Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Eene Egyptische Koningsdochter - Historische Roman van George Ebers
Author: Ebers, Georg, 1837-1898
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Eene Egyptische Koningsdochter - Historische Roman van George Ebers" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                              Eene
                   Egyptische Koningsdochter


                       Historische roman
                              Van
                          George Ebers


                          Vijfde druk


                          Bewerkt door
                        Dr. H. C. Rogge

                           Amsterdam
                    Van Holkema & Warendorf



EERSTE BOEK.


EERSTE HOOFDSTUK.


De Nijl was buiten zijne oevers getreden. Daar, waar anders het oog met
welgevallen rustte op weelderige akkers en bloeiende velden, breidde
zich thans heinde en verre eene onmetelijke watervlakte uit. Alleen
de door dammen beschermde steden, met hare reusachtige tempels en
paleizen, de daken der dorpen en de kronen der hoogstammige palmen en
der bladerrijke sykomoren verhieven zich boven den waterspiegel. De
wilgenboomen lieten hunne takken nederhangen in den vloed, terwijl
de hooge zilverpopulieren, met hunne naar boven gerichte takken,
het vochtige element schenen te willen ontwijken. De volle maan was
opgegaan en goot haar zacht en liefelijk licht uit over de Lybische
heuvelrijen in het westen, welker omtrekken zich slechts flauw tegen
den wolkloozen hemel afteekenden. Op den effen waterspiegel dreven
blauwe en witte lotusbloemen. Vledermuizen van verschillende soorten
zwierden en fladderden door de stille, van den geur der acacia's
en jasmijnbloesems vervulde nachtlucht. In de toppen der boomen
sluimerden wilde duiven en andere vogels, terwijl pelikanen, ooievaars
en kraanvogels zich verscholen hielden tusschen het papyrus-riet en de
nijlboonen, die langs den oever wiesen. De eersten verborgen slapend
hunne langgesnavelde koppen onder de vleugelen en bewogen zich niet;
de kraanvogels evenwel schrikten op, telkens wanneer zich een riemslag
of het gezang van nog werkende schippers deed hooren, en zij tuurden
in de ruimte, terwijl zij de slanke halzen angstig her- en derwaarts
keerden. Geen koeltje zelfs woei er, en het spiegelbeeld der maan, dat
als een zilveren schild op het watervlak scheen te drijven, bewees,
dat de Nijl, die zich eerst zoo woest van de rotsen neêrstort en zoo
driftig de reuzentempels van Opper-Egypte voorbijsnelt, daar, waar
hij, in verscheidene armen verdeeld, de zee nadert, zijn onstuimig
jagen heeft laten varen, om zich over te geven aan een kalme rust.

In dezen schoonen nacht doorkliefde, 528 jaren vóor onze jaartelling,
eene bark den Canobischen mond [1] van den Nijl, waarin schier geen
stroom te bespeuren was. Een Egyptenaar zat op het hooge achterdek,
terwijl hij met beide handen den langen stuurriem vasthield, waarmede
hij den koers van het vaartuig regelde [2]. In het ruim van het schip
zaten halfnaakte roeiers, die zingende de riemen bewogen. In eene van
voren opene kajuit, die groote overeenkomst had met een houten priëel,
lagen twee mannen op lage matrassen. Zij waren, naar hun uiterlijk te
oordeelen, geen van beiden Egyptenaren. Zelfs bij het maanlicht kon men
hunne Grieksche afkomst herkennen. De oudste van de twee, een ongemeen
groot en krachtig man van even zestig jaren, wiens zware grijze lokken
vrij en los tot op zijn korten gevulden hals nedervielen, was in een
eenvoudigen mantel zonder sieraad gehuld. Hij staarde met somberen blik
in den stroom, terwijl zijn metgezel, die ongeveer twintig jaren jonger
was, een slank en schoon gebouwd man, nu eens naar den hemel opzag,
dan weder tot den stuurman enkele woorden richtte, dan weder zijne
violetblauwe chlanis [3] verschikte en verplooide, of met de hand over
zijne welriekende bruine lokken of zijn fijngekroesden baard streek.

De bark had omtrent een half uur geleden Naucratis [4], de eenige
Grieksche havenplaats in het toenmalige Egypte, verlaten. De grijze
sombere man had gedurende de gansche vaart geen woord gesproken,
en de ander had hem in zijn gepeinzen niet gestoord. Als nu het
vaartuig den oever naderde, richtte zich de bewegelijke jonkman op,
zijn metgezel toeroepende: »Zoo aanstonds hebben wij het einde van
onzen tocht bereikt, Aristomachus. Dáár in de hoogte, links, dat zoo
lieflijk gelegen huis, in dien zich boven de overstroomde velden
verheffenden tuin van palmboomen [5] is de woning mijner vriendin
Rhodopis. Haar overleden echtgenoot Charaxus heeft het doen bouwen,
en al hare vrienden, tot zelfs de koning, beijveren zich, er ieder
jaar nieuwe verfraaiingen aan te brengen. Noodelooze moeite! Het beste
sieraad van dit huis zal, al werden ook alle schatten der wereld er
aan ten koste gelegd, toch steeds zijne schoone bewoonster zelve zijn."

De oude stond nu op, wierp een vluchtigen blik op het gebouw, bracht
met de hand zijn dichten grijzen baard, die kin en wangen doch niet
de lippen [6] omgaf, eenigszins in orde, en vroeg kortaf: »Wat is
die Rhodopis toch voor een wezen in uwe oogen, Phanes? Sinds wanneer
dweepen de Atheners met oude vrouwen?"

Hij, die dus werd aangesproken, glimlachte en hernam met zekere
zelfvoldoening: »Ik acht dat ik de menschen, en vooral de vrouwen,
zeer goed ken; maar ik geef u nogmaals de verzekering, dat ik in geheel
Egypte geen edeler, geen voortreffelijker wezen ken, dan deze oude
vrouw. Als gij haar en hare lieve kleindochter zult hebben gezien,
en uwe meest geliefkoosde liederen door een koor van uitmuntend
geoefende slavinnen zult hebben hooren zingen [7], voorzeker, dan
zult gij er mij voor danken, dat ik u derwaarts geleid heb!"

»En toch," antwoordde de Spartaan ernstig, »zou ik u niet zijn
gevolgd, zoo ik niet de hoop had gekoesterd, den Delphiër Phryxus
hier te ontmoeten."

»Gij zult hem aantreffen. Ook vertrouw ik, dat het gezang eene
weldadige werking op u zal oefenen, en u uit uwe sombere overpeinzingen
zal opwekken."

Aristomachus schudde ontkennend het hoofd, en zeide: »U, levenslustige
Athener, mogen de vaderlandsche liederen verkwikken, mij echter zal
het, bij het vernemen van Alkman's [8] heerlijke zangen, zijn als in
zoo vele nachten, die ik droomend heb doorwaakt. Mijn verlangen zal
niet bevredigd, het zal slechts verdubbeld worden."

»Meent gij dan," vroeg Phanes, »dat ik niet vurig verlang, mijn geliefd
Athene, de speelplaatsen mijner jeugd, en het vroolijk gewoel van de
markt weder te zien? Geloof mij, het brood der ballingschap smaakt
ook mij niet; maar door een verkeer gelijk dit huis biedt, wordt het
eenigszins smakelijker. En als de geliefde Helleensche liederen, zoo
wonderbaar schoon gezongen, tot mijn oor doordringen, dan zie ik in
mijne verbeelding mijn vaderland voor mij; dan zie ik zijne olijf-
en pijnbosschen, zijne frissche smaragdgroene stroomen, zijne blauwe
zee, zijne prachtige steden, zijne met sneeuw bedekte bergtoppen en
marmeren zalen. Wanneer dan de tonen zwijgen, biggelen mij tranen
van weemoed en verrukking langs de wangen, als ik tot mij zelven moet
zeggen, dat ik nog in Egypte toef, dat eentonige heete wonderbare land,
dat ik, den Goden zij dank, weldra verlaten zal. Maar, Aristomachus,
is het verstandig de oasen in de woestijn te mijden, wijl gij later
toch weder met de gevaren en ontberingen der zandzee te strijden zult
hebben? Is het wijs, het geluk van éen uur te ontvlieden, omdat vele
droeve dagen u verbeiden?--Halt, hier moeten wij zijn! Toon nu een
vroolijk gelaat mijn vriend, want het past niet in eene treurige
stemming den tempel der Charitinnen [9] binnen te treden.

Bij deze woorden landde de bark aan den door den Nijl bespoelden
muur van den tuin. Met een sprong verliet de Athener het vaartuig;
de Spartaan volgde hem met zwaren doch vasten tred. Aristomachus had
een houten been; toch stapte hij zoo gemakkelijk en snel naast den
vluggen Phanes voort, dat men bijna in verzoeking kwam om te denken,
dat hij met het houten been ter wereld was gekomen.

In den tuin van Rhodopis geurde, bloeide en gonsde het, als in een
nacht uit de tooververtellingen. Acanthus, gele mimosa's, hagen
van sneeuwballen, jasmijn en vlier, rozen en goudenregenstruiken
betwistten elkander de ruimte; hooge palmen, nijlacacia's en
balsemboomen verhieven hunne statige kruinen boven de lagere
gewassen. Groote vledermuizen zweefden op hunne dunne fijne vleugels
boven deze liefelijke plek rond, terwijl gezang en gelach de stilte
op den stroom bij wijle verlevendigden.

Door een Egyptenaar was deze tuin aangelegd. De bouwmeesters der
pyramiden hadden van oudsher den naam van zeer bekwame hoveniers
te zijn [10]. Zij verstonden de kunst om bloembedden scherp af te
steken, om boomen en struiken in regelmatige groepen te planten, om
waterleidingen en springbronnen aan te leggen, om sierlijke priëeltjes
en tuinhuisjes te bouwen, ja zelfs om de paden met kunstig besnoeide
hagen af te perken, en in steenen bekkens goudvisschen te onderhouden
en aan te kweeken.

Phanes bleef voor de poort in den tuinmuur staan, zag oplettend om
zich heen, luisterde een wijle, als om eenig geluid op te vangen,
en schudde eindelijk het hoofd, zeggende: »Ik begrijp niet, wat dit
te beduiden heeft. Ik verneem geene stemmen, zie geen licht, alle
barken zijn weg, en toch hangt de vaan aan gindschen bontgekleurden
staak nevens de obelisken aan weêrszijden der poort [11]. Rhodopis
moet afwezig zijn. Zou men vergeten hebben.....?" Hier viel hem eene
zware stem in de rede: »Ah, de overste der lijfwacht!"

»Goeden avond, Knakias!" riep Phanes den op hem toetredenden grijsaard
vriendelijk groetende toe. »Hoe komt het, dat deze tuin zoo stil is als
eene Egyptische grafkamer, terwijl ik toch de vaan der verwelkoming
geheschen zie? Sinds wanneer noodigt het witte doek te vergeefs de
gasten uit?"

»Sinds wanneer?" antwoordde de oude slaaf van Rhodopis lachende. »Zoo
lang de Parcen [12] mijne gebiedster genadig verschoonen, kan men er
zeker van zijn, dat deze vaan zoo vele gasten herwaarts zal roepen,
als dit huis slechts bevatten kan. Rhodopis is niet te huis, doch
zij zal weldra terugkeeren. De avond was zoo schoon, dat zij den
lust niet kon weêrstaan, met hare vrienden een tochtje op den Nijl
te maken. Twee uren geleden, bij het ondergaan der zon, staken zij
van wal, en de maaltijd is reeds bereid [13]. Zij kunnen niet lang
meer uitblijven. Ik bid u, Phanes, heb dus een weinig geduld, en
volg mij intusschen naar binnen. Rhodopis zou het mij niet vergeven,
als ik zulk een aangenamen gast niet had uitgenoodigd om een wijle te
toeven. En u, vreemdeling," ging hij voort, den Spartaan aansprekende,
»verzoek ik dringend te blijven, want als vriend van haar vriend zult
gij mijne meesteres dubbel welkom zijn!"

De beide Grieken volgden den dienaar, en zetten zich in een priëel
neder. Aristomachus wijdde nu al zijne aandacht aan zijne omgeving,
die door de maan helder werd verlicht, en sprak na eenige oogenblikken:
»Verklaar het mij, Phanes, aan welk geluk deze Rhodopis, eene gewezene
slavin en hetaere [14], het te danken heeft, dat zij als eene koningin
leven en hare gasten vorstelijk ontvangen kan?"

»Deze vraag verwachtte ik reeds lang," riep de Athener vroolijk,
»en het verheugt me dat ik u alvorens gij het huis dezer vrouw
binnentreedt, met haar verleden bekend kan maken. Gedurende onze
vaart op den Nijl wilde ik u met mijne verhalen niet storen. Deze
oude stroom dwingt met onweêrstaanbare kracht tot zwijgen en tot
stille gepeinzen. Toen ik, gelijk gij daar straks, voor de eerste
maal een nachtelijken tocht deed op dezen stroom, was het ook mij
als was mijne anders zoo radde tong verlamd."

»Ik dank u," antwoordde de Spartaan. »Toen ik den honderdvijftigjarigen
priester Epimenides van Cnossus [15] op Creta, voor de eerste maal
zag, werd ik door een bijzonder gevoel van eerbied aangegrepen. Zijn
ouderdom en zijne heiligheid maakten op mij een onbeschrijfelijken
indruk. Hoeveel ouder, hoeveel heiliger echter is deze grijze stroom
Aigyptos [16]! Wie zou zich aan zijn betooverenden invloed vermogen
te onttrekken? Doch ik bid u, verhaal mij van Rhodopis!"

»Rhodopis," aldus ving Phanes aan, »werd, toen zij nog een klein
kind was, bij gelegenheid dat zij met hare speelgenootjes aan het
Thracische strand zich verlustigde, door Phoenicische zeevaarders
geroofd en naar Samos gebracht, waar zij door Jadmon, een geomoor
[17], gekocht werd. Het meisje nam met den dag toe in schoonheid,
aanvalligheid en in verstand, en weldra werd zij door allen die haar
kenden bemind en bewonderd.

»Aesopus [18], de dichter der dierenfabelen, die toen evenzeer
als slaaf bij Jadmon diende, had een bijzonder welgevallen in de
aanminnigheid en geestigheid van het kind. Hij onderrichtte het in
allerlei zaken, en zorgde voor Rhodopis, gelijk een paedagoog [19],
dien wij, Atheners, voor onze jongens in dienst nemen. De goede
leermeester vond in haar eene discipelin, die zich gemakkelijk liet
leiden en zeer vlug van bevatting was. De jonge slavin sprak, zong
en musiceerde binnen korten tijd beter en schooner, dan de zonen
van Jadmon, die eene allerzorgvuldigste opvoeding genoten. Op haar
veertiende jaar was Rhodopis zóo schoon en zóo ontwikkeld, dat de
ijverzuchtige gade van Jadmon het meisje niet langer in haar huis
wilde dulden, en de Samiër na lang tegenstribbelen, zijne lieveling aan
zekeren Xanthus verkoopen moest. Te Samos heerschte toenmaals nog de
weinig bemiddelde adel. Ware Polycrates reeds aan het bestuur geweest,
zoo had Xanthus voorzeker niet lang naar een kooper behoeven uit te
zien. Die tyrannen vullen hunne schatkamers, gelijk de eksters hunne
nesten! Hij begaf zich dus met zijn kleinood naar Naucratis, en won
hier door de bekoorlijkheden zijner slavin groote schatten. Rhodopis
doorleefde nu drie jaren van diepe vernedering, waaraan zij nog altijd
met afkeer denkt.

»Toen eindelijk de roep harer schoonheid door geheel Hellas
op de vleugelen der faam was rondgedragen, en vreemden uit de
verstverwijderde oorden, alleen om haar te zien, naar Naucratis kwamen
[20], gebeurde er iets, dat op het lot van Rhodopis grooten invloed
had. Het volk van Lesbos verdreef zijn adel en verkoos den wijzen
Pittacus tot gebieder. De aanzienlijkste familiën moesten Lesbos
verlaten, en vluchtten deels naar Sicilië, deels naar de Grieksche
volkplantingen in Italië, of eindelijk naar Egypte. Alcaeus [21], de
grootste dichter van zijn tijd, en Charaxus, de broeder dier Sappho
[22], wier lierzangen te leeren de laatste wensch van onzen Solon was,
kwamen over naar Naucratis, dat reeds lang, als stapelplaats van den
Egyptischen handel met alle andere landen, bloeide. Charaxus zag
Rhodopis, en van stonde aan beminde hij haar zoo hartstochtelijk,
dat hij eene ontzaggelijke som ten offer bracht, om haar van den
geldgierigen Xanthus, die naar zijn vaderland verlangde weder te
keeren, te koopen. Sappho bespotte haren broeder wegens dezen koop, in
bijtend scherpe verzen; Alcaeus evenwel liet Charaxus recht wedervaren,
terwijl hij Rhodopis in liederen vol gloed en geestdrift bezong.

»De broeder der dichteres, die tot nog toe onder de vele vreemdelingen
te Naucratis onopgemerkt was gebleven, verwierf op eenmaal
door Rhodopis een groote vermaardheid. In zijn huis verzamelden
zich om harentwille alle vreemdelingen, die haar met geschenken
overlaadden. Koning Hophra [23], die veel van hare schoonheid en
haar verstand gehoord had, liet haar naar Memphis komen, en wilde
haar van Charaxus koopen. Deze echter had haar reeds lang de vrijheid
geschonken, en beminde haar te vurig, dan dat hij zich van haar zou
hebben kunnen scheiden. Wederkeerig had ook Rhodopis den schoonen
Lesbiër hartelijk lief, zoodat zij niets liever wenschte dan bij hem
te blijven, in weerwil van de schitterende aanbiedingen, die haar
van verschillende zijden gedaan werden. Ten laatste verhief Charaxus
de merkwaardige vrouw tot den rang zijner wettige gade, en bleef met
haar en haar dochtertje Kleïs te Naucratis, tot Pittacus de ballingen
in het vaderland terugriep. Nu stevende hij met zijne vrouw naar
Lesbos. Op de reis derwaarts werd hij ziek, en kort na zijne aankomst
op Mytilene stierf hij. Sappho, die aanvankelijk haren broeder om zijn
dwaas huwelijk bespot had, werd zeer spoedig de vriendin der schoone
weduwe. Zij toonde een ongeveinsde bewondering voor deze vrouw, en
wedijverde met haren vriend Alcaeus, om Rhodopis in hartstochtelijke
liederen te bezingen.

»Na het overlijden der dichteres keerde Rhodopis met hare dochter naar
Naucratis terug, en werd hier als eene godin ontvangen. Amasis [24],
de tegenwoordige koning van Egypte, had zich intusschen van den troon
der pharaonen meester gemaakt, en wist zich daarop met de hulp der
krijgslieden, uit wier kaste hij gesproten was, te handhaven. Dewijl
zijn voorganger Hophra, door zijne voorliefde voor de Grieken en zijn
omgang met de door alle Egyptenaren gehaatte vreemdelingen, zijn eigen
val bewerkt en verhaast had, daar hij de priesters en krijgslieden tot
openbaren opstand had aangezet, hield men 't voor zeker dat Amasis,
gelijk de vorsten van oudsher plachten te doen, het land voor de
vreemdelingen sluiten, de Grieksche soldaten afdanken, en in plaats
van aan den raad der Hellenen het oor te leenen, op de bevelen der
priesters acht geven zou. Gij hebt het kunnen opmerken, hoezeer
die goede Egyptenaren zich, bij hunne keuze van een nieuwen koning,
vergist hebben, en hoe zij van de Scylla in de Charybdis [25], zijn
vervallen. Was Hophra een vriend der Grieken, dan voorzeker kunnen wij
van Amasis getuigen, dat hij ons hartelijk liefheeft. De Egyptenaren,
en voornamelijk de priesters en krijgslieden, spuwen vuur en vlam,
en zouden ons gaarne allen in eens verworgen. Om de laatste bekommert
zich de koning niet veel, daar hij wel weet welke gewichtige diensten
wij en welke zij hem bewijzen. Met de priesters moet hij evenwel
altijd zeer omzichtig te werk gaan; want eensdeels oefenen deze een
onbegrensden invloed uit op het volk, en ten andere hecht de koning
meer, dan hij ons wil laten blijken, aan een ongerijmden godsdienst
[26], die in dit wonderbare land sinds duizenden jaren onveranderd
heeft bestaan, en aan haren ouderdom in de oogen harer belijders
eene nog grootere heiligheid ontleent. Deze priesters verbitteren
's konings leven, zij vervolgen en benadeelen ons zooveel zij maar
kunnen; ja, ik zou reeds lang het kind van de rekening geweest zijn,
zoo de koning zijne beschermende hand niet over mij had uitgestrekt.

»Maar ik heb den draad van mijn verhaal laten glippen. Rhodopis
werd dan te Naucratis met opene armen ontvangen, en door Amasis,
die haar weldra leerde kennen, met bewijzen zijner koninklijke
gunst overladen. Hare dochter Kleïs, die, evenmin als thans Sappho,
ooit de dagelijksche avondbijeenkomsten in haar huis mocht bijwonen,
en bijkans nog strenger dan de andere jonkvrouwen van Naucratis werd
opgevoed, huwde Glaukus, een rijk koopman uit Phocis van adellijke
afkomst, die met groote dapperheid zijne vaderstad tegen de Perzen
had helpen verdedigen, en volgde haar gemaal naar het kortelings op
de Keltische kust gestichte Massalia [27]. De jeugdige echtelingen
stierven, ten gevolge van het ongunstige klimaat, nadat hun eene
dochter Sappho geboren was. Rhodopis ondernam zelve de reis naar het
verre westen, om de hulpelooze wees af te halen. Zij nam dit kind in
haar huis op, liet het met de meeste zorg opvoeden, en ontzegt het
thans, nu het den maagdelijken leeftijd heeft bereikt, het verkeer
met de mannen. Want zij heeft zulk een diep gevoel van schaamte over
de vlekken, die aan hare eigene vroegste jeugd kleven, dat zij hare
kleindochter, die hare grootmoeder hierin niet weêrstreeft, verder
verwijderd houdt van den omgang met ons geslacht, dan de Egyptische
zeden wel veroorlooven. Voor mijne vriendin is het gezellig verkeer
even onontbeerlijk, als het water voor de visschen, als de lucht
voor de vogelen. Alle vreemdelingen bezoeken haar, en wie eenmaal
hare gastvrijheid ondervonden heeft, zal, wanneer hem de tijd niet
ontbreekt, zich niet laten wachten, zoodra de vaan aan de poort tot
een avondbezoek noodt. Ieder Helleen, onverschillig van welken rang,
bezoekt dit huis; want hier overlegt men, hoe men zich het best
tegen den haat der priesters zal kunnen wapenen; en hoe men den
koning tot dit of dat zal weten over te halen. Hier verneemt men
steeds de laatste berichten uit het vaderland en uit alle oorden
der wereld. Hier vindt de vervolgde eene onschendbare wijkplaats,
want de koning heeft zijne vriendin een vrijbrief gegeven tegen alle
aanrandingen van de zijde der veiligheidsbeambten [28]. Hier hoort men
zijne moedertaal spreken en de vaderlandsche liederen zingen. Hier
wordt beraadslaagd, op welke wijze Hellas van de steeds toenemende
macht der tyrannen [29] zal kunnen worden verlost. In één woord,
dit huis is het brandpunt van alle Helleensche belangen in Egypte,
en van hoogere staatkundige beteekenis, dan zelfs het Hellenion
alhier, waar de aangelegenheden van onzen godsdienst en onzen handel
besproken worden. Binnen weinige minuten zult gij de eerbiedwaardige
grootmoeder, en misschien ook, wanneer wij alleen overig blijven,
de kleindochter zien, en gij zult spoedig tot de overtuiging komen,
dat deze menschen niet aan eenig geluk, maar alleen aan hunne eigene
voortreffelijkheid alles verschuldigd zijn.

»Ha, daar komen zij. Zie, daar richten zij hare schreden naar het
huis. Hoort gij de slavinnen zingen? Nu treden zij binnen. Laat
ons wachten tot zij eerst gezeten zijn, en volg mij dan. Bij het
afscheid zal ik u vragen, of het u berouwt met mij te zijn gegaan,
en of Rhodopis niet veeleer eene koningin, dan wel eene vrijgelatene
slavin gelijkt."

Het huis van Rhodopis [30] was in Griekschen stijl gebouwd. De
buitenzijde van het slechts éene verdieping hooge lange gebouw was,
ten minste naar onze begrippen van bouwkunst, hoogst eenvoudig. Bij
de inwendige inrichting had men echter de schoone Grieksche vormen
aan de Egyptische kleurenpracht weten te paren. Door de breede
hoofddeur kwam men in het voorportaal. Dan zag men, ter linkerzijde
eene groote eetzaal, waarvan de vensters het uitzicht hadden op
de rivier. Tegenover deze was de keuken, waarvoor slechts in de
woningen der rijke Hellenen eene ruimte was afgezonderd, daar de minder
vermogenden hunne spijzen aan den haard in het woonvertrek plachten te
bereiden. De receptie-zaal bevond zich vlak tegenover de hoofddeur,
en vormde een zuiver vierkant, dat door een zuilengang omgeven was,
waarop onderscheidene vertrekken uitkwamen. In het midden dezer zaal,
die bestemd was voor de mannen, brandde op een sierlijken metalen
haard, in den vorm van een altaar, door een Aeginaetisch kunstenaar
vervaardigd [31], het huiselijk vuur. Over dag ontving deze zaal
haar licht door eene groote opening in het dak, door welke tegelijk
de rook van het haardvuur een uitweg vond. Aan het einde van deze
zaal, tegenover het voorportaal, bevond zich een gang, die door
eene zware deur was afgesloten, en naar het groote, slechts aan drie
zijden door zuilen omgeven vrouwenvertrek geleidde. Hier vertoefden
de bewoneressen van het huis, wanneer zij niet aan het spinrokken
of voor het weefgetouw zaten in de zijvertrekken, die op de hoogte
van de zoogenaamde tuin- of achterdeur gelegen waren. Tusschen deze
en de vertrekken, die het vrouwenvertrek ter linker- en rechterzijde
begrensden en tot huishoudkamers waren ingericht, lagen de slaapzalen,
in welke tegelijk de schatten van het huis bewaard werden. De
muren der mannenzaal waren met roodachtig bruine verf beschilderd,
waartegen de witte marmeren beelden en groepen, alle geschenken van
een kunstenaar op Chios, in scherpe omtrekken zeer goed uitkwamen. De
ingelegde vloer was schoon van teekening en kleur. Langs de zuilen
waren lage met pantervellen overtrokkene matrassen nedergelegd, en in
de nabijheid van den kunstig bearbeidden haard stonden bijzonder fraaie
Egyptische leunstoelen en fijn besnedene tafeltjes van thyahout [32],
op welke allerlei muziekinstrumenten, als eene luit, een cyther en
een phorminx [33] lagen. Aan de wanden hingen talrijke met kiki-olie
[34] gevulde lampen van onderscheidene vormen: deze had de gedaante
van een vuurspuwenden dolfijn, gene die van een vreemd gevleugeld
monster, welks muil stralen uitschoot, terwijl allen hun licht met
den gloed van het haardvuur vereenigden.

In deze zaal stonden thans eenige mannen, zeer van elkander
verschillende in gelaatstrekken en in kleeding. Een Phoeniciër uit
Tyrus, in een lang karmozijnkleurig gewaad, was in eene zeer levendige
woordenwisseling met een man, wiens scherpe trekken en zwart krullend
haar den Israëliet deden kennen. Hij was uit zijn vaderland naar Egypte
gekomen, om voor Serubabel, den koning van Juda, Egyptische paarden
en wagens, die toen zeer beroemd waren, te koopen [35]. Naast dezen
stonden drie Grieken uit Klein-Azië. Hunne kostbare kleederen, die
in breede plooien neerhingen, lieten aanstonds vermoeden dat Mylete
hun vaderland was. Zij voerden een ernstig gesprek met Phryxus, den
eenvoudig gekleedden afgezant van de stad Delphi, die Egypte bezocht
om gelden in te zamelen voor den Apollo-tempel. Het oude heiligdom
der Pythia [36] was, tien jaren geleden, eene prooi der vlammen
geworden, en men wenschte het thans schooner uit zijne asch te doen
herrijzen. Twee der Myletiërs, leerlingen van Anaximander en Anaximes
[37], bevonden zich aan de boorden van den Nijl, om te Heliopolis
de sterrenkunde en de wijsbegeerte der Egyptenaren te beoefenen. De
derde was een rijk koopman en scheepsreeder, Theopompus geheeten,
die zich te Naucratis metterwoon had gevestigd.

Rhodopis zelve onderhield zich zeer belangstellend met twee Grieken
van Samos, den alom beroemden bouwmeester, metaalgieter, beeldhouwer
en goudsmid Theodorus en den jambendichter Ibycus van Rhegium [38],
die voor eenige weken het hof van Polycrates verlaten hadden, ten
einde Egypte te leeren kennen, en den koning geschenken van wege hun
heer aan te bieden. Nabij den haard lag een gezet man, Philoinus van
Sybaris [39], met sterk sprekende zinnelijke gelaatstrekken, zoo lang
als hij was uitgestrekt op een met bont overtrokken voor twee personen
bestemden stoel. Hij streek gedurig met zeker welbehagen door zijne
welriekende met gouddraad doorvlochten lokken, of speelde met de gouden
kettingen, die van zijn hals nederhingen op het saffraankleurig kleed,
dat hem tot aan de voeten reikte.

Rhodopis had voor iederen gast een vriendelijk woord; doch op
dit oogenblik richtte zij zich meer uitsluitend tot de beroemde
Samiërs. Zij onderhield zich met hen over kunst en poëzie. De oogen
der Thracische vrouw gloeiden nog van jeugdig vuur. Hare hooge
gestalte was gevuld en nog niet door den ouderdom gebogen. Hoewel
hare lokken vergrijsd waren, golfden zij nog altijd weelderig om
het schoongevormde hoofd, en schenen zich slechts met weerzin van
achteren door een net van gouddraad te laten bedwingen. Op het hooge
voorhoofd prijkte een fonkelende diadeem. Dat edel Grieksch gelaat
was bleek, maar schoon en, ofschoon zij reeds zeer bejaard was,
door rimpel noch plooi ontsierd. Die kleine mond, die volle lippen,
die witte tanden, die schitterende en toch zachte oogen, dat edele
voorhoofd en die fijnbesneden neus hadden nog het sieraad eener maagd
kunnen zijn. Men moest Rhodopis voor jonger houden, dan zij werkelijk
was, en toch handelde of sprak zij nooit in strijd met hare hooge
jaren. Uit elke harer bewegingen sprak de waardigheid eener matrone,
en hare minzaamheid was niet die der jeugd, die zoekt te behagen,
maar die des ouderdoms, die zich aangenaam wil maken, die achting
heeft voor anderen en tegelijk achting vordert.

Thans verschenen ook de ons bekende mannen in de zaal. Aller oogen
vestigden zich op hen, en als Phanes nader trad zijn vriend bij de
hand leidende, werd hij op de hartelijkste wijze welkom geheeten.

»Ik dacht al," riep een der Mylesiërs, »er ontbreekt ons iets, hoewel
ik niet wist wat! Nu is het mij volkomen duidelijk: zonder Phanes
geene vroolijkheid!"

Philoinus de Sybariet verhief daarop zijne diepe zware stem, en riep,
zonder zijne gemakkelijke houding ook maar in het minst te veranderen:
»De vroolijkheid is een kostelijk ding, en zoo gij haar medebrengt
zijt gij ook mij welkom, Athener!"

»Wat mij aangaat," sprak Rhodopis, terwijl zij hare nieuwe gasten
tegemoet ging, »weest hartelijk gegroet, wanneer gij vroolijk zijt,
maar niet minder welkom, als gij onder kommer of smart gebukt gaat:
ik ken toch geen grooter genot, dan de rimpels op het voorhoofd van
een vriend glad te strijken. Ook u, Spartaan, heet ik vriend, want
zoo noem ik een ieder, die mijnen vrienden dierbaar is."

Aristomachus boog zich zwijgend; de Athener evenwel riep, zich half tot
Rhodopis en half tot den Sybariet wendende: »Welnu dan, gij, Rhodopis,
zult gelegenheid hebben, mij, uw vriend, te troosten, want maar al te
spoedig zal ik u en uwe vriendelijke woning moeten verlaten. Doch gij,
Sybariet, zult uw hart kunnen ophalen aan mijne vroolijkheid, want
eindelijk zal ik mijn Hellas wederzien, en dit land, dat veel heeft
van een vergulden muizenval, zij 't dan ook met weêrzin, verlaten!"

»Gij gaat heen? Hebt ge dan uw ontslag gekregen? Waarheen denkt gij
u te begeven?" klonk het van alle zijden.

»Geduld! geduld! vrienden," riep Phanes; »ik moet u eene lange
geschiedenis vertellen, die ik evenwel wil bewaren tot we aan tafel
zijn. Maar, van den maaltijd gesproken, beste vriendin, mijn honger
is op dit oogenblik bijna even groot, als mijn leedwezen dat ik u
verlaten moet."

»Honger is een voortreffelijk ding," philosopheerde de Sybariet,
»als men een goeden maaltijd in het vooruitzicht heeft."

»Stel u gerust, Philoinus," hernam Rhodopis, »ik heb den kok
bevolen zijn uiterste best te doen, en hem gewaarschuwd, dat de
fijnste lekkerbek uit de weelderigste stad der geheele wereld, dat
een Sybariet, dat Philoinus een streng gericht zal houden over de
werken zijner handen.--Ga, Knakias, en zeg dat men aanrichte!--Zijt
ge thans tevreden, gij ongeduldige heeren? Ondeugende Phanes, mij
hebt gij intusschen met uwe tijding alle eetlust benomen!"

De Athener maakte eene buiging. Intusschen zette de Sybariet zijne
wijsgeerige overpeinzingen voort: »Tevredenheid is een kostelijk ding,
als men de middelen heeft om al zijne wenschen te bevredigen. U,
Rhodopis, dank ik, dat gij aan mijne onvergetelijke vaderstad recht
hebt laten wedervaren. Gij weet wat Anakreon zegt?


    'k Leef bij 't heden, niemand weet toch
      Wat de dag van morgen brengt.
    Proef, geniet dan 's levens vreugde,
      Wijl het noodlot zulks gehengt.
    Werp den teerling, offer Bacchus,
      Drink en smaak zijn kostbren wijn:
    Immers, als een ziekte u nadert,
      Moogt gij niet meer vroolijk zijn.


Zeg! Ibycus, heb ik uw vriend, die met u aan de tafel van Polycrates
smult, niet zeer juist te berde gebracht? Maar ik zeg u, dat,
al maakt Anakreon betere verzen dan ik, uw onderdanige dienaar
desniettemin zoo goed als de beste bedreven is in de kunst om er
heerlijk van te leven. In geen zijner liederen zingt hij den lof van
het eten; en is toch het eten niet van meer belang, dan het spel en de
liefde? Ofschoon deze beide uitspanningen, ik bedoel spel en liefde,
ook mij zeer na aan 't hart liggen. Als ik niet te eten had, ging
ik zeker dood, maar zonder spel en liefde kan ik het leven rekken,
zij het dan ook een leven zonder kleur of geur."

De Sybariet barstte in een schaterend gelach uit over zijne
eigene geestigheid, en terwijl de verzamelde gasten in dezer voege
voortkeuvelden, wendde zich de Spartaan tot den Delphiër Phryxus,
troonde hem naar een hoek van de zaal, en vroeg hem, zijne gewone
bedaardheid geheel verloochenende, in groote opgewondenheid, of hij
hem reeds het antwoord van het orakel had medegebracht? De ernstige
tronie van den Delphiër nam eene meer vriendelijke uitdrukking
aan. Hij tastte in de borstplooien van zijn chiton [40], en bracht
een klein rolletje van perkamentachtig schaapsleder te voorschijn,
waarop eenige regels geschreven stonden.

De handen van den reusachtig sterken, dapperen Spartaan sidderden,
toen hij ze naar het rolletje uitstak. Hij tuurde op de letters, als
wilde hij met zijne blikken het leder doorboren. Doch hij bezon zich,
en zeide mistroostig het grijze hoofd schuddende: »Wij, Spartanen,
leeren andere kunsten dan lezen en schrijven; zoo gij 't kunt, lees
mij dan voor wat de Pythia zegt."

De Delphiër doorliep het geschrevene, en antwoordde: »Verheug u! Loxias
[41] belooft u een gelukkigen terugkeer in uw vaderland. Hoor wat de
priesteres u verkondigt:


    Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
        In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
    Dan voert de ranke boot u, moê van 't ommedwalen,
        Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.
    En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven
        Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven.


Met gespannen aandacht luisterde de Spartaan naar deze woorden. Nog
eenmaal liet hij zich de uitspraak van het orakel voorlezen; daarop
herhaalde hij ze uit het hoofd, dankte Phryxus, en stak het rolletje
bij zich.

De Delphiër mengde zich vervolgens in het algemeen gesprek. De Spartaan
prevelde echter voortdurend bij zich zelven de geheimzinnige regels
der orakelspreuk, om ze toch niet weer te vergeten en deed al zijn
best om deze raadselachtige taal te verklaren.



TWEEDE HOOFDSTUK.


De vleugeldeuren der eetzaal werden geopend. Aan weêrszijden van
den ingang stond een schoone blonde knaap, met myrtenkransen in
de hand. In het midden van de zaal zag men eene groote, lage, glad
gepolijste tafel, omgeven door purperroode matrassen, die de gasten
noodigden om zich neder te vlijen [42]. Op den disch prijkten heerlijke
bouquetten. Groote stukken gebraad, glazen en schalen vol dadels,
vijgen, granaatappelen, meloenen en druiven waren naast kleine zilveren
bijenkorven met honig gerangschikt. Op gedreven koperen borden lag
fijne zachte kaas van het eiland Trinakria [43]. In het midden der
tafel verhief zich een zilveren plateau in den vorm van een altaar,
dat geheel met myrten- en rozenkransen omwonden was, en waarop reukwerk
brandde, dat de geheele zaal met de liefelijkste geuren vervulde. Aan
het uiterste einde van den disch zag men het zilveren mengvat [44],
dat blonk als een spiegel, een kostelijk Aeginetisch kunstwerk, welks
omgebogen handvatten twee giganten voorstelden, die onder het gewicht
der schaal, die zij torschten, schenen te bezwijken. Dit vat was,
evenals het altaar in het midden, met bloemen omwonden. Evenzoo had
men om iederen beker een rozen- of myrtenkrans gevlochten [45]. Over
de geheele oppervlakte der zaal waren rozenbladeren gestrooid, terwijl
langs de gladde, wit gepleisterde muren een tal van lampen hingen.

Nauw hadden zich de gasten op de matrassen nedergelegd, of de blonde
knapen traden binnen, bekransten de hoofden en omwonden de schouders
der aanliggenden met myrten- en klimopkransen, en wieschen hunne
voeten in zilveren bekkens. Reeds had de voorsnijder de eerste stukken
gebraad van de tafel genomen, om ze volgens den eisch te ontleden,
en nog altijd was de Sybariet onder de handen van een der knapen, door
wien hij zich, schoon zijne kleederen en lokken reeds doortrokken waren
met de geuren van alle denkbare Arabische reukwerken, letterlijk geheel
in rozen deed wikkelen. Toen evenwel het eerste gerecht, tonijnen met
mostaardsaus, was rondgediend, vergat hij alle bijzaken en bepaalde
zich uitsluitend bij het genot der voortreffelijk bereidde spijzen.

Rhodopis zat op een armstoel aan het hooger einde der tafel, naast het
mengvat en hield niet slechts het toezicht over de dienende slaven,
maar gaf ook den toon aan bij de verschillende gesprekken [46]. Met
zekeren trots overzag zij hare opgeruimde gasten, en het was of
zij zich met ieder in het bijzonder bezig hield. Nu eens vroeg zij
den Delphiër naar den uitslag zijner inzameling ten behoeve van den
Apollo-tempel; dan eens verlangde zij van den Sybariet te weten, hoe
hem de gewrochten van haren kok bevielen, of wel zij luisterde naar
Ibycus, die verhaalde, hoe Phrynichus van Athene de godsdienstige
schouwspelen van Thespis van Icaria in het burgerlijke leven had
ingevoerd, en met koren en sprekende personen geheele geschiedenissen
uit den voortijd liet voorstellen [47].

Ook richtte zij het woord tot den Spartaan, zeggende, dat hij de
eenige was, bij wien zij zich niet behoefde te verontschuldigen over
den eenvoud, maar wel over de weelde van dezen maaltijd. Wanneer hij
zijn bezoek eens hervatte, zou haar slaaf Knakias, een uitgeweken
Spartaansch heloot [48], die zich beroemde eene voortreffelijke
bloedsoep--bij dit woord rilde de Sybariet over zijn gansche
lichaam--te kunnen koken, een echt Lacedaemonischen maaltijd bereiden.

Toen de gasten verzadigd waren, wieschen zij zich opnieuw de
handen. Het tafelgereedschap werd nu weggeruimd, de vloer gereinigd,
en eindelijk het mengvat met wijn en water gevuld [49]. Toen Rhodopis
zich overtuigd had, dat alles in de beste orde was, richtte zij zich
tot Phanes, die in een woordenstrijd met de Milesiërs gewikkeld was,
en sprak:

»Edele vriend! wij hebben ons ongeduld reeds zoolang onderdrukt,
dat thans voorzeker de verplichting op u rust ons mede te deelen,
welk noodlottig voorval u uit Egypte en uit onze kring dreigt te
verbannen. Gij kunt u met een luchtig gemoed, dat de goden u allen,
Joniërs, bij de geboorte als een kostelijk geschenk plegen mede te
geven, van ons en van dit land losmaken, wij zullen niettemin lang
met droefheid u gedenken, want ik ken geen grooter verlies dan dat
van een vriend, wiens trouw ons sinds jaren is gebleken. Sommigen
onzer hebben ook te lang aan den Nijl vertoefd, om niet een weinig
van het onveranderlijk en standvastig karakter der Egyptenaren
te hebben overgenomen. Nu ja, gij lacht: toch weet ik dat het u,
ofschoon gij reeds lang naar Hellas smacht, ook wel iets kosten zal
van ons te scheiden. Niet waar, gij geeft mij dit toe. Nu, ik wist
wel dat ik mij niet bedroog, maar laat ons thans vernemen, waarom
gij Egypte moet of wilt verlaten, opdat wij mogen overleggen, of er
mogelijkheid bestaat uwe verbanning van het hof te doen herroepen,
en u alzoo in ons midden te houden."

Eene pijnlijke glimlach plooide Phanes' lippen. »Ik dank u, Rhodopis,"
antwoordde hij, »voor uwe vleiende woorden. Het doet mij goed te
hooren, dat mijn vertrek u bedroeven zal, en gij gaarne al het
mogelijke zoudt doen, om het te verhinderen. Maar honderd nieuwe
aangezichten zullen u weldra het mijne doen vergeten; want, al woont
gij ook lang aan de boorden van den Nijl, zoo zijt gij toch, en
daarvoor moogt gij de goden danken, van top tot teen eene Helleensche
gebleven. Ook ik heb de trouw lief, even vurig, als ik de dwaasheid der
Egyptenaars haat; en is er onder u allen wel één, die het verstandig
kan achten zich te kwellen over het noodlot? De Egyptische trouw
is, mijns erachtens, geene deugd, maar een ijdele waan. Menschen,
die hunne dooden van duizenden jaren her tot heden toe bewaren,
die zich eerder het laatste brood, dan een stukje van het gebeente
hunner voorvaderen zouden laten ontnemen [50], zijn niet trouw maar
dwaas. Kan ik er behagen in scheppen, hen, die ik liefheb, treurig
te zien? Voorzeker niet! Gij moet niet maanden lang, onder dagelijks
herhaalde weeklachten, mijner gedenken, gelijk de Egyptenaren doen,
als een vriend van hen gescheiden is. Neen! Wilt gij in waarheid den
verwijderden of voor altijd van u gescheiden vriend,--want, zoo lang
ik leef mag ik den bodem van Egypte nimmer meer betreden,--bij wijle
gedachtig zijn, zoo doe het met een glimlach om de lippen, en roep
niet uit: »Ach, waarom moest Phanes ons verlaten?" maar zeg: »Wij
willen vroolijk zijn gelijk Phanes was, toen hij nog in onze kring
verkeerde!" Zoo behoort gij u te gedragen. Dat leerdet gij reeds van
Simonides, als hij zong:


    Dwaasheid is het, tal van dagen
      Toe te wijden aan 't verdriet,
    Geven we aan de sarkophagen
      Eén dag rouw, en langer niet.
    Och de dood komt snel en vroeg;
      Zonder dat wij 't ons vergallen.
      Blijft het leven voor ons allen
    Bitter arm en kort genoeg.


En als men niet over zijne dooden mag treuren, dan voorzeker hebben
wij nog veel minder het recht, ons aandoenlijk te maken over het
gemis van verwijderde vrienden. Want genen zijn voor immer van ons
heengegaan, dezen roepen wij echter bij den laatsten handdruk toe:
»tot wederziens!"

Thans kon de Sybariet, die al lang op gloeiende kolen had gezeten,
niet meer zwijgen, en met klagende stem riep hij: »Maar begin dan
toch eindelijk met uw verhaal, afgunstig schepsel! Ik kan geen droppel
drinken, zoo gij niet ophoudt van den dood te spreken. Het bloed stolt
mij in de aderen, en ik gevoel mij geheel onwel, als ik over.... nu
ja, als ik daarvan hoor gewagen, dat wij niet eeuwig leven!"

Het geheele gezelschap lachte, doch Phanes begon nu werkelijk te
vertellen, wat er met hem gebeurd was.

»Gelijk gij weet, woon ik te Saïs in het nieuwe slot; te Memphis
evenwel werd mij, in mijne hoedanigheid van overste der Grieksche
lijfwacht, die den koning vergezellen moet, waar hij ook heentrekt,
een gedeelte van den linkervleugel van het aloude paleis ten verblijve
aangewezen [51]. Sedert de regeering van Psamtik I [52] houden zich de
koningen te Saïs op, zoodat het inwendige van de andere paleizen wel
eenigszins verwaarloosd is geworden. Mijne woning was zonder twijfel
uitmuntend gelegen, zeer goed ingericht, en zou niets te wenschen
hebben overgelaten, als ik niet, dadelijk nadat ik hier mijn intrek
had genomen, eene vreeselijke plaag had ontdekt. Over dag, wanneer
ik buitendien zelden te huis was, vond ik niets op mijne woning af
te dingen, maar des nachts was er aan slapen niet te denken, daar
duizenden ratten en muizen onder de vermolmde vloeren, rustbedden
en oude tapijten aan de wanden allervreeselijkst te keer gingen. Ik
wist geen raad tegen deze schrikkelijke bezoeking, tot eindelijk
een Egyptisch soldaat mij twee mooie groote katten verkocht, die mij
binnen eenige weken van het gezelschap mijner kwelgeesten verlosten.

»Het zal u allen wel bekend zijn, dat eene der beminnelijkste
wetten van dit wonderlijke volk, welks beschaving en wijsheid gij,
mijne Milesische vrienden, niet genoeg prijzen kunt, de katten heilig
verklaart. Men bewijst aan deze viervoetige gelukskinderen, gelijk aan
zoo menig ander dier, goddelijke eer, en het dooden van zoo'n exemplaar
wordt even streng gestraft als het vermoorden van een mensch."

Rhodopis, die tot dusverre met een opgeruimd gelaat geluisterd had,
scheen ernstiger te worden, toen zij vernam, hoe de verbanning van
Phanes met zijne minachting van de heilige dieren in verband stond. Zij
wist maar al te goed hoevele offers, ja hoevele menschenlevens dit
bijgeloof der Egyptenaren reeds gekost had. Het was nog niet lang
geleden, dat koning Amasis een ongelukkigen Samiër, die eene kat gedood
had, niet tegen de wraak van het verwoede volk had kunnen beveiligen
[53].

»Toen wij, twee jaren geleden Memphis verlieten," vervolgde de
overste, »was alles nog goed. Ik had het kattenpaar aan de verzorging
van een Egyptischen bediende toevertrouwd, wel begrijpende, dat deze
gezworene muizenvijanden mijne woning, ook voor het vervolg, wel zuiver
zouden houden. Ik begon zelfs voor deze vriendelijke schepseltjes,
die zoo goed waren geweest mij van dat muizengebroed te bevrijden,
eene zekere achting te koesteren. Het vorige jaar werd Amasis ziek,
vóór dat het hof zich naar Memphis kon begeven, en wij bleven dus te
Saïs. Eindelijk, omtrent zes weken geleden, begaven wij ons op weg naar
de pyramidenstad. Ik betrok mijn vorig kwartier weder en zag er zelfs
geen schaduw meer van een muizenstaart. In plaats van ratten, wemelde
het er echter van eene andere diersoort, waarop ik evenmin gesteld
was als op de verdrevene. Het kattenpaar was namelijk, gedurende
de twee jaren van mijn afzijn, tot vier en twintig aangegroeid. Ik
poogde het lastige katergebroed, van alle leeftijden en kleuren,
te verdrijven; maar het gelukte mij niet, en alle nachten werd mijn
slaap door de afgrijselijke koorgezangen dezer viervoeters, door het
krijgsgeschreeuw en de minnezangen van katers en katten verstoord.

»Jaarlijks, ten tijde van het Bubastisfeest [54], heeft men verlof
alle overtollige muizenvangers in den tempel van Pacht, de godin
met den kattenkop, af te leveren, alwaar zij verpleegd, en, gelijk
ik voor zeker houd, gedood worden in geval zij zich al te sterk
vermenigvuldigen. De priesters van dezen tempel zijn rechte schelmen!

»Ongelukkig had de groote optocht naar genoemd heiligdom niet plaats
gedurende ons verblijf bij de pyramiden. Ik kon het evenwel niet
langer uithouden met dit heirleger van kwelgeesten, die het er allen op
schenen toe te leggen mijn leven te verbitteren. Toen twee der moeders
mij op nieuw een dozijn gezonde en wel geschapene kindertjes hadden
vereerd, besloot ik deze althans uit den weg te ruimen. Mijn oude
slaaf Mus [55], reeds naar zijn naam te oordeelen een geboren vijand
van het kattengeslacht, ontving den last de jongen van kant te maken,
ze in een zak te stoppen en vervolgens in den Nijl te werpen. Wij
konden er niet buiten de diertjes eerst om hals te brengen, anders
toch zou het miauwen den wachters van het paleis den inhoud van den
zak verraden hebben. Toen het donker begon te worden, begaf zich de
arme Mus met zijn gevaarlijken last door het Hathorbosch [56] naar den
Nijl. Maar de Egyptische bediende, die mijne dieren gewoonlijk voederde
en ieder katje bij name kende, had dadelijk ons geheele plan doorzien.

»Mijn slaaf ging met de grootste bedaardheid, als had hij niets
buitengewoons te verrichten, door de groote sphinxenlaan, den tempel
van Ptah [57] voorbij, terwijl hij het zakje onder zijn mantel had
verborgen. In het heilige bosch bemerkte hij reeds, dat men hem
volgde. Hij lette er echter niet verder op, en zette zijn weg voort,
volkomen gerust dat alles goed ging, tot hij zag dat de lieden, die
hem op de hielen zaten, bij den tempel van Ptah bleven staan, en zich
met de priesters onderhielden. Eindelijk had hij den oever bereikt. Nu
hoorde hij zich bij zijn naam roepen. Eenige lieden kwamen hem haastig
achterop. Tegelijk snorde een slingersteen vlak langs zijn hoofd.

»Mus begreep volkomen welk gevaar hem dreigde. Al zijne krachten
inspannende snelde hij nu op den Nijl toe, slingerde den zak een
eind ver in den vloed en bleef nu met een kloppend hart op den oever
staan, hoewel hij zich overtuigd hield, dat niemand zijne schuld
bewijzen kon. Weinige oogenblikken later was hij door een honderdtal
tempeldienaren omringd. De opperpriester van Ptah, Ptahotep, mijn
oude vijand, had het niet beneden zich geacht, in persoon deze jacht
op mijn dienaar bij te wonen.

»Eenige lieden, en onder hen ook die verraderlijke dienaar van het
paleis, waren aanstonds te water gegaan en vonden tot ons ongeluk
den zak met de twaalf lijken, onbeschadigd hangende te midden van het
papyrusriet en de boonenranken aan den oever. In tegenwoordigheid van
den opperpriester, eene schaar van tempeldienaren en minstens duizend
toegestroomde inwoners van Memphis, werd de vreeselijke katoenen
sarkophaag geopend. Nauw werd men zijn noodlottigen inhoud gewaar, of
er ging zulk een geweldig gehuil, zulk een ontzettende wraakkreet op,
dat ik het tot in het paleis hooren kon. De verbolgene menigte stortte
zich, in wilde razernij, op mijn armen knecht, wierp hem ter aarde,
trapte hem onder de voeten, en zou hem aan stukken hebben gescheurd,
als de machtige opperpriester niet 'halt' geboden had--met het plan
mij, in wien hij den eigenlijken bewerker der gepleegde misdaad
onderstelde, mede in het verderf te slepen--en bevolen den gruwelijk
mishandelden booswicht in de gevangenis te werpen.

»Een half uur later werd ook ik achter slot gezet.

»Mijne oude Mus nam alle schuld der misdaad op zich, tot de
opperpriester hem door eene bastonade de bekentenis afdwong, dat ik
hem geboden had de katten om hals te brengen, en hij, als een getrouw
dienaar, mijn bevel had moeten opvolgen.

»Het oppergerechtshof [58], tegen welks uitspraken zelfs de koning
niets vermag, is uit priesters van Memphis, Heliopolis en Thebe
samengesteld. Gij kunt u dus wel voorstellen, dat men zoowel
dien armen Mus als mijn persoontje, een verachten Helleen, zonder
omwegen ter dood veroordeelde; den slaaf wegens twee halsmisdaden:
ten eerste wegens den moord aan heilige dieren gepleegd, ten andere
wegens de twaalfvoudige verontreiniging van den heiligen stroom door
het inwerpen van lijken; mij, omdat ik de oorzaak en de bewerker
was dezer vier en twintigvoudige halsmisdaad [59], gelijk zij het
geliefden te noemen. Aan Mus werd nog dienzelfden dag het vonnis
voltrokken. Drukke de aarde hem zacht. In mijne herinnering zal
hij niet als mijn slaaf, maar als mijn vriend en weldoener blijven
voortleven. In tegenwoordigheid van zijn lijk werd ook mij het vonnis
des doods voorgelezen, en reeds bereidde ik mij tot de lange reis naar
de benedenwereld, als de koning bevelen liet de voltrekking mijner
straf uit te stellen. Ik werd in de gevangenis teruggebracht. Een
Arkadisch taxiarch [60], die zich onder mijne bewakers bevond,
deelde mij mede, dat al de bevelhebbers der Grieksche lijfwacht
en eene menigte krijgslieden, te zamen meer dan vierduizend man,
gedreigd hadden hun ontslag te zullen nemen, wanneer men mij, hun
overste, geen genade zou willen schenken. Zoodra het duister was
geworden, werd ik voor den koning gevoerd, die mij zeer vriendelijk
ontving. Hij zelf bevestigde de mededeeling van den taxiarch en
verklaarde, dat het hem leed deed een overste te moeten verliezen,
waaraan hij zoo gehecht was. Wat mij aangaat, ik belijd gaarne, dat ik
jegens Amasis geen wrok voelde, dat ik zelfs medelijden had met den in
schijn zoo machtigen koning. O, gij hadt er getuigen van moeten zijn,
hoe hij zich beklaagde, nooit en nergens te kunnen handelen gelijk hij
wilde, en zelfs in zijne persoonlijke aangelegenheden overal door de
priesters en hun invloed tegengewerkt en beheerscht te worden. Hing
het alleen van hem af, hij zou mij, den vreemdeling, het overtreden
eener wet, die ik niet verstond en daarom, schoon ook ten onrechte,
voor onzinnig bijgeloof moest houden, gaarne vergeven. Doch uit vrees
voor de priesters durfde hij mij niet ongestraft laten. Verbanning
uit Egypte was de zachtste boete die hij mij kon opleggen. Gij kunt
niet begrijpen--met deze woorden eindigde hij zijn klacht,--in hoeveel
zaken ik de priesters te wille heb moeten zijn, om genade voor u te
erlangen. Want het opperste gerechtshof is zelfs van mij, den koning,
onafhankelijk.

»Ik kreeg derhalve mijn ontslag, nadat ik met een duren eed gezworen
had, nog dienzelfden dag Memphis en binnen drie weken Egypte te
zullen verlaten.

»Aan de poort van het paleis ontmoette ik Psamtik, den kroonprins,
die mij sinds lang geen goed hart toedraagt, ter zake van eene
ergerlijke geschiedenis, die ik echter niet mag openbaren. Gij,
Rhodopis, kent haar. Ik zeide hem vaarwel, hij echter keerde mij
den rug toe, terwijl hij mij toesnauwde: »ook ditmaal Athener, zijt
gij den dans ontsprongen, maar aan mijne wraak zijt gij daarom nog
niet ontkomen. Waarheen gij u ook moogt begeven, ik zal u weten
te vinden." Ik mag alzoo hopen u weder te zien! gaf ik hem tot
bescheid. Spoedig was mijn boeltje in eene bark geladen, waarna ik
mij naar Naucratis begaf, alwaar ik het geluk had mijn ouden vriend,
Aristomachus van Sparta, te ontmoeten, die, als gewezen bevelhebber
over de troepen van Cyprus [61] hoogstwaarschijnlijk tot mijn opvolger
zal worden benoemd. Het zou mij verheugen mijne plaats door zulk een
voortreffelijk man te zien vervullen, indien ik niet reden had om
te vreezen, dat zijne uitstekende verdiensten de door mij bewezene
diensten nog geringer zullen doen schijnen, dan zij in waarheid
geweest zijn."

»Al lofs genoeg, vriend Phanes!" viel Aristomachus den Athener in de
rede. »Spartaansche tongen zijn zoo buigzaam niet. Met daden zal ik
u echter, zoodra gij mijne hulp behoeft, een antwoord geven, dat den
spijker juist op den kop slaat."

Rhodopis zag beide mannen aan met een welgevallig lachje. Daarop
reikte zij ieder van hen de hand, zeggende: »Uw verhaal, arme Phanes,
heeft mij helaas tot de overtuiging gebracht, dat gij onmogelijk
langer in dit land kunt blijven. Ik wil u om uw lichtzinnigheid niet
berispen, maar gij hadt toch vooruit kunnen berekenen, dat gij u om
eene weinig beteekenende zaak aan groote gevaren blootsteldet. Een
wijs en waarlijk kloekmoedig man onderneemt slechts dan een waagstuk,
wanneer het voordeel minstens gelijk staat met het nadeel, dat het
hem kan opleveren. Roekeloosheid is even dwaas als lafheid, hoewel
niet even verachtelijk; want beiden mogen schaden, alleen de laatste
schandvlekt. Uwe onnadenkendheid heeft u ditmaal bijna het leven
gekost, een leven, dat velen dierbaar is, en te hooge waarde heeft,
dan dat gij het door een dwazen streek zoudt verspelen. Wij kunnen
geene enkele poging wagen om u voor onzen vriendenkring te behouden,
want het zou u toch niet baten en ons zelven slechts schaden. In uwe
plaats zal voortaan deze edele Spartaan, als overste der Grieksche
lijfwacht, onze natie bij het hof vertegenwoordigen, en zich steeds
ten doel stellen, haar tegen alle listen der priesters te beschermen,
en haar bij voortduring in de gunst des konings aanbevelen. Ik heb
uwe hand gevat, Aristomachus, en laat haar niet los, zoolang gij mij
niet belooft, voor zooveel in uw vermogen is, ook den geringsten onder
de Grieken tegen den overmoed der Egyptenaren te beschermen, gelijk
Phanes vóor u gedaan heeft, en eer uw post te zullen prijsgeven dan
het minste onrecht een Helleen aangedaan, ongestraft te laten. Wij
zijn weinige duizenden onder even zoovele millioenen vijandig gezinde
menschen; maar wij zijn sterk door onzen moed, en moeten trachten
door eendracht machtig te blijven. Tot op den huidigen dag hebben
zich de Hellenen in Egypte als broeders gedragen. Eén offerde zich op
voor allen, allen voor éen, en juist deze eenheid maakte onze kracht
uit, en zal ook in de toekomst ons machtig doen zijn. Ach, ware het
ons gegeven aan het moederland en zijne volkplantingen deze zelfde
eendracht te schenken, en allen stammen hunne Dorische, Jonische
of Aeolische afkomst te doen vergeten, zoodat zij geen anderen roem
kenden dan die van Hellenen te zijn, en als kinderen van éen huis,
als schapen van éene kudde te leven, waarlijk dan zou de geheele
wereld niets tegen ons vermogen, dan zou Hellas eenmaal door alle
volkeren als de koningin der aarde worden erkend."

Bij deze woorden schitterden de oogen der oude matrone van edel
vuur. De Spartaan drukte hare hand met buitengewone heftigheid,
stampte met zijn houten been op den grond en riep: »Bij Zeus, de
opperste god der Lacedaemoniërs, ik zal niet dulden dat een Helleen,
wie hij ook zijn moge, éen haar gekrenkt worde; gij echter, Rhodopis,
verdiendet eene Spartaansche te zijn."

»En eene Atheensche!" riep Phanes.

»Eene Jonische!" de mannen van Milete.

»De dochter van een geomoor van Samos!" de beeldhouwer.

»Maar ik ben meer dan dat alles," riep de edele vrouw in geestdrift
uit, »ik ben meer, veel meer; ik ben eene Helleensche!"

Al de gasten deelden in hare vervoering, zelfs de Syriër en de Jood
werden medegesleept. Alleen de Sybariet liet zich niet uit zijne
welbehagelijke rust opwekken, en zeide met vollen mond, zoodat men hem
nauwelijks verstaan kon: »Gij zoudt ook waardig zijn eene Sybariete
te heeten, want uw rundergebraad is beter, dan al wat ik sedert mijn
vertrek uit Italië geproefd heb, en uw wijn van Anthylla [62] smaakt
mij bijna even goed als die van den Vesuvius en van Chios!"

Allen schoten in den lach, met uitzondering van den Spartaan, die
den smulpaap een blik vol toorn en verachting toewierp.

»Weest allen gegroet!" riep plotseling eene ons nog onbekende zware
stem door het open venster.

»Wees gegroet!" antwoordde het geheele gezelschap als uit éen mond,
vragende en gissende, wie toch deze late gast mocht zijn.

Doch de onbekende liet zich niet lang wachten, want eer nog de
Sybariet tijd had gehad, eene nieuwe teug wijns nauwkeurig met de
tong te proeven, stond een groot mager man, van over de zestig jaren,
met een langwerpig fijnbesneden geestig gelaat, naast Rhodopis. Het was
Kallias, de zoon van Phaenippus van Athene. Met de heldere, verstandige
oogen zag de nieuw aangekomene,--een der rijkste bannelingen uit
Athene, die tot tweemaal toe de goederen van Pisistratus van den
staat had gekocht, en ze telkens bij diens terugkeer had moeten
prijsgeven,--den kring zijner bekenden rond. Na met ieder hunner in
het bijzonder een vriendelijken groet te hebben gewisseld, riep hij
op vroolijken toon: »Zoo gijlieden mijn bezoek van heden niet hoog
waardeert, dan houd ik het er voor, dat alle dankbaarheid uit de
wereld verdwenen is."

»Wij hebben u sinds lang gewacht," antwoordde een der Milesiërs. »Gij
zijt de eerste, die ons betreffende den uitslag van de Olympische
spelen bericht kunt geven!"

»En wij zouden ons geen beteren verslaggever kunnen wenschen, dan
den overwinnaar van weleer," liet Rhodopis er op volgen.

»Kom, neem plaats," riep Phanes ongeduldig, »en verhaal ons, kort en
bondig, al wat gij weet, vriend Kallias!"

»Zoo aanstonds, mijn waarde landgenoot," hervatte deze. »Het is reeds
tamelijk lang geleden, dat ik Olympia verliet, en te Kenchreae [63] op
een Samisch vaartuig van vijftig roeiers, het beste dat ooit gebouwd
werd, scheep ben gegaan. Het verwondert mij volstrekt niet, dat vóor
mij nog geen Helleen te Naucratis is binnengeloopen. We hadden toch
zware stormen door te staan en zouden er te nauwernood ons leven hebben
afgebracht, als deze Samische zeekasteelen, met hunne stevige kielen,
ibis-snavels en vischstaarten, niet zoo voortreffelijk getimmerd en
bemand waren. Waarheen de anderen, die huiswaarts keerden, verwaaid
zijn, weet ik niet. Wij konden ons echter nog in de haven van Samos
bergen, vanwaar we, na een oponthoud van tien dagen, de reis weder
aanvaardden.

»Toen wij eindelijk heden morgen vroeg den Nijl binnengestevend waren,
wierp ik mij dadelijk in mijne bark, en werd door Boreas [64], die mij
toch bij het einde der reis nog eens toonen wilde, dat hij zijn ouden
Kallias nog liefhad, zoo snel voortgestuwd, dat ik reeds voor weinige
oogenblikken de vriendelijkste aller woningen mocht wederzien. Ik
zag de vaan in het avondkoeltje fladderen, ik zag de opene vensters
verlicht, en was nog een oogenblik met mijzelven in strijd, of ik
al dan niet zou binnengaan. Maar tevergeefs, Rhodopis, beproefde ik
uwe tooverkracht te wederstaan, en buitendien zou ik zeker van al het
nieuws, dat ik nog te vertellen heb, gebersten zijn, zoo ik niet ware
uitgestapt, om u allen, onder een beker wijn en bij een stuk gebraad,
dingen mede te deelen, waarvan gij niet hebt kunnen droomen."

Kallias strekte zich zeer gemakkelijk op eene matras uit, en
overhandigde Rhodopis, alvorens een aanvang te maken met het uitkramen
van zijne nieuwtjes, een prachtigen gouden armband in den vorm van een
slang, dien hij te Samos, in de werkplaats van denzelfden Theodoros,
die met hem aanlag, voor eene groote som gekocht had.

»Dit heb ik voor u medegebracht [65]," zeide hij, zich tot de oude
vrouw wendende, die hoogst voldaan was over zijn geschenk.

»Voor u, vriend Phanes, heb ik evenwel nog iets beters. Raad eens
wie in 't wagenmennen met het vierspan den prijs behaalde?"

»Een Athener?" vroeg Phanes met gloeiende wangen. Want schoon het
geheele volk zich den roem van iedere overwinning in de Olympische
spelen toeëigende, voor den burger, die ze behaalde, was toch de
Olympische olijftak de hoogste eere en het grootste geluk, dat een
Helleen, ja een geheelen Griekschen stam te beurt kon vallen.

»Juist geraden, Phanes!" antwoordde de vreugdebode; »een Athener heeft
den eerste prijs gewonnen, en wat voor u nog meer zegt, uw neef Cimon,
de zoon van Kypselus, de broeder van dien Miltiades, die ons voor
negen Olympiaden dezelfde eer verwierf, was het, die dit jaar met
dezelfde paarden, die bij het vorige feest den prijs voor hem wonnen,
ten tweede male de zege behaalde [66]. Voorwaar, de Philaïden [67]
verduisteren meer en meer den roem der Alkmaeoniden! Welnu, Phanes,
voelt gij thans uwe borst niet zwellen, verblijdt gij u niet over
den roem van uw geslacht?"

Buiten zich zelven van verrukking, was de aldus aangesprokene
opgestaan, en zijne gestalte scheen plotseling wel een hoofd langer
te zijn geworden. Met een onbeschrijfelijk gevoel van trots en
eigenwaarde, reikte hij zijn landgenoot de hand. Deze omhelsde hem,
en vervolgde daarop: »Ja, wij hebben alle reden om fier en gelukkig te
zijn, Phanes. En gij vooral moogt u verblijden; want nadat de rechters
eenstemmig aan Cimon den prijs hadden toegewezen, liet deze den tiran
Pisistratus door de herauten als den bezitter van het heerlijk schoone
vierspan, en dus ook als den overwinnaar uitroepen. Pisistratus liet
daarop terstond afkondigen, dat uw geslacht naar Athene terug mocht
keeren. Dus is ook voor u het uur niet verre meer, waarnaar gij zoo
lang smachtend hebt uitgezien, dat gij uw geliefd Athene weder zult
aanschouwen!"

Bij deze laatste woorden verdween de blos der vreugde van de wangen des
oversten, en zijne oogen gloeiden niet meer van zelf bewusten trots,
maar van toorn, toen hij uitriep: »Hoe, ik zou mij verheugen, dwaze
Kallias? Ik kan van spijt mijne tranen nauwelijks bedwingen, als ik
bedenk, dat een afstammeling van Ajax in staat is, zijn welverdienden
roem zoo schandelijk aan de voeten van den overweldiger neêr te
leggen.--Ik zou naar mijn vaderland wederkeeren? Neen! ik zweer bij
Athene, bij vader Zeus en Apollo, dat ik liever in den vreemde zal
verhongeren, dan een voet te zetten op den geliefden grond, zoo lang
Pisistratus mijn vaderland in slavernij doet zuchten. Ik ben zoo vrij
als een adelaar in de wolken, nu ik uit den dienst van Amasis ontslagen
ben; maar liever werd ik in een vreemd land de slaaf van een boer, dan
in het land mijner geboorte de eerste dienaar van Pisistratus. Ons,
den adel, komt de heerschappij over Athene toe; Cimon echter heeft,
door zijn krans aan de voeten van Pisistratus neer te leggen, de
rechten van den tyran erkend, en zichzelf als slaaf gebrandmerkt. Ik,
Phanes, en dat zal ik Cimon zelf doen weten, bekommer mij bitter weinig
over de genade van den tyran; ja, ik wil balling blijven, totdat mijn
vaderland weder vrij is geworden, en adel en volk wederom zichzelven
regeeren, zichzelven wetten geven! Phanes huldigt den verdrukker niet,
ook al kropen alle Philaïden en Alkmaeoniden, ja zelfs uw geslacht,
Kallias, de rijke Daduchen [68], voor Pisistratus in het stof!"

Met vlammende blikken zag de Athener in het rond. Doch ook de oude
Kallias monsterde, hoogmoedig en met zelfvoldoening, den kring der
gasten, terwijl hij de aanwezigen één voor één scheen te willen
toeroepen:

"Ziet, vrienden, op zulke mannen kan mijn roemrijk vaderland
bogen!" Daarop vatte hij andermaal Phanes' hand en zeide: "Niet
minder dan gij, mijn vriend, haat ik den dwingeland. Maar ik heb de
overtuiging gekregen dat de macht der tyrannen, zoo lang Pisistratus in
leven blijft, niet omvergeworpen kan worden. In Lygdamis van Naxos en
Polycrates van Samos heeft hij bondgenooten, tegen wie wij bezwaarlijk
iets zouden vermogen. Doch nog gevaarlijker voor onze vrijheid dan
deze twee is de gematigdheid en wijsheid van Pisistratus zelve.

Gedurende mijn laatste oponthoud in Hellas heb ik met verbazing
opgemerkt, dat de massa van het Atheensche volk den overheerscher
als een vader liefheeft. Ofschoon hij zich oppermachtig gevoelt,
houdt hij de wetgeving van Solon in eere. Hij versiert de stad
met de prachtigste bouwwerken. De nieuwe tempel van Zeus, die door
Kallaeschrus, Antistates en Porimus,--mannen die gij zeker wel kent,
Theodorus,--uit het kostelijkste marmer wordt opgetrokken, moet alle
tot nog toe in Hellas verrezene gebouwen verre overtreffen. Kunstenaars
en dichters van groote verdienste weet hij naar Athene te lokken. De
zangen van Homerus laat hij afschrijven, en de spreuken van Musaeus
door Onomacritus opteekenen en verzamelen. Hij legt nieuwe wegen
aan en voert nieuwe feesten in. De handel bloeit onder zijn bestuur,
en het volk gevoelt zich, ondanks de belastingen die hij het oplegt,
zeer gelukkig. Maar wat is het volk? Een gemeene hoop, die, even als
de muggen, zich laat aantrekken door alles wat blinkt, en al zengt het
ook de vleugels, toch om de kaars blijft fladderen, zoolang die slechts
brandt. Laat het licht van Pisistratus maar eens worden uitgedoofd,
Phanes, en ik zweer u, dat de wufte menigte den terugkeerenden adel,
het nieuwe licht tegemoet zal snellen, gelijk het tot dusverre zich
om den tiran verdrong.--Waardige zoon van Ajax, geef mij nog eenmaal
de hand!--Maar ik ben u, mijne vrienden, nog menig nieuwtje schuldig.

»In het rennen met den wagen was alzoo Cimon overwinnaar, die aan
Pisistratus zijn olijftak vereerde. Nooit zag ik vier schoonere paarden
dan de zijne. Ook Argesilaus van Cyrene, Cleosthenes van Epidamnus
[69], Aster van Sybaris, Hecataeus van Mylete, en vele anderen hadden
kostbare vierspannen naar Olympia gezonden. Over het algemeen waren de
spelen ditmaal buitengewoon schitterend. Geheel Hellas had afgezanten
gezonden. Rhoda, de Ardeaten-stad in het ver verwijderde Iberië [70],
het rijke Tartessus, Sinope in het verre Oosten, aan de kust van
den Pontus Euxinus [71], kortom iedere stad die roem draagt op hare
Helleensche afkomst, was op dit feest vorstelijk vertegenwoordigd. De
Sybarieten hadden gezanten gezonden, die uitblonken door hunne
kostbare kleeding, de Spartanen daarentegen eenvoudig gekleede
mannen, maar schoon als Achilles en groot en sterk als Hercules. De
Atheners onderscheidden zich door de buigzaamheid hunner leden, door
hunne vlugheid en bevalligheid. Aan het hoofd der Krotoniaten stond
Milon [72], de sterkste mensch die ooit geboren werd. De Samische
en Milesische feestgenooten wedijverden in pracht en rijkdom met de
Korinthiërs en Mytileners. De geheele keur der Helleensche jongelingen
was te Olympia verzameld, en op de voor de toeschouwers bestemde
plaatsen zaten, naast mannen van ouderen leeftijd, van iederen stand,
uit ieder volk een aantal schoone jonkvrouwen, die uit Sparta waren
overgekomen, om door hare toejuichingen de spelen der mannen op te
luisteren [73]. Op den tegenoverliggenden oever van den Alphaeus
was gelegenheid om handel te drijven. Daar kon men kooplieden zien
uit alle oorden der wereld. Hellenen, Karchedoniërs [74], Lydiërs,
Phrygiërs en schacherende Phoeniciërs uit Palaestina deden onderling
groote zaken af, of stelden in kramen en onder tenten hunne waren te
koop. Hoe zal ik u eene schildering geven van het gewoel en gejoel der
tallooze menigte; van de koorzangen, die door de lucht weergalmden; van
de rookende feesthekatomben [75]; van de bonte kleederdrachten; van de
kostbare wagens en paarden; van het geklank van al die verschillende
talen en tongvallen; van de blijde ontmoetingen van oude vrienden,
die elkander hier, na eene scheiding van vele jaren, wederzagen;
van den glans der feestgezanten; van het gewemel van toeschouwers
en kooplieden; van de spanning over den uitslag der spelen; van
het heerlijk schouwspel, dat de met toeschouwers opgepropte ruimte
aanbood; van het eindelooze gejuich bij iedere nieuwe overwinning;
van het plechtig overhandigen van den olijftak, die door een knaap
uit Elis, wiens beide ouders nog in leven moesten zijn, met een gouden
mes van den heiligen olijfboom in de Altis [76], door Hercules zelven
voor eeuwen geplant, moest worden gesneden? Hoe zal ik u eindelijk
eene beschrijving geven van het aanhoudend gejubel, dat als een
rollende donder door het stadium [77] weêrklonk, toen Milon van
Croton verscheen, en zijn door Dameas van brons gegoten standbeeld,
zonder dat zijn knieën een oogenblik knikten, op de schouders door
het stadium naar de Altis droeg? Een stier zou onder zulk een gewicht
bezweken zijn; Milon evenwel droeg dit ontzaglijk gevaarte gelijk
eene Lacedaemonische baker [78] een knaapje draagt.

»De schoonste kransen, na dien van Cimon, vielen aan een paar broeders
uit Sparta ten deel, te weten: aan Lysander en Maron, zonen van eenen
verbannen edelman, Aristomachus genaamd. Maron behaalde den prijs bij
het wedloopen. Lysander trad onder de toejuichingen van alle aanwezigen
tegen Milon, den nog onoverwonnen overwinnaar van Pisa [79], van de
Pythische en de Isthmische spelen, in het worstelperk. Milon was
grooter en sterker dan de Spartaan, wiens lichaamsbouw aan Apollo
deed denken, en wiens jeugdig voorkomen overtuigend bewees, dat hij
ternauwernood den paedanomos [80] ontgroeid was. Schoon in hunne
naaktheid, glanzend van de gele zalfolie, stonden de jongeling en de
man tegenover elkander, een panter en een leeuw gelijk, die zich tot
den strijd toerusten. Alvorens op zijn tegenstander toe te springen,
hief de jonge Lysander zijne handen omhoog, om de goden te bezweren,
en riep: 'Voor mijn vader, mijne eer en den roem van Sparta!' De
Crotoniaat meesmuilde, terwijl hij op den jongeling uit de hoogte
neêrzag, evenals een lekkerbek lacht, alvorens hij zich neerzet om
een kreeft te ontleden.

»De worsteling begon. Lang duurde het, eer het een van beiden gelukte
den anderen beet te krijgen. Uit al zijn macht, ja met onweêrstaanbaar
geweld, greep de Crotoniaat naar zijn tegenstander, die zich als
eene slang loswond uit de geweldige grepen der athletische, zich
als eene tang vastklemmende handen.--Lang hield na elken aanval de
worsteling aan, waarvan de gansche vergadering zwijgend en ademloos
getuige was. Men hoorde niets dan het steunen der worstelaars en het
gezang der vogelen in het woud van de Altis. Eindelijk,--eindelijk was
het den jongeling gelukt, zich door een meesterlijken greep, zooals
ik nooit een gezien heb, aan zijn tegenstander vast te klemmen. Lang
spande Milon vruchteloos al zijne krachten in, om zich uit de gespierde
armen van den jongeling los te rukken. Het zand van het stadium werd
rijkelijk gedrenkt door het zweet van zulk een reuzenarbeid.

»Naarmate de spanning der toeschouwers hooger en hooger klom,
vermeerderde nog de stilte, werden de aanmoedigingskreten zeldzamer,
en hoorde men luider het steunen der beide kampvechters. Ten laatste
ontzonken den jongeling de krachten. Duizenden stemmen riepen hem
moed toe. Nog eenmaal verzamelde hij, met schier bovenmenschelijke
inspanning, al zijne krachten, nog eenmaal beproefde hij den
Crotoniaat ter aarde te werpen. Doch deze had zijn voordeel gedaan
met de oogenblikkelijke afmatting van zijn tegenstander, en hield hem
nu met onweêrstaanbaar geweld, terwijl hij beide armen om hem sloeg,
tegen zijn borst gedrukt. Daar golfde een zwarte, dikke bloedstraal
over de schoone lippen van den jongeling, en levenloos ontzonk hij
aan de vermoeide armen van den reus. Democedes [81], de beroemdste
arts van onzen tijd, dien gij, Samiërs, aan het hof van Polycrates
zeker wel hebt leeren kennen, snelde toe; doch de kunst vermocht
dezen gelukkige niet meer te redden. Hij was dood.

