Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Lidewyde
Author: Huet, Conrad Busken
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Lidewyde" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  Opmerkingen van de bewerker:

  De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde
  spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

  Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.
  Variaties in spelling (o. a. met of zonder afbreekstreepje/trema) zijn
  behouden.

  Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het einde
  van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

  De in het origineel als cusief weergegeven tekst is in dit e-boek
  weergegeven als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als
  =uitgespatieerd=.



LIDEWYDE.



CD. BUSKEN HUET

LIDEWYDE


DERDE DRUK

MET EEN VOORBERICHT VAN G. BUSKEN HUET


HAARLEM

H. D. TJEENK WILLINK



VOORBERICHT

VOOR DEN DERDEN DRUK.


_Deze nieuwe uitgave van Lidewyde is noodzakelijk geworden, omdat de
twee eerste (verschenen in 1868 en 1872) geheel uitverkocht waren._

_Tevens maak ik van de gelegenheid die zich aanbiedt gebruik, om een
legende, die hier en daar rondwaart, en soms een beter onthaal heeft
gevonden dan zij verdient, uit den weg te ruimen. Men heeft het boek
in verband gebracht met des schrijvers vertrek naar Indie, dat
ongeveer samenviel met de eerste uitgaaf, en uitgaande van deze
coïncidentie allerlei gevolgtrekkingen gemaakt omtrent de
gemoedsstemming van den auteur op dat oogenblik. Dit alles zijn
gissingen. De ware geschiedenis van den roman is deze:_

_BUSKEN HUET was, toen hij =Lidewyde= concipieerde, verbonden aan de
=Haarlemsche Courant=, die meer en meer niet alleen zijn dag-maar ook
zijn avonduren in beslag nam. Voor litterarische kritiek, die lezen en
vergelijken vordert, bleef geen tijd meer over. Daarentegen vond hij,
iederen avond van Haarlem naar zijn optrekje bij Bloemendaal
terugwandelend, gelegenheid tot fantaseren en tot opzetten van een
verhaal, dat dan in de vrije uren van den Zondag op het papier werd
gebracht._

_Het plan van =Lidewyde= was gereed en een gedeelte van het boek
afgewerkt in de eerste maanden van 1867, maanden lang voor er spraak
was van een vertrek naar Java. Ondanks POTGIETER's aansporingen
vorderde de arbeid slechts langzaam, veel werd gewijzigd en geschrapt,
zoodat de laatste proef eerst toen de schrijver op weg was naar Indië,
door hem te Dordrecht, bij zijn zwager DR. VAN DEVENTER aan huis,
gecorrigeerd kon worden.--De "ongelukkige voorrede", ergernis van
SIMON GORTER, werd geschreven op verzoek van den uitgever, den heer
THIEME, die wenschte dat =Lidewyde= de aandacht zou vestigen op de
eerste reeks der =Litterarische Fantasien=, die iets later bij hem
zouden verschijnen. Dit verklaart waarom de schrijver een voorrede
voegde bij den roman, iets dat in strijd was met zijn persoonlijke
esthetiek, en hoe hij er toe kwam zich zelf te citeren, wat hij
gewoonlijk vermeed._

       *       *       *       *       *

_Deze uitgaaf is gevolgd naar die van 1868, de eenige die door den
schrijver-zelf herzien werd. Ook de spelling dier uitgaaf is
onveranderd gebleven: later schreef BUSKEN HUET ietwat anders, maar ik
meende dat de schrijfwijze van 1868 behouden moest blijven, nu de
auteur-zelf haar niet meer wijzigen kon; zij dagteekent het boek._


   Parijs, 1 Maart 1897.                                     G. B. H.



VOORREDE


_"Misschien geeft men er zich over het algemeen niet genoeg rekenschap
van, dat hartstogten op te wekken de eigenaardige roeping is der
kunst, en eene magt, die bestemd is om driften te doen ontwaken, ook
zelve uit driften moet geboren zijn. In zichzelve is de kunst nooit
onzedelijk; doch het ontroerend vermogen, waarover zij beschikt,
ondermijnt ligtelijk in ons gemoed het zedelijkheidsgevoel; en het is
geenszins ten onregte dat menschen met strenge begrippen van hetgeen
eerbaar en rein is, vooral wanneer zij op zekeren leeftijd gekomen
zijn, de kunsten wantrouwen en de aandacht van het opkomend geslacht
van haar zoeken af te leiden. Een volkomen onschuldig genot levert de
dienst van het schoone alleen voor de zoodanigen op, die niet te
eenemale onervaren zijn in de kunst der zelfbeheersching; en aangezien
de groote meerderheid der menschen op dat gebied wel altijd tot de
klasse der dilettanten zal blijven behooren, zal men het nimmer ten
kwade kunnen duiden, indien er zich waarschuwende stemmen verheffen
tegen eene eenzijdige ontwikkeling van het schoonheidsgevoel.
Niettemin zijn ze doodgeboren, de kunstgewrochten waarin het
gevaarlijk vuur van den hartstogt niet voor het minst smeult of
sluimert. De schouwburg,--en in ruimer of beperkter zin kan men
hetzelfde zeggen van koncerten, van tentoonstellingen, van romans, van
bundels poëzie,--de alle uitingen der kunst in zich vereenigende
schouwburg is onuitstaanbaar, indien hij verveelt; hij kan alleen
belangstelling wekken door in het gemoed te tasten. Een apathisch
tooneel is als een visch op het drooge. Passie is hier het eerste
vereischte, passie het tweede, passie het derde. Doch hartstogten zijn
geene olie in de heilige lamp der deugd, en ligter zal iemand door den
schouwburg gevormd worden tot een held dan tot een braaf mensch."_

_Toen ik eenige jaren geleden deze stelling durfde voordragen[1], was
er weinig reden om te meenen, dat ik mijzelven op dat oogenblik
welligt een oordeel schreef, en men na niet langen tijd over een
verhaal van mijn eigen vinding met noodlottig gevolg naar den
aangeduiden maatstaf uitspraak zou kunnen doen. Ondeugend zou
intusschen de kans hare rol spelen, indien mijne lezers en lezeressen
die bezorgdheid niet te huis wisten te brengen, en zij zich verwonderd
afvroegen, hoe de schrijver van =Lidewyde= vreezen kan, door het
opvoeren van zulk een onschadelijk drama, iets anders te zullen doen
als olie gieten in de zoo even genoemde lamp. Mogt daarentegen het
verwijt hem treffen, ergernis gegeven te hebben, dan verzoekt hij in
aanmerking te nemen, dat nut stichten en dadelijk nut stichten twee
zeer verschillende zaken zijn._

   Bloemendaal,                                             CD. B. H.
   April 1868.

     [1]: Zij wordt aangetroffen in eene fantasie over Jacob Cats,
    geschreven in September 1863. Een tweede druk van dat opstel, en
    van nog een tien- of twaalftal andere, tot denzelfden cyclus
    behoorende, is bij den uitgever dezes [den heer Thieme] ter
    perse.



EERSTE BOEK.

EENE IDYLLE.



EERSTE HOOFDSTUK.


Een reusachtige tentwagen met zes banken, bespannen met drie kloeke
paarden en geladen met wel vijfentwintig oudere en jongere
burgerheeren, hield stil voor een gesloten tolhek aan den ingang van
een bosch. Het was betrekkelijk nog vroeg in den ochtend; en de
rijzende Julijzon moest op de weilanden, waaruit de laatste leeuwrik
opsteeg om voor dien dag zijn zwanenzang te zingen, de laatste
dauwdroppels nog van de grasscheuten drinken.

Uit de deur der tolgaarderswoning trad eene schoone jonge vrouw naar
voren, gekleed in het eigenaardig huisgewaad der noord-hollandsche
boerinnen: een korten zwarten rok, een gebloemd hoog jak, een kanten
mutsje, strak over het hoofd gespannen en zonder strook de lijn van
het voorhoofd volgend, zwarte wollen kousen en wippende muilen. Eene
zuivere, hoewel kolossale afslag van den melk-en-bloed type, waaraan
de vrouwen onzer volksklasse hare reputatie in het buitenland te
danken hebben, was zij zonder overdrijving meer dan vijf voet hoog, en
breed naar evenredigheid. Haar bovenarm, even zigtbaar onder de
krachtig opgestroopte mouw, zou tot model hebben kunnen dienen voor de
dij van een dier engeltjes, waarmede men in vorige eeuwen plafonds en
schoorsteenstukken beschilderde. Doch haar mond was zoo fraai gevormd;
bovenal, er was in den opslag van hare groote donkerbruine oogen iets
zoo onschuldigs en daardoor zoo innemends, dat men ter wille dier
schoonheden van hooger orde het overige onwillekeurig vergat.

--"Goede morgen!" klonk het uit het rijtuig, met een hartig en
hartelijk unisono; en de penningmeester van het gezelschap haalde uit
zijnen buidel een groot stuk geld te voorschijn.

--"Goede morgen, heeren!" antwoordde de boerin, lagchend en blozend om
dien krachtigen groet uit zoo vele mannenkeelen te gelijk. "De heeren
treffen een uitgezochten dag," liet zij er op volgen, met de eene hand
haar knipje leegschuddend in de andere, en de dubbeltjes en kwartjes
uitzoekend, die de onomkoopbare penningmeester haar blijkbaar niet
geschonken zou hebben, al ware zij Hebe in persoon geweest.

--"Een mooije streek, vrouwtje," merkte een der toeristen op, met
oogen vol onschadelijke bewondering, niet de streek, maar de
welgemaakte boerin verslindend.

--"En aan wien behoort dat optrekje?" vroeg een ander, links wijzend,
waar, op eenigen afstand van het tolhek, eene kleine nieuwerwetsche
woning zich verhief.

--"Dat is Belvedere, van mijnheer Visscher, die hier winter en zomer
buiten woont, om u te dienen," antwoordde de Juno van het tolhek.

--"Dank u," zei de vrager, die door dit bescheid niet veel wijzer
geworden was, maar zich hield alsof aan zijne wetenschap nu niets meer
ontbrak.

--"Betaald, koetsier! voor heen en terug," riep de boerin den voerman
toe.

De monster-tentwagen zette zich weder in beweging en verwijderde zich
in de rigting van het woud. Toen de onschuldige bewonderaar van het
vrouwelijk natuurschoon zich nog eens omwendde, ten einde een laatsten
blik uit de vriendelijke oogen der boerin op te vangen, zag hij haar
op den rug. Zij stond met het aangezigt naar hare woning gekeerd, en
breidde de handen uit naar een mollig en blozend kind, pas aan het
loopen, dat, zwaaijend met de armpjes, haar te gemoet kwam waggelen.


Vast om den anderen dag, gedurende de zomermaanden, kwam datzelfde
rijtuig, steeds volgeladen met een ander personeel, hetzelfde tolhek
door. Het was eene soort van omnibus, vrijwilligerdienst verrigtend
tusschen de naastbijgelegen stad en het Duinendaalsche jagershuis. Nu
eens bestond het gezelschap uit louter leden van het sterker
geslacht: eene liedertafel, eene scherpschuttersvereeniging, een
onderwijzerskring, eene synode. Andere keeren was het gemengd:
regenten en regentessen eener combinatie van liefdadige gestichten,
een leesgezelschap van heeren en dames, eene groene, of zilveren, of
gouden bruiloft. Alles maakte gebruik van het weldoorvoed driespan en
van den boeijer op wielen; alles stroomde, van Junij tot Oktober, naar
de bosschen van Duinendaal. Gezegend de man, die in het dorp van dien
naam het burgemeestersambt vervulde! Twee veldwachters, zijne geheele
politiemagt, volstonden om onder die duizenden van bezoekers de beste
orde te bewaren. Nooit hoorde men in het jagershuis van drinkgelagen
of vechtpartijen. Regende het, men dineerde in de groote zaal met hare
gepleisterde muren, of onder het rieten dak der voormalige kolfbaan,
of op het terras, onder de geïmproviseerde verandah van uitgespannen
zeildoek. Scheen de zon, dan werden de tafels gedekt, hier in het
groote grasperk achter het huis, op een afstand door een halven
kring van hooge duinen tegen den noordenwind beschut, ginds in
het bosch, tusschen beuken en dennen, of onder de takken van een
breeduitgegroeiden eikenboom. Wie op dit plekje zijnen dag kwam
doorbrengen, had zich voorgenomen afstand te doen van alle eischen der
gastronomie. Met geen ander doel begaf men zich herwaarts als om voor
weinig geld het stil genot te smaken dat voor alle vreedzame lieden te
verkrijgen is onder den blooten hemel.

De grindweg, die van de stad naar Duinendaal voerde, doorsneed eene
dier grazige vlakten, waaraan ons landschap in sommige provincien zijn
eigenaardigst karakter dankt. Vurige bewonderaars noemden dien weg den
schoonsten der wereld. Met een regten hoek rustte zijn eene uiteinde
op eene heirbaan, ter plaatse waar het breed geboomte eener statige
heerenhofstede den horizont sloot en alleen hier en ginds, bij het
omwenden, u een blik gunde op de bruine of witte zeilen in de
daarachter stroomende rivier. In den rug, het ruischend water en de
dreunende schepraderen der stoombooten. Regts en links, zoo ver het
oog reikte, teekenachtige boerenwoningen en grazend vee in weiland aan
weiland. Geen wuivend graan, geen bloeijende boekweit; korenbloemen
noch klaprozen; maar des te meer ruige schapen en gladde koeijen; des
te meer grasmaaijers in blaauwe borstrokken en witte troisièmes; des
te meer volgeladen hooiwagens, met inspanning voortgetrokken over de
hobbelige geschoren velden, tot waar de geopende hekken toegang
verleenden op den rijweg. Wat schaadt het,--riepen de enthusiasten
luidkeels uit, terwijl zij u staande hielden in de brandende zon,--wat
doet het af, dat geen enkele boom u hier zijne schaduw biedt? dat de
westenwind, bij luchtig weder, u omver dreigt te blazen? dat eene
regenbui, die elders hoogstens uwe bovenkleederen zou bevochtigen,
hier u tot op het hemd doorweekt? Denk niet aan den dag van morgen,
maar geniet het tegenwoordig oogenblik. Haal adem, en zeg hoe u de
geur dier verschgemaaide velden aanstaat. Zie voor u uit, en erken dat
dit vergezigt alles overtreft wat gij in Nederland aanschouwen kunt.

Het was inderdaad een prachtig schouwspel. Tegen het doorzigtig blauw
van een wolkeloozen hemel kwamen de toppen der gele duinen
tooverachtig uit. Hunne smalle glooijingen zag men zich verliezen in
het lage eikenhout, dat als klimop tegen hen aanwies. Nog lager,
tusschen opgaand geboomte, in allerlei richtingen, lag eene keurbende
van villa's als uit te rusten aan hunnen voet. Het was de Mont Blanc
niet, zijne sneeuwtoppen spiegelend in het Meer van Genève; noch de
krans van opgaande rotsen, waartusschen het Vierwaldstättermeer gevat
is; noch de Loreley, vooruitspringend in eene bogt van den Rijn; noch
de Duno, met hare groene helling een geldersch landschap sluitend en
omsluitend. Doch al verschilde de orde, het was eene schoonheid van
denzelfden rang.


Dat beweerde ook de eigenaar van Belvedere. Zijne woning lag wel is
waar niet hoog genoeg tegen de duinen aan om op grooten afstand de
aandacht te trekken, en eerst bij het naderen zag men haar allengs
zich loswikkelen uit het geboomte en de hofsteden waarmede zij een
geheel uitmaakte; doch des te beter beantwoordde zij aan de
voorstelling, die stedelingen van middelbaar fortuin zich watertandend
vormden van een vast verblijf in deze streek. Te wonen aan den ingang
van dit Eden; dagelijks op die duinen de frissche zeelucht te kunnen
inademen; in die bosschen, waar de kamperfoelie zich om de
eikenstammen slingerde, naar hartelust te kunnen omdolen; tusschen het
woud en de heuvels de zwanen te kunnen zien zwemmen in de kleine
meeren; thuis gekomen, zich ook waarlijk te huis te gevoelen; lang en
breed uit te rusten in een eigen tuin; in de schaduw eener verandah
gezeten, de geuren in te ademen van reseda en heliotropen, tot
bloembedden uitgespreid of opgeschoten aan den voet van bloeijende
stamrozen,--welk een leven! Het ongerief van niets om handen te hebben
ging onder in de weelde van deze bezige rust; de glans der
stadsvermaken verbleekte bij dezen gloed van echte stralen; de
gezelligheid-zelve scheen een overlast, vergeleken bij eene
eenzaamheid als die van Belvedere. Aan welke plaats, onder welke
hemelstreek, was voor den zwoegenden Nederlander een plekje te vinden,
waar de werkelijkheid de idealen van het renteniersleven zoo getrouw,
zoo liefelijk weerkaatste als hier? In den loop van iederen zomer
gebeurde het dan ook minstens honderdmalen dat tolbetalende
vreemdelingen, onder het afpassen hunner penningen naar Belvedere
wijzend, de klassieke boerin lastig vielen met de vraag, aan wien dat
optrekje behoorde?

Lieden, die Victor Hugo alleen van fotografische portretten uit zijnen
natijd kenden, beweerden dat de oude heer Visscher--Aart Visscher,
gelijk zijne gemeenzame vrienden en tijdgenooten hem nog altijd
noemden, ook wanneer hij toevallig in persoon tegenwoordig was, en
zijne voormalige leerlingen alleen dan wanneer zij met zekerheid
wisten dat het geluid hunner vrijpostige konversatie niet tot hem
doordringen kon,--zij beweerden dat de eigenaar van Belvedere, met
zijne gekortwiekte grijze kruin, zijn grijzenden baard en grijzenden
knevel, een =faux-air= van den schrijver der =Misérables= had. De
opmerking was misschien juist; ofschoon het noemen van een
wereldberoemden naam tot kenschetsing, hoe oppervlakkig ook, van een
kunstenaar, die van al de genietingen van het kunstenaarsleven juist
te eenemaal onbekend gebleven was met die van populair te worden en
zich eene reputatie te maken, niet van een diepen blik in diens gemoed
of diens levensgeschiedenis getuigde. Doch men meende het met die
gelijkenis ook zoo ernstig niet; terwijl het geoorloofd is het er voor
te houden, dat Victor Hugo zelf, indien hij op eene ochtendwandeling
in de Duinendaalsche dreven een reeds bejaard, doch forsch gebouwd
heer ware tegengekomen, gekleed in een donkerbruin fantasie-gewaad en
met een breed geranden luchtigen panama op het hoofd, volstrekt niet
gedacht zou hebben, zijn ander-ik tegen het lijf te loopen.

Belvedere was een dier grillige =cottages=, gelijk men er heden ten dage
op alle punten van den aardbodem, in alle nieuwaangelegde of
gemoderniseerde landschappen aantreft. De lijnen van het gebouwtje
waren die van het monumentele Palazzo Vecchio, te Florence: eene
vierkante kolom, twee verdiepingen hoog, gekroond met een plat en naar
alle kanten vooruitspringend dak, welks bovenste rand omgeven was van
eene balustrade, in den vorm van schietgaten. Het half moorsche dier
bouworde was echter in sommige voorname opzigten geheel en al
prijsgegeven, en eene goede laag portlandsche cement, waarmede het
gesticht van top tot teen bestreken was, verdreef uit de voorstelling
van den aanschouwer elke herinnering aan de overblijfselen der
oud-florentijnsche architektuur.

Het is onaangenaam, gelukkig geprezen te worden om het bezit van iets,
waarmede men zelf op ver na niet onvoorwaardelijk ingenomen is; en
geheel en al onverdragelijk wordt de afgunst, wanneer men u benijdt
als den gezegenden eigenaar niet-alleen, maar ook en vooral als den
genialen vervaardiger van dat voorwerp. Toen Belvedere nog in de
naakte muren en in de grondverf stond, had de heer Visscher daarvoor
de som betaald, die een speculerend aannemer en stichter van meer
andere dergelijke optrekjes gemeend had te mogen eischen. Het was van
algemeene bekendheid dat hij zijn leven lang het beroep van
"fijnschilder" had uitgeoefend (in den mond des volks eene nuance van
dat van huis-en rijtuigschilder), en niets scheen uit dien hoofde
natuurlijker dan te onderstellen dat de teekening van Belvedere zoo
goed als door hem zelven vervaardigd was. Wel ontkende hij dit ten
stelligste en verzekerde hij aan wie het hooren wilde, dat Belvedere
in zijne oogen volstrekt niet beantwoordde aan de eischen van een
vernuftigen bouwtrant; doch men schreef die protesten aan valsche
schaamte toe en hield hem voor een dier renteniers, welke, nadat zij
in goeden doen gekomen zijn, niet gaarne herinnerd worden aan hunne
voormalige maatschappelijke positie. Er is iets ontmoedigends in
dergelijke logica, en de kooper van Belvedere zou geen verstandig man
geweest zijn, indien hij niet geëindigd was met de lieden te laten
praten. Doch dit genas hen niet van hun vooroordeel. Integendeel; hoe
stereotyper van lieverlede de zwijgende glimlach werd, waarmede hij
hunne loftuitingen op zijn scheppingsvermogen aanhoorde, des te vaster
hielden zij zich overtuigd, den spijker op den kop geslagen te hebben.
En zoo gold het voor eene uitgemaakte zaak, dat het bewonderd optrekje
een gewrocht van zijne eigen vinding was en dienen moest om aan de
wereld te toonen, op welke wijze een man van het vak partij wist te
trekken van een somtijds te weinig gewaardeerd landschap.

Zijne positie als inwoner en burger van Duinendaal was met die
opgeschroefde vermaardheid in overeenstemming. Zoo min als eenig ander
stedeling had hij geheel en al straffeloos het karakter van een
dorpeling kunnen aannemen, en na een verblijf van twee winters en drie
zomers op Belvedere was men den opgezetene allengs als een ingezetene
gaan beschouwen. Men wist dat zijn klein en ordelijk gezin uit eene
vrouw en eene volwassen dochter bestond; dat hij kippen, duiven en een
hond nahield; dat hij een liefhebber was van jagen, visschen en
bloemen kweeken; dat hij middelen genoeg bezat om zich de weelde van
een tentwagentje te mogen veroorloven, bespannen met een doodmak
paard, welks drijver en verzorger tevens bij hem de betrekking van
huisknecht en tuinmansbediende vervulde. Dit klassificeerde hem, en
gaf hem aanspraak om te gelegener tijd in aanmerking te komen voor het
lidmaatschap van den gemeenteraad; een ideale distinktie, die hem
geene geringe mate van eerzucht toedichtte en op zonderlinge wijze
kontrasteerde met de gevoelens, waarvan zijn gemoed in werkelijkheid
plagt over te vloeijen.

Vier of vijf jaren geleden,--en ziedaar eene zaak waarvan de
Duinendalers geene kennis droegen,--had hij schier op hetzelfde
oogenblik eene erfenis bekomen en zijn eenigen zoon verloren; en door
dien zamenloop van omstandigheden had zijn uit- en inwendig bestaan,
op een leeftijd dat het lot der meeste menschen reeds voor goed
bepaald is, plotseling eene nieuwe wending genomen. Van geboorte was
hij een kind des volks, en het toppunt zijner wenschen was door hem
bereikt geworden, meende hij, toen hij op meer dan veertigjarigen
leeftijd, na door onverdroten arbeid zich eene plaats in onze
schilderswereld veroverd te hebben, aan een huwlijk had mogen denken.
Onder het voortwerken voor zijn brood had hij de twintig volgende
jaren van zijn leven aan de studie en de vorming van zijnen zoon
gewijd. Toen hij als knaap, vaders schootsvel en moeders pappot
versmadend, geheel alleen de wereld ingegaan was, had hij aan eene
onmiskenbare roeping gehoorzaamd; doch het schijnt wel, althans zijn
voorbeeld bewees, dat overbegaafdheid, indien zij niet beteugeld wordt
door een ordenend en centraliserend genie, een struikelblok in plaats
van een hulpmiddel worden kan. De muziek en de architektuur,
beeldhouwen en schilderen, het proza en de poëzie,--alles was hem in
den aanvang even vlug van de hand gegaan; en toch, dit erkende hij
zelf, toch had hij, ook na zich uitsluitend te zijn gaan toeleggen op
één vak, in de kunst nooit veel beduid. Zijne tijdgenooten beweerden,
dat hij te veel filosofeerde en te veel boeken las om een artiste van
naam te kunnen worden. Zijne hoofdverdienste was in elk geval meer die
van een theorist en teekenaar dan van een schilder; en zelfs in het
teekenen, hoewel hij als vrucht van zijne bedrevenheid daarin op even
veel bekwame leerlingen wijzen kon als anderen op welgeslaagde doeken,
bezat hij niet die meesterschap, waardoor een kunstenaar in onze dagen
door vreemdeling en landgenoot erkend wordt als een oorspronkelijk
talent en de wegbereider eener nieuwe rigting.

Wat evenwel deerde hem dit, sedert hij een zoon bezat, die van jongs
af toegerust bleek met die ééne gaaf wier ontbreken den vader
levenslang had doen worstelen met de middelmatigheid? Aan eene
vaardigheid met het penseel, die aan het verwonderlijk viool- of
pianospel van sommige halfkinderlijke virtuozen herinnerde, paarde de
kleine Reinier eene stoutheid van konceptie en koloriet die aan het
fabelachtige grensde; en sommige doeken van zijne hand, aangelegd en
voltooid toen hij zijn vijftiende jaar nog moest intreden, zouden door
oningewijden, en niet door geheel en al oningewijden alleen, zijn
aangezien voor het werk van een volwassen meester. Vermoedelijk
hechtte de vaderlijke eigenliefde aan dit alles meer waarde dan het
verdiende; doch niemand kon tegenspreken, dat voor het minst de schijn
in het voordeel der hoogst gespannen verwachtingen pleitte. Reinier
was noch verwaand, noch een druiloor, maar een wonderkind in den vorm
van een gewonen jongen. Vreemde talen en algebra, geschiedenis en
natuurkunde, geografie en botanie,--van al deze dingen wist hij niet
meer, maar ook niet minder dan de schranderste aankomende jongens van
zijnen leeftijd. Hij sprong mede over en in de breedste sloten, was
een hartstogtelijk schaatsenrijder, schoot met pijl en boog de appelen
en peren van de boomen, at goed en dronk goed, zwom als een kikkert,
sliep als eene roos, en zou niettemin liever een geheelen nacht wakend
doorgebragt hebben, dan te gedogen dat Tiras, zijn hond, hem niet dat
zeker blijk van onderdanigheid gaf, hetwelk hij, Reinier, bij zich
zelven vastgesteld had, van hem te zullen ontvangen.

Indien Reinier ware blijven leven, zouden de denkbeelden zijns vaders
vermoedelijk een anderen loop genomen hebben als zij bleven volgen na
Reiniers dood. Hij had te allen tijde zekere algemeene wenschen
gekoesterd omtrent eene herleving der vaderlandsche schilderkunst,
uitgaande van een terugkeer tot onze meesters der 17de eeuw. Hij
schaamde zich niet-alleen over zijn eigen werk, maar ook over het werk
van diegenen onder zijne tijdgenooten en kunstbroeders, van wie hij
erkende dat zij boven hem stonden, en wier oogen, meende hij, slechts
behoefden open te gaan voor het ware licht om hen met rassche schreden
een anderen en beteren weg te doen inslaan. Had het talent van Reinier
tijd en gelegenheid gehad om zich te individualiseren, hij zou van
lieverlede teruggekomen zijn van den waan dat Reinier bestemd was om
de stichter van dat nieuwe nationale rijk van lijnen en kleuren te
worden; vroeger of later zou hij zich hebben leeren vergenoegen met de
wetenschap: "Mijn jongen munt uit in dit of dat;" en zijne voornaamste
zorg, indien Reinier werkelijk een schilder van den eersten rang
gebleken was, zou geweest zijn hem naar het buitenland te zenden, en
hem in de eene of andere wereldstad, waar de kunsten in eere worden
gehouden, een zijner waardig atelier te laten opslaan. Of is in iets
uit te munten, zonder meer, niet de rijpste vrucht van alle
menschelijke ontwikkeling? Verdient één vogel in de hand niet de
voorkeur boven tien in de lucht? Is er iets anders wat zoo zeer het
karakter vormt, zoo onkwetsbaar maakt voor allerlei verwijten, als met
de oogen des geestes de wetten te aanschouwen waaraan de
verschijnselen gehoorzamen en zich op die wijze van hunne grenzen
bewust te worden? Doch de oude Visscher was van die soort van
hooger-onderwijs verstoken gebleven. Eene kwaadaardige ziekte,
opgedaan, naar het scheen, bij gelegenheid van een verren togt over
het ijs, had Reinier in den winter na zijn eenentwintigsten verjaardag
eensklaps weggeraapt; en toen, na eene poos, de droefheid zijns vaders
dat stil karakter had aangenomen, waaraan men de lidteekenen eener
groote smart pleegt te herkennen;--toen onverhoopt de nalatenschap
eener bloedverwant van zijne vrouw hem vrijheid had geschonken palet
en penseelen in een hoek te werpen en buiten te gaan wonen,--was hij
minder dan ooit af te brengen geweest van het ééne denkbeeld, hetwelk
gedurende zoo vele jaren hem geheel vervuld had. Vaster dan ooit bleef
hij gelooven aan eene toekomst voor de vaderlandsche kunst; zag met
leede oogen de industrie zich meester maken van het gemoed zijner
jongere tijdgenooten; leefde met hart en ziel in zijne geliefkoosde
17de eeuw, en hield zich bij voortduring overtuigd dat Reinier
slechts uit de dooden zou behoeven op te staan om dat verloren
paradijs te doen herbloeijen.


Er is veel over stokpaarden geschreven; doch welligt heeft men tot
hiertoe te weinig opgemerkt, dat het zonder uitzondering mannen zijn,
die zich met dat speelgoed onledig houden. De twee vrouwen althans,
Lydia en Emma, in wier dagelijksch gezelschap de heer Visscher den
herfst zijns levens doorbragt, kenden het alleen van aanzien of van
hooren zeggen. Doch zij hadden een ander gebrek: het zeldzame van zoo
sprekend op elkander te gelijken, dat men bij schemeravond in het
bosch, of zelfs bij het getemperd lamplicht in de gezellige zitkamer
op Belvedere, gevaar liep de moeder aan te spreken voor de dochter, en
hetgeen erger was, de dochter voor de moeder. Een gebrek alzoo? Eene
dier grenzen der volmaaktheid, waardoor het voorstellingsvermogen te
hulp gekomen en onze eigenliefde bevredigd wordt? Helaas, hier was het
zoo gesteld, dat de onvolkomenheid-zelve waaraan men gemeend zou
hebben zich voor een keer het nijdig hart te kunnen ophalen, nieuwe
perplexiteiten deed geboren worden! Zij waren klein van gestalte, zij
waren tenger, zij waren blond, zij hadden lichtblaauwe oogen, zij
hadden een frisch teint, zij hadden eene heldere stem, zij lachten met
dezelfde zilverachtig klinkende intonatie, zij hadden in huis dezelfde
bevallige manier van u iets aan te bieden, en op de wandeling dezelfde
half gemeenzame, half ingetogen wijze van u te groeten. En men durft
beweren dat nooit eene gehuwde vrouw van veertig jaren zoo zeer op een
jong meisje van twintig geleek, dat de eene niet bij den eersten
oogopslag te onderkennen was van de andere! Een ongeloovige zal
zeggen: indien de moeder zich op dezelfde wijze kapte als hare
dochter, was de moeder behaagziek; en indien de dochter zich tooide
met een hoed die haar moeder niet misstaan zou hebben, was de dochter
kwalijk getooid. Volkomen zuiver geredeneerd, en men herkent aan dit
betoog die gepantserde soort van logica, waarop de evidentie-zelve,
indien zij het waagde haar aan te tasten, haar krachtigst kruid en
hare puntigste kogels verspillen zou. Doch zoo er niets valt in te
brengen tegen de propositie: Eene vrouw is gekleed naar hare jaren, of
zij is het niet,--er valt ook niets af te dingen op het feit, dat noch
mevrouw Visscher, door haar toilet, haar meer gevorderden leeftijd,
noch hare dochter Emma, door het hare, hare jeugd verzaakte. Het
verstandigst wat gij doen kondt, was van Emma te zeggen, dat men de
lijnen van haar beeld zich maar een weinig zwaarder behoefde te denken
om op het levendigst aan hare moeder herinnerd te worden, en van hare
moeder, dat enkele trekken van dier gelaat maar een weinig behoefden
te worden uitgewischt, enkele van hare bewegingen maar een omzien te
worden versneld, om haar voor eene tweelingzuster van Emma te doen
houden. Doch wie gevoelt niet, dat zulk eene expeditive manier van
konterfeiten gelijk staat met eene bekentenis van onvermogen?


Voor iemand die wist welke bittere tranen deze twee vrouwen, hoewel de
jongste van haar toen nog slechts een aankomend meisje was, geschreid
hadden op den dag van Reiniers begrafenis; hoe de smart die teedere
gelaatstrekken verwrongen had; met welke sprakelooze wanhoop zij de
armen geslagen hadden om den hals van den snikkenden vader; welke
droefgeestigheid geheerscht had in de eensklaps vreugdeloos geworden
woning; met welken tegenzin en welke inspanning zijnerzijds de arbeid
hervat was, en hoe somber zij er altegader plagten uit te zien in
hunne rouwkleederen,--was het een weldadig schouwspel hen op een
zomerschen zondagvoormiddag, nu al dat leed geleden en de stad met
buiten verwisseld was, gezamenlijk uit de Duinendaalsche ochtendkerk
naar Belvedere te zien terugwandelen, het dorp door en den belommerden
rijweg langs.

Die grijze mijnheer met snorren, wiens hoed een weinig op één oor
plagt te staan en die meer op een gepensioneerd hoofd-officier dan op
een Hervormd christen geleek; die mevrouw, met dat jeugdige in haar
voorkomen, wier japonnen te Amsterdam of in Den Haag gemaakt werden en
die een uit Parijs afkomstigen mantel droeg; dat jonge meisje, met
haar neteldoeksche kleedjes, haar nette laarsjes, haar onberispelijke
handschoenen, haar zachtgekleurde bloemen in den hoed,--zulke
menschen, meenden de minder ontwikkelden onder de Duinendalers,
bezochten de kerk alleen voor den vorm, of om een goed voorbeeld te
geven aan de dienstboden, of uit tijdverdrijf en omdat de zondagen dan
minder lang vielen. Ook andere misanthropen, hoewel minder ruw in het
uitspraak doen dan deze dorpelingen, hebben beweerd, dat de
uitdrukking van zielsrust en vriendelijkheid, waardoor het gelaat van
huiswaarts keerende kerkgangers zich pleegt te onderscheiden,
bedriegelijk is, en dat men zich wachten moet, vooral ten platten
lande en in liefelijk gelegen oorden, te spoedig geloof te slaan aan
dien vrede en die vergenoegdheid, welke zoo bedenkelijk goed
harmoniëren met een tusschen lindeboomen verscholen torenspitsje, een
ten gebede noodigend klokgeklep, of het naspel van een koraalgezang
bij het scheiden eener godsdienstoefening.

Doch al zou de schijn, hetgeen het geval niet was, ook ditmaal misleid
hebben, de illusie was volkomen. Wie den ouden heer Visscher, met twee
dames-kerkboekjes in de hand, tusschen zijne vrouw en zijne dochter
niet al te snel het breede voetpad langs den door buitenplaats aan
buitenplaats zich kronkelenden rijweg volgen zag, achtte het eene
uitgemaakte zaak dat ook het zondagsgevoel eene aandoening is, vatbaar
om in beeld gebragt te worden. Had men hun oordeel gevraagd over de
aangehoorde leerrede, hoogst waarschijnlijk zouden zij niet in staat
geweest zijn, den bijbeltekst te noemen, dien de predikant ten
grondslag gelegd had aan zijne toespraak. Zij vonden het psalmgezang
der Duinendalers stellig zeer onwelluidend, doch het ontstichtte hen
niet; ook dan niet, wanneer noch de denkbeelden, noch de woorden van
het aangeheven lied gezegd konden worden, gegrepen te zijn uit hunne
eigene ziel. Zij waren getrouwe en opregte kerkgangers, zoo los van
theologie als vereenigbaar is met lief te hebben en getroost te zijn,
en zoo godsdienstig als kan zamengaan met niet-ontvankelijkheid voor
de indrukken van het piëtisme. Het buitenleven had hen in die
gevoelens versterkt. Beter dan in de digtbevolkte stad, met hare meer
dan honderdduizend inwoners, hadden zij op het stille Duinendaal
leeren inzien, welk een zegen de priesterlijke invloed zijn kan; hoe
de predikant en de pastoor der plaats, al hadden beiden hunne
menschelijke zwakheden, elk in hunnen kring een middenpunt vormden,
waarop eene menigte belangen uitliepen, gelijk bergpaden uitloopen op
eene heirbaan; hoe die geheele kleine maatschappij, op weinige
uitzonderingen na, ja ook wel bijeengehouden werd door sommige
dogmatische begrippen, waarvan de eene helft de andere ophief en al
wier deelen gelijkelijk iederen dag gelogenstraft werden door de
ervaring, doch tevens en allermeest door ongehuichelde gevoelens,
waarmede die begrippen zamengegroeid waren zonder ze te verstikken.
Eerst in deze nieuwe omgeving was het hun duidelijk geworden, hoe
naauw voor eene bepaalde klasse van menschen kerkelijkheid zamenhangt
met arbeidzaamheid, met ingetogenheid, met fatsoen en een goeden toon;
en hoewel zij nog niet half op de hoogte waren van de Duinendaalsche
=chronique scandaleuse=, wisten zij zeer wel dat van de twintig
boerenknapen, die de kerk verzuimden, zij mogten roomsch of protestant
heeten, niet een bestand was tegen de verleiding van drinken of
spelen; en onder de twintig boerendochters, van wie men verhaalde of
wist dat zij op oneerbiedigen toon over Heeroom spraken,--indien al
Duinendaal twintig boerendochters telde, van wie gezegd kon worden,
dat zij vrijdenksters waren,--niet eene gevonden werd, aan wie niet
een steekje los was. De huichelarij-zelve waren zij allengs minder
afschuwelijk gaan vinden op het dorp dan in de stad; niet omdat zij
toegeeflijker waren geworden omtrent eenigerlei ondeugd, maar omdat de
ondervinding hen geleerd had dat in sommige kringen het veinzen van
godsdienstigheid en deugd een minder groot maatschappelijk kwaad is,
dan zeker drijven op eigen wieken, waarvan ongebondenheid en tot
overlast worden in den regel het einde zijn.



TWEEDE HOOFDSTUK.


Indien meer voorspoed minder idealiteit beteekent, hadden de drie
personen van daareven hun besten tijd reeds eene poos achter den rug,
en was het gothisch halfdonker, waarin zij nog naauwlijks gelegenheid
gehad hebben zich aan den lezer te vertoonen, in de werkelijkheid
reeds geweken voor een ander licht, alledaagscher omdat het feller
was.

Het mogt een jaar geleden zijn dat de burgemeester van Duinendaal in
den gemeenteraad verschenen was met het berigt, dat de concessie
verleend, de negotiatie volgeteekend, de ingenieur aangesteld, de
rigting van den weg afgebakend, het punt waar de groote draaibrug de
rivier snijden zou gearresteerd,--kortom, dat geene der voorwaarden
onvervuld gebleven was, waarop de Duinendalers, indien zij slechts de
moeite wilden nemen van naar het stationsgebouw te kuijeren, zich
eerlang zouden kunnen beroemen, verbonden te zijn aan het europesche
spoorwegnet. Hoe ongelijk dat huwelijk ook schijnen mogt, de
voorspelling van den burgemeester was uitgekomen; en Duinendaal
verbeidde het oogenblik dat de lokomotief voor het eerst in vollen
ernst zijne vlakten doorsnijden zou. De baan was gereed, de staven
gelegd, al de kleinere werken voltooid, en er ontbrak nog slechts aan
dat de rivierbrug, om wier spil zich de geheele onderneming bewoog,
voor het verkeer opengesteld kon worden. Doch ook dit zou weldra
gebeuren, en zelfs beweerde men, dat de dag reeds vaststond.

Niemand wane dat het uitvoeren van dien veelomvattenden arbeid, die
voor eene geheele reeks van toekomende geslachten in deze streek
beslissen moest over welvaart of achteruitgang, Duinendaal in rep en
roer of zijne bewoners van hun stuk had gebragt. Het aanleggen van den
weg, toevertrouwd aan van elders gekomen werkvolk, dat buiten de kom
der gemeente tijdelijk in keeten woonde, bragt hun geen dadelijk
voordeel aan. In alle leveranciën werd door de maatschappij, wie het
werk aanging, van buiten af voorzien; en voorloopig was in hunne oogen
de kastelein van het Wapen van Duinendaal, bij wien de ingenieur der
maatschappij zijnen intrek genomen had en zijne kleine verteringen
maakte, de eenige persoon van het dorp wien het niet onverschillig
behoefde te zijn, dat men voortaan van hier in hetzelfde
spoorwegrijtuig naar Parijs of Weenen zou kunnen komen.


Hij heette Kortenaer en was een afstammeling van den admiraal van dien
naam; denzelfden wiens leeuwenkop vereeuwigd is door Bartholomeus van
der Helst. Den Duinendalers was die bijzonderheid onbekend; zij wisten
alleen van hooren zeggen dat hij een ingenieur van reputatie was. Toch
moest hij zijne riddersporen nog verdienen, en daarom hechtte hij
waarde aan het gelukkig voltooijen der hem toevertrouwde brug. Buiten
zijne dertig jaren bezat hij geen fortuin, en een oom van moederszijde
was de eenige persoon op aarde, van wien hij mettertijd iets erven
zou. Doch voorshands bekommerde hij zich daar niet om. Hij verwijlde
nog met den éénen voet in die ideale periode des levens, waarin de eer
boven het geld gaat, en het was hem genoeg, dat hij in het Wapen van
Duinendaal van de helft van zijn traktement leven kon als een prins.

Toen André Kortenaer aldus redeneerde, moest het gelukkig toeval nog
plaats hebben dat hem ja bijna het leven had gekost, doch uitgeloopen
was op een verblijf van vier volle weken in Emma Visschers
dagelijksche nabijheid. Toch was hij niet begonnen met zich het meest
te hechten aan haar, maar aan hare ouders, aan haren vader bovenal; en
de groote aantrekkingskracht van Belvedere had in den eersten tijd
voor hem allermeest bestaan in de blijken van opregte genegenheid die
hij van den ouden heer ontving. Het lag voor de hand om te meenen dat
de herinnering aan Reinier hierbij in het spel was, en André den ouden
Visscher met welgevallen denken deed aan hetgeen zijn eigen zoon,
indien hij ware blijven leven, op dit oogenblik geweest zou zijn en
gedaan zou hebben. Doch twee jongelieden van denzelfden leeftijd
konden niet minder op elkander gelijken, geen twee karakters verder
uiteenloopen. Reinier was een opvliegende knaap geweest, en zou
ongetwijfeld een kort aangebonden man geworden zijn. Zijne donkere
oogen konden somwijlen vlammen schieten, en wanneer hij voor de leus
zijne korte gitzwarte haren opstreek,--er viel bijna niet aan op te
strijken, zoo kort waren ze,--sprak uit zijn geheele wezen eene aan
vermetelheid grenzende stoutmoedigheid. André daarentegen had iets
langzaams in zijne bewegingen, iets geposeerds, dat hem wel in geenen
deele misstond, maar meer van nadenken dan van inspiratie getuigde,
meer van lijdzaamheid dan van ondernemingsgeest. Alleen zijne
benijders konden voorwenden dat de bevallige scheiding, die zijne
blonde haren, lang en fijn, ter weerszijden over zijne slapen hielp
golven, het eenige teeken van distinktie was, dat aan hem te bespeuren
viel. Doch het was niettemin waar, dat zijn beroemde voorvader, de
wapenbroeder der Van Galens en der Evertsens, moeite zou gehad hebben
om in hem zijnen wettigen naneef te herkennen. Ook de admiraal was
blond geweest, maar blond als een roodbonte stier van Paulus Potter,
breed van schoft, zwaar van spieren en gebindte. De lichtblaauwe
oogen, een andere familietrek, schenen evenzeer in den loop des tijds
aan de wet der natuurkeus gehoorzaamd te hebben. Wat zij aan glans
hadden gewonnen, hadden zij verloren aan uitdrukking, en voor het
voorregt van te zijn overgegaan tot eene uitgelezener soort, hadden
zij afstand moeten doen van een deel der voorvaderlijke
eigenaardigheid. Ook van dien kant dus had de oude heer Visscher zich
tot zijn nieuwen jongen vriend niet bij uitzondering aangetrokken
kunnen gevoelen. Voor iemand die al de praalgraven van nederlandsche
admiralen en al de portretten van Van der Helst van buiten kende, was
er zelfs iets komieks in de gedachte, dat dit nu de achterkleinzoon
was van dien breedgepenseelden zeeheld, voor wiens beeldtenis hij zoo
menigmaal vol bewondering verwijld had. Het kontrast was te sterk
tusschen dat fijnbesneden gelaat der 19de eeuw, die handen als van
eene vrouw, dien eleganten knevel, en den realistischen Herkules van
het Trippenhuis, met armen als boomstammen en eene vuist die geschapen
scheen om den Oceaan met bezemen te keeren. Doch hij kende de
jongelieden, meende hij; zijn blik op hunnen aard bedroog hem zelden,
en het ware met zijn geloof in eigen doorzigt gedaan geweest, indien
hij geene huizen had gebouwd op André's onschuld. Zelf onbedorven van
hart, schonk hij onwillekeurig zijn vertrouwen aan de onbedorvenen.
Het materiële streven van den tegenwoordigen tijd vertoonde zich aan
hem, in André's persoon, onder een gunstig licht; de kennismaking met
den jongen ingenieur had een van zijne vooroordeelen aan het wankelen
gebragt, en in stede van André te verachten omdat hij tenger van
uitzigt was, wekte het zijne belangstelling dat een zoo jong mensch,
met een zoo weinig athletisch voorkomen, het als eene van zelf
sprekende zaak beschouwde, de oevers eener breede snelvlietende rivier
te overspannen met een boog, die zonder doorbuigen duizenden
centenaars vrachten torschen kon.

Zes maanden nadat André te Duinendaal zijne tent had opgeslagen, in de
laatste dagen van December, had de oude heer Visscher hem met zich
medegenomen op de jagt. Hunne kennismaking dagteekende toen nog
slechts van eenige weken, en in gewone omstandigheden zou die uitgang
hen niet veel nader tot elkander gebragt hebben. Doch op dienzelfden
togt was iets voorgevallen, waardoor André, zonder het te weten,
groote vorderingen gemaakt had in het hart van Emma's vader. Het
jagtveld van den ouden heer liep gedeeltelijk over de duinen en
omvatte een kort en smal kanaal, gedolven in het zand. Regtstreeks
gevaarlijk was het in de nabijheid dier doorgraving op kleine schaal
in geenen deele; doch indien men door de duinen dwaalde en niet
behoorlijk acht gaf op de golvingen van het terrein, kon het gebeuren
dat men zich eensklaps aan den rand eener steilte bevond, beneden aan
wier voet, dertig of veertig vademen in de diepte, het stilstaand
water een ondoordringbaren muur ontmoette. Op kleine houten borden,
aan jagtpalen op de hoogste punten van het duin bevestigd, stonden
vermaningen tot voorzigtigheid te lezen: doch van die palen was de
eene helft zoo ver van het punt in kwestie geplant, dat een
vreemdeling den zin der waarschuwing naauwlijks vatte, terwijl de
andere helft van zoo nabij aan den gevaarlijken rand grensde, dat men
kans had ze eerst op te merken wanneer het te laat was.

Het was een dier schoone heldere winterochtenden, gelijk alleen een
klimaat als het onze bedeeld zijn: slechts zoo veel zon als kon worden
gedoogd om de sporen der nachtvorst ongerept te doen blijven, en niet
zoo veel vorst dat men geen genot kon hebben van de doorbrekende
zonnestralen. André en zijn gastheer waren goede wandelaars, met een
geopend oog voor de bekoorlijkheden van het landschap, en goede
schutters, gevoelig voor de poëzie van hun bedrijf. =Wild= is een woord
van slechts één syllabe, maar dat in eene maatschappij, zoo tam als de
onze, veel zegt. Niets evenaarde het geduld, waarmede de oude heer
Visscher zijne prooi vervolgde, behalve alleen de stille geestdrift,
waarin hij ontstak, wanneer hij haar de zijne noemen mogt. Hij was
dien ochtend buitengewoon voorspoedig geweest; zijn hond had wonderen
van schranderheid en van gehoorzaamheid verrigt; de jager, die hem
plagt te vergezellen, scheen zich zelven te overtreffen. Zonder André
geheel en al uit het oog te verliezen, liet hij hem zijn eigen weg
gaan, en bespeurde met welgevallen dat zij elkander volkomen goed
begrepen. Arme hazen en patrijzen! Beurtelings in het naauw of in de
ruimte gedreven, nu omsingeld, dan opgejaagd, vloden zij te vergeefs.
De velden door, de bosschen in, de duinen op, voort ging het, de
vlugtelingen achterna, met hartstogtelijke volharding en doodelijk
overleg. Doch eensklaps verkeerden de kansen en waren de vervolgers
aan de beurt om kennis te maken met ontsteltenis en verlegenheid.
André, die niet opgemerkt had dat zij zich in de rigting der zanderij
bewogen, wilde op nieuw, door een kleinen omweg te maken, de lijn
herstellen, die hun dien morgen reeds menige goede dienst bewezen had.
Hadden de anderen acht op hem gegeven, zij zouden, op vijftig schreden
afstand, hem hebben zien voortsluipen langs een dier kreupelboschjes,
als in de kommen der duinen keer op keer worden aangetroffen, en
straks, met de beide handen aan het geweer en met opgeheven gelaat,
hem vooruit hebben zien snellen om de uit het lage hout snorrend
opstijgende hoenders binnen schot te krijgen. Doch zij waren te zeer
met hunne eigene gedachten vervuld; en toen zij zijn schot hoorden
vallen en omzagen, was hij reeds verdwenen in den gapenden kuil. Op
het oogenblik-zelf dat hij den vinger aan den trekker had gebragt, was
de grond onder zijne voeten bezweken, en eer hij wist wat hem
overkwam, buitelde hij de steilte af naar omlaag, een groot stuk
duinkorst met zich medeslepend in zijnen val.

Geen struik, geen helmplant, geen grasscheut om zich aan vast te
houden; niets als mul zand dat met hem naar beneden stroomde en hem
overstelpte. Het gevaar was niet ernstig, dacht hij eerst, en dat zand
zou hem geen kwaad doen; doch het gewigt dat hem drukte, woog al
zwaarder; zijn geweer, dat hij tot nu toe was blijven omklemmen, werd
hem uit de armen gescheurd; hij kwetste zich de handen en het gelaat
aan zijne weitasch, aan zijn kruidhoorn, aan de knoopen van zijn
jagtbuis; de zandstroom groeide aan tot eene lawine, en toen hij ten
laatste werd nedergesmakt op den effen grond, eenige schreden van het
water af, verloor hij zijn bewustzijn en koelde de verbolgen Duingod
zijnen toorn aan een weerlooze.

Een uur lang hadden de heer Visscher en zijn jager werk gehad om hem
te bevrijden; en zelfs zou hun dit met de grootste inspanning
naauwlijks gelukt zijn, had daar niet eene verlaten aak gelegen, aan
de plegt met zeildoek overspannen, onder welk afdak een zorgvuldig
zanddelver zijn gereedschap verborgen had. Met behulp dier werktuigen
ontgroeven zij hem. Hij lag op den rug, met het hoofd naar beneden, en
de armen wijd van een. Ware het grootste gedeelte van zijn ligchaam
niet bedolven geweest, men zou gewaand hebben een soldaat uitgestrekt
te zien liggen op een slagveld, met een kogel in de borst. Die indruk
had slechts eene korte poos geduurd; want toen de anderen hem
nedergezet hadden in de aak, onder het uitgespannen zeildoek, en zij
de schuit een kwartier gaans hadden voortgestuwd, tot waar de vaart
den naastbijgelegen rijweg sneed, was hij weder geheel bijgekomen en
kon hij, zoo goed en kwaad het ging, in een wagentje stappen, door een
hulpvaardigen boer te hunner beschikking gesteld. Doch hoe snel de
eerste schrik voorbijgegaan mogt zijn, de vader van Reinier zag nog
telkens in zijne verbeelding, ook toen André hoog en droog op
Belvedere ingekwartierd was en menigeen zijn lot eer gezegend dan
bejammerd zou hebben, dat marmerbleek en opgekrabd gelaat van den
bezwijmenden jongeling voor zich, en die verwarde haren, uitgespreid
op het zand, en die geloken oogleden, zoo onheilspellend goed voegend
bij den geopenden mond en de loodkleurige lippen. Vóór dien tijd had
hij André gaarne mogen lijden en hem zijne vriendschap geschonken;
doch sedert het tooneel aan den voet der zanderij, was hij voor hem
die soort van teederheid gaan gevoelen, waarmede wij een verloren
gewaand en eensklaps teruggevonden kleinood aanschouwen.

De kastelein van het dorp had geprutteld, dat men zijn kommenzaal,
toen deze een patient geworden was, hem zonder veel pligtplegingen
ontvoerd had. Niets, had hij beweerd, zou hem en zijne vrouw en haar
dienstmaagd beter van de hand gegaan zijn, als André te verplegen en
hem van al het noodige te voorzien. Doch de oude heer had den waard
zelfs niet in de gelegenheid gesteld om daarvan de proef te nemen, en
André had zich te zwak gevoeld om tegenstand te bieden of een eigen
wil te hebben. Als eene van zelf sprekende zaak was de logeerkamer op
Belvedere voor hem in orde gebragt en had men een man van de kunst
ontboden om hem van top tot teen te betasten. Uit het onderzoek was
gebleken, dat hij, om van zijne kneuzingen te bekomen, alleen rust
behoefde; en toen hij acht dagen zijne kamer gehouden had, zou hij
zonder een zweem van onvoorzigtigheid naar zijn logement en naar zijne
bezigheden hebben kunnen terugkeeren. Doch men had aangehouden dat hij
nog wat blijven zou, en hij had een Trappist moeten zijn om dat
verzoek af te wijzen. De week was eene maand geworden, zonder dat hij
zich herinneren kon waar de tijd gebleven was.


Een half jaar geleden had André het slechts als een buitenkansje
beschouwd, in de nabijheid van een welvarend dorp en van eene lieve
streek belast te worden met een werk, dat hem gelegenheid aanbood zich
te onderscheiden. Thans dacht hij daar anders en minder luchtig over.
Hij had eene moeijelijke jeugd gehad; was van het eene examen
voortgezweept geworden naar het andere, en had tot nog toe van de
wereld weinig meer leeren kennen dan haar proza. Hem was bovendien
zekere zwakheid van verbeelding eigen, die dezelfde uitwerking deed
als anders de vooroordeelen van den hoogmoed doen. Het huisgezin van
een kunstschilder,--hij had er nooit opzettelijk over nagedacht, wat
dit al zoo wezen kon; was nooit in de gelegenheid geweest er van nabij
kennis mede te maken, en zou gemeend hebben, indien men zijn gevoelen
had gevraagd, dat de aard van zulk een interieur vrij wel werd
uitgedrukt door eene mengeling van slordigheid en luidruchtigheid,
gepaard met indolentie. En daar trof hij in de vertrekken van
Belvedere eene degelijkheid en eene weelde aan, die hem de woonkamer
zijner ouders kaal en ongezellig, en hunne gezelschapszaal smakeloos
gemeubeld deden vinden. Er was karakter in het snijwerk van tafel en
stoelen, in de kleuren van behangsel en gordijnen, in den vorm van
bekers en karaffen, in de afwisseling van ouderwetsch en
nieuwerwetsch. Even onzinnig en heterogeen als Belvedere er uitzag aan
de buitenzijde, even veel oordeel en studie, even veel eenheid van
geest verried het inwendige dier woning. In den persoon van den ouden
heer Visscher gevoelde André zich staan tegenover een man die veel
ondervonden had en van alles afwist; zich onafgebroken bezig hield met
belangwekkende dingen; fijn gevoelde en snedig uitspraak deed, en in
één woord hem zelven in allerlei opzigten aanvulde en in de meeste
overtrof. Mevrouw Lydia was in zijne oogen de innemendste der
gastvrouwen; ervaren in de kunst om anderen te laten praten en hen op
hun gemak te zetten; altijd vervuld met eene volmaakt natuurlijke
belangstelling in hetgeen zij gissen kon, hun na aan het hart te
liggen; de bemoedigendste der apparitiën voor een jong mensch, die
zijne intrede in de wereld nog moest doen. En wat Emma betrof, hij zou
gezworen hebben, dat nergens op de geheele aarde een bevalliger jong
meisje kon aangetroffen worden: zoo onafhankelijk in hare meeningen en
zoo zacht van aard, zoo klein en zoo dapper, zoo stemmig en zoo
vrolijk, zoo keurig op haar toilet en zoo in het geheel geen nufje.

De magt, die hem ten laatste verdreven had uit dit Paradijs, was
dezelfde die hem dag en dag het meest was gaan boeijen. Noch mevrouw
Visscher evenwel,--al scheen het vrijpostig van zulk eene bevallige
vrouw de diensten eener moederlijke pleegzuster te blijven vergen;
noch haar echtgenoot,--al moest er blijkbaar een einde komen aan het
exploiteren van diens voorkomendheid,--zouden hem vermoedelijk in den
eersten tijd tot de bekentenis gedwongen hebben, dat hij misbruik
maakte van de gezegende gevolgen eener onbesuisde jagtpartij. Waarom
zou hij heengegaan zijn, daar men hem iederen dag aanmoedigde om te
blijven, en hij met zijne geheele ziel aan de opregtheid van dien
aandrang geloofde? Behoefde zijn werk er onder te lijden dat hij nog
eene poos vertoefde? Lag Belvedere, strikt genomen, niet even digt
ja, digter bij de rivier dan het Wapen van Duinendaal? Wist hij niet
dat de brug in tijds gereed zou komen, gesteld zelfs dat een felle
vorst inviel, en de vaart gestremd werd, en men met het hervatten van
den arbeid zou moeten wachten tot na den afloop van dooi en ijsgang?


Voor de minste jongelieden zou het dienstig zijn, op romaneske wijze
door de omstandigheden-zelven aan de voeten van een aanvallig jong
meisje gevoerd te worden. Doch hetzij André al dan niet eene
uitzondering op den regel vertegenwoordigde, het ontwaken zijner
liefde voor Emma had hem niet bedorven, maar een gunstigen invloed
uitgeoefend op zijn karakter. Instede van overmoedig, had de voorspoed
hem ernstig gemaakt; zoo zeer zelfs, dat het hem eenigzins
verbijsterde, eensklaps in zichzelven een troetelkind der fortuin en
den huisgenoot te aanschouwen van een bekoorlijk schepsel, dat nooit
schooner was dan in het halve fantaisie-toilet dat zij zich in de
ouderlijke woning permitteerde, en nooit opgeruimder dan wanneer zij
in bondgenootschap met hare moeder het er op toelegde, haren vader in
een vrolijke stemming te brengen. Die verzoeking was voor den
konvalescent te sterk geweest, en ten laatste had hij ter naauwernood
genoeg zelfbewustzijn overgehouden om te beseffen, dat het niet voegde
het hof te maken aan een meisje, onder het dak van wier ouders hij
gastvrijheid genoot.

Doch toen hij van Belvedere afscheid genomen en zijne kamers in het
logement weder betrokken had, was het gevoel van eerlijk gehandeld te
hebben hem toegeschenen, eene magere schadeloosstelling te zijn voor
het gemis van Emma's tegenwoordigheid. Het baatte niet dat hij zijne
bezoeken aan hare ouders en haar tot zeker minimum poogde te
herleiden: hoe zeldzamer hij Emma zag, hoe meer tijd hij overhield om
aan haar te denken; en hij meende op te merken, of maakte zichzelven
diets, dat de eenige dagen dat hij in staat was, zich min of meer
nuttig bezig te houden, juist die waren, waarop hij haar 's morgens
ontmoet had, of er op rekenen kon, haar 's avonds te zullen zien en
spreken. Het eenvoudigst zou geweest zijn, haar te vragen of zij hem
liefhad en zijne vrouw wilde worden; maar ofschoon hij honderdmalen
het voornemen daartoe had opgevat, was de moed hem even zoo vele malen
in de schoenen gezonken. De vrees, haar te zullen moeten mijden en
missen, indien hij haar onverschillig bleek te zijn, plaatste zich
telkens als een spooksel tusschen hem en zijne heldhaftigste
voornemens. "Wat dan?" vroeg hij, de mogelijkheid overpeinzend van een
koel of zelfs weigerend antwoord. "Is onkundig te blijven niet beter
voor mij, dan het ondragelijke te vernemen?" En zoo was het eene
uitstel den weg van het andere gegaan. De gelegenheden, die hij
gezocht had, waren hem ontsnapt; en misschien zou hij nog op dit
oogenblik in het onzekere verkeerd hebben, indien niet zijn
geheim-zelf op zekeren avond het aanstekelijk voorbeeld dier
voortvlugtige gelegenheden gevolgd was.


In het begin van Maart was het gebeurd, dat André, =à la fortune du pot=
op Belvedere genoodigd, na den maaltijd met haar en haar vader in
diens kamer gezeten had... Of neen, hij zat nog telkens, in zijne
verbeelding, op datzelfde uur in hetzelfde vertrek. Het was niet zoo
zeer gebeurd, maar ging voort te gebeuren; en indien hij had moeten
verhalen hoe alles zich toegedragen had, zou hij zich instinktmatig
bediend hebben van dien onvolmaakt verleden tijd, waarin de dingen,
die achter ons liggen, nog half en half deel schijnen uit te maken van
het tegenwoordige.

Elken winter maakte de familie Visscher een uitstapje naar de stad
harer voormalige inwoning: van welke bedevaarten, die eene of twee
weken plagten te duren, de hoop op eene fraaije opera of een
uitgezocht koncert het vaak met teleurstelling gestrafte voorwendsel,
en de lust om in het "'s winters buiten" eene kleine afwisseling te
brengen de niet altijd openlijk erkende beweegreden was. Het saizoen
was ditmaal reeds bijna verstreken, en indien men nog tijdig genoeg
wilde aankomen om van de europesche vermaardheid der beschadigde prima
donna's of der vermoeide virtuozen in noemenswaardige mate te
profiteren, moest men zich reppen. Morgen-ochtend na het ontbijt zou
de togt aanvaard worden, en André was te zeer op de hoogte van hetgeen
op Belvedere voorviel, om niet te weten dat die woning eene poos lang
voor hem gesloten ging worden. Hij was te moede als een ter dood
veroordeelde aan het nageregt van zijn laatsten maaltijd.

De kamer van den ouden heer Visscher geleek des avonds, wanneer de
lampen ontstoken waren, in niets op een atelier. In de stad zou men
haar eene bovenvoorkamer met eene suite genoemd hebben, tevens
gescheiden en aaneen verbonden door eene tot aan den zolder reikende
portière. De suite lag op het westen en ontving haar licht van de
noordzijde, zoodat de schilder in ruste, wanneer over dag de lust hem
bekroop om zijn voormalig bedrijf weder ter hand te nemen, slechts de
deur eener kast behoefde te openen en naar zijne gereedschappen
behoefde te grijpen om aanstonds aan het werk te kunnen tijgen. De
voorkamer zag op het oosten uit, en het was uit die vensters
allermeest dat men in zomersche dagen dat vergezigt genoot, waaraan
Belvedere zijnen naam verschuldigd was. De meubelen in beide
vertrekken bestonden voornamelijk in langs den wand geschaarde
boekenkasten van vreemdsoortig hout, sommige met glazen deuren van
boven tot beneden, andere in den vorm van opstaande buffetten, van
onderen met schuifladen voor platen en teekeningen, of met een
vooruitspringend bureau dat tevens voor schrijftafel diende. Al de
kasten waren van boven en op zijde met snijwerk versierd, dat bij de
eenen scheen af te hangen in festoenen van bloemen en vruchten en
vogels, bij de anderen een geheel van consoles vormde, waarop bronzen
ornamenten rustten, of kleine beelden van wit marmer, of busten van
beroemde kunstenaars, en staatslieden, en veldheeren. Terwijl in de
voorkamer, in den vorm van een vooruitspringenden modernen haard, tol
betaald werd aan de ijdelheden van den nieuwen tijd, glinsterden in
dit allerheilige, onder een ouderwetschen schoorsteenmantel van
donkerkleurig marmer, blankgeschuurde haardijzers, waarachter in
voor-en najaar voorvaderlijke turfvuren werden aangelegd, die bij
feller koude voor beukenhouten blokken moesten wijken. Doch dit was
ook het eenig onderscheid tusschen de twee helften van het vertrek. In
de eene zoo min als in de andere afdeeling bevond zich ergens aan den
wand een open vak, waarin niet hier een spiegel, ginds eene gravure,
ginds een bas-relief in hout of klei of koper hing. De gravuren hadden
de overhand: proefdrukken van den =Schuttersmaaltijd=, van de
=Anatomische les=, van den =Nachtwacht=, van beroemde portretten uit den
oud-vaderlandschen tijd; maar ook van de =Schaakspelers= van Meissonier,
of van Scheffers =Francesca=, en =Gretchen=, en =Mignon=. Het geheel maakte
den indruk eener gezellige bibliotheek, niet dien van eene
schilderswerkplaats, en evenmin dien van een muzeum in miniatuur. Men
bevond er zich in eene zitkamer, voorzien van al de gemakken waarvan
het denkbeeld zich aan dien naam verbindt; en het was genoeg den blik
te laten glijden langs zoo vele rustige boeken om bij zichzelven dat
zeker gevoel van eenheid en zamenhang te ontwaren, waarvan het gemis,
ook bij het vertoeven in de uitgelezenste kunstgalerijen, somtijds
onaangenaam aandoet.


