plaats van
geweven stoffen om de veel grotere duurzaamheid.

Doch gewoonlik bezaten de boeren behalve hun gewone werkpak, dat
meestal zijn ontstaan aan huisvlijt te danken had, een blauw pak, dat
alleen voor de dag kwam, als ze naar een nachtmaal of naar Kaapstad
gingen en in 't laatste geval nog eerst, als ze bij de ingang van de
stad waren[40]. Dat duurde dan misschien hun gehele leven.

Door de weinige aanraking, die ze hadden met de beschaafde wereld,
begonnen vanzelf ook de behoeften der boeren te verminderen. Vaak
zelfs vervielen ze tot een zekere mate van slordigheid, die uitkwam in
de weinige zorg, die ze aan 't in- en uitwendige van hun woningen
besteedden.

Sparrman vertelt, dat hij bij een boer kwam, die slechts één stoel
had, waarvan dan nog een paar poten waren afgebroken en die toch zó,
als hij was, gebruikt werd, door hem tegen de muur te zetten. Dit is
echter een feit, dat niets bewijst. Dergelijke dingen komen nu nog
voor. Slordigheid zal wel even goed toen bestaan hebben als nu.

Maar, als hij dan tevens vertelt, dat 2 personen uit dezelfde schotel
aten en dat diezelfde schotel dienst deed voor alle gerechten aan 't
maal, dat verder elke gast zijn eigen mes meebracht en dat men in
plaats van een vork zich vaak van de vingers bediende[41], dan komt
het daarin duidelik uit, dat we te doen hebben met mensen, die 't zich
niet graag lastig maken en die eenvoudig zich afvragen: »Kan het zó
ook niet?" in plaats van de vraag te stellen, die de beschaafde
stedeling stelde toen als nu: »Hoort het wel zo?"

Lepels werden vaak gemaakt van de hoorns van hartebeest en gnoe.

De huisindustrie kwam verder alleen tot uiting, als de noodzakelikheid
tot het een of ander aanwezig was.

Zo maakten de kolonisten zelf hun zeep en hun kaarsen.

Van de as van het ganna-bosje maakten ze loog. Deze werd met allerlei
dierlike vetten vermengd en dan liet men het mengsel vier of vijf
dagen en nachten lang doorkoken, terwijl men van tijd tot tijd roerde
en nieuwe loog toevoegde[42].

De zeep, die niet voor eigen gebruik nodig was, werd soms naar
Kaapstad gezonden en daar ingeruild voor tee en suiker[43].

Inkt vervaardigde men ook en wel door bruine suiker met roet en water
te vermengen[43].

Hiermee is alles opgenoemd, wat in die tijd onder de naam van
Zuidafrikaanse industrie kon doorgaan.

Daaruit volgt natuurlik ook, dat een reiziger uit Kaapstad des te
liever gezien werd, naarmate hij meerdere artikelen bij zich had, waar
men op de boereplaatsen verlegen om was.

Om in 't binnenland te verkopen nam Sparrman b.v. op zijn tocht mee
koffie, sjokolade en suiker, omdat die artikelen lang niet overal
gemakkelik te krijgen waren. Daar kon een mooie winst op gemaakt
worden, maar bovendien deed men er de boeren een groot genoegen mee.
Ook nam hij naalden mee.

Die werden tegen buitensporige prijzen verkocht.

Wijlen Mevrouw Joubert, wier herinneringen ik hierboven aanhaalde,
vertelt immers ook nog, hoe ze soms uren lang naar één verloren naald
moest zoeken als kind en hoe ze zelfs aan een gebroken naald op een
steentje weer een nieuwe punt moest slijpen, omdat dit artikel zo
schaars te krijgen was.

Opmerkelik is ook, dat men een pas moest meenemen, daar de boeren last
hadden gekregen om ieder, die zonder pas reisde, naar de Kaap te
zenden.

In Kaapstad en Stellenbosch kwam het natuurlik niet voor, dat rijke
mensen zich zo moesten behelpen. Zij waren daar in kontakt met de
europese beschaving en daarom is het ook geen wonder, dat zij meer
geld besteedden aan sieraden en meubelen dan de boeren, die in 't
binnenland woonden.

Op 25 Junie 1709 werd een slaaf gehangen wegens diefstal, omdat hij in
Stellenbosch in een huis was binnengedrongen en daar had gestolen: 139
Rijksdaalders, een zilveren beurs met 8 diamanten, een met zilver
gemonteerde gordel, een vest met 24 zilveren knopen, 16 andere
zilveren knopen en een zilveren broekknoop[44].

In de boedel van de Weduwe van Michiel Ley, die in 1719 te Kaapstad
stierf waren: »een swart ebbenhoute rustbank met een chitse sprey;
stinkhoute ledikant met blaeuw behangsel, bed en verder toebehoren;
Oost Indis kisje met koper beslag; spiegels met swart ebbenhoute
lijsten; verkeerbort; paar bever vrouwe handschoenen; handmofjes;
vaderlandse servetten; fluwele bonet; fijne Suratse combaars; damaste
samaren; roode citse samaar", enz.

Bij de allerrijkste mensen vond men soms de hoorn van een jonge
rhinoceros, gezet in goud en zilver en zó tot een beker gevormd. Die
waren zeer veel geld waard, soms wel 50 Rijksdaalders en werden zelfs
als geschenken aan koningen gegeven. Dit kwam, doordat men meende, dat
ze de eigenschap hadden, om vergif aan te tonen in dranken, die men er
ingoot[45].

Wanneer men over deze periode spreekt en dan woorden als armoede en
rijkdom gebruikt, dan dient men natuurlik goed te weten, wat daar in
die tijd mee bedoeld werd.

Over de salarissen der ambtenaren sprak ik vroeger. Daarmee heb ik
aangetoond, met hoe weinig de Kompanjie meende, dat men kon toekomen.

Als voor deze mening enige grond aanwezig was, dan moet die natuurlik
kunnen gevonden in de zeer lage prijzen voor de noodzakelikste
levensbehoeften en klederen in die tijd.

Laten we daarom even nagaan, hoe 't met deze prijzen stond.

Henning Husing had in 't begin der eeuw een kontrakt voor vijf jaren
voor de leverantie van vlees aan de Kompanjie en de burgers. Dit
kontrakt bepaalde, dat hij aan de Kompanjie vlees zou leveren voor 1
st. en 6 duiten per pond en aan de burgers voor 2 st. per pond.
Volgende kontrakten werden op dezelfde voorwaarden gesloten[46].

In 1698 waren, zegt Leguat, de levensmiddelen zeer goedkoop, want het
brood kostte maar 1 st. per pond.

Het schapevlees ging van 1705 tot 1713 nog belangrijk in prijs
achteruit, want Valentijn verhaalt, dat het in het laatstgenoemde jaar
voor de burgers maar 13 duiten per pond kostte.

Hij vertelt er tevens bij, dat de leverantie aan de Kompanjie per jaar
20 à 30.000 gulden bedroeg. Er werd dus aardig wat vlees gebruikt door
de Kompanjie.

Het is best mogelik, dat sommige reizigers veel onzindelike mensen
hebben aangetroffen; de prijs van de zeep was daar dan stellig de
oorzaak van.

Leguat zegt tenminste, dat die in 1698 drie schellingen per pond
kostte. Ik heb hiervan geen nadere bevestiging kunnen vinden, zodat
ik geneigd ben, dit voor een vergissing te houden.

Het schapevlees rees nu en dan zeer in prijs, tengevolge van ziekten
en droogte. In 1714 rees het b.v. tot 3 st. en 2 duiten per pond, een
voor die tijd buitengewoon hoge prijs.

Het koren, dat in die tijd in Nederland slechts 4 gulden per mud
kostte, was aan de Kaap steeds 7-1/2 gulden op zijn minst en gewoonlik
veel meer.

Vooral was dit natuurlik het geval in tijden van schaarste.

Zo schrijft Tas in zijn dagboek op 14 Aug. 1705, dat Hans Kasper bij
hem om koren kwam vragen en »hij wilde graag 15 guldens voor de mudde
betalen." Maar hij kreeg het niet.

Want Tas schrijft er verder bij:

»Men verteld my dat d'E. Comp. voor 't koorn tegenwoordig à 14 guldens
de mudde betaald, dan den Gouverneur is genoeg bekend als datter geene
der burgers jegenwoordig koorn heeft." »De ordinary prijs" was 8-1/2
guldens zegt hij dan.

In 1714 kwam er een onbekende ziekte onder 't vee en zó moeilik was
het in 1718 om slachtvee te krijgen, dat voor het kontrakt voor
levering van vlees aan de Kompanjie geen enkele inschrijving kwam.

De prijs van schapen steeg tot 6 à 9 gulden, en trekossen kostten 50
gulden.

Daar staat nu weer tegenover, dat het vlees omstreeks 1750 zeer
goedkoop was, zodat men het voor 6 duiten per pond verkocht.

Uit Leibbrandt's »Journal" 15 Julie 1711 en 15 Des. 1711 blijkt, dat
men de prijs van een brood dezelfde liet, maar dat men eenvoudig het
gewicht naar gelang van de prijs van 't koren veranderde.

Op 15 Julie werd bepaald, dat men 7/8 pond voor 1 st. zou krijgen. Dit
werd op 15 Des. 1-1/8 pond voor 1 st.

In 1716 zegt het »Journal" werden van alle kanten klachten gehoord
over de sterfte onder 't vee.

Op 14 Sept. vinden we opgetekend, dat het schapevlees 1 st. per pond
in prijs _steeg_ en zo een prijs werd, waar nooit bij menseheugenis
van gehoord was.

Valentijn geeft ons een heel overzicht van de prijzen van
verschillende zaken in 1714[47]. Hij zegt, dat de schepen soms 3, 4 of
5 weken in de Tafelbaai bleven liggen. Dan gingen de passagiers een
kosthuis zoeken in de stad. Ze betaalden 1 Rijksdaalder per dag en
kregen daarvoor 3 maaltijden.

Dienstboden en kinderen betaalden maar 1/2 Rijksdaalder per dag.

Arme mensen konden ook per maal bediend worden. Dit kostte dan 12
stuivers. Kaaps bier werd gratis geschonken als bij het maal
behorende, maar franse wijn of hollands bier moesten zeer duur betaald
worden.

De vaten voor de wijn der boeren moesten alle in Holland gemaakt
worden en waren, zoals ik vroeger opmerkte, daardoor zeer duur.

Een legger (± 5-3/4 H.L.) kostte 6 Rijksd. of soms zelfs het dubbele.
Een half aam kostte 1-1/2 Rijksd.

Vaak namen schepelingen ingelegde groenten of vruchten mee en behalve
de prijs voor 't vat betaalde men dan: voor een half aam ingelegde
kool 4 Rijksd. voor een half aam kweeperen 2 of 3 Rijksd. en voor 100
kolen 4 Rijksd.

Boter kostte in 't land 12 stuivers maar in Kaapstad 16 stuivers.

Appels waren 1 st. per stuk. Mooie peren zoals de »bon Chrétien" 2 st.
per stuk; een pond druiven 2 st. Smeerkaarsen kostten een schelling,
soms zelfs 2 schellingen per pond.

Hout was natuurlik altijd zeer duur aan de Kaap.

Thunberg zegt, dat de planken 2 schellingen per voet kostten[48].

En Sparrman deelt mee, dat een spar van 20 voet lang en 1 voet in
diameter 5 Rijksd. kostte.

Er werd in 't algemeen weinig aanmoediging aan de handwerkslieden
gegeven. De houtskool, die de smeden van de Kompanjie moesten kopen,
was b.v. ook zeer duur. Ze kochten nominaal 36 schepels, maar kregen
er nooit meer dan 32 en betaalden daarvoor de enorme som van 18
Rijksd.

Voor 100 pond ijzer betaalden ze 8 Rijksd.[49].

Geen wonder dan ook, dat zelfs de ploegscharen uit Europa moesten
gezonden worden[50].

Tas vertelt in zijn dagboek, dat hij voor 20 paar kousen 10-1/2
Rijksd. betaalt; voor 30 ellen baai 15 Rijksd. Maar dit waren
artikelen, die aan hem uit Nederland waren gezonden.

Als zijn knecht Ary verdronken is (17 Des. 1705), dan betaalt hij
»voor 't doodkleed en 't aanspreeken" 7 Rijksd. »zijnde 't geen
daartoe staat."

Op 25 Des. 1705 betaalt hij voor 4 pond koffiebonen 1 schelling per
pond en verkoopt 200 mudden tarwe à 9 gulden per mud.

De daglonen schijnen niet zo laag geweest te zijn als men zou
verwachten.

Tas schrijft op 29 Jun. 1706 dat Willem Nel voor hem heeft gewerkt
15-1/2 dag à 1 gld. »Voor een vragt door hem voor ons na de Caab
gereden" [f] 12.--.

2 mudden Erten verkoopt hij op die dag voor 16 Rijksd.

Een legger kaapse wijn kostte 40 Rijksd. Die van Constantia kostte
echter 80 Rijksd. voor vreemdelingen. Maar de Kompanjie gaf niet meer
dan 25 Rijksd.[51]

Aan de Kaap kostte de Constantia, in 't klein verkocht, 2 Spaanse
dollars ([f] 6.60) per fles.

Ten slotte dit: Op 26 Julie 1703 vroeg Ds. Bek om een som als
schadeloosstelling voor het gemis van een woning. Hem werd 6 Rijksd.
per maand toegestaan[52]. Dit zal dus waarschijnlik in die tijd
ongeveer de huur van een fatsoenlik huis hebben vertegenwoordigd.