»Milon moest afstand doen van den krans [82]. De roem van dien
jongeling zal daarentegen door gansch Hellas worden bezongen. Ik zelf
zou veel liever gestorven zijn als Lysander, de zoon van Aristomachus,
dan leven als Kallias, die in den vreemde in werkeloosheid oud
wordt en vergrijst, zonder iets te kunnen uitrichten. Geheel
Griekenland, vertegenwoordigd door zijne edelste zonen, droeg
den jongeling ten grave, en zijne eerezuil zal in de Altis nevens
die van Milon, den Crotoniaat, en Praxidamas van Aegina [83] eene
plaats erlangen. Eindelijk verkondigden de herauten de uitspraak der
kampvechters: Sparta zal voor den gestorvene den krans der overwinning
ontvangen; want niet Milon, maar de dood heeft den edelen Lysander
doen bezwijken. Wie echter, na een strijd met den sterkste aller
Grieken, die twee uren duurde, onoverwonnen blijft, hem voorwaar komt
de olijftak wel toe."

Kallias zweeg eenige oogenblikken. De levendige man had onder de
schildering van deze voor iederen Griek zoo dierbare tooneelen, op de
aanwezigen geen acht geslagen. Voor zich uit starende, had hij het
beeld dier worsteling voor zijne oogen laten voorbijgaan. Thans zag
hij om zich heen en bemerkte met groote verbazing, hoe de grijsaard
met het houten been, dien hij, zonder hem te kennen, reeds vroeger had
opgemerkt, zijn aangezicht met de handen bedekt hield en schreide
als een kind. Aan zijne rechterzijde stond Rhodopis, aan zijne
linker Phanes. Al de overige gasten zagen den Spartaan aan, als ware
hij de held van Kallias' verhaal geweest. De verstandige Athener
begreep aanstonds, dat de grijsaard in nauwe betrekking tot een der
overwinnaars in de Olympische spelen stond. Toen hij echter vernam,
dat Aristomachus de vader was van dat Spartaansche broederpaar, hetwelk
met zooveel roem werd gekroond, welke schoone gestalten nog steeds,
als eene verschijning uit de godenwereld, voor zijne verbeelding
zweefden, toen zag ook hij met afgunstige bewondering den snikkenden
grijsaard aan, en ook in zijn oog parelde een traan, dien hij niet
zocht weg te pinken. In dien tijd weenden de mannen, zoo vaak zij in
den balsem der tranen eenige verlichting hoopten te vinden. De sterkste
helden zien wij, in toorn, onder groote vreugde, bij elke zielesmart,
weenen, terwijl zich de Spartaansche knaap voor het altaar van Artemis
Orthia, zonder eene klacht te uiten, ten bloede, ja, menigmaal dood
liet geeselen, om den lof der mannen deelachtig te worden.

Gedurende eenige oogenblikken bewaarden al de aanwezigen
het stilzwijgen, uit eerbied voor de aandoeningen van den
grijsaard. Eindelijk maakte Jesua, de Israëliet, daaraan een
einde, in gebroken Grieksch den oude aldus toesprekende: »Ween
vrij uit, Spartaansche man! Ik weet wat het zeggen wil, een zoon
te verliezen. Heb ik niet, elf jaren geleden, in het vreemde
land, aan de wateren van Babylon, waar mijn volk in ballingschap
zuchtte, een schoonen knaap grafwaarts gedragen! Had het beste kind
nog slechts een enkel jaartje geleefd, zoo zou het in 't lieve
vaderland gestorven zijn, en hadden wij het in het graf zijner
vaderen kunnen bijzetten. Maar Cyrus, de Pers,--Jahveh zegene zijne
nakomelingschap!--heeft ons éen jaar te laat vrij gemaakt, en ik
beween nu dubbel dat kind mijns harten, wijl zijn graf in het land
der vijanden Israëls gedolven is. Bestaat er wel iets treurigers
dan te moeten beleven, dat onze kinderen, onze grootste schat,
vóor ons ten grave dalen? En,--Jahveh zij mij genadig!--zulk een
voortreffelijk kind, als uw zoon moet zijn geweest, te verliezen,
wanneer hij juist een beroemd man staat te worden, dat moet wel de
grootste aller smarten zijn!"

De Spartaan verwijderde de handen van zijn streng gelaat en zeide,
onder zijne tranen glimlachende: »Gij dwaalt, Phoeniciër; ik ween
van blijdschap, niet van droefheid, en gaarne had ik ook mijn tweeden
zoon verloren, indien hij gestorven ware gelijk mijn Lysander."

De Israëliet schrikte van deze woorden, die hem onnatuurlijk en
goddeloos in de ooren klonken, en schudde afkeurend het hoofd. De
aanwezige Hellenen daarentegen overlaadden den door allen benijden
grijsaard met gelukwenschingen. Aristomachus scheen door de vreugde
zijner ziel vele jaren jonger te zijn geworden, en riep Rhodopis toe:
»Waarlijk, vriendin, uw huis is voor mij rijk gezegend, want sedert
ik het betrad, is dit het tweede geschenk der goden, hetwelk mij hier
ten deelt valt!"

»En wat was het eerste?" vroeg de gastvrouw.

»Een gunstig orakel."

»Gij vergeet het derde!" riep Phanes. »Op den dag van heden hebben
u namelijk de goden Rhodopis leeren kennen. Maar wat is er van die
godspraak?"

"Mag ik haar aan de vrienden openbaren?" vroeg de Delphiër.

Aristomachus knikte toestemmend, en Phryxus las ten tweeden male het
antwoord van de Pythia:


    Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
      In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
    Dan voert de ranke boot u, moe van 't ommedwalen,
      Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt,
    En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven,
    Wat gij zoo lang met rouw in 't hart, moest derven.


Nauw had Phryxus het laatste woord gelezen, toen Kallias, de Athener,
juichend van zijne ligplaats opsprong, uitroepende: »De vierde gave,
het vierde geschenk der goden, zult gij thans van mij in dit huis
ontvangen. Weet dat ik de nieuwstijding, die wel het meest uwe
verbazing zal wekken, tot het laatst bewaarde: de Perzen komen naar
Egypte."

Geen der gasten, behalve de Sybariet, bleef op zijne plaats, en Kallias
werd door allen met vragen bestormd, zonder dat men hem tot antwoorden
den tijd liet. »Bedaart wat, vrienden; houdt uw gemak!" riep hij
eindelijk. »Laat mij u geregeld vertellen al wat ik weet, anders kom
ik heden niet aan het einde. Een groot gezantschap van Cambyzes, den
tegenwoordigen alleenheerscher van het machtige Perzië, en geen leger,
gelijk Phanes misschien reeds vermoedde, is op weg naar dit land. Te
Samos werd mij gezegd, dat het al op Mylete was aangekomen. Binnen
weinige dagen moet het hier zijn. Bloedverwanten van den koning, en
ook de oude Cresus van Lydië, moeten er deel van uitmaken. Wij zullen
eene buitengewone pracht te zien krijgen. Met welk doel dit gezantschap
komt weet niemand zeker, doch men gist, dat koning Cambyzes met Amasis
een verbond verlangt te sluiten. Daar zijn er zelfs die beweren,
dat de Perzische vorst de dochter van den pharao tot vrouw begeert."

»Een verbond?" vroeg Phanes, ongeloovig de schouders ophalende. »Op
dit oogenblik overheerschen de Perzen reeds bijna de halve wereld. De
grootste natiën van Azië hebben zich onder hun schepter gebogen;
alleen Egypte en het Grieksche moederland hebben den veroveraar nog
niet erkend als hun meester."

»Gij vergeet het goudrijk Indië en de groote Nomadenstammen van
Azië," antwoordde Kallias. "Gij vergeet verder, dat een rijk, zoo
samengeflanst als het Perzische, hetwelk uit zeventig volkstammen
bestaat van allerlei talen en zeden, dat voortdurend de kiem des
oorlogs in zich draagt, wel zeer op zijne hoede moet zijn om niet
opnieuw in buitenlandsche oorlogen te worden gewikkeld. Want,
bij afwezendheid van de hoofdmacht des legers, zouden enkele
afgelegene provinciën deze gewenschte gelegenheid tot afval kunnen
aangrijpen. Vraag den Milesiërs of zij rustig zouden blijven, indien
het hun ter oore kwam dat het leger hunner verdrukkers in een of
anderen slag het onderspit had gedolven."

Daarop viel Theopompus, de koopman van Milete, den spreker in de rede,
en riep opgewonden: »Als de Perzen eenmaal de nederlaag lijden, zoo
krijgen zij wel honderd andere vijanden op den hals, en mijn volk
zou voorzeker niet het laatste zijn, dat zich tegen den overweldiger
verzette!"

»Wat ook de last der gezanten zij," vervolgde Kallias, »ik houd
staande, dat de Perzen op zijn laatst binnen drie dagen hier zullen
aankomen."

»En daarmede is tegelijkertijd uw orakel vervuld, gelukkige
Aristomachus," zeide Rhodopis. »Met de ruiterschaar van het gebergte
kunnen alleen de Perzen bedoeld worden. Wanneer deze de oevers van
den Nijl naderen, zullen de vijf rechters, uwe ephoren [84], van
gezindheid veranderen, en u, den vader van twee der overwinnaars
te Olympia, in het vaderland terugroepen.--Vul nog eens de bekers,
Knakias! Wijden wij dezen laatsten dronk aan de schim van den
roemrijken Lysander. Maar dan raad ik u allen op te staan, want het
is reeds lang middernacht. De waarlijk gastvrije breekt de tafel op,
wanneer de vreugde haar toppunt heeft bereikt. De aangename, door
geene droefheid gestoorde herinnering aan dezen avond zal u weldra
in dit huis terugvoeren, terwijl gij het voorzeker liever niet weder
betreden zoudt, zoo gij ook de uren der ontspanning gedenken moest,
die zoo licht op de vreugde volgen."

Al de gasten stemden met Rhodopis in, Ibycus noemde haar een echte
leerlinge van Pythagoras, en gaf zijne hooge ingenomenheid te kennen
met den opgeruimden, feestelijken toon, die dezen avond in den
ganschen kring had geheerscht. Ieder maakte zich nu tot vertrekken
gereed. Ook de Sybariet, die, om zijne aandoeningen, die hem zoo te
onpas kwamen storen, te onderdrukken, overmatig veel gedronken had,
richtte zich, door zijne slaven [85], die men inmiddels binnengeroepen
had, ondersteund, uit zijne gemakkelijke houding op, onderwijl zoo
wat pruttelende over inbreuk maken op het gastrecht.

Toen Rhodopis hem tot afscheid de hand wilde reiken, riep hij, door den
wijn beneveld: »Bij Hercules! Rhodopis, gij smijt ons het huis uit, als
waren wij lastige schuldeischers. Ik ben niet gewoon van een gastmaal
op te staan, zoolang mijne beenen mij nog kunnen dragen, en nog minder,
mij als een tafelschuimer het gat van de deur te laten wijzen!"

»Maar, begrijp dan toch, gij, onmatige drinkebroer...," begon Rhodopis
zich lachende te verontschuldigen. Philoinus evenwel, die in zijn
roes geen tegenspraak kon verdragen, barstte uit in een spottend
geschater en beet haar toe, terwijl hij naar de deur waggelde:
»Onmatige drinkebroer, zegt ge? Goed! Ik geef u daarop ten antwoord:
onbeschaamde slavin! Waarachtig, men kan het u altijd nog aanzien, wat
ge in uwe jeugd geweest zijt. Vaarwel, slavin van Jadmon en Xanthus,
vrijgelatene van Charaxus!...

Maar hij kon niet uitspreken, want plotseling sprong de Spartaan op
hem toe, wierp hem met een geweldigen vuistslag ter aarde, en droeg
den bewustelooze, als ware hij een kind, in het vaartuig, dat met
zijne slaven aan de tuindeur hem wachtte.



DERDE HOOFDSTUK.


Al de gasten hadden het huis verlaten.

Gelijk een hagelslag in een bloeiend graanveld, zoo was de
hoonende taal van den slemper in de vreugde der scheidende vrienden
gevallen. Rhodopis zelve stond, bleek en bevende, in de nu ledige, maar
nog feestlijk versierde zaal. Knakias doofde de lampen langs de wanden
uit. Het helle licht van zoo even begon nu allengs plaats te maken
voor een onaangenaam schemerdonker, dat het onachtzaam dooreengeworpen
tafelgereedschap, de overblijfselen van den maaltijd en de van hunne
plaats geschovene rustbedden slechts spaarzaam verlichtte. Door
de opene deur stroomde eene koude nachtlucht binnen; want de morgen
brak reeds aan, en in Egypte is de temperatuur, onmiddellijk vóor het
opgaan der zon, doordringend koel. Eene lichte huivering voer door de
leden van de slechts luchtig gekleede vrouw. Met weemoed liet zij hare
blikken dwalen door de ledige ruimte, die nog voor weinige minuten
weêrgalmde van vroolijk gejubel. Zij vergeleek haar gemoed met deze
verlatene feestzaal. Het was haar, als knaagde een worm aan haar hart,
als stolde haar bloed tot sneeuw en ijs.

Lang stond zij dus, onbewust van wat om haar heen plaats greep,
totdat hare oude slavin verscheen en haar naar het slaapvertrek
voorlichtte. Zwijgend liet Rhodopis zich ontkleeden. Zwijgend
opende zij het voorhangsel, dat een tweede slaapvertrek van het hare
scheidde. In het midden er van stond eene ahorn-houten rustbank [86],
waarin, op een matras van zachte schaapswol, waarover witte lakens
waren gespreid, onder een lichtblauw dek, een engelachtig, wonderschoon
meisje sluimerde. Het was Sappho, de kleindochter van Rhodopis. De
teederheid, de zachte ronding der vormen, het fijn gevormde gelaat
dezer jeugdige maagd waren onberispelijk. De zalige, vreedzame lach
om die lippen bewees, dat dit kind zich nog van geen kwaad bewust was,
nog niets anders kende dan geluk. De eene hand der slapende, waarop het
lieve hoofdje rustte, was door het dichte donkerbruine haar verborgen;
de andere hield eene kleine amulet van groenen steen [87], die van haar
hals nederhing, losjes omvat. De lange oogwimpers bewogen zich nauw
merkbaar, en over de wangen van dit bekoorlijk wezen lag een teeder
rozenrood verspreid, dat onmerkbaar samenvloeide met de blankheid van
het gelaat. De fijne neusvleugels rezen en daalden gelijkmatig bij
iederen ademtocht. Zóo zou men de onschuld voorstellen, zóo lacht eene
reine ziel, zulk een slaap schenken de goden aan de zorgelooze jeugd.

Zonder het minste geritsel te weeg te brengen, het zware
tapijt nauwelijks met de teenen aanrakende, naderde Rhodopis het
bed. Met onbeschrijfelijke teederheid aanschouwde zij het lachende,
kinderlijke gelaat. Zachtkens, en bijna zonder te ademen, knielde zij
neder. Behoedzaam drukte zij haar aangezicht in het zachte dek, zoodat
de hand van het meisje in aanraking kwam met hare grijze haren. Nu
welden er tranen in de oogen der diepgekrenkte vrouw, en zij liet ze
den vrijen loop, als wilde zij met die tranen de vernedering, die zij
geleden had, en al den kommer harer ziel afwasschen. Eindelijk stond
zij op, drukte eene kus op het voorhoofd van het kind, dat haar zoo
onuitsprekelijk dierbaar was, hief de handen hemelwaarts, en keerde
dan naar haar eigen vertrek terug, even behoedzaam als zij gekomen was.

De oude slavin stond nog altijd bij hare slaapstede te wachten. »Wat
wilt gij nog zoo laat, Melitta?" vroeg Rhodopis vriendelijk en
zacht. »Ga naar bed. Dat lange waken deugt niet voor uwe hooge
jaren. Gij weet, dat ik u niet meer noodig heb. Goedennacht! Kom
morgen niet voordat ik u laat roepen. Ik zal niet veel kunnen slapen
en blijde zijn, als ik tegen den morgen even mag insluimeren!"

Nog altijd aarzelde de slavin. Men kon het haar aanzien, dat zij nog
iets te zeggen had, maar niet durfde spreken.

»Hebt gij mij misschien iets te vragen?" zeide Rhodopis.

De oude vrouw weifelde nog.

»Spreek vrij uit, spreek; maar maak het kort!"

»Ik zag u weenen," begon de trouwe slavin ten laatste; »het schijnt mij
toe, dat gij onder kommer gebukt gaat, of krank zijt. Mag ik niet bij
u waken; wilt gij mij niet zeggen, wat u deert? Reeds menigmaal hebt
gij ondervonden, hoe het de borst verruimt en de smart draaglijker
maakt, wanneer men aan een ander zijn leed kan mededeelen. Vertrouw
mij ook thans de oorzaak uwer droefheid toe; het zal u goed doen,
o zeker, het zal uwe ziel rust geven."

»Neen, ik kan niet spreken!" antwoordde hare meesteres. Daarop
vervolgde zij, smartelijk lachende: »Wederom is het mij gebleken,
dat eene godheid zelfs niet bij machte is, het verleden eens
menschen uit te wisschen, en dat ongeluk en schande in den regel
samengaan. Goedennacht! Verlaat mij thans, Melitta."

Den volgenden dag, omstreeks den middag, legde dezelfde bark, die
's avonds te voren den Athener en den Spartaan had overgevoerd, voor
den tuin van Rhodopis aan. De zon scheen zoo helder, zoo warm en
zoo vriendelijk aan den wolkloozen donkerblauwen Egyptischen hemel;
de lucht was zoo zuiver en fijn; de kevers gonsden zoo lustig; de
schippers in de tallooze booten zongen uit zoo ruime borst hunne
eenvoudige, telkens herhaalde liederen; de boorden van den Nijl
bloeiden zoo liefelijk en vertoonden zulk eene vroolijke mengeling van
bonte vanen en van bedrijvige menschen; de palmen, sykomoren, acacia's
en bananen verhieven zoo fier hunne groene en bloesemrijke kruinen;
het geheele landschap scheen, zoo ver het oog strekte, zoo ongemeen
rijk bedeeld te zijn door eene milde godheid, die het geven niet
moede werd,--dat de wandelaar wel denken moest: uit dit oord is alle
ongeluk verbannen, hier is de woonsteê van ware vreugde en levensgenot.

Hoe menigmaal wanen wij, wanneer we een tusschen bloeiende vruchtboomen
half verscholen dorpje voorbijtrekken, dat dáar de zetel is van den
vrede, dat niemand daar onvervulde wenschen kent, maar ieder tevreden
is met zijn bescheiden deel! Doch nauw treden wij de nederige huizen en
hutten binnen, of die voorstelling blijkt geheel onwaar te zijn. Want,
gelijk overal, vinden we ook dáar angst en nood, begeerlijkheid en
hartstocht, vreeze en berouw, smart en ellende naast, helaas, zoo
weinig geluk en vreugde! Wie toch zou kunnen vermoeden, indien hij
aan de oevers van den Nijl verplaatst werd, in het aloude Egypte,
dat dit lachende, rijk bedeelde, veelkleurige, zonnige land, welks
heldere hemel zich nooit achter wolken verbergt, de woonplaats is van
de ernstigste menschen? Wie zou kunnen gelooven, dat in die sierlijke,
door kransen en bloemfestoenen als omwevene gastvrije woning van de
gelukkige Rhodopis, een hart klopte met naamloozen kommer vervuld? Wie
der gasten van deze zoozeer gevierde Thracische vrouw kon denken, dat
dit hart geen ander was dan dat der schoone, altijd zoo vriendelijk
lachende matrone?

Bleek, maar schoon en minzaam als altijd, zat zij met Phanes in een
dicht belommerd priëel, naast den verfrisschenden waterstraal der
fontein. Men kon het haar aanzien, dat zij lang en veel geweend
had. De Athener hield hare hand in de zijne en zocht haar te
troosten. Rhodopis luisterde geduldig toe, nu eens met een bitteren
lach, dan weer, ten teeken harer instemming met zijne woorden, even
het hoofd buigende. Eindelijk viel zij den welmeenenden vriend in de
rede, zeggende:

»Ik dank u, Phanes! binnen korteren of langeren tijd moet ook deze
beleediging vergeten worden. De tijd is een goed heelmeester. Ware ik
zwak, zoo zou ik Naucratis verlaten, en voortaan in strenge afzondering
alleen voor mijne kleindochter leven. In dit jeugdig schepseltje, zeg
ik u, sluimert eene geheele wereld. Duizendmaal kwam het denkbeeld in
mij op Egypte te verlaten, duizendmaal onderdrukte ik dien wensch. Niet
de begeerte naar eene hulde, die mij door uw geslacht zoo ruimschoots
wordt gebracht, hield mij hier terug. Daarvan heb ik zooveel genoten
dat ik er oververzadigd van ben. Ik, de zwakke, eens zoo diep verachte
vrouw, de slavin van weleer, gevoel mij in Egypte op mijne plaats,
want het bewustzijn, dat ik voor edele, vrije mannen, zoo al niet
onontbeerlijk, dan toch van groot nut ben, bond en bindt mij nog
voortdurend aan deze plaats. Aan een grooten werkkring onder zulke
mannen gewoon, zou ik mij niet kunnen vergenoegen met de zorg voor
mijne geliefde kleindochter alleen. Ik zou verdorren als eene plant,
die uit een vetten bodem in de woestijn is overgeplant, en mijne Sappho
zou weldra geheel alleen, en driemaal meer verlaten dan eenige andere
weeze, in de wereld overblijven.--Ik blijf in Egypte.

»Juist nu, na uw vertrek, zal ik den vrienden volkomen onmisbaar
zijn. Amasis wordt oud; wanneer Psamtik hem opvolgt, dan zullen wij
met groote zwarigheden te worstelen hebben, waarvoor wij tot nog toe
bewaard bleven. Ik moet blijven, en mij met nieuwe kracht en nieuwen
moed aangorden, om voor de vrijheid en de welvaart der Hellenen
te kampen. Dat is het levensdoel, dat ik mij zelve heb gesteld. En
deze taak zal ik te getrouwer vervullen, daar het maar hoogst zelden
gebeurt, dat eene vrouw zich aan zulk een levensdoel kan wijden. Velen
zullen mijn streven onvrouwelijk noemen, het zij zoo. In dezen nacht,
dien ik onder tranen heb doorwaakt, ondervond ik, dat er nog veel, zeer
veel van die vrouwelijke zwakheid in mij woont, die tegelijk het geluk
en het ongeluk van mijn geslacht uitmaakt. Deze zwakheid, gepaard met
een teeder, vrouwelijk gevoel in zijne hoogste ontwikkeling, bij mijne
kleindochter aan te kweeken, is de eerste plicht, dien ik mij zelve heb
opgelegd; de tweede is, bij mij zelve alle weekelijkheid te overwinnen.

»Maar het is onmogelijk strijd te voeren tegen zijne natuur, zonder
soms eene nederlaag te lijden. Zoodra eenige smart mij dreigt neêr te
drukken, of ik gevaar loop tot wanhoop te geraken, dan zoek en vind ik
alleen hulp en troost in de woorden van Pythagoras, den uitnemendste
aller menschen, den trouwste aller vrienden, en bij de herinnering
zijner waarschuwing: Houd in alle dingen den middelweg, hoed u voor
uitgelatene vreugde, evenzeer als voor buitensporige droefheid,
en streef er steeds naar, dat de stemming uwer ziel harmonisch en
welluidend zij, gelijk de snaren eener zuiver gestemde harp!" Dezen
Pythagorischen zielevrede, deze diepe, ongestoorde gemoedsrust,
aanschouw ik dagelijks in mijne Sappho, en ik tracht onophoudelijk ze
ook tot mijn eigendom te maken. De strijd valt soms onbegrijpelijk
zwaar, daar het noodlot met zijne ruwe grepen maar al te dikwijls
de snaren van het speeltuig mijns harten ontstemt. Maar nu ben ik
kalm en rustig!--Gij kunt niet begrijpen, welk eene macht de gedachte
alleen aan dien grootste aller denkers, aan dien stillen, wijzen man,
op mij uitoefent. Als hij mij voor den geest staat, is het alsof eene
zachte liefelijke toon de snaren mijner ziel doet trillen. Ook gij
hebt hem gekend en moet verstaan, wat ik niet in woorden vermag uit
te drukken.--En nu bid ik u, mij de reden van dit uw bezoek te doen
kennen. Mijn hart is rustig, als de wateren van den Nijl, die zoo
stil en zonder eenige stoornis ons voorbijvlieten. Hetzij gij goede,
hetzij gij kwade tijding brengt, ik ben bereid, u te hooren."

»Thans herken ik u weder," sprak de Athener. »Waart gij den edelen
vriend der wijsheid, gelijk Pythagoras zichzelf placht te noemen
[88], eerder gedachtig geweest, zoo zou uwe ziel reeds gisteren tot
hare gewone kalmte zijn gekomen. De meester geeft den raad, zich
iederen avond de gebeurtenissen, gewaarwordingen en gedachten van den
verloopen dag nog eens voor den geest te brengen. Hadt gij dat gedaan,
dan zoudt gij hebben ingezien, dat de ongeveinsde bewondering van
al uwe gasten, onder welke zich mannen van uitstekende verdiensten
bevonden, ruimschoots tegen den smaad van een onbesuisden dronkaard
opwoog. Gij hadt moeten begrijpen, dat gij toch inderdaad eene vriendin
der goden zijt. Want het was in uw huis, dat de onsterfelijken een
edelen grijsaard, na jaren van tegenspoed, de hoogste zaligheid lieten
smaken, die ooit een mensch ten deel kan vallen. Ja, zij ontnamen u
een vriend, om u echter in denzelfden stond een anderen, veel beteren
te schenken. Spreek mij niet tegen, en vergun mij thans u met mijn
verzoek bekend te maken.

»Gij weet dat men mij nu eens een Athener, dan weêr een Halicarnassiër
[89] noemt. De Jonische, Aeolische en Dorische soldaten hebben zich
van oudsher nooit goed met de Carische kunnen verstaan. Daarom kwam
mij, den aanvoerder van beide legerafdeelingen, mijne afkomst van,
ik zou wel haast mogen zeggen drie stammen, bijzonder te stade. Welke
uitnemende eigenschappen Aristomachus ook bezit, Amasis zal mij toch
missen, want het viel mij gemakkelijk de eendracht in het leger te
bewaren, terwijl de Spartaan tegenover de Cariërs dikwerf op groote
zwarigheden stooten zal.

»Deze mijne dubbele afkomst heeft haar grond hierin, dat mijn vader
met eene Halicarnassische vrouw uit een edel Dorisch geslacht gehuwd
was, en met mijne moeder juist op het tijdstip mijner geboorte te
Halicarnassus vertoefde, waarheen zij zich hadden begeven, om bezit
te nemen van de nalatenschap harer ouders. Ofschoon men mij reeds
in de derde maand mijns levens naar Athene terugbracht, ben ik toch
eigenlijk een Cariër, want, waar een mensch geboren wordt, daar is
zijn vaderland.

»Te Athene werd ik, als jong Eupatride [90] uit het aanzienlijke,
aloude geslacht van Ajax, met al de weelde en al den rijkdom
van een Attisch edelman grootgebracht en opgevoed. De dappere en
wijze Pisistratus, gesproten uit een geslacht, dat wel van gelijke
afkomst was als het onze, maar ons in macht en invloed volstrekt
niet overtrof--er bestaat geen aanzienlijker stamhuis dan dat mijns
vaders--wist zich tot alleenheerscher te verheffen. Aan de vereende
pogingen van den adel gelukte het tot tweemaal hem ten val te
brengen. Toen hij ten derden male, door Lygdamis van Naxos en door
de bewoners van Argos en Eretria ondersteund, wilde terugkeeren,
stelden wij ons tegen hem. Wij hadden ons gelegerd nabij den tempel
van Athene op Pallene [91]. Terwijl wij vóor het ontbijt aan de godin
offerden, verraste ons de listige tyran, overviel onze ongewapende
manschappen, en behaalde eene gemakkelijke overwinning, zonder een
druppel bloeds te storten. Daar aan mij het bevel over de helft der
troepen was opgedragen, besloot ik liever te sterven, dan mijn post
te verlaten. Ik streed als een razende, bezwoer mijne soldaten stand
te houden en verloor ook geen duimbreed gronds. Doch eene noodlottige
speer wondde mijn schouder en ik viel.

»Pisistratus en de zijnen werden meester van Athene. Ik vluchtte naar
Halicarnassus, mijn tweede vaderland, waarheen mij mijne vrouw met
onze kinderen volgde. Mijn naam was niet geheel onbekend, daar ik eene
overwinning in de Pythische spelen [92] behaald en nog eenige andere
dappere daden verricht had. Men benoemde mij dus tot overste bij het
leger in Egypte. Ik maakte den veldtocht op Cyprus mede, deelde met
Aristomachus den roem, de geboorteplaats van Aphrodite voor Amasis
gewonnen te hebben, en werd ten laatste tot opperbevelhebber van al
de troepen in Egypte verheven.

»Den vorigen zomer stierf mijne vrouw. Mijne kinderen, een knaap
van elf en een meisje van tien jaren, bleven bij hunne moei te
Halicarnassus. Ook deze werd de prooi van den onverbiddelijken Hades
[93]. Nu heb ik de kleinen eenige dagen geleden hierheen ontboden. Zij
kunnen evenwel niet vroeger dan over drie weken te Naucratis zijn,
en zullen reeds zijn afgereisd, alvorens zij een tegenbevel van mij
kunnen ontvangen. Binnen veertien dagen moet ik Egypte verlaten, en kan
dus zelf mijne lievelingen niet afwachten. Ik ben besloten, mij naar
den Thracischen Chersonesus te begeven, waar, gelijk gij weet, mijn oom
door den stam der Dolonkers [94] tot vorst is verheven. Daarheen moeten
de kinderen mij volgen. Korax, mijn oude trouwe slaaf, zal te Naucratis
blijven om ze tot mij te brengen. Wilt gij thans metterdaad toonen,
dat gij mijne vriendin zijt, zoo ontvang die kleinen in uw huis; zorg
voor hen tot er een schip naar Thracië onder zeil gaat, en verberg ze
zorgvuldig voor de blikken van de spionnen van den kroonprins Psamtik
[95]. Gij weet, dat deze mij een doodelijken haat heeft gezworen,
en zich gaarne in de kinderen op den vader zou wreken.--Ik kom tot u
met deze bede, ten eerste wijl ik uw goed hart ken; ten andere omdat
uw huis, krachtens den vrijbrief des konings, die het tot een asyl
heeft gemaakt, de kinderen voor alle nasporingen der politie-beambten
vrijwaart. Want deze personen moeten, in dit land van formaliteiten,
kennis nemen van alle vreemdelingen, zelfs al zijn dit kinderen,
om daarvan aangifte te doen bij de district-beambten.

»Gij ziet, hoezeer ik u hoogschat, want ik vertrouw u het eenige toe,
wat mij nog waarde doet hechten aan mijn leven. Zelfs het vaderland
heeft voor mij niets aantrekkelijks, zoolang het zich onder den voet
des geweldenaars kromt. Welnu, vriendin, wilt gij aan het gefolterde
vaderhart de rust hergeven, wilt gij...?"

»Ik wil, ik wil, Phanes!" antwoordde Rhodopis met ongeveinsde
blijdschap. »Gij hebt mij geene bede gedaan, gij hebt mij een voorrecht
geschonken. O, reeds nu verheug ik mij bij de gedachte aan de lieve
kleinen! En hoe verrukt zal Sappho zijn, als die aardige schepseltjes
hare eenzaamheid komen vervroolijken! Maar dit zeg ik u vooruit,
Phanes, met het eerste het beste Thracische schip laat ik mijne jonge
gasten niet weggaan. Gij kunt het nog wel een half jaartje langer
zonder hen uithouden, want ik sta er voor in, dat zij voortreffelijk
onderricht zullen genieten, en dat hun al wat waarlijk schoon en goed
is dagelijks zal worden voorgehouden."

»Wat dat aangaat, ben ik volkomen gerust," hernam Phanes met een
dankbaren glimlach; »maar ik sta er bepaald op, dat gij de beide
wildzangen met het eerste schip het beste laat vertrekken. Mijne vrees
voor de wraakzucht van Psamtik is, helaas! maar al te gegrond. En
ontvang nu bij voorbaat reeds mijn hartelijken dank voor uwe liefde
en goedheid jegens mijne kinderen. Overigens geloof ik zelf, dat
de afleiding, door het gezelschap van twee zulke vroolijke gasten,
aan uwe Sappho in hare eenzaamheid goed zal doen."

»En eindelijk," liet Rhodopis met neergeslagene oogen volgen, »kan
dit bewijs van vertrouwen duizendvoudig opwegen tegen den hoon,
mij door een dronkaard aangedaan.--Daar komt Sappho!"



VIERDE HOOFDSTUK.


Vijf dagen na dien merkwaardigen avond in het huis van Rhodopis,
heerschte er eene meer dan gewone drukte aan de haven van
Saïs. Egyptenaren van iederen leeftijd, van allerlei rang, stand
en geslacht, stonden dicht opeengepakt aan den waterkant. Soldaten,
en kooplieden in witte, met veelkleurige franjes omzoomde kleederen,
welker meerdere of mindere lengte afhankelijk was van den hoogeren of
lageren rang dergenen, die ze droegen, bewogen zich onder eene groote
menigte gespierde, halfnaakte mannen uit de laagste volksklasse, wier
eenige kleeding slechts uit een schort bestond. Geheel ongekleede
kinderen verdrongen, stompten en sloegen elkaar, om toch de beste
plaatsen in te nemen. Moeders, met korte mantels om de schouders
[96], hielden hare kleinen in de hoogte, al moesten ze daardoor ook
het voorrecht missen om zelf iets van het verwachte schouwspel te
zien te krijgen. Een tal van honden en katten basten en miauwden, en
zaten elkander na tusschen de voeten der nieuwsgierigen, die uiterst
voorzichtig waren, om toch geen der heilige dieren te trappen of
te bezeeren.

Overal liepen politie-agenten rond, met lange stokken [97] in de hand,
welker metalen knoppen den naam des konings droegen. Zij hadden voor
rust en orde te waken, maar vooral daarvoor, dat niemand door het
gedrang der achteraf staanden in het water viel. Want de arm van den
Nijl, die gedurende den overstroomingstijd de muren van Saïs bespoelde,
was hoog gezwollen. En het bleek niet zelden, dat de voorzorgen dezer
beambten allesbehalve overbodig waren.

Aan de breede met sphinxen bezette oevertrappen, de aanlegplaats der
koninklijke barken, had zich eene geheel andere klasse van menschen
verzameld. Hier zaten op steenen banken de voornaamste priesters, deels
in lange witte gewaden, deels met een schort, kostbare bandelieren,
breed halssieraad en panterhuiden gekleed. Sommigen droegen met
vederen bezette banden, die zij om het voorhoofd, de slapen en
de dichte, valsche haarlokken, die op den rug nedervielen, hadden
bevestigd. Anderen schenen te willen pronken met hunne zorgvuldig
geschorene, glinsterende kale schedels, die meestal goed gevormd
waren. Onder hen was de opperrechter aanstonds te herkennen, want zijn
hoofdtooisel was versierd met eene schoone, golvende struisveder,
en eene kostbare amulet van saffier hing, aan eene gouden keten,
op zijne borst [98].

De bevelhebbers van het Egyptische leger droegen veelkleurige
wapenrokken en korte zwaarden in hunne gordels. Eene afdeeling van de
lijfwacht, met strijdbijlen, dolken, bogen en groote schilden gewapend,
stond ter rechterzijde van de trap geschaard. Ter linkerzijde had
men de Grieksche soldaten geplaatst, uitgedost in hun Jonischen
wapentooi. Hun nieuwe aanvoerder, de ons welbekende Aristomachus,
stond met eenige Grieksche onderbevelhebbers, van de Egyptenaren
afgezonderd, naast de kolossale standbeelden van Psamtik I, die, met de
aangezichten naar den stroom gekeerd, op het plein boven de trap waren
opgericht. Vóor de trap zat de kroonprins Psamtik, op een zilveren
troon. Hij droeg een bonten met gouddraad doorweven rok, die hem eng
om het lichaam sloot. Rondom hem stonden de voornaamste hovelingen,
kamerheeren, raadslieden en vrienden des konings, die staven in de
handen hielden, met pauwenvederen en gouden lotusbloemen versierd [99].

De volksmenigte had al lang, door schreeuwen, zingen en onderling
twisten, duidelijke teekenen van haar ongeduld gegeven. De priesters
en rijksgrooten daarentegen, die wij nabij de trap hebben opgemerkt,
keken met waardigheid en zwijgend voor zich. Ieder van deze afgemetene,
onbeweeglijke mannen in het bijzonder, met zijne stijve krulpruik
[100] en zijn valschen, regelmatig gekroesden baard, had bijzonder
veel overeenkomst met die, onderling volkomen op elkander gelijkende
standbeelden, die rustig, ernstig en met onafgewend gelaat in den
stroom zaten te turen, en onbeweeglijk op hunne plaatsen bleven.

Eindelijk werd men in de verte de zijden, purperrood en blauw geruite
zeilen [101] van schepen gewaar. Het volk hief een luiden jubelkreet
aan. »Daar komen ze, daar zijn ze!" riep men, terwijl het gedrang
toenam.--»Pas op, dat ge niet op dat katje trapt!"--»Minne, houd
het meisje wat hooger, opdat het ook wat te zien krijge van al dat
moois!"--»Heila! je zult me nog in 't water duwen, Sebek!"--»Zie
dan toch toe, Phoeniciër, die jongens werpen klissen in je langen
baard!"--»Nu, nu, Helleen, je moet niet denken dat je in Egypte den
baas moogt spelen, omdat Amasis je toestaat aan de oevers van den
heiligen stroom te wonen!"--»Onbeschaamd volk, die Grieken! Weg met
hen!" riep een tempeldienaar.--»Weg met de zwijneneters [102], die
verachters der Goden!" klonk het van alle zijden. Reeds dreigde men tot
dadelijkheden over te gaan. Maar de politie-agenten toonden, dat zij
hier niet voor niets waren. Spoedig herstelden ze orde en rust, daarbij
een krachtig gebruik makende van hunne lange stokken. De groote bonte
zeilen, die zeer gemakkelijk te onderscheiden waren van de blauwe,
witte en bruine zeiltjes der kleine Nijlvaartuigen, kwamen intusschen
al nader en nader. De menigte was in gespannen verwachting. Thans
rezen de grootwaardigheidsbekleeders en de kroonprins van hunne
zitplaatsen op. De koninklijke trompetters deden eene schetterende,
oorverdoovende fanfare door de lucht weerklinken, en de eerste der met
ongeduld verbeide barken legde voor de oevertrap aan. Het vrij lange
vaartuig was rijk verguld, en voerde op den boeg het zilveren beeld
van een sperwer. In het midden van de bark was een gouden baldakijn
opgericht, met purperen hemel, waaronder lange matrassen lagen. Vóór
in het schip zaten aan weerszijden twaalf roeiers, wier schorten met
kostbare gordels waren vastgesnoerd [103].

Onder den troonhemel lagen zes mannen, allen sierlijk uitgedost en van
een statig voorkomen. Eer nog de bark aan den oever landde, sprong
de jongste hunner, die ook de voornaamste in rang scheen te zijn,
een schoon jongeling met blonde lokken, op de trap. Bij het zien van
dezen jongen man konden de lippen van menige Egyptische maagd een lang
gerekt »Ah!" niet weerhouden. Ja zelfs de strakke gelaatstrekken van
eenige waardigheidsbekleeders plooiden zich tot een welgevallig lachje.

Hij, die aldus zoo algemeen de bewondering en de aandacht trok, was
Bartja [104], zoon van den overledenen en broeder van den regeerenden
koning van Perzië. De natuur had hem alles geschonken, wat een
jeugdig hart op twintigjarigen leeftijd zou kunnen wenschen. Van
onder de blauwe en witte banden, waarmede zijne tiara omwonden was,
kwamen dichte, goudgele haren in weelderige lokken te voorschijn. Uit
zijne helderblauwe oogen straalden levenslust, goedheid en dapperheid,
ja vermetelheid. Zijn edel gelaat, dat de eerste sporen vertoonde van
een baard, zou een waardig model zijn geweest voor den beitel van een
Griekschen beeldhouwer. Zijne ranke, gespierde gestalte getuigde van
groote kracht en ongemeene vlugheid. De pracht van zijn gewaad was
evenredig aan zijne schoonheid. In het midden van zijne tiara fonkelde
eene groote ster van diamanten en turkooizen. Zijn tot over de knie
reikend opperkleed van zwaar wit goudbrocaat, werd boven de heupen
door een gordel van blauw en wit [105] bijéengehouden. In dezen gordel
hing een kort zwaard met gouden scheede, die evenals het gevest, tot
overladens toe, met witte opalen en blauwe turkooizen bezet was. De
benedenkleederen. die nauw om de beenen sloten, bestonden evenals het
opperkleed uit goudbrocaat. Aan de voeten droeg hij lage schoenen van
lichtblauw leder. Zijne krachtige armen, die de wijde lange mouwen van
zijn kleed voor een groot deel zien lieten, waren met onderscheidene
kostbare armbanden van goud en edelgesteente versierd. Van zijn slanken
hals hingen gouden ketens tot op de hooggewelfde borst neder [106].

Deze jongeling was de eerste, die den oever betrad. Hem volgde Darius,
de zoon van Hystaspes, een aanzienlijke Pers, evenals Bartja van
koninklijken bloede en slechts weinig minder kostbaar gekleed dan
deze. De derde persoon die de bark verliet, was een grijsaard met
sneeuwwitte haren. Op zijn vriendelijk, zacht gelaat zetelden de
goedheid van het kind, de wijsheid van den ouderdom en de krachtige
geest van den man. Hij droeg een langen, purperkleurigen rok met
mouwen, en gele Lydische laarzen [107]. Zijn geheele voorkomen was
hoogst eenvoudig en zonder eenige aanmatiging. En toch was deze
nederige grijsaard eenmaal de meest benijdde man van zijn tijd,
met wiens naam thans nog het toppunt van aardschen rijkdom wordt
uitgedrukt. In hem leeren wij Cresus, den onttroonden koning van Lydië
kennen, die thans als vriend en raadsman aan het hof van Cambyzes
leefde, en den jongen Bartja als mentor naar Egypte vergezelde. Hem
volgden Prexaspes, de eigenlijke gezant van den koning, Zopyrus, de
zoon van Megabyzus, een Pers van adel, de vriend van Bartja en Darius,
en eindelijk Gyges, de magere, bleeke zoon van Cresus, die, in zijn
vierde levensjaar stom geworden, tengevolge van den doodsangst, dien
hij bij de inneming van Sardes ter wille van zijn vader had uitgestaan,
de spraak teruggekregen had.

Psamtik steeg de trappen af en ging de vreemdelingen tegemoet,
intusschen beproevende zijn geelachtig, streng gelaat tot een minzamen
glimlach te plooien. De waardigheidsbekleeders, die hem volgden, bogen
zich bijkans ter aarde, terwijl zij de armen slap lieten neerhangen. De
Persen kruisten de handen over de borst, en wierpen zich voor den
kroonprins neder. Toen de eerste plichtplegingen voorbij waren, kuste
Bartja, volgens de gewoonte van zijn land, tot groote verbazing van
het volk, dat zoo iets nog nooit had aanschouwd, de gele wang van
den Egyptischen koningszoon, wien eene rilling door de leden ging bij
deze aanraking van de onreine lippen eens vreemdelings. Hierna begaf
hij zich met zijn gevolg naar de draagstoelen, die gereed stonden om
allen naar de voor hen in het koninklijk paleis te Saïs gereedgemaakte
verblijven te brengen.

Een deel van het volk stroomde de vreemdelingen achterna; de meeste
toeschouwers bleven echter waar zij waren, wetende, dat zij nog
vele dingen zouden aanschouwen, die hunne oogen nooit te voren
hadden gezien.

»Zoudt gij dien opgeschikten aap, en die andere Typhonskinderen [108]
naloopen?" vroeg een tempeldienaar, die alles behalve in zijn humeur
was, zijn buurman, een eerzamen kleermaker uit Saïs.

»Ik verzeker u, Poehor, en ook de opperpriester heeft het gezegd,
dat deze indringers niets dan onheil over het zwarte land [109]
brengen! Och, konden wij dien goeden ouden tijd nog eens beleven, toen
geen vreemdeling, die zijn leven liefhad, den voet op Egyptischen bodem
durfde zetten. Thans wemelen letterlijk onze straten van Hebreeuwsche
bedriegers, maar vooral van die onbeschaamde Hellenen, die de Goden
mogen verdelgen. Daar, zie eens aan, dat is reeds de derde bark vol
vreemdelingen. En weet gij, wie die Persen zijn? De opperpriester heeft
gezegd, dat in hun gansche rijk, hetwelk de halve wereld omvat, geen
enkele tempel is voor de goden. Zij laten de lijken hunner dooden,
in plaats van ze eene eervolle begrafenis te gunnen, door de honden
en gieren opeten [110]."

De kleermaker toonde zich over deze mededeeling niet weinig verbaasd en
nog meer verontrust. Met den vinger naar de aanlegplaats wijzende, riep
hij uit: »Zoo waarachtig als de zoon van Isis den Typhon vernietigt:
daar komt nu het zesde schip met vreemdelingen aan wal!"

»Ja, wel is het erg!" zuchtte de tempeldienaar. »Men zou haast
denken, dat een geheel leger in aantocht was. Amasis zal het nog
zoover drijven, dat hem de vreemdelingen van den troon en het land
uit jagen; dat zij ons armen, evenals weleer de booze Hyksos [111],
die pestmenschen, en de zwarte Ethiopiërs hebben gedaan, uitplunderen
en tot slaven maken."

»De zevende bark!" riep de kleermaker.

»Mijne gebiedster Neith, de groote godin van Saïs, moge mij verderven;"
klaagde de tempeldienaar, »als ik den koning begrijp! Drie schepen
heeft hij naar dat vervloekte giftnest Naucratis gezonden, om de
bedienden en de pakkage der Perzische gezanten herwaarts over te
brengen. Maar die drie bleken bij lange na niet voldoende; nog vijf
andere schepen waren er noodig. Want behalve eene ongehoorde menigte
keukengereedschappen, honden, paarden, wagens, kisten, manden en balen,
hebben deze verachters der goden, deze lijkenschenners, een heir van
knechten duizend mijlen ver hierheen gevoerd. Onder dezen moeten er
zijn, die niets te doen hebben, dan kransen te vlechten of zalven
te bereiden [112]. Ook priesters, die zij magiërs noemen, hebben zij
bij zich. Nu zou ik wel eens willen weten, waarom zij er deze op na
houden? Want wat beduidt een priester waar niet eens een tempel is?"



De grijze koning van Egypte, Amasis, had het Perzische gezantschap,
kort na zijne aankomst, met de hem zoo eigene minzaamheid bij zich
ten gehoore ontvangen. Vier dagen later ging hij, na de bezigheden,
waaraan hij zich geregeld iederen morgen wijdde, te hebben afgedaan,
met den ouden Cresus in den tuin van het paleis wandelen, terwijl de
overige leden van het gezantschap, onder geleide van Psamtik, een
tochtje op den Nijl naar Memphis deden. De koninklijke tuin, die,
hoewel volgens een veel grootscher plan, in denzelfden geest als
die van Rhodopis was aangelegd, bevond zich nabij den koningsburg,
die in het noordwestelijk gedeelte der stad op een heuvel was gelegen.

De beide grijsaards zetten zich neder onder het lommer van eene
breedgetakte sykomore, niet ver van een reusachtig bekken uit rood
graniet gehouwen, waarin krokodillen van zwart bazalt, uit wijdgeopende
muilen, een overvloed van kristalhelder water spoten. Was de onttroonde
koning ook al eenige jaren ouder dan de machtige vorst aan zijne zijde,
zijn gelaat was toch veel frisscher en zijne gestalte veel krachtiger
dan die van Amasis. Deze, ofschoon overigens hoog gebouwd, ging reeds
gebogen; de beenen die zijn groot lichaam droegen waren bijzonder
schraal; zijn aangezicht was welgevormd, maar reeds gerimpeld. Een
jeugdig vuur straalde nog altijd uit zijne kleine, bliksemende oogen,
en een schalke, ja dikwerf spotachtige trek speelde voortdurend om
zijne dikke lippen. Het lage doch breede voorhoofd van den grijsaard
en zijn groote, schoongewelfde schedel getuigden van de kracht zijns
geestes [113]. De afwisselende kleur van zijn oog liet vermoeden,
dat deze zeldzame man, die zich van gemeen soldaat tot den troon der
pharao's had weten te verheffen, groote schranderheid bezat, doch ook
de macht der hartstochten kende. Zijn stemgeluid was hard en snijdend,
zijne bewegingen waren, in tegenstelling met de afgemetenheid van
den geheelen Egyptischen hofstoet, bijkans overdreven levendig.

De houding van zijn metgezel was een koning waardig, doch tegelijk
bevallig. Zijn geheele wezen verried, dat hij veel met de edelste
Grieken verkeerd had. Thales, Anaximander en Anaximenes van Milete,
Bias van Priëne, Solon van Athene, Pittacus van Lesbos, de beroemdste
Helleensche wijsgeeren, hadden zich weleer als gasten aan den disch
van Cresus te Sardes vereenigd. Zijne volle, heldere stem klonk als
liefelijk gezang, bij het schrille geluid van Amasis.

»Maar zeg mij thans onbewimpeld," sprak de pharao, in tamelijk vloeiend
Grieksch, »hoe Egypte u bevalt. Ik weet niemand, op wiens oordeel
ik hoogeren prijs stel, dan op het uwe. Want vooreerst kent gij de
meeste volken en landen van de wereld, ten andere hebben de goden u
de geheele ladder der fortuin op en af doen stijgen, ten derde zijt
gij niet tevergeefs zoo lang de eerste raadsman van den machtigste
aller koningen geweest. Ik zou wel willen, dat mijn rijk u zoo beviel,
dat gij genegen waart, als een broeder bij mij te blijven. Waarlijk,
Cresus, schoon de goden mij eerst gisteren uw aangezicht hebben doen
aanschouwen, zijt gij toch reeds lang mijn vriend."

»En gij de mijne," haastte de Lydiër zich te zeggen. »Ik bewonder
u om den moed, waarmede gij uwe omgeving trotseert, en weet door te
zetten wat gij goed oordeelt. Ik ben u dankbaar voor de bescherming,
die gij mijne vrienden, de Hellenen, verleent. Ik beschouw u als een
lotgenoot, want ook gij hebt al het wèl en wee, dat het leven bieden
kan, bij ervaring leeren kennen!"

»Met dit onderscheid echter," hernam Amasis glimlachend, »dat wij
op zeer verschillende wijze begonnen zijn. U viel eerst het goede,
daarna het kwade ten deel. Mij ging het juist omgekeerd, altijd
namelijk onderstellende," vervolgde hij zuchtende, »dat ik mij in
mijn tegenwoordigen toestand gelukkig gevoel."

»En ook," vulde Cresus aan, »dat ik onder mijn zoogenaamd ongeluk
lijde."

»Hoe zou dit anders kunnen zijn, na het verlies van zulk een heerlijk
rijk en zoo groote schatten?"

»Is dan het geluk alleen te vinden in het bezit van aardsche goederen
of macht?" vroeg Cresus. »Is het wel in iets stoffelijks gelegen? Geluk
is niets anders dan eene gewaarwording, een gevoel, dat de wangunstige
goden eer den behoeftige schenken, dan den machtige, wiens anders zoo
heldere blik niet zelden door den glans van zijne schatten verblind
wordt, en wiens hart bloedt bij elke nederlaag. Zich bewust van
zijn kracht om veel te erlangen, moet hij telkens onderliggen in den
strijd om het bezit van alle goederen, die hij zou wenschen de zijne
te noemen, maar niet verkrijgen kan."

Amasis zuchtte weder en antwoordde: »Ik wenschte wel, dat ik u van
dwaling kon overtuigen. Maar wanneer ik mij mijn verleden herinner, dan
moet ik bekennen, dat sedert het uur, hetwelk mij het zoogenoemde geluk
aanbracht, ook de zorgen mijns levens zich begonnen te doen gevoelen."

»En ik verzeker u," liet Cresus er dadelijk op volgen, »dat ik
u dankbaar ben voor dit woord, al hebt ge het ook uws ondanks
gesproken, daar mij het uur, dat voor mij zoo noodlottig was, het
eerste waarachtige geluk te smaken gaf. Toen de Persen de muren van
Sardes beklommen, verwenschte ik mijzelven en de goden; haatte ik het
leven en vloekte ik mijn bestaan. Al vechtende week ik in vertwijfeling
met de mijnen terug. Daar zwaaide een krijgsknecht zijn zwaard over
mijn schedel; mijn sedert jaren stomme zoon viel den moordenaar in de
armen, en wederom hoorde ik het eerste woord uit dien dierbaren mond,
die door den angst was ontsloten. De tong van mijn spraakloos kind
Gyges was ontboeid, en ik, die de goden had gevloekt, boog mij voor
hun macht. Ik ontrukte den slaaf het staal, waarmede ik hem bevolen
had mij te dooden, als ik in de hand der Persen viel. Ik was een ander
man geworden en leerde langzamerhand de telkens weder boven komende
ontevredenheid over mijn lot en den weerzin tegen mijn edelen vijand
bedwingen. Gij weet, dat ik eindelijk Cyrus' vriend werd; dat mijn
zoon, die het gebruik van zijn spraakvermogen behield, naast mij als
vrij man mocht opgroeien. Al wat ik schoons in mijn langdurig leven
had gezien, gehoord en gedacht, vereenigde zich van nu aan voor mij in
dien eenigen, die mijn rijk, mijne kroon, mijn schat was geworden. Als
ik zag hoe de zorgen Cyrus dag noch nacht rust lieten, kreeg ik een
afkeer van mijne eigene vroegere grootheid en macht, en werd het mij
steeds duidelijker, waar het waarachtig geluk te vinden is. Een ieder
draagt het als eene verborgene kiem in zijn hart om. De tevredenheid en
het geduld, die den mensch in staat stellen zich niet alleen over het
groote en schoone, maar ook over den geringsten zegen te verblijden,
het leed zonder klachten aan te nemen, en het door de gedachten aan
een beter verleden te verzachten; dat zich zelven gelijkblijven onder
alle omstandigheden; het onwankelbaar vertrouwen op de bescherming
der goden, en de overtuiging, dat ook het ergste ons voorbijgaat,
wijl alles aan verandering en omkeer onderworpen is,--dit alles doet
ontwijfelbaar de in onze borst verborgene kiem des geluks rijpen,
en schenkt ons de kracht om te glimlachen, als het troetelkind van
de fortuin versaagt en vertwijfelt."

Amasis luisterde aandachtig toe, terwijl hij inmiddels met den gouden
kop van een hazewind op zijn staf figuren in het zand teekende. Hij
zeide daarop: »Inderdaad, Cresus, ik, de groote God, de zon der
gerechtigheid, de zoon van Neith, de heer van den krijgsroem [114],
gelijk de Egyptenaren mij noemen, zou u, den armsten, den beroofden
en onttroonden vorst haast kunnen benijden. In vroeger dagen was
ik even gelukkig als gij thans zijt. Geheel Egypte kende mij,
den armen zoon van een hoofdman, en gewaagde van mijne dartelheid,
mijne guitenstreken, mijne luchthartigheid en mijn aan roekeloosheid
grenzenden moed. De gemeene soldaat droeg mij op de handen. Mijne
meerderen vonden veel in mij te berispen; maar uit liefde voor
den dollen Amasis zag men alles door de vingers. Mijne makkers,
de onderbevelhebbers van het leger, hadden geen genoegen op het
heerlijkste feest, als ik er niet bij was.

»Op zekeren dag zond mijn voorganger, Hophra, ons ten strijde tegen
Cyrene. In de woestijn van dorst versmachtende, weigerden we verder
te trekken. Wij begonnen den koning te verdenken, dat hij ons in de
macht der Helleensche krijgsbenden wilde overleveren, en kwamen tot
openbaren opstand. Schertsend, als altijd, riep ik den vrienden toe:
Zonder koning kunt gij u niet redden, maakt mij dus tot uw vorst;
een vroolijker vindt gij zeker nergens! De soldaten hadden dit
woord vernomen. Amasis wil koning worden! klonk het van gelid tot
gelid, van mond tot mond. De goede, de vroolijke Amasis zij onze
koning! jubelde het gansche leger na weinige oogenblikken. Een mijner
oude tafelvrienden zette mij den veldheershelm op het hoofd, en toen
deed ik de scherts in ernst verkeeren. De hoofdmacht van het leger
sloot zich bij mij aan, en wij versloegen Hophra bij Momemphis. Het
volk nam aanstonds deel aan den opstand. Ik beklom den troon. Men
noemde mij gelukkig. Ik, die tot dusverre de vriend was van alle
Egyptenaren, werd spoedig de vijand van de besten in den lande.

»De priesters huldigden mij en namen mij in hunne kaste op, maar alleen
omdat zij hoopten mij geheel naar hunne hand te kunnen zetten. Zij,
die vroeger boven mij stonden, benijdden mij, of wilden op denzelfden
toon als voorheen met mij blijven verkeeren. Ik begreep dat dit niet
mogelijk was en mijn gezag zou ondermijnen. Op zekeren dag, toen de
oversten van het leger bij mij ter maaltijd waren en met mij wilden
schertsen, wees ik hun op het gouden bekken, waarin men, voor wij aan
tafel gingen, hunne voeten gewasschen had. Vijf dagen later waren
zij wederom mijne gasten, en toen deed ik een gouden beeld van den
grooten god Ra [115] op den rijk voorzienen disch plaatsen. Zoodra
zij het beeld zagen, vielen zij neder om te aanbidden. Toen zij
wederom waren opgestaan, greep ik mijn schepter, hield dien plechtig
in de hoogte en riep: Dit beeld van den God heeft een mensch in vijf
dagen vervaardigd uit het verachte bekken, in hetwelk gij spuwdet,
en waarin men uwe voeten wiesch. Ik zelf was eens zulk een veracht
vat; de godheid evenwel, die beter en sneller dan een goudsmid weet
te scheppen, heeft mij tot uw koning gemaakt. Valt dus voor mij neder,
en aanbidt. Wie ongehoorzaam is, of voortaan den eerbied, dien hij den
koning verschuldigd is, uit het oog verliest, is des doods schuldig.

»Zij vielen voor mij neder, allen. Mijne waardigheid was gered; maar
mijne vrienden had ik verloren. En nu gevoelde ik behoefte aan een
anderen, vasteren steun. Dezen vond ik bij de Hellenen. Éen Griek
is, wat de krijgstucht betreft, meer waard dan vijf Egyptenaren. Dat
wist ik, en met het oog hierop waagde ik het door te zetten, wat ik
voor mijzelven raadzaam achtte. Van toen af was ik altijd omringd
door Grieksche soldaten. Ik leerde hunne taal, en maakte door hunne
tusschenkomst kennis met den edelsten mensch, dien ik ooit ontmoette,
namelijk Pythagoras. Het werd mijn streven in Egypte Grieksche kunst en
Grieksche zeden in te voeren. Want ik was tot de overtuiging gekomen,
dat het allerdwaast is halsstarrig vast te houden aan het gebrekkige,
dat ons door de vaderen is overgeleverd; dat voor de hand lag wat
verbeterd moest worden; dat de Egyptische grond gereed was om het
goede zaad te ontvangen en slechts wachtte op de hand, die 't uit
zou strooien.

»Ik maakte eene nieuwe en veel doelmatiger rijksverdeeling,
nam de beste maatregelen voor de openbare veiligheid, en het
gelukte mij veel door te zetten. Mijn hoogste doel evenwel, om
namelijk den Griekschen geest, den Griekschen schoonheidszin, den
Griekschen levenslust en de vrije Helleensche kunst in dit schoone,
weelderige en toch nog zoo onbeschaafde land ingang te doen vinden,
leed schipbreuk op de klip, die mij, zoodra ik op iets nieuws het
oog had, met een volkomen ondergang bedreigde. De priesters binden
mij de handen en werken mij tegen. Zij zijn mijne meerderen. Zij,
die niet bijgeloovigen eerbied aan alle overleveringen gehecht zijn,
voor wie al het vreemde een gruwel is, en die in iederen buitenlander
een natuurlijken bestrijder zien van hun gezag en hunne leerstellingen,
regeeren het godsdienstigste van alle volkeren met bijna onbeperkte
macht. En dit is de oorzaak, dat ik hun mijne beste plannen ten offer
moet brengen; dat ik, de minst vrije in geheel Egypte, mijn leven
naar hunne strenge inzettingen doelloos moet laten voorbijgaan; dat
ik onvoldaan zal sterven, en misschien bij mijn dood niet eens zeker
zal zijn, dat deze toornige en trotsche middelaars tusschen den mensch
en de godheid mij de eeuwige ruste in het graf zullen gunnen!"

»Bij Zeus, den vader der goden en menschen, arme gelukkige!" viel
Cresus thans meewarig den koning in de rede, »ik begrijp uwe
klacht. Want hoewel ik gedurende mijn langdurig leven reeds menigeen
heb gekend, die somber en afgetrokken zijne dagen sleet, zoo kon ik
toch niet denken, dat er een geheel geslacht van menschen zou bestaan,
die allen met dezelfde somberheid bedeeld zijn, gelijk de slangen met
gifttanden. Zoovele priesters als ik op mijne reize hierheen en aan uw
hof ontmoet heb, zoovele norsche en wrevelige aangezichten heb ik ook
gezien. Zelfs de jongelingen die u bedienen, zag ik zelden lachen;
en vroolijkheid pleegt toch, als de schoonste gave der godheid,
een kenmerk der jeugd te zijn, gelijk de bloemen dat der lente."

»Gij zoudt u zeer vergissen," antwoordde Amasis, »indien gij alle
Egyptenaren voor sombere menschen wildet houden. Onze godsdienst
eischt wel, dat wij steeds ernstig aan den dood zullen denken,
maar overigens zult gij ternauwernood een volk vinden, dat zoo
geneigd is tot vroolijke scherts. Is er aanleiding tot feestvreugde,
geen volk zal zoo gemakkelijk alle zorgen vergeten en zoo uitgelaten
jubelen als het mijne. Maar uwe tegenwoordigheid aan mijn hof is den
priesteren een doorn in het oog, en zij laten mij hun wrevel over
mijne gemeenzaamheid met u als vreemdeling duidelijk gevoelen. Die
knapen op welke gij doelt, de zonen der aanzienlijksten onder hen, zijn
de grootste plaag van mijn leven. Zij bewijzen mij slavendiensten en
vliegen op elk mijner wenken. Men zou hen, die hunne kinderen eene zoo
nederige betrekking laten vervullen, oppervlakkig voor de gehoorzaamste
en eerbiedigste dienaren houden van een vorst, dien zij als een God
vereeren. Maar geloof mij, Cresus, juist achter dit offer van hunne
zijde, dat geen koning zonder te beleedigen van de hand kan wijzen,
schuilt eene fijne en listige berekening. Ieder dezer jongelingen is
mijn bewaker, mijn spion. Ik kan geene hand verroeren, zonder dat zij
het weten. En wat zij te weten komen, wordt in hetzelfde uur aan de
priesters overgebracht."

»Maar hoe kunt gij zulk een leven verdragen? Verban deze schandelijke
spionnen uit uwe tegenwoordigheid, en kies uwe dienaren, bijvoorbeeld
uit de kaste der krijgslieden, die u niet minder nuttig kan zijn dan
die der priesters."

»Kon ik maar, durfde ik slechts!" riep Amasis. Doch opeens ging hij
voort op zachter toon, als ware hij van zichzelf geschrikt: »Ik geloof
zeker dat men ons beluistert! Morgen zal ik het vijgenboschje daar
ginds laten uitroeien. Het is dien jongen, priesterlijken hovenier,
die daar de nog nauwelijks rijpe vijgen plukt, stellig om andere
vruchten te doen, dan die hij zoo langzaam in zijn korfje legt. Met
zijne hand zamelt hij het ooft in, en met zijn oor de woorden uit
den mond zijns konings..."

»Maar bij vader Zeus en Apollo!..."

»Ik begrijp uwe verbazing," vervolgde Amasis fluisterend, »en kan er
in deelen. Maar ieder recht brengt zijne plichten mede. Als koning
van dit land, waarin men de overlevering als hoogste godheid vereert,
moet ik mij aan het duizenden jaren oude hofceremoniëel, althans
voorzoover de hoofdzaak betreft, onderwerpen. Waagde ik het mijne
kluisters te verbreken, dan kon ik mij verzekerd houden, dat men
mijn lijk onbegraven zou laten liggen. Want weet, dat de priesters
over iederen afgestorvene een doodengericht houden, en een iegelijk
dien zij schuldig oordeelen de ruste van het graf ontzeggen [116]. De
genegenheid die zij voor mijn zoon koesteren, waarborgt mijne mummie
wel eene eerlijke begrafenis. Doch wat mijn lijk te wachten staat
van hen, die voor de doodenoffers moeten zorgen...."

»Wat bekommert ge u om het graf!" riep Cresus met eenigen wrevel. »Men
leeft voor het leven, niet voor den dood!"

»Zeg liever," hervatte Amasis, opstaande, »wij, die als Grieken
denken, achten een schoon leven het hoogste, wat een mensch ten deel
kan vallen. Ik echter, Cresus, dank mijn bestaan aan een Egyptischen
vader, ik ben door eene Egyptische moeder gezoogd, met Egyptische
spijze gevoed, en heb ik ook veel van de Hellenen overgenomen,
in mijn innerlijk wezen blijf ik toch steeds Egyptenaar. Wat ons
in onze kindsheid is aangeprezen, en in onze jeugd als heilig en
goed is voorgesteld, dat leeft in ons hart voort, totdat men ons
wikkelt in het lijkkleed der mummiën. Ik ben een grijsaard en heb
nog slechts een kort eindwegs af te leggen, om den grenspaal te
bereiken, waar de onbekende toekomst aanvangt. Zal ik nu, om mijne
nog weinige levensdagen te verzoeten, de duizenden jaren, die mij
bij den dood wachten, verbitteren? Neen, mijn vriend! juist hierin
ben ik Egyptenaar gebleven, dat ik als al mijne landgenooten vast en
zeker geloof, dat van het behoud mijns lichaams, de woning der ziel,
het geluk van mijn tweede leven [117] afhankelijk is, wanneer ik nog
niet waardig word bevonden om op te gaan in de wereldziel en, zelf
een bestanddeel dier ziel, als Osiris deel te nemen aan het bestuur
van al het geschapene. Maar genoeg van deze dingen, die gij toch niet
verstaat. Beantwoord liever mijne vraag: Hoe bevallen u onze tempels
en onze pyramiden?"

Cresus bedacht zich een oogenblik, waarna hij glimlachend antwoordde:
»De steenmassa's der pyramiden maken op mij den indruk, als waren zij
door de onmetelijke woestijn, de bonte zuilengangen uwer tempels, als
waren zij door de bloeiende lente geschapen. Maar terwijl de sphinxen,
die tot de tempelpoorten leiden, den weg naar het heiligdom wijzen,
zoo schijnen de steile, vestingachtige muren der pylonen opgetrokken om
ieder af te weren. Evenzoo hebben de veelkleurige hiëroglyphen-beelden
iets aantrekkelijks, maar geheimzinnig als ze zijn, schrikken zij
den onderzoekenden geest af. Overal staan beelden van uwe goden in
allerlei gestalten, zoodat men ze zien moet, of men wil of niet, en
toch vermoedt ieder, dat ze iets anders beteekenen dan zij voorstellen,
dat zij, naar ik hoor, de zinnebeelden zijn van diepe gedachten, die
maar weinige menschen begrijpen kunnen. Alles trekt mijne aandacht,
alles wekt mijne belangstelling, doch mijn warm gevoel voor het
schoone wordt door niets van wat ik zie weldadig aangedaan, veel
minder bevredigd. Indien mijn geest mocht willen indringen in de
geheimnissen van uwe wijze mannen, zou mijn hart en mijn verstand
toch zeker vreemd blijven aan de hoofddenkbeelden, waarop uw denken,
leven en streven berust. Zij schijnen mij te leeren, dat men het
leven heeft te beschouwen als eene korte bedevaart naar het graf,
den dood daarentegen als het eigenlijke, ware leven."

»En toch wordt ook door ons het leven, dat men door heerlijke feesten
opluistert, in zijne volle waarde erkend, heeft ook voor ons het graf
zijne verschrikkingen, en poogt men den dood te ontvluchten, wanneer
hij zich vertoont. Onze geneesheeren zouden niet zoo beroemd en geëerd
zijn, als men hun het vermogen niet toeschreef om ons aardsche leven
te verlengen. Doch dit doet mij aan den oogarts Nebenchari denken, dien
ik naar Susa zond, om den koning zijne diensten te bewijzen. Handhaaft
hij zijn roem, is men tevreden over hem?"

»Uitmuntend," antwoordde Cresus. »Zulke vertegenwoordigers der
wetenschap doen uw land eer aan. Het was ook Nebenchari, die Cambyzes
het eerst sprak over de bevalligheid uwer dochter. Reeds vele blinden
heeft hij hersteld, maar 's konings moeder mist helaas nog altijd het
gezicht. Wij bejammeren het slechts, dat hij alleen bedreven is in
de oogheelkunde. Toen de prinses Atossa de koorts had, was hij niet
te bewegen haar eenigen raad te geven."

»Dat is zeer natuurlijk, daar onze geneesmeesters ieder slechts éen
bepaald deel van het lichaam mogen behandelen. Wij hebben hier oor-,
tand- en oogartsen, dokters voor beenbreuken, en weer andere voor
inwendige ziekten. Overeenkomstig de oude priesterlijke verordeningen,
mag een tandendokter geen doove, een beenarts geen ingewandslijder
behandelen, ook al ware hij volkomen bekend met het geheele
inwendige samenstel van het lichaam [118]. Deze verordening heeft
ten doel, meerdere grondigheid in de beoefening van de geneeskunde
te bevorderen. Nu is het zeker ook waar, dat de priesters, waartoe de
artsen behooren, over het algemeen zich met hoogst loffelijken ernst op
de wetenschap toeleggen. Ginds ziet gij het huis van den opperpriester
Neithotep, wiens sterren- en meetkundige kennis zelfs door Pythagoras
hoog geroemd werd. Het staat naast den zuilengang, die tot den tempel
der godin Neith, de gebiedster van Saïs, toegang verleent. Ik wenschte
dat het mij geoorloofd ware, u het heilige bosch met zijne prachtige
boomen, de kostbare zuilen van het heiligdom, welker kapiteelen in den
vorm van lotusbloemen [119] zijn uitgehouwen, en de kolossale kapel van
graniet, die ik te Elephantine uit een enkelen steen liet vervaardigen,
tot een geschenk voor de godin [120], te toonen. De priesters hebben
mij echter uitdrukkelijk verzocht ook u niet verder te brengen dan
tot aan den ringmuur en het poortgebouw van den tempel. Kom, laat
ons thans tot mijne vrouw en dochters gaan, die u ook reeds als een
oud vriend liefhebben. Ik hoop, dat gij het arme kind zult bewijzen,
dat gij waarlijk haar vriend zijt, voordat gij met haar henen trekt
naar het verre land en tot de vreemde menschen, wier vorstinne zij
wezen zal. Niet waar, gij wilt toch wel haar beschermer zijn?"

»Verlaat u daarop," verzekerde Cresus, de hand drukkende, die Amasis
hem toereikte. »Ik wil uwe Nitetis als een vader ter zijde staan, en
mijne hulp zal niet gansch overbodig zijn. De vrouwenvertrekken der
Perzische paleizen hebben een glibberigen bodem. Maar ik verzeker u,
dat zij met achting en onderscheiding bejegend zal worden. Cambyzes
mag over zijne keuze tevreden zijn, en hij zal er zich zeker zeer
erkentelijk voor betoonen, dat gij hem uw schoonste kind hebt
afgestaan. Want ofschoon Tachot niet minder aanvallig schijnt dan
Nitetis, zoo onderscheidt deze laatste zich toch door hare fiere
houding, hetgeen eene toekomstige koningin van Perzië niet zal
misstaan. Nebenchari had slechts van uwe dochter Tachot gesproken."

»En toch geef ik u mijne schoone Nitetis mede. Tachot is zoo teer en
zwak, dat zij de vermoeienissen van de reis en de smart der scheiding
nauwelijks zou kunnen doorstaan. Handelde ik naar de inspraak van mijn
hart, zoo behield ik ook Nitetis bij mij. Maar Egypte heeft behoefte
aan vrede, en ik was koning eer ik vader werd!"



VIJFDE HOOFDSTUK.


De overige leden van het Perzische gezantschap waren van hun
tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen
Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naar Perzië
aanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag
zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste
drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat
uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten,
aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van
het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden
van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven,
allen in den rijksten feestdosch.

De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner
dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke
wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde
zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door
bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een
waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen
rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd
papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan
dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De
ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken,
bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een
aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke,
hoewel zeer eentonige melodieën ontvingen [121]. Op het midden van
den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd,
stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net
gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken,
glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de
tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die,
onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken
aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij
in leunstoelen gezeten.

Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan
de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke
dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig
aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van
het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde,
maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als
bij gelegenheid van de ontvangst der Perzische gezanten, gedroegen
zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder
welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was
er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die
nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel, "mestem"
[122] geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was
naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende
lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de
ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok
was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een
breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper,
gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne
hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem
gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne
met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische
gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige
vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met
gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al
de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk
door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo
uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder
de mannen de jonge Perzische koningszoon, Bartja, door schoonheid en
bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den
pharao, verreweg de bekoorlijkste onder al de Egyptische vrouwen. De
koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld,
met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens
gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem,
die het hoofd harer moeder sierde.

De koningin Ladice [123], eene geborene Griekin, de dochter van
Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen
aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een
doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte
purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden
Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen [124]. Haar
gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte
zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche
opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met
de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze
vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta [125],
de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.

De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis,
werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier
gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot
had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte
[126]. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en
haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst
verried.

»Wat ziet gij bleek, mijne dochter," sprak Ladice, Nitetis op de wang
kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik
stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja."

Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang
met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze
boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees
gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik,
dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het
hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot
held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der
vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen
geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie
Nitetis, wie ik nevens haar 'de roos' zou kunnen heeten, u bid ik om
vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven."

De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden
sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand
tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog
lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel
aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren
tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes,
slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen
en tamboerijns de grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten
toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers [127] hunne liederen,
en potsenmakers hunne grappen ten beste.

Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door
het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer
wisten te bewaren [128]. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde
draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels
droegen. Alleen de krijgsoversten, de Perzische gezanten en eenige
waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis, werden door den
hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen,
en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche
wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte,
tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.

Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan
zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus
geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao,
bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus
en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht
Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog
maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans
alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het
was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer
was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige
zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten
doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en
meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen,
zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had
haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde
mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep:
»Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult
gij aan deze gelijk zijn" [129].

»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op
deze wijze aan den dood te doen gedenken," vroeg Bartja, ernstiger
wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw
hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?"

»Sinds eeuwen," antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën
voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te
herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge
vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter,
vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht
te nemen.--Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik
des levens ongebruikt voorbijga!--Gij zijt een stevig drinker, gij
Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u
zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte
geschonken. Laat mij u kussen, mijn beste jongen, gij ondeugd!--Wat
zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand
anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik
en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben
gebracht.--Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een
man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij
uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naar Perzië!"

»Vader!" viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en
fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!" De
koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn
raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan
slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.

Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder
een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den
koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu
de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op
eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër,
of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gij Perzië verliet?"

Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus:
»De meeste bergen van het Perzische gebergte prijkten met heerlijk
groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn
hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het
heetst van den zomer de sneeuw niet smelt [130], en deze zagen wij
in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden."

Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker
uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte,
vroeg hem naar zijn naam.

»Ik heet Aristomachus."

»Dien naam heb ik meer gehoord."

»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden
naam als ik."

»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt
gij misschien een Spartaan?"

»Ik was het."

»Zoo zijt gij het dus niet meer?"

»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig."

»Verliet gij het vrijwillig?"

»Ja!"

»Waarom?"

»Om de schande te ontvluchten."

»Wat hadt gij misdreven?"

»Niets!"

»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?"

»Ja!"

»Wie was de bewerker van uw ongeluk?"

»Gij!"

Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den
Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook
de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit
vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten
Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.

De Spartaan aarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst
gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken
drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij,
Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen,
tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud,
dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg
Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer
dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan
te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij
Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare
mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust
van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd
ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan
Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld
kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld
om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde
men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne
onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht
mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet
sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom
hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij
tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht
mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit
houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne
wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar
toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik
te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen
strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij
geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader van dezen schoonen
jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd,
en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt."

Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering
aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in
vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen,
om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten
en eerbiedwaardigsten aller menschen!"

»Geloof mij jongeling," antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder
Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort
er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!"

»Maar gij, Bartja," riep Darius, de neef van den koning van Perzië,
»zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?"

Bartja bloosde, doch 't was hem aan te zien, dat ook hij den dood
boven de schande zou hebben verkozen.

»En gij, Zopyrus?" vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers
wendende.

»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven
verminken!" [131] riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner
beide vrienden.

Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges
en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren
wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde
de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van
het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer
een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar
zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij
van de gastvrije woning van Rhodopis.

Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus
deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren
kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En
toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand,
de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de
beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden
dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in
gesprekken met Rhodopis.



ZESDE HOOFDSTUK.


Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie
uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden,
bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd
geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn
koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof
van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht,
terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden
des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd
af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige,
in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op
alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne
voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij
hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige
schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar
brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht
vereischten [132]. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën
onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid
wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den
arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte
hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk
gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk
leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten
antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen
houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij
hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft
hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt."

Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek
van een nomarch [133] om gelden voor onderscheidene afdammingen [134],
die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op
dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde,
dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor
verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit
alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach
had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na
lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij
komen kan!"

Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den
drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met
eerbied nederboog.

Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf
en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt."

»Vooral voor uw zoon," antwoordde de kroonprins met bittere
ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken,
die gij mij heden voor het eerst bewijst."

»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt
zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van
Nitetis."

»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te
herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent."

»Bedoelt gij Phanes?"

»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene
zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij,
dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?"

»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb."

»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?"

»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelen
van menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is
mijn vriend!"

»Uw vriend;--maar mijn doodvijand!"

»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen."

»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij,
uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart
moet liggen, omdat gij in mij Egypte's toekomst ziet. Bedenk toch,
dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik,
gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land
moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte
zijn zal."

Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik
steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht
laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen
buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even
goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks
openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand
kan verkeeren."

»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter,
en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen."

»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij
het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet,
dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad [135], en bedrogen
te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den
hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal
een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle
listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester
zoeken te verwerven?"

»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan
haat en wraak?" vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan
waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle
omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat
Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet,
wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en
Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij
beiden noemen Nitetis onze dochter; wie zal durven beweren dat zij
het niet is?--Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de
zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees
niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig
ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te
ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat
ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen
uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken."

»Vader!"

»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u
verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit
te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb,
aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had
getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij
mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat
stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar
is, vaster aan mij te verbinden."

»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus
betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt
vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet
liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om
groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij
het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder
uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene
beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten
van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen
geweest, hoe Ramses de groote [136] met onze zegevierende wapenen de
verst verwijderde volken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen,
hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste
land der aarde noemde.--En wat zijn wij thans? Door uw, door 's konings
eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren
van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden,
om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de
vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden
behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin,
thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!"