Eenige jaren geleden is ons vaderland afgereisd door een Engelschman,
wiens konversatie zich oploste in de telkens herhaalde en in een enkel
woord zaamgedrongen vraag: "=Emblems?=" Hij was een archeoloog in het
vak der graveerkunst en had zijne specialiteit gemaakt van de oude
geïllustreerde zededichters in alle landen van Europa. Waar hij kwam,
in welke openbare bibliotheek, bij welken geleerden boekhandelaar of
privatiserenden liefhebber, overal vroeg hij naar hetgeen betrekking
had op de geschiedenis van zijn onderwerp en naar niets anders.

Hoewel niet zulk een zonderling, had ook de oude heer Visscher eene
aan hartstogt grenzende liefde voor =Emblems=, en het kostte hem moeite
eene volkomen hoogachting te koesteren voor lieden, die koel bleven
bij het aanschouwen zijner minnebeelden en zinnepoppen. Uitwendig
vormden zij het minst aanzienlijk gedeelte van zijnen boekenschat;
doch om die ééne kleine kollektie te mogen behouden zou hij desnoods
afstand hebben willen doen van zijne geheele kunstverzameling. "Allen
eerbied," zeide hij, "voor Kaulbach en Doré, doch voor het fraaiste
hunner werken wil ik mijn exemplaar van Cats niet missen."

Nog herinnerde André zich de stomme verbazing waarmede hij weleer het
verhaal had aangehoord van een zijner voormalige kameraden aan de
D--sche akademie, die er geen geheim van maakte dat het =Houwelijck= van
Jacob Cats het eenige boek geweest was, dat hij op zijn
huwelijksreisje met zich medegenomen en aan zijne jonge vrouw
voorgelezen had. Gelijk de meeste nederlandsche kinderen had hij in
zijne jeugd de werken van Cats leeren beschouwen als een prentenboek;
en toen hij ouder geworden was en zich de berijmde vertellingen poogde
te binnenbrengen, waarmede men in het ouderlijk huis, op regenachtige
zondagen, hem den tijd had laten korten, was het hem toegeschenen dat
zeker ruw =sobriquet=, indertijd door Vondel uitgedacht, ongeveer de
geschiktste van alle bijnamen voor den eeuwigdurig amoureuzen
raadpensionaris was. Toch was het de hernieuwde kennismaking met een
langvergeten gedichtje van Cats, die hem Emma op dien avond zijne
liefde deed verklaren.

Wees billijk en erken dat het niet meer dan achtregelig versje van de
twee Gepaarde Schelpen een grooter meesterstukje is dan sommige
heldendichten. Die oudste panden, die tevens de beste zijn; die eerste
trouw, waar niets bovengaat,--er is in die eenvoudige woorden een
oneindige rijkdom van gevoel. Welk eene tragedie in het breken of
verloren gaan van die ééne schelp! Welk een wanhopig zoeken en kiezen,
of het gelukken mogt een plaatsvervanger te vinden! Op den bodem van
dat versje sluimert een gesmoorde zielekreet, en naar mate men zich of
in den eenen of in den anderen toestand verplaatst, ziet men, bij het
passen dier nimmer effen randen, nu eene jonge bruid zich op de knieën
werpen bij het lijk van haar verloofde, dan een man van jaren, die,
onder het storten van stille tranen, de gezellin van een half
menschenleven vol lief en leed met loomen tred naar hare laatste
rustplaats vergezelt.

Had de oude Visscher op dat oogenblik in André's gemoed kunnen lezen,
hij zou gejuicht hebben. "Heb ik het u niet gezegd, jong mensch van
den tegenwoordigen tijd? Hij was een dichter! En die dat medaljon
geteekend heeft, niet minder. Konventioneel, niet waar? die twee
handen, te voorschijn komend uit manchetten van tabaksrook, zou men
meenen. Mythologisch, fantastisch, hybridisch, al wat gij wilt. Doch
zie mij die vingers eens aan! Zijn zij niet bewonderenswaardig fraai?
Passen ze niet, zoo als gij zelf zoudt passen en meten, indien gij
twee schelpen bij elkander moest zoeken? Ziet gij dat leven in die
toppen? Voelt gij het bloed door die fijne aderen stroomen? Ik geef u
toe dat gij het land zoudt kunnen rondreizen zonder een zuiverder
afdruk te vinden dan dezen. Het exemplaar is misschien eenig in zijne
soort. Doch ziedaar, denk u eene gefatigeerde proef, eene gebrekkige
kopij misschien; denk zelfs de kleine prent geheel en al weg,--de
indruk zal niet vernietigd zijn, al is zij zwakker geworden."

De reden dat de oude heer Visscher dien avond niet in de gelegenheid
gesteld werd den vrijen loop te laten aan zijne bewondering, was dat
hij geene kennis kon dragen van hetgeen in zijne afwezigheid voorviel.
Op het oogenblik-zelf dat hij zich gereed maakte eene geliefkoosde
lektuur te hervatten (André stond in het andere vertrek, bij den
haard, niet ver van Emma), ontving hij een verzoek van zijne vrouw,
haar behulpzaam te willen zijn bij het maken van eenige toebereidselen
voor den dag van morgen. Hij rees weder op uit zijn gemakkelijken
stoel, tusschen de lamp en het vuur, en liep naar boven. En zoo
geschiedde het dat Vader Cats ongeopend op de tafel bleef liggen.

Het vooruitzigt, veertien eindelooze dagen achtereen in dit barre
jaargetijde de zonnestralen van Emma's tegenwoordigheid te zullen
moeten missen, maakte André zenuwachtig, en toen hij met haar alleen
in het vertrek gebleven was, overviel hem een gevoel van verlegenheid,
sterker dan hij in haar bijzijn nog ooit bij zichzelven had
waargenomen. Wat zou hij niet gegeven hebben om te weten hoe zij over
hem dacht! Het scheen onnatuurlijk dat zij in het geheel niet zou
hebben opgemerkt hoe zij hem aantrok. Sedert lang meende hij, moest
zij tot het bewustzijn, of althans op het vermoeden zijn gekomen dat
hij haar liefhad en zij naar welgevallen met hem handelen kon. En
toch, hoewel zij geene drie schreden van hem af op de kleine sofa zat
en hij de minste harer bewegingen kon gadeslaan; hoewel geen lach om
haar lippen spelen, geen wolkje over haar voorhoofd drijven kon zonder
dat hij het gewaar werd; hoewel hij de steken zou hebben kunnen tellen
van het borduurwerk in hare hand,--de gevoelens, die haar vervulden,
schenen hem eene ondoordringbare verborgenheid. Was het haar om het
even dat hij alleen achterblijven zou? Gaf zij niet om hem? Zou zij
hem glad vergeten zijn, wanneer de muziek in den schouwburg om haar
henen zou ruischen, of haar vader haar met zich medenemen zou naar het
muzeum, of zij met hem en met hare moeder in het besneeuwde park zou
gaan wandelen om de sledevaart te zien voorbijsnellen? Zoo volkomen
onkundig te zijn van hetgeen hem de hoogste belangstelling inboezemde;
aan haar gelaat zoo min als in hare houding iets te kunnen bespeuren
dat al ware het slechts eene schemering in deze hopelooze duisternis
geleek,--maakte hem te gelijk schroomvallig en ongeduldig. Hij
beproefde iets tot haar te zeggen; maar de periode der banaliteiten
was voor hem voorbij. Hij moest òf zwijgen; òf datgene zeggen wat hij
niet uitbrengen kon zonder zijn geheele leven op ééne kaart te zetten.

Tot dit laatste ontbrak hem de moed, en om het eerste iets minder
onnatuurlijk en gedwongen te doen schijnen, nam hij de toevlugt tot
iets onnoozels: hij ging de =Anatomische les= staan opnemen; daarna den
=Schuttersmaaltijd=; daarna de =Schaakspelers=. Doch die afleiding baatte
niet, en hij had een gevoel alsof hij geblinddoekt langs den wand liep
te tasten. Toen hij aan de portière genaderd was, die de plaats eener
porte-brisée verving, zou hij hebben willen omkeeren en zich weder
naar de kanapétafel hebben willen begeven. Nuttelooze poging! Emma zat
steeds op dezelfde plaats, in dezelfde houding, en bekommerde zich
blijkbaar meer om haar borduurwerk dan om zijne hartsgeheimen. Nog
ééne schrede, en hij bevond zich in de kamer van haren vader. Zou hij
belangstelling veinzen in den bronzen Shakespeare op de pendule? In
den buste van Bilderdijk, met den vermaarden tulband om de slapen, die
op den hoogsten top der middelste boekenkast rustte? In het medaljon
met gouden rand, achter welks glas eene roos van het graf van
Washington bewaard werd? In het andere medaljon, met het profiel van
Dante in bas-relief van zilver, waarboven een kleine ivoren arend de
vleugelen uitsloeg? Het beste was, dat hij zich op den grootst
mogelijken afstand van Emma nederzette in haar vaders fauteuil, of op
een stoel daarnevens, en eene soort van =contenance= borgde door zich
voor de leus in Cats te verdiepen.

Eerst bezag hij het boek aan de buitenzijde: het was een exemplaar der
oorspronkelijke kwarto-uitgaaf, beroemd om de schoonheid en zuiverheid
der platen. De band zag donkerbruin, gelijk een band van meer dan twee
honderd jaren betaamde, doch was overigens volkomen gaaf en op het
plat versierd met een verguld wapen in een vergulden rand. Het
exemplaar scheen oorspronkelijk het eigendom geweest te zijn van een
stedelijk bestuur uit de dagen der Republiek; althans, André herkende
het wapen, en toen hij het schutblad opsloeg, trof hij eene door Cats
zelven geschreven en eigenhandig door hem onderteekende opdragt aan,
waarin melding gemaakt werd van aan den dichter bewezen diensten en
van eene voor hem daaruit voortgevloeide verpligting tot
erkentelijkheid. Des noods zou hij Emma zijne belangstelling in deze
bijzonderheid hebben kunnen mededeelen en op die wijze een gesprek met
haar hebben kunnen aanknoopen; doch hij begreep juist van pas, dat zij
de bedoelde inscriptie ongetwijfeld van buiten kende en haar vader
haar de lotgevallen van dit boek stellig meermalen haarklein verhaald
had. Hij bleef dus zwijgen en bezag de titelprent en, daartegenover,
het portret van den dichter. De uitdrukking van het gelaat beviel hem
niet, doch hij wist niet regt om welke reden, en vreesde Emma te
zullen kwetsen indien hij iets zeide ten nadeele van een van haar
vaders huisgoden, of zich zelven in hare schatting te zullen
benadeelen, indien hij zich aan eene ongegronde en welligt onbekookte
aanmerking waagde.

Hij zou gaan lezen, doch moest het voorkomen aannemen, alsof hij
slechts feuilleteerde. De eene bladzijde voor, de andere na, werd half
gedachteloos omgeslagen. Toen hij aan den =Spiegel= genaderd was, begon
hij eenigzins ruimer adem te halen. De verzen en versjes in die
afdeeling vond hij mooi, mooijer dan de dichtproeven in sommige
vroegere afdeelingen; mooijer vooral dan hij gedacht zou hebben,
wanneer hij met zijne kinderlijke herinneringen te rade ging. Het had
hem meermalen verwonderd dat een man van zulk een geoefenden smaak als
Emma's vader zich bijwijlen een geheelen avond vermaken kon met Cats
te lezen. Die bevreemding week nu allengs naar den achtergrond. Men
had hem geleerd dat ons vaderland, in de dagen van zijn tierigsten
bloei, vier voorname dichters had voortgebragt, waarvan Vondel de
grootste en Cats de minste was. Hij had zich echter nooit afgevraagd,
of die lagere plaats niet nog altijd eene eereplaats verdiende te
heeten, en of men niet inderdaad een zeldzaam vernuft geweest moest
zijn om van geslacht tot geslacht in den mond van een geheel volk te
blijven voortleven, en in binnenkameren dier natie, al behoorde deze
niet tot de ontwikkeldsten, of al zou men de atmosfeer in dat
heiligdom gaarne van tijd tot tijd ververscht gezien hebben, om zoo te
zeggen tot een spreekwoord te worden. En hoe was Cats aan die in zijne
dagen en voor zijne landgenooten geheel nieuwe onderwerpen en vormen
gekomen? De oude heer Visscher beweerde, dat Cats groote verpligtingen
had gehad aan den schrijver van =Don Quyote=, en men een geheel
menschenleven allergenoegelijkst zou kunnen doorbrengen met na te
gaan, welken invloed de oud-spaansche litteratuur op de
oud-nederlandsche had uitgeoefend. Was die uitspraak het gevolg eener
blinde vooringenomenheid, gelijk men bij dilettanten pleegt aan te
treffen, of steunde zij op deugdelijke gronden? André wist het niet.
Die =Spiegel van den ouden en nieuwen Tijd= was in elk geval doorweven
met spaansche spreekwoorden en aanhalingen uit spaansche dichters. Dat
waren trouwens ook de zinne- en minnebeelden van =Proteus= en van de
=Maagdenpligten=, die hij eerst een weinig verwaarloosd had en waartoe
hij nu terugkeerde.

Veel sneller dan eene pen over het papier kan gaan, volgden in zijnen
geest deze indrukken en herinneringen elkander op. Zijn eigen oordeel
sliep in; de ingenomenheid van Emma's vader deelde zich aan hem mede;
Cats was op dit oogenblik voor hem de grootste dichter der wereld; en
toen hij in diezelfde =Maagdenpligten=, die hij vroeger òf
onverstaanbaar, òf ongezouten, òf alleen ouderwetsch en potsierlijk
gevonden had, het versje der gepaarde schelpen aantrof, lette hij noch
op dat die schelpen wel wat al te veel op notendoppen geleken, noch
dat ditzelfde gedichtje ook op twee andere plaatsen, in vrij wat
minder ideale bewoordingen te lezen stond, maar verslond het met de
oogen, nam het op in zijn hart, en riep in geestvervoering uit: "God,
hoe schoon!"

Zijn gemoed was eensklap in een speeltuig verkeerd, waaraan eene
onzigtbare hand de liefelijkste toonen ontlokte, en eer Emma wist wat
hem overkwam, stond hij nevens haar, had hare hand gegrepen, en deed
hij dien éénen worp waarvan alles afhing. "Emma," zeide hij, zijne
schepen in brand stekend en haar voor het eerst bij haren doopnaam
noemend, "ga in 's hemelsnaam niet ver van hier zonder gezegd te
hebben hoe gij over mij denkt. Ik heb u te lief om u te kwellen, en
indien uw hart reeds aan een ander behoort (maar dat is immers zoo
niet?), of ik niets meer voor u ben dan iemand die bij uwe ouders aan
huis komt, zijt gij de laatste op wie ik mij over die teleurstelling
wreken zal. Weet alleen dat ik alles doen wil om u gelukkig te maken.
Mijn leven lang zal ik u dienen en wil ik voor u werken."

Moet men eene tweede of derde liefde achter den rug hebben om met
grond te mogen beweren dat niets boven de eerste gaat? Met een
minachtend schouderophalen zou André, indien zij hem gedaan was, op
die vraag geantwoord hebben. Hij vergeleek niet, en kon niet
vergelijken, maar genoot. Wat ging het hem aan, dat zijne woorden,
indien men ze opgeschreven had in een boek, door de eenen stijf, door
de anderen sentimenteel, door nog anderen belagchelijk zouden gevonden
zijn? De maatschappelijke toovercirkel, waarbinnen Emma tot hiertoe
voor hem gebannen geweest was, was nu verbroken. Hij had hare hand
durven aanraken, haar Emma durven noemen, haar durven spreken over
zichzelven; en ofschoon hij nog niet wist, of gissen kon, hoe haar
antwoord luiden zou, doorstroomde hem reeds nu een onuitsprekelijk
gevoel van welbehagen. Was dat gevoel zwakheid? Was het kracht? Het
scheen een mengsel te zijn van beiden. Had hij eene rol gespeeld, hij
zou het vernederend hebben moeten vinden, te bedelen om een jawoord;
en onder den indruk dier pijnlijke gewaarwording zou dat jawoord-zelf
al zijne betoovering voor hem verloren hebben. Of is een man, voor het
minst, niet even goed als eene vrouw, en is het eene aanbod het andere
niet waard? Thans daarentegen was hij als die Edelen uit den
Spaanschen tijd, wier fierheid en onafhankelijkheid zich openbaarden
door het aanbieden van een smeekschrift. Ook hij had eene Hertogin van
Parma tot meesteres gekozen van zijn lot; doch omdat die abdikatie de
uiting was van een zuiver gevoel, maakte zij hem gelukkig, in stede
van verdrietig. Was hij een Hollander? Heette hij André Kortenaer?
Teekende hij zich civiel-ingenieur? Hij had even goed een Duitscher en
fabrikant van kinderspeelgoed kunnen zijn, meende hij; of een
Engelschman en correspondent van de =Times= voor de expeditie naar
Abyssinie; of een Franschman en klarinettist in het orkest der groote
opera te Parijs. Hetgeen hem op dit oogenblik overweldigde was niet
datgene wat hem van andere jonge mannen in eene soortgelijke positie
als de zijne onderscheidde, maar wat hij met hen gemeen had en zij met
hem. Er is in zulke onpersoonlijke gewaarwordingen iets weeks, iets
waarvan pathos de aangeboren spreek- en schrijftaal is; doch tevens
iets magtigs en verheffends. Ook de zee schijnt een verwijfd element,
wanneer aan den avond van een heeten zomerdag hare golven zuchtend
breken op het strand; en toch zou zelfs een stoomwerktuig van duizend
paardenkrachten niet in staat zijn, over eene noemenswaardige
uitgestrektheid die wellustig ademhalende watermassa te verplaatsen of
hare deining gedurende slechts één sekonde te keer te gaan...


Geheel Duinendaal had voorspeld dat het op die wijze eindigen zou; en
toen Emma, tegelijk met de lente, teruggekeerd was uit de stad, en men
op Palmzondag, bij het aan- en uitgaan der kerk, haar aan André's arm
voorbij had zien wandelen, waren in- en opgezetenen om strijd van
oordeel geweest, dat de zaken haren behoorlijken loop genomen hadden.
Hoe jammer zou het zijn, indien ons genoegen door zulke voorspellingen
bedorven werd! Doch dit behoeft niet, en nergens staat geschreven dat
onze vreugde, om onvermengd te mogen heeten, volstrekt eene verrassing
moet zijn voor onze medemenschen. Op Belvedere althans was men er te
gelukkiger om, dat alles natuurlijk in het werk gegaan was, en niemand
te dien huize treurde er over, dat de menschelijke aard zichzelven
niet verloochend had: André niet, omdat hij nimmer uit eigen beweging
naar het avontuurlijke getaald zou hebben; Emma niet, omdat zij aan
hetgeen thans omging in haar gemoed reeds stof te over tot
aandoeningen bezat; hare ouders niet, omdat die uitkomst hun het
welgevalligst was, waarvan de geheele wereld getuigen moest, dat zij
sprekend op eene vergoeding geleek.



DERDE HOOFDSTUK.


De te weinig gekende indische hoofd-officier met tweejarig verlof
wegens ziekte, die, als proeve van koloniale orthodoxie omtrent de
waarde van het menschelijk individu, aan eene open tafel het leerstuk
verkondigde, dat in deze wereld "eene jonge jufvrouw meer of minder er
niet op aankomt,"--er was spraak geweest van eene twintigjarige van
goeden huize, gestorven van verdriet over de trouweloosheid van haren
bruidegom,--was een schrander, een expeditief, een onbetaalbaar man.
Sprak het van zelf dat de liefde van een jong meisje eene
aangelegenheid is, niet waardig vergeleken te worden bij kwestiën als
de romeinsche of de oostersche, als die van het lager-onderwijs of van
de uitgifte van gronden in erfpacht op het eiland Java,--hoe eenvoudig
zou in dat geval de mechaniek van ons leven zijn, en met welk eene
ligtgeladen mars op den rug zouden wij menschen dan het einde der reis
kunnen halen!

Doch hoe veel licht de gebasaneerde kolonel, wiens naam hier met opzet
verzwegen wordt, =entre la poire et le fromage= ook verspreid moge
hebben over een der neteligste sociale vraagstukken van dezen en van
den toekomenden tijd,--er zou door hem aan de zamenleving eene grooter
dienst bewezen zijn, indien hij het probleem niet slechts doorgehakt,
maar ook opgelost had. Dat het op eene jonge jufvrouw meer of minder
niet aankomen zou, is eene stelling waartegen al hetgeen in de borst
der gezamenlijke jongejufvrouwen is, zich krachtig en met reden
verheft. Want ofschoon men niet gewoon is, veel waarde te hechten aan
de uitspraak van personen die als regter en partij in hunne eigene
zaak optreden, het instinkt van het zelfbehoud is meer dan enkel
magtig: het is ook regtmatig. Indien één enkel meisje, daartoe
bewogen door gevoelens waarvan zij aan de geheele wereld rekenschap
zou durven geven, in vollen ernst erkende, zonder schade gemist te
kunnen worden, zou het krediet der geheele vrouwenwereld daardoor een
gevoeligen stoot ontvangen; zoo gevoelig, dat men vragen mag, of bij
déze katastrofe vergeleken, zelfs de ineenstorting van het turksche
Rijk niet op hare beurt een voorval van ondergeschikt belang zou
schijnen?

De meening van den indischen hoofd-officier is inderdaad geheel en al
verwerpelijk, en zelfs het eenige wat men zou kunnen aanvoeren tot
hare verdediging, houdt welbezien geen steek. Het is zoo, vele mannen
hebben er belang bij, de onontbeerlijkheid der jonge dames, hoofd voor
hoofd, niet boven alle verdenking verheven te achten; en misschien zou
hun geweten luider spreken dan dienstig is voor hunne rust, indien de
tegenovergestelde zienswijze al te zeer bij hen voor een axioma gold.
Het is derhalve goed, kan men zeggen, dat te dien aanzien op deze
wereld een weinig scepticisme heerschte, daar anders het verblijf hier
beneden te eenemaal ondragelijk worden zou voor een groot aantal
individuen van het sterker geslacht, wier regt van bestaan niet
volstrekt ontkend kan worden zonder tevens dat van sommige vrouwen
betwistbaar te doen schijnen. Ook de vrouwen-zelven dragen er
zijdelings toe bij om de stelling van den kolonel van een gedeelte
harer barbaarschheid te ontdoen. De overtuiging toch van hare
onmisbaarheid blijkt bij haar veel minder levendig te zijn, wanneer er
spraak is van hare zusters, dan wanneer het haarzelve geldt, en zelfs
zal, zoo lang de jaloezie niet ophoudt eene vrouwelijke eigenschap te
zijn, het geval zich kunnen voordoen dat van twee dames, in
oogenblikken van opgewektheid, de eene het bestaan der andere als eene
volkomen overbodige zaak beschouwt. Dit alles bewijst evenwel slechts,
dat geene meening zoo valsch is, of men kan, met een weinig
inspanning, daaruit eenige druppels waarheid distilleren.

Had men Emma Visscher gevraagd, hoe het bij haar met het geloof aan
hare eigen onmisbaarheid gesteld was, vermoedelijk zou zij den vrager
hebben aangezien met een eenigzins verontwaardigden, een aan
minachting grenzenden, maar daarom niet minder bekoorlijken blik.
Mogelijk ook zou zij eene schuddende beweging hebben gemaakt met haar
welgevormd kopje, als iemand die zich aangerand gevoelt in zijne
verborgenste gedachten, en zouden hare lange blonde krullen daardoor
voor eene wijl met bevallige waardigheid hare zedige rust verlaten
hebben. Ware de vraag haar gedaan in den tuin, bij het wandelen om de
bloemperken, misschien zou zij zich van den inquisiteur hebben
afgewend met een gevoel van beminnelijken onwil en voor de leus al
hare aandacht hebben gewijd aan haar vaders rozen. Had de
onbescheidene zich toevallig alleen met haar bevonden in de zitkamer,
terwijl haar vader van huis en hare moeder bezig was de laatste hand
aan haar toilet te leggen, misschien zou zij in de volle lengte harer
sylphide-taille opgerezen zijn, en aanstalten hebben gemaakt om het
vertrek te mijden, en den indringer alleen gelaten hebben met de
wetenschap, dat hij zich hare benijdenswaardige ongenade op den hals
gehaald had. En zelfs al ware bij die gelegenheid geene enkele syllabe
over hare lippen gekomen, zij zou door haar voorbeeld hebben getoond,
dat zwijgen het beste antwoord op sommige vragen is. De schoonheid der
vrouwen toch is een alles afdoend argument tot regtvaardiging van het
vrouwelijk bestaan, en Emma was nooit schooner dan in de korte
oogenblikken dat een begin van toorn zich van haar meester maakte.
Andere jonge meisjes zijn het innemendst, wanneer zij hartelijk om
iets lagchen; vooral wanneer de eene of andere daad van mannelijke
linkschheid het mikpunt van hare vrolijkheid is. Doch Emma miste het
talent van te kunnen schertsen met hetgeen haar hinderde. Wanneer zij
zich stootte aan eene onbescheidenheid, werd niet haar vernuft het
eerst opgewekt, maar hare drift. En dit eigenaardige beschermde haar
tegen het ongerief dier blooheid, welke anders met gelijkmatige
karakters en gevoelige harten pleegt zamen te gaan. Het schoonste
vrouwengelaat is ontsierd zoodra zich daarop eene tint van
verlegenheid vertoont; en dit zal de reden zijn dat verlegenheid de
aandoening is, welke schoone vrouwen, en zelfs minder schoone,
zorgvuldiger zoeken te verbergen dan eenige andere. Niets daarentegen
tooit zoo zeer een anders effen gelaat als eene opwelling van edelen
toorn. In den regel teekende Emma's uitzigt meer gevoel dan
hartstogtelijkheid. Er was niets in haar ligchaamsbouw waardoor Rubens
zich opgewekt zou hebben gevoeld, haar tot model voor eene zijner
vleezige heiligen te kiezen; niets in haar oogopslag, dat niet van
geduld en vertrouwen gewaagde. Haar tengere gestalte scheen tot
iederen man het verzoek te rigten, haar zoo mogelijk te ontzien en
haar in geen geval te vertreden. Zij zag er veel te gezond en te
levenslustig uit om onder de fijne popjes gerekend te worden; en toch
zou een Parijsch fabrikant van porceleinen tafelserviezen, indien hij
haar had moeten inpakken en verzenden, zonder fout op de buitenzijde
van den lieven last voor het woord =fragile= hebben gezorgd. Doch
wanneer zij driftig werd, week die indruk plotseling naar den
achtergrond. Dan was het of zij gereed stond een fier en ongeduldig
paard te bestijgen, en met hare kleine vuist een zwaard te omklemmen
of eene banier omhoog te heffen, en voort te rennen naar den top van
een heuvel, en bevelen te geven aan eene hare wenken verbeidende
schaar van wrekers aan haren voet. Aan eene vrouw van rijper leeftijd,
met een imposant voorkomen en een van nature gebiedenden oogopslag,
zou dergelijke geestvervoering misstaan hebben; het zou eene
buitensporigheid zijn geweest, en door die overdrijving zelve zou de
betoovering geweken zijn. Doch in Emma--zoo waar is het, dat de
hoogste schoonheid uit eene gelukkige vereeniging van tegenstrijdige
hoedanigheden bestaat, en niets daarentegen haar zoo zeer benadeelt
als zich gestadig in dezelfde rigting te bewegen en telkens haar
laatste woord te spreken,--in Emma behaagde die krijgshaftigheid omdat
zij verraste, en omdat weinig dingen ons zoo aangenaam aandoen als het
ontdekken van kracht, waar wij zwakheid, of van bezieling, waar wij
koelheid onderstelden.

De liefde is te allen tijde voor de moralisten, ook al wilden zij het
niet bekennen, de kwadratuur van den cirkel geweest; en toen Agur, de
zoon van Jake, haar even onnaspeurlijk noemde als den weg van het
schip door de zee of van den arend door de lucht, was hij opregter dan
sommige andere wijzen na hem. Men waant een voor een de redenen te
kunnen opsommen, waarom dit of dat meisje de vrouw of de bruid
geworden is van dezen of genen man; men verbeeldt zich, het kluwen in
de hand te houden, welks draad met onbedriegelijke zekerheid den weg
doet vinden in hetgeen de domme menigte eenen doolhof noemt; men
verzamelt zeker aantal feiten, eer te veel dan te weinig, leidt
daaruit de noodige gevolgtrekkingen af, en eindigt met zegevierend uit
te roepen: Ziehier een volkomen zuiver zielkundig proces; zoo is het
gegaan; het kon niet anders!--Doch wordt de zaak op den keper
beschouwd, dan blijkt die fijne zielkundige analyse weinig
diepzinniger te zijn dan het gulle volksgeloof, hetwelk de huwelijken
in den hemel laat sluiten. Aan het einde van elk onderzoek naar het
waarom der liefde staat een vraagteeken! en wie dit laatste waarom
niet opmerkt, of beweert dat het niet voorhanden is, kan zich
overtuigd houden dat hij te weinig aandacht geschonken heeft aan het
eerste.

Doch wie niet sterk is, zij slim, en wie een vraagstuk niet oplossen
kan, verschuive het. Waarom was Emma, waarom was zij niet boos
geworden, toen André dien avond hare hand gegrepen en haar bij haren
doopnaam genoemd had?... Jonge heeren, luidde in gewone omstandigheden
hare jonkvrouwelijke dogmatiek, mogten een meisje het hof niet maken
(André nu hád haar het hof gemaakt), indien zij geene positive
bedoelingen koesterden; en zij wist voorbeelden te over van meisjes
wier leven verbitterd was geworden, omdat zij op goede gronden en
niettemin te vergeefs geloofd hadden, het voorwerp van onbedriegelijke
onderscheidingen geweest te zijn. Zoo waren de vrouwen, en daar kwamen
de ongelukkige huwelijken van. Men werd teleurgesteld in de billijkste
verwachtingen, en nam dan naderhand, uit redenering of uit
baloorigheid, de hand aan van een man dien men niet liefhad. Vandaar
die kerkhoven vol bezweken huishoudsters, op wier onwaarheidlievende
grafsteenen te lezen stond dat zij echtgenooten geweest waren.
Derhalve (een vrouwelijk =atqui ergo=, want ook die zijn er!), al had
zij André niet liefgehad, zou hij, meende Emma, haar niettemin hebben
moeten vragen. Die zegepraal was volgens haar stelsel de
bescheidenste, waarmede hare jeugd, hare schoonheid, hare teederheid
vooral, zich vergenoegen kon; en indien hij niet geëindigd was, haar
een bepaald voorstel te doen, of voor het minst te laten doorschemeren
dat het plan daartoe bij hem bestaan had, zou zij die nalatigheid
kwalijk genomen en op grond daarvan den schuldige gehaat hebben. Doch
zij beminde hem, en dit was eene nieuwe en alles afdoende reden
geweest om niet toornig te worden over zijne vrijpostigheid. Haar had
niet het meest geïntrigeerd hoe zij zich houden zou, indien hij te
eeniger tijd vertrok zonder iets bijzonders tot haar gezegd te hebben,
maar hoe het haar bevallen zou, indien hij haar in tijds van zijne
bedoelingen kennis gaf. En zij had niet kunnen loochenen dat zij dit
aardig vinden zou. Het denkbeeld, mevrouw Kortenaer te worden, stuitte
haar in het minst niet tegen de borst; en met meer kennis van het
vrouwelijk gemoed, dan hij op dit oogenblik nog bezat, zou André
begrepen hebben dat zij minstens even gunstig dacht over hem als hij
over haar. Doch hierin had zij hare meerderheid getoond, dat noch hij,
noch haar vader iets van hare ware gevoelens bespeurd had en zelfs de
scherpzinnigheid harer moeder daarin bijna te kort geschoten was. Ware
André eenige maanden later, na het hem opgedragen werk voltooid te
hebben, afscheid komen nemen op Belvedere als een broederlijk vriend,
met een dier handdrukken gelijk een hartelijk man, indien hij een
liefhebber is van de jagt, somtijds ook wel aan zijn Pluto of zijne
Juno geeft, hij zou op Emma's gelaat geen zweem van teleurstelling
ontdekt hebben; zou aan niets gewaar geworden zijn, hoe diep hij haar
gegriefd had; zou te goeder trouw in den waan hebben verkeerd, dat hij
haar betrekkelijk even onverschillig was als zij hem. Zelfs nog
geruimen tijd nadat hij geleerd had Emma te kussen en door haar gekust
te worden, en hij een tweede Thomas had moeten zijn om te kunnen
twijfelen aan hare wederliefde, was het hem alsof hare genegenheid
voor hem eerst had gedagteekend van het uur, waarop hij haar gesmeekt
had zijne vrouw te willen worden. Niet dat hij zich zelven aanmerkte
als den schepper, of ook maar als den ontsteker van het vuur waarmede
zij zijne liefde beantwoordde; maar hij kende de vrouwen niet, of had
te afgezonderd geleefd en te weinig romans gelezen. Eerst later,
hoewel altijd nog vroeg genoeg,--"want geene vrouw kan te voorzigtig
zijn met hare bekentenissen,"--doorzag hij Emma's geveinsdheid en
leerde hij de kracht bewonderen van een gevoel, dat liever levend
begraven zou willen worden dan zichzelf verraden.



VIERDE HOOFDSTUK.


De dagen hunner verloving waren tot hiertoe regt genoeglijk geweest.
Hij was haar gaan voorstellen aan zijne ouders, aan den oom van
moederszijde, aan nog andere bloedverwanten en goede bekenden; en elke
dier formaliteiten had tot voorwendsel gediend voor korter of langer
afwezigheden =à deux=. De vaderlandsche zeden gedogen in dit opzigt eene
vrijheid die met veel verzoent, al zou zij een Franschman doen
meesmuilen. Mits een engagement bij ons,--en dat van André en Emma was
bestemd, om binnen het jaar te eindigen,--niet te lang duurt, is het
op één na de zonnigste tijd van iemands leven. Men geniet nog niet al
de beneficien van het getrouwd-zijn, doch des te zaliger is men in
hope; en sedert het openen van Pandora's doos weet ieder hoe oneindig
veel dit laatste zeggen wil. Voor duizenden komt een tijd dat zij zich
afvragen, of de helft niet inderdaad meer dan het geheel, en =bijna=
volkomen gelukkig te zijn niet het verste punt is waartoe een mensch
het brengen kan. Doch in de dagen der verloving is die tijd ook voor
hen nog ver verwijderd; zij weigeren te gelooven dat hij immer komen
zal, en baden zich onderwijl in de weelde van het zegevierend =à peu
près=.

Overal waar André zich met haar vertoond had, was Emma in den smaak
gevallen. Zelfs de erfoom, een gevreesd man in de familie, was
vriendelijk voor haar geweest, en omdat zij niet wist dat André van
die zijde, achter haren rug en om harentwil, eene onaangename
korrespondentie had moeten verduren, werd voor haar het genoegen
zijner voorkomendheid door niets bedorven. De wereld is minzaam voor
gelieven. Zij schenkt hun een deel derzelfde aandacht waarmede zij
novellen verslindt, en betaalt in den vorm dier hulde de pasmunt van
den tol, waarop de alles beheerschende hartstogt van oudsher aanspraak
maakt. Dezelfde vrouwen, die het woord liefde niet overluid durfden
uitspreken en zich als surrogaat daarvoor in den dagelijkschen omgang
van allerlei gefranciseerde omschrijvingen bedienden, ontvingen Emma
met eene gelukwensching in den blik en een bemoedigenden glimlach op
de lippen;--niet omdat zij niets hadden af te dingen op haar
uiterlijk, of haar toilet, of haar bruidegom, maar omdat zij een
bruidegom had. Oude vrijsters, meent gij? Neen, maar gehuwde vrouwen
van allerlei leeftijd, met deftige matronen aan de spits. Elke vrouw,
heeft Salomo kunnen zeggen, gelooft aan de mogelijkheid van een roman,
en meent, zoo vaak een geëngageerd meisje bij haar binnentreedt, een
hoofdstuk uit dat boek levend te zien verschijnen.

Doch de tijd der bezoeken en der vliegreisjes was nu voorbij; de
laatste Julijdag neigde ten ondergang, en den 1sten Augustus zou de
directie van André's maatschappij den feestelijken openingsrid doen
over den nieuwen weg en de nieuwe brug. Zijn vader was voor die
plegtigheid overgekomen, ten gevolge waarvan het gezelschap, in den
avond voor het aanbreken van den gewigtigen dag, één persoon sterker
was dan gewoonlijk. Emma en André drentelden de kleine plaats op en
neder; de twee oude heeren zaten een sigaar te rooken onder de
verandah; mevrouw schonk thee in de benedentuinkamer, wier
openstaande glazen deuren haar des zomers met de verandah één geheel
deden uitmaken. Achter Lydia, boven een breed buffet, hing het portret
van Reinier; zoodat André's vader het hoofd niet omwenden en het woord
niet rigten kon tot de gastvrouw, zonder dat telkens zijn oog op die
beeldtenis viel.

Er zwierf door de wereld een jonkheer Lodewijk Kortenaer, die
gedurende eenigen tijd op een dorp van naam ontvanger der openbare
middelen geweest was en toen wegens misbruik van vertrouwen weggejaagd
was geworden uit 's lands dienst. Volgens de eenen had die jonge man,
André's oudere broeder en de eerstgeborene uit het geslacht, na zijne
verwijdering uit Nederland dienst genomen bij het algerijnsche
vreemden-legioen; volgens anderen was hij, na met een troep
paardrijders naar Australie vertrokken te zijn en te Sydney of te
Melbourne als onder-pikeur gefungeerd te hebben, voor het laatst
aangetroffen in een hôtel te San Francisco, in Californie, waar hij
bij gebrek aan beter de betrekking van kellner waarnam. Eerst was het
gering fortuin der ouders heengegaan aan het bedekken der misdaden van
dien Lodewijk, en toen zij al hunne bezittingen voor hem opgeofferd
hadden, was hij geëindigd met ook een smet te werpen op hunnen naam.
Doch die verloren zoon was eenmaal jong en onschuldig geweest; toen
hij een kind was, had zijne moeder hem des avonds toegedekt met
dezelfde zorgvuldigheid en liefde als daarna al hare andere kinderen;
jaren achtereen had zijn vader, wanneer 's middags de klok vier uur
sloeg, hem afgehaald van de school en was keuvelend met hem naar huis
gewandeld. Ouders onthouden zulke dingen. Vraagt men hun echter,
wanneer hun kind naderhand slecht geworden is, of het waken voor een
leven, bestemd om dus te eindigen, huns inziens niet eene weemoedige
spotternij geweest is, dan is het of die vraag weerklank bij hen
vindt. De dood is beter dan het leven, denken zij dikwijls; en zij
beschouwen andere ouders, die treuren over het verlies van volwassen
kinderen, als onverstandigen. Er was iets van dat gevoel in den blik
dien de oude heer Kortenaer, wanneer hij het hoofd omwendde, liet
rusten op het portret van Reinier; doch die blik was in zijnen weemoed
tegelijk zoo zachtzinnig, dat niemand er aanstoot aan nemen kon.

Het gesprek tusschen de twee vaders vlotte niet. Toen Figaro het
huwelijk de potsierlijkste van alle ernstige zaken noemde, heeft hij
ongetwijfeld niet uitsluitend aan de twee hoofdpersonen bij het
voltrekken dier verbindtenis gedacht; en indien het waar is dat een
onverschillige niet zonder een glimlach getuige zou kunnen zijn van de
eerste ontmoeting tusschen twee dames van leeftijd wier kinderen man
en vrouw zullen worden, zal er ook wel iets van aan zijn, dat in een
soortgelijk geval twee min of meer bejaarde mannen, die elkander tot
op een gegeven oogenblik volkomen vreemd gebleven zijn, eene voor de
wereld welligt amusante, doch voor hen zelven minder aangename
verlegenheid ondervinden, wanneer zij voor de eerste maal, in het
gevoel der nieuwe betrekking die weldra tusschen hen ontstaan zal, een
sigaar zitten te rooken onder een verandah. Zonder elkander aan te
zien nemen zij elkander nogtans wederzijds op; zij verdenken elkander
niet, doch zouden er niettemin vrij wat voor over hebben om van
elkander iets meer te weten; zij pogen in de toekomst te lezen, en
vragen zich zwijgend af: Wat zal eenmaal mijn zoon, wat zal mijne
dochter, indien het er vroeger of later op aankomt, wat zal hij of zij
hebben aan dien Chremes daar tegenover mij?

--"Dat is het portret van onzen zoon, dien wij verloren hebben," zeide
Lydia, toen zij, over haren schouder, den blik van André's vader op
nieuw naar de beeldtenis boven het buffet zag dwalen.

Hij schrikte min of meer van die noodelooze toelichting, want André
had hem te vaak van Reinier verhaald, dan dat hij, ook zonder nadere
aanduiding, niet aanstonds begrepen zou hebben, wien het portret
voorstelde. Met een gevoel alsof zijn omzien eene daad van
onbescheidenheid geweest was, wilde hij de eene of andere
konventionele verontschuldiging aanvoeren; doch Lydia bespaarde hem
die moeite:

--"De dood van dien lieven jongen," ging zij voort, "is voor ons een
onuitsprekelijk groot verlies geweest. Somtijds dachten onze vrienden
dat wij te veel van hem vergden, omdat hij zulke buitengewone
vermogens had; andere zeiden, dat wij zwak voor hem waren en hem in
alles zijnen gang lieten gaan. Zij deden hem onregt. Indien iemand hem
heeft bedorven, ben ik het geweest, door te dulden dat hij mij op de
wandeling den arm aanbood en mij voor zijne zuster liet doorgaan, of
door te luisteren naar zijne dwaze verhalen en hem al mijne geheimen
te vertellen; doch hij was te goed om zich op éénig ding iets te laten
voorstaan of ergens misbruik van te maken. Nooit werd in huis
hartelijker gelagchen dan wanneer wij onder elkander waren en Reinier
op zijn dreef was."

Bij die moederlijke lofspraak, waarin al het licht op het gemoed van
den jongen doode viel en zijn genie in de schaduw bleef, zag de oude
heer Kortenaer nogmaals op naar het portret. Het was geene schilderij
in olieverf, maar eene groote teekening in zwart krijt of
oost-indische inkt, door een ouderen kameraad vervaardigd naar eene
fotografie. Het stelde Reinier voor in atelier-kostuum, met de armen
over de borst gekruist, op een derde of vierde der natuurlijke
grootte. Het enge wambuis van gebreide wol, laag uitgesneden om den
hals, deed hem in de verte op een jongen athleet gelijken, met een
buigzamen malienkolder aan. De oude heer Aart Visscher, die de
fotografie haatte, beminde de beeldtenis van zijnen zoon, en vond de
oplossing dier kontradiktie in de omstandigheid dat de hand van den
jongen kunstbroeder, na Reiniers dood, tusschenbeide gekomen was en
eene hoogere wijding had gegeven aan het brutale lichtbeeld in
miniatuur. André's vader was geen kunstkenner, maar had gevoel voor
uitdrukking, en er sprak uit Reiniers konterfeitsel iets zoo
origineels en zoo levenslustigs, dat hij er de oogen niet van afhouden
kon. Misschien had zijne eigen zwakke gezondheid eenig aandeel in de
soort van afgunstige bewondering waarmede hij opzag naar de beeldtenis
boven mevrouw Visschers hoofd. Zulk een hals en zulke armen had hij
nooit gehad.

Werkelijk was de heer Kortenaer een klein en tenger man, met een
zachten blos op een fijnbesneden en bijna lelieblank gelaat. Het
eigenaardigst in zijn uiterlijk was, dat wanneer men hem in de verte
zag aankomen, men gewaand zou hebben een man van hoogstens veertig
jaren te zien naderen, terwijl hij er minstens zestig telde. Tusschen
hem en zijn zoon André was geen zweem van gelijkenis te bespeuren,
doch zonder dat de parallel daarom ten nadeele van een van beiden
behoefde uit te vallen. André zag er gezonder uit dan zijn vader en
had van zijne moeder sommige bevallige trekken geërfd, die de oude
heer Kortenaer miste. Doch wat distinktie betreft, won de vader het
misschien van den zoon. Op het tooneel of in de litteratuur zou hij
slechts bij uitzondering voor een type van den armen edelman hebben
kunnen doorgaan; kende men evenwel zijne omstandigheden en sloeg men
hem aandachtig gade, dan begreep men zonder moeite dat hij in zijnen
kring als zulk een type aangemerkt werd. Even onmogelijk als het was,
in zijne keurige kleeding eenig spoor van verval te ontdekken, even
duidelijk sprak uit zijnen van berusting getuigenden oogopslag de
levensgeschiedenis van iemand die met vele tegenspoeden had moeten
worstelen; en ofschoon men zijne blanke fijne handen slechts behoefde
aan te zien om met zekerheid te kunnen gissen dat nooit door die
vingers eenige grove arbeid verrigt was, zou niemand de mededeeling
verrassend of fabelachtig gevonden hebben, dat zij veertig jaren lang,
in dienst van den Staat, tabellen ingevuld en rapporten gesteld
hadden. Het is in deze wereld misschien niet aangenaam en stellig niet
profijtelijk, tegelijk een gevoelig hart, eene ledige beurs en het
voorkomen van een diplomaat te bezitten, en toch worden er vele mannen
aangetroffen met ronde aangezigten en gevulde buidels, die, uit het
oogpunt der esthetiek gezien, mogten willen, dat zij eenigzins in de
termen van den ouden heer Kortenaer vielen.


--"Welnu," vroeg Lydia aan haren man, toen zij eenige uren later hem
goeden nacht kuste en hij naar gewoonte nog eene poos bleef zitten
lezen in de huiskamer, "wat dunkt u van André's vader? Zal hij voor
Emma een goed schoonvader zijn?"

--"Zeg mij eerst uwe meening," antwoordde hij, "dan zal ik u daarna de
mijne zeggen."

--"Mij schijnt het toe, dat Emma het uitmuntend getroffen heeft. De
jongelieden, dit is zoo, zullen zich niet in weelde kunnen baden; doch
dat behoeft ook niet, en indien André fortuin had, of te wachten had,
zou hij Emma misschien niet gevraagd hebben. Inderdaad, ik zou niet
weten wat ik voor Emma meer of anders wenschen zou. Zij hangt aan
André met geheel haar hart; André is door en door een goede jongen, en
indien aan mijne gunstige meening omtrent hem nog iets ontbroken had,
zou de toon waarop zijn vader heden avond over hem sprak, en de kleine
trekken uit André's jeugd die hij ons verhaalde, mijn laatste
vooroordeel hebben doen verdwijnen. Ik vind den ouden heer Kortenaer
een allerbeminnelijkst mensch; zoo beminnelijk, dat het mijn begrip te
boven gaat, hoe die oudste zoon van hem zich zoozeer heeft kunnen
vergeten. Ik zou niet gedacht hebben dat het mogelijk was voor een
kind, het leven van zulk een vader te verbitteren."

--"En ik zou durven beweren, Lydia, dat voor de menschelijke
ondankbaarheid niets onmogelijk is. Men zegt, dat de jongelieden van
den tegenwoordigen tijd niet slechter zijn dan die van een vroeger
geslacht; mij schijnt het integendeel toe dat de tegenwoordige tijd
gekenmerkt wordt door eene zeer merkbare vermindering van het
ouderlijk gezag, die van zelf noodlottig werken moet op de levenswijs
der zonen. Er zijn te allen tijde, dat weet ik wel, deugnieten
geweest, die verdriet en schande gebragt hebben over het hoofd van
hunne ouders; doch zoo meen ik het niet. De mate van slechtheid onder
de jonge lieden is dezelfde gebleven, maar de onbeschaamdheid is
toegenomen. Doch gij moet naar bed, Lydia, en hebt met mijn gepruttel
niet van doen. Nu dan, ik ben het met u eens dat wij honderd redenen
van dankbaarheid hebben voor eene. Ook ik houd André's vader voor een
voortreffelijk man, en toen het ijs tusschen ons eenmaal gebroken was
en wij aan het praten gekomen waren, ben ik verwonderd geweest over
zulk eene schoone vereeniging van verstand en gemoed. Hij draagt een
naam uit den goeden tijd, en dat is een gunstig voorteeken. Laat Emma
veilig lid van die familie worden. Zij krijgt tot man een der
degelijkste jongens die ik ooit ontmoet heb; komen daar nog
voortreffelijke schoonouders bij, dan zal menschelijkerwijs haar
toekomend geluk in alle opzigten gewaarborgd zijn. Zij is de dochter
van een parvenu, en André een jong mensch van geboorte; doch ik geloof
niet dat dit haar in den weg zal staan. Wij bezitten wel geene
schatten, doch wanneer wij het hoofd nedergelegd hebben, zal André het
niet onaardig vinden, eigenaar van Belvedere te worden. Ik doe dus als
gij en zie de toekomst vrolijk in. Het zal mij pijn doen, van Emma te
moeten scheiden; doch haar geluk gaat bovenal, en al zie ik haar niet
meer iederen morgen en iederen avond om mij henen, des te vrolijker
zullen wij zijn, wanneer zij met haar man bij ons komt logeren. Ik
hoop dat zij kinderen krijgen zal, Lydia."

--"Maar, beste man, hoe kunt gij met een effen gelaat zulke
ontzettende dingen verkondigen?"

--"Ik zeg niet veel kinderen, Lydia, maar kinderen, of althans één
kind. Wij weten bij ondervinding, en door Emma zelve, wat het zegt een
lief kind groot te zien worden."

--"Dat weten wij," zeide Lydia, "en ik oordeel dat zij eene lieve
moeder worden zal."

--"André zal ons het gemis van Reinier doen vergeten," voegde hij
daarbij, "en zoo zal ook de tweede helft van ons leven, Lydia, iets
van dien zonneschijn genieten, waaraan de eerste helft zoo rijk was."



VIJFDE HOOFDSTUK.


Den volgenden ochtend was alles op Belvedere bij tijds in de weer. Van
André-alleen bespeurde men niets. In groot pontifikaal had hij zich
voor dag en dauw naar de stad laten brengen, waar zijne direkteuren en
zijne kommissarissen, insgelijks in plegtgewaad, van regts en links
bijeen zouden komen. De receptie had plaats op het stadhuis. Van daar
begaf men zich in statigen optogt naar het stationsgebouw, waar de met
groen en vlaggen versierde feesttrein gereed stond.

Het was overheerlijk weder; en toen omstreeks tien ure in den ochtend
het tentwagentje voorkwam om de familie van Belvedere naar de plaats
harer bestemming te brengen, zou de menschenhaat in persoon den lust
bij zich hebben voelen ontwaken om van de partij te zijn. Dorp en
omtrek waren op de been, en alles stroomde, den grindweg langs, naar
de rivier. Boerinnen en boeren, tuinlieden en arbeiders hadden om
strijd hunne zondagsche pakjes voor den dag gehaald, en zagen er de
eenen al helderder en vrolijker uit dan de anderen. De hollandsche
landlieden missen in hun voorkomen dat schilderachtige waarmede
men--in het Napolitaansche door den aanblik der lazzaroni, meent
gij?--neen, maar om een minder heterogeen voorbeeld te noemen, in
Zwabenland door dien der Steinlacherinnen of door de mannen van het
Hohenzollernsche verrast wordt. De vrouwen, bij ons op het land,
dragen geene kleederen van kostbare stof, erfstukken van een vroeger
geslacht, maar moderne weefsels, afkomstig uit hedendaagsche winkels;
de mannen hebben jassen en rokken aan, die in snede niet
noemenswaardig verschillen van het kostuum der handwerkslieden onder
de stedelingen. Zelfs is er iets wanstaltigs in de bij hen en bij haar
niet zelden voorkomende vermenging van voorvaderlijk en nieuwerwetsch.
Wie kan zonder meesmuilen eene boerin aanschouwen, op wier hoofd eene
superpositie heeft plaats gehad van valsch haar, gouden oorijzers,
eene kanten muts met afhangenden kap, en een strooijen hoedje met
breede linten naar op drie na de laatste mode? Wie gruwt niet
eenigzins, wanneer hij voor zich uit op den weg, te midden van het
bekoorlijk landschap, terwijl de zon de weiden en akkers bestraalt of
door de takken of bladeren van hoog en laag geboomte speelt, een
=suivez-moi= ziet nederdalen op de waggelende rotonditeit eener
verknipte crinoline, en de wetenschap met zich omdraagt dat de aldus
toegestelde dochter Eva's niemand anders is als de vrouw van Gerrit,
den zetbaas op de hoeve van mijnheer X? Doch ook de welvaart en de
welgedaanheid hebben hare bekoring, en er zijn oogenblikken waarin men
evenveel gevoelt voor eene vaderlandsche tolgaardersvrouw met eene
ongekreukte zwartzijden mantille over een japon van pimpelpaarsch
orleans, als voor dat puik der schaapherders in zuidelijker streken,
van tusschen wiens ongekamde haren een paar gitzwarte oogen u
tegenvonkelen, en door de gaten van wiens nonchalant gedrapeerden
mantel de trotsche overtuiging heenschijnt: "Ook een artiste, met uw
verlof!"

De schaar van feestelijk uitgedoste voetgangers, door wier digten drom
het tentwagentje zich eenen weg moest banen, kon en zou niet
toegelaten worden op de tribune, in de onmiddelijke nabijheid der
brug, waar voor den heer Visscher en de zijnen vier van de beste
plaatsen waren opengehouden. De tribune,--een geïmproviseerde tempel
van schragen en planken, overschaduwd door een dak van zeildoek, van
welks top eene groote driekleur vrolijk in het zonlicht wapperde,
terwijl de spitsen der stijlen met bonte wapenborden en veelkleurige
vaantjes prijkten,--was dus geplaatst dat men regts en links, tot op
den versten afstand, de schijnbaar zich vernaauwende rails met het oog
volgen kon, en voor en achter, waar de bogen der reusachtige brug de
rivier overspanden, den vrijen blik had op het water. Daar krielde het
van tjalken en sloepen, van boeijers en jollen en gieken, de eenen
vastgesjord aan den wal, de anderen in het midden der rivier voor
anker liggend, de meesten op geringen afstand der brug aan de stevige
ducdalven bevestigd, die 's winters, wanneer de ijsgang kwam,
ernstiger proeven van hunne weerstandbiedende kracht zouden moeten
leveren dan die, waarmede zij nu volstaan konden. Door het stedelijk
bestuur waren twee groote met balken en planken aaneenverbonden aken
afgevaardigd, te zamen een vlot vormend, tusschen welks omtuining van
sparrenloof de eene of andere =Polyhymnia= een onmogelijk programma
uitvoerde: ouvertures en symfonien, afgewisseld door volksliederen en
verlevendigd door potpourri's waarin men al de populairste cavatines
uit vijfentwintig verschillende opera's krijgertje hoorde spelen. De
stemming der gezelschappen in de grooter en kleiner vaartuigen was =au
diapason= van het programma: een weinig luidruchtig, niet zeer
klassiek, maar opgeruimd en welmeenend. Zij kortten zich den tijd met
te kijken naar een jong heer in een wit linnen jasje en pantalon, die
de kunst vertoonde van op waterschoenen te loopen en elk oogenblik in
gevaar verkeerde, een nat pak te zullen halen. Toen hij werkelijk zijn
evenwigt verloor en voor eene wijl kopje onder maakte, ging er een
kreet van ontsteltenis op, doch zoodra hij eene minuut later weder op
zijne lange houten schoenen stond en met vernieuwden ijver druipend
aan het pagaaijen sloeg, viel hem een algemeen handgeklap ten deel.

Wachten maakt hongerig en vooral dorstig; en toen het uur waarop de
feesttrein zou aankomen uit de stad en in volle vaart de brug zou
oversnorren, reeds zoo goed als verstreken was en nog niets kwam
opdagen, zag men spijskorfjes voor den dag halen, en werden er
broodjes met vleesch gegeten en glazen rijnschen wijn met spuitwater
gedronken door honderden van menschen, die anders op dit uur rustig
aan hunne bezigheden zaten en een diepen afkeer van overdaad en van
uithuizigheid professeerden. De zonnestralen dansten op het water;
ruischend schuurde de frissche stroom langs de boorden der schepen en
scheepjes; vrolijk klonk daarboven uit het schateren der trompetten;
het menschdom graasde. Moest men iedere week van het jaar zulk een
vertooning bijwonen, men zou er spoedig genoeg van krijgen; doch voor
een keer was het regt amusant en volkomen nationaal.

Daar krijschte in de verte een schel en welbekend gefluit. Tallooze
malen had in de laatste maanden diezelfde gil, wanneer een werktrein
kwam aanstoomen, die zand, of steenen, of ijzer aan- of verder bragt,
de Duinendaalsche echo's wakker gemaakt en was hij door de oevers der
rivier weerkaatst. Ieder kende dat sein: de genoodigden op de tribune,
de opeengedrongen schare aan weerzijde van het water, de spelevarenden
in hunne booten. Toch voer door aller leden een elektrieke schok, als
bij het naderen van een Vorst wiens aangezigt zijn volk voor het eerst
aanschouwen zal. Duizend hoofden wendden zich eensklaps om; duizend
oogen staarden in dezelfde rigting; de muziek zweeg; men hoorde geen
ander geluid als dat van den ratelenden trein, die snel en statig
zijnen weg vervolgde. Op korten afstand voor de brug klonk een tweede
sein, scheller en aanhoudender dan het eerste; de wachters stonden
roerloos op hunnen post, met de hand aan de kruk; de storm schoot aan;
nog één slag der zwoegende machine en de grens zou overschreden zijn.
Daar hield de Koning zijnen intogt! Een fanfare, wuivende mutsen en
doeken, een daverend hoera uit duizend keelen,--en voorbij was de
feesttrein.

André had dit goede, dat hij deugdelijk werk verrigtte, zonder zich
illusien te maken omtrent zijne eigen belangrijkheid. Hij was geen
engel, maar ook niet een dier jonge mannen, die hun handwerk voor eene
zending, of hunne broodwinning voor eene providentiële roeping
aanzien. Zonder valsche nederigheid (zijne gebreken lagen elders) had
hij Emma beduid, dat men geen genie behoefde te zijn om een tunnel te
graven of een viaduc te bouwen; dat ook de moeijelijkste ondernemingen
van dien aard, in den tegenwoordigen tijd, eenvoudig nederkwamen op
eene geldkwestie, en het voor hem en zijne toekomst veeleer de vraag
was of hij zijne meerderen niet misleidde en zich door zijne minderen
niet liet omkoopen, dan of hij de geheimen der natuur doorzocht en een
sleutel op tot nog toe onopgeloste raadselen ontdekt had. Hij was
gewoon geraakt aan de wetenschap, dat hij even als een daglooner, die
onopgemerkt zijne taak verrigt, of een koopman, die van zijn kantoor
naar de beurs en van de beurs naar huis gaat, of een kunstenaar, die
zich opsluit in zijne binnenkamer en den dichter aflegt om
handwerksman te zijn, zich iederen ochtend op een bepaalden tijd naar
zijn werk begaf en op een bepaalden tijd iederen middag of avond
huiswaarts keerde. De denkbeelden van haren vader, die niet geloofde
aan talent zonder studie, en burgerlijke hoedanigheden als den
grondslag van iederen welgevestigden roem beschouwde, hadden Emma van
lieverlede er toe gebragt in haren bruidegom niet meer te zien dan
iemand, die volkomen berekend was voor zijn vak, en die het corps,
waartoe hij behoorde, eer aandeed. Doch toen zij hem dien ochtend zag
aansnellen, met eigen hand de lokomotief besturend die in haar gevolg
zoo vele beloften voor de toekomst eener geheele landstreek voerde; en
meer nog, toen zij den trein stampend en dreunend hoorde henenratelen
over de brug wier steenen pijlers en metalen bovenbouw de eeuwen
schenen uit te dagen, was zij trotsch op haren bruidegom en schitterde
in haar oog een traan van aandoening.

Geen menschenwerk is grootsch zoolang het onvoltooid, of althans niet
ver genoeg afgewerkt is om zich eene voorstelling te kunnen vormen van
het geheel. In geene geboorte is iets verhevens, en hoe men den arbeid
ook idealisere, hij is en blijft poorterlijk. In de mokerslagen van
den bankwerker, die ijzeren bouten drilt in den stoomketel eener
lokomotief, is geen zweem van poëzie; ook niet in het obscene lied van
den heibaas, wiens polderjongens op de maat het blok doen nederbonzen
op den schedel eener puntige juffer; ook niet in de bevelen van den
ingenieur, die, met modderlaarzen aan, heen en weder loopt van den
oever naar de keet, of zich in een schuitje, terwijl de wind met de
panden van zijn halfsleetsch zomerjasje speelt, van den eenen kistdam
naar den anderen laat roeijen. Doch laat de vrucht der inspanning van
zoovele hoofden en handen; der vindingrijkheid van geslacht aan
geslacht; der eeuwenheugende worsteling van mensch en natuur,--laat in
een gegeven oogenblik, onder gunstige omstandigheden, die vrucht u in
zijn vollen wasdom vertoond worden,--en gij looft onwillekeurig de
menschelijke industrie, om het even of zij een koningrijk verovert, of
eene godsdienst sticht, of een spoorweg bouwt. Zweet, bloed,
verrukking van zinnen,--al het walgelijke en tegenstrijdige is
uitgewischt, en voor een poos verkwikt men zich met volle teugen aan
de bron der harmonie.



ZESDE HOOFDSTUK.


De terugtocht naar Belvedere was een triomftogt voor den afwezigen
André. Zijn vader, Emma's ouders, Emma-zelve,--allen dachten aan hem
met welgevallen, en prezen hem in stilte of overluid, en zagen eene
blijde toekomst zich voor hem openen. Intusschen zat hij, met zijne
direktie en hare genoodigden, in de groote zaal van een hôtel, uren
ver van Duinendaal verwijderd, aan een dier somptueuse maaltijden aan,
die het midden houden tusschen een ontbijt en een diner en waaraan
alle feestvierende spoorweg-compagnien zich eene indigestie plegen te
eten. Er kwam een toast van den gouverneur der provincie aan den
president der maatschappij, een andere van den eerstaanwezenden
ingenieur van den waterstaat aan den burgemeester der plaats, en
eindelijk, toen de rij der officiële dronken bijna gesloten was,
eindelijk ook een toast aan André-zelven. Doch hij luisterde te
nauwernood naar hetgeen van hem, en tot hem, gezegd werd. Zijn hart
was te Duinendaal, en hij haakte naar het oogenblik dat trein en
feestgenooten den terugtogt zouden aannemen. Laat in den avond kwam
hij op Belvedere aanschellen.

Met dien avond eindigde voor hem een hoofdstuk uit zijn leven. In de
stad aangekomen, liet hij zich in een open rijtuig naar buiten
brengen, de frissche lucht en de halve duisternis verkwikte hem en
gaven hem rust; hij nam plaats op de voorbank, naast den koetsier, en
zat onopgemerkt te glimlagchen om de ingenomenheid waarmede die
trouwhartige voerman over den schimmel sprak, die hen op een
sukkeldrafje naar Duinendaal bragt, en over nog een half dozijn
andere, even magere en even kreupele dieren, die op stal of in het
land de terugkomst van dezen asthmatieken kameraad verbeidden. Er was
humor in de verhalen van dien man. Geen zijner apokalyptische rossen,
scheen het, zag er zoo onooglijk uit, of het had de bloem der dagen
gekend en was het lievelingspaard geweest van een rijk heer of eene
aanzienlijke dame, wier namen zij voortgingen te dragen. Andere
sleperspaarden mogen Betzy of Mina, de bruin of de bles heeten; de
stal van dezen sleper deed aan de oudadelijke abdij van Rijnsburg
denken, waar graven van Wassenaar den avond kwamen doorbrengen in het
gezelschap van gravinnen van Noordwijk. Vergelijkenderwijs was de
merrieschimmel, die André naar buiten sleepte, een dier van lage
afkomst: naar de schatrijke weduwe van een bankier, die voor hare
kosten een geheel weeshuis had laten bouwen, doch in wier aderen nooit
een druppel edel bloed gestroomd had, heette zij "mevrouw Tissot."
Wanneer eene vigilante besteld werd, en de staljongen den sleper
vroeg: "Baas, wie wil je er voor?" antwoordde de sleper met volkomen
ernst: "Mevrouw Tissot dan maar." Somtijds, wanneer er haast bij het
werk was, geraakte "mevrouw" tusschen de haverkist en den voerbak; en
heette de schimmel,--hetgeen haar voormalige eigenares, indien zij het
had kunnen hooren, gewis en teregt zeer oneerbiedig zou gevonden
hebben,--kortweg "Tissot."

Zonder er een voorgevoel van te hebben, dat de idylle zijns levens ten
einde spoedde, bleef de herinnering aan deze nietigheden, gelijk het
geval pleegt te zijn wanneer iemands lotgevallen een keerpunt
naderen, André nogtans bij. Gedurende de laatste maanden waren alleen
de goede elementen in zijne natuur aan het licht gekomen; Emma's
invloed had tot hiertoe uitsluitend weldadig op hem gewerkt; eervolle
gedwongen arbeid had hem de gelegenheid niet gelaten om toe te geven
aan welke verkeerde neigingen dan ook. Binnen een korter tijdsverloop
dan hijzelf met de waarschijnlijkheid overeen zou kunnen brengen, zou
men hem hooren beweren,--of zou althans op den bodem van zijne ziel
geschreven staan,--dat aan Emma en aan zijn geluk iets ontbrak; niet
iets bijkomstigs, niet eene zaak van ondergeschikt belang, maar iets
wezenlijks, iets dat al het overige in de schaduw stelde, de
aanvulling eener leegte en de voldoening van een wensch, in
vergelijking waarvan zijn tegenwoordige rijkdom armoede scheen. Uit
Emma's oogpunt gezien, zou dat meerdere, waarnaar hij haken zou, een
bedriegelijk goed zijn en niet verkregen kunnen worden als door
wreedheid en verraad. Hij daarentegen zou volhouden dat geen offer te
zwaar is, wanneer het geldt zekere inspraak te volgen; dat de mensch
het somtijds niet in zijne magt heeft, weerstand te bieden aan den
aandrang, dien hij ondervindt, en sommige hartstogten tegelijk zoo
krachtig en zoo natuurlijk zijn, dat men, indien het schuldig ware
zich daaraan overtegeven, de natuur-zelve wreed en trouweloos zou
moeten noemen. In dien strijd tusschen ja en neen zou alleen eene meer
dan menschelijke magt uitspraak kunnen doen. Doch op dit oogenblik was
de strijd zelfs nog niet aangevangen, en de toekomst moest nog leeren
(want ook de dag van morgen maakt een deel der toekomst uit) of er al
dan niet scheuring komen en, zoo ja, hoe wijd de kloof gapen zou.
Slechts dit eene zou André in geen geval kunnen ontkennen, dat de
soort van naïveteit, waaraan men teregt of ten onregte den naam geeft
van onschuld of onbedorvenheid, hare eigenaardige bekoorlijkheid
heeft, en geene herinneringen uit andere perioden van ons leven ons op
onzen weg zoo getrouw vergezellen als deze. Die sleper met zijne
rossinanten was komiek, en de aanzienlijke namen dier viervoetige
martelaren van den ouderdom en den arbeid wekten een glimlach. Doch
het is ieder niet gegeven aldus te =kunnen= glimlagchen, en het zal lang
duren eer het menschdom afleert te gelooven dat het vermogen daartoe
een van zijne goede eigenschappen is.