Op 26 Febr. 1710 kreeg dezelfde Ds. Bek 3 Rijksd. voor het aanschaffen
van 2 ladingen hout. Die ladingen waren stellig niet groot of de
Kompanjie heeft er zich goedkoop af gemaakt, want Valentijn zegt, dat
als iemand 't hout kopen moest om te branden, hem dit wel 5 of 6
gulden per week zou kosten.

De duurte van dit hout was misschien de reden, waarom men naar andere
brandstoffen uitzag. Valentijn ten minste zegt: »Bij Draakestein ligt
de plaats van den Borgermeester Abraham Villiers, daar men alleen zeer
goede steenkoolen uitgraaft." Later heeft men daar niet meer van
gehoord, zodat het wel schijnt of de exploitatie van de mijn geen
voldoende resultaten heeft opgeleverd.

Misschien ook is het met de mijn gegaan als met zovele andere
ondernemingen uit die tijd. Men ving met iets aan, maar had vaak òf
niet de bekwaamheid òf niet het geduld de aangevangen taak voort te
zetten.

Bij landbouwprodukten was het klimaat ook vaak een beletsel.

Zo adviseerde Rijklof van Goens, toen hij in Stellenbosch was, de
bewoners van die plaats om vlas, hennep en indigo te planten, maar de
proeven met deze teelt mislukten.

In 1726 kwam François Guillaumet als ekspert voor de zijdeteelt uit
Europa om te trachten hier een bloeiende zijde-industrie te doen
ontstaan. Maar ook dat mislukte. Het eerste jaar kreeg men 8 pond
zijde. Maar nooit heeft men het verder gebracht dan 10 pond per jaar.

Zó graag had men die teelt hier zien gelukken, dat men zelfs eieren
van de zijderups aan de burgers uitreikte. In hoever dit later het
monopolie van de Kompanjie zou getroffen hebben, is natuurlik niet te
zeggen, maar ze zou er wel weer een middel op gevonden hebben.

In 1735 moest men echter de proef opgeven als mislukt.

De teelt van Angora-geiten werd in 1724 begonnen, maar ook in 1735
opgegeven, daar ze als niet lonend genoeg werd beschouwd.

In 1705 wendden de Heren Zeventien pogingen aan om de boeren er toe te
brengen zich op de teelt van wolschapen toe te leggen.

De vrees voor schurft bij de schapen was echter groot en het schaap,
dat men wilde invoeren, scheen daar meer vatbaar voor te zijn dan de
soort, die men had en die men voor 't vlees hield.

W. A. van der Stel begon echter met de proef in ernst en het scheen
wel, of hij die zou doen gelukken ook; maar juist toen werd hij
teruggeroepen.

Isaac Taillefer, een Hugenoot, was begonnen met hoeden te maken van
Kaapse wol, maar toen hij stierf, hield deze industrie op.

Met de wijn-produktie ging het ook al niet naar wens.

In 1672 was de eerste brandewijn aan de Kaap gestookt[53]. Maar de
algemene opinie hierover was nog minder gunstig dan die over de wijn.

In 1719 vroegen de Heren Zeventien om monsters van wijn. Zes halve
amen werden gezonden, maar toen die in Amsterdam aankwamen, werd de
wijn ongeschikt voor 't gebruik bevonden.

Men probeerde later nog de verzending in grotere vaten en in flessen.
Maar de uitkomst was telkens dezelfde.

Alleen in de produktie van koren had men eindelik zijn doel bereikt,
namelik om de Kaap te maken tot een land, dat meer zou doen dan in
zijn eigen behoeften voorzien.

Men was eerst verplicht geweest rijst van Java in te voeren en de
mensen waren daar langzamerhand zó aan gewoon geraakt, dat men geen
energieke pogingen deed om de koren-produktie te vermeerderen.

In 1676 onder Isbrand Goske had men zelfs gevraagd om de prijs van de
rijst te verminderen. Gelukkig was dit geweigerd.

Vooral Simon van der Stel heeft zijn best gedaan om het voorgestelde
doel te bereiken en bij het begin der achttiende eeuw was men zover,
dat geregeld koren werd uitgevoerd.

Een enkele maal, zoals in 1700, was men nog verplicht, wegens
misgewas, rijst in te voeren, maar in 1706, na een zeer regenachtig
oogstseizoen, dat veel schade had gedaan aan 't koren, kon men toch
nog 1400 mudden naar Batavia zenden.

Van die tijd af was de strijd gewonnen[54]. De enige strijd, die er
nog voortdurend op dit gebied bleef bestaan, was die over de prijzen,
die de Kompanjie zou betalen. Het koren, dat uit Bengalen en Surate
werd ingevoerd op Java, kon daar goedkoper verkocht worden en dit gaf
vaak aanleiding tot pogingen om de prijzen van 't kaapse graan te
verminderen.

Deze pogingen leden echter steeds schipbreuk, wat ik boven vermeldde.

Hoewel de boeren te kampen hadden met allerlei ziekten van 't vee,
zoals het mond- en klauwzeer, dat in 1723 voor de eerste maal
verscheen, de paardeziekte, die in 1719 in Zuid-Afrika kwam enz., is
de eerste helft der achttiende eeuw bijna geheel vrij geweest van de
sprinkhaneplaag.

In 1695 hadden ze hun verschijning gemaakt aan de Kaap en niet meer
vóór het jaar 1746 keerden ze weer. Dit was dus een groot voordeel
voor de landbouw en dientengevolge ook voor de veeteelt.

De wilde-dieren-plaag, die soms de veeteelt zoveel schade had gedaan,
was nog niet geheel uitgeroeid, maar in elk geval lang niet zo
algemeen meer als het geval was geweest.

Op 29 Julie 1705 schrijft Tas in zijn dagboek: »Wij vinden op ons land
dicht na 't land van Botma vers leeuw of tijgerspoor."

Op 4 Februarie 1706 vermeldt hij, dat er 7 wilde honden onder de
schapen waren gekomen en daar schade hadden aangericht. Maar het feit,
dat hij dit zo uitdrukkelik vermeldt, bewijst wel, dat het een niet zo
algemeen voorkomend geval meer was.

Toch, zodra men van de dorpen verwijderd was, schijnt men nog al wat
gevaar te hebben gelopen, tenminste Valentijn verhaalt op blz. 113 van
zijn werk over verschillende gevallen van ontmoetingen met leeuwen op
weg van de Kaap naar Stellenbosch en Draakestein.

De premies voor het doden van wilde dieren werden in 1739 verminderd,
wat ook bewijst, dat er niet meer zó'n last van ondervonden werd.

Voor 't doden van een leeuw werd in plaats van 17 rkd. tans 10 rkd.;
voor het doden van een luipaard 6 rkd. in plaats van 10 rkd. en voor
't doden van een hyena 2 rkd. in plaats van 3 rkd. betaald.

Bovendien moesten de gedode dieren zelf aan 't Kasteel of aan de
Drostdij te Stellenbosch worden vertoond. Deze maatregel was nodig
geworden, doordat slimme boeren een vrij voordelige handel hadden
weten te drijven in huiden van de bovengenoemde dieren met de
Hottentotten, die het wild soms dagreizen ver van het distrikt, waar
de huid werd afgeleverd, hadden gedood.

Wat Thunberg en Stavorinus vertellen, dat namelik de leeuwen enz.
_levend_ moesten afgeleverd worden om de premie te krijgen, is
natuurlik een sprookje[55].

Deze premies werden betaald uit een belasting, die bekend is onder de
naam van leeuw- en tijgergeld. Stavorinus vertelt, dat dit voor iedere
burger 4 rijksdaalders voor leeuwegeld en 2 gulden voor tijgergeld
bedroeg.

Kolbe noemt ook nog de wilde olifanten, elanden en bokken, die soms
veel schade konden doen aan 't koren.

Heel wat moed en behendigheid moet er toe nodig geweest zijn om deze
wilde dieren zover uit te roeien, als we de middelen in aanmerking
nemen, die de Kapenaars van die tijd ten dienste stonden tot dat doel.

Want zelfs in 1792 nog spreekt Cornelius de Jong zijn verbazing er
over uit, dat men toen zulke uitstekende geweren had aan de Kaap, dat
het mogelik was een bok op 80, 90, ja zelfs op 100 passen te doden.

Als dat in die tijd nog zo'n verbazing kon wekken, behoeven we niet te
vragen, hoe de wapens een kleine honderd jaar vroeger waren.

Toch dorst men met zulke middelen op de olifantsjacht gaan.

Thunberg ontmoette in 1773 een zekere Jacobus Botha, die toen 81 jaar
was. Hij had veel geld verdiend met de verkoop van olifantstanden, die
de Kompanjie tegen 1 gulden per pond opkocht.

De moed, waarvan ik zo even sprak, was een hoofdtrek van het karakter
van de Kolonisten. Door hun voortdurend leven in de openlucht, omringd
door gevaren van wilde dieren en Bosjesmannen, werden hun zenuwen
gestaald en zij werden de beste pioniers, die men zich denken kon.

De Voortrekkers van Bloedrivier en Vechtkop hadden hetzelfde
onbuigzame en taaie karakter van de achttiende-eeuwers nog, dat hen in
staat stelde daden te volbrengen, die door alle eeuwen heen met
bewondering zullen worden aangehoord en ons gewone stervelingen zullen
doen uitroepen: »En in die dagen waren er reuzen op aarde."

Door hun trekken kregen de kolonisten een hekel aan alles, wat naar
dwang zweemde. Ze wilden liefst maar zo ver mogelik af zijn van de
stad, waar de handelaars woonden, die altijd trachtten misbruik te
maken van hun lichtgelovigheid en onwetendheid.

Wat ze nodig hadden, werd dus door hen niet in de eerste plaats in
Kaapstad gekocht of zelfs maar uit Kaapstad verkregen.

Als ze samenkwamen in de dorpen tot het vieren van het nachtmaal, dan
was daar allicht te krijgen, wat ze nodig hadden.

Kolbe verhaalt, dat bij de kerk van Draakestein een soort markt was,
waar de boeren kruidenierswaren enz. kochten, als ze daar kwamen.

Verder had men de rondtrekkende kooplieden, die natuurlik de boeren
even hard beet namen, maar deze voelden zich, ook al werden ze beet
genomen, niet zo hulpeloos overgeleverd aan de listen en lagen van
geldgierige kooplui, zolang ze maar op hun eigen grond en in hun eigen
omgeving waren.

Hierboven deelde ik met een enkel woord mee, dat in 1742 de eerste
slagerswinkel te Stellenbosch werd geopend. De primitieve toestand van
het winkelwezen komt ook duidelik uit, wanneer men de bepalingen
leest, die daarbij werden gemaakt.

Pieter Wium was de slager, die in de winkel zou wonen. Hij moest twee
keer per week op Woensdag en Zaterdag, gezond, vers schapevlees te
koop aanbieden tegen 2 st. per pond en een schelling voor 4 pond en
hij zou voor die prijs aan niemand mogen weigeren vlees te verkopen.
Vier keer per jaar zou hij op dezelfde kondities ook rundvlees moeten
verkopen.

Indien hij zich niet aan deze voorwaarden hield, zou hij 25 rkd. boete
moeten betalen aan de armekas.

Maar niet alleen Stellenbosch was nog in zijn eerste
ontwikkelingsperiode, Kaapstad was ook bij lange na nog niet, wat men
een »stad" kon noemen.

Valentijn spreekt nog steeds, zoals ik vroeger opmerkte, over het
»vlek".

En hoe de toestanden er waren, blijkt b.v. ook uit het »Journal", waar
we aangetekend vinden, dat er in 1710 besloten werd een behoorlike
muur om de begraafplaats te bouwen, daar deze open lag en men varkens
en andere dieren wilde beletten de grond om te wroeten en zo de lijken
te schenden.

En zelfs in 1792 zegt Cornelius de Jong nog: »De Kaap, niet bestraat
zijnde, is in den regentijd een algemeene dijk, hetwelk de laarzen
zeer noodzakelijk maakt. De goten, die wijd zijn, midden door de
straten loopen en meesttijds het water niet kunnen verzwelgen moet men
bij sterken regen overspringen"[56].

Toch volgde men in het huiselik leven de hoofse zeden van de Europese
steden.

Voor dat men aan tafel ging, bracht een slavin bij ieder der gasten
een bekken water en een handdoek en datzelfde gebeurde, als ze
opstonden. In de huizen van de rijken stond zelfs achter iedere stoel
een slaaf met een palmblad om koelte toe te wuiven of om de vliegen te
verdrijven, die plaag, waarover zo vele reizigers aan de Kaap al
geklaagd hebben[57].

De gastvrijheid der buitenlieden, waarover ik vroeger gesproken heb,
bestond echter in Kaapstad niet. Men kon er onderdak krijgen, maar
tegen betaling.

Velen in Kaapstad leefden zelfs van dit houden van kosthuizen en
konden dus onmogelijk zo vrijgevig zijn met hun gastvrijheid als de
lieden buiten de stad.

Het gebrek aan winkels van allerlei waren werd aan de Kaap goed
gemaakt door verkopingen, die vaak door de zeelieden werden gehouden.
Officieren waren gewoon te hunnen eigen bate allerlei dingen te koop
aan te bieden.

Als ze uit Holland kwamen, hadden ze gewoonlik wijn, bier, hammen,
kazen, tabakspijpen enz. te koop en wanneer ze uit Indië kwamen,
verkochten ze vaak katoen, sits, rijst, tee enz.