»Bedwing uwe tong!" riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte
zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeft onze wapenen
in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik
echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de
verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed,
schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen
stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn
naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn
land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en
dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize
voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend
volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte
wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van
recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid
onttrekken.--Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen,
welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken [137] ons door
de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn,
behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste
soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo
is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde
Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van
waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne
voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!"

»En toch zeg ik u," riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks
merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten,
naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid
van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den
doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men
zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden,
met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden
en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks
komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche
en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde
bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den
andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja,
vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet
eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl
gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste
steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich
de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naar het westen
uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij
iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van
de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk
uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor
hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand
onmogelijk bleek, toen Perzië de halve wereld onderworpen had, en
in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde,
toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot
redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij,
die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer
te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en
spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling,
die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en
Egypte's ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger
door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!"

Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste
bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer
zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal
weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het
leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte
vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet
gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige
verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij,
Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de
menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap,
wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!--Gij
hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de
vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt
treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het
toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik
had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij
zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een
jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder
te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik
voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:

»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de
borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart
opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en
zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een
koude siddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief
zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en
omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom
hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier
lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs
de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke
lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl
heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de
droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht
te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon
mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld
brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw
zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal
een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken,
en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken."

Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde:
»Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van
de zonen Typhons [138], omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een
somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde
vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van
Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, de sterrekundigen
hebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth
[139]. Gij..."

Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd
door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer
kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede
vader, en verzwijg ten minste, dat ik de eenige zoon in Egypte ben,
dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!"

Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in
de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was
gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij
moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij
door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had
getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene
moeder van den ongelukkige.--Na langen tijd zag hij thans weder
voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op
dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten
zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het
eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog
van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze
gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem
op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:

»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u
zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij
door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang
door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid
vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging,
daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar
thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te
uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen
samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze
handelingen en toegevend jegens elkander zijn."

Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn
vader. »Niet alzoo," riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet
het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen
droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht
op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden
ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen
onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker
dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader...."

»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd
is," viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken
en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot
een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende."

»Ga zoo niet voort," hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk
op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla, bezit ik ook de
macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw
hart; ik zal hem inwilligen."

Psamtik's oogen helderden op; 't scheen dat zijne vale wangen een
oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene
krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de
laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!"

De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij:
»Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien,
dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend
stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat
mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij,
voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij
handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis
mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de
grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste
van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman,
een dischgenoot vinden, als hij was?--maar ik zie hem nog niet in uwe
macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook
zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij
uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis' kleindochter te
zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer
dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard
dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u,
dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te
beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters
en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.--En nu zoudt gij
nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis' afkomst? Welnu,
luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen."

Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders
aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een
krachtigen handdruk.

»Vaarwel thans!" zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn
zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u,
vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets
van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne
willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert
thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden
te hebben."

Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog
langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem,
en reeds zag hij in zijne verbeelding den vermoorden Phanes, nevens de
schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het
is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;" alzoo poogde
hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten
laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich
afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een
glimlach om de lippen zijn kabinet.

Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn
beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij
sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?



ZEVENDE HOOFDSTUK.


Toen hij de vertrekken van zijn vader verlaten had, begaf Psamtik zich
onverwijld naar den tempel der godin Neith. Alvorens binnen te treden,
vroeg hij naar den opperpriester. De tempeldienaren verzochten hem
een oogenblik te toeven, daar de groote Neithotep zich juist in het
allerheiligste [140] van de verhevene koningin des hemels bevond. Kort
daarop verscheen een jong priester, en meldde dat zijn gebieder den
prins wachtte.

Psamtik verliet oogenblikkelijk het koele plekje, dat hij zich had
uitgekozen in het lommer der zilverpopulieren van het aan de godin
gewijde bosch, aan den oever van het aan de groote Neith geheiligde
meer [141]. Hij stak het met asphalt bevloerde eerste voorhof des
tempels over, waarop de verblindende zonnestralen als gloeiende pijlen
neerschoten, zooveel doenlijk in de schaduw blijvende van eene der
lange rijen van sphinxen, die tot de geheel op zichzelve staande
pylonen [142] van het grootsche huis der godin geleidden. Vervolgens
trad hij de ontzaglijk groote hoofdpoort binnen, die, evenals alle
Egyptische tempelpoorten, met de breedgevleugelde zonneschijf [143]
versierd was. Aan weerszijden van de wijdgeopende vleugeldeuren
verhieven zich schuinoploopende gebouwen, slanke obelisken en van hooge
staken wapperden vanen. Zoo kwam hij in het hof, dat aan de linker- en
rechterzijde door een zuilengang was afgesloten, in het midden waarvan
het offer aan de godheid werd gebracht. De geheele voorgevel van den
eigenlijken tempel, die als een vestingmuur in een stompen hoek voor
den steenen vloer van de ruime zuilengang oprees, was met veelkleurige
beelden en opschriften bedekt. Door de portiek kwam hij in een hooge
voorzaal en vervolgens in de groote ruimte, welker blauwe, met duizend
gouden sterren bezaaide zoldering door vier rijen reusachtige zuilen
gedragen werd. De schachten dezer zuilen en hare kapiteelen in den
vorm van lotusbloemen, de zijwanden en de nissen van deze ontzaglijke
zaal, kortom alles waarop het oog rustte, was met bonte kleuren en
hiëroglyphenteekens bedekt. De pijlers verhieven zich in kolossale
afmetingen en de ruimte was ontzagwekkend hoog en uitgestrekt. De
lucht, die de tempelbezoekers inademden, was geheel vervuld met
wierook en kyphigeuren, en van de dampen die voortkwamen uit het bij
den tempel behoorende laboratorium. Zonder ophouden liet zich eene
zachte muziek hooren, door onzichtbare kunstenaars voortgebracht, nu en
dan alleen afgebroken door het zwaar gebrul der heilige Isis-koeien of
het krassend geluid van de Horus-sperwers, die in eene bijzaal waren
gehuisvest. Zoodra het plechtstatig gebrul van eene koe, als van den
donder uit de verte, of de schrille zenuwschokkende kreet van eenen
sperwer, als van een bliksemstraal, die van de aarde opschiet naar den
hemel, werd gehoord, bogen zich alle aandachtigen, die op den grond
lagen neergehurkt, zoodat hun voorhoofd de steenen vloer van het met
zuilengangen omgeven voorhof raakte. Zij zagen allen met diep ontzag
naar het voor hen gesloten inwendig gedeelte des tempels, in welks
allerheiligste, uit éen enkel geweldig stuk graniet in den vorm van
eene kapel gehouwen, talrijke priesters stonden, van welke eenige
struisvederen op hunne glimmend kale hoofden, anderen panthervellen
over de schouders droegen. Onder zacht gebrom en luid gezang lagen zij
nu eens ter aarde, hieven zich dan weder op, slingerden wierookvaten
en sprenkelden voor de goden zuiver water uit gouden plengvaten. Hoe
nietig moest de mensch zich niet gevoelen in deze reuzenhal, waarin
echter alleen den meest bevoorrechte onder de Egyptenaren toegang werd
verleend. Zijn oog, zijn oor, ja zelfs zijne ademhalingswerktuigen
stonden hier enkel onder den invloed van indrukken, die hemelsbreed
verschilden van die in het dagelijksch leven, indrukken die de borst
beknelden en de zenuwen deden trillen. Als bedwelmd en geheel ontrukt
aan het werkelijke leven, moest de smeekeling wel een steunpunt buiten
zich zoeken. De stem van den priester wees hem op zulk een steun,
en de geheimzinnige muziek, zoowel als het geroep der heilige dieren,
waren voor hem teekenen van de nabijheid der godheid.

Nadat Psamtik voor een oogenblik eene biddende houding had aangenomen
op de voor hem bestemde gouden en met een kussen bedekte rustbank,
zonder evenwel te kunnen bidden, kwam hij bij de vermelde zaal, die
iets lager en kleiner was, in welke de heilige koeien van Isis-Neith
en de sperwers van Horus verpleegd werden. Een met gouddraad
rijkbestikt voorhangsel van de kostbaarste stof verborg deze zaal
voor de oogen der tempelbezoekers, want slechts zelden was het den
volke geoorloofd, zich te verheugen in de aanschouwing der dieren, die
eene goddelijke eer genoten. Juist toen Psamtik voorbijkwam werden in
melk geweekte koeken, zout en klaver in de gouden kribben der koeien,
en kleine vogels met bonte vederen in het sierlijk bewerkte huisje
van de sperwers gelegd. In de stemming waarin hij thans verkeerde,
had de prins geen oog voor dingen, die hem zoo goed bekend waren,
en zonder een oogenblik te verliezen, klom hij langs een verborgen
trap naar de naast de sterrenwacht gelegene vertrekken, alwaar zich
de opperpriester na het verrichten van den godsdienst, placht op te
houden en uit te rusten.

Neithotep, een grijsaard van zeventig jaren, zat in een prachtig
vertrek, waarvan de vloer met zware Babylonische tapijten was
belegd, op een vergulden leunstoel met een purperen kussen. Zijne
voeten rustten op eene kunstig gesnedene voetbank. Hij hield eene
met hiëroglyphen beschrevene rol in de hand. Achter hem stond een
knaap, die met eenen waaier van struisvederen de insekten van hem
verwijderd hield. Het aangezicht van den grijzen priester was vol
diepgegroefde rimpels, maar als jongeling moest hij eens zeer schoon
geweest zijn. Uit zijne groote blauwe oogen sprak nog altijd een
levendige geest en een krachtig zelfbewustzijn.

Neithotep had zijne valsche lokken afgelegd. Zijn gladde kale
schedel stak zeer scherp af bij het gerimpeld gelaat, en deed
het bij de Egyptenaren gewoonlijk vlakke voorhoofd ongemeen hoog
schijnen. Het bonte vertrek, waarvan de wanden met duizend spreuken
in hiëroglyphenschrift beschilderd waren, de verschillende gekleurde
standbeelden der godin, die hier en daar stonden, en de sneeuwwitte
kleeding des priesters moesten op den vreemdeling een even diepen
als vreemden indruk maken.

De grijsaard ontving den troonopvolger met groote hartelijkheid, en
vroeg hem: »Wat voert mijn doorluchtigen zoon tot den armen dienaar
der godheid?"

»Ik heb u zeer veel te berichten, mijn vader;" antwoordde Psamtik,
met zegevierenden glimlach, »want ik kom zoo even van Amasis!"

»Zoo, heeft hij u eindelijk gehoor verleend?"

»Eindelijk!"

»Uw gelaat zegt mij, dat gij door onzen heer, uw vader, met goedheid
ontvangen zijt geworden."

»Nadat ik den storm van zijn toorn had doorgestaan!--Toen ik het
verzoek, dat gij mij in den mond hebt gelegd, had voorgedragen,
ontvlamde hij in woede en verpletterde mij schier met de vreeselijkste
woorden."

»Gij zult hem getart hebben. Of zijt gij den koning, gelijk ik u
aanried, als een ootmoedig smeekeling en als een onderdanig zoon
genaderd?"

»Neen, mijn vader; ik was scherp en onwillig."

»Dan had ook Amasis het recht om toornig te worden, want het betaamt
den zoon nooit zijn vader tegen te treden met wrok en spijt in
't hart, en allerminst als hij hem iets te verzoeken heeft. Gij
kent de spreuk: Wie zijn vader eert, zal een lang leven ontvangen
[144]. Zie, mijn zoon, daarin dwaalt gij altijd, dat gij zaken,
die met goedheid en zachtheid gemakkelijk te verkrijgen zouden zijn,
met geweld en norschheid zoekt door te zetten.--Een goed woord vindt
eene goede plaats, en het komt er vooral op aan, hoe men zijn verzoek
inkleedt.--Hoort mij, ik wil u eene geschiedenis verhalen: Voor
vele jaren heerschte over Egypte koning Snefroe, die te Memphis zijn
verblijf hield. Deze droomde op zekeren dag, dat hem al de tanden uit
den mond vielen. Aanstonds ontbood hij een droomuitlegger en deelde
dezen zijn gezicht mede. En nu riep de uitlegger: 'Wee u, o koning,
al uwe bloedverwanten zullen voor u sterven!' De vertoornde Snefroe
liet den ongeluksbode geeselen, en riep een tweeden uitlegger. Deze
verklaarde den droom op de volgende wijze: 'Heil u, o groote koning,
want gij zult langer leven dan al uwe bloedverwanten!' De koning
glimlachte over deze woorden, en liet den tweeden uitlegger met
geschenken heengaan; want al zeide deze hem ook hetzelfde als de
eerste, hij had toch zijne verklaring in vrij wat lieflijker termen
weten in te kleeden.--Begrijpt gij den zin mijner geschiedenis? Zoo
laat het in de toekomst uw streven zijn, uwe wenschen in aangenamer
vormen voor te dragen, want voor het oor van een koning komt het
evenzeer aan op de wijze waarop men spreekt, als op hetgeen men zegt."

»Ach, mijn vader, hoe dikwerf hebt gij mij dit voorgehouden. Hoe
dikwerf heb ik ingezien, dat ik mij zelven met mijne ruwe woorden en
toornige gebaren schade berokken. Ik kan evenwel mijne natuur niet
veranderen, ik kan niet...."

»Zeg liever: ik wil niet; want wie in waarheid man is, moet, als hij
eenmaal iets gedaan heeft dat hem berouwde, dit niet meer doen. Maar
genoeg hiervan voor heden! Vertel mij, hoe gij den toorn van Amasis
bezworen hebt."

»Gij kent mijn vader. Toen hij zag dat zijne vreeselijke woorden mij
in het diepst mijner ziel gewond hadden, had hij berouw over zijne
opvliegendheid. Hij gevoelde dat hij te ver was gegaan, en wilde
zijne hardheid tot iederen prijs weder goedmaken."

»Hij heeft een edel hart, maar zijn geest is verblind en zijn gemoed
is verhard," riep de priester. »Wat zou Amasis voor Egypte niet kunnen
zijn, als hij acht wilde geven op onzen raad en op den wil der goden!"

»Ontroerd als hij was, stelde hij ten laatste het leven,--hoort gij
wel, mijn vader!--het leven van Phanes in mijne handen."

»Hoe vonkelen uwe oogen! Dat is niet zooals het behoort, Psamtik! De
Athener moet sterven, daar hij de goden beleedigd heeft. De rechter
behoort wel met strengheid oordeel te vellen, maar moet zich eer
bedroeven dan verblijden over het ongeluk van den veroordeelde. Spreek
uit: wat verkreegt gij verder van uw vader?"

»De koning deelde mij mede, aan wien Nitetis haar aanzijn verschuldigd
is."

»Anders niets?"

»Neen, mijn vader. Maar brandt gij niet van verlangen, om te
vernemen...."

»Nieuwsgierigheid is eene ondeugd van de vrouw; ook weet ik uw geheim
sinds lang."

»En gisteren hebt gij mij eerst opgedragen, het mijnen vader te
vragen."

»Dat deed ik om u op de proef te stellen, om mij te overtuigen, of
gij de bevelen der goden gehoorzaam genoeg waart, om waardig te zijn
toegelaten te worden tot den hoogsten graad van het weten. Ik hoor nu,
dat gij ons eerlijk verslag geeft van alles wat gij vernomen hebt, en
zie dat gij de eerste priesterdeugd, de gehoorzaamheid, in beoefening
weet te brengen."

»Alzoo weet gij, wie de vader van Nitetis was?"

»Ik zelf heb het gebed bij het graf van koning Hophra uitgesproken."

»Maar wie heeft u dit geheim verraden?"

»De eeuwige sterren, mijn zoon, en mijne kunst om in dit boek des
hemels te lezen."

»En bedriegen deze sterren nooit?"

»Hen, die de taal der sterren waarlijk verstaan, bedriegen zij nooit."

Psamtik verbleekte. De droom van zijn vader en zijn eigen vreeselijk
horoscoop kwamen hem als ontzettende schrikbeelden voor den geest. De
priester bespeurde aanstonds de verandering op het gelaat van den
prins, en voegde hem nu met zachter stem toe: »Gij denkt aan de
booze hemelteekenen, bij gelegenheid uwer geboorte, en acht u zelven
reddeloos verloren;--wees echter getroost, Psamtik, de sterrenkundigen
hebben toen éen sterrenbeeld over het hoofd gezien, dat aan mijn
blik niet ontgaan is. Uw horoscoop was zeer onrustbarend, voorzeker,
maar kan ten goede verkeeren, het kan..."

»O, spreek, mijn vader, spreek!"

»Het moet ten goede verkeeren, als gij alle andere dingen wilt
vergeten, en alleen voor de goden leven; als gij u voorneemt naar hunne
stem, die wij alleen in het allerheiligste verstaan, te luisteren,
en onvoorwaardelijk op te volgen wat zij u gebieden."

»Geef slechts een wenk, mijn vader, en ik zal gehoorzamen."

»Dat geve de godin van Saïs, de groote Neith!" riep de priester
op plechtigen toon.--»Laat mij thans echter alleen, mijn zoon,"
vervolgde hij minzaam, »ik ben zeer vermoeid van het langdurig
bidden, want ik gevoel dagelijks meer den last mijner jaren. Stel
het ombrengen van Phanes zoo lang uit, als het u mogelijk is, ik zou
hem gaarne spreken voor hij sterft.--Toch nog iets! Gisteren is er
eene bende Ethiopiërs hier binnengetrokken. Deze lieden verstaan geen
woord Egyptisch of Grieksch. Onder de leiding van een vertrouwd man,
die den Athener en de plaatselijke gesteldheid kent, zullen zij de
meest geschikte werktuigen zijn, om den veroordeelde uit de wereld te
helpen, daar hunne onbekendheid met de taal en met de toedracht der
zaak alle verraad of geklap onmogelijk maakt. Vóor hun vertrek naar
Naucratis mag deze lieden niets omtrent het doel van den tocht ter
ooren komen. Is de zaak afgeloopen, dan zenden wij hen naar Koesch
[145] terug. Een geheim, merk dit wel op, dat meer dan éen weet,
is reeds voor de helft verraden. Vaarwel!"

Psamtik verliet het vertrek van den grijsaard. Weinige oogenblikken
later trad een jong priester, een der dienaren des konings, binnen,
en vroeg den priester: »Heb ik goed toegeluisterd, vader?"

»Voortreffelijk, mijn zoon. Niets is u ontgaan van hetgeen Amasis
met Psamtik gesproken heeft. Moge Isis [146] u lang uw gehoor laten!"

»Och, vader, een doove had heden in het aangrenzende vertrek ieder
woord kunnen verstaan, want de koning brulde als een stier."

»De groote Neith heeft hem met onvoorzichtigheid geslagen. Ga thans,
houd de oogen wijd open, en breng mij dadelijk bericht, ingeval Amasis,
wat zeer wel mogelijk is, den aanslag tegen Phanes mocht zoeken te
verijdelen. Gij vindt mij altijd te huis. Beveel den dienaren, dat zij
allen moeten afwijzen, die mij mochten komen bezoeken, met te zeggen
dat ik in het allerheiligste bid. De Onnoembare geleide uwe schreden!"



Terwijl Psamtik alle noodige maatregelen nam tot de inhechtenisneming
van Phanes, ging Cresus met zijn gevolg scheep in een koninklijk
Nijlvaartuig, om naar Naucratis te varen, en dien avond bij Rhodopis
door te brengen. Zijn zoon Gyges en de drie jonge Persen bleven te
Saïs, alwaar zij den tijd zeer genoeglijk sleten.

Amasis overlaadde hen met vriendelijkheid, veroorloofde hun,
volgens het Egyptisch gebruik, met zijne vrouw en de zoogenaamde
tweeling-zuster te verkeeren, en onderwees Gyges in het damspel
[147]. Hij was vroolijk en onuitputtelijk in geestigheden, wanneer
hij zag, hoe de krachtige en behendige jonge helden zich vermaakten,
door met zijne dochters ballen en ringen te werpen, een lievelingsspel
der Egyptische jonge dochters [148].

»Waarlijk," riep Bartja, nadat Nitetis den fijnen, met bonte linten
versierden ring, zonder een enkele maal te missen, minstens voor
den honderdsten keer met haar dun ivoren staafje had opgevangen,
»dit spel moeten wij ook in ons land invoeren. Wij, Persen, denken
geheel anders dan gij, Egyptenaars. Al wat nieuw en vreemd heet,
is ons even welkom, als het bij ulieden gehaat schijnt te zijn. Ik
zal er onze moeder Cassandane van verhalen, en zij zal gaarne aan de
vrouwen mijns broeders verlof geven, zich met dit spel te vermaken."

»O, doe dat, doe dat!" riep de blonde Tachot, terwijl zij bloosde
tot achter de ooren. »Nitetis zal dan medespelen, en zich verbeelden
weder in het vaderland bij hare geliefde betrekkingen te zijn. Gij
echter, Bartja," vervolgde zij zachter, »moet ook aan dit uur denken,
zoo dikwerf gij de ringen ziet vliegen."

De jonge Pers antwoordde glimlachend: »Ik zal ze nimmer
vergeten!" Daarop riep hij luide en opgeruimd, zich tot zijne
aanstaande schoonzuster wendende: »Heb goeden moed, Nitetis, het
zal u bij ons beter bevallen, dan gij wel denkt. De Aziaten weten de
schoonheid te eeren; dit bewijzen wij reeds daardoor, dat wij vele
vrouwen nemen."

Nitetis zuchtte, en Ladice, de koningin, riep: »Juist daardoor toont
gijlieden, dat gij het karakter der vrouw volstrekt niet weet te
waardeeren. Gij kunt zelfs niet vermoeden Bartja, wat eene vrouw
gevoelt, als zij bemerkt dat de man, die haar dierbaarder is dan het
leven, om wiens wille zij alles wat haar lief en heilig is ten offer
wil brengen, op haar neerziet als op een schoon stuk speelgoed, een
edel ros, een kunstig bewerkt mengvat. En het is nog duizendmaal
smartelijker de liefde, die men zoo gaarne alleen zou bezitten,
met honderd andere te moeten deelen."

»Hoor me nu die jaloersche vrouw eens!" riep Amasis. »Spreekt zij niet,
als had zij zich reeds over mijne ontrouw te beklagen gehad?"

»O, neen, mijn beste," hervatte Ladice, »daarin staat gij,
Egyptenaars, boven alle andere mannen, dat gij trouw en standvastig
zijt in uwe liefde, en dat gij u tevreden stelt met hen, die u eens
dierbaar zijn geworden. Ja, ik durf tegen iedereen vol te houden,
dat geene vrouw ter wereld zoo gelukkig is, als de gade van een
Egyptenaar [149]. Zelfs de Grieken, die ons anders in vele dingen
tot voorbeeld kunnen strekken, weten de vrouw niet naar waarde te
schatten. In bedompte vertrekken, onafgebroken door de moeders of door
huishoudsters aangezet tot den arbeid aan weefstoel en spinrokken,
verkwijnen de meeste Helleensche meisjes reeds in hare kindsheid,
om wanneer zij eenmaal huwbaar zijn, in het stille huis van een haar
onbekenden echtgenoot te worden verplaatst, wiens vele staatkundige
en maatschappelijke werkzaamheden hem slechts zelden veroorloven
den voet in het vrouwenvertrek te zetten. Alleen dan, wanneer de
naaste vrienden en verwanten bij den heer des huizes te gast zijn,
mag zij, maar ook dan nog altijd schuchter en zwijgend, in den kring
der mannen verschijnen, om iets te vernemen van wat er in de wereld
omgaat en wat te leeren. Ach, ook in ons woont de zucht naar kennis,
en aan ons geslacht behoorde men allerminst de wetenschap van sommige
dingen te onthouden, daar wij als moeders wel het eerst geroepen zijn,
onze kinderen te onderwijzen. Wat zal eene Helleensche moeder, die
zelve niets weet, omdat zij nooit iets geleerd heeft, hare dochters
leeren? Daarom kan zich de Griek ook maar zelden met zijne, door het
huwelijk aan hem verbondene, doch in geest en verstand ver bij hem
achterstaande vrouw tevreden stellen. Hij gaat naar de huizen der
hetaeren, die gestadig met het mannelijk geslacht verkeeren, die de
mannen hunne kennis weten af te luisteren, en die de dus verkregene
wetenschap met de bloemen van vrouwelijke bevalligheid weten te tooien
en met het zout van haar fijneren zachteren geest te kruiden.

»In Egypte is het geheel anders. Hier mag de bloeiende maagd deelnemen
aan het ongedwongen gezellige verkeer met de edelsten en besten
der mannen. De jongeling en de jongedochter leeren elkaar op de
vele feesten kennen en beminnen. De vrouw is hier te lande niet de
slavin, maar de vriendin van den man. Zij vullen elkander aan. Geldt
het levensvragen, zoo beslist de sterkere; de geringere zorgen des
levens worden aan de vrouw overgelaten, die juist in het kleine
grooter is. De dochters groeien op onder hare uitmuntende leiding,
want de moeder is geene vrouw zonder kennis of ervaring. Het wordt
de vrouw gemakkelijk gemaakt, deugdzaam en huiselijk te blijven,
want juist door hare deugd en huiselijkheid verhoogt zij het geluk
van hem, die haar alleen toebehoort, wiens liefste bezitting te zijn
haar eenige roem is. Wij, vrouwen, zijn nu eens gewoon te doen wat
ons behaagt, doch de Egyptenaren verstaan de kunst ons zóo te leiden,
dat ons alleen behagen kan wat goed is.--Hier aan den Nijl zouden
Phocylides van Mylete en Hipponax van Ephesus nooit den moed gehad
hebben, hunne smaadliederen op ons te dichten; hier zou nooit de
legende van Pandora [150] in eenig menschelijk brein zijn opgekomen."

»Inderdaad, gij spreekt voortreffelijk!" riep Bartja. »Het heeft
mij ontzaglijk veel moeite en inspanning gekost Grieksch te leeren;
thans echter verheugt het mij, dat ik den moed niet verloor, en van
het onderwijs van Cresus zooveel mogelijk partij heb getrokken."

»Maar wie zijn die booze mannen, die het waagden van de vrouwen kwaad
te spreken?" vroeg Darius.

»Een paar Grieksche dichters," antwoordde Amasis, »de stoutste menschen
die ik ooit heb gekend. Want eer zou ik het wagen eene leeuwin, dan
eene vrouw boos te maken. Maar die Grieken deinzen voor niets ter
wereld terug. Verneem slechts dit staaltje van de poëzie van Hipponax:


    Tweemaal in 't leven kan ons een' vrouw behagen,
    Wanneer zij trouwt en--als zij grafwaarts wordt gedragen."


»Houd op, houd op, ondeugd!" riep Ladice, de ooren dicht
houdende. »Ziet, Persen, zoo is deze Amasis altijd. Als hij spotten
en gekscheren kan, dan doet hij het, ook al is hij het volkomen eens
met het voorwerp van zijn spot. Er is voorzeker geen beter echtgenoot
dan hij..."

»En geene slechtere vrouw dan gij," hernam Amasis lachend; »want gij
laadt waarachtig den schijn op mij, dat ik een maar al te gehoorzaam
gemaal ben.--Vaarwel kinderen; de jonge lieden verlangen van naderbij
met ons Saïs kennis te maken. Maar eerst wil ik hun nog laten hooren,
wat de booze Simonides van de beste vrouw zingt:


      Één is der bij verwant. Gelukkig hij,
    Wien zulk een vrouw haar hart en hand mocht geven:
    Ze is trouw en teer; zij siert en kroont zijn leven,
      En grijst, bemind en minnend, aan zijn zij.
    Een wakker kroost, uit haren schoot gesproten,
      Vlecht om haar kruin een nieuwen stralenkrans
    Zij prijkt aan 't hoofd van haar geslachtsgenooten
      In reinen, meer dan sterfelijken glans.
    Zij zit niet neer bij wufte gezellinnen,
    Die ijdle scherts en dartle taal beminnen,
      Geen schooner lot schonk Zeus dan aan den man,
      Die zulk een vrouw de zijne noemen kan.


»Een zulke is nu ook mijne Ladice. Vaarwel!"

»Nog niet!" riep Bartja. »Ik moet eerst mijn arm Perzië rechtvaardigen,
om mijne aanstaande schoonzuster met nieuwen moed te bezielen. Maar
neen! Darius, spreek gij voor mij, want gij verstaat de kunst van
spreken evengoed, als die van het rekenen en het hanteeren van het
zwaard!"

»Gij spreekt, als ware ik een zwetser en een kramer [151]," antwoordde
de zoon van Hystaspes. »Maar dat doet niets ter zake; ik brand reeds
lang van begeerte, om de zeden van ons vaderland te verdedigen. Weet
dan Ladice, dat uwe dochter in geenen deele de slavin, maar de vriendin
van onzen koning zal worden, wanneer slechts Aoeramazda [152] zijn hart
ten haren gunste neigt. Weet, dat ook in Perzië, hoewel alleen op hooge
feesten, de vrouwen des konings aan de tafel der mannen aanzitten,
en dat wij gewoon zijn onze vrouwen en moeders de hoogste achting te
bewijzen. Oordeelt gijlieden zelven, of de Egyptenaren hunne vrouwen
een schooner en grooter geschenk kunnen vereeren, dan zekere koning
van Babylon, die eene Perzische tot vrouw nam. Gewoon aan de bergen
van haar vaderland, gevoelde deze zich in de uitgestrekte vlakten
van den Euphraat diep ongelukkig, en kwijnde weg van hartzeer en
heimwee. En wat deed nu de koning? Op hooge gewelven liet hij een
reusachtig groot gebouw optrekken, en het bovenste gedeelte ervan met
eene zware laag vruchtbaren tuingrond bedekken. Hierin deed hij de
schoonste bloemen en boomen planten, terwijl door een zeer kunstig
samengesteld werktuig het onmisbare water werd opgepompt, om ze te
besproeien. Als het grootsche ontwerp geheel ten uitvoer was gelegd,
voerde hij zijne Perzische vrouw naar dezen toovertuin, en gaf haar
den kunstberg, van welks top zij als van de kruin van den Rachmed in
de vlakte kon nederzien, ten geschenke [153]."

»En werd de Perzische gezond?" vroeg Nitetis, met neergeslagene oogen.

»Zij herstelde en werd vroolijk, gelijk ook gij u binnen korten tijd
in ons land gezond en gelukkig zult gevoelen."

Ladice glimlachte en vroeg: »Wat zou wel het meeste hebben bijgedragen
tot de genezing der jonge koningin, de kunstige berg, of de liefde
van den echtgenoot, die zulk een reuzenwerk tot stand bracht om haar
op te beuren?"

»De liefde van haar gemaal!" riepen de meisjes.

»Maar Nitetis zal toch zeker den berg niet versmaden?" vroeg
Bartja. »Ik zal er ten minste zorg voor dragen, dat zij op de hangende
tuinen komt te wonen, telkens wanneer zich het hof te Babylon bevindt."

»Maar komt thans!" riep Amasis; »anders zult gij de stad nog in het
donker moeten bezien. Ginds staan reeds een uur lang twee schrijvers
op mij te wachten. Hola, Sachons, beveel den hoofdman der lijfwacht
onze hooge gasten met honderd man te volgen!"

»Maar waartoe dit? Eén gids bijvoorbeeld, éen Grieksch onderbevelhebber
is meer dan voldoende."

»Zoo is het beter, vrienden. Als vreemdeling kan men in Egypte nooit
te voorzichtig zijn. Neemt dit wel in acht; en zorgt ook vooral, dat
gij den spot niet drijft met de heilige dieren.--Vaartwel, mijne jonge
helden; heden avond hoop ik u bij den vroolijken beker weder te zien!"

De Persen verlieten het koninklijke paleis, voorafgegaan door hun
tolk, een Griek, die in Egypte was opgevoed, en beide talen [154]
even gemakkelijk sprak.

De straten van Saïs, in de nabijheid van het verblijf des vorsten,
zagen er zeer fraai en vriendelijk uit. De huizen, waaronder vele van
vijf verdiepingen hoog, waren meerendeels met beelden en hiëroglyphen
bedekt. Ook hadden de meesten aan de tuinzijde houten balkons
met balustraden van bontgekleurd beeldhouwwerk, door beschilderde
pijlers ondersteund. Op sommige der goed geslotene huisdeuren stond
de naam en de stand van de bewoners te lezen. Op de platte daken
zag men bloemen en boompjes, te midden van welke de Egyptenaren
des avonds vertoefden; als hen ten minste de nood niet drong om het
muggentorentje te bestijgen, dat op weinige woningen gemist werd, en
waar men de lastige insecten, door den Nijl in menigte aangekweekt,
doch die alleen in de laagte zweven, ontvluchten kon [155].

De jonge Persen maakten zich vroolijk over de groote, bijkans
overdrevene zindelijkheid van ieder huis in het bijzonder en zelfs
van de straten. De schilden op de deuren en de kloppers schitterden
in het zonlicht; de schilderingen op de muren, balkons en kolommen
waren zoo frisch en helder, als had men er zooeven de laatste hand
aan gelegd. Zelfs het plaveisel der straat wekte het vermoeden op,
dat men gewoon was het te schrobben. Naarmate de Persen zich verder
van den Nijl verwijderden, werden de straten onaanzienlijker. De stad
was tegen de helling van een tamelijk hoogen heuvel gebouwd, en had
zich, sinds voor derdehalve eeuw de residentie der pharao's, hierheen
was verlegd, in betrekkelijk korten tijd uit hare onbeduidendheid en
armoede tot eene machtige en groote stad ontwikkeld. In het gedeelte
der stad, dat zich langs den Nijl uitstrekte, waren de straten fraai
en zindelijk. Daarentegen lagen aan de andere zijde van den heuvel,
slechts zeldzaam door betere huizen afgewisseld, de uit Nijlslib en
acaciatakken samengestelde woningen der armen. In het noordwesten
der stad verhief zich de versterkte burg van den koning.

»Laat ons hier omkeeren," riep Gyges, de zoon van Cresus zijn jongere
makkers toe, over wie hij bij afwezigheid zijns vaders het toezicht
had, daar hij zag dat de menigte der nieuwsgierigen, die hen volgden,
bij iedere schrede grooter en lastiger werd.

»Gij hebt slechts te bevelen," gaf de tolk ten antwoord. »Anders,
daar beneden in het dal, aan den voet van gindschen heuvel, ligt
de doodenstad der Saïten, en deze is, zoo ik meen, wel waardig door
vreemdelingen bezocht te worden."

»Ga gij ons dan maar voor," riep Bartja. »Wij zijn toch immers
Prexaspes alleen gevolgd, om de merkwaardigheden van het buitenland
te zien."

Toen zij eindelijk nabij de doodenstad op een open, door de kramen
der handwerkslieden [156] omgeven plein waren gekomen, hoorde men
op eens door de nog steeds volgende menigte een luid geschreeuw
aanheffen. De kinderen juichten, de vrouwen gilden, en eene stem die
boven alle andere hoorbaar was brulde: »Komt herwaarts in het voorhof
des tempels, om de werken van den grooten toovenaar te zien, die
uit de oasen in het westen van Libyë geboortig is, en door Choensoe,
den uitdeeler van goede vindingen, en de groote godin Hekt met alle
wonderkrachten is toegerust!" [157]

»Volgt mij naar den kleinen tempel daarginds," zeide de tolk, »dan
zult gij zoo aanstonds eene zonderlinge vertooning zien."

Hierop baande hij zich met de Persen een weg door de menigte, nu eens
een naakt kind, dan weer eene taankleurige vrouw op zijde duwende,
en keerde spoedig terug met een priester, die de vreemdelingen in
het voorhof des tempels voerde. Hier stond een man in priestergewaad,
tusschen onderscheidene kisten en kasten. Twee Mooren knielden naast
hem op den grond. Deze Libyër [158], een reusachtige kerel, met zeer
buigzame ledematen en vurige zwarte oogen, hield een blaasinstrument
in den vorm onzer klarinet in de hand; om zijne borst en zijne armen
kronkelden zich ettelijke, in Egypte als vergiftig bekende slangen.

Toen hij de Persen gewaarwerd, boog hij zich, en noodigde hen met een
plechtig gebaar uit, om goed toe te zien. Daarop legde hij zijn wit
gewaad af, en begon toen allerlei kunststukken met zijne slangen te
verrichten. Nu eens liet hij zich door dezen bijten, dat het bloed
van zijne wang droop, dan weer dwong hij ze door de vreemde tonen
zijner fluit zich op te richten en bewegingen te maken, die op een
dans moesten gelijken, een andermaal deed hij ze, door ze in den bek
te spuwen, in onbeweeglijke staven veranderen. Eindelijk wierp hij
al de slangen op den grond en voerde in haar midden een wilden dans
uit, zonder een der dieren met de voeten te raken. Als een razende
draaide en kromde de toovenaar zijne slappe ledematen, tot hem de oogen
uitpuilden en bloedig schuim op zijne lippen stond. Eensklaps wierp hij
zich als dood ter aarde. Niets bewoog zich aan zijn lichaam, uitgenomen
de lippen, die een schel gesis deden hooren. Op dit teeken kropen de
slangen op hem toe, en legden zich als levende ringen om zijn hals,
zijne beenen en zijne armen. Eindelijk stond hij op en zong een lied
ter eere van de wonderbare macht der godheid, die hem, zichzelve ter
eere, tot toovenaar had gemaakt. Hierop opende hij een der kasten, en
borg daarin het meerendeel der slangen, slechts eenige, waarschijnlijk
zijne lievelingen, behield hij als hals- en armsieraden bij zich.

De tweede afdeeling zijner voorstelling bestond uit eenige goed
uitgevoerde proeven zijner goochelkunst. Hij at brandend vlas, hield
al dansende zwaarden, die met de spits in zijne oogholten rustten,
in evenwicht, haalde lange linten en strikken uit de neuzen van de om
hem heen staande Egyptische kinderen, vertoonde het bekende ballen- en
bekerspel, en deed de verbazing der toeschouwers ten toppunt stijgen,
door uit vijf struiseieren even zoo vele levende jonge konijnen te
voorschijn te goochelen.

De Persen waren op verre na niet de ondankbaarsten zijner toeschouwers;
op hen toch maakte dit nooit te voren door hen geziene schouwspel een
verbazenden indruk. Het was hun, als bevonden zij zich in het rijk der
wonderen. Van al de zeldzaamheden, die zij in Egypte al hadden gezien,
geloofden zij thans wel de allermerkwaardigste aanschouwd te hebben.

Denkende over hetgeen zij gezien hadden, waren zij weder tot de meer
aanzienlijke straten teruggekeerd, zonder op te merken hoe velen der
hen omringende Egyptenaars daar henen liepen zonder handen, neuzen of
ooren. Het was voor de Aziaten niet vreemd zulke ongelukkigen te zien,
want ook bij hen werden vele misdrijven met het afsnijden van eenig
lichaamsdeel gestraft. Hadden zij naar de redenen dier verminking
onderzoek gedaan, zij zouden vernomen hebben, dat in Egypte de van
zijne hand beroofde een op heeterdaad betrapte bedrieger, de vrouw
zonder neus eene overspelige, iemand zonder tong een landverrader
of een lasteraar, een man zonder ooren een verspieder was. De bleeke
vrouw, zou men hun gezegd hebben, die er uitziet als eene zinnelooze,
is de moordenares van haar kind. Tot straf voor deze misdaad, heeft zij
het lijkje van den verworgden zuigeling drie dagen en drie nachten op
hare armen moeten houden. Welke vrouw zou, na het einde van zulk eene
marteling, nog het verstand hebben behouden? De meeste strafwetten der
Egyptenaars hadden evenzeer de strekking om de misdaad te straffen,
als om den misdadiger buiten de mogelijkheid te stellen, zijn eerste
vergrijp te herhalen.

Eensklaps werden de vreemdelingen verhinderd verder te gaan. Eene
massa menschen had zich namelijk verzameld voor een der schoonste
huizen in de straat naar den Neith-tempel, welks weinige vensters--de
meeste bevonden zich aan de zijde van het voorhof en den tuin--met
luiken gesloten waren. In de geopende huisdeur stond een grijsaard,
gekleed in een eenvoudig wit gewaad, dat in hem den dienaar van
een priester deed herkennen. Onder luid geschreeuw trachtte hij een
aantal lieden van zijn eigen stand te beletten, eene groote kist uit
het huis te verwijderen.

»Wie geeft u het recht, mijn heer te bestelen?" riep hij met woedende
gebaren. »Ik ben de bewaarder van dit huis, en mijn heer heeft mij,
toen hij door den koning naar Perzië gezonden werd,--dat de Goden
mogen verdelgen!--bevolen vooral acht te geven op deze kist, in welke
zijne geschriften liggen!"

»Stel u gerust, oude Hib!" riep de tempeldienaar, dien wij bij de
aankomst van het Perzische gezantschap hebben leeren kennen. »De
opperpriester van de groote Neith, de heer van uw heer, heeft ons
herwaarts gezonden. In deze kist moeten al zeer zeldzame stukken
verborgen zijn, anders zou Neithotep ons niet vereerd hebben met het
bevel ze te halen."

»Maar ik zal niet gedoogen, dat het eigendom van mijn heer, den grooten
arts Nebenchari, weggevoerd worde!" schreeuwde de oude man. »Ik zal
mij aanstonds recht verschaffen, en des noods tot den koning gaan."

»Voorzichtig, mannen!" riep de tempeldienaar tot zijne
onderhoorigen. »Zóo is het goed. Maakt nu maar voort en brengt de kist
dadelijk naar den opperpriester. En gij, oude, zoudt wijzer handelen,
als gij uwe tong in toom hieldt, en bedacht dat ook gij een dienaar
van mijn heer den opperpriester zijt. Kom, maak maar dat gij in huis
komt, anders sleepen wij morgen uzelven nog weg, gelijk wij heden
de kist doen!"--Bij deze woorden sloeg hij de zware huisdeur dicht,
zoodat de oude man in het voorhuis teruggeworpen en aan de blikken
der steeds aangroeiende menigte onttrokken werd.

De Persen hadden dit vreemde tooneel aangezien, en lieten het zich
door hun tolk verklaren. Zopyrus lachte, toen hij vernam, dat de
eigenaar der door den oppermachtigen opperpriester in beslag genomene
kist de oogarts was, die zich ter behandeling van de oogziekte der
koningin-moeder in Perzië ophield, en zich door zijn ernstig, norsch
karakter aan het hof van Cambyzes niet zeer bemind had gemaakt. Bartja
wilde aan Amasis vragen, wat deze zonderlinge diefstal te beduiden
kon hebben; doch Gyges verzocht hem dringend zich niet te mengen in
zaken, die hem volstrekt niet aangingen.

De duisternis, die in Egypte snel op den dag volgt, begon zich reeds
over de stad uit te breiden. Toen de stoet bijna het paleis bereikt
had, werd Gyges plotseling staande gehouden door iemand, die hem
bij zijn kleed greep. Hij keek om en zag een hem onbekenden man,
die hem te kennen gaf dat hij zwijgen moest, door den vinger op de
lippen te leggen.

»Wanneer kan ik u alleen en onopgemerkt spreken?" fluisterde hij den
zoon van Cresus in het oor.

»Wat wilt ge van mij?"

»Vraag niets, maar antwoord schielijk. Bij Mithra [159], ik heb u
belangrijke dingen mede te deelen!"

»Gij spreekt Perzisch? Zijt gij dan geen Egyptenaar, gelijk ik uit
uwe kleeding zou opmaken?"

»Ik ben een Pers; maar antwoord spoedig, opdat wij niet te zamen
gezien worden. Wanneer kan ik u alleen vinden?"

»Morgenochtend vroeg."

»Dan is het te laat!"

»Welnu, dan binnen een kwartier, wanneer het volkomen donker is,
aan deze poort van het Paleis."

»Ik zal u wachten."

Met deze woorden verdween de man. Zoodra de stoet het paleis was
binnengegaan, verwijderde Gyges zich van Bartja en Zopyrus, stak zijn
zwaard in den gordel, verzocht Darius hetzelfde te doen en hem te
volgen. Weldra stond hij in het stikdonker aan de groote poort van
het paleis tegenover den vreemdeling.

»Aoeramazda zij geloofd, dat gij daar zijt!" fluisterde hij den jongen
Lydiër in het Perzisch toe. »Maar wie hebt gij bij u?"

»Mijn vriend, een Achaemenide [160], Darius, de zoon van Hystaspes!"

De vreemdeling boog zich diep, en zeide: »Goed, ik vreesde reeds dat
gij een Egyptenaar hadt medegebracht."

»Neen, wij zijn alleen en willen u hooren. Maar, maak het kort! Wie
zijt gij, en wat verlangt gij?"

»Ik heet Bubares, en was onder den grooten Cyrus een arm hoofdman. Toen
wij Sardes, de stad uws vaders, ingenomen hadden, kregen wij verlof
om te plunderen. Maar uw wijze vader bad Cyrus, dat hij bevelen zou
de plundering te staken, dewijl hij, nu Sardes in zijne macht was,
niet den voormaligen koning maar zichzelven plunderde. Alzoo werd op
straffe des doods bevolen, al het buitgemaakte aan de hoofdlieden uit
te leveren, en dezen vervolgens opgedragen alle kostbaarheden, die hun
gebracht zouden worden, op de markt bijeen te vergaderen. Daar lagen
geheele hoopen gouden en zilveren vaatwerk, vrouwen- en manssieraden,
die van edelgesteenten fonkelden...."

»Maak wat voort, wij hebben weinig tijd!" viel Gyges den spreker in
de rede.

»Gij hebt gelijk, ik mag geen woorden verspillen. Ik verbeurde
mijn leven, doordien ik een gouden, rijk met edelgesteenten
bezette zalfdoos, uit het paleis uws vaders afkomstig, voor mij had
behouden. Cyrus wilde mij ter dood doen brengen; Cresus redde evenwel
mijn leven, door mijn voorspraak te zijn bij zijn overwinnaar. Cyrus
gaf mij de vrijheid, doch verklaarde mij voor eerloos. Alzoo dank
ik uw vader het leven. Maar in Perzië kon ik niet blijven, daar
de eerloosheid al te zwaar op mij drukte. Een Smyrnaasch schip
bracht mij naar Cyprus. Daar trad ik weder in den krijgsdienst,
leerde Grieksch en Egyptisch, streed tegen Amasis, en werd door
Phanes als krijgsgevangene hierheen gebracht. Ik had altijd als
ruiter gediend; ik werd dus gevoegd bij de slaven, die voor de
paarden van den koning zorg dragen. Ik paste goed op, en werd na zes
jaren opzichter van den stal. Nooit heb ik uw vader en wat ik hem
verschuldigd ben vergeten. Heden is de beurt aan mij gekomen hem een
dienst te bewijzen."

»Betreft het mijn vader?--Zoo spreek! Zeg mij dadelijk wat er is!"

»Aanstonds. Heeft Cresus den prins Psamtik beleedigd?"

»Dat ik weet, niet."

»Uw vader is hedenavond de gast van Rhodopis, te Naucratis."

»Hoe weet gij dat?"

»Uit zijn eigen mond, want hedenmorgen, toen hij naar de bark ging,
volgde ik hem, om mij aan zijne voeten te werpen."

»En hebt gij uw doel bereikt?"

»Ja. Hij sprak mij minzaam toe; doch hij kon mij niet lang aanhooren,
daar zijne metgezellen reeds in de bark plaats hadden genomen, toen
hij aankwam. In haast deelde zijn slaaf Sandon, dien ik ken, mij nog
mede, dat zij naar Naucratis zouden gaan, naar de Helleensche vrouw,
die zij Rhodopis noemen."

»Hij zeide de waarheid."

»Dan moeten wij aanstonds alles in het werk stellen om hem te
redden. Toen de markt vol was [161] zijn er tien wagens en twee barken
met Ethiopische soldaten, onder aanvoering van een Egyptisch hoofdman,
heimelijk naar Naucratis getogen, om dezen nacht het huis van Rhodopis
te omsingelen en hare gasten gevangen te nemen."

»Die verraders!" riep Gyges.

»Maar wat zouden zij uw vader durven aandoen?" vroeg Darius. »Zij
weten toch dat de wraak van Cambyzes......"

»Ik weet niets anders," herhaalde Bubares, »dan dat het huis van
Rhodopis, waarin thans ook uw vader is, hedennacht door Ethiopische
soldaten zal worden omsingeld. Ik zelf heb de wagens ingespannen en
goed verstaan, hoe de waaierdrager van den kroonprins den hoofdman
Pentaoer toeriep: »Houd ooren en oogen open. Laat het huis van Rhodopis
omsingelen, opdat hij niet door de achterpoort ontsnappe. Spaar zijn
leven, indien het mogelijk is, en dood hem alleen wanneer hij zich
mocht willen verzetten. Zoo gij hem levend te Saïs brengt, zult gij
twintig gouden ringen ontvangen [162]!"

»Zou dit werkelijk mijn vader gelden?"

»Onmogelijk!" riep Darius.

»Men kan niet weten," mompelde Bubares. »In dit land is alles
mogelijk!"

»In hoeveel tijds kan een goed paard den weg van hier naar Naucratis
afleggen?"

»In drie uren, als het tot het einde toe flink doordraaft, en de Nijl
den weg niet te hoog onder water heeft gezet."

»Binnen twee uren ben ik te Naucratis!"

»Ik vergezel u," riep Darius.

»Neen, gij moet met Zopyrus hier blijven, ter bescherming van
Bartja. Geef onzen dienaren de noodige bevelen, zoodat zij op alles
voorbereid zijn."

»Maar, Gyges....."

»Gij blijft hier en verontschuldigt mij bij Amasis. Gij zegt, dat ik
wegens hoofd-, of maag-, of tandpijn geen deel aan het drinkgelag kan
nemen, hoort gij? Ik zal het Nisaeische ros van Bartja bestijgen. Gij,
Bubares, volgt mij op dat van Darius. Gij wilt het mij toch zeker
wel leenen, broeder?"

»Had ik er tienduizend, gij kondt er over beschikken."

»Kent gij den weg naar Naucratis, Bubares?"

»Als mijne oogen!"

»Ga dan, Darius, en gelast, dat men uw en Bartja's paard
gereedhoude. De minste vertraging is hier eene misdaad. Vaarwel Darius,
wellicht voor immer! Bescherm Bartja! Vaarwel!"



ACHTSTE HOOFDSTUK.


Het was nog twee uren vóór middernacht. Door de geopende vensters
van het huis van Rhodopis kon men het schijnsel zien der helder
brandende lampen, en de onbepaalde klanken opvangen der vroolijke
gesprekken. Dien avond was de tafel der eerwaardige vrouw, ter eere
van Cresus, bijzonder rijk voorzien. Op de matrassen lagen, met
populiertakken en rozen bekranst, de ons bekende gasten van Rhodopis:
Theodorus, Ibycus, Phanes, Aristomachus, de koopman Theopompus van
Milete, Cresus en nog onderscheidene andere mannen.

»Ja, dit Egypte," zeide Theodorus, de beeldhouwer, »maakt op mij
den indruk van een meisje, dat een gouden schoen bezit, dien zij,
ofschoon hij haar knelt en pijn doet, niet besluiten kan af te leggen,
niettegenstaande de schoonste en gemakkelijkste schoeisels voor haar
staan, waarnaar zij slechts de hand heeft uit te strekken, om zich
op eens vrij en ongedwongen te kunnen bewegen."

»Gij bedoelt dat halsstarrig vasthouden der Egyptenaren aan hunne,
door de voorvaderen overgeleverde vormen en gewoonten?" vroeg Cresus.

»Juist," antwoordde de beeldhouwer. »Vóór twee eeuwen was Egypte
ontegenzeglijk nog het eerste land der wereld. Zijne kunst en zijne
wetenschap overtrof alles, wat wij toen voortbrengen konden. Wij zagen
echter den Egyptenaren hunne handgrepen af; we wisten deze te volmaken;
we gaven aan de stijve, gedwongene vormen losheid en schoonheid;
we hielden ons aan geene vaste afmetingen, maar namen de natuur tot
model. En thans zijn we onze meesters ver vooruitgestreefd. Hoe kon dit
geschieden? Alleen omdat de leermeester, door onverbiddelijke wetten
gebonden, op zijn oude plaats moest blijven staan. Wij daarentegen
konden ons naar vermogen en welgevallen op het gebied der kunst
vrij bewegen."

»Maar hoe kan men den kunstenaar dwingen, zijne beeldwerken, die toch
altijd verschillende onderwerpen hebben, naar vaste afmetingen uit
te voeren?"

»Dit laat zich in dit geval gemakkelijk verklaren. De Egyptenaren
verdeelen het geheele menschelijke lichaam in 21 1/4 deelen [163],
en berekenen daarnaar de verhoudingen der afzonderlijke ledematen. Aan
deze getallen houden zij vast en offeren daaraan de hoogere eischen der
kunst. Ik zelf heb Amasis, in tegenwoordigheid van den voornaamsten
Egyptischen beeldhouwer, een priester van Thebe, deze weddenschap
aangeboden, dat ik mijn broeder Telecles te Ephesus de grootte,
de verhouding en den stand volgens de Egyptische voorschriften zou
opgeven van een met hem te vervaardigen standbeeld, dat als door éene
hand en uit éen stuk zou schijnen bewerkt te zijn, ofschoon Telecles
het benedendeel er van te Ephesus, en ik het bovendeel te Saïs onder
de oogen van Amasis zou bewerken."

»En zoudt gij de weddenschap winnen?"

»Zonder eenigen twijfel. Ook ben ik bepaald van voornemen dit werk
onderhanden te nemen. Een kunststuk zal het wel niet zijn, evenmin
als eenig Egyptisch standbeeld dezen schoonen naam verdient."

»Maar toch zijn enkele beeldhouwwerken, onder andere die welke Amasis
als geschenk voor Polycrates naar Samos zal zenden, uitmuntend
bearbeid. Ik zag te Memphis een beeld, dat drieduizend jaren oud
moet zijn. Men zeide dat het den koning voorstelde, die een der
groote pyramiden liet bouwen. Het wekte in alle opzichten mijne
bewondering. Met hoeveel zekerheid is de buitengewoon harde steen
bewerkt; hoe juist zijn de borstbeen- en voetspieren weêrgegeven;
hoe zuiver zijn de omtrekken en hoe oordeelkundig is het geheel
ontworpen! Bij dit en andere beelden trof mij vooral de harmonie in
de gelaatstrekken." [164]

»Volkomen waar. Wat het handwerk in de kunst, dat wil zeggen de
gemakkelijke en zekere bewerking ook van de hardste stoffen betreft,
daarin zijn ons de Egyptenaren, al zijn zij ook lang op dezelfde hoogte
gebleven, nog altijd vooruit. Geen Grieksch standbeeld is zoo uitermate
schoon gepolijst, als dat van Amasis in den hof van het paleis. Maar
de vrije vorming, den Prometheusarbeid, het geven van ziel en leven
aan den steen, dit zullen zij niet leeren, zoolang zij niet met hunne
oude vormenkraam geheel gebroken hebben. Door zuivere proporties geeft
men nog geen leven aan zijne beelden. De Egyptische beelden missen
de zoo bevallige verscheidenheid in lichamelijke vormen. Beschouw
eens opmerkzaam de honderdduizend standbeelden, die van Naucratis
tot aan de watervallen bij alle tempels en paleizen sedert dertig
eeuwen zijn opgericht. Alle stellen zij gemoedelijk ernstige menschen
op middelbaren leeftijd voor, en toch is het eene het beeld van een
grijsaard, terwijl een ander ten doel heeft het aandenken aan een
jongeling van koninklijken bloede te vereeuwigen. Krijgshelden,
wetgevers, wreedaards en menschenvrienden hebben allen omtrent
hetzelfde voorkomen, en onderscheiden zich alleen van elkander door
hunne grootte, waarmede de Egyptische kunstenaar meerdere of mindere
macht en kracht uitdrukt, en door hun portret."

»Doch onder deze portretten," zeide Phanes, het woord nemende, »heb ik
zeer voortreffelijke gevonden. Onder de oudere, die zich te Memphis
bevinden en die maar weinig Grieken te zien krijgen, zijn er enkele
zoo sprekend van uitdrukking, dat men zou meenen de origineelen gekend
te hebben. Ik zou wel wenschen, dat gij die voortreffelijk uitgevoerde
beelden, zoo vol karakter, eens kondet aanschouwen."

»Amasis," sprak de beeldhouwer, »heeft mij enkele getoond, en ik geef
toe dat zij allen lof verdienen, ja dat ik niet in staat zou zijn die
kunstwerken te overtreffen. Doch de Egyptische kunstenaars van heden
staan bij hunne voorvaderen zeer verre ten achter, al moet ik erkennen,
dat ik zeer goede afbeeldingen van Amasis en zijne voorgangers heb
gezien. Ze zijn beter gepolijst, maar op verre na niet zoo krachtig
als de andere kunstwerken. Over het geheel neem ik niets van het
gezegde terug. Gelijk ik mij een zwaard bestel, evenzoo geeft de
koning last tot het vervaardigen van een standbeeld. Alvorens de
meester zijn werk begonnen heeft, weten wij beiden reeds, als wij
namelijk slechts de lengte en breedte nauwkeurig hebben opgegeven,
wat wij aanschouwen zullen, wanneer het werk gereed is.--Hoe zou
ik een grijsaard, die onder den last der jaren gebukt gaat, op
gelijke wijze kunnen voorstellen als een jongeling, die het hoofd vol
levenslust omhoog heft; een vuistvechter gelijk aan een hardlooper;
een dichter gelijk aan een krijgsman?--Plaats Ibycus naast onzen
vriend, den Spartaan, en bedenk eens wat gij wel zeggen zoudt, als
ik den dichter met gebalde vuist, den held met een aanminnig gelaat
en bevallige gebaren wilde voorstellen?"

»En wat antwoordt Amasis op uwe aanmerkingen betreffende dezen
stilstand?"

»Hij betreurt dien zeer, maar voelt zich niet sterk genoeg om de
wetten der priesters op te heffen, die de kunst aan banden leggen."

»En toch," zeide de Delphiër, »heeft hij ter versiering van onzen
nieuwen tempel, om de Grieksche kunst aan te moedigen,--ik bezig
zijne eigene woorden--eene belangrijke som toegestaan."

»Dat 's ferm gehandeld," riep Cresus. »Zullen de Alkmaeoniden weldra
de driehonderd talenten, die zij tot de voltooiing van den tempel
behoeven, bijeenhebben? [165] Ware ik nog maar de rijke man, die ik
eens geweest ben, dan zou ik gaarne al de kosten voor mijne rekening
nemen, hoewel uw booze god mij, in spijt van al mijne geschenken,
leelijk bedrogen heeft. Toen ik hem namelijk liet vragen, of ik
den oorlog tegen Cyrus zou durven ondernemen, gaf hij mij ten
antwoord, dat ik een groot rijk ten onder zou brengen, zoo ik de
rivier Halys overtrok. Ik vertrouwde op deze godspraak, verzekerde
mij, overeenkomstig zijn bevel, van de vriendschap der Spartanen,
en bracht werkelijk een groot rijk ten val, toen ik de grensrivier
had overschreden. Dit rijk was evenwel niet het Medisch-Perzische,
maar mijn eigen arm Lydië, dat thans als eene satrapie van Cambyzes
zich maar noode in zulk eene ongewone afhankelijkheid kan voegen."

»Ten onrechte beklaagt gij u over den god," antwoordde Phryxus, »want
het is niet zijne schuld, dat gij in uwe menschelijke ijdelheid aan
zijne uitspraak eene valsche verklaring hebt gegeven. Hij zeide niet:
'het rijk der Persen', maar een rijk zal door uw strijdlust ten
onder worden gebracht. Waarom hebt ge niet gevraagd, welk rijk hij
bedoelde? Heeft Apollo u bovendien niet naar waarheid het lot van
uw zoon voorspeld en u gezegd, dat deze op een onheilsdag de spraak
terug zou krijgen? En toen gij, na den val van Sardes, van Cyrus verlof
hadt gekregen, om aan het orakel van Delphi te vragen, of de Grieksche
goden zich tot eene wet hadden gesteld, hunne weldoeners met ondank te
beloonen, toen antwoordde Loxias u, dat hij het goed met u had gemeend;
maar dat het onverbiddelijke noodlot, hetwelk machtiger is dan hij,
reeds aan uw grooten voorvader [166] voorzegd had, dat de vijfde na
hem en dit waart gij, ten ondergang was bestemd!"

»Uwe woorden," liet Cresus hier dadelijk op volgen, »zouden mij in de
dagen van mijn ongeluk beter te stade zijn gekomen, dan thans. Er is
eene ure geweest, waarin ik uw god en zijn orakel vervloekte. Toen ik
echter met mijne macht en mijn rijkdom ook mijne vleiers verloren had,
en ik mijne daden begon te beoordeelen naar een maatstaf, dien ik mij
zelven had gesteld, zag ik in dat niet Apollo maar mijne ijdelheid
mij in het verderf had gestort. Het rijk dat vernietigd zou worden,
kon toch het mijne, het machtige rijk van den machtigen Cresus,
den vriend der goden, die als veldheer nog door niemand overwonnen
was, niet zijn! Als een vriend in die dagen mij op het dubbelzinnige
van het orakel had gewezen, ik zou met hem den spot hebben gedreven;
misschien had ik hem zelfs gestraft. Evenals een paard den arts slaat,
die zijne wond betast om te genezen, zoo handelt ook de despoot ten
opzichte van een oprecht vriend, die de wonden van zijne kranke ziel
durft aanraken. Alzoo heb ik niet opgemerkt, wat ik zoo gemakkelijk
had kunnen zien. De ijdelheid verblindt het oog, dat ons gegeven is
tot een onbevangen onderzoek, en geeft voedsel aan de begeerlijkheid
van het hart, dat toch bovendien, den goden zij dank, zich wijd openzet
voor elke hoop op gewin, maar zich ook haastig sluit, wanneer verlies
of onheil in aantocht is. Nu ik helder zie en toch niets te verliezen
heb, ben ik veel meer bezorgd, dan toen niemand meer te verliezen
had dan ik. In vergelijking met hetgeen ik vroeger was ben ik arm,
Phryxus; maar Cambyzes laat mij geen gebrek lijden, en ik ben toch
nog bij machte een talent [167] voor het tot stand brengen van uw
tempel bij te dragen."

Phryxus dankte den ouden koning; maar Phanes zeide: »De Alkmaeoniden
zullen een schoon werk tot stand brengen, omdat zij eerzuchtig zijn
en rijk, en zich de gunst der Amphiktyonen [168] willen trachten te
verwerven, ten einde, door dezen ondersteund, den tyran te verdrijven,
mijn geslacht te overvleugelen en zich van het roer van den staat
meester te maken."

»Tot den rijkdom van dit geslacht hebt gij, Cresus, naar men zegt,
na Agariste [169], die Megacles zoo groote schatten ten huwelijk
medebracht, wel het meeste bijgedragen," zeide Ibycus.

»Zeer waar, zeer waar!" hernam Cresus lachend.

»Verhaal ons, hoe zich dit heeft toegedragen," verzocht Rhodopis.

»Alkmaeon van Athene kwam eens aan mijn hof. De vroolijke, fijn
beschaafde man behaagde mij zoozeer, dat ik hem langen tijd bij mij
hield. Op zekeren dag toonde ik hem mijne schatkamers, bij den aanblik
waarvan hij schier in vertwijfeling geraakte. Hij noemde zichzelven
een gemeenen bedelaar, en verbeeldde zich een allergelukkigst leven te
zullen leiden, zoo hij slechts een enkelen greep in al die heerlijkheid
mocht doen. Ik gaf hem verlof zooveel goud met zich te nemen, als hij
maar dragen kon. Wat deed Alkmaeon nu? Hij liet zich hooge Lydische
rijlaarzen aantrekken, een schort voorbinden en eene mand op den
rug hangen. Deze mand vulde hij met schatten; in het schort laadde
hij zooveel geld als hij maar dragen kon, in zijne laarzen liet hij
gouden munten glijden, terwijl hij op zijn haar en in zijn baard
stofgoud deed strooien. Ja, hij nam zelfs den mond vol goud, zoodat
zijne wangen er zoo gezwollen uitzagen, als ware hij op het punt aan
eene groote ramenas te stikken. Eindelijk hield hij in iedere hand
een gouden schotel, en sleepte zich zoo de deur der schatkamer uit,
terwijl hij bijna onder zijn last bezweek. Maar nauw was hij buiten,
of hij zeeg neder. Nooit heb ik hartelijker gelachen, dan dien dag."

»En gij liet hem die schatten behouden?" vroeg Rhodopis.

»Zeker, mijne vriendin; ik achtte toch de ervaring, dat het goud
zelfs een verstandig man tot een dwaas maakt, niet te duur betaald."

»Gij waart de mildste van alle vorsten!" riep Phanes.

»En ik ben thans de tevredenste van alle bedelaars. Maar zeg mij,
Phryxus, hoeveel heeft Amasis tot den tempelbouw bijgedragen?"

»Hij gaf duizend centenaars aluin!"

»Dat komt mij voor een vorstelijk geschenk te zijn. En de kroonprins?"

»Toen ik hem om zijne medewerking verzocht, en mij op de mildheid van
zijn vader beriep, antwoordde hij met een hoonenden lach, en zeide,
mij den rug toekeerende: Indien gij eens eene inzameling voor de
verwoesting uwer tempels doet, dan ben ik bereid voor dubbel zooveel
te teekenen als Amasis."

»Die ellendige!"

»Zeg liever: die echte Egyptenaar! Psamtik haat alles, wat niet uit
dit land afkomstig is."

»Hoeveel hebben de Grieken te Naucratis bijeengebracht?"

»Behalve de rijke bijdragen van afzonderlijke personen teekende iedere
gemeente voor twintig minen."

»Dat is veel."

»Philoinus, de Sybariet, zond mij geheel alleen duizend drachmen en
deed dit bedrag vergezeld gaan van een zeer zonderlingen brief. Mag
ik hem voorlezen, Rhodopis?"

»Ongetwijfeld," antwoordde de gastvrouw. »Gij zult er uit vernemen,
dat hij berouw gevoelt over de beleedigingen, die hij mij in zijn
roes onlangs heeft aangedaan."

De Delphiër haalde het briefrolletje uit zijn zak te voorschijn, en
las: »Philoinus laat Phryxus weten, dat het hem van harte leed doet,
onlangs bij Rhodopis niet nog meer gedronken te hebben; want hadde
ik dat gedaan, dan zou ik mijn bewustzijn geheel verloren hebben,
en niet bij machte zijn geweest zelfs de kleinste vlieg kwaad
te doen. Mijne verwenschte matigheid is er dus alleen de schuld
van, dat ik mij voortaan niet meer te goed mag doen aan den best
voorzienen disch van geheel Egypte. Desniettemin ben ik Rhodopis
zeer dankbaar voor het genotene, en zend u, tot gedachtenis aan
dat heerlijke rundergebraad, om der wille waarvan alleen ik den kok
der Thracische gaarne tot iederen prijs zou willen koopen, twaalf
groote spietsen tot het roosten van ossen. Gij moogt ze in eene der
schatkameren van den tempel te Delphi, als geschenk van Rhodopis,
laten ten toon stellen. Daar ik een rijk man ben, teeken ikzelf voor
de ronde som van duizend drachmen. Bij de eerstvolgende Pythische
spelen moet dit geschenk openlijk worden uitgeroepen.--Gelieve dien
lomperd Aristomachus van Sparta uit mijn naam te bedanken. Hij heeft
mij het doel mijner Egyptische reis ineens doen bereiken. Ik was
derwaarts gekomen, om mij door dien Egyptischen arts [170], die de
kunst moet verstaan om kwade tanden zonder veel pijn uit te trekken,
van zulk een leelijk exemplaar te laten verlossen. Aristomachus heeft
mij met zijn vuistslag van het kranke deel mijns gebits verlost,
en me die verschrikkelijke kunstbewerking bespaard, waaraan ik niet
zonder siddering kan denken. Toen ik tot mij zelven kwam, vond ik
drie uitgeslagen tanden in mijn mond, den zieken en twee gezonde,
welke laatsten alle kenteekenen droegen, dat zij mij waarschijnlijk
ook nog veel pijn zouden hebben veroorzaakt.

»Groet Rhodopis en den schoonen Phanes van mij; u echter noodig ik uit,
heden over een jaar deel te nemen aan een gastmaal te mijnen huize,
te Sybaris. Uithoofde er vele kleine toebereidselen moeten gemaakt
worden, zijn wij gewoon onze uitnoodigingen in tijds te doen.

»Ik laat dezen brief door mijn geleerden slaaf Sophotatus in het naaste
vertrek schrijven; want ik voor mij krijg reeds kramp in de vingers,
wanneer ik een ander slechts zie schrijven."

Al de gasten barstten in een schaterend gelach uit; Rhodopis hervatte
echter: »Ik verheug mij zeer over dezen brief, omdat er mij uit
blijkt, dat Philoinus geen slecht mensch is. Op echt Sybarietische
wijze opgevoed....."

»Vergeeft mij, heeren, als ik u stoor, en gij, eerbiedwaardige
Helleensche, dat ik ongenood uw vriendelijk huis binnendring!" Met
deze woorden brak iemand, dien de oude matrone volstrekt niet kende en
die door niemand opgemerkt de eetzaal was ingetreden, het gesprek der
gasten plotseling af.--»Ik ben Gyges, de zoon van Cresus, en het is
niet voor de grap, dat ik nauwelijks drie uren geleden Saïs verliet,
om hier nog ter rechter tijd aan te komen!"

»Menon, eene matras voor onzen nieuwen gast!" riep Rhodopis. »Wees
hartelijk welkom in mijn huis, en neem uw gemak na uw wilden, echt
Lydischen rit."

»Bij den hond [171], Gyges," zeide Cresus, zijn zoon de hand reikende,
»ik begrijp niet wat u zoo laat herwaarts voert. Ik had u verzocht niet
van de zijde van Bartja te wijken, die aan mijne zorg is toevertrouwd,
en toch.... Maar hoe ontsteld ziet gij er uit? Is er iets gebeurd? Is
er een ongeluk voorgevallen? Zoo spreek dan toch, spreek!"

Gyges was gedurende de eerste oogenblikken niet in staat, een woord
op de vragen zijns vaders te antwoorden. Toen hij den geliefden man,
voor wiens leven hij zoo bezorgd was geweest, veilig en wel aan
den rijk bezetten disch zag aanliggen, was het hem als had hij ten
tweeden male de spraak verloren. Eindelijk was hij weder in staat te
spreken, en nu antwoordde hij: »Den Goden zij dank, vader, dat ik
u levend terugzie! Geloof niet dat ik mijn post aan Bartja's zijde
lichtvaardig verlaten heb. Ik werd door de omstandigheden genoodzaakt,
als een ongeluksvogel dezen vroolijken kring binnen te dringen. Weet
dan mannen,--want ik mag mijn tijd niet met onnutte voorbereidingen
verspillen,--verraad en overrompeling bedreigen u!"

Al de aanwezenden sprongen als door den bliksem getroffen
overeind. Aristomachus trok onwillekeurig zijn zwaard ter helft uit de
scheede, en Phanes rekte zijne athletische armen uit, als om zich te
vergewissen, of ze nog even veerkrachtig en sterk waren als voorheen.

»Wat is er?--Wat wil men met ons?" klonk het van alle zijden.

»Dit huis is geheel omsingeld door Ethiopische krijgslieden," hervatte
Gyges. »Eene trouwe ziel heeft mij medegedeeld, dat de kroonprins
één uit uw midden wil gevangennemen en wegvoeren, ja, dat hij bevolen
heeft den bedoelden persoon te dooden, indien hij zich mocht willen
verweren: ik vreesde voor u, vader, en spoedde mij hierheen.--De man,
die mij deze mededeeling heeft gedaan, heeft niet gelogen. Dit huis is
geheel ingesloten. Toen ik aan de poort van uw tuin kwam, Rhodopis,
schrikte mijn paard, hoe vermoeid het ook was. Onder het afstijgen
bespeurde ik bij het heldere maanlicht achter iederen struik de
flikkerende wapenen en gloeiende oogen van menschen. die zich daar
verscholen hadden. Zij lieten ons echter ongehinderd binnengaan."

»Gewichtig nieuws!" met deze woorden viel Knakias, die de zaal
kwam binnenstuiven, Gyges in de rede. »Toen ik zoo even naar den
Nijl ging, om water voor het mengvat te halen [172], vloog mij een
mensch tegen het lijf, die mij bijna omverwierp. Ik herkende hem
aanstonds. Het was een Ethiopisch roeier van Phanes. Hij vertelde me
dat, toen hij een oogenblik te voren om zich te baden uit de boot
in den Nijl was gesprongen, eene koninklijke bark het vaartuig van
Phanes was genaderd. Een soldaat had aan de manschap, die daarin de
wacht hield, gevraagd, aan wien deze boot toebehoorde. 'Aan Phanes,'
antwoordde de stuurman. De koninklijke bark voer langzaam verder,
schijnbaar zonder zich om uw vaartuig te bekommeren, overste! Maar
de badende roeiknecht had zich zonder eenige bedoeling op het roer
van het vreemde vaartuig neêrgezet, en hoorde nu, hoe een Ethiopisch
soldaat een zijner kameraden toeriep: 'Houd die boot goed in het oog;
wij weten nu waar de vogel zijn nest heeft. Nu zal het niet veel
moeite kosten hem te vangen. Bedenk dat Psamtik ons vijftig gouden
ringen toegezegd heeft, wanneer wij den Athener, dood of levend,
te Saïs brengen.'--Dit berichtte mij Sebek, de roeier, die u sinds
zeven jaren dient, Phanes!"

Met de grootste kalmte had de Athener het verhaal van Gyges en dat
van den slaaf aangehoord.

Rhodopis beefde, en Aristomachus riep: »Ik zal niet dulden dat
een haar van uw hoofd gekrenkt worde, al moet ik ook geheel Egypte
verslaan!" Cresus gaf den raad om toch voorzichtig te handelen. Eene
geweldige ontroering was op aller gelaat te lezen.

Eindelijk brak Phanes het stilzwijgen af: »Nooit is overleg
noodzakelijker dan in gevaar. Ik heb alles rijpelijk overwogen
en begrijp, dat ik moeielijk te redden ben. De Egyptenaren zullen
beproeven mij uit den weg te ruimen, zonder opzien te wekken. Zij
weten, dat ik voornemens ben morgen in de vroegte met eene Phoceïsche
triëre van Naucratis naar Sigeum [173] te zeilen, en hebben dus geen
tijd te verliezen, zoo zij mij willen oplichten. Uw geheele tuin,
Rhodopis, is omsingeld, blijf ik bij u, zoo kunt gij u verzekerd
houden, dat men uw huis zal doorzoeken en mij van hier wegsleepen. Het
Phoceïsche schip, dat mij naar de mijnen moest overbrengen, zal wel
evenals dit huis bewaakt zijn. Om mijnentwil moet niet nutteloos
bloed gestort worden."

»Gij moogt u niet overgeven!" schreeuwde Aristomachus.

»Ha! Ik heb er wat op gevonden!" riep plotseling Theopompus,
de Milesische koopman, terwijl de anderen allerlei plannen
beraamden. »Morgen, bij het opgaan der zon, zeilt een schip met
Egyptisch koorn, niet van Naucratis maar van Canopus naar Milete. Neem
het paard van den edelen Pers en rijd daarheen. Wij banen u met geweld
een weg door den tuin!"

»Onze ongewapende schaar zou gewis aanstonds het onderspit delven,"
hernam Gyges. »Wij zijn tien man sterk, en slechts drie van ons
hebben een zwaard. Die kerels daar buiten, wier aantal minstens
honderd beloopt, zijn tot aan de tanden gewapend."

»En al hadt gij, Lydiër, nu ook tienmaal geen moed, en al waren ze
ook tweehonderd sterk," riep Aristomachus, »ik zal vechten!"

Phanes drukte zijn vriend de hand. Gyges verbleekte. Die oude held, die
reeds zoo menige proef had doorgestaan, noemde hem een lafaard! Weder
ontbraken hem de woorden om zich te rechtvaardigen. Bij iedere heftige
gemoedsbeweging begaf hem zijn spraakvermogen. Eensklaps echter
kleurde een vluchtig rood zijne wangen, en snel en op beslissenden
toon riep hij: »Volg mij, Athener! en gij, Spartaan, die u anders
wel beraadt alvorens gij spreekt, noem voortaan niemand laf, dien
gij niet kent.--Vrienden, Phanes is gered! Vaarwel, vader!"

In de grootste verbazing staarden zij, die bleven, de twee mannen na,
die daarheen gingen. Eenige minuten na hun vertrek vernamen de gasten,
die in angstige spanning zaten te luisteren, den hoefslag van een paar
wegrennende paarden. Daarop hoorden zij na eene poos een langgerekt
gefluit en een geroep om hulp van den Nijlkant.

»Waar is Knakias?" vroeg Rhodopis aan een harer slaven.

»Hij is met Phanes en den Pers in den tuin gegaan." Op hetzelfde
oogenblik trad de oude dienaar bleek en bevend het vertrek binnen.

»Hebt gij mijn zoon gezien?" riep Cresus hem reeds uit de verte tegen.

»Waar is Phanes?"

»Beiden laten u door mij hun afscheidsgroet brengen."

»Zijn zij dan ontkomen?--Hoe zijn zij er door gekomen?--Waarheen zijn
zij gegaan?--"

»Dáar, in het vertrek hiernaast," verhaalde de slaaf, »spraken
de Athener en de Pers eerst een oogenblik met elkaar. Toen moest
ik beiden ontkleeden. Phanes deed de broek, den rok en den gordel
van den vreemdeling aan, en zette diens spitse muts op. De Pers
daarentegen hulde zich in den chiton en den mantel van den Athener,
versierde zijn voorhoofd met diens gouden band, liet zich het haar
van de bovenlip wegsnijden, en gebood mij hem in den tuin te volgen.

»Phanes, wien iedereen in zijne nieuwe kleeding voor een Pers
zou hebben aangezien, sprong op een der voor de poort gereed
staande paarden. De vreemde riep hem herhaaldelijk toe: 'Vaarwel,
Gyges! Vaarwel, edele Pers! Reis voorspoedig, Gyges!'" De dienaar,
die aan de poort wachtte, reed hem achterna. In de struiken vernam
ik onophoudelijk wapengekletter, doch niemand trad den vluchteling
in den weg. De soldaten twijfelden er geen oogenblik aan, dat hij
een Pers was.

»Toen wij weder voor het huis stonden, gebood de vreemdeling mij:
'Vergezel mij nu naar de boot van Phanes, en noem mij dikwerf bij den
naam van den Athener.'--'Maar de matrozen zouden u kunnen verraden,'
bracht ik hier tegen in. 'Ga dan eerst alleen tot hen, en zeg hun,
dat zij mij moeten ontvangen alsof ik hun meester ware.' Ik bad hem
nog mij toe te staan, dat ik mij in zijne plaats in het kleed van den
ontvlodene zou laten vangen. Doch hij wees mijn verzoek met vastheid
van de hand, en hij had gelijk toen hij zeide, dat mijne houding mij
aanstonds zou hebben verraden.

»Ach, slechts de vrije kan met opgeheven hoofd daarheen wandelen;
de nek van een slaaf is altijd gebogen, en zijne bewegingen missen
de bevalligheid, die gij, edelen, op de scholen en in de gymnasiën
leert. Zoo zal het eeuwig blijven, want onze kinderen moeten aan hun
vader gelijk worden. Uit een armzaligen ui kan geene roos, uit den
grauwen ramenas geene hyacinth voortkomen [174]. De slavernij kromt
den rug, gelijk het bewustzijn der vrijheid ons het hoofd fier omhoog
doet heffen!"

»Wat is er van mijn zoon geworden?" riep Cresus, den slaaf in de
rede vallende.