--"Daar is André!" riep Emma, toen zij een rijtuig hoorde stilhouden.
Zij had zijne stem herkend, en tevens herkende zij aan den
hartelijken toon waarop de sleper hem goeden avond wenschte, zijne
edelmoedigheid. Gelijk al degenen die gewoon zijn in hun eigen
onderhoud te voorzien en met de arbeidende klasse te verkeeren, was
André mild met fooitjes geven.

Zij snelde naar voren en ontving hem in den gang met eene dier
omhelzingen, waarvan hij voor zijne verloving met haar zich vaak had
voorgesteld, dat zij hem tot den gelukkigsten van alle menschen zouden
maken.

--"Dag Emma!" fluisterde hij haar in het oor, haar kussend op den mond
en haar aan zijne borst drukkend. "Heb ik mij goed gehouden van
ochtend? Zijt gij tevreden over mij geweest?"

--"En hebben uwe ooren niet getuit?" vroeg zij, haar arm in den zijnen
leggend en hem met zich medetroonend naar de zitkamer. "Den geheelen
dag hebben wij niets anders gedaan als uwen lof zingen. Wees niet
eenkennig, maar kom en laat u feliciteren."

Een opwekkend gevoel doorstroomde geheel zijn wezen, toen hij met Emma
aan zijne zijde de kamer binnentrad en zij hem schertsend aan hare
ouders en aan zijn eigen vader voorstelde als een overwinnaar in de
Olympische spelen van den nieuwen tijd. Allen stonden op, en kwamen
hem te gemoet, en drukten hem de handen. Lydia en Emma boden hem
vruchten aan, de oude heer Visscher een glas Bourgonje. Ofschoon hij
dien dag reeds wijn genoeg gedronken had, smaakte die teug hem
overheerlijk, en hij at een tweede perzik ten einde een overbodig
argument te kunnen aanvoeren ten gunste van nog een glas.

--"Mijnheer Kortenaer," zeide de oude heer Visscher, zich in de
volheid zijner vreugde tot André's vader wendend en André nogmaals de
hand toestekend, "dit jonge mensch draagt zijnen naam met eere. Wij
wenschen u en hem en onszelven daarmede geluk. Mijne vrouw en ik, wij
bevelen u nogmaals onze dochter aan. Wij hebben haar innig lief, te
lief om hare wenschen te wederstreven, en daarom zal onze droefheid,
wanneer zij ons huis verlaten zal om André's vrouw te worden, niet
bitter zijn. Voor de geheele wereld hebben wij hem heden aangenomen
als onzen zoon, en wij zijn er trotsch op, hem aldus te mogen noemen.
Dat gij voor Emma een liefhebbend vader zijn zult, daarvan, al kennen
wij elkander eerst sedert gisteren van aangezigt, houden wij ons
verzekerd. De dag van heden is voor ons allen een schoone en zoete
dag. Laat ons zijne herinnering bewaren en hem in eere houden als een
voorbode van veel goeds, veel blijdschap en groote stof tot
dankbaarheid."

--"En is het waarlijk waar, mijnheer," vroeg Emma, zich insgelijks tot
den ouden heer Kortenaer wendend, "dat André ons in den loop der
volgende week voor een poos zal moeten verlaten?"

--"Heeft hij gezegd in den loop, lieve Emma? Dan heeft hij gejokt, en
behoort gij hem daarover te bestraffen. Niet in den loop maar in het
begin, zeer in het begin der volgende week moet hij zich te A.
bevinden. Zijn oom wacht hem aanstaanden maandag-ochtend, aan het
ontbijt, en zijn oom is een man van de klok."

--"Dus zal hij zondag-avond in de stad moeten zijn om met den laatsten
trein te kunnen vertrekken?"

--"Dat zal hij, lief kind, maar daar het nu nog geen donderdag is,
zult gij eerst nog vier volle dagen uw hart kunnen ophalen aan
elkanders bijzijn. Mijn persoon, dat weet gij, zal u daarbij niet in
den weg staan. Ik neem morgen-ochtend vroeg de terugreis weder aan."

--"Daar protesteren wij tegen, mijnheer Kortenaer," riep Lydia met een
lach. "Gij weet hoe gaarne wij u nog eenigen tijd te Duinendaal zouden
gehouden hebben; en indien ùwe tegenwoordigheid een hinderpaal voor
het genoegen van onze jonge lieden moest heeten, waar zullen dan wij,
mijn man en ik, ons gedurende die vier dagen bergen?"

--"En nu is het aan ons om te protesteren," riep André op zijne beurt
en met vuur. "Niet waar, Emma? Neen, lieve mevrouw, al zoudt gij ons
nog tienmaal erger plagen dan gij nu zes maanden achtereen dagelijks
gedaan hebt, nimmer zult gij ons aan eenig gezelschap de voorkeur
hooren geven boven dat van uzelve en van mijnheer Visscher. Mijn vader
gaat veel te spoedig weder heen om u naar verdienste te kunnen
schatten. Wilde hij slechts veertien dagen hier blijven, hij zou met
mij getuigen, dat gij de aardigste, de gezelligste en de
toegeeflijkste van alle aanstaande schoonmoeders zijt."

--"Zwijg, André," viel de oude heer Visscher hem met een vriendelijk
bevel in de rede; "zwijg en maak geene slechte komplimenten.
Toegeeflijkheid is niet meer dan eene halve deugd, en hoe korter men
de jongelieden houdt, hoe beter dienst men hen bewijst. Zeg ons
liever, hoe lang gij afwezig denkt te blijven, en laat mij uw adres,
voor het geval dat gedurende uwe afwezigheid de nieuwe brug
ineenstort."

--"Foei, lieve vader," zeide Emma, "hoe kunt gij het van u verkrijgen,
met zulke dingen den spot te drijven? En gij zijt zelf de eerste
geweest om te beweren, dat de brug minstens honderd jaar zal kunnen
duren, al gaan er nog zoo veel treinen overheen!"

--"Juist, mijn kind, en daarom scherts ik met een goed geweten.
Wanneer een gouvernement stevig in elkander zit, behoeft het niet bang
te zijn voor de uitwerking eener onschuldige spotprent. Maar waarom,
André, antwoordt gij niet op mijne vraag? Spreek, en indien gij met
alle brave bruidegoms een afschuw hebt van den trouweloozen Theseus,
noem dag en uur, en zeg ons tegen wanneer de kleine Ariadne, hier,
hare traantjes zal kunnen droogen."

Emma lachte, omdat haar vader zoo goed geluimd was; beter geluimd dan
in langen tijd met hem het geval was geweest.

--"Ik twijfel, mijnheer Visscher," zeide André, zijnen vader vragend
aanziende, "of ik nu reeds zal kunnen bepalen, wanneer het mijn oom
behagen zal mij weder los te laten. Doch gelooft gij wel, Emma, dat in
mij een Theseus-aard schuilt? Neen, moet ik op een griekschen halfgod
gelijken, dan op Herkules bij den tweesprong!"

--"Dat kunt gij laten!" schertste Emma. "Of zijt gij van plan, op reis
verkeerde relaties aan te knoopen? Toch niet met de huishoudster van
uw oom, hoop ik?"

--"Met die goede oude schommel, wier ziel sedert eene halve eeuw in
een sleutelmandje zit? Neen Emma," zeide André, hartelijk lagchend,
"wees daaromtrent gerust. Indien ik op Herkules zou willen gelijken,
zou het zijn om bij elke wisseling tusschen verleiding en deugd het
goede deel te kiezen."

--"Maar ik wil volstrekt niet hebben," ging Emma voort, "dat gij
weifelen zult. Verbeeld u, dat ik het vaste voornemen aankondigde om
gedurende uwe afwezigheid met niemand te koketteren? Dat ik u heilig
beloofde, het voorbeeld te zullen volgen van alle Penelope's en alle
Lucretia's van den ouden en nieuwen tijd? In uwe plaats zou ik
dergelijke verbindtenissen bedenkelijk vinden. Lieve moeder," ging zij
voort, zich tot Lydia wendend, "zeg André toch dat hij aan anderen
niet doen mag hetgeen hij niet zou willen dat hem geschiedde."

--"André heeft die vermaning niet noodig, beste Emma," antwoordde
Lydia, "en indien ik hem bepreekte, vrees ik dat hij mij op nieuw
komplimenten zou gaan maken. Voor het kwaad, waarvan gij spreekt, is
geen kruid gewassen. De wereld is altijd zoo geweest en zal altijd zoo
blijven."

--"Van welk kwaad spreekt Emma toch, lieve vrouw?" vroeg de oude heer
Visscher. "Mij is daarvan niets ter oore gekomen."

--"Ik zal het u zeggen, mijnheer Visscher," haastte André zich in te
vallen. "Emma heeft in een van hare boeken gelezen, dat de vrouwen
dezelfde regten hebben als de mannen, en daaruit leidt zij af, dat
wanneer een man iets verkeerds doet, zijne vrouw of zijn meisje
daardoor vrijheid bekomt om insgelijks verkeerd te handelen."

--"Is het waar, Emma, wat André daar van u vertelt?"

--"Geloof hem niet, beste vader. Hij spelt u wat op den mouw."

--"Maar, Emma," begon André.

--"Maar, André," begon Emma.

--"Kinderen," viel de oude heer Kortenaer hen in de rede, "laat ons
aan den avond van dezen veelbewogen dag, zooals de couranten zich
uitdrukken, niet in bespiegelingen vervallen, die een onrustigen nacht
zouden geven. André, het is voor ons meer dan tijd, naar uw logement
terug te keeren. Sluit vrede met Emma, en ga met mij mede."

Aan dien wenk moest gehoorzaamd worden. De oude heer Kortenaer, die er
op stond den volgenden ochtend vroeg weder te vertrekken, nam afscheid
van de familie op Belvedere, en deed dit in de opgeruimde stemming van
iemand die eene plaats, waar hij eenige gelukkige oogenblikken heeft
doorgebragt, weldra terug hoopt te zien. Het tijdstip van André's
huwelijk was dan ook niet ver meer verwijderd, en men scheidde van
elkander in het vrolijk vooruitzicht, binnen weinige maanden de
wederzijdsche kennismaking te hernieuwen.


--"Zijt gij daar, André?" vroeg de oude heer, toen zij buiten gekomen
waren en het voetpad volgden dat door het bosch naar de dorpstraat
voerde.

--"Ik ben vlak achter u, vader. Ga gerust door. Gij kunt hier
onmogelijk dwalen."

--"Intusschen zie ik geen hand voor oogen. Het is stikdonker in dit
laantje."

--"Dat komt, vader, omdat het zomer is. 's Winters, wanneer de boomen
zonder bladen zijn, herkent men de voetpaden buiten veel
gemakkelijker. Over een dag of wat hebben wij eerste kwartier: dan
wandel ik naar het dorp in den maneschijn."

--"Ik hoop, André, dat de wassende maan u hier niet langer zal doen
vertoeven dan met uwe en onze belangen overeen te brengen is. Uw oom
is er zeer op gesteld u aanstaanden maandag-morgen bij zich te zien."

--"Zondag-avond, dat beloof ik u, vertrek ik van hier en ga met den
laatsten trein naar A. De veeren in de =Pays-Bas= zouden al zeer zacht
moeten zijn, indien ik maandag-ochtend niet present was op het appèl.
Mag ik weten wat oom Timmermans mij te zeggen heeft?"

--"O ja wel. Het is over die kleine erfenis te M., die wij deelen
moeten met onzen neef Dijk."

--"Heb ik daar persoonlijk iets mede te maken?"

--"Niet bepaald; maar het kan zijn, dat uw oom u verzoekt, in zijne
plaats naar M. te gaan."

--"Waarom gaat oom daar niet zelf naar toe?"

--"Beste jongen, dat weet ik niet. Ik weet niet eens, of hij u
opdragen zal, zijne plaats te vervangen. Welligt heeft hij geheel
andere plannen."

--"Mag Emma weten, dat ik misschien naar M. zal moeten gaan?"

--"Ik zie niet in waarom niet; maar de vraag is, of het tot iets
dienen zou. In uwe plaats wachtte ik liever totdat gij kennis zult
dragen van hetgeen uw oom van u verlangt. Wil hij dat gij naar M.
gaat, dan is het tijd genoeg, dunkt mij, Emma daarvan te verwittigen,
en het zal ongetwijfeld haar minder grieven dat berigt te ontvangen in
een brief, dan zoo gij haar nu reeds welligt noodeloos schrikbeelden
voorspiegelt. Sedert ik Emma heb zien omgaan met hare ouders en hare
ouders met haar, ben ik versterkt geworden in mijn gevoelen dat zij
een buitengemeen zachtzinnig meisje is. Zulke teêre planten willen met
omzigtigheid behandeld worden."

--"Dat is zoo, vader, maar gij maakt u niettemin eene verkeerde
voorstelling van Emma. Zij is veel flinker dan men denken zou. Niet
dat ik uw raad niet volgen wil, integendeel, maar ik houd mij
overtuigd dat de voorzorg overbodig is. Of zoudt gij waarlijk meenen,
dat het Emma benadeelen zou, indien ik haar ronduit zeide, dat mijne
afwezigheid misschien langer duren zal dan zij vermoedt?"

--"Beste jongen, ik laat u volkomen vrij. Wat gij van Emma zegt, is
waar: zij is niet alleen een gevoelig, maar ook een zeer verstandig
meisje. Handel dus naar uw beste weten, en laat ons over dat punt niet
meer woorden verspillen dan noodig is. Mij dunkt, die gloeijende
spijker daar, is de lantaarn van ons logement. Is het niet zoo?"

--"Zoo is het, vader; ofschoon de kastelein het zeer kwalijk nemen
zou, indien hij u op dien toon over de verlichting van zijn
etablissement hoorde spreken. Daar zijn wij er. Goeden nacht, vader;
morgen-ochtend vóór uw vertrek zie ik u nog."

--"Dat behoeft niet, mijn jongen. Gij hebt een vermoeijenden dag
gehad, en ik geef u verlof om uit te slapen. Belast mij met uwe
groeten naar huis, en beloof mij nogmaals dat gij niet verzuimen zult,
aan den wensch van uw oom te voldoen; meer verlang ik niet. Goeden
nacht, en tot wederziens."


Had men den ouden heer Kortenaer, toen hij zich geheel alleen in zijne
kamer bevond, met aandrang afgevraagd, of hij zich over André's
toekomst in het geheel niet ongerust maakte, misschien zou hij, na
zich met de hand over het hooge voorhoofd te hebben gestreken,
geantwoord hebben: "Ongerust? zeer zeker niet; doch nu gij het vraagt,
ja toch, wel een omzien." Daar evenwel niemand hem dwong, zich op die
wijze rekenschap te geven van zijne indrukken, ging het hem gelijk het
ons allen gaat, wanneer wij er belang bij hebben ons heen te zetten
over onze invallende gedachten. Het had hem daareven onaangenaam
getroffen, indien gij wilt, dat André in het geheel geene bezorgdheid
aan den dag had gelegd over hetgeen hijzelf ontberen zou, indien hij
Emma voor eene poos verlaten moest; en misschien, zoo de vader zich
aan die opmerking vastgehouden had, zou hij daaruit ten aanzien van
het karakter van zijnen zoon sommige leerzame gevolgtrekkingen hebben
afgeleid. Doch ook de besten en de fijngevoeligsten ontgeven zich
zulke dingen, en eerst naderhand, wanneer de gebeurtenissen daarop hun
licht of hunne schaduw zijn komen werpen, en het te laat is, wordt men
gewaar dat zij eene beteekenis hadden.

Wat André betreft, hij dacht op dit oogenblik met zoo veel liefde aan
Emma, dat zijn vaders bekommering, ingeval deze werkelijk bestaan en
zich in woorden geuit had, door hem niet ernstig opgenomen, maar op
rekening der zwaartillendheid van den ouderdom gesteld zou zijn. Nu is
het waar dat geen uur van den dag een bruidegom zoo zeer tot
teederheid stemt als het nachtelijk klokje van twaalven, en dat hij,
door de eenzaamheid-zelve herinnerd aan de onvolledigheid van zijn
bestaan, op dat uur en in die omstandigheden dubbel vervuld pleegt te
zijn met de herinnering aan haar, die hem van zijne verlatenheid
eerlang troosten zal. Doch André had die verzoenende gedachte
vooralsnog niet noodig, of verbeeldde zich althans, haar te kunnen
ontberen. Het was zoo, dat het vooruitzigt eener mogelijke scheiding,
hoe kort die ook duren mogt, hem meer griefde om Emma's dan om
zijnentwil; en zij, die zich te regt of ten onregte op hunne kennis
van het menschelijk gemoed laten voorstaan, zullen op grond van dat
verschijnsel beweren dat aan het register zijner liefde, met de mannen
der muzikale kritiek gesproken, sommige toonen ontbraken. Dit moest
evenwel nog uitkomen, en hij was zich van dat gebrek in 't minst niet
bewust. Hij stak zijne lamp op en zette zich neder in den niet al te
gemakkelijken vouwstoel, dien de kastelein van het Wapen van
Duinendaal een voltaire noemde. Zijn hoofd stond er niet naar om een
boek ter hand te nemen of zich te verdiepen in de teekeningen en
tabellen waarmede zijne geïmproviseerde schrijftafel overdekt was.
Doch terwijl hij daar nevens die tafel zat en zijne sigaar uitrookte,
dacht hij met onberispelijk welgevallen aan de toekomst, en in al de
voorstellingen, al de beelden, al de groepen, die zijnen geest
voorbijtrokken, vervulde Emma eene voorname plaats. Een vol half uur
bleef hij in die gepeinzen verdiept, achterover leunend in zijn stoel
en rookwolkjes uitblazend; en nog toen hij zich ter rust begeven had,
omzweefde hem Emma's beeld.

In den droom zag hij haar op den buitensten rand eener met vlaggen
versierde tribune staan en de armen naar hem uitbreiden; hijzelf kwam
aansnorren als bestuurder eener lokomotief, klemde zich in het
voorbijrijden met de eene hand aan de balustrade vast, greep zijne
bruid met de andere om het midden, drukte haar lagchend aan zijne
borst, en stoof met haar een tooverland te gemoet, waar de toppen van
blaauwe bergen zich in het azuur der lucht verloren en de poorten van
tunnel aan tunnel een eindeloos vergezigt openden in lagchende dalen.



ZEVENDE HOOFDSTUK


Den dag van André's vertrek was Emma stiller dan gewoonlijk; niet
omdat zij een voorgevoel had van rampen, die haar boven het hoofd
hingen, maar alleen omdat zij hem gaarne bij zich zou gehouden hebben.
Nu eens schenen de uren haar toe, eindeloos langzaam om te kruipen;
een oogenblik later was het haar, alsof de tijd eensklaps een levend
wezen geworden was en hij die zekere vleugelen had aangeschoten, wier
bestaan men gewoon is, naar het rijk der mythologie en der allegorie
te verbannen. De laatste indruk behield de overhand, en toen de avond
begon te vallen zocht zij de zijde van André, ten einde van zijne
tegenwoordigheid zoo lang en van zoo nabij mogelijk te genieten.

Hij had dien middag op Belvedere gegeten, was daarna in het logement
zijn valies gaan pakken, en stond nu, naast Emma, voor het
opengeslagen venster derzelfde bovenvoorkamer, waar hij haar voor het
eerst van zijne liefde gesproken had. Alles in het vertrek had sedert
dien winteravond hetzelfde voorkomen behouden; zelfs de
vooruitspringende haard stond nog op zijne plaats, en indien er geene
muggen gedanst hadden om de lamp, zou men in den waan hebben kunnen
verkeeren, dat ook in het saizoen geene verandering gekomen was. Doch
in plaats dat de oostenwind door de kale takken der boomen gierde, of
de Maartsche sneeuw zich stapelde op het afdak der verandah, stroomde
nu, tegelijk met de zoele avondlucht, de uit den tuin opstijgende
geuren der bloembedden naar binnen. André, die naauwlijks meer een
half uur te verliezen had, hield den linkerarm om Emma's middel
geslagen; zij liet haren regter op zijnen schouder rusten en leunde
met het hoofd aan zijne borst. Zonder hare gestalte te overschaduwen,
maakte de zijne, wanneer men hen aldus nevens elkander zag staan, den
indruk een steun voor haar te zijn.

Zij zag op naar de rijzende maan en wees hem eene ster, wier gouden
vonk bijna den bovenrand der zilveren sikkel raakte. Zwijgend
luisterden zij naar het zacht rumoer dat opsteeg van den weg. Daar
hoorden zij, over de velden heen, de klok van den hoogen stadstoren
met zware slagen het uur van negenen slaan, en op hetzelfde oogenblik
drong de zachte klank van het stads-boomklokje tot hen door: een
waarschuwend sein voor de schepen op het water en ditmaal ook voor
den reiziger aan den wal.

In de 17de eeuw te onzent, toen voor de fijne schakeringen der
menschelijke genegenheden zulke edele namen nog niet bestonden als
tegenwoordig, noemde men eene stemming als die, waarin André den
afscheidskus op Emma's lippen drukte en Emma hem dien kus teruggaf,
=kalverliefde=. Misschien was de naam welgekozen en zou hij ook nu nog
verdienen in zwang te zijn. Misschien is naar de meening van sommigen
dat ruwe woord de ware term tot aanduiding en gisping van al hetgeen
er in eene eerste liefde, misschien door wat zinnelijken lust
ontsierd, doch voor het overige van alle wereldsche berekening zuiver,
door geenerlei maatschappelijk belang ingegeven, aangemoedigd, of tot
standvastigheid bewogen,--van al hetgeen daarin bevalligs en
innemends, nu ja, maar ook hagchelijks, onvoorzigtigs en bovenal
onnoozels is. Verga nogtans, zullen anderen beweren, verga de man,
die, na de wieken zijner ziel in deze wateren gedoopt te hebben,
voortaan hunne frischheid lastert, en moge de Hemel zich over de
dochter Eva's ontfermen, die van betere idealen droomt! Doch dit is
eene gemakkelijke verwensching, en schraal ware hier beneden de oogst
des Duivels, ook al ging zij in vervulling. Men heeft ontgoochelde
vrouwen van leeftijd ontmoet, die boven alle andere dingen in hemel en
op aarde de voorkeur gaven aan eene hertoginnen-tabouret, of aan eene
inschrijving op het Grootboek, of aan een rijken schoonzoon, of aan
een spaaroven. Er zijn eerzuchtige mannen geweest, die ja wat niet al
zouden hebben willen uitrigten of volbrengen? hunnen Vorst onttroonen
en president eener Republiek worden, of zich een europeschen naam in
de wetenschap maken, of in volksvergaderingen de schare zien hangen
aan hunne lippen, of met vier paarden rijden, of na een moeitevol
leven smalle coupons knippen van langgerekte oostenrijksche
schuldbrieven. Doch al bezitten die mannen, op het oogenblik dat deze
bladzijde onder hunne aandacht komt, eene buitenplaats en een eigen
graf; al prijkt op de étagère dier vrouwen eene verzameling van
oud-blaauw waarvoor een mandarijn den hoed zou afnemen,--geen van
haar, geen van hen, die den dag of het uur vergeet, toen zij die hij
Emma noemde hem aansprak met den naam van André, toen haar door hem
dien zij het waagde André te heeten de naam van Emma toegefluisterd
werd.



TWEEDE BOEK.

IN HET VUUR.



EERSTE HOOFDSTUK.


Aan het station G., het laatste van een der nieuwe vaderlandsche
spoorwegen, was in den naar M. bestemden ochtendtrein een reiziger
gestapt, wiens gewaad geen twijfel overliet omtrent zijne
maatschappelijke betrekking. Zelfs verried het die zoo duidelijk, dat
twee niet-katholieke burgerjufvrouwen van gevorderden leeftijd,
gezeten in hetzelfde rijtuig der tweede klasse waarin hij plaats
genomen had en waarin niet gerookt werd, de moeite hadden kunnen
sparen elkander aan te stooten, als wilden zij zeggen: "Daar is er
weêr een." Echter diene tot hare verontschuldiging dat de
binnengetredene welligt de twintigste pastoor was, dien zij in het
morgenuur op hare reis van A. naar M. aan verschillende
tusschenstations hadden zien uitstijgen of instappen. Aan wie de
schuld? Ook van pastoors kan men zeggen, even als van gekroonde
hoofden, dat zij, om geducht te blijven, zich niet in te grooten
getale, en niet te snel achter elkander, den volke vertoonen moeten.

Al had de nieuwe reisgenoot de mimiek der beide vrouwen opgemerkt of
den zin daarvan begrepen, hij zou zich thans in geenerlei trant
deswege op haar gewroken hebben. Doch hij was zich zoo min bewust,
door zijne tegenwoordigheid voedsel gegeven te hebben aan hare
hilariteit, als hij op dit oogenblik in eene stemming verkeerde om
haar òf te kapittelen, òf haar op zijne beurt voor het lapje te
houden. Men kon hem aanzien dat hij geheel en al met een of ander
denkbeeld vervuld was; en naar de uitdrukking van zijn gelaat te
oordeelen, was die alles absorberende gedachte ver van vrolijk. Hij
gaf dan ook weinig acht op hetgeen voorviel om hem henen. Een
beleefde, maar verstrooide groet was de eenige vorm waaronder hij van
de twee vrouwen (andere passagiers bevonden zich niet in den wagen)
bij het instappen en uitstijgen notitie nam. Bij hare aankomst in de
groote stad zagen zij, onder de schare der voetgangers en tusschen de
rijtuigen voor haar uit, hem ras verdwijnen.

Niemand groette hem: waaruit moest worden opgemaakt dat M. zijne
standplaats niet was; ofschoon zijn rustige gang in eene bepaalde
rigting, grachten langs en pleinen over, bewees dat hij den weg kende
en een doel had. Hij bereikte eene breede en lange straat, blijkbaar
eene hoofdstraat; ontweek op het trottoir aan de linkerzijde de
elkander op het middenpad kruisende omnibussen en vrachtwagens en
handkarren, ging de straat half ten einde, stak over, en schelde toen,
op de wijze van iemand die weet waar hij wezen moet, aan de deur van
eene breede en deftige bovenwoning. Het onderhuis vormde een voornaam
magazijn van lakens en stoffen, en een winkelbediende was bezig achter
een der groote spiegelglazen vensters, in hardsteen en blinkend koper
gevat, voor de duizendste maal in zijn leven eene piramide van
fraaibewerkte vesten te bouwen. Er waren er van fluweel, van zijde,
van cachemire, sommige met levendige, andere met stille kleuren; doch
geen zoo zedig van tint, zoo gematigd edel van stof, of het schreeuwde
met het gewaad van onzen reiziger, gelijk de wereld schreeuwt met de
leer des kruises. Op de deur der bovenwoning stond met duidelijke
letters, wit op donkerbruin of donkergroen, de naam van =Dokter Ruardi=
te lezen.

De drager van dien naam was een jong weduwnaar; doch die, hetzij uit
droefheid over het verlies eener aanvallige vrouw met wie hij
naauwelijks een jaar gehuwd was geweest, hetzij om andere en minder
aandoenlijke redenen, zijne huishouding opgebroken had en sedert
geruimen tijd tot zijne voormalige levenswijze teruggekeerd was. Aan
de voorname, doch wel wat doodsche gracht, waar hij, in de schaduw van
breedgetakte iepenboomen, tien maanden lang voor het oog der wereld
een gelukkig echtgenoot geweest was, had hij den rug toegewend en was
zich komen vestigen op het kwartier hetwelk hij ook nu nog bewoonde,
in het volkrijkst en vrolijkst gedeelte der stad. Met uitzondering
van een reeds bejaard en min of meer geheimzinnig wezen, wier
aangezigt men zelden of nooit aanschouwde en wier kleeding half naar
die van eene schoonmaakster, half naar die van eene marketentster
zweemde, hield de dokter geene vrouwelijke dienstboden na, maar wel,
behalve een koetsier in groot tenu, die 's winters met eene
beerenvacht om de schouders op den bok van zijn rijtuig zetelde en in
alle jaargetijden zijn tweespan mende, een livereidragend huisknecht,
die antwoordde op den naam van Jakob en speciaal belast was met het
aandienen en uitlaten van bezoekers.

Het was tusschen negenen en tienen in den ochtend; een uur, waarmede
dokter Ruardi niet mild plagt te zijn en dat hij in den regel òf
geheel voor zich zelven hield, òf alleen afstond voor van te voren
aangekondigde consulten. De periode toch, gedurende welke
eerstbeginnende artsen in eene groote stad de lijders van hunne
patiënten zijn, behoorde voor hem reeds tot de geschiedenis, en hij
had het ver genoeg gebragt in de wereld om een eigen wil te mogen
hebben. Dezen ochtend meende hij vrij te zullen blijven en rustig het
oogenblik te zullen kunnen afwachten dat zijn rijtuig voorkomen zou.
Niemand had belet doen vragen, en hij had aan niemand zijn woord
gegeven. Het was dan ook niet met eene uitdrukking van christelijke
lijdzaamheid of filanthropische welwillendheid op het gelaat,--het was
veeleer met een kwalijk verkropt gevoel van ongeduld en onder het
mompelen van eene dier kernspreuken waarvan men ten onregte het
monopolie aan matrozen en militairen toeschrijft, dat hij, terwijl
Jakob aanstalten maakte om af te dalen en de huisdeur te openen, zijn
dagblad naast zich nederwierp op de sofa en opstond van zijn ontbijt.

Hij trad naar het venster en staarde (de aanwezigheid dier gefoeliede
ruit, geen nederlandsche palm in het vierkant metend, was eene
voorname reden waarom hij eene van zijne voorkamers voor ontbijtkamer
gebruikte) in den kleinen half-horizontaal aangebragten spiegel, welks
glas met verraderlijke getrouwheid het beeld weerkaatste van elk die
beneden op de stoep vertoefde. Doch de nieuwsgierigheid overwon den
wrevel, toen hij in den persoon, die de hand aan den schelknop gebragt
had en nu met den rug naar de deur het oogenblik verbeidde dat hem
opengedaan zou worden, een priester van het oude geloof herkende. Een
hoed met breeden rand onderschepte, van boven naar beneden gezien, de
gelaatstrekken des bezoekers; dokter Ruardi was evenwel een te goed
anatoom om aan de plooijen van den langen, schier tot den grond
afhangenden mantel niet aanstonds te bespeuren dat de drager van dat
kleed een grijsaard noch een jongeling, maar een man van middelbaren
leeftijd was. Ware hij den vreemdeling tegengekomen op de straat, hij
zou aan de bijna vrouwelijke fijnheid zijner trekken, aan de
purperkleurige kringen onder twee heldergrijze oogen, aan den
onnatuurlijken blos op die blanke kaken, den teringlijder der eerste
periode herkend hebben; en tevens zou het hem in dat geval niet hebben
bevreemd, dat iemand, wiens voorkomen zoo onwillekeurig aan eene
geknakte en verkleumde witte lelie herinnerde, reeds in dit saizoen,
door het omslaan van een mantel, bescherming zocht tegen de
ochtendkoelte. Thans ried hij alleen eene gestalte, even tenger als
hoog; terwijl eene magere, doch fraaigevormde bloote hand, waarmede de
almaviva van voren bijeengehouden werd, eene meer steedsche dan
boersche afkomst scheen aan te duiden. Voorts stond het om twee
redenen vast dat de bezoeker geen stadgenoot was: dokter Ruardi kende
al de roomsche geestelijken te M. van aangezigt, en indien een hunner
verlangd had hem te spreken, zou hij hem òf ontboden hebben in zijne
kwaliteit, òf op eene andere wijze, welke dan ook, hem van zijnen
wensch hebben verwittigd.

Er heerschte in 's dokters woning een onberispelijke toon, en Jakob
had strikten last om, indien er gescheld werd, elk welgekleed persoon
van het mannelijk geslacht,--hetgeen omtrent die van het vrouwelijke
van zelf sprak,--te bejegenen met die voorkomendheid, welke een
livereibediende van goeden huize voegt. Op zijne vraag, wien hij de
eer zou hebben aan te dienen, ontving hij een visite-kaartje tot
zwijgend antwoord, en met dat kaartje in de hand begaf hij zich, na
den vreemdeling bovengelaten en de deur van een spreekvertrek voor hem
geopend te hebben, naar de kamer zijns meesters.

Het ontbrak Jakob niet aan zekere algemeene beschaving, en hoewel hij
zich in de dagen zijner jongelingschap nooit bezondigd had aan het
bezoeken van herhalingscholen, stelde hij er eene eer in, leergierig
gebleven te zijn. "Een beter naam," zeide hij bij zich zelven, op
zijnen weg van de eene naar de andere kamer kennis nemend van het hem
geopenbaard geheim, "een beter naam voor den uitvinder der lokomotiven
en van de veiligheidslantarens, dan voor zoo'n kreeft van het oude
licht." Op het gesteendrukt kaartje, dat Jakob gelegenheid schonk tot
het maken van deze opmerking en dat voor het overige niet dikker of
dunner, niet gladder of stroever was dan alle andere toonbare
visite-kaartjes der 19de eeuw, stond te lezen =Ed. Stephenson,
Priester=.

--"Stephenson? Stephenson?" herhaalde dokter Ruardi binnen'smonds, op
het hem door Jakob aangeboden kaartje turend; en voor zijne
verbeelding daagden herinneringen op van twintig jaren her, toen hij
jong student was en een boezemvriend had die Stephenson heette. Eduard
Stephenson, de uitgelaten Stephenson dier dagen, kandidaat in de
regten, doch ruim zoo nadrukkelijk aan de dienst van Dionysos en
Afrodite als aan die van Themis verbonden, was indertijd spoorloos
verdwenen van de akademie. Hij was roomsch geworden, zeide men; had
zich in een katholiek seminarie laten plakken, en was, na volbragten
studietijd, als vikaris geplaatst in den eenen of anderen uithoek des
lands. De geheele wereld hield hem voor dood en begraven. Enkele
malen, bij het ontmoeten van andere akademie-kennissen en onder het
ophalen van den ouden tijd, had Ruardi, de inspraak volgend van eene
weinig hoofdbreken kostende belangstelling, hen gevraagd of iemand
hunner iets van Stephenson wist, doch geen der vrienden had hem ooit
kunnen zeggen, waar Stephenson gevlogen was, en hij was geëindigd met
ook dit onderzoek te laten rusten. Over het algemeen was de lust tot
onderzoeken er bij hem uitgegaan. Doch hetgeen hij tallooze malen
beweerd had, dat afwachten en zien komen wijzer is dan opsporen of
najagen, scheen zich ook thans te bevestigen. De Stephenson, die zich
bij hem aanmeldde, was ongetwijfeld de lang en vruchteloos gezochte
Stephenson van voorheen. De naam, de voornaam, de kwaliteit, alles
kwam uit. In den roomsch-katholieken priester zou hij den ontrouw
geworden zoon der jurisprudentie, den levenslustigen broeder van
Flanor wederzien. Het kon niet anders; een luid sprekend voorgevoel
leerde het hem.

--"Verzoek mijnheer Stephenson hier te komen," zeide hij in het eind
tot Jakob, een veel gewigtiger toon aannemend, dan hij gewoon was.
"Doch wat drommel," voer hij voort, toen Jakob zich verwijderd had en
hij aan zijne verwondering den vrijen loop laten kon, "wat drommel kan
Stephenson mij te zeggen of van mij te halen hebben?"



TWEEDE HOOFDSTUK.


Lezers die bij zichzelven zekere aanvechting mochten gevoelen om op
dit pas met dokter Ruardi een loopje en dien priester van Aesculapius
niet =au sérieux= te nemen, worden verzocht geen al te groot vertrouwen
te stellen in dien eersten indruk. Dokter Ruardi was namelijk in het
minst geen belagchelijk persoon, en om het regt te hebben
halfschertsend en met getemperde hoogachting over hem te spreken,
zooals daareven herhaaldelijk gedaan is, moest men hem kennen gelijk
de gelegenheid daartoe allen aangeboden wordt door een boek. In de
schatting zijner medemenschen,--waarmede zij bedoeld worden met wie
hij voor het oog der wereld dagelijks verkeerde,--gold hij naar hart
en verstand voor hetgeen zijn voorkomen teekende; en dat voorkomen was
gunstig. Zelfs kon het schijnen dat de natuur, toen zij hem in het
aanzijn riep, het er op toegelegd had, in alles de gulden middelmaat
in acht te nemen en in geen enkel opzigt de eischen der evenredigheid
te schenden. Hij was niet lang van gestalte, niet mager of schraal,
niet barsch van uitzigt; nogtans zou niemand op den inval gekomen
zijn, hem kort of gezet te noemen, of te beweren dat in zijn
ligchaamsbouw of zijne gelaatstrekken iets lag dat naar verwijfdheid
zweemde. Even zoo ging hij, hoewel steeds onberispelijk gekleed, bij
niemand door voor een modeplaatje; en al droeg hij in het knoopsgat
het lint eener buitenlandsche orde (hij was lid geweest van een
internationaal gezondheids-kongres en had te Konstantinopel, of
elders, met kracht van redenen betoogd dat buikloop niet met zich
spotten laat), geen sterveling hield hem voor ijdel. Zijne
appartementen en zijn tweespan, zijn knecht en zijn koetsier, alles
was voor het uitwendige in overeenstemming met zijne onmiskenbare
wellevendheid en schranderheid. En schrander was hij in hooge mate.
Misschien deugde hij niet voor de studeerkamer of voor het
hooger-onderwijs; doch des te beter was hij op zijne plaats in den
ruimen en populair-wetenschappelijken kring die zich in groote steden
voor de werkzaamheid van den praktischen geneesheer opent. Daarbij
bezat hij die zekere vaardigheid in het antwoorden, waardoor lachlust
en onbescheidenheid op een eerbiedigen afstand plegen gehouden te
worden, en ofschoon hij in den regel de goedhartigheid-zelve bleek,
was meer dan één voorbeeld bekend van lieden die beproefd hadden hem
in het ootje te nemen en er kwalijk afgekomen waren.


Inderdaad, door ligtvaardig te denken of te spreken over iemand met
zulke gelukkige gaven en in de schatting der wereld zoo eervol
aangeschreven, zou men zichzelven potsierlijk maken in plaats van hem,
ware het niet... dat diezelfde wereld, indien zij tijd en gelegenheid
had gehad om hem te doorgronden, hem uitgemaakt zou hebben voor een
toonbeeld van immoraliteit.

Een man toch die aan de vrouwen verslaafd is; die een boekdeel zou
kunnen vullen met de geschiedenis van zijne minnarijen; een
Nederlander met de hebbelijkheden van een Sultan,--zulk een man noemt
de wereld onzedelijk. En dokter Ruardi was zulk een man. 's Lands wijs
gedoogde niet dat hij een harem nahield, doch het surrogaat daarvan
was in zijne woning te vinden. Zijne stemmige voorkamers, waar elk
meubelstuk en elk sieraad uitsluitend aan de behoeften en gewoonten
van mannelijk comfort herinnerden, waren, met uitzondering welligt van
een kabinet, slechts de voorhof van een allerheilige, welks bestaan,
buiten hem, alleen aan zijnen adjudant Jacob en aan de dubbelzinnige
vivandière bekend was. Door een breeden gang van die kamers
gescheiden, bevond zich een drietal ineenloopende vertrekken, die
geene westersche Odaliske, tenzij zij buitensporig vele noten op haren
zang had, zich geschaamd zou hebben te bewonen. Aan het eene uiteinde
van den gang, links, eene met kunstig =stuc= bekleede badkamer, waarin
een wit marmeren kuip met zinnebeeldige bas-reliefs; aan het andere
uiteinde een boudoir en alkoof, zoo frisch als had de lente het
getooid met hare seringen en jasmijnen; in het midden een groot
vertrek, tevens eetkamer en salon, waar ebbenhouten meubelen
voordeelig uitkwamen bij den gloed van amarantroode overgordijnen, en
de vergulde lijsten van spiegels en schilderijen leven schonken aan
een behangsel van gebruineerd trijpt. Drie hooge ramen tot aan den
grond vormden een middel van gemeenschap tusschen dit vertrek en eene
tamelijk uitgestrekte esplanade, met glas overdekt en ingerigt als
wintertuin.

De schare van haar die honderd redenen voor ééne hadden om het bestaan
van dit palladium aan niemand te verklappen, was zamengesteld uit
(laat ons zeggen) drie verschillende elementen. Voor een gedeelte,
doch slechts een gering, waren het jonge vrouwen uit den hoogeren en
den hoogsten stand; mishuwden, die hier eene schadeloosstelling of een
vergeetboek zochten, en waanden te vinden, voor de geheime ellende van
hare eigen binnenkamers. Talrijker, opgeruimder in den aanvang, meer
geneigd tot blijven, waren zij die hier somwijlen in alle stilte als
vrouwen van den huize fungeerden: binnen- en buitenlandsche
schoonheden, wier klimopleven bestond in van den eenen op den anderen
Bassa te teren; trekvogels, die niets liever zouden gezien hebben dan
dat de dokter om harentwil zijne reputatie er aan gegeven had;
internationale Aspasia's, wie het kluizenaarsleven, hoe weelderig ook,
toch in den regel hier ten laatste te bang werd. Talrijkst van al
waren de min of meer ouderlooze burgermeisjes vertegenwoordigd;
zusters van schreeuwende broertjes, wier kielen versteld of wier
kousen gestopt moesten worden; jonge deernen, die pas het diakoniehuis
verlaten of pas hare belijdenis gedaan hadden, en nieuwsgierig waren
te weten hoe het er uitzag in de wereld; winkeldochters inzonderheid,
moede van het uitmeten van zijden kleedjes voor anderen en meer
bevoorregten, en wie het niet onverschillig kon zijn ook zelven voor
een keer zulk een kleedje te dragen, of een horloge te bezitten, of
bij hare vriendinnen te kunnen verschijnen met eene echte marabout op
een hoedje van italiaansch stroo.


Deernis met eene twintigjarige van de laatste kategorie, die in eene
naburige stad, dezelfde waar Stephenson thans werkzaam was, hare
schande was gaan verbergen en daar in de bitterste armoede naar
voedsel hunkerde voor haarzelve en voor een pasgeboren kind, had den
kapelaan,--hij was inderdaad slechts kapelaan,--zich naar M. doen
begeven en hem zich doen aanmelden bij Ruardi. In de schamelste woning
eener achterbuurt had hij, bij het verrigten van pastorale bezoeken,
de boeteling harer ijdelheid aangetroffen en uit haren mond eene oude,
steeds onbehagelijke geschiedenis vernomen. Op staalgravures zien
dergelijke zondaressen, vooral indien zij tevens een kindermoord op
het geweten hebben en dien ten gevolge van staatswege in verzekerde
bewaring genomen zijn, er somtijds aantrekkelijk genoeg uit. Zij
liggen dan, met het aangezigt naar den toeschouwer gekeerd en met de
zaamgevouwen handen onder het hoofd, uitgestrekt op eene met
teekenachtig stroo gevulde krib: uit haar halfgeopende mond en hare
starende oogen spreekt poëtische wanhoop, en de breede lichtstraal,
die door het getralied venster der sombere gevangeniscel naar binnen
dringt, is eene aanleiding tot rembrandtieke effekten geworden.

Stephensons kennismaking met het verdoolde schaap zijner kudde was zoo
romanesk niet geweest. Het levendigst was hem van zijn eerste bezoek
de herinnering bijgebleven aan eene bedorven atmosfeer en een ruwen
aarden schotel, waarin zich de overblijfselen van een maaltijd
bevonden, dien de hond van een scharenslijper versmaad zou hebben. In
een morsigen japon, haveloos overblijfsel van een voormalig
half-weelderig, half-burgerlijk toilet, had hij in den hoek van een
zoldervertrek, waar een behangselpapier van de gemeenste soort aan
flarden langs de vochtige muren hing, eene jonge maar in het geheel
niet schoone vrouw aangetroffen, die, ten einde hem te woord te kunnen
staan, begonnen was met haar schreeuwend kind in eene met vodden
gevulde bedstede neder te leggen. Het was eene vrouw zonder adel van
gemoed, en die in hare amourette met Ruardi het zeer onaanzienlijk
kapitaal van aandoenlijkheid, hetwelk haar door de natuur ten
bruidschat was medegegeven, tot op den laatsten penning verteerd had.
Dat zij gebrek leed aan het noodigste, was hare eenige aanbeveling.


Ware de kapelaan een andere Stephenson geweest als de uit het oog
verloren akademievriend van Ruardi, de zaak zou den eenvoudigsten loop
der wereld genomen hebben. "Mijnheer! In mijne gemeente houdt zich
eene jonge dochter, eene jonge moeder op, moest ik zeggen, die in de
kommervolste omstandigheden verkeert en regten meent te kunnen doen
gelden op uwe ondersteuning, enz.",--dit of een dergelijk briefje zou
aan alles een einde hebben gemaakt; en de priester zou er geen
oogenblik aan hebben behoeven te twijfelen, dat zijn beroep op de
mildheid van den medepligtige, die voor een vermogend man bekend
stond, de gewenschte vruchten zou gedragen hebben.

Doch, hoe veranderd ook naar den inwendigen mensch, hij was dezelfde
Stephenson; dezelfde, die na gedurende een viertal jaren den teugel te
hebben gevierd aan al de driften der jeugd, plotseling aangegrepen was
geworden door eene hartstogtelijke zucht naar algeheele verandering
van levenswandel; dezelfde, die, een magteloos bolwerk ziende in het
kerkgeloof zijner opleiding, hetwelk hem voor geene enkele zonde
behoed had, van het eene uiterste in het andere overslaand, als een
nieuwe Augustinus vrede gezocht en gevonden had in het roomsche dogme;
die, steeds onbekwaam om iets ten halve te doen en leek te blijven,
priester had willen worden en geworden was, en in de gelofte, door hem
in die hoedanigheid afgelegd, het aangewezen middel had ontdekt en
gezegend om tot heiligheid te geraken. Hij was evenwel geen
alledaagsch egoïst geworden. Zijn gevoelig hart en zijne levendige
verbeelding vervolgden hem voortdurend met de herinnering aan het
verledene. Schier dagelijks stond de beeldtenis zijner makkers van
weleer, met Ruardi aan de spits, hem voor den geest. Hij kende de
geschiedenis van hun wedervaren, den naam van elke plaats waar zij
zich hadden nedergezet, al de voornaamste bijzonderheden van hunnen
levensloop. Ware zijne studie van het menschelijk hart oppervlakkiger
geweest, of had hij de onmisbaarheid eener goddelijke genade, aan wier
tusschenkomst hij voor zichzelven alles te danken had, minder diep
beseft,--hij zou pogingen aangewend hebben om hen tot boete en
bekeering te brengen. Thans gedacht hij hen alleen in zijne gebeden.
Een hunner was op dertigjarigen leeftijd (nog telkens joeg die
voorstelling hem eene huivering aan) bezweken aan de gevolgen zijner
voortgezette uitspattingen. Van de anderen, hier en ginds in het land
verspreid, waren sommigen ingetogen personen geworden, allerlei
openbare of bijzondere betrekkingen bekleedend; doch hunne beterschap,
meende hij, stond gelijk met eene verdorpering van het hooger-ik, en
met hunne losbandigheid hadden die voortaan gezeten burgers, die
vaders van opkomende huisgezinnen, tevens het natuurlijk goede
afgelegd, waardoor zij zich vroeger onderscheiden en hem aangetrokken
hadden. Van de anderen waren twee of drie er in geslaagd zich voor
eene poos een naam te maken in de letteren of in de staatkunde, doch
zonder iets voort te brengen of uit te werken dat den toets des tijds
zou kunnen doorstaan, en in elk geval zonder te ontwaken tot dat beter
leven, waaraan hij, Stephenson, sedert hij met hen gebroken had, zijne
zaligste oogenblikken dankte. Van al die vrienden was alleen Ruardi
een man van aanzien geworden. In alle opzigten was het hem
medegeloopen, doch op eene wijze die bedroevender scheen dan de felste
tegenspoed gedaan zou hebben. Ruardi, die in den kring van zijne
kameraden steeds gegolden had voor het sterkste hoofd van allen, had
zich in de armen eener wijsbegeerte geworpen, die in den grond der
zaak niets anders was als eene regtvaardigende theorie van zijne
eigen ondeugden. Zijn geheele leven was van lieverlede in eene leugen
verkeerd. Voor het uitwendige ontzag hij de gevestigde orde der
maatschappij en overtrad hij niet eene van hare wetten; doch in stilte
misbruikte hij zijne talenten en ontheiligde hij zijn beroep om aan
één boozen hartstogt te voldoen. De wereld groette hem voor een
weldoener der lijdende menschheid, terwijl voor honderde van zijne
medeschepselen (de bekeerling en de priester gruwden om het zeerst van
dit raffinement van verdorvenheid) zijne aanraking noodlottiger
geweest was dan eene epidemie.


Stephenson's kerkelijke begrippen speelden in dit oordeel over het
karakter van Ruardi een veel voornamer rol dan hij zich zelven
bekennen wilde, en misschien zou het hem moeite gekost hebben, betere
gronden aan te voeren voor zijne vroomheid dan de ander tot
bevrediging van zijne sensualiteit plagt bij te brengen. Doch
Stephenson was een dier menschen, die, wanneer uitspraak gedaan moet
worden over hetgeen betaamt of niet betaamt, niet in de eerste plaats
naar bewijzen vragen, maar met indrukken te rade gaan. De
overgeleverde en algemeen aangenomen zedewet bezat voor hem het
karakter der evidentie, en zijn eerbied voor het katholicisme wortelde
vooral hierin, dat het roomsch geloof hem toescheen, aan die wet de
hoogste wijding te geven. Hij vroeg niet naar het waarom van hetgeen
hij deugd en heiligheid noemde; de in de zamenleving geldende
begrippen van goed en kwaad waren in zijn oog niet de uitdrukking van
iets betrekkelijks, zooals koud en warm, ver en nabij, maar droegen
een goddelijk karakter; al hetgeen daarmede streed, was uit den Booze.
Doch hoe vaster het bij hem stond dat Ruardi, van wien hij meer wist
en dien hij beter doorgrondde dan den ander welgevallig kon zijn, tot
de orde der zedelijke monsters behoorde, des te meer had hij het van
zijnen pligt gerekend hem althans eenmaal in zijn leven onder de oogen
te gaan zien; terwijl aan den anderen kant, naarmate het voornemen
daartoe bij hem gerijpt was, zijn zelfstrijd in hevigheid was
toegenomen. Den man in wiens schuldige vermaken hij indertijd zelf
gedeeld had, kon hij, dit sprak, niet bejegenen als een vreemde;
bovenal, hij kon tegenover hem geen beroep op zijn priesterlijk
karakter doen. Elke poging van dien aard zou hem buiten eenigen
twijfel aangerekend worden als eene daad van geestelijken hoogmoed,
van huichelarij misschien. Voorts zeide hem zijn instinkt, dat om hem
te begrijpen en te waarderen, juist die zekere zin voor het reine en
heilige gevorderd werd, waaraan het Ruardi in de eerste en voornaamste
plaats ontbrak. En toch, hij moest nu gaan. Te schrijven zou eene
laagheid geweest zijn; het zou een gebrek aan zedelijken moed verraden
hebben, dat hem nimmer voor de voeten moest kunnen geworpen worden.
Voor het eerst in al de twintig jaren, die sedert zijne bekeering
verloopen waren, bood zich eene gelegenheid aan om onder vier oogen te
zeggen en te toonen wie hij was. Wat baatte het, dat eene
kerkgemeente, die zijne geschiedenis niet kende, hem eerbiedigde als
een godsgezant? Dat de bejaarde en niet buitengewoon schrandere
priester, als een van wiens onderhoorigen hij werkzaam was, hem prees
om zijnen ijver? Dat lieden van allerlei stand in de plaats zijner
inwoning, deftigen en schamelen, hem groetten op de straat en hem met
onderscheiding toegang verleenden tot hunne woning? Die hulde, hij was
er van doordrongen, werd niet aan zijn persoon, maar aan zijn ambt
gebragt, en menigmaal had hij zich haar verweten als de nootlottige
vrucht van een zijnerzijds volgehouden stelsel van misleiding. In
Ruardi's oogen, daarentegen, zou hij zijn die hij was; niets minder,
maar ook en vooral niets meer. De vernedering, dit is zoo, zou ook
hierom te dieper door hem gevoeld worden, omdat, naarmate hij een
ander mensch geworden was, zich uit zijne vorige driestheid eene
bedeesdheid en schroomvalligheid ontwikkeld hadden, die ligt voor
valsche schaamte konden aangezien worden. Doch ook dien teug uit den
bitteren beker wilde hij drinken. En wat alles afdeed, hij zou niet
gaan om zichzelven, of uit gemaakte belangstelling, of in de hoop op
eene martelaarskroon, maar omdat hij eene zending te vervullen had. Er
moest voorzien worden in de behoeften eener verlorene, de zorg
daarvoor was hem opgelegd, en hij ging.



DERDE HOOFDSTUK.


Toen Stephenson te G., gelijk zijne standplaats heette, plaats nam in
den spoortrein, ontging het hem dat in het rijtuig der eerste klasse,
waaraan het zijne onmiddelijk voorafging, twee heeren gezeten waren,
waarvan de een André Kortenaer was en de ander voor de lezers van dit
verhaal nog een vreemdeling is. De schrijver zou het vleijend voor
zijne eigenliefde vinden, indien het hun eenig belang inboezemde te
vernemen, om welke reden André zich niet meer te A. bevond, waar hij
zaken had af te doen met zijnen oom, en wat hem naar M. voerde, waar
hij, voor zoo ver bekend was, niets te verrigten had. Doch het is hem
meer waard, de leemten hunner wetenschap aan te vullen dan aanstonds
hunne nieuwsgierigheid te bevredigen, en hij verstout zich te beweren
dat het voor hen van hooger belang is de kennismaking met dokter
Ruardi eerst nog eene poos voort te zetten, dan nu reeds te worden
ingewijd in geheimen die spoedig genoeg aan het licht zullen komen.

De huisknecht Jakob was te zeer opgevoed in het ontzag zijns heeren
dan dat hij voor luistervink zou hebben durven spelen, en met een
groot aantal zijner natuurgenooten had hij dit gemeen, dat de
gehechtheid aan zijne maatschappelijke positie, of indien men liever
wil, de vrees van daaruit verdreven te zullen worden, hem afhield van
sommige kwade praktijken waartoe het hem anders niet aan de vereischte
neiging zou ontbroken hebben. Hij hoorde niets; en evenmin als hij
iets hoorde, zag hij iets. De sleutelgaten van dokter Ruardi's
vertrekken waren niet derwijze ingerigt, dat men hetgeen daar binnen
voorviel steelsgewijs van buiten waarnemen kon. Al hetgeen Jakob dan
ook in den namiddag van dien dag aan zijn vrouw verhaalde omtrent het
ongewoon bezoek des ochtends aan den dokter gebragt,--Jakob was in
zoover gehuwd dat hij de zorg voor zijne zeven kinderen overliet aan
hunne moeder en zijn eigen haard enkel als een kosthuis
beschouwde,--was geheel en al eene vinding van zijn aangeboren
vernuft. Jakob had niets gezien en niets gehoord; had noch de
wederzijdsche verlegenheid kunnen opmerken, waardoor het gesprek zich
in den aanvang gekenmerkt had, noch aanteekening kunnen houden van den
koude- of warmtegraad, waartoe het beurtelings gedaald en gestegen
was. Dit alleen wist hij, dat, toen "mijnheer de pastoor" een uur
later den trap afging, zijn gelaat en zijn houding al de kenteekenen
vertoond hadden eener volkomen teleurstelling.

Ziehier in het kort hetgeen Eduard Stephenson, roomsch-katholiek
priester, na de belijdenis van zijn christelijk geloof en zijn verzoek
om onderstand te hebben voorgedragen, ten antwoord bekwam van Frederik
Ruardi, dokter in de genees-, heel- en verloskunde:

--"Indien ik Alexander niet was, lieve vriend, zou ik Diogenes
wenschen te zijn. Maak daaruit op, dat ik uwe gevoelens eerbiedig,
doch tevens, dat ik daarin onmogelijk deelen kan. De theologie is
nooit mijne specialiteit geweest, doch voor zoo ver ik over die zaken
oordeelen kan schijnt het mij toe, dat gij van uw standpunt wèl
gehandeld hebt met roomsch te worden. Ik ga verder en erken, dat zelfs
de meest orthodoxe protestant, om van de liberalere niet te spreken,
mij voorkomt eene anomalie te zijn. Toen de duivel vroom werd, zegt
het spreekwoord, was hij een oud man, en ik voor mij ben van zins het
volgen van dat voorbeeld uit te stellen tot den dag mijner begrafenis.
Mogt ik evenwel vroeg of laat mijne tegenwoordige zienswijze vaarwel
zeggen, dan geloof ik dat de keus tusschen Rome en Genève mij niet
moeijelijk vallen, en ik in de oudste brieven al spoedig het meeste
vertrouwen stellen zou.

--"Doch dit daargelaten. Uwe fout, in mijne oogen, is niet zoo zeer
dat gij roomsch of priester, maar dat gij met de predikanten en de
rabbi's de vertegenwoordiger zijt van eene opvatting der menschelijke
natuur die mij onmenschelijk voorkomt. Gijlieden van de godgeleerde
fakulteit zijt in onze zamenleving een element van gewigt, en mijn
stelsel brengt mede dat ik den hoed voor u afneem. Gij vormt met u
allen eene indrukwekkende politiemagt; en de juistheid dier
vergelijking is mij nooit zoo duidelijk geweest als sedert ik een jaar
of drie geleden eene reis gedaan heb door het vaderland van mijne
grootouders. De dienders in de Staten van koning Victor Emanuel gaan
namelijk in het zwart gekleed, en een Hollander zou een vergrootglas
moeten gebruiken om eenig wezenlijk onderscheid te ontdekken tusschen
het uitzigt dier onontbeerlijke agenten en dat van onze geestelijken
hier te lande. De vorsten en hunne regeringen hebben in zekeren zin
groot gelijk dat zij ulieden naar de oogen zien; want uwe hulp is even
onmisbaar voor hen als die van hunne legers, hunne dagbladen en hunne
spionnen. Desniettemin houd ik u en uwe leer voor den kanker der
zamenleving. Ontberen is van die leer de grondtoon; genieten de
grondtoon der mijne, die uit dien hoofde even gezond is als de uwe
ziekelijk. Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, is, met
uw verlof, een uitnemend beginsel; en voor zoo ver ik dat beginsel in
praktijk breng, ben ik uw vijand. Doch hierin ben ik het met ulieden
eens, dat een mensch niet leven kan alleen van brood. Ik voor mij, ten
minste, die een gastronoom ben, protesteer tegen dat régime.
Herinnert gij u Karel van Mansveld? Een goede jongen, doch dien het
niet medegeloopen is in de wereld. Hij werkt thans veertien uren daags
op een kassierskantoor hier in de stad; zijn patroons, eene firma van
drie of vier leden, behandelen hem als een kruijer; hij heet
sous-chef, doch is inderdaad niets meer dan een bediende. Waarom
verbreekt hij zijn juk niet? Waarom laat hij zijne superieuren
zoogenaamd, die met hun allen niet het tiende deel zijner bekwaamheden
bezitten, niet rondom loopen? Alleen omdat hij den moed niet heeft,
zich en zijne vrouw en zijne zes kinderen van kant te maken. Ofschoon
ik er de noodzakelijkheid niet van inzie, hij moet leven, zegt hij, en
om dat te kunnen doen onderwerpt hij zich aan den vernederendsten
arbeid. Zoo is de wereld. Gij theologen dicht aan het menschelijk
bestaan, ik laat in het midden met welke bijoogmerken, een doel toe
waar niemand naar streeft. In den grond der zaak toch bekommert geen
sterveling zich om iets anders als om spijs en drank; tenzij men,
gelijk het geval is met mijzelven, eene afleiding gevonden heeft in de
liefde. De liefde en de honger, heeft Schiller gezegd, zijn de twee
polen waartusschen het menschelijk leven zich beweegt; en nooit hebben
uwe apostelen of uwe profeten iets zoo afdoends gezegd. Gij vraagt mij
eene gift voor de jonge vrouw, die, naar gij zegt, door mijne schuld
ongelukkig geworden is. Die gift zal ik u doen toekomen, doch onder
protest. Ik heb dat meisje niet ongelukkig, maar betrekkelijk gelukkig
gemaakt; en het eenige wat ik u kan toegeven is, dat haar voorspoed
slechts kort geduurd heeft. Aan den omgang met mij is zij sommige van
de genoegelijkste oogenblikken haars levens verschuldigd geweest.
Ontbrak het haar hiertoe niet aan de noodige middelen, zij zou die
oogenblikken kunnen vermeerderen; doch dat zij die middelen niet
bezit, is mijn schuld niet. Hebt gij ooit eene fransche rozenkweekerij
gezien? In velden vol gemeene soorten ziet men hier en ginds, op
groote afstanden van elkander, eenige zeldzame nieuwe varieteiten zich
vormen. Die varieteiten hebben waarde; de massa der rozen niet. Met de
menschen is het niet anders. Het min of meer volkomen geluk van een
hunner heeft de slavernij of den tegenspoed van duizend, laat ons
zeggen van honderd anderen tot onvermijdelijke voorwaarde. In mijne
soort en op kleine schaal ben ik eene varieteit; een konkest zeggen de
bloemisten. Had het van mijnen wil afgehangen, ik zou bedongen hebben,
dat een kleiner aantal van hetgeen gij mijne slagtoffers noemt
volstaan moest om mij te doen beantwoorden aan mijne bestemming. Doch
ik heb daar niets aan kunnen veranderen. Ook was het voor mij, even
als voor alle menschen, u zelve niet uitgezonderd, er op of er onder.
De wet van het zelfbehoud is eene tirannieke meesteres, en wie niet
heerscht wordt gebruikt; daar is geen bidden voor. Ons leven bestaat
in een eindeloos streven naar herstel van evenwigt op allerlei gebied.
Gijlieden van de sombere fakulteit predikt aan de menschen dat zij
behagen moeten leeren vinden in het doen van hunnen pligt. Voor mij en
volgens mij is dat een omweg. Mijn lust is mijn leven, en eerst
wanneer ik dien geboet heb, vind ik rust. Er is een tijd geweest dat
ik wilde trouwen, en ik ben getrouwd. Doch hetgeen toen goed was,
omdat ik het wenschte, zou thans, indien de omstandigheden mij niet
van dat juk bevrijd hadden, mijn grootste kwelling zijn. Thans gevoel
ik, dat het celibaat mijne roeping is; eene instelling, welke zoo zeer
in de natuur der voortreffelijkste menschen ligt, dat men gehuwde
kunstenaars van uitnemenden aanleg, worstelend ondergegaan in de zorg
voor vrouw en kind, den dag heeft hooren verwenschen waarop zij
huisvaders geworden waren; eene instelling, mijnheer de kapelaan,
waarop uw eigen kerkgenootschap, en teregt, den hoogsten prijs stelt.
Het groot, maar dan ook eenig verschil tusschen uw celibaat en het
mijne is dat gij met den naam van heiligheid bestempelt hetgeen ik
ontaarding noem. Niet gij zijt de ware priester, maar ik; ik die de
menschelijkste aller aandoeningen tot wet van mijn leven verhef en mij
tot bedienaar zalf van een evangelie, dat ouder is en langer duren zal
dan het uwe."



VIERDE HOOFDSTUK.


Sedert vierentwintig uren van zijnen zendelingstocht naar M.
teruggekomen, zat Eduard Stephenson in de boven-achterkamer, die hem
tegelijk tot studeer- en tot slaapvertrek diende en uitzag in den tuin
achter de niet verwaarloosde, maar nogtans uitermate burgerlijke
woning van zijn pastoor, in de =Bekentenissen= van Augustinus te lezen.

G. is geene groote plaats, gelijk men weet, maar eene dier
provinciesteden van den tweeden rang, welke nog slechts met sommige
van hare buitenwijken naar den spoorweg beginnen te kruipen en de hand
naar een aandeel in de voorregten der algemeene beschaving
uitstrekken. De huizen met trapgevels zijn er menigvuldiger dan
elders, en het ontbreekt er niet aan bovenverdiepingen waar de muren
der vertrekken nog met voorvaderlijke kalk bestreken zijn, het
onverholen getimmerte der zolderingen nog in de donkergroene grondverf
staat, en de vloeren iets ruws en onbehagelijks over zich hebben, dat
onvereenigbaar is met het comfort van een tapijt.