Niet alleen hollandse, maar ook engelse officieren deden dit. Deze
laatsten boden meestal fijn en grof ijzerwerk, vooral matrozemessen en
scharen te koop aan.

Dit werd door de Kompanjie toegelaten op voorwaarde, dat ze 5 percent
van de verkoopsprijzen aan de fiskaal betaalden.

Vermakelikheden waren er ook nog niet veel. Als de kanonnen van
Robben-eiland de komst van een schip aankondigden, liep jong en oud
uit om te zien, welk schip het was en als het voor anker kwam, dan was
iedereen nieuwsgierig om het nieuws te horen, dat door de van boord
komenden zou worden meegedeeld.

Maar als er geen schepen kwamen, was het leven vrij eentonig.

Onder Van Assenburg werd het de gewoonte, dat de burgers met hun
vrouwen een bezoek aan 't kasteel brachten op Nieuwjaarsdag en op zijn
verjaardag tussen 10 en 11 's morgens. Ze werden dan uitgenodigd daar
het middagmaal te gebruiken en bleven de gehele dag tot 's avonds 9
uur.

Eens zelfs gaf hij bij een dezer gelegenheden een stieregevecht te
zien op 't plein van het Kasteel. Dit viel echter bij de vreedzame
Kapenaars niet biezonder in de smaak en werd daarom nooit herhaald.

Onder de huiselike vermaken waren vooral bekend het schaak-,
kaart-[58] en damspel. 's Avonds, als men z'n vrienden ging bezoeken,
werd er muziek gemaakt en vaak ook werd er gedanst. Maar men maakte er
geen nachtwerk van, zoals tegenwoordig.

Want om negen uur begon ieder zich gereed te maken om naar huis te
gaan. De slaven stonden met brandende lantarens gereed om de heren en
dames naar huis te geleiden, daar straatverlichting nog onbekend was.

In Stellenbosch had men van 1 tot 14 Oktober kermis. Die was in 1686
ingesteld. Van alle kanten kwamen de mensen dan toegestroomd. Uit
Kaapstad kwamen niet alleen de stedelingen maar ook de schepelingen
van de in de Tafelbaai liggende schepen. Het was dan een tijd van
grote vreugde en vrijheid. Ieder mocht gedurende deze tijd kopen en
verkopen zonder enige beperking.

In 1706 werd echter deze kermis voor goed afgeschaft.

De regering in Indië had namelik verboden verder bij te dragen aan de
schietwedstrijden en ook was het niet meer veroorloofd wijn of bier
uit te delen op kosten van de Kompanjie, zoals tot dusver de gewoonte
was geweest.

Vooral het schijfschieten of papegaaischieten was een belangrijk punt
van 't programma.

Men zette een houten vogel (papegaai) op een stang en dan moest door
de personen, die hun inleggeld[59] hadden betaald, getracht worden,
die vogel eraf te schieten.

Verschillende prijzen werden daarbij uitgeloofd.

Wie de kop er afschoot, kreeg 1 rkd. Voor de rechtervleugel kreeg men
4 schellingen, voor de linkervleugel 3 schellingen, voor de staart 2
schellingen, voor een splinter 1 schelling. Wie de hele vogel eraf
schoot kreeg 25 rkd. van de Kompanjie en bovendien de inleggelden.

Verder was er ook een wedstrijd in 't pistoolschieten op een schijf.

Wie de papegaai afschoot, was koning van 't voetvolk en wie 't wit van
de schijf raakte, was koning van de ruiterij.

Het volgend jaar mocht de koning eerst schieten, zelfs vóór de
Goeverneur. Hij behoefde dan ook nog geen inleg te betalen[60].

De afschaffing van de kermis in Stellenbosch was volstrekt niet naar
de zin van de bewoners en een opstootje was er het gevolg van. De
afschaffing bleef echter gehandhaafd.

Bij gebrek aan andere amusementen maakte men van een vendutie zooveel
mogelik een pretje.

»Bij alle verkopingen, die op 't land geschieden, worden de
liefhebbers met eeten en drinken verzien, en zommigen ook voor niet
met al gehuisvest, terwijl by degenen, die aan de Kaap voorvallen de
kopers enkelijk met een glas wyn en een pyp tabak onthaalt worden, ten
einde de kopers door den wyn aangemoedigt wat rykelyker in 't bieden
zyn zouden"[61].

Bij verschillende plechtige gelegenheden, zooals de viering van 't
Nieuwe jaar, trachtte men wat meer leven te brengen in de kleine
maatschappij door schoten te lossen.

Dit werd echter in 1715 verboden wegens 't brandgevaar. Op 17 Mei 1714
kort na aankomst van De Chavonnes was er brand op 't kasteel gekomen
dicht bij 't kruitmagazijn. Slechts met moeite had men die brand
geblust[62].

Geen wonder ook, dat het streng verboden was op straat een pijp te
roken. Zeelieden, vooral, als ze half dronken waren, gingen wel eens
wat roekeloos om met hun pijp en een enkele vonk was genoeg om de
rieten daken in 't droge seizoen in brand te steken, zoals men in 1710
te Stellenbosch tot zijn schade ondervond.

Op overtreding van dit rookverbod stond zelfs een pak slaag met een
dik touw[63]. De politie moest ook opletten, of er ergens brand was.

Des avonds ging de z.g. ratelwacht de stad door. Als er brand was,
liet hij zijn ratel klinken en riep luid: »Brand, brand!" door de
straten. Dan ging hij naar het Burger-Wachthuis, waar de brandspuiten
werden bewaard en op het brandalarm werd de trommel geroerd en de
klokken van kerk en kasteel werden geluid.

Om zich aan de eentonigheid van het alledaagse leven te onttrekken,
bestond bij de landbewoners de gewoonte, de jaardagen van ouden van
dagen in biezonder hoge ere te houden.

Elk jaar gingen ze 4 of 6 weken lang op reis om allerlei familieleden
te bezoeken en op die reis werd dan natuurlik heel wat nieuws verteld
en gehoord en de tocht maakte een onderwerp van gesprek uit gedurende
de rest van 't jaar.

De boeren bij Kaapstad hadden ook veelal enige slaven, die viool
speelden. Er werden geregeld op de plaatsen danspartijen
georganiseerd, waar menigeen zijn betere helft vond.

Als een jongen 15 jaar oud was, werd hij als volwassen beschouwd. Bij
begroetingen enz. werd hij geheel als man behandeld.

Dan werd hij ook ingeschreven om militaire diensten te verrichten. Als
een vader twee zonen had, die dienst konden doen, dan was hij zelf
vrij[64].

Liefdadigheidsinstellingen voor wezen waren er niet. Arme wezen werden
door welgestelde lieden als hun eigen kinderen aangenomen.

Aan de opvoeding der jeugd werd ook nog niet veel zorg besteed.

In 1683 werd te Stellenbosch de eerste school gesticht. Men leerde er
lezen, schrijven en de beginselen der cijferkunst. Het voornaamste
deel van het onderwijs was dat in de godsdienst. Op 13-jarige leeftijd
werden de leerlingen volleerd geacht. Dan deden ze een soort van
eksamen voor het consistorie, waardoor ze lidmaten van de Kerk konden
worden. Ze moesten daartoe de Bijbel kunnen lezen, de heidelbergse
Katechismus opzeggen en een weinig schrijven. Vooral ook moesten ze
echter psalmen kunnen zingen.

In 1714 werd te Kaapstad een latijnse school gesticht. Doch buiten
deze scholen was er geen gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs
door de hele Kolonie.

Maar al deed de Kompanjie niet veel voor het onderwijs aan de kinderen
van haar ambtenaren of de vrijboeren, haar jonge ambtenaren echter,
die nog geen gezinshoofden waren, werden door haar met de plak
geregeerd.

Ik sprak vroeger over het kosthuis, dat de Kompanjie had gesticht voor
de jongelui in haar dienst.

De regels, die ze voor hen had gemaakt, waren o.a.: »De tafel
mocht niet langer dan een half uur duren. De jongelui moesten
precies op tijd aan tafel zijn en als iemand later kwam, dan was de
kosthuishouder niet meer verplicht hem eten te geven, maar hij moest
wachten tot het volgende maal (Deze maaltijden waren om 11 v.m. en 6
n.m.). Geen ongetrouwde ambtenaar mocht in een kosthuis van eigen
keuze zijn, uitgezonderd zij, die familie in de stad hadden.

Er moest voor en na 't maal een gebed uitgesproken worden. Wie aan
tafel vocht of vloekte, moest eerst bestraft worden door de
kosthuishouder en als dit niet hielp, dan zo nodig door de Politieke
Sekretaris gerapporteerd worden aan de Goeverneur"[65].

Misschien was de strenge en ingetogen levenswijze, waaraan men
zich aan de Kaap hield ook voor een zeer groot deel te danken aan
de Kalvinistiese levensbeschouwing van de oude Hollanders, die
allerlei dingen als duivels beschouwden, welke belijders van andere
godsdiensten vrij onschuldig achtten.

Daarom betwijfel ik ook, of het kaartspelen wel zo algemeen was als
Thunberg ons zou willen doen geloven.

Het feit, dat Adam Tas in zijn dagboek vertelt, dat hij met vrienden
en kennissen kaartspeelt, bewijst ook niet veel. Hij was in menig
ander opzicht heel wat vrijer in zijn denken en overtuigingen dan de
meesten van zijn tijdgenoten.

Eigenaardig is wel, dat de Kalvinisten volgens Thunberg[66] Kerstmis
volstrekt niet vierden, maar dat ze dan werkten als gewoonlik.
Nieuwjaarsdag werd door hen als vakantiedag gevierd in zoverre, dat ze
naar hun buren gingen om hun geluk te wensen.

Bruiloften werden, vooral als de bruid en bruidegom soms dagen en
weken moesten reizen voor ze 't Huwelikshof te Kaapstad bereikten,
vanzelf niet met veel vertoon gevierd.

Valentijn vertelt alleen, dat men er in zoverre een soort van
plechtige tint aan gaf, dat men altijd zwarte ossen gebruikte om de
wagen van bruid en bruidegom te trekken. Dit gold echter ook voor 't
vervoer van een dode, waar de kleur dan ook meer geschikt was, naar 't
mij voorkomt.

Toch ging een trouwplechtigheid, vooral van lieden uit Kaapstad, niet
geheel ongemerkt voorbij. Op de avond van de dag, dat men, zoals het
heette »voor Commissarissen" geweest was, gaf men gewoonlik een
soupee, dat het »Commissaris Maal" heette. Dit soupee werd met een
bal besloten. Op deze bals waren de slaven, die vaak zeer muzikaal
waren, de muziekanten. De eigenlike huweliksinzegening had meestal
plaats op Zondag.

Bij een sterfgeval gaf de koster daarvan gewoonlik kennis aan vrienden
en bloedverwanten en nodigde hen tot de begrafenis uit.

Aan de dragers werd een zekere som geld betaald en opdat ze in
behoorlik kostuum zouden zijn, kregen ze ook een paar zwarte
handschoenen en een lange zijden lamfer.

Als het lijk het huis was uitgedragen, werden door de koster de namen
der bloedverwanten en vrienden opgelezen in de volgorde, waarin zij de
kist zouden volgen. Hij moest dan nauwkeurig overwegen of die orde wel
goed was, want als iemand niet de plaats kreeg, die hem toekwam, was
dit een grote belediging. Vóór 1754 werd zeezand gestrooid langs de
weg van 't sterfhuis naar 't kerkhof. Na de begrafenis werden allen
bedankt voor hun tegenwoordigheid en uitgenodigd naar het sterfhuis te
gaan om daar een en ander te gaan gebruiken.

Hier werden wijn, brandewijn, bier, tee, koffie, kaas, gevogelte,
tabak, pijpen, enz. aangeboden en men deed zijn best om dit maal zo
goed mogelik te doen zijn, omdat het »de laatste eer was, die men aan
de dode kon geven."

Bij de begrafenis van Johannes Heufke (1739) werd 20 rkds. uitgegeven
voor »geraspbrood, koekies, kraakelinge, eyzerkoek en verder gebak,"
2-1/2 rkd. voor »een gros lange pype," 3 rkd. 2 schellingen voor
»4000 amandel", 21 gulden voor »Hollands gebak" en 12 gulden voor
»Caabs gebak."

Een afleiding voor de Kapenaars was zeker wel een wandeling door de
prachtige Kompanjiestuin, waar vele schrijvers van spreken als van een
van de wereldwonderen.

Anderen zijn niet zó uitbundig in hun lof, maar dat hij de moeite van
het bekijken waard was, is zeker.

Valentijn is er biezonder over verrukt. Hij vond er allerlei gewassen,
die hij nooit te voren had gezien en dat er degelik werk werd gedaan,
blijkt ook wel uit wat hij vertelt over de arbeid van de baas-tuinier
en eveneens uit de lange lijst van planten, die hij opgeeft, die alle
door de zorg van die tuinier òf een naam hadden gekregen òf
geklassificeerd waren.

Een wandeling door deze tuin nu was zeer aangenaam, omdat men er niet
alleen allerlei groenten, maar ook veel bloemen en vruchten zag.

De tuin stond onder scherp toezicht, maar het grote euvel der
maatschappij, de omkoopbaarheid van haar ambtenaren, had zich zelfs
onder de slaven verspreid.