»Hij nam mijn welgemeend offer niet aan, en zette zich, terwijl hij
mij duizend groeten aan u, o koning, opdroeg, in de boot neder. Ik riep
hem nog toe: 'het ga u goed, Phanes! Voorspoedige reis, Phanes!' Eene
wolk onderschepte het licht van de maan, zoodat het buitengemeen
donker was geworden. Daar hoorde ik op eenmaal om hulp roepen. Dit
duurde evenwel slechts kort, en toen deed zich een gillend gefluit
hooren, waarna ik niets meer vernam dan den gelijkmatigen slag der
riemen. Juist wilde ik in huis gaan, om u van het voorgevallene kennis
te geven, als Sebek de roeier opnieuw kwam aanzwemmen. Hij verhaalde
mij het volgende: De Egyptenaren hadden in het vaartuig van Phanes,
waarschijnlijk door duikers, een gat doen booren. Zoodra het zich een
weinig van den oever verwijderd had, begon het te zinken. De matrozen
schreeuwden om hulp. Toen kwam het koninklijk schip dat hen volgde
naderbij, nam den gewaanden Phanes aan boord, als om hem te redden,
en belette de matrozen van den Athener hunne banken te verlaten. Zij
zijn allen met de boot in de diepte verdwenen; alleen de stoute
zwemmer Sebek bereikte den oever.

»Gyges bevindt zich dus op het koninklijke vaartuig. Phanes is
ontkomen, want dat fluiten strekte zeker om de krijgslieden aan
de achterpoort te onderrichten, dat de zaak in orde was. Toen ik
huiswaarts keerende de struiken langs den weg onderzocht, vond ik
daar niemand meer. Doch in de verte vernam ik het wapengekletter en
het praten der soldaten, die op den terugweg naar Saïs waren."

Met koortsachtige spanning hadden de gasten van Rhodopis den slaaf
aangehoord.

Toen hij zijn verhaal geëindigd had, waren de aandoeningen natuurlijk
tweeërlei. Aanvankelijk had bij de meesten het gevoel van blijdschap
over het geluk, dat de geliefde vriend aan een dreigend levensgevaar
ontkomen was, de overhand. Maar daarna deed zich bij velen de
vrees voor het lot van den koenen Lydiër gelden. Men zwaaide zijner
edelmoedigheid grooten lof toe. Men wenschte den vader geluk met
het bezit van zulk een zoon, en kwam na rijpe overweging eindelijk
tot het eenparig besluit, dat de kroonprins, zoodra hij de dwaling
zijner lieden zou hebben bespeurd, Gyges niet alleen zonder verwijl
in vrijheid zou moeten stellen, maar ook verplicht was, hem eene
genoegdoening te geven voor den hoon hem aangedaan. Cresus zelf
stelde zich daarmede gerust, gedachtig aan de vriendschap van
Amasis en de vrees, die deze voor de macht der Perzen aan den dag
had gelegd. Kort daarop verliet hij het huis van Rhodopis, om bij
den Milesiër Theopompus te overnachten.

»Groet Gyges van mij!" riep Aristomachus, toen de grijsaard zich
verwijderde. »Ik bid hem om vergeving. En zeg hem uit mijn naam, dat
ik zou wenschen, hem tot vriend te hebben, of, zoo dit niet zijn kan,
in een eerlijken krijg als vijand tegenover hem te staan."

»Wie zal zeggen wat de toekomst nog brengen kan!" antwoordde Cresus,
den Spartaan de hand reikende.



NEGENDE HOOFDSTUK.


Het licht van een nieuwen dag was over Egypte opgegaan. De
overvloedige dauw van den nacht, die aan de oevers van den Nijl den
regen vervangt, lag als smaragden en edelgesteenten op de bladeren en
in de bloemkelken. De zon was nog maar weinige oogenblikken te voren
in het oosten verrezen, en de door den frisschen noordwestenwind
bekoelde morgenlucht lokte een ieder uit, om zich te vermeien in de
vrije natuur, voordat de drukkende warmte van den middag dit bijkans
onmogelijk zou maken.

Uit het ons welbekende landhuis traden twee vrouwen te voorschijn,
de oude slavin Melitta en Sappho, de kleindochter van Rhodopis. Als
eene gazelle huppelde het aanvallige meisje door den tuin. Zij was
ook nu, evenals toen wij haar in den slaap bewonderden, bekoorlijk
in hare maagdelijke schoonheid. Bovendien speelde er thans een
schalksche trek om haren rooskleurigen mond, en om de kuiltjes in kin
en wangen. Het volle bruine haar vertoonde zich als ter sluiks van
onder den purperrooden hoofddoek, en het lichte witte morgengewaad
met wijde mouwen fladderde los en vrij om hare buigzame leden.

Nu bukte zij, brak een nog gesloten rozeknopje af, sprengde den dauw
er van hare oude bewaakster in het aangezicht, lachte hartelijk over
hare schalkschheid op een toon, zuiverder dan de zuiverste klank
eener klok, stak daarna de roos op den boezem, en begon toen met eene
verwonderlijk heldere en liefelijke stem te zingen:


          Amor wilde een roosje plukken
            In Cythere's bloemenhof,
          Toen op eens een honigbietje,
    In heur blaadjes neêrgedoken, hem den donzen vinger trof.

          't Knaapje, door de smart gefolterd,
            Barstte los in luid geween;
          En terwijl een vloed van traantjes
    Langs zijn bleeke koontjes dauwde, vloog hij naar Cythere heen:

          "Moeder!" riep hij, "'k ben verloren!
            Red mij op mijn jammerklacht;
          Ach, een kleine slang met vleugels,
    Door den landman bie geheeten, heeft me een wonde
                                                 toegebracht!" [175]


»Is mijn lied niet schoon?" lachte het meisje. »Och, wat was die
kleine Eros toch dom, eene bij voor eene gevleugelde slang te
houden! Grootmoeder zegt, dat zij nog een paar verzen kent van dit
lied, dat door den grooten dichter Anakreon gemaakt is, maar die wil
zij mij nu nog niet leeren. Zeg eens, Melitta, wat zou er wel in die
strophen staan? Gij glimlacht? Lieve, eenige Melitta, zing mij het
laatste coupletje eens voor! Of, kent gij het misschien niet? Neen? Dan
kunt gij het mij ook niet leeren."

»Dat is een heel nieuw lied," antwoordde de oude vrouw, »en ik ken
alleen de zangen van den goeden ouden tijd. Maar, wat is dat? Hoordet
gij daar den klopper niet op de poort vallen?"

»Zeker, en ik verbeeldde mij ook dat ik den hoefslag van een paard
op den weg vernam. Daar klopt men weder. Zie toch eens, wie zoo
vroeg in den morgen binnen gelaten wenscht te worden. Wellicht is de
goede Phanes gisteren toch niet vertrokken, en komt hij ons nog eens
vaarwel zeggen."

»Phanes is weg," antwoordde de oude, ernstiger wordende. »Rhodopis
heeft mij bevolen u in huis te zenden, indien er bezoek mocht
komen... Ga dus, meisje, opdat ik de poort opensluite. Kom, verwijder
u spoedig, daar klopt men reeds voor de derde maal."

Sappho deed als liep zij hard naar huis. Maar in plaats van aan
het verlangen harer bewaakster te voldoen, verborg zij zich achter
een rozestruik, om vandaar den ontijdigen bezoeker te kunnen gade
slaan.--Men had haar de gebeurtenissen van den vorigen avond verzwegen,
ten einde haar niet noodeloos te verontrusten, en Sappho was gewoon
op dit vroege morgenuur slechts de meest vertrouwde vrienden harer
grootmoeder te zien verschijnen.

Melitta opende de poort, en geleidde kort daarop een rijkuitgedost
jongeling met blonde haren door den tuin.

Sappho verroerde zich niet; zij was in stomme verbazing over deze
haar geheel vreemde kleederdracht en de zeldzame schoonheid van den
Perzischen koningszoon. Want deze was 't die in den vroegen ochtend
Rhodopis kwam bezoeken. Zij kon hare oogen niet van zijn gelaat
afwenden. Juist zóo had zij zich den blondlokkigen Apollo, den voerman
van den zonnewagen en den aanvoerder van de Muzen, voorgesteld.

Melitta en de vreemdeling naderden intusschen haar schuilhoekje. In
plaats van zich nog beter te verbergen, drong zij haar kopje tusschen
de rozen naar voren, om den jongeling, die minzaam maar in gebroken
Grieksch tot de oude slavin sprak, te beter te kunnen verstaan. En
nu hoorde zij, hoe hij met zekere drift onderzoek deed naar Cresus en
zijn zoon. Vervolgens vernam zij uit den mond der slavin, in antwoord
op de haar gedane vragen, alles wat er den vorigen avond had plaats
gegrepen. Zij werd vol angst over Phanes. Zij dankte in haar hart den
edelen Gyges, en vroeg zichzelve af, wie deze koninklijk uitgedoste
jongeling zou kunnen zijn. Wel had Rhodopis haar van de heldendaden
van Cyrus, van den val van Cresus, van de macht en den rijkdom der
Perzen verhaald; maar dit was ook alles wat zij van de Aziaten wist,
die zij overigens voor een woest, onbeschaafd volk hield. Hoe langer
zij nu den schoonen Bartja aanschouwde, des te sterker werd hare
belangstelling in de Perzen.

Als eindelijk Melitta zich verwijderde, om hare grootmoeder te wekken
en kennis te geven van het vroegtijdig bezoek, wilde het meisje
haar volgen. Maar Eros, de dartele knaap, over wiens kinderlijke
onwetendheid zij nog een oogenblik te voren gelachen had, had het
anders besloten. Haar kleedje werd door de doornen van den rozestruik
vastgehouden, en voordat zij nog in staat was zich te bevrijden, stond
reeds de schoone Pers voor haar, en hielp haar, terwijl zij sterk
bloosde, om het kleedje van den verraderlijken struik los te maken.

Sappho was niet in staat een enkel woord van dank uit te brengen, en
sloeg beschaamd en toch glimlachende de oogen neder. Bartja, de anders
zoo moedige knaap, zag zwijgend, en evenals zij met hoogroode kleur,
op haar neder. Maar dit zwijgen duurde slechts kort, want het meisje,
dat zich spoedig van haar schrik hersteld had, barstte op eenmaal
met kinderlijke vroolijkheid in een helderen schaterlach uit over den
zwijgenden vreemdeling en het vreemdsoortige dezer ontmoeting. Toen
snelde zij als eene opgejaagde hinde naar huis.

Nu echter herkreeg ook de Pers de hem eigene vrijmoedigheid. In
twee sprongen had hij het meisje ingehaald. Snel als de gedachte
vatte hij hare hand, en hield ze in spijt van haar weêrstreven in de
zijne geklemd.

»Laat mij los!" bad Sappho, half ernstig, half glimlachende, hare
donkere oogen tot den jongeling opheffende.

»Hoe zou ik dat kunnen?" antwoordde deze. »Ik heb u van den rozestruik
geplukt, en houd u gevangen, tot ge mij in uwe plaats uwe zuster dáar
aan uw boezem als eene gedachtenis medegeeft naar mijn ver verwijderd
vaderland."

»Ach, ik bid u, laat mij," herhaalde Sappho. »Zoolang ge mij niet
loslaat, treed ik in geene onderhandeling."

»Maar, zult gij niet weder wegloopen, als ik aan uw verlangen voldoe?"

»Zeker niet!"

»Welnu, zoo schenk ik u de vrijheid terug, maar nu moet ge mij ook
uwe roos geven."

»Ginds aan den struik zijn nog veel schoonere. Pluk er van, zooveel
u lust. Waarom wilt gij juist deze?"

»Om ze, als eene gedachtenis aan het schoonste meisje dat ik ooit
gezien heb, zorgvuldig te bewaren."

»Nu geef ik u de roos in het geheel niet, want hij die mij zegt dat
ik schoon ben, die meent het niet goed met mij. Maar wie mij zegt
dat ik goed ben, hij is mijn vriend."

»Wie heeft u dat geleerd?"

»Mijne grootmoeder Rhodopis."

»Welnu, dan zeg ik u, dat gij het beste meisje op de geheele wereld
zijt."

»Hoe kunt gij nu zoo iets zeggen, gij, die mij volstrekt niet kent? O,
ik ben dikwijls zeer ondeugend en ongehoorzaam. Ware ik goed, zoo
zou ik thans, in plaats van met u te staan praten, reeds lang in
huis zijn gegaan, gelijk mij betaamde. Want grootmoeder heeft mij
streng verboden in den tuin te blijven als er vreemdelingen zijn,
en ik verlang ook volstrekt niet naar het bijzijn van de mannen,
die steeds over dingen spreken waarvan ik niets versta."

»Zoo zoudt gij dan ook maar liefst zien, dat ik mij verwijderde?"

»Ach neen, u begrijp ik zeer goed, al spreekt gij ook op verre na
zoo schoon niet, als bij voorbeeld Ibycus of de arme Phanes, die
gisteren, gelijk ik eerst straks van Melitta vernam, zoo jammerlijk
vluchten moest."

»Hadt gij hem lief?"

»Of ik hem liefhad? O ja, ik mocht hem zeer gaarne lijden. Toen
ik nog klein was, bracht hij altijd ballen, ledepoppen [176] en
kegelspellen uit Saïs en Memphis voor mij mede; en toen ik grooter was
geworden, leerde hij mij schoone nieuwe liederen. Bij het afscheid
bracht hij mij een zeer klein Siciliaansch schoothondje mede, dat
ik Argos zal noemen [177], daar het zoo wit en zoo vlug is. Binnen
weinige dagen zullen wij nog een ander geschenk van den goeden Phanes
ontvangen. Dan.... ziet gij, zoo ben ik. Bijna had ik daar nu een groot
geheim verklapt. Grootmoeder heeft mij streng verboden, aan iemand
ter wereld te vertellen, welke lieve kleine gasten wij wachtende
zijn. Maar het is mij, al kenden wij elkaar reeds sinds lang. Uwe
oogen zijn zoo goed, dat ik u gerust alles zou durven zeggen wat ik
weet. Doch, ziet ge, buiten grootmoeder en de oude Melitta heb ik
ook niemand wien ik kan toevertrouwen, wat mij verblijdt; en ik weet
zelve niet hoe het komt, maar menigmaal begrijpen die twee, hoe lief
zij mij ook hebben, in het geheel niet, hoe deze of gene kleinigheid
mij zoo groote vreugde kan geven."

»Dat komt daar vandaan, dat zij oud zijn, en de blijdschap van een
jeugdig hart niet meer verstaan kunnen. Maar hebt gij dan in het geheel
geene speelgenoot, niemand van uw eigen leeftijd, die gij liefhebt?"

»Niemand. Wel zijn er, buiten mij, vele meisjes in Naucratis, doch
grootmoeder zegt, dat ik haren omgang niet mag zoeken. Omdat zij niet
tot ons willen komen, werd het mij ook niet vergund tot hen te gaan."

»Arm kind! Waart gij in Perzië, zoo zou ik u spoedig eene lieve
vriendin bezorgen. Ik heb eene zuster, zij heet Atossa, die zoo jong,
zoo schoon en zoo goed is, als gij."

»Ach, hoe jammer, dat zij niet met u gekomen is. Maar nu moet gij
mij ook zeggen, hoe ik u moet noemen."

»Ik heet Bartja."

»Bartja? Een vreemd woord Bartja!--Bartja! Weet gij wel, dat die naam
mij best bevalt? Hoe heet toch de goede zoon van Cresus, die onzen
Phanes zoo edelmoedig redde?"

»Gyges is zijn naam. Darius, Zopyrus en hij zijn mijne beste
vrienden. Wij hebben wederzijds gezworen, elkaar nimmer te zullen
verlaten, en voor elkander des noods bloed en leven ten offer te
brengen [178]. Zoo ben ik dus heden in de vroegte, in spijt van hun
bidden en smeeken, heimelijk hierheen gereden om mijn vriend bij te
staan, ingeval hij hulp mocht behoeven."

»En uwe reis was vergeefs."

»Neen, bij Mithra! dat was zij niet, want op mijn rit heb ik u
gevonden. Maar nu moet gij mij ook zeggen hoe gij heet?"

»Men noemt mij Sappho."

»Een schoone naam. Zijt gij misschien nog eene bloedverwante van
de dichteres, wier schoone liederen Gyges mij zoo dikwerf heeft
voorgezongen?"

»Voorzeker! De tiende Muze of de Lesbische zwaan, gelijk de oudere
Sappho genoemd wordt, was de zuster van mijn grootvader Charaxus. Uw
vriend Gyges schijnt in het Grieksch beter te huis te zijn, dan gij?"

»Van zijn geboorte af heeft hij niet alleen de Lydische maar ook de
Grieksche taal leeren spreken, en van beide bedient hij zich met
evenveel gemak. Ook het Perzisch is hij volkomen machtig; en, wat
meer zegt, hij heeft zich ook alle deugden der Perzen eigen gemaakt!"

»Wat houdt gij dan wel voor de hoogste deugden?"

»Waarheidsliefde is de eerste van alle deugden; de tweede noemen wij
dapperheid, de derde gehoorzaamheid. Deze drie, gepaard aan eerbied
voor de goden, hebben de Perzen groot gemaakt."

»Maar gij erkent immers geene goden?"

»Dwaasheid, lief kind! Wie zou zonder goden, zonder een hoogeren
bestuurder kunnen bestaan? Het is waar, wij laten die hemelsche wezens
niet, gelijk gij, in huizen en beelden wonen, want al het geschapene
is hunne woning. De godheid, die overal moet zijn en een ieder hooren
en zien, laat zich niet binnen muren opsluiten!" [179]

»Maar waar aanbidt en offert gij dan, zoo gij geene tempels hebt?"

»Op het grootste van alle altaren, in de vrije natuur, het liefst op
de toppen der bergen [180]. Dáar zijn wij onzen Mithra, de groote zon,
en Aoeramazda, het reine scheppende licht, het meest nabij. Dáar valt
het duister het laatst en breekt het licht het eerste door. Alleen
het licht is rein en goed, de duisternis is zwart en boos. Ja, lief
kind, op de bergen is ons de godheid het meest nabij, daar toeft
zij het liefst. Hebt gij nooit op de met wouden gekroonde toppen van
een hooggebergte gestaan en, onder het plechtig zwijgen der natuur,
het zachte suizen van den adem der godheid vernomen, zoodat u eene
siddering door de leden voer? Hebt gij nooit in het groene bosch, aan
eene heldere bron, onder den blooten hemel neergezeten, en geluisterd
naar de stem van den God, die in het ritselen der bladeren, en in
het ruischen van de wateren spreekt? Hebt gij nooit opgemerkt, hoe
de vlam met onweerstaanbare macht opwaarts stijgt tot haren vader,
de zon, en het gebed in den ten hemel klimmenden rook tot den grooten
stralenden schepper draagt?--Gij hoort mij verwonderd aan; maar,
meisje, ik verzeker u, gij zoudt met mij nederknielen en aanbidden,
zoo ik u naar een altaar op den top van het hooggebergte kon voeren."

»O, dat ik met u konde gaan! O, dat ik eens van een berg neder mocht
zien, op alle dalen en stroomen en wouden en weiden! Ik geloof, dat
het mij daar boven, waar niets voor mijn blik verborgen zou wezen,
zijn zou, als ware ik zelve eene alziende godheid.--Maar, wat was
dat?--Grootmoeder roept. Ik moet gaan."

»O, verlaat mij nog niet!"

»De gehoorzaamheid is ook eene Perzische deugd."

»En mijne roos?"

»Hier hebt gij ze."

»Zult gij u mijner herinneren?"

»Hoe zou ik niet?"

»Lief meisje, vergeef mij, maar sta mij nog eene tweede gunst toe."

»Spoedig, spoedig, grootmoeder roept al weder."

»Neem deze ster van diamanten tot eene gedachtenis aan dit uur."

»Ik mag niet!"

»O, ik bid u, neem ze aan. Mijn vader gaf ze mij tot belooning toen ik
den eersten beer met eigen hand geveld had [181]. Zij was tot dusver
het liefste, wat ik had, thans moet gij haar van mij aannemen, want
van nu aan is mij niets zoo dierbaar als gij!"

De jongeling nam de keten met de ster van zijne borst, en wilde
het meisje dit kleinood om den hals hangen. Sappho bleef echter
dit kostbare geschenk weigeren. Toen sloeg Bartja zijn arm om haar
heen, kuste haar op 't voorhoofd, noemde haar zijn eenige geliefde,
wierp haar met zacht geweld het sieraad om den hals, en staarde een
oogenblik diep in de donkere oogen van het bevende kind.

Rhodopis riep ten derden male. Sappho wond zich los uit den arm van
den koningszoon, en wilde zich snel verwijderen. Maar nog eenmaal
wendde zij, op de smeekende stem van den jongeling, het hoofd om, en
antwoordde op zijne vraag: »Wanneer mag ik u wederzien?" met zachte
stem: »Morgen ochtend vroeg, bij gindsche rozestruik."

»Die als mijn bondgenoot u vasthield."

Sappho spoedde zich nu naar binnen. Rhodopis ontving Bartja, en deelde
hem omtrent de geschiedenis van zijn vriend mede, wat zij zelve wist.

Zonder verder dralen keerden nu de jonge Pers naar Saïs terug.

Toen Rhodopis aan den avond van dien dag, als gewoonlijk, voor de
sponde harer kleindochter trad, sliep deze niet zoo kalm en rustig,
als zij placht. Hare lippen bewogen zich en, als werd zij door booze
droomen gekweld, de schoone slaapster zuchtte soms diep en smartelijk.

Bartja ontmoette op den terugweg zijne vrienden Darius en Zopyrus,
die hem, zoodra zij kennis droegen van zijn heimelijken aftocht,
terstond gevolgd waren. Zij konden bezwaarlijk vermoeden dat Bartja,
in plaats van strijd en gevaar, zijn eerste liefdesgeluk gevonden had.

Kort vóor de drie vrienden kwam Cresus te Saïs aan. Op staanden voet
begaf hij zich tot den koning, en verhaalde dezen zonder omwegen alles,
wat den vorigen avond te Naucratis geschied was. Amasis veinsde de
grootste verwondering over den aanslag van zijn zoon, verzekerde
zijn vriend, dat Gyges aanstonds op vrije voeten zou worden gesteld,
en maakte zich vroolijk over de verijdelde wraakneming van Psamtik.

Nauwelijks had Cresus zich verwijderd, of de kroonprins liet zich
aandienen.



TIENDE HOOFDSTUK.


Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend
gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord
gelaat. »Heb ik het u niet gezegd," zoo begon hij, »dat het voor een
eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen
vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven,
zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel
bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet."

Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem
antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den
hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille
van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër
heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat
raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van
dit Grieksche bedelaarspak!"

»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger
te zijn dan gij."

»Verstandiger?--verstandiger?--Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo
kunstig aangelegd, dat....."

»De fijnste weefsels scheuren het lichtst."

»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in
strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid
tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen."

»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van
een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken
eener persoonlijke wraak."

»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en
daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet,
dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich
ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwer bevelen heeft gemengd. Zulk
een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor
de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes
is ons de bestraffing van Gyges schuldig."

»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen,
dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft
mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te
hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien
uw vader groote verplichting heeft."

»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?"

»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk
dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik
zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak
ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen
Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den
indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van
meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan."

»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening
verschaffen?"

»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb."

»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens
lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne
handen heeft!"

»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder
verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw
vader den koning staat!"

»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt
te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene
hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen
gebruik weten te maken."

»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen."

»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne
vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot
bezitten."

Amasis verbleekte.

»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou
doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand,
die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende,
uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den
eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen,
dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger
Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in
ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigen brief
van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter
zijde stond [182], houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft,
zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit
een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is."

»Wie bezit die papieren?" vroeg Amasis op ijskouden toon.

»De priesters."

»En deze spreken door uw mond?"

»Gelijk gij zegt."

»Herhaal dan, wat gij van mij begeert."

»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht
om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken."

»Is dit alles?"

»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den
Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden
te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel
te Memphis stake!"

»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een
scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner
vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar
ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten
brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van
Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen,
zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra
de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden."

»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als..."

»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes
aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien
niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de
oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om
hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van
eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in
het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en
zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden
kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij
af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot
en gelukkig te maken, was ik tot heden tot ieder persoonlijk offer
bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet
beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen,
teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel
eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden
van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u
in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want
ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar
over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith,
mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer
de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken
wil ten offer brengen. Zwijg--en vertrek!"

Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met
een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf
zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij
gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner
verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen [183]
en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop
spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te
deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.

Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen
der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met
eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.

Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe
rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der
vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der
priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van
zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn
hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in
het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van
dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje,
dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij
zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij
troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende
mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst
omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.

»Waar is mijn zoon?" vroeg hij den eersten den besten hoveling,
die hem tegenkwam.

»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen,"
was het antwoord.

De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en
overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus
geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!"

Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat
het naamcijfer des konings droeg [184], en las: Ik heb uw zoon bij
mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der
priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn
vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen,
want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven
door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel;
maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen."

De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende
dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den
koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige
oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers,
honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich
door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om
daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen
vervolgde [185], te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren
zijne verijdelde wraak te verhalen.

Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met
Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid
gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den
zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te
willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag
een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen,
en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel
naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd
van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken
in hiëroglyphenteekens van goud en zilver ingelegd. Amasis maakte
zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de
jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen
gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den
maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar
was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij
zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben,
wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had [186].

Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges,
verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize
naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer
in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten
in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges
koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche
kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening
der sterrenkunde had beziggehouden [187], was op zekeren avond, toen
hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith
aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste
sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering
van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling
had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle
nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.

Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester,
en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er
toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen.

»Ik onderwijs hem," antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder
geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons
daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans
overtreft, gelijk de zon de maan.--Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal
een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over
Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te
blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen;
hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten
te overzien. Gaat gij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten,
of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later
uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad
ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond
des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven
in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den
hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot,
die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar
ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij,
die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen,
die tot een grooten boom zal opwassen."

De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan
gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten
't hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis
uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had
gemaakt, hem gewoonlijk vergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho
was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig,
om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En
bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van
hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden
zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht,
geoefend hadden.

Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de
verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de
macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag
waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen
hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens
der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en
hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder
bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle
vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart,
en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts
vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de
koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan
Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met
haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou,
als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander
zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar
de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde
zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar
gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest
de ongelukkige zichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf
in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het
bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen,
welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats
van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige
kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder
rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar,
die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.

Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der
minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho
in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon
zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd,
door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen
betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te
zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van
alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der
minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds
in hare verbeelding haar »zoet dochterken" tot beheerscheresse der
halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was:
»vorstin" en »koningin." In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve
met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster
aan het Perzische hof.



ELFDE HOOFDSTUK.


Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot
aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent
genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den
nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin
ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in
vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin,
en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich,
om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen,
zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.

»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat
gij in mijne nabijheid zijt," fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij,
als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel
te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort,
en ik u mijn leven lang heb lief gehad."

»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne
geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk
zou zijn zonder u te leven."

»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!"

»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het
wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij
weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden
we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging
het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en
naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne
zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten,
als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust."

»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst,
wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees
voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt;
maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergeten zult. Melitta
heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven;
zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is
aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst
kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook,
styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig
[188]. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen,
want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij
mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult."

»En uw vertrouwen bedriegt u niet!"

»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de
meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en
er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw
blijven, hij zal mij niet vergeten!" Maar als het blaadje zonder eenig
geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.--Doch ik vernam bijna altijd
den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk,
zelden reden om treurig te zijn [189]."

»En zoo zal het blijven!"

»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias,
die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!"

»Ja, ik zal zacht spreken... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken
achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u!--Hebt gij het
verstaan?"

»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar
al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!" zoo zou mij
uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij
bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle
tongen der wereld."

»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan
zou ik..."

»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij
alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt
mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn
woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem
niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta."

»Och toe, wilt gij 't mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul,
gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds
in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen,
wat de vogel spreekt?"

»Ik zal 't u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje:
'Ik min u!' en zij antwoordt, luister slechts: 'Itys, Ito, Itys'
[190]."

»En wat beteekent dat: Ito, ito?"

»Ik neem het aan, ik neem het aan!"

»En Itys?"

»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een
kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid,
want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: 'ik neem
het aan,--ik neem het aan voor alle eeuwigheid!'"

»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?"

»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking:
ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!"

»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal
niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen
zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen
zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk
een witte zwaan."

»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft
geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw
zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik
thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem
kunnen spreken."

»Zoo fluister,--of zing!"

»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij
mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje
voorzingen. Alkman, de Lydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen
den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke
slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven.--Kus mij
nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan
echter vorder ik zelve een kus tot belooning:


    "De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:
    Der bergen kruin, de klip in 't grondloos zout,
    De stroom en 't meir, 't gebladerte van 't woud,
    De worm der aarde--'t rust en sluimert àl.
    Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;
    Na d'arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;
    In d'afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,
    Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;
    En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,
    Het vooglenpaar te midden van zijn kroost."


»En nu mijn beste, een kus?"

»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks
bij het kussen het luisteren vergat."

»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?"

»Schoon, als alles, wat gij zingt."

»En wat de groote Helleensche zangers dichten."

»Ook dit geef ik u toe."

»Hebt gij in Perzië geene dichters?"

»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele
gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?"

»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden."

»Hoe bedoelt gij dat?"

»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen."

»Mijne Sappho...."

»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen
andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met
u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland,
wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw
willen verachten of slechts berispen,--want wie zou het wagen mijn
Bartja te verachten--zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat
mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt
gij mij dat beloven, Bartja?"

»Dat wil ik!"

»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw
land onderwerpen moet,--want uit liefde zult gij geene tweede vrouw
nemen,--zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit
zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den
tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik
u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert,
druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht,
zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal,
dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen,
en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan
verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt
gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstand in
uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u,
en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt,
en dat gij haar nog altijd liefhebt."

»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote
schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal
niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet
anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere
meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder
man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt
niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen,
doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane."

»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?"

»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene
gade van haar echtgenoot."

»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?"

»Zoo spoedig ik maar kan en mag."

»O, ik zal geduldig wachten."

»En zal ik ook tijding van u ontvangen?"

»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden
draag ik mijn groet voor u op...."

»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den
bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte
zal brengen."

»Waar vind ik dien?"

»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult
doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken."

»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel
van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest
bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb."

»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?"

»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!"

»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste
aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden
en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen
genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf,
gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders
verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende
blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het
laatste zal ontrukken."

»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene
groote gunst toe!"

»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb."

»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen
achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo
innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne
dierbaarste wenschen vervuld ziet."

»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!"

»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De
goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij,
haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij
te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de
schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein
licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart
geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag,
terwijl zij blij het tegenwoordige geniet."

»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn
afgelegen vaderland wil volgen."

»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de
eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans
mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of
bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste,
dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten
in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man,
voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal
stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als
zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een
koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw
koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er
uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat
mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de
voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe
gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en
uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw
edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe
dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het
deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig
luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: 'O, hoe lief hebben wij
den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen
jongeling eens zien!'--dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus
hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch
vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en
zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!"

»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat
ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken,
de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs,
dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden
Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid,
van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren,
wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar
dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris [191], en
ik kus mijne zuster als zij roept: 'O, Aphrodite, kon ik u eens zien!'"

»Hoor, wat was dat?--Daar klapt onze trouwe schildwacht in de
handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!"

»Nog eene kus!"

»Vaarwel!"



Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap
gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen
gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen
en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde,
dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje,
dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij,
dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de
gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho
om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de
achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen
met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.

»Nog niet te bed, Sappho?" luidde haar vraag. »Wat beduidt dit,
mijn kind?"

Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp
zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder,
en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.

Rhodopis verbleekte.

»Verlaat ons!" gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste
zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders,
en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder,
even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?"

Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder
op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kuste haar en zeide:
»Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven
u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te
vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor
u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik [192] tot vrouw
willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft
den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen
hem opgericht. Het warme Aeolische [193] bloed in uwe aderen heeft
liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt
ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar
dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar
kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder
mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten
van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen
knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland
wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te
zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is
bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw
lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker,
dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land
door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft
een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs
late wachten."

»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig
trouw gezworen?"

»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts
een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit
verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig
spreekwoord: 'Zeus hoort de eeden der minnenden niet.' Waarom zou
de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de
mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen
van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt,
vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te
moeten doen van den persoon dien gij bemint."

»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden,
als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de
waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ik met vol vertrouwen
hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der
treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen."

»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in
droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart...."

»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch
niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij
verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de
pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!"

Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo
overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden,
glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat
ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking
aannam.

Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw,
herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot
haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O,
grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië
trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren."

»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen
uitstrekken!" zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij
het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het
goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met
mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht
ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij
eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.--Morgen
zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen,
of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan
wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de
huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust,
mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!"

Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in
slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende,
dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon
en het aanlichten van den dag.

Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje
gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal
van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus:
»Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een
vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig
schijnt, om de vrouw van den eersten aller koningen te zijn. Zij stamt
af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten,
de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus
beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons
echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers
huwen dochters van pharao's, om hunne kinderen het erfrecht op den
troon te verschaffen."

»Ik heb u zwijgend aangehoord," antwoordde Cresus, »en moet u
bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen,
of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben
moet.--Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den
koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De
koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling
verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op
de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want
de groote grondlegger der Perzische heerschappij mocht zich slechts
in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer
kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling
van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle
waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel,
even deugdzaam als beminnelijk.--Wel vergt men van de koningszonen,
dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden
huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat
vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter
en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze
zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de
onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des
konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden
genoeg op, dat zelfs slavinnen koningen ter wereld hebben gebracht
[194]. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als
deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon
wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja
geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende
gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met
een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik,
om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene
Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal,
wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt,
zijne toestemming niet onthouden."

»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd," riep
Rhodopis zeer verheugd.

»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij
groote zorg."

»Meent gij dan, dat Bartja..."

»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang
onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen
heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal."

»Maar..."

»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen
met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de
vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig
nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige
nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene
hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk
te storten."

»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?"

»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar
benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met
smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De
nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust
en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat,
en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige
wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan
liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal,
ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals
halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij
de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren
te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de
in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag
wenschen."

»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij
als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele
zoon van den grooten koning."

Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, het vertrek
binnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer
kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij
zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn
geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde
trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving,
dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn
hart met zoo groote zaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek
bij Rhodopis te ondersteunen.

Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den
jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u
tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur."

»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!"

»Zij doet pijn!"

»Maar die pijn is zoet!"

»Zij verwart den geest!"

»Maar zij versterkt het hart!"

»O, die liefde!" riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield,
niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter
school gegaan?"

»En toch," hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van
alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift,
vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij
is zoet," en tegen beter weten in blijven beminnen!"

In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit
feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf
in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door
een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche
rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster,
het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij
voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe
langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker
uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor
zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven
weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen
kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet,
en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle
Achaemeniden tegen ons samen!"

»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?" vroeg Rhodopis, met
vreugdetranen in de oogen.

Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder,
en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene
profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:

»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u
beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig
en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst
en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de
schimmen uwer gestorven ouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen,
als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt."



Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom
eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis
der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een
laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek,
dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met
innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen
Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden,
toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich
snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot,
waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich
met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig
oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als
altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der
vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden
geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich
menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene
dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier
een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze
uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den
schoonen en beminden koningszoon?

In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en
dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en
dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik,
de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den
koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep
de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond,
tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem
den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak,
knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte
zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen
deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons
zelfs en om Egypte's wil."

»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?"

»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes."

»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename
van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land."

»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang
hebben."

»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte
uitbreiden!"



Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van
hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op
de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht,
en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid
»Ailinos [195]!" Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden
band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden
was [196]. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho
de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk
dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop
beklom zij de triëre, die haar wachtte.

De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma [197]
aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde
de lucht van een duizendvoudig »Ailinos", ten afscheid. Op het dek
van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste
liefdesgroeten toe.--In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia,
de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar
om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl
de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg,
als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd
harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat
de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja,
mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes,
die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart
getroffen."



TWEEDE BOEK.


EERSTE HOOFDSTUK.


Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg [198], die
uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei
wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad,
die reeds op verren afstand zichtbaar was.

Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig
verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier
wielen, de zoogenaamde harmamaxa [199], die aan de vier zijden
door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den
koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons
bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn
zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren,
terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden,
den trein opende.

De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk
beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden [200], die tweehonderd-,
ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen,
vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers,
die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen
doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was,
schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen
over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine
vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland
naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren,
uit Griekenland en Klein-Azië afkomstig, van Thapsacus [201] naar
Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers
en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een
levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog
voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg
bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.

Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek [202] was
bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten,
hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van
zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter,
en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die
hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder
afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden
een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon
ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe,
dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot
u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische
vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen
hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.--Wat ziet
gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan
uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is
dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing,
als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel,
bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn
hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden
mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer
weder met een blik verwaardigen.--Moed, mijne dochter, moed! Indien
gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!"

Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden,
en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus,
mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook
in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis
over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg
geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!"

Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van
den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter
geweest.

Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar
een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden
werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen [203], een der
aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer
gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht
was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne
ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals
en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met
gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken,
die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken
van allerlei sterk riekende oliën.

De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische
maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand
voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld,
zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn
groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht,
de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade
van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de
poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden,
wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in
een Perzischen diamant veranderen."

Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den
waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid,
de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de
keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.

Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het
huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland
af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het
onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters [204], losmaken,
om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.

Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe
knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens;
de koks begaven zich met den meesten spoed aan den arbeid, en allen
hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een
rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden,
de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het
zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De
lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen
tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot
zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks,
schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers
op wagens medegevoerd.

Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen,
goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden
en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier
verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van
den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen
haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische
herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations,
dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus,
die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in
zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook
eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze
boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om
aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende
deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de
eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe
te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste
ruiters ter wereld gehouden [205].

Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel
opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt
»Ha!" ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in
de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd
met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer
zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over
de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar
Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen
bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de
meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid
afgelegd, en met het van goud en edelgesteente flonkerende zijden
gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener
koningin aangetogen.

Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van
nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare
vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der
eunuchen [206], en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte:
»Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen
en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een
loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze
gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid."

De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar
kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij
nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot
nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten
altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al
het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen
en onderworpenheid te winnen.

Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich
echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide:
»U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door
eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen
zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een
gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.--Neem dezen ring,"
zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van
het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit
Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch
zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen,
gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer
priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van
mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene
zeven [207]. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de
gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de
gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank
is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in
ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord. Deze
zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat
ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke
gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid,
die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen
maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven,
zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.--Gij,
Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster,
zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.--U, Zopyrus, bied ik deze gouden
keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend
van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der
liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van
haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen
[208].--U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en
van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden
band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in
het metaal gegraveerd [209].--Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder,
zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem
deze amulet van blauw steen [210]. Mijne zuster Tachot hing ze mij om
den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en
mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide: 'deze talisman verschaffe
allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.' Zij weende, terwijl
ze dat zeide, Bartja!--Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik
hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen
leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst
aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs."

Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken
Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren:
»Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden
staters [211] doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges," vervolgde zij,
zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder
de lieden te doen verdeelen.--Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!"

De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij
Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm
aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?"

»Ik zeg u, meisje," antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof
de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd
zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig
veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet
te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan
een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken
te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de
kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger
te maken.--Wat zijt gij schoon!--Zit gij zóó goed, of verlangt gij
hooger kussens?--Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de
stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet
trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den
blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen
kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en
onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed,
mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!--Te
paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!"

Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte
de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader
en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende
wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een
donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke
gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte,
bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich
de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden
van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.

De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper,
goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen
op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken
met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren
gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan
den raafzwarten hengst dien hij bereed [212]. Telkens werd hij door
het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed
hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen,
dat hij juist de man was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter,
wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het
dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit,
bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk
[213]. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen
van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt,
waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met
edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de
zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder
dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een
ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel
van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen
daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde
geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken,
het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde
een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen
neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel
van groote kracht en mateloozen trots.

Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar
blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog
nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem
getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort
begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als
was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen
om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar
hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank
om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist
niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth [214], den vader van
al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den
grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en
vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer
de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van
haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn
woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong,
met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij
den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd.

Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werd
steeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van
aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk
wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar
hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels
voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en,
volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad
hun vorst ontvingen.

Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters
volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden 's konings tapijtenleggers, snel
als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid,
opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige
oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten,
terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij
Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen,
en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen.

De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning
op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in
beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden
wagen.

»Zij is schoon en mijn hart welgevallig," riep de Perzische vorst den
Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne
vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische,
de Assyrische en de Medische taal."

Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde
haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden,
sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch:
»Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben
laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn
heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in
het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken
volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne
bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd [215]."

Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een
glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van
Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene
vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in
onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het
smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig
voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt
mij, dat ik zonder tolk met u kan spreken. Ga voort u toe te leggen
op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot
Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn."

»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel," antwoordde de grijsaard,
»want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen
wenschen, dan de dochter van Amasis."

»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid," hervatte de
koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die
haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan
en in hare ziel opnemen zal."

Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was
aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde
goden moeten dienen.

Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde:
»Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als
mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar
geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn
hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe
liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad,
Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen,
want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de
bestuurder is van het vrouwenverblijf."

»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf," antwoordde Nitetis,
»zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan
gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk
evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig,
waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt;
dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe
oogen zie lichten, mijn gebieder!--U, den grooten man, mijn gemaal
en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van
den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen,
dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij
mij mocht willen voorschrijven."

De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had
hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de
behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne
macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde,
bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen
man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt
gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u
bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op
de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht."

»Dank, duizendwerf dank!" riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig
gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde
broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden
van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning,
die dezen schoonen berg liet opwerpen."

»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans,
hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?"

»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen
leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid
der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis
dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten
gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja
zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte,
die zich rondom hem verdrong."

Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene
wolk over 's konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden
slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits
van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon.



Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was
geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was
desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid
en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt
onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee
wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd
vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit
aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene
zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad
was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer
dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven
zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van
Thebe en Memphis overtroffen [216].

De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had
voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren
wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een
vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige
gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk
aangezicht, in liggende houding, verhief [217]. Deze monsters waren
eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste
kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste
verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door
adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op;
met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote
stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.

Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de
saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich
klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den
terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook
Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich,
overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij
behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne
verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest,
door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had
zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden
gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te
begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die
de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende
wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en
palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren;
uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis
waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout
vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide
zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen
hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange
stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels,
vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden [218].

Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de
van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog [219]. Maar boven
alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel,
met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige
gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang
omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg
[220].

Nu naderde de trein den burcht des konings [221], welks
afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg
van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met
verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte
mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen,
krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts,
langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen [222], oostwaarts,
op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht,
met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.

De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende
muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil;
voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw
vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene
vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.

Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd
aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat
met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen
vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd,
in kostbare kleeding, wier volle blonde haren met rijke parelsnoeren
waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op
en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje
glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending
voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan
weer weenende aan Bartja's hals.

De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand
ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met
liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk
dat gij, sedert gij de oorringen draagt [223], opgehouden hebt,
een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de
behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde
mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog
verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds
zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen
vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij 't echter andermaal tot deze
plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo
zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit,
gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja
een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!--Gij wilt niet? Zijt ge
boos? Wacht maar, stijfhoofd!"

Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide
handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn,
boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne
weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet
liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.

Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te
hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn."

Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord
terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis
keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht
u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen
hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij
zich hebben. Nitetis zeide mij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met
uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra
[224] toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de
rimpels van den ouderdom spare!"

»Wilt gij daarmede zeggen," vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit,
die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?"

»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner
woorden. Kom!"

»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u
te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers
achtersta."

»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij
geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven."

»Cambyzes!"

»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult
gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie
gij zijt!"

Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde
moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar
gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het
geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten,
vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op
haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte
spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn
jongeren broeder ontlastte.

Van Cambyzes' vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden,
iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij
geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden
toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere
menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn
vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest
het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had
gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder
gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten,
hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest
volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend
geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen
koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings
zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal
bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.

De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had
hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren
later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang
aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder
het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der
moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige
Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne
koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote
toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige
koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid,
maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts
sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de
hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk
eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de
rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien;
terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld
van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks," aanschouwde.

Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder
van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij
haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich
door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en
een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde,
hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen,
en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid
zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene
vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde
zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis,
ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op
dien dag niet gekend had.

Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne
grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere
met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning,
die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost
tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw,
wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare
moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat
hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste
mate had gewekt,--had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was
hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over
Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt,
om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.

Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij
een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij
hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door
daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren [225] zijn
opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar
Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!"

»Ik dank u, mijn broeder," riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius,
Gyges en Zopyrus mij vergezellen?"

»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm
niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt
zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten [226]
zal optrekken."

»Morgen reeds vertrek ik!"

»Het ga u goed!"

»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer,
wilt gij mij dan ééne bede toestaan?"

»Dat wil ik."

»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met
duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!"--'s Jongelings oogen
fonkelden. Hij dacht aan Sappho.

»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden
verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij
zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den
edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is
uwer waardig, wat hare afkomst betreft."

»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik..."

»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos."

»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg
ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij,
maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van
trouwen weten!"

»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn
teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De
Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten,
ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft."

»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader
bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet
mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar
aan Darius of Bessus, beiden verwanten van Hydarnes. Ik kan haar niet
beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken..."

Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is
als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een
Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap
als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij
te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene
verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten
strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent,
slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het
mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen
te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed
doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak
gelden. Gij kent mij!"

»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik
thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn
ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen
dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid."

»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!--Hoe gelukkig ziet gij er
uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone
alle andere vrouwen veracht."

Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn
broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals
mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder
en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?"

Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen
hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon,
riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren
komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij
heeft thans anderen die haar bewaken."

Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar
de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal,
waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers,
raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was
de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit-
en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen,
oogen en ooren des konings [227] en boden van allerlei soort hem
verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit,
terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel-
en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten
ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging,
elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden,
en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.

In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel,
die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk,
borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In
een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene
kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele
millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd
te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere
spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste
beweging zijner dischgenooten waarnemen [228]. Tot het getal dezer
dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de
grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht
zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen,
aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden.

Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen
voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe
en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene
eerbiedige buiging.

Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook
zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch
eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht,
en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene
ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen,
die later, als »Perzisch nagerecht," zelfs bij de Grieken groote
vermaardheid verkregen [229]. Daarop verschenen slaven, die de tafel
van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren
reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om
zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een
tal van schenkers vulden op de sierlijkste wijze de gouden bekers en
proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra
was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de
groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat [230].

Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het
vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom
had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig
getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl
hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder
kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar
de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit
verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed,
dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van
deze vrouw ontrooven," dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder,
ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert."

Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste
der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden,
waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te
groot was, placht te begeven.

»Phaedime wacht u met ongeduld," zeide de eunuch.

»Laat haar wachten!" antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen
genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende
tuinen."

»Morgen kan het betrokken worden."

»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?"

»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de
gestorvene Amytis."

»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld
worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik
u aan haar zal opdragen."

De eunuch boog zich zwijgend.

»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke,
alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef."

»Cresus was hedenavond bij haar."

»Wat wilde hij van mijne gemalin?"

»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde
meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de
Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen. Haar gelaat stond
droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij
nog iets te bevelen had."

»Angramainjus doe uwe tong verlammen!" bromde de koning, Boges den
rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die
hem naar zijne vertrekken geleidden.



Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne
vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische
grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van
Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde,
fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een
schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna."

»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?"

»Gyges en Eros zullen mij helpen!"

»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten,
en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet
vergeten."

»Voorzeker niet!"

»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader,
jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar
ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid,
aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter
is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de
zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak
den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der
natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders,
als 't oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de
overwinning zij met u!"



TWEEDE HOOFDSTUK.


Cambyzes bracht een slapeloozen nacht door. De jaloezij, die hij tot
hiertoe niet in die mate gekend had, versterkte zijne begeerte naar het
bezit der Egyptische. Vooralsnog mocht hij haar niet zijne gemalinne
noemen, want de Perzische wet schreef voor, dat het den koning eerst
dan geoorloofd was eene vreemdelinge tot zijne gade te nemen [231],
wanneer zij zich met de Iranische gebruiken vertrouwd had gemaakt,
en den godsdienst van Zoroaster [232] had aangenomen. Volgens die
wet zou er een geheel jaar hebben moeten verloopen, eer Nitetis de
vrouw van een Perzischen vorst mocht worden.

Maar wat bekommerde Cambyzes zich om de wet? Hij beschouwde zichzelven
als de verpersoonlijking ervan, en was van oordeel, dat voor Nitetis
drie maanden voldoende zouden zijn, om alle leerstukken der Magiërs
te verstaan, en het feest van haar huwelijk met hem te vieren. Zijne
andere vrouwen schenen hem thans hatelijk, ja, hij had zelfs een
afkeer van haar gekregen. Reeds in zijne jeugd had men zijn huis
met vrouwen opgevuld. Zijn harem bevatte schoone meisjes uit alle
deelen van Azië. Zwartoogige maagden uit Armenië, schitterend
blanke jonkvrouwen van den Kaukasus, teedere maagdelijns van den
oever van den Ganges, weelderige dochteren Babylons, goudlokkige
Perzische meisjes en weekelijke kinderen uit de Medische vlakte,
ja, zelfs onderscheidene telgen van de edelste Achaemeniden hadden
den koningszoon als echte gemalinnen de hand gereikt. Phaedime, de
dochter van den edelen Otanes en nicht van zijne moeder Cassandane,
was tot heden zijne meest geliefde vrouw, of beter gezegd, de eenige
geweest, van wie men zeggen kon, dat zij hem nader aan 't hart lag
dan eene gekochte slavin. Maar ook deze kwam thans den gemelijken en
oververzadigden koning gering en verachtelijk voor.

De Egyptische scheen hem echter uit edeler en waardiger stof gevormd,
dan alle die andere. Zij waren maar vleiende deernen, maar Nitetis
was eene koningin. De andere bogen in het stof aan zijne voeten,
maar dacht hij aan Nitetis, dan zag hij haar rechtop staan, even
trotsch en hoog als hijzelf. Zij zou van nu aan niet alleen Phaedime's
plaats innemen; hij wilde haar veeleer zoo hoog verheffen, als weleer
zijn vader Cyrus zijne gemalin Cassandane. Nitetis alleen vermocht
met hare kennis en haren raad hem ter zijde te staan, terwijl de
andere, onwetend als kinderen, slechts voor opschik en kleeding,
voor verachtelijke samenzweringen en nietige twisten leefden. De
Egyptische moest hem liefhebben, want hij was haar steun, haar heer,
haar vader en haar broeder, in het land dat haar geheel vreemd was.

»Zij moet!" zeide hij in zichzelven, en zijn wil scheen den tyran
even voldoende, als de reeds volbrachte daad. »Laat Bartja slechts
wederkomen," mompelde hij; »hij zal ondervinden wat hem wacht, die
het waagt zich mij in den weg te stellen!"



Ook Nitetis had een onrustigen nacht. In de aan hare vertrekken
grenzende gemeenschappelijke zaal der vrouwen zong en joelde en
krakeelde men tot middernacht. Dikwijls herkende zij de krijschende
stem van Boges, die met de aan zijne hoede toevertrouwden schertste en
lachte. Als het eindelijk in de ruime zalen van het paleis rustig was
geworden, dacht zij zich weer terug in het afgelegene vaderland en bij
de arme Tachot, die naar haar en naar den schoonen Bartja smachtte;
naar Bartja, die, gelijk Cresus haar gezegd had, morgen ten strijde
zou trekken, en misschien wel zijn dood tegemoet ging. Dan sliep zij
in, afgemat door de vermoeienissen der reis, en van haar toekomstigen
gade droomende. Zij zag hem rijdende op zijn zwarten hengst. Het wilde
dier schrikte van Bartja's lijk, dat aan den weg lag, wierp den koning
uit het zadel en sleepte hem voort in den Nijl, die eensklaps met
bloedroode golven begon te stroomen. In haar angst riep zij om hulp;
haar geroep werd door de pyramiden weerkaatst, en het klonk steeds
luider en geweldiger, tot zij van de vreeselijke echo ontwaakte.

Maar wat was dat?--De klagende, galmende toon, dien zij in den droom
vernomen had, klonk nog voort nu zij ontwaakt was. Zij rukte de luiken
van een venster open en zag naar buiten. Een groote, prachtige tuin,
met springfonteinen en lange rijen boomen, door den frisschen dauw
bevochtigd, lag daar vóór haar [233]. Geen geluid werd vernomen,
behalve dien vreemden toon. Maar ook deze stierf eindelijk in het
ochtendkoeltje weg. Na weinige oogenblikken hoorde zij in de verte
schreeuwen en joelen. Daarop ontwaakte allengs het leven in de
reuzenstad. Ten laatste vernam zij nog slechts een dof bruisen,
als dat van de golven der zee.

De koele morgenlucht had haar zoo geheel den slaap uit de oogen
gedreven, dat zij geen lust meer gevoelde om zich andermaal neder
te leggen. Zij keerde naar het venster terug. Zie, daar traden twee
menschen uit het door haar bewoonde huis in den tuin. Zij herkende den
eunuch Boges, die met eene schoone, slechts half gekleede Perzische
vrouw sprak. Zij naderden haar venster. Nitetis verborg zich achter
het half geopende luik en luisterde, want zij meende haren naam te
hebben hooren noemen.

»De Egyptische slaapt nog," zeide de eunuch. »Zij zal wel zeer vermoeid
zijn van de reis."

»Zoo antwoord spoedig," hernam de Perzische. »Gelooft gij werkelijk,
dat deze vreemdelinge mij gevaarlijk zou kunnen worden?"

»Zeer zeker, mijn popje."

»Wat brengt u tot dat vermoeden?"

»Deze nieuwe vrouw behoeft niet mijne, maar alleen de bevelen des
konings te gehoorzamen."

»Is dat alles?"

»Neen, mijn schatje. Maar ik ken den koning, en lees op zijn
aangezicht, gelijk een magiër in de heilige boeken."

»Dus moeten wij haar uit den weg ruimen."

»Dat is licht gezegd, maar moeielijk uit te voeren, mijn duifje."

»Laat mij los, onbeschaamde!"

»Kom, kom, men ziet ons niet, en gij zult mij noodig hebben."

»Nu dan, maar zeg mij spoedig, wat er gedaan moet worden."

»Dank, mijn zoet hartje Phaedime!--Om te beginnen, moeten wij ons
stilhouden en eene gelegenheid afwachten. Wanneer Cresus, die zich
de Egyptische bijzonder schijnt aan te trekken, weg is, dan moeten
wij een strik zien te spannen..."

Zij, die dit gesprek voerden, hadden zich zoover verwijderd, dat
Nitetis niets meer kon verstaan. In de hevigste ontroering sloot zij
het luik en riep hare dienstmaagden, om zich te laten kleeden. Zij
kende thans hare vijanden. Zij wist nu, dat duizend gevaren haar
bedreigden. Toch voelde zij zich sterk en trotsch, want zij moest
de echte vrouw van Cambyzes worden. Nooit had zij zulk een besef
van eigenwaarde gehad, als tegenover deze ellendige schepsels. De
ontwijfelbare zekerheid van te zullen overwinnen vervulde haar hart,
dat stellig geloofde aan de tooverkracht van het goede en van de deugd.

»Wat had dat akelig geluid, hedenmorgen vroeg, te beduiden?" vroeg zij
aan de eerste van hare Perzische kamerjuffers, die haar toilet maakte.

»Bedoelt gij het slaan op het koperen bekken, meesteres?"

»Nauwlijks twee uren geleden werd ik door een vreemdsoortig geluid
gewekt."

»O ja, meesteres, dat was het koperen bekken, hetwelk de zonen der
edelen, die aan de poort van het koninklijk paleis worden opgevoed,
iederen morgen wekt. Gij zult aan dat geluid spoedig gewoon zijn. Wij
hooren het reeds lang niet meer, wij ontwaken daarentegen juist door
de ongewone stilte, wanneer het op hooge feestdagen uitblijft. Op de
hangende tuinen zult gij iederen ochtend, onverschillig of het koud
dan of het warm is, die knapen naar het bad kunnen zien voeren. De
arme kleinen worden reeds op hun zesden geboortedag aan hunne moeders
ontnomen, om met de andere jongens van hun stand gemeenschappelijk,
onder de oogen des konings, te worden opgevoed."

»Moeten zij reeds zoo vroeg kennis maken met de weelderigheid van
dit hof?"

»O, volstrekt niet; die arme jongens hebben het heel kwaad. Zij moeten
op den harden grond slapen, en vóor het opgaan der zon weder op de been
zijn. Hun voedsel bestaat uit brood en een weinig vleesch; hun drank
is water. Wat wijn en toespijs is, weten zij niet eens. Menigmaal
moeten zij, zelfs dagen achtereen, zonder eenige noodzakelijkheid,
honger en dorst lijden, om hen aan ontberingen te gewennen, zoo men
zegt. Wonen wij te Pasargadae of te Ekbatana [234], dan kunnen zij
zich verzekerd houden, ook bij de grootste koude naar 't bad gebracht
te zullen worden. Zijn we daarentegen hier of te Susa, dan laat men
hen, hoe sterker de zon brandt, des te moeielijker marschen maken."

»En uit deze geharde, eenvoudig opgevoede knapen groeien zulke
weelderige mannen?"

»Ja, dat gaat zoo! Hoe langer men honger moet lijden, hoe beter de
maaltijd smaakt! Zulk een jong edelman ziet dagelijks al den glans
dezer omgeving, weet dat hij rijk is, en moet toch gebrek lijden. Is
het wonder dat hij, als men hem loslaat, alle genietingen van het
leven met tiendubbelen ijver najaagt? Gaat hij evenwel ten strijde
of op de jacht, dan klaagt hij ook niet als hij honger en dorst moet
lijden. Lachende doorwaadt hij dan de moerassen, met zijne dunne
laarzen en zijn purperen broek en slaapt op eene rots even goed,
als op zijn bed van zachte Arabische wol. Gij moest eens zien, welke
waagstukken die knapen ondernemen, vooral wanneer de koning bij hunne
oefeningen tegenwoordig is! Cambyzes zal u zeker wel eens met zich
nemen, als gij 't hem vraagt."

»Ik ken die oefeningen. In Egypte moeten zoowel knapen als meisjes
hunne ledematen oefenen. Ook ik heb door loopen, moeielijke houdingen,
bal- en ringspel, vlugheid en buigzaamheid verkregen."

»Hoe vreemd! Hier te lande groeien de meisjes op, gelijk ze willen. Zij
leeren niets, dan een weinig weven en spinnen. Is het waar, dat
de meeste vrouwen in Egypte zelfs de kunst van lezen en schrijven
verstaan?"

»Bijna alle meisjes van aanzienlijke ouders worden daarin onderwezen."

»Bij Mithra, de Egyptenaren moeten een verstandig volk zijn. Behalve de
magiërs en schrijvers, beoefenen slechts weinige Perzen deze moeielijke
kunst. De zonen der aanzienlijken leert men niets dan waarheid spreken,
gehoorzaamheid en dapperheid, de goden te eeren, jagen, rijden, boomen
planten, en kruiden onderscheiden. Die wil leeren schrijven, mag zich
later, gelijk de edele Darius, tot de magiërs wenden. Aan de vrouwen
is het verboden, zich op zulke wetenschappen toe te leggen.--Maar
thans zijt gij gereed. Dit parelsnoer, dat de koning u hedenmorgen
gezonden heeft, staat prachtig bij uwe raafzwarte haren. Mag ik u
verzoeken op te staan? Waarlijk, deze schoenen zijn u te groot. Pas
dit paar eens!--Thans ziet gij er uit als eene godin, doch men kan
het u aanzien, dat gij niet gewoon zijt de wijde zijden beenkleederen
en laarzen met hooge hakken te dragen. Loop echter slechts een paar
maal op en neêr, dan zult gij zelfs in sierlijkheid van gang alle
Perzische vrouwen overtreffen."

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en trad de eunuch
Boges binnen, om Nitetis tot de blinde Cassandane te geleiden, bij
wie Cambyzes haar wachtte.

De eunuch nam de houding aan van een nederigen slaaf, en overstelpte
haar met een stroom van bloemrijke vleierijen, haar met de zon,
den sterrenhemel, eene reine bron van geluk en een rozengaard
vergelijkende. Nitetis verwaardigde zich niet, hem met een enkel
woord te antwoorden, en trad met een kloppend hart het vertrek van
de moeder des konings binnen. Voor de vensters hingen gordijnen van
groene Indische zijde, die de heldere stralen der middagzon temperden,
en in het vertrek een, voor de oogen der blinde weldadig schemerdonker
verspreidden. De vloer was met een zwaar Babylonisch tapijt bedekt,
waarin de voeten als in mos wegzonken. Het bekleedsel der muren
bestond uit een mozaïek van ivoor, schildpad, goud, zilver, malachiet,
lazuursteen, ebbenhout en barnsteen. De zittingen der gouden zetels
waren met leeuwenhuiden overtrokken, en de tafel, die naast de blinde
stond, was van zuiver zilver. Cassandane, gekleed in een vioolkleurig,
rijk met zilver bestikt gewaad, zat in een kostbaren leuningstoel. Over
hare sneeuwwitte haren hing een lange sluier van de fijnste Egyptische
kant, welks lange slippen om haren hals geslagen en onder de kin in
een grooten strik vereenigd waren [235]. Het door den kanten doek
omlijste gelaat der blinde, die tusschen de zestig en zeventig jaren
oud scheen te zijn, was bijzonder regelmatig gevormd, en getuigde
niet alleen van een verheven geest, maar ook van goedheid des harten
en van warme menschenliefde. De blinde oogen der grijze vrouw waren
gesloten, maar wie haar aanzag, stelde zich ongetwijfeld voor een
paar zachte en vriendelijke sterren te zullen zien lichten, indien
zij zich openden. Te oordeelen naar de houding en de grootte, terwijl
zij gezeten was, had zij eene rijzige gestalte. Haar geheele voorkomen
was de weduwe van den grooten en goeden Cyrus volkomen waardig.

Op eene lage bank, aan de voeten der oude koningin, zat hare jongste
telg, het kind van haar ouderdom, Atossa, spelende met de draden
van haar gouden spinrokken. Tegenover de blinde stond Cambyzes,
en op een afstand, ternauwernood zichtbaar in het schemerlicht,
dat in het vertrek heerschte, de Egyptische oogarts Nebenchari.

Toen Nitetis den drempel van dit vertrek overschreden had, trad de
koning haar tegemoet, en leidde haar tot zijne moeder.--De dochter
van Amasis zonk voor de eerbiedwaardige oude vrouw op de knieën,
en kuste haar met hartelijkheid de hand.

»Wees ons welkom!" sprak de blinde, hare hand al tastende op het
hoofd der jonkvrouw leggende. »Ik heb veel goeds van u vernomen en
hoop eene lieve dochter in u te winnen."

Nogmaals kuste Nitetis de teedere hand der koningin, en antwoordde
met zachte stem: »Ik dank u voor dat woord. O, veroorloof mij, u,
gade van den grooten Cyrus, moeder te noemen. Mijne lippen, die zoo
lang gewoon waren dien zoeten naam uit te spreken, beven van zalige
verrukking, nu ze, na vele weken, weder voor het eerst mogen uitroepen:
'mijne moeder!' Ja, met al mijne krachten wil ik er naar streven
uwe goedheid waardig te worden. Maar houdt gij dan ook de belofte,
die uw vriendelijk gelaat mij schijnt te doen. Sta mij in dit vreemde
land met raad en onderricht ter zijde. Laat mij aan uwe voeten een
toevlucht vinden, als het verlangen naar het land mijner vaderen mij
overweldigt, en mijn hart te zwak blijkt om de smart of het geluk
alleen te dragen. Wees, met dit éene woord is alles gezegd, wees, o,
wees mijne moeder!"

De blinde voelde warme tranen vallen op hare hand; zij drukte hare
lippen op het voorhoofd der weenende, en zeide: »Ik gevoel wat er in
u omgaat. Mijn hart en mijne vertrekken zullen ten allen tijde voor u
geopend zijn, en, gelijk ik u met mijne geheele ziel 'dochter' heet,
kunt gij mij met vol vertrouwen uwe moeder noemen. Binnen weinige
maanden zult gij de gemalin van mijn zoon worden, en later gunnen
de goden u wellicht een geluk, waarbij gij de moeder kunt ontberen,
als ge u zelve moeder gevoelt."

»Daartoe geve Aoeramazda zijn zegen!" riep Cambyzes. »Het verheugt
mij, moeder, dat mijne gemalin ook aan uw hart welgevallig is. Wees
overtuigd dat zij zich bij ons gelukkig zal gevoelen, zoodra zij
slechts eerst alle Perzische zeden en gebruiken kent. Als zij
nauwlettend acht geeft op hetgeen haar zal worden voorgehouden,
kan binnen vier maanden ons huwelijksfeest gevierd worden!"

»Maar de wet," wilde de moeder hier tegen inbrengen.

»Ik beveel: binnen vier maanden!" riep de koning, »en zou wel eens
willen weten, wie daar tegen op zou durven komen. En thans, vaarwel,
vrouwen! Denk aan de oogen der koningin, Nebenchari, en wanneer
mijne gemalin het u toestaat, moogt gij, als haar landgenoot, haar
morgen bezoeken. Vaarwel! Bartja laat u groeten. Hij is op weg naar
de Tapoeren."

Atossa wischte zwijgend een traan uit het oog. Cassandane zeide: »Gij
hadt den knaap toch nog wel eenige maanden bij ons kunnen laten. Uw
veldheer Megabyzus zal het kleine volk der Tapoeren alleen wel tot
zijn plicht weten te brengen."

»Daar twijfel ik niet aan," antwoordde de koning; »maar Bartja zelf
was verlangend naar eene gelegenheid, om zijne heldhaftigheid te
toonen. Ik vond dus goed hem aanstonds in het veld te zenden."

»Zou hij niet liever gewacht hebben op den grooten krijg tegen de
Massageten, waarin meer roem te behalen zal zijn!" vroeg de blinde.

»En als hij nu eens door een Tapoerischen pijl getroffen werd," riep
Atossa, »dan zoudt gij hem belet hebben zich van den heiligsten plicht,
die op een man kan rusten te kwijten; dan zoudt gij oorzaak zijn,
dat hij de ziel van onzen vader niet had kunnen wreken!"

»Zwijg," snauwde Cambyzes zijne zuster toe, »opdat ik u niet leere,
wat de plicht van vrouwen en kinderen is. Het gelukskind Bartja zal
in leven blijven, en zich, zoo ik hoop, de liefde waardig maken,
die men hem thans als eene aalmoes in den schoot werpt."

»Hoe kunt gij zoo spreken? Bezit uw broeder niet al de deugden van
den man? Is het zijne schuld, dat hij nog niet in de gelegenheid is
geweest, zich, evenals gij, in den krijg te onderscheiden?" vroeg
Cassandane. »Gij zijt de koning, wiens bevelen ik eerbiedig; mijn
zoon zou ik echter kunnen berispen, omdat hij zijne blinde moeder,
ik weet niet op welken grond, van de schoonste vreugde van haren
ouderdom berooft. Bartja ware gaarne tot aan den Massageten-krijg
bij ons gebleven, doch mijn stijfhoofdigen eerstgeborene behaagde
het anders..."

»En wat ik wil, is goed!" zeide Cambyzes, wiens wangen bleek waren
geworden, zijne moeder in de rede vallende. »Ik verlang niets meer
over deze zaak te hooren!"

Dit zeggende verliet hij ijlings het vertrek, en begaf zich, vergezeld
door zijn groot gevolg, dat altijd in zijne nabijheid bleef, waarheen
hij ook zijne schreden richtte, naar de gehoorzaal.

Een vol uur verliep, nadat Cambyzes zijne moeder verliet, en nog
altijd zat Nitetis naast de bekoorlijke Atossa, aan de voeten
der edele vrouw. De Perzische vrouwen luisterden naar de verhalen
der nieuwe vriendin, en hielden niet op onderzoek te doen naar de
merkwaardigheden van Egypte.

»O, hoe gaarne zou ik uw vaderland eens zien," riep Atossa. »Uw Egypte
moet zoo heel, heel anders zijn dan Perzië, en alles wat ik tot nog
toe gezien heb. De vruchtbare oevers van den verbazenden stroom, nog
grooter en grootscher dan onze Euphraat, de godentempels met hunne
vele bonte zuilen, de kunstmatige bergen, die men pyramiden noemt,
waarin koningen uit de hooge oudheid begraven liggen, dat alles moet
recht schoon en treffend zijn om te aanschouwen. Maar het schoonste van
alles zijn toch, dunkt me, uwe gastmalen, op welke mannen en vrouwen
vertrouwelijk met elkander kouten, zooveel hun lust. Wij Perzische,
mogen ook, bij gelegenheid van het nieuwjaars- en het geboortefeest
des konings, met de mannen samen spijzen, maar het is ons dan verboden
te spreken, en het zou zelfs zeer onbetamelijk zijn als wij de oogen
opsloegen. Hoe geheel anders is het bij u!--Bij Mithra, moeder, ik
zou een Egyptische willen zijn, want wij, arme vrouwen, zijn niets
dan ellendige slavinnen. En toch gevoel ik, dat ook ik een kind van
den grooten Cyrus, en niet slechter ben dan een man. Spreek ik niet
de waarheid, kan ik niet bevelen en gehoorzamen, smacht ik niet
naar roem, zou ik niet te paard kunnen stijgen, den boog spannen,
vechten en zwemmen, als men ook mij in de gelegenheid had gesteld,
mij te oefenen en mijne krachten te sterken?"

De oogen van het meisje tintelden. Zij was van hare zitplaats
opgesprongen, en zwaaide met het spinrokken, niet bemerkende, hoe
het vlas in de war raakte en de draad brak.

»Verlies toch de betamelijkheid niet uit het oog," vermaande
Cassandane. »De vrouw behoort zich nederig en stil in haar lot te
schikken, en vermete zich niet naar de daden van den man te streven."

»Maar er zijn toch vrouwen, die even als de mannen leven," riep
Atossa. »Aan den Thermodon in Themiscyra, en aan den Iris-stroom te
Komana, wonen immers de Amazonen [236], die groote oorlogen gevoerd
hebben, en thans nog even als de mannen gewapend en gekleed gaan."

»Van wie weet gij dat?"

»Mijne dienstmaagd, de oude Stephanion uit Sinope, door vader als
krijgsgevangene naar Pasargadae gevoerd, heeft het mij verhaald."

»Ik kan u echter dienaangaande beter onderrichten," zeide Nitetis. Te
Themiscyra en te Komana leven werkelijk eene menigte vrouwen, die
als strijdbare mannen zijn uitgedost. Dit zijn priesteressen, die
zich, even als de krijgsgodin die zij dienen, plegen te kleeden,
om de aanbidders in hare eigene gestalte het beeld der godheid
te toonen. Cresus zegt, dat er nooit een heer van Amazonen bestaan
heeft. De Grieken evenwel, die uit alles ras eene schoone sage wisten
samen te stellen, hebben ook, nadat zij deze priesteressen gezien
hadden, van een stoet gewapende jonkvrouwen van die godin een geheel
volk van strijdbare vrouwen gemaakt."

»Maar dan zijn zij leugenaars!" riep het verbaasde kind.

»Voorzeker," antwoordde Nitetis, »is den Hellenen de waarheid niet
zoo heilig als uw volk, maar zulke sprookjes op te stellen, en den
opgetogen hoorderen in schoone verzen voor te zingen, noemen zij niet
liegen, maar dichten."

»Juist als bij ons;" hernam Cassandane. »Zoo hebben de zangers, den
roem van mijn echtgenoot verkondigende, de geschiedenis van zijne
jeugd allerwonderlijkst verdraaid en opgesierd, zonder daarom toch
den naam van leugenaars te verdienen.--Maar zeg mij, mijne dochter,
is het waar, dat deze Hellenen schooner zijn dan de andere menschen,
en alle kunsten beter verstaan, dan zelfs de Egyptenaren?"

»Daarover durf ik geen oordeel vellen. De voortbrengselen van onze
kunst zijn zoo geheel verschillend van die der Helleensche. Als ik
onze reusachtige tempelgebouwen binnentrad om te bidden, was het me
altijd, alsof ik mij voor de grootheid der goden in 't stof moest
werpen, en hun bidden mij, kleinen worm, niet te verpletteren. Maar
te Samos, in het heiligdom aan Hera gewijd, voelde ik mij gedrongen
de handen op te heffen en de goden te danken, dat zij de aarde zoo
schoon hadden gemaakt. In Egypte dacht ik altijd, gelijk men mij
geleerd had: 'Het leven is een slaap; in de ure van onzen dood zullen
we eerst tot het rechte leven ontwaken, in het rijk van Osiris.' In
Griekenland fluisterde alles mij toe: »Gij zijt geboren voor dit
leven en de genietingen dezer wereld, die u zoo vroolijk toelacht,
en zoo liefelijk bloeit en geurt."

»Ach, verhaal ons meer van Griekenland!" riep Atossa. »Maar eerst
zal Nebenchari de oogen van moeder opnieuw verbinden."

De oogarts, een lange man met een ernstig gelaat, in het witte
Egyptische priestergewaad gehuld, kweet zich van zijne taak, en
trad dan, nadat Nitetis hem hartelijk begroet had, zwijgend op den
achtergrond terug, toen een eunuch verscheen, en voor Cresus verlof
vroeg, om de moeder des konings zijn eerbiedigen groet te mogen
komen brengen.

Kort daarop trad de grijsaard binnen. Als een trouw vriend van
het Perzische koningshuis, werd hij met de grootste hartelijkheid
ontvangen. De onstuimige Atossa viel den ouden vriend, dien zij
zoolang gemist had, om den hals, de koningin reikte hem de hand,
en Nitetis begroette hem als ware hij haar vader geweest.

»Ik dank de goden, dat zij mij de vreugde gunnen u weder te zien,"
zeide de wakkere grijsaard. »Op mijn leeftijd moet men ieder nieuw
jaar als een onverdiend geschenk der goden dankbaar aannemen,
terwijl de jeugd het leven als iets, dat zoo vanzelf spreekt, als
een onbetwistbaar eigendom beschouwt."

»Hoezeer benijd ik u om uwen moed en levenslust," hernam Cassandane
met een zucht. »Ik ben jonger dan gij; en toch komt mij iedere dag,
voor welks licht de goden mijne oogen gesloten hebben, als een
vernieuwde straf der onsterfelijken voor."

»Hoor ik de gade van den grooten Cyrus spreken?" vroeg Cresus. »Sedert
wanneer is het krachtig gemoed van Cassandane zonder moed en zonder
hope? Gij zult weder ziende worden, zeg ik u, en evenals ik de goden
voor uw schoonen en hoogen ouderdom danken. Hij, die ernstig ziek
geweest is, weet den schat der gezondheid beter dan iemand anders te
waardeeren. Wie eens blind was en het licht der oogen terugkrijgt,
moet, meer dan iemand anders, een vriend der eeuwige goden zijn. Stel
u slechts een oogenblik de zalige vreugde voor, die gij smaken zult
in de ure, als gij na lange jaren voor de eerste maal het heldere
licht der zon, de aangezichten uwer geliefden en de schoonheid van
al het geschapene weder zult aanschouwen, en zeg mij dan, of de
heerlijkheid van dat uur niet tegen een geheel leven van duisternis
en blindheid kan opwegen. Wanneer gij genezen zult zijn, begint
voor u in uw ouderdom een nieuw en verjongd leven, en het is mij,
als hoorde ik u reeds Solons woorden tot de uwe maken."

»Wat zeide Solon dan?" vroeg Atossa.

»Hij wenschte, dat Mimnermus van Colophon, die in een zijner gedichten
gezegd had, dat een schoon leven met het zestigste jaar moest eindigen,
zijn vers mocht verbeteren, en van de zestig tachtig maken."

»O neen," riep Cassandane, »zulk een lang leven zou mij, zelfs wanneer
Mithra mij het gezicht mocht willen wedergeven, een last zijn. Sedert
mijn Cyrus is gestorven, beschouw ik mijzelve als eene zwervelinge,
die zonder doel en gids in de woestijn omdoolt."

»Vergeet gij dan geheel uwe kinderen en dit rijk, dat gij hebt zien
ontstaan en groot worden?"

»O, neen! Maar de kinderen hebben mij niet meer van noode, en de
beheerscher van dit rijk is te trotsch om acht te geven op den raad
van eene oude vrouw."

Nu vatte Atossa de rechter-, Nitetis de linkerhand der blinde moeder,
en de Egyptische riep: »Om den wil uwer dochters en van haar geluk,
moet gij voor u zelve een lang leven wenschen. Wat werd er van ons
zonder uwe bescherming en hulp?"

Cassandane lachte, en prevelde nauw hoorbaar: »Gij hebt gelijk,
gij zult de moeder nog noodig hebben."

»Aan deze woorden herken ik de gade van Cyrus," riep Cresus, het
kleed der blinde kussende. »Ik zeg u, Cassandane, dat men u noodig zal
hebben; wie weet hoe spoedig! Cambyzes is gelijk aan het harde staal,
dat vonken wekt waar het treft. Uw plicht is het te maken, dat deze
vonken geen brand stichten binnen den kring van hen, die uw hart het
dierbaarste zijn. Gij zijt de eenige, die de opwellingen van 's konings
toorn met een woord van terechtwijzing durft bezweren. U alleen acht
hij zijns gelijke. Het oordeel der menschen is hem onverschillig,
maar een bestraffend woord van zijne moeder doet hem leed. Zoo is het
dus uw plicht, als bemiddelaarster tusschen den koning, zijn volk en
de uwen, op uw plaats te blijven en te verhoeden, dat de trots van
uw zoon, in plaats van door uwe wenken en vermaningen, door de straf
der goden vernederd worde."

»O, als ik eens zulk een invloed op hem had!" antwoordde de blinde,
»doch hoe zelden luistert mijn trotsche zoon naar den raad van zijne
moeder."

»Maar hij zal toch moeten aanhooren, wat gij hem voorhoudt," hervatte
Cresus; »en daarmede is reeds veel gewonnen. Want al volgt hij ook
uwe raadgevingen niet, deze zullen toch als stemmen der goden tot
zijn geweten blijven spreken, en hem van veel kwaads terughouden. En
ik wil u een bondgenoot blijven. Zijn stervende vader vermaande mij,
hem met raad en daad bij te staan. Vandaar dat ik meermalen den moed
heb, zijne uitbarstingen met een krachtig woord te trotseeren. Wij
beiden zijn de eenige menschen aan dit hof, wier afkeuring hij
vreest. Omgorden we ons met de noodige koenheid, om onze roeping als
vermaners en raadgevers getrouw te vervullen; doe gij het uit liefde
voor uw zoon en voor Perzië, ik zal het doen uit dankbaarheid jegens
den grooten man, die mij het leven en de vrijheid schonk. Ik weet,
dat het u leed doet, Cambyzes niet anders te hebben opgevoed; maar
het berouw moet men vlieden als een doodend vergif. Herstelling,
niet berouw, is het geneesmiddel voor de gebreken der wijzen; want
berouw verteert het hart, herstelling daarentegen vervult het met
edelen trots en doet het vrijer en ruimer kloppen."