Zulk een ouderwetsch huis was het huis van den pastoor, en zulk eene
onherbergzame kamer die van Stephenson. Voor eene boekenkast van
gladgeschaafde planken hing een dundoek van geruit katoen, wit en
blaauw; om het eikenhouten ledikant, bruin van ouderdom, was een
behang geslagen van eeuwenheugend en verkleurd damast, dezelfde vale
en sombere tint vertoonend als de gordijnen dier bedsteden in het
klooster van den Grooten Saint-Bernard, welke er zoo spelonkachtig
uitzien wanneer de kloosterbroeder, met de kaars in de hand, ze u voor
uw nachtverblijf aanwijst, en waarin men nogtans, na een vermoeijenden
rid te paard of eene wandeling van veertien uren, overheerlijk slapen
kan. Stephenson had =niet= overheerlijk geslapen, en dezelfde reden
waarom hij in den afgeloopen nacht naauwlijks de oogen had kunnen
luiken,--nabetrachtingen over zijn gesprek met Ruardi en onafzienbare
bespiegelingen over het waarom der menschelijke verdorvenheid,--was
ook oorzaak dat hij dezen ochtend minder aandacht schonk dan ooit aan
het kloosterachtige zijner omgeving. Hij was niet in eene stemming om
op te merken hoe hard de zitting was van zijn matten stoel, of hoe
spoedig zijne voeten een gat geboord zouden hebben in het
halfversleten karpet onder zijne tafel. Hij zag op uit zijn boek en
staarde in den tuin. Daar drentelde de pastoor op en neder, met eene
lange goudsche pijp in den mond en een zwartfluweelen kalot op het
hoofd. In den aanblik van dien man was niets verheffends of
bemoedigends. Hij droeg in huis eene soutane af, door langdurig
gebruik geheel glimmend geworden, en wanneer hij 's morgens in den
tuin wandelde, plagt hij tegen het opslaan van den vochtigen grond,
over zijne muilen heen, een paar klompen aan te schieten. Niet het
minst wanneer hij zijne pijp dwars tusschen de tanden nam en zich
voorover bukte over zijne hortikultuur, in het voorjaar rupsen
zoekend tusschen de knoppen zijner rozenstruiken, in den nazomer de
gele bladeren uit zijne geraniums verwijderend, zou in het oog van een
denker de oude pastoor op holsblokken een belangwekkend beeld geweest
zijn van het proza des christendoms. Een schilder zou partij hebben
weten te trekken van dit eenvoudig, maar zuiver menschelijk tooneel;
zou hier met een toets en ginds met eene lijn het alledaagsche daarin
ongemeen gemaakt of aan het platte relief gegeven hebben. Doch
Stephenson, die geen schilder was, was ook geen denker. Hem troostte,
wanneer hij verdriet had, noch de kunst, noch de wijsbegeerte, en
alleen de mystiek was in staat hem te verzoenen met eene wereld, van
welke hij zoo diep als iemand gevoelde dat zij in den Booze lag. Hij
ergerde zich niet aan zijn pastoor; nog veel minder verachtte hij hem;
de grijsaard was in zijne oogen een Israëliet zonder bedrog. Doch er
zijn zielen die ook in de trivialiteit van Nathanaël, hoe onschadelijk
zij overigens wezen moge, eene openbaring zien van de magt der zonde.
In vergelijking van Ruardi was de pastoor een engel, ongetwijfeld;
doch Ruardi's bestaan, meende Stephenson, werd door het bestaan van
zulke kortgewiekte goede geniussen niet opgewogen of geneutraliseerd.

--"=O felix culpa!=" prevelde hij voor niemand weet de hoeveelste maal
in zijn priesterlijk leven. Want dit moet van hem gezegd worden, dat
hoewel het gevoel der menschelijke schuld hem diep ter neder drukte,
hij die schuld-zelve niet uitgewischt zou hebben willen zien, indien
hij voor zoo hoog een prijs zijnen Verlosser had moeten missen.

Op hetzelfde oogenblik dat Stephenson zich aldus in de verborgenheden
der christelijke geloofsleer verdiepte, zat André Kortenaer,
insgelijks op eene boven-achterkamer met het uitzigt op den tuin, den
volgenden brief aan zijn meisje te schrijven:

    Soekabrenti, bij M,... Augustus 186--

    "Lieve Emma,

  "Ik wenschte niet dat gij raden kondt waar ik mij op dit oogenblik
  bevind of hoe ik hier gekomen ben. Het zou veel, maar te veel voor
  uwe schranderheid bewijzen. De dames hebben het regt,
  ondoorgrondelijk te zijn; doch bezaten zij bovendien de gaaf van
  alles te doorgronden,... dan zou voor de heeren (hoor ik u zeggen)
  in het geheel geen kans meer overschieten om haar te bedriegen.
  Hoe komt gij toch aan die  ongunstige meening omtrent ons, en
  waaraan heb ik het te danken dat gij om mijnentwil eene
  uitzondering op den regel toelaat? Geloof mij, ik ben geene
  uitzondering, en aan de meesten onzer is een weinig blind
  vertrouwen zeer wel besteed.

  "Dit herinnert mij aan ons laatste gesprek in het Duinendaalsche
  bosch, en ik kan mij bijna niet voorstellen, dat het nog slechts
  drie dagen geleden is dat wij afscheid genomen hebben van
  elkander. Hoe snel ging de tijd voorbij toen wij bijeen waren, en
  hoe traag kruipen thans de uren om! Waarom glimlagchen de menschen
  en noemen zij het kinderachtig, wanneer twee aanstaande
  echtgenooten niet buiten elkander kunnen? Voor mij is niets zoo
  belangrijk in dit leven als uwe liefde, en ik heb oneindig meer op
  met u dan met alle spoorwegbruggen en alle volkspaleizen die ik
  misschien nog bouwen zal. In vergelijking van ons huwelijk vind ik
  zelfs de vereenigde doorgraving der landengten van Suez en van
  Panama eene zaak van niet meer dan betrekkelijk gewigt.

  "Doch luister nu eens, mejufvrouw, naar hetgeen ik u te vertellen
  heb. Het is elf ure in den ochtend, en ik zit u dezen brief te
  schrijven in een koketten stoel, aan een elegant bureau, in de
  weelderigste van alle logeerkamers. Wanneer ik het hoofd omwend,
  heb ik aan mijne linkerzijde twee opengeslagen vensterdeuren, en
  zie ik neder op een groot grasperk, in het midden waarvan een
  zware bruine beuk prijkt. Zaagt gij de zon door de takken en
  bladeren van dien boom hare vonken schieten op het gras, gij zoudt
  er stil van worden. Het park, dat mij omringt, is geene eigenlijk
  gezegde buitenplaats, maar de breed aangelegde tuin van eene
  villa, geen twintig minuten gaans van de stad verwijderd. Den
  vreemden naam van =Soekabrenti= dankt die villa aan een oost-indisch
  millionair, die haar eenige jaren geleden hier heeft doen bouwen
  en van wiens chineesche vrouw even als van hem zelven ik u bij
  gelegenheid kurieuze anekdoten vertellen zal. Thans is zij het
  eigendom van--dat zal ik u zeggen. Gij zult dan meteen weten wie
  mijn gastheer is, hoe mijne gastvrouw heet, waarom ik niet bij
  mijn oom gebleven ben, te A., en welke zaken ik te M. te
  verhandelen heb.

  "Toen ik eergisteren-ochtend op het bepaalde uur bij mijn oom
  verscheen... Maar neen, op die wijze zou aan mijn verhaal geen
  einde komen, en het is niet belangwekkend genoeg om lang te mogen
  zijn. "Vertel mij eens, vriendje," vroeg mijn oom, op den hem
  eigen vernederenden en brusken toon, waarachter  hij volgens
  sommige zijne warmste genegenheden verbergt, doch dien ik voor mij
  altijd onaangenaam gevonden heb, "weet gij wel dat uwe moeder en
  ik eene erfenis deelen moeten met een verren neef van ons, Adriaan
  Dijk geheeten? Ter wille van uwe zusters wenschte ik dat de
  nalatenschap vorstelijker ware, doch daaraan is nu eenmaal niets
  te veranderen. Ik ben verhinderd, in persoon naar M. te gaan en
  met Dijk, die buitendien mijn boezemvriend niet is, de noodige
  schikkingen te maken. De zaak moet evenwel geregeld worden, en dat
  is de reden dat ik u ontboden heb. Deze prokuratie is, geloof ik,
  zoo algemeen mogelijk, en met dat ding in den zak zult gij uit
  mijnen naam alles kunnen verrigten wat de wet voorschrijft." Mijn
  vader had mij van die erfenis het een en ander verteld, zoodat
  mijn oom de moeite had kunnen sparen mij in te lichten en te
  bejegenen als een knaap. Doch zoo is hij. Ik had in de mij
  toegedachte kommissie weinig lust, en liet niet onduidelijk
  doorschemeren, dat ik het in elk geval ruim zoo eenvoudig zou
  gevonden hebben, mij die prokuratie toe te zenden over de post,
  desnoods in een aangeteekenden brief. Niet waar? Ik zou dan
  regtstreeks naar M. hebben kunnen reizen, en had niet noodig gehad
  den omweg te maken, die thans, door eerst naar A. te trekken,
  onvermijdelijk geworden was. Voor die opmerking werd ik evenwel
  aanstonds gestraft door de vraag, of ik zoo weinig prijs stelde op
  een persoonlijk onderhoud met mijnen oom, dat het genot van dat
  voorregt mij zelfs geen halve dag reizens waard was? "Bovendien,"
  vervolgde mijn oom, "wenschte ik u omtrent, de personen met wie
  gij te M. in aanraking komen zult,--Adriaan Dijk en zijne vrouw,
  bedoel ik,--eenige dier inlichtingen te verschaffen, welke ik niet
  gewoon ben toe te vertrouwen aan het papier. Wees openhartig en
  zeg mij, kent gij mevrouw Dijk?" Bij het doen dier vraag zag mijn
  oom mij doordringend aan; veel ernstiger en veel doordringender
  dan noodig was, want van mevrouw Dijks bestaan was mij toen nog
  alleen dit bekend dat zij de vrouw was van onzen neef Adriaan, met
  wien ik de zaak der erfenis regelen zou. Wel herinnerde ik mij,
  haar somtijds te hebben hooren roemen als eene schoonheid, te
  schoon en te geestig voor een man als den haren, van wien men
  beweerde dat hij het kruid niet uitgevonden had; doch daar ik òf
  hem òf haar zelfs niet van aangezigt kende, vond ik het niet
  noodig gewag te maken, van die bijzonderheid. Mijn antwoord was,
  en zoo sprekend  zeide ik de gulle waarheid: "Ik weet te
  naauwernood dat er eene mevrouw Dijk in de wereld is." Wat mijn
  oom mij toen uitlegde, en het vele wonderlijke dat hij mij
  vertelde van den heer en de dame aan wie hij bezig was mij te
  endosseren, kan ik u niet alles woordelijk overbrengen. Ook zou
  het u vermoedelijk voor een groot gedeelte even weinig belang
  inboezemen als mij. "Dijk," zeide hij onder anderen, als ten
  vervolge op zijne mededeeling dat neef Adriaan zijn boezemvriend
  niet was, "Dijk is een ingebeelde zot. Of hij verstand van tabak
  heeft, weet ik niet, maar dat hij op nieuw intrigeert om lid van
  de Tweede Kamer te worden, is onvergefelijk. Eenige jaren geleden
  ben ik toevallig veroordeeld geweest hem herhaaldelijk te
  ontmoeten in gezelschap van derden, en bij die gelegenheden heb ik
  hem hooren doorslaan over politiek. Het was erbarmelijk. Omdat hij
  fortuin en een grooten mond heeft, verbeeldt hij zich te kunnen
  medepraten over belastingwetten, over diplomatieke nota's, over
  koloniale onderwerpen, en wat niet al; doch van mijn leven heb ik
  door een volwassen mensch zooveel onzin niet hooren uitkramen.
  Gelijk de meesten zijner stadgenooten, zeilt hij onder liberale
  vlag; doch had ik vóór '48 geweten, dat onze nieuwe Grondwet voor
  zulke werveldraaijers het hek ontsluiten zou, ik zou mijne
  onafhankelijke positie nooit prijs gegeven hebben." Meer zal u
  interesseren hetgeen mijn oom van mevrouw Dijk vertelde. "Mevrouw
  Dijk," zeide hij, "is de natuurlijke dochter van een mijner
  voormalige schoolkameraden. Haar voornaam is Lidewyde, doch zij is
  geene hollandsche van geboorte. Haar vader is jaren geleden
  nederlandsch consul geweest te Alexandrie, en heeft daar een
  tijdlang geleefd met eene soort van grieksche slavin. Of hij nog
  bestaat weet ik niet, maar ik twijfel er aan. Hij is indertijd met
  mevrouw Dijk, die toen een kind was, uit Egypte naar Holland
  gekomen en heeft haar ergens besteed op eene kostschool, waar zij
  de vriendin geworden is van Dijks zusters. Vervolgens is hij naar
  de Oost vertrokken, en schijnt voor de opvoeding van dat kind, wat
  het geldelijke betreft, behoorlijk zorg gedragen te hebben. In de
  eene of andere groote vakantie is het meisje door de oude mevrouw
  Dijk te logeeren gevraagd, en zoo is Adriaan aan haar gekomen.
  Indien zij ooit van hem gecharmeerd geweest is, is zij eene even
  groote zottin als hij; maar ik gis dat zij hem alleen genomen
  heeft om eene toonbare positie te hebben."

  "Gij weet ongeveer, lieve Emma, hoe ik over mijn oom  denk. Hij
  is mijn weldoener geweest en zonder hem zou ik geen ingenieur
  geworden zijn; reden genoeg voor mij om hem te achten en te
  ontzien. Doch liefhebben kan ik hem niet; en dat hij in weerwil
  van zijne ondervinding en van zijn oud-ministerstitel een man vol
  vooroordeelen is, daarvan heb ik sedert gisteren op nieuw de
  ervaring opgedaan. Hij heeft zijnen tijd gehad en kent de kaart
  van het land niet meer. Heb ik het hem niet als eene uitgemaakte
  zaak hooren voorstellen dat Adriaan Dijk liberaal was en als lid
  van de liberale partij lid van de Tweede Kamer wilde worden?
  Welnu, op mijne reis van A. naar M. heb ik kennis gemaakt met een
  welingelicht persoon, die mij verzekerd heeft dat mijn oom den bal
  volkomen missloeg. Van dien heer, die er onoogelijk uitzag, maar
  zeer onderhoudend praatte (hij heet Lefebvre, en moet een voornaam
  advokaat zijn), heb ik vernomen dat Adriaan Dijk niet-alleen bij
  de aanstaande verkiezing van een lid der Tweede Kamer te M.
  optreden zal als de kandidaat der konservativen, maar dat hijzelf
  (den heer Lefebvre meen ik), die insgelijk de konservative rigting
  toegedaan is, zich met geen ander doel naar M. begaf als om met
  Adriaan over diens kandidatuur te gaan spreken en bezoeken met hem
  te gaan afleggen bij eenige vrienden. Mij is het volmaakt
  onverschillig, dat begrijpt gij, of mijn neef Dijk konservatief of
  liberaal is; maar uit hetgeen ik u daar vertel blijkt genoeg, dat
  op het oordeel van mijn oom Timmermans weinig staat valt te maken.

  "Wilt gij een ander staaltje van zijne kortzigtigheid? Toen ik
  gisteren-avond bij Dijk mijne opwachting ging maken (want hij
  ontvangt alleen 's avonds, en indien ik dat van te voren geweten
  had, zou ik minder vroeg uit A. vertrokken zijn), verbeeldde ik
  mij, afgaande op de beschrijving van mijn oom, een winderig
  persoon te zullen aanschouwen, die mij half en half brutaliseren
  of althans overbluffen zou, en tegen wien ik op mijne hoede zou
  moeten zijn. Doch toen de vigelante, waarmede ik mij naar
  Soekabrenti had laten brengen, stilhield voor dat paleis (Dijks
  woning is inderdaad een vorstelijk gebouw), werd ik ontvangen door
  een gul en wellevend man, de voorkomendheid in persoon, die
  naauwelijks mijn naam en het doel van mijne komst vernomen had, of
  hij gaf mij de hand en bood mij zijn huis aan. Dijk is iemand van
  vijfenveertig jaren, naar ik gis. Hij heeft een hoog voorhoofd en
  is bijna kaal; maar ofschoon zijn digte blonde baard hier en daar
  grijze plekken begint te vertoonen, ziet hij er volstrekt niet
  uit als een versleten man. Hij is klein van gestalte, heeft kleine
  handen en kleine voeten en is naar den laatsten smaak gekleed. Het
  eenige wat ik op hem zou weten aan te merken, is dat hij iets
  deftigs over zich heeft, dat niet geheel en al natuurlijk is; maar
  dat misstaat hem niet, omdat men gevoelt dat hij anders misschien
  te levendig en te toeschietend zou zijn.

  "Wat mijne nicht Lidewyde betreft, deze heeft, naar ik u verklaren
  kan, niet den minsten indruk op mij gemaakt, en ik begrijp ter
  wereld niet hoe mijn oom (of had ik u dat nog niet verteld?) mij
  haar heeft kunnen afschilderen als eene kokette vrouw. Misschien,
  ja, indien zij wilde, zou zij er interessant kunnen uitzien; doch
  gelijk ik haar gisteren-avond aangetroffen heb, thee schenkend
  onder de verandah aan de achterzijde van het huis en zich te
  mijner eer te naauwernood opheffend uit haar gemakkelijken stoel,
  vond ik haar niet-alleen niet mooi, maar bijna onbevallig. Haar
  oog zegt niets; haar mond (in afgemeten en karige woorden heette
  zij mij welkom) weinig meer, en op haar voorhoofd troont eene
  wolk, die aan wrevel en meer nog aan onverschilligheid denken
  doet. Men kon het haar aanzien, dat zij afkomstig is uit het
  Oosten, of althans uit het Zuiden, en die indruk is zelfs zoo
  sterk, dat men verwonderd is, haar Hollandsch te hooren spreken
  zonder accent. Doch dat vreemde uitzigt is dan ook het eenige in
  haar wat frappeert. Zij is jonger dan haar man, en zal ongeveer
  van mijn eigen leeftijd zijn.

  "En ziedaar, lieve Emma, hoe ik beland ben op Soekabrenti en
  waarom ik aldaar mijn anker heb laten vallen. Naar de berekening
  van mijn oom, zullen met het opmaken der noodige akten, en zoo
  voorts, hoogstens acht dagen gemoeid zijn. Dijk heeft dat niet
  tegengesproken, en daarom heb ik dan ook van zijn aanbod, om bij
  hem mijnen intrek te nemen, zonder schroom gebruikt gemaakt. Hij
  wilde volstrekt niet hebben, dat ik meer dan één nacht in een
  logement slapen zou, en om u de waarheid te zeggen was zijne
  propositie mij zeer naar den smaak. Te Duinendaal heb ik zoovele
  maanden achtereen als een zwaluw onder de dakgoot gewoond, dat die
  levenswijze voor mij al hare bekoorlijkheid verloren heeft.
  Daarbij komt dat het weelderigst hôtel niet confortabler ingerigt
  kan zijn dan Soekabrenti. Voor menschen zonder kinderen is het
  huis eigenlijk veel te groot; men verdwaalt er in, en indien ik u
  den weg naar mijne kamer moest wijzen, zou ik misschien verlegen
  staan. De persoon die het heeft laten bouwen,  maar er spoedig
  genoeg van had en nu de hemel weet waar op een landgoed woont,--in
  Boheme, hoor ik,--had een talrijk gezin, en zijne jongelui, met
  inbegrip van goeverneurs en goevernantes, moesten elk eene
  afzonderlijke kamer kunnen hebben. Doch met uitzondering van dit
  doolhofachtige is het de fraaiste villa die men zich denken kan,
  en ik weet wel wie er schik in hebben zou, het eenmaal in de
  wereld zoo ver te brengen, dat hij zulk een huis bewonen kon.
  Meermalen had ik hooren vertellen, dat Dijk fortuin had; doch om
  zoo te kunnen leven als hij doet, met een kantoor in de stad,
  eigen rijtuig, eigen paarden, een eigen tuinman en een huis vol
  bedienden, moet hij schatrijk zijn.

  "Gisteren-ochtend met mijn ledigen tijd geen raad wetend, heb ik
  eene ontdekkingsreis door de straten van M. gedaan en ben ik een
  kijkje gaan nemen van het Park. Alles heeft hier in de laatste
  jaren een veel levendiger aanzien bekomen dan te voren; er
  heerscht eene ongeloofelijke drukte, en even als men van de meeste
  kerkorgels in ons land verhaalt dat zij na het Haarlemsche de
  grootste zijn, zal men over niet langen tijd, doch met meer grond,
  van M. kunnen zeggen, dat het na Amsterdam of Rotterdam onze
  voornaamste koopstad is. Behalve naar het Park, waar tweemalen in
  de week muziek gemaakt wordt, gaan de menschen hier veel naar
  Zeeburg, waar verleden jaar een badhuis geopend is. Wel tienmalen
  daags is er gelegenheid om met omnibussen of diligences daarheen
  te rijden, en wie niet rijden wil kan desnoods wandelen, want van
  hier naar genoemd dorp is weinig meer dan een uur gaans.

  "Gij bemerkt, melieve, dat het oord mijner ballingschap in het
  geheel geene woestijn is. Ook zou ik het er wel kunnen uithouden,
  indien gij slechts bij mij waart. Doch uwe afwezigheid vervolgt
  mij overal; en pas sedert ik u ben gaan schrijven, heb ik mij
  weder minder verlaten gevoeld. Met evenveel droefheid als
  zelfvoldoening zie ik de volgekrabde blaadjes nevens mij nog
  aangroeijen; want hoewel de gedachte mij goeddoet, eerlijk
  gebiecht en u haarklein al mijne wederwaardigheden verteld te
  hebben, besef ik met smart dat ook aan de genoegelijkste dingen
  een einde moet komen, en het niet aangaan zou, een nog langeren
  brief naar Duinendaal te zenden dan deze onwillekeurig reeds
  geworden is. Groet uwe ouders van mij, en al degenen die naar mij
  vragen zullen. Gedenk mijne eenzaamheid en troost mij spoedig, bid
  ik u,  met een lettertje van uwe hand. Het zal de eerste brief
  zijn, dien ik van u ontvang; maar indien van u gescheiden te zijn
  de prijs is waarvoor ik het genot moet koopen de teekenen van uwe
  lieve hand te aanschouwen, zou ik bijna wenschen dat het tevens de
  laatste was. Ik kan niet buiten u, Emma, en hij zal een toovernaar
  zijn die mij hier langer aan de praat houdt dan volstrekt
  noodzakelijk is. Mijn hart is op Belvedere. Bij u behoor ik, voor
  u leef ik, u omhels ik."



VIJFDE HOOFDSTUK.


Noem het onopregtheid, noem het zwakheid, noem het onnoozelheid; doe
van die gebreken zooveel af als noodig is om er niet geheel en al vrij
van te zijn en nogtans in een roman een dragelijk figuur te kunnen
blijven maken,--André's oordeel over zijn oom was in elk geval
onjuist. Kort na 1848, toen het liberaal-zijn in de politiek nog iets
veel deftigers en veel gekleeders was dan tegenwoordig, was die oom en
oude vrijer, als lid van een liberaal Kabinet, een tijd lang minister
van Buitenlandsche Zaken geweest, en nog in zijne A'sche rust omgaf
hem de naglans dier Haagsche grootheid. Opgeleid voor den handel, was
hij door schrandere spekulatien reeds vroeg een man van vermogen
geworden, had veel en goed gereisd, kende al de hoofdsteden van Europa
op zijn duimpje, en kon, wat zijne bevoegdheid tot het vervullen eener
diplomatieke betrekking aangaat, de vergelijking met de meeste
diplomaten zeer wel doorstaan. Met eene minstens vijftigjarige weduwe,
die zijne huishouding waarnam en doodelijk bang voor hem was, woonde
hij in een der fraaiste huizen eener voorname straat, hield rijtuig,
zag menschen, verkeerde in aanzienlijke kringen, en zou door menigen
neef in den lande, als het model der erfooms, in hooge eer gehouden
zijn. Doch omdat hij Kortenaer heette en adelbrieven bezat, was André
van lieverlede weinig bewondering gaan koesteren voor een bloedverwant
die alleen den burgerlijken naam van Timmermans voerde (den naam
zijner eigen moeder intusschen); minister geworden was in een halven
revolutietijd, en nooit in de gelegenheid was geweest het klatergoud
van zijn ambt te doen vergeten door het bewijzen van degelijke
diensten aan den lande. Hij erkende met den mond dat hij aan zijnen
oom groote verpligtingen had; doch in den grond zijns harten (want
sommige jongelieden zijn minder onbedorven dan zij er uitzien)
griefden hem die verpligtingen. Het was bitter, meende hij, dat zijn
vader, een geboren edelman, het nooit verder had kunnen brengen in de
wereld dan tot direkteur van een postkantoor in eene provinciestad, en
de zorg voor een groot gezin hem nog bij voortduring noodzaakte
gunsten aan te nemen van een boven zijnen stand voorspoedig zwager.

En bij die oude grieven was sedert eenige maanden eene nieuwe gekomen:
André had reden om zijnen oom voor een tegenstander van zijn
engagement met Emma te houden. Hij had hem van zijne verloving
schriftelijk kennis gegeven, en ooms antwoord was geweest: "Ik dweep
niet met dat huwelijk." Hij had opheldering gevraagd van die
ongemotiveerde afkeuring en tot bescheid ontvangen: "Mij dunkt, gij
zoudt later eene betere partij hebben kunnen doen." Wat beduidde dat?
Nu ja, Emma was geene gravin; doch bij een huwelijk kwam het bloed van
de mannen, en in elk geval waren de Visschers ligt van zoo goeden
huize als de Timmermansen. De oude heer Visscher was geen millionair;
ook dit was waar. Doch Emma was een eenig kind, en het was duidelijk
dat iemand zonder fortuin vergelijkenderwijs een goed huwelijk aan
haar deed. Waarom dan die tegenkanting? Moest genoten ondersteuning
dit gevolg hebben, dat men zich levenslang te schikken had naar de
luim van hen of haar wier goedheid men ondervonden heeft, men zou
eindigen met alle gulle tantes en alle vrijgevige ooms naar de
Mokerheide te wenschen. =Que diable=, men telt geene dertig jaren en
bouwt geene spoorwegbruggen, om ten eeuwige dage naar de pijpen te
dansen van een oom, die minister van Buitenlandsche Zaken--geweest is!

Zoo dacht André, wanneer hij zich niet in het gezelschap van zijnen
oom bevond. Doch had het toeval ons tot getuigen gemaakt van zijn
onderhoud met den oud-minister, wij zouden van het onafhankelijke dier
gevoelens weinig bij hem bespeurd hebben. De oud-minister mogt
vooroordeelen hebben en niet volkomen meer op de hoogte van alle
nieuwtjes zijn, hij was een man wiens tegenwoordigheid imponeerde.
Zijn voorkomen teekende in het geheel niet hetgeen men eene
burgerlijke afkomst noemt, en op twee kleine gouden ringetjes na, die
hij sedert jaar en dag in de ooren droeg, zou men hem voor eene
geboren Excellentie hebben aangezien. Zijn kamerjapon was geenzins
met ridderorden uitgemonsterd, en men zou langvergeten jaargangen der
=Staats-Courant= hebben moeten naslaan om te weten te komen, tot het
"aannemen en dragen" van hoevele versierselen van dien aard hij 's
Konings vergunning bekomen had. Zijn gelaat, dat aan de snede van dat
van Voltaire herinnerde, was ver van schoon; doch de groote neus paste
in zijne soort volkomen bij het tusschen grijze lokken schuilgaand
voorhoofd, en men behoefde slechts eenmaal in zijn leven een goed
portret van Sterne gezien te hebben, om zich ook in dit geval verzoend
te gevoelen met een mond, die wijder gaapte dan, volgens Poot, de
hoofsche staatsjufvrouwen doen. Zonder dat hij dandineerde, was in
zijn gang iets elastieks, dat bij mollige tapijten voegde, en in
weerwil van zijnen leeftijd had hij iets zoo bevalligs in zijne
bewegingen en was hij zoo vlug ter been, dat geen verstandig jong
meisje geweigerd zou hebben, zich door hem ten dans te laten noodigen.
Komplimenteus in zijne gesprekken met vrouwen, dogmatisch in zijn
onderhoud met mannen, niet naijverig op het voeren van het hoogste
woord en nogtans een aangenaam prater, was er geene enkele reden om
dezen celibatair gering te schatten en had een jong mensch gelijk
André er honderd voor eene om hem met onderscheiding te bejegenen.

André sprak waarheid toen hij aan Emma schreef, dat zijn oom hem
gebruskeerd had. Zonder overdreven volledig te worden had hij er
evenwel kunnen bijvoegen dat die soort van aan koelheid, om niet te
zeggen onbeleefdheid grenzende =sans-gêne= tot de bekende
eigenaardigheden van zijnen oom behoorde en het tegendeel was van een
bewijs van onhartelijkheid. Het gold veeleer bij André's familie voor
eene uitgemaakte zaak, dat neven of nichten nooit meer kans hadden
iets van oom Timmermans gedaan te krijgen dan wanneer hij hen op een
na brutaliseerde, terwijl zij zich van te voren verzekerd hielden, nul
op het rekest te zullen ontvangen, zoo vaak en zoodra hij den
oud-minister uithing en minzaam was.

Onvolledig: dit was André's brief nog in een ander opzigt. Zijn oom
toch had hem niet-alleen gezegd dat mevrouw Dijk doorging voor
behaagziek, maar had hem voor Lidewyde bepaald gewaarschuwd. "Jong
mensch," had hij gezegd, "ik meende dat gij niet naar M. moest gaan,
zonder te weten wie gij daar ontmoeten zoudt. Sommige getrouwde
vrouwen kunnen voor een man in uw positie gevaarlijk worden. Daarom,
pas op uw tellen." Waarom maakte André voor zijn meisje een geheim van
die reisles, hem door zijnen oom medegegeven? Op die vraag kan,
helaas, slechts met eene wedervraag geantwoord worden: Waarom is de
mensch een kortzigtig schepsel? Had André kunnen voorzien dat mevrouw
Dijk, die hij thans nog naauwelijks van aangezigt kende, binnen den
tijd van weinige weken eene heerschappij over hem uitoefenen zou die
Emma's invloed op zijn gemoed eerst verzwakken, dan neutraliseren en
eindelijk vernietigen zou,--hij zou de eerste zijn geweest om zich
tegen die vrouw te wapenen. Doch hij was jong en onervaren, en de
voorspoed had hem overmoedig gemaakt. Voor dien eerbiedigen en zoeten
schroom, waarmede hij nog kort geleden tegen Emma had opgezien, was al
spoedig zekere fatuiteit in de plaats gekomen, en indien hij voor een
kundig oog zijne ware gevoelens blootgelegd had, zou het gebleken zijn
dat zijne eerste liefde hare eerste pleisterplaats reeds genaderd was.
In stede van Lidewyde in gedachte te verafschuwen of voor het minst te
wantrouwen, interesseerde hij zich voor haar. Het benieuwde hem,
welken indruk zij op hem maken zou, en zonder nog in de verte den
wensch te koesteren dat die nieuwgsgierigheid wederkeerig zijn en
mevrouw Dijk ook in hem eenig belang stellen mogt, prikkelde hem het
vooruitzigt, in kennis te geraken met eene vrouw, tegen wie hij, naar
men hem zeide, op zijne hoede moest zijn.

Het verwijt ligt voor de hand, dat deze gevoelens André geenszins tot
eer verstrekken, en men zou van den kronijkschrijver wenschen te
vernemen hoe zij te rijmen waren met de betuigingen van teederheid aan
het slot en in den aanhef van zekeren brief. Doch op die wijze zou men
Melis Stoke eene taak opleggen, die de zijne niet is. Hij weet niet en
behoeft niet te weten, hoe het kwam dat André Kortenaer eensklaps
bleef beneden hetgeen men van hem zou hebben mogen verwachten; evenmin
als hij zeggen kan, of gehouden is te kunnen zeggen, in hoe ver de
handelwijze van den oud-minister van Buitenlandsche Zaken, André's
oom, overeengebragt kon worden met de voorschriften der ideale
zedewet. Die oom was in zijne soort een goed man; een man die niets
anders beoogde als het geluk van zijnen neef, doch wien het uit dien
hoofde dubbel verdroot, dat André door een onberaden huwelijk zijn
fortuin (of hetgeen hij zoo noemde) ging verspelen. Hij vond het
geoorloofd, André's getrouwheid op de proef te stellen, en was genoeg
een man van de wereld om zich van de kennismaking met eene dame als
mevrouw Dijk een bepaald resultaat te mogen beloven. Te eerlijk om
André geheel en al onvoorbereid in verzoeking te brengen; te
menschkundig om niet aan de terugwerkende kracht der geprikkelde
nieuwsgierigheid te gelooven, meende hij voor zijn doel,--indien dat
doel voor verwezenlijking vatbaar was,--het beste middel gekozen te
hebben. Hij had, dit is zoo, eenigszins komedie gespeeld en zonder
bepaalde noodzakelijkheid eene geheimzinnige houding aangenomen; doch
het gold de toekomst van een jong mensch, dien hij steeds op zijne
wijze hartelijk had liefgehad, en die prijs was zijnerzijds eenige
zelfverloochening waard. Emma Visscher,--zoo redeneerde deze
wereldwijze, was een struikelblok, dat zoo mogelijk uit den weg
behoorde geruimd te worden. Bleek André's genegenheid voor haar een
ernstige hartstogt te zijn, dan was het tijd genoeg om zich te voegen
naar het onvermijdelijke; doch elk moest het loven, meende hij, dat
eene laatste poging aangewend werd om een knaap van goeden huize die
het slagtoffer dreigde te worden van zijne eigen onervarenheid en van
de berekeningen van zekere schoonouders in hope, uit die strikken te
redden.



ZESDE HOOFDSTUK.


Het was, gelijk André aan Emma schreef, tusschen elven en twaalven in
den ochtend; het uur waarop zelfs in het heetst van den zomer de
warmte nog niet onverdragelijk pleegt te zijn, de bloemen nog iets
overgehouden hebben van de frischheid van den morgenstond, en de
wandelpaden in de tuinen nog min of meer den indruk der voetstappen
bewaren.

Ontegenzeggelijk is in Mei en in het begin van Junij het blad hier te
lande fraaijer dan in Augustus. Het heeft dan die eenvormige donkere
tint nog niet aangenomen, die naderhand de meeste boomen en de meeste
heesters leden van dezelfde familie doet schijnen. Doch al mist de
volle zomer dat afsteken van het lichtere tegen het donkerder loof;
die fijne schakeringen van linden- en van eikengroen; dat bloeijen der
madelieven aan den voet der kastanjes in de grasperken,--hij wordt, of
mag men aan boomen zulke menschelijke gevoelens niet toeschrijven?
door de bruine beuken in eere gehouden. De zware boom tegenover
André's venster althans, dezelfde waarvan hij melding had gemaakt in
zijnen brief aan Emma, had reden om in de heerlijkheden van den
nazomer te roemen. Vol majesteit strekte hij naar alle zijden zijne
takken uit, en geen alleenheerscher onder de menschen kan fierder op
zijn eenzamen zetel troonen, dan hij in zijn grasperk deed. Elke
poging om in den omtrek van dien zwaren stam eene bloem te kweeken,
zou vruchteloos gebleven zijn. Alleen mosplanten wilden tieren in de
schaduw van dat ondoordringbaar bladerendak. In laag op laag stapelde
zich het donkerkleurig loof opwaarts; en zoo fijnbewerkt, zoo
bewegelijk, zoo doorzigtig was nogtans dat massief gebladerte, dat
hier en ginds, door alles heen, gouden vonken nederschoten op het
heldergroene mos om den stam; dat vogeltjes, niet grooter dan eene
kinderhand, eene zachte schommeling mededeelden aan de uiteinden van
het gevaarte; dat oost noch west een zucht kon slaken zonder al de
zenuwen van den boom te doen trillen. De lente is schoon en magtig;
doch de koningen van het woud met heerlijkheid te kroonen,--dat vermag
de volle zomer alleen.

De brief aan Emma was gereed, de enveloppe digtgelijmd, het adres
geschreven, het postzegel bevestigd; en met het gevoel van iemand die
zich in allen deele gekweten heeft van zijnen pligt, ging André voor
het venster staan en liet het oog weiden over het beperkt, maar
innemend landschap aan zijnen voet en om hem henen. Hij dacht aan
Emma, aan hare liefde voor hem, aan hare uitmuntende hoedanigheden,
aan hetgeen zij reeds was en nog zou kunnen worden. Doch tevens dacht
hij aan zichzelven en aan zijn gesternte, dat hem naar Soekabrenti
gevoerd had, en misschien zou hij nog geruimen tijd zich hebben staan
verdiepen in allerlei voorstellingen, indien zijne aandacht niet
afgeleid ware geworden door een geluid van naderende voetstappen en
van twee fluisterende stemmen, tot hem opstijgend van het pad dat
onder zijn venster kronkelde. Het ruischen van een vrouwenkleed deed
hem vermoeden dat een der twee sprekende personen Lidewyde was,
terwijl de andere, te oordeelen naar stem en gang, een man scheen te
zijn. Werkelijk zag hij eenige oogenblikken later een heer en eene
dame het voetpad volgen, dat langs den beuk naar de tegenovergestelde
zijde van den tuin voerde en uitkwam aan een boschje tusschen den tuin
en den rijweg.

Soekabrenti had twee toegangen: een van arduin en ijzer voor
rijtuigen aan het eene, en een kleiner hek van hout voor voetgangers
aan de andere zijde van het park. Doch André was met die bijzonderheid
nog onbekend, en eerst nu merkte hij op, dat bij dat kleinere hek, aan
gene zijde van het boschje, een elegante, met twee paarden bespannen
tom-pouce stapvoets heen en weder gereden werd. Had hij de aangezigten
van het wandelend paar kunnen onderscheiden, misschien zou het
verschil in beider uitdrukking hem getroffen hebben: de bloeijende
mannelijke schoonheid van het eene, en de onmiskenbare sporen van
vrouwelijk lijden op het andere. In elk geval zou hij aanstonds gewaar
geworden zijn dat de onbekende dame misschien Lidewyde's jufvrouw van
gezelschap, doch zeker niet Lidewyde-zelve was. Doch de slankheid van
haar figuur en het bedriegelijk-jeugdige van een lagen tuinhoed met
breeden rand misleidden hem omtrent haren leeftijd, en eerst toen zij
onverzeld uit het boschje terugkeerde en hij haar in het gelaat kon
zien, bemerkte hij zijne vergissing.

Zij was eene vrouw van vijftig jaren, fatsoenlijk, doch zoo eenvoudig
gekleed, dat men twijfelen mogt of zij in allen deele als de gelijke
van de vrouw des huizes aangemerkt kon worden. Aan eene dienstbare
deed zij niet denken, doch evenmin aan eene meesteres; althans niet op
dit gebied en in deze omgeving. De tuinmansjongen, bezig met het
opbinden der bloemen en het reinigen der bedden, groette haar toen zij
hem voorbijging, doch niet met dat ontzag waarop het gedistingeerde in
haar voorkomen haar aanspraak scheen te geven. Was zij welligt
Lidewyde's moeder? Indachtig aan de verhalen van zijnen oom omtrent
Lidewyde's afkomst, kon André dit bezwaarlijk aannemen. Tusschen hare
gelaatstrekken en die van Lidewyde was geen zweem van gelijkenis te
bespeuren. Ook zou de tuinmansjongen, indien zij in eene zoo naauwe
betrekking tot zijne mevrouw gestaan had, haar ongetwijfeld met meer
onderscheiding bejegend hebben. "Het zal Lidewyde's kamenier zijn,"
zeide André; en hij zou met die onderstelling vollen vrede hebben
gehad, indien de jonge man aan hare zijde, dien zij uitgeleide scheen
gedaan te hebben, in zijne manier van nevens haar te gaan en met haar
te spreken meer gemeenzaamheid aan den dag gelegd had.

Dat hij dat niet had gedaan, maar zich onwillekeurig onderworpen
scheen te hebben aan den toon van gezag, waarop zij tot hem sprak, was
iets dat André intrigeerde. Voor het overige vond hij de zaak in het
minst niet geheimzinnig. Lidewyde, redeneerde hij, was juist eene
vrouw om gestadig hare toevlugt te nemen tot de medische fakulteit;
die vreemde heer met zijn brieschend tweespan en zijn nuffig rijtuig
was de M'sche mode-dokter; niets natuurlijker dan dat de
gezelschapsjufvrouw, of welke andere naam haar dan ook voegde, last
bekomen had om den volgeling van Hippokrates, die hier welligt iederen
dag een morgenbezoek kwam afleggen, als naar gewoonte uit te laten.
Veel tijd evenwel om dit gewone en natuurlijke in overeenstemming te
brengen met de verrassende deferentie, welke uit de houding van den
gevierden medicus gesproken en waarmede hij naar de vertoogen der
ondergeschikte vijftigjarige geluisterd had, schoot thans voor André
niet over. Een bediende kwam hem waarschuwen dat het ontbijt gereed
was en de vrouw des huizes hem wachtte.

--"Heeft mijnheer soms boodschappen te verrigten?" vroeg de knecht.

--"Boodschappen?" herhaalde André, "dat niet zoo zeer. Maar indien gij
naar de stad gaat, wees dan zoo goed en bezorg meteen dezen brief op
de post."

--"Met genoegen, mijnheer."



ZEVENDE HOOFDSTUK.


De schoonheid van sommige vrouwen is als de zee aan onze
westerstranden. Op den middag spiegelt zich de zon in de golven; zij
breken, en het glanzig schuim spat vonkelend op. De watervlakte, het
blanke zand, de vastgewoelde pinken met haar tuig en bruine netten, de
witte huiven der badkoetsen, de bloote beenen en de roode broek van
den wadenden visscher met het anker op den schouder, de havelooze
kleedij der visscherskinderen, die met eene opgetuigde klomp
schuitjevaren spelen in de plas,--alles glinstert, alles baadt zich
dansend in het stroomend licht: de hemel schijnt geopend. Doch
gindsche reuzenwolk, die sedert lang gedreigd heeft de zonnestralen te
zullen onderscheppen, drijft allengs nader; in het eind volvoert zij
hare bedreiging, en voort zijn eensklaps de glans en de gloed. Grooter
en grooter wordt de schaduwvlek op den blinkenden spiegel; nog een
oogwenk, en de bruiloft van daareven is in eene begrafenis verkeerd.

Denk u het omgekeerde van dat tooneel, en gij zult u eene voorstelling
van André's verbazing kunnen vormen, toen hij de kleine eetzaal
binnentrad. Den vorigen avond had Lidewyde den indruk op hem gemaakt
eener half uitgebloeide schoonheid; eener vrouw, die, omdat zij zich
verveelde, op hare beurt vervelend was; voor wie beminnelijk te zijn
een lastpost scheen; wier kleeding-zelve geblaseerdheid teekende.
Thans daarentegen, thans zat bij het geopend venster, tusschen een
amfitheater van sierplanten, in de lichte schaduw van een in den tuin
vooruitspringend zonnescherm, als een madeliefje in het groen, een
aanvallig wezen. Ongekunstelde vriendelijkheid sprak uit hare donkere
oogen, een glimlach speelde om haar fraaijen gullen mond, een wit
neteldoeksch ochtendkleed met zacht gekleurde bouquetten van violet en
groen vormde de bevalligste harmonie met de breede afhangende linten,
groen en violet, die haar mutsje sierden. Het blanke voorhoofd kwam
schitterend uit tegen het ongebleekte kantwerk, en die gele tint
temperde wederkeerig den golvenden gloed der donkerzwarte
haarvlechten.

Ware zij, toen André binnentrad, opgerezen en hem te gemoet gegaan,
hare houding noch haar gang zouden de schoonheid van haar gelaat
gelogenstraft hebben. Had zij hem de hand gereikt en had hij die een
oogenblik in de zijne mogen houden, het zou hem getroffen hebben dat
zulke fijne vingertoppen de verlenging waren eener zoo poezele vuist.
Doch zij bleef zitten in haar leunstoel bij het venster, liet beide
handen eene wijl in de schoot rusten, wendde het hoofd naar de deur,
en nam met den vriendelijksten blik der wereld, het uitnoodigendst
welkom verkondigend, haren neef en logeergast op.

In de tegenwoordigheid eener zoo schoone vrouw, op wier gelaat
bovendien de blos eener volmaakte gezondheid zetelde, was het André
niet mogelijk, lang aan de medische fakulteit te denken. De
herinnering aan het dokterskoetsje was eensklaps als weggevaagd uit
zijnen geest; Lidewyde's liefelijke en tegelijk indrukwekkende
verschijning vervulde hem geheel, en indien iets hem op dit oogenblik
bekommerde, was het de vraag, op welken voet hij haar toespreken zou.
"Mevrouw" tot haar te zeggen, had hem den vorigen avond niet de
geringste inspanning gekost, nu daarentegen bestierf dat deftige woord
hem schier op de lippen. Doch ook dit bezwaar werd uit den weg
geruimd, en zijne eigenliefde had van zijne opkomende verlegenheid
niets te lijden.

--"Laat ons elkaar bij den voornaam noemen," zeide zij. "Neef en nicht
zijn gruwzame woorden, nog gruwzamer dan mijnheer en mevrouw. Hoe
minder ik ze hoor, hoe liever het mij is... Mijn man kan elk oogenblik
thuiskomen. Ga zitten, André, en vertel mij intusschen van uwe Emma."

Gewoon te spreken en te handelen zonder =arrière-pensée=,--althans dit
verbeeldde hij zich; en daarvoor ging hij door,--verkeerde André te
goeder trouw in den waan dat alle andere regtschapen lieden even zoo
deden. Bijoogmerken te hebben stond in zijne schatting gelijk met
huichelen, en hij kon zich niet voorstellen, plagt hij te zeggen, dat
iemand met een zuiver karakter omwegen gebruikte om tot zijn doel te
geraken. "Vertel mij van uwe Emma," was voor hem, uit Lidewyde's
mond,--en voorshands waren er dan ook inderdaad geene redenen om aan
die woorden eene andere beteekenis te hechten,--het verzoek van eene
lieve, goedhartige vrouw, die herstellen wilde hetgeen zij den vorigen
avond door hare koelheid bedorven had.

--"Het doet mij regt veel genoegen," vervolgde zij, "dat het toeval
mij met u in kennis brengt. Verleden week waren de couranten vol van
uwen lof. Doch een neef te bezitten die spoorwegbruggen bouwt, is niet
genoeg. Men is begeerig, zulk een neef te aanschouwen. Gij zijt het
eerste lid van uwe familie waarmede ik tot hiertoe in aanraking kom.
Met uw oom is mijn man enkele malen in gezelschap geweest, doch ik
zelf heb hem nooit ontmoet. Is hij een aangenaam mensch? Houdt gij van
hem?"

--"Indien gij den brief gelezen hadt, dien ik daareven aan mijn meisje
heb zitten schrijven, zoudt gij naar mijn antwoord op de laatste dier
twee vragen niet lang behoeven te raden," zeide André met een
glimlach. "Neen, ik houd niet bijzonder veel van mijn oom, maar hij
kan daarom wel een aangenaam mensch zijn."

--"Is hij tegen uw huwelijk?" vroeg zij, hem aanziende en insgelijks
glimlagchend.

--"Hij is er ten minste tegen geweest. Hoe hij op dit oogenblik
daarover denkt, weet ik niet. Doch waarom vraagt gij dat?"

--"Waarom? Omdat het mij van u spijten zou, indien men tegelijk een
aangenaam mensch en uwe antipathie zijn kon. Maar alles verandert,
zoodra uw oom ongaarne uw huwelijk ziet. Bruidegoms hebben het regt
ieder te haten die niet doodelijk is van hunne bruid. Doch uw oom is
een oud jong heer, aan wiens meening gij u niet te storen hebt. Erger
zou het zijn, indien uwe ouders niet ingenomen waren met uw meisje. Of
anders uwe zusters. Gij hebt immers zusters?"

--"O, van dien kant is alles in orde. Emma heeft bij mijne ouders
herhaaldelijk gelogeerd, en de geheele wereld bij ons aan huis draagt
haar op de handen."

--"Zij is eene jufvrouw Visscher niet waar, en gij hebt haar te
Duinendaal leeren kennen? Dat was een romaneske geschiedenis, die val
van u. Er zijn weinig jonge heeren die niet gaarne tot dien prijs in
kennis zouden komen met een aardig meisje."

--"Die val van mij?" vroeg André, voor de eerste reis blozend om een
accident, dat een huisgenoot op Belvedere van hem gemaakt had. "Hoe is
het mogelijk dat gij daar kennis van draagt?"

--"Ja wel, ja wel," schertste zij, "men heeft te M. bloedverwanten
wonen waar men niet naar omziet; men laat Adriaan Dijk en zijne vrouw
aan hun lot over; men wacht met mededeelzaam te zijn totdat het toeval
neef André en nicht Lidewyde met elkander in kennis brengt. Doch nicht
Lidewyde wordt goed geïnformeerd, reken daarop; en bovendien is
Duinendaal zulk een uithoek niet, dat men, met een weinig
belangstelling, geene gelegenheid zou kunnen vinden om sommige
informatien op de plaats zelve te gaan kontroleren."

--"Inderdaad, Lidewyde, ik ben verbaasd..."

--"Dat is braaf van u, mij Lidewyde te noemen. Ik begon al te vreezen
dat mijn naam u tegenstond. Emma klinkt veel liefelijker, dat erken
ik. Weet gij hoe ik aan dien naam van Lidewyde kom? Ik heet naar de
zalige Lidewyde van Schiedam, waar mijn vader geboren is. Misschien
doet die oude dame nog eenmaal een goed woord voor mij, en verzoent
zij mij daardoor met de gedachte, half en half eene Schiedamsche te
zijn; wat ik geen voorregt vind. Ik benijd u den naam van Kortenaer;
en, had het in mijne keus gestaan, ik zou, even als gij, hebben willen
afstammen van iemand die in de Groote Kerk te Rotterdam in een
praalgraf rust. Mijne petemoei, indien ik haar zoo noemen mag, heeft
zich moeten vergenoegen met een opschrift boven een klein-steedsch
hofje. Maar waarom verbaast het u, dat ik op de hoogte ben van uw
roman? Of zijt gij zoo nederig, dat gij den roep van uwe ridderlijke
daden beperkt zoudt willen weten tot de echo's der Duinendaalsche
boschjes? Dat kan ik niet gelooven. In mijn tijd althans waren de
jonge lieden zoo bescheiden niet."

--"In uw tijd, Lidewyde? Moest ik u een kompliment maken, ik zou
zeggen dat uw tijd nog komen moet. Maar in vollen ernst, wie heeft u
verteld onder welke omstandigheden ik het hof aan Emma gemaakt heb?"

--"Niemand heeft mij dat verteld. En dat was ook niet noodig. Zoo lang
de boschaadjes de kunst van klappen niet zullen verleerd hebben,
behoeft niemand veel moeite te doen om achter het geheim van sommige
vrijaadjes te komen."

--"Foei, Lidewyde, nu doet gij even als mijn aanstaande schoonvader,
die langzamerhand de taal der oude hollandsche dichters begint te
spreken. Ik voor mij houd niet..."

--"Wat hoor ik? Dat is een slecht begin, André! Gij houdt niet van uw
oom, niet van uwen aanstaanden schoonvader, misschien ook niet van uw
aanstaande schoonmoeder,--waar moet dat heen? Gij houdt van uw meisje,
zult gij zeggen, en ik geef u toe dat die vlag de lading dekt. Hoe
ziet uw meisje er uit? Allerliefst, natuurlijk; doch erken dat dit
tevens te veel en te weinig zegt. Is zij blond, is zij bruin, is zij
groot, is zij klein? Biecht op, mijnheer André, en stel mij in de
gelegenheid uw goeden smaak te bewonderen!"

--"Wilt gij haar portret zien?" vroeg hij, naar zijne portefeuille
tastend. "Hier is het."

Hij rees op, reikte haar het albumblad over, en ging toen weder
zitten. Zij liet zich achterover zinken in haren stoel, hield de
kleine beeldtenis met de eene hand een weinig voor zich uit, ten einde
haar niet onder een valsch licht te zien, en bragt de andere hand aan
hare wang.

--"Welk een lief onschuldig gezigtje!" zeide zij, terwijl een
glimlach, gelijk alleen welgevallen en bewondering tooveren konden,
haar gelaat verlichtte. "En welk bevallig figuurtje! Mijnheer André,
ik maak u mijn kompliment. Meestal doet de fotografie blondines
onregt; doch Emma heeft geen reden van klagen. Is zij altijd zoo
gekapt, met die lange krullen van voren? En is het waar, dat men haar
en hare moeder voor zusters zou aanzien? Het is een keurig portretje.
Alleen zou ik gewild hebben, dat de fotograaf haar een weinig minder
=en face= genomen had; doch dat zijn van die details waar de fotografen
gemeenlijk geen oog voor hebben."

--"Ja maar," begon André.

Doch om Lidewyde duidelijk te maken dat hare aanmerking hem niet
geheel en al gegrond voorkwam, moest hij opstaan; en wilde hij het
licht niet roekeloos onderscheppen, dan was het onvermijdelijk dat
hij zich achter haar fauteuil plaatste en haar met den vinger aanwees,
dat het door den fotograaf gebragte offer goedgemaakt werd door
sommige schoonheden in Emma's houding, die anders verloren zouden zijn
gegaan. Hij ondernam het, zich van dat pleidooi te kwijten, doch niet
zonder zekere ontroering. De fijne geur van bloemen en kruiden die uit
Lidewyde's kapsel naar hem opsteeg, bedwelmde hem niet zoo zeer; maar
gedurende zijn onderhoud met haar had hij de oogen schier niet kunnen
afwenden van hare schouders, die, zonder breed te zijn, toch eene
ronding en volheid vertoonden, waarbij Emma's buste onvorstelijk
afstak. Nu hij zich in de onmiddelijke nabijheid van Lidewyde bevond,
troffen die schouders hem op nieuw en nog sterker dan te voren. Emma
zou hij steeds ontraden hebben, zich bij bals of andere feestelijke
gelegenheden te zeer den hals te ontblooten, Lidewyde niet. Hij stelde
zich integendeel voor, dat het een verrukkelijk schouwspel moest
opleveren, Lidewyde gedekolleteerd te zien.

--"Ja maar," hervatte hij, zich voorover buigend, zoodat hij den adem
moest inhouden om haar kanten mutsje te ontzien, "ik geloof niet dat
de fotograaf er veel bij zou gewonnen hebben..."

--"En waarom zou hij niet?"

--"Wel, omdat anders..."

--"Neen, dat ben ik niet met u eens."

--"Ik druk mij verkeerd uit, geloof ik."

--"Toch niet, ik begrijp uwe bedoeling volkomen. Tenzij..."

--"Nu juist, dat is het."

Het pleidooi zou misschien gaandeweg zijn gaan vlotten, en ook al ware
het nu en dan een weinig blijven steken, welligt zou André het niet
onaangenaam hebben gevonden, zich nog digter over de leuning van
Lidewyde's stoel heen te buigen en haar in vertrouwen te betoogen dat
Emma's houding weinig of niets te wenschen overliet. Doch hun
onderhoud werd gestoord door de komst van den heer des huizes, en het
duurde geen vijf minuten, of het manipuleren van messen en vorken had
aan alle debatten voorshands een einde gemaakt.



ACHTSTE HOOFDSTUK.


--"Luister eens, Kortenaer," zeide Dijk, toen de maaltijd afgeloopen
was en Lidewyde zich was gaan kleeden, "uw oom heeft onwillekeurig
eene dwaasheid gedaan door u dezer dagen aan mij te adresseren. Mijne
gewone bezigheden zijn in den regel zoo menigvuldig niet, dat ik u
niet behoorlijk te woord zou kunnen staan; en indien gij zes weken
vroeger of zes weken later hier gekomen waart, zou ik onmiddelijk tot
uwe dienst geweest zijn. Wat wordt vereischt om onze zaak in orde te
brengen? Een paar bezoeken bij den kantonregter, eene konferentie of
wat met mijn notaris, meer niet. Doch op dit oogenblik heb ik zelfs
voor dat weinige geen tijd. Een ander en gewigtiger belang neemt in
den loop dezer maand en tot in het begin der volgende al mijne vrije
uren in beslag."

--"Gij zijt kandidaat voor de Tweede Kamer."

--"Hoe weet gij dat? Heeft mijne vrouw het u verteld? Die interesseert
zich anders niet sterk voor zulke zaken."

--"Neen, maar toen ik gisteren-ochtend hierheen reisde, is te T. een
heer bij mij komen zitten, die u persoonlijk kende, en die mij zeide,
dat hij naar M. moest om met u te spreken over uwe kandidatuur. Ik had
hem nooit ontmoet, maar de geheele wereld kent den naam van Lefebvre,
en toen ik hem verteld had dat ik insgelijks naar M. moest en eene
zaak met u te vereffenen had, waren wij aanstonds goede vrienden."

--"Een vreemd uiterlijk, niet waar? Men zou het hem niet aanzeggen dat
hij zoo knap is. Hebt gij hem zien snuiven?"

--"Niet-alleen heb ik dat gezien, maar ik durf beweren dat hij van T.
naar M. niets anders gedaan heeft als snuiven en praten. Om u de
waarheid te zeggen, vond ik hem nog al vies. Met een grooten witten
zakdoek vol ongeregtigheden veegde hij na iedere anekdote zich het
voorhoofd af, en het beetje rappé dat niet aan zijne wangen bleef
kleven vond logies tusschen de plooijen van zijn overhemd."

--"Maar hij zegt voortreffelijke dingen, vindt gij niet?"

--"Zoo voortreffelijk, dat ik somtijds moeite had hem te volgen. Hij
schijnt verwonderlijk goed te huis te zijn in onze politiek."

--"Dat is hij, en ofschoon hij zelden of nooit iets schrijft, oefent
hij een grooten invloed uit. Maar om terug te komen op hetgeen ik u
zeggen wilde, gij zult, naar ik voorzie, niet veel lust hebben, hier
te blijven totdat de verkiezing achter den rug is; en ik, ik kan, op
mijn woord van eer, mij vóór dien tijd niet met u occuperen. Doch ik
meen er iets op gevonden te hebben."

--"En dat is?" vroeg André.

--"Mijne moeder bevindt zich op dit oogenblik met mijne beide zusters
in Engeland; haar huis, hier in de stad, is gesloten, en van dien kant
heb ik u dus niets aan te bieden. Dit is evenwel geen onoverkomelijk
beletsel. Mijn moeders beste vriendin, tegelijk eene zeer goede kennis
van mijne vrouw, is eene oude ongetrouwde dame Steinmetz, die wij
gewoon zijn freule Bertha te noemen. Wat dunkt u, indien freule
Bertha, die niets omhanden en bij zich aan huis ruimte in overvloed
heeft, uw meisje voor eene poos te logeren vroeg? Onze eigen woning,
naar gij bemerkt, is tot uwe dispositie; gij zult jufvrouw Visscher
ten huize van onze vriendin, die eene algemeen geachte en inderdaad
hoogst achtenswaardige dame is, zoo dikwijls kunnen bezoeken als gij
verkiest, en wat ons zelven betreft, het zal ons natuurlijk uitermate
aangenaam zijn, kennis te maken met uwe aanstaande. Het overige kunt
gij met Lidewyde bespreken."

--"Indien Emma's ouders vrede hebben met dat plan, ik voor mij," riep
André uit, "vind het alleraardigst. Gij zijt volkomen opregt, niet
waar, wanneer gij mij verzekert dat ik u geen overlast doe, en niet
minder wanneer gij mij waarborgt dat Emma door de vriendin uwer moeder
goed ontvangen zal worden?"

--"Beste vriend, daarvan kan geen kwestie zijn. Freule Steinmetz is
eene allerbeminnelijkste oude vrouw, die jonge meisjes niet-alleen
niet haat, maar een bepaald zwak voor haar heeft. Zij zal het als een
voorregt beschouwen, jufvrouw Visscher te kunnen herbergen. Belooft
gij mij, de zaak bij uzelven rijpelijk te zullen overleggen? Ik
verzeker u, dat het mij een pak van het hart zal zijn."

--"Al hetgeen ik beloven kan, beloof ik. Waarlijk, het is mij eene
alleraangenaamste verrassing, zoo vriendschappelijk door u bejegend te
worden."

--"Goed, dat eene is dus afgesproken. Gij zult met Lidewyde en
Lidewyde zal met hare vriendin bepraten wat er gedaan moet worden om
uw meisje te overreden. Verlangt gij, vooraf uwe opwachting te gaan
maken bij freule Steinmetz, mijne vrouw zal u gaarne bij haar
introduceren. Nu nog iets anders. De medicus van mijne vrouw, dokter
Ruardi, is mijn intime vriend. Ware ik vrij, ik zou geen afstand doen
van het genoegen, de honneurs der stad bij u waar te nemen. Doch nu
dit niet gaat, is er niemand aan wien ik u met zulk een goed geweten
overleveren kan als aan hem. Staat gij toe dat ik hem over u spreek en
hem uw geval vertel? Hij is een uitmuntend mensch, en zijne
konversatie zal u vast niet minder belang inboezemen dan die van uw
reisgenoot Lefebvre."

--"Kan ik dien heer een uur of anderhalf geleden hier in den tuin
hebben zien wandelen?"

--"Meent gij Lefebvre?"

--"Neen, dokter Ruardi bedoel ik. Zoo noemt gij hem immers? Een
welgemaakt jong man, donker van uitzigt, en geheel in het zwart
gekleed."

--"Juist. Ruardi komt dagelijks en op ieder uur van den dag bij ons
aan huis. Zoo als ik zeide, hij is tevens mijn boezemvriend en de
medicus van Lidewyde. Dus hebt gij hem reeds gesproken?"

--"Niet gesproken, maar gezien. Toen ik daareven op mijne kamer voor
het venster stond, zag ik een dokterskoetsje heen en weder stappen op
den straatweg, en toen op hetzelfde oogenblik een vreemd heer den tuin
doorging, begreep ik half en half dat die vreemdeling Lidewyde's
dokter zijn zou. Gaat het mijnheer Ruardi zoo voor den wind, dat hij
zulk keurig equipage houden kan?"

--"O, Ruardi verdient met zijne praktijk geld als water en heeft
bovendien fortuin van zich zelven en van zijne vrouw."

--"Met wie is hij getrouwd?"

--"Op dit oogenblik is hij weduwnaar, maar eenige jaren geleden is hij
korten tijd getrouwd geweest met een meisje uit onze patricische
societeit. Hij had aan dat juffertje een uitmuntend huwelijk gedaan,
en haar verlies is eene zware slag voor hem geweest."

--"Bedoelt gij daarmede dat hij zelf geen patricier is?"

--"Lieve vriend, wat zal ik op die vraag antwoorden? Mijn eigen vader
was evenmin patricier als Ruardi het is, en alleen om zijn huwelijk is
hij in dien kring toegelaten geworden. Toen ter tijd werd de
fatsoenlijke wereld te M. nog als van ouds in twee helften verdeeld,
de patriciers en de burgers, hoogmoed tegen hoogmoed. Doch sedert is,
gelijk in vele andere dingen, ook daarin groote verandering gekomen.
Tegenwoordig domineren hier handel en industrie, en de geboorte is op
den achtergrond getreden. Evenwel is het daarom nog niet
onverschillig voor een medicus, aan welke familien hij geparenteerd
is. Vergenoeg u dus met de wetenschap dat gij aan de zijde van Ruardi
overal welkom zult zijn... Hoe laat is het? Te drommel, ik moet naar
de stad... Nu, tot van middag aan tafel. Morgen-ochtend hoop ik in de
gelegenheid te zijn, Ruardi voor te bereiden op de kennismaking met u.
Vergeet intusschen onze afspraak omtrent jufvrouw Visscher niet.
Adieu."


Ook zonder die aanbeveling zou André aan de gemaakte afspraak gedacht
hebben. Het liep hem mede, vond hij, en de voorspoed heeft een goed
geheugen. De kennismaking met Lidewyde te kunnen voortzetten en tevens
met Emma vereenigd te zijn, dit was een kolfje naar zijne hand. Zoodra
Lidewyde beneden kwam zou hij met haar over de zaak spreken. Dit was
het voorname pund. Naar den dokter zou hij haar voorloopig niet
vragen. Diens geheimen, zoo hij ze had, gingen hem niet aan; of indien
later blijken mogt van wèl, zou het nog vroeg genoeg zijn.



NEGENDE HOOFDSTUK.


Lidewyde kleedde zich; en had André tegenwoordig mogen zijn bij dat
toilet, zijn goede dunk omtrent de bekoorlijkheden van mevrouw Dijk
zou er niet onder geleden, zijne menschenkennis er bij gewonnen
hebben. Hetgeen hij gegist had, was waar. De bejaarde vrouw, door hem
opgemerkt in den tuin, vervulde werkelijk bij Lidewyde de taak van
kamenier, en de onbekende, wien zij uitgeleide had gedaan, was
inderdaad dokter Ruardi geweest. Het onderhoud tusschen meesteres en
dienstbode liet daaromtrent geen twijfel over. Slechts in één opzigt
zou André, indien hij dat gesprek had aangehoord, vermoedelijk
teleurgesteld geweest zijn: een zoo volstrekt verzwijgen van zijnen
naam, een zoo onbepaald wegdenken van zijn persoon, zou hem in zijne
eigenliefde deerlijk gekwetst hebben.