Ziehier wat Valentijn zegt[67]:

»Maar men mag niet het allerminste afplukken, waar op swaare straffen
staan gelijk er ook doorgaans over al zeer veel spions van slaven zyn,
die daar net op weten te passen. Ook hoort men zeer zelden daar af en
als dat bij ongeluk al eens geschied koopt zulk een onvoorzigtige dit
liever met een steekpenning aan die slaaven te geven, af, dan dat hy
sich voor de verbolgentheid en gramschap van den Thuinier of van den
Heer Gouverneur, bloot zou stellen." Voor druiven was dit verbod niet
overal even streng als in de tuin van de Kompanjie naar het schijnt,
want hij vervolgt op bladzijde 22 van genoemd werk: »Men mag van de
zelve, als men in een wijngaard is, zooveel als men er begeert om niet
eten; doch de bossen, die men mede neemt, moet men betaalen."

De zorg voor de bomen en de moeite, die men nam om de aanplant te
bevorderen en de vernieling ervan tegen te gaan, blijkt echter overal
en steeds even groot te zijn geweest als in de tuin te Kaapstad.

Simon van der Stel had 16.000 eiken op de Tafelberg geplant. En hoewel
er 4000 door bavianen vernield werden, groeiden de andere goed, zodat
bij het eind van zijn bestuur in 1699 sommige reeds 36 voet hoog
waren[68].

W. A. van der Stel volgde in dit opzicht het voetspoor van zijn vader.
In 1700 zond hij 12.000 jonge eiken naar Stellenbosch en 8000 naar
Draakestein.

Ds. Hercules van Loon zou het oppertoezicht hebben over 't planten.
Maar de burgers zorgden er niet goed voor.

Niet alleen, dat ze er weinig zorg aan besteedden, maar de boomen
werden opzettelik vernield of voor brandhout gebruikt[69]. Van der
Stel zag zich daardoor genoodzaakt weer de oude strafbepaling van 40
jaar te voren in 't leven te roepen, waarbij aan iemand, die een tuin
of boom beschadigde, 12 maanden dwangarbeid werd opgelegd.

De boomaanplant bleef echter zeer langzaam gaan. De boeren
verontschuldigden zich door te zeggen, dat er zoveel vogels in de
bomen woonden, die veel schade aan 't koren deden.

De straffen bleven daarom steeds zwaar, want men moest hout hebben en
wilde dus de burgers dwingen om, als ze dan zelf geen bomen plantten,
tenminste die aanplanting niet te doen mislukken[70].

Het gebeurde eens zelfs, dat men zo weinig hout had, dat er niet
genoeg was om de kruiwagens van de Kompanjie te herstellen, die
daaraan dringend behoefte hadden.

Van Mauritius had men lange tijd veel hout gekregen, maar in 't begin
der achttiende eeuw had men daar met allerlei tegenspoeden te kampen.

Orkanen vernielden veel bomen en ontsnapte slaven staken vaak de
gebouwen van de Kompanjie in brand.

Het valt dus niet te verwonderen, dat het aankweken van bomen een
levenskwestie werd.

Kolbe verhaalt, dat een rijk burger een dienaar van de Kompanjie had
weten over te halen hem wat eikenloof te bezorgen.

Deze burger moest zelf een boete van 125 rijksd. betalen en de dienaar
werd levenslang naar Robben-eiland verbannen.

In 1740 werd zelfs de bepaling gemaakt, dat een boombeschadiger twee
jaar als veroordeelde in ketenen op de openbare werken zou moeten
arbeiden.

De aanbrenger, wiens naam geheim werd gehouden, kreeg een beloning van
20 rkds.

Deze straffen zijn buitensporig zwaar in onze ogen, maar we moeten
niet uit het oog verliezen, dat de manier van straffen van die dagen
in het algemeen heel wat verschilde van die van onze tijd.

Sommige van die straffen zijn trouwens ook heel zonderling.

Zo lezen we, dat in 1739 een bootsman had gevloekt. Waarschijnlik
stond dit feit niet op zich zelf. Ten minste de zeelieden van die tijd
moeten dan wel veel deugdzamer geweest zijn dan de tegenwoordige. Maar
in elk geval deze vloeker werd gehoord door iemand, die daar dadelik
een aanklacht over indiende. Nu werd hij veroordeeld om drie
achtereenvolgende Zondagen bij de ingang van de kerk te staan met een
bord met het opschrift »Godslasteraar" op zijn borst.

Ik ben geneigd aan te nemen, dat, als de kerkgangers de woorden hadden
kunnen verstaan, die hij onderwijl dacht, maar niet uitsprak, het
getal van drie Zondagen met verscheidene zou vermeerderd zijn.

Zodra men zich vergreep aan de goederen van de Kompanjie zelf, werden
natuurlik de strengste straffen toegepast.

Toen b.v. in 1737 verscheidene schepen van de Kompanjie strandden en
bijgevolg veel wrakgoed aanspoelde, werd ieder, die men betrapte op
het meenemen van die goederen van het strand, zonder enige vorm van
proces opgehangen. Voor dit doel had men opzettelik enige galgen op
het strand opgericht.

Voor de onhandelbare jeugd had men eveneens een paardemiddel.

Zo werd op 15 Oktober 1720 door Jan Nel, diaken van Stellenbosch, aan
de overheid een rekwest gezonden, waarin hij klaagde over de stoutheid
van een jongen van 12 jaar, die door de schoenmaker, bij wie hij in de
leer was, niet getemd kon worden. Hij vroeg dan ook eerbiedig om dit
jongmens voor enige tijd aan boord van een schip te brengen[71].

Nu geloof ik niet, dat men uit het bovenstaande mag afleiden, dat er
van de zeelieden van die tijd zulk een uitstekende invloed uitging,
maar het dikke pektouw zal waarschijnlik de grote deugdvormer zijn
geweest.

Deze aanvraag staat volstrekt niet op zich zelf. Ik heb ook op andere
plaatsen voorbeelden gevonden van toepassingen van soortgelijke
vonnissen.

Men moest echter wel trachten goed te maken door overmatig strenge
straffen, wat men aan politie-kontrôle te kort kwam.

Onder Simon van der Stel had men reeds een burgerwacht gehad, die 's
nachts de stad patroeljeerde en op 't eind der 17de eeuw werden ook in
Stellenbosch en Draakestein veldwachters aangesteld, maar de
uitgestrektheid van de kolonie was te groot om een behoorlik toezicht
uit te oefenen.

De ongelukkigen, die in handen der Justitie vielen, moesten daarom
boeten voor degenen, welke ontsnapten.

Een merkwaardig kenmerk van de straffen van die tijd is hetzelfde, dat
helaas nog zoveel hedendaagse straffen dragen, n.l. dat ze zo weinig
het karakter hebben van een goedmaken door arbeid voor de gemeenschap,
wat de misdadiger tegen die gemeenschap heeft misdreven.

Het brute uitblussen van het leven van het individu of het verminken,
waardoor het in het eerste geval geheel en in het tweede geval vaak
gedeeltelik voor arbeid ten behoeve van de gemeenschap werd ongeschikt
gemaakt, was zeer algemeen.

Een uitzondering hierop maakten de verbanningen naar Robben-eiland,
waar de dwangarbeiders b.v. een zeer nuttig werk deden door het
branden van kalk uit de zeeschelpen (Valentijn).

Stavorinus zegt, dat op datzelfde eiland veel kalksteen werd gehakt
voor Kaapstad.

Nu we ons bezighouden met de straffen, die op misdadigers werden
toegepast, zal het zeker niet ondienstig zijn een paar woorden te
wijden aan het stelsel van slavernij, dat voor veel van de misdaden
verantwoordelik was.

Wij zijn in de twintigste eeuw allen te zeer overtuigd van het
schandelike van slavernij en van de slechte invloed, die hij op de
maatschappij heeft, dan dat het nodig zou zijn, dit hier in den brede
te betogen.

Ik zal me dus bepalen tot enkele grepen uit het leven der slaven aan
de Kaap in die tijd.

De maatschappelike positie van de slaven was in de eerste tijd van de
nederlandse volksplanting ver van slecht. Integendeel.

De kolonie was eigenlik bijna zonder slaven begonnen. In 1657 bestond
de hele bevolking uit 134 personen, vrouwen en kinderen meegerekend en
er waren maar 8 slaven. In 1658 echter nam een hollands schip »de
Amersfoort" een portugees slaveschip en bracht de overlevende slaven
van dat schip aan de Kaap.

Van Riebeeck had reeds de Heren Zeventien gevraagd om slaven, maar de
eerste troep kwam er op bovengenoemde manier.

Er werd in die tijd geen onderscheid gemaakt tussen mensen en mensen
om de kleur alleen. Huweliken tussen Europeanen en vrijgemaakte slaven
van zuiver ras waren verboden, maar blanken mochten wel trouwen met
vrijen van gekruist ras. Dit bracht natuurlik, vooral in de eerste
tijden, toen het getal der kolonisten nog zo klein was, grote
voordelen mee. Bij het bouwen van het fort en in 't algemeen ten
opzichte van de verdediging tegen de inboorlingen voornamelik was het
gewenst zich zo sterk mogelik te maken. Men legde daarom in die tijd
een heel andere maatstaf aan dan honderd jaar later. In Van Riebeecks
tijd plaatste het Kristen-zijn blank en zwart op dezelfde lijn.

Andere maatregelen uit die tijd wijzen er eveneens op, hoe bang men
was voor de inboorlingen.

In 1677 werd b.v. de doodstraf gesteld op 't verkopen van geweren of
ammunitie aan Hottentotten. Zelfs was het een strafbaar feit de
Hottentotten in geld te betalen voor hun werk, zogenaamd omdat ze er
de waarde niet van kenden, maar eigenlik, omdat ze met geld zich
misschien gemakkeliker geweren enz. konden aanschaffen. Het was
eveneens verboden om ze te betalen in halfbloed schapen, omdat men dan
niet kon nagaan, welke dieren van hun kudden door hen waren gestolen
en welke niet.

Dit laatste is volkomen te begrijpen.

In 1691 waren er ongeveer 50 vrije negers in de kolonie en zij hadden
dezelfde politieke vrijheden als de Europeanen.

Watermeyer zegt ook: »In het grootste deel van de eerste eeuw van het
hollandse bewind was het leven van de zwarte even heilig als dat van
de blanke en de wreedheden, waarvan wij huiveren, van mensen, die op
Bosjesmannen jacht maakten als op wilde beesten, kwamen niet voor dan
in het einde van de achttiende en in het begin van de 19de eeuw.

Van de stichting van de kolonie tot 1750 waren zulke enormiteiten
nauweliks bekend."[72]

Thunberg verhaalt, dat een slaaf over zijn meester kon klagen tegen de
Fiskaal en dat dan de meester vaak boete moest betalen. Een slaaf kon
echter overigens geen getuigenis geven en was altijd te onderscheiden
van een vrijgelatene, doordat de laatste kousen, schoenen en een hoed
droeg, terwijl de slaven dit niet mochten doen[73].

Kinderen, die in 't slavehuis der maatschappij geboren waren, moesten
volgens de wet van 1721 gedoopt worden. De opzichter en bij diens
afwezigheid de zieketrooster moest peet staan en de kinderen moesten
naar school en kerk worden gezonden. Op die manier werd hun de weg
naar vrijheid opengesteld. Want één der voorwaarden daarvoor was ook,
dat ze Kristenen moesten zijn.

Natuurlik betekende dit niet, dat ze in elk opzicht, ook voordat ze
vrij waren, behandeld werden, zoals een werkgever tegenwoordig zijn
arbeiders behandelt.

Zo vind ik b.v. in het »Journal" opgetekend op 19 Des. 1705, dat het
ondeugdelike vlees zou worden afgekeurd en aan de slaven zou worden
gegeven.

Die konden er zich dus ziek aan eten, maar toch zal deze maatregel, al
was 't alleen maar uit eigenbelang, niet altijd toegepast zijn. Men
waagde een te grote som geld door het leven van een slaaf in gevaar te
brengen.

In 1698 kostten, volgens Leguat, negerslaven van 60 tot 80 rkds.

Drie kwart eeuw later schijnen ze al enorm in prijs te zijn gestegen.
Want Sparrman zegt, dat een slaaf die goed mennen en rijden kon 500
Rkds. kostte. Een, die pas van Madagascar kwam, kostte van 100 tot 150
Rkds.

Het gewone voedsel der slaven bestond uit rijst en vooral uit veel
vis. Dat was een zeer goedkoop voedingsmiddel, daar b.v. onder W. A.
van der Stel steeds een gedeelte der slaven bezig was om vis te vangen
voor hun lotgenoten. Dit kostte de eigenaar niets.

Het schijnt, dat men gedurende de eerste halve eeuw wel wat al te
gereed is geweest om slaven de vrijheid te geven, wat echter geen
gunstige gevolgen had. Meestal waren het mensen, die uit zich zelf
nooit aan 't werk gingen dan in de uiterste nood en voor wie vrijheid
synoniem was met nietsdoen.

Toen men dit inzag, moest men tegen de vagebondérende vrijgemaakten
natuurlik maatregelen nemen.

In 1708 trad Cornelis Joan Simons, officier van de vloot, op als hoge
kommissaris. Hij paste aan de Kaap toe het indiese gewoonterecht, dat
geen volbloed negerslaaf mocht vrijgemaakt worden, zonder dat de
eigenaar de zekerheid gaf, dat de vrijgemaakte persoon niet binnen 10
jaar ten laste van 't armefonds zou komen.

Was dit het geval toch, dan geraakten ze ipso facto weer in slavernij.

Een eigenaardige manier van vrijwording, die de trots der Nederlanders
op hun vrijheid aan 't licht brengt, was deze: Als een slaaf als
bediende meekwam naar Nederland, was hij vrij, zodra hij landde. Het
feit alleen, dat hij op de vrije bodem van de Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden was geweest, was genoeg om hem van alle banden
der slavernij te verlossen.