»Bij ons in Egypte," zeide Nitetis, »rekent men het berouw zelfs
onder de twee-en-veertig doodzonden. 'Gij moogt niet dulden, dat uw
hart verteerd worde,' luidt een onzer eerste geboden [237]."

»Gij brengt mij met deze woorden te binnen," sprak de grijsaard,
»dat ik op mij genomen heb uw tijd te verdeelen, tot het onderricht
in de Perzische gebruiken, godsdienst en taal. Gaarne zou ik mij naar
Barene, de stad door Cyrus mij afgestaan, hebben begeven, om daar,
in het stilste en liefelijkste van alle dalen, uit te rusten van
de vele vermoeienissen der laatste maanden. Om uwent en des konings
wil blijf ik echter hier en zal ik voortgaan met u in de Perzische
taal te onderwijzen. Cassandane zelve zal u inwijden in de zeden
van de vrouwen aan dit hof. Oropastes, de opperpriester, zal u,
overeenkomstig 's konings bevel, met de Iranische godenleer bekend
maken. Hij zal uw geestelijke, ik uw wereldlijke voogd zijn [238]."

Nitetis, om wier lippen tot op dit oogenblik een opgeruimde glimlach
had gespeeld, sloeg nu de oogen neder, en vroeg met doffe stem:
»Moet ik den goden van mijn land, die ik tot hiertoe heb aangebeden,
en die mijne smeekingen nooit onverhoord lieten, ontrouw worden? Kan
ik, mag ik hen wel vergeten?"

»Gij kunt, moogt en moet," zeide Cassandane met nadruk, »want de
vrouw zal geene andere vrienden hebben dan haar man. De goden zijn
de machtigste, trouwste en eerste vrienden van den man, daarom is
het uw plicht als vrouw hen te eerbiedigen; en gelijk gij eenmaal
gehuwd zijnde voor alle minnaars de deur sluit, zoo moet ge ook uw
hart voor de goden en het bijgeloof van uw vroeger vaderland sluiten."

»En dan," zeide Cresus, »is men ook niet van meening u de godheid te
ontnemen; men stelt ze u slechts onder een anderen naam voor. Want
evenals de waarheid zichzelve eeuwig gelijk blijft, of gij ze als
de Egyptenaren 'Maa,' dan wel als de Hellenen 'Aletheia' noemt, zoo
verandert ook het wezen der waarheid nooit en nergens.--Zie, mijne
dochter, ik zelf heb, toen ik nog koning was, met ongeveinsden eerbied
aan den Helleenschen Apollo geofferd, en begreep met deze godsdienstige
hulde den Lydischen zonnegod Sandon niet te beleedigen. De Joniërs
aanbidden met geheel hun hart de Aziatische Cybele [239]. En thans,
nu ik een Pers ben geworden, hef ik mijne handen op tot Mithra,
Aoeramazda en de schoone Anâhita [240]. Pythagoras, wiens leeringen
ook u niet vreemd zijn, aanbidt slechts éene godheid. Hij noemt haar
Apollo, daar zij, evenals de Helleensche zonnegod, de oorsprong is
van het reine licht en van al wat schoon is en wel luidt. Xenophanes
van Colophon [241] eindelijk spot met het veelgodendom van Homerus, en
erkent ook slechts éene godheid, namelijk: de rusteloos voortbrengende
natuurkracht, wier wezen de gedachte, het verstand en de eeuwigheid
is. Uit haar is alles voortgekomen. Zij is de kracht, die zich
zelve eeuwig gelijk blijft, terwijl de stoffelijke schepping onder
bestendige afwisseling zich volmaakt en vernieuwt. Dat onweerstaanbaar
en smachtend verlangen in onzen boezem naar een hooger wezen boven ons,
dat ons steunen kan, wanneer onze eigene krachten ontoereikend blijken;
dat onverklaarbare gedreven worden naar een stilzwijgenden vertrouwde,
wien wij van het lijden en al de zaligheid van ons hart deelgenoot
kunnen maken; de dankbaarheid, die wij ondervinden bij de aanschouwing
dezer schoone wereld, en van al het goede dat ons deel is, noemen wij
vroomheid.--Laat dat gevoel in u blijven leven, maar vergeet niet,
dat niet de Egyptische, niet de Grieksche, niet de Perzische goden,
allen op zichzelve staande, de wereld regeeren, maar dat zij allen éen
zijn; dat eene ondeelbare godheid, hoe onderscheiden men haar ook moge
noemen en voorstellen, het lot aller volkeren en menschen bestuurt."

De Perzische vrouwen hoorden den grijsaard met de hoogste verbazing
aan. Haar weinig geoefend verstand vermocht den gedachtenloop van
den grijsaard niet te volgen. Nitetis echter had hem begrepen en
antwoordde: »Mijne moeder Ladice, ook eene leerlinge van Pythagoras,
heeft mij hetzelfde geleerd. Maar de Egyptische priesters noemen zulke
begrippen misdadig, en hen die ze aanhangen godenverzakers. Daarom
heb ik altijd mijn best gedaan, om zulke gedachten uit mijn hart
te verbannen. Maar van nu aan geef ik dien strijd op. Wat de goede,
deugdzame en wijze Cresus gelooft, kan niet slecht, niet goddeloos
zijn. Oropastes kan komen! Ik ben bereid zijn onderricht te ontvangen,
en voor onzen Amon, den God van Thebe, Aoeramazda, voor Isis of
Hathor, Anâhita in de plaats te stellen. Eerbiedig zal ik opzien
tot de godheid, die de gansche wereld omvat, die ook hier alles laat
groeien en bloeien, en die ook verkwikking en troost doet nederdalen
in de harten der Perzen, die zich tot hem wenden."

Cresus glimlachte. Hij had zich voorgesteld, dat het vrij wat meer
moeite zou kosten, Nitetis te bewegen afstand te doen van de goden van
haar land, daar hij de halsstarrige ingenomenheid der Egyptenaren met
hunne oude overleveringen en eenmaal opgevatte meeningen kende. Maar
hij had niet bedacht, dat de moeder dezer jonkvrouw eene Helleensche,
en de leer van Pythagoras aan de dochter van Amasis niet vreemd
gebleven was. Bovendien wist hij ook niet, met welk eene vurige
begeerte het hart dezer maagd vervuld was, om haar trotschen
heer en gemaal welgevallig te zijn. Amasis zelf zou, hoe hoog hij
den Samischen wijze ook achtte, hoezeer hij zich ook dikwijls door
Griekschen invloed liet beheerschen, en met volle recht een vrijdenkend
Egyptenaar mocht worden geheeten, liever zijn leven hebben afgelegd,
dan zijn veelgodendom met het begrip van eene 'godheid' te verwisselen.

»Gij zijt eene zeer ontvankelijke leerling," zeide Cresus, terwijl
hij de hand op het hoofd zijner beschermeling legde. »Tot belooning
daarvoor zal u worden toegestaan, uwe ochtenden en namiddagen, tot
aan het ondergaan der zon, bij Cassandane door te brengen, of op de
hangende tuinen te slijten, in gezelschap van Atossa."

Deze blijde tijding werd door de Perzische maagd met een jubelkreet,
door de Egyptische met een dankbaren blik beantwoord.

»Eindelijk," vervolgde Cresus, »heb ik u een bal- en ringspel uit
Saïs medegebracht, opdat gij u zoudt kunnen vermaken, gelijk gij dat
in Egypte placht te doen."

»Ballen?" vroeg Atossa verwonderd. »Wat zullen wij met die zware
houten kogels [242] beginnen?"

»Maak u niet ongerust," zeide Cresus, lachende. »De ballen, waarvan
hier sprake is, zijn zeer fijn en licht, en van eene opgeblazene
vischhuid of van leder gemaakt. Een kind van twee jaar zou ze kunnen
opwerpen, terwijl gij zulk een houten kogel, waarmede de Perzische
knapen en jongelingen spelen, bezwaarlijk zoudt kunnen tillen. Zijt
gij over mij tevreden, Nitetis?"

»Hoe zal ik u genoeg danken, mijn vader!"

»Laat mij u nu nog eens de verdeeling van uw dag herhalen: 's
morgens bezoekt gij Cassandane, keuvelt ge met Atossa, of leent ge
een luisterend oor aan het onderricht uwer verhevene moeder."

De blinde boog toestemmend het hoofd.

»Tegen den middag kom ik bij u, en onderwijs u in het Perzisch,
terwijl ik daarbij niet verzuimen zal u over Egypte en de uwen te
spreken. Als gij er ten minste niet tegen hebt."

Nitetis glimlachte.

»Om den anderen dag zal Oropastes bij u zijne opwachting maken,
om u in den godsdienst der Perzen in te wijden."

»Ik zal mij alle moeite geven, om hem spoedig te verstaan."

»'s Namiddags zult gij, zoo lang gij verkiest, met Atossa samenzijn. Is
het zoo goed?"

»O Cresus, mijn vader!" riep het meisje, terwijl zij de hand van den
grijsaard kuste.



DERDE HOOFDSTUK.


Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen,
en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel
overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in
een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De
blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde
moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der
Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster
Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen,
dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist
te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van
hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint
aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl
de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme
beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene
vroolijkheid.

Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne
nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning
dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der
jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en
zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer
hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle
dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste
gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor
gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene
plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte
gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter,
die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.

Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds
een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen
voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf, te ontdooien. Uren
achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog
niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens,
toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks
zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet
een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze
ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den
druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger,
anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!" Tegelijkertijd nam
hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals,
en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik,
die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat
haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.

Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den
koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den
oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht
ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij
uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in
zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom
zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel
en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij
verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs
de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij
was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan
de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde,
dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen
van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.

Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen
blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem,
het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had,
ondeugend voorzong:


    "Men brandde 's meesters naam voorheen
      De heupen in van 't paard
    En aan den tulband kent elkeen
      Den Parther, trotsch van aard;
    Maar ik ontdek op 't eerst gezicht,
      Wie zich der min verpandt;
    Want ieder werd door 't minnewicht
      Een merk in 't hart geplant."


Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt
voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder
liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier
gelukkig zijn!" werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamische lente
[243], welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt,
verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening
het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen
de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde
Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat
de jonge Egyptische, Phaedime de dochter van Otanes, uit de gunst
van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde,
de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.

Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want
men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht,
en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die,
wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en
vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad
de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime,
over de middelen die den ondergang der Egyptische zouden kunnen
bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het
meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote
liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.

Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw,
porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende
handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte
tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst
van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote,
en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure
gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker
in het verderf zal storten, als ik Boges heet."

Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte
vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware
hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op
Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen,
en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde
ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het
oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel,
dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare
gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht
geduldig af wat de toekomst u brengt."

Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen,
en vermeed allen omgang met de Perzen, onder wie zijn somber, in
zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde
aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een
Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des
konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield
met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van
Athothes [244] noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof
van den koning en van Tritantaechmes, den satraap [245] van Babylon,
eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.

De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde,
hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den
grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald
aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend
van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den
beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete
ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij,
met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der
Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds,
voordat gij nog wist wat een uur is" [246].

Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij
bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te
ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij
op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?" gaf hij haar ten antwoord:
»Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen
liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar
land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?"

Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen
met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in
het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken. Doch Nebenchari wees
zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met
vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed,
met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te
hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger
tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met
het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht,
en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.

Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de
nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich
wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja
dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan
de borst zijner moeder.

Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem
met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich
bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem
beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield
zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was
geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener
van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam
gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was
ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger
schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke
gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.

De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien,
naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze
klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en
Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat
en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes
gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de
stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze
Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke
Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield,
een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van
moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes, Aspatines,
Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus [247], de vader van Zopyrus,
de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom,
de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan
het hof van den koning.

Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen
of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle
steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag [248]
van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders
en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad,
om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en
deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden
van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht
werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk
mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd
werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst
onthaald.

Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na
zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks
zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van
Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de
beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle
huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van
tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden,
droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te
vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart,
het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in
zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij
zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde,
maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.

De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de
heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de
jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden,
noemde hen »broeders" en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem
mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou
zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de
jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn
verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden,
hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij
iets buitengewoons zal vragen, daarom moet hij nog maar wat geduld
hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn
hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft
uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch
ook al mijne vrienden gelukkig te zien."

Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans
voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en
tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde
vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus
had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid,
en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en
bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven,
dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren
gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand
te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.

»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!" riep
de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?--Hoe
zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?"

»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje," hervatte
Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd,
als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis
zal zijn."

»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald,
en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar
eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef
ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer
Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes
geene mannelijke nakomelingen mocht hebben."

»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar
buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene
minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet
zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik
hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb."

»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief,
als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop
zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft
zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon
gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos
durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar
opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene
zedige jonkvrouw herschapen!--Roep nu de meisjes, die beneden in den
tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst
eene nieuwe vriendin rijker zullen worden."

»Vergeef mij, moeder," hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak
voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming
van den koning hebben verkregen."

»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog
onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene
mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone
hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet
te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u
geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige
stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!"

In den vroegen morgen van 's konings geboortedag brachten de Perzen
aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg
stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot
vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In
het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk
gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen
met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden
band omgeven, de Paiti-dhana [249], welks uiteinden den mond bedekten,
en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op
eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het
vleesch in stukken gesneden [250], met zout bestrooid en op een zacht
tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat
niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda,
de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.

Nu trad Oropastes, de opper-Destoer [251], voor het vuur, en wierp
er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen
op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat
de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens
nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en
stengels van het heilige haomakruid [252], kneusde deze, en goot het
roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.

Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere
priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een
lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de
zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles
over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht,
van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende
aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende
metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden
geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de
menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn,
van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt,
van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den
vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste
vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed:
»Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!" [253]

Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de
offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den
met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die
als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen
en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen,
om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te
ontvangen.--Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten
de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit,
en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het
overschot mede naar huis te nemen. Want de Perzische goden versmaadden
het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte
dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven
met het vleesch der rijke koningsoffers.

Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden. Hun
godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen
geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen,
maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts
een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het
bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk
uitstortten. Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van
alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen
grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk
te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als
de verpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht
niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in
het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den
menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters
stelden de pharao's als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden
hunne vorsten slechts zonen der goden [254]. En toch heerschten dezen
inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te
vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds
zagen, de pharao's, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige
aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.

Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere
dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in
Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs
mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren
tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten,
kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen,
hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan
ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren
der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden
uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun
land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en
het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een
afstand op een reusachtigen smeltoven  gelijken.

Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten
zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte
straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle
wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver-
en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en
laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de
lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het
juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst
sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar
Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang
zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,--overstemde
de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der
Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der
Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs, de Syrische pauken en
bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus,
en de heldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die
verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren
van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat
juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de
harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.

Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een
span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en
potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten
behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische
kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens
aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels,
zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame
gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde
dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra's, vreemde apen en
vogelsoorten [255] opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend
waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk
schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van
de onderworpene stammen.--Nadat zij aan den koning vertoond waren,
werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht,
en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste
geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen [256].

Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis,
hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers
en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende
schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.

Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig
was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd
rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet
minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de
groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel
aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes
treden, waarvan ieder twee gouden honden als schildwachten droeg, de
vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten
bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven,
de Feruers [257] des konings, torste. Achter den troon stonden
dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan
weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des
konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste
priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal
waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met
purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als
schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis
stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren
appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden
pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende
scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel
aanstonds de schaar der Onsterfelijken [258] in het oog, die altijd
bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.

Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte
elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal
binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde,
als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen
van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden,
werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden,
opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen
zou.

Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de
geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie,
met de aanzienlijksten van ieder gezantschap. Toen het laatste, dat
der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee
deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan,
een vriendelijk »halt" toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze
als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen
stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door
een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden,
en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de
heilige loten [259], dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten,
waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een
witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte
het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.

»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar," riep de koning
den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van
mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!"

Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De
genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de
zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet
gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar
het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard
aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren
weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw
goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn,
en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden."

»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt," riep de koning. »Heb ik ongelijk,
priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op
de herbouwing van uw tempel?"

»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven," antwoordde de priester,
diep buigende. »Uwe knechten te Jeruzalem verlangen zeer het aangezicht
van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen
tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw,
waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne
toestemming verleende, voort te zetten."

De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen
met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het
rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans
geene enkele bede afslaan. Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is,
de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken."

»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden," hervatte de
priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering
schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u
te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel
verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer...."

»Halt, priester, niet verder!" riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal,
gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester
ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met
zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds
verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog
over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?"

»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien,"
antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner
vaderen een huis te bouwen."

»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!" riep Cambyzes. »Men
heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft,
die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een
geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode
heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn,
als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting
tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de
onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt
haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd
houden overal door haar gehoord te zullen worden."

»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen," riep de
hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons
land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij
hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos
uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn
gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen
knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf
verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te
zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk
hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade
onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken."

»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!" bad ook
Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren
achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en
dikwijls om raad gevraagd had.

»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor
gaf?" vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen,
en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en
gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge
aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze
verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend,
bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen
staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden,
de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk
te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij
wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming
niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en
oneenigheid onder uw volk sticht."

»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons
in een koninklijken brief heeft gedaan?" vroeg Beltsazar.

»Een brief?"

»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden
van uw rijk [260]."

»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont," hervatte de koning, »wil
ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u
zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig
voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel
van de goden!"

»Is het mij dus toegestaan." vroeg Beltsazar, »het archief van
Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers
te laten doorzoeken?"

»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden
zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de
uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht
tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt
hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de
oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert,
niet teleurstellen!--U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn
huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden
Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen,
dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht."

»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!" sprak Beltsazar,
terwijl hij diep ter aarde boog.

»Dezen wensch neem ik aan," riep de koning, »want ik acht uw
grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voor
geheel machteloos.--Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in
den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze
gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het
maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed,
omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware
godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met
wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt
u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen,
uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat
uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!--Vaarwel
en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!"

De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel
zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op
den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van
Ekbatana voorhanden moest zijn.

Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het
laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden
gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden,
boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid,
doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden
sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht,
wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde,
als de mannen die hem volgden [261].

De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon
naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende,
die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van
mij?--Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten,
die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat
een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat,
om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!"

De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen,
tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon
binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat
men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat
ik hun nog heden de gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht
te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne
landslieden naar uwe poorte zijn gezonden."

De wolk op 's konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met
scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden
en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren,
welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen."

Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad,
door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den
troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te
spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene
van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning,
volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.

»Wij weten," ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en
wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd
tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden,
gevallen is."

»Mijn vader had reden te over om u te straffen," viel de koning
den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet,
hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong."

»Vertoorn u niet, o koning," antwoordde de Massageet; »maar weet, dat
ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind
moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom
onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen,
wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar
nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land
hoopte machtig te worden."

Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan
over den Araxes [262], onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze;
daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug
te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons
land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten
overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.

»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van
krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koning van
Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door
list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van
zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen,
en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot
bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en
hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd
door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog
nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos
nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer
beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de
heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze
hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten,
op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld,
bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men
voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak
zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!"

»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen
jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder
uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en
grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij
uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk
hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een
treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn
lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den
doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar
bloed kunnen lesschen!" De edele schaar, die gij de onsterfelijken
noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot
van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en
uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard,
dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken
nu nog uw mannelijk gelaat siert!"

De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het
leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte
hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken
u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden
sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook
in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit
zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt
u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle
dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijand openbaart
[263].--Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug
te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan
uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u
te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan
zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar
blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan
de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens
doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn."

De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten
zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De
Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon
te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en
groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen
als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen
strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder
dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger
dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de
huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak
zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood."

»Tomyris leeft niet meer!?" riep Cambyzes, den spreker in de rede
vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe
koningin overkomen? Spreek!"

»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien
maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen,
dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de
ziel uws vaders viel."

»Zij was eene groote vrouw," zeide Cambyzes zacht, als tot
zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk,
Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen
hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook
schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten
kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning,
en allerminst tegen die van een Cyrus!"

»Bij ons te lande," antwoordde de gezant, »is in den dood alles
gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van
een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk
veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik
u nog al de rampen niet heb opgesomd, die sedert dien ongelukkigen
krijg over ons land zijn uitgestort.--Na den dood van Tomyris werden
de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die
beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk
splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds
gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte,
dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om
ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en
daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen."

»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?" vroeg Cambyzes. »De
sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is,
kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb
gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus
mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom
als nieuwe onderdanen van mijn rijk."

Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den
Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o
koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben,
of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten,
dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde
landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet
is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden
wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen
blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen
satraap wetten en voorschriften te ontvangen.--Gij ziet mij toornig
aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen."

»Gij hebt slechts te kiezen," antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn
schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie
bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap,
als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne
vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde
dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid
aanbied.--Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen;
later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien
komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!"

»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen," hernam de
krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan
den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.

»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden en raden. Wij
Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van
zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië
te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt
uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de
vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen
beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u
zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht
den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken,
en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden,
in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te
zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud
zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote
schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de
plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid,
u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons
vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult
gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een
onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van
de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat
gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het
goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens
hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren
mocht worden bedreigd."

De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich
op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende:
»Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen,
en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te
brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend
den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb,
een deel der gerechten van mijne eigene tafel."



VIERDE HOOFDSTUK.


Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar
verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de
gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en
beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur,
onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden
te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen
de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal,
en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te
zien tot de godheid daarboven.

Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer
mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad
haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de
vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der
reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster,
tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote
behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn
feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel
niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa
lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met
de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische
slechts ijdele klanken waren.

Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen,
vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en
aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische
vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht;
zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de
heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen
hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig,
gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in
onze jeugd, als 't gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk,
als vereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen
konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd
was met de schoonste zangen van Hellas' dichters. Zij had zich nog
niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had
aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van
haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden
gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te
hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich
zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen
harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat
de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze
lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al
bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij
haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich
Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon?

Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en
Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar
ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde
zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel,
op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen,
dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch
gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend
lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing,
toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen
blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.

Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist
neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van
het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen
in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u
niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus
misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt,
voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op
zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien
Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest
bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen,
en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke
diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden
dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken--verzoeken,
heeft de bode gezegd, niet bevelen,--u met deze schoone en koninklijke
sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook
woedend zal zijn! Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten,
die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane,
de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en
diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt
hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u
voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en
koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden
te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen
afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar
bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede
meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden,
gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien,
hoe het u staan zal."

Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken
met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te
verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever
had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den
koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes
bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had
uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan
de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene
volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde
hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder
den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed
uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de
eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad
eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was
als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders
op af.--De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën,
toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste
aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.

Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied
aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende,
het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar
vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden
armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond
was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane
verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke
geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en
slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel
staanden elpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van
vreugdetranen: 't scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk
te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische
lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die
Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht
den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met
van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen
kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk,
zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon
zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang
ongelezen op den grond zou laten liggen!"

Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen;
maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek
van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen,
ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik
de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd,
dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op
de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen
en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de
trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.

De brief bevatte het navolgende:

»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan
hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.

»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit
uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De
triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen,
is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest
noemen, genomen en in de haven van Astypalaia [264] opgebracht.

»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt,
wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen
veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten
te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus
zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp
der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De
grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door
Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia [265] te schenken. Alle
vaartuigen, onverschillig tot welke natie zij behooren, worden
verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning
van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te
tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten
omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos
zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den
gelukkigen Kolaeus [266] naar het westen volgden, en de roofschepen,
die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates
tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk
uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen
mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.

»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde
zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van
datgene, waarvan het verlies hem 't meest zou bedroeven, en wel op
zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf
gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij
bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx
van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd,
en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig
gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee
[267]. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het
lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde
gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden,
schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren
wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden
dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten,
dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart
bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te
zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond
ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden,
met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven
aan u over Syrië gezonden worden.

»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker
niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichten uit
het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het
vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.

»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit
die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep?

»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen
uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van
het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten
en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte,
om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.

»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen
om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe
dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam
uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis [268] van
u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het
meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het
beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het
teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer
zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.

»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten
wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden
over ons huis hebben doen komen.

»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden
geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle
offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te
verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare
tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde
zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van
den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo
vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet
uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij,
die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw
vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan;
en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige
spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te
beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om
den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een
bijkans woeste drift het vlas van den haspel. Maar een halfuur later
lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik
opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den
grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het
een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond,
zonder zich met iets of met iemand in te laten.

»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen,
gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn
gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers
een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen
uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste
uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar
leven te Bubastis [269] het geheele volk, dat zich aan de meest
onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare
sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize
opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos,
brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.

»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo
iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken
eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer
geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid
was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een
licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad
of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren
hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor,
dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den
hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in
eene andere wereld zien.--Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig
heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam
doorliep ontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige
krankheden, uit Thebe naar Saïs.

»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde
het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene
zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet
meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken
innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden,
en trachtte de kwaal te bezweren [270]. De sterren en orakels
werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken
aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor
de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in
goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer
beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de
arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.

»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep
ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot's sterren weinig
hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De
priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er
groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag
heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat
de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van
Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst
wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van
vreemde goden op de zwarte aarde [271] gebouwde tempels vernield,
en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.

»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene
heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood
en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden,
en hand noch voet verroeren kan.

»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen,
hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is [272]. In plaats van zijne
oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij
voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te
arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij,
in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde
der dierbare.

»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!--De oogziekte nam van dag
tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het
bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis
blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een
in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood
van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de
ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis,
die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne
vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen,
berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch
is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren
achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te
offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene
woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal
het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te
bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat
van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.

»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost;
want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te
bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht
zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te
brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke
gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de
benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer
lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik
voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood
is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die
door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij
verleenen over de helft van ons leven.

»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep, de
groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve
kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te
verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood
zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer
onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten
wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een
rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om
te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen
om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet
waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren
rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal
zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven,
inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen
waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze
Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten
betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de
priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend,
om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en
aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van
eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd
is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk
lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls
aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek
bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen
Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar
was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen
verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de
jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.

»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij
zachtkens het minneliedje van Sappho:


    'Wil niet treuren, lieve moeder!
      Wijl mijn taak niet is volbracht.
    Want de liefde bindt mijn handen.
      Wie weerstaat toch Cypris macht?'


»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: 'Hebt gij
zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?'

'Neen,' antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent
vijftig jaren."

'Vóór vijftig jaren,' herhaalde Tachot peinzende.

'De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,' viel de dichter haar in
de rede; 'gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen
geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.'

»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van
dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje,
als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden
wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden
herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden
hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En
toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe
zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit,
en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak,
en met den blik ten hemel geslagen: 'Ik weet dat ik niet sterven zal,
voordat ik hem zal hebben wedergezien.'

»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig
verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening
was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen,
viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets
aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers
den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen.

'Wat zeidet ge daar?' vroeg ze aan het meisje.

'Ik vertelde van mijne oudste zuster.'

'Mag ik het ook weten?' vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de
kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon:
'Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht
uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster [273] opging, klom hij
eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij
bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.'

»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen
wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: 'Gij weet wel,
lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels
voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft,
dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede
zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd,
dat ik hem zal wederzien!'

»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggen had,
verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond,
en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou
zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.--Daar zendt
zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij
heeft het met veel moeite geschreven.

»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode
wacht er reeds lang op.

»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen
zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder
wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste,
en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in
de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat
Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij,
of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij
belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der
lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis
op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad
met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder
de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische
krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid
mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche
soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane
stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen
zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van
Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was
ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste
soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet
zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet
waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen
hoon niet zwaar aangetrokken naar 't schijnt, althans zich voor groote
sommen laten vinden om in Egypte te blijven.

»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende,
hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan
weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische
krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën,
hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur
onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men 't heeft met den nieuwen
rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid
verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band,
die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde,
te verbreken.

»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdende vriendin
en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u
deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid
voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die
wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand,
en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene
stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden,
dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten.

»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!"



VIJFDE HOOFDSTUK.


Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen
dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve
gebeurtenissen.

Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die
toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te
druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar
innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan
de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl
zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets
anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van
haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst
die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde,
verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte
bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen
verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen
storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis.

Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane,
de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen
aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt," dacht het meisje; »een
kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar
vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en
schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen,
gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft."

Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het
vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de
hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische
vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te
plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband,
in welks edelgesteente zich de stralen der middagzon spiegelden. Zij
bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door
een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De
gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde
zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees
gegroet, schoone Mandane!"

De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen
zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm
meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn
gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te
hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen
daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid,
als een zwaan in de woestijn."

Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling
op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde,
terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard
voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest
te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt
uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje
voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult
kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!"

»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is;
en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken," antwoordde
zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!"

»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de
mannen, evenals de worm de visschen."

»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort."

»Waarachtig, ik geloof het gaarne!" hernam de eunuch al
grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard
tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze
aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?"

»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien
vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons
aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze
allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon
ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de
Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken
aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin
Cassandane, en niet aan u!"

»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer
zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?"

»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar....."

»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid
niet verdient."

»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt."

»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër,
en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg,
en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader
van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet
opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de
broeder van Oropastes, Gaumata [274]--nu, nu, gij behoeft niet zoo
rood te worden, Gaumata is een mooie naam,--op uwe fijne koontjes
verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde
hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook
schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest
mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten."

»Verschoon mij van uwe spotternijen!" riep het meisje, sterk blozende
en stampvoetende.

»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij
elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes,
die zijn jongeren broeder naar Rhagae [275] zond, en u een plaatsje
aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten."

»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou..."

»Mijne tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid
spreek! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij grootere
dingen met den schoonen Gaumata voorhad, dan een huwelijk met de
arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden
hem als schoonzusters beter aanstaan. Een arm meisje als gij, dat
alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige
ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij
zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met
de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard
zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden
verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aan nieuwe
vrouwen; maar zijn broeder is jong en schoon. Velen zeggen zelfs,
dat hij op prins Bartja gelijkt."

»Dat is zoo," riep de kamerjuffer. »Toen ik met u mijne tegenwoordige
meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op
het plein van het wachthuis voor het eerst in het gezicht kreeg. Zij
gelijken op elkaâr als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in
het gansche rijk!"

»Wat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de
gelijkenis niet. Toen ik hedenmorgen den broeder van den opperpriester
groette...."

»Is Gaumata dan hier?" viel de kamerjuffer den eunuch met
hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad gezien? Of
wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?"

»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust,
en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. Ja, ik wil
het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om
aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen,
zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft
niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik
zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet
meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft,
dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone, snibbige
landgenoote Mandane."

»Ik vertrouw u niet," hervatte het meisje. »Men heeft mij gewaarschuwd
voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe
belangstelling zou hebben verdiend."

»Kent gij dit?" vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende,
kunstig met gouden vlammetjes bestikt.

»Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!" riep
Mandane.

»Ik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet
zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn
bewaker bemint!"

»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want
zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt
avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest."

»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit
vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan,
dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oropastes te
fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen. In
spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult
ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata
worden. Morgenavond, na het opgaan der Tistar-ster [276] zal uw liefste
u bezoeken. Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat hij zonder
gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij,
bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal,
dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later
biedt zij de behulpzame hand, om uw huwelijk met Gaumata tot stand
te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen,
wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond," ging hij voort,
weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was,--»morgenavond,
wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw geluk
te schijnen.--Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid
houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn
duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt,
aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te
geven!--Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen,
dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht?--Gij
aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg
om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift
voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid.--Nog eens, Gaumata moet
overmorgen Babylon verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien,
en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae
terug te keeren.--Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den
armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken,
en het is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!"

Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich
zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood
haar, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en
voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde
zij den eunuch toeroepen: »Zeg hem dat ik hem niet kan wachten,"
toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den
schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige
droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos,
rezen plotseling voor haar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en
smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend
voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen
uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een
opgejaagd hert naar huis snelde: »Ik zal hem verwachten!"

Met rassche schreden ging Boges door de bloeiende lanen der hangende
tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende
voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting
van een geheime trap, die de koninklijke bouwmeester waarschijnlijk
had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de
hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de
woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk
op hare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige
schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had,
zelfs voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef
zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen
beladene handen, en mompelde: »Thans moet het gelukken! Het meisje
loopt in het net. Haar beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap
is toegankelijk, Nitetis heeft op dezen feestdag bitter geweend,
de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet
gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen
in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges,
die u niets mag bevelen, heeft opgezet."

Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde het oog van
den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich
nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Neriglissar,
die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde.

»Hoe staat het met de blauwe lelie?" vroeg hij dezen.

»Zij ontwikkelt zich kostelijk!" antwoordde de tuinman, die
in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele
zorgen. »Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u
wel gezegd heb, in vollen bloei staan! Mijne Egyptische meesteres zal
zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u
ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver
is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij
vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle
schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen."

»Uw wensch zal vervuld worden," antwoordde Boges met een vroolijk
gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet
te rekenen, want ik geloof niet dat hij vóor zijn huwelijk met
de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der
Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo
groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame
schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus
hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar
daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is."

»Laat hem gerust komen," riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar
voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen,
die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den
kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop
gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene
hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem..."

De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner
kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te
hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee
wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden
menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf
brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf
des konings omgaf.

In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges
had bevolen, dat al de vrouwen van het hof vóor het groote feestmaal,
zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te
verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf,
zonder een oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis,
waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand
hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende
stemmen. In de uitgestrekte, bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich
meer dan driehonderd vrouwen [277], door eene dichte wolk van vochtigen
waterdamp omgeven.

Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen
dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden
kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren
vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen,
die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien
tot twintig der schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich
vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van
den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des konings als
bedorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel harer
buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend
op; eene andere lag, in vadsige rust, half droomend en bewegingloos
als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen
stonden naast elkaar, en zongen met schelle stemmen een ondeugend
minneliedje in de taal van haar land, terwijl een aantal blondlokkige
Perzische vrouwen vuur en vlam spuwden tegen de arme Nitetis, haar
belasterende op eene wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had
afgeluisterd, zou hebben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische
een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt.

Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen
druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare
meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur
der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed
moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij
herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de
sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan
dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends.

Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander
tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als
door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij
sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen,
die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het
welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren,
terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep
in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van
de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de
vermoeide schoonen uitgespreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, dat
geene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwenheer
verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als
heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was;
want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot
straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten.

Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht,
toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van
tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare
matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze
goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren
kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele
bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen
kleedingstukken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van
paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd,
en rijke gouden gordels om de heupen gegespt [278]. Alles te zamen
vertegenwoordigde wel de waarde van een geheel koninkrijk. Toen Boges
de zaal binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed.

Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal
vrouwen begonnen hand aan hand in een kring te dansen om haren
altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst
laf en vleiend loflied op zijne deugden. Op dezen gewichtigen dag
was het 's konings gewoonte, aan elke zijner vrouwen een billijken
wensch toe te staan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus
eene geheele schaar smeekelingen op Boges los, om hem, onder het
streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest
uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak
te vragen. De vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht,
en stiet de schoonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen,
al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische
Amytis, dat de Phoenicische Esther, en de Phoenicische Esther,
dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys
een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys [279]
een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem ten laatste
onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren,
bracht hij een gouden fluitje aan de lippen, welks schelle toon als
met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken
plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende
lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze
stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als:
»Stil in naam des konings!" niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd
houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het
schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met
groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwillenden
blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van
al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen,
en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdeelen. De
vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door
hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren.

Boges was over het algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich
nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder
te temperen, de haren hooger op te steken, de wenkbrauwen zwarter
te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering
verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte
vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke
vertrekken bewoonde.

De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter der Achaemeniden
verwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en
bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband,
zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier
van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het
blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed
herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al
te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van
het Oosten, na eenige jaren het vadsige haremleven geleid te hebben,
gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met zilveren
kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van
onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven,
tegen haar blanke slapen bevestigd.

Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe, wierp
nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch, en vroeg in
hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden? Zal ik
genade in zijne oogen vinden?"

Als altijd glimlachte Boges, terwijl hij antwoordde: »In mijne oogen
vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt
gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen
gij mij zoo even toeriept: »Zal ik genade in zijne oogen vinden?" toen
waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen
zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok
uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw
van den Demawend."

Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid
gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien,
en riep: »Laat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u,
Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden
nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal
zien op de plaats, die haar niet toekomt."

»Zij kan die niet lang meer behouden."

»Uw plan gelukt dus? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat
gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen...."

»Ik kan en mag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij
dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen,
dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven
is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden
Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk
weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt."

»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid."

»Goed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne bevelen, en alles zal
goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner
om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebben geen oogenblik meer te
verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en behoud alleen
de keten, die de koning u bij de huwelijksplechtigheid schonk. In
plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig
gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Cassandane, de moeder des
konings, nedergeworpen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!"

»Onmogelijk!"

»Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek
u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen
wij van den goeden uitslag zeker zijn. De blankste hals eener Peri
is donker in vergelijking met de uwe!"

»Maar...."

»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt
gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar
licht onthoudt."

»Goed."

»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge."

»Ik zal weenen."

»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen.""

»Welk een vernedering!"

»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de
hoogte verheven te worden. Wisch snel het blanketsel van uwe wangen,
en verf ze bleek, doodelijk bleek."

»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt
vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij
mij slechts éen reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt."

»Kamerjuffer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer
meesteres!"

»Ik zal eene slavin gelijken!"

»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld."

»De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!"

»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen
meten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als
deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had?

»Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen."

»Gij moet!"

»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen."

»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen
moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok
zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoe toornig moet uw grootvader
Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien
neêrbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal hen tot
onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij het
noemen, om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als
ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als
de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij
althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe
belangeloosheid herinneren. De Achaemeniden en zelfs de magiërs zullen
hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te
verheffen. En welke vrouw in Perzië kan zich op eene hoogere geboorte
beroemen dan gij; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte
paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime? Gelijk men niet bang
moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden,
zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt
den hoogsten prijs te winnen."

»Ik zal gehoorzamen!" riep de vorstendochter.

»Dan moeten wij overwinnen!" antwoordde de eunuch. »Zie, nu schitteren
uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne,
mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en
vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem
voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw
slaapvertrek ontsluit.--Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen,
dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga
vooruit om haar heure plaatsen te wijzen."



De groote feestzaal was helder verlicht door duizenden lampen welker
vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed
waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel,
die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers,
borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het
was inderdaad prachtig om aan te zien.

»De koning zal zoo dadelijk verschijnen," zeide de overste der
tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker
des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken
gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken
die Polycrates gezonden heeft geledigd?"

»Alles is gereed!" antwoordde de schenker. »Die wijn van Chios
overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedronken heb,
en stelt zelfs den lievelingsdrank van Nebucadnezar, het druivensap
van Chelbon, in de schaduw [280]. Proef maar!"

Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje,
met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in
de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den
edelen drank met een grooten boog zoo behendig in de nauwe opening
van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte
hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer
veel gratie aan den tafeldekker [281].

Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde het zeer nauwkeurig,
en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele
drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt
aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen
hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de
geheele wereld noemen."

»Ik dank u," antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij
kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk, ik ben
trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden
opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babylon bijna een
last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of
Pasargadae betrekken?"

»Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het
oog op den Massageten-krijg, wilde hij nog niet van verblijfplaats
verwisselen, maar van Babylon uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht
echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is,
vrede met dat volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het
huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken."

»Naar Susa?" vroeg de schenker. »Daar is het weinig frisscher dan hier,
en buitendien wordt de oude Memnonsburcht [282] verbouwd.

»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe
paleis gereed is, en in schoonheid en pracht alles overtreft,
wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden." Nauw had Cambyzes
dit woord vernomen, of hij riep uit: »Dan trekken we drie dagen na
het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter
toonen, dat wij Perzen niet minder bedreven zijn in het bouwen,
dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af,
aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer
op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te
hebben voor deze vrouw."

»Zoodat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar
weldra tot koningin zal verheffen."

»Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en
betere rechten."

»Voorzeker; maar wat de koning wil is goed."

»De wil van den vorst is de wil der godheid."

»Goed gesproken! De echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester
te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind."

»Cambyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat
hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders
ontnamen.--Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want
de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken!--Houd
u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!"



ZESDE HOOFDSTUK.


De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en
wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers [283] geholpen,
hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare
der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal
binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den
donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!"

Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten
betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van
den koning ging, door Cresus geleid, voor haren zoon uit, en zette
zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden
zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van
den koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast
hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Phaedime,
en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu
volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste
magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke
zich de Jood Beltsazar bevond, en eene menigte Perzen, Meden en
eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning
zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hystaspes, Gobryas, Araspes en
andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang. De
bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor
een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang
de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men
onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen
niet naar de mannen ophieven.

De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de pracht en
waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving
schoon, in het vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden
ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid
eene vurige liefde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met het fijne
instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams
moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde
heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare
sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik
overtogen had.

»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen," dacht de koning;
»mijne onderdanen mogen niet opmerken, hoe lief ik dit meisje heb."

Nu kuste hij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste
bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor
hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zichzelven en
voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij
op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste
den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging
van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te
doen treden. Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te
voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten
openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging
moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der
vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de
eunuchen overwogen.

Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der
vrouwen (alleen Cassandane bleef zitten) voor het aangezicht van
den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime
en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste
was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk
naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen
eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes
beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo
armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik,
gelijk Boges wel vermoed had.

Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime
kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het
eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achaemenide op. Zijn
voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter
aarde neigende vrouw toe: »Wat beduidt dit bedelpak aan mijn disch
en op mijn feest? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk,
om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware
het heden een gewone dag, en ontzag ik u niet, als de dochter van
een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den
harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken
over hetgeen betamelijk is!"

Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker,
die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hief zij hare
blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op,
dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl
hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?"

»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij
haar licht onthoudt?" luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend
antwoord.

Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: »Begeert gij
dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen;
vorder gij dan ook heden een gouden troost."

»Phaedime wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en
opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, het licht van zijn
oog niet meer op haar laat schijnen?"

»Dan kan ik u niet helpen!" riep Cambyzes, zich met onwil van haar
afwendende.

De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou
bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden
hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen
en gehoorzaamde het bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig
zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen
vrijen loop latende, zoodat alle Achaemeniden ze opmerkten. Otanes en
Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den
hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Achaemenide
zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met
heimelijken wrok tot de bevoorrechte, schoone vreemdelinge op.

Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een
aanvang.--Vóor den koning lag in een gouden korf een reusachtige
granaatappel ter grootte van een kinderhoofd [284], door andere
vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog
van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht,
en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?"

»Uw knecht Oropastes," antwoordde de overste der magiërs, zich diep
buigende. »Sedert vele jaren leg ik mij op het hovenieren toe, en heb
mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn
rusteloos pogen, aan uwe voeten neder te leggen."

»Ik dank u!" was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel
zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten
strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig
verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene
vrucht! Wie zag ooit de weerga er van? Nog eens, ik dank u, Oropastes,
en wijl de dank van den koning niet alleen in woorden mag bestaan,
benoem ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht
uitbarsten, tot stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden,
wij zullen niet lang meer in vadsige rust onzen tijd verbeuzelen. De
Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!"

Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeniden. »Heil
den koning!" klonk het opnieuw. De wrok over de vernedering hunner
bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen
van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger
verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzittenden
met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen
dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan,
en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opgewekten
strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing
van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan
zijne zijde zat, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen
van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar
ongewonen last van den hoogen tulband. Zóo gelukkig als op dezen dag,
had Cambyzes zich nog nooit gevoeld.

En wat ontbrak hem ook? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij,
wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart
kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen
in zachtmoedige welwillendheid, zijne strenge hardheid in minzame
toegevendheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde
zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet
gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert,
terwijl gij zeker kunt zijn dat het u zal worden toegestaan? Welaan,
ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben
heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij
wilt mij in het oor fluisteren wat gij begeert? Kom dan nader bij
mij! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat de gelukkigste jongeling
in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dat hij als een meisje bloost,
zoodra men doelt op wat hij wenscht."

Bartja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich
glimlachend naar het oor van zijn broeder over, en verhaalde hem
fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De
vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea [285] tegen de legers van
Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer
behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde,
overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen
krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door
handelsondernemingen groote schatten had verworven [286]. Hij schetste
zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner
bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen,
toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep:
»Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik
ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer
moeder te verwerven."

Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der
dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken
broeder. Cambyzes richtte hem echter met minzaamheid op en riep,
zich in het bijzonder tot Nitetis en Cassandane wendende: »Let wel
op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe
loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn
ongehuwden staat, die den goden niet welgevallig was [287] een einde
te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naar uw
vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des
Nijls naar ons bergachtig land over te brengen."

»Wat schort u, zuster?" riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had
uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neêrgezegen. Zij
trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te
bevochtigen.

»Wat scheelt u?" vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den
koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam.

»Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!" stamelde Nitetis.

Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggende ijlings ter
hulp gesneld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar
zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf den beker aan
en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: »Bartja zal
naar uw land trekken, mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere
Rhodopis, de dochter van een edelen krijgsheld, uit het heldhaftige
Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade."

»Wat was dat?" riep de blinde moeder van den koning.

»Wat schort u toch?" vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna
verwijtenden toon.

»Nitetis!" riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe.

Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien
Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en
kletterend op den grond gevallen.

De blikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan het
gelaat van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen
en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen.

Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving
af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom
wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen
naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het
drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op
uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel,
Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden,
morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den
grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees
ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische,
ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen [288],--ja,
ja, dat weet zelfs ieder kind,--alle vergiften komen uit Egypte!"

Nitetis verliet de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en
gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen,
leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken,
en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch
lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in 't geheel niet meer
van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke
gemeenzaamheid getuigden: »Droom van den schoonen Bartja en zijn
Egyptisch liefje, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den
mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo hebt aangetrokken?--Bedenk u
goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges
houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de
trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een
spoedigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte
aarde van Babylon. De goede Boges wenscht u een ongestoorde rust. Houd
u goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen
pijnappel."

»Onbeschaamde!" riep de koningsdochter in hare verontwaardiging.

»Ik dank u," antwoordde het lachende monster.

»Ik zal mij over uw gedrag beklagen!" dreigde Nitetis.

»Wat zijt gij beminnelijk!" antwoordde Boges.

»Verwijder u uit mijne oogen!" riep de Egyptische.

»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken," fluisterde de eunuch, als
had hij haar een liefdesgeheim te openbaren.

Vol walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts
eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit,
en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze
echter riep haar nog na: »Gedenk mijner, schoone koningin, gedenk
mijner! Alles, wat u in de eerst volgende dagen overkomen zal, is
een geschenk van den armen, verachten Boges!"

Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en
gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen
zorgvuldig te bewaken. »Wie van u een mensch, buiten mijn persoon,
deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij,
niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa
of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Cresus of
Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald
af! Verstaan?--En ik herhaal, dat gij allen, zonder onderscheid,
den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of
geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand
mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge
toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters
bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij
Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen
zal!"

De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want
zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig
dreigde; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar
de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand
uit te strooien.

Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch
naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken,
doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en
zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen.

De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was
reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde
schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om
het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den
machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal
uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik
eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote
vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke
knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker
eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug,
onder het gejubel zijner buren.

Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode,
onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in
zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op
zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet
aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber
gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich de overtuiging in hem,
dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had,
terwijl haar hart Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel
had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de trouweloosheid dezer
behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat
zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor
hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van
haar bewustzijn te berooven.

Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet,
uitgeroepen: »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn
op de liefde harer zwagers; de Perzische zijn minder vrijgevig met
hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!"

De trotsche man had den schijn aangenomen, als had hij die woorden
niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen,
om het gemompel en de blikken zijner gasten, die onverholen te kennen
gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken.

Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde
den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop
durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den
geringsten argwaan jegens zijn broeder opgevat, zoo zou hij hem
gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze
zijne teleurstelling en smart. Maar hij was er toch de oorzaak van,
en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was
ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is dan de
eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger.

Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen,
hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haar dood bevredigde zijne
wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haar, met
smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden? O, neen! zij had
haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen
ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend,--want hij
was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen,--de trouwelooze
in een eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner
bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de
huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning,
een misdadig spel te spelen, tuchtigen en doen boeten.

Vervolgens zeide hij tot zichzelven: »Bartja moet van hier, want vuur
en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik,
beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten
deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen,
dat ik het ben."

Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige
grootheid door zijn verhit brein. Uit zijne droomerijen tot de
werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid
zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene
regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op
met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn,
naar de gewoonte der Perzen [289], krijgsraad houden, en overleggen,
welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes,
u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!"

De grijze vader van Darius antwoordde: »Het komt mij voor, dat de
gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte
steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger
nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust
hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren,
ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden te maken,
is de gemakkelijkste zaak die ik ken!"

De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de
stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide:
»Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte
Pers, denkt gij slechts op 't veld en in den strijd gelukkig te
kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid,
strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien
het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef
het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen
het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den
hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we
vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den
wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!--Laat ons geen
onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen,
die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons
onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak
het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven."

Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd
echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk,
laten wij een vijand zoeken!"

De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep
lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten
wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat
gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig
en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader
Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden
gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of
zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen,
Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons
niet liefheeft is onze vijand!"

»Niets van dat alles!" riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot
iederen prijs!"

»Ik stem voor Cresus!" riep Gobryas.

»Ik ook! riep de edele Artabazos.

»Wij zijn voor Hystaspes!" schreeuwden de held Araspes, de grijze
Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus.

»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog
tot elken prijs!" brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus,
met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen
elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.

»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve
gewroken is," zeide de opperpriester Oropastes.

»Strijd! Strijd!" schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.

Koel en rustig sloeg Cambyzes eenige oogenblikken de teugellooze
geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op,
en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!"

Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene
gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn
vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet
gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder
Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene
roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats
den Massageten zoudt antwoorden.--Acht gij de ziel van mijn vader,
van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam
gewroken?"

Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige
uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De
tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten
die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar
bezochte volk den vrede schenken?"--werd door alle aan wezenden met
een levendig »Ja!" beantwoord.

»Dat is het, wat ik weten wilde" vervolgde Cambyzes. »Morgen, als
wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in
onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik
verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen
vogel Parôdar [290] aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan."

Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil
zij den Koning!" deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn
gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van
den boomkweeker op de hangende tuinen.

»Wat zoekt gij hier?" vroeg hij hem.

»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen."

»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?"

De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon
half verbrand was.

»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?" vroeg Boges, die vermoedde
dat hier iets achter stak.

»Ja, eene andere heeft mij gezonden."

»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in 't geheim iets weten!"

»Wie heeft u dit verraden?"

»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja
aanstonds ter hand stellen."

»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven."

»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij."

»Ik mag niet."

»Gehoorzaam mij, of..."

Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle;
daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden
zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.

»Wat gebeurt hier?" vroeg Cambyzes.

»Deze vermetele knaap," antwoordde de eunuch, »is het paleis
binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis
over te brengen."

Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het
voorhoofd den grond aanrakende.

Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop
wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de
Egyptische van mijn broeder?"

»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag
overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft."

Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans
aan dezen een klein papyrus-rolletje over.

Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de
Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.

Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap,
terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde:

»Wie heeft u dit gegeven?"

»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter
van den magiër."

»Voor mijn broeder Bartja?"

»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins
moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen,
en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje
verklaren zou."

De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap
zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon
uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar
hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde
mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht."

»Dat hebt gij niet gedaan!" bulderde de, gelijk hij meende,
schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten,
grijpt den knaap!"

De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om
genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de
zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlings naar zijne
vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis
niet meer.

Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde,
en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.

Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning
hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk
moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten,
zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over
de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand
of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt
gij uw leven verbeurd!"

»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?"

»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om
Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan
zal beschouwen."

»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?"

»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen."

»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen
aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen...."

»Neen!--Verlaat mij!"

»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal
toe het bewustzijn verloren.--Indien op zulk een oogenblik eens
iemand...."

»Wie zou u dan kunnen vervangen?"

»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud,
en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne
gezondheid te herstellen. Wees genadig!"

»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag
morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat
de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.--Verlaat mij thans!"

»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende
tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan. Hystaspes,
Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars
der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor
enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg
dragen, dat zij de Egyptische niet naderen."

»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen
openhouden.--Ga!"

Boges groette eerbiedig, en verliet 's konings vertrek. Den slaven,
die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij
was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting,
want het lot van Nitetis scheen hem zoo goed als beslist, en het
leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg,
hield hij in zijne handen.

Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en
neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen,
Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar
dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te
plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden
voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene
provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van
broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij
in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden,
zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.

Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn
snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met
schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit,
om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend
honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen
uitgestrekt was [291].



ZEVENDE HOOFDSTUK.


De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke
reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de
huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen
uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig
leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.

Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen
toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel
gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en
naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten
der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der
meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou
moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd
speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.

Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid;
Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden
tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een
wilden ezel te volgen.

Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden
Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid
te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar
hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te
zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis
op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters
onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem
eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge,
wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet
verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte,
te zien en te spreken.

Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemeniden in
een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk
kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken
bijeen.--Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden
Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het
praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn,
dien de koningszoon met milde hand schonk.

»Gelukkige Bartja," riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar
een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik,
arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel,
zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen
en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel."

»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!" riep Zopyrus, den
beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar
echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben
genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt
over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men
kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie
kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel
geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas
twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen
en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis."

Araspes glimlachte weemoedig.

»En wie belet u, nog heden te huwen?" riep Gyges. »Gij zijt wel zestig
jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding,
uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste
bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes,
dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen."

»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur," duwde de oude vrijer
den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn
dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!"

»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen."

»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen
in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat
gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe
schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen."

»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes."

»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders
gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden
niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in
alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gij meer vertrouwen, dan in de
eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader
bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder,
en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde
orakel van uw geluk afhouden!"

»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne
uitspraken verkeerd uitleggen?"

»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten
zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze
te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden
voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!"

»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!" sprak nu Darius. »Verklaar ons
liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen,
bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij
vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk
schijnt te benijden?"

Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief
hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker,
en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u
die thans niet mededeelen."

»Laat hooren, laat hooren!"

»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het
welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan
uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!"

»Ik dank u!" antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de
lippen zette.

»Gij meent het goed," prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den
grond keek.

»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes," riep de oude krijger, toen hij
zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker
gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn
zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas,
na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is
zij niet schoon?"

»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide,"
antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene
vroolijker uitdrukking aannam.

»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?"

Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.

»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!" riep de oude.

»Wat zijt gijlieden toch dwaas," sprak Zopyrus, die zich nu in het
gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische
gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet, daar eene
godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben,
en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der
dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met
het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!"

»Zopyrus heeft gelijk," zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een
ondankbaar mensch!"

Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend
werd doorgehaald. Hij zag 't hem aan, dat de woorden zijner makkers
eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem
de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het
doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan
zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw
vader verzoend zult hebben."

»Misschien," antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u,
bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen."

»Dat geve Anahita," riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig
uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene
vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus
in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen."

»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben," antwoordde
Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen,
van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven,
terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn,
vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren."

»Bah!" hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man
te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels,
dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen."

»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld
worden," antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche
vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig,
en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden
echtgenoot [292] wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar
huis platliepen."

»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!" zeide
de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou
doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne
terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe
vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan
jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere
vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben
nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen."

»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!" zeide Araspes, terwijl
hij hem lachend aanzag.

»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn,
ze sloten onderling vrede."

»Hoe meent gij dat?"

»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring
hebt op dit gebied!"

»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in."

»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis
niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten
minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan
gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich
onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste
maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens."

»Gij spotvogel!"

»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal
moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder
koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade
mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door
haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het
te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld
vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik
ging naar het hof.--Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen
bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen
elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk
aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen
mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik
het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind
vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en
getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning
ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente,
en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog
den Orontes bedekte) kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard,
geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen,
vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun
plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!--Nauw heb
ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden,
of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn
geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen
buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen
om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht
mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever,
dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen."

»Ongelukkige Zopyrus!" zeide Bartja lachend.

»Ongelukkige?" hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u,
dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn
jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal
mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der
verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen
te sterker doen uitkomen.--Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon
is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder
verlicht is!"

»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!" riep Darius, die buiten
het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.

»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd,"
viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om
naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde
[293] getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!"

»Gij hebt gelijk, vadertje!" zeide Bartja. »Philomele, gelijk de
Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den
gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk
maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons
verliet, om naar Bulbul te luisteren?"

»Ik dacht niet aan meisjes," antwoordde de jongeling. »Gij weet,
dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden
zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar
te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den
welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen."

»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming
bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was
gedrongen!" hernam Araspes plagende.

»Genoeg!" riep Darius, dien deze scherts verdroot.

»Onvoorzichtige," fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt
gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen
in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij
liever wat gij in de sterren gelezen hebt?"

Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne
blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat
juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam
gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs
plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!"

»Niets goeds," antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken,
Bartja."

»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen
voor elkaâr!"

»Toch...."

»Kom, spreek gerust!"

»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin."

Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius' schouder,
en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren,
vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide:
»Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op,
die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende
ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten
behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar
bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte,
want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van
den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen."

»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?"

»Voorzeker! De sterren liegen nooit!"

»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan
hetgeen zij ons voorspellen."

»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten
is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in
de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst
en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!"

»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen
afscheid genomen."

»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresus op haar
de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen."

»Zij zullen mij voor een lafaard houden."

»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot
te ontvlieden, als men kan, is wijs."

»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de
krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?"

»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan
de overmacht tracht te ontkomen."

»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.--Hoe zou ik een
gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken
te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds
uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen
en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op
staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het
gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge
vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben."

»Gij kent er de grootte niet van."

»Vreest gij voor mijn leven?"

»Neen!"

»Laat mij hooren, wat gij ducht."

»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de
sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de
bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem
ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet
verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u
toen reeds boven het hoofd hingen."

»Waarom mij dat verzwegen?"

»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u,
daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert."

»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe
waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij
altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken."

»Ik begrijp dat gevoel..."

»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?--Gij zegt niet neen?"

»Ach, een droom zonder hoop!"

»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?"

»Versmaden?"

»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten
worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en
het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?"

»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen
zou, Bartja?"

»Dat kunt ge!"

»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!"

»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine
Amescha Çpenta [294]! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren,
want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te
zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder,
en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u
te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!"

»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het
geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de
afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des
konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden
de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk,
waaraan de dieren bevestigd waren [295], brak van den dissel, en voor
mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend
van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden
de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe
om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk
gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den
verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar
de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen,
en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen,
in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich
diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne
donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.

»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een
oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster
riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in
een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den
geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van
elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond
zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze
Diws, bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.

»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den
zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik
voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds
dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er
in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan
de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik
de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken
sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou
ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen
en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen
houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals,
Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de
rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar
boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last,
behouden op den vasten bodem.

»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in
mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen,
schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie,
en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste
taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd
te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle
oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand
stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne
hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende
aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat
alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag,
den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen
weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond
uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten
wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand
dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet
vergeten heeft. Cassandane...."

»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen,
daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden;
hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn
zoon tot vrouw verlangen!"

»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft
Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen."

»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat
gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door
de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarige knaap, naar de kroon
zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus,
nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom
verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was
in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven."

»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij
wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit
zijn trots."

»Waar zou hij toch zoo lang blijven?"

»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem
ophouden."

»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!" liet zich op eens de
stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat
ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!"

»Wij komen, wij komen!" antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand
van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij
onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden
mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik
Atossa's hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid,
aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op
eigene wieken zijn doel te bereiken."

Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn
vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de
sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn
gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven:
»Arme Bartja!" Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen
terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij
plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging
in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog
te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij:
»Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter
zijde staan!" Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met
ongeduld zaten te wachten.

Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van
hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die,
als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van
Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.

»Wat is u overkomen, vader?" vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand
van den grijsaard vatte.

»Niets, niets," stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op
zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige, zijt gij
nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers,
die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de
hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door
nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den
dood zult bekoopen."

»Maar Cresus, ik heb...."

»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en
althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt...."

»Wat zegt gij?"

»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest
onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische
geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij,
die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn
uitdrukkelijk verbod te overtreden?"

»Ik begrijp er niets van! Ik...."

»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds
lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij
de Egyptische...."

»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!"

»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik...."

»Maar ik zweer u...."

»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad
maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!"

»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed."

»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u,
nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben...."

Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken,
door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden
had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en
zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de
hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert
het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch
door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en
wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!"

»Ik zweer u, vader," riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren
dezen tuin niet verlaten heeft!"

»Dat bezweren wij allen," verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius
levendig, als uit éen mond.

»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?" hernam Cresus op
klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij
dan, dat ik blind of krankzinnig ben? Meent gij dan, dat uw getuigenis
de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas,
Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In
spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja
niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!"

»Angramainjus moge mij verderven," riep de oude Araspes, den angstigen
grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren
op de hangende tuinen is geweest."

»Noem mij uw zoon niet meer," liet Gyges volgen, »als ons getuigenis
valsch is."

»Bij de eeuwige sterren!" wilde Darius uitroepen, als Bartja de door
elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem
zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik
zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig
zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de
ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine
licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!"

»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die
mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling,
want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt,
weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij
vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen
wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten
schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is
ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den
tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!"

»Vlucht, Bartja!" riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit
drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in
sterrenschrift heeft gegeven."

Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij
de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik
ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal
te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever
lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou
overladen.--Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij
gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden
vaarwel heb gezegd."

Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht
had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg
tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad
als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij
behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die
buiten zichzelven is van razernij, heeft mij bevolen, u, en allen,
die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen."

Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt
uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings
en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er
niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet."

»Ik dank u, vriend," hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk
van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben
onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet
onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog
heden in het verhoor zal nemen."



ACHTSTE HOOFDSTUK.


Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den
koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn
gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en
instrumenten in de handen hielden, stonden. Cambyzes toch was eerst
voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer
dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam
en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende
ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst
van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden
had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren,
hem met vernieuwde woede aangegrepen [296].

Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand
gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel
neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was
beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon
stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige
schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van
Phaedime, die ter wille van de Egyptische 's konings gunst verloren
had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de
overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware
ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den
achtergrond bevonden zich honderden waardigheidbekleeders en grooten.

Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne
oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden
jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem:

»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder
bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware
leugens bevlekt!"

Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne
misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en
een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât [297]; want hij heeft de
hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft,
de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt,
al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden [298]."

»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters,
en verworgt hem! Voert hem weg!--Zwijg, ellendeling, ik wil
uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze
leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn
en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!"

De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans
trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder,
raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en
sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda
schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de
wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een
grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft
aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter
aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is
u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en
koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want
weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden,
die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den
bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten
en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het
rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt
gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn
schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uw levensstroom niet meer
verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden
zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn."

Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug
te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen.

De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht
over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne
onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij
veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in
orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan,
in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene,
had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij
zich vermeten had den edelen Bartja een brief..."

»Zwijg," viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!"

»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond
eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den
koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend
schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem,
in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde
was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat
hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank
noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner
hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen,
en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te
overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in
den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak
tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon,
en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman.

»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de
ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er
onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door
deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters
der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden,
een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar
bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster
van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren
geleider ons te gemoet kwam.

»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen
Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een
oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij,
op geen vier schreden afstands van ons. zoodat wij gelegenheid hadden
hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel
het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus
hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter
een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar
de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het
huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in
haar slaapvertrek liggen."

Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet
zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de
woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?"

»Ja!"

»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?"

»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars."

»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning."

»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja,
gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden."

»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?"

»Ja!"

»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?"

»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij
hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij
allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden."

Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje
had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide:
»Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden
zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen,
wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?"

»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen,
dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben."

»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?" vroeg
Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.

»Wij!" »Ik!" »Wij!" riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als
uit éen mond.

»Verraders, schurken!" schreeuwde de koning. Als echter zijn oog
den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem
aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van
dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en
acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht."

»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode," zeide Araspes; »maar
wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat we van de jacht tehuis
gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben."

»En," liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de
onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem
de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges,
zijne vlucht moet hebben begunstigd."

Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend
aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik
naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker
waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.

Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien
op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van
de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog:
»Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?"

»Spreek!"

»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te
streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van
eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij
evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden,
en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te
spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand
verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen
den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik
echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief,
en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en
gij verzekerdet: 'Ik deed het niet,' ik, Bartja, geheel Perzië zou
logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer
zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens
verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts
tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen."

Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze
vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten,
mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de
hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt,
dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap
ten grave dalen!"

Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd,
dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog
eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want
het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenste aller menschen te
houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters
raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet
gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?"

»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft
aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke
ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken."

Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat
zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de
hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk
overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis'
slaapvertrek gevonden.

Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen
en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd
hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten
van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen.

»Dit is uw dolk, ellendeling!" brulde hij, en vloog andermaal in woeste
drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had,
den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen,
want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij
overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen
van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt
naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?"

»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij..."

»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche
getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood
is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de
wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u,
meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen,
en breng de Egyptische vóor mij.--Maar neen, ik wil de slang niet
meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de
verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik.."

Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een
nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen.

In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den
grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht
van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen,
en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed
gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen, en haar
eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar
was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis,
schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de
verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te
lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud
te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk
in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de
stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.

Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende
bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde
in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar
het rustbed van haar zoon, den koning.

De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en
bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast
hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus
en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier
lijfartsen [299], zacht fluisterend, over den toestand van den lijder.

Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich
toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken,
hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid
moest zijn.

»Gij hebt gelijk, moeder," antwoordde de koning, op smartelijken
toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit
den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke
broeder zal zijne boeleerster volgen."

Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der
veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar
beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat
Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen
van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.

Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging
voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan
uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is
bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten,
en deze man was geen dief, maar de schoonste van alle Perzen, aan
wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen."

»Kent gij den inhoud van dat schrijven?" waagde Cresus te vragen,
terwijl hij het bed naderde.

»Neen, het is in 't Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare
misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte
is te ontcijferen."

»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?"

Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het
gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar
verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals
door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen
voorlezen."

Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij
den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in
zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst
dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen
op de dichters, die de vrouwen beschimpen [300]. Alle, alle zijn
valsch en trouwloos!--O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij
schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden,
gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden,
dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen
waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!"

En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks
kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar
gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem
de volgende woorden las:

»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den
grooten Cyrus.

»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u
misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend
hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik
te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen,
en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet."

Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige,
sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en
wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare
liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer,
tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes
niet tweemaal laten roepen, en zich door valsche eeden onteerd. Zijne
vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil
met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is
door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster,
dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar
leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar
dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans,
ik moet alleen zijn."

Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne
legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat
de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen
de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een
vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.



Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat
Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven,
onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn," riep
Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal
zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen,
zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen
hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk
voor ons leven verwedden."

»Zopyrus heeft gelijk," voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk
zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig
genoeg en wel voor altijd sluiten."

»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren,"
zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!"

»Hé, Bartja en Darius!" riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend
met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij
en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood
gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis [301],
want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus
sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen
leven."

»Vóor alle dingen," zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in
den kring der drinkers, »moeten wij beproeven het voorgevallene
te verklaren."

»Mij is het onverschillig," riep Zopyrus, »of ik met dan zonder
deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldig ben,
en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons
gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt
de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons
te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze
laatste levensuren gebrek lijden."

»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong
te moeten sterven, verbittert u den wijn," zeide Bartja.

»Zoo waar ik nog leef, neen!" riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds
vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt." Dit gezegd
hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat
opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de
aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?"

»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een
booze Diw Bartja's gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische
is gegaan om ons in 't ongeluk te storten."

»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen."

»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een
Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?"

»Zeker!" riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den
maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?"

»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!" riepen de jongelingen. Een
oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend,
halfzingend:


    "Als Kawoes koning was van 't Perzisch rijk,
    En er geen koning was aan hem gelijk.
    Als hij de wereld voor zich beven zag,
    Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,
    Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,
    Zijn kroon met diamanten overstrooid,
    Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed,
    Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.

    Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat,
    En zich verzaadde aan fonklend druivennat
    Vertoonde een Diw zich aan de poort van 't hof,
    In zangerdos gehuld, en vroeg verlof
    Om tot den koning in 't paleis te gaan:
    'Ik ben een zanger uit Masenderan [302],'
    Zóo klonk zijn taal; 'ontga mij 't voorrecht niet
    Des konings oor te streelen met mijn lied.'
    't Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.
    "Hij nader," sprak de vorst, "en toon zijn' kunst!"
    Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan,
    En zong dit loflied op Masenderan."


»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?"

»Zing steeds voort!"


    "O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;
    De zegen Gods dale op uw vlakten neer,
    Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit,
    Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit,
    Waar 't groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt,
    De lentelucht voor koû noch hitte wijkt,
    De nachtegaal in 't loof der wouden zingt,
    De hinde langs den rug der bergen springt,
    De lucht steeds klaar is en het leven zoet,
    Waar alles zwemt in geur en kleurengloed,
    Waar rozenwater stroomt door beek en vliet,
    En weelde en wellust in de zielen giet;--
    Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen: [303]
    Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,
    De zilvren vloed zich voort; daar is de jacht
    Nooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.
    Daar schittert alles. Louter goud is daar
    Het hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.
    De grooten spreiden er hun glans ten toon
    In gouden borstborduursels, rijk en schoon.
    Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet,
    Die kent het waar geluk des levens niet." [304]


»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de
gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan,
alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd."

»Maar," viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den
Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf
den blinde het gezicht weder, door hem het bloed der gedoode Diws in de
oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen
zullen bevrijd, Cambyzes en onzen met blindheid geslagen vaders zullen
de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor
eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot
de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun,
dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze
heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers."

»Ik heb het altijd wel gezegd," viel Araspes hem in de rede, »dat
slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat
in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke
Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd."

»Gruwzaam mensch!" riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren,
dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den
hals in een strop?"

»Gij hebt volkomen gelijk!" antwoordde de oude; »ik heb menigeen zien
sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze,
ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden
geweest, dan de tegenwoordige."

»Vertel ons iets uit die dagen!"

»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere
wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken."

»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal,
kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!--Toen ik jong was,
vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu
wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze
handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij
meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea
dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde
sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog
Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten
met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna
haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had,
en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk
eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en
de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw,
streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea
zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het
graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende
het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteen oprichten,
die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze
eenvoudige woorden zijn er op vermeld: 'Aan Panthea, aan Abradat,
en aan de trouwsten van alle dienaren!'--Ziet, kinderen, wie eenmaal
zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere
denken." [305]

De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en
bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het
stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep:
»O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten
als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken
dood sterven?"

Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende
handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet,
en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn
vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met
geopende armen.

Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng;
zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene
koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon
terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet
aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot
op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder
bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar
u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis
vergiftigd."

Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter
Cresus het woord »bedrogen" uitsprak, balde hij zijne vuisten, en
stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en
de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders
ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!"

Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan,
en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst
uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw
toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend,
om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet
bij uwe trouweloosheid."

Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig
bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne
wangen werden doodsbleek.

Aan deze schijnbare teekenen van berouw kon het zachtmoedige hart
van den ouden man geen weerstand bieden. Zijne liefde was sterk
genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, als den onschuldigen Bartja
kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om 's jongelings hals, en vroeg hem,
gelijk eene moeder haar kind vraagt, als zij op het dierbare gelaat
de sporen van lijden meent op te merken: »Beken mij toch, mijn lieve,
arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan
den booze overgaf?"

Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezicht kleurde
zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de
eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid
der goden prijs. Hij noemde zichzelven het slachtoffer van een wreed,
onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het onschuldige
gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het rumoer van
het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was
nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze
eerste ernstige slagen van het lot te gedragen. Men was er wel op
bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche
vijanden te harden en te ontwikkelen, maar zijne opvoeders hadden
hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te
weren. Want Cambyzes en Bartja schenen toch slechts bestemd te zijn,
om uit den beker van het geluk en der vreugde te drinken.

Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer
aanzien. Toornig voerde hij den grijsaard tegen, dat hij hard
en onrechtvaardig was. Gyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes
plaatste zich tusschen den bestraffenden grijsaard en den gekrenkten
jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend
had gadegeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide:
»Gij kwetst en beleedigt elkaar, zonder dat de beschuldigde schijnt
te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne
verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de
vriendschap die ons tot heden toe aan elkander verbond, wat u toch
bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden
geloofdet, zoo hard te veroordeelen."

De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een
eigenhandigen brief van de Egyptische gelezen had, waarin zij Bartja
hare liefde belijdt, en tot eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne
eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs
de voor het huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van
de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als
een brandende fakkel in zijn hart geworpen, om het laatste overschot
van zijn geloof aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren.

»Ik verliet den koning," zoo besloot hij, »vast en zeker overtuigd van
de werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de
Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat
goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp,
die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid
van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?"

»Hoe zal ik u mijne onschuld toch bewijzen?" riep Bartja, de
handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt gij mijne woorden
gelooven. Waart gij mij slechts genegen...."

»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblikken geleden
het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cambyzes werkelijk bevel had
gegeven tot uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem
met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was,
den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens
scheurde het dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij
den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voor de voeten te leggen. De
overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, doch schonk
mij tot morgen het leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de
opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt
mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat
ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!"

Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der
verdachten.

Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene
onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij
te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals
de onmogelijkheid van Bartja's schuld. Daarop eischte hij dat Bartja,
dien Cresus van trouweloosheid had beschuldigd, zelf zou spreken. Deze
ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst
met Nitetis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met
zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen,
en hij ten laatste in het geheel geen geloof meer sloeg aan al de
tegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen
Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een
zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen.

Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te
verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren
allen het eens, dat Nitetis Bartja beminde, en den brief met booze
bedoelingen geschreven had.

»Wie haar gezien heeft," riep Darius uit,--»op het oogenblik dat
Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bartja zich eene vrouw had gekozen,
kan niet langer aan haar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den
beker liet vallen, hoorde ik den vader van Phaedime reeds zeggen:
de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde
harer zwagers."

Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar
helder, vriendelijk licht in het verblijf der gevangenen.

»Mithra wil ons het scheiden moeilijk maken," mompelde Bartja.

»Neen," sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in
de eeuwigheid."



NEGENDE HOOFDSTUK.


Nitetis, de onschuldige oorzaak van al deze treurige verwikkelingen,
had, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke
uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme
jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar
gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niet de minste tijding
van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar
gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij iederen dag gedurende
eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot
de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze hare zonderlinge
houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in
weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot
dusverre had zij zich gevleid, dat eene vrijmoedige openbaring van wat
zij uit den brief harer moeder had vernomen, alle misverstand uit den
weg zou ruimen. In hare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw
gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende
en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in
hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den
mond van Ibycus opgevangen: »Gelijk een krachtig man veel heviger
dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de
ijverzucht ook grooteren invloed uit op een waarlijk beminnend hart,
dan op een, dat slechts door oogenblikkelijken hartstocht in verrukking
is gebracht." Had de groote kenner der liefde de waarheid gesproken,
dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd
was, haar wel vurig liefhebben.

Maar te midden dezer gedachten, die haar weder eenige hoop gaven,
mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het land
harer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet
vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende
stralen verzengde, en er nog altijd geene boodschap van hem, dien
zij beminde, tot haar werd gebracht, werd zij door eene koortsachtige
onrust overvallen, die van oogenblik tot oogenblik haar meer benauwde,
naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het begon
te schemeren, trad Boges in haar vertrek, en verhaalde haar in de
grievendste en beleedigendste bewoordingen, dat de koning in het bezit
was van haar brief aan Bartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen
had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen
waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens
Boges haar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek
moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten.

Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude
man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig
had onderzocht. De oude hield zich dicht aan den muur van het huis,
en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit
het venster wuivende hand volgde, en in de kamer sprong. Er werden
ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumata en Mandane
zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw
vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de handen. De jongeling gaf
onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd
van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom door het
venster in den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar
de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen
bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider
door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht.

Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon
was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dat
zij alle avonden bij het opkomen der sterren nederzat aan het venster,
dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen in den stroom
en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers, wier hulp
zij dan niet noodig had, de vrijheid liet dien tijd naar welgevallen
te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te
vreezen te hebben, en door den overste der eunuchen zelven beschermd,
haar minnaar rustig kunnen verbeiden.

Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden,
of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en
eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden
gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor
haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt mocht zijn. Toen Boges echter
verscheen, en haar toefluisterde: »Hij is gelukkig ontkomen!" beval
zij de dienstmaagden welke uit het vrouwenverblijf, waar zij dezen
ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven,
in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek
te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om
Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen
opgeslagen, toen Boges binnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden,
beval de teedere armen van Nitetis te ketenen.

Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan;
ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoorden, toen Boges haar
bij het verlaten van het vertrek toeriep: »Moge het u in uw kooitje
goed bevallen, mijn vogeltje! Zoo even heeft men uw heer het bericht
gebracht, dat zich een koningsmarter in zijne duiventil is komen
vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar
voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen,
of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert
men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niet in een zak van
grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef
gelukkig, mijn hartediefje!"

De zwaarbeproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de
eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene
op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven,
verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen,
en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik
dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis
gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu
het ergste van 's vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte
onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een
balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze
ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming.

Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder,
en er verliep een geruime tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere
voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van
hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden:
»ik ben onschuldig," beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood
beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte
daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In
haar zalvenkastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat,
gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere
hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met
kalm overleg nam zij het besluit zichzelve het leven te benemen,
zoodra de beul tot haar mocht komen. Van nu af verheugde zij er
zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve:
»Hij doodt u wel, maar hij doodt u uit liefde." Eindelijk kwam zij
op de gedachte hem een brief te schrijven, en hem daarin den omvang
en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zou hij
dit schrijven ontvangen, opdat hij niet zou gelooven, dat zij het
gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke
man dezen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen,
vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde.

In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende
woorden: »Cambyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer
zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen
weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja,
dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in
liefde blijven gedenken! Uit den brief van mijne moeder zullen zij
vernemen dat ik onschuldig ben, en Bartja alleen ter wille mijner
arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd, dat mijn
dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve
een eind aan mijn leven maken. Ik bega eene misdaad aan mij zelve,
om u, Cambyzes, voor eene verachtelijke daad te bewaren."