Lidewyde zat op hare gewone plaats, voor haren kapspiegel, en wanneer
zij de oogen opsloeg, kon zij Sarah, die achter haar stond en bezig
was iets aan haar kapsel te veranderen, in het aangezigt zien.
Verwonderlijk aangezigt! Of liever, verwonderlijk dat eene vrouw van
leeftijd, met zoo iets =lady-like's= in haar voorkomen, het werk eener
kamenier verrigtte. Verwonderlijk ook, dat zij dit deed zonder
merkbaren tegenzin zoowel, als zonder ostentatie, met de
gemakkelijkheid van iemand die zich in hare nederige rol volkomen op
hare plaats gevoelde en tegelijk eene honderd malen betere plaats met
eer vervuld zou hebben. Zij geleek de tegenstrijdigheid in persoon.
Haar zwart zijden kleed teekende geene armoede, en toch ontving men
den indruk, dat zij bij meer dan eene gelegenheid het gebrek onder de
holle oogen had gezien. De scherpe trekken van haar gelaat drukten
meer zelfbeheersching dan aandoenlijkheid uit, hetgeen niet
verhinderde dat men in haar iemand waande te zien, over wier hoofd
schier al het lijden heengegaan--en niets slechts heengegaan--moest
zijn, waardoor eene vrouw getroffen kan worden. Haar zwakke stem, hare
lichte oogen, schenen van zachtzinnigheid te getuigen; en toch zou men
niet verbaasd geweest zijn, haar op gestrengen toon een wreed bevel te
hooren geven. Hare grijsblonde lokken, onder een mutsje van zwarte
tulle, opgemaakt met pensé lint, spraken van een stemmig gemoed, van
uitgedoofde hartstogten, van eene boven iederen strijd verheven deugd,
terwijl niettemin met volle regt van haar beweerd kon worden, dat hare
zestig jaren aan niets verhevens of edels deden denken. Somtijds drong
zich van den twijfelachtigen indruk, dien haar persoon te weeg bragt,
het innemend element op den voorgrond, en vroeg men zich naderhand af,
of deze vrouw wel inderdaad zoo koud, zoo hardvochtig, zoo slecht was,
als zij scheen. Andere keeren had het tegenovergestelde plaats, en
kwam de ongunstige impressie, als korrektief eener voorbarige
sympathie, hinkend en terugstootend achteraan. Boosaardigheid,
evenwel, was aan de uitdrukking van haar gelaat, ook onder de minst
voordeelige omstandigheden, te eenemaal vreemd. Was zij werkelijk,
gelijk men somwijlen in verzoeking kwam te denken, in staat en bereid
tot het plegen van iedere misdaad, dan sproot dit blijkbaar bij haar
niet voort uit lust in het kwade, maar uit zeker niet-inzien of
niet-erkennen van eenig wezenlijk onderscheid tusschen kwaad en goed.
Zelfs was de diabolische trek bij haar zoo volstrekt afwezig, dat de
dienstboden van minderen rang, op Soekabrenti, in plaats van haar te
benijden of te belasteren, haar gaarne lijden mogten en haar roemden
om hare goedheid. In de tuinmanswoning was zij eene welkome
bezoekster, en de kinderen van den koetsier liefkoosden haar in de
tegenwoordigheid hunner moeder. In de keuken was zij vooral hierom
populair, omdat men meende te weten dat zij zelve, in vroeger jaren,
eene "mevrouw" geweest was, en er niettemin nooit een woord over hare
lippen kwam, dat ontevredenheid met haar tegenwoordigen staat van
ondergeschiktheid verried.

--"En wat," vroeg Lidewyde, de wenkbraauwen fronsend en op
ongeduldigen toon het gesprek voortzettend, "wat is zijn antwoord
geweest?"

--"Eerst verbleekte hij, tegen zijne gewoonte, en beet zich op de
lippen. Toen ik aanhield en zeide dat gij den sleutel en de brieven
tot iederen prijs terug verlangdet, wilde hij de reden kennen. Hij
vroeg--ja wat al niet."

--"Wat vroeg hij dan?"

--"Hij vroeg, waarom gij in plaats van mij die boodschap voor hem op
te dragen, haar niet zelf gedaan hadt, en wat het beteekende dat ik
hem achterna gezonden werd, daar het toch een oogenblik te voren in
uwe magt had gestaan, hem uwen wensch mede te deelen."

--"Dat kon, dat wilde ik niet. Indien ik hem alleen haatte, zou ik wel
woorden vinden; harde of zachte om het even. Maar bij de gedachte dat
hij mij in zijne magt heeft,--hij mij,--gevoel ik mij zelve in zulk
eene woede ontsteken, dat de spraak mij begeeft. Wat vroeg hij nog
meer?"

--"Iets dat hij niet gevraagd zou hebben, indien hij u had hooren
spreken gelijk gij nu doet. Hij vroeg, of gij hem niet meer lief
hadt?"

--"Dat kan hij niet gemeend hebben. Hij weet dat ik hem haat. Hij moet
het weten!"

--"Met uw verlof, mevrouw, zoo lang onverschilligheid de eenige vorm
is waaronder gij hem uwen afkeer laat blijken, kan hij te goeder trouw
meenen dat uwe koelheid slechts voorbijgaande is."

--"Noem Ruardi en de goede trouw niet in één adem, wat ik u verzoeken
mag. Hij is de valschheid in persoon. Hebt gij hem dan niet gezegd dat
ik hem met mijn geheele hart verfoei? Waar waren uwe zinnen, Sarah?"

--"Ik had geene vrijheid om hem dat te zeggen, mevrouw. Mijn antwoord
is dan ook geweest, dat hij alsnog, voor zoo ver ik wist, niet aan uwe
liefde behoefde te twijfelen, en ik uw wensch meer als eene gril dan
als een bevel of een eisch beschouwde."

--"Gij hebt gelijk, Sarah. Vergeef het mij, dat ik daareven iets
onvriendelijks tot u zeide. Het zou lafhartig van mij zijn, u een last
op te dragen waarvoor ik zelf tot hiertoe teruggedeinsd ben. En wat
antwoordde hij, toen gij hem om bestwil met die halve waarheid
tevreden hadt zoeken te stellen?"

--"Dat dezelfde redenen, die u den sleutel en de brieven deden
afvragen, hem bewegen moesten om ze te houden."

--"Juist een antwoord voor hem. Zoo iets puntigs en snijdends, dat een
schijn van diepzinnigheid heeft, maar in den grond der zaak niets
beteekent. O Sarah, Sarah," zuchtte Lidewyde, terwijl zij als in
vertwijfeling de handen aan het voorhoofd bragt, "waarom heb ik dien
man ooit mijn vertrouwen geschonken!"

Had Sarah de booze wereld vertegenwoordigd, zij zou geantwoord hebben
dat Lidewyde ongetwijfeld minder wanhopig en bekommerd zou zijn
geweest, indien zij dokter Ruardi nooit iets anders geschonken had als
haar vertrouwen. Doch stekelige gezegden van dien aard vielen evenmin
in Sarah's smaak of karakter, als het openbaren eener in dit geval
anders niet onnatuurlijke deernis. Eene gewone vrouw van Sarah's
leeftijd en positie zou Lidewyde, hoe schuldig deze dan ook wezen
mogt, niet zonder mededoogen hebben kunnen zien lijden. Want dat zij
leed was duidelijk. Daarvan getuigde de ongelijkheid van haar humeur;
hare onnatuurlijke neerslagtigheid in het eene, hare even
onnatuurlijke opgewondenheid in het andere oogenblik; de sombere
stemming, waarin gisteren avond André haar aangetroffen had; de
gemaakte opgeruimdheid, waarmede zij dien ochtend met hem had
geschertst en gekeuveld; de hartstogtelijke toon, waarop zij daareven
was uitgevaren tegen Ruardi. Doch voor Sarah was het eene uitgemaakte
zaak dat Lidewyde ophouden zou zich ongelukkig te gevoelen, van het
oogenblik af dat zij haren minnaar zou kunnen trotseren, en de reden
van Lidewyde's verdriet alleen hierin bestond, dat zij voorshands niet
in de gelegenheid was, haar overwigt te doen gevoelen. Dat onvermogen,
meende Sarah, noopte tot nadenken, niet tot medelijden. Het kwam er
slechts op aan, een middel te ontdekken en aan te wenden, waardoor
Lidewyde, die zich thans in de magt van den dokter bevond, hem op hare
beurt tot onderwerping zou kunnen brengen, of althans hem op eene
kwetsbare plaats zou kunnen grieven.

--"En toch," vervolgde Lidewyde, "er moet een einde komen aan onze
valsche verhouding. Zoo kan het niet langer. Zijne gemeenzaamheid is
mij ondragelijk geworden. Liever openlijke vijandschap dan zulk een
omgang."

--"Mevrouw weet even goed als ik," antwoordde Sarah, "dat al het
ongerief eener vriendschapsbreuk met den dokter nederkomen zou op haar
eigen hoofd. De blindheid van mijnheer Dijk heeft grenzen."

--"Mijn man is een ellendeling," viel Lidewyde haar in de rede.
"Nimmer zal ik hem de helft van het leed kunnen berokkenen dat hij
gebragt heeft over mij. Wat raakt het mij, of hij verdriet heeft?
Wanneer heeft hij zich over het mijne bekommerd?"

--"Niet dikwijls, dat erken ik; maar," ging Sarah voort, "daar staat
tegenover dat mijnheer Dijk, toen gij gelukkig waart met dokter
Ruardi, geen hinderpaal voor u geweest is. Die verdienste behoort
erkend te worden."

--"Eene fraaije verdienste!" riep Lidewyde op minachtenden toon.

--"Thans, nu ieder weet dat dokter Ruardi de beste vriend is van uw
man,"--de kamenier vond het niet noodig het "mijnheer Dijk" tot in het
oneindige te vermenigvuldigen en verhielp onder de hand nog eene
kleinigheid aan Lidewyde's kapsel,--"thans bestaat er voor zijne
veelvuldige bezoeken hier aan huis eene natuurlijke reden. Doch zoodra
gij zelve dat voorwendsel vernietigt, zullen uwe vriendinnen van de
gelegenheid gebruik maken om zich van u af te zonderen. En zij, die
het meest op haar geweten hebben, zullen uw gezelschap het ijverigst
mijden. Op die wijze zult gij u dubbel eenzaam gaan gevoelen."

--"Maar moet ik dan," vroeg Lidewyde, met ongeduld oprijzend, ten
einde Sarah in staat te stellen de knoopjes aan de achterzijde van
haar kleed te bevestigen, "moet ik ten eeuwige dage vastgeketend
blijven aan een schepsel, dat ik niet liefheb, dat ik haat, dat ik
veracht? Is het niet genoeg, dat iemand die zich mijn man noemt, dag
aan dag mijn leven verbittert? Ben ik gedoemd, hetzelfde ten tweede
male te lijden door toedoen van een ander, die er zich op verheft mijn
minnaar te zijn? Dat is duldeloos, zeg ik u."


Het leven was voor Sarah-zelve zoo onvriendelijk geweest; wettige
instellingen en deugdzame menschen hadden haar zoo ongelukkig gemaakt;
zij had zooveel en zoo lang geleden door op de werkelijkheid te
willen toepassen hetgeen zij van kindsbeen af onder braaf-zijn had
leeren verstaan,--dat het haar niet tegen de borst stuitte, maar
veeleer eene verademing voor haar was, te doen te hebben met eene
vrouw als Lidewyde. Misschien was Lidewyde haar mindere in geboorte,
en stellig was er in haar eigen leven een tijd geweest, dat zij het
regt zou gehad hebben, haar ook als hare mindere in maatschappelijken
rang te beschouwen. Doch wat zou dit? Zij was oud; zij was nooit eene
schoonheid geweest; zij had met het verledene onherroepelijk
afgerekend. Lidewyde daarentegen telde nog slechts vijfentwintig jaren
(geheel ten onregte had André haar voor ouder aangezien); elke trek
van haar gelaat, indien zij wilde, ademde levenslust; elke lijn van
haar fraaigebouwd ligchaam was rond en zacht. Om tot model eener Venus
te kunnen dienen, was zij misschien een weinig te breed en te gevuld;
doch de andere Pradier, die haar had mogen voorstellen als eene
rustende Bacchante, met wingertranken en druiventrossen gekroond, zou
door zijne romantische kameraden begroet geworden zijn als een wreker
der antieken. Onder de weinige dingen die Sarah nog aan het leven
hechtten, behoorde het dagelijksch verkeer met dit van onder een
anderen hemel herwaarts overgeplant natuurkind, dat in ons noordelijk
klimaat, in onze germaansche maatschappij, niet aarden wilde. Wanneer
Sarah aan den eindeloozen winter dacht, dien hare meesteres aan de
zijde van een man als den haren sleet; aan de nieuwe teleurstelling,
die Lidewyde's deel was geworden sedert zij voor den vriend van dien
man vrijwillig had opgeofferd hetgeen duizend andere vrouwen onder
tranen en gebeden zouden verdedigd hebben als haar hoogste goed,
betrapte zij zichzelve op eene belangstelling, waarvan zij moeijelijk
rekenschap zou hebben kunnen geven en misschien ook liever geen
rekenschap gegeven had. Tot geenen prijs zou zij aan Lidewyde iets
hebben willen veranderen, en elke poging van deze om hare inborst
geweld aan te doen, zou in hare oogen eene dwaasheid geweest zijn.
Doch Sarah kende de wereld, meende zij, beter dan hare meesteres die
kende. Met bezorgdheid zag zij Lidewyde als voortspelen aan den rand
van een afgrond; zich geene rekenschap geven van de meedogenlooze
dommekracht van zeden en gewoonten; zich inbeelden dat men haar zou
blijven dulden, ook indien zij openlijk als eene echtbreekster en
overspeelster bekend stond. Banaliteiten, dit gevoelde Sarah, waren de
gronden, door haar tegen Lidewyde's voornemen om met den dokter te
breken aangevoerd; doch de slotsom van hare levenservaring was, dat
eene maatschappij, welke leeft van gemeenplaatsen en daarin ademhaalt,
in de eerste plaats voor banaliteiten eerbied eischt. Dat zij Lidewyde
idealiseerde; dat alleen hare eigen verbeelding van Lidewyde eene
martelares en van eene courtisane een natuurkind maakte, daarvan was
Sarah zich niet bewust, en zij zou zeer verwonderd zijn geweest,
indien men hare opvatting van Lidewyde's karakter sentimenteel genoemd
had.

Zou zij nogmaals beproeven, Lidewyde af te brengen van haar plan? Het
oogenblik scheen daartoe weinig geschikt. De huisknecht kwam
aankondigen dat het rijtuig wachtte; aan het te naauwernood voltooid
toilet werd de laatste hand gelegd, en Sarah begeleidde hare meesteres
tot aan het portaal, waar de trap, die naar beneden voerde, zich in
tweeën scheidde.



TIENDE HOOFDSTUK.


Aan den avond van den volgenden dag, tusschen licht en donker, zat de
oude dame, die uitgekozen was om voor eene poos Emma's gastvrouw te
zijn, te lezen en thee te schenken in haar eenzaam salon. Op grond van
een briefje, dien ochtend van Lidewyde ontvangen en aanstonds
toestemmend beantwoord, wachtte zij op dit uur haar en André's bezoek.
Het was intusschen reeds laat geworden. De ondergaande zon kleurde met
hare laatste stralen de toppen der boomen aan de overzijde der gracht,
en de schemering had in het groote vertrek met zijne hooge verdieping
reeds zulke vorderingen gemaakt, dat het vlammetje onder den trekpot
diensten begon te bewijzen. Bij de flikkering van dat kleine licht
onderscheidde men op het groote wortelhouten theeblad met ebbenhouten
rand een overvloed van zilver en porcelein, en daarachter, in een
ruimen leunstoel, het beeld van freule Bertha, die door de invallende
duisternis genoodzaakt was geworden, hare lektuur te staken.

Het geduld der bejaarde dame was onuitputtelijk; niet uit gebrek aan
karakter, maar door overvloed van blijmoedigheid. Zij was nooit
gemelijk, omdat zij altijd rustig en altijd vrolijk was. Toen dan ook
Lidewyde's rijtuig ten laatste stilhield voor de deur, en een
oogenblik daarna Lidewyde-zelve, door André gevolgd, werd aangediend,
ging zij hen even vriendelijk te gemoet als zij gedaan zou hebben,
indien de bezoekers met onberispelijke naauwkeurigheid op hunnen tijd
gepast hadden.

--"Het was zulk eene stille, zoele avond," voerde Lidewyde tot hare
verontschuldiging aan, "en de muziek in het Park klonk zoo lief, dat
wij onwillekeurig langer zijn blijven rondstappen dan ons plan was
geweest. Ik had met mijn neef eene weddenschap aangegaan, dat hij geen
weerstand zou kunnen bieden aan de verleidingen van ons Bois de
Boulogne."

--"Voor de eer van ons Bois de Boulogne doet het mij genoegen dat gij
de weddenschap verloren hebt, mijnheer Kortenaer," zeide freule
Bertha, "en ik heb een veel te goeden dunk van u om het niet in u te
prijzen dat gij in het gezelschap van mevrouw Dijk juist niet
gehunkerd hebt naar het mijne. Gij doet mij de eer," ging zij voort,
"in mijn huis een plaatsje te vragen voor eene jonge dame van uwe
kennis? Dat is braaf van u. Veel genoegens kan ik jufvrouw Visscher
niet beloven; doch aan hare vrijheid om u te ontvangen zal niets
ontbreken; en misschien," voegde zij er met een gullen glimlach bij,
"misschien zal jufvrouw Emma niet weigeren, het met die eene
uitspanning voor lief te nemen."

--"Uwe vriendelijkheid is inderdaad beschamend, freule," zeide André.
"Toen mijn neef Adriaan mij te verstaan gaf dat ik eene vergeefsche
reis gemaakt had, was ik onbeleefd genoeg, den lip te laten hangen en
nu wordt, dank zij uwe bereidvaardigheid, die teleurstelling voor mij
eene bron van aangename surprises."

--"Zoo ziet gij, mijnheer Kortenaer," antwoordde freule Bertha,
eensklaps in een min of meer sententieusen toon vervallend, "dat men
verkeerd doet, te spoedig het ergste te vreezen." En toen, zich weder
met haar gewone opgeruimdheid tot Lidewyde keerend: "Zeg mij nu,
melieve, hoe zullen wij doen? Verlangt gij, dat ik jufvrouw Visscher
schrijven zal, of schrijft gij liever zelve?"

--"Mij dunkt," zeide Lidewyde, "dat wij van uwe goedheid reeds te veel
gevergd hebben. Morgen-ochtend schrijf ik aan Emma, en André zal mijn
briefje insluiten. Hij vraagt dan meteen verlof aan Emma's ouders om
zijn meisje te mogen gaan afhalen. Niet waar, André?"

--"O, wat mij betreft," riep hij met geestdrift uit, "ik dweep met
die schikking. Indien ik morgen schrijf, kan ik zaturdag antwoord
hebben. Zondag maak ik dan een vliegreisje naar Duinendaal en kom
maandag of dinsdag met Emma hier."

--"En indien men te Duinendaal onze invitatie versmaadt?" vroeg
Lidewyde, om hem te plagen. "Verlaat gij ons dan, en zullen wij in dat
geval tevens uw gezelschap moeten missen en uw meisje niet te zien
krijgen?"

--"Mijnheer Kortenaer is te bescheiden," zeide freule Bertha, "om
overluid te beweren dat jufvrouw Visscher hem niets weigeren kan."

--"Het is zeer edelmoedig van u, freule," antwoordde hij, "mij aldus
uit de strikken mijner ondeugende nicht te redden. Doch ik geloof
inderdaad niet, dat er reden bestaat om voor het mislukken van ons
plan beducht te zijn. Mijne eenige vrees is, dat Emma u door mijne
schuld overlast zal aandoen."

--"Geen woord meer daarover, waarde heer," zeide de vriendelijke oude
dame. "Ik herhaal wat ik dezen ochtend aan Lidewyde schreef, dat het
mij bijzonder aangenaam is, haar en u een klein genoegen te kunnen
doen. Word ik daarvoor beloond door de kennismaking met een lief
meisje, dan zal de verpligting aan mij zijn. Mag ik van uwe goedheid
iets zeer huiselijks vergen, mijnheer Kortenaer?"

--"Gaarne, freule."

--"Trek dan even voor mij aan de schel. Gij vindt het immers goed,
Lidewyde, dat ik Floris licht laat brengen? Mijne oogen weigeren mij
de dienst. Of hebt gij haast, en mag uw rijtuig niet langer wachten?"

--"Neen," zeide Lidewyde, "ik ben volstrekt niet gepresseerd, en
indien wij u geen belet doen, blijf ik gaarne nog een kwartiertje."

Een oude in het zwart gekleede knecht, even oud en even zilverharig
als freule Bertha zelve, bragt achtereenvolgens drie of vier lampen
binnen. Hij plaatste ze zoo,--op de tafel, op een buffet, op eene
étagère, op eene console,--dat het groote vertrek eensklaps ophield
somber te schijnen. Ten overvloede stak hij, na de luiken aangezet en
de overgordijnen over elkander geslagen te hebben, aan weerszijden van
den hoogen spiegel boven den schoorsteen, een bouquet waskaarsen aan.
Het salon van freule Bertha had bij avond dergelijke illuminatie zeer
noodig. Het was eene voorvaderlijke, ietwat reusachtige zijkamer,
opgemaakt en gemeubeld in den smaak der vorige eeuw: een geschilderd
behangsel, in vakken; eene lambrizering, grijs met vergulde randen,
die het geheele vertrek omsloot; deuren, kozijnen en vensterbanken,
een geheel uitmakend met de boiserie beneden en de zoldering boven;
een gebogen marmeren schoorsteenmantel met smallen rand; een
smirnaasch tapijt, blijkbaar voor deze kamer besteld en geweven. Het
grijs met goud was in zich zelf niet genoeg tot neutralisering dier
zekere zwaarmoedigheid, waarmede groote landschappen met zware boomen
en breede watervallen, hoe fraai ook geschilderd, een zitvertrek
plegen te vervullen; doch freule Bertha kende de zwakke zijde van haar
salon, en sedert jaar en dag was Floris gewoon, wanneer zijne
meesteres avondbezoeken ontving, met kracht van zwavelstokken de
duisternis te bestrijden. Die moeite werd beloond, en het was voor den
binnentredende een aardig schouwspel, freule Bertha te zien troonen in
het midden dezer ouderwetsche, maar uitnemend gekonserveerde en van
piëteit getuigende heerlijkheden. Zij droeg nooit anders als zwarte of
donkerbruine kleederen, eer sluik dan ruim, en wanneer zij oprees uit
haren stoel, zag men eene lange gestalte zich verheffen, die behoefte
scheen te gevoelen aan een steun. Meestal legde zij dan hare eene hand
op den rand der tafel, en maakte met de andere eene wuivende beweging
om hare bezoekers te verwelkomen. De gladde mouwen van haar kleed
waren zoo lang, dat zij de vingers halverwege bedekten, en ruime
manchetten van geplooid batist deden hare handen nog smaller en
kleiner schijnen dan de natuur ze gemaakt had. Van geplooid batist was
ook de kraag vervaardigd, die haren hals omsloot en een gedeelte van
hare schouders bedekte, en evenzoo de breede half nederhangende strook
om hare met geen enkel lint versierde muts. Een korte, bijna
sneeuwwitte lok, die aan weerszijde op hare slapen rustte, verhoogde
nog het eerwaardige in de uitdrukking van haar gelaat. Zij was eene
oude vrouw, dat teekenden niet slechts die grijzen lokken, maar ook de
scherpe trekken om neus en mond, de zaamgetrokken plooijen der
oogleden, de horizontale groeven in het voorhoofd; doch eene
afgeleefde vrouw was zij niet. Er brandde in hare verduisterde oogen
een dier stille vuren, welke aan inwendig verlichte wit porseleinen
vazen doen denken: een gesluijerde gloed, maar die het langer uithoudt
dan sommige kunstige lampen.


--"Is freule Steinmetz familie van u?" vroeg André aan Lidewyde, toen
hij weder nevens haar in het open rijtuig zat en zij door de woelige
straten, waar in winkel aan winkel het vrijpostig gaslicht schitterde,
naar Soekabrenti terugkeerden.

--"Van mij? In het minst niet. Ik heb geene familie in dit land. Zij
is eene vriendin van mijne schoonmoeder, meer niet. Doch wij verkeeren
met haar alsof zij eene nabestaande van ons was. Denkt gij dat Emma
het met haar zal kunnen vinden?"

--"Ongetwijfeld zal zij dat. Dacht gij van neen?"

--"Dat is de vraag. Ik laat aan freule Bertha's goede kwaliteiten
volkomen regt wedervaren, en naar hetgeen gij mij van Emma verteld
hebt, houd ik het er voor, dat zij elkander uitmuntend verstaan
zullen. Doch zult gij boos worden, indien ik zeg, dat Emma's smaak en
de mijne vermoedelijk in één opzigt verschillen? Om u de waarheid te
zeggen, mij is freule Bertha te stemmig. Ik erken dat zij van alle
vrome dames in de stad de eenige is, die ik waarlijk liefheb; de
eenige, bij wie ik het kan uithouden. Niettemin maakt zij mij met hare
bidstonden en hare bijbeloefeningen somtijds zenuwachtig."

--"Is freule Steinmetz iemand van die kleur? Dat verwondert mij. Ik
zou haar voor eene vrouw van de wereld gehouden hebben."

--"In vele opzigten is zij dat ook; maar hebt gij niet opgemerkt dat
zij somtijds geheel en al in den preektoon vervalt? Mij frappeerde het
ten minste, dat zij op ik weet niet welk gezegde van u aanstonds eene
zedeles liet volgen."

--"Ik zou het mij ontgeven hebben; doch ja, nu gij er mij aan
herinnert, er was iets preekerigs in de manier waarop zij zeide dat ik
niet moest toegeven aan het gevoel van teleurgestelde verwachtingen.
Houdt zij dikwijls van die kleine sermoenen? Denkt gij dat zij Emma
zal willen bekeeren?"

--"Heb daar geene vrees voor. Gij hebt zelf kunnen bemerken dat de
natuur bij haar boven de leer gaat. Ook moet gij aan mijn oordeel over
haar niet te veel waarde hechten. Freule Bertha gaat door voor de
goede genius van mijn mans familie, en het zou mij leed doen, indien
gij anders over haar dacht. De schuld ligt aan mij. Ik houd niet van
vrome menschen."

--"Er is vroom en vroom."

--"Jawel, gelijk er blond en blond of bruin en bruin is. Maar zoo
bedoel ik het niet. Met vroom meen ik bekrompen. Freule Steinmetz is
eene ongewone, eene voortreffelijke, eene allerliefste oude vrouw;
maar denkt gij, indien gij of ik iets deden waarover de domme wereld
het hoofd schudde, dat zij het ons vergeven of zich met onze
verdediging belasten zou? Maak u daaromtrent geene hersenschimmen.
Zelden heb ik eene vrouw ontmoet die zoo =à cheval= is op hetgeen zij
hare eeuwige waarheden noemt. En ik bid u, wat zijn eeuwige waarheden?
Laat een vooroordeel honderd jaren geduurd hebben, en gij zult
menschen vinden, bereid om voor dien waan den marteldood te sterven."

--"Met uw verlof, Lidewyde..."

--"Ik weet wat gij zeggen wilt; maar ga met mij mede, en ik zal u
bewijzen dat vergankelijk barège somtijds evenveel waarde heeft als de
bovennatuurkunde van freule Bertha. Marcelis, stilhouden bij Madame
Philidor!"

--"Om u te dienen, mevrouw," antwoordde Marcelis van den bok, even het
hoofd omwendend; en met een sierlijken zwaai reed hij tot vlak voor de
stoep van het hem welbekende mode-magazijn.

Zulke dames behoeven zulke koetsiers.



ELFDE HOOFDSTUK.


--"Te veel en te weinig;" zeide André bij zelven, toen hij den
volgenden ochtend onder het kleeden zijne kamer op en neder stapte.
"Dijk is een zot, beweerde mijn oom, en ik zal niet ontkennen dat
daarvan iets aan kan zijn; doch mijn oom had zelf een slag van den
molen weg, toen hij met minachting over Lidewyde sprak. Lidewyde is
eene vrouw, gelijk er niet vele gevonden worden. Zij toont veel minder
humeur dan ik gedacht zou hebben. Dijk schijnt mij toe, geen man voor
haar te zijn. Het zal mij benieuwen, welken indruk die dokter op mij
maken zal. Wie weet of mijnheer Ruardi niet nog iets anders is als
Adriaans boezemvriend? Dat zou komiek zijn, maar verwonderen zou het
mij niet. Lidewyde is juist eene vrouw om een minnaar te hebben. Het
eene oogenblik is zij buitengewoon vrij in haar spreken, het andere
oogenblik weet zij zich op zulk eene natuurlijke wijze in te houden,
dat men er dupe van is. Wie zou gedacht hebben, toen zij
gisteren-avond met freule Steinmetz zat te praten, dat zij geene vijf
minuten daarna over diezelfde dame zulk een vrijmoedig en, naar mij
voorkomt, zulk een juist oordeel vellen zou? Doch met hare schoonheid
en haar smaak maakt zij alles goed. Het kleedje, dat zij voor Emma
gekocht heeft, is inderdaad een model van bevalligheid, en het was een
lieve inval van haar, mij met zich mede te nemen in dat magazijn en
mij voor de leus te raadplegen over hetgeen zij kiezen zou. Zij heeft
blijkbaar verstand van toilet maken, en alles staat haar goed. Zonder
mooijer te zijn dan Emma, is zij toch ook in hare soort eene
schoonheid. Zij heeft iets vorstelijks over zich. Emma doet mij denken
aan een vergeet-mijnietje, Lidewyde aan eene tulp. Het zou inderdaad
grappig zijn, indien tusschen haar en dien dokter de eene of andere
relatie bestond. Hij schijnt een jong weduwnaar te zijn met een
interessant voorkomen. Bovendien beweert Adriaan dat hij een aardige
prater is. Noch het een, noch het ander maakt het minder
waarschijnlijk dat Lidewyde iets met hem heeft. Wij zullen zien.
Misschien vind ik dat geheim nog wel uit, en wie drommel weet of
Lidewyde's gedienstige geest Sarah..."

Er werd aan de deur getikt.

--"Binnen!" riep André, die niet zoo verdiept geweest was in zijne
meditatien, of hij had onder de hand zijn toilet voltooid, zoodat hij
zonder schroom voor den bediende kon verschijnen, dien hij meende voor
zich te zullen zien.

De deur werd behoedzaam geopend. Het was--de gedienstige geest Sarah
met een brief in de hand.

--"Mijnheer Dijk heeft mij gelast u dezen brief ter hand te stellen",
zeide zij, "en u tevens te verzoeken, indien het u schikt, van middag
tusschen tweeën en drieën even bij hem aan het kantoor te komen."

--"Is mijnheer Dijk al naar de stad?" vroeg André, den brief aannemend
en onderwijl een blik op het adres werpend, waarin hij aanstonds de
hand van Emma herkende.

--"Mijnheer scheen het van ochtend buitengewoon druk te hebben",
antwoordde Sarah. "De besteller heeft daareven meer dan een dozijn
brieven gebragt, waaronder ook deze was, dien mijnheer in vergissing
bijna opengebroken had."

--"Dat bemerk ik," zeide André lagchend, terwijl hij den aan de
achterzijde half gescheurden enveloppe bezag. "Nu, de fondsen zouden
er niet door gerezen of gedaald zijn, al had mijnheer Dijk bij ongeluk
kennis genomen van den inhoud."

--"Mijnheer Dijk heeft mij ook nog opgedragen u te zeggen," vervolgde
Sarah, zonder André's opmerking te beantwoorden, dat hij tusschen
tweeën en drieën in de stad een bezoek van dokter Ruardi verwacht, en
hij van die gelegenheid gebruik wenscht te maken om u aan den dokter
voor te stellen."

--"Zeg mij eens, Sarah," zeide André, eensklaps van toon veranderend,
"dokter Ruardi is immers dezelfde persoon, met wien ik u een dezer
dagen in den tuin heb zien wandelen?"

Sarah, die tot hiertoe zonder gemaaktheid onafgebroken naar den grond
gestaard had, sloeg thans de oogen langzaam op en vestigde op André
een blik, dien hij wel belangwekkend vond, maar die hem nogtans niet
zeer aangenaam aandeed. Evenwel verdween die ongunstige indruk, toen
zich over Sarah's gelaat een glimlach verspreidde; de statige,
wellevende glimlach der matrone van goeden huize, zou men gezegd
hebben, die zich in stilte vermaakt met een onschuldigen inval.

--"Ik wenschte wel, mijnheer," zeide zij, "dat gij die vraag niet
enkel uit nieuwsgierigheid gedaan hadt."

--"Waarom, Sarah? Mag ik niet nieuwsgierig zijn te weten, of dokter
Ruardi en zeker iemand elkander van nabij bestaan?"

--"Van mogen of niet mogen is geene spraak, mijnheer; maar indien ik
aan uw verlangen voldeed, zou het u aanstonds spijten, door mij
ingelicht te zijn. Het is immers waar, dat uwe aanstaande hier zal
komen logeren?"

--"Mij dunkt, Sarah," zeide André, eenigszins geraakt over die
vrijpostige wedervraag, "dat gij en ik, waar het op nieuwsgierigheid
aankomt, elkander niets te verwijten hebben. Nu ja, er is spraak van,
dat jufvrouw Visscher eenige dagen ten huize van freule Steinmetz zal
komen doorbrengen; maar wat zou dat?"

--"Vergeef mij, mijnheer, ik wilde zeggen, dat uw engagement met
jufvrouw Visscher het voor u eene onverschillige zaak doet zijn, te
weten of niet te weten, wie dokter Ruardi is."

--"Ik bid u, Sarah, laat ons over iets anders spreken. Dokter Ruardi
heeft met mijn engagement niets te maken."

Sarah deed alsof zij wilde vertrekken; André alsof hij gaarne alleen
wilde zijn. Doch de een wist nog niet hetgeen hij verlangde te weten,
en de ander moest nog zeggen hetgeen zij op het hart had.

--"Ik erken, mijnheer," zeide zij, "dat mijn toon u ongepast moet
voorkomen; doch indien gij wist hoe hartelijk ik aan mevrouw Dijk
gehecht ben, zoudt gij mij ongetwijfeld mijne onbescheidenheid ten
goede houden."

--"Is mevrouw Dijk dan ook al in de zaak betrokken? Gij wordt hoe
langer hoe duisterder, Sarah."

--"Mevrouw Dijk is de hoofdpersoon, mijnheer; doch indien zij kennis
droeg van hetgeen ik u thans mededeel, zou ik voor altijd hare
genegenheid verbeuren. En hare genegenheid is voor mij alles waard.".

--"Hetgeen gij mij thans mededeelt? Gij deelt mij integendeel niets
ter wereld mede, en ik vraag mij nog altijd af wat gij eigenlijk
zeggen wilt."

--"Belooft gij mij op uw woord van eer, mijnheer Kortenaer, dat
hetgeen ik u zeggen zal een diep geheim zal blijven? Dat mevrouw Dijk
daarvan nimmer iets bemerken zal?"

--"Dat spreekt, Sarah. Maar indien hetgeen ik van u vernemen zal niet
duidelijker is dan hetgeen ik tot hiertoe te weten kwam, zal ik voor
mevrouw Dijk niet veel te verbergen hebben."

--"Nu dan, dokter Ruardi,... doch ik kan er staat op maken, niet
waar, dat gij mij niet verklappen zult?" fluisterde Sarah.

--"Wilt gij zeggen dat dokter Ruardi mevrouw Dijk het hof maakt?"

--"Wat erger is, mijnheer, hij vervolgt haar met zijne beleefdheden
tot in haar eigen huis."

--"Mij dunkt, tegen dat ongerief is kruid gewassen. Aan lastige
minnaars wijst men de deur."

--"Doch indien die minnaar de vriend des huizes is? Indien de heer des
huizes geen kwaad van hem kan hooren spreken? Indien men geen afkeer,
zelfs geene onverschilligheid kan laten blijken, zonder vijandschap te
stichten en opspraak te verwekken? Neen, mijnheer Kortenaer, er is
maar één middel om mevrouw Dijk van de vervolgingen van dokter Ruardi
te verlossen, zonder in de plaats van het eene kwaad een ander en
grooter te brouwen."

--"En waarin zou dat middel bestaan?"

--"Dat weet ik niet, mijnheer. Of liever, het zou niet baten het u te
noemen; en daarom spijt het mij dat gij naar dokter Ruardi gevraagd
hebt. Dingen, die niet gebeuren kunnen, al zou men het nog zoo gaarne
willen, moet men zich uit het hoofd zetten."

--"Hoor eens, Sarah, mijn eerbied voor mevrouw Dijk is zoo groot, dat
ik er mij in verheugen zal, haar op de eene of andere wijze van dienst
te kunnen zijn. Zeg mij uw plan, en ik zal zien."

--"Mijn denkbeeld is onuitvoerbaar, mijnheer, en dat grieft mij het
meest. Ik zou willen, dat iemand zich ongemerkt tusschen mevrouw Dijk
en dokter Ruardi plaatste; dat mevrouw Dijk in de gelegenheid werd
gesteld, hare genegenheid in schijn op iemand anders te vestigen, en
zoo te vestigen, dat dokter Ruardi van alle verdere pogingen om haar
te behagen voor goed afzag. Doch ik vraag u, wat baat het, u met deze
wenschen bekend te maken? Binnen weinige dagen zal jufvrouw Visscher
uwe geheele aandacht in beslag nemen; ieder weet hier daarenboven, of
zal weldra weten, dat gij geëngageerd zijt; dokter Ruardi zal geen
oogenblik dupe zijn van de beleefdheden die mevrouw Dijk voor u zou
kunnen hebben, en zoodra gij ons zult hebben verlaten, zal die goede
mevrouw haar kruis weder moeten opnemen."

--"Gij hebt gelijk, Sarah: ik kan de dienst, waarvan gij spreekt,
onmogelijk bewijzen."

--"Niet waar, mijnheer? Mijn plan is eene hersenschim. Hoe zoudt gij
onder de oogen van jufvrouw Visscher, van wie gij doodelijk zijt, den
schijn kunnen aannemen alsof tusschen mevrouw Dijk en u iets bestond?
Niemand kan zulk eene rol spelen. Het zou eene onnatuurlijke, eene
scheve, eene in alle opzigten valsche verhouding zijn."

--"Dat zou het, Sarah. Eene in alle opzigten valsche verhouding."

--"En waartoe zou het dienen? Al de belanghebbenden zouden u
onmiddelijk in de kaart zien."

--"Onmiddelijk."

--"Het zou een komedie zijn zonder knoop, een vervelende roman zonder
intrige."

--"Een vervelende roman."

--"Tenzij misschien jufvrouw Visscher er in toestemde, mede te spelen?
In dat geval zou de knoop niet onaardig kunnen worden."

--"Jufvrouw Visscher zal zich daartoe nimmer leenen. Zij is een veel
te gevoelig en veel te ernstig meisje voor zulk soort van
aardigheden."

--"Dat dacht ik wel, mijnheer; en zonder u een kompliment te willen
maken, voeg ik er bij: indien zij anders was, zoudt gij haar niet voor
uwe aanstaande vrouw gekozen hebben."

--"Zoodat Sarah?"

--"Zoodat ik u verschooning vraag voor mijne dwaze praatjes, mijnheer.
Hoe gaarne ik mevrouw Dijk ook van haren vervolger zou willen
bevrijden, ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat, buiten dokter
Ruardi, iemand daardoor eenig leed ondervinden zou."

--"Dat is braaf van u. En mag ik nu eens even zien wat deze brief
inhoudt?"

Sarah liet zich gedwee de konversatie opzeggen. Haar doel was bereikt.
Met de enquête, die zij zich had voorgenomen in te stellen, behoefde
zij niet op eenmaal gereed te komen. Zij wist nu voorshands genoeg van
André.



TWAALFDE HOOFDSTUK.


Voor derden moest de toon van Emma's brieven iets te kinderlijks
hebben. Het flinke in haar karakter kwam in haar korrespondentie niet
tot zijn regt, en zij scheen alleen woorden te kunnen vinden voor eene
zachtheid, die aan zoetheid grensde. Doch André genoot te zeer van het
bezit van haren brief en van hetgeen daarin streelends was voor zijne
fatuiteit, om door die eenzijdigheid getroffen te worden. Zich
aangebeden te weten, was voor hem, zonder dat hij zich daarvan
rekenschap gaf, de streelendste der gewaarwordingen; en een ingewijde
zou het hem kunnen aanzien, dat hij op dit oogenblik meer dan louter
een gevoel van welbehagen ondervond. De zelfvoldoening waarmede hij,
alvorens zijne lektuur aan te vangen, een laatsten blik in zijn
toiletspiegel wierp,--Emma zou, indien zij tegenwoordig had kunnen
zijn bij die pantomime, tevreden zijn geweest over haar triomf.

Zij schreef:

     "Maandag-ochtend.

  "Ik neem dit blaadje uit mijne portefeuille, zonder te weten
  wanneer ik het opvouwen en verzenden zal. Dat zal afhangen van uwe
  eigen vlugheid in het schrijven. Zoo lang ik geen brief van u heb,
  volg ik het voorbeeld dier lieve ouders, wier kinderen zich in de
  Oost bevinden, en die iederen dag eenige regels voegen bij den
  brief, bestemd om met de eerstvolgende mail hun toegezonden te
  worden. Zoo lang zal het nu wel niet duren eer ik dezen op de post
  doe, maar wachten is wachten, en wanneer gij niet bij mij zijt, is
  het zoo goed alsof gij in de Oost waart.

  "Ik zal eerlijk zijn en bekennen dat ik den geheelen nacht van u
  gedroomd heb. Waarom zijt gij ook zoo lief? Toen wij
  gisteren-avond aan het venster stonden, zou ik met u hebben willen
  wegvliegen naar die schitterende ster, boven de maan. Van ochtend
  vroeg zou ik gewild hebben, dat gij met mij in den tuin had kunnen
  wandelen, en op dit oogenblik wenschte ik dat gij tegenover mij
  zat, terwijl ik aan het schrijven ben. Helaas, mijnheer, men is
  uwe slavin of men is het niet!

  "Daareven ben ik, snuffelend in vaders woordenboeken, achter den
  franschen naam gekomen van het vogeltje, welks hollandsche de eer
  niet heeft u te behagen. =Oiseau grenadier= heet het, en nu behoef
  ik mij de fraaije snorren van mijn baardmannetje niet langer te
  schamen. "Ik acht een schoonen naam, die waardig wordt gedragen,"
  en hij draagt den zijnen met even veel digniteit als zijne
  knevels. Doch gij, mijnheer, indien uw wijfje stierf, zoudt gij
  even als mijn baardmannetje en zijne stamgenooten wegkwijnen van
  verdriet? Neem mij niet kwalijk dat ik op dat punt overdreven
  nieuwsgierig en een weinig ongeloovig ben. Och, André, indien gij
  mij half zoo lief hadt als ik u, gij zoudt... Doch ik behoef u
  niet bepaald dwaasheden te zeggen.

  "De tuinman is ons van ochtend eene nieuwe stamroos komen brengen,
  eene =François premier=. Zij is donkerrood met een vol hart en ruikt
  overheerlijk. Ik vrees alleen dat ik haar niet zal kunnen aanzien
  zonder dikwijls aan de arme vrouwen te denken, die koning Frans
  ongelukkig gemaakt heeft. De bloem is prachtig en herinnert aan de
  warme kleuren van Titiaans portret, op het Trippenhuis te
  Amsterdam. Maar voor eene nieuwe roos vind ik den naam ongelukkig
  gekozen. Waarom niet =Romeo=? Waarom niet =Abélard=? Bijna schreef
  ik,--doch ik heb mij nu eenmaal voorgenomen geene dwaasheden te
  zeggen,--waarom niet =André=?

  "Omtrent de ontvangst bij uw oom zult gij mij wel het noodige
  schrijven, ook al vraag ik daar niet naar. Droom ik voor een keer
  dat gij mij niet liefhebt, of dat men mij van u scheiden wil (doch
  gelukkig gebeurt dat bijna nooit), dan is altijd uw oom de
  persoon, die zich tusschen u en mij komt plaatsen. Ik heb hem maar
  eenmaal in mijn leven gezien en zou geene dragelijke reden kunnen
  aanvoeren voor de vrees die hij mij inboezemt. Doch ik ben bang
  voor hem; en (ach, wanneer zult ook gij aan voorgevoelens
  gelooven!) eene geheime stem zegt mij dat ik hem geen onregt doe.

  "Een nieuwtje. Van avond komt Miss Sampson, de vrouwelijke Numa
  Pompilius van mijne jeugd, thee bij ons drinken. Tot mijne spijt
  wil moeder haar voor eene week te logeren vragen, wanneer de
  familie op Jagtlust, waar zij op dit oogenblik geherbergd is,
  genoeg van haar hebben zal. Ook met haar ben ik maar half op mijn
  gemak. Zij is met den tijd geheel en al eene schooljufvrouw
  geworden en behandelt alle menschen als kostmeisjes. Toen zij nog
  maar de secondante was, vond ik haar veel liever. Vrees niet,
  wanneer wij getrouwd zullen zijn, dat =ik= haar te logeren vragen
  zal. Oude vrijsters voegen niet in jonge huishoudens, en wanneer
  ik kiezen moet, zie ik liever tien van uwe vrienden komen dan één
  Miss.

  "Van die vrienden van u hoop ik nog eenmaal partij te trekken, dat
  weet gij. Het minst dat gij koel tegen mij zijt, word ik koket en
  maak ik u jaloersch. Dat zal eene voortreffelijke uitwerking doen.
  Of kunt gij niet jaloersch worden? In antwoord op die vraag zie ik
  u fijntjes glimlagchen; doch ik stoor mij niet aan dien spot, en
  zal mij te mijner tijd weten te wreken. Dit voorspel ik u, dat
  indien gij immer ophoudt mij het hof te maken, en gij een dier
  akelige getrouwde mannen wordt gelijk ik er sommige ken, gij
  weinig genoegen aan mij beleven zult.

  "Waarom heb ik u lief? Waarom heb ik mijn hart geschonken aan een
  man die mij uitlacht, mij drilt, mij tiranniseert, mij op alle
  mogelijke wijzen doet gevoelen dat de vrouwen zwijgen moeten in de
  vergadering? Helaas, al werd ik honderd jaren oud, dat raadsel,
  vrees ik, zou onopgelost blijven. En toch zeggen de wijze menschen
  dat alles eene reden heeft! Lieve hemel, heeft dit geschrijf dan
  eene reden? Ik vrees integendeel dat het de zinneloosheid-zelve
  is."

     "Dinsdag-ochtend.

  "Nadat ik u geschreven had, is de tijd gisteren mij minder lang
  gevallen dan ik had durven hopen... Ondankbare die ik ben! Men
  zou de liefde gaan haten, wanneer men bemerkt hoe zelfzuchtig zij
  maakt. De twee wezens, van wie ik na u op deze wereld het meest
  houd, hebben mij den genoegelijksten dag bezorgd dien men bedenken
  kan; en ik spreek alsof de trage uren langzaam omgekropen waren en
  ik de minuten had zitten tellen in eene gevangenis, even als
  weleer op de hangklok in de schoolkamer van Miss Sampson!

  "Of er dan zooveel bijzonders gebeurd is? O neen, maar alles hangt
  af van de wijze waarop en de stemming waarin. Wanneer ik u zeg dat
  vader gisteren-avond een uur lang kollege heeft staan geven over
  het dames-toilet van den tegenwoordigen tijd, zult gij mij
  begrijpen. Gij glimlacht, niet om vader, maar om mij? Nu ja dan,
  gisteren-middag vóór het eten ben ik met moeder naar de stad
  gereden en hebben wij ons hart opgehaald aan de heerlijkheden van
  de Wed. Muller en Cie. Ik plaagde moeder, en beweerde dat zij
  mij behoefte aan eene afleiding toedichtte, ten einde voor zich
  zelve een nieuwen hoed te kunnen koopen; en zij plaagde mij weerom
  met te zeggen, dat ik sedert mijne kennismaking met u al mijn
  zelfvertrouwen in het kiezen van parasols en handschoenen verloren
  had. Doch de vrolijkheid begon eerst regt, toen na het eten de
  Wed. Muller in persoon, gevolgd door een knecht met eene groote
  doos aan den arm, bij ons kwam aanzetten. Wij hadden er op
  gerekend, moeder en ik, dat vader ons met de noodige sermoenen
  bestormen zou; zoodat onze voorzorgen genomen waren. Er was geen
  enkele schotel op tafel verschenen, waar niet iets extra's aan
  was; en aan het dessert had hij bij zijne koffij zijn
  geparfumeerdst likeurtje en zijn geurigste sigaar gehad. In het
  gevoel dier goede werken en van hun apaiserend vermogen, wachtten
  wij dan ook de komst der modiste onverschrokken af en gaven bij
  haar binnentreden geen enkel blijk van ontsteltenis of
  verlegenheid. Doch het was vreeselijk, kan ik u zeggen. Er werd
  betoogd dat elke vrouw gekleed behoorde te gaan overeenkomstig
  hare eigen taille en haar eigen teint; dat de mode niets anders
  was als iets dat goed stond aan de eene of andere aanzienlijke
  dame buitenslands; dat andere vrouwen, die ook hare
  bekoorlijkheden hadden, maar toevallig niet op die dame geleken,
  uitzinnig handelden met juist zoo gekleed te willen gaan als zij;
  dat moeders nieuwe hoed geen hoed, maar voor het overige
  onberispelijk was; dat van de kleedjes, waaruit wij eene keus
  wenschten te doen, of het dessin misteekend was, of de kleuren
  schreeuwden, of het weefsel te wenschen overliet; in één woord,
  dat wij ons geld in het water wierpen, of zouden werpen, of reeds
  geworpen hadden. De modiste zette bij dit alles een onnavolgbaar
  gezigt. Een menschenkenner zou er uit gelezen hebben, dat zij haar
  dierbaar vak met de grootste gelatenheid nog tien maal smadelijker
  zou hebben laten verguizen, indien slechts alle hoofden van
  huisgezinnen, even  als mijn engel van een vader, met een geopend
  oog voor de zwakke zijden van hare industrie, blindelings hare
  nota's voldeden.

     "Woensdag-ochtend.

  "Vader heeft zich opgesloten in zijn atelier. Hij verkeert in den
  waan, dat wij niet weten waarom; doch onze liefde voor hem heeft
  ons sedert lang zijn geheim op het spoor doen komen. Ik hoop,
  André, neen ik weet zeker, dat gij hoe langer hoe meer van vader
  zult gaan houden. Hij is de beste vader en de liefste man, die
  ooit geleefd heeft. Onze modemaaksters vervelen hem, en hij heeft
  alle moeite om niet korzelig te worden, wanneer zij hare wijsheid
  en hare doozen komen ontpakken. Doch ofschoon God weet, dat hij
  sedert den dood van Reinier reden heeft om somtijds mistroostig te
  zijn, denkt gij dat hij moeder of mij op eenigerlei wijze zal
  laten blijken, hoe hij te worstelen heeft met zijn humeur? Nooit
  bemerken wij iets daarvan. Zijn stelregel is, dat een man behoort
  te waken over zijne luimen en middelen moet verzinnen om, indien
  het noodig is, zichzelven onschadelijk te maken. En dat doet hij
  met voorbeeldige trouwhartigheid. De ijver waarmede hij op dit
  oogenblik zit te schilderen is niets anders, wil ik wedden, als
  een voorwendsel; en wanneer hij van middag aan tafel verschijnt,
  zal niemand het hem kunnen aanzien, hoe hij geleden en gestreden
  heeft. Zoo is hij. Het leven is eene zaak die de krachten der
  meeste menschen te boven gaat, beweert hij, en volgens hem zou de
  geheele wereld van adel moeten zijn, indien men wilde dat nooit
  ergens de plaats der liefde werd ingenomen door stuurschheid of
  onverschilligheid. Nu, hij is van adel; en indien ik zijn bloed
  niet onwaardig ben, zult gij u mijne afkomst tegenover niemand
  behoeven te schamen.

     "Donderdag-avond.

  "Dezen ochtend eerst heb ik uw brief ontvangen. In 's hemelsnaam!
  Men kan van den Duinendaalschen bode de volmaaktheid niet vergen;
  en is hij langzaam, hij is ten minste getrouw. Zeer getrouw zelfs,
  want van uwe twaalf blaadjes is onderweg geen enkel zoek geraakt.
  Doch stil, het schreijen staat mij nader dan het lagchen, en zoo
  ik scherts, is het om mijn verdriet te verzetten. Wat? heeft uw
  oom u van mij weggetroond?  Heeft hij een middel bedacht om u
  voor eene poos van Duinendaal te verwijderen? Welnu, hij doe wat
  hij niet laten kan. Speel vrij den boozen geest, oom Bertram, gij
  zult Robert niet van Alice, Alice van haren Robert niet scheiden!
  Foei, ik wilde dat die man geen familie van u was. Zijn toeleg is
  inderdaad al te doorzigtig, en ik zou u onregt doen, indien ik u
  ried op uwe hoede te zijn. Geloof mij, André: uw oom heeft plannen
  met die mevrouw Dijk. Gij schrijft dat zij niet jong, niet mooi,
  niet vriendelijk is: ik wil het wel gelooven, maar een
  onbedriegelijk voorgevoel zegt mij, dat gij met geen ander doel
  naar M. gezonden zijt als om u van mij te vervreemden.

  "Mag ik volkomen opregt zijn? Uw brief maakt mij ongerust.
  Kinderachtig, niet waar? Doch het is zoo. Wat ik op het hart heb,
  deel ik u thans nog niet mede. Den geheelen dag ben ik er mede
  bezig geweest, doch ik moet de regte woorden nog vinden. Misschien
  vind ik ze morgen, misschien eerst over een paar dagen; doch zoo
  lang mag ik u niet zonder antwoord laten. Daarom zal ik dezen nu
  sluiten en hem voor het venster zetten; dan neemt de postbode hem
  morgen-ochtend tijdig mede naar de stad.

  "Doch laat ik mijzelve, eer ik naar bed ga, nog even uitlagchen.
  Uw oom, met zijne ruwe manieren, is inderdaad een potsierlijke
  Mefistofeles, en ik ben wel goed, mij om zijnentwil het hoofd te
  breken. Hoe grappig zou het zijn, indien wij hem vangen konden in
  zijne eigen netten! Verbeeld u dat gij den schijn aannaamt, alsof
  die mevrouw Dijk u plotseling betooverd had, en mijnheer de
  ex-minister zich daardoor ontheven waande van de zorg, mij eenmaal
  als zijn nichtje te moeten erkennen? O, wat al middelen zou ik u
  aan de hand doen om hem in het ootje te nemen! Hoe zou ik mij
  uitputten in kunstgrepen om het hoofd dier kokette dame door u op
  hol te doen brengen! En wanneer uw lieve oom zich dan deugdelijk
  verbeeldde het spel zoo goed als gewonnen te hebben; wanneer hij
  nog slechts op een briefje van u wachtte, met berigt dat ons
  engagement verbroken was,--hoe onbeschrijfelijk aardig zou ik het
  dan vinden, met u eene deftige visite bij hem te gaan maken en hem
  te vragen tegenwoordig te willen zijn bij onze bruiloft!... Maar
  neen, neen, neen, weg met die valsche vrolijkheid! Onze liefde,
  verstaat gij André? is te heilig om door zulke vertooningen
  bezoedeld te worden. Ik =ben= niet bang voor u of voor mij; ik maak
  mij =niet= ongerust  over uwe afwezigheid. Eenmaal heb ik gezworen,
  u levenslang te zullen liefhebben; en de overtuiging dat gij mij
  toebehoort, even als ik u, is zoo diep in mijne ziel geworteld,
  dat men mij om het leven zou moeten brengen om mij haar te
  ontnemen. Fladder dus vrij, lieve man! Ik weet wel waar het
  bloempje bloeit, waarop mijn vlinder te allen tijde weder zal
  komen nederstrijken. =Gij zijt van mij=, bedenk dat wel, en beproef
  maar niet (het zou u toch niet baten) daar iets aan te veranderen.
  In gedachten neem ik uw blond hoofd tusschen mijne beide handen en
  kus u zachtjes op de oogen. Zoo is het goed. En wil ik nu de kroon
  zetten op mijne barmhartigheden? Nu dan, ik belast u met mijne
  vriendelijke groeten voor mijnheer Adriaan en mevrouw Lidewyde!"


Arme Emma! Even trotsch als zij op haren bruidegom geweest zou zijn,
toen hij haar brief nog lezen moest, even vreemd zou zij hebben
opgezien,--neen, even snel zou op haar lieve wangen het blosje der
vreugde verschoten zijn, even popelend zou haar hartje geklopt hebben,
even onheilspellend zou zij haren moed en hare grootmoedigheid in hare
nette schoentjes hebben voelen zinken, indien zij getuige had kunnen
zijn van den ernst en de deftigheid, waarmede André, aan het einde van
haren epistel genaderd, dien weder opvouwde, hem wegschoof in den half
gescheurden enveloppe, zijne zakportefeuille voor den dag haalde en
met een nadenkend gelaat de kamer verliet. Doch dit goede heeft de
onwetendheid, dat sommige verwonderingen door haar toedoen ons voor
een tijd bespaard blijven. Bovendien zou het onbillijk geweest zijn,
omdat André het voorhoofd fronste en een peinzende trek zich om zijnen
mond plooide, daaruit af te leiden dat hij voor het innemende in
Emma's brief ongevoelig was. Indien een jager geen wreedaard is,
alleen omdat hij er behagen in schept het wild op de daad te
betrappen, hoe zou een jonge man, gelijk André, tenzij hij een monster
ware, en dat was André in geenen deele,--koel kunnen blijven bij het
besef, dat onder het zijden lint van zijn zakboekje, en derhalve in de
onmiddelijke nabijheid van zijne borst, een hart vol liefde klopte?
Dat zulke harten niet dagelijks voorkomen, is op zichzelf reeds genoeg
om aan hun bestaan zekere waarde te doen hechten; en André was in de
laatste maanden te wijs geworden om niet te gevoelen, dat Emma
vergelijkenderwijs eene uitzondering verdiende te heeten. Doch hoe
bereid men hem ook vinden mogt toe te geven, dat de minste vrouwen
een vrouwenhart bezitten en de prijs van Emma's liefde daardoor niet
weinig verhoogd werd, hij was op dit oogenblik te zeer met eene
bepaalde gedachte vervuld om aan de teederheid van haar schrijven
volkomen regt te laten wedervaren. Een eerst door haar opgenomen en
toen door haar verworpen denkbeeld, waarvan hij moeijelijk scheiden
kon, speelde hem door het brein; en zoo geschiedde het dat de
opwelling van genegenheid, waarmede hij haren brief ter hand had
genomen, gesmoord werd in eene kombinatie, die het hart koeler liet,
naarmate zij meer inspanning vorderde van het verstand.



DERTIENDE HOOFDSTUK.


Het kantoor van Adriaan Dijk was in het geheel niet een dier
wijdluftige gebouwen gelijk in onze eeuw het Krediet in alle groote
steden doet verrijzen. Het geleek noch op een spoorweg-station, noch
op een ander Felix Meritis. Ook was het geen vertimmerd heerenhuis uit
den goeden ouden tijd, welks nieuwe en welligt insolide bestemming
herkend wordt aan een geschilderd naambord boven of nevens de deur.
Het was--en deskundigen mogen beslissen of de goede zaak der
architektuur hierbij won of verloor--het was een pakhuis, zes zolders
hoog, met eene reusachtige poort tot hoofdingang, aan wier eene zijde
zich twee of drie zoo niet bewoonbare, of overvloedig verlichte, dan
toch ruime en stevig gebouwde vertrekken bevonden. Gedurende even zoo
vele geslachten op zijn minst als het pakhuis verdiepingen telde, had
de firma Dijk in het voornaamste dier vertrekken--in de twee anderen
arbeidden een boekhouder en klerken--zaken gedaan; en dat die zaken
niet onvoordeelig waren geweest, daarvan getuigde de meer dan gewone
welvaart, te midden waarvan het tegenwoordig hoofd der firma leefde.
Het was een familietrek in dit geslacht, dat zijne leden van oudsher
de toepassing van het begrip comfort voor hunne woonhuizen bewaard
hadden, en hun geld hadden verdiend in eene werkplaats, die meer naar
eene spelonk dan naar eene kamer geleek. De vader, de grootvader, de
overgrootvader,--al de Dijken hadden het gedurende tien of twaalf uren
daags voor lief genomen met een vertrek, welks donkergeel geverfde
zolder van lieverlede zwart gewalmd was, eerst door smeerkaarsen,
later door olielampen, nog later door gasvlammen; welks wanden
beschoten waren met getraliede schuifdeuren, waarachter grootboeken en
journalen van ouder en jonger dagteekening grijnzend in het gelid
stonden geschaard; welks eentoonige aanblik alleen afgewisseld werd
door eene stijve dekoratie van opgeplakte kantoor-almanakken, en in
welks midden, als eenig en sober ameublement, eene groote dubbele
lessenaar stond voor vier personen, omgeven door even zoo vele
ouderwetsche leuningstoelen van bruingeschilderd hout met zittingen
van weleer zeegroen katoen-damast. Toen Adriaan nog een kind was en
zijn vader hem somtijds medenam naar het kantoor, had hij van dat
alles weinig of niets bemerkt; hij wist toen niet beter, of het
behoorde zoo. Naderhand, in zijne dandy-dagen, had hij er zich aan
geërgerd en was het voorvaderlijk kantoor hem toegeschenen, het
voorkomen aan te bieden van een paardenstal. Thans, en sedert hij zelf
als chef van het huis was opgetreden, gevoelde hij zich in dien stal
volkomen op zijn gemak. Hij prees nu zijne voorouders om de scheiding
die zij gemaakt hadden tusschen hunne tabak en hunne weelde; zou aan
dat dualisme, dat hij zoo niet als een onderpand van soliditeit, dan
toch als een zinnebeeld daarvan had leeren aanmerken, niets hebben
willen veranderen, en sleet met een gerust geweten het grootste
gedeelte zijner dagen aan de zijde van een venster, dat geen ander
uitzigt aanbood als de bijna eenzame kade der achtergracht waaraan het
pakhuis gelegen was.

--"Ga zitten, Ruardi," zeide hij, toen de dokter op het bepaalde
middaguur eensklaps voor hem stond. "Gij zijt een man van de klok."

--"Is uw neef nog niet hier?"

--"Zoo als gij ziet; maar ik twijfel niet, of wij zullen hem
onmiddelijk zien verschijnen. Ik heb Sarah opgedragen hem te
verwittigen dat hij u van middag hier vinden zou; en Sarah vergeet
zulke dingen niet ligt."

--"Is het al bepaald, dat het meisje van uw neef hier zal komen
logeren?"

--"Nog niet; maar ik kan niet gelooven, dat daartegen eenig bezwaar
zou bestaan. Er wordt heden aan haar geschreven, meen ik, en de brief
moet op dit oogenblik reeds verzonden zijn."

--"Kunt gij het vinden met uw logé?"

--"Tot nog toe uitmuntend. Eerst vreesde ik dat Lidewyde hem het leven
een weinig zuur zou maken, en hij geen lust zou hebben om te blijven.
Doch het tegendeel is het geval: Lidewyde heeft hem bepaald =en amitié=
genomen."

--"Hij is ingenieur, niet waar? En zijn meisje is eene jufvrouw
Visscher? Kent gij die familie? Oppervlakkig geoordeeld zou men meenen
dat uw neef over eenigen tijd gemakkelijk een ander en beter huwelijk
had kunnen doen."

--"Onder ons gezegd, ik geloof dat zijn oom Timmermans, aan wien hij
veel verpligting heeft, er insgelijks zoo over denkt. Doch dat zijn
zaken waarmede ik mij niet inlaat. Ik vind hem een aardigen jongen, en
naar ik hoor is jufvrouw Visscher een allerliefst meisje."

--"De ingenieurs zijn tegenwoordig in de mode. Er wordt bijna geen
fransche vaudeville vertoond waarin niet een ingenieur voorkomt."

--"Zijt gij bang dat zij de dokters verdringen zullen?"

--"Wat mij betreft, mogen zij dat veilig doen; doch ik geloof niet,
dat zij de konkurrentie zullen kunnen volhouden. Zijn eenmaal overal
spoorwegen aangelegd, dan zullen de ingenieurs, die nu zulke goede
diensten aan de tooneelpoëzie bewijzen,--en geen wonder, want zij zijn
de meest portative sujetten van onzen tijd en men kan ze, even als
champignons, overal laten opschieten,--van zelf weder van de planken
verdwijnen. De dokters daarentegen blijven eeuwig jong, en nog over
twee duizend jaar zullen zij even onvermijdelijk zijn op het tooneel
als in de wereld."

--"Lefebvre praat over de advokaten even als gij over de dokters."

--"Nu, daar doet hij zoo dom niet aan. Zoo lang het menschdom niet
uitgestorven is, zal het groote publiek te goeder trouw aan de
onmisbaarheid van dokters en advokaten blijven gelooven. Mij is het
wel. Maar daar is de man in levendigen lijve!"

--"Wie? André Kortenaer?"

--"Wel neen? Zie maar eens uit."

Juist toen Dijk het hoofd omwendde, ten einde onder de voorbijgangers
den persoon te onderscheiden dien Ruardi bedoelde, zag hij iemand,
wiens slordige kleeding en zwaaijende gang geen twijfel overlieten
omtrent zijne identiteit, de poort van het pakhuis binnentreden, en
hoorde hij met eene krijschende stem aan een der klerken in het
voorvertrek de vraag doen: Of hier het kantoor van mijnheer Dijk
gehouden werd en of mijnheer te spreken was? Dijk rees op, opende de
deur en riep met de kruk in de hand:

--"Kom binnen, mijnheer Lefebvre, kom binnen, als ik u verzoeken mag.
Wij zijn onder ons. Er is niemand hier als mijn vriend Ruardi, dien
gij kent, en voor wien wij geen van beiden, geloof ik, geheimen
hebben."

--"Bonjour, Ruardi," zeide de binnentredende, den netten dokter eene
breede ongewasschen hand toestekend, die intusschen zonder
pligtplegingen aangenomen werd. "Hoe maakt gij het sedert gisteren?
Indien gij niet meer geheimen hebt voor ons als wij voor u, zijt gij
een man om in een glazen huis te wonen. Wat dunkt u? Zal onze vriend
Dijk de reis halen? Zal het ons gelukken, in zijn persoon een man in
de kamer te brengen op wien de liberalen zich de tanden stomp zullen
bijten? Ik voor mij heb goeden moed. Beweert men dat hij laauwe
vrienden en heete vijanden heeft, van het eerste is mij tot heden
niets gebleken. Al de personen, die ik in den loop van den ochtend
gesproken heb, schenen mij vol ijver. Zijne onze vijanden fel, zij
zijn tevens onmogelijk; en wij zullen met die gezegende infirmiteit
ons voordeel weten te doen. Eene partij die alleen oppositie maken,
maar niet regeren kan, moet eindigen met het onderspit te delven."