De invloed van de slavernij op de bevolking aan de Kaap is niet
gunstig geweest en dit is al vroeg, doch niet vroeg genoeg, ingezien.

Op 25 Februarie 1743 betreurde Van Imhoff het in zijn memorandum, dat
in 't begin niet meer blanken waren uitgezonden. Zij, die er waren,
hadden een afkeer van handearbeid gekregen. De invoer van slaven had
hen steeds in hun luiheid gestijfd.

Blanke handwerkslieden eisten buitensporige prijzen voor hun werk.
Metselaars en timmerlui kregen dikwels een rijksd. of 9 schellingen
per dag boven de kost en werkten dan nog zo langzaam, dat ze in een
bepaalde tijd slechts de helft van het werk deden, dat hun Europese
kollega's in die tijd afmaakten.

Op de boerderijen waren blanke arbeiders eenvoudig niet te krijgen,
hoeveel geld men ook bood.

In 1716 reeds schijnen de Heren Zeventien min of meer gevoeld te
hebben, dat er iets niet in orde was, ten opzichte van de
werkkrachten, want ze vroegen uitdrukkelik aan de Politieke Raad, wat
hij beter achtte, de invoer van Europese arbeiders of die van slaven.

Er was, helaas, echter maar één lid, dat toen toonde helder genoeg van
blik te zijn om te zien, dat alleen europese arbeiders een kolonie
konden vormen. Aan de kortzichtigheid van de andere leden is het te
wijten, dat de toestand toen niet verbeterd is.

Behalve de slaven speelden de Hottentotten een grote rol als
werkkrachten.

Op de boerderijen gebruikte men meestal rondtrekkende Hottentotten. Ze
gingen van plaats tot plaats om 't koren zo spoedig mogelik te maaien.
Kolbe zegt, dat dit nodig was, daar de Z.O. wind anders daaraan veel
schade kon toebrengen[74].

Daar deze Hottentotten dus veel met de boeren omgingen, leerden ze
spoedig Hollands. Leguat verhaalt, dat in 1698 alle Hottentotten, die
hij ontmoette, reeds Hollands spraken.

Behalve voor het werk op de boerderijen, werden de Hottentotten verder
voor allerlei huiswerk gebruikt.

Na de eerste pokke-epidemie in 1713 werd dit echter geheel anders.
Daar deze ziekte in 't slavehuis van de Kompanjie was ontstaan,
meenden de Hottentotten, dat de Hollanders hen betoverd hadden en de
weinigen, die niet ten prooi vielen aan de ziekte, trokken weg.
Daardoor was er plotseling een groot gebrek aan bedienden ontstaan en
de prijs der slaven steeg aanmerkelik.

Gelukkig kregen in 1714 van 150 tot 200 soldaten van 't garnizoen
verlof om bij de boeren in dienst te treden. Dat maakte het gebrek aan
Hottentotten enigszins goed.

Behalve deze verschillende werkkrachten werden volgens Mrs. Trotter
ook Chinese veroordeelden, die uit Indië waren gezonden, als
metselaars en steenbakkers gebruikt aan de Kaap.

Dat de Hottentotten zeer in trek waren als werkkrachten is niet te
verwonderen, als men in aanmerking neemt de goedkoopte van hun arbeid.

Valentijn zegt ervan: De Hottentotten krijgen als loon alle week een
stuk tabak »mitsgaders spijs en drank (hoewel sommige van hen
vreeselijk veel konnen eeten)". Na verloop van een jaar kregen ze nog
een »keten van kopere koralen" en een speenlam[75].

Uit de opmerking over 't eten van de Hottentotten schijnt men te mogen
opmaken, dat Valentijn meende, dat ze een biezonder grote weldaad
genoten, als ze de kost kregen voor hun werk.

Barrow deelt mee, dat een os of een paar koeien of een dozijn schapen
ter waarde van 40/- of 50/- het gewone loon van een heel jaar was,
doch dat de boeren dan dikwels een bedrag voor tabak en brandewijn van
dezelfde grootte van de Hottentot te vorderen hadden[76].

Maar Barrow is.... Barrow en een zeer grote mate van voorzichtigheid
is altijd aan te raden bij het aannemen van zijn mededelingen als die
kans hebben de reputatie van de hollandse kolonisten aan de Kaap te
benadélen.

Hoe welwillend de regering tegenover de Hottentotten stond, moge ten
slotte uit het volgende blijken: In 1701 kreeg een troep soldaten
bevel om te trachten de Bosjesmannen te achterhalen en van hen 't
gestolen vee terug te krijgen. Daarbij werd uitdrukkelik bepaald, dat
dit vee dan aan de eigenaars zou worden teruggegeven, _wie ze ook zijn
mochten_.

Blanken en Hottentotten genoten in dit opzicht volkomen gelijke
bescherming.

       *       *       *       *       *

Ten slotte een enkele opmerking over een der middelen van bestaan in
Kaapstad.

Vroeger heb ik er op gewezen, dat de Heren Zeventien vreemdelingen
volstrekt niet met gunstige ogen zagen aankomen in de Kaap.

Vandaar dan ook, dat het kaapse _Goevernement_ niets wou verkopen aan
vreemdelingen, maar zij mochten vrij in herbergen komen en ze konden
groenten, varkens en gevogelte kopen van de burgers en soms zelfs
sloten de autoriteiten, als de Kompanjie ten volle voorzien was, de
ogen voor de verkoop van vee.

Dat deze verkoop nog al wat te betekenen had voor Kaapstad blijkt uit
de volgende cijfers:

Tussen 1652 en 1700 kwamen er gemiddeld jaarliks 40 schepen (33
nederlandse, 4 engelse en 3 andere) aan de Kaap.

Gemiddeld hadden die 147 man aan boord en ze bleven van 2 tot 3 weken
op de rede liggen. Er kwamen dus jaarliks aan de Kaap meer dan 5000
vreemdelingen, die voedsel nodig hadden gedurende hun verblijf en ook
gewoonlik heel wat mee op reis namen.

Het aantal schepen, die in Kaapstad aanlegden, steeg voortdurend,
zodat er gedurende de eerste helft van de 18de eeuw jaarliks zelfs 75
schepen (57 hollandse, 15 engelse en 3 andere) het anker uitwierpen.

Ten gevolge van de ongunstige jaren 1714 en volgende werd in 1720 een
plakkaat uitgevaardigd, handelende over de verkoop van vlees aan
vreemdelingen en in Februarie 1723 kwam er zelfs een uitdrukkelik
verbod om vers vlees en groenten te verkopen aan vreemdelingen onder
straffe van deportatie naar Europa en een boete van 350 rijksdaalders.
Men wist het plakkaat echter zo te verklaren, dat het scheen in te
houden, dat er eerst verlof van de Raad moest verkregen worden. Voor
de verkoop aan engelse schepen, die de beste klanten waren, kreeg men
altijd verlof, zodat het met dit plakkaat ging als met zoveel andere
van de Kompanjie: Ze werden eenvoudig behandeld als scheurpapier.

Aan het eind van dit hoofdstuk wil ik spreken over enkele kerkelike
zaken aan de Kaap.

Het spreekt vanzelf, dat ik me in dit opzicht ook weer zal moeten
beperken. Trouwens de boeken van Spoelstra en Dreyer, die speciaal
over dit onderwerp handelen, geven zulke uitvoerige inlichtingen, dat
het onmogelik zou zijn veel nieuws te vertellen.

Ik zal ook niet in allerlei biezonderheden treden, maar alleen enkele
grepen doen.

In de allereerste plaats dan wijs ik op de positie der predikanten.
Ook in dit opzicht kan ik de Kompanjie niet bewonderen.

Ze had zich het recht voorbehouden Predikanten te benoemen en aan te
stellen voor de Kaap zonder beroep door Gemeente of Kerkeraad.

Dit had natuurlik bedenkelike zijden, vooral in betrekking tot de
geestelike verstandhouding tussen herder en gemeente.

Een andere schaduwzijde van deze wijze van benoeming was, dat de
predikanten geheel behandeld werden als dienaren van de Kompanjie niet
alleen, maar zich zelf ook in de meeste gevallen als zodanig
gedroegen. Dat wil zeggen, dat ze meestal fel tegen de boeren gekant
waren, als die de ambtenaren aanvielen, want ze beschouwden dit ook
als een aanval op hen. Dit kon natuurlik niet meewerken om een goede
verhouding tussen hen en hun gemeentenaren in 't leven te roepen.

Trouwens innigheid bestond tussen predikant en gemeente heel weinig.
Als een predikant in Kaapstad een bezoek bracht aan zijn parochianen,
dan ging de schoolmeester vooruit om de mensen te waarschuwen[77]. Er
moest altijd een kloof blijven gapen tussen herders, die zich zo
gedroegen en de schapen, aan hun zorg toevertrouwd.

Mr. J. de Wet zegt[78]:

»De Kerk werd altijd zoo zeer als een deel van het geheel van 's
Compagnies bestier alhier beschouwd, dat aan de Predikanten of
Leeraars daarvan even als aan alle andere beambten hun standpunt in de
toen aangenomen klassen of rangen, onderscheiden in opperkooplieden,
kooplieden en onderkooplieden door de wet werd aangewezen!

Ieder Predikant zou gemeten worden naar den rang van onderkoopman en
als zoodanig gerechtigd zijn tot de voorrechten aan die rang
verbonden."

De geesteliken vatten in veel gevallen hun bediening op, of het een
wereldlik ambt was en beschouwden zoals de meeste ambtenaren van de
Kompanjie, de Kaap slechts als een doorgangshuis naar een betere
betrekking.

Dit had ten gevolge, dat de meesten hier zo kort mogelik bleven. Zo
had men eens in één jaar drie keer een nieuwe predikant in
Kaapstad[79].

Ik zal niet spreken over de verschillende stichtingsjaren van de
kerken in de verschillende plaatsen, evenmin als over de pogingen, die
de Hugenoten deden om hun taal te behouden. Ik wil alleen konstateren,
dat de mening, dat de Heren Zeventien hun best hebben gedaan om het
Frans te doen uitsterven in de kolonie, geheel verkeerd is. Het stierf
een natuurlike dood door het feit, dat de Fransen maar één zesde van
de totale bevolking uitmaakten. Het Hollands verdrong het Frans zelfs,
zó volkomen, dat Le Vaillant opmerkt als een biezonderheid, dat hij op
zijn reizen slechts één zeer oude man vond, die nog Frans verstond.
Dat was ruim drie kwart eeuw, nadat de Hugenoten in Zuid-Afrika geland
waren.

Men weet, dat er zeer weinig kerken aan de Kaap waren en dat het ook
lang duurde, eer nieuwe gemeenten gesticht werden. De eerste halve
eeuw was bijna om, voordat Roodezand (1743) en Zwartland (1745) hun
kerk kregen. Dat betekent dus, dat bijna 100 jaar na de stichting van
de volksplanting er in de hele kolonie nog maar 5 kerken waren. En de
zesde kwam er niet vóór 1792. Dat was die te Graaff-Reinet.

Het spreekt dus vanzelf, dat de kolonisten in de meer afgelegen
streken van de kolonie zo goed als geheel van geestelike hulp
verstoken waren.

Daarom ging van tijd tot tijd een der Predikanten »op trek" naar de
eenzame boereplaatsen om de daar wonende landlieden te stichten en hun
kinderen te dopen.

Als dan de predikant op een boereplaats was, ging het gerucht daarvan
gauw in de omtrek rond en de boeren uit de buurt kwamen naar de
plaats, waar hij was.

Het is evenwel te begrijpen, dat de afstanden het onmogelik maakten,
dit verscheiden keren per jaar te doen.

Ondanks het feit echter, dat er zo weinig kerken waren, werd er,
trouwens volkomen in de geest van de tijd, nauwlettend gewaakt, dat
geen leer, die afweek van de Nederduits Hervormde, zou gepredikt
worden.

De geschiedenis met George Schmit van de moraviese Broeders in de
eerste helft van de achttiende eeuw, is bekend.

Het duurde zelfs tot 1792 eer deze stille, vrome werkers een kerk
konden krijgen.

Ook de Lutheranen werden zoveel mogelik gehinderd in de uitoefening
van hun godsdienst.

In 1742 zonden ze een rekwest in om vrijheid te krijgen tot het
aanstellen van een predikant. Dit werd niet toegestaan. Eindelik, na
jaren lang gesmeekt te hebben om vrijheid tot uitoefening van hun
godsdienst, kregen ze die, maar men mengde die honing met gal, door te
bepalen, dat de lidmaten van die kerk voortaan niet meer zouden mogen
bevorderd worden tot de eerste posten van aanzien[80].

De lutherse en moraviese godsdienstoefeningen mochten wel gehouden
worden in private huizen, maar zelfs dan mochten geen sakramenten
worden toegediend. In die tijd meende men, dat men door zulk een
bepaling al buitengewoon verdraagzaam was.

De Lutheranen hadden zich eenvoudig te schikken en trachtten zich te
troosten, door telkens, als er een deens schip in Kaapstad kwam, de
geestelike te verzoeken aan land te komen om hun de godsdienst van hun
vaderen te prediken.

Zonderlinge toestanden werden geboren door de onverdraagzaamheid der
mensen, die voor vrijheid van geloof hadden gestreden en geleden.