Dit schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen
van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen
toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens
wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot de goden van haar
vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval.

Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch
wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen,
want ik heb nog maar korten tijd te waken!"

Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger
wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land,
die zij, na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden,
die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk
van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de
waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en
den hemelschrijver Thoth zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, durfde
zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare
ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren
moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare
ziel, behouden mocht blijven [306]. Dit »indien ten minste" bracht
haar in eene koortsachtige onrust. De leer, dat het geluk van de ziel
afhankelijk was van het behouden blijven van 's menschen stoffelijk
overblijfsel, was haar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in
dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven
uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens
Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten
der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het
eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwam de gedachte bij haar op
om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe
geesten des lichts neder te werpen. Deze toch gaven het gestorven
lichaam terug aan de elementen, waaruit het gevormd was, en hielden
slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare
handen tot de groote zon ophief, die zoo even met hare gouden stralen
de in het dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen
zij wilde beginnen met zich tot Mithra te verheffen en liederen te
zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats
van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in
Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis,
en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waarmede
de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten:


    "U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht,
    U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied,
    Dien elke dag door eigen scheppingskracht
    Verjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.

    "U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir,
    Zoover 't azuren vlak des hemels strekt,
    O bron des lichts, die uit het blauwe meir,
    Daar boven zegen stort, en leven wekt!

    "Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkrans
    Roept vreugde en hoop in 't onbevlekt gemoed,
    Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten trans
    Uw kreitsloop aflegt met gewiekten voet.

    "Zoo roepen mensch en goden blij te moê,
    O hemeltelg! u 't welkom, welkom toe [307]."


Haar hart putte rijken troost uit dit gezang. Met vochtige oogen zag
zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht,
in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet
verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar
kabbelde de Euphraat met zijne geelachtige golven, die haar deed
denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar
vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van
rijke korenvelden en vijgenboschjes. Naar het westen strekte zich
de diergaarde des konings, met hare hooge cypressen en noteboomen,
mijlen ver uit. Op ieder blad, op elken halm fonkelde de dauw, en
in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten
tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich
een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en met de
kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op
alle akkers in de rondte, in eene ontelbare menigte verrezen. Dikwerf
had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met
danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep,
en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe
menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd: hier moet het vaderland
zijn van den Phoenix [308], den vogel uit het palmenland, die, gelijk
de priesters verhaalden, om de vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra
te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wierookvlammen verbrandde,
om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar
zijn vaderland in het Oosten terug te keeren. En terwijl zij aan
dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel,
uit de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk
op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien
zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen,
een groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger
steeg, en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van
haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en
het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden
kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen,
althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benno [309],
de vogel van Ra. In deze godsdienstige stemming zonk zij andermaal
op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels
den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner:


    "Ik roei door den ether, ik spreid aan den trans
    Mijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.
    Die dank ik den Schepper; zijn glorie en macht
    Straalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en pracht
    Het bloementapijt evenaart, dat in Mei
    Den akker bedekt en de grazige wei,
    Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,
    Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;
    't Is kunstig geweven, 't is heerlijk gemaakt,
    Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt [310]."


Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes
nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar
dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hij weg. Nitetis zag den
gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had,
waarmede hij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest,
met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen
op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Ra zijn
vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest
zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart
dragen; en komt het geluk niet, dan blijft toch de verwachting er
van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot het wezen
van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om
eene soort van genot te schenken, dat ons de werkelijkheid kan doen
vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich, afgemat als zij was,
op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te
hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap.

Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon
gewoonlijk troost in 't harte, terwijl dezelfde zon met haar rein
licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene
onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane,
gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou
zij de zon, die hare meesteres door hare schuld den dood zou brengen,
teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben,
indien zij daardoor hare den vorigen dag gepleegde daden ongedaan
had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op,
zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam
zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis
te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en
de vrees voor den dood de zege over haar zwak hart. Beleed zij, wat
zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo
lief, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de
aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad,
dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven,
neen, sterven kon zij niet! En buitendien, zou de veroordeelde
door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den
ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast? Deze
geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis,
ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn
wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door
ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken.

Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den
divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen,
hoe deze zoo gerust kon slapen.



Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een
allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot
Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne
onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen,
op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis
was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken
dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk
minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene
slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in
de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende
gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge
helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest;
want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van
zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De
dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning
verliet, om zich naar Phaedime te begeven.

De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In
koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds was
de mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare
ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met
gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de
voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den
purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen,
zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet,
hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle
betrekking hadden op hare vijandin Nitetis.

»Bedaar, mijn duifje!" zeide Boges, zijne vleezige hand op haar
schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te
vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel
woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat
ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar
hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog
zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten
tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar
ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk
verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel
gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.--Ja,
deze liefkoozing heb ik wel verdiend!--Zoo, nu lig ik goed en kan
beginnen.--Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen
had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen
stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de
dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij
een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn
zaakgelastigde...."

»Altemaal dwaasheid!" riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik
wil weten wat er heden is voorgevallen."

»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind [311]! Zoo gij mij nog
eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne
geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in
den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel
te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft
gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt."

»Neen, neen," begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren,
wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier
in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van
slavinnen en eunuchen tot mij kwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb
de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij,
wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later
wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren."

Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende:
»Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den
hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste
goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u
niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb."

Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had
gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om
de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden
en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk
de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden,
en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde
schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was
voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de
Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de
Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht,
scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken,
als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen
[312]. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te
wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken
ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te
maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.

»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest [313] daar was, verzamelden zich
alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad
het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof
was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne
plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij,
juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling
ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben
geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen,
om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor
de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den
koning moest overbrengen, meende ik een geestverschijning te zien,
zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes
had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem
niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden,
en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden
avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten,
spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op,
dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het
den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de
jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje,
dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde,
naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af,
zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem
voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene
plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk
verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne
liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van
bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals
bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou,
indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte
natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar
Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon,
als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.

»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er
op aan de ijverzucht van den koning opnieuw te doen ontbranden, en de
Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering
wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en
maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot
was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen,
bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij
weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief
tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich
betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden
koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat
Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken
bleef, dat zij als in het nest van den Simurg [314] leefde. Het
overige weet gij!"

»Maar hoe ontkwam Gaumata?"

»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan
alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk
gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op
de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het
venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te
beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap
van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman
Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en
veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf
benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de
Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die
Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van
het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten
de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij
tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet
zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan
Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan,
dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd
heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja 's avonds met
zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het
gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als
die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk
op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak
men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best
in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die
zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen,
zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking
tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk
moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!


    'Nitetis, de overspelige dochter van den koning van
    Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al
    de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de
    volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel,
    en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van
    Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even
    streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste
    bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode
    levend begraven worden.--Dit bevel wordt den overste der
    eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.

    De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.'


»Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen, toen de
moeder van den koning, door Atossa geleid, met gescheurde kleederen
de zaal binnenvloog.--Aan huilen, schreien, verwijtingen, vloeken,
beden en bezweringen geen gebrek! Maar de koning was onvermurwbaar,
en ik geloof waarlijk, dat Cassandane en Atossa, Cresus en Bartja naar
de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet de vrees voor de
schim van zijn vader den zoon had weerhouden, de hand te slaan aan
de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den
mond.--Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen
enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn
van hare schuld.--Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te
vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar Rhagae
terugkeert, een koel bad in de golven van den Euphraat zullen doen
nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha!"

Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach, overstelpte
den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en
zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten,
met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs harer dankbaarheid om
den hals.



TIENDE HOOFDSTUK.


De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen,
eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste
hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld
met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling
der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld
verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in
bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later
het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van
Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het
volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest
van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en
dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere
wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door,
roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!" De
vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten,
vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden,
terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen,
wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over
de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en
bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den
beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten,
raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen,
die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen
liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen
en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk
acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik,
om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of
luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch
zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot,
dat de macht en het gezag der zweepdragers te kort schoten om de rust
te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken,
teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende
wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette
de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.

Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam,
die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk
vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden
geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke
wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse
eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte
te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden
verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid
was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten
te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna
allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel
door die woelige menschenmassa's verwacht werd.

Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele
uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen,
toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa,
die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met
muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort
naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van
omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard
in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige
hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in
de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in
de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan
kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor
zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht
voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter
hulp. »Maak plaats!" schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten
toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke
post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in
den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!"

»Bedaar, mijn vriend!" antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het
vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is
die voorname heer?"

»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu
spoedig plaats!"

»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!"

»Dat gaat u niet aan! De vrijpas...."

»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten."

Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij
aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier.

Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn
kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner
makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij
ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn,
als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De
minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg
dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van 's konings
dischgenooten draagt."

Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend,
zijden rolletje, waarop 's konings zegel en eenige schrijfteekens
zichtbaar waren.

De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde,"
mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar
nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de
oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een
bedrieger!"--te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.

Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon,
naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet
toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit
in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt
volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam
hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij."

De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman
in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar
hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde
de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers
aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden
te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.

De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik
er uit als een bedrieger?"

»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt,
zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman."

»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten
dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in
Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen
komen. Ik ben bereid mij zelven voor den koning te rechtvaardigen, en
heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar
zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht
zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor
mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te
hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen,
en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft,
en wat deze verbazende volksoploop beduidt."

De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene
waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk
geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te
kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig
kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even,
en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had
in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de
wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk
nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning
aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis'
dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De
gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te
treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat;
ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke
uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig
goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen,
sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met
de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:

»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?"

»Onuitsprekelijk!"

»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten
[315] zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te
spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden."

»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman...."

»Gij moet, gij moet."

»Ik kan niet!"

»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans
onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne
boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja
en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu,
dat ge mij helpen moet?"

»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?"

»Vraag niet, maar handel!--Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de
veroordeelden behoort?"

»Ja!"

»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is."

»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus."

»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij
verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden."

»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle
zekerheid, dat ik..."

»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw
volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen
bereiken."

Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de
hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die
hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der
zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen
reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne
onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja's onschuld
te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt
mij vrienden, en maakt ons plaats!"

Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht
te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem,
ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de
bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels
besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen,
die hem ruim baan maakten.

Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de
reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger
scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het
gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste
een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor
de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet
geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed
langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen,
op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De
grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken.

Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard
gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en
deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de
vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger,
die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen
de verklaring van den zweepdrager bevestigen. Ook in zijn hart werd
de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen,
voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager,
dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang
aan de deur van 's konings vertrek te wachten.

Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant
binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan
zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven
op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl
de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond
had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden
gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij
de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver
mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in
de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende
licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen
stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige,
die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een
forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend
gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de
koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer
verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van
den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld,
naar vergetelheid smachtend brein.

»Op de jacht!" brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde
hovelingen toe.

De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden
zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen,
die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch [316]
bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los,
ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde
eens terdege opruimen!"

Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel
uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte
niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden
onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster
vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden
vorst niet aanspreken. Om 's konings aandacht op zich te vestigen,
ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede
lichtstraal verdeelde.

Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijken blik op
dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom
knielt ge?"

»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade
van zijn heer in te roepen!"

»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche
getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen
zoon te hebben."

»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius...."

»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?"

»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak;
maar...."

»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt
als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene
vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag
het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven
kwaad ongedaan kunt maken."

»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden...."

»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen
ondersteunen?"

»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan,
die...."

»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk
geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen,
die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!"

»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen,
naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van
zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen."

De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een
bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk
te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van
mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel
en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne
listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom,
voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met
leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed,
dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw
nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil,
laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van
een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet
aankomt!"--Bij deze woorden fonkelde 's konings oog opnieuw van toorn;
Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.

Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn
mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De
Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe,
die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te
willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik,
voor hem neder en kuste den grond.

Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die
zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een
gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet
lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon:

»Wie zijt gij?"

»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad
Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der
Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden."

»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus
deed behalen?"

»Dezelfde."

»Wat voert u naar Perzië?"

»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en
mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen."

»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het
leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid,
dan gij, Hellenen!"

»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van
's menschen karakter misvormt."

»Welnu, spreek dan!"

»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om
welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij
betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij
echter veel tijd noodig hebben; heden echter..."

»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren. Vergezel mij op de
jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere
behoefte aan afleiding dan thans."

»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij...."

»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?"

»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood."

»Volg mij dan!"

Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting
geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen
Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene
handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uw broeder dan onschuldig
sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht
te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!"

Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk
dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek
toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij
weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw
eigen doodvonnis uitspreekt!"

Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan,
en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn
koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor
den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt,
dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter
slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit
is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor
't mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen
van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel
ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk
steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne
dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk,
dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat,
wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen."

»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken
aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het
gebas der honden in het voorhof."

»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om
Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde
landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn
zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht
ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat
van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later
te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht,
herkende ik dadelijk zijne trekken...."

»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?"

»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien de
Alkmaeoniden voor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden,
de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen
had geprent."

»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was
het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft,
zoo trouw weer te geven!"

»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijne
kunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen
een tweede beeltenis van uw broeder...."

»Ik begeer die niet. Ga voort!"

»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke
maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan,
daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde...."

»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden
gebruik te maken?"

»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn
bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne
kleederen met de mijne te verwisselen."

»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër
beiden," zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer
een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze
geschiedenis.--Arme Cresus!" Bij deze woorden trok er wederom een
wolk over Cambyzes' gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op
zijn voorhoofd glad te strijken.

De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde
ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht,
door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden...."

De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den
Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.

»Wij waren," ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het
laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds
vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan
mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan
ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de
Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der
tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag
der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden,
aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle
beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit,
en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren,
om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend
oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig,
geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van
Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om,
bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te
aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het
geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes
mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp
roepen. Mijn besluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen
dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in
den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten,
de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf
mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei,
dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later
was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest
voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs
droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen,
en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer
in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm-
en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief
ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand
deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden
van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met
gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen
loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie
beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende
te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te
Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren...."

»Zonderling!" kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen.

»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden," liet
Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm
ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken."'

»Ik ben gewoon," antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de
leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook
tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij
zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later
ook zou kunnen berouwen."

»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel
gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had,
en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus
heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een
giftige adder van de aarde zal worden verdelgd."

»Zult gij het mij niet euvel duiden," vroeg Phanes, die de sporen eener
vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had,
»als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?"

»Spreek!"

»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dus de goden
u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig,
maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan
hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die
evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts
twee geneesmiddelen: hoop en geduld!"

Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond
van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord
»geduld" vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid,
en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.

»Wij droegen," vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den
bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet
ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg,
mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard
uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas
niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges,
den zoon van Cresus uitgeven.

»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want
hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen,
voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg
eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating
en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had
gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter
over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij
vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te
verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs
de waard van het posthuis zwoer, toen we 's jongelings gelaat van het
bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de
jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische
reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek [317], zonder
welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een
drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels
werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed
na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der
zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als
voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis
te Babylon vervoerd te worden. Hij verzekerde ons echter met drift,
dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar...."

»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig,
dit te vernemen!" viel de koning den spreker in de rede.

»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam
was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn
kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het
bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort
daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd
aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden
uitbracht."

»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?"

»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen
schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort
te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde
plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste,
Mandane geheeten."

»Mandane!" prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij
niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis
dien naam."

Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige
seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen,
en riep hij: »Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning,
want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende
tuinen geweest is!"

De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk
aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding,
waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws,
en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht
op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt
afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten
hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met
zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de
Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke
volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de
Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met
zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de
koning, ondanks Phanes' onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter
verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten
zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover
Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den
mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak,
wiens leven of dood een speelbal zijner luimen was. Zoo machtig werkten
de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch,
die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben,
en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was
er nog iets anders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De
Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten
en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven
van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten
in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den
voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de
stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die
zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het
komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw
voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig,
dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te
blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart
zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten."

Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat
hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe
hofbeambten eenige vragen te richten?"

»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!"

Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan,
dat alles in gereedheid was.

»Men wachte!" sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten,
die tengevolge van den gemaakten spoed, om 's konings bevel ten uitvoer
te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel
van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?"

Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle
politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige
minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der
aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden
te ondervragen, met den genoemden persoon terug.

»Wat doen de gevangenen?" vroeg Cambyzes den voor hem op den grond
liggenden hoofdman.

»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is
zoet door uw wil te sterven."

»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?"

»Ja, mijn koning!"

»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?"

»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt,
als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven,
als gij hen hoordet spreken."

De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden
misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter
met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling
deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en
nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?"

De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde
op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen:
»Hij is.... hij heeft.... wij dachten...."

»Wat dacht gij?" hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop
doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten
uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil
de volle waarheid weten!"

De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder,
en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade,
genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen,
van welke vijftien...."

»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!"

»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles
verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij...."

»Het is genoeg!" riep thans de koning, ruimer ademhalende. »Ditmaal
zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele
kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen.--Ga
thans naar de gevangenen; verzoek Cresus hier te komen, en zeg den
anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen."

»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade!"

»Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te
blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het
paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en
beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te
schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis
worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar
liggenden gekwetste herwaarts te brengen."

Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem
evenwel terug, en vroeg: »Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?"

»Spreek!"

»Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste
inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak terwijl hij ijlde zijn
naam meermalen uit, en wel in verband met dien zijner liefste."

»Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!"

»Ook moet, dunkt mij, de opperpriester Oropastes, als broeder van
Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo
even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is."

»Zend beiden hierheen, Datis!"

»Wanneer men eindelijk Nitetis zelve...."

Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte
huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde
hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of
verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur
wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische
moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!"

De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op
deze plaats te bevelen."

De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich
weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd
in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der
eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om
het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de
gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden
zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds
vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja
werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling
denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan,
hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een
man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij
zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen,
en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid.

Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne
mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen
had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik
wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn
stervenden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend
te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn,
gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien
man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna
verneem ik gaarne ook uwe meening."

Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door
dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens
inwijden. De grijsaard werd met ieder oogenblik oplettender, hief,
toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: »Vergeeft
mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aan uwe rechtvaardigheid heb
getwijfeld. Is het niet opmerkelijk, Cambyzes? Mijn zoon waagde zijn
leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren
de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig
te vergelden! Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan
zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen."

Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystaspes, die,
gelijk hij, zijn geliefden zoon als ten tweeden male zag geboren
worden.

De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders
aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende
grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van
Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden
bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger
gewoonlijk wijd geopende ooren.



ELFDE HOOFDSTUK.


Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware
toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen,
dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want
Bartja's dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader,
op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden
den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de
stafdragers de zaal binnengeleid.

De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot
inleiding: »Hebt gij een broeder?"

»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn,
van zes broeders en zusters. Mijne ouders...."

»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?"

»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader
tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd."

»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en
een mijner bloedverwanten opgemerkt?"

»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja,
dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich
thans nog bevindt, den prins noemde."

»Was hij in de laatste dagen te Babylon?"

»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst."

»Spreekt gij de waarheid?"

»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik
mijn mond opende om een leugen te zeggen."

Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche
stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond
hier!--Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden."

»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik,
de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang
trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren
binnen Babylon is geweest."

»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid."

»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen
oogenblik uwe zijde verlaten heb."

»Dat weet ik!"

Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te
laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in
het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging
het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes;
daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd,
die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?"

»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge
betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende
personen bij de Egyptische koningsdochter--Aoeramazda schenke haar
vergiffenis!"

»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate
te begunstigen?"

»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders
wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van
ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer:
»Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan
zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels,
in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd
worden." Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn
jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok."

De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg:
»Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is,
niet bij u?"

»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar,
eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar
eene zelfstandige toekomst te verzekeren."

»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?"

»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met
Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd,
dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon
te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje
uit mijn huis te verwijderen."

»Wij weten genoeg," zeide de koning, den opperpriester door een wenk
te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag
hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!"

Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend
gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe
tint aangenomen.

»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk,
dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!"

De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat
zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar
een enkel woord uit te brengen.

»Mijn geduld is kort!" riep Cambyzes haar waarschuwend toe.

Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker,
hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe,
die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend
vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst
gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.

Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener
voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de
welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar
hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte
los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke
wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken,
en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij
wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de
hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen,
en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd
heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele
wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes
zijn broeder toegestaan had mij te huwen!"

Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken
en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste
toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even
te glimlachen.

Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na
hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest,
zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne
instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar
zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in
zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel
langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van
Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.

»Duizendmaal," riep zij, »kuste mijne meesteres al de dingen, die men
haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf
hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met
eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam
zij bloem voor bloem in de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig
uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware
gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan
uwe goedheid te bewaren."

Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze
woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer
meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij
beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes"
met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg
zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te
hebben gesmeekt.

Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar
neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij: »Uit mijne
oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den
beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!"

Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit
mijne oogen" klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene
opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis,
om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in
de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!"

Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings,
terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste
der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige
wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had
echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen,
en hem dood of levend over te leveren.

Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn
uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den
volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware
straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen
achterhaald had.

Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van
de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een
mondgesprek liet verzoeken.

Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde
moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge
eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep:
»Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot
uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne
gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik
wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van
onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten
dank verschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te
verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten
[318] te doen uitbetalen."

»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken."

»Misbruik haar dan!" antwoordde de koning met vriendelijken
lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten,
aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te
roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!"



Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder
des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis
genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan
de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent
de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen,
als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van
alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke
boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan
meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar;
Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door
banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als
gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten,
want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van
haar woest kind te beteugelen.

Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de
doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den
omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel,
en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met
verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin,
Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius,
wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den
redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met
de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar
vader vereerde;--kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu
met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de
haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die
aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en
krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige
gebeden tot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te
bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar
de verdediging van Nitetis aan te hooren.

Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te
brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken,
zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen,
zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid
het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen
haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.

Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust
te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de
hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover
haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten,
verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door
eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd
oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde
ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de
richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik
grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich
eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween
de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal
sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte
in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï [319],
de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!"--Dezelfde
paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een
troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.

Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon,
en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij,
bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige
rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen
tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens
het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij
haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg:
»Hebt gij mij lief, Sabaces?"

»O, meesteres!" zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het
gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.

»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn ouden goeden
Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel
uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg,
dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der
Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van
den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk,
maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die
beiden ter hand worden gesteld."

»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten."

»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de
ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen
te verlustigen?"

»Ik zal het beproeven."

»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer
spoedig terug!"

De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na,
en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen
tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd
groene cypres: trouw en onwankelbaar."--Na verloop van een uur keerde
de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den
ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een
in bloed gedoopten Indischen doek.

Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den
grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten,
drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot
zichzelve: »Bartja's ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in
bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed
voor mij veil heeft."

Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van
dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met
bittere tranen.



Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke
vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden
bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk
zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit
te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten
als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet,
en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar
toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons
gespaard blijven!"

En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij
het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij
in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om
den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat
de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde
dan haar zwakken arm.

De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des
konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd,
dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den
druk van Atossa's warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond
Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had
gegeven, naast haar rustbed.

Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig
liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu
streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde
zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte
allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende,
dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde,
en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.

Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar
naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw
de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te
hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin,
daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans
ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend
op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet
schuldig zijn!" Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van
geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der
jeugdige lente over een rozenbed.

»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!" riep
Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen,
op de knieën viel.

Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene,
en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur
verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van
bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar
een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle
bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met
moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord
had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!" Geen
verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes
alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!"

Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening,
met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik,
mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig."

»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!" riep Atossa, de vriendin
met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.

»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het
wankelen," sprak de koningin-moeder.

»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!" antwoordde
Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal
hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien
ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den
inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme,
kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem
niet meer vergeten.--Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De
laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis,
dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij
vergif te nemen. Ach, mijn hart!"

Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde
neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige
droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen,
en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood
nog eenige dagen!"

Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes
naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met
tranen besproeide.

»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!" gebood de
oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór
alle dingen is rust noodig."

Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts,
zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?"

»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten
gevolge hebben."

Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de
kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier
eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle
priesters en mobeds [320]! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven,
ik beveel het, ik, de koning!"

Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van
haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster
gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met
het gouden kettinkje aan den voet.--De blikken der lijdende vielen
het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende
lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O,
welk een geluk!" Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de
linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!"

Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.



DERDE BOEK.


EERSTE HOOFDSTUK.


Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan het hof,
had Gaumata, Mandane's minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee
druppelen water, krank als hij was tengevolge der ontvangene wonden,
naar Babylon vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker zijn vonnis,
terwijl zijn verleider Boges, in spijt van de ijverigste nasporingen
der politiebeambten nergens te vinden was. De volksoploopen in
de straten van Babylon hadden zijne vlucht, die hem door de ons
bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer
begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol
goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk
had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist,
waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig
bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zelven in handen
te krijgen.

Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij, tot wanhoop van
Phaedime, al de bewoneressen van het vrouwenverblijf, zijne moeder,
Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar
Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op
staanden voet van hunne ambten ontzet. De geheele kaste moest boeten
voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was
ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings
reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder
ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de
opengevallene plaatsen.

De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van
Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadat het
volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid
voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich
een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelijkheden, en beval de
raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met
grond te mogen afleiden, dat Bartja zich de gunst van het volk had
zoeken te verwerven en misschien zou hij hem zijn ongenoegen wel
duidelijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel
hem gezegd had, dat niet Bartja tegen hem maar hij tegen Bartja
misdaan had. Toch kon hij de gedachte, dat Bartja ook zonder zijn
toedoen, de oorzaak was geweest van de treurige gebeurtenissen der
laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wensch, zich gansch
en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij
ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder,
om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na
een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich,
twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges,
Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van Cambyzes kostbare geschenken
voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem.

Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet
kon doen besluiten, Babylon voor zoo langen tijd te verlaten. Ook was
de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystone,
de dochter van Gobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde
Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad
gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. Cassandane was
in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning
de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk
mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus
opheffen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt
was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was
eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en
daarom niet minder aanzienlijk [321]. Zijn vader heette het hoofd
van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie
Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en
zijn beheerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven
der familie van Cyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op
goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds
was Darius, zijne persoonlijke voortreffelijke hoedanigheden nog
daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch
viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings
tot deze verbintenis te vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid,
waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht
een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder
alle omstandigheden als onherroepelijk worden beschouwd.

Aldus trok Bartja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerheid te
hebben betreffende de toekomst van het hem zoo dierbare paar. Cresus
beloofde ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht
Bartja kort vóor zijn vertrek met Phanes in aanraking. De jongeling
behandelde den Athener, van wien hij uit den mond zijner geliefde
niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won
spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man,
die hem menigen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief [322]
aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht hem eindelijk
om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Athener in
den vriendenkring wederkeerde, scheen hij over iets gewichtigs te
denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hooge ernst te lezen;
maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, en schertste hij met
de aanwezigen, terwijl de afscheidsbeker vroolijk geledigd werd.

Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Nebenchari
hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd tot hem geleid, en
bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol
voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een
uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze
woorden: »Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop
gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te
vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk de spons eene teekening
van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen
dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen,
van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Nebenchari in den
vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een
Egyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig Perzisch gebruik zal
haar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de
schuldelooze het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!"

Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven,
waarvan de inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn
vertrek richtte hij voor de poorten der stad, in tegenwoordigheid
eener juichende menigte, de steenen op, die hem volgens het Perzische
bijgeloof [323] eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet
Babylon.

Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der
Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het
vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een
in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag hij dezen, of
hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere
gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude
hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne
schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen
zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in
het Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven?! Oude Hib [324], gij hier
in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten,
dan dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier
aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris'
naam, wat u, oude ibis, heeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den
Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen?"

De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen
had, zag nu den geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke
blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst,
en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheffende:
»Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe hoede hebt
genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk
een angst heb ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld
uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven,
ellendig en wegkwijnende onder uw verdriet; en ik zie u weder met
den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach,
ware de arme oude Hib in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van
louter ergernis gestorven zijn!"

»Ik geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland slechts
gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen
alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland
behoort aan Seth [325]!"

»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!" bromde de oude.

»Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....?"

»Voorgevallen? Hm--Fraaie dingen waarachtig! Maar daarvan zult
gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons huis en
mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar,
als een Helleensch of Phoenicisch landlooper, onder die ellendige
vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het
in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?"

»Maar spreek dan toch!"

»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medenemen naar
uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland
blijven."

De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit,
dat Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen:
»Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje?"

»Pest en Chamsin [326]!" pruttelde de grijsaard.--»Al de Perzen zijn
het nietswaardigste Typhonsgebroed op de gansche aarde! Het verwondert
me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach
kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd
te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u
onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende
Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel
gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu,
Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet
aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend!"

»Gij moest u schamen, oude!"

»Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk; dat moet er
toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme
jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de
huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is
eene schande, zich door zulk een mensch, die...."

»Bedaar, bedaar toch oude!" viel Nebenchari den knecht in de rede, die
zich hoe langer zoo meer opwond. »Wij zijn niet allen van hetzelfde
hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was
dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel
minder zijt dan hij."

»Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest
ik het natuurlijk ook worden...." [327]

»Gij hebt volkomen gelijk, alzoo luidt de wet der kasten, volgens
welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdman
der soldaten."

»Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind!"

»Ge blijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hib! Zoo lang ik u ken,
en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het derde woord
een scheldwoord. Toen ik nog kind was, gebruiktet ge mij voor een
wrijfpaal; thans is de koning het."

»En met alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het geleden,
dat...."

»Ik kan u thans niet aanhooren! Bij het opkomen van het zevengesternte
wil ik een slaaf zenden, die u naar mijne woning zal geleiden. Tot
zoolang blijft gij, waar ge u tot nog toe hebt opgehouden, want ik
mag mijne zieke niet langer alleen laten."

»Zoo, moogt gij niet?--Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik
bezwijk, ik sterf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet
blijven!"

»Maar wat wilt ge dan toch?"

»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan."

»Heeft men u dan zoo smadelijk bejegend?"

»Nog walg ik, als ik er aan denk wat ze mij gedaan hebben! Ze
hebben mij gedwongen met hen uit denzelfden pot te eten, en mijn
brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers, die lang in Egypte
gewoond heeft en met mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat
ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het
mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het voorhoofd, voordat ik
nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft niet te lachen; ik heb minstens
eene maand noodig om mij van al dat onreine te zuiveren. Toen eindelijk
het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het
aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Een verwenschte koksjongen
sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk,
dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen
had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit
Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde
had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want,
weet gij, in zestig jaren ziet men zijn meester wel iets van zijne
kunst af. En nu beklaagde zich de ellendige spotter,--Boebares
vertolkte mij alles,--dat hij zich zeer ongerust maakte over eene
verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet
hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrekt niet zien kon!"

»Gij hadt hem moeten antwoorden, dat het eenige middel tegen deze
krankheid is, licht aan te steken!"

»O, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éen
uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!"

Nebenchari lachte, en antwoordde: »Gij zult u tegenover de
vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt
hebben. De Perzen zijn over het algemeen zeer hupsche, beleefde
lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met
alle genoegen in mijn huis opnemen; vóor dien tijd kan het evenwel
onmogelijk geschieden."

»Dacht ik het niet? Ook hij is veranderd! Osiris is dood en Seth
heerscht weder op aarde!"

»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf
Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats."

»Pianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan?"

»Dezelfde!"

»Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal
was. Ik ken wel lieden, die dat niet van zichzelve kunnen getuigen,
die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook inwendige
ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht...."

»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond af te wachten."

Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude
maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn heer hem verliet:
»Ik ben onder de bescherming van den voormaligen krijgsoverste Phanes
herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken."

»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken."

»Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond
zijn...."

»Hib!"

»Nu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare
oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen?"

»Ik wilde u gaarne alleen spreken."

»En ik u; maar de Helleen schijnt groote haast te hebben, en weet
bijkans alles wat ik u te vertellen heb."

»Hebt gij dan gebabbeld?"

»Dat juist niet, maar...."

»Mijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe heb ik u voor iemand
gehouden, die zwijgen kon."

»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds
een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige...."

»Welnu?"

»Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet
ik zelf niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan...."

»Ik ken den Athener, en vergeef u! Het is mij wèl, dat hij hedenavond
met u komt. Maar de zon staat reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in
weinige woorden, wat er gebeurd is!"

»Ik zou meenen dat het hedenavond...."

»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is
voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!"

»Gij zijt bestolen geworden."

»Anders niets?"

»Noemt gij dat dan niets?"

»Antwoord mij! Anders niets?"

»Neen!"

»Vaarwel dan!"

»Maar, Nebenchari....."

De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reeds had zich de deur,
die toegang verleende tot het verblijf van 's konings vrouwen, achter
hem gesloten.



Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een
der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleugel van
het paleis, nabij de woning van Cassandane, ten verblijf waren
aangewezen. De minzaamheid, waarmede hij zijn ouden dienaar had
ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich
onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had
verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier
priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen
tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit
de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner
kastgenooten of van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten,
en vrij en vroolijk, ja, dikwerf uitgelaten konden zijn.

Nebenchari ontving Phanes zeer hoffelijk, maar koel, hoewel hij hem
reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte
begroeting, hem met den overste alleen te laten.

»Ik heb u opgezocht," begon de Athener in het Egyptisch, dat hij
volkomen machtig was, »omdat ik belangrijke dingen met u te bespreken
heb...."

»Van welke ik reeds onderricht ben!" luidde het korte antwoord van
den arts.

»Dat betwijfel ik," hervatte Phanes, met een ongeloovig gezicht.

»Gij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos
vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te
belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden."

»Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geene schuld te
kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen."

»Gij weet, dat in Egypte staat en koning éen zijn."

»Ik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw
vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen."

»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Ik hield tot dusver
de Egyptische koningen voor oppermachtig."

»Dat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden
van den invloed uwer kaste.--Ook Amasis buigt zich thans voor de
priesters."

»Dat is wat nieuws voorwaar!"

»Alsof men het u niet sinds lang zou hebben medegedeeld."

»Meent gij dat?"

»Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hoort gij,
eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen
te doen buigen."

»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus
volstrekt niet, wat gij bedoelt."

»Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet baldet, zoudt
ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem
trapt, en den man die hem kwelt de handen lekt!"

De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door
Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging
te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend gerecht acht, dan dat ik
het met een vreemdeling zou willen deelen!"

»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die
met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben
den oogst te plukken."

»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?"

»Zoo is het! En ik laat de hoop ook nog niet varen, dat gij den oogst
met mij zult willen deelen."

»Gij dwaalt! Mijne taak is volbracht; de goden zelve hebben zich
daarmede belast. Amasis is er streng genoeg voor gestraft, dat hij
mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden en leerlingen,
naar dit onreine land gezonden heeft, ter bereiking zijner eigene
baatzuchtige bedoelingen."

»Gij meent zijne blindheid?"

»Misschien!"

»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Petammon de huid, die
den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem het licht
teruggeschonken heeft?"

Deze tijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd
doodsbleek en knarste op de tanden. Maar spoedig was hij zichzelven
weer meester, en antwoordde den Athener: »Vervolgens hebben de goden
den vader in zijne kinderen gestraft."

»Hoe bedoelt gij dat? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans
gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende,
maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat
eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed
als ik, niet zoo diep treffen."

»Wederom begrijp ik u niet."

»Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik de schoone kranke
voor eene dochter van Amasis aanzie."

De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop
acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij
u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden
voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware
zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan
te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen
was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op
een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan
de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te
regeeren!" [328]

»Dit zijn altemaal vermoedens...."

»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder
de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht,
moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden
vroedmeester...." [329]

»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze
geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te
doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken,
die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen."

»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet
maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders
ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld,
alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen
dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk,
door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat
is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan,
te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?"

Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich
eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van,
dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?"

»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester
te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is
ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd
naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben
onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van
Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven
en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis,
werd door hem met alle mysteriën [330] bekend gemaakt, en wist deze
dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf
en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op,
ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesters
ter oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten
de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten
sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan
bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde,
en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van
wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den
vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij
kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos,
die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen
heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf,
te Babylon geleefd en onder Nebucadnezar, den toenmaligen koning
van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte
hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den
Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning
omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland
verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de
aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die
eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige
wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige
berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis,
die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is
bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen
ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met
oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters;
maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen,
laat hij u door mij groeten."

Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich
gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden
blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?"

»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik
van noode heb."

»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist,
die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet."

»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig
gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de
vier hoeken..."

Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide: »Dat bevat niets dan
eenige aanteekeningen van mijn vader."

»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik
weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de
hoogste gunst bij Cambyzes te staan."

»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van
het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven."

»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout,
niet waar?"

»Hoe weet gij dat?"

»Omdat ik,--let wel Nebenchari,--omdat ik u naar waarheid kan
verzekeren,--ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het
gebruik van den eed,--dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud,
in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des konings
verbrand is."

Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op
iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele
bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver
had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede
zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten;
maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede
in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen
verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en
gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat
jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in
listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk
en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken."

»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een
Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen,
voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter
bedriegt gij u!--Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat
gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen."

Nebenchari's gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib,
gehoor gevende aan 's meesters roepstem, het vertrek binnentrad.

»Nader!" luidde Nebenchari's barsch bevel. De knecht gehoorzaamde,
de schouders ophalende.

»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de
waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de
toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen
meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn
ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid,
ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!"

Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze
toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken
lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in de keel. Eindelijk,
nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne
oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig,
half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land
der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard
is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan
mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als
men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en
eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader,
ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!"

Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in
weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete
tranen te zwemmen.

De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot
Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk,
als hij een obool van mij heeft aangenomen."

De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de
onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem
zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste
veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek
las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt:
»Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig
te maken over eene bloote vraag!"

»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke
verdenking?"

»Neen, dat behoeft niet;--maar ik veroorloof u thans te verhalen,
wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen."

»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo
bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw."

»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had."

»Ja, en hoe!--Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de
spitsboeven slechts tot de dievenkaste [331] behoord, dan zouden wij
ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste
deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet
slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar...."

»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!"

»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw
zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt
dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik
hoop het niet te vergeten. Nu dan, 't was juist in de dagen, dat
het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen,
en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten
aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. 's Avonds, terwijl
de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn
kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra [332], die een heerlijk
dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en
sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren
plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten,
de schoenen zijner moeder had weggestopt [333], en ik lach, dat de
tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra,
die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik,
zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling
wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat
ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van
mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af,
neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den
grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars
en politie-agenten,--daar waren minstens vijftien man,--dringt het
huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij
hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,--gij
kent hem wel,--duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht,
en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles
doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij,
maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan,
als iets mij ergert. En nu doet hij mij,--bij onzen god Toth, die
de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,--nu doet die
melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een
woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft,
mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder
tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den
ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen
schoft gehoorzamen, die niets minder eischte, dan dat ik hem dadelijk
alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar
de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den
besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen,
meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.--Wat doe ik
dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien
van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen
los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne
handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur
van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat,
naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen
ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap
het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen,
onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten
op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt,
en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te
stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi
wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo
geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was
opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De
vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me,
en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag
op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen
hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen
op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in
het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien,
smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch
het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn
kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!

»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met
zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den
onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet
hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het
volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene
wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele
aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond
ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar
van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen,
om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede
man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan
mijne Benra hebt geschonken. Drie dagen later kwam hij mij zeggen,
dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met
al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis
kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne
klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter,
gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak
weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in,
maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging,
dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van
die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong [334]
te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder
mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken;
ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer
vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook
het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben
onttroggeld. Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje
met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch
buitenland te trekken.--Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem
bij het afscheid kuste, zeide hij: 'Blijf bij ons, grootvader! Als de
vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.'--Benra
laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede
bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon,
de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad
zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen,
reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de
palmrijke rustplaats der Phoeniciërs [335] in de woestijn, en van
daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar
zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen
Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de
herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde,
daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste
der Helleensche soldaten."

»En ik," viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig
in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien
heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de
kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij,
met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten
volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die
zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden
op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een
grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek
gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben,
die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene
dreigt uit te krabben!"

»Schandelijk, schandelijk!" riep de oude, in verwenschingen
uitbarstende.

De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van
zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van
zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten
van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne
standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten,
en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige
koorts aangegrepen.

Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan
menschenkennis ontbrak 't hem niet, en hij wist dat een woord van
spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware
beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die
Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf,
had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag
hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op
de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij
een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes:
»Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen
van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst
weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen
te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij
had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den
opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij
u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon
aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen
verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin
uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het
overige is u bekend."

Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib
met een wenk het vertrek te verlaten.

De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de
deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman
toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles,
toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!"

»En waarom niet?"

»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik
mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn."

»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!" antwoordde de
Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?"

»Ja! Onder éene voorwaarde!"

»Laat hooren!"

»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst
onzer wraakoefening te zien."

»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het
leger te volgen?"

»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan
wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij
te wijten aan den armen, verbannen oogarts!"--O mijne geschriften,
mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind,
die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te
leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de
zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats
van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu
mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met
mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O,
mijne geschriften, mijne geschriften!"--Bij deze woorden snikte de
ongelukkige man, dat er 't hart van breken moest.

Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U,
mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door
hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in
uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in
de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan
heeft?--Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht;
want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij
gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief,
gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling,
en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is,
alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit
denk!--Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze
vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de
trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En wat deden zij
met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij
voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te
spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid,
mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met
medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap
was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden;
thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van
blijde verrukking kloppen!"

Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de
vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand
reikte: »Wij zijn bondgenooten!"

De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans
geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te
verzekeren!"

»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!"

»Zoudt ge dat kunnen?"

»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik
uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande
geschriften."

»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?"

»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen."

Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering
aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook
ik kan mij verzekerd houden van 's konings gunst. De gezanten der
Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is
hun toegestaan, en...."

Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane
vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres
Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!"

De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan,
en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.



TWEEDE HOOFDSTUK.


Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte
gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische
nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde
neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar
voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene
korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de
lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed
stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen,
terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die
zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften
gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde
hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders
oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het
voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief
vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden,
om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord
te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, 's konings
zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische
wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende
vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd,
waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den
Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek
verdreven.

Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste
bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in
slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te
paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele,
plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten
ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding,
dat hij iedere gemoedsbeweging het best onderdrukken of vergeten kon,
wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.

Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam,
ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de
koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland
binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met
geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis
beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden
lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen
van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden,
vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en
vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude,
koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte
zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.--Wederom
opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa
binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong
hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna
onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke
droomen den overspannene en vermoeide overvielen?

Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in
de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn
droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was
een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat
hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd,
voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die
ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari
zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis,
die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne
werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze
plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne
om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de
hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog
eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand,
bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten
en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de
fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte,
die de heilige boeken van Toth [336] en de verhandelingen van een
oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een
geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten
hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er
voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom
had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door
Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth,
betreffende de oogheelkunde [337]." Na zijn dood moest zijn werk
het eigendom der boekverzameling te Thebe [338] worden, opdat al
zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen,
en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning
zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te
verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer
gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en
zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.--Zie, daar staat zijn
oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd
te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van
Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen
verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en--hoor! hun spotlach,
die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de
opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende
en spottende woorden vloeien van de lippen des konings, het gelaat
van Neithotep gloeit van helsche vreugde.

Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een
der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke
ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl
hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes,
en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?"

»Ik weet het niet," antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel
was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat
hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet
onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen
bij mij geweest?"

»Juist."

»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij
naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in."

»Hoe weet gij dat?"

»Ik heb het gezien!"

Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen
der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in
den tuin achter dit huis gebracht?"

»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart
over uw lijden een poos te vergeten."

»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij
iederen stervenden Pers honden [339] worden gebracht, opdat de Diw
des doods in deze beesten vare."

»Gij leeft nog, gebiedster, en...."

»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die
andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders
ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te
leven heb. Het vergif is doodelijk!"

»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen."

»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen,
voordat ik sterf."

»Beveel, ik ben uw dienstknecht!"

»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet
waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische
goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin
gebleven.--Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu
moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen
laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar,
gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?"

»Als de koning het veroorlooft."

»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?"

»Mijne kunst staat u ten dienste!"

»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede."

»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u
het stilzwijgen moet opleggen."

»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?"

»Ik wil het beproeven."

Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen;
daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij
eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig
mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.

Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik
vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange
reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar
het rijk van Osiris!"

Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw
verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige
stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der
benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt
[340].

Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw
leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld,
als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de
jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor
de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van
eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was
hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat
en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees,
dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd
zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.--Nitetis, die
eenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk
glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal
bij de doodenrechters genade vinden?"

»Ik hoop en geloof het!"

»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader...."

»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen,
aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders
troon en leven ontroofden."

»Ik versta u niet."

»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven
ontroofden!" riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in
angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen,
mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere
genade doen vinden, dan duizend goede werken!"--Onder het uitspreken
dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met
hevigheid in de zijne.

Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht
te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!"

»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!"

»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O--ach--mijn hart!

Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.

Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren
van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der
stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden
hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als
mijn eigen, maar ook als koning Hophra's wreker breng ik het zwaard
over Egypte!"

Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.

Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van
Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus
stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen
het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door
zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een
helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes
boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds
verstijvende lippen,--den eersten en den laatsten, dien hij haar had
mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare
brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke
lippen; toen zonk zij in Atossa's armen, en ontsliep.



Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van
hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het
stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van
den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van
Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men
honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen
naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren
te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had
uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk
eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd
te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het
reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des
doods [341]; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk
ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest,
talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan.

Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal,
de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof,
om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene,
op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende
geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne
kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de
grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken
hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De
cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De
paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof
gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden
worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den
gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie
dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden,
wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor
de eeuwigheid te verwachten had [342]. Ook de koning, Cassandane
en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden,
als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl
Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de
regels der kunst, het lichaam begon te balsemen [343].

Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu
woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen
verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen
van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en
beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te
vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van
den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het
vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:


    »Heil den koning!

    Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der
    gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt
    is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen
    heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de
    strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener
    moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij,
    de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven,
    dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de
    lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en
    edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en
    het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en
    zijne gestalte,--welke de goden, in hunne gunst en genade,
    aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus,
    Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,--nogmaals tot
    schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij
    besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste
    in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden
    onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel
    des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden [344],
    ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!"


Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, 't welk nog dienzelfden
dag ten uitvoer werd gelegd.

Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder
te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen
man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door
den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem
daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te
betrekken, dat hij op den berg Arakadris [345] bezat.

Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw,
wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was, dag en
nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch
door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der
koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele
der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare
nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar
de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met
een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder
van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene
razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor
eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij
weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood,
dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie
dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om 't hoofd,
de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet
op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht,
om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde
den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen
Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich
spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?"

De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat
mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat
gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief,
en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!"

De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij
de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne
armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij
zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht
togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude
medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem;
hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester,
meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij
wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij
het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk
door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig
voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde
er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar
neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde
de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder
spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman
van zijn driesnoerigen geesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen
het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong
als een dolksteek in de wonden van den verminkte.



Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder
jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en
haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te
geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met
daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner
hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed
of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn
gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner
kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken;
hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker
wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven
dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak,
monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar
Phanes.

»Mijn koning heeft niet bevolen...."

»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons
geleide. Roep hem, en volg ons!"

Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na
een halfuur met Phanes wederom bij 's konings gevolg.

Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet
ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken,
omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen,
en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige
oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch
Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al
de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen,
had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los
daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon
uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en
de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas
wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen
na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was. Toen
hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden
ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij
nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien. Men
bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenen
aan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij 's konings
gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische
taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in
schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op
de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den
strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend
jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al deze eigenschappen
hemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe,
dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de
beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt
gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling,
als hij niet iets nieuws voor u was."

Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de
onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem
voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde
hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken
verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede
deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste,
daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde,
dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de
deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger
aanschrijft dan uwe eigene."

Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend
aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld
de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden
welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle
verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan
de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk
zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote
macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele
rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een
echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit
denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden,
zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om
billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het
rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij,
wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet
te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste
moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land
nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste
van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken, niet
is opgewassen.--Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien
doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik
houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!"

Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze
welberekende woorden van den Athener.

Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde
zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het
woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap
niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van
een nieuwen oorlog.

»Welken oorlog?" vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd
lachende.

»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen,"
antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed
den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart
doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in
de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan
in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er
op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik
de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden
mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond
met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij
hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u
verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken
mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne
schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was
een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet
zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid,
o koning?"

»Hoe zou ik dat kunnen?" vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener,
niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den
zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.

»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze
had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart
te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij
moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen."

»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!"

»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!"

»Gij maakt mij nieuwsgierig."

»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd, die voor
weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt."

Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.

»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen
beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone
jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind
van Amasis te zijn. Zij..."

»Maar dat is onmogelijk!"

»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere
waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin
hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het
schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja
eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den
onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons
het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel
is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!"

Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne
laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had:
»Verder! Verder! Ik moet meer weten!"

»De onttroonde koning had twintig jaren [346] lang in lichte
gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen
ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger
werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om
voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht
[347], eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der
zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote
van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van
toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel
en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te
bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een
vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die,
gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwe
van Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve
onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij
van eene dochter.--Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis
genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht
van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog,
doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare
beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne
handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis
in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen [348]
van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk
is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal
storten, aan den dag te brengen."

»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al
de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij
dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van
mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis
zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens
zijn huis te koesteren."

Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den
koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van
tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou
hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest
en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne
verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning
in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde
hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit
als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij
misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter
onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen,
zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig
klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast
dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke 's mans rug
steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den
in alle mysteriën ingewijden opperpriester, maar ook den hoogbejaarden
grijsaard [349]. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus,
Darius en Prexaspes.

De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en
somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken:
»De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen,
heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet
mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet
zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!"

Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren.

»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor
dit bedrog te leveren."

Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.

»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u
Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?"

»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder
Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van
de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis
naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste
kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven,
en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad
de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in
karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u
schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn
schoonste en liefste kind toevertrouwde."

»Dat schreef hij, ja!"

»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het
zusterenpaar," zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van
den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling
van den koning en van de koningin was!"

»Zeer zeker!" liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens
onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot,
want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar
naar Perzië voerdet!"--De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van
deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: 'Vader,
denk aan Phanes!' Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had."

»Aan Phanes?"

»Ja mijn koning," antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in
zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde
hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten."

»Verhaal mij ook dit geval!"

»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een
groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen
blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone
provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis
en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg,
des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en
vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken
bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan,
en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt,
Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn
schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje,
Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra...." Psamtik
liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond,
en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht
ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn
de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard
te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het
dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken."

Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo
luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou
verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth
[350] werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid,
want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel
zij voorspoedig van een zwak dochterken.--Toen de min het kindje
had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het
slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede
zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van
Hophra's weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen
gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde
kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet
gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen [351],
zoo hebben Ladice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij
onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid
voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek
ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat
Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille,
zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks
zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te
spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen
eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice
van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis
ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten."

Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de
zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen,
vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand
Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van
de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen
een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief,
die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit
het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou
worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden
de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de
oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij
wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande
had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat
de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden,
gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon
Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten
wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra's weduwe. Het kind van
het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde
ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den
dood wacht.--Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden."

Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en
vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift
melding maakt?"

»Nebenchari," antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep,
die de beide kinderen verruilde!"

De oogarts keek somber voor zich.

Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een
oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten,
naderde toen den geneesheer, en zeide: »Bezie deze teekens, en zeg
mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?"

Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op.

»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik."

»Ik weet niet, of.... Inderdaad...."

»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?"

»Ja, mijn koning; maar..."

»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan
zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij
als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten,
dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt
wedergeven. Waagt gij niet te veel?"

»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!"

»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?"

»Ja--mijn vorst."

»En gij liet mij in mijne dwaling?"

»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en
een eed..."

»De eed is heilig!--Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een
deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan
betere voeding te hebben, oude!"

»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en
een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein
gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine
kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest
dan op den huidigen dag."

»Hoezoo?"

»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken."

»Gij spreekt in raadselen."

»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een
kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van
een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn;
wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar
wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en
zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon
hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich
een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra
opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van
mijn schoon vaderland."

Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in
de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van
Egypte voor u is bestemd."

»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!" riep Cambyzes, »U
echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het
komt er niet op aan welken."

»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte
meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten."

»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle
dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van
den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte
schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen
de Massageten!"

»Heil den koning!" riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich
verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood,
om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk
gewaad te verwisselen.



Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met
zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en
veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het
gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde
koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.

»Hebt gij wel bedacht, Helleen," begon de laatste, »welk een fakkel
gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?"

»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht."

»Gij vergeet de door hartstocht verblinden."

»Tot dezen behoor ik niet."

»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten."

»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan
geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn
plicht."

»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk
minder te achten dan dat van zijn vaderland."

»Dat weet ik...."

»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk
ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!"

»Dit ben ik niet met u eens."

»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal
laten, als het eens in 't bezit is van al de overige kusten der
middelzee?"

»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat
zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan, en als het
gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al
onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig
volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen."

»Altemaal droomen!"

»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra
gewroken zal zijn!"

»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de
tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik
houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft,
en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk
in 't verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk,
dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele,
zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij
ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht
zoo geweldig heeft doen ontbranden!"

»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af
te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook
Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden;
zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen
ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw
zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen
te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis
nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had
het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In
den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en
doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was
Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten
zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen
jongen.... te...."

»Hij liet hem dooden?"

»Gij zegt het."

»En uw tweede kind?"

»Het meisje is thans nog in zijne macht."

»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt...."

»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten
grave dalen!"

»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon
eischt wraak."

Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener,
die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te
hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad! Niemand heeft
grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan
Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst."

»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan
de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen
zijn nu eenmaal zoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren
dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van
Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de
wijze regeering van Pittacus te bezingen [352]?"

»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om
boomen te planten."

»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden
te slaan.--Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene
dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van
den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?"

»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar
ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden."

»Was hij aanstonds daartoe bereid?"

»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen."

»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem
aan te raden op zijne hoede te zijn."

»Wij zullen dit den koning verzoeken."

»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den
hofstoet bevatten, de keuken uit."

»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?"

»Omtrent vijftien duizend [353]."

»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts
éen maaltijd daags houden!"



DERDE HOOFDSTUK.


Zes weken na de beschrevene gebeurtenissen naderde eene kleine
ruiterschaar in draf de poorten van Sardes. De paarden en hunne
berijders waren zeer bezweet en met stof overdekt. De eersten,
wier instinct hun de nabijheid van stal en kribbe deed vermoeden,
spanden hunne laatste krachten in, doch schenen voor het ongeduld
der twee mannen, die in Perzische hofkleeding aan het hoofd van den
troep reden, nog veel te weinig spoed te maken.

De goed onderhoudene koningsweg, die over het eerste terras van
het Tmolus-gebergte nu eens rees, dan weder daalde, liep door
vruchtbaar bouwland van zwarte aarde, en door bosschen van allerlei
boomen. Olijven, citroenen, platanen, moerbeziën en wijngaarden
bedekten den voet der hoogten, terwijl hooger op de pijn-, cypresse-
en noteboomwouden groeiden. Aan den rand der akkers stonden vijge-
en granaatstruiken met vruchten beladen. In het gras der weiden en in
het lommer der bosschen bloeiden veelkleurige en geurige bloemen. Nu
en dan trof men bronnen aan ter zijde van den weg, zorgvuldig door
muren afgesloten; en daarnaast waren onder schaduwrijke struikgewassen
banken aangebracht, die de reizigers gelegenheid gaven om een wijle
te rusten. De weg liep over bergspleten en beken, die tengevolge der
zomerhitte half uitgedroogd waren. Op belommerde vochtige plaatsen
bloeide de laurierroos, terwijl daar, waar de zon het sterkst brandde,
slanke palmen met hunne sierlijke kronen wuifden. Een donkerblauwe,
volkomen wolkenlooze hemel welfde zich over dit rijke landschap, dat
zuidwaarts de besneeuwde toppen van het Tmolus-gebergte, ten westen
de blauwachtig schemerende Sipylus-bergen tot gezichteinder had.

Thans voerde de weg door een boschje van berken, om welks stammen
zich, met een overvloed van druiven beladene wijnranken tot hoog in
de toppen slingerden, nederwaarts in een dal. Bij eene kromming,
van waar men een heerlijk vergezicht had, hielden de ruiters
stil. Vóor hen lag de hoofdstad van het voormalige Lydische
rijk, eens de residentie van Cresus, het gouden Sardes, in het
wijdvermaarde Hermusdal. Eene donkere steile rots stak hoog uit boven
de eenvoudige rieten daken van de tallooze huizen der stad. Op haar
top zag men reeds van verre een majestueus gebouw, uit wit marmer
opgetrokken. Het was de burcht, om welks driedubbele muren koning
Meles, vele eeuwen geleden, een leeuw had rondgedragen, opdat ze
onneembaar zouden zijn. De zuidelijke helling van den slotberg
was minder steil, en met huizen bebouwd. Noordwaarts van deze rots
verrees, op den oever van den stofgoud met zich voerenden Pactolus,
het voormalig paleis van Cresus. Aan gene zijde van het marktplein,
dat de van verrukking opgetogene reizigers als eene onbegroeide plek
te midden eener bloeiende weide voorkwam, ruischte de rosse stroom,
die zich westwaarts in een smal bergdal stortte, om daar den voet
van den grooten tempel van Cybele [354] te bespoelen. Oostwaarts
strekten zich groote tuinen uit, door welker geboomte men hier en
daar het kristalheldere Gygaeische meer zag glinsteren. Bont geverfde
speelvaartuigen, waarachter een tal van sneeuwwitte zwanen met hunne
lange halzen de diepte schenen te peilen, bedekten de oppervlakte
van het meer. Op omtrent een kwartier afstand van het water verhieven
zich talrijke, door menschenhanden opgeworpene heuvels, van welke drie
vooral door hunne aanmerkelijke grootte en hoogte de aandacht trokken
[355].

»Wat beduiden die vreemdsoortige aardhoogten?" vroeg Darius, de
aanvoerder van deze schaar, aan Prexaspes, den gezant van Cambyzes
die naast hem reed.

»Dat zijn de graven van de oude koningen van Lydië," was het
antwoord. »De grootste heuvel, links, niet de middelste, die ter
eere van een vorstelijk echtpaar, namelijk Panthea en Abradat, werd
opgeworpen, is het gedenkteeken dat men voor Alyattes, den vader van
Cresus, opgericht heeft. De koop- en handwerkslieden en de maagden van
Sardes hebben dat uit liefde voor hun overledenen koning gesticht. Aan
de vijf zuilen op den top kan men lezen, hoeveel arbeids iedere
afdeeling van het volk aan dezen berg heeft verricht. De meisjes
hebben den grootsten ijver aan den dag gelegd. De grootvader van
Gyges moet een bijzonder vriend van het schoone geslacht geweest zijn."

»Dan is de kleinzoon wel een tegenhanger van zijn grootvader!"

»Hetgeen te vreemder is, omdat ook Cresus in zijne jeugd volstrekt
geen vijand van het vrouwelijk geslacht is geweest, en de Lydiërs
in den regel voor het mingenot geboren schijnen te zijn. Ginder in
het Pactolus-dal, nabij de groote goudwasscherij, staat de tempel
der godin van Sardes, Cybele of Ma geheeten. Gij kunt de witte muren
zien door de openingen van het bosch, dat hem omgeeft. Daar is menig
lommerrijk plekje waar zich de jonge lieden van Sardes, ter eere der
godin, gelijk zij zeggen, minnend en koozend vereenigen."

»Even als te Babylon, op het feest van Mylitta."

»Op de kusten van Cyprus bestaat dezelfde gewoonte. Toen ik op
mijne terugreis uit Egypte daar landde, werd ik door eene schaar
der schoonste maagden met liefelijk gezang ontvangen. Al dansende
onder den klank van cymbalen voerden ze mij naar het bosch van hare
godin. Daar moest ik eenige goudstukken nederleggen, en werd toen
door het bekoorlijkste meisje, dat gij u kunt voorstellen, in een
purperen tent geleid, die van de heerlijkste geuren vervuld en waar
ons een bed van roze- en leliebladeren gespreid was."

»Zopyrus zal zich dan de krankheid van Bartja wel niet te sterk
aantrekken."

»En zeker meer tijd in het bosch van Cybele, dan aan de zijde van den
lijder doorbrengen. Het verheugt mij, den opgeruimden jongen weldra
te zullen wederzien."

»Hij zal die vlagen van neerslachtigheid, waarin gij sedert den
laatsten tijd zoo dikwijls vervalt, wel voorgoed verdrijven!"

»Ik zal al mijne krachten inspannen ze voortaan te onderdrukken,
ofschoon die sombere stemmingen, welke gij met alle recht afkeurt,
hare oorzaak hebben. Cresus zegt, dat men slechts dan kwalijk geluimd
is, als men te traag of te machteloos is, om te worstelen met de
omstandigheden. Onze vriend heeft gelijk en men zal Darius noch
van zwakheid, noch van traagheid kunnen beschuldigen. Kan ik ook de
wereld niet beheerschen, dan wil ik toch voor het minst meester van
mij zelven zijn!"

Dit zeggende, richtte zich de schoone jongeling hoog in den zadel
op. Zijn geleider zag hem met verbazing aan, en riep: »Waarlijk,
zoon van Hystaspes, ik geloof, dat gij tot groote dingen bestemd
zijt. Niet zonder doel hebben de goden hun lieveling Cyrus, toen gij
nog een knaap waart, dien droom ingegeven, die oorzaak was dat hij
u door uw vader deed opsluiten."

»En toch heb ik nog geene vleugels gekregen."

»Uw lichaam niet, maar wel uw geest. Jongeling, jongeling, gij zijt
op een gevaarlijken weg!"

»Heeft de gevleugelde dan voor een afgrond te vreezen?"

»Als zijne krachten hem begeven, ja!"

»Maar ik ben sterk!"

»Doch sterkeren zullen beproeven uwe vleugels te verlammen!"

»Laat hen begaan! Ik weet, dat ik slechts wil wat goed is, en vertrouw
op mijn gesternte."

»Weet gij ook hoe de naam van dat gesternte is?"

»Anahita [356] is de naam der ster, waaronder ik geboren ben."

»Ik geloof haar beter te kennen. Brandende eerzucht heet de zon, wier
stralen uwe handelingen besturen. Neem u in acht, jongeling! Ook ik
heb het pad bewandeld, dat òf tot roem òf tot schande, maar slechts
zelden tot waar geluk voert. De eergierige gelijkt een dorstige, die
zoutwater drinkt. Hoe meer roem hij oogst, hoe dorstiger hij wordt
naar eer en grootheid! Van gemeen krijger ben ik gezant van Cambyzes
geworden; maar wat blijft u nog na te jagen overig, gij, die thans
reeds na den koning de grootste in geheel Perzië zijt?.... Maar,
bedriegen mijne oogen mij niet, dan rijden Zopyrus en Gyges aan
de spits der ruiterschaar, die ons van de zijde der stad te gemoet
komt. De angaar, die vóor ons de herberg verliet, heeft zeker gezegd
dat wij in aantocht waren."

»Ja, zij zijn het!"

»Waarlijk! Zie maar, hoe Zopyrus met het palmblad, dat hij zoo even
afbrak, zwaait en wuift!"

»Jongens, snijdt ons spoedig een paar takken van dezen struik!--Zoo
is het goed! Laat ons nu met purpere granaatbloesems de groene palmen
beantwoorden!"

Weinige oogenblikken later omarmden Prexaspes en Darius hunne
vrienden. Daarop trokken de vereende ruiterbenden door de tuinen,
die het Gygaeische meer omgaven, en de voornaamste uitspanningsplaats
der bewoners van Sardes uitmaakten, de volkrijke stad binnen. De
zon neigde juist ten ondergang, en een frisch koeltje begon te
waaien. De burgers der stad stroomden de poorten uit, om zich in de
buitenlucht te gaan vermeien. Lydische krijgers met rijk versierde
helmen, en Perzische soldaten met cylindervormige tulbanden, liepen de
geblankette en bekranste deernen achterna. Dienstmeisjes brachten de
aan hare zorg toevertrouwde kinderen naar het meer, om hen de zwanen
te laten voederen. Onder een plataanboom zat een blinde grijze zanger,
die voor een vrij talrijk gehoor zijne weemoedige liederen met den
magadis, of twintig-snarige Lydische luit, begeleidde. Een groot aantal
knapen vermaakten zich met dobbelsteenen of met het kegelspel [357];
half volwassene meisjes stonden naar deze spelen te kijken, en gilden
somwijlen van schrik, als eene harer door den met kracht geworpen
bal werd getroffen, of deze bij ongeluk in het meer te recht kwam.

De zoo even aangekomene Perzen sloegen nauwelijks acht op dit
bonte tooneel, dat onder gewone omstandigheden in hooge mate hunne
belangstelling zou hebben gewekt. Nu echter wijdden zij hunne gansche
aandacht aan hunne vrienden, die hun veel van Bartja verhaalden,
en hoe hij de ernstige ziekte gelukkig te boven was gekomen.

Aan de metalen poort van het paleis, dat Cresus vroeger bewoond had,
kwam hun de satraap van Sardes, Oroetes, te gemoet. Het was een deftig
man, die voor deze gelegenheid zijne, met kostbare versierselen
overladene hofkleeding had aangetrokken. Zijne kleine zwarte oogen
schenen, van onder een paar borstelige ineengegroeide wenkbrauwen,
met hun doordringend scherpen blik, de gedachte van alle menschen te
willen raden. De provincie, die door hem bestuurd werd, was eene der
belangrijkste en rijkste. Zijne hofhouding streefde die van Cambyzes
in glans en rijkdom op zijde, schoon zijne dienaren en vrouwen veel
minder in aantal waren, dan die van den koning. Toch werden de ruiters
aan de poort door eene groote schaar van lijfwachten, slaven, eunuchen
en sierlijk uitgedoste ambtenaren afgewacht.

Het paleis, dat nog altijd prachtig mocht worden genoemd, was ten tijde
dat Cresus het bewoonde, de heerlijkste aller vorstenwoningen. Na de
inname van Sardes hadden echter de Perzische veroveraars het grootste
gedeelte der rijkdommen van den onttroonden koning naar de schatkamers
van Cyrus te Pasargadae overgebracht, en waren de schoonste kunstwerken
door ruwe handen vernietigd geworden. Toen die schrikkelijke dagen
voorbij waren, hadden de Lydiërs menigen verborgen schat weder te
voorschijn gehaald, en zich gedurende eenige jaren van vrede, onder
de regeering van Cyrus en Cambyzes, door kunstvlijt en werkzaamheid
zoover hersteld, dat Sardes thans wederom onder de rijkste steden van
Klein-Azië, ja, van de gansche wereld mocht gerekend worden. Schoon
Darius en Prexaspes aan de pracht eener koninklijke hofhouding
gewoon waren, verwonderden zij zich niettemin over de schoonheid en
den luister van het paleis van den satraap. Vooral troffen hen de
kunstwerken van marmer, zooals men er noch te Babylon, noch te Suza,
noch te Ekbatana vond [358]. Gebakken tegels en cederhout moesten
daar de plaats van deze kostbare steensoort vervullen.

In de groote zaal vonden de vrienden Bartja, die er bleek uitzag, en
van de matras waarop hij lag de armen naar hen uitstrekte. Nadat de
hereenigde vrienden aan de tafel van den satraap den maaltijd hadden
gebruikt, begaven zij zich naar het vertrek van den herstellende,
ten einde ongestoord te kunnen spreken.

Toen zij zich daar hadden neergezet, riep Darius Bartja toe: »Thans
moet ge mij allereerst vertellen, hoe gij aan deze ongelukkige ziekte
zijt gekomen."

»Zoo gezond, als wij maar wenschen konden," begon de koningszoon,
»reisden wij, gelijk gij weet, van Babylon af, en bereikten
zonder eenige stoornis Germa, een klein stadje, aan den Sangarius
gelegen. Vermoeid van den forschen rit, verbrandt door de zon van
Chordât [359], en ontoonbaar door het stof dat op ons kleefde, sprongen
wij van onze paarden, ontdeden ons van onze kleederen, en wierpen
ons in den vloed, die voorbij de herberg stroomde, en wiens heldere
golven ons tot een bad schenen uit te noodigen. Gyges berispte ons om
onze onvoorzichtigheid; wij echter bouwden op onze geharde lichamen,
sloegen zijne vermaningen in den wind, en zwommen vroolijk in de
groene golfjes rond. Kalm en rustig als altijd liet Gyges ons begaan,
ontkleedde zich, nadat wij reeds met baden gedaan hadden, en ging toen
op zijne beurt te water. Twee uren later zaten wij weer in den zadel,
joegen als gold het dood of leven op de heirbaan voort, wisselden
bij iedere pleisterplaats van paarden, en maakten den nacht tot dag.

»In de nabijheid van Ipsus kreeg ik hevige pijn in het hoofd en
door al mijne leden. Maar ik schaamde mij te bekennen, dat ik mij
niet wel gevoelde, en hield mij goed, totdat wij te Bagis versche
paarden moesten bestijgen. Toen ik mij in den zadel wilde werpen,
begaven mij mijne krachten en mijn bewustzijn, en viel ik neder."

»Of wij ook schrikten, toen gij inéenzaktet," viel Zopyrus den spreker
in de rede. »En het was een zegen dat Gyges bij mij was. Ik had geen
raad geweten. Hij behield echter zijne volle tegenwoordigheid van
geest en handelde, na aan zijne boosheid lucht te hebben gegeven in
woorden, die voor ons juist niet zeer vleiend waren, als een omzichtig
veldheer. Die ezel van een geneesheer, die aanstonds kwam aanloopen,
zwoer bij hoog en laag, dat Bartja reddeloos verloren was, voor welk
bewijs van doorzicht ik hem een pak slaag heb gegeven."

»Dat hij zich gaarne getroostte," lachte de satraap, »daar gij bevel
gaaft, op iedere striem een goudstater te leggen."

»Ja, mijn lust om klappen uit te deelen heeft me reeds veel geld
gekost. Doch ter zake. Nauwelijks had Bartja de oogen weder geopend,
of Gyges droeg mij op naar Sardes te rijden, om een bekwamen geneesheer
en een gemakkelijken reiswagen te halen. Dien rit doet geen mensch
mij na! Een uur voor dat ik hier aankwam, stortte mijn derde paard
van vermoeidheid neder. Nu liep ik wat ik maar loopen kon op de poort
aan. De wandelaars moeten allen wel gedacht hebben, dat het mij in
de hersenen scheelde. Den eersten ruiter den besten, een koopman uit
Celaenae [360], rukte ik zonder een woord te spreken van zijn paard,
sprong er zelf op, en voordat een nieuwe dag was aangebroken, was ik
met den besten Sardischen arts en den voortreffelijksten reiswagen
van Oroetes bij onzen zieke terug, dien wij, zoo langzaam mogelijk
rijdende, naar dit paleis brachten, waar hij door eene kwaadaardige
koorts werd aangetast. Hij kraamde alle dwaasheden uit, die in een
menschenhoofd kunnen opkomen, en joeg ons zulk een angst aan, dat mij,
als ik aan die dagen denk, nog telkens het angstzweet uitbreekt."

Bartja greep de hand van zijn vriend en zeide, zich tot Darius
wendende: »Hem en Gyges dank ik mijn leven. Zij hebben mij, tot op
het oogenblik dat zij ulieden te gemoet reden, geene minuut verlaten,
en mij verpleegd, gelijk eene moeder haar ziek kind. Ook aan uwe
goedheid, Oroetes, ben ik veel verplicht, en dubbel, wijl gij er u
zelven onaangenaamheden door hebt berokkend."

»Hoe was dat mogelijk?" vroeg Darius.

»Die Polycrates van Samos, wiens naam in Egypte zoo dikwerf genoemd
werd, heeft den beroemdsten geneesheer, op welken Griekenland ooit
trotsch mocht wezen, aan zich verbonden. Oroetes schrijft terstond,
nadat ik ziek in zijn huis ben gekomen, aan Democedes [361] en
verzoekt hem, onder de schoonste beloften, dadelijk naar Sardes te
reizen. Samische zeeroovers, die de geheele Ionische kust onveilig
maken, vangen den bode op, en brengen den brief van Oroetes aan hun
heer Polycrates over. Deze opent hem en zendt den afgezant naar hier
terug met de boodschap, dat Democedes in zijn dienst is. Als Oroetes
[362] hem noodig had, kon hij zich tot Polycrates zelven wenden. Onze
edele vriend vernederde zich om mijnentwille, en verzocht den Samiër
zijn geneesheer naar Sardes te zenden."

»En Polycrates?" vroeg Prexaspes.

»De hoogmoedige tyran van het eiland zond oogenblikkelijk den bekwamen
arts, die mij, zooals gij ziet, geheel genezen heeft, en eerst voor
weinige dagen met rijke geschenken Sardes verliet."

»Overigens," viel Zopyrus zijn vriend in de rede, »kan ik zeer goed
begrijpen, waarom de Samiër niet lichtvaardig afstand doet van zijn
lijfarts. Ik verzeker u Darius, die man heeft zijn gelijke niet! Hij
is schoon als Minutscher, verstandig als Piran Wisa, sterk als Rustem
[363] en dienstvaardig als het heilige Soma [364]. Gij hadt eens
moeten zien, hoe hij metalen schijven, die hij discus noemde, wist
te slingeren! Ik ben geen kind als 't op worstelen aankomt, maar wij
waren geen minuut aan den gang, of ik lag reeds op den grond. En dan
kan hij geschiedenissen verhalen, dat den toehoorders er het hart in
't lijf van opspringt."

»Wij hebben een diergelijk man leeren kennen," zeide Darius, lachende
om de geestdrift van zijn vriend, »namelijk Phanes, den Athener,
die gekomen is om onze onschuld te bewijzen."

»Democedes, de geneesheer, is uit Kroton, 't welk dicht bij de plek
moet liggen, waar de zon ondergaat."

»Maar," liet Oroetes er op volgen, »dat evenals Athene door Hellenen
bewoond wordt. Weest op uwe hoede voor deze menschen, mijne jonge
vrienden, want ze zijn even listig, bedrieglijk en zelfzuchtig,
als sterk, verstandig en schoon."

»Democedes is edel en waarheidlievend!" riep Zopyrus.

»En Phanes," verzekerde Darius, »wordt zelfs door Cresus voor even
deugdzaam als dapper gehouden."

»Ook Sappho," bevestigde Bartja, »heeft van den Athener niets dan goeds
getuigd, maar zwijgen wij van de Hellenen. Oroetes is hun vriend niet,
wijl zij hem door hunne weêrspannigheid de handen vol werk geven."

»Dat weten de goden!" zuchtte de satraap. »Eéne Grieksche stad is
moeielijker in toom te houden, dan alle landen tusschen den Euphraat
en den Tigris."

Terwijl de satraap sprak, was Zopyrus eens naar het venster gegaan
om uit te zien. Thans viel hij den spreker in de rede met te zeggen:
»De sterren staan reeds zeer hoog, en Bartja heeft rust noodig;
haast u daarom Darius, en verhaal ons wat van huis!"

De zoon van Hystaspes knikte toestemmend, en deed nu omstandig verslag
van de voorvallen, die wij reeds hebben bijgewoond. Het uiteinde
van Nitetis vond vooral bij Bartja oprechte deelneming, terwijl het
ontdekte bedrog van Amasis allen met verbazing en onrust vervulde.

»Nadat de eigenlijke afkomst der overledene onwederlegbaar bewezen
was," vervolgde de verhaler, na eene korte pauze, »scheen Cambyzes een
ander mensch te zijn geworden. Hij riep ons allen samen tot het houden
van krijgsraad, en had aan tafel, in plaats van rouwkleederen, voor
het eerst weder zijn koninklijk gewaad aan. Gij kunt u voorstellen,
met welk een gejuich het vooruitzicht op een oorlog met Egypte
begroet werd. Zelfs Cresus, die anders Amasis niet ongenegen is, en
gewoonlijk voor den vrede stemt, had ditmaal niets hiertegen in te
brengen. Den volgenden morgen werd, gelijk dit gewoonlijk geschiedt,
nogmaals overwogen, wat in den roes besloten was. Nadat velen hunne
zienswijze hadden doen kennen, verzocht ook Phanes het woord te mogen
hebben. Hij sprak wel een uur achtereen. Maar welk een taal! Het was
alsof de goden hem woord voor woord in den mond hadden gelegd. Onze
taal, die hij zich in ongelooflijk korten tijd eigen heeft gemaakt,
vloeide als honig van zijne lippen, en perste het eene oogenblik
ons allen heete tranen uit de oogen, om ons het volgende in een
stormachtig gejuich of in woeste kreten van verontwaardiging te doen
losbarsten. Iedere beweging zijner handen was bevallig als het wenken
eener danseres, en toch mannelijk en vol waardigheid.

»Ik ben niet in staat zijne rede weder te geven, want mijne woorden
zouden bij de zijne klinken, als tromgeroffel bij donderslagen. En
toen wij eindelijk, door onze geestdrift weggesleept, eenstemmig
tot den krijg besloten, nam Phanes nog eenmaal het woord, en deed de
middelen en wegen aan de hand, om op de gemakkelijkste wijze de zege
te behalen."

Darius kon niet voortgaan, want Zopyrus was, onder luid gejuich,
hem om den hals gevallen. Ook Bartja, Gyges en de satraap Oroetes
verheugden zich van harte over zijne mededeeling, en drongen bij den
verhaler aan, om hun het einde te doen kennen.

»In de maand Farwardin [365]," begon de jongeling opnieuw, »moeten
onze legers aan de grenzen van Egypte staan, wijl in Murdâd [366] de
Nijl buiten zijne oevers treedt, en den marsch van het voetvolk zeer
zou bemoeilijken. De Helleen Phanes is thans op weg naar de Arabieren,
om een verbond met hen te sluiten. De zonen der woestijn moeten ons in
hun dor en onherbergzaam land van water en van gidsen voorzien. Verder
wil hij het rijke Cyprus, dat hij eens voor Amasis veroverde, in onze
hand stellen. De koningen van dit eiland hebben, op zijne voorspraak,
hunne kronen behouden, en zullen aan zijne raadgevingen onmiddellijk
gehoor geven. De Athener zorgt voor alles, en kent overal den weg,
als kon hij gelijk de Zon de geheele aarde overzien. Hij toonde ons
ook eene afbeelding van al de landen, op eene koperen tafel."

Oroetes gaf over alles zijne goedkeuring te kennen, en zeide: »Ook
ik bezit zulk eene afbeelding van de wereld. Een Milesiër, Hecataeus
[367] genaamd, die voortdurend reizen doet, heeft deze geteekend,
en mij voor een pas ten geschenke gegeven."

»Die Hellenen bedenken van alles!" riep Zopyrus, die zich niet het
flauwste denkbeeld kon maken van zulk eene voorstelling van de aarde.