--"Gij zijt optimist, mijnheer Lefebvre," zeide Adriaan. "Geloof mij,
er zal eene zware wijs op gaan om mijne kandidatuur te doen slagen, en
zonder slapelooze nachten kom ik er niet."

--"Slapelooze nachten, waarde heer? Indien ik voorzag dat de politiek
mij een uur van mijne kostelijke nachtrust rooven zou, kreeg zij voor
goed haar afscheid. Neen, mag ik u een goeden raad geven, en ziedaar
de reden van mijne komst, vraag dan in de volgende week, of in de week
daarna,--op eenige dagen vroeger of later komt het niet aan,--een
dozijn personen, die ik u noemen zal, bij u te gast. Ik heb in mijne
gesprekken met dezen en genen laten doorschemeren dat het plan daartoe
bij u bestond, en meen opgemerkt te hebben dat men van die gelegenheid
om u nader te leeren kennen gaarne gebruik maken zou. Doch geen diner
van enkel heeren, wat ik u bidden mag! De wereld moet weten, dat een
konservatief kandidaat een gezellig schepsel is. Er moeten dames van
de partij zijn. Belooft gij mij dat? Belooft gij op uw woord van eer
dat gij met mevrouw Dijk zult zamenspannen om het uwe gasten zoo
aangenaam mogelijk te maken? Nu dan, geen woord meer daarover. Ook de
aanzienlijkste kiezers zijn gevoelig voor een keurig onthaal, en het
is zonder voorbeeld in de parlementaire jaarboeken, dat iemand, wiens
soep naar den rook of wiens wijn naar de kurk smaakte, zich een
toonbaren aanhang verworven heeft."

De man, die aldus den makelaar in verkiezingen uithing en de politiek
van het cynisme in zijne banier scheen geschreven te hebben, stond in
de meeste opzigten hooger dan zijn programma. Wie wilde mogt met hem
in meening verschillen, doch aan zijne goede trouw viel evenmin te
twijfelen als aan zijne bekwaamheden. Zoon van een predikant, had men
hem indertijd als eene van zelf sprekende zaak naar de akademie
gezonden om te studeren in de theologie; doch zijne vaardigheid in het
ledigen van halve ankers rooden wijn was niet de eenige drijfveer
geweest die hem achtereenvolgens, met veronachtzaming der vaderlijke
wenschen, in de letteren en in de regten had doen promoveren. Het
pleitte voor zijne opregtheid, dat hij eene loopbaan vaarwel gezegd
had, waarin hij niet minder aan zijne natuur dan aan zijn verstand
geweld zou hebben moeten aandoen; en die daad had aan zijne geheele
levensbeschouwing eene andere rigting gegeven. Zoo lang het vaststond
dat hij predikant zou worden, haatte hij de christelijke dogmatiek met
een mohammedaanschen haat, en zou hij, met den Sultan van Bantam, aan
drie vrouwen en één God ver weg de voorkeur gegeven hebben boven drie
Goden en ééne vrouw. Doch zoodra had hij geene vrijheid bekomen om
zich in zijne natuurlijke rigting te bewegen, of hij was een opregt
vereerder geworden dierzelfde Kerk, als wier dienaar hij nooit iets
anders zou hebben kunnen zijn als een wolf in schaapskleederen. Zelfs
in zijne vereering van =la Dive Bouteille=, gelijk hij met
rabelaisiaansche spotternij zijn zwak voor de vrucht van den wijnstok
plagt te bestempelen, was eene verandering ten goede gekomen: hoe
slordig hij er bleef uitzien, en hoe verward zijne sluike zwarte haren
hem over het voorhoofd bleven hangen, op zijne matigheid viel voortaan
niets af te dingen. Sommigen misprezen het in hem, dat hij in strijd
met zijne antecedenten van lieverlede een behoudsman was geworden. Men
noemde dit verschijnsel abnormaal, zag er eene inconsequentie in, en
schreef het aan zekere zucht tot tegenspraak toe, die niet zelden
pleegt aangetroffen te worden bij menschen met buitengewone
bekwaamheden, wel is waar, doch niet buitengewoon genoeg om hen met
het voorwerp hunner eigen antipathie zich in hoogeren kring te doen
verzoenen. Misschien was hij van dat gebrek niet geheel en al vrij, en
personen die hem ongaarne lijden mogten waren in hun regt, wanneer zij
hem een paradoxenjager noemden; doch wanneer men hem het beloop van
zijnen overgang, uit de eene orde van denkbeelden tot de andere hoorde
verhalen, moet men erkennen dat zijne redenen, vergelijkenderwijs, den
toets konden doorstaan. Het liberalisme was tegelijk een ideaal en
eene negatie, beweerde hij; zoodat men, om aan die rigting getrouw te
blijven, haar alleen moest toepassen op een denkbeeldig gebied, gelijk
dat der wetenschap, maar niet beproeven moest, haar eene plaats te
verzekeren in de praktijk. Historische studiën waren in den loop des
tijds zijne specialiteit geworden, en als historicus was hij de
vrijgevigheid in persoon. De nakomelingschap, meende hij, had regt op
elk dokument, hoe bedenkelijk ook voor sommige nagedachtenissen; en
bij uitnemendheid illiberale onderzoekers, in zijne oogen, waren zij,
die ter wille van eene geliefkoosde opinie of van eene dierbare
persoonlijkheid uit den voortijd, feiten verdonkermaanden of ondeugden
vergoêlijkten. Doch men moest niet bij hem aankomen met het beweren,
dat dezelfde soort van kritiek, die zulk een uitmuntend werktuig tot
reconstructie van het verledene vertegenwoordigde, ook in staat was
iets op te bouwen voor het tegenwoordige of voor de toekomst. Toen hij
liberaal was, haatte hij de maatschappij, was zijn zeggen, en zou het
zijn grootste lust geweest zijn alles onderst boven te werpen; en ten
bewijze van de opregtheid zijner conservative gevoelens voerde hij
aan, dat de geest der echte humaniteit eerst vaardig over hem geworden
was, nadat hij zich ontslagen had gevoeld van de verpligting, zich een
hervormer te heeten, ten einde straffeloos een slooper te kunnen zijn.

Gedienstige vereerders noemden Lefebvre een genie; en zij grondden die
meening op het feit dat hij alle talen van den aardbodem verstond en
de wereldgeschiedenis van buiten kende. Volgens anderen daarentegen
was hij een warhoofd, misschien uitermate geschikt om bibliotheken te
ordenen en voor snuffelaars den weg te banen, doch niet bestemd om
immer zelf iets te leveren, hetwelk door een volgend geslacht naar
zijn naam genoemd zou worden, en in elk geval bij zijn leven
veroordeeld tot den omgang met lieden, die niet in zijne schaduw
konden staan. Voor zoover Dijk en Ruardi betrof, was van dit laatste
werkelijk iets aan; of, zoo de dokter in sommige opzigten, wanneer
het niet op studie of nadenken, maar op intelligentie en aangeboren
doorzigt aankwam, zijn evenknie mogt heeten, de koopman stond in elk
geval ver beneden hem. Adriaan Dijk begreep geen iota van Lefebvre's
transcendentale behoudsleer. Hij was konservatief, omdat zijn aard dit
medebragt, en omdat de Aprilbeweging, gelijk hij in vertrouwelijke
oogenblikken erkende, hem de oogen geopend had. Tien of vijftien jaren
geleden--want de meeste menschen hebben overlast van zeker =trop plein=
des gemoeds en wie daarvoor geene afleiding vindt bij zijne vrouw of
zijne kinderen werpt zich alligt in de armen der publieke zaak,--zou
hij gemeend hebben, het doel van zijne eerzucht niet anders te kunnen
of te mogen bereiken als onder het opsteken eener vrijzinnige vlag.
Doch sedert 1853 was daarin verandering gekomen. Van dien tijd af,
zeide hij, had hij het protestantisme leeren beschouwen, niet-alleen
als een voornaam, maar als het deugdelijkst element van den publieken
geest in Nederland en Europa. Voortaan onderscheidde hij de volken in
roomsche en protestantsche; hield het voor uitgemaakt dat aan
laatstgenoemde de toekomst behoorde, en zag in de geschiedenis der
jongste vijftig of zestig jaren,--niet de opkomst van den stoom en van
de telegrafie,--maar de lotgevallen van het stuiptrekkend romanisme,
zijne uiterste, maar nog altijd geduchte krachten verzamelend tot
eenen strijd op leven en dood met een providentieel mededinger en
voorbestemd overwinnaar. De nagedachtenis van Koning Willem I werd
door hem in eere gehouden, omdat die Vorst in 1830 en vroeger, gelijk
Adriaan het noemde, niet voor "den priester" had willen buigen;
terwijl het bondgenootschap tusschen katholieken en liberalen hier te
lande, in 1848 gesloten en in 1853, volgens hem, aan het licht
gekomen, in zijne oogen vooral hierom bedenkelijk was, omdat daardoor
aan eene kleine, maar schrandere en digt aaneengesloten roomsche
minderheid in de Kamer, welke bij menige stemming naar welgevallen den
doorslag geven kon, de koorden der nationale beurs in handen werden
gespeeld. Zijn protestantisme, gelijk men ziet, stond niet
rechtstreeks in verband, hetzij met braafheid of godsdienstigheid,
hetzij met regtzinnigheid in de leer. Doch het was van eene
konservative soort. Het beteekende handhaving van de gemengde school
als anti-papistische instelling; van het kultuurstelsel als schepping
van Koning Willem I, die de roomschen had aangedurfd; van het
koninklijk gezag en van de prerogativen der Kroon als tegenwigt tegen
het bondgenootschap van liberalen en katholieken. Een welligt
onwijsgeerig, maar daarom niet minder welgemeend programma.

--"Mag ik binnenkomen?" vroeg iemand, die reeds een paar malen
vruchteloos had aangeklopt en nu het hoofd om het hoekje der deur
stak. "De heeren zijn zoo druk aan het redeneren en hunne gedachten
bewegen zich in zulke verheven kringen, dat een gewoon sterveling
vergeefsche pogingen aanwendt om gehoor te erlangen. Wordt er
kiesvergadering gehouden? Ben ik overkompleet?"

--"In het minst niet, André," zeide Dijk, "kom gerust binnen. Ik vraag
verschooning dat wij u onbehoorlijk lang antichambre hebben laten
maken."

--"Volstrekt niet overkompleet, mijnheer Kortenaer," voegde Lefebvre
er bij. "Verheugd u hier weêr te zien. Maar het is niet aardig van u,
glossen te maken op onze luidruchtigheid. Is het wel, Ruardi? Gij
vooral, die eene stem hebt als eene primadonna, moogt u dat verwijt
niet laten aanleunen."

--"Toch wel," zeide Ruardi. "Wij hebben alle dingen gemeen en zijn
solidair aansprakelijk voor elkanders keelgeluiden. Bovendien heeft
mijnheer Kortenaer groot gelijk, wanneer hij een weinig den draak
steekt met onze debatten. Mag ik u welkom heeten te M., mijnheer
Kortenaer, en mij aanbevelen in uwe vriendschap?"

--"Ik bemerk," antwoordde André, "dat mijn neef niets te veel gezegd
heeft, toen hij voorspelde dat dokter Ruardi mij met de meeste
voorkomendheid bejegenen zou. Doch gij maakt mij verlegen, dokter. Het
is aan mij, om mij aan te bevelen, ik zal zeer erkentelijk zijn,
indien ik mij bij dezen en genen, gedurende mijn verblijf te M., op u
beroepen mag."

--"Kom morgen of overmorgen op ditzelfde uur een praatje bij mij
maken, indien gij lust hebt; dan zal ik u van de M'sche heeren en de
M'sche dames, de M'sche licht- en de M'sche schaduwzijden alles
vertellen wat ik er zelf van weet."

--"Neem u in acht, mijnheer Kortenaer," krijschte Lefebvre, die heden
bijzonder goed gemutst was en daardoor nog luider sprak dan
gewoonlijk. "Dokter Ruardi is een menschenhater en welsprekend. Hij
zal u van deze goede stad en van hare inwoners een donker tafereel
ophangen."

--"Indien zulke tafereelen niet dienstig zijn voor uw gemoed,"
antwoordde de dokter, "draag dan zorg, mijnheer Kortenaer, dat gij de
woonplaats van mijn vriend Lefebvre mijdt, en sla, indien hij u
verleiden wil hem daar een bezoek te komen brengen, zijne uitnoodiging
wijsselijk af. Hij zou door zijne verhalen van hetgeen in het
doodonschuldige T. voorvalt niet-alleen uwen eetlust bederven en uwe
nachtrust verstoren, maar, wat erger is, uwe vaderlandsliefde
ondermijnen."

--"Gekheid!" riep Lefebvre, door 's dokters beschuldiging op een van
zijn geliefkoosde =topics= gebragt. "Luister niet, mijnheer Kortenaer,
naar den boozen raad van dezen Achitofel, en houd u verzekerd dat het
u niet berouwen zal, indien het toeval, wat zeg ik? indien uwe
gelukster u vroeg of laat naar het eerzame T. voert. Zou ik de stad
mijner inwoning lasteren? Die bakermat van het liberalisme? Eer
vergete mijne regterhand zich zelve! Misschien hebt gij hooren
verhalen, mijnheer, dat T. eene plaats is, waar de dienst van Amor
naar evenredigheid meer volgelingen telt dan in eenige andere stad van
Nederland; doch ik beroep mij op uw gezond verstand en vraag, of die
beschuldiging, indien zij niet veeleer eene hulde verdient te heeten,
niet de onwaarschijnlijkheid-zelve is? T. is eene stad met dertig
duizend inwoners, mijnheer, en het kan niemand bevreemden, dat op eene
bevolking van twee synagogen, vijf roomsche en zeven gereformeerde
kerken, een half dozijn galanterie-winkels aangetroffen worden. Doch,
geloof mij, aan andere galanterien wordt te T. niet gedaan. Men zal u
verhalen dat het jongste kind van onzen burgemeester sprekend gelijkt
op den kolonel van ons garnizoen, of dat de vrouw van den
schout-bij-nacht op non-aktiviteit, dien T. de eer heeft te
huisvesten, de hand heeft in de voordragten van den president onzer
arrondissements-regtbank. Geloof het niet, mijnheer; of liever, kom
met eigen oogen die heeren en die dames aanschouwen, kom hunne
konversatie aanhooren, wees getuige van hunne gezellige bijeenkomsten,
en wanneer gij de insipiditeit zult hebben zien heen en weder
fladderen van de schamele borst van mevrouw X. naar den breeden schoot
van mevrouw Y., wanneer gij de maagdelijke Célestine Z. met de
aanminnigheid eener geit zult hebben zien glimlagchen om de
dubbelzinnigheden van den luitenant A. of de naïveteiten van mijn
konfrater, den advokaat B., zult gij mij zeggen of T. er al dan niet
de plaats naar is om aan Clarissa's tot geboortestad of aan Lovelace's
tot oord van ballingschap te verstrekken. Neen, mijnheer, wij van T.
zijn een eerbaar en ordelijk volk; een volk van katoenspinners en
garentwijnders, van landbouwers en veehoeders. Van de weinige
hartstogten, die ons kwellen, genezen wij ons door een overvloedig
gebruik van mout-extrakt, en onze eenige eerzucht is, de liberaalste
stad van Nederland te zijn of daarvoor door te gaan. Wilt gij een
staaltje van onze virtuositeit op dit gebied? Tot voor weinige jaren
hadden wij eene speelbank, die wel niet met de banken van Spa of
Homburg kon vergeleken worden, maar toch dit goede had, dat zij een
subsidie van vijfentwintig duizend gulden 's jaars aan onze opera
uitkeerde. Voor dat geld engageerden wij tenors en baritons, sopranen
en alten, zoo veel wij noodig hadden; en in dien tijd bezat T. een
theater, dat, hoe klein en nederig ook, met de beste uit het land
wedijveren kon. Het was een centrum van beschaving, en twee-of
driemalen in de week vonden wij er eene weldadige verpoozing van onzen
arbeid. Doch naarmate wij toenamen in liberalisme, gingen allengs onze
oogen open. Wij petitioneerden bij den gemeenteraad om opheffing der
zedelooze speelbank die de zenuw onzer opera was, en niemand is in
staat het verheven gevoel te schetsen hetwelk onze borst doorstroomde,
toen het stedelijk bestuur gehoor gaf aan onzen wensch. T. scheen ons
toe eensklaps een Paradijs geworden te zijn. Het gebouw der speelbank
gesloten en weldra in een venduhuis herschapen; op het affiche van
onzen schouwburg de woorden: =Relâche pour cause de suppression=,--wij
zagen in die verschijnselen de voorboden van het naderend godsrijk; en
waren sommigen onzer niet van eene twijfelachtige regtzinnigheid
geweest, wij zouden het hemelsch Jeruzalem hebben wanen te zien
nederdalen binnen de muren onzer stad. Want supprimeren, mijnheer, dat
weet gij, is de hoogste vreugde van het liberalisme. Verleden jaar
hebben wij de opera gesupprimeerd, omdat wij de speelbank goddeloos
vonden; toekomend jaar zullen wij de =terrines de foies gras=
supprimeren, omdat wij het treden op warme koperen platen, al geldt
het slechts ganzen, voor onvereenigbaar houden met onze beginselen van
filanthropie. En vraag niet wat wij voor een en ander in de plaats
bekomen hebben, of hoe wij het voortaan zonder ganzenleverpasteipotjes
en zonder opera stellen zullen. Het liberalisme supprimeert; doch
remplaceren, daar doet het niet aan. Ons ideaal is eene eeuw, waarin
niemand muziek maken en niemand truffels eten zal, het onderscheid
tusschen arm en rijk, knap en dom, man en vrouw zal zijn opgeheven, de
geheele maatschappij er uit zal zien als een egyptisch korenveld
waarop de sprinkhanen te gast zijn gegaan, en onze kaalgeschoren
aarde zich in de onmetelijke ruimte zal wentelen, dikker dan een ton
en gladder dan een kampernoelje. Nog heeft men te T. dat toppunt van
volkomenheid niet bereikt; nog worden daar smulpapen gevonden, die aan
biefstuk met aardappelen de voorkeur geven boven andijviesla met
beetwortelen; nog vindt men bij ons (doch alles kan ook niet op eens
komen) onhebbelijke vrouwen, die nu en dan een welgeschapen kind ter
wereld brengen. Houd u evenwel bedaard, mijnheer, en wanhoop niet aan
onze toekomst. Den stroom des tijds kan niemand tegenhouden, en mits
gij twaalf maanden wacht met mij een bezoek te komen brengen, maak ik
mij sterk u eene bevolking te toonen, aan wier volmaaktheid alleen nog
ontbreken zal dat zij niet gesupprimeerd is."

--"Mij dunkt," zeide Dijk, toen Lefebvre deze uitboezeming ten einde
had gebragt, "wij moesten gezamenlijk naar de Buitensocieteit wandelen
en daar een luchtje gaan scheppen onder de verandah. Hebt gij lust,
André?"

--"Wat mij betreft," zeide Ruardi, "ik kan bezwaarlijk van de partij
zijn; doch laat dit de heeren niet afbrengen van hun plan. Mag ik er
staat op maken, mijnheer Kortenaer, dat gij mijne uitnoodiging niet
versmaden zult?"

--"Zoo zeer, dokter," antwoordde André, "dat gij mij misschien reeds
morgen aan den dag te uwent zult zien verschijnen."



VEERTIENDE HOOFDSTUK.


"Ik wenschte dat Dijk mij dien knaap niet aanbevolen had," zeide
dokter Ruardi bij zichzelven, toen hij den volgenden ochtend zijn
ontbijt had gebruikt en zich gereed maakte om visites te gaan rijden.
"Hij schijnt verbazend groen, en wie weet of het de moeite loont hem
te helpen ontbolsteren? Het best zou zijn, dat hij eenigen tijd bij
Lefebvre in de leer ging, om zijne denkbeelden te vormen; want dat er
in de praktijk immer iets van hem teregt zal komen, geloof ik niet.
Lidewyde heeft hem =en amitié= genomen, zegt Dijk; dat verstaat zich.
Zij haalt hem aan uit tijdverdrijf, en zal beproeven zijn meisje
jaloersch van haar te maken. Indien dat lieve kind haar belang kende,
zou zij stil bij vader en moeder blijven en zich hier in geene
wespennesten komen steken. Die goede Lefebvre! Hij is de
onschadelijkheid-zelve, en men lastert hem, wanneer men hem een
corrumperenden invloed toeschrijft. Toch kan ik mij voorstellen, dat
onervaren jongelieden door hem zoogenaamd op het dwaalspoor gebragt
worden; en misschien is het maar goed, dat vriend Kortenaer niet onder
zijne leiding komt. Indien ik ooit pædagoog word, waarvoor de hemel
mij beware, ben ik voornemens zulk soort van meesters op een afstand
te houden. Ik kan niet gelooven, dat het dienstig is voor jongelui,
hunne tegenstanders te leeren minachten. Die taktiek is alleen goed,
dunkt mij, ten aanzien van de vrouwen; tegenover mannen deugt zij
niet. Om die onder den duim te krijgen... Maar genadige goedheid, neef
André is geen schoolknaap, en ik behoef hier in de eenzaamheid geen
cursus over opvoedkunde te zitten houden. Jakob, ben je daar? Luister
eens."

--"Wat is er van uwe dienst, mijnheer?" vroeg Jakob, die in een
aangrenzend vertrek bezig was eenig huiswerk te verrigten.

--"Ik verwacht van middag bezoek."

--"Mijnheer kan er op rekenen, dat ik de dames behoorlijk ontvangen
zal."

--"Wat praat gij van dames? Er is kwestie van een jong heer, een logé
van mijnheer en mevrouw Dijk. Het kan gebeuren dat ik nog niet thuis
ben tegen dat mijnheer komt: in dat geval laat gij mijnheer in de
rookkamer, en verzoekt hem een oogenblik te willen wachten. Vergeet
niet, het noodige gereed te zetten. Mijnheers naam is Kortenaer;
verder ben ik voor niemand thuis of te spreken."


Het vertrek waarin André, in den namiddag van dien dag, door Jakob
verzocht werd de thuiskomst des dokters te verbeiden, maakte geen deel
uit der appartementen waarvan het middelste toegang tot den wintertuin
verleende. Evenmin was het dat, waarin Ruardi des ochtends den
kapelaan ontvangen en dezen op een overzigt zijner wijsbegeerte
onthaald had. Het lag evenwel in dezelfde rigting als dit laatste en
kommuniceerde daarmede. Zijn omvang was die van een ruim kabinet,
gemeubeld met divan aan divan. Hier en ginds stond eene kleine tafel,
wier japansch-verlakt blad, glanzig rood met gouden vogels, in eene
ebbenhouten lijst gevat was en op een kunstig gedraaiden zwarten voet
rustte. Een dier tafeltjes droeg een zilveren schenkblad met
vonkelende wijnkaraffen, waarnevens een kistje veelbelovende sigaren
en eene turksche pijp. Boven den schoorsteen hing een trofee van
indische wapenen, terwijl de plaats onder den schoorsteenmantel, waar
's winters de haard zich uitbreidde, thans ingenomen werd door eene
monsterpul van oud-blaauw. De wanden prijkten met vier medaljons in
pastel, levensgroote kniestukken, de vier jaargetijden voorstellend in
de gedaante van even zoo vele schoone vrouwengestalten. Echter
verbraken die beelden min of meer de oostersche tint die over het
vertrek uitgespreid lag, en men behoefde niet in Azie gereisd te
hebben om weldra te gevoelen dat =les filles de marbre=, die tot
modellen voor deze teekeningen hadden gediend, geene geboren bayadères
waren. Te zeggen dat André, toen hij uit tijdverdrijf, nadat Jakob hem
alleen gelaten had, van het eene medaljon naar het andere ging, de
oogen nedersloeg, of zich met weerzin afwendde, zou met de
geschiedenis in strijd zijn. Doch wel is het waar dat hij zich in de
beschouwing dier nuditeiten niet regtstreeks verlustigde. Daartoe had
verbazing te zeer den boventoon in zijnen geest; verbazing dat er
vrouwen gevonden worden, die voor geld te bewegen waren om in
zoodanige mate met de vooroordeelen misschien, doch in elk geval met
de overleveringen der schaamte te breken; verbazing dat dokter Ruardi
eene voorstelling der saizoenen nahield, waaraan het element der
draperie zoo te eenemaal ontbrak. Bloemen en vruchten in overvloed;
ook bekers en schalen. Doch van de onontbeerlijkste kleedingstukken
nergens een spoor.

Een gulle lach uit den mond van den binnentredenden heer des huizes
maakte een einde aan André's kunstbeschouwing.

--"O, o, mijnheer de puritein," schertste de dokter, "ik zie wel
waaraan het hapert; gij ergert u aan mijne jaargetijden. Maar ga
zitten, neem een sigaar en een glas madera, en ik zal u haarklein de
geschiedenis dier medaljons vertellen."

Ruardi kon liegen of het gedrukt stond, niet-alleen, maar of een
volleerd tooneelspeler zijne fabelen met studie voordroeg. De inhoud
zijner verhalen wisselde naarmate van het gezelschap waarin hij zich
bevond, en het geval moest zich nog voordoen dat hij in de
tegenwoordigheid van een jong meisje eene anekdote aanroerde die
alleen door gehuwde vrouwen gesavoureerd kon worden, of het voorhoofd
van grijsaards glad zocht te strijken met geestigheden waar alleen een
jong mensch met ongedwongenheid om glimlagchen kon. Hij kende André
nog te weinig om een bepaald oordeel over hem te hebben; doch zooveel
vaster dan de meeste jongelieden van zijnen leeftijd, meende hij,
stond deze vaudeville-held, gelijk hij hem noemde, niet in zijne
schoenen, dat hij aarzelen moest hem de legende der medaljons op te
disschen. Het was het onderhoudend verhaal van een vaderlandsch
edelman, een van Ruardi's voormalige patienten, die gedurende eene
lange reeks van jaren al den tijd, hem door eene sinecure aan ons Hof
gelaten, te Parijs plagt door te brengen. "Hier te lande," zeide
Ruardi, "werd hij aangezien voor een groot heer, en wanneer hij bij
officiële gelegenheden in gala-kostuum als ceremoniemeester fungeerde,
of zoo iets, zag hij er met zijn geborduurden rok vol ridderorden zeer
voornaam uit. Doch daarginds, waar het krielde van russische prinsen
en hongaarsche magnaten, twintig maal rijker en aanzienlijker dan hij,
maakte hij met zijne schelvischoogen en zijn onverbeterlijk hollandsch
accent zulk een beklagelijk figuur, dat hem niets anders overschoot
als zich in de armen van den =demi-monde= te werpen. Op zijn landgoed in
Gelderland of Overijssel had hij de afgod der boeren en de trots van
den burgemeester kunnen zijn; doch liever dan zich des zondags door
den dominé der plaats te hooren gedenken in den gebede, liever dan uit
de hand van onschuldige dorpskinderen verjaarverzen en pionierozen aan
te nemen, liet hij zich plukken door uitgebloeide actrices of de les
lezen door ondernemende figuranten uit de vrouwelijke helft van een
corps-de-ballet. Verleden jaar, in het eind, is hij getrouwd met een
schatrijk meisje uit onze bankierswereld, wier familiewapen, dat
verzeker ik u, minder kwartieren telt dan er hypotheken op zijne
boerderijen staan; en toen ik hem tegen het aanbreken van den grooten
dag weder een weinig op zijn verhaal geholpen had, heeft hij mij
dringend verzocht, hem wel te willen ontheffen van dit viertal
souvenirs uit den tijd zijner losse haren. Ik heb het geschenk
aanvaard, en laat de medaljons daar hangen als eene dagelijksche
waarschuwing aan mijzelven om toch niet af te dwalen van het pad der
deugd."

--"Durfde ik," zeide André, "ik zou beweren, dat de vermaning te
wegslepend is om volkomen ernstig te kunnen zijn."

--"Dan zweemt zij naar de predikatien van onzen vriend Lefebvre, die
mij insgelijks toeschijnen, meer te boeijen dan te stichten."

--"Is dat inderdaad uwe meening? Houdt gij hem niet voor een ernstig
man? Op mij heeft hij een aangenamen indruk gemaakt. Wanneer hij daar
voor u staat met zijn hoog en breed ligchaam, zwaaijend met het
bovenlijf, zich de haren uit het gelaat strijkend, dan vergeet men,
vind ik, zijne korpulentie, zijne krassende stem en zijn groezelig
linnen, en wordt men onwillekeurig medegesleept door zijne
denkbeelden, meer nog dan door zijne woorden. Het is of hij eene
elektriseer-machine in het hoofd heeft, wier vonken hem uit de oogen
schieten."

--"Ongetwijfeld geef ik u toe, dat Lefebvre een buitengewoon man is,
en gij moet niet denken dat ik kwaad van hem spreek. Zonder dat hij
tot mijne oudste vrienden behoort, ken ik hem toch reeds sedert
geruimen tijd, en telkens als ik hem na eene korter en langer
tusschenpoos weêrzie, gelijk nu dezer dagen het geval is, word ik
versterkt in de meening dat hij de grootste hoogachting verdient. Maar
ofschoon ik over een aantal zaken even zoo denk als hij en hij zonder
eenigen twijfel een man van overtuiging is, wantrouw ik hem toch in
sommige opzigten. Ik geloof inderdaad niet, dat hij zulk een
anti-liberaal is als waarvoor hij zich uitgeeft."

--"Dat begrijp ik niet. Hetgeen hij zegt komt blijkbaar uit het diepst
van zijne ziel, en hij zou onmogelijk met zooveel vuur kunnen spreken,
indien hij niet geheel doordrongen was van de waarheid zijner
denkwijze."

--"Maar dat vuur, waarde heer, dat vuur? Let wel dat ik u van uwe
gunstige meening omtrent Lefebvre volstrekt niet wil afbrengen. Ook
ben ik niet genoeg te huis in de denkbeelden, waarmede hij voortdurend
vervuld is. Alleen schijnt het mij toe, dat hij liberaal en
konservatief onophoudelijk met elkander verwart. Wat is liberaal zijn?
Vergeef mij, dat ik zulke pedante vragen opwerp, maar ik, die niets
ben, noch liberaal, noch konservatief,--en in dat opzigt varen wij in
hetzelfde schuitje, niet waar?--ik beweer dat al wie voor iets ijvert,
met iets dweept, aan iets gelooft zoo als de menschen zeggen, liberaal
is. De ernstige behoudsman is positivist, dunkt mij en neemt de
menschen en de dingen gelijk zij zijn. Hoe doet Lefebvre daarentegen?
De vonken van het enthusiasme, gelijk gij teregt opmerkt, spatten hem
uit de oogen. Hij is in zijne soort een fanaticus, en men hoort hem
zijn konservatisme bepleiten met eene ingenomenheid, die den
trouwhartigsten liberaal niet misstaan zou. Neem mij niet kwalijk,
maar ik houd niet van zulke begripsverwarringen. Lefebvre is met al
zijne paradoxen en al zijne sarkasmen een goed man, en toch geloof ik
dat hij de lieden van het spoor brengt. Wie mede spreekt over de
publieke zaak, moet weten wat hij wil; en dat weet Lefebvre niet. Hij
dooft bij anderen juist datgene uit, waarin het aantrekkelijke van
zijn eigen persoon gelegen is; en indien ik u de gulle waarheid zeggen
mag,--mijn onbeduidende kamerheer-ceremoniemeester, met zijn
schelvischoogen en zijne vooze konstitutie, is in mijne oogen een
onschadelijker lid der zamenleving dan de geniale Lefebvre."

--"Jawel; maar men behoort in deze wereld nog iets meer dan alleen
onschadelijk te zijn. Lefebvre is in elk geval eene kracht."

--"En mijn ceremoniemeester dan? Daareven heb ik zoo onbarmhartig den
draak met hem gestoken, dat ik mij verpligt acht, nu ook iets te
zijnen voordeele te zeggen. Het is, dat hij in een ander land als het
onze, een genoeglijk leven en schoone vrouwen is gaan zoeken. Die
verdienste schijnt gering, maar in mijne schatting is zij eene daad
van toegepaste metaphysica, niet-alleen, maar van de eenige
metaphysica die onze aandacht verdient. Ik geloof namelijk aan het
bestaan van den hartstogt dien men liefde noemt, en dien ik voor mij
als den volmaaktsten vorm van het menschelijk zijn beschouw. Gij
begrijpt mij? Wanneer iemand mij komt verhalen dat hard werken zijn
lust en zijn leven is, keer ik hem in gedachte den rug toe; want
ofschoon ik zeer wel inzie dat de wereld niet zou kunnen voortduren,
indien wij niet elk op onze beurt ons inspanden, vind ik in den arbeid
iets vernederends, en zoo menigmaal een dusgenaamde werkezel mij den
lof van zijn bestaan komt zingen, gevoel ik lust hem aan zijn naam te
houden, en hem te zeggen dat hij inderdaad een langoor is. Nu, iets
dergelijks is ook het geval met alle andere quasi-genoeglijke
aandoeningen van onze ziel, de liefde uitgezonderd. Rijk te willen
zijn, beroemd te willen zijn, een eerzaam huisvader te willen
zijn, lid van de Tweede Kamer te willen zijn,--van elk dier idealen,
deze nederig, gene subliem, is zekere mate van trivialiteit
onafscheidelijk. Daaronder is er niet één... Doch ik verveel u met
mijne bespiegelingen?"

--"Neen," zeide André, "het tegendeel is waar; maar ik vraag mij af,
of ook de minnarijen van uw verloopen kamerheer niet insgelijks min of
meer triviaal waren?"

--"Natuurlijk, wel zeker," hervatte de dokter, "maar mijn kamerheer
bevond zich niettemin op den goeden weg. De soort van liefde,
waarmede hij, omdat hij een Hollander, een stumpert en een kamerheer
was, zich vergenoegen moest, beantwoordde op ver na niet aan het
begrip van dien hartstogt. Het was er eene karikatuur, eene parodie,
eene charge van. Doch dit neemt niet weg dat men met een weinig takt
zeer wel in die misvormde trekken het oorspronkelijk beeld herkennen
kan. Geen man, daar houd ik het voor, vervult zijne bestemming, indien
hij zich niet aan de vrouwen wijdt; en geene vrouw draagt haren naam
met eere, indien zij niet in staat is een hartstogt in te boezemen,
sterk genoeg om u ter wille daarvan alles te doen vergeten. Elke
vrouw, die dat vermag, is schoon, ook al zouden hare vriendinnen haar
leelijk noemen; en ziedaar"--hier barstte de dokter op nieuw in een
gullen schaterlach uit, die moest aanduiden dat hij met zijne eigen
theorien een loopje nam en er niet om gaf of hij zichzelven al dan
niet tegensprak,--"ziedaar waarom ik beweer dat er in Holland geene
schoone vrouwen zijn!"

André zou hebben willen vragen: "En Emma dan? En Lidewyde?" Doch het
was duidelijk dat Ruardi met zijne stelling niets personeels bedoelde,
en het zou belagchelijk geweest zijn, vond hij, aan diens woorden meer
beteekenis te hechten dan waarop zij aanspraak maakten.

--"Meent gij," vroeg hij, 's dokters woorden voor de leus =au sérieux=
nemend, "meent gij dat de vrouwen in Holland minder hartelijk of
toeschietend zijn dan in andere landen? Mij is dat zoo niet
voorgekomen. Ook het tegendeel niet. Het is waar, dat ik weinig in het
buitenland verkeerd heb. Maar te oordeelen naar de vreemdelingen met
wie ik nu en dan in kennis ben gekomen, zou ik zeggen dat zoowel de
mannen als de vrouwen in alle landen van Europa tamelijk veel op
elkander gelijken."

--"Nu ja," zeide Ruardi, "ik geef u toe dat de gelijkvormigheid van
menschen en van dingen een der sprekendste karaktertrekken van onzen
tijd is. Al onze mannen dragen een ronden hoed, al onze vrouwen een
hoepelrok, en men moet in onze dagen de menschen persoonlijk kennen om
Rothschild van zijn kantoorbediende, of Keizerin Eugénie van hare
modemaakster te kunnen onderscheiden. Zelfs bij de militairen vindt
men bijna geene onderscheidingsteekenen meer; en de kolonel van een
regiment huzaren in groot uniform gelijkt sprekend op zijn oppasser.
Onder ons gezegd is dat niet de beste dienst die de Fransche Revolutie
ons bewezen heeft. Het is niet natuurlijk dat elk huisonderwijzer
president van een ministerraad, elk adjunkt-kommies onderkoning van
eene kolonie worden kan. Goede onderkoningen bekomt men niet op die
wijze, maar wel ongedurige adjunkt-kommiezen. Daar is nu evenwel niets
aan te doen, en men moet de tijden nemen gelijk zij zijn. Daarenboven
zou het mij niet fraai staan, kwaad te spreken van de egaliteit. Toen
mijn piemontesche overgrootvader zich hier te lande als
schoorsteenveger kwam nederzetten, droomde hij ook niet dat zijn
achterkleinzoon eenmaal ongestraft, wat zeg ik? op uitdrukkelijk
verzoek de hagelblanke pols zou mogen voelen der meest patricische
dames. Ik beweer alleen, dat onder de oppervlakte der gelijkheid, in
onze europesche maatschappij, een bepaald verschil van rassen is
blijven voortbestaan, waaronder het hollandsche van beiderlei geslacht
vooral niet uitmunt. De Duitschers praten van kultuurvolken, en zij
houden zichzelven voor één daarvan. Ik mag het lijden, ofschoon het
mij nooit is mogen gelukken, in de duitsche beschaving iets
noemenswaardigs te ontdekken wat niet van de Franschen of de
Engelschen geborgd was. Indien de Duitschers werkelijk een kultuurvolk
zijn, zijn zij het van de nabootsing; hetgeen, let wel, in elk geval
beter is dan, zoo als wij, zelfs in de nabootsing niet uit te munten
en =traînards= te zijn tot in de assimilatie toe. De Spanjaarden en de
Italianen (moge mijn overgrootvader mij die gelijkstelling vergeven!)
hebben hun besten tijd achter den rug; zij zijn kultuurvolken geweest,
gelijk de Russen het nog worden moeten; indien althans mijn vriend
Börne het bij het regte einde had, toen hij de Moskoviten het eenige
volk van Europa noemde, van hetwelk onze maatschappij nog een weinig
bloedvernieuwing verwachten kon. Ik voor mij ben op die verversching
in het minst niet gesteld, en zoo lang er Franschen en Engelschen
zijn, vooral Franschen, geloof ik dat wij de Russen best missen
kunnen. Werkelijk zijn de Franschen het universeelste volk van de
geheele wereld. Hunne taal te radbraken is zelfs onder ons een vast
kenmerk van rusticiteit. Wanneer wij goed gekleed willen gaan,
bedienen wij ons van een franschen snijder, en iederen keer dat wij
een feestelijken maaltijd wenschen aan te rigten, nemen wij onze
toevlugt tot een franschen kok. Parijs is de stad waar het toilet van
alle toonbare vrouwen der beide halfronden vastgesteld wordt, en onze
meest orthodox-gereformeerde dames zouden niet op de openbare straat
durven verschijnen, indien hare hoeden of japonnen niet zweemden naar
de Parijsche modeplaatjes van den vorigen dag. Het is inderdaad
merkwaardig, dat eene hollandsche vrouw van den eersten rang, indien
zij voor een keer er regt achtbaar en fashionable wenscht uit te zien,
dat doel het best bereiken kan door zich te kleeden gelijk twee
saizoenen geleden de bloem der Parijsche courtisanes zich uitdoste. En
die hulde is niet onverdiend. Zulk eene Parijsche courtisane toch
staat als vrouw, ik bedoel als liefhebbend wezen, werkelijk hooger dan
de gedistingeerdste vrouwen bij ons. Noem mij zoo onbeleefd als gij
wilt, de feiten getuigen in mijn voordeel. Mij is in Nederland geene
enkele vrouw bekend, die voegzaam de heldin van een roman zou kunnen
zijn; en men moet tot Jacoba van Beijeren opklimmen,--van Beijeren,
hoort gij wel?--om in onze vaderlandsche geschiedenis een persoon
te ontmoeten, die eenigszins (en dan nog!) tot draagster zou
kunnen dienen van de edelste aandoeningen van het vrouwelijk
gemoed. Ik zeg u, de hollandsche vrouwenwereld is eene wereld
van bakers en kindermeisjes, gelijk onze mannenwereld er eene van
katechiseermeesters is."

--"Ik wenschte," zeide André, "dat mijn aanstaande schoonvader u
hoorde. Hij erkent wel, dat onze landaard tegenwoordig niet half zoo
veel te beduiden heeft als voorheen, maar gelooft toch aan het bestaan
eener hollandsche nationaliteit en is daarvan een vereerder. Hij zou
uwe invektiven beter weten te beantwoorden dan ik."

--"Ik heb de eer niet uw aanstaanden schoonvader persoonlijk te
kennen," antwoordde Ruardi, "en indien ik het genoegen had hem te
ontmoeten, zou ik waarschijnlijk mijne denkbeelden voor mijzelven
houden. Het is eene vaste gewoonte van mij, en die ik u ter navolging
durf aanbevelen, nooit te redetwisten met mannen van zekeren leeftijd
en zekere rigting. De oude heer Visscher is artist geweest, niet
waar?"

--"Geweest, ja, en in zekeren zin is hij het nog. Zijne groote
bewondering voor onze dichters en schilders der 17de eeuw doet hem
belang stellen in al hetgeen ook nu nog bij ons op dat gebied
voorvalt. Volgens hem, zouden onze kunstenaars van den tegenwoordigen
tijd slechts hun eigen voorgeslacht tot model behoeven te kiezen, om
den hollandschen naam weder tot eer te brengen. En zoo denkt hij in de
meeste dingen. In de politiek behoort hij tot geene der tegenwoordige
partijen, maar is een vaderlandlievend man, die met zijne geheele ziel
aan eene providentiële roeping van ons Vorstenhuis gelooft en maar één
programma kent: Oranje en de vrijheid."

De dokter schudde ongeloovig het hoofd.

--"Waarom houdt gij dat voor eene illusie?" vroeg André. "Is het
onnatuurlijk dat een Koning zich tot orgaan der volkswenschen maakt?"

--"Ik bid u," antwoordde Ruardi, "bewaar die vragen voor uw
eerstvolgend onderhoud met Lefebvre. Mij klinkt het programma van uwen
schoonvader in hope als een fragment uit ik weet niet welke
gedenkschriften =d'Outre-Tombe= in de ooren; doch wat bewijst dit? Ik
bemoei mij niet met politiek, en mijne vreemde afkomst maakt mij
ongevoelig voor de tooverkracht met uwlieder nationale overleveringen
en sympathien. Waarom regeert in Nederland eene familie Oranje-Nassau?
Wat beduiden die uitheemsche namen? Is uw land zoo arm aan edele
geslachten, dat buitenlanders naar hier zijn moeten overkomen om u te
regeren? Ik versta het niet en weet het niet. Van mijnheer Visschers
bondgenootschap tusschen Oranje en de vrijheid begrijp ik geen
syllabe. Uw vorstenhuis is, voor zoo ver ik oordeelen mag, nooit iets
anders geweest als de bondgenoot van =the mob=, en zijne geschiedenis is
die van eene fortuinzoekende dynastie, die er in den loop des tijds in
geslaagd is, de rol van ambtenaar te verruilen voor die van souverein.
Doch ik kwets met mijne ketterijen uwe regtzinnig-nederlandsche
ooren?"

--"Dat doet gij," zeide André, "maar het is mijne eigen schuld.
Bovendien zou mijnheer Visscher u niet toegeven, dat de Hollanders
geene natie zijn, alleen omdat de grondlegger van hunne nationaliteit
een vreemdeling geweest is. Er is eene hollandsche kunst en eene
hollandsche litteratuur geweest, beweert hij; en zoo lang Holland
bestaat, is er mogelijkheid dat die kunst en die litteratuur
terugkomen. Het zijn de besten die zich beteren, volgens hem."

--"Beterschap is een woord", zeide de dokter, "waarvan de medici zich
uit goedhartigheid bedienen in den dagelijkschen omgang met
individuen, doch waarvoor in het leven der volken geene plaats is. Men
is eene natie, of men is het niet."

--"Men zou kunnen opgehouden hebben het te zijn, en het niettemin
naderhand weder kunnen worden", meende André.

--"Wel mogelijk," was het antwoord; "doch voor de Hollanders, die te
geener tijd eene natie geweest zijn, is die troostgrond zwak. De
Japannezen zijn het eenige volk der aarde, dat zich ooit ingespannen
heeft om uwe taal te leeren; en nu eindelijk voor hen het oogenblik
gekomen is om voor die moeite beloond te worden, kunnen zij met uwe
wanspraak nergens teregt. Is dat een bewijs van nationale kracht? Is
het dat van de zijde van een volk, dat twee honderd en vijftig jaren
lang in het bezit geweest is van de prachtigste kolonien en met de
geheele wereld handel gedreven heeft? Geloof mij, eene natie wier taal
men ontberen kan, telt niet mede in de rij der volken. Wanneer de
wereldgeschiedenis haren gang kan gaan, zonder notitie van u te nemen;
wanneer zij zichzelve zou moeten benadeelen en stil zou moeten staan,
om zich met u onledig te kunnen houden,--deedt gij beter, zooals de
boeren zeggen, eijeren voor uw geld te kiezen. Er is een tijd geweest,
nu ja, dat Holland eene plaats in den europeschen kabinetsraad had;
doch op welken voet? Niet uwe beschaving deed u den toegang tot dien
areopagus verwerven, maar uwe schaggeraarsnatuur. Gij zijt een
tijdlang de woekeraars van Europa geweest; en daarin heeft het
voornaamste punt van overeenkomst tusschen u en het volk Israel
bestaan. Doch toen uw geld op was, hebben de welopgevoede natien u den
rug toegekeerd, even als aan de akademien de jongelui van goeden huize
wel voor eene poos omgang houden met den vermogenden kinkel die hun
oesters voorzet en champagne schenkt, maar hem aan zijn lot overlaten
zoodra het uitlekt dat zijn vader bankroet gemaakt heeft. Gij zijt,
met uw verlof, te allen tijde de risée en de dupe van Europa geweest;
en alleen het isolement, waartoe gij vervallen zijt, is oorzaak dat
het menschdom,--hetwelk thans van die dingen geene kennis neemt en dan
ook waarlijk zijn vrijen tijd nuttiger besteden kan,--niet nog
dagelijks schatert van lagchen om al die boeken en bladen waarin gij u
zelven honig om den mond smeert, uwe mediokriteiten tot den rang van
geniën verheft, en uwe voorvaderen groot noemt, in de hoop dat uwe
kinderen niet bemerken zullen hoe klein gij zijt."

--"Ik geloof inderdaad niet," zeide André, "dat mijnheer Visscher zich
door uwe beschouwingswijze van zijn stuk zou laten brengen. Niets zou
ons verhinderen, volgens hem, weder een toonbaar volk te worden,
gelijk gij het noemt, indien wij ons op nieuw leerden onderscheiden
door onze degelijkheid. Wij zouden dan wel niet kunnen wedijveren,
gelijk voorheen, met de Engelschen of de Franschen, en zelfs niet met
de Duitschers, maar dit zou niet beletten, dat wij onder de volken van
den tweeden rang eene eervolle plaats konden innemen."

--"Mijn lieve mijnheer Kortenaer," antwoordde de dokter, die op zijne
wijze van lieverlede ernstiger geworden was en nu bijna gemoedelijk
werd, "ik herhaal dat ik voor uw aanstaanden schoonvader den meest
mogelijken eerbied heb en hem gaarne voor een merkwaardig man houd;
doch neem mij niet kwalijk, dat ik zijne denkbeelden droomerijen noem.
Hoe kan eene natie weder in het bezit komen van eene eigenschap, die
zij verloren heeft? Dat is zuiver woordenspel. Nationale deugden zijn
geene verdwaalde wandelstokken of doekspelden, waarvan de kommissaris
van politie in de courant adverteert dat de eigenaren ze aan zijn
bureau terugbekomen kunnen. Doch al konden uwe Hollanders zich de
voorvaderlijke degelijkheid op nieuw eigen maken,--houd mij ten goede
dat dergelijk ondernemen mij toeschijnt een even onbegonnen werk te
zijn als uit het venster te gaan liggen, ten einde zichzelven te zien
voorbijgaan op de straat,--die degelijkheid, waarmede mijnheer
Visscher zoo ingenomen is, vormt mijns inziens juist een voornaam
beletsel tegen uwlieder toenemen in beschaving. Predik degelijkheid
aan een Franschman, en ik zal u begrijpen; want in het fransche
volkskarakter is die kwaliteit niet in zoo ruime mate voorhanden, dat
zij niet nu en dan aanmoediging zou behoeven. Predik degelijkheid aan
de Spanjaarden, de Italianen, de Mexikanen, de Mohikanen, aan wie gij
wilt. Doch wanneer ik haar u aan de Hollanders hoor verkondigen,
verbaas ik mij. Gij kondt even goed tot hen zeggen: Lieve vrienden,
gij zijt geboren lummels; draagt derhalve vooral zorg, dat gij den
hoogsten trap der lummelachtigheid bereikt. Neen, indien gij van uw
volk nog iets maken wilt, en gij niet vreest den moriaan te zullen
schuren, leer den Hollanders urbaniteit, goede manieren, een goeden
toon; bovenal, leer hen omgaan met vrouwen. Gij spot met mij, omdat ik
telkens op hetzelfde aanbeeld sla; en ik ben op dat punt, ik erken
het, een weinig monomaan. Doch zeg mij, zou uw aanstaande schoonvader,
die zulk een bewonderaar der oude hollandsche schilders is, zou hij in
staat zijn één doek dier heeren te noemen, waarop een aanvallig
vrouwenbeeld voorkomt? Ik laster uwe nationale schilderschool niet,
dat spreekt; maar dit durf ik volhouden, dat men in de italiaansche of
de spaansche kunst een volslagen vreemdeling moet zijn, om niet te
gevoelen dat de uwe in sommige voorname punten jammerlijk te kort
geschoten is. Van Rafael, van Titiaan, van Murillo, van Velasquez, van
honderd andere schilders uit die scholen, weet men de schoonste
vrouwelijke typen te noemen; beelden, waarop het verste nageslacht
met bewondering staren zal en bij wier aanschouwen men door de hoogste
verrukking wordt medegesleept. Doch uw Frans Hals en uw Van der Helst,
wat hebben zij geschilderd en aan welke onderwerpen hebben zij hunne
beste krachten verspild? Schuttersmaaltijden, op mijn woord van eer!
waar men het vet der karbonaden langs de vingers der onhebbelijke
gasten ziet druipen, en de rhijnsche wijn hunne wangen zoo rood ziet
kleuren als de kalkoensche hanen, die zij meteen naar binnen zullen
slaan. Loopt er temet een vrouwenbeeld onder hunne voorstellingen, het
gelijken altegader hofjesjufvrouwen, regentessen van weeshuizen, met
gezigten om bang van te worden, en in het kostuum eener strafkolonie.
Rembrandt in persoon maakt geene uitzondering op dien regel, en ik
noem het karakteristiek, dat de bloem zijner vrouwenportretten eene
dame in de interessantste van alle positien voorstelt. =Low life=, ziet
gij, =low life= is het natuurlijk element van uwe groote hollandsche
schilders geweest; en dat veroordeelt hen. Zij hebben geen oog gehad
voor den hoogsten vorm der schoonheid, of indien al, geen talent
genoeg om dat schoon te reproduceren."

--"Heine beweert," zeide André, "dat Jan Steen een even groot schilder
geweest is als Rafael."

--"Met die autoriteit kan het u geen ernst zijn, waarde heer,"
antwoordde de dokter. "Wie ontkent dat Heine de grootste europesche
schrijver is van den nieuwen tijd? De eenige, misschien, die nooit
verveelt, maar altijd nieuwe denkbeelden bij u opwekt? De onzigtbare
weldoener en verlosser van eene in de pedanterie verzonken
maatschappij? Doch wat hij van de godsdienst der vreugde zegt, die Jan
Steen vertegenwoordigen zou, in onderscheiding van de door Rafael en
zoo vele anderen in beeld gebrachte godsdienst der smart, is hoogst
eenzijdig. Hij droomt van een tijd dat de nachtegalen vrijheid zullen
hebben om naar hartelust hier beneden hunne blijde kreten te slaken:
doch noemt gij het vreugde, met eene bierkroes in de hand en met den
arm om het midden van eene dikke boerenmeid, in de gelagkamer van een
dorpsherberg de horlepijp te dansen? Geloof mij, het staat met de
slemppartijen van Jan Steen als met die van Frans Hals: de roem dier
voorstellingen is in zekeren zin de schande van uw land. Voor het
overige doet het mij genoegen dat gij Heine leest, en derhalve nog in
iets anders smaak hebt als in den kost dien uwe landslieden u
voorzetten."

--"Ik verdien dat kompliment maar half, dokter, niet-alleen omdat ik
Heine slechts zeer oppervlakkig ken, maar ook omdat ik werkelijk tot
de vereerders behoor van sommige onzer vaderlandsche auteurs."

--"Hoe is het mogelijk!" riep Ruardi, de handen ten hemel heffend.
"Neen, dan moet ik u zeggen dat uwe schilders, hoe veel er ook op hen
aan te merken zij, toch altijd nog hooger staan dan hunne
kunstbroeders met de pen. Waarom bestaat er geene leesbare
geschiedenis van uwe letterkunde? Omdat, lieve vriend, zelfs een
fransche kok een haas noodig heeft om hazepeper te kunnen maken. Een
volk, dat nooit een eigen denkbeeld vertegenwoordigd heeft; altijd, om
zoo te zeggen, op den boer heeft gereisd; nooit iets anders heeft
gedaan als navolgen en achteraan komen,--zulk een volk, dat spreekt,
heeft geene litteratuur die het de moeite waard zou zijn te boek te
stellen; en men rigt dan ook bij u standbeelden op voor letterkundige
grootheden wier werken zoo weinig gehalte bezitten, dat wie beproeven
wil, ze in eene beschaafde taal over te brengen, het er stelselmatig
op aflegt. Ik heb evenmin verstand van litteratuur als van politiek,
en verzoek u daarom, aan mijne meening niet meer waarde te hechten dan
zij verdient; doch niemand heeft ooit in mijne oogen een juister
oordeel over uw proza en uwe poëzie geveld dan de oude Disraëli,
wanneer hij van u zegt dat bij eene natie, wier litterarische
producten de middelmatigheid niet te bovengaan, het middelmatige voor
uitstekend geldt, en hetgeen zulk eene natie meesterstukken noemt, in
vergelijking van hetgeen beschaafder volken voortgebragt hebben,
slechts knapenwerk is. Kent gij een hollandschen roman, een hollandsch
drama, een hollandsch dichtwerk, waarin eene heldin voorkomt, die gij,
ik zeg niet voor uwe grootmoeder of voor uwe schoonmaakster, maar voor
uwe vrouw zoudt willen hebben? Ik niet. Men klaagt dat uwe
welopgevoede dames die boeken versmaden, en aan fransche romans, soms
van het ligtst allooi, de voorkeur geven; men noemt het ergerlijk, dat
fatsoenlijke hollandsche meisjes, die uit volle borst van: "=O mon
Fernand!=" en van: "=Robert! toi que j'aime=" zingen, wanneer men haar
een minnedichtje van Hooft in handen geeft, aan het ginnegappen en
blozen slaan. Doch niets is mijns inziens natuurlijker. De liefde, die
de zenuw der romantiek is, heeft te allen tijde bij u om brood
geloopen; doch tevens is die hartstogt zulk een tiran, dat gij hem
hulde bewijst in de vormen van het buitenland. Missen kunt gij hem
niet; maar wanneer hij uwe taal spreekt zet gij het op een loopen. Hij
mag zichzelven bij u ridikuul maken; mag het idioom uwer achterbuurten
nabootsen; mag optreden in de gedaante van een korporaal, die een
dienstmeisje aan zijn hart drukt. Zoodra hij zich evenwel verstout,
eene sport hooger te klimmen op den maatschappelijken ladder en hij
het ernstig begint te meenen, beleeft men tweederlei verschijnsel: de
kunst uwer dichters schiet dan eensklaps te kort, en de natuurlijke
terugwerking van dat onvermogen is, dat men hen uitlacht of van hen
walgt."

--"Zoodat?" vroeg André, oprijzend om te vertrekken.

--"Zoodat," antwoordde de dokter, hem tot afscheid de beide handen
drukkend en eensklaps zijn gewonen lagchenden toon hernemend, "sommige
jeugdige Nederlanders van geluk mogen spreken, de toekomstige
echtgenooten te zijn van meisjes, zooals Rembrandt ze niet geschilderd
en Hooft ze niet bezongen heeft."


Aldus korrigeerde dokter Ruardi, met meer valsch vernuft dan echte
logica, hetgeen hij de fout van zijnen vriend Lefebvre noemde:
jongelieden minachting in te boezemen voor andersdenkenden.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.


--"Hemelsche goedheid," zeide André bij zichzelven, toen hij buiten de
stad gekomen was en het schijnen kon dat hij met het laatste gedeelte
van Ruardi's sigaar ook de bedwelming van Ruardi's drogredenen van
zich afwierp, "in welke verbijsterende mate bezit die goede man het
talent van doorslaan! Zonder onbeleefd te worden kon ik hem niet
telkens in de rede vallen, en daarom heb ik meestentijds gezwegen;
doch het zou inderdaad al zeer weinig moeite behoeven te kosten hem
slag op slag in zijne eigen woorden te vangen. Het kleingeestigst van
al vond ik die aanmerking op de Nassau's. Wat doet het er toe, of eene
dynastie al dan niet familie van ons is, indien zij ons eeuw in, eeuw
uit, onbetaalbare diensten bewijst? Zulk een kosmopoliet als Ruardi
behoorde daaromtrent minder bekrompen te denken. Doch hij schijnt mij
toe een oppervlakkig man te zijn, en ik wil wedden dat hij de
hollandsche boeken en de hollandsche schilderijen, waarover hij met
zooveel minachting spreekt, meest van hooren zeggen kent. Neen, dan is
Emma's vader in die zaken vrij wat beter te huis. Potsierlijk vond ik
het, dat hij ons volk opvoeden wil door den omgang met vrouwen. Nu,
men behoeft zijne vier jaargetijden slechts aan te zien, om te
gevoelen dat het zeer onvoorzigtig zou zijn hem bij die soort van
hoogere burgerschool tot docent aan te stellen! En wat doet Dijk met
zulk een vriend? Doch vermoedelijk kent Adriaan hem even kwalijk als
hij zelf Hooft en Rembrandt kent. Ruardi moet er slag van hebben, met
allerlei soort van menschen om te gaan, anders kon hij hier in de stad
onmogelijk zoo gezien zijn als ik geloof dat hij is. In gezelschap van
jonge dames en oude heeren slaat hij stellig een geheel anderen toon
aan als wanneer hij onder vier oogen met jongelui van mijn leeftijd
praat. Van tijd tot tijd vond ik hem heel aardig, en ik kan mij best
begrijpen dat men hem over het algemeen gaarne lijden mag. Zelfs
verwondert het mij dat Lidewyde hem moede schijnt te zijn. Doch
misschien pleit het in haar voordeel, dat zij genoeg van hem heeft. Om
de gulle waarheid te zeggen,--wanneer Ruardi beweert dat de
hollandsche vrouwen niet mooi of niet teeder zijn, geloof ik dat hij
doet als de vos in de fabel, en hij de druiven, die hem te hoog
hangen, zuur noemt. Hij zou wel anders spreken, verbeeld ik mij,
indien Lidewyde van hem gediend was! Maar zij heeft groot gelijk dat
zij dien gesublimeerden commis-voyageur,--want meer dan een
commis-voyageur onder het masker van een wijsgeer is hij toch
eigenlijk niet,--van zich afhoudt."

André zou meer fierheid en meer bekwaamheid ten toon gespreid hebben,
indien hij onder een voegzamen vorm een gedeelte van deze denkbeelden
voorgedragen had in Ruardi's bijzijn, en elk moet het afkeuren dat
zijne gemaakte minachting voor den dokter ten slotte hare meest
geconcentreerde uitdrukking vond in eene insolentie. Doch de
Kortenaers der 19de eeuw zijn minder dapper en hebben minder
tegenwoordigheid van geest dan hun stamvader, en wanneer de bron
hunner argumenten uitgeput is, of niet vloeijen wil, vergenoegen zij
zich somwijlen met beleedigende bijnamen. De omstandigheid dat Ruardi
een bovenhuis bewoonde was dan ook noch de eenige, noch de voornaamste
reden dat André's gevatheid eerst aan het licht kwam, toen hij 's
dokters trap reeds een half uur geleden afgedaald was. Te schitteren
met =esprit d'escalier= strookte met zijn karakter, helaas; en zijn
gebrek aan moed was slechts een andere vorm van zijn gebrek aan
opregtheid. Het was onwaar dat hij Ruardi met ergernis had aangehoord.
Veeleer had het hem gevleid, dat iemand met zulke buitengewone gaven,
die van zijne ware gevoelens voor alle andere menschen een geheim
maakte, hem tot zijnen vertrouwde scheen te hebben gekozen. Het
aanhooren van Ruardi's vermakelijken onzin, indien men daartegen niet
met nadruk en waardigheid opkwam, stond gelijk, dit gevoelde hij, met
een begin van medepligtigheid. Doch hij wilde wel zoo; en de ander was
in zijne oogen een veel fijner opmerker en veel onafhankelijker denker
dan men uit het in de eenzaamheid hem naar het hoofd geworpen
epitheton zou hebben opgemaakt. De eenige reden waarom hij Ruardi's
verdiensten met woorden poogde te verkleinen, was dat hij hem Lidewyde
niet gunde; en hij zou over den afwezige met veel meer lof gesproken
hebben, indien hij vaster overtuigd geweest was, dat Lidewyde ten
aanzien van den dokter altijd dezelfde onverschilligheid zou blijven
gevoelen.



ZESTIENDE HOOFDSTUK.


--"En is dat nu de stad waar mijnheer Lefebvre woont?" vroeg Emma,
toen de trein zich in beweging zette en zij het oog kon laten gaan
over de schoorsteenen en de kerktorens van T.

--"En tevens de stad waar gij van nacht gelogeerd hebt," antwoordde
André, die tegenover haar zat.

--"Jawel," zeide zij, "maar groote steden hebben een geheel ander
voorkomen wanneer men ze op een afstand ziet, als wanneer men er zich
in ophoudt. En het is alsof men dan ook een anderen indruk van de
menschen ontvangt."

--"Er is aan T. niet veel te zien," meende André.

--"Vindt gij? Váder zeide van wel. Zoodra hij mij gisteren-avond in
het logement bezorgd had, is hij eene wandeling door de stad gaan
doen, en van ochtend was ik nog niet bij de hand, of hij was al weder
op het pad. Het stadhuis, de groote kerk, de vleeschhal, de poort aan
de zijde van het bolwerk, ik weet niet wat al wonderen hij mij
daarvan niet verhaald heeft. Het is jammer dat de treinen elkander zoo
snel opvolgen, anders had hij u zeker uitgenoodigd tusschentijds het
een en ander met hem te gaan zien."

--"Luister eens, Emma," zeide André, eensklaps van toon veranderend,
"wij zijn nu nog alleen en kunnen dus vrijuit zamen spreken. Aan het
volgend station bekomen wij welligt reisgezelschap, en moeten òf
zwijgen, òf praten over het mooije weer. Wees dus openhartig, en zeg
mij waaraan ik uwe afgemetenheid moet toeschrijven? Uw vader,
daareven, was hartelijker dan gij."

Emma antwoordde niet en staarde het raampje uit. Van de monumenten van
T's geloof en T's industrie was thans weinig meer te zien, en men
behoefde het meisje niet van nabij te kennen, of te weten wat omging
in haar hart, om aan de uitdrukking van haar gelaat te bespeuren dat
zij zich op dit oogenblik minder dan ooit bekommerde om het verband of
de tegenstrijdigheid van kerkgebouwen en katoenfabrieken,
steenkolendamp en wierookwalm. Zij dacht aan andere dingen, die zij
gewigtiger vond.

--"Emma," vroeg André nogmaals, "waarom zijt gij koel tegen mij? In
veertien lange dagen hebben wij elkander niet gezien, en gij behandelt
mij alsof ik een vreemdeling voor u was. Ik heb allen eerbied voor
oude gebouwen; doch toen ik dezen ochtend van M. vertrok om u te komen
afhalen, is mijne eerste zorg niet geweest, te T. onderzoek te doen
naar de architektuur van den vleeschhal."

--"Ik geloof niet, André," zeide zij, bijna zonder hem aan te zien,
"dat die veertien dagen u bijzonder lang gevallen zijn."

--"Hoe nu? Zal ik van gebrek aan liefde voor u beschuldigd worden,
alleen omdat ik in de eenzaamheid zoo goed mogelijk mijn tijd zoek te
korten? Indien gij geen lust hadt om naar M. te komen en van de
uitnoodiging van freule Steinmetz gebruik te maken, waarom mij dat
niet ronduit geschreven? Wat is de reden dat ik u niet mogt komen
afhalen van Duinendaal? Uwe antwoorden waren zoo gul en hartelijk, dat
ik niet anders denken kon, of gij waart met de door Lidewyde gemaakte
schikking even ingenomen als ik. Of is er iets tusschenbeide gekomen
dat ik niet weet? Vindt uwe moeder het niet goed dat gij te M. komt
logeren? Aan uw vader heb ik niets kunnen bespeuren. Hij was even
vriendelijk als altijd."