Zo waren in 1674 enige Katholieken in de kolonie komen wonen. Zij
wilden hun kinderen laten dopen. Daar er natuurlik geen katholieke
geesteliken in de kolonie waren, moest dit in de hervormde kerk
gebeuren. Dit was echter nog niet genoeg, want de doopheffers mochten
alleen dàn Katholieken zijn, als de ouders eerst getracht hadden om
peten van het ware hervormde geloof te vinden en daarin niet geslaagd
waren[81].

Maar zelfs hun eigen geloofsgenoten werden door de predikanten van die
tijd met scherpe blik in hun gangen gevolgd.

Zo werd op 8 Okt. 1743 een aanklacht wegens ketterij ingebracht tegen
de zieketrooster Van Dijk. Zijn ketterij bestond hierin, dat hij het
waagde voor de vuist te preken en niet het »Onze Vader" altijd bad in
de dienst.

En hij was ook op vriendschappelike voet met de Hernhutters[82].

Deze drie punten waren reeds voldoende om hem in staat van
beschuldiging te stellen.

Ik eindig dit hoofdstuk met een aanhaling uit een rekwest van de
kerkeraad van Draakestein in 1719.

Daar de kerk bijna klaar was, vroeg deze kerkeraad verlof om in 1720
te mogen beginnen met begraven binnen en buiten de kerk en hij vroeg
ook goedkeuring van het volgende tarief voor begrafenissen:

Een graf in de kerk zou 25 Rijksdaalders kosten en een dubbel graf 50
Rkd. Deze koop gold voor 100 jaar. Men kon ook een graf huren. Dit zou
kosten 10 Rkd. voor een volwassene en 5 Rijksd. voor een kind onder 10
jaar.

Op het kerkhof was de prijs van een graf 6 Rijksd. (voor een tijdperk
van 100 jaar). Een gehuurd graf kostte 3 Rijksd.

Men rekende 2 Rijksd. voor 't gebruik van 't lijkkleed en 1 Rijksd.
voor de baar.

De koster kreeg 2 Rijksd. voor een graf _in_ de kerk en 1 Rijksd. voor
een graf _buiten_ de kerk. Als aanspreker of bidder zou hem 1 Rijksd.
per dag moeten betaald worden[83].

In het volgende hoofdstuk wens ik te spreken over het Bestuur van de
Kaapkolonie en ook met een enkel woord over de belastingen, die er
geheven werden.

VOETNOTEN:

[28] François Valentijn, t. a. p. pag. 13.

[29] Thunberg, Travels. Deel I. pag. 125.

[30] Valentijn, pag. 12.

[31] Thunberg, I. pag. 249.

[32] Kolbe.

[33] Vaak hing er ook bij de boerderij een grote scheepsklok, die in
tijd van gevaar (Bosjesmannen etc.) werd geluid om de buren te
waarschuwen.

[34] Le Vaillant, New Travels. Deel III. pag. 16.

[35] Le Vaillant, Travels. I. pag. 59 en volgende.

[36] Sparrman, Travels. Deel II. pag. 165.

[37] Thunberg, Travels. Deel I. pag. 138.

[38] Sparrman, t. a. p. Deel I. pag. 266.

[39] Sparrman, t. a. p. Deel II. pag. 62.

[40] Le Vaillant, t. a. p. Deel I. pag. 55.

[41] Sparrman, t. a. p. Deel II. pag 166.

[42] Cornelius de Jong, Reizen. Deel II. pag. 112 en 113.

[43] Barrow, Travels.

[44] Leibbrandt, Journal.

[45] Thunberg, I. pag. 247.

[46] Leibbrandt, Journal 19 Des. 1705.

[47] Valentijn, blz. 48. t. a. p.

[48] Thunberg, Deel I. blz. 252.

[49] Thunberg, II. blz. 126.

[50] Thunberg, I. blz. 257.

[51] Valentijn, t. a. p.

[52] Leibbrandt, Journal.

[53] Theal, Chronicles of Cape Comm. pag. 180.

[54] Enkele slechte jaren als 1726, 1727 en 1740 natuurlik buiten
rekening gelaten.

[55] Thunberg, Deel II. pag. 20.

[56] Cornelius de Jong, Reizen. Deel I. pag. 122.

[57] Thunberg, I.

[58] Dagboek Adam Tas, 6 Aug. 1705.

[59] Dit bedroeg 2 schellingen voor inwoners van Stellenbosch en een
rijksdaalder voor vreemdelingen.

[60] Valentijn.

[61] Kolbe.

[62] Leibbrandt, Journal.

[63] Kolbe.

[64] Thunberg, I. pag. 253.

[65] Leibbrandt, Rambles. pag. 149.

[66] Thunberg, II. pag. 96.

[67] Valentijn, Boek X. pag. 20.

[68] Ian D. Colvin, Romance of Empire.

[69] Thunberg (I. pag. 263) verhaalt, dat de boeren graag een dode
hond hadden om in 't gat bij de geplante boom te begraven, daar men
meende, dat dit de groei bevorderde.

[70] Volgens Theal werd in 1709 de bepaling gemaakt, dat een
boombeschadiger een geseling zou krijgen aan de voet van de galg. De
aanbrenger zou 10 rkd. ontvangen.

[71] Leibbrandt, Requesten or Memorials.

[72] Watermeyer, Selections. pag. 52.

[73] Thunberg, I. pag. 115.

[74] Kolbe, pag. 117.

[75] Valentijn, Deel X. pag. 106.

[76] Barrow, Travels. Deel I. pag. 97.

[77] Theal, II. pag. 344.

[78] Mr. J. de Wet, »Beknopte Geschiedenis Hervormde Kerk".

[79] Mr. J. de Wet, t. a. p.

[80] Theal, Belangrijke Hist. Dok. pag. 118.

[81] Theal, Chronicles of Cape Comm.

[82] Leibbrandt, Requesten or Memorials.

[83] Leibbrandt, Requesten or Memorials.



HOOFDSTUK IV.

BESTUURSLICHAMEN EN BELASTINGEN.


Hieronder zal ik enige aanhalingen doen uit schrijvers uit de
achttiende eeuw om aan te tonen, hoe het bestuur der kolonie was
ingericht, maar eerst wens ik een paar opmerkingen te maken om
begripsverwarring te voorkomen.

Het Hof van Justitie, hierna te noemen, behandelde alle zaken met
gesloten deuren, er werd nooit mondeling gepleit en de partijen waren
volkomen buitengesloten. Alle stukken en bewijzen werden aan twee
leden van 't Hof gezonden door de prokureurs, voordat 't Hof
bijeenkwam. Die stukken werden dan door alle leden gelezen. De
uitspraak geschiedde bij meerderheid van stemmen.

Het vonnis werd door de Griffier (Sekretaris) van 't Hof in 't
openbaar voorgelezen, nadat men drie maal op een bel had geslagen om
de mensen er kennis van te geven.

De wetten van de Kolonie waren: 1. Het kaapse Plakkaatboek, waarin
de wetten stonden, die door Goeverneur en Raden aan de Kaap waren
gemaakt; 2. De Statuten van Batavia, een verzameling van wetten, te
Batavia uitgevaardigd. 3. De Grote Plakkaatboeken van Holland; 4. Het
romeins-hollands recht. Een wet werd na klokgelui bekend gemaakt door
de Sekretaris van de Politieke Raad.

Kopieën werden hier en daar aangeplakt. Laat ons nu zien, wat
Valentijn van 't bestuur zegt: »Daar is een Polityke Raad, een Raad
van Justitie, een vergadering der Weesheeren, een Vergadering van
Kleine, een Vergadering van Huwelijkszaaken en een Borgelijke
Krijgsraad.

De Polityke Raad, die de aanzienlykste en eerste in rang is, bestaat
uit een Heer Landvoogt, Opperkoopman, Fiscaal Independent, Capitein,
Pakhuismeester, Dispensier, Soldyboekhouder, en den Geheimschryver,
doch in 't jaar 1705 was de Winkelier mede een Lid. Deze Raad
vergadert Dynsdags.

De Raad van Justitie bestaat uit die zelve Leden der Compagnies
Dienaaren in 't Civiele, doch in Crimineele zaaken is de Fiscaal hier
Eisscher, en dan geen Lid; maar buiten de Dienaars der E. Maatschappy,
by de welke de Capitein-Lieutenant, Lieutenant, ofte Vaandrig ook wel
gevoegt worden, zyn hier ook drie Borgerraaden (anders wel Kaapze
Borgermeesters genaamt) Leden van dien, welk Collegie door den
Geheimschryver (die eerste Klerk is) gesloten, gelyk die Vergadering
doorgaans Donderdags 's morgens gehouden word.

De Weeskamer bestaat hier uit den Tweeden Persoon, drie Dienaars der
E. Maatschappy, en drie Leden uit de Borgery (die dit voor 2 jaaren
blyven) benevens hunnen Geheimschryver.

Deze bestieren de zaaken der Weezen zoodanig, dat zy niet meer gelden
van een Weeze, al bezat hy nog zoo veel, dan hy tot zyn onderhoud van
nooden heeft, voor hem, en de rest voor andere Weezen, die niet genoeg
hebben om te bestaan, hier uitzetten."

»De Vergadering van Kleine Zaken bestaat uit een Voorzitter (die alle
2 jaren verandert, en die doorgaans de Capitein, Soldyboekhouder, of
Capitein-Lieutenant is) drie Dienaars, en drie Borgers, met hunnen
Geheimschryver.

En de Vergadering van Huwelykszaaken bestaat uit den Lieutenant, twee
Dienaars en twee Borgers met hunnen geheimschryver.

Die van den Polityken Raad vergeven al de mindere Ampten in den dienst
der E. Maatschappy, en ook alle de Borgerlyke bedieningen.

Die van den Raad van Justitie oordeelen in 't Civiele en in 't
Criminele oppermagtig, doch van 't eerste kan men zich op de Raad van
Justitie op Batavia beroepen"[84].

»Uit de voornaamste dezer Borgers worden jaarlijks 2 nieuwe
Borgermeesters, by 2 oude, die in dienst blyven, door den Gouverneur
en Raad, en uit de zelve doorgaans de 3 Borger Raaden van Justitie, en
verder ook 3 leden in de Weeskamer, 3 in de Vergadering van Kleine, en
2 in 't Collegie van Huwelijks-zaaken, gekoozen, die gemeenelyk 2
jaaren dienen, en dan door anderen vervangen worden.

Landwaart in op Stellenbosch heeft men een Landdrost, die daar als
President sit, en nevens 4 Heemraaden van die volkplanting en 3 van
Draakestein, een vergadering van Heemraaden uitmaakt, welke over een
somme van 150 guld., en hooger niet, mogen oordeelen, en van waar men
tot den Raad van Justitie aan 't Kasteel appelleeren kan"[85].

De Politieke Raad werd ook genoemd »de Groote Raad."

Behalve die door Valentijn opgenoemd, had men ook nog de Kerkelike
Vergadering of Kerkeraad.

In de Politieke Raad was de Goeverneur voorzitter en had twee stemmen.

Deze Raad besliste over vrede of oorlog met de Hottentotten. Hij hield
ook rechtstreekse briefwisseling met de Heren Zeventien in Europa en
met de regering in Batavia.

De Raad van Justitie behandelde alle burgerlike rechtzaken, die tussen
de inwoners voorkwamen en verder alle lijfstraffelike zaken.

Als een der twee partijen een Burger van de Kaap en de ander een
beambte van de Maatschappij was, of wanneer beide partijen burgers
waren, dan riep men de drie Burgemeesters op om bij 't rechtsgeding
tegenwoordig te zijn en om mede te stemmen bij 't opmaken van het
vonnis. Daar ze echter steeds door het ledental van de Raad in de
minderheid waren, betekende dit natuurlik niet veel.

Van de uitspraak van deze Raad kon men, zoals ik boven uit Valentijn
aanhaalde, zich beroepen op de Raad van Justitie te Batavia, maar de
afstand was groot tussen de Kaap en Batavia en alles ging vreselik
langzaam, zodat het niet te verwonderen valt, dat van dit recht van
appèl weinig werd gebruik gemaakt.

»Het is beter" zegt een schrijver hiervan, »een weinig kreupel te
gaan, dan zich in gevaar te stellen van beide beenen te verliezen om
al te ver de geneezing van den gewonden te gaan zoeken."

Het lagere hof van Justitie of de »Vergadering van Kleine Zaken"
bestond uit zeven rechters. De Voorzitter was altijd een van de leden
van de Grote Raad. De drie »Borgers" bovengenoemd werden door de Grote
Raad verkozen.

Deze kleine Raad hield zich bezig met rechtsgedingen van minder
belang, zoals twisten of beledigingen, die niet de aandacht van de
Raad van Justitie waard waren.

Evenals de Landdrost en Heemraden van Stellenbosch, bovengenoemd,
konden zij alleen oordelen in kwesties, waar het niet ging om een
hoger bedrag dan van 150 gld.

Deze Raad was zo zeer ondergeschikt aan de Raad van Justitie, dat zij
aan deze verslag moest doen van de allergeringste zaken, die zij
behandeld had.

De leden werden om de twee jaar veranderd door verkiezing van de Grote
Raad of liever door die van de Goeverneur, aan wie de Burgerraden een
dubbeltal van zes medeburgers aanboden. Daarvan werd dan de helft voor
2 jaar benoemd.

Geen huwelik kon gesloten worden, tenzij men eerst voor de kamer van
huwelikszaken was geweest. Deze vergadering gaf, na behoorlik
onderzoek, de predikant schriftelik verlof om de drie gewone
huweliksafkondigingen te doen. Als gedurende deze afkondigingen
bezwaren tegen het huwelik werden ingebracht, dan moesten deze ook
weer door het huwelikshof worden onderzocht.