»Ik zal u morgen mijne tafel laten zien," zeide Oroetes; »thans echter
moeten wij Darius niet meer in de rede vallen.'"

»Phanes trok dus naar Arabië," vervolgde de verslaggever, »terwijl
Prexaspes afreisde, om u, Oroetes, niet slechts te bevelen zoovele
soldaten als mogelijk is,--vooral Ioniërs en Kariërs, over wie het
bevel aan den Athener zal worden opgedragen,--bijeen te brengen,
maar ook om Polycrates een verbond met ons voor te slaan."

»Een verbond met hem, met den zeeroover?" vroeg Oroetes, wiens gelaat
merkbaar betrok.

»Met denzelfden," antwoordde Prexaspes, zich houdende, als ware hem
de trek van onwil op het aangezicht van den satraap ontgaan. »Phanes
heeft van den man, die over zoovele voortreffelijke schepen te bevelen
heeft, reeds toezeggingen gekregen, zoodat wij ons van den gunstigen
uitslag uwer zending verzekerd kunnen houden."

»De Phoenicische, Syrische en Ionische oorlogsschepen," hernam de
stadhouder, »zullen meer dan voldoende zijn, om de Egyptische vloot
te overwinnen."

»Daarin hebt gij volkomen gelijk. Maar indien Polycrates zich
tegen ons verklaarde, dan zouden wij ons bezwaarlijk ter zee kunnen
handhaven. Uit uw eigen mond toch hebben wij gehoord, dat hij in de
Aegaeische zee den schepter voert."

»Desniettemin keur ik een verbond met den zeeschuimer ten sterkste af!"

»Vóor alle dingen zoeken wij goede bondgenooten, en de zeemacht
van Polycrates boezemt ons ontzag in. Eerst wanneer wij met zijne
hulp Egypte veroverd hebben, dan komt de tijd, om zijn overmoed te
fnuiken. Maar wat ook verder van de zaak zij, ik moet u verzoeken allen
persoonlijken wrok ter zijde te stellen, en slechts op het welslagen
van het groote ontwerp bedacht te zijn. Deze woorden spreek ik in den
naam des konings, wiens ring ik draag, en verplicht ben u te toonen."

Oroetes boog zich zwijgend voor dit teeken van het vorstelijk gezag,
en vroeg: »Wat verlangt Cambyzes van mij?"

»Hij beveelt u, alle mogelijke pogingen in het werk te stellen, om
een verbond met den Samiër tot stand te brengen, en verder, dat gij
uwe troepen hoe eer hoe liever naar het hoofdleger in de Babylonische
vlakte laat oprukken."

De satraap boog, en verliet in trotsche houding het vertrek.

Zoodra men het geluid zijner schreden in de zuilengang van het
binnenhof hoorde, sprak Zopyrus: »De arme man! Het is bijster hard
voor hem, den overmoedige, die zich zoo menige beleediging jegens
hem veroorloofde, met zulk eene boodschap aan boord te komen. Denk
slechts aan de geschiedenis met den arts!"

»Gij zijt al te toegevend," hernam Darius, zijn vriend in de rede
vallende. »Deze Oroetes bevalt mij niet! Zóo mag men een bevel des
konings niet opnemen. Zaagt gij niet, dat hij zijne lippen aan bloed
beet, toen Prexaspes hem den zegelring van onzen vorst toonde?"

»In dezen man woont een hoogmoedig hart," voegde de gezant er bij. »Hij
verliet ons zoo spoedig, omdat hij zijn toorn niet langer meester was."

»Toch moet ik u verzoeken," zeide Bartja, »het gedrag van den
satraap, wien ik grooten dank verschuldigd ben, voor mijn broeder
te verzwijgen."

Prexaspes boog even, doch Darius hernam: »In ieder geval moet men dezen
man in het oog houden. Juist te dezer plaatse zoover van 's konings
poorten, te midden van vijandige volken, hebben wij stadhouders noodig,
die hun heer gewilliger gehoorzamen, dan Oroetes, die zich schijnt
te verbeelden koning van Lydië te zijn!"

»Zijt gij verstoord op den Satraap?" vroeg Zopyrus.

»Ik geloof ja," luidde het antwoord. »Als ik iemand ontmoet, dan
gevoel ik aanstonds iets, dat mij tot hem trekt, of dat mij een
onverwinnelijken afkeer van dien persoon inboezemt. Deze plotselinge,
onverklaarbare gewaarwording heeft mij nog nooit bedrogen. Oroetes
mishaagde mij reeds, voordat ik nog een woord uit zijn mond had
vernomen. Evenzoo ging het mij met den Egyptenaar Psamtik, terwijl
ik mij door Amasis voelde aangetrokken."

»Gij zijt nu eenmaal geheel anders dan wij!" hernam Zopyrus in
scherts. »Maar doe mij het genoegen, en laat den armen Oroetes
rusten. Het is goed dat hij weg is, want nu kunt gij vrijer van huis
spreken. Hoe maakt het Cassandane en uwe godin Atossa? Hoe is het met
Cresus? Wat voeren mijne lieve vrouwtjes uit? Zij zullen binnenkort
eene nieuwe deelgenoote harer vreedzame uitspanningen krijgen, want ik
ben van plan morgen om de hand van het schoone dochterken van Oroetes
te vragen. Met de oogen hebben wij elkaar reeds allerlei lieve dingen
verteld. Ik weet niet, of de hare Perzisch of Syrisch spraken; maar
wij begrepen elkander toch volkomen."

De vrienden lachten, en Darius riep, weder in de algemeene vroolijkheid
deelende: »En nu zult gij eene blijde boodschap vernemen, die ik
eigenlijk, als het beste, tot nagerecht bewaard heb. Hé! Bartja,
spits de ooren, vriend! Uwe moeder, de edele Cassandane, heeft het
gezicht teruggekregen!--Ja, ja, het is de zuivere waarheid!--Wie haar
genezen heeft?--Wie anders dan die Egyptische knorrepot, die nu zoo
mogelijk nog somberder en gemelijker is dan voorheen. Maar houd u nu
stil en laat mij voortgaan, anders wordt het nog morgen eer Bartja
kan gaan slapen.--Eigenlijk moesten wij u thans aan uw lot overlaten,
want het beste weet gij, en gij kunt daarvan dus droomen.--Gij wilt
niet? Dan moet ik in Mithra's naam maar verder verhalen, al bloedt
mijn hart er ook bij.

»Laat mij met den koning beginnen!--Zoolang Phanes te Babylon was,
scheen hij zijne smart over het verlies der Egyptische niet te
gevoelen. De Athener mocht geen oogenblik zijne zijde verlaten. Deze
twee waren evenmin van elkaar te scheiden als Reksch en Rustem
[368]. In dit gezelschap had Cambyzes geen tijd om te treuren,
want de Helleen had ieder oogenblik nieuwe invallen, en hield niet
slechts den koning, maar ons allen op eene bewonderenswaardige
wijze bezig. Daarbij waren allen met hem ingenomen; ik geloof,
omdat niemand hem recht benijden kan. Zoodra hij toch alleen was,
welden er tranen in zijne oogen, bij de gedachte aan zijn vermoorden
lieveling. Daarom was zijne opgeruimdheid, die hij, beste Bartja,
ook in het hart van uw ernstigen broeder wist over te storten,
dubbel bewonderenswaardig.--Iederen morgen reed hij met Cambyzes en
ons allen naar den Euphraat, en vermaakte zich met het gadeslaan
van de oefeningen der jeugdige Achaemeniden. Als hij de knapen
spoorslags de zandheuvels zag voorbijrijden, en de potten die er op
geplaatst waren met pijlen zag doorschieten; als hij aanschouwde
hoe zij elkander met houtblokken wierpen en deze behendig wisten
te ontwijken [369], beleed hij, dat hij hun dit niet zou kunnen
nadoen. Daarentegen verklaarde hij met ons allen in het speerwerpen
en worstelen naar den prijs te willen dingen. Levendig als hij is,
sprong hij aanstonds van zijn paard, trok tot onzer aller ergernis
[370] zijne kleederen uit, en slingerde, tot groot vermaak der knapen,
hun onderwijzer in het worstelen als een veertje in het zand. Dan
liet hij eene menigte pochhanzen, die zich met hem meten wilden,
eene buiteling maken, en mij ware hetzelfde lot beschoren geweest,
als hij zich niet reeds teveel vermoeid had. Toch verzeker ik u, dat
ik sterker ben dan hij, en veel zwaardere blokken kan optillen. Maar
die Athener is onbegrijpelijk vlug en behendig, en slingert zich om
zijn tegenstander als de klimop om een stam. Zijne naaktheid kwam hem
ook goed te stade. Indien het niet onvoegzaam was, moest men eigenlijk
altijd ongekleed worstelen, gelijk de Hellenen, die zich bovendien de
huid met olijfolie inwrijven.--In het speerwerpen overtrof hij allen
evenzeer. Daarentegen vloog de pijl van den koning, die, gelijk wij
weten, trotsch is op den roem van de beste schutter in geheel Perzië te
zijn, veel verder dan de zijne. Hij roemde zeer de bij ons bestaande
gewoonte, dat na den worstelstrijd de overwonnene den overwinnaar de
hand kust. Eindelijk leverde hij een staaltje van eene nieuwe oefening,
het vuistgevecht. Doch de nuttigheid hiervan wilde hij niet toonen
door met een vrije te vechten; daarom liet de koning den grootste en
sterkste van alle slaven, Bessus, mijn stalknecht, komen, die met
zijne reuzenarmen de achterpooten van een paard samendrukt, zoodat
het dier staat te rillen en zich niet kan verroeren. Die geweldige
sladood, die minstens een hoofd langer was dan Phanes, lachte, en
haalde medelijdend de schouders op, toen hij hoorde, dat hij met dezen
vreemdeling een vuistgevecht moest houden. Zeker van zijn zegepraal,
stelde hij zich tegenover den Athener en deed oogenblikkelijk een
onbesuisden slag naar hem, die een olifant zou hebben gedood. Phanes
ontweek dien echter, en bracht op hetzelfde oogenblik den reus met de
bloote vuist zulk een geweldigen slag onder de oogen toe, dat een dikke
bloedstroom uit zijn mond en zijn neus sprong, en de onbehouwen kerel
huilend nederstortte. Toen men hem overeind had geholpen, geleek zijn
aangezicht op eene groenachtig blauwe pompoen. De knapen hadden niet
weinig pret hierover. Wij bewonderden de vlugheid van den Helleen,
en verblijdden ons in de goede stemming van den koning, die nog
duidelijker uitkwam, toen Phanes zijne stem met de luit begeleidde,
en vroolijke Grieksche liederen en dansmelodieën zong.

»Intusschen had Cassandane, door de kunst van den Egyptenaar
Nebenchari, het gezicht teruggekregen, eene gebeurtenis die
natuurlijk veel bijdroeg, om 's konings zwaarmoedigheid te
verdrijven. Wij beleefden goede dagen, en reeds maakte ik plannen
om de hand van Atossa te vragen, toen Phanes naar Arabië vertrok,
en alles een geheel ander aanzien kreeg. Zoodra namelijk de Athener
de poort verlaten had, was het alsof alle booze Diws plotseling in
den koning gevaren waren. Somber en zwijgend ging hij in en uit,
en om zijne zwaarmoedige gedachten te verdrijven, gebruikte hij
reeds in den vroegen morgen kannen vol van den zwaarsten Syrischen
wijn. Des avonds was hij in den regel zoo dronken, dat men hem naar
zijne vertrekken moest dragen, terwijl hij 's morgens met heftige
krampen en hoofdpijnen ontwaakte. Overdag liep hij rond, als zocht
hij iets, en 's nachts hoorde men hem meermalen den naam van Nitetis
uitspreken. De geneesheeren waren zeer bezorgd voor zijne gezondheid,
en gaven hem dranken, die hij echter liet wegwerpen. Cresus had
volkomen gelijk, toen hij op zekeren dag tot de artsen zeide: 'Eer
men iemand wil gaan genezen, gij heeren magiërs en Chaldaeërs,
moet men weten aan te wijzen, welk gedeelte van zijn organisme
lijdt. Kunt gij dat?--Neen? Dan zal ik u zeggen, wat den koning
deert. Hij lijdt inwendig, en heeft eene onzichtbare wonde. Zijn
lijden is verveling, de wonde zit in het hart. Voor het eerste is de
Athener de beste geneesmeester, voor het andere weet ik geen middel,
want de ondervinding leert, dat zulke wonden of van zelve genezen,
of den lijder doen doodbloeden.'

»'Ik weet een geneesmiddel voor den koning!' riep Otanes, toen hij dit
woord van Cresus vernam. 'Wij moeten hem zien te bewegen om de vrouwen,
of althans mijne dochter Phaedime, van Suza terug te ontbieden. De
liefde verstrooit de wolken der zwaarmoedigheid, en doet het bloed
sneller door de aderen stroomen!' Wij deelden alle zijne zienswijze,
en drongen bij hem aan, dat hij onzen vorst aan de in ballingschap
levende vrouwen zou herinneren. Otanes maakte van de gelegenheid,
die de eerste de beste maaltijd hem bood, gebruik, om Cambyzes het
voorstel te doen de vrouwen terug te laten komen, doch werd zoo ruw
door den koning afgesnauwd, dat het ons allen leed deed.

»Kort daarop ontbood Cambyzes op een morgen alle mobeds en Chaldaeërs,
om hun de verklaring van een vreemdsoortig droomgezicht te vragen. Hij
had namelijk gedroomd, dat hij zich midden op een dorre vlakte bevond,
die glad en effen als een dorschvloer, niet het geringste halmpje
voortbracht. Ontstemd over het woest en treurig aanzien van die
plek, wilde hij andere, meer vruchtbare oorden op gaan zoeken, toen
Atossa verscheen, en zonder hem op te merken, op eene bron toeliep,
die eensklaps als door een tooverslag liefelijk ruischend uit den
dorren grond opborrelde. Verbaasd zag hij dit schouwspel aan, en
bemerkte hoe overal, waar de voet zijner zuster den verzengden bodem
had aangeraakt, slanke terpentijnboomen [371] opschoten, die grooter
werden en in cypressen veranderden, welker kruinen tot aan den hemel
reikten. Toen hij Atossa wilde aanspreken, ontwaakte hij.

»De mobeds en Chaldaeërs beraadslaagden lang, en legden den droom alzoo
uit, dat Atossa, bij alles wat zij ondernam, door het geluk begunstigd
zou worden. Cambyzes stelde zich met dat antwoord tevreden, doch toen
hij in den volgenden nacht een diergelijk droomgezicht had, bedreigde
hij de mobeds met den dood, als zij hem geene andere verklaring
gaven. De wijzen bedachten zich lang, en antwoordden eindelijk:
'Atossa zal eenmaal koningin en de moeder van machtige vorsten worden.'

»Over deze uitlegging was de koning volkomen tevreden, en met een
zonderling lachenden trek om den mond, vertelde hij ons toen zijn
droom. Dienzelfden dag werd ik bij Cassandane geroepen, die mij
waarschuwde dat ik, als ik mijn leven lief had, alle hoop op het
bezit harer dochter moest laten varen. Reeds wilde ik den tuin der
eerwaardige vrouw verlaten, toen ik Atossa achter een granaat-boschje
gewaar werd. Zij wenkte mij. Ik snelde naar haar toe. Wij vergaten
gevaar en smart, en namen eindelijk afscheid, voor eeuwig. Thans
weet gij alles. En terwijl ik nu afstand heb gedaan van het lieve
schepseltje, omdat alle verdere hoop op haar bezit razernij zou zijn,
moet ik mij zelven geweld aandoen, om niet gelijk de koning, ter wille
van eene vrouw aan het mijmeren te geraken en mij aan droefgeestigheid
over te geven. Ziedaar nu het einde der geschiedenis, dat wij reeds
meenden te voorzien, toen Atossa's roos mij, den ter dood veroordeelde,
tot den gelukkigste aller stervelingen maakte. Had ik ulieden in
die ure, die wij dachten dat onze laatste zou zijn, mijn geheim niet
verraden, het zou met mij in het graf zijn gegaan.--Maar wat bazel
ik! Weet ik dan niet, dat ik op uwe geheimhouding rekenen kan? Wat ik
u bidden mag, kijk me niet langer zoo droevig aan. Ik geloof dat ik
nog altijd te benijden ben, want ik heb een uur van geluk doorleefd,
dat tegen honderd jaren van ellende opweegt.--Ik dank u, ik dank
u!--Maar, laat mij nu spoedig eindigen!

»Drie dagen na mijn afscheid van Atossa moest ik Artystone, de dochter
van Gobryas, huwen. Zij is schoon, en zou gewis ieder ander, behalve
mij, gelukkig maken. 's Morgens na de feestviering kwam de angaar met
het bericht van Bartja's ziekte te Babylon aan. Ik snelde dadelijk
naar den koning, vroeg en verkreeg verlof u te mogen gaan opzoeken en
verplegen, en u voor het gevaar, dat in Egypte uw leven bedreigt, te
waarschuwen. In spijt van de tegenwerpingen mijns schoonvaders, nam ik
van mijne nieuwe gemalin afscheid, en snelde, door Prexaspes vergezeld,
herwaarts, om u, Bartja, met Zopyrus naar Egypte te volgen, terwijl
Gyges den gezant als tolk naar Samos zal begeleiden. Alzoo beveelt de
koning, wiens gemoedsgesteldheid in de laatste dagen veel verbeterd is,
doordien hij in de wapenschouwing der aanrukkende legerafdeelingen
eene goede afleiding vindt, en de Chaldaeërs hem verzekerd hebben,
dat de planeet Adar [372], die hun krijgsgod Chanon toebehoort, den
Perzischen wapenen eene groote overwinning belooft. Wanneer denkt
gij de reis te kunnen hervatten, Bartja?"

»Morgen, als gij wilt," antwoordde deze. »De geneesheeren verzekeren,
dat het zeetochtje mij volstrekt niet schaden zal. De reis over land
tot Smyrna is slechts kort."

»En ik," liet Zopyrus er op volgen, »verzeker u, dat uw liefje u
spoediger gezond zal maken, dan alle artsenijmengers in de geheele
wereld!"

»Laat ons afspreken, dat wij binnen drie dagen opbreken," hernam
Darius. »Want wij hebben nog velerlei zaken voor de afreis in orde
te brengen. Bedenk slechts, dat wij in een zoo goed als vijandelijk
land komen! Bartja moet, alzoo heb ik de zaak overlegd, zich voor
een tapijthandelaar uit Babylon uitgeven. Ik stel zijn broeder voor,
en Zopyrus is een koopman in sardisch rood [373]."

»Zouden wij ons niet als krijgslieden kunnen vermommen?" vroeg
Zopyrus. »Het is wat al te vernederend, voor zulke bedrieglijke
schacheraars te worden aangezien. Hoe zoudt gij bijvoorbeeld er
over denken, als wij ons voor Lydische soldaten uitgaven, die in het
Egyptische leger dienst komen nemen, om eene straf in het vaderland
te ontgaan?"

»Dat voorstel is zoo onaannemelijk niet," zeide Bartja. »Ook geloof
ik, dat men ons op 't uiterlijk eer voor krijgers dan voor kooplieden
zal aanzien."

»Hierin zoudt gij u toch kunnen vergissen," antwoordde Gyges. »Zulk
een Helleensch groothandelaar en scheepsgezagvoerder draagt de borst
zoo hoog, als behoorde hem de gansche wereld toe. Overigens vind ik
den voorslag van Zopyrus nog zoo slecht niet."

»Het zij zoo!" zeide Darius, na nog een oogenblik nagedacht te
hebben. »Dan moet Oroetes ons aan de kleederen van Lydische taxiarchen
[374] helpen."

»Waarom zoudt gij u niet als chiliarchen laten aankleeden?" riep
Gyges. »Het zou stellig achterdocht wekken omdat gijlieden nog zoo
jong zijt."

»Maar wij kunnen toch niet als gemeene soldaten optreden."

»Neen, maar wel als hekatontarchen!"

»Ook al goed," hernam Zopyrus vroolijk, »als ik maar geen koopman
behoefte wezen!--Binnen drie dagen aldus van hier. 't Doet mij
genoegen, dat gijlieden mij toch nog den tijd laat, om mij van
het dochtertje van dezen satraap te verzekeren, en nog eens het
Cybele-bosch te bezoeken, waar ik reeds sinds lang naar verlang. En
nu goeden nacht, Bartja! Slaap morgen een gat in den dag. Wat zou
Sappho wel zeggen, als gij met zulke bleeke kaken en zulke fletse
oogen tot haar kwaamt!"



VIERDE HOOFDSTUK.


De zon van een gloeiend heeten hondsdag was over Naucratis opgegaan. De
Nijl was reeds buiten zijne oevers getreden, en had de velden en
tuinen van Egypte met zijn wateren bedekt. De haven in den mond der
rivier wemelde thans van schepen. Egyptische vaartuigen, bemand met de
Phoenicische kolonisten van de kust der Delta, brachten fijne weefsels
van Malta aan, metalen en gesteenten van Sardinië, wijn en koper van
Cyprus. Grieksche triëren brachten fijne oliën en wijnen, mastiktakken,
metaalwerken en wollen stoffen van Chalcidice; Phoenicische en Syrische
vaartuigen, met bont gekleurde zeilen, voerden purperstoffen, koper,
tin, edelgesteenten, specerijen, glas- en tapijtwerken aan, benevens
ceders van den Libanon, voor het bouwen van huizen in het aan hout zoo
arme Egypte, ten einde deze waren in te ruilen tegen de schatten van
Aethiopië: goud, elpenbeen, ebbenhout, veelkleurige tropische vogels,
edelgesteenten en zwarte slaven, maar vooral tegen het wereldberoemde
Egyptische koren, de wagens van Memphis, Saïtisch kantwerk en fijn
papyrusriet. Maar de tijd van uitsluitenden ruilhandel was reeds lang
voorbij, en de kooplieden van Naucratis betaalden hunne inkoopen niet
zelden met klinkend goud en zorgvuldig afgewogen zilver [375].

Langs de haven dezer Helleensche volkplanting zag men groote
magazijnen. Daarnaast stonden lichtgebouwde huizen. De muziek, het
vroolijk gelach, de verleidende blikken en stemmen van geblankette
deernen lokte daar vele ledigloopende matrozen binnen [376]. Roeiers
en stuurlieden, in de meest uiteenloopende kleederdrachten,
baanden zich, soms op een vrij onzachte wijze, een weg door het
gedrang van zwarte en blanke slaven, die zware balen op de schouders
droegen. Scheepsbevelhebbers, in Helleensche of kakelbonte Phoenicische
kleeding deelden bevelen uit onder hunne manschappen, of waren ijverig
in de weer, om den groothandelaars de voor hen bestemde goederen af
te leveren. Waar bijgeval twist ontstond, vertoonden zich dadelijk
Egyptische politiebeambten met hunne lange staven, en Helleensche
havenmeesters, die door de oudste kooplieden van deze Milesische
volkplanting waren aangesteld.

Maar allengs verliet de menigte de haven, daar de tijd naderde
waarop de markt begon [377], en de vrije Helleen was niet gewoon deze
onbezocht te laten. Ditmaal echter bleven nog ettelijke nieuwsgierigen
achter, om een schoon gebouwd Samisch schip met langen zwanenhals,
de Okeia [378], op welker boeg een houten beeld van de godin Hera
[379] prijkte en dat zoo even de haven was binnengeloopen, aan
te gapen. Vooral wekten drie schoone jongelingen in Lydischen
krijgsdos hoog opzien, toen zij de triëre verlieten. Zij werden
door onderscheidene slaven gevolgd, die hun eenige kisten en pakken
nadroegen. De schoonste dezer vreemdelingen, in wie de lezer zonder
twijfel reeds onze jonge vrienden Darius, Bartja en Zopyrus heeft
herkend, wendde zich tot een havenmeester met verzoek, hem de woning
van zijn gastheer Theopompus, den Milesiër, te wijzen. Dienstvaardig
en beleefd zooals alle Grieken, ging de beambte den vreemdeling voor,
en leidde hem over de markt naar een deftig huis, het eigendom van den
aanzienlijksten inwoner van Naucratis, den Milesiër Theopompus. Juist
kondigde het luiden der klok de opening der markt aan.

Maar niet geheel zonder oponthoud hadden de jongelingen hunne
bestemming bereikt. Aan den vrij lastigen aandrang van de vischventers,
die gaarne veel geld verdienden, hadden zij zich even gemakkelijk
weten te onttrekken, als aan de veelvuldige aanbiedingen van vleesch-,
worst- en groenteverkoopers, pottenbakkers en bakkers. Toen zij
echter de standplaats der bloemenmeisjes [380] naderden, klapte
Zopyrus hard in de handen, verrukt over het schouwspel, dat zich
hier aan hem voordeed. Drie allerbekoorlijkste meisjes, in witte,
bijkans doorschijnende kleeding met gekleurde zoomen, zaten daar op
lage stoeltjes, door eene vracht van bloemen omgeven, en vlochten
gezamenlijk een grooten krans van rozen, violen en oranjebloesem. Hare
schoone, bekranste hoofdjes geleken op de drie rozeknoppen, die een
harer, welke onze vrienden het eerst bemerkt had, hun aanbood,

»Koopt mijne rozen, schoone heeren!" riep zij met heldere, welluidende
stem, »en steekt ze uwe beminden in het haar!"

Zopyrus nam de bloemen aan, riep, de hand van het meisje vasthoudende:
»Ik kom zoo pas uit verre landen hier aan, lief kind, en heb nog
geene vriendin te Naucratis, laat mij dus deze rozen in uw eigen
blonde krullen steken, en dat goudstuk in uw blanke handjes drukken!"

Het meisje schaterde het uit van blijdschap, toonde de buitengewoon
rijke gift aan hare zuster [381], en riep: »Bij Eros! Jongelingen
als gij zijt, kan het wel nimmer aan vriendinnen ontbreken! Zijt
gijlieden broeders?"

»Neen!"

»Dat is jammer, want wij zijn zusters!"

»Gij wilt zeggen, dat wij anders drie aardige paartjes zouden zijn?"

»Dat heb ik misschien gedacht, maar niet gezegd," hernam zij heel
ondeugend.

»En uwe zusters?"

De meisjes lachten, schenen met genoegen aan zulk eene verbintenis
te denken, en boden ook Darius en Bartja rozeknoppen aan.

De jongelingen namen ze aan; betaalden insgelijks voor ieder ruikertje
een goudstuk, en konden zich niet van de schoonen afmaken, dan nadat
zij hunne helmen met laurierbladeren omkranst hadden.

Het gerucht van de ongemeene mildheid der vreemdelingen verspreidde
zich intusschen onder de vele bloemenmeisjes, die linten, bloemen
en kransen te koop boden. Ieder maakte de vrienden op hare schoone
waar opmerkzaam, en noodigde hen door blikken en woorden tot koopen
uit. Zopyrus had gaarne, als zoo menig jongeling uit Naucratis,
nog veel langer bij de meisjes vertoefd, die zich bijna alle door
schoonheid onderscheidden, en wier genegenheid licht te winnen
was; Darius echter herinnerde hem, dat zij spoed moesten maken, en
verzocht Bartja den lichtzinnigen vriend te verbieden zich verder op te
houden. Eindelijk bereikten zij dan ook, na de tafels der wisselaars
en de burgers, die, op steenen banken gezeten, onder den blooten
hemel raad hielden, te zijn voorbijgegaan, het huis van Theopompus.

Nauw had hun Grieksche gids den metalen klopper op de deur doen vallen,
of deze werd door een slaaf geopend. Daar de heer des huizes zich
op de markt bevond, werden de vreemdelingen door den portier, een in
het huis van Theopompus grijs geworden slaaf, in het andronitis [382]
geleid, met verzoek, de terugkomst van den meester daar af te wachten.

Terwijl de jongelingen zich nog onledig hielden met het beschouwen
van het schoone schilderwerk op de wanden, en de kunstige bewerking
van den steenen vloer, keerde Theopompus,--dezelfde groothandelaar,
dien wij reeds in het huis van Rhodopis leerden kennen,--van de
markt terug, gevolgd door een aantal slaven, beladen met de door hem
aangekochte waren [383]. De Milesiër heette de vrienden welkom met
bevallige minzaamheid, en vroeg hun met de meeste voorkomendheid,
waarmede hij hen dienen kon. Na zich overtuigd te hebben, dat zich
geen ongeroepen getuige in de nabijheid bevond, stelde Bartja den heer
des huizes de briefrol ter hand, die Phanes hem bij het afscheid voor
Theopompus had medegegeven.

Nauwelijks had deze den brief gelezen, of hij boog zich diep voor
den koningszoon neder, en riep: »Bij Zeus, die ons den plicht der
gastvrijheid oplegt, grootere eer dan die van uw bezoek, had mijn
huis wel niet kunnen te beurt vallen! Beschouw al wat ik heb als uw
eigendom, en verzoek ook uwe vrienden hun intrek in mijne woning te
nemen. Vergeef mij, dat ik u in uwe Lydische kleeding niet herkende. Ik
geloof dat uwe lokken korter en uw baard zwaarder zijn geworden, sedert
gij Egypte verliet. Vergis ik mij niet, dan wenscht gijlieden onbekend
te blijven?--Zooals gij wilt! De beste gastvrijheid bestaat daarin,
dat men zijne gasten geheel vrijlaat. O, nu herken ik uwe vrienden! Ook
zij hebben zich vermomd en gelijk gij het haar gekort. Ja, ik zou
durven bezweren, dat gij, mijn vriend, wiens naam..."

»Ik heet Darius."

»Dat gij, Darius, uwe haren zwart geverfd hebt. Is het zoo niet? Gij
ziet, dat mijn geheugen mij niet bedriegt. Toch mag ik daar niet al te
zeer op roemen; want meermalen heb ik u te Saïs gezien, en ook hier bij
uwe aankomst en uw vertrek. Gij, o koningszoon, zult misschien vragen,
of anderen u niet evenzeer zullen herkennen? Stellig niet! De vreemde
kleeding, het korte haar en uwe donkergekleurde wenkbrauwen hebben
u verbazend veranderd. Maar vergun mij, dat ik mij een oogenblik
verwijder! Mijn oude portier wenkt mij en schijnt eene belangrijke
boodschap te hebben."

Weinige oogenblikken later keerde Theopompus terug, en riep: »Hoort
eens, waarde gasten, als gij onbekend wenscht te blijven, dan moet
gij u hier, te Naucratis, niet zoo aanstellen, als gij reeds gedaan
hebt! Gij hebt gekheid gemaakt met de bloemenmeisjes, en haar een
paar rozen betaald, niet als ontvluchte Lydische hekatontarchen,
maar als groote heeren, gelijk gij ook zijt. Geheel Naucratis kent
de schoone, lichtzinnige zusters Stephanion, Chloris en Irene,
die met hare kransen reeds menig jeugdig hart gevangen, en met hare
verleidelijke blikken reeds menigen blanken obool [384] uit de beurzen
onzer zorgelooze jongelieden hebben getooverd. Zoolang de markt duurt,
houden de jongelingen zich het liefst bij de bloemenmeisjes op, en
wat daar dan wordt verhandeld, wordt gewoonlijk in de stilte van den
nacht met meer dan éen goudstuk betaald. Maar voor een vriendelijk
woord en een paar rozen is men minder mild dan gij. De meisjes
hebben met uwe geschenken gepronkt, en haren schrielen vrijers
uwe goudstukken getoond. De faam is eene godin, die in den regel
vreeselijk overdrijft, en van een hagedis een krokodil maakt. Spoedig
kwam ook den Egyptischen hoofdman, die de wacht op de markt heeft,
sedert Psamtik de teugels van het bewind in handen heeft genomen,
het bericht ter oore, dat drie, kort te voren aangekomen Lydische
krijgslieden goud onder de kransvlechtsters hadden uitgestrooid. Deze
tijding wekte achterdocht en gaf den toparch [385] aanleiding, om een
beambte hierheen te zenden, ten einde naar uwe afkomst en het doel
uwer reis te vernemen. Ik heb eene list moeten gebruiken en den man,
die de boodschap bracht, iets wijs moeten maken. Overeenkomstig uw
verlangen, heb ik u voor rijke jongelingen van Sardes uitgegeven,
die aan den toorn van den satraap ontvlucht zijn.--Maar daar komt de
beambte met een schrijver, die u een pas zal brengen, opdat gij veilig
aan den Nijl zoudt kunnen vertoeven. Ik heb hem eene rijke belooning
toegezegd, als hij u behulpzaam wilde zijn, om onder de krijgslieden
van den koning te worden opgenomen. Hij is in den strik geloopen, en
gelooft mij op mijn woord. Omdat gijlieden nog zoo jong zijt, houdt
men zich overtuigd dat gij met geene geheime zending zijt belast."

Nauwelijks had de woordenrijke Helleen uitgesproken, of de schrijver,
een mager in het wit gekleed man, trad het vertrek binnen. Hij ging
naar de vreemdelingen toe, en ondervroeg hen door tusschenkomst van
zijn tolk naar hunne afkomst en het doel hunner reis. De jongelingen
herhaalden, wat door Theopompus reeds was bericht, namelijk dat zij
uitgewekene hekatontarchen waren, en verzochten den beambte hun het
middel aan de hand te doen, om onder de Egyptische hulptroepen te
worden opgenomen, en hen van passen te voorzien. Nadat hun gastheer
zich borg voor hen gesteld had, aarzelde de beambte niet langer,
en stelde hen in 't bezit der verlangde stukken.

Aldus luidde de pas van Bartja:


    »Smerdes,--zoon van Sandon, uit Sardes,--ongeveer twee en
    twintig jaren oud, hoog en rank van gestalte, met een schoon
    gevormd gelaat, rechten neus en hoog voorhoofd, in het midden
    waarvan zich een klein litteeken bevindt, mag zich, dewijl
    voor hem een voldoende borg is aangewezen, daar waar de wet
    vreemdelingen duldt, in Egypte ophouden.

    In naam des Konings.
            Sachons, schrijver."


De passen van Zopyrus en Darius waren op dezelfde wijze gesteld [386].

Toen de beambten het huis verlaten hadden, wreef Theopompus zich
in de handen, zeggende: "Nu kunt ge u, zoo gij ten minste mijn raad
steeds wilt volgen, vrij en gerust in dit land bewegen. Bewaart deze
papierrolletjes zoo zorgvuldig als uwe oogen en houdt ze steeds
bij u.--Thans noodig ik u mij aan 't ontbijt te volgen, en mij,
als mijne vraag niet onbescheiden is, te vertellen, of het gerucht,
dat zich als een loopend vuurtje over de markt verspreid heeft,
niet als gewoonlijk gelogen heeft. Eene van Colophon komende triëre
bracht namelijk het bericht, dat uw machtige broeder, edele Bartja,
zich tegen Amasis ten strijde toerust.



Aan den avond van den zelfden dag zagen Bartja en Sappho elkander
weder. Welk een heuglijke ontmoeting! De verschijning van den
koningszoon was voor Rhodopis' kleindochter eene verrassing, die hare
stoutste verwachting verre overtrof. De jonkvrouw kon gedurende het
eerste uur geene woorden vinden, om haar geluk, hare blijdschap en
hare dankbaarheid te uiten. Toen zij eindelijk weer alleen waren in
dat priëel van jasmijnen, waar zij den eersten liefdekus gewisseld
hadden, legde Sappho haar hoofdje aan het hart van den dierbaren
jongeling. Lang zaten zij sprakeloos naast elkaâr, en hadden geen
oog voor maan of sterren, die in den zoelen zomernacht, in de
diepste stilte, boven hunne hoofden de zooveel beteekenende cirkels
beschreven. Zij hadden geen oor voor het lied van de nachtegalen,
die als voorheen, in beurtzang al fluitend hun geliefkoosd »itys ito"
zongen. Zij gaven geen acht op den vochtigen dauw, dien de nacht over
hunne hoofden en de gesloten bloemklokjes uitgoot.

Eindelijk vatte Bartja beide de handen zijner bruid, en keek haar lang
zwijgend aan, als wilde hij zich hare trekken voor immer onuitwischbaar
in de ziel prenten; zij echter zag blozend voor zich, tot hij eindelijk
uitriep: »Wanneer ik van u droomde, dan waart gij schooner dan alles,
wat Aoeramazda geschapen heeft; thans zie ik, dat gij zelfs mijne
voorstellingen in den droom in schoonheid nog verre overtreft!"

En toen zij hem voor dit woord met een vriendelijken blik dankte,
sloeg hij nogmaals zijn arm om haar middel, drukte haar vaster aan
zijne borst, en vroeg: »Hebt gij aan mij gedacht?"

»Alleen, alleen aan u!"

»En hooptet ge, mij spoedig weer te zullen zien?"

»Ach, uur en uur dacht ik: 'hij moet komen!' Als ik 's morgens in
den tuin trad, en heenzag naar het oosten, uw geboorteland, en een
vogeltje van de rechterzijde op mij toevloog, voelde ik een zeker
trekken in het rechter ooglid [387]; wanneer ik mijne kist opruimde,
en den laurierkrans vond, die u zoo heerlijk stond, en dien ik daarom
tot een aandenken bewaarde,--Melitta zegt, dat het bewaren van zulk
een krans de trouwe liefde onderhoudt,--dan klapte ik in de handen,
en dacht: »heden moet hij komen," liep naar den Nijl en wuifde ieder
vaartuig met mijn doek het welkom toe, want ieder nieuw vaartuig,
docht mij, kon u in mijne armen voeren. En als ik u niet komen zag,
keerde ik treurig naar huis terug, en zong een lied, en tuurde in
het vuur van den haard in het vrouwenvertrek, tot grootmoeder mij uit
den droom kwam wekken, zeggende: 'hoor eens, meisjelief, wie overdag
droomt, loopt gevaar des nachts den slaap niet te kunnen vatten, en
's morgens droefgeestig, met afgematte hersenen en vermoeide leden,
van zijn leger op te staan. De dag werd ons gegeven, om te waken,
om onze oogen wijd open te houden, en te zorgen, dat geen uur onnut
voorbijga. Het verleden behoort aan de dooden. De dwazen hopen veel
van de toekomst. De wijze leeft slechts voor het tegenwoordige, dat
altijd jeugdig is en nieuw, en gebruikt dit, om alle gaven, die Zeus
ons verleend heeft, die Apollo, Pallas en Cypris ons schonken, door
arbeid zóo te gebruiken, dat zij met iederen dag in waarde rijzen,
volkomener en edeler worden, en ons denken, handelen, gevoelen en
spreken ten laatste zoo rein en welluidend zij, als de liefelijke klank
der accoorden van het snarenspel. Gij kunt den man, wien gij uw hart
geschonken hebt, en dien gij hooger dan u zelven stelt, wijl gij hem
liefhebt, niet beter dienen, en geene sprekender bewijzen geven van
uwe trouw, dan wanneer gij uw geest en uw hart, zooveel uwe krachten
toelaten, veredelt. Het schoone en goede, dat gij u eigen maakt en
aanleert, wordt voor uw geliefde een geschenk. Want als gij hem uw
gansche zijn toewijdt, dan ontvangt hij uwe deugden met u. Maar al
droomende heeft nog nooit iemand eene overwinning behaald. De dauw, die
de bloem der deugd laaft en leven geeft, noemt men zweet!'--Zoo sprak
zij; en beschaamd verliet ik ijlings den haard, greep mijn speeltuig,
leerde nieuwe liederen, of hing aan den mond mijner leermeesteres,
die mij,--in wijsheid overtreft zij menig man,--met woord en schrift
onderwees. Zoo gleed de tijd daarheen, een snel vlietenden stroom
gelijk, die, als de Nijl, van rusten noch toeven weet, en nu eens
eene, met bonte wimpels versierde, gouden boot, dan eene vraatzuchtige
booze krokodil voorbij ons stervelingen heenvoert!"

»Thans zitten wij neder in die boot des geluks! Och, dat de
tijdstroom nu ophield te vlieten! Och, bleef het immer, gelijk het nu
is!--Allerliefst meisje, wat spreekt ge verstandig, hoe goed begrijpt
gij die schoone lessen, en hoe bevallig geeft gij ze weder. Ja, mijne
Sappho, ik ben trotsch op u! In uwe liefde bezit ik een schat, die
mij veel rijker maakt dan mijn heer en broeder, voor wien de halve
wereld zich buigt!"

»Gij, trotsch op mij, gij, groote vorstenzoon, de schoonste en beste
van uw heelen stam?"

»Ik vind in mij geen hooger waarde, dan die, dat gij mij uwer waardig
keurt!"

»Groote goôn, hoe kan dit kleine hart zulk een volheid der hoogste
zaligheid bevatten, zonder te bersten als eene vaas, die men met
zuiver goud heeft overladen!"

»Wijl een ander hart, het mijne, u dien last helpt dragen, wijl uwe
ziel de mijne ondersteunt. Met deze hulp tart ik de gansche wereld,
en al 't lijden dat de nacht ons brengt."

»O, wek den nijd, den toorn der goôn niet op, wien toch te vaak 't
geluk der stervelingen verdriet. Sinds gij van ons zijt weggegaan,
hebben wij menigen dag van tranen doorleefd. De arme kinderen van den
goeden Phanes, een knaap, schoon als Eros, een meisje zoo zacht en
rooskleurig als een wolkje, dat liefelijk door het morgenrood beschenen
wordt, brachten eenige dagen door in onze woning. Grootmoeder werd weer
vroolijk en jong, toen zij de lieve, bloeiende kinderen aanschouwde. Ik
schonk hun van stonde aan mijn hart, schoon dit u geheel alleen
behoort. Maar met dat hart is 't zonderling gesteld. Gelijk de zon,
verbreidt het licht en warmte, en 't wordt toch niet koud; zelfs houdt
't altijd nog gloed genoeg over, om wie daar aanspraak op hebben mede
te koesteren. Ach, die kinderen van Phanes, ik had ze zoo lief!--Op
een avond zaten wij met Theopompus alleen in het vrouwenvertrek, toen
zich voor het huis een woest getier liet hooren, en de deur als met
hamerslagen gebeukt werd. De oude Knakias, onze trouwe slaaf, spoedde
zich naar de deur doch had deze nog niet bereikt, toen ze reeds voor 't
geweld bezweek, en een bende woeste krijgsknechten door het voorportaal
in het andronitis, en van daar, na de middendeur verbrijzeld te hebben,
tot ons doordrong. Grootmoeder vertoonde hun den brief, bij welken
Amasis haar huis tot een onschendbare wijkplaats had verklaard. Maar
zij lachten met dat geschrift en toonden een gezegeld stuk, waarin
de kroonprins Psamtik uitdrukkelijk gebood de kinderen van Phanes op
staanden voet aan dien ruwen hoop over te leveren. Theopompus bestrafte
de soldaten over hunne onbeschoftheid, en zeide, dat de kinderen, die
onze gasten waren, te Corinthe tehuis hoorden, en niets met Phanes
gemeen hadden. De hoofdman der krijgslieden beantwoordde den edelen
man echter met smaad en spot, stiet mijne bezorgde grootmoeder ruw op
zijde, drong met geweld in haar slaapvertrek, waar naast hare kostbare
schatten, aan het hoofdeinde van hare eigene legerstede, de twee
kinderen vreedzaam sluimerden. Ze rukten de kleinen uit hunne bedjes
en brachten ze in eene opene boot,--het was een koude nacht,--naar
de koningsstad. Weinige weken later was het knaapje dood. Men zeide,
Psamtik had het jongske doen vermoorden. Het lieve meisje zucht nog
heden in een duisteren kerker, verlangende naar ons en naar haar
vader. O, mijn geliefde, spreek, is het niet hard, dat zelfs het
reinste geluk niet onvergald kan blijven? De traan van zaligheid in
mijn oog vermengt zich nu reeds met den bitteren traan der smart,
en deze mond, die straks nog lachte, kan nu geen woorden vinden,
sterk genoeg om 't lijden uit te drukken, dat dit hart gevoelt."

»Ik voel, wat gij lijden moet, mijne liefste; doch klagen kan ik niet
als gij, teedere vrouw. Wat u slechts de tranen uit de oogen perst,
doet mij de vuisten ballen. De schoone knaap die u dierbaar was,
het meisje dat in den kerker wegkwijnt, zullen weldra gewroken
worden. Geloof, wat ik u zeg! Alvorens de Nijl andermaal buiten
zijne oevers treedt, zal een verbazend leger dit land binnendringen,
en rekenschap eischen van dien moord!"

»O liefste vriend, hoe gloeien thans uwe oogen! Zoo schoon, zoo
heerlijk zag ik u nog nooit! Ja, ja, de knaap moet gewroken worden,
en niemand dan gij mag zijn wreker zijn!"

»Mijne zachte Sappho wordt op eens krijgshaftig!"

»Waar de boosheid over hare gruwelen juicht, daar behoort ook de
vrouw heldenmoed te toonen. Ook de vrouw verheugt zich als de misdaad
gestraft wordt!--Maar zeg mij, is de oorlog reeds verklaard?"

»Nog niet, maar toch trekken reeds van alle zijden legerscharen naar
het dal van den Euphraat, van waar het groote leger moet oprukken."

»O, reeds ontzinkt mij de moed, straks zoo snel ontvlamd. Ik sidder
bij het vernemen van het woord 'krijg.' Hoevele moeders maakt hij
niet kinderloos! Hoevele vrouwen hullen het jeugdig hoofd niet in den
sluier der weduwen, als Ares woedt! Hoevele legersteden worden niet
door tranen besproeid, als Pallas hare huiveringwekkende Aegis zwaait!"

»Hoe verheft zich daarentegen de man in den woesten strijd, hoe
verruimt zich zijn borst, hoeveel krachtiger wordt zijn arm niet! En
rekent gij dan uwe vreugde voor niets, wanneer de geliefde held,
met roem overladen, als overwinnaar huiswaarts keert? Het hart eener
Perzische vrouw moet kloppen van geestdrift, als zij van veldslagen
hoort gewagen. Want is het leven van haar gade haar dierbaar, zijn
krijgsroem moet haar meer waard zijn."

»Ga ten strijde! Mijn gebed zal u beschermen."

»En de rechtvaardige zaak zal zegevieren! Eerst slaan wij het leger
van den pharao,--dan wordt Phanes' dochterke bevrijd...."

»En dan de edele Aristomachus, die de plaats van den gevluchten
Phanes heeft ingenomen. Hij is opeens verdwenen; waar hij bleef,
weet niemand. Men beweert, dat de kroonprins den dappere, die hem met
zijn wraak dreigde over de mishandeling van Phanes' kinderen, in een
donkeren kerker heeft geworpen. Zoo hij hem maar niet--wat erger zou
zijn dan de pijnlijkste dood--naar eene afgelegene steengroeve heeft
doen sleepen. De arme grijsaard was door booze vijanden onschuldig
uit zijn vaderland gebannen. Op den dag zelven van zijn verdwijnen,
kwam er eene boodschap van wege de Spartanen hier aan den Nijl, waarbij
Aristomachus, door wiens zonen Sparta in aanzien was gerezen, met al
de eer, die Hellas een mensch kan schenken, naar de boorden van den
Eurotas werd teruggeroepen. Een schip met kransen versierd wachtte
den onvolprezen grijsaard, en aan 't hoofd van het gezantschap stond
zijn eigen roemrijke en krachtige zoon."

»Ik ken dien man met zijn stalen wil, die zichzelven verminkte om
de schande te ontgaan. Bij de Anahita-ster, die ginds in het oosten
tintelend ondergaat, wij zullen hem wreken!"

»Maar, mijn beste Bartja, is het reeds zoo laat? De tijd is
voor mij omgevlogen als een koeltje, dat onze voorhoofden kust en
voorbijsnelt. Hoort gij daar niet roepen? Ja, men wacht ons! Vóor het
aanbreken van den dag moet gij in de stad, in het huis van uw edelen
gastheer zijn. Vaarwel, mijn held!"

»Geliefde, vaarwel! Binnen vijf dagen zingen wij het
bruiloftslied.--Gij beeft, als ging ik reeds ten strijde!"

»Mijn zenuwen trillen bij de gedachte aan de grootte van ons geluk,
gelijk dit het geval is bij de aanschouwing van al wat grootsch en
ontzagwekkend is."

»De goede Rhodopis roept al weder. Laat ons thans gaan! Ik heb
Theopompus verzocht, overeenkomstig het gebruik met uwe grootmoeder
te bepalen, wanneer en hoe het huwelijksfeest zal worden gevierd. Ik
blijf vermomd in zijn huis, tot ik u, als mijne geliefde gade, tot
mij mag nemen."

»En ik zal u volgen!"



Toen de jongelieden den volgenden morgen met hun gastheer in diens
tuin wandelden, riep Zopyrus: »Ik heb dezen ganschen nacht door van
uwe Sappho gedroomd, gelukkige Bartja! Zulk een lief schepseltje
werd er nog nooit geboren. Wanneer Araspes haar heeft gezien, zal
hij mij moeten toestemmen, dat Panthea niet de schoonste van alle
vrouwen was. Mijne nieuwe gemalin te Sardes, die ik voor een wonder
van schoonheid hield, komt mij thans als een nachtuil voor. Aoeramazda
is een verkwister! Met Sappho's bekoorlijkheden had hij drie vrouwen
gelukkig kunnen maken. Klonk haar stemmetje niet als muziek, toen
zij ons in 't Perzisch goeden nacht wenschte?"

»Gedurende mijn afzijn," antwoordde Bartja, »heeft zij de taal van
mijn vaderland geleerd van eene oude vrouw uit Susa, echtgenoote van
een tapijthandelaar uit Babylon, die te Naucratis woont, en met dit
met zooveel moeite verworven geschenk verraste zij mij."

»Zij is een voortreffelijk meisje!" riep de groothandelaar. »Mijne
overledene gade beminde de kleine, als ware zij haar eigen kind
geweest, en had haar gaarne met onzen zoon, die te Milete aan het
hoofd mijner zaken staat, zien huwen. Maar de goden hebben het anders
gewild! Toch zou mijne ontslapene gade zich verblijden, als zij de
bloemguirlandes ten huize van Rhodopis kon zien!"

»Is het dan bij u gebruikelijk, de woning eener bruid met bloemen te
versieren?" vroeg Zopyrus.

»Voorzeker!" antwoordde Theopompus. »Als gij eene met bloemguirlandes
behangene deur voorbijgaat, dan weet gij dat daar eene bruid is;
ziet gij een olijftak aan een huis hangen, dan zegt u dit zooveel als
dat daar een zoon ter wereld is gekomen; een wollen windsel boven de
deur strekt tot teeken, dat er een meisje is geboren [388]. Een vat
met water voor de deur beduidt, dat daar een sterfhuis is.--Maar het
marktuur is daar, mijne vrienden! Ik moet u verlaten, want gewichtige
zaken vorderen elders mijne tegenwoordigheid."

»Ik vergezel u," riep Zopyrus, »om kransen voor het huis van Sappho
te bestellen!"

»Ha! ha!" hernam de Milesiër lachend, »gij voelt u naar de
bloemenmeisjes getrokken? O, spreek mij niet tegen, ik heb het wel
geraden. Wanneer gij lust hebt, kunt gij gerust met mij gaan; maar ik
bid u wat minder mild te zijn dan gisteren, en aan uwe verkleeding
te denken, daar gij anders wel eens in gevaar zoudt kunnen geraken,
als er bijgeval stellige berichten kwamen, dat Egypte een oorlog met
Perzië boven 't hoofd hangt!"

De Helleen liet zich door een slaaf de sandalen aanbinden, en begaf
zich, door Zopyrus gevolgd, naar de markt, van waar hij weinige uren
later terugkeerde. Er moest iets gewichtigs zijn voorgevallen, want
de anders zoo opgeruimde man keek bijzonder ernstig, toen hij zich
bij de achtergeblevene vrienden neerzette.

»Ik vond de geheele stad in rep en roer," begon hij te verhalen,
»want het gerucht liep, dat Amasis gevaarlijk ziek was. Toen wij
zoo even, tot het afdoen van zaken, op de beurs [389] bijeenstonden,
en ik groote kans had op den geheelen voorraad van al mijne hoog in
prijs staande artikelen groote sommen te verdienen, die ik, ingeval de
prijzen door de zekerheid van den aanstaanden oorlog dalen mochten,
tot het aankoopen van nieuwe waren dacht te besteden--want dat ik
tijdig bekend ben met de toerustingen van uw machtigen broeder,
kan mij van ontzaglijk veel nut zijn--verscheen de toparch in onzen
kring, en bracht de tijding, dat Amasis niet alleen zeer krank was,
maar dat alle artsen hem hadden opgegeven. Met een uur kan het bericht
van 's konings dood en van een belangrijken ommekeer in den stand van
zaken tot ons komen. De dood van dezen vorst is het zwaarste verlies,
dat ons Hellenen kan treffen; want hij was ons ten allen tijde zeer
genegen, en begunstigde ons, waar hij maar kon. Zijn zoon daarentegen,
een verklaard vijand van de Grieken, zal alles in het werk stellen,
om ons zoo mogelijk allen uit Egypte te jagen. Naucratis met onze
tempels is hem sinds lang een doorn in het oog. Had zijn vader het hem
niet belet, en waren de Helleensche soldaten hem niet onontbeerlijk,
dan zou hij ons, gehate vreemdelingen, reeds voor lang uit zijn rijk
hebben verdreven. Als Amasis gestorven is, zal geheel Naucratis de
legerscharen van Cambyzes als vrienden begroeten. Wij Grieken weten
toch bij ondervinding, dat gijlieden ook achting hebt voor volken,
die geen Perzen zijn, en hunne rechten pleegt te eerbiedigen."

»Ik zal er wel voor zorgen," zeide Bartja, »dat mijn broeder al uwe
oude vrijheden bevestigt, en er u nog meerdere verleent."

»Moge hij spoedig Egypte binnenrukken!" riep de Helleen uit. »Wij
weten dat Psamtik, zoodra hij slechts de handen volkomen vrij heeft,
ons bevelen zal onze tempels, die hem een gruwel zijn, omver te
halen. Reeds sedert lang is ons het bouwen eener offerplaats te
Memphis verboden."

»Hier evenwel", zeide Darius, »hebben wij schoone tempels gezien,
toen wij van de haven kwamen."

»Wij bezitten er verscheidene.--Doch daar komt Zopyrus met mijn
slaven, die hem een berg van kransen nadragen. Hij ziet er zoo recht
opgeruimd uit, en heeft zeker al een zeer aangenaam onderhoud met
de bloemenmeisjes gehad. Goeden morgen, vriend! Gij schijnt u om de
treurige boodschap, die gansch Naucratis met rouw vervult, niet zwaar
te bekommeren!"

»Ik gun Amasis nog honderd jaren!" was het antwoord. »Maar als hij
sterft, zal men wel wat meer te doen hebben, dan op ons acht te
geven. Wanneer denkt gijlieden naar Rhodopis te gaan, vrienden?"

»Zoodra het duister wordt."

»Breng dan de edele vrouw deze bloemen als een geschenk van mij. Ik
had nooit kunnen denken, dat eene oude vrouw zulk een indruk
op mij zou maken. Ieder harer woorden klinkt als muziek, en hoe
ernstig en verstandig het ook is wat zij zegt, het weet toch, als de
vroolijkste scherts, onze ooren binnen te dringen. Ditmaal kan ik u
niet begeleiden, Bartja, want ik zou u toch maar hinderen! Wat zijn
uwe plannen, Darius?"

»Ik zou niet gaarne de gelegenheid verzuimen, om Rhodopis te spreken."

»Dat kan ik denken! Gij moet altijd alles weten en leeren; terwijl
ik er veel van houd, alles te genieten. Wilt gij mij voor hedenavond
verlof geven, vrienden? Ziet eens...."

»Ik weet alles!" viel Bartja den dartelen jongeling lachend in de
rede. »Gij hebt de bloemenmeisjes tot heden slechts bij dag opgenomen,
en zoudt ook gaarne weten, hoe zij er bij lamplicht uitzien."

»Gij slaat den spijker op den kop!" antwoordde Zopyrus, die moeite
deed, om een ernstig gezicht te zetten. »In dit opzicht ben ik als
Darius zeer begeerig naar kennis."

»Dan wenschen wij u veel genoegen bij de drie zusters!"

»Liever niet;--slechts bij Stephanion, de jongste!"



Toen Bartja, Darius en Theopompus het huis van Rhodopis verlieten,
brak de morgen reeds aan. Syloson, een aanzienlijk Helleen, een broeder
van Polycrates, door wien hij uit zijn vaderland gebannen was, had
ook den avond bij Rhodopis doorgebracht en keerde nu met Theopompus en
zijne gasten terug naar Naucratis, waar hij sedert jaren woonde. Deze
man, dien zijn broeder wel in ballingschap deed leven, maar het hem
evenwel nooit aan geld liet ontbreken, voerde den schitterendsten
staat van alle burgers van Naucratis, en was evenzeer beroemd om zijne
kwistige maaltijden, als om zijne kracht en behendigheid. Buitendien
onderscheidde Syloson zich door schoonheid en prachtige kleeding. Alle
jongelingen van Naucratis rekenden het zich tot eene eer, de snede
en de schikking der plooien van zijn gewaad na te volgen. Ongehuwd
zijnde en zonder bezigheden, bracht hij dikwerf den avond in het
huis van Rhodopis door, die hem onder hare beste vrienden telde,
en hem dan ook in het geheim harer kleindochter had ingewijd.

Op dien avond was men overeengekomen, dat het huwelijk binnen vier
dagen, in alle stilte en heimelijk, zou worden voltrokken. Reeds had
Bartja den kweeappel met zijne geliefde, die op denzelfden dag Zeus,
Hera en de overige beschermgoden van het huwelijk hare offers gebracht
had, gegeten en zich door deze zinnebeeldige handeling plechtig met
haar verloofd [390]. Syloson had op zich genomen, voor de zangers van
het huwelijkslied en voor de fakkeldragers te zorgen. De feestmaaltijd
zou in het huis van Theopompus, als dat van den bruidegom, worden
aangericht. De kostbare bruidsgeschenken van den koningszoon waren
reeds aan Rhodopis ter hand gesteld. Bartja had het vrij aanzienlijk
erfdeel zijner geliefde van de hand gewezen en op hare grootmoeder
overgedragen, die echter bepaald geweigerd had zich dit te laten
welgevallen. Syloson geleidde de vrienden tot aan het huis van
Theopompus, en wilde juist afscheid van hen nemen, toen men, in de
stilte van den nacht, een geweldig straatrumoer vernam. Kort daarop
kwam er eene Egyptische patrouille voorbij, die een zwaar geboeid man
naar de gevangenis bracht. De gevangene scheen zeer boos te zijn,
en werd hoe langer zoo driftiger, naarmate de soldaten minder acht
sloegen op zijn gebroken Grieksch, en zijn vloeken in eene hun geheel
onbekende taal.

Nauw hadden Bartja en Darius de stem van den gebondene gehoord, of
zij snelden op hem toe, en herkenden Zopyrus. Syloson en Theopompus
hielden de patrouille staande en vroegen den aanvoerder, wat hun
gevangene misdaan had. De beambte, die, als ieder kind te Naucratis,
den Milesiër en den broeder van Polycrates kende, maakte eene diepe
buiging, en vertelde, dat de vreemde jongeling een moord begaan had.

Theopompus nam nu den hoofdman ter zijde, en beloofde hem veel geld,
als hij den gevangene wilde loslaten, doch kon van den Egyptenaar
niets meer gedaan krijgen, dan dat hij hem toestond met zijn gast
even te spreken.

Toen de vrienden bij Zopyrus stonden, verzochten zij hem hun spoedig te
verhalen, wat er voorgevallen was, en vernamen dat hun levenslustige
vriend, bij het aanbreken van den nacht, de bloemenmeisjes bezocht
had, tot aan de eerste ochtendschemering bij Stephanion gebleven en
toen de straat opgegaan was. Nauwelijks had hij de huisdeur achter
zich gesloten, of hij werd door onderscheidene jongelieden, die hem
allerwaarschijnlijkst bespied hadden, aangevallen. Met een hunner,
die zich Stephanion's bruidegom noemde, had hij het 's morgens reeds
aan den stok gehad. De deerne had den lastigen vrijer op vrij snibbige
wijze den rug toegekeerd en Zopyrus bedankt, toen deze den indringer
met klappen dreigde. Toen de Achaemenide zag, dat hij geheel omsingeld
was, trok hij aanstonds zijn zwaard, en sloeg de slechts met stokken
gewapende aanvallers zonder moeite terug, doch had daarbij het ongeluk,
den jaloerschen vrijer, die vrij woest op hem indrong zoo zwaar te
wonden, dat hij nederstortte. Intusschen was de patrouille genaderd,
en wilde Zopyrus, op het roepen van den gewonde: »moordenaars,
roovers!" in hechtenis nemen. Doch de Pers was niet genegen, tot
zoo geringen prijs zijne vrijheid te verkoopen. Door het gevaar
waarin hij zich bevond nog meer aangevuurd, vloog de strijdlustige
jongeling met opgeheven zwaard op de soldaten los, en had zich reeds
ruim baan gemaakt, toen eene tweede bende toesnelde, en hem met de
eerste vereenigd opnieuw aangreep. Wederom zwaaide hij zijn wapen,
dat ditmaal een Egyptenaar den schedel in tweeën spleet. Een tweede
houw wondde een soldaat in den arm. Toen hij echter een derden houw
wilde doen, voelde hij plotseling, dat men een strik om zijn hals
slingerde, die hoe langer zoo vaster aangetrokken werd. Opeens kon
hij geen adem meer halen en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weder
bijkwam, was hij gekneveld, en moest, in spijt van zijn pas en zijn
beroep op Theopompus de bende volgen.

Nadat hij zijn verhaal geëindigd had, gaf de Milesiër den jongeling
op de ondubbelzinnigste wijze zijne ontevredenheid te kennen, hem
verzekerende, dat zijn ontijdige strijdlust de treurigste gevolgen
na zich zou kunnen sleepen. Daarop wendde hij zich nogmaals tot den
hoofdman, en bad dezen zijn vriend op vrije voeten te stellen. Hij
zou voor den gevangene borg blijven. Doch de man wees alle aanzoeken
koel maar stellig van de hand, en verzekerde dat hij zijn eigen leven
zou verspelen met den moordenaar de geringste gunst toe te staan. In
Egypte toch bestond eene wet, die ook den heler van een moord met de
doodstraf bedreigde [391]. Hij moest, zoo verzekerde de aanvoerder,
den misdadiger op staanden voet naar Saïs brengen, en daar aan den
nomarch overleveren, die zijn vonnis zou vellen.

»Hij heeft," hiermede eindigde hij, »een Egyptenaar vermoord, en moet
daarom door een Egyptische rechtbank gevonnist worden. In ieder ander
geval ben ik tot uw dienst."

Intusschen had Zopyrus met zijne beide vrienden gesproken, en hen
aangemaand niet bezorgd voor hem te zijn. »Ik zweer u, bij Mithra,"
riep hij, toen Bartja hem te kennen gaf dadelijk er voor uit te willen
komen wie hij was, ten einde zijne vrijheid te verkrijgen, »dat ik mij,
zonder er een oogenblik over te denken, mijn zwaard in het hart stoot,
wanneer gij u om mijnentwille in de handen dezer Egyptische honden
overlevert. Reeds is het gerucht van den aanstaanden krijg door
de geheele stad verspreid; zoodra Psamtik verneemt, welke kostbare
vogels in zijn net zitten, zal hij zich niet lang bezinnen, maar het
spoedig dichttrekken, om u als gijzelaars te behouden. Aoeramazda
schenke u heil en zegen en reinheid! Leeft gelukkig, vrienden, en
denkt menigmaal aan den lustigen Zopyrus, die voor strijd en liefde
geleefd heeft, en voor liefde en strijd in den dood gaat!"

De hoofdman had zich intusschen weder aan het hoofd der bende gesteld,
en zijnen lieden bevel tot oprukken gegeven.

Eenige oogenblikken later was Zopyrus uit het gezicht der hem
nastarende vrienden verdwenen.



VIJFDE HOOFDSTUK.


Volgens de Egyptische wet, moest over Zopyrus het doodvonnis worden
uitgesproken. Zoodra de vrienden dit vernomen hadden, stond het besluit
bij hen vast, op staanden voet naar Saïs te reizen, en te beproeven den
gevangene door list te bevrijden. Syloson, die daar bekend was en de
Egyptische taal verstond, bood uit eigen beweging aan hun behulpzaam te
zijn. Bartja en Darius maakten zich onkenbaar door haar en wenkbrauwen
te verven, en breedgerande vilten hoeden [392] op te zetten, zoodat
zelfs de vrienden zich in hen bedrogen zouden hebben. Bovendien liet
Theopompus ze uiterst eenvoudige Grieksche kleederen aantrekken. Een
uur na de inhechtenisneming van Zopyrus kwamen zij met den rijk
gekleeden Syloson aan den oever van den Nijl samen, en bestegen een
vaartuig, dat aan hun nieuwen vriend toebehoorde, en door diens slaven
geroeid werd. Na eene korte door den wind begunstigde vaart, waren zij,
eer nog de gloeiende zon der hondsdagen hare middaghoogte bereikt had,
te Saïs, dat zich als een eiland boven de overstroomde velden verhief.

Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk
daarop in de wijk der handwerkslieden, die, in weerwil van de
verbazende hitte, met onverdroten ijver hun werk verrichtten. In den
open hof van een bakker zag men knechten, die het grove deeg met de
voeten, het fijne met de handen kneedden. Brooden van allerlei vorm
werden uit den oven gehaald, cirkelen langwerpig-rond gebakken,
wittebrooden in de gedaante van schapen, slakken en harten, in
manden gelegd. Sterke knapen plaatsten drie, vier of vijf dier
manden op het hoofd, en droegen deze vlug en handig naar de, in
de andere deelen der stad wonende klanten [393]. Een vleeschhouwer
slachtte vóor zijn huis een os, wiens pooten bijeengebonden waren,
terwijl zijne knechts op slijpsteenen hunne messen scherpten, om het
lichaam eener wilde geit te ontleden. Vroolijke schoenmakers riepen
uit hunne kramen de voorbijgangers aan, en timmerlieden, kleermakers,
schrijnwerkers en wevers [394] waren allen ijverig in de weer. De
vrouwen der ambachtslieden, met hare naakte kinderen aan de hand,
kwamen op straat, om inkoopen te gaan doen, terwijl eenige soldaten
naar den wijn- en bierschenker liepen, die zijne bedwelmende waar in
het openbaar op de straat uitventte [395].

Onze vrienden sloegen op dit alles echter geen acht; zwijgend volgden
zij Syloson, die, aan de wacht der Helleensche krijgslieden gekomen,
hen verzocht eenige oogenblikken op hem te wachten. De Samiër kende
bij toeval den dienstdoenden taxiarch, en vroeg hem dus of hij ook
van een moordenaar gehoord had, die men zeide dat van Naucratis naar
Saïs was overgebracht.

»Zeker heb ik van hem gehoord!" luidde het antwoord. »Nauwelijks een
half uur geleden is hij hier binnengebracht. Men vond aan zijn gordel
een vollen buidel, en houdt hem voor een Perzischen spion. Gij weet
toch zeker, dat Cambyzes toerustingen maakt tot een oorlog tegen
Egypte?"

»Dat is niet mogelijk!"

»Het is de stellige waarheid! Den pharao is dit ook reeds bekend. Door
Arabische kooplieden, wier karavaan gisteren te Pelusium aankwam,
is dit bericht het eerst tot ons overgekomen."

»Dit gerucht komt mij voor even dwaas te zijn als het vermoeden
betreffende den Lydiër. Ik ken dezen zeer goed, en beklaag den armen
jongen van ganscher harte. Hij behoort tot een der rijkste geslachten
van Sardes, maar is vandaar gevlucht, omdat hij een geschil had met den
Perzischen satraap Oroetes, en van diens geduchte vijandschap alles
vreezen moest. Ik zal u de geheele geschiedenis uitvoerig verhalen,
als gij mij binnen kort te Naucratis eens een bezoek brengt. Natuurlijk
zijt gij dan voor een dag of wat mijn gast, en brengt gij eenigen uwer
vrienden mede. Mijn broeder heeft mij van Samos een wijntje gezonden,
dat zeker alles overtreft, wat ge tot nog toe geproefd hebt. Slechts
eene fijne tong als de uwe gun ik dezen godendrank!"

Het aangezicht van den taxiarch glansde van genoegen, terwijl hij,
Syloson bij de hand vattende, uitriep: »Bij den hond [396], vriend, wij
zullen niet op ons laten wachten, en uwe lederzakken eere aandoen! Wat
dunkt u, zoudt gij dan Archidike [397] en de drie bloemenmeisjes niet
bestellen, met een paar fluitspelers om 't ontbijt op te luisteren?"

»Geene van die allen zal ontbreken! Maar gij brengt mij daar weer
op hetgeen ik u zeggen wilde; juist ter wille dier bloemenmeisjes
zit de jonge Lydiër thans gevangen. Een ijverzuchtige botmuil, door
eenigen zijner vrienden ondersteund, overviel den goeden jongen voor
haar huis. Mijn Lydische driftkop weerde zich dapper...."

»En deed zijn belager den grond kussen?"

»Zóo, dat hij wel nimmer meer zal opstaan."

»Dan moet die knaap wel goede vuisten hebben!"

»Hij had een zwaard bij zich."

»Des te beter voor hem."

»Neen, des te erger, want de verslagene is een Egyptenaar."

»Dat is eene gekke geschiedenis, die zeker slecht zal afloopen. Een
vreemdeling die een Egyptenaar doodt, schiet er zoo zeker het hachje
bij in, als iemand die aan de galg [398] hangt te spartelen. In allen
gevalle zal hij eenige dagen tijd hebben, om zijne oploopendheid te
betreuren. Al de priesters zijn verdiept in gebeden voor den stervenden
koning, zoodat er geen tijd is voor gerechtszaken."

»Het zou mij veel waard zijn, als men den armen schelm kon redden. Ik
ken zijn vader."

»Och, in den grond heeft hij ook niets gedaan, wat niet ieder ander
zou doen, die hart in 't lijf heeft. 't Is toch van niemand te vergen,
dat hij zich gedwee zal laten afranselen."

»Weet gij ook, in welke gevangenis de arme jongen is opgesloten?"

»Ja! Het groote gevangenhuis wordt verbouwd; daarom is hij voorloopig
in het magazijn gezet, dat de hoofdwacht der Egyptische lijfgarde
van het bosch van den Neith-tempel scheidt. Ik ben zoo even eerst
hier gekomen, en zag den armen schelm er heenbrengen."

»Hij is moedig en sterk, zou het hem met een weinig hulp van buiten
niet mogelijk zijn te ontsnappen?"

»Onmogelijk! Het gebouw, dat hem tot gevangenis dient, is twee
verdiepingen hoog, en het eenige venster dat het heeft, ziet in het
bosch der godin uit, dat, gelijk gij weet, door tien voet hooge muren
omgeven is en als eene schatkamer bewaakt wordt. Aan al de poorten
zijn dubbele posten uitgezet. Alleen waar de muur door het water
bespoeld wordt, plaatst men tijdens de overstrooming natuurlijk
geene schildwachten. Deze dieraanbidders zijn zoo voorzichtig als
de kwikstaarten!"

»Dat is jammer! Dan zullen wij den armen hals aan zijn lot
moeten overlaten. Vaarwel Daemones, geef spoedig gevolg aan mijne
uitnoodiging!"

De Samiër verliet de wachtkamer, en ging aanstonds weder naar zijne
vrienden, die hem met ongeduld zaten te wachten, en zijn bericht in
de grootste spanning aanhoorden.

Toen de Helleen hun de gevangenis beschreven had, riep Darius: »Ik
geloof, dat het ons met eenig overleg en een weinigje moed wel zal
gelukken Zopyrus te redden. Hij is behendig en vlug als eene kat,
en sterk als een beer. Ik heb een plan!"

»Laat hooren!" zeide Syloson. »Maar laat mij u vooraf zeggen, dat
ook ik nog niet wanhoop."

»Wij koopen touwladders, bindgaren en een goeden boog, bergen dat
alles in de boot en varen, zoodra het donker wordt, naar de onbewaakte
plaats van den tempelmuur. Gij helpt mij daarover te klauteren. Ik
neem de gekochte voorwerpen mede, laat het geluid van den arend hooren,
waaraan Zopyrus mij dadelijk zal herkennen, daar wij in onze jeugd er
ons meermalen op de jacht van bedienden, om elkaar te waarschuwen,
schiet den pijl met het bindgaren in het venster,--ik heb nog nooit
mijn doel gemist,--roep mijn vriend toe, aan het uiteinde er van
iets zwaars te hechten en dit neder te laten, en maak het garen
aan de touwladder vast. Dan haalt Zopyrus het reddingstoestel op,
slingert het om den ijzeren nagel, die in elk geval met de ladder
naar boven moet, daar wij toch niet weten of er in zijne cel iets te
vinden is, waaraan hij de ladder zou kunnen vastmaken, daalt naar
beneden, snelt met mij naar de plaats, waar gij met de boot wacht,
klautert met behulp van eene tweede ladder, die daar hangen moet,
over den muur, springt in de boot, en is gered!"

»Heerlijk, heerlijk!"

»Maar zeer gewaagd!" sprak Syloson. »Als wij in het heilige bosch
betrapt worden, kunnen wij verzekerd zijn, een zware straf op te
loopen. De priesters vieren daar des nachts zeer geheimzinnige feesten,
waarvan een oningewijde nimmer getuige mag zijn. Doch het meer in het
bosch [399] zal het tooneel der mysteriën zijn, en dat is tamelijk
ver van de gevangenis verwijderd."

»Welnu, dan is het gevaar ook zoo heel groot niet!" riep Darius. »Maar
denken wij het eerst aan de hoofdzaak. Op staanden voet moet er eene
boodschap naar Theopompus, om hem te verzoeken eene snelzeilende
triëre voor ons te huren en zeilreê te doen maken. Reeds is hier de
tijding van Cambyzes' krijgstoerustingen aangekomen. Men ziet ons
voor verspieders aan, en zal dus Zopyrus en zijne bevrijders met den
grootsten spoed nazitten. Het zou dus onvergeeflijk zijn, indien
wij ons nutteloos aan gevaren blootstelden. Gij, Bartja, moet de
boodschap aan onzen gastheer overbrengen, en nog heden Sappho huwen,
want morgen moeten wij Naucratis verlaten, wat er ook gebeure. Geen
tegenspraak, mijn vriend, mijn broeder! Gij kent ons reddingsplan en
weet dat gij bij de uitvoering, waartoe slechts éen noodig is, een
werkeloos toeschouwer zoudt zijn. Ik heb den aanslag ontworpen, en
zal niet dulden dat iemand anders dien ten uitvoer brengt. Morgen zien
wij elkaâr weder, want Aoeramazda beschermt de vriendschap der reinen!"

Lang wilde Bartja er niet van weten, zijne makkers in den steek te
laten; doch eindelijk gaf hij aan de vereende beden en voorstellen
van beiden gehoor, en begaf zich naar den oever, om daar eene boot
voor de terugreis naar Naucratis te huren, terwijl Syloson en Darius
de benoodigdheden ter uitvoering van het ontwerp gingen aankoopen.

Om de ligplaats der huurvaartuigen te bereiken, moest de koningszoon
den tempel van Neith voorbij. Dit was echter gemakkelijker gezegd
dan gedaan, daar het volk zich in dichte hoopen voor de hoofdpoort
van het heiligdom geschaard had. Toen Bartja was doorgedrongen tot
bij de obelisken, die naast de met de gevleugelde zonneschijf en met
wapperende vanen versierde poort van den tempel stonden, werd hij door
de tempeldienaars, die den door sphinxen aangewezen processie-weg
vrijhielden, tegengehouden. De reusachtige deuren werden geopend,
en Bartja die tegen wil en dank in de voorste rij der toeschouwers
was komen te staan, zag nu een schitterenden stoet de voorpoort
uittrekken. De onverwachte aanschouwing van vele hem van vroeger
bekende aangezichten hield zoozeer zijne opmerkzaamheid bezig, dat hij
er nauwelijks acht op sloeg, hoe hem in het gedrang zijn breedgerande
vilten hoed van 't hoofd was geraakt. Uit het gesprek van twee achter
hem staande Ionische soldaten begreep hij, dat het gezin van Amasis
den tempel had bezocht, om voor den stervenden koning te bidden en
te offeren.

Priesters, rijk getooid in pantervellen of lange witte kleederen,
openden den stoet. Op deze volgden hofbeambten, met gouden staven in
de handen, op welker spitsen pauwevederen en zilveren lotusbloemen
waren bevestigd. Daaraan sloten zich de pastophoren [400], die eene
gouden koe, het dier van Isis, op de schouders droegen. Nadat het
volk zich voor dit heilig voorwerp had neergebogen, verscheen de
koningin in priesterlijk gewaad, met een prachtig hoofdtooisel,
waarin de gevleugelde zonneschijf en de Uraeus-slang eene voorname
plaats bekleedden. Zij hield een heilig gouden sistrum [401], welks
klank de demonen moest verdrijven, in de linker en lotusbloemen
in de rechterhand. De koningin werd wederom gevolgd door de gade,
de dochter en de zuster van den opperpriester, in dergelijke doch
minder kostbare kleeding [402]. Dan verscheen de kroonprins in
rijken feestdos. Daarop volgde Tachot, de dochter van Amasis en
Ladice, de gewaande zuster van Nitetis. Zij werd in een draagstoel,
door vier jonge priesters in witte kleederen, gedragen. De wangen der
teringlijderes waren, tengevolge van de inspanning van het gebed en de
hitte van den zomerdag, met een licht blosje overtogen. Hare blauwe
oogen baadden in tranen en waren op het sistrum gevestigd, dat hare
zwakke uitgeteerde handen ter nauwernood meer konden vasthouden.

Een gemompel van deelneming doorliep de menigte, die den stervenden
koning van harte bemind had, en zijne wegkwijnende dochter met
dat medelijden beschouwde, hetwelk men in den regel voor jeugdige
teringlijders zoo diep gevoelt en zoo ruimschoots toont, vooral
wanneer zij voor een schitterend en gelukkig leven geboren schijnen
te zijn. Menig oog was vochtig, toen het de schoone lijderes
gewaarwerd. Tachot scheen de liefderijke deelneming van het volk
op te merken, althans zij sloeg hare oogen van het sistrum op, en
zag de menigte met vriendelijken en dankbaren blik aan. Maar opeens
verdween het blosje van hare wangen, om voor eene doodelijke bleekheid
plaats te maken. Het gouden instrument ontzonk hare bevende handen,
en viel kletterend op het steenen plaveisel van den processie-weg
voor Bartja's voeten neder. De jongeling gevoelde dat hij herkend
was, en bezon zich een oogenblik, of het niet beter zou zijn zich
te verbergen achter degenen, die naast hem stonden. Maar slechts een
oogenblik weifelde hij, want spoedig had het ridderlijk karakter van
den jongen held alle vrees voor eigen veiligheid overwonnen. Haastig
raapte hij het sistrum op, en bood het der kranke koningsdochter aan,
zonder het gevaar van herkend te zullen worden te tellen.

Alvorens Tachot het kostbare voorwerp uit zijne hand aannam, zag
zij hem vragend aan, fluisterde, slechts voor hem verstaanbaar:
»Zijt gij Bartja? Bij uwe moeder vraag ik u: zijt gij Bartja?"

»Ik ben het," antwoordde hij even zacht, »Bartja uw vriend!"

Meer kon hij niet zeggen, want de tempeldienaars drongen hem met geweld
onder de menigte terug. Toen hij weder op zijne vorige plaats stond,
bemerkte hij, dat Tachot, wier dragers zich opnieuw in beweging hadden
gesteld, nog eenmaal naar hem omzag. Hare wangen waren weder flauw
gekleurd, en hare thans schitterende oogen zochten de zijne. Hij
ontweek den blik der kranke niet, bukte nogmaals om eenen lotusknop,
dien zij hem had toegeworpen, op te rapen, en baande zich toen met
alle inspanning een weg door het volk, welks opmerkzaamheid hij in
hooge mate begon te trekken.