Er kwam beweging in Emma's trekken. Zij staarde nu niet meer naar
eene zijde, het venster uit, maar hield, ofschoon met nedergeslagen
oogen, het aangezigt naar André gekeerd. Hij vond haar in die houding
schooner en lieftalliger dan ooit te voren. Het eenvoudig reistoilet
scheen opzettelijk voor haar uitgevonden te zijn, zoo goed kleedde het
haar en zoo volkomen voegde het bij hare taille. Het zuiver ovaal van
haar gelaat vormde met hare blonde krullen, thans aan weerszijde in
één zwaren lok vereenigd, het bekoorlijkst geheel. Op nieuw maakte hij
in zijnen geest eene in de laatste dagen herhaaldelijk ontworpen
vergelijking, en ditmaal sloeg de schaal zeer bepaald naar Emma's
zijde over. Lidewyde had noch dat voorhoofd,--zoo rein, dat een engel
het gekust zou hebben,--noch dien lieven trek om den mond, noch die
zachte wangen, noch het zedige dier lange wimpers. Met kracht kwam
zijne eerste liefde weder bij hem boven; en toen hij onder elk dier
wimpers zich een kristalhelderen traan zag vormen, vonkelend als
diamant, was de triomf voltooid. Hij greep hare twee kleine handen in
de zijne en riep in geestvervoering uit:

"Om godswil, Emma, maak mij niet rampzalig! Kwel u zelve niet! Ik heb
u lief met geheel mijn hart! Schrei niet, en zie mij aan!"

Nog kwam geen glimlach spelen om haren mond; doch zij voldeed
niettemin aan zijn verlangen en sloeg de oogen naar hem op. Zulk een
blik moet het geweest zijn, die de dichters der oudheid heeft doen
zeggen, dat het licht in de oogen der vrouwen het doorbrekend zonlicht
gelijkt.

--"André," zeide zij, hare eene hand loswikkelend uit zijnen greep en
met haar zakdoek de opkomende tranen wegwisschend, "gij vergist u te
eenemaal in mijn gevoelens. Vooreerst is het volstrekt niet waar, dat
gij niet naar Duinendaal zijt mogen komen. Niemand heeft u dat
verboden; maar het was, gelijk ik u geschreven heb"...

--"Ik bid u, lieve," viel hij haar in de rede, "doe geene moeite om
mij van mijn ongelijk te overtuigen. Dat gij verdriet hebt gehad is
het duidelijkst bewijs van mijne schuld. Wees vriendelijk tegen mij,
en ik zal erkennen dat gij bij uitnemendheid de kunst van straffen
verstaat."

--"Neen, André, zoo moet gij niet spreken. In het begin van onze
kennismaking voerdet gij nooit zulk eene ligtzinnige taal, en juist de
verandering die in dat opzigt eensklaps over u gekomen is, maakt mij
bekommerd. Waarom mag ik u niet herinneren, dat uw niet-overkomen naar
Duinendaal de natuurlijkste zaak der wereld geweest is? Vader vond
het te vermoeijend voor mij, op één dag zulk eene verre reis te doen;
en om die reden-alleen heb ik u geschreven, mij te T. te komen
afhalen. Het is niet goed van u, het te doen voorkomen, alsof mijn
oogmerk met die schikking geweest was, u op een afstand te houden."

--"De schikking heeft niettemin op mij dien indruk gemaakt."

--"Neen, André, dat kunt gij niet meenen. Van het oogenblik af dat ik
de reis in twee dagen zou doen, sprak het van zelf dat gij te M.
bleeft en vader mij tot T. geleidde. Indien ik iets tegen u heb, is
het dat gij eene vergoelijkende uitlegging zoekt te geven aan uwe
eigen onverschilligheid. Ik verg niet van u, ik mag niet vergen, dat
gij iederen dag en ieder uur van uw leven mij even teeder zult
liefhebben als ik het u doe. Ik wil gelooven dat de mannen in dit
opzigt anders zijn als wij. Doch neem den schijn niet aan, bid ik u,
alsof in dit geval de meeste genegenheid van uwe zijde gekomen was. Ik
heb dat niet aan u verdiend."

--"En welken anderen schijn wilt gij dan dat ik aannemen zal,
melieve?"

--"Mijn wensch, André, is dat gij uzelven zijn en iederen schijn ter
zijde stellen zult. Hoe kunt gij vragen, of moeder het afkeurt dat ik
te M. ga logeren? Gij weet even goed als ik, dat ik zonder haar
goedvinden Belvedere niet verlaten zou hebben. Neen, niet zij, maar ik
zag er tegen op, de uitnoodiging dier vreemde dame aan te nemen. En
niet om freule Steinmetz aarzelde ik, maar om mevrouw Dijk. Ik heb een
voorgevoel dat onze kennismaking met die dame tot niets goeds leiden
zal; en gij kunt mijne brieven niet met aandacht gelezen hebben,
zonder te bemerken dat ik uwe Lidewyde wantrouw."

--"=Mijne= Lidewyde, zegt gij? Maar ik zweer u, Emma, dat Lidewyde niet
in uwe schaduw staan kan. Al was zij een jong meisje, het zou niet in
mij opkomen haar het hof te maken; nu zij de vrouw is van Adriaan
Dijk, spreekt het van zelf dat ik mij vergenoeg met te haren aanzien
de burgerlijke beleefdheid in acht te nemen. Uwe vrees voor haar is
eene =idée fixe= van u, meer niet. Heden-avond zult gij hare kennis
maken, en morgen-ochtend, daarvoor sta ik in, zal uw eerste werk zijn,
met uwe eigen bekommeringen den draak te steken. Lidewyde is eene
belangwekkende vrouw, daarmede is alles gezegd; en zelfs dat gematigd
kompliment zou overdreven zijn, indien men niet nu en dan aan hare
vrolijkheid-zelve bemerken kon, dat zij ongelukkig is. En nu vraag ik
u of het verstandig, neen, of het edelmoedig is, haar om dat ééne
=charme= in den ban te doen?"

--"Ik heb u reeds geschreven, André, dat Lidewyde's rampen mij
tamelijk koel laten. Laat het zoo zijn, dat zij niet gelukkig getrouwd
is: heeft zij indertijd niet hare eigen keus gevolgd? En indien zij
zich in uw neef Adriaan vergist heeft, geeft dat haar het regt om uit
de hoogte neder te zien op een man die haar niets in den weg legt en
alles doet wat in zijn vermogen is om haar leven te veraangenamen? Ik
=kan= geen medelijden hebben met vrouwen, hoe ongelukkig ook, die alles
geoorloofd achten, alleen omdat hare mannen geene engelen zijn."

--"Nu ja, ik heb u geschreven, dat mijn eerste indruk omtrent Dijk te
gunstig is geweest, en ik al spoedig ben gaan bemerken, dat hij er de
man niet naar is, om eene vrouw als Lidewyde gelukkig te maken. Doch
ik zou meer hebben kunnen schrijven. Behalve dat Lidewyde verbonden is
aan iemand, dien zij onmogelijk met haar geheele hart liefhebben kan,
wordt haar het hof gemaakt door dienzelfden dokter Ruardi, die zich
Adriaans intiemsten vriend noemt. Zeer toevallig ben ik dat te weten
gekomen door een gezegde van Lidewyde's kamenier."

--"Luister, André, ik heb een ingeschapen afkeer van al dergelijke
intriges, en hetgeen gij daar zegt vermeerdert niet, maar vermindert
nog mijne hoogachting voor Lidewyde. Indien zij het ernstig wilde, zou
het haar geene moeite behoeven te kosten, dokter Ruardi op een afstand
te houden zonder aan haren man te doen blijken dat zijn beste vriend
een verrader is. Doch Lidewyde is eene kokette, daar houd ik het voor.
Uw oom doorgrondt haar, en omdat hij haar kent voor hetgeen zij
is,--omdat hij hoopt, dat zij u van uwe liefde voor mij genezen zal,
daarom en daarom-alleen heeft hij u naar M. gezonden."

--"Lieve Emma, hoe komt gij er toe, u zulke dingen in het hoofd te
halen? Mijn oom mag wezen wie hij wil, hij is onbekwaam, zulke
quasi-diabolische plannen te ontwerpen. En al ontwierp hij ze, hebben
wij het niet in onze magt ze te verijdelen? Zijt gij niet de vrouw van
mijne keus? "Kom en zie," schreef ik u, en dat herhaal ik. Leer
Lidewyde kennen, en in een omzien zult gij u verlost gevoelen van uwe
vooroordeelen. Op mijn woord van eer, gij maakt noch uzelve een
kompliment, wanneer gij haar een vermogen op mij toeschrijft, grooter
dan het uwe, noch mij, wanneer gij mij voor zwak genoeg houdt om voor
eene zoo gewone verzoeking te bezwijken."

Hoewel niet verbaasd over de gladheid van zijne eigen tong,--want
Emma's nabijheid inspireerde hem, en hij zou onder dien invloed,
zonder van zijn stuk te geraken, geheele redevoeringen hebben kunnen
houden,--schrikte André toch min of meer op, toen het schel gefluit
der lokomotief, onder het voortrammelen van den trein, zijne laatste
betuiging van genegenheid met eene soort van fanfare begeleidde, die
niet regtstreeks uit de gewesten der hemelsche gelukzaligheid
afkomstig scheen te zijn. Het is inderdaad jammer dat Virgilius en
Dante, die zulke fraaije beschrijvingen van de onderwereld geleverd en
zulke uitgezochte helsche klanken nagebootst hebben, onbekend geweest
zijn met het schrille stemgeluid van het privatief vehikel der 19de
eeuw. Hadden zij daarvan een voorgevoel kunnen hebben, elk ander
symbool van de verschrikkingen des gewetens zou hun toegeschenen zijn,
kleur en toon te missen. Voor het verdeeld gemoed van de kinderen
onzes tijds is dat valsch en snerpend geluid hetgeen voor een
vroeger geslacht het bazuingeschal geweest is, waarmede de
joodsch-christelijke eschatologie het laatste oordeel laat aanvangen.
Doch André maakte zich noodeloos ongerust. Instede van de om zijne
dubbelhartigheid lagchende booze geesten zijner opgewekte
verbeeldingskracht, zag hij eensklaps aan zijne zijde, op de loopplank
nevens het portier, het onschuldig aangezigt verschijnen van een
kondukteur, die plaatskaartjes kwam ophalen, en op den meest
aardschgezinden toon der wereld vroeg, of zich in dit kompartiment
welligt passagiers bevonden, die te G. wenschten uit te stappen. Er
was in de alledaagsche belangstelling van dien man iets zoo
ontnuchterends; de goedige uitdrukking zijner oogen neutraliseerde zoo
te eenemaal het fantastische van zijn verschijnen; zij vernietigde zoo
onherroepelijk de ontsteltenis, die zijn borstelige knevel en zijn
zware sapeursbaard anders welligt nog hadden kunnen teweegbrengen, dat
men voor het minst een moord op het geweten zou moeten gehad hebben om
niet aanstonds te beseffen dat de dichterlijke Furien der mythologie
niets te maken hadden met het plotseling optreden van dezen man, die
een dood-onschuldig Metalen Kruis in het knoopsgat droeg en voor het
overige slechts de voorwaarden zijner broodwinning vervulde. Zoo is
het leven en zoo worden de menschen slecht! Wanende Beëlzebub aan
zijne zijde te zien verschijnen, aanschouwt men een gepasporteerd
militair in de gedaante van een wellevend spoorweg-kondukteur.

Het toeval wilde, dat bij het stilhouden te G. geen enkel passagier
plaats kwam nemen in het rijtuig, waarin André en Emma zich bevonden.
"En is dat nu de stad waar de kapelaan Stephenson woont?" had Emma
kunnen vragen; doch zoomin als André was zij zich van het bestaan van
dien belangwekkenden jongen priester bewust; en haar vervulde alleen
de gedachte aan hetgeen André daareven gezegd had. Hoe kon hij wanen,
dat het haar te doen was om òf hem, òf haarzelve een kompliment te
maken? Wie had hem zulke dingen in het hoofd gebragt? Wat beteekende
die wereldsche taal? Doch aan den anderen kant viel het niet te
ontkennen, meende zij, dat hij de hartelijkheid-zelve scheen en zich
te haren opzigte geheel en al als een vurig bruidegom gedroeg. Nu ja,
ook zonder den kapelaan Stephenson geraadpleegd te hebben, gevoelde
zij dat André sommige drogredenen verkondigde en zijn oordeel over
Lidewyde den toets niet doorstaan kon. Doch zij had nu eenmaal hare
eigen denkbeelden omtrent het hart der mannen in het algemeen en
André's hart in het bijzonder; en een dier axioma's was, dat de
verloofde van hare keus, hetzij als bruidegom of als echtgenoot, het
mogt gaan hoe het wilde, haar nimmer geheel en al ontrouw worden kon.
De bloem onder het uitrukken van wier bladen zij beurtelings
indertijd: "Hij zal mij vragen" en: "Toch niet" gefluisterd, en wier
laatste woord in eene stellige toezegging bestaan had,--die
denkbeeldige bloem was geen kortstondig madeliefje, maar eene
immortelle geweest. De voorstelling dat André in staat was haar te
verwaarloozen, kwetste hare fierheid en deed haar naar de wapenen der
beleedigde onschuld grijpen. Doch pas bedacht zij, dat niemand hem zoo
volkomen kon liefhebben als zij en hij telkens zou moeten eindigen met
dit te erkennen, of zij deed afstand van hare verontwaardiging en
verzoende zich met hem in den geest. In het leven van een man, die aan
zulk eene vrouw zijn woord verpand heeft, kunnen zich oogenblikken
voordoen dat hare al te groote teederheid hem verdrietig maakt en hij
wenschen zou, bij minder zenuwachtigheid, meer in haar te vinden van
hetgeen ledepoppen eene gemakkelijke soort van speelgoed doet zijn.
Doch de mannen, die het regt zouden hebben dergelijke verzuchtingen te
slaken, vormen eene uitzondering op den regel; en André was zulk eene
uitzondering niet. Hij behoorde veeleer tot de klasse dergenen, die
eene vrouw als Emma onwaardig zijn en aan wie eene liefde als de hare
verspild is. Hij wilde wel de baten van Emma's vergevensgezindheid
genieten, doch was niet bereid om daarvan de lasten te dragen; en het
was jammer dat zij dit niet in tijds doorzag. Ware zij daartoe
onbeneveld genoeg van blik geweest, zij zou zichzelve een lang en
groot verdriet gespaard hebben; indien men althans met grond van
oordeel is, dat eene vrouw wijzer handelt en zich minder ongelukkig
maakt, indien zij sommige betrekkingen uit eigen beweging verbreekt,
dan indien zij de gevolgen van hare verblinding voor hare rekening
neemt. En tot Emma's verontschuldiging kon worden aangevoerd, dat zij
niet blinder was dan gevorderd werd om hare liefde aan de voorwaarden
van dat gevoel te doen beantwoorden. Of is eene vrouw te veroordeelen,
alleen omdat zich in haar bestaan eene vaste wet van haren aard
vervult? Alle deskundigen zullen dit ontkennen, en teregt. Toen gij
liefhadt, waart gij blind, mevrouw; zonder dat zou uwe liefde niet van
de regte soort geweest zijn. Tevens meent men te weten, dat de
ongemeene schranderheid, die in de laatste jaren bij u is opgemerkt,
en waardoor gij u eene volkomen verdiende reputatie van superioriteit
verworven hebt, dagteekent van het oogenblik dat uw ideaal in de
werkelijkheid omgekomen en de dienst van Eros door u voor die van
Hermes misschien, maar in elk geval voor die van Athene verlaten is.


Op ieder honderd jeugdige kantoorbedienden, die in gemengd gezelschap,
wanneer zij de zekerheid bezitten niet door hunne patroons beluisterd
te worden, wel eens tot amusement van de dames eene gewaagde anekdote
opdisschen, worden er negen en negentig gevonden, die meer dan eens
genoegen hebben beleefd aan het verhaal van den Tunnel en het Moesje.
Doch Emma droeg geene moesjes, en het geheele nederlandsche
spoorwegnet is geen enkelen tunnel rijk. Het zou derhalve niet baten,
den lezer te willen wijsmaken, dat een kleine zwarte stip, die
gedurende de geheele reis, en nog bij het afrijden van G., een
bekoorlijk relief gegeven had aan Emma's zachtgekleurde wang, bij de
aankomst te M. bevonden werd aan André's bovenlip te kleven. En
waartoe fabelen verhaald, wanneer men de feiten slechts voor het
grijpen heeft? Emma, die zonder moeite over André's redenen zou hebben
kunnen triomferen, was niet bestand tegen die van haar eigen hart.
Zij beloofde, hare vooringenomenheid tegen Lidewyde ter zijde te
zullen stellen; en reeds toen de trein, in weerwil van den geringen
afstand, nog een goed eind van M. verwijderd was, had, dank zij de
nederlandsche spoorwegzeden, die geene jongelieden van beiderlei
geslacht verbieden zamen te reizen, een kus het hersteld verbond
bezegeld tusschen de twistende gelieven.



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.


Bij haar eerste ontwaken in de woning van freule Steinmetz, had André
voorspeld, zou Emma zich van hare vooroordeelen omtrent Lidewyde
ontheven gevoelen; en die profetie kwam ten deele uit. Geene benaauwde
droomen hadden haar gekweld gedurende den nacht, en toen zij de oogen
opsloeg, verrees voor haren geest, in Lidewyde's gestalte, geen enkel
schrikbeeld. Integendeel, zij ontwaarde in hare kamer slechts
voorwerpen, wier aanschouwing haar weldadig aandeed: een
ochtendzonnestraal die van achter het hoofden-eind van haar ledikant
op het tapijt viel en hoop gaf op een onbewolkten dag; in een hoek der
kamer, aan hare zijde, een console en daarop eene pendule, die het uur
van zevenen aanwees; halverwege den muur tegenover haar, een
waschtafel en daarboven eene fraaije gravure, Van Dijks =Ecce Homo=
voorstellend. Vooral de aanblik dier gravure deed haar goed en stelde
haar gerust. Uit zichzelve was zij niet godsdienstig of niet
christelijk genoeg om waarde te hechten aan dergelijke voorstellingen,
en in gewone omstandigheden zou zij in staat geweest zijn te beweren,
dat hare voorkeur aan wereldscher beelden behoorde. Doch zeker nieuw
gevoel van hulpbehoevendheid, dat zij zich niet herinneren kon,
vroeger in die mate met zich omgedragen te hebben, deed het haar eene
aangename gewaarwording vinden, zich onder het dak te weten van eene
vrouw, die aan Christus met de doornenkroon geloofde, en die, zonder
ophef, tot in de beeldtenissen toe, waarmede zij hare logeerkamer
versierde, daarvan getuigenis aflegde. André had beweerd, dat zij
zichzelve ten onregte en noodeloos verkleinde door van haar eigen
overwigt op hem een geringeren dunk te koesteren dan zij van
Lidewyde's vermogen had. Met meer regt zou hij thans hebben kunnen
aanvoeren, dat zij door hare onwillekeurige bekentenis van zwakheid,
en hare daarop gegronde toenadering tot den Man van smarte, geen
kompliment aan de christelijke godsdienst maakte, en indien òf de
predikant van Duinendaal, òf de kapelaan Stephenson, òf beiden op
hetzelfde oogenblik, André die stelling hadden hooren voordragen,
zouden zij hem gelijk gegeven en Emma berispt hebben. Doch tot haar
lof moet gezegd worden, dat haar brein voor dergelijke beschouwingen
niet toegankelijk was. Zelve te allen tijde bereid om diensten te
bewijzen, kon zij zich niet voorstellen dat Hooger wezens hunne
welwillendheid immer van iets anders afhankelijk zouden maken als van
het beroep daarop, door zwakkeren gedaan. Voor haar gemoed vloeide de
hoogste nuttigheid der dingen met hunne werkelijkheid en
verkrijgbaarheid ineen, en hare verbazing zou volkomen geweest zijn,
indien zij had hooren betoogen, dat men om de baten der godsdienst te
mogen genieten, zich eerst sterk genoeg moest gevoelen om haar te
kunnen missen.

Zij stond op en kleedde zich, en toen zij haar koffer ontpakt en hare
toilet-artikelen behoorlijk gerangschikt had, begaf zij zich naar de
ruime en vrolijke bovenvoorkamer, die haar den vorigen dag, bij hare
aankomst, door freule Bertha in persoon was aangewezen als haar salon.
Zij trad naar een der vensters en vermaakte zich met het ontluikend
leven te bespieden aan boord der pramen en beurtschepen in de gracht.
Drukte op de straat beneden haar of aan de overzijde was er nog niet
op dit uur, en de weinige sjouwerlieden die zij eene vracht opladen of
eene handwagen voortduwen zag, namen nog die zekere stilzwijgendheid
in acht, welke den arbeidzamen mensch eerst schijnt te verlaten,
wanneer de zon hoog aan den hemel staat. Zij bleef evenwel niet lang
in hare waarnemingen verdiept. Voor het ontbijt wilde zij een
uitvoerigen brief aan hare moeder schrijven, en zij begreep dat zij om
dit plan te kunnen volvoeren haren tijd niet verbeuzelen moest. Ook
had zij een voorgevoel, dat die brief, waarin zij alles zeggen en
nogtans het voornaamste verzwijgen moest, haar eene meer dan gewone
inspanning kosten zou.


Freule Steinmetz ontbeet in eene tuinkamer. Eene breede vensterdeur
verleende toegang tot een bestraat voorpleintje, dat door eene
gemetselde rollaag, drie trappen hoog, gescheiden was van den
eigenlijk gezegden bloemhof. De tuin was grooter en minder
kinderachtig aangelegd dan die van den ouden pastoor te G. Hij bestond
uit een middenperk, waarin een bed stamrozen bloeide, met een bed
geraniums aan de voor- en een bed fuchsia's aan de achterzijde. Nevens
dat perk liep aan weerskanten een breed voetpad, omzoomd met
aardbezieplanten, waarachter heesters van allerhande soort zich
beijverden eene heining te verbergen, die scheiding maakte tusschen
dit pand en die der buren regts en links. Den achtergrond vormde de
blinde muur van een hoog en breed gebouw, dat voor koetshuis en
paardenstal gebruikt werd en uitkwam in eene straat van minderen rang,
in dezelfde rigting loopend als de gracht voor freule Bertha's woning.
Ten einde dien muur zoo veel mogelijk onzigtbaar te maken, hadden
vroegere bewoners, eene halve eeuw en welligt langer geleden, aan
zijnen voet een moerbezieboom geplant, die thans, dank zij eene
zorgvuldige verpleging, geheel en al aan zijne bestemming beantwoordde
en minstens over eene oppervlakte van honderd voeten in het vierkant
zijne takken uitbreidde. Bijna verscholen tusschen de plooijen van dat
groene scherm stond aan de regterzijde van den tuin, waar de grond een
weinig opliep, eene lage hut, wier zijwanden van rietmatten en
boschhout vervaardigd waren en wier dak gevormd werd door de
overhangende takken van een wilden kastanje. De zorg waarmede die hut
bevloerd, en zoo ook de moderne vorm der tafels en stoelen waarmede
zij gemeubeld was, getuigden van eene kennelijke voorkeur voor dit
plekje. Werkelijk zou freule Steinmetz aan haren "koepel" zoo veel
geld niet besteed hebben, indien zij niet in den waan had verkeerd,
dat zulk een verblijf haren stadstuin naar eene buitenplaats deed
zweemen.

Voor Emma, die gewoon was uit de vensters van Belvedere den blik te
laten weiden over een landschap van vele uren in den omtrek; die in de
Duinendaalsche bosschen plekjes had leeren ontdekken waar geen
sterfelijk oog u bespieden kon en zelfs de konijnen hunne
schichtigheid schenen te hebben afgelegd; die honderd malen met hare
ouders, of aan André's arm, den hoogsten top der duinen beklommen en
nu eens voor zich uit naar de blaauwe streep der zee gestaard, of zich
omgewend en met het oog op verren afstand de kronkelingen der rivier
gevolgd had,--bezat de aanblik van freule Bertha's bloemhof geene
magnetische kracht, en zij moest zichzelve eenig geweld aandoen om
ingenomenheid te kunnen toonen met een vergezigt van vijftig schreden
in de lengte op eene breedte van dertig.

In het geheel geene moeite daarentegen kostte het haar, aan het
gezelschap van hare gastvrouw te gewennen. André, dit bleek, had van
dier beminnelijken aard niets te veel gezegd, en Emma had geen half
uur tegenover de bejaarde freule aan de ontbijttafel gezeten, of zij
gevoelde zich volkomen op haar gemak. Ook het voorstel der freule om
te zamen een hoofdstuk uit den Bijbel te lezen mishaagde haar niet, en
toen die kleine huiselijke godsdienstoefening, waarbij Emma de taak
van lectrice vervuld had, afgeloopen was, scheen aan beider gekeuvel
geen einde te zullen komen.

--"Wij hebben gisteren veel te vlugtig kennis gemaakt, lieve
jufvrouw," was freule Bertha's thema, "en het doet mij regt veel
genoegen eens rustig met u te kunnen praten. Het was niet meer dan
natuurlijk, dat mijnheer Kortenaer u aanstonds met zich mede troonde
naar Soekabrenti, en ik begrijp dat gij in de eerste plaats mevrouw
Dijk wenschtet te ontmoeten. Ook meen ik opregt hetgeen ik mijnheer
André aanstonds gezegd heb, dat uwe vrijheid bij mij aan huis
onbeperkt is. Gij kunt hem bij u ontvangen, kunt hem afwijzen, al naar
het u gelegen komt. Ik houd niet van menschen die hunne logeergasten
tiranniseren, en wil zelve niet voor zulk eene dwingster aangezien
worden. Geef mij uwe ochtenduren, indien gij wilt; geef mij een deel
daarvan, en ik zal tevreden zijn. Onderstel in geen geval, bid ik u,
dat ik mij niet in uwe positie zou weten te verplaatsen, en doe mij
het onregt niet van te gelooven, dat ik het gezelschap eener vrouw van
mijne jaren en van mijne denkwijze zou wenschen op te dringen aan een
jong meisje dat andere en voor haar gewigtiger dingen aan het hoofd
heeft. Uw bijzijn bevalt mij, en daarom durf ik zoo spreken. Ik ga
door voor eene overdreven kerksche vrouw, en sommige personen mijden
mij daarom, doch van u geloof ik niet dat gij mij om die reden schuwen
zult. Men moet eene christin zijn om met zoo veel gevoel eene
bladzijde uit den Bijbel te kunnen voorlezen als gij daareven gedaan
hebt."

--"Wat ik u bidden mag, freule, prijs mij niet om mijne vroomheid,"
antwoordde Emma, blozend en met eene onvaste stem. "In dat opzigt, en
in menig ander, schiet ik veel te kort. Bij ons aan huis wordt over
den Bijbel en de kerk weinig gesproken, en ik volg daarin het
voorbeeld van mijn vader en mijne moeder. Ook mijn aanstaande man
zwijgt meest over die onderwerpen. Neen, waarlijk, ik ben in het
geheel niet vroom."

--"Verkeerd van u, mijn kind, en er zal een tijd in uw leven komen,
dat gij mij dat zult nazeggen. Voor mij is de godsdienst nooit een
schrikbeeld geweest. Mijne zoogenaamde regtzinnigheid is niets anders
als de uitdrukking van hetgeen ik dagelijks gevoel, en dat gevoel is
zoo eenvoudig en zoo natuurlijk, dat ik daarbuiten mijzelve niet zijn
zou. Nooit heb ik een braaf mensch ontmoet, die niet datgene wilde wat
ik ook wil, en het is mij altijd voorgekomen dat het eenige
onderscheid tusschen de regtzinnige en de niet-regtzinnige menschen
hierin bestaat, dat de regtzinnige geene vruchten verwachten van een
boom die niet in eere gehouden wordt. Doch God beware mij, dat ik
daarom mijne medemenschen, die anders denken als ik, veroordeelen zou.
Ik gevoel mij aangetrokken tot al hetgeen liefelijk is en wel luidt,
zoo als Paulus zegt; en mijn omgang met een aantal personen wier
gevoelens zeer van de mijne verschillen, mijne vriendschap voor
mevrouw Dijk, de vriendschap die ik nu reeds voor uzelve en voor
mijnheer Kortenaer gevoel, zijn bewijzen genoeg dat ik in mijne soort
even vrijzinnig denk als vele andere menschen, die voor vrijzinniger
doorgaan dan ik. Zelfs vrees ik somwijlen, dat ik de maat overschrijd,
en eene vrouw van mijne gevoelens, indien zij den schijn niet op zich
laden wil van meer dan eenen Meester te dienen, scherper behoorde te
onderscheiden tusschen de gezelschappen die zij bijwonen mag, en die,
waaruit zij zich terugtrekken moet."

Emma kon de gedachte niet van zich afzetten dat in deze bedekte
zelfkastijding eene toespeling op Lidewyde opgesloten lag; en de
verzoeking om bij deze gelegenheid iets naders te vernemen omtrent de
vrouw, die laatstelijk zulk eene voorname plaats in hare gedachten had
ingenomen, was haar te sterk. Daar zij evenwel den moed niet had, dat
onderwerp regtstreeks aan te roeren, beproefde zij een omweg.

--"Ik geloof, freule," zeide zij, "dat behalve de regtzinnige en de
niet-regtzinnige, zoo als gij ze noemt, er nog eene derde klasse van
menschen gevonden wordt. Ik spreek noch van André, noch van mijzelve;
want wij zijn jongelieden, en onze meeningen tellen nog niet mede.
Doch indien gij André's vader, en vooral indien gij mijne ouders
kendet, zoudt gij begrijpen wat ik meen. Het is waar dat wij 's
ochtends niet gezamenlijk in den Bijbel lezen en er 's middags aan
tafel bij ons aan huis niet gebeden wordt. Wij gaan 's zondagsochtends
naar de kerk, dat is al. En toch durf ik beweren dat mijn vader en
mijne moeder, indien ik zoo spreken mag, engelen zijn. Ik heb een
lieven broeder gehad, die in den bloei van zijn leven weggenomen is;
iemand met buitengewone gaven, wiens verlies voor ons allen een
onuitsprekelijk groot verdriet is geweest. Doch ik weet inderdaad
niet, hoe het mogelijk zou zijn, zulk een slag dieper te gevoelen dan
mijne ouders dit gedaan hebben. Al wordt mijn vader honderd jaren oud,
hij zal sterven zonder het gemis van Reinier te boven gekomen te zijn,
en zoo gelukkig kan André mij niet maken, of er zal in de vreugde van
mijne moeder eene groote leegte blijven bestaan. Niettemin kan de
buitenwereld niets daarvan aan hen bespeuren, en ook in hun hart
klagen of morren zij niet. Zij zijn goed en vriendelijk voor iedereen,
schrikken niemand af, trekken zich moedwillig uit niets terug, en
leven in vrede met de geheele wereld. Mij komt het voor, dat alleen
zulke gevoelens de waarde der menschen bepalen, en het verder eene
onverschillige zaak is, of men al dan niet hetzij tot de regtzinnigen,
hetzij tot de onregtzinnigen gerekend kan worden."

--"Jawel, mijn kind, in zekeren zin is dat ook eene onverschillige
zaak. Wanneer het hart niet op de regte plaats zit, baat geene
godsdienstigheid. Dat ben ik volkomen met u eens. Om beminnelijk te
zijn, moet de godsdienst gepaard gaan met menschelijke gevoelens, en
ikzelve ben daarvan zoo doordrongen, dat ik gevaar loop in het andere
uiterste te vallen en, zooals ik daareven zeide, te groote waarde aan
het menschelijke te hechten. En toch geloof ik, dat zij, die denken
zoo als uwe ouders,--en zoo denken een groot aantal personen met wie
ik dagelijks verkeer, Lidewyde onder anderen,--toch geloof ik dat
hetgeen hen en haar beminnelijk maakt eene onwillekeurige hulde aan de
regtzinnigheid is. Ook zou het bandeloos gemeen hen even goed willen
vertreden als het lust zou hebben dit mij en de mijnen te doen, indien
in deze wereld de magt van het geloof minder groot was of minder
ontzag inboezemde. Doch is het dan ook niet waar, dat zij de vruchten
plukken van instellingen en overleveringen, tot wier instandhouding
zij regtstreeks niets bijdragen? Ik zeg nog eens, de Hemel beware mij
dat ik personen als uwe ouders, over wie gij met zoo veel liefde en
eerbied spreekt, minder achten zou dan mijzelve. Maar het is mijne
schuld niet, dat ik de dingen anders inzie; en dit weet ik, dat
openlijk voor mijne meening uit te komen, mij meer aanspraak op
vertrouwen geeft, dan indien ik mijne ware denkwijze zocht te
verbergen."

Emma was met hare gedachten niet genoeg bij de zaak om regt te laten
wedervaren aan freule Bertha's liberaliteit. Haar belang bragt
mede,--en vooreerst zal die drijfveer hier beneden haar monopolie wel
niet verliezen,--de aandacht harer gastvrouw af te leiden van een
onderwerp, dat thans niet in de eerste en voornaamste plaats de hare
bezig hield. Zij zweeg eene poos, schijnbaar nadenkend over freule
Bertha's laatste woorden en over de mate van instemming die zij
daarmede zou kunnen betuigen, en vroeg toen, zoo veel mogelijk
verhelend dat die vraag haar op de lippen brandde:

--"En zoudt gij denken, freule, dat Lidewyde, het verschil in leeftijd
daargelaten, even veel vertrouwen verdient als mijne moeder? André
heeft mij veel goeds van haar verteld; doch om de waarheid te zeggen
kost het mij eenige moeite, aan die voorstelling te gewennen."

--"Lieve Emma," was het antwoord, "hoe wilt gij dat ik u daaromtrent
zekerheid geven zal? Lidewyde is eene schoone, jonge vrouw, die veel
menschen ziet en veel uitgaat; het spreekt dus van zelf dat zij
somtijds aanstoot geeft en verschillend beoordeeld wordt. Ongetwijfeld
zullen er personen gevonden worden, die haar voor ligtzinnig houden,
en de wereld zou de wereld niet moeten zijn, indien vooral de dames
van haar eigen leeftijd niets op haar aan te merken hadden. Doch
gijzelve hebt haar gister-avond gezien en gesproken, en zult
dagelijks, gedurende uw verblijf in deze stad, in de gelegenheid zijn
om uwe opmerkingen te maken en uw oordeel te vestigen. Is de eerste
indruk ongunstig geweest? Is dat de reden van uwe vraag?"

--"Integendeel, Lidewyde heeft mij met de meeste heuschheid ontvangen,
en het zou mij niet fraai staan, daarop iets te willen afdingen. Haar
eerste werk is geweest, mij een beeldig kleedje ten geschenke te
geven, dat zij met André voor mij uitgezocht had. Ook mijnheer Dijk
was zeer vriendelijk voor mij. En toch gevoelde ik mij op Soekabrenti
niet geheel en al op mijne plaats. Ik vind Lidewyde niet natuurlijk,
niet gewoon, niet zoo als andere vrouwen, hoe zal ik zeggen?"

--"Gij moet in aanmerking nemen, lieve, dat Lidewyde eigenlijk geene
Hollandsche is. Zij heeft voortdurend moeite zich te gewennen aan ons
klimaat en aan onze zeden. Doch indien mijnheer Kortenaer u gezegd
heeft, dat gij billijker over haar zult oordeelen naarmate gij haar
meer van nabij zult leeren kennen, heeft hij de waarheid gesproken. De
oude mevrouw Dijk is eene vriendin van mijne jeugd, en ik heb Lidewyde
bij haar aan huis om zoo te zeggen van jong meisje afaan zien
opgroeijen. Ik heb haar ontmoet, toen zij nog een juffertje van de
kostschool was, die in hare vakantiedagen te logeren werd gevraagd bij
Adriaans zusters; ik heb Adriaan om haar heen zien fladderen als eene
mug om de kaars; ik ben genoodigd geweest op hunne bruiloft. Vraagt
gij mij, of hij en zij niet welligt gelukkiger zouden zijn, indien hun
huwelijk met kinderen gezegend was geworden, dan zeg ik volmondig ja.
Doch welk menschenleven heeft niet zijne schaduwen? Toen Lidewyde
Adriaans vrouw werd, hebben al de leden der familie Dijk zich daarover
verheugd. Adriaans vooruitzigten waren van dien aard, dat hij de
inspraak van zijn hart gerust volgen kon en niet behoefde te zoeken
naar eene vrouw met geld; en Lidewyde's schoonheid was zoo
buitengewoon; zij had zoo uitmuntend geprofiteerd van het haar gegeven
onderwijs; hare manieren waren zoo onberispelijk, dat men haar de
positie, welke Adriaan haar aanbood, wel misgunnen, maar niet beweren
kon, dat zij die in eenig opzigt onwaardig was. Zij heeft geen
expansiven aard, en de intimiteit tusschen haar en Adriaans zusters is
met den tijd niet toegenomen; doch dit kan ik u verzekeren, dat zij in
weerwil van hare afgemetenheid bij Adriaans familie hoog aangeschreven
staat. En volgens mij verdient zij dit ten volle. Ik heb u reeds
gezegd dat zij in het godsdienstige anders denkt als ik; doch in de
schatting van haren man en van diens moeder en zusters, die het daarin
met haar meer eens zijn dan met mij, verkleint dat hare waarde niet.
Somtijds karig met woorden, is zij de gulheid-zelve, wanneer het op
geven aankomt; en meer dan eene liefdadige instelling in deze stad
heeft groote verpligtingen aan haar. Waarlijk, Lidewyde heeft
ontzaggelijk veel goeds; en het zou mij zeer verwonderen, indien gij
haar niet weldra opregt leerdet liefhebben."

Emma's antipathie was te diep geworteld om voor freule Bertha's
optimisme aanstonds te wijken, en in haren geest bleef ruimte voor de
onderstelling, dat de scherpzinnigheid der oude dame, waar het op het
beoordeelen van sommige karakters aankwam, geen gelijken tred met hare
argeloosheid hield. Doch zij had nog te weinig menschenkennis om in
haar eigen doorzigt veel vertrouwen te mogen stellen. Ook schaamde
zij zich min of meer, achterdochtiger te schijnen dan de vrouw van
leeftijd tegenover haar. "De liefde hoopt alle dingen; de liefde denkt
geen kwaad;" had zij daareven in freule Bertha's Bijbel gelezen, en
zij wilde niet aanstonds ontrouw worden aan eene leer, die zij ook
voor de hare erkende. Juist dezen ochtend was het besef in haar
ontwaakt, dat huiselijke godsdienstoefeningen hare nuttige zijde
kunnen hebben; en schoon het te bezien stond, of zij haren wrok niet
even goed zonder als met de vermaningen van den apostel Paulus zou
hebben kunnen te boven komen, en het zelfs twijfelachtig was, of de
heugenis van diens welluidende woorden haar op dit oogenblik eene
dienst bewees,--zij schortte haar oordeel over Lidewyde op en nam zich
voor, gunstiger over haar te gaan denken. Zoo volledig was evenwel
hare bekeering niet, of zij poogde uitstel van schuldbelijdenis te
verwerven door het voorwenden eener aan nieuwsgierigheid grenzende
belangstelling.

--"En wie is," vroeg zij, "die zekere Sarah, welke Lidewyde schijnt te
volgen als hare schaduw? Zij ontving ons in het voorhuis, en dat moest
beteekenen, dat zij eene dienstbode was; maar indien zij mij minder
spoedig behulpzaam was geweest in het afdoen van mijn hoed en doek,
zou ik eene onderdanige dienaresse voor haar gemaakt hebben. Hoe komt
Lidewyde aan zulk eene dame tot kamenier?"

--"Wie Sarah is, kan ik u niet zeggen, en weet Lidewyde zelve niet
regt, geloof ik; doch zij geeft zich uit voor de weduwe van een
Engelschman, die haar op Java heeft leeren kennen en haar medegenomen
heeft naar Britsch-Indie, waar hij eene aanzienlijke betrekking
bekleed heeft. Dit alles schijnt waar te zijn, en de geschiedenis van
dien man moet vele jaren geleden het onderwerp hebben uitgemaakt van
een levendigen strijd in de engelsche couranten. Hij had warme
vrienden, maar ook onverbiddelijke vijanden. Er werd aan zijne
eerlijkheid getwijfeld, en men beschuldigde hem een oproermaker te
zijn. Na van zijnen post te zijn ontzet, heeft hij geruimen tijd met
zijne vrouw door Europa gezworven, van de eene badplaats naar de
andere verhuizend en al zijne bezittingen verspelend. Ook aan de
waarheid daarvan schijnt niet getwijfeld te kunnen worden. Alleen
geloof ik niet dat hij dood is, gelijk Sarah beweert. Hier in de stad
althans worden personen gevonden, die zeker meenen te weten, dat zij
hem nog dezen zomer in het buitenland ontmoet hebben. Zoo veel te
erger voor die arme vrouw. Men behoeft haar slechts aan te zien, om
te bemerken, dat zij veel geleden heeft, en hare tegenwoordige
dienstbaarheid, hoe hard die haar ook vallen moet, niet eenmaal hare
zwaarste beproeving is. Zij heeft zich sterk aan Lidewyde gehecht, en
Lidewyde houdt ook hierom veel van haar, omdat zij gelooft dat Sarah
op Java haren vader gekend heeft. Lidewyde is eene natuurlijke
dochter, zoo als gij weet."

--"En zoudt gij denken, freule," vroeg Emma, "dat Sarah een gunstigen
invloed op Lidewyde uitoefent?"

--"Ik ben daaromtrent niet geheel en al gerust; maar gij zult dit
alweder aan mijne regtzinnigheid toeschrijven. De enkele malen dat ik
met Sarah vertrouwelijk gesproken heb, heeft zij den indruk op mij
gemaakt, eene waardige vrouw te zijn, met eere oud geworden in de
school van den tegenspoed en achter wier rug een moeijelijk, maar
smetteloos leven ligt. Maar tot mijne ontsteltenis meen ik tevens
bespeurd te hebben dat zij geen geloof heeft."

--"Zou welligt haar man in het godsdienstige overdreven liberaal
gedacht hebben? De meeste mannen, die uit Indie terugkomen, behooren
tot die rigting, zegt men."

--"Helaas, lief kind, ik vrees maar al te zeer dat Sarah verder gaat
dan de meest overdreven vrijzinnigen: en het is niet door den invloed
van haar man, dat zij aan die meeningen gekomen is, maar uit haar
zelve. Zij is volslagen ongeloovig, zeg ik u. Met de grootste
koelbloedigheid heb ik haar hooren beweren, dat God voor haar niet
bestond. Het was verschrikkelijk. En hoe aandoenlijk, te gelijkertijd,
dat juist eene vrouw, die uit het geloof zulke magtige vertroostingen
zou kunnen putten, te eenemaal daarvan verstoken is!"

--"En meent zij waarlijk, dat de wereld alleen door het toeval of het
noodlot geregeerd wordt? Mij dunkt, zij kan dit wel met woorden
beweren, of het meenen met haar hoofd; maar wanneer het hart boven
komt, moet zij anders denken."

--"Neen, Emma, wanneer het God betreft, komt het hart bij Sarah nimmer
boven. Zij is goed en vriendelijk; al de huisgenooten op Soekabrenti
hebben haar lief, en dat verdient zij. Somtijds zelfs zou men in
verzoeking komen te beweren dat zij gelooft zonder het te willen of
te weten. Maar dit is zelfmisleiding. Hoe treurig het wezen moge,
er valt niets aan te veranderen: zij is zonder hoop en zonder God
in de wereld. Ook redeneert zij niet over dat onderwerp op zijn
filosoofs, gelijk eene =savante= doen zou. Zij betuigt alleen dat
zij vruchteloos gedurende haar geheele leven naar eenig blijk van Gods
tegenwoordigheid gezocht heeft; dat Zijne stem geene enkele maal
weerklonken heeft in haar hart, en zij vergelijkenderwijs meer vrede
vindt bij de gedachte, dat Zijn bestaan een hersenschim is, dan dat
Hij haar geheel en al vergeten zou hebben. Zij keert den troost van
onze gezegende godsdienst om, en beweert dat haar ongeloof haar voor
morren bewaart."

--"En wat zegt Lidewyde daarvan?"

--"Ziedaar een der punten waaromtrent ik zelfverwijt gevoel. Tot mijn
leedwezen toch moet ik bekennen, dat Lidewyde zich den gemoedstoestand
van Sarah niet genoeg aantrekt. Beweer ik, dat Sarah's ongeloof eene
besmetting is waartegen men niet genoeg op zijne hoede kan zijn, dan
haalt Lidewyde de schouders op en lacht schier om hetgeen zij mijne
schrikbeelden noemt. Maar komaan, lieve Emma, verdiepen wij ons niet
te zeer in de gevoelens van anderen. God is almachtig, en op uw
leeftijd vooral moet men van alle menschen het beste hopen."

--"Dat moet men ook, freule," zeide Emma, met eene poging tot
opgeruimdheid. Doch in haar hart voegde zij er bij met eene zucht:
"Indien slechts de afstand tusschen moeten en kunnen niet somtijds
eene breede rivier geleek!"


Op hare kamer teruggekomen, herlas Emma haren brief, vóór het ontbijt
in gereedheid gebragt, en herlas dien met tegenzin. Had het haar te
huis reeds moeite gekost, met woorden eene gerustheid te veinzen, die
ver was van in haar gemoed te wonen, dubbel stuitte het haar tegen de
borst, dezelfde onopregtheid in geschrifte te plegen. En onwillekeurig
was het bedrog zoo kunstig door haar ingekleed, dat hare moeder, die
van niets wist, door het ontvangen van dezen brief noodwendig gestijfd
moest worden in hare onkunde. Het was een van hartelijkheid
overvloeijend reisverhaal, waarin zij vertelde, hoe zij te T. afscheid
genomen had van haren vader, hoe hulpvaardig André geweest was op den
verderen togt van T. naar M., hoe gul zij ontvangen was geworden eerst
door freule Bertha en daarna door Lidewyde, welk een aangenamen indruk
die twee dames, bij alle verschil van leeftijd, uitzigt en karakter,
op haar gemaakt hadden, hoe hare slaapkamer ingerigt en hare zitkamer
gemeubeld was, hoe elk zich beijverde haar allerlei kleine
beleefdheden te bewijzen, hoe al haar opzien tegen het verblijf te M.
reeds dadelijk geweken was voor een gevoel van welbehagen, en hoe
gerust men op Belvedere zijn kon, dat zij het in hare schijnbare
ballingschap niet-alleen niet kwaad, maar veeleer te goed had.

De meeste menschen van boven de veertig hebben het schrijven van
dergelijke brieven reeds zoo vaak bij de hand gehad, dat zij zich
zonder inspanning over dat onwaarheid spreken heenzetten. Het
verbloemen van hunne eigenlijke gevoelens is voor hen geheel en al
eene stijloefening geworden, en om de ware toedragt der zaken
bekommeren zij zich sedert lang niet meer. Doch Emma was nog slechts
even in de twintig, en voor het eerst in haar leven had zij dezen
ochtend de veder der historie in de kleurstof der fabel gedoopt.
Vandaar kwellingen des gewetens, die wel misschien alleen bewezen dat
ook het verdichten, even als de meeste andere vormen der ondeugd,
slechts eene kwestie van gewoonte of ongewoonte is, maar niettemin
pijn deden en onrust aanjoegen. Zij gevoelde aan haar hart, dat zij
niet straffeloos romanschrijfster worden kon, en wilde haren brief
verscheuren. Bij het herschrijven zou zij, met weglating van sommige
andere zaken, in bijzonderheden kunnen treden omtrent het onderhoud
dat zij daareven met hare gastvrouw gehad had, en hare moeder in het
breede kunnen vertellen, welk eene partikuliere soort van orthodoxe
dame freule Bertha was. Op die wijze zou de brief niet minder
hartelijk, niet minder vrolijk, en vooral niet minder lang worden.
Doch te goeder uur bedacht zij, dat zij zuinig moest zijn op hare
onderwerpen en zichzelve het gras niet voor de voeten wegsnijden mogt,
zooals de maaijers in de Duinendaalsche velden deden. Indien zij nu
reeds ging uitweiden over freule Bertha's regtzinnigheid, waarover zou
zij dan den volgenden keer aan hare moeder schrijven? Bovendien, zij
kon niet zwijgen, of niet kort zijn, omtrent de ontvangst bij
Lidewyde, zonder het vermoeden te wekken, dat de receptie op
Soekabrenti eene teleurstelling was geweest, en daardoor een démenti
te geven aan André, die in zijne brieven uit M. allerlei wonderen
aangaande de villa en hare kasteleines verhaald had. Wel is waar zou
zij zich kunnen bepalen tot de mededeeling, dat hare ingenomenheid met
Lidewyde voor alsnog geen gelijken tred hield met de zijne; doch welk
eene houding zou het hebben het oordeel en den goeden smaak van haar
aanstaanden man aldus twijfelachtig te maken? en hoe ligt zou hare
moeder daardoor op het denkbeeld kunnen komen, dat zij, Emma, òf door
André veronachtzaamd werd, òf dat zij aanleg had om hem de wet te
willen stellen? Neen, noch hem, noch haarzelve mogt zij in de
schatting van anderen benadeelen; vooral hem niet. Het moest voor
eeuwig een geheim blijven tusschen hen beiden, dat zij somwijlen aan
hem getwijfeld had. Zelfs hare ouders behoorden daarvan niets te weten
of te vermoeden. En wel mogt zij zeggen: getwijfeld =had=; want sedert
gisteren twijfelde zij niet meer. André's ongeveinsde blijdschap bij
het wederzien te T.; zijne onbedriegelijke betuigingen van teederheid
onder weg; de fierheid, waarmede hij haar aan freule Steinmetz had
voorgesteld als zijne bruid; de oplettendheden die hij op Soekabrenti,
gedurende het middagmaal en daarna, niet opgehouden had haar te
bewijzen; de kus, waarmede hij gisteren avond, voor de deur van freule
Bertha's woning, afscheid van haar genomen had en die nog onder het
insluimeren om hare lippen had gezweefd,--indien men niet, gelijk de
rampzalige Sarah, opgehouden had in God te gelooven, moest men
vertrouwen stellen in zulke onmiskenbare blijken van teederheid, en
was het pligt, zoo als freule Bertha zeide, het goede te denken. Alles
zou teregt komen, daaraan viel niet te twijfelen: waarom dan
dubbelzinnige brieven naar huis geschreven? brieven, die misschien
veel kwaad, maar in geen geval nut konden stichten. Het beste was
derhalve,--want de staatkunde is geenszins het eenige terrein waarop
men niet doet hetgeen men wil, maar hetgeen men kan,--het beste was,
den brief te verzenden gelijk hij nu eenmaal luidde.

Meent men dat de brief nogtans =niet= verzonden werd? Billijkerwijze kan
niemand daaromtrent in het onzekere verkeeren. In oogenblikken van
tweestrijd toch, wanneer de evenaar nu naar de eene, dan naar de
andere zijde overhelt, eindigt de mensch in den regel met zich te
laten bepalen door zijne eigenliefde; en er worden slechts zeer enkele
personen gevonden, die ondervinding en geestkracht genoeg bezitten om
voor die verzoeking niet te bezwijken. Emma nu bezat die twee
kwaliteiten nog niet; en wat hare eigenliefde betrof, zij zou in het
tegenwoordig stadium van haren hartstogt voor André liever het
onmogelijke verduurd hebben, dan zelfs aan hare moeder te bekennen dat
zij zich in hem vergist had.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK.


Jean-Jacques Rousseau heeft somtijds gewaagde magtspreuken verkondigd,
en men kan hem niet altijd op zijn woord gelooven. Doch indien het
eene ligtvaardige profetie van hem geweest is, dat geene vrouw van eer
zijne =Nouvelle Héloïse= zou kunnen lezen zonder zichzelve te gronde te
rigten,--zou de uitkomst hem ook gelogenstraft hebben, indien hij van
zijne =Confessions= beweerd had, dat enkele hoofdstukken van dat boek
volstrekt ongeschikt zijn om onder vier oogen door een jong mensch te
worden voorgelezen aan de echtgenoot van zijnen gastheer?

--"Weet gij," vroeg Lidewyde, toen haar man zich des ochtends naar
zijn kantoor begeven had en zij met André alleen gebleven was (het
mogt eene week of daaromtrent geleden zijn dat Emma gebiljetteerd was
geworden ten huize van freule Bertha), "weet gij wat ik vind?"

De waarheid was, dat zij André als een stuk speelgoed beschouwde,
welks maaksel tot op zekere hoogte hare belangstelling opwekte, doch
waarvan zij zich overigens alleen als een middel tot tijdverdrijf
bediende.

--"Ik vind," vervolgde zij op dien lagchenden toon, waardoor zij haar
beslissendst overwigt op hem uitoefende, "ik vind dat gij een zeer
koel en zeer afgemeten bruidegom zijt."

André zou hebben willen vragen: "Hoe dat?" of: "Wat meent gij
daarmede?" Doch hij durfde niet. Lidewyde's schertsende aanklagt was
met sommige zeer ernstige verwijten, die hijzelf in de laatste dagen
zich in de eenzaamheid herhaaldelijk gedaan had, te zeer in
overeenstemming, dan dat hij nu reeds met een goed geweten
verwondering zou hebben kunnen veinzen.

--"En weet gij wat ik vind?" antwoordde hij overluid, met eene poging
om Lidewyde's jovialiteit te evenaren, "Ik vind"...

--"Gij vindt dat ik mij bemoei met zaken die mij niet aangaan," viel
zij hem in de rede. "Doch daarin bedriegt gij u. Emma is mijne zuster,
en ik heb regt te eischen, dat gij haar al de eer geeft, die haar
toekomt. Wij vrouwen zijn naijverig op ons geslacht, en wanneer eene
van ons niet met de noodige onderscheiding bejegend wordt, nemen wij
het allen voor haar op. Gij zijt beleefd jegens Emma, dat erken ik, en
wie het tegendeel beweerde, zou u onregt doen; maar hartelijk, innig,
teeder, eerbiedig,--neen, dat zijt gij niet. Vooral niet eerbiedig."

--"Dat ben ik wèl," zeide André, wien het overdrevene-zelf van hare
beschuldiging tot tegenspraak prikkelde, en die niet begreep dat haar
requisitoir, hoewel ernstig gemeend, nogtans door hem als kortswijl
had moeten opgenomen worden. "Emma is niet-alleen in mijne oogen het
beminnelijkste van alle schepselen, maar tegelijk met de hoogste
liefde boezemt zij mij een geheel vrijwillig ontzag in. Indien ik
immer iets tegen haar misdreef, zou ik hare verontwaardiging misschien
nog meer vreezen dan hare droefheid."

--"Des te beter; doch er is ontzag en ontzag. De eerbied, dien ik
bedoel, is van eene bijzondere soort. Het is eene ridderlijke hulde,
zooals de groote dichters ons die beschrijven; een mengsel van
onderdanigheid en vurige begeerte; iets demoedigs, dat nogtans in het
geheel niet onmanlijk is. Ik meen niet dat gij bang moet zijn voor
Emma; integendeel, zij moet bang zijn voor u, gelijk het een jong
meisje tegenover een jong heer, met zulk een... knevel als den uwen,
betaamt. Wat ik meen, is... doch ik kan het niet onder woorden
brengen. Geef mij, bid ik u," en zij wees naar eene kleine werktafel,
waarop tusschen eene bloemvaas en een borduurpatroon eenige
fraaigebonden boeken lagen, "geef mij dat boek, en ik zal trachten, u
mijne bedoeling duidelijk te maken."

Hij stond op en zocht.

--"Bedoelt gij dit?" vroeg hij, een der boeken omhoog heffend.

--"Neen," zeide zij, "dat niet, maar het andere vlak daarnaast."

Hij overhandigde haar het boek en bleef staan. Het was een dier op
glanzig papier met een vorstelijke letter gedrukte folianten in
miniatuur, waarvoor onze boekhandel den naam van imperiaal-oktavo
uitgevonden heeft. Houtsnede aan houtsnede diende tot illustratie van
den tekst, en elk nieuw hoofdstuk ving aan met eene weelderig
versierde letter. Na eene poos in het boek gebladerd te hebben, eerst
voor- en toen achteruit, als iemand die niet aanstonds vinden kan
hetgeen hij zoekt:

--"Ga nu rustig tegenover mij zitten," zeide zij, "en lees mij deze
twee bladzijden voor." En met de eene hand gaf zij hem het boek terug,
terwijl zij met den voorsten vinger der andere hem de plaats aanwees
waar hij beginnen moest.

Had het in zijne keus gestaan, hij zou zich nevens haar op de sofa
nedergezet, of een stoel aangeschoven hebben. Doch zij had hem gezegd,
tegenover haar te gaan zitten, en haar blik had hem naar de andere
zijde der tafel verwezen. Hij voegde zich naar dien wenk, ofschoon
half onwillig, en begon:

--""=De tous mes châteaux en Espagne=""...

--"Neen," riep zij uit, "zoo bedoel ik het alweder niet! Vreemde talen
zijn uitvluchten. Voor ons is het hollandsch de eenige spraak, waarin
wij ons volkomen rekenschap kunnen geven van hetgeen wij gevoelen. Doe
alsof gij nog op school waart en de meester u leerde vertalen van het
blad. Of zijt gij van die oefening verschoond gebleven? Mij heeft men
er vijf jaren achtereen mede vervolgd."

Hij zag op uit het boek en staarde haar in het gelaat, als om te
vragen: "Hoe heb ik het met u?" Misschien hinderde het hem, dat zij
zoo veeleischend was, en vond hij dat hare wijze van met hem om te
gaan werkelijk eenige overeenkomst vertoonde met die van den
schoolmonarch zijner kinderjaren. Doch het kwam niet tot een openlijk
verzet. Met eene gedweeheid, eene betere zaak waardig (tenzij te
gehoorzamen op den wenk van twee schoone oogen, in bondgenootschap met
een vriendelijk lagchenden mond, het beste deel en de hoogste
verdienste is), hernam hij:

--""Van al mijne luchtkasteelen was slechts één nog niet ingestort:
het vinden eener bezigheid, waardoor ik in mijn onderhoud zou kunnen
voorzien; en zelfs het verwezenlijken van dien bescheiden droom had
zwarigheden in. Ik dacht aan mijn voormalig handwerk, doch was daarin
niet bedreven genoeg om te gaan arbeiden bij een meester. Meesters
waren er bovendien te Turin niet veel.""

--"Wij zijn te Turin, naar gij bemerkt," zeide Lidewyde. "Herinnert
gij u wie de persoon is die zoo openhartig de geschiedenis van zijne
eigen geldelijke verlegenheden biecht? Om het even. Het was een jong
Geneefsch horlogemaker, die ook een weinig graveren kon. Naderhand
heeft hij meer boeken dan stempels gegraveerd. Doch ga gerust voort,
want het fraaiste moet nog komen; dat spreekt."

André vervolgde:

--""Hierna beter, dacht ik, en ging van winkel tot winkel mijne
diensten aanbieden, verlof vragend om een wapen of een naamcijfer in
tafelzilver te mogen snijden, en hopend, door aan de welwillendheid
der lieden het bepalen van den prijs over te laten, hen te zullen
lokken door de goedkoopte. Productief was dat hulpmiddel niet. Bijna
overal werd mij de deur gewezen, en van het weinige dat men mij liet
verrigten volstond de opbrengst te naauwernood voor een maaltijd of
wat. Op zekeren keer evenwel""...

--"Pas nu op, mijnheer André," schertste Lidewyde, "het stuk gaat
beginnen!"

Hij ging voort:

--""Op zekeren keer, toen ik in het ochtenduur door de Contrà Nova
ging, zag ik achter het venster van een magazijn eene jonge vrouw
zitten, wier voorkomen zoo veel bevalligheid en zoo veel
welwillendheid teekende, dat ik, in weerwil der in zulk gezelschap mij
eigene bedeesdheid, het waagde binnen te treden en mijne geringe kunst
te harer beschikking te stellen. Zij zeide niet neen, verzocht mij te
gaan zitten, wilde weten wie ik was en van waar ik kwam, beklaagde
mij, sprak mij moed in, en verzekerde dat goede medemenschen mij niet
in den steek zouden laten. Zij zond naar een zilversmid, ten einde de
gereedschappen te ontbieden die ik zeide noodig te hebben, verliet
onderwijl het vertrek en keerde na eene poos terug met een ontbijt,
dat zij eigenhandig voor mij opzette. Dit scheen mij toe, een
veelbelovend begin te zijn; en de uitkomst logenstrafte die goede
meening niet. Ik kon bespeuren, dat mijn werk haar aanstond en, meer
nog dan mijn werk, toen ik mijne schroomvalligheid wat overwonnen had,
mijn gekeuvel. Die schroom was niet onnatuurlijk, want zij was getooid
met fluweel en zijde, en in weerwil van haar innemend voorkomen maakte
dat schitterend toilet mij linksch. Hare vriendelijke ontvangst
evenwel, haar belangstellende toon, hare stille en meewarige manieren,
hergaven mij weldra mijne tegenwoordigheid van geest. Ik bemerkte dat
ik slaagde; en door het zelfvertrouwen, dat die bewustheid mij schonk,
slaagde ik nog meer. Maar hoewel zij eene Italiaansche en daarbij veel
te schoon was om ook niet een weinig behaagziek te zijn, was zij met
dat al zoo zedig, en ik zoo schuchter, dat onze kennismaking vooreerst
wel niet vertrouwelijk worden kon. Nu, men liet ons daartoe dan ook
den tijd niet. Doch des te levendiger herinner ik mij, hoe bekoorlijk
de vlugtige uren waren, die ik in hare nabijheid heb mogen
doorbrengen; en ik overdrijf niet, wanneer ik beweer, in die
oogenblikken de zoetste en zuiverste genietingen der liefde gesmaakt
te hebben.""

André zweeg eene poos; en in zekeren zin zou niets natuurlijker
geweest zijn, dan dat hij het boek digtgeslagen en er hartelijk voor
bedankt had, langer door Lidewyde gekatechiseerd te worden. Doch er
is, naar het schijnt, al zouden de lichtvrienden van alle
werelddeelen een genootschap oprigten uitsluitend met het doel om die
stelling te bestrijden en hare onwaarheid alom voelbaar te maken, er
is een katechismus, dien de meeste jonge mannen van André's leeftijd,
wanneer de onderwijzeres eene zoo bekoorlijke vrouw als Lidewyde is,
nimmer moede zullen worden zich te laten overhooren. Het kwam, dit was
zoo klaar als het naderend middaguur, niet te pas, dat Lidewyde hem
zulk een boek in handen gaf, zulk een gesprek met hem aanknoopte, zulk
een houding tegenover hem aannam. Het was ongehoord, ongepermitteerd,
en in de hoogste mate onbetamelijk. Doch toen zij met den vrolijksten
glimlach hem vroeg, waarom hij zijne lektuur eensklaps staakte, en of
hij meende, reeds aan het einde der geschiedenis te zijn, zou hij het
niet minder ongehoord en vooral niet minder onbetamelijk gevonden
hebben, het aangevangen werk onvoltooid te laten.

Hij vervolgde:

--""Het was eene zeer pikante brunette, uit wier gelaat met dat al
zulk een goed hart sprak, dat hare levendigheid iets aandoenlijks
behield. Zij heette Mad. Basile. Haar man, die veel ouder dan zij en
tamelijk jaloersch was, liet haar, wanneer hij voor zijne zaken van
huis moest, onder de hoede van een kantoorbediende achter; een te
gemelijk persoon om gevaarlijk te kunnen heeten, en die, ofschoon hij
zich te haren aanzien vrij wat aanmatigde, dit schier nooit anders
blijken liet als door zuur te zien. Ik geraakte bij hem in zeer kwaden
reuk, niettegenstaande ik hem somwijlen met welgevallen op de
dwarsfluit hoorde spelen; een instrument, waarmede hij handig wist om
te gaan. Deze nieuwerwetsche Egisthus knorde overluid, zoo vaak hij
mij de kamer zijner meesteres zag binnentreden; doch zij gaf hem de
minachting, waarmede hij mij bejegende, met woeker terug. Zelfs kon
het schijnen dat zij, om hem te kwellen, mij in zijne tegenwoordigheid
met opzet aanmoedigde. Die soort van wraakoefening was mij zeer naar
den zin, en zou dat nog meer geweest zijn, indien Mad. Basile haar
voortgezet had wanneer wij alleen waren. Maar dit deed zij niet, of
althans niet zoo openlijk. Hetzij zij mij te jong vond, hetzij zij
niet regt wist hoe het aan te leggen, hetzij bij haar een ernstig
voornemen bestond om op haar hart te passen,--zoo vaak Egisthus er
niet bij was wapende zij zich met eene soort van waardigheid, die wel
niet afstiet, maar mij, ik wist zelf niet waarom, in de hoogste mate
intimideerde. Ik was verlegen, bloosde; durfde haar niet aanzien,
durfde naauwlijks ademhalen, en toch zou het mij minder moeite gekost
hebben te sterven, dan voor altijd van haar te scheiden. Mijn oog
verslond om strijd al hetgeen ik onopgemerkt begluren kon: de bloemen
van haar zijden kleed; de spits van haar kleinen voet; haar gevulden
en blanken arm, voor zoover die zigtbaar was tusschen een handschoen
en eene ondermouw; haar hals, wanneer, gelijk somtijds gebeurde, haar
kraagje niet bevestigd was aan den kanten doek, dien zij kruiselings
over haar keurslijf droeg. De indruk van het eene voorwerp
verlevendigde nog dien van het andere. Al turend op hetgeen ik zag, en
durfde gissen, schoot een waas voor mijne oogen en was het of mijne
borst digtgenepen werd; al mijne krachten moest ik inspannen om mijne
ademhaling te regelen, die hoe langer hoe ongelijkmatiger werd; en het
eenige wat ik doen kon was, hoewel de stilte om ons henen dit somtijds
niet gemakkelijk maakte, mij lucht te verschaffen door het slaken van
eene onderdrukte zucht. Gelukkig scheen Mad. Basile, verdiept in haar
vrouwelijk handwerk, mijne ontroering niet te bespeuren. Nu en dan
evenwel verbeeldde ik mij, alsof hetzelfde gevoel hare borst en de
mijne doortrilde, haar keurslijf sneller te zien rijzen en dalen dan
anders. Dat verleidelijk gezigt deed de maat mijner verbijstering
overloopen; doch, was ik op het punt van aan mijnen hartstogt toe te
geven, dan rigtte zij tot mij de eene of andere onverschillige vraag
en deed mij aanstonds weder tot mijzelven komen.""