Door de weeskamer werden alle zaken betreffende de goederen, het
onderhoud en het huwelik van wezen, afgedaan.

Indien een wees wilde trouwen, voordat hij of zij de volle leeftijd
van 25 jaar had bereikt, moest de weeskamer daartoe verlof geven.
Zonder dit verlof kon het huwelik niet plaats hebben.

Daar de militie in drie troepen was verdeeld, n.l. die van Kaapstad,
die van Stellenbosch met Draakestein en die van Swellendam was ook de
Krijgsraad verdeeld in drie vergaderingen. Deze krijgsraad nu nam
kennis van en beoordeelde alle overtredingen van de krijgstucht.

De vergadering aan de Kaap bestond uit 19, die te Stellenbosch uit 20
en die te Swellendam uit 9 leden.

De voorzitter van de vergadering aan de Kaap was altijd een lid van de
Grote Raad en bevelhebber der bezetting en de voorzitters in de twee
andere plaatsen waren de Landdrosten.

De overige leden werden genomen uit de oudste Burger-officieren.

De Fiskaal Independent, die ik reeds meermalen heb genoemd, was door
de Heren Zeventien naar de Kaap gezonden om, als 't nodig was,
krachtig op te komen tegen onrechtvaardige handelingen van de
Goeverneur.

Independent heette hij, omdat hij aan niemand dan aan de Heren
Zeventien verantwoording schuldig was.

Stedelike zaken werden toevertrouwd aan de bovengenoemde Burgerraden.
Deze »Gemeenteraad" bestond uit een President en vier leden en zij
zorgden voor het onderhoud van straten, bruggen, wegen enz.

Voor de buitendistrikten had men de Landdrost en Heemraden, die voor
deze zaken zorg droegen.

De Landdrost kreeg minstens de helft van alle door hem opgelegde
boeten, zodat hier hetzelfde gevaar voor omkoopbaarheid bestond als
bij de Fiskaal. Bovendien was zijn salaris zo laag (Zie Hfdst. II),
dat de verleiding stellig niet minder was dan bij de Fiskaal.

Hij had 't recht om de burgers te dwingen slaven, wagens en hun eigen
diensten beschikbaar te stellen, als hij dat nodig oordeelde.

De heemraden kregen geen salaris. Ze bleven 2 jaar in betrekking en
jaarliks traden er 2 af (wat Stellenbosch betreft tenminste). De Raad
van Politiek koos dan 2 nieuwe uit een aangeboden viertal.

       *       *       *       *       *

De belastingen zijn voornamelik te rangschikken onder de volgende
hoofden:

1. Tienden van de granen en belasting van 't vee.

2. Aksijns van wijn enz. en andere uit- en invoerrechten.

3. Belastingen geheven van de prijs van verkochte huizen en
landerijen.

4. Zegelrecht.

Valentijn zegt, dat een korenmolen, die de regering had, jaarliks 1400
à 1600 gulden opbracht.

De tienden van de granen brachten 14.000 gulden op.

Van een os moesten de Kapenaars, volgens Valentijn, 1 schelling
betalen en van elke 100 schapen 1 gulden per jaar en allen in de
Tafelbaai gaven 3 Rijksd. klapgeld per jaar, omdat men er een
klapwaker of nachtwacht had.

Ik sprak vroeger al over de manier, waarop men de regering bedroog in
de opgaven van 't geoogste graan. Tas is naïef genoeg om in zijn
dagboek te schrijven op 29 Jan. 1706, dat hij 343 mud rogge had
geoogst en er maar 15 aan de Gekommitteerden had opgegeven. En het
schijnt, alsof hij meent, dat hij in dit opzicht nog te eerlik is
geweest.

Het is dus duidelik, dat de regering niet half de belasting kreeg,
waarop ze volgens de wet recht had.

In 1711 waren, zegt Valentijn, voor 't eerst tienden opgelegd door de
Heren Zeventien, maar bovendien moesten de burgers jaarliks elf gulden
leeuwen- en tijgergeld betalen.

Op 13 April 1711 werd aan de Heren Zeventien gemeld, dat het niet
aanbevelenswaardig werd geacht ook tienden van vee te heffen. »De
bewoners van Stellenbosch en Draakestein", zo lezen we, »betalen al
hoorngeld, dit is 1 gulden voor 100 schapen en 5 gulden voor groot
vee[86]. Dit geld, dat gebruikt wordt voor het herstellen van wegen en
bruggen en ook voor 't geven van premies voor 't doden van wilde
dieren, kunnen velen niet eens betalen."

Datzelfde jaar protesteerden de boeren tegen de toepassing in
Zuid-Afrika van de hollandse tiendwet. Want dààr werden de tienden
gerekend van 't gemaaide koren op 't land. Maar hier werden de tienden
geheven van 't graan dat schoon aan de magazijnen van de Kompanjie
werd afgeleverd. Dit verschil in de manier van uitvoeren van de wet
maakte de lasten in Zuid-Afrika natuurlik veel groter dan in Holland.

Toen werd in 1712 ook getracht de tienden te verpachten van 't graan
op 't land. Maar hier kwam geen bod voor. De pachter zou 't ook duur
genoeg gehad hebben voor de moeite van 't inzamelen op zo ver uiteen
gelegen plaatsen.

Over de aksijns en de belasting op de wijn heb ik gesproken in
hoofdstuk II. Ik heb hier alleen bij te voegen, dat het verpachten
van het uitsluitend recht om te tappen elk jaar duizenden guldens
opbracht.

Dit was natuurlik ook een belasting, die de Kapenaars en gedeeltelik
de vreemdelingen betaalden, daar de pachter wel zorg droeg, zijn pacht
plus een mooie winst te maken uit de verkoop van de wijn.

Wat nu de belasting op de verkoop van land betreft, dit:

In 1685 was een nieuwe belasting ingevoerd, die 2 percent bedroeg van
de verkoopprijs van land. Als het land echter verkocht werd binnen
drie jaar nadat de Kompanjie het had geschonken, moest er 10 percent
worden betaald en 5 percent, als dit binnen 10 jaar plaats had.

Over de zegelbelasting, die steeds hoger werd, sprak ik reeds vroeger.

Soms werden behalve deze belastingen ook nog speciale geheven zoals
b.v. in 1743, toen men een havendam trachtte op te werpen in de
Tafelbaai.

Daarvoor hief men een ekstra belasting van alle Europeanen in
Zuid-Afrika.

In ruwe trekken heb ik getracht mijn laatste punt te behandelen.

Voor ik nu deze schets eindig wil ik nagaan, hoe de toestand van de
kolonie was aan 't eind van de eerste helft der 18de eeuw.

Jammer genoeg kan die toestand niet als heel gunstig worden
beschreven.

Ook in Nederland doorleefde men toen een tijdperk, dat voor de
burgerman en de boer alles behalve gunstig was.

In Amsterdam was omstreeks 1730 haast geen huis te krijgen. In 1740
stonden er meer dan 400 leeg en in 1743 bijna 900. Hongersnood en
duurte maakten het bestaan zeer moeilik.

De strenge winter en de doorbraken van 1740 deed de ellende ten top
stijgen. Men had de handen vol om de behoeftigen te helpen[87].

Hulp uit Nederland was dus aan de Kaap niet te verwachten. Eerder zou
men in Nederland hulp nodig hebben gehad.

Tot het midden der 18de eeuw had men zoveel mogelik vreemde schepen
uit de kaapse havens (Kaapstad en Simonsstad) geweerd, maar toen
veranderde dit. Men begon te trachten ze aan te lokken wegens het
geldgebrek, dat men had. Men wilde ervan halen, wat er van te halen
viel.

De opstand van Estienne Barbier was in 1739 en daarna een argument
geweest in Europa om geen kolonisten meer te sturen. Men was bang, dat
de kolonie zich onafhankelik zou verklaren.

Maar in 1750, niet het minst door de slechte tijden, die men toen in
Nederland beleefde, vroegen de Heren Zeventien, of het niet mogelik
zou zijn meerdere kolonisten aan de Kaap te brengen. Doch op 11 Jan.
1751 antwoordden Heemraden van Stellenbosch en Draakestein aan de
Politieke Raad, die hun advies in deze zaak vroeg, alvorens de Heren
Zeventien te antwoorden, dat er reeds veel te veel europese families
in 't land waren en dat ze niet wisten, wat er van hen en hun kinderen
zou moeten worden.

Ze voegden hier verder bij, dat uitvoer van produkten van de Kaap
behoorde toegestaan te worden, daar dit het enige redmiddel was.

Deze raad werd echter in de wind geslagen.

Zo stond de toestand in 1750. En 25 jaar later, in 1775, na het
uitstekende bestuur van Rijk Tulbagh, schreef Sparrman:

»Hoe groot de kolonie ook is, ze kan op 't oogenblik niet anders
beschouwd worden dan als een vrij groot, maar zwak en teringachtig
lichaam, waarin de cirkulatie van de handel zeer langzaam is; tussen
de verder afgelegen delen en het hart of tussen het binnenland en de
Kaap is er maar eens per jaar verbinding door middel van gewone
wagens."

De kolonisten plukten nu de wrange vruchten van een honderdjarig
wanbestuur. De Kompagnie bediende zich van een stelsel, dat alleen
draaglik was onder uitstekende goeverneurs als Tulbagh, maar dat
totaal ondraaglik werd als de goeverneur een slecht mens was of geen
hart had voor zijn werk.

Had men een reeks van mannen als goeverneurs aan de Kaap gehad in de
eerste helft der 18de eeuw zoals Vader Tulbagh, dan zou de toestand in
1750 die geweest zijn van een der bloeiendste kolonies van de wereld
waarschijnlik.

Maar nu was het te laat.

De gouden tijd, die twintig jaar lang het hart van de kolonisten mocht
verheugen, was voor goed voorbij, toen de burgers in duizenden
samenstroomden om de Landsvader naar zijn laatste rustplaats te
geleiden.

En de oude misbruiken, die onder Van Plettenberg weer snel
voortwoekerden, waren slechts een herhaling van wat altijd aan de Kaap
was vertoond.

Het was duidelik, dat de oude worm nog steeds aan het hart van de boom
vrat.

Omstreeks 1770 was de Kompanjie eigenlik al uitgeleefd, maar ze
sleepte haar bestaan nog een vijf en twintig jaar voort als een
stramme, afgeleefde grijsaard. En toen eindelik de franse troepen
Nederland overstroomden, verdween ze en »ging heen, zonder begeerd te
zijn."

VOETNOTEN:

[84] Valentijn, Deel X. pag. 39.

[85] Valentijn, Deel X. pag. 50.

[86] Valentijn was dus verkeerd ingelicht, toen hij sprak over een
schelling per os.

[87] Blok, Gesch. Ned. Volk. VI. pag. 139.



LIJST VAN WERKEN BIJ HET SAMENSTELLEN VAN DEZE STUDIE GERAADPLEEGD.


LEO FOUCHÉ, Dagboek van Adam Tas.

LEIBBRANDT, Defence of W. A. van der Stel.

     --     Journal 1699-1732.

     --     Letters despatched.

     --     Letters received.

     --     Requesten or Memorials. Vol. I en II.

     --     Rambles through the Archives. I.

KOLBE, Caput Bonae Spei Hodiernum.

THEAL, History of South-Africa. I en II.

  --   Chronicles of Cape Commanders.

  --   Belangrijke Historische Dokumenten. III. (Important Historical
Documents). I en II.

MRS. A. F. TROTTER, Old Cape Colony.

IAN COLVIN, The Romance of South-Africa.

S. MENDELSSOHN, South-African Bibliography. 2 dln. London 1910.

DR. G. BESSELAAR, Zuid-Afrika in de Letterkunde.

F. VALENTIJN, Oud- en Nieuw Oost Indiën. Boek X.

LEGUAT, Travels (Hackluyt uitgave).

CAPT. ROB. PERCIVAL, An account of the Cape of Good Hope. London 1804.

ANDREW SPARRMAN M. D., A voyage to the Cape of Good Hope (2 dln.).
London 1786.

SIR JOHN BARROW, Travels into the interior of Southern Africa
(2 dln.). London 1806.

_Auteur?_ Nederlandsch Afrika of Historisch en Staatkundig Tafereel
van den oorspronkelijken staat der Volksplantinge aan de Kaap de Goede
Hoop enz. Uit het Fransch vertaald. 1783.

WILMOT EN CENTLIVRES, History of South-Africa.

WILMOT, The story of the Expansion of South-Africa.

HOPE, Our place in History.

DS. KOCK, De Kaap als een nieuw land.

J. DE WET, Beknopte Geschiedenis van de Nederduytsche Hervormde kerk
aan de Kaap de Goede Hoop enz. (volgens nagelaten manuscript bezorgd
door Dr. J. J. Kotzé). 1888.

CORNELIUS DE JONG, Reizen naar Kaap de Goede Hoop enz. Haarlem. 1802.

WATERMEYER, Selections from the Writings of the late Judge. Cape Town
1877.

CHARLES PETER THUNBERG M. D., Travels in Europe, Africa and Asia made
between the years 1770-1773 (wat de Kaap betreft) (4 dln.). 3rd
Edition London 1795.

DAMPIER, Voyages Vol. I Chapter XIX.

LE VAILLANT, Travels (2 dln.).

      --     New Travels (3 dln.).

BLOK, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk. Deel V en VI.



REGISTER.


Ableing, D'. 19.

Artikel Brief. 14.

Assenburg, van. 65.

Barbier, Estienne. 28.