Een kwartier later zat hij in eene boot, die hem naar Sappho en ter
bruiloft moest voeren. Zijne bezorgdheid voor Zopyrus was geheel
verdwenen; hij achtte hem reeds gered. Een zonderling gevoel van
gerustheid vervulde zijn hart, in spijt van de hem dreigende gevaren,
waarvan hij zichzelven geen rekenschap vermocht te geven.

Intusschen was de kranke koningsdochter in het paleis teruggekeerd. Zij
had zich van de feestkleederen die haar benauwden laten ontdoen en
zich met haar rustbed op een balkon doen dragen, waar zij gedurende
de heete zomerdagen, door bladplanten [403] en een bij wijze van
tent gespannen doek overschaduwd, zich bij voorkeur ophield. Van
daar kon zij het groote, met boomen beplante voorhof van het paleis
overzien, dat op dezen dag wemelde van priesters en hovelingen, als
ook van legerbevelhebbers en nomarchen. Op aller aangezicht was eene
angstige spanning te lezen, want de oogenblikken die Amasis nog te
leven had waren geteld. Zonder zelve opgemerkt te worden, ving Tachot,
in koortsachtige opgewondenheid, veel op van hetgeen onder de menigte
daar beneden verhandeld werd.

Thans, nu 's konings uiteinde met rassche schreden naderde, waren
allen, zelfs de priesters, vol van zijn lof. Hier hoorde men de
wijsheid zijner nieuwe instellingen, de omzichtigheid van zijn bestuur,
zijn onvermoeiden ijver, de gematigdheid, die hij steeds aan den
dag had gelegd, en zijn scherp vernuft hemelhoog roemen. »Hoezeer
is Egypte, onder zijn schepter, niet in bloei toegenomen!" zeide
een nomarch. »Welk een roem deed hij onze wapenen oogsten door
de verovering van Cyprus en den oorlog met de Lybiërs!" riep
een krijgsoverste. »En altijd was hij er op uit onze tempels te
verfraaien, en aan de godin van Saïs de eere te geven, die haar
toekomt!" liet een zanger van Neith er op volgen. »Hoe minzaam en
genadig was hij!" prevelde een hoveling. »Hoe behendig wist hij het
aan te leggen, om met de machtigste staten vrede te houden!" zeide de
overste der schrijvers; terwijl de schatmeester, die een traan uit
zijn oog pinkte, uitriep: »Hoe verstandig beheerde hij de inkomsten
van het rijk! Sedert Ramses III waren de schatkamers nooit zoo goed
gevuld als op den huidigen dag [404]!"--»Psamtik heeft eene groote
erfenis te wachten," fluisterde de hoveling; terwijl de krijgsman
uitriep: »Het is helaas niet te onderstellen, dat hij ze tot roemrijke
oorlogen besteden zal; de kroonprins handelt geheel overeenkomstig
den wil der priesters."--»Gij dwaalt," antwoordde de zanger; »sinds
geruimen tijd schijnt onze heer de raadgevingen zijner getrouwe
dienaren in den wind te slaan!"--»Den opvolger van zulk een vader
zal het onbegrijpelijk veel moeite kosten, aller liefde en eerbied te
winnen. Niet ieder bezit zulk eene verhevenheid van geest en zooveel
wijsheid als Amasis, en niet ieder dient het geluk, gelijk dit bij
hem het geval was!"--»Dat weten de goden!" mompelde de krijgsman.

Tachot verstond dit alles, en liet aan hare tranen den vrijen loop. Wat
men tot heden toe voor haar verzwegen had, was haar thans op eens
duidelijk geworden. Spoedig zou zij haar geliefden vader verliezen.

Nadat zij zich helder voor oogen had gesteld, welk een vreeselijke
slag haar bedreigde, en hare dienstmaagden vergeefs had gebeden
haar naar het bed van den beminden zieke te dragen, sloot zij haar
oor voor de gesprekken der hovelingen, en beschouwde het sistrum,
dat Bartja haar in de hand had gegeven en dat zij op het balkon had
medegenomen, als verwachtte zij daarin troost te zullen vinden. En zij
vond werkelijk dat, waaraan zij zoo groote behoefte had, want het was
haar, als werd zij door den klank der gouden ringen van het speeltuig
aan de werkelijkheid onttrokken, en in een lachend zonnig landschap
verplaatst. Eene zekere matheid, een gevoel van machteloosheid, dat
teringlijders meermalen overvalt, had zich van haar meester gemaakt,
en voerde haar geest in de laatste levensuren in het liefelijke land
der droomen. De slavinnen, die terwijl zij sluimerde met waaiers de
vliegen uit hare nabijheid verdreven, verzekerden later, dat zij Tachot
nooit zoo betooverend schoon gezien hadden als in die oogenblikken.

Ongeveer een uur had zij dus gelegen, toen hare ademhaling in
een zwak rochelen overging, een lichte hoest hare borst deed
rijzen, en een weinig bloed van eene flauwroode kleur op haar wit
gewaad afvloeide. Thans ontwaakte zij, en zag verwonderd en bijna
teleurgesteld de haar omringenden aan. Toen zij hare moeder Ladice
bespeurde, die op dit oogenblik het balkon betrad, glimlachte zij
weder en zeide: »O, moeder, hoe heerlijk heb ik gedroomd!"

»Het bezoek in den tempel is mijn lief kind dus goed bekomen?" vroeg
de koningin, met schrik de bloeddruppels aan de lippen der kranke
bemerkende.

»O, moeder, zoo goed! Ik heb hem weder gezien!"

Ladice zag de dienstmaagden harer dochter angstig aan, als wilde zij
vragen: »Is dan het verstand uwer arme meesteres gekrenkt?"

Tachot begreep dien blik, en zeide, al hare krachten verzamelende:
»Gij meent dat ik ijl, moeder? Ik zeg u echter, dat ik hem niet
alleen gezien, maar zelfs gesproken heb. Hij gaf mij het sistrum
in de hand, en zeide dat hij mijn vriend was. Toen raapte hij mijn
lotusknop van den grond op en verdween in het gedrang. Zie mij niet
zoo bezorgd en verbaasd aan, moeder, ik spreek de zuivere waarheid,
en heb het niet gedroomd.--Daar, hoort gij het? Tent-roet heeft hem
ook opgemerkt. Hij is zeer zeker om mijnentwil naar Saïs gekomen,
en het kinder-orakel in het voorhof des tempels heeft mij dus toch
niet bedrogen! Thans voel ik ook niets meer van mijne ziekte, en ik
droomde dat ik in een veld lag van bloeiende papavers, zoo rood als het
versche bloed der jonge offerlammeren, en dat Bartja aan mijne zijde
zat, en Nitetis naast ons knielde, en o zoo schoone liederen speelde
op eene elpenbeenen nabla [405]. En in de lucht was er een geluid,
zoo liefelijk, dat mijn hart iets gevoelde, als werd ik gekust door
Horus, den lieven kleinen god van den morgen en de lente. Ja, moeder,
wees er zeker van, dat hij weldra zal komen, en als ik hersteld ben,
dan.... dan.... O! Ach!--Moeder, ik sterf!"

Ladice knielde voor de rustbank harer dochter neder, en drukte
brandende kussen op de reeds gebrokene oogen der jonkvrouw.

Een uur later stond de koningin voor eene andere sponde, het sterfbed
van haar echtvriend.

Het aangezicht des konings was door het vreeselijk lijden zeer
vermagerd en verwrongen. Koud zweet parelde op zijn voorhoofd, en zijne
handen omklemden de gouden leeuwen, die de zijleuningen uitmaakten
van den diepen ziekenstoel, waarin hij rustte. Toen Ladice in het
vertrek kwam, opende hij de oogen, die nog altijd helder en levendig
schitterden, niettegenstaande zij een tijdlang van het licht beroofd
waren geweest.

»Waarom brengt gij Tachot niet tot mij?" vroeg hij met eene heesche
stem.

»Zij is te ziek, te lijdende om...."

»Zij is dood!--Zij is gelukkig, want de dood is geene straf, maar
het einddoel des levens, het eenige doel, dat wij zonder moeite,
maar de goden weten het, ten koste van veel lijden bereiken. Ra voert
haar mede in zijn schuit met zijne getrouwen, en Osiris zal haar tot
zich nemen, want zij was zonder schuld. Ook Nitetis is dood. Waar is
de brief van Nebenchari?--Daar staat het: 'Zij benam zichzelve het
leven en stierf, onder het uitspreken van een zwaren vloek over u en
de uwen. Dit bericht, dat even waarachtig is als mijn haat tegen u,
zendt u de arme, verbannene, beleedigde en bestolene oogarts uit
Babylon naar Egypte toe.'

»Verneem deze woorden, Psamtik, en laat u door uw stervenden vader
waarschuwen. Alle onrecht, dat u op aarde éen drachme genot verschaft,
zal u in de ure uws doods onder een talent wanhoop doen zuchten. Om
Nitetis' wil zullen vreeselijke rampen over Egypte komen. Het bericht,
door de Arabische kooplieden gebracht, is waarheid. Cambyzes maakt
zich gereed tot een oorlog met ons, en zal Egypte overvallen als een
verschroeiende woestijnwind. Veel van hetgeen ik tot stand bracht,
en waarvoor ik mijne nachtrust heb opgeofferd, waaraan ik mijne beste
krachten heb besteed, zal vernietigd worden. En toch heb ik niet
tevergeefs geleefd, want veertig jaren lang ben ik de zorgende vader,
de weldoener van een groot volk geweest. Het verre nageslacht zal
den naam van Amasis, als dien van een groot, wijs en menschlievend
koning, met eerbied vermelden, en op mijne stichtingen te Saïs en te
Thebe vol bewondering den naam van hun bouwmeester lezen, en van de
grootte zijner macht gewagen! Ja, ook Osiris en de twee-en-veertig
rechters in de onderwereld zullen mij niet veroordeelen, en de godin
der waarheid, de meesteres der weegschaal [406], zal bevinden, dat
het gewicht mijner goede daden dat mijner booze te boven gaat!"

De koning zuchtte en zweeg een geruime poos. Eindelijk zag hij
zijne gemalin aan, met een weemoedigen blik, die van innige liefde
getuigde, en zeide: »Gij, Ladice, zijt mij eene trouwe, deugdzame
gade geweest. Ik dank u daarvoor, en bid u voor vele dingen om
vergeving. Dikwijls konden wij elkander niet begrijpen. Ja, het viel
mij gemakkelijker mij te verplaatsen in de denkbeelden van uw volk,
dan u, de godsdienstige begrippen der Egyptenaren te vatten. Gij weet,
hoe hoog ik de kunst van uwe landslieden schatte, hoe gaarne ik met uw
vriend Pythagoras verkeerde, hij, die zoo diep was ingewijd in hetgeen
wij weten kunnen en gelooven moeten, en hoeveel ik daarvan dankbaar
aannam. Hij, die den verborgen zin had gevat van leerstellingen,
die mij voorkomen boven alles heilig te zijn, ontzag zich wel met
waarheden te spotten, die de priesterschap misschien al te angstvallig
voor het volk verborgen houdt. Dat volk buigt zich gewillig voor
het onbegrijpelijke en die het verkondigen. Zou het niet schooner en
edeler zijn, wanneer men het de waarheid leerde verstaan, wanneer men
het ophief in plaats van het in onwetendheid te laten? Voorzeker, de
priesters zouden op deze wijze minder gehoorzame dienaars vinden, maar
de goden meer vrije en oprechte vereerders. Met onzen dierendienst,
Ladice, hebt gij u het minst kunnen verzoenen, maar ik acht het toch
beter en den mensch waardiger, den schepper in zijn schepsel dan in
steenen beelden te aanbidden. Bovendien hebben uwe goden alle zwakheden
met de menschen gemeen, en ik zou mijne koningin wel zeer ongelukkig
hebben gemaakt, als ik gelijk de Grieksche Zeus geleefd had."

De koning zeide dit met een glimlach. »Maar weet gij, hoe dat
komt?" vervolgde hij. »Deze Hellenen stellen den schoonen vorm boven
alles; daarom is het hun niet mogelijk het lichaam, dat zij als het
voortreffelijkste van al het geschapene beschouwen, van de ziel te
scheiden; gelijk zij ook aannemen, dat in een schoon lichaam noodwendig
eene schoone ziel moet wonen. Derhalve zijn hunne goden niets dan de
veredelde menschen, terwijl wij ons voorstellen, dat de godheid als
een kracht in de natuur en in ons zelven werkt. Tusschen beiden in
staat het dier, dat niet als wij handelt volgens geschrevene wetten,
maar gehoorzaamt aan de eeuwige wetten der natuur. Gene zijn door
de menschen uitgedacht, deze echter hebben onmiddellijk aan de goden
haar ontstaan te danken. En welk schepsel haakt zoozeer naar vrijheid,
het hoogste goed, als het dier? Welk schepsel leeft zonder leering
en onderricht zoo gelijkmatig van geslacht tot geslacht voort, als
het dier?"

Hier begaf den koning voor eenige oogenblikken zijn stem. Na eene
pauze vervolgde hij: »Ik voel dat mijn einde nadert; daarom zal ik
niet lang bij deze dingen stilstaan, maar u, mijn zoon en opvolger,
mijn uitersten wil doen kennen. Handel dienovereenkomstig, want het
is uit ervaring, dat ik tot u spreek! Maar helaas! Honderd malen heb
ik, gedurende mijn langdurig leven, gezien dat alle levensregels,
die anderen ons medegeven op onzen weg, nutteloos zijn. Geen mensch
kan voor een ander ervaringen opdoen; alleen door eigen schade en
schande wordt men wijs! Gij beklimt den troon op rijpen leeftijd,
mijn zoon, en hebt den tijd gehad om na te denken over al wat recht
en onrecht, heilzaam en verderfelijk is, en verschillende dingen te
zien en met elkander te vergelijken. Daarom geef ik u geene algemeene
lessen, maar stel mij tevreden met u enkele nuttige raadgevingen op
't hart te binden. Ik geef ze u met mijn rechterhand, maar ik vrees,
dat gij ze met de linker zult aannemen.

»Vóor alle dingen moet gij weten, dat ik gedurende de laatste
maanden, niettegenstaande mijne blindheid, slechts in schijn een
onverschillig toeschouwer was van uwe daden, en u met een bepaald
doel de handen vrijliet. Rhodopis vertelde mij eens eene fabel van
haar leermeester Aesopus: Een reiziger ontmoette een man, en vroeg
dezen, hoe veel tijds hij noodig zou hebben om de naaste stad te
bereiken. 'Loop!' was het antwoord.--'Maar zeg mij eerst, hoe lang ik
loopen moet om er te komen?'--'Loop! Loop maar!'--De reiziger meende,
dat de man hem voor den gek hield, en keerde dezen den rug toe, onder
vloeken en verwenschingen. Nadat hij eenige schreden gedaan had, riep
de ander hem terug, en zeide: 'Gij zult een uur noodig hebben, om de
stad te bereiken. Ik kon uwe vraag niet met zekerheid beantwoorden,
voordat ik eerst de snelheid van uw gang had gezien!' »Aan deze
fabel heb ik vaak gedacht, en zwijgend sloeg ik uw bestuur gade,
om u thans in uw eigen belang te kunnen zeggen, of gij te snel of
te langzaam wandeldet. Nu weet ik wat ik wenschte te weten, en bij
mijne bijzondere raadgevingen voeg ik dus de algemeene les: Onderzoek
zelf alle dingen! Op ieder mensch, maar vooral op een koning, rust
de verplichting, zich in eigen persoon te overtuigen van alles, wat
hun betreft, voor wier welzijn hij te zorgen heeft. Gij, mijn zoon,
ziet te veel door vreemde oogen, hoort te veel door vreemde ooren,
en put veel te weinig uit oorspronkelijke bronnen. Uwe raadslieden,
de priesters, bedoelen zeker niets dan wat goed is, maar,--Neithotep,
ik bid u, laat ons een oogenblik alleen!"

Zoodra de opperpriester zich verwijderd had, vervolgde de koning: »Zij
willen wat goed is, maar slechts dat wat voor hen goed is! En wij zijn
niet koningen voor priesters en aanzienlijken, maar voor het volk. Geef
daarom niet uitsluitend acht op den raad dezer trotsche kaste, maar
onderzoek zelf, door met eigen oogen alle smeekschriften te lezen,
en trouwe, u toegedane en door het volk beminde nomarchen te kiezen,
die u leeren, wat den Egyptenaren ontbreekt, wat zij van u hopen en
wat zij behoeven. Weet gij nauwkeurig hoe het in het land gesteld is,
dan is het zoo moeilijk niet goed te regeeren. Kies gij maar bekwame
beambten; voor de juiste en doelmatige verdeeling van het rijk heb
ik gezorgd. Onze wetten zijn goed en proefhoudend bevonden. Houd u
daaraan, en vertrouw niemand, die zich voor verstandiger uitgeeft dan
de wet. Ik zeg u, de wet is altijd en in elk geval verstandiger dan
de enkele mensch, en die haar overtreedt heeft straf verdiend. Niemand
gevoelt dit zoo diep als het volk, dat zich voor ons te gewilliger alle
offers getroost, naarmate wij meer onze eigene inzichten aan de wet
ten offer weten te brengen. Gij bekommert u niet veel om het volk. De
stem des volks is in den regel wat ruw; maar meestal spreekt zij de
waarheid, en niemand heeft de waarheid meer noodig dan een koning. De
pharao, die uiterst gewillig den raad van priesters en hovelingen
volgt, zal de meeste vleierijen hooren. Daarentegen zal hij, wiens
streven het is, de wenschen van het volk te vervullen, veel te lijden
hebben van zijne omgeving. Met zichzelven zal hij echter vrede hebben,
en eere bij het nageslacht. Veel heb ik gedurende mijn leven misdaan,
en toch zullen de Egyptenaren mij beweenen, want ik kende ten allen
tijde hunne behoeften, en zorgde als een vader voor hun geluk. Een
koning, die zijne plichten kent, moet zich de liefde zijns volks
weten te verwerven; en dit zal hem niet moeilijk vallen. Daarentegen
is het een ondankbaar streven den bijval der grooten te zoeken. Bijna
onmogelijk acht ik het de tevredenheid van beiden te oogsten.

»Herinner u steeds, dat gij en de priesters voor het volk, en
niet het volk voor u en de priesters bestaat. Houd den godsdienst
in waarde om zijns zelfs wil en als den hechtsten grondslag van
de gehoorzaamheid des volks jegens zijne koningen; maar doe haren
verkondigers steeds gevoelen, dat gij hen niet als de verpersoonlijking
doch als de dienaren der godheid beschouwt. Het is hun gelukt zich
in het bewustzijn der menigte boven de godheid te stellen, en van de
Egyptenaren gehoorzame priesterknechten in plaats van godendienaars
te maken. Dit werk van zoovele eeuwen kan de macht van een vorst
niet vernietigen, maar wij kunnen den priesters wel beletten het
belang van den staat ondergeschikt te maken aan hunne bijzondere
bedoelingen. Geloof mij, mijn zoon, de priesterschap zal, zoodra zij
den invloed harer kaste bedreigd ziet, zich niet ontzien het welzijn
van den staat in de waagschaal te stellen!

»Houd, gelijk de wet u voorschrijft, aan het oude vast; maar sluit
nimmer de poorten van het rijk voor het nieuwe, dat beter blijkt te
zijn. Booze menschen alleen verwerpen haastig het oude; dwazen vinden
alles goed, wat nieuw en vreemd is, maar bekrompenen van verstand
of baatzuchtige bevoorrechten klemmen zich onvoorwaardelijk aan het
oude vast en noemen allen vooruitgang zonde. De wijze legt er zich op
toe datgene in stand te houden, wat in het verleden gebleken is goed
te zijn; dat wat blijken mocht schadelijk te werken af te schaffen;
wat beter is, onverschillig uit welke bron het voortvloeit, aan te
nemen. Mijn zoon, handel gij evenzoo! De priesters zullen beproeven
u terug te dringen, de Hellenen u voorwaarts te drijven. Sluit u
bij de eene of andere partij aan; maar wacht er u voor, tusschen
beide in te blijven staan en heden aan deze, morgen aan gene het
oor te leenen. Wie op twee stoelen tegelijk wil zitten, komt op den
grond te recht. De eene partij zij uw vriend, de andere uw vijand,
want beproeft gij beide te vriend te houden, dan zullen zij zeer
spoedig beide uwe vijanden zijn. De menschen zijn nu eenmaal zoo;
zij haten degenen, die hunne vijanden wèl doen.

»Gedurende de laatste maanden, dat gij zelfstandig regeerdet, hebt
gij, door uw onzalig weifelen, beide partijen tegen u in het harnas
gejaagd. Wie, gelijk de kinderen, nu eens voorwaarts gaat, dan weer
terugkrabbelt, komt nooit vooruit en verbruikt geheel nutteloos
zijne krachten. Ik hield het met de Hellenen, en was de tegenstander
der priesters, tot ik mijn laatste uur voelde naderen. Voor het
maatschappelijk leven schenen mij de dappere en verstandige Grieken
bijzonder bruikbaar; nu ik ga sterven heb ik daarentegen hen noodig,
die mij een pas naar de onderwereld moeten bezorgen. Mogen de goden het
mij vergeven, dat ik, zelfs nog in mijn laatste uur, mijn mond niet
beletten kan een taal te spreken, die zoo lichtzinnig klinkt. Zooals
ìk ben, hebben zij mij gemaakt, en zij moeten het nu ook maar voor
lief met mij nemen. Ik wreef in mijne handen toen ik koning werd;
moogt gij de hand op uw hart leggen, als gij den troon bestijgt!--Roep
thans Neithotep weder binnen, u beiden heb ik nog iets te zeggen!"

Toen de opperpriester aan zijne zijde stond, strekte de koning de hand
naar hem uit, en vervolgde: »Ik scheid zonder wrok van u, ofschoon ik
meen, dat gij uwe plichten als priester beter wist te vervullen, dan
die op u rustten als zoon van dit land en dienaar des konings. Psamtik
zal, geloof ik, gewilliger gehoorzamen dan ik. Eén ding echter druk
ik u beiden op het hart: Ontslaat de Helleensche krijgsbenden niet
uit uw dienst, dan nadat gij met hare hulp de Perzische legermacht
hebt bevochten, en zoo ik hoop overwonnen! Mijne voorspelling van
vroeger heeft geene waarde; men verliest zijne opgewektheid, en ziet
de zaken een weinig donker in, als de stervensure nadert. Zonder de
hulptroepen zoudt gij reddeloos verloren zijn; met hunne hulp is het
niet onmogelijk, dat het Egyptische leger de overwinning behaalt. Weest
bedachtzaam en brengt den Ioniërs aan het verstand, dat zij aan den
Nijl voor de vrijheid van hun eigen vaderland strijden. Cambyzes
zou na eene overwinning met Egypte niet tevreden zijn, terwijl de
nederlaag der Perzen den onderworpen Ioniërs de vrijheid zou kunnen
hergeven. Ik wist wel, Neithotep, dat gij het met mij eens zoudt zijn,
want in den grond meent gij het goed met Egypte. Thans verzoek ik u mij
de heilige gebeden voor te lezen. Ik voel mij zeer uitgeput; het zal
spoedig gedaan zijn. Kon ik die arme Nitetis maar vergeten! Had zij
recht ons te vervloeken? Mogen de doodenrechters en Osiris zich over
onze zielen erbarmen!--Zet u hier neder, Ladice, en leg de hand op
mijn gloeiend voorhoofd; en gij, Psamtik, zweer, in tegenwoordigheid
dezer getuigen, dat gij uwe stiefmoeder zult hoogachten en ontzien,
als waart gij haar eigen kind.--Arme vrouw! Gij zult mij spoedig
bij Osiris komen zoeken. Wat bindt u nog verder zonder echtgenoot en
kinderen aan deze aarde? Wij hebben Nitetis als onze eigene dochter
opgekweekt, en toch werden wij om harentwil zoo zwaar gekastijd. Maar
haar vloek treft ons alleen; niet u, Psamtik, niet uwe kinderen!--Breng
mij thans mijn kleinzoon. Ik geloof waarlijk, dat er een traan over
mijne wang rolt. Zoo gaat het gewoonlijk; te scheiden van kleine
dingen, waaraan men zich gewend heeft, kost ons de meeste moeite."



Een nieuwe gast was dienzelfden avond in het huis van Rhodopis
aangekomen, namelijk Kallias, de zoon van Phaenippus [407], uit wiens
mond wij indertijd het verslag van de Olympische spelen vernamen. De
wakkere Athener was weinige uren te voren uit zijne vaderstad
wedergekeerd en als een oud, beproefd vriend met open armen door
Rhodopis ontvangen, en dadelijk ingewijd in de geheimen van haar
huis. Knakias, de oude slaaf, had wel-is-waar voor een paar dagen
de welkomstvaan ingenomen, maar wetende dat Kallias zijne meesteres
ten allen tijde welkom was, leidde hij hem even gerust tot haar,
als hij iederen anderen bezoeker afwees.

De Athener had veel nieuws te vertellen, en toen Rhodopis zich
eindelijk om de eene of andere bezigheid verwijderen moest, volgde
hij Sappho, zijne lieveling, in den tuin, om daar naar den vriend
uit te zien, dien zij verlangend wachtte. Kallias plaagde haar niet
weinig, wijl zij zich na zulk eene korte scheiding reeds angstig
maakte. In het eerst lokte zijne scherts een glimlach om hare lippen,
doch langzamerhand nam hare bezorgdheid toe, en werd haar gelaat
ernstiger. Nu riep hij de oude Melitta, die bijna nog angstiger dan
hare meesteres den weg naar Naucratis opzag, en verzocht haar het
snarenspeeltuig, dat hij had medegebracht, in den tuin te brengen.

Nadat hij de schoone, tamelijk groote luit van goud en elpenbeen aan
de jonkvrouw ter hand had gesteld, zeide hij: »Dit heerlijke speeltuig
heeft de uitvinder er van, de goddelijke Anakreon, op mijne bestelling,
opzettelijk voor u doen maken. Hij noemt het barbiton [408] en weet het
de heerlijkste tonen te ontlokken, die zelfs nog in het schimmenrijk
zullen voortklinken. Ik heb den dichter, die zijn geheele leven aan
de Muzen, Eros en Dionysos wijdt [409], veel van u verhaald, en hem
moeten beloven u het volgende liedje, dat hij op u heeft gemaakt,
als een geschenk van hem aan te bieden. Luister:


    "Werd op Sipylos' gebergte,
      In den tijd van 't grijs verleên,
    Tot heur straf Amphion's gade,
      Niobé, verkeerd in steen;
    Is weleer Pandion's dochter,
      In 't onmeetlijk ruim der lucht,
    Als een vluggewiekte zwaluw,
      Theseus wrekend zwaard ontvlucht;--
    Ik, ik wilde uw spiegel wezen,
      Opdat mij ten allen tijd',
    't Harte door uw hemelsche oogen
      Werd gekoesterd en verblijd!
    'k Wenschte steeds met heet verlangen,
      Dat ik u ten mantel wierd,
    Die u met zijn losse plooien
      Langs de blanke schoudren zwiert!
    Of ik zag mij gaarn veranderd,
      In het helder bronkristal,
    Dat, met oorenstreelend ruischen,
      Kronkelt door het lomrig dal,
    Opdat, als ge uw poezle leden
      Wascht in 't zilverspattend vocht,
    Ik, bij felle zomerhitte,
      Die verkoelen, streelen mocht!
    'k Zag mij liever nog herschapen
      In den balsem, lieve maagd!
    Die er op uw vlechten druppelt,
      En u door zijn geur behaagt;
    In de paarlen, die er dartlen,
      Stoeien langs uw' elpen hals,
    Of in d'overkostbren gordel
      Van uw golvend boezemmalsch!
    Maar het liefste, dierbre schoone,
      Als mijn hart zijn wensch bezat,
    In uw schoentje, opdat gedurig
      Mij uw kleine voet betrad."


»Gij duidt den zanger toch niet ten kwade, dat hij een weinig vrij
is geweest?"

»Hoe zou ik dat kunnen! Met een dichter moet men het zoo nauw niet
nemen!"

»Allerminst met dezen!"

»Die zulk een uitstekenden zanger tot overbrenger zijner liederen
kiest!"

»O, gij vleister! Ja, toen ik twintig jaren jonger was, werden mijne
stem en voordracht met recht geroemd; maar thans is dat lang voorbij!"

»Gij bedelt om nog meer lof, ik laat mij dien evenwel niet
afdwingen. Maar is deze zoogenaamde barbiton, met hare zoete tonen,
ook voor andere liederen dan die van den Teër [410] geschikt?"

»Zeer zeker! Neem het plektron [411] slechts, en beproef zelve eens
de snaren te tokkelen, die trouwens voor uw teedere vingers wel wat
zwaar zijn."

»Ik kan niet zingen; ik maak mij te ongerust over Bartja en zijne
vrienden."

»Dat is met andere woorden, dat het verlangen naar den beminde u
de keel als toeschroeft. Kent gij het lied uwer Lesbische moei, de
groote Sappho, dat de gemoedsgesteldheid schildert, waarin gij u in
dit oogenblik allerwaarschijnlijkst bevindt?"

»Ik geloof het niet."

»Zoo luister. Voorheen pronkte ik het liefst met dit gedicht, dat
geene vrouw, maar Eros zelf schijnt te hebben vervaardigd:


    "Wel hem! die aan uw zij, uw teedre stem mag hooren;
      Wiens blik den lach verrast, die kleurt op lip en koon;
    Hij is door 't godendom ten lievling uitverkoren,
                Hij evenaart de goôn.

    "Wen u mijn oog ontwaart, begint mij 't hart te jagen,
      En 't bloed stroomt, als gezweept, door de adren op en neêr;
    Mijn tong ligt zonder spraak, en om mijn leed te klagen,
                Vinde ik geen klanke meer.

    "Een licht en vluchtig vuur komt door mijn leen gevlogen,
      Een kil en machtloos zweet breekt me op 't voorhoofd door;
    Het duister van den nacht omvangt de brekende oogen,
                En 't suist en ruischt me in 't oor.

    "Als door een koorts vermand, vangt 't lichaam aan te beven,
      Een vaal en doodlijk bleek bedekt mij 't aangezicht;
    Ik kwijn, ik zwijm, ik schei, van eeuw'gen nacht omgeven,
                Weldra van 't levenslicht."


»Welnu, wat zegt gij van dit lied? Maar, bij Heracles, kindlief,
wat zijt gij bleek geworden! Hebben deze regelen u zoo aangedaan,
of zijt gij alleen maar getroffen door de getrouwe voorstelling van
uw eigen smachtend hart? Stel u toch gerust, meisje, wie weet wat uw
geliefde zoo lang ophoudt."

»Niets, niet met al!" klonk op dit oogenblik eene heldere
mannenstem. En weinige seconden later lag Sappho aan de borst van
den geliefden jongeling.

Kallias zag zwijgend deze omarming aan, en glimlachte van genoegen
over de uitnemende schoonheid van dit jeugdige paar.

»Vóór alle dingen," riep de koningszoon, nadat hij met Kallias kennis
had gemaakt, »moet ik uw grootmoeder thans opzoeken. In plaats van
binnen vier dagen moet nog heden de bruiloft gevierd worden. Ieder
uur vertragens kan ons gevaarlijk worden. Is Theopompus hier?"

»Ik denk het wel," antwoordde Sappho, »want ik zou niet weten, waarom
grootmoeder anders zoolang in huis blijft. Maar wat zeidet gij daar
van de bruiloft? Ik geloof...."

»Laat ons eerst naar binnen gaan, liefste; ik vrees dat er een onweder
opkomt. De lucht betrekt zwaar, en het wordt ondraaglijk drukkend."

»Kom dan spoedig," riep Sappho, »zoo gij niet wilt, dat ik van
nieuwsgierigheid sterf! Over het onweder behoeft gij u zoo erg niet
te verontrusten. Zoo oud als ik ben, heeft het in Egypte om dezen
tijd nooit geweerlicht of gedonderd [412]."

»Dan zult gij heden iets vreemds zien gebeuren," zeide de Athener
lachend. »Zoo even viel er een zware regendroppel op mijn kale
kruin. Toen ik hierheen kwam, streken de Nijlzwaluwen vlak over het
water heen. En zie, de maan verschuilt zich reeds. Kom maar spoedig
naar binnen, anders verrast de bui u nog. Hei daar, slaaf, draag
zorg dat er een zwart lam worde geofferd aan de goden der onderwereld
[413]!"

In het woonvertrek van Rhodopis vonden zij, gelijk Sappho terecht
vermoed had, Theopompus. Hij had zoo even zijn verhaal van de
gevangenneming van Zopyrus en van de reis van Bartja en zijne vrienden
ten einde gebracht. Daar beiden uiterst bezorgd waren over den afloop
dezer zaak, was het eene groote vreugde althans den koningszoon zoo
geheel onverwacht voor zich te zien. In weinige woorden bracht Bartja
hen op de hoogte van de gebeurtenissen der laatste uren, en verzocht
Theopompus op staanden voet werk te maken van een zeilree schip voor
hem en zijne vrienden.

»Dat treft uitnemend!" riep Kallias. »Mijne eigene triëre, die mij
heden naar Naucratis bracht, ligt in de haven gereed, en is tot uw
dienst. Ik heb slechts den stuurman te bevelen de manschap bijeen en
alles gereed te houden.--Gij hebt mij niet te danken, veel meer ben ik
u dank schuldig voor de eer, die gij mij bewijst. Hei daar, Knakias,
zeg dadelijk aan mijn slaaf Philomelus, die buiten in de voorzaal
wacht, dat hij zich naar de haven late roeien, en mijn stuurman
Nausarchus gelaste alles tot vertrek gereed te houden. Stel hem slechts
dit zegel ter hand, dat hem tot alles de noodige volmacht geeft!"

»En mijne slaven?" vroeg Bartja.

»Knakias zal mijn ouden hofmeester bevel geven, hen naar het schip
van Kallias te brengen," antwoordde Theopompus.

»Als zij dit teeken zien, zullen zij geen bezwaar maken, om hem te
volgen," hernam Bartja, den ouden knecht zijn ring gevende.

Toen Knakias met vele buigingen het vertrek verlaten had, vervolgde
de koningszoon: »En nu, mijne moeder, heb ik u een dringend verzoek
te doen."

»Ik raad wat het is," zeide Rhodopis vriendelijk. »Gij wenscht,
dat men de voltrekking van uw huwelijk bespoedige, en ik zie wel in,
dat ik aan uw verlangen gehoor zal moeten geven."

»Als ik mij niet bedrieg," riep Kallias, »dan hebben wij hier met twee
menschen te doen, die, zonderling genoeg, zich van harte verblijden
over het gevaar dat hen bedreigt."

»Het kon wel zijn, dat gij juist geraden hadt," antwoordde Bartja,
heimelijk de hand zijner liefste drukkende. Daarop wendde hij zich
nogmaals tot Rhodopis, en bad haar, zonder aarzelen haar kostelijk
kleinood, waarvan hij alleen de waarde wist te schatten, af te staan.

Rhodopis richtte zich hoog op, legde hare rechterhand op Sappho's,
hare linker op Bartja's hoofd, en zeide: »Er bestaat eene sage,
kinderen, die verhaalt, dat in het land der rozen een blauw meer
is, dat nu eens rustig kabbelt, dan heftig golft en woedt; dat
het water van dit meer nu eens zoet smaakt als honig, dan bitter
als gal. Gij zult de beteekenis dezer sage leeren kennen en in het
gewenschte rozenland van uwen echt, nu kalme dan onrustige, nu zoete
dan bittere uren doorleven. Zoolang gij kind waart, Sappho, zijn uwe
dagen zonder eenige droefenis, als een lentedag voorbijgegaan. Toen gij
als jonkvrouw leerdet, wat het zegt lief te hebben, heeft zich uw hart
geopend voor de smart, die u eene welbekende gast werd, gedurende die
scheiding van zoovele maanden, eene gast, die bij tusschenpoozen zal
terugkeeren en aankloppen zoolang gij leeft. Uw plicht, Bartja, is het,
den indringer, voorzooveel dit in uw vermogen is, van Sappho verwijderd
te houden. Ik ken de menschen, en voordat Cresus mij eenige verzekering
omtrent uw edel hart had gegeven, wist ik, dat gij mijner kleindochter
waardig waart. Daarom veroorloofde ik u met haar den kweeappel te
eten, daarom vertrouw ik u zonder vrees haar toe, die ik tot heden
als een heilig pand bewaard heb. Beschouw gij uwe vrouw evenzeer
als een geleenden schat, want niets is gevaarlijker voor de liefde,
dan de behaaglijke zekerheid van het uitsluitend bezit.--Men heeft
mij berispt, omdat ik het onervarene kind naar uw land laat trekken,
waar de vrouwen zoo weinig in tel zijn. Ik weet echter wat liefde is,
en dat er voor eene jonkvrouw die bemint geen ander vaderland bestaat,
dan het hart van den man, aan wien zij zich heeft overgegeven; dat een
door Eros getroffen vrouwenhart geen grooter ongeluk kent, dan dat van
gescheiden te moeten leven van den man harer keuze. En buitendien,
ik vraag u, Kallias en Theopompus, zijn dan uwe echtgenooten zoo
hoog boven die der Perzen bevoorrecht? Moet de Ionische, de Attische
vrouw niet, evenals de Perzische, in vrouwenvertrekken haar leven
slijten, en blij zijn als men haar eens eene enkele maal toestaat,
dicht gesluierd en door wantrouwige slaven vergezeld, over straat te
gaan?--Wat de veelwijverij der Perzen aangaat, deze vrees ik zoomin
voor Sappho als voor Bartja! Hij zal zijne vrouw trouwer zijn dan een
Helleen, want in Sappho zal hij vereenigd vinden, wat gij, Kallias,
eensdeels in uwe vrouw, anderdeels in de huizen der meer ontwikkelde
hetaeren vindt; ik bedoel: eene echte huismoeder en eene ontwikkelde
vrouw, die door aangename gesprekken den man weet te boeien.--Neem
haar tot u, mijn zoon; vol vertrouwen en gewillig stel ik Sappho in
uwe handen, gelijk een oud strijder aan zijn sterken zoon het beste
wat hij heeft, namelijk zijne wapenen, met vreugde overgeeft. Werwaarts
zij ook trekke, steeds zal zij toch eene Helleensche blijven en, dit is
mij een groote troost, in haar nieuw vaderland haar Grieksche afkomst
eere aandoen en het Grieksche volk nieuwe vrienden bezorgen. Ik dank
u voor uwe tranen, mijn kind! Ik ben in staat de mijne te bedwingen,
doch heb deze kunst aan het lot duur, zeer duur betaald!--Dezen eed,
edele Bartja, hebben de goden gehoord. Vergeet hem nooit, en neem
haar tot u als uw eigendom, uwe vriendin, uwe vrouw! Voer haar weg,
zoodra uwe vrienden wederkomen. De goden wilden niet, dat op Sappho's
huwelijksfeest de hymenaeus [414] gezongen zal worden!"

Dit zeggende, legde de oude vrouw de handen der gelieven ineen, sloot
Sappho aan haar hart, en drukte een zachten kus op het voorhoofd van
den jongen Pers. Daarop wendde zij zich tot de beide Hellenen, op
wie dit tooneel een diepen indruk had gemaakt, en zeide: »Dat was een
stille huwelijksplechtigheid, zonder gezang en zonder fakkellicht. Moge
ze door een te gelukkiger huwelijksleven worden gevolgd!--Ga, Melitta,
en haal den bruiloftstooi der bruid, de armbanden en halsketens, die
in het bronzen kastje op mijne kleedtafel liggen, opdat onze lieveling
haar gemaal in een gewaad, dat de toekomstige vorstinne past, de hand
kunne reiken." [415]

»Spoed u!" riep Kallias, die thans weder in zijne gewone opgeruimde
stemming kwam. »Ook mag de nicht der grootste hymenaeën-dichteres
[416] niet zonder zang en muziek haar bruidsvertrek binnentreden. Daar
het huis van den heer gemaal wat al te ver van hier is, zullen wij
onderstellen, dat het ledige andronitis zijne woning zij. Daarheen
geleiden wij door de middeldeur de jonge vrouw, en gebruiken aan
den huiselijken haard een vroolijk bruiloftsmaal.--Hier, slavinnen,
verdeelt u in twee koren. Gij neemt de rol der jongelingen en gij die
der maagden op u, en zingt voor ons de hymenaeus van Sappho: 'Zooals in
het gebergte'. Ik speel voor fakkeldrager [417], eene waardigheid, die
mij in ieder geval toekomt. Gij moet weten, Bartja, dat mijne familie
het erfelijk recht bezit, bij de mysteriën van Eleusis de fakkels te
dragen, waarom men ons dadoechen of fakkeldragers noemt.--Hei daar,
slaaf! Zorg voor kransen aan de deur van het andronitis, en beveel
uw onderhoorigen, dat zij ons bij ons binnentreden met suikerwerk
bestrooien [418]. Zie eens aan, brave Melitta, van waar hebt gij die
schoone bruids- en bruigomskronen van violen en mirten zoo spoedig
gehaald [419]?--Waarlijk, de regen stort bij stroomen door de opening
van het dak!--Ha! Ha!--Hymen heeft Zeus overgehaald ook een handje
te helpen, opdat er niets aan uw bruiloftsfeest ontbreke. Daar gij
het bad niet hebt kunnen nemen, dat bruid en bruigom, volgens oud
gebruik, aan den morgen van den bruiloftsdag moeten gebruiken, moet
gij voor een oogenblik hieronder staan en den regen van Zeus het
geheiligd bronwater laten vervangen! Heft gij thans het lied aan,
meisjes! Laat de jonkvrouw het verlies van haren maagdelijken staat
betreuren en de jongelingen het lot der jonggehuwden nemen."

Nu begonnen vijf geoefende sopraan-stemmen op klagenden toon het lied
van Sappho te zingen:


    "Zooals in het gebergte de hyacinth, door de voeten
    Van den herder vertrapt, ten bodem zinkt, waar de purpren
    Bloem verwelkt in het stof, geknakt, door ieder vergeten;--
    Zoo wordt de jonkvrouw, wanneer zij de bloem harer kuischheid
                                                    verspeeld heeft,
    Door de mannen geminacht en door de maagden gemeden.
          Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!"


Een koor van zwaardere stemmen antwoordde op jubelenden toon:


    "Zooals de wingerd die treurt, wen ze eenzaam staat op de vlakte,
    Maar aan de olmen gepaard omhoog schiet, ranken en druiven
    Slingerend hoog om den top, tot innige vreugd van den landman;--
    Zoo wordt de vrouw, in den bloei harer jeugd den huw'lijksband
                                                            knoopend,
    Innig bemind door haar man en verheugt zij het hart harer ouders.
          Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!"


Hierna vereenigden beide koren zich in het: »Hymen kom, Hymenaeus" om
dit nogmaals en nogmaals op smachtenden en juichenden toon te herhalen.

Plotseling verstomde het gezang, daar een bliksemstraal, gevolgd door
een zwaren donderslag, door de opening van het dak flikkerde, waaronder
Kallias het jonge paar had geplaatst. »Ziet gij?" riep de dadoeche,
zijne hand ten hemel heffende, »Zeus zelf zwaait de bruiloftsfakkel,
en zingt den hymenaeus voor zijne lievelingen!"



Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Bartja en Sappho
traden uit hun slaapvertrek den tuin in, die na het onweder,
dat den ganschen nacht door met heftigheid gewoed had, evenals het
aangezicht der jonggehuwden, met een waas van nieuw jeugdig leven was
overtogen. Het schoone paar was zoo vroegtijdig van het bruidsleger
opgestaan, wijl in Bartja's ziel de bezorgdheid over het lot zijner
vrienden, die hij in den roes van zijn geluk bijna vergeten had,
zich opnieuw en met onweerstaanbare kracht had doen gelden.

De tuin lag op een kunstmatig aangelegden heuvel, die zich boven
de overstroomde vlakte verhief, en een uitgestrekt vergezicht
opende. Op den spiegel van den prachtigen stroom dreven witte en blauwe
lotusbloemen, aan den oever en op de ondiepe plaatsen vertoonden zich
dicht opeengedrongen groote zwermen watervogels. Zooals de sneeuwvelden
op het hooggebergte deden de aan de oevers van den stroom staande
zwermen zilverreigers zich aan het oog voor. Eenzaam beschreven
breedgevleugelde arenden groote kringen in de reine morgenlucht,
tortelduiven wiegden zich in de kronen der palmen, terwijl pelikanen en
eenden op den waterspiegel dreven, om, zoodra het gekleurde zeil eener
bark zichtbaar werd, snaterend en klapwiekend omhoog te stijgen. De
lucht was door het nachtelijk onweder afgekoeld. Er woei een frissche
noord-oostenwind, die reeds een vrij groot aantal vaartuigen over
de onder water staande velden de rivier opstuwde, ofschoon de zon
nog maar even boven de kim was gerezen. Het gezang der matrozen, het
plassen der riemen en het gekwinkeleer der vogelen vereenigden zich,
om het eentonige en toch bonte landschap van het overstroomde Nijldal
meer leven te geven.

De jeugdige echtelingen stonden, elkaar met de armen omstrengelend,
voor den lagen muur, die den tuin van Rhodopis omgaf, en vermeiden
zich, onder het wisselen der teederste woorden, in de aanschouwing
van het liefelijke tooneel, tot Bartja's scherpe blik een vaartuig
ontdekte, dat door den wind en krachtige riemslagen met spoed
voortgedreven, recht op het landhuis aanhield. Weinige minuten later
legde de boot bij den tuin aan, en kort daarop stonden Zopyrus en
zijne bevrijders voor den koningszoon.

Het plan van Darius was, dank zij het heftige en op dien tijd van het
jaar zoo zeldzame onweder, dat de Egyptenaren niet weinig had doen
ontstellen, uitnemend gelukt. Evenwel mocht er geen oogenblik verspild
worden, daar het wel te verwachten was, dat de Saïten den vluchteling
met al de hun ten dienste staande middelen zouden vervolgen. Na een
kort, maar daarom te teederder afscheid, scheurde Sappho zich van
hare grootmoeder los, en besteeg aan de hand van Bartja, gevolgd
door de oude Melitta, die haar naar Perzië zou vergezellen, de boot
van Syloson, en een uur later de sierlijk gebouwde Hygieia [420],
het snelzeilend zeeschip van Kallias.

De Athener verwelkomde de vluchtelingen aan boord zijner triëre en
nam vooral van Sappho en Bartja een hartelijk afscheid. De laatste
hing den ouden man eene ongemeen kostbare keten om den hals, ten
bewijze zijner dankbaarheid; terwijl Syloson den edelen Darius,
tot een aandenken aan het gemeenschappelijk doorgestane gevaar, zijn
purperen mantel, een onschatbaar meesterstuk van Sidonische verfkunst,
dat de bewondering van Hystaspes' zoon had opgewekt, om de schouders
wierp. Darius nam dit geschenk met blijdschap aan en riep den broeder
van Polycrates bij het afscheid toe: »Herinner u steeds, Helleensche
vriend, dat ik u grooten dank schuldig ben, en stel mij zoo spoedig
mogelijk in de gelegenheid, u een wederdienst te bewijzen!"

»Maar dan komt gij eerst tot mij, tot Zopyrus," riep de geredde,
terwijl hij zijn belangeloozen bevrijder omarmde. »Ik ben bereid mijn
laatste goudstuk met u te deelen, en wat meer zegt, mij om uwentwil
eene week lang te laten opsluiten in het verwenschte gat, waaruit
ge mij hebt verlost!--Maar reeds worden de ankers gelicht. Vaarwel,
dappere Helleen! Groet de drie gezusters, de bloemenmeisjes van mij,
vooral de kleine Stephanion, en zeg haar dat, tengevolge mijner
tusschenkomst, haar langbeenige bruidegom haar in lang het leven
niet zal verbitteren.--Ja, nog iets! Neem dezen buidel met goud voor
de vrouw en de kinderen van den Egyptischen wijsneus, die bij die
geschiedenis het leven verloor."

Thans vielen de ankers rammelend op het dek neer; de wind vulde het
uitgespreide zeil, en uit het ruim der triëre steeg het eentonig
keleusma of roeierslied, waarbij de triëraules met de fluit maat en
toon aangaf [421]. Bartja en Sappho stonden op den achtersteven van
het vaartuig, naast het houten beeld van Hygieia, zijn beschermgodin,
en tuurden zoo lang in de richting van Naucratis, tot de oevers van
den Nijl voor hun starenden blik niet meer te onderkennen waren,
en de blauwe golven der Helleensche zee de boorden van de triëre met
haar schuim bespatten.



ZESDE HOOFDSTUK.


Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood
van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens
naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane,
Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor
den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar
overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van
Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst
van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen,
zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd,
als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door
in den heerlijken tuin, die ze omgaf.

Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag
van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge
marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene
kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door
de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus
inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop
gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste
sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig
voet hoog. Lommerrijke paradijzen [422] en zuilengangen, volgens het
voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden
der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het
graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van
Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks
gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest
strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek,
bevond zich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door
hare ligging bijna niet te genaken was.

De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene
omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij,
dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid,
die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar
verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare
nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin
het schoone Pasargadae vaarwel.

Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte
van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens
het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts
keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de
schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja
beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon
opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek
maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het
onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere
oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer
zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was
vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende
trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter
bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid
en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een
toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was,
hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.

Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen,
en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza
achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven
met zich voerden [423]. Toch was er niemand, die zich over de
onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met
meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht
aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan
was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen
hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had
laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet
hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel
bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter
in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijken zetel
in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne
veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen
werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd.

Na het nieuwjaarsfeest [424] moest het leger opbreken. Na de viering
er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den
grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger,
bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn
geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat
hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den
koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk
aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor,
en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen,
om hun eene vraag voor te leggen.

»Gij weet," zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt
gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die
eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen,
als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom
voorspeld heeft?"

De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp
Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide:
»Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in
de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten
huwen [425]; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne
zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem
welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan
hebben, wat goed is!"

Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en
gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het
rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van
ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de
Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben,
voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.

Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend
soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de
Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten
gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond,
die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen
aanvoerden. Bij Akko, in het land der Kanaänieten, hadden zich de
vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs,
en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs
vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond
gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes,
om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid
beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met
zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig
triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren,
en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te
laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen,
of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In
plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug
en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te
land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten,
om daar hulp tegen den tyran te zoeken.

Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden
de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust
van den Delta, tegenover elkander.

Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend
doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn,
die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank
den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder
verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig
gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en
zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.

De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding
ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen
en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij
sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij
placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl
de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten
uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor
het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de
beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!"

Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den
disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist
uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd
de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.

Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal
der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Het leger werd
in den rug gedekt door de muren van Pelusium, de grensvesting, die
gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke
volksstammen te beveiligen. Door overloopers vernamen de Perzen, dat
het gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend
man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend
Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe
[426], hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs,
honderd-zestigduizend Hermotybiërs, twintigduizend ruiters [427]
en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche
Mascha-wascha [428] zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs
zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van
Psamtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën
ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens [429] schaarden,
en iedere afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag
zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken [430]; bijl-
en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars,
en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten,
wier ongespannen bogen de hoogte van een mensch bereikten. De ruiters
waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan
eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen
de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste
behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten oorlog trokken, en zoowel
aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne
tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een
strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen,
die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan
hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans.--Het voetvolk
van de Perzen was niet veel talrijker dan dat der Egyptenaren, doch
de Aziatische ruiterij was wel zesmaal sterker dan die der bewoners
van het Nijldal.

Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de
struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken,
en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde
voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond
hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid
getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote
krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook
door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene
Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was
van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door
moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig
vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de
Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk
ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik
hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend
katten.--Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van
meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van
u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de
hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik
zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven
verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam,
op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op
Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester
kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te
verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen
zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden,
en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt
Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige
dieren schieten!"

Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere
overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood
den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte
onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met
eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het huwelijk zou treden
[431]. Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze
verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de
Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was
opgedragen, en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar
zijne tent.

Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige
woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden,
morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde
spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem
een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die
aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende:
»Ik ben Aristomachus van Sparta!"

Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel
had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne
tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem
met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene
nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.

Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame
spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde
hij eerst de vragen van den ongeduldigen Athener, en verhaalde hem
het volgende: »Toen Psamtik het zoontje van Phanes vermoord had,
was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring,
dat hij al zijn volk zou aansporen den Egyptischen dienst te verlaten,
indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid
stelde, en voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje
zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad
te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen later zich des nachts
scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische
soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een
vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan
een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men
den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hem, onder eene
brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste
gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aan
welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen
der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, des morgens in de
schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden
rotssteen goudkorrels te hakken [432]. Velen dier ongelukkigen hadden
reeds langer dan veertig jaren in dit oord van jammer en ellende
doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden; tengevolge van de
geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de bijkans
ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht
verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost.

»Mijne lotgenooten," vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood
veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van
hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den
koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie
lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig
bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte
van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op
mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en
slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En
de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van
Pacht [433], onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende
gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen
slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood,
wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom
van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus
Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter
zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht
achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.

»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag
ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij
ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon
en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode
Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het
zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht
altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand,
waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot
wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood,
die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der
Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger
tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende,
die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf
ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik
soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden
lieten rijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den
grooten koning als krijgsoverste diendet.--Ik heb mijn eed gehouden,
en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de
beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te
verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!"

»Die zal u gegeven worden," riep de Athener, terwijl hij de
hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der
zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten,
tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar
wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der
dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk
beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.--Weet,
dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel
van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u,
den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel
der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!"

Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde
door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen
prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke
hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het
verwezenlijkt,--thans zal het waarheid worden!--Vergeef mij, Phoebus
Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat
beloofde de godspraak mij?


    'Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
      In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
    Dan voert de ranke boot u, moe van 't ommedwalen,
      Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;
    En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven
      Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven.'


»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag,
thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik
de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid,
dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!"

»Morgen breekt de dag der vergelding aan!" riep Phanes, met het
gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim
van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven,
alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte
heeft getroffen!--Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning
voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische
slingeraars op de vlucht!"

't Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats
der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand,
stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De
voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden
zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren
strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde
aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum
van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld
uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en
de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel
tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit
Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans
reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al
hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun
dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen,
terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met
groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord
verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan
het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum
te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde
der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden
aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de
blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde [434],
het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment
Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot
de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk
voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het
bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde,
van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.

Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten
van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur,
dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot
eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning
met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en
smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.

Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: 'Aoeramazda, helper en
aanvoerder', en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden
met kransen waren versierd. Ook de Hellenen verrichtten hun offer, en
hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden,
dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. 'Hebe' was hun
parool [435].--Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en
gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het
centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghouders van hetzelfde
metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken
van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn
wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egyptisch geslacht [436], en
stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn
vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links
van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten
strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide
vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten
hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes
gelederen geschaard.

Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield
eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze
wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid
Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen
deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik,
wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan
verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat
gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker
u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle
wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen
tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat
gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen
vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes,
indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met
deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken
naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u er nog op te
wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer
Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen
zuchten?--Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik
verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn
plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar
ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië
heeft verkocht. Die man heet Phanes!--Gij moogt niet morren als had
ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes
hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet
slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van
zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en
door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds
naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof
werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de
Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid,
wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!--Gij
zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot
te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik
als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn
vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een
schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve
neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam
'Helleen' te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!"

De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw
aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning
ontvingen. Een ruw soldaat hief het ongelukkige schepseltje in de
hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen
kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd
waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, die zich later door zijn luide
stem beroemd maakte [437], den bevenden vader toe: »Geef acht, Athener,
hoe men hier te lande verraders straft!"--Een Kariër greep het mengvat,
welks inhoud hem en zijne makkers bedwelmd had, stiet zijn zwaard
in de borst van het kind, liet het onschuldige bloed in het metalen
vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelijke mengsel en ledigde
dien, als dronk hij het welzijn van den van woede en afschuw aan den
grond genagelden vader. Als krankzinnigen vielen de andere soldaten
op het mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren het door bloed
verontreinigde druivensap [438].

Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche
vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het
lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied
aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische
krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar
ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes
wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne,
over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde
zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne
tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.

Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der
wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts
op het punt was van uitgebluscht te worden, hadden de Perzen eenig
voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans
aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht
het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven
van den Pelusinischen Nijlarm achter hen of onder de zwaarden der
Aziaten, tot het laatste oogenblik voor de vrijheid van hun vaderland
strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven
op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren
nauwelijks te tellen [439]. Psamtik was onder de laatsten geweest,
die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den
anderen oever van den Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner
getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking
en verdediging der pyramidenstad waren alle voorzorgen genomen.

Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden,
waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar
wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien
duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind
velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van
zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het
zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden,
mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.

Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne
legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevene
priesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en
gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan
den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en
verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens,
als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren
van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren
munten deed uitstrooien.

De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische
leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en
was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken,
toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam,
de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende
als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten
voordeele der Perzen besliste.

De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide
»Overwinnaar van Pelusium" en »den beste der Achaemeniden".

Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem
met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed
en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen;
en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze
knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem
reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken,
ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan
ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten,
toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van
eigenwaarde was te lezen, zag naderen.

Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag
Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.

»Toch heeft het orakel gelogen," mompelde de Spartaan. »Ik sterf,
zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!"

»Het orakel sprak de waarheid!" antwoordde Phanes. »Hoe luidden de
laatste woorden der Pythia?


    'Dan voert de boot u, moe van 't ommedwalen,
    Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.'


»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij
doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk
vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk
van den Hades zal overvoeren."

»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!"

»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, wat zij u
zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug
te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u
zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van
mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon
mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op
zijn schild van het slagveld te zijn gedragen."

»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene
gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet
te vermanen steeds deugdzaam te zijn."

»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat
gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?"

»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van
schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem
vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil
in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk."

»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik
liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld
tegen hem te velde trokken."

»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben
goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag
verloren zijn geweest!"

»Ongetwijfeld!"

»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!"

»Bidt gij?"

»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken
zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet
gevaarlijk voor den Griekschen staat.--Hei daar, arts! Wanneer zal
ik sterven?"

De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte
gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl,
die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren
blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek,
zult gij sterven."

De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de
groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten,
met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later
was hij een lijk.



Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap
naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op
genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgde het op den voet,
na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden
om het beleg voor Saïs te slaan.

Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van
Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming
en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke
geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering
zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij
echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd
zilverminen [440], die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij
met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg
hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst
van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in
den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen,
in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen
Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor
elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun
leven boeten!"--Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der
reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar
de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen,
en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.

Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten,
zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen
gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem
met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis
nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens
aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend,
en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond,
onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij
bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer
zuster Pheretime [441]. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte,
welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering,
tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich,
het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde
buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor
eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar
te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam,
vertoefde Psamtik in het paleis der pharao's streng bewaakt, doch te
gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak
kon maken.

Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden
aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats
in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis
in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten
huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe,
dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning
van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik
in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op
raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer
zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den
nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis
der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op,
en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond
de admiraal van Amasis' Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te
dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd
[442]. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde
hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs
verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne
woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen
vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus
ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen;
hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht
tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte
door krachtig op te treden. »Laat," zoo zeide hij, »aan de tweeduizend
jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons
gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun
vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik,
om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal,
mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den
opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen
voor de baden van den edelen Phanes."

De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij
op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na
te houden."

»Maar u verboden," viel Cambyzes in, »een der leden van het gevallen
vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen
straffen!"

Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en
beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een
waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot
van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen
moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats
worden geleid. »Men moet zien," riep hij, »dat wij van plan zijn,
alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!"

Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te
smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend,
het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons
hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar
ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet
te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden."

»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!" riep Phanes, »zoo het den
koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden,
en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten
voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel
als een lafhartige gedraagt."

»Dat zal geschieden!" antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen
houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes,
en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!"

Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den
koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante,
slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen
verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken
en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen
omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen
blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van
Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen
gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra
de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die
Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden
en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en
vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam,
dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte
hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!"

Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met
strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzische wachters
geleid [443]. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de
handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze
menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden
hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap,
hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en
wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden
knaap met de hand een laatst vaarwel toe.

Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren
genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere
opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort,
leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande,
zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond,
liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem
om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te
smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, 't geen ten gevolge had,
dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude
schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen,
die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen
Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken
toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig
gesloten vuist voor het voorhoofd.

Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en
planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en
riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij,
bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon
die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en
jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote
deelneming aan den dag legt?"

Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk
van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het
lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten
en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden,
mag ik echter beweenen!"

Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich
omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was
opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes,
die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De
trotsche veroveraar had een welbehagen in deze tranen, en sprak, zich
tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij
genoeg gewroken zijn.--Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele
grijsaard--dit zeggende wees hij op Cresus--u aan uw tegenwoordig lot
te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng
genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van
Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van
het hoofd gerukt. Om Nitetis' wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans
schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan
moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren,
en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal,
gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed."

De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo
aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had
bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier
gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik,
die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:

»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon
van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst,
heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den
beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste
en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het
horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat
de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had
uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet
om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden
blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar
och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling,
dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien
de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton [444], een vroegen dood
geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes, zoo
mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan,
als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik,
weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting
mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.

»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber
der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl
hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd
ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor
zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame
jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw,
die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.--Dat is het,
wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen
ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven
en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne
onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk
ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik
heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik
heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen,
en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet,
de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning,
hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden;
gij, ongelukkige, moest mij--en dit was het schoonste gedeelte mijner
wraak--van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!--Wie,
gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene
seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige
goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!"

Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem
een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap
voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een
teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond
[445], toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot
belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis
had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw
zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd
was aan dezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene
diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige
sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden
stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief
hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne
rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.

Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg
langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten
woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk,
eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.

Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de
toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.



ZEVENDE HOOFDSTUK


De Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren
twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden
dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja
eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was
zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl,
hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het
feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te
Memphis, daar Bartja met 's konings toestemming het paleis te Saïs had
betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken,
die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis,
in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich
vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.

Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen
beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op,
door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder
het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak,
dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap
neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut
te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats
genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet
haar hoofdjen op Bartja's schouder rusten. Syloson, de broeder van
Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken
in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die
een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden
der beide vrouwen vlochten.

»Het is bijkans niet te gelooven," zeide Bartja, »dat wij den stroom
tegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water."

»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd
verfrischt," antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische
roeiers hun werk in den grond."

»En werken met verdubbelden ijver," liet Cresus er op volgen, »wijl
het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden,
zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen."

»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen," sprak Rhodopis, »wanneer
het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt."

»Zoo is het!" riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat
gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn
alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te
kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen."

»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en
tweedrachtstokers te worden," merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die
watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid
liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene
enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken
en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd
en arbeid, ziedaar 's menschen bestemming. Maar ook hierin moet
hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de
gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden,
dat is het geheim van den wijze."

»O, dat de koning u hoorde spreken!" riep Cresus. »In plaats van
met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze
onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe
overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den
voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes,
bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen."

»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op
hem?" vroeg Rhodopis.

»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om
Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal
moeten bijwonen!"

»Arme Atossa!" fluisterde Sappho.

»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen," zeide
Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal,
zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder
opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos
behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De
Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijk niets buitengewoons, want
ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw." [446]

»En ook in Perzië," merkte Darius aan, ofschoon hij niet het
geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men
verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken."

»Om echter op den koning terug te komen," zeide Cresus, die, om den
zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk
eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch
volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn
begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw,
en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een
goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij,
gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had,
hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten."

»En wat was het antwoord?" vroeg Rhodopis.

»Intaphernes redde ons handig uit de verlegenheid," zeide Zopyrus
lachend. »Want hij antwoordde den koning: 'Wij houden het er voor,
dat gij uw vader overtreft, omdat gij het gebied van Cyrus niet alleen
ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van
Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!' Maar dit antwoord
behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel,
en riep: 'Vleier, ellendige vleier!' Intaphernes schrok geweldig van
dezen onverwachten uitval. De koning wendde zich vervolgens tot Cresus,
en vroeg dezen naar zijne meening. 'Mij dunkt,' antwoordde onze wijze
vriend, 'dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt;
want'--voegde hij er vergoelijkend bij,--'u ontbreekt nog een zoon,
gelijk de doorluchtige afgestorvene in u achterliet.'"

»Recht goed! Uitmuntend!" riep Rhodopis, in de handen klappende, en
den edelen man toelachende, »dit woord zou den behendigen Odysseus
tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten
honig bestreken pil?"

»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Cresus voor dit antwoord,
en noemde hem zijn vriend."

»En ik," sprak de grijsaard, »maakte mij deze gelegenheid ten nutte,
om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs,
Ammoniërs en Carthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der
genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is
zeker dat men, met het den oorlog aan te doen, ten koste van groote
offers, altijd slechts weinig zou winnen. De oase van Ammon is,
uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot
leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te
voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot
zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heeft de
uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen
van onze vloot zijn bijna allen Syriërs en Phoeniciërs, en hebben
dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cambyzes
spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk,
toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, ook zonder
Phanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen
door te zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen."

»Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?" vroeg Rhodopis.

»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders!" riep
Zopyrus, zijn vriend voorkomende.

»Maar gij," hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger
kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de
ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak,
dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste
verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw
die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans
meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter
harte gaat, zijn krijgsroem, te betwisten."

»Beoordeel hem niet te hard," riep Bartja, terwijl hij de hand van
den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest
en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk,--want als verdienste
moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen,--te
benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel,
honderd edele rossen en een gouden handmolen [447] schonk, als
belooning voor mijne dapperheid!"

De woorden van Cresus hadden in Sappho's ziel eenige bezorgdheid
doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar
gemaal, weder spoedig verdreven werd, en geheel en al vergeten was,
toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude
vrouw plaatste.

Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van
sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met
dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, dat Bartja,
ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten,
haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke
wending. Allen deden wat zij konden, om iets tot elkanders genoegen
bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden,
die de sedert eenige oogenblikken opgedragene spijzen en dranken eer
aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter
het Mokattam-gebergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig
gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen
het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk
schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof.

Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noemden, en
door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht
gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De
oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere
tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners,
met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en
op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden de pekvlammen in
steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden,
en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en
sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich,
in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door
het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die
lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden
van den reusachtigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden
zachtkens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen
twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men barken,
die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het water dreven,
en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar
metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op
de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de
oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot
hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de
door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden
van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige
gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht.

Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de
aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel,
dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakte
Zopyrus een einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende:
»Hoezeer benijd ik u, Bartja! Als het was gelijk het behoort, dan
had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!"

»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen met u te
nemen?" antwoordde de gelukkige echtgenoot.

»Mijne vijf andere levensgezellinnen," zeide de jonge man met een
zucht. »Had ik Parysatis, het dochterke van Oroetes, de jongste mijner
lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn
laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op
de wereld zijn geweest!"

Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende:
»Ik geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene vrouw zal
vergenoegen!"

De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en
zeide: »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor,
dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij
onverschillig zijn, dan wel terugdeinst voor eene overtreding van de
zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald,
dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart,
omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan
zijne zijde het leven te genieten."

»Hij verwent u schrikbarend," hernam Zopyrus, »en onze vrouwen
beginnen, wanneer wij haar een weinig korthouden, zich reeds te
beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort
zal aan de poort des konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten,
en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte
pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een
zilten tranenvloed verdronken worden."

»O, gij onbeschaamde Pers," sprak Syloson met een lach, »het zal
noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de
evenbeelden van Aphrodite!"

»Wilt gij, Hellenen, ons leeren?" vroeg de jonkman. »Bij Mithra,
onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische
leven ongelooflijk vrij."

»Dat is waar!" zeide Rhodopis. »De bewoners van dit vreemde land
kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten
toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten
genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische
wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maar den dochteren hare grijze
ouders te onderhouden en te verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist
de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur
der vrouw wisten te beoordeelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen,
in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre
overtreffen!--Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken
het gaarne, niet begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras,
de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid,
in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als
de pyramiden."

»En uw groote meester heeft gelijk!" sprak Darius. »Gij weet, dat ik
sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester
van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met
den ouden Onoephis verkeer, of, beter gezegd, mij door hen laat
onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet
geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet, als ik naar hun onderwijs
luister! De geheele geschiedenis van den hemel en van de aarde is hun
bekend. Zij weten den naam van iederen koning, de toedracht van elke
belangrijke gebeurtenis sedert de laatste vierduizend jaren. Zij dragen
kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels
van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want
dat alles staat opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een
paleis, dat zij 'Inrichting ter bevordering van de gezondheid der
ziel' noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron
van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk
doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel,
dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat konden
roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met
welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen,
het bestaande nauwkeurig te beschrijven en te bepalen, ja zelfs door
verlenging en verkorting der snaren de tonen te regelen. Het getal
is het eenig zekere, dat met alle willekeur en met elke uitlegging
spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van recht en onrecht,
iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden;
doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor
eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat tweemaal
twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van
al het bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom
vindt men in de getallen het ware zijn, het wezen van alle dingen!"

»In naam van Mithra, Darius, houd op, het schemert mij voor de
oogen!" riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. »Wie u zoo hoort
spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap
dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd
hebt! Wat gaan ons die getallen aan?"

»Meer dan gij denkt!" antwoordde Rhodopis, »ook Pythagoras is in deze
leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters
behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den
toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mij eens spoedig een bezoek,
dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten
der getallen met die der tonen in overeenstemming heeft gebracht.--Maar
zie, zie, daar zijn de pyramiden!"

De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend
het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen
op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig
licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in
hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende
kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het
ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien
Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg
had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat
op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten
[448] om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken,
ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig
was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij
door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te
genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester
van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel
kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom
opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt [449].

Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door
de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woestijn,
den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte
rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in
kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars harer oprichters,
en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees
een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de
tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden
opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen
had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de
dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheen
hielden de vrienden hunne blikken gericht, terwijl eene heilige
huivering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden.

Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats
der dooden en de ontzaglijke dammen [450], die de stad van Menes
tegen de overstroomingen van den machtigen vloed beveiligden,
voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao's nader
en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten
zichtbaar werden, die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken
waren, raakten eindelijk de tongen los. Woorden van bewondering en
verrukking stroomden over de lippen, toen de reuzentempel van Ptah
[451], het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne
oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god,
honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en
op de daken van het heiligdom. Tusschen de sphinxenrijen, die de
onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden
brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis
[452] glinsterde bij het flikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen,
als een door het tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven
dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels,
en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de
welluidende tonen van muziek en gezang.

»Heerlijk, heerlijk!" riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare
opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. »Zie
hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren; zie welke
zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen
gladgepleisterden vloer der voorhoven!"

»En welk een geheimzinnig donker," liet Cresus er op volgen, »heerscht
ginds in het heilige woud van den god! Nooit te voren heb ik iets
schooners gezien!"

»Ik echter," verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd,
en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest
van de mysteriën van Neith."

»O, verhaal ons daar iets van!" riepen de vrienden.

»Neithotep weigerde eerst mij toegang te verschaffen. Toen ik hem
evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling
van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht,
vanwaar ik ver in het rond kon zien, en zeide, dat ik eene voorstelling
van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen [453].

»Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige,
veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele
woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte
kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie
boomen en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op
het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in
sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper
was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei
sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het effen
watervlak. Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip,
welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen
de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat
het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem
bestond, welker teedere blaadjes den waterspiegel te nauwernood
beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene
met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan
hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene
met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel
om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand
droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en
lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe [454], met gouden horens en een
purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis,
die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe
het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren
het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden,
hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs
door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps
barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider
deed hooren, en ten laatste in een ijselijk gekraak overging. Toen
trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te
voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn
afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde
haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen,
sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris [455].

»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem
ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de
gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan
door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en
deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met
zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten
wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van
luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de
booten verlaten hadden, langs den oever. Allen zochten nu, onder het
uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen,
waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen
beschreven, het lijk van den verslagene.--De jongelingen bleven evenmin
werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist
voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid
was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven
met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever.

»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een onzichtbaren
mond, die, gedurig luider wordende, zong:


    "Spoed u langs des Nijlstrooms boorden,
    Treurende Isis, naar het Noorden;
      Waar Egypte's heil'ge vloed
      't Brakke vocht van 't meer ontmoet,
    Vindt gij den geliefde weder:
    Aan den oever ligt hij neder,
      Op zijn rietbed uitgestrekt,
    't Hoofd van leliën omgeven,
      En door schom'lend groen gedekt.
    Rozige flammingo's zweven,
      Als zijn wachters dag en nacht
    Om zijn goddelijke sponde,
      En der nachtegalen klacht
    Trilt weemoedig in het ronde."


»Alzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat het lijk van den
god naar Gebal [456] in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep,
die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep,
'den wind van het gerucht'.

»Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp haar
rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk
gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid:
werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de
lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang
en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij
riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen,
terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en
klimopranken voor den doode vlochten.

»Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet,
verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op te zoeken. Zij
vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang
reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere
knapen van denzelfden leeftijd in het wapenspel oefende. Deze stelde
den intusschen veel grooter geworden Horus voor.

»Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind
verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten
tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp
zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit
de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal
en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide.

»Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets
dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden,
op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren
op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de
jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever
Typhon bevochten.

»Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier
woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van
trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet
afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren
van tooverachtige dansen, onbeschrijfelijk opwekkende liederen. Isis
toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even
melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden,
en vierde thans feest.

»Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u
de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrouwen te schetsen,
en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na
schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd,
op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om
dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste
orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende
lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat
iedere danseres een spiegel tusschen de schouders had, die bij iedere
beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden
het beeld van eene andere maagd weerkaatste.

»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen [457]
van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten
en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu,
om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen,
die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt
werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard [458].

»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en
fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op,
en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid
over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris
de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den
doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw
in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide
bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop
omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van
de aarde en den Amenthes [459] ontving."

Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.

»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou
onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van
deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere
beteekenis is."

»Uw vermoeden is juist," antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet
ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de
school te zullen klappen!"

»Zal ik u zeggen," vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, op grond
van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling
hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water
dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus
de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste
overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare
voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade,
dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt,
wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur,
in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris
was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu
uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde,
opnieuw in het gezegende Nijldal."

»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg,"
schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge
vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en
Gorothman [460], of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische
zielenheir ook noeme!"

»Amenti wordt zij genoemd!" antwoordde Darius, terwijl hij een meer
opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar
is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar
verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood,
evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven."

»Wel bedankt," antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het
geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden
keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil."

»Ik deel uw wensch," zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw
wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is."

»Gij blijft eeuwig jong!" viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is
zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder
als uw oog!"

»Vergeef mij," riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet
gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij
denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt,
dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem
moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch
de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is."

»Hij is zeer te beklagen!" antwoordde Darius. »Reeds gedurende den
tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang met iedereen, zoodat
hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand
dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap
houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling
eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking
stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen,
Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier
stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner
moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus
van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen,
spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester,
die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers,
en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde
hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften,
van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen,
in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik
was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een
zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor
den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis
hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen,
zonder den minsten angst te laten blijken: 'Als gij, dwaze zoon,
ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt,
zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb
uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen
bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te
Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis
aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde
had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten,
u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren,
die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de
doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er
van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer
werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden,
die op u betrekking hebben.'

»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna
in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne
slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de
vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de
hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij
zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib
als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder
voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den
volgenden morgen vond men hem dood. Door gebruik van het vreeselijke
strychnos-sap [461] had hij een einde aan zijn leven gemaakt."

»Ongelukkige man!" riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen,
moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak,
wanhoop oogsten."

»Ik beklaag hem van harte!" zeide Rhodopis zachtkens, als in
gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij
hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en
wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt
mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus
aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam
honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den
middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden
nacht, Cresus,--goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!"

De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja
keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den
grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn
hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen
geluk, als men bij het aan wal stappen valt.--Ook ik ben gevallen,
toen wij te Naucratis het schip verlieten."



ACHTSTE HOOFDSTUK.


Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land
der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd,
teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht
dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten
eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen
de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en
sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun
vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud;
niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt
vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron,
welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans
mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen
droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam
en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met
eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar
lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan
de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de
stad op lange rijen.

De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes
aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord,
dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets
gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien
de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met
zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit
iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen
boog," zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken,
tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren
als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het
den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringen hun
gebied te vergrooten!" Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog,
en gaf dien aan Prexaspes.

Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn
vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden
Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om
tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde
Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze,
waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als
gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde,
dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan
den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van
mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande,
doch stemde hem vervolgens tot nadenken.

»Hebt gij niet," zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder
overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten
zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood
veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle
Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit
gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat
kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den
dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een
eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?"

Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat
hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets
van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met
goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch
lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik
rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen
heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal;
achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!--Zelfs de goden
zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar
is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem,
die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles,
wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap,
eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de
zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de
woestijn steeds dorder wordt.--Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem
toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook
aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of
ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem
tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw
liederen doen voorzingen en zijn kind in slaap sussen, terwijl ik
in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand
betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en
een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de
rechte man ben om koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in
het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen,
ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!"

Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten
boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle
bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande
zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den
koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het
voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige
boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen
aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den
top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen [462]. Talrijke
banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en
noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge
schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die
tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.

Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige
houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds
veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu
stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde
hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte
over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht
de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den
boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste
der Achaemeniden.

Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste
Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het
ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd
des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de
door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk
kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het
spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde,
bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger
breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met
trotschen blik zijne bloedverwanten en grooten aanziende: »Geef mij
thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië
leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is,
om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is,
dezen boog te spannen!"

Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de
vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep
adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne
krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen
vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen,
en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;--maar
alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier
bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen
uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had
saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen
van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af,
en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit
dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter
wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik
den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van
ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed,
want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat
hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik
volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!"

Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der
verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn
gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij
zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door
de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde
verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens
gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende:
»Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving,
mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure
gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp
dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet
beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen,
dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden
voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik
er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen
mooi laat werd.--Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij
haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de
ster van mijn halsketen gerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl
het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene
nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning,
een begin maken?"

»Geef hem den boog, Prexaspes!" antwoordde Cambyzes, den jongen man
nauwelijks met een blik verwaardigende.

Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees
zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken
lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten
der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef
Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone
vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met
de kracht van mannen spot!"

Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja's gelaat met een
blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen
pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand,
plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten,
trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog,
en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht,
dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl
de houten schacht aan splinters vloog [463].

De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing
van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den
jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van
woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja
aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was
hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne
waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten
vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand
krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze
vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand
beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!"

Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder
een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe,
beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar
zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in
den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te
hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van
Prexaspes, de zaal te verlaten, en riep dezen, toen de anderen zich
verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe:
»Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand
uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!"

Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en
hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn
gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den
hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne
onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan,
dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij
zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand
buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit
troetelkind der fortuin iets w