Barrow. 50 (n.), 85, 85 (n.).

Batavia. 29, 59.

Begrafenis. 72, 92.

Bek, Ds. 56.

Belastingen. 24, 31, 43, 65, 99. Zie ook: leeuwengeld, tienden,
zegelrecht, hoorngeld.

Bestuur. 29, 30, 93 vv.

Bevolking. 7, 79.

Blesius. 38.

Bloedrivier. 62.

Blok, P. J. 102.

Boeten. Zie straffen.

Bosjesmannen. 10, 27, 28, 40 (n.), 41, 62, 80.

Botha, Jacobus. 62.

Bouworde. Zie huizen.

Burger, vrije. 26, 30.

Burgerraden. 29, 31, 94.

Chavonnes, De. 68.

Chinezen. 84.

Colvin, Ian D. 74 (n.).

Dagga. 18.

Dampier. 11.

Dienstplicht. 69.

Districten. 11.

Dispens. 37.

Draakestein. 9, 10, 16, 32, 57, 60, 74, 77, 91, 95, 100.

Dijk, van. (Ziekentrooster) 91.

Eed, Burger --. 5.

Feestdagen. Zie vermakelikheden.

Fontaine, Jan de la, 22.

Fransche Hoek. 10, 46.

Fransen. 3, 4, 6, 7, 31, 32, 89. Zie ook: Hugenoten.

Gans, Johan Hendrik. 14.

Ganna. 49.

Gastvrijheid. 40, 42, 44, 64. Zie ook: kosthuizen.

Gezondheid. 17.

Godsdienst 38, 45, 70, 71, 81, 87-91. Zie ook: Bek, Hernhutters,
Kalvinisten, Katholieken, Luthers, Moraviërs.

Goens, Rijklof van. 57.

Goske, Isbrand. 59.

Graaff-Reinet. 89.

Guillaumet, François. 57.

Handel (buiten de kompanjie). 19, 47, 50, 55, 62, 65, 89, 103. Zie
verder: monopolies, prijzen, koren, vee, wijn, wol, winkels.

Hendriksz., Jacob, 16.

Heren-Zeventien. 2, 3, 7, 8, 58, 83, 89, 98, 103.

Hernhutters. 91.

Heufke, Johannes. 72.

Hoorn, Joan van. 31.

Hoorngeld. 100. Zie ook vee.

Hottentots-Holland. 10, 20.

Hottentotten. 32, 48, 61, 79, 83, 84, 85, 96.

Hout (prijzen en aanplanten). 55, 56, 74, 75, 76.

Hugenoten. 9, 10, 13 (n.), 46, 89. Zie ook: Fransen.

Huiselik leven. 36 vv., 41, 43, 44, 45, 64, 65.

Huisindustrie. 49.

Huisraad. 36, 37, 43, 45, 46, 47, 48, 49, 51.

Huizen (bouw, inrichting). 36-40, 48, 49.

Husing, Henning, 38, 52.

Huwelik (hof, plechtigheid, raad). 46, 71, 95, 97, 98.

Imhoff, van. 34, 82.

Indië. 19.

Industrie. Zie ook: huis-, zijde-, kalk-.

Java. 7, 31, 50.

Jong, Cornelius de. 49 (n.) 61, 64.

Joubert, Mevrouw. 43, 50.

Journal. Zie Leibbrandt.

Kaapstad. 11, 36-38, 45-50, 62-66, 90, 102.

Kalkindustrie. 78.

Kalvinisten. 71.

Karroo, De. 44.

Kasper, Hans. 53.

Katholieken. 91.

Kleeding. 47, 48, 80.

Kolbe. 1, 39 (n.), 61, 62, 67 (n.), 68 (n.), 75, 83 (n.).

Kombuis. 37.

Kompanjie-tuin. 73, 74.

Kooplieden. Zie handel.

Koren (-bouw, -handel). 19, 27, 31, 39, 45, 53, 58-61.

Kosthuizen. 23, 54, 64, 71.

Kranten. 40.

Kuilsrivier. 10.

Landbouwers, vrij --. 8.

Leeuwengeld. 61, 100. Zie ook: Wilde dieren.

Leguat. 52, 81, 84.

Leibbrandt. 15, 16-17 (n.), 20 (n.), 25 (n.), 27 (n.), 32-33 (n.),
51-52 (n.), 53, 56 (n.), 63, 68 (n.), 70 (n.), 77 (n.), 81,
91-92 (n.).

Loon, Ds. Hercules v. 74.

Loonen. Zie salarissen.

Luthers. 4, 90.

Maatschappelik leven. 36 vv.

Madagascar. 29, 81.

Mauritius. 7, 75.

Michiel Otto van Hottentots-Holland. 20.

Middelburg, Kamer v. 5.

Monopolies, Alg. 29, tabak 18, visch 21, wild 27, zijde 57.

Moraviese broeders. 90.

Mosselbank. 10.

Muntwaarde. 25.

Mijnbouw. 57.

Nationaliteiten der kolonisten. 7.

Negers. Zie slaven.

Nel, Jan. 77.

Nel, Willem. 56.

Omgang. Zie verkeer.

Ongehuwden. 16, 23, 69, 70.

Opstand. Zie Barbier.

Opvoeding en onderwijs. 6, 69, 70, 77, 80, 81.

Paarl, De. 10.

Percival, Captain. 41.

Plettenberg, van. 104.

Politie. 77.

Post (brieven-). 15, 40.

Pressen (zielverkopers). 14.

Prijzen. 19-21, 24, 25, 33, 34, 52-56, 63.

Rechten der bewoners. 13 vv.

Rechtspraak. 29, 93 vv.

Reizigers, (vreemdelingen). 41, 50, 86, 103.

Rheede, Heer van. 10.

Riebeeck, van. 2, 8, 13, 79.

Robben-eiland. 15, 38, 65, 79.

Rondebos. 9.

Roodezand. 11, 89.

Ruilhandel. 29, 32, 33.

Rijst. Zie koren.

St. Pierre, Bernardin de. 41.

Salarissen. 14, 21-25, 56, 83, 84.

Saldanha-baai. 21.

Schepen. 86.

Schmit, George. 90.

Simons, Cornelis Joan. 82.

Simonsstad. 103.

Sint Helena-baai. 18.

Slaven. 6, 37, 40, 51, 64-84.

Sparrman. 1, 15, 42, 44, (n.), 47, 48 (n.), 49, 50, 55, 81, 103.

Sprinkhanenplaag. 60.

Stavorinus. 61.

Stel, S. en W. A. van der. 2, 4, 10, 25, 32, 46, 58, 59, 74, 81.

Stellenbosch. 9, 10, 11, 12, 16, 21, 46, 50, 51, 60, 61, 63, 66, 67,
69, 74, 77, 95, 97, 100.

Stichting der kolonie. 2.

Straffen. 15, 16, 21, 34, 51, 68, 70, 74-78, 99.

Swellendam. 11.

Tabaksteelt. 18.

Tafelbaai. 11, 21, 54, 66, 100, 101.

Taillefer, Isaac. 58.

Tas, Adam. 29, 31, 40, 53, 55, 60, 65 (n.), 71, 100.

Theal. 4 (n.), 6-7 (n.), 9 (n.), 10, 21-22 (n.), 27 (n.), 34-35 (n.),
58 (n.), 75 (n.), 88 (n.), 90-91 (n.).

Thomas, de jonge --. 18.

Thunberg. 17 (n.), 39 (n.), 45 (n.), 51 (n.), 55, 61 (n.), 62,
64 (n.), 69 (n.), 71 (n.), 80.

Tienden. 19, 31, 99, 100.

Trotter, Mrs. 7 (n.), 18 (n.), 20 (n.), 21 (n.), 84.

Tulbagh, Rijk. 103, 104.

Vaillant, Le. 43 (n.), 45, 48 (n.), 89.

Valentijn. 1, 9, 11, 19, 37, 38-39 (n.), 52, 54 (n.), 56 (n.), 60, 63,
67 (n.), 73, 84, 94, 95 (n.), 96, 99, 100 (n.).

Valsche Baai. 21.

Vechtkop. 62.

Vee (-handel, -stapel, -teelt). 19, 32, 45, 53, 60, 80, 99, 100.

Verbanning. 16.

Verburg, Commissaris. 26 (n.).

Verhouding tot Nederland. 35.

Verkeer, onderling. 62, 65, 89, 90, 103. Zie ook: vermakelikheden.

Vermakelikheden. 65, 66, 67, 68, 71, 72.

Villiers, Abraham. 57.

Voortrekkers. 11, 62.

Wagenaar. 8.

Wapenen. 61, 79.

Watermeyer. 3, 9 (n.), 26, 30 (n.), 80.

Waveren, land van --. 10.

Weeskamer, wezen. 69, 94 vv., 98.

Werkkrachten. Zie Slaven, salarissen, Chinezen.

Wet, Mr. J. de. 88.

Wetten. 93 vv.

Winkels. 45, 46, 47, 63, 64. Zie ook: Handel.

Wium, Pieter. 63.

Wolhandel. 20, 58.

Woningnood. Zie huizen.

Wilde dieren. 60, 61, 62.

Wijn (-bouw, -handel). 24, 32 vv., 54, 58, 99.

Zegelrecht. 25, 99.

Zijde-industrie. 57.



  +-------------------------------------------------------+
  |                                                       |
  |           OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
  |                                                       |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
  |                                                       |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                          |
  |                                                       |
  |  B:  »Ich belove en sweere                            |
  |  C:  »Ick belove en sweere                            |
  |  B:  als belasting Het spreekt vanzelf,               |
  |  C:  als belasting. Het spreekt vanzelf,              |
  |  B:  maatschappij te kunnen behoeve aangesteld,       |
  |  C:  maatschappij te hunnen behoeve aangesteld,       |
  |  B:  boeren kon den er dus onmogelik                  |
  |  C:  boeren konden er dus onmogelik                   |
  |  B:  zonder zwier; zomigen zelfs                      |
  |  C:  zonder zwier; zommigen zelfs                     |
  |  B:  Le Vaillant zegt: Al de meubelen                 |
  |  C:  Le Vaillant zegt: »Al de meubelen                |
  |  B:  stierf waren: een swart ebbenhout                |
  |  C:  stierf waren: »een swart ebbenhout               |
  |  B:  gereden" [f] 12.--                               |
  |  C:  gereden" [f] 12.--.                              |
  |  B:  ook al niet naar wens                            |
  |  C:  ook al niet naar wens.                           |
  |  B:  nauweliks bekend."                               |
  |  C:  nauweliks bekend."[72]                           |
  |  B:  een keten van kopere koralen"                    |
  |  C:  een »keten van kopere koralen"                   |
  |  B:  Kolbe.                                           |
  |  C:  [61] Kolbe.                                      |
  |  B:  Justitie op Batavia beroepen[84].                |
  |  C:  Justitie op Batavia beroepen"[84].               |
  |  B:  die onder van Plettenberg                        |
  |  C:  die onder Van Plettenberg                        |
  |  B:  S. MENDELSOHN, South-African Bibliography.       |
  |  C:  S. MENDELSSOHN, South-African Bibliography.      |
  |  B:  Barrow. 50 (n.), 85, 86 (n.).                    |
  |  C:  Barrow. 50 (n.), 85, 85 (n.).                    |
  |  B:  Bestuur. 29, 30, 93. vv.                         |
  |  C:  Bestuur. 29, 30, 93 vv.                          |
  |  B:  Dijk, Van. (Ziekentrooster) 91.                  |
  |  C:  Dijk, van. (Ziekentrooster) 91.                  |
  |  B:  Hendriksz. Jacob, 16.                            |
  |  C:  Hendriksz., Jacob, 16.                           |
  |  B:  Hugenoten. 9, 10, 12 (n.),                       |
  |  C:  Hugenoten. 9, 10, 13 (n.),                       |
  |  B:  Landbouwers, vrij -- 8.                          |
  |  C:  Landbouwers, vrij --. 8.                         |
  |  B:  25 (n.), 27 (n.), 33-34 (n.),                    |
  |  C:  25 (n.), 27 (n.), 32-33 (n.),                    |
  |  B:  Plettenberg. 104.                                |
  |  C:  Plettenberg, van. 104.                           |
  |  B:  15, 42, 44, (n.) 47, 48 (n.),                    |
  |  C:  15, 42, 44, (n.), 47, 48 (n.),                   |
  |  B:  Stichting der kolonie. 2                         |
  |  C:  Stichting der kolonie. 2.                        |
  |  B:  58 (n.), 75 (n.), 90-91 (n.).                    |
  |  C:  58 (n.), 75 (n.), 88 (n.), 90-91 (n.).           |
  |  B:  18 (n.), 20 (n.), 21 (n.)                        |
  |  C:  18 (n.), 20 (n.), 21 (n.), 84.                   |
  |  B:  Vee (handel-, -stapel, -teelt).                  |
  |  C:  Vee (-handel, -stapel, -teelt).                  |
  |  B:  Vermakelikheden. 65, 66, 67, 68, 71 72.          |
  |  C:  Vermakelikheden. 65, 66, 67, 68, 71, 72.         |
  |  B:  [Niet in Bron.]                                  |
  |  C:  Wijn (-bouw, -handel). 24, 32 vv., 54, 58, 99.   |
  |  B:  [Niet in Bron.]                                  |
  |  C:  Zegelrecht. 25, 99.                              |
  |  B:  [Niet in Bron.]                                  |
  |  C:  Zijde-industrie. 57.                             |
  |                                                       |
  +-------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het huiselik en maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner - in de eerste helft der 18de eeuw" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home