Op nieuw staakte André zijne lektuur.

--"Welnu," vroeg Lidewyde nogmaals, "waarom leest gij niet door? Ik
herhaal, dat het fraaiste nog komen moet."

De verzekering was misschien niet te eenemaal geruststellend en de
vraag in elk geval niet overbodig; want ofschoon André in weerwil van
zichzelven werd medegesleept door hetgeen hij las, en het hem niet
weinig leed deed (hetgeen een bedenkelijk verschijnsel heeten mogt)
zich te moeten behelpen met eene geïmproviseerde en half gestamelde
vertaling,--hij was nog niet zoo te eenemaal onder den invloed van
Lidewyde gekomen, dat hij zonder hare toestemming, en zelfs zonder een
uitdrukkelijk bevel uit haren mond, durfde voortgaan. De verlegenheid
van den Geneefschen horlogemaker was besmettelijk, naar het scheen; en
had Lidewyde met hare koele vraag niet juist van pas het voorbeeld van
Mad. Basile tot rigtsnoer gekozen, en door haar onverschilligen toon
de soort van verbijstering weggevaagd, waaronder ook hij van
lieverlede geraakt was, hij zou welligt geen raad geweten hebben met
zijn figuur. Thans evenwel, ofschoon niet bevroedend dat zijn
verlevendigde moed niet uit hemzelven, maar meest van Lidewyde kwam,
vermande hij zich, en las de les, die zij hem opgegeven had, in éénen
adem ten einde:

--""Herhaaldelijk was ik met haar op die wijze alleen, zonder dat een
woord, een wenk, of ook maar een te veel beteekenende blik, de
geringste verstandhouding tusschen ons verried. Hoe pijnlijk voor mij
die toestand ook was, toch gevoelde ik mij volkomen gelukkig; en nog
zoo onbedorven was destijds mijn hart, dat ik van hetgeen mij kwelde
mijzelven te naauwernood rekenschap geven kon. Ook haar schenen die
kleine zamenkomsten niet ongevallig te zijn: ten minste, zij wist de
gelegenheid er toe van pas te vermenigvuldigen. Noodeloos overleg,
inderdaad, wanneer ik bedenk welk gebruik zij van die kansen maakte,
en mij daarvan maken liet!... Ten einde door de zoutelooze praat van
den kantoorbediende, die haar lastig was komen vallen, niet langer
gekweld te worden, had zij op zekeren dag de wijk genomen naar hare
kamer; en zoodra ik in het achter-magazijn, waar ik mij op dat
oogenblik bevond, gereed was met mijn werk, sloop ik, den trap op,
haar achterna. De deur van het vertrek stond aan, en ongemerkt trad ik
binnen. Zij zat te borduren aan een der vensters tegenover de deur,
met het aangezigt naar het licht gekeerd. Zij kon mij niet zien
binnenkomen, en kon mij ook niet hooren, uithoofde van het geraas der
zware vrachtwagens in de straat beneden. Altijd was zij met zorg
gekleed; doch die dag zou ieder in hare kleeding een zweem van
koketterie bespeurd hebben. Hare houding was de bevalligheid-zelve;
het hoofd een weinig voorover,--zoodat ik de lijn van haar blanken
hals kon volgen,--en met bloemen in het sierlijk gekapte haar. Haar
geheele persoon had iets onuitsprekelijk betooverends, dat mij meer
buiten mijzelven bragt, naarmate ik meer tijd had om het op te merken.
Ik zonk aan den ingang van het vertrek op mijne knieën en breidde de
armen naar haar uit, vast overtuigd dat zij mij niet hooren, en in den
waan dat zij mij ook niet zien kon. Doch boven den schoorsteen hing
een spiegel die mij verried. Welken indruk mijne hartstogtelijke
handelwijze op haar maakte, weet ik niet; zij zag mij noch aan, noch
sprak mij toe, maar wendde half het hoofd naar mijne zijde en wees
met haren vinger, zonder meer, naar de gevlochten mat, waarop hare
voeten rustten. Ik trilde, slaakte een kreet, en bevond mij in een
oogwenk nevens haar, knielend op de door haar mij aangewezen plaats.
Zal men gelooven, dat ik zelfs toen den moed niet had, het woord tot
haar te rigten, of de oogen naar haar op te slaan, of haar aan te
raken en de hand op hare knie te leggen om een steunpunt te zoeken?
Sprakeloos, roerloos was ik, maar voorwaar niet weinig ontroerd. Alles
verried de spanning, waarin ik verkeerde: mijne blijdschap, mijne
erkentelijkheid, mijne vurige, maar onbestemde wenschen, in toom
gehouden door de vrees van te zullen mishagen... Zij scheen even
ontroerd en even bedeesd als ikzelf. Verlegen met mijne
tegenwoordigheid aan hare zijde, zich bewust dat zijzelve mij geroepen
had, verrast door de uitkomst van een wenk, welks gevolgen zij
blijkbaar niet had berekend,--moedigde zij mij niet aan, maar stiet
mij ook niet van zich af. Hare oogen bleven onafgebroken op haar
borduurwerk gerigt, en zij deed haar best, niet te bespeuren dat ik
nevens haar geknield lag. Doch ik zou blind moeten geweest zijn om
niet te bemerken dat haar hart niet minder onrustig klopte dan het
mijne...""

""Wie weet,"" besloot André zijne lektuur, ""hoe dit zwijgend tooneel
geëindigd of gedurende hoe langen tijd ik in denzelfden even
belagchelijken als streelenden toestand gebleven zou zijn, indien men
ons niet gestoord had? Doch juist toen mijne ontroering haar toppunt
had bereikt, hoorde ik in mijne nabijheid eene deur openen. "Sta op,
daar is Rosina!" zeide Mad. Basile op verschrikten toon en met een
schichtig gebaar. Rosina was hare dienstbode, en Rosina's vertrek
grensde aan dat van hare meesteres. Ik rees ijlings overeind, greep en
kuste vurig tweemalen achtereen de hand die zij mij reikte, en
gevoelde hoe bij den tweeden kus die lieve hand schier onmerkbaar
mijne lippen zocht. Zoeter oogenblik heb ik op aarde nooit beleefd.
Doch de gunstige gelegenheid, die ik ongebruikt voorbij had laten
gaan, keerde nimmer terug, en met dit eerste en eenige hoofdstuk
eindigde onze roman.""



NEGENTIENDE HOOFDSTUK


André had Sarah, sedert zijn onderhoud met haar over Lidewyde's
betrekking tot Ruardi, schier niet wedergezien. Opzet of toeval, van
geene enkele gelegenheid om zich met hem alleen te bevinden was partij
door haar getrokken.

Ware hij zich volkomen bewust geweest van hetgeen hij wilde, welligt
zou die bescheidenheid hem verdroten hebben. Waarschijnlijker nog zou
hij in dat geval het initiatief genomen en door de eene of andere daad
van toenadering zijnerzijds mededeelingen hebben uitgelokt, die men
uit eigen beweging niet voor hem ten beste scheen te hebben. Doch hij
handelde niet overeenkomstig een vast plan; en zoo hij aan den eenen
kant zou hebben gewenscht, vollediger door Sarah op de hoogte gehouden
te worden omtrent Lidewyde's doen en laten, aan den anderen kant was
het hem eene verligting, dienaangaande min of meer in het onzekere te
blijven verkeeren. Hoe langer hij met een goed geweten zich zelven
diets kon maken dat zijne betrekking tot Lidewyde eene zaak van geene
beteekenis was en niemand anders als Emma bij voortduring de eerste
plaats in zijn hart bekleedde, hoe aangenamer hij het vond. Het was
dan ook geenszins een kreet van onvermengde vreugde, die hem
ontsnapte, toen hij op het reeds vergevorderd avonduur van een der
volgende dagen, terwijl hij, met de lamp aan zijne zijde, voor het
geopend venster zijner kamer zat en de sterrebeelden aan den
donkerblaauwen hemel bespiedde, eensklaps door een bezoek van Sarah
verrast werd.

Met Adriaan, Lidewyde en Emma was hij in den vooravond uit rijden
geweest naar Zeeburg, waar men gezamenlijk, luisterend naar de
muziekale uitvoering van een militair orkest en groeten wisselend met
bloedverwanten of vrienden, de zon had zien ondergaan. André was niet
ongevoelig voor zulke genietingen. Hij vond Dijks landauer een
voortreffelijk rijtuig, en het voorregt twee vrouwen tot =vis-à-vis= te
hebben als Emma en Lidewyde vergoedde honderdvoudig in zijne schatting
het ongerief van Dijks konversatie. Het Zeeburgsche badhuis was klein
van omvang, dit gaf hij toe, en wanneer men het met dat van
Scheveningen of Ostende vergeleek, verzonk het in het niet. Doch alle
dingen zijn betrekkelijk; en niet zelden zal men aan een beperkt
terras, mits men zich omgeven weet door een uitgelezen kring van
bekenden, de voorkeur geven boven een veel uitgestrekter grondgebied,
waarover vreemdelingen den schepter voeren. In het gezelschap van
Lidewyde en haren man, gevoelde André zich opgenomen in de M'sche
=beau-monde=, en al kende hij de meeste dier heeren en dames nog slechts
van naam of van aangezigt, het was niettemin eene weldadige
gewaarwording, zichzelven en zijn meisje tijdelijk als een onderdeel
dier fiere keurbende te mogen beschouwen.

--"Kom binnen, Sarah," zeide hij opstaand en het venster sluitend.
"Het is reeds laat, en de avonden beginnen koel te worden."

--"Vergeef mij, mijnheer," antwoordde zij, "dat ik zulk een ongelegen
uur kies om u mijnen dank te komen betuigen. Mijne vrijheid is
beperkt, en het behoort tot de zeldzaamheden dat ik voor mijzelve
eenige oogenblikken uitbreken kan."

--"Om uwentwil wenschte ik, dat daarin verandering kwam, Sarah. Gij
zijt in uwe afhankelijke betrekking hier aan huis niet op uwe plaats,
en indien ik iets bijdragen kon om u eene betere positie te
verzekeren, zou ik het gaarne en met ijver doen. Doch ik bezit geene
noemenswaardige relatien, en moet voorshands in de eerste plaats voor
mijzelven zorgen."

--"Ik dank u voor uwe belangstelling, mijnheer André, maar het is niet
over mij dat ik kom spreken. Mijne positie is geheel en al het gevolg
van mijne eigen keus, en ik twijfel of gij met den besten wil daarin
eenige verandering zoudt kunnen brengen. Men heeft u verhaald, naar ik
bemerk, dat mijn lot eenmaal zeer verschillend is geweest van hetgeen
het nu is, en evenals vele andere welwillende personen verlangt gij,
dat ik mijnen rang in de zamenleving, gelijk men dat noemt, hernemen
zal. Doch gij zoudt mij toch niet gelukkig willen maken tegen mijnen
wensch? Geloof mij, gij kunt niets voor mij doen, en elke poging die
gij zoudt aanwenden om mij uit dit huis te verwijderen, zou mij juist
van datgene berooven waarop ik den hoogsten prijs stel. Voor mij gaat
niets boven de vriendschap van mevrouw Dijk, en de gelukkigste
oogenblikken van mijn leven zijn die, waarin ik mij beroemen mag iets
gedaan of beproefd te hebben om haar leven te veraangenamen."

--"Die gevoelens strekken u zeer tot eer, Sarah," zeide André op een
gewigtigen en beschermenden toon, "en met u geloof ik dat mevrouw Dijk
volle aanspraak heeft op uwe erkentelijkheid. Doch, in ernst, zijt gij
overtuigd dat aan haar geluk iets wezenlijks ontbreekt? Zij heeft
hare vlagen van somberheid en afgetrokkenheid, nu ja; doch welke vrouw
is altijd dezelfde? Mij komt het voor, dat mevrouw Dijk niets anders
behoeft als nu en dan een weinig afleiding."

--"Ik begrijp zeer wel, mijnheer André, dat gij tegenover mij uwe
verdiensten poogt te verkleinen; doch mijne dankbaarheid voor uwe
tusschenkomst is daarom niet minder levendig. Gij hebt gedaan hetgeen
ik voor onmogelijk zou gehouden hebben, en tot hiertoe is uw overleg
met den besten uitslag bekroond geworden."

--"Mijn overleg, Sarah? Verkeert mevrouw Dijk in de meening dat ik met
overleg gehandeld heb?"

--"Mevrouw Dijk is geheel en al onkundig, mijnheer, van het verzoek
dat ik mij verstout heb tot u te rigten. Zij vermoedt in de verte
niet, dat gij kennis draagt van de zorgen, die haar kwellen, en
waarvan de oorzaak bij dokter Ruardi ligt. Niet-alleen heeft zij mij
niet opgedragen u eenigerlei mededeeling te doen omtrent hetgeen zij
voor u gevoelt, maar tot hiertoe is uw naam te naauwernood door haar
genoemd geworden. Ik kan u alleen zeggen, dat zij in de hoogste mate
ingenomen is met jufvrouw Visscher, en daareven nog heb ik haar in den
lof van uw meisje hooren uitweiden. Zij verhaalde mij dat jufvrouw
Emma ook weder dezen avond aan het Badhuis het voorwerp van allerlei
oplettendheden geweest is, en dat de geheele wereld haar u benijdt.
Zoo is het ook, mijnheer, daar ben ik zeker van; en juist om die reden
doet het mij zulk een groot genoegen, dat in weerwil van hetgeen gij
aan jufvrouw Visscher verschuldigd zijt, gij middel hebt weten te
vinden om dokter Ruardi op een afstand te houden. Sedert uwe komst, en
vooral sedert de komst van jufvrouw Emma, gevoelt mevrouw Dijk zich
veel krachtiger tegenover hem; en ik heb reden om te hopen, dat zij
binnen kort voor goed van hem ontslagen zal zijn."

--"Ik bespeur, Sarah, dat men voor u geene geheimen behoeft te hebben;
doch laat mij nu alleen, bid ik u, en spreek niet meer met mij over
deze zaak. Het is volkomen waar, dat ik door u op het denkbeeld
gebragt ben om mevrouw Dijk eene dienst te bewijzen, die zij van
niemand anders scheen te kunnen verwachten. Ik verneem van u, dat ik
daarin geslaagd ben, of kans heb van te zullen slagen. Des te beter.
En nu gij alles weet, behoort ook dit u niet onbekend te zijn, dat ik
gehandeld heb met voorkennis van jufvrouw Visscher en onder het zegel
van hare goedkeuring. Met dokter Ruardi, die vooral in de eerste dagen
van mijn verblijf alhier zeer vriendelijk voor mij geweest is, wensch
ik voor het uitwendige op een goeden voet te blijven. Mijnheer Dijk,
gelijk van zelf spreekt, weet van niets, en zal, dat beloof ik u,
nimmer van iets weten. Ook mevrouw Lidewyde behoort onkundig gelaten
te worden van hetgeen tusschen ons verhandeld is, en in geen geval zou
ik meer voor haar kunnen doen dan hetgeen zij tot hiertoe door mij
verkregen heeft. In een woord, het zal mij bijzonder aangenaam zijn,
indien aan de scheve positie, waarnaar ik mij uit vriendschap voor
mevrouw Dijk eene poos gevoegd heb, zoodra mogelijk een einde komt."


Nog nooit had André in éénen adem zoo vele onwaarheden op elkander
gestapeld als in dit antwoord van hem aan Sarah. Dat Sarah hem op den
inval had gebragt om voor de leus aan Lidewyde het hof te maken; dat
hij daarover met Emma gesproken en Emma's toestemming op dat
gedrochtelijk plan verworven had; dat hij in zijne verhouding tot
Ruardi geene verandering wenschte te zien komen; dat hij hoe eer hoe
liever ontslagen wilde worden van zijne geheime verstandhouding met
Lidewyde: dit waren even zoo vele leugens; en Sarah kon, hij gevoelde
het aan zijn hart, van al die verzinselen geen woord gelooven. Een uur
geleden zou hij zichzelven onbekwaam geacht hebben om in die mate zijn
eigen beter-ik geweld aan te doen, en nog daareven, toen Sarah de
kamer binnentrad, had hij er op durven zweren dat geene magt op aarde
hem immer tot zoo iets zou kunnen bewegen. Toch was de valschheid,
waaraan hij thans eensklaps in zijne eigen oogen schuldig stond,
slechts eene bevestiging der misdaad waarvoor Emma, gehoor gevend aan
een schrander instinkt, hem van den dag zijner komst op Soekabrenti af
gewaarschuwd had.

Vanwaar dat men somtijds in weerwil van zichzelven er toe gebragt
wordt, de dingen voor te stellen onder een licht, waarvan men zich
bewust is dat het daaraan een met de werkelijkheid onvereenigbaren
schijn leent?... André zou dan-alleen in staat geweest zijn een
bevredigend antwoord op die vraag te geven, indien hij tevens en in de
eerste plaats had kunnen verklaren, hoe het kwam dat Emma's beeld in
zijne ziel door dat van Lidewyde overschaduwd en verduisterd werd.
Helaas, hij wist het niet; en daar hij de oorzaak van het kwaad niet
kende, kon hij ook zijne gevolgen niet wegnemen. Waarom werd Theseus
ontrouw aan Ariadne? Waarom deed Herakles op den tweesprong eene
loffelijke keus? Omdat Herakles Herakles, en Theseus Theseus was.

Doch het zou er met de menschelijke wetenschap treurig uitzien, indien
zij, om belangrijk te zijn, onvoorwaardelijk moest kunnen doordringen
tot den diepsten grond der dingen. Ook tweede gronden kunnen somtijds
belangstelling wekken; en zelfs dan nog bijwijlen bestaat er uitzigt
op een wetenswaardig resultaat, wanneer de kennis der oorzaken u te
eenemaal ontzegd is en gij u met de ontleding van feiten en
overleggingen te vreden moet stellen.

Na eene korte poos--te kort, voor een held--geworsteld te hebben tegen
het licht, hetwelk Sarah's dankbetuiging in zijnen geest deed opgaan,
was André voor het eerst tot een besluit gekomen. Hij overzag nu den
toestand, waarin hij zichzelven gebragt had, en meende wijs, of
althans manlijk te handelen, door dien te aanvaarden. Waren zijne
eerste antwoorden aan Sarah half ontwijkend geweest, het laatste had
de kenmerken van een gevestigd voornemen vertoond. Of de schaduwzijden
dier vastberadenheid niet welligt talrijker waren dan hare voordeden;
of de strik, waarin hij verward was geraakt, instede van losser te
worden, niet van nu af dagelijks meer zou gaan klemmen; of zijn geloof
aan Lidewyde's genegenheid voor hem niet de vermetelheid-zelve was; of
toe te geven aan dien mogelijken waan niet in den grond der zaak
gelijk stond met het opofferen van zijne eerste liefde ter wille van
eene andere en mindere,--daaraan dacht hij niet en vroeg zich dat niet
af. Hetgeen hem aan zijn onderhoud met Sarah plotseling een einde had
doen maken en hem op gemelijken toon den wensch had doen te kennen
geven, alleen gelaten te worden, was de volgende redenering geweest:

"Er is tegenspraak tusschen Sarah's beweren, dat Lidewyde mijnen naam
niet noemt, en het feit, dat zij zich aanvankelijk krachtiger gevoelt;

"Zoo Lidewyde mij al niet regtstreeks lief heeft, is het nogtans
duidelijk dat zij aan mij de voorkeur geeft boven Ruardi;

"Ik wil voortaan niets meer met Sarah te maken hebben;

"Het beste middel om mij van haar te ontslaan, is haar te doen
gelooven, dat ik haar plan geheel en al tot het mijne gemaakt en in
alles met Emma's voorkennis gehandeld heb.

"Op die wijze zal de eenige persoon, welke thans nog tusschen mij en
Lidewyde staat, uit den weg geruimd zijn, en zal het moeten blijken,
of ik werkelijk in Lidewyde's oogen niets anders ben als een bruikbare
afleider."

Ware dit laatste denkbeeld minder ondragelijk geweest, misschien zou
André niet met zulk eene snelle vaart zijn voortgehold op den weg
zijns verderfs. Doch tegen eene zoo sterke slingering tusschen hoop en
vrees was zijn karakter niet bestand. Stelde hij zich voor, dat de
verdorven Ruardi zich eene plaats in Lidewyde's hart had weten te
veroveren, dan maakte een onuitsprekelijk gevoel van haat zich van hem
meester, en hij zou, indien de dokter zich in zijne nabijheid bevonden
had, hem een slag in het aangezigt hebben willen geven. Dacht hij
daarbij aan Ruardi's gaven, dan klom, door het gevoel van zijne eigen
minderheid, de haat tot woede. Te beseffen dat Lidewyde regt had
Ruardi te verwijderen, en tevens te moeten bekennen dat hij zelf in
het oog der wereld niet in Ruardi's schaduw kon staan, was in de
hoogste mate smartelijk. Oneindig pijnlijker nog evenwel was de
mogelijkheid, dat Lidewyde van zijne dagelijks aangroeijende liefde
voor haar, die zij ongetwijfeld opgemerkt had, alleen gebruik maakte
om daarmede haar voordeel te doen, en zij hem met geen ander oogmerk
aanmoedigde,--of indien de gesprekken, die zij met hem voerde, indien
de bladzijden, die zij hem liet voorlezen, geene aanmoediging waren,
wat zou dan immer zoo heeten?--als om zich des te gemakkelijker te
kunnen ontslaan van zijnen medeminnaar. Die vrees maakte hem
waanzinnig. Zij gaf overmagt op zijn gemoed aan eenen invloed waaraan
hij nog nooit onderworpen was geweest; en misschien lag in die
demonische verbijstering,--tenzij men liever elke verklaring mist, dan
zich op te houden bij eene zoo willekeurige,--de sleutel tot den
nieuwen hartstogt, die hem aan Lidewyde ketende. Daarentegen geraakte
hij buiten zichzelven van verrukking, wanneer hij zich de andere
mogelijkheid voorstelde. Het was een gevoel, duizendmaal verhevener
dan het oogenblik, toen hij, een half jaar geleden, voor het eerst van
hart tot hart met Emma sprak. Aan Emma's zijde zou hij een bezoek aan
de Elyzeesche velden hebben willen brengen; en zonder blozen zou hij,
door haar begeleid, getuige zijn geweest van de reine blijdschap der
gelukzaligen in het Paradijs. Doch wat zeide zulk eene hemelvaart, al
moest dezelfde togt, met Lidewyde ondernomen, in eene hellevaart
eindigen? Sommige genietingen, meende hij, waren voor geene
vergelijking vatbaar; en indien men hem te dezer ure aan zijn woord
gehouden had, zou hij de eeuwige straf geen te duren prijs gevonden
hebben voor één kus van Lidewyde's lippen.



TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


Noordduitsche liberalen van vóór den slag van Königgrätz, uit den tijd
toen men aan gene zijde van den Rijn nog aan het staatsomwentelend
vermogen van politieke maaltijden geloofde, zouden het heden door den
heer Dijk in de groote zaal van Soekabrenti aangerigt diner een
=Zweck-Essen= genoemd hebben. Werkelijk bestond het gezelschap, voor zoo
ver de heeren betrof, zoo niet uitsluitend dan toch grootendeels uit
personen, wier ondersteuning de gastheer voor zijne parlementaire
kandidatuur behoefde. Doch in koopsteden heeft de staatkundige wereld
een zeer weinig afschrikwekkend diplomatisch voorkomen, en men weet in
die kringen de regeling van 's lands zaken gepaard te doen gaan met
een ongedwongen behartiging van al de belangen der gezelligheid. Het
waren welopgevoede mannen, niet uitermate schrander of geleerd, geene
feniksen in het staatsregt, maar doorkneed in hunne mercantile, of
industriële of financiële specialiteit; mannen, die, onder den
nederigen naam van commissionairs, russische leeningen sloten of
americaansche spoorwegen hielpen aanleggen; makelaars in suiker, die
niet opstonden voor een paar ton; eigenaars van scheepstimmerwerven,
die met het grootste genoegen van de wereld den aanbouw van een
volledig gepantserd eskader voor hunne rekening zouden genomen hebben.
Huisvrienden van Adriaan Dijk waren zij niet; evenmin als hunne
vrouwen of dochters tot Lidewyde's gewone omgeving behoorden. Doch zij
vertegenwoordigden dezelfde maatschappelijke belangen als hij, en
waren hem genegen omdat zij hem als den regten man beschouwden om in
de Tweede Kamer (zoodat zijzelven te huis konden blijven) als orgaan
van die belangen plaats te nemen. Die sympathie, niet overmaat van
intimiteit, ontboeide wederzijds de tongen. En waarom ontveinsd, dat
eene al te gemeenzame bekendheid het middel niet is om talrijke
gezelschappen in eene aangename stemming te brengen? Vaak zal men een
opgeruimder geest en levendiger gesprekken waarnemen bij lieden, die
heden zamenkomen om morgen weder elk huns weegs te gaan, dan onder
hen die sedert lang op de hoogte zijn van elkanders wedervaren en de
een voor den ander geene geheimen meer hebben. "Men moet twintig jaren
uitlandig geweest zijn," heeft iemand gezegd, "om het in een salon vol
boezemvrienden twintig minuten te kunnen uithouden."

Toen de maaltijd afgeloopen was, en de dames, met Lidewyde aan de
spits en Emma in de achterhoede, zich verwijderd hadden, vroeg
Lefebvre het woord en stelde hij, in den vorm eener eindelooze
redevoering, welke al de gasten van het sterker geslacht, en André
niet het minst, met hooge bewondering voor hem vervulde, den volgende
feestdronk in:

"Om te weten, mijne heeren, wie onze vrienden zijn, behooren wij ons
eene juiste voorstelling te vormen van onze vijanden. Misprijst het
niet, bid ik u, dat ik thans deze kwestie aanroer. Zij raakt ons
zamenzijn van nabij.

"De rigting, die wij bestrijden, is geen alledaagsch kwaad, maar een
voortwoekerende kanker. Triomfeerde zij, wij zouden niet-alleen in
Staat en Kerk en School, in onzen handel en in onze nijverheid den
treurigsten achteruitgang waarnemen;--neen, ook ons gezellig verkeer
zou gestoord zijn, en eene bijeenkomst als de onze op dit oogenblik,
zoo genoegelijk en vriendschappelijk, zou weldra tot de
onmogelijkheden behooren.

"Onze tegenstanders hebben een woord gekozen en vastgesteld, waarmede
zij deze voorspelling zoeken te brandmerken. Doch mij intimideert
hunne aanklagt wegens intimidatie niet. De vrees, beweren zij, is de
meest nuttelooze van alle hartstogten; en aan die spraak herkent men
hun bestaan. Alleen het nuttige toch heeft waarde in hunne oogen; en
vrijpostigheid is hun levenselement. Zouden zij niet anders denken en
anders spreken, indien hetgeen zij nuttig noemen in het algemeen,
schadelijk bleek te zijn voor henzelven? Zoo ja, ik zou er hen niet
minder om achten. De vrees, die zij bespotten, is een trek der
menschelijke natuur. Zij is het begin der wijsheid. De mensch is
geschapen om te vreezen, even als hij geschapen is om lief te hebben
en na te denken.

"Of is het zelfzucht en eigenbaat, indien wij in naam van dit ons
zamenzijn waarschuwend den vinger opheffen? Ik loochen het. Wie de
gezelligheid verwoest, is een vijand der maatschappij; en het is geen
egoïsme, het is ware menschenmin, die ons de maatschappij doet
liefhebben. De omwenteling en het despotisme hebben ook dit met
elkander gemeen, dat zij in hun gevolg slemppartijen medevoeren. De
ingehouden overvloed daarentegen, de gekuischte weelde, zijn een vast
kenmerk van een toestand van orde en van eerbied voor de wet. Deze
feestelijke tafel, mijne heeren, is meer dan zij schijnt. Zij is het
symbool der konservative beginselen. Zij vertegenwoordigt de nationale
welvaart, gegrondvest op nationale tucht.

"Zeide ik tucht? In het woordenboek der vrijzinnigheid zult gij die
uitdrukking misschien niet vruchteloos zoeken; doch zij is een klank
geworden, eene letter zonder geest, eene formule waarvan men zich
bedient om zichzelven en anderen te misleiden. Die soort van bedrog is
eene specialiteit van de mannen der vrijzinnige rigting. Hun
dagelijksch handwerk is, te ploegen met den os van hunne tegenpartij.

"Vraag de liberalen, u den zetel van het gezag te noemen,--zij zullen
u op den volkswil wijzen. Beteekent dit, dat zij het ernstig meenen
met de heerschappij der menigte? In geenen deele: zij slaan een kruis
bij die gedachte. Is dan de vorst hun souverein? Nog veel minder. Zij
meesmuilen onder elkander om alle Koningen der aarde; zouden
zesendertig gekroonde Hoofden, en meer, voor een droog flanelletje
wenschen te kunnen bieden, en gelooven aan geene andere souvereiniteit
als die der rede, zeggen zij. Doch met die aangelengde wijsbegeerte is
geen praktisch resultaat te verkrijgen, en men regeert geen volk met
paragrafen uit een schoolboek. Dit gevoelen zij. En ook weten zij wel,
dat onze natie haar woord verpand heeft aan eene dynastie. Vandaar een
Janussysteem, waarvan waarheid in staatsbeleid het uithangbord en
onopregtheid de geheime kracht is. Zij zweren trouw aan een Vorst,
dien zij in hunne binnenkamer minachten en bespotten, en vleijen de
ijdelheid eener schare aan wier onmondigheid zij hunne populariteit
ontleenen.

"Ziet het liberalisme in de kaart, mijne heeren, en gij zult bespeuren
dat onze beginselen, die het verwerpt, zijne eenige levenskracht zijn.
Om iets tot stand te kunnen brengen moet het onze liefde en onze
geestdrift huichelen. Geloofden wij niet, het ongeloof van onze
tegenstanders zou niets te beteekenen hebben. Aan ons hebben zij het
te danken, dat hunne negatien een schijn van magt vertoonen. Zij
willen den Staat regeren; doch indien het van hen afgehangen had, zou
geen Staat zich ooit gevormd hebben. Niets van hetgeen een volk tot
volk maakt, is door hen in het leven geroepen, en veel daarvan is
onherroepelijk door hen verwoest. Zij weten te bedillen; maar om iets
te stichten, daartoe zijn zij onbekwaam. Zegt men dat Indie de kurk
is, waarop Nederland drijft? welnu, wij konservatieven zijn het, die
de liberalen boven water houden. Wij zijn het gezag, wij de orde, wij
de welvaart. Zonder ons vermogen zij niets.

"Indie, mijne heeren! Ik behoef niet uit te weiden over hetgeen voor
ons in dat ééne woord besloten ligt. Door het bezit dier onschatbare
kolonie is Nederland onder de volken als een man van fortuin, die
eigen rijtuig en een buitenplaats nahoudt. Zwitserland, Wurtemberg,
Beijeren,--wat zijn zij, met Nederland vergeleken? Daglooners onder de
Staten! Laat mij niet vragen hoe het u smaken zou, indien uw
rentmeester, uw pachter, uw tuinman tot u zeide: "Twintig jaren lang
heb ik uwe bloembedden aangelegd, uwe velden omgespit, uwe bosschen
verzorgd: dit geeft mij het regt om na uwen dood uw landgoed als mijn
eigendom te beschouwen." Op even goede gronden zou uw koetsier kunnen
beweren, dat gij hem bij testamentaire beschikking uwe paarden behoort
te vermaken, die hij zoo lang gereden heeft. Doch ongaarne scherts ik
waar het hooge en heilige belangen geldt. Nederlands regt op Indie is
even onbetwistbaar als het regt van een zoon op de nalatenschap van
zijnen vader. De liberalen noemen zich filanthropen, omdat zij van de
Javanen een onafhankelijk volk willen maken; en de christelijke liefde
gebiedt ons te gelooven, dat zij het met dien toeleg eerlijk meenen.
Doch wij, mijne heeren, zijn de leer toegedaan, dat wie Java van
Nederland poogt te scheiden, misschien een goed mensch, maar stellig
een slecht Nederlander is. Ook in deze aangelegenheid (ik vraag
verlof, dit nogmaals te mogen doen uitkomen), ook hier is het
parasitisch karakter der vrijzinnigheid openbaar. Zij werpt koloniale
kwestien op, zij draagt kultuurwetten voor, zij bepleit de toekomst
der Javanen, en bemerkt niet, de kortzigtige, dat men zonder duiven
geene duivenpastei vervaardigen kan. Al de lauweren, welke onze
koloniale vrijzinnigen zich zelven om de filanthropische slapen
hechten; al de populariteit, welke hunne Javanenliefde hun tot hiertoe
heeft opgebragt; al het geld, hetwelk zij in de toekomst uit hunne
koloniale kwestie slaan zullen;--hebben zij hieraan te danken, dat het
behoudend Nederland eene koloniale mogendheid is... Nog eene
opmerking, mijne heeren, en ik zal uw geduld op zijne laatste proef
gesteld hebben.

"Wanneer men van de schare onzer tegenstanders diegenen aftrekt, die
aanspraak kunnen maken hetzij op onze hoogachting, omdat zij te goeder
trouw hunne krachten wijden aan eene in hunne oogen loffelijke zaak,
hetzij op onze deernis en onze verschooning, omdat zij blindelings
gelooven hetgeen hun gepredikt wordt door lieden, die zij voor
bekwamer houden dan zich zelven;--ik bedoel, wanneer men het totaal
der liberale partij vermindert met de som van hare dupen en van hare
dweepers,--en gij zult mij toestemmen dat geen dier twee elementen
geacht kan worden, tot de kern der partij te behooren,--blijken
nooddruft en eerzucht de voorname springveeren van het liberalisme te
zijn. Tallooze malen is men in de gelegenheid geweest te konstateren,
dat niets te verliezen te hebben een afdoend motief is om zich onder
de vanen van eene rigting te scharen, welke met het hazardspel dit
gemeen heeft, dat zij somwijlen de bank kan doen springen. Men is
liberaal om dezelfde reden, waarom men in benarde omstandigheden een
loterijbriefje koopt. Voegt daarbij dat in de gelederen van het
liberalisme geen avancement is als voor diegenen, welke uitmunten door
verstandelijke gaven. Hebben zij het doel van hunne eerzucht bereikt,
dan werpen deze berooide vernuften het masker af; verloochenen het
gepeupel waaraan zij hunne opkomst te danken hadden, en worden eene
bastaardsoort van konservatieven, voor wie behoud en zelfbehoud
woorden van eenerlei beteekenis zijn.

"Ik vraag niet, mijne heeren, of wij het in onze magt hebben, en zoo
ja, of het verstandig van ons gehandeld zou zijn, die partij te
vernietigen. Ik vraag alleen, of het heilzaam geacht kan worden voor
den nederlandschen Staat, het beruchte =laissez-faire= in praktijk te
brengen ten aanzien van menschen, wier eenige drijfveer carrière-maken
is; met wier opkomst of wier val geen enkel nationaal belang
zamenhangt, en van wie men alleen dit getuigen kan, dat zij den loop
der vaderlandsche geschiedenis stremmen, en ons volk verhinderen, zich
overeenkomstig zijnen aanleg te ontwikkelen? Voor mij, ik eerbiedig in
het bestaan ook van hen, die ik bestrijd, de wegen der goddelijke
Voorzienigheid. Wij moeten met onze tegenstanders doen gelijk de Staat
met dezulken doet, die zich aan het leven of eigendom van hunne
medeburgers vergrijpen. Onschadelijk maken moet ons wachtwoord zijn.

"=Similia similibus curantur=, zeiden de Ouden; hetgeen ik aldus
vertolk: het beste tegengif der vrijzinnigheid is de vrijheid. Gij,
mijne heeren, zijt vrij. Waarom? Omdat gij kapitalisten zijt. De
zwaarste slavernij in deze wereld is het lijfeigenschap der
broodeloosheid; want de hongerige mensch is geneigd tot alle kwaad en
bezwijkt voor de geringste verleiding. Met de welvaart begint de
onafhankelijkheid; en waar de meeste overvloed heerscht, bij die natie
wordt ook de grootste mate van vrijheid aangetroffen. Vrijheid van
drukpers, van denken en spreken, van arbeid en handel, al die
vrijheden, de gewetensvrijheid niet uitgezonderd, zijn in zichzelven
slechts holle klanken en kunnen hoogstens als tijdverdrijf voor ledige
magen een voorbijgaanden opgang maken. Alleen die vrijheid houdt
stand, waarvan gijlieden, mijne heeren, de vertegenwoordigers zijt en
die gij door het omzetten van uwe kapitalen in het leven helpt roepen.
Hoe krachtiger dat beginsel in het nederlandsch Parlement optreedt,
des te beter zal de nederlandsche natie varen. Laat ons daarom hopen,
dat onze geachte vriend, in wiens huis en om wiens disch wij op dit
oogenblik vereenigd zijn, eerlang in die vergadering de plaats zal
innemen, waarnaar met het volste regt door hem gedongen wordt!"



EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.


Het terras voor Soekabrenti's eetzaal lag op het oosten, en de heen en
weder drentelende dames konden een goed eind weegs de glooijing volgen
voor zij het einde bereikt hadden der lange schaduwen, die aan den
voet van het huis, thans door de ondergaande zon op den rug beschenen,
zich uitstrekten over het grasperk en de paden. Nog een half uur, en
die schaduwen, tot in het oneindige verlengd, zouden den gloed der
zonnestralen ook op den versten afstand uitgedoofd en voor goed
verdreven hebben.

--"Mijnheer Kortenaer treft het niet," zeide een jong meisje, dat
Emma's zijde gekozen had en op eenigen afstand van de andere dames
pratend naast haar voortwandelde. "Hij kan moeijelijk belang stellen
in hetgeen thans de heeren hier het meest interesseert, en om
zijnentwil verheug ik mij, dat de =speech= van mijnheer Lefebvre niet
bestemd schijnt om door andere van dien aard gevolgd te worden. Ten
minste, ik hoor wel een verward gedruisch van stemmen tot ons komen,
maar de alleenspraken schijnen afgedaan te hebben." --"Het is goed
dat Kortenaer u niet hoort," antwoordde Emma op vrolijken toon. "Hij
is een warm vereerder van mijnheer Lefebvre en ik houd mij overtuigd
dat hij naar diens toespraak met onverdeelde aandacht geluisterd
heeft. Mijnheer Lefebvre, beweert hij, is een man vol nieuwe
denkbeelden."

--"Dat zegt mijn vader ook," hernam het meisje, "maar ik voor mij kan
de gedachte niet van mij afzetten dat hij eene rol speelt. Indien ik
kiezen moest tusschen dokter Ruardi en hem, zou ik geen oogenblik
aarzelen."

--"Neen, dat ben ik niet met u eens. Gij schijnt mijnheer Lefebvre van
nabij te kennen, en ik zie hem van daag voor het eerst; doch met al
zijne ruwheid en zonderlingheid boezemt hij mij meer vertrouwen in dan
mijnheer Ruardi."

--"Vertrouwen? nu ja," zeide het meisje, minder ernstig dan Emma.
"Doch ik ben niet van meening dat men de heeren daarnaar beoordeelen
moet. Mijnheer Kortenaer boezemt mij in het geheel geen vertrouwen in;
doch dat neemt niet weg dat ik hem zeer beminnelijk vind. Te
beminnelijker misschien naarmate ik hem voor gevaarlijker houd."

--"Laat ons niet met woorden spelen, bid ik u. Waarom geeft gij aan
mijnheer Ruardi de voorkeur boven mijnheer Lefebvre? Dat intrigeert
mij. Ik gevoel mij niet aangetrokken tot mijnheer Ruardi, en reeds
hebben wij een paar malen over hem gekrieuwd, Kortenaer en ik."

--"Dus heb ik een bondgenoot in mijnheer Kortenaer gevonden? Des te
beter. Doch maak mij, wat ik u verzoeken mag, in mijne eigen oogen
niet dwazer dan ik reeds ben. Dokter Ruardi bezit voor mij geen ander
charme als dat hij beleefd en gezellig is. Hij praat niet altijd
alleen en weet zich te voegen naar den smaak en de bevattelijkheid van
vrouwen. Komt daarentegen mijnheer Lefebvre in de stad en brengt hij
ons een bezoek, dan maakt hij zich meester van mijn vader en van de
konversatie, en gunt ons dames den tijd niet er eene speld tusschen te
steken."

--"En noemt gij dat eene rol spelen?"

--"Ja en neen; ofschoon ik u toegeef, dat men op die wijze ook van
dokter Ruardi zou kunnen beweren dat hij onder een anderen vorm aan
het zelfde euvel mank gaat. Mijne voorkeur, naar gij ziet, is niet van
eene geprononceerde soort. Zelfs vond ik Ruardi vandaag minder beleefd
dan gewoonlijk. En hoe bevalt het u hier? Betreurt gij Duinendaal
niet? Vindt gij freule Steinmetz niet eene allerliefste vrouw? Het
spijt mij dat zij de invitatie van mevrouw Dijk voor dezen middag
niet aangenomen heeft."

--"Zij zou wel lust gehad hebben om te komen, maar zulke talrijke
gezelschappen, zegt zij, vermoeijen haar te zeer. En op haar leeftijd
is dat niet meer dan natuurlijk. Het doet mij genoegen, u met liefde
over haar te hooren spreken. Toen mevrouw Dijk mij voorstelde, eenigen
tijd bij freule Steinmetz te komen doorbrengen, zijn de Duinendaalsche
bosschen, ik beken het, mij nog liever geworden dan te voren. Ik zag
op tegen de kennismaking met die twee vreemde dames, en vreesde dat
Kortenaer het te druk zou hebben om zich veel met mij bezig te houden.
Doch alles heeft zich naar wensch geschikt, en ik heb in freule Bertha
eene vrouw gevonden zooals ik niet geloof dat er vele zijn. Men is met
haar volkomen op zijn gemak, en aan allerlei kleinigheden bemerkt men,
dat haar hart van goedheid overvloeit."

--"En hoe," vroeg het meisje, fluisterend en omziend, als vreesde zij
dat eene of meer der andere dames hare vraag verstaan zouden, "hoe
denkt gij over Lidewyde?"

Emma vond het niet aangenaam, aldus geïnterpelleerd te worden, en aan
het uitblijven van haar antwoord kon het vriendinnetje bespeuren, dat
zij de maat te buiten was gegaan. Daar het haar evenwel meer te doen
was geweest om hare eigen meening over Lidewyde te kunnen zeggen dan
het oordeel van Emma te winnen, vervolgde zij op denzelfden toon, de
onbescheidenheid van hare vraag met meer takt naar den achtergrond
schuivend dan men van haren leeftijd verwacht zou hebben:

--"Sommige familien hier zijn met mevrouw Dijk ontzaggelijk ingenomen,
en ik weet dat ook freule Steinmetz zeer gunstig over haar denkt. Doch
bij ons aan huis staat zij niet hoog aangeschreven. Mijn vader zou
niet willen hebben dat ik vertrouwelijk met haar omging, en ik mag
alleen op Soekabrenti komen om staatsie-visites te maken, of bij
niet-intieme gelegenheden, zoo als deze."

--"Hoe groot is toch het verschil tusschen de stad en buiten!" kon
Emma zich niet weerhouden uit te roepen. "Te Duinendaal gaat men
alleen om met de menschen die men waarlijk liefheeft of hoogacht; hier
daarentegen"...

--"Zoo is het," vulde het meisje den volzin aan, "men verkeert hier
somwijlen met lieden die men niet verder vertrouwt dan men ze ziet. En
dan nog!"

Op een zeer kleinen ijzeren stoel naast eene zeer kleine ijzeren tafel
had zich eene vervaarlijk groote en lijvige dame van leeftijd
nedergezet. Het wandelen scheen haar moeijelijk te vallen, en zij
maakte ijverig gebruik van een flakon, die met eene gouden ketting aan
haar broche bevestigd was en in welker gouden stop zich een
miniatuur-cylinderhorloge bevond, met paarlen omzet. Haar toilet was
evenredig aan deze tentoonstelling van bijouterien, en al hetgeen, de
voornaamste modewinkels eener welvarende stad kunnen bijdragen om eene
vrouw van dien tonnenlast te doen schitteren en kraken, kraakte en
schitterde aan haar breede persoon. Nadar zou een tweede ballon-géant
hebben kunnen vervaardigen met de ellen zijde die langs hare heupen
afhingen en haren boezem omspanden. Gelukkig huisde in die
ontzagwekkende borst de inborst van een lam: deze kolossale apparitie
was eene weldoende toovergodin voor al de armen van haar kerspel. Dit,
en een zwak voor den jongen ongehuwden predikant der plaats waartoe
haar buitengoed behoorde (haar man lag sedert vele jaren in het graf
en zij had geene kinderen), waren hare eenige hartstogten.

--"Laat ons hier een oogenblik uitrusten," zeide zij tot twee andere
vrouwen van jaren, doch van gewoner dimensien dan zij, die met haar
aan deze zijde van het terras de schaduw gezocht hadden. "Misschien
zullen meer dames ons voorbeeld volgen en zich bij ons komen voegen.
De heeren kunnen nog niet scheiden, lijkt het wel, en de politiek doet
hen de galanterie vergeten. Heb ik u verteld, mevrouw Spaan, wat mij
in het midden der week naar de stad heeft doen komen?"

De dame, tot wie deze vraag gerigt werd, meende wel is waar reeds
vernomen te hebben, welk belang tot die ongewone overkomst genoopt
had, doch de beleefdheid deed haar eene onkunde voorwenden, welke,
opgenomen voor goede munt, bevorderlijk kon zijn voor de levendigheid
van het gesprek.

--"En gij weet," vervolgde de vonkelende weduwe, "dat ik er prijs op
stel, met freule Steinmetz op een goeden voet te blijven. Zij is een
waardige vrouw, en ik zal altijd beweren, dat dames van elke rigting
een voorbeeld aan haar nemen mogten. Doch wie onzer heeft zijne
zwakheden niet? Enfin, indien ik niet overgekomen was en een oog in
het zeil gehouden had, zou mijn lieve mijnheer Steenstra misschien
niet eenmaal op het twaalftal geparaisseerd hebben. En ik, die zoo
gaarne zien zou, dat hij te M. in aanmerking kwam! Ik spreek niet
voor mijzelve, dat begrijpt gij; want indien hij hier beroepen wordt,
ben ik hem op Linschoten den geheelen zomer kwijt."

--"En heeft freule Steinmetz waarlijk moeite gedaan om mijnheer
Steenstra te weren?" vroeg de dame, die daareven als mevrouw Spaan
toegesproken was. "Ik zou haar tot zoo iets niet in staat geacht
hebben."

--"Moeite gedaan om hem te weren, zal ik niet zeggen, want zij heeft
Steenstra's naam in het geheel niet genoemd; maar door andere namen te
noemen en den zijnen te verzwijgen, werd langs een zijweg hetzelfde
doel bereikt."

--"Men weet toch nooit wat men aan die fijnen heeft," zeide de dame,
die tot hiertoe gezwegen had. "Al gaan zij een eind weegs met u mede
en al spelen zij voor eene wijl open kaart, altijd eindigen zij met de
kat in donker te knijpen."

--"Dat moet gij niet zeggen, lieve mevrouw," antwoordde de goedhartige
weduwe, wier kerkelijke ijver, al viel hare dogmatiek iets minder
Bismarcksombre, vooral niet flaauwer was dan die van freule Bertha;
"wij moeten alleen maar zorgen, dat aan alle partijen regt wedervaart.
Ik gun freule Steinmetz een predikant naar haar hart, en zelfs zou ik
niet willen dat hier iemand beroepen werd die alles wegredeneerde.
Doch daarvoor behoeft zij, wat Steenstra betreft, niet bevreesd te
zijn. Steenstra heeft den naam van liberaal te zijn, dat weet ik wel;
maar ik weet ook dat hij mij niet zou kunnen stichten, indien hij de
groote waarheden van onze gezegende godsdienst niet verkondigde."

Het geloof der korpulente weduwe was als haar schoot: het vormde een
hellend vlak waarlangs de kritiek naar beneden gleed, en de twee
andere matronen gevoelden blijkbaar weinig lust, haar te volgen op den
weg eener zoo subtiele onderscheiding als die van daareven. Men moest
een halve theologant zijn, meenden zij, om het verschil te vatten
tusschen een predikant die regtzinnig was, en een die voor liberaal
doorging, maar niettemin voor de groote waarheden der christelijke
godsdienst opkwam. Gelukkig evenwel behoefden zij niet lang naar een
nieuw onderwerp van gesprek te zoeken: het kwam haar te gemoet in de
gedaante van Lidewyde; die, insgelijks van twee dames vergezeld, de
tijding kwam brengen, dat men de heeren zoo aanstonds in den tuin zou
zien verschijnen.

--"Wij mogen het wel zeer op prijs stellen, lieve mevrouw Dutry,"
zeide Lidewyde, het woord tot de weduwe rigtend, "dat een gelukkig
zamentreffen u heden onze gast heeft doen zijn. Het behoort tot de
zeldzaamheden in dit saizoen, dat de stad u meer aantrekt dan buiten."

--"Dat is zoo, Lidewyde, ofschoon het zonderling klinkt u in deze
omgeving van de stad te hooren spreken. Soekabrenti is een paradijs,
en gij moet het u kwalijk kunnen voorstellen, dunkt mij, dat ik de
moeite neem, mij iederen zomer op Linschoten te gaan begraven. Hebt
gij goede tijding van de oude mevrouw Dijk?"

--"Uitmuntende tijding. Zij is in het geheel niet zeeziek geweest, en
Londen, schrijven mijne zusters mij, is nog niet half groot genoeg
naar haar zin. Iederen ochtend laat zij zich met rijtuig naar de
tentoonstelling brengen, en iederen avond wil zij een koncert of eene
opera hooren."

--"Denkt zij lang afwezig te blijven?"

--"Daaromtrent is nog niets bepaald. De afspraak was, eene maand uit
en thuis; doch de maand is bijna om, en ik hoor nog van geen
weeromkomen reppen. Het zou mij niet verwonderen, indien aan den togt
naar Engeland een togtje naar Schotland werd vastgeknoopt."

--"Uw schoonmoeder heeft altijd gezegd, dat wanneer zij eenmaal aan
het reizen ging, men den lust daartoe haar niet gemakkelijk weder
afleeren zou. Nu, in Engeland is men voor eene excentriciteit meer of
minder niet zoo vervaard als hier, en indien zij behagen vindt in heen
en weder te trekken, heeft zij gelijk dat zij ons laat praten."

--"Om één ding spijt het mij toch dat zij juist nu afwezig is," zeide
Lidewyde.

--"En dat is?"

--"Dat zij de gelegenheid mist kennis te maken met ons aanstaand
nichtje. Ik ben zeker dat jufvrouw Visscher in haar smaak zou gevallen
zijn. Vindt gij niet dat mijn neef Kortenaer goed uit zijne oogen
gezien heeft?"

--"Jufvrouw Visscher logeert bij freule Steinmetz, niet waar, en
mijnheer Kortenaer bij u?"

--"Dat is zeer toevallig zoo gekomen ja, of liever, de eer dier
schikking behoort geheel en al aan mijn man. Dijk heeft rust noch duur
gehad voor hij André had bewogen, Emma over dat plan te schrijven.
Voor ons is hun bezoek eene aangename afleiding, en ik hoop maar dat
het voor henzelven geene teleurstelling zijn zal. Zie, daar komen zij
aan."

Zoodra de gastheer het sein tot opstaan had gegeven, was André naar
buiten gesneld om Emma te zoeken. Zoo vele personen hadden hem dezen
middag geluk gewenscht met zijne verloving; men beschouwde zijn
aanstaand huwelijk zoo zeer als eene uitgemaakte zaak; Emma's lof had
uit zoo vele monden om hem henen geruischt, dat hij behoefte gevoelde
haar zijnen arm en zijne hulde te gaan aanbieden. Zij nam beiden aan
met die ingetogen gretigheid, welke in het oog der mannen, omdat zij
hunne ijdelheid streelt en hen in den fieren waan van hunne
onmisbaarheid versterkt, eene der bekoorlijkste bewegingen is van het
vrouwelijk gemoed. Een ligte blos van aandoening kleurde haar gelaat,
en hare oogen stroomden van blijdschap over. Zij scheen dezelfde
persoon niet, die daareven met het andere jonge meisje had loopen
keuvelen.

--"Men behoeft niet te vragen of die jongelieden gelukkig zijn," zeide
mevrouw Dutry, met de onbaatzuchtigheid der jaren en der lijvigheid de
oogen op André en Emma gevestigd houdend.

Lidewyde hield hare meening voor zichzelve.


Het was avond geworden, en het uit de eetzaal naar buiten stroomend
licht zou de duisternis in den tuin ondoordringbaar hebben doen
schijnen, indien niet van punt tot punt, tusschen de heesters van het
groote grasperk en aan de boomen op de hoeken der wandelpaden, de hand
van gedienstige geesten papieren lantarens ontstoken had. Bij dat
zachtgekleurd schijnsel zag men kleine groepen van heeren en dames, of
van heeren alleen, fantastisch heen en weder dwalen. Voor het huis, op
het hoogste punt van het terras, was eene tafel aangerigt, die voor de
mannelijke helft der gasten al de aantrekkingskracht bleek te
bezitten, welke door vazen van zeegroen kristal, tot aan den rand met
wijn en kruiden gevuld en door een drom van goudgele roemers
gelijfstaffierd, van oudsher in deze gewesten uitgeoefend is. Allen
spraken door elkander, en nu en dan hoorde men den advokaat Lefebvre
in een homerisch lagchen uitbarsten.

Doktor Ruardi handelde in den regel niet consequent genoeg om dit
tooneel alleen hierom te ontwijken, dewijl vaatjes kruidenwijn en
glazen met holle voeten de hem antipathetische zeden van een vervlogen
tijdvak der nederlandsche volkshistorie met al te groote levendigheid
voor zijne herinnering deden oprijzen. Andere redenen hadden hem dien
middag aan tafel iets van zijne gewone spraakzaamheid doen verzaken;
andere redenen ook deden hem thans het luidruchtig gezelschap mijden
van Lefebvre en de zijnen. Hij wilde Lidewyde spreken. Geduldiger nog
dan het huisdier, welks moordziek instinkt den goedaardigen Van Alphen
tot eene lofspraak verlokte, had hij het oogenblik verbeid om met haar
alleen te zijn; en slechts hij, die zijne betrekking tot haar volkomen
kende, zou in het talent, waarmede, na twintig mislukte pogingen, de
dokter haar eindelijk naar een der afgelegen wandelpaden wist te
troonen, de vrucht van studie gewaardeerd hebben.

--"Gij zult moeten kiezen of deelen, Lidewyde," zeide hij snel, toen
hij zich zeker durfde achten dat niemand hen beluisteren kon. "Ik wil
niet dat gij zult voortgaan u aldus te emanciperen."

--"Goede Frederik," antwoordde zij op minachtenden toon, "maak u toch
geen hersenschimmen omtrent uw overwigt op mij. Waarom wilt gij niet
gelooven dat hetgeen Sarah u herhaaldelijk gezegd heeft waarheid is?
Kunt gij u de mogelijkheid niet voorstellen dat men van uwe
gemeenzaamheid voortaan verschoont wenscht te blijven? Is de ijdelheid
bij u tot monomanie geworden?"

--"Die bitterheden deren mij niet, en ik ben niet dwaas genoeg om te
vergen dat gij mij zult liefhebben in weerwil van uzelve. Doch wat ik
eischen mag, is dat gij een weinig eerbied toonen zult voor
herinneringen die u dierbaar behooren te zijn."

--"Dit stemt niet overeen met uwe wijsbegeerte, vriend; of zoo ja, het
is u niet onbekend wie in de eerste plaats aanspraak heeft op hetgeen
gij mijnen eerbied noemt. Mag ik weten hoe gij eensklaps aan dat
deftige woord gekomen zijt? Het is de eerste maal dat ik het u hoor
bezigen."

--"Nuttelooze uitvlugten! Indien gij u met geen ander oogmerk van mij
afwendet als om u te verzoenen met uw man, zou ik de eerste zijn om
mij daarover te verheugen. Honderd malen heb ik u gezegd, dat die
transaktie u mijnentwege vrijstond. Doch sedert gij in uw huis eene
kamer hebt ingeruimd voor dien knaap"...

--"Uwe belangstelling in mijne toekomst is inderdaad
bewonderenswaardig. Eerst hebt gij mij het voorregt gegund, kennis te
maken met uwe... beteekenis; en nu ik daarvan doordrongen ben,
noodigt gij mij uit een goed heenkomen te zoeken in het paradijs van
den pligt. Gaarne geloof ik dat het u rust zou geven, mij dien weg te
zien inslaan; doch houd mij ten goede dat ik geene roeping gevoel u
die voldoening te verschaffen."

--"Val mij niet in de rede, bid ik u, en poog mij niet om den tuin te
leiden."

--"Ik leid u niet om den tuin, maar gij mij. Nog eene schrede en wij
staan op den straatweg. Indien wij terugkeerden, wat dunkt u?"

--"Gij zoudt tot zulke laffe woordspelingen uwe toevlugt niet nemen,
indien gij niet bekennen moest dat mijne vermoedens gegrond zijn. En
wat wilt gij dat ik van u denken zal? Een ernstigen hartstogt kunt gij
voor dien jongen niet gevoelen; daar is hij te onbeduidend voor. Kondt
gij tegenwoordig zijn bij zijne gesprekken met mij, gij zoudt
medelijden met hem krijgen. Hij is eene volslagen nulliteit, en die
hem liefhebben moeten wenschen dat hij hoe eer hoe beter in het
huwelijk trede met zijne Duinendaalsche schoone. Misschien komt er dan
nog iets van hem teregt."

--"Indien het over André Kortenaer is dat gij op die wijze spreekt,
moet ik u zeggen dat gij hem kwalijk beloont. Hij is een bewonderaar
van u en houdt u voor een genie. Lefebvre is de eenige persoon, dien
hij somtijds boven u stelt, en dan nog met onderscheid."

--"Ik dank hem voor zijne goede meening, doch geloof mij, Lidewyde,
hij verdient niet dat gij u met hem bezig houdt. Wilt gij een goeden
raad van mij aannemen, laat hem loopen en zoek een waardiger
tijdverdrijf. Het is beneden u, te triomferen over jufvrouw Visscher."

--"En wie zegt u, dat ik mij die zegepraal ten doel heb gesteld? Oneer
zou ik er in geen geval mede inleggen. Ook vind ik u potsierlijk. Zijn
dan uwe eigen overwinningen altijd evenredig geweest aan de goede
meening die gij van uzelven koestert? Om dat te kunnen gelooven, zou
ik minder goed op de hoogte moeten zijn van uwe geschiedenis."

--"Gij zijt onhandelbaar heden avond, Lidewyde, en ik zal niet langer
beproeven, u van uw ongelijk te overtuigen. Ook wordt het tijd dat gij
uwe gasten weder gaat opzoeken. Beloof mij slechts, dat gij uzelve
niet te roekeloos zult exponeren."

--"Dank u voor deze nieuwe impertinentie. Doch ik geloof met u, dat
het tot niets zou dienen, ons onderhoud te verlengen. Adieu, don Juan!
Elk zijns weegs."

Zij sloeg een zijpad in, dat haar in een oogwenk naar het terras en
naar hare gasten terugvoerde, en liet hem met zijnen toorn alleen.


Adriaan Dijk had post gevat hij den zilveren hevel, en men moest de
wellevendheid prijzen waarmede hij voor oud en jong het kraantje
roerde. Zijne kandidatuur was hem, overdragtelijk gesproken, naar het
hoofd gestegen, en hij verkeerde in die gelukzalige stemming, waar
vrouwen zich geene voorstelling van kunnen vormen, maar die in de
mannenwereld, sedert de demokratische instellingen van den nieuwen
tijd het publiek-persoon-zijn tot eene algemeen bereikbare
hoedanigheid verheven hebben, onder den naam van populariteitsgevoel
bekend is.

--"Kortenaer!" riep hij, toen André en Emma voor de derde of vierde
maal op eenigen afstand hem voorbijgingen. "Kortenaer! Waarom
versmaadt gij mijne goede gaven? Het is avond, mijn vriend, en
jufvrouw Visscher moet het goedkeuren dat gij u naar den inwendigen
mensch behoorlijk verwarmt."

--"Zeker keur ik dat goed," zeide Emma, André aanmoedigend om nader te
treden. "Kortenaer beweert dat uw mengsel voor heeren al de goede
eigenschappen bezit, die de dames aan hare sortie's toeschrijven."

--"Met uw verlof, Emma," schertste André, "ik heb alleen gezegd dat de
zorg voor uwe gezondheid mij weinig voordeel aanbrengen zou, indien ik
niet te gelijker tijd voor de mijne waakte."

--"Goed geantwoord!" riep Adriaan. "Laten leven is niet genoeg; men
behoort ook zelf te leven. Doch waar blijft Lidewyde? Het is een uur
geleden, dat ik haar voor het laatst gezien heb."

--"Hier is zij," antwoordde eene welbekende stem; en met rustigen pas,
alsof er niets was voorgevallen, trad eene schoone gedaante uit de
duisternis naar het licht.

--"Foei, Lidewyde," zeide Emma verwijtend, "waarom hebt gij niet iets
omgeslagen? Gij zult ziek worden, zeg ik u. Wij leven waarlijk niet in
een land, waar de avondlucht met zich spotten laat."

--"Is dat ook uwe meening, André?" vroeg Lidewyde, zich tot Emma's
bruidegom keerend.

--"Zeker is zij dat," antwoordde Dijk in zijne plaats. "Kortenaer is
het oud-vaderlandsch gevoelen toegedaan, dat de heeren zich tegen de
avondlucht moeten wapenen door kruidenwijn te drinken en de dames door
mantels om te slaan."

--"Adriaan belastert mij," zeide André, "doch hierin heeft hij gelijk,
dat ik het zeer onvoorzigtig van u vind, op dit uur blootshoofds en
zonder mantel in den tuin te wandelen. Mag ik het genoegen hebben uw
grooten doek te gaan halen? Emma, heb ik uwe permissie?"

--"Hoe kunt gij zoo iets vragen, André?"

Hij snelde het huis in en vroeg een bediende, dien hij in den gang
ontmoette, waar hij mevrouws doek vinden kon. De bediende wist het
niet, maar liep naar boven, waar hij zeker was Sarah te zullen
aantreffen; en geene minuut later keerde hij terug met het verlangde
voorwerp over den arm.

--"André geeft zich waarlijk te veel moeite," zeide Lidewyde. "Waarom
ook maak ik misbruik van zijne goedheid? Doch daar komt hij reeds aan,
belast en beladen."

Zij wendde zich om en ging hem te gemoet. Op hetzelfde oogenblik kwam
Ruardi Emma aanspreken.

--"Gij maakt mij verlegen, André," zeide zij halfluid, zoodat de
anderen haar niet verstaan konden. "Doch ik wil niet ondankbaar zijn.
Al hetgeen ik laatst gezegd heb van uwe koelheid jegens Emma neem ik
terug. Gij zijt heden avond de teederheid-zelve geweest, en ik mag van
geluk spreken dat gij tijd gevonden hebt om aan mijn sjaal te denken.
Anders om, als ik u verzoeken mag."

Zij keerde hem op de plaats-zelve den rug toe en boog zich neigend een
weinig achterover, ten einde den doek, dien hij met beide handen
omhoog hield, op hare schouders te ontvangen.

--"Nu dan?" vroeg zij, toen hij scheen te aarzelen.

--"Daar is de doek," fluisterde hij op zijne beurt, zich over haar
heenbuigend. En onder het omslaan roerde hij met zijne lippen de
blonde aan, die haren hals bedekte.

--"Dank u," zeide zij; en de toon waarop zij die woorden uitsprak,
was, hoewel onderdrukt, tegelijk zoo natuurlijk en zoo ongewoon, dat
hij onmogelijk bepalen kon of hare betuiging van erkentelijkheid de
eene daad of de andere gold.



DERDE BOEK.

NEMESIS.



EERSTE HOOFDSTUK.


Een apostolische vermaning wil, dat elk mensch volkomen verzekerd zal
zijn in zijn gemoed; en indien de menschelijke lotbestemming aan het
opvolgen van vermaningen hing, zou den uitvinder dier les de kroon der
wijsheid toekomen. Doch ziehier een jong meisje van twintig jaren,
beminnelijker en schranderder dan de meeste, bezield met de beste
bedoelingen, en, naar de wereld gesproken, zoowel geneigd tot alle
goed als onbekwaam tot eenig kwaad. Had zij over een koningrijk te
beschikken, zij zou het u schenken, indien zij tot dien prijs vrede
bekomen kon; doch haar gemoed is verdeeld, zij wordt her- en derwaarts
geslingerd, en geene magt op aarde schijnt in staat, haar te verlossen
van hetgeen haar de borst beklemt.

Daareven, na het ontbijt, had Emma de ronde gedaan van freule Bertha's
tuin; zonder schroom gebruik makend van de vergunning der gastvrouw om
zoo vele bloemen te snijden als zij voor hare aquarel noodig meende te
hebben. Thans zat zij op hare kamer, boven aan de straat, en de
vruchten van haren strooptocht stonden in een kristallen beker,
halverwege met water gevuld, voor haar op de tafel. Zij kon getuigen
dat freule Bertha's hof medeviel, wanneer men er eenmaal den weg in
wist. De bloemen der oude dame mogten geene geleerde namen dragen of
niet modieus gerangschikt zijn, zij waren goed gekweekt en krachtig.
Gewapend met eene monsterschaar, wier oogen hare kleine vuist
omspanden evenals het gevest van een degen dit zou gedaan hebben (van
vader op zoon had het huis Steinmetz zich van die schaar bediend om
bladen papier mede door midden te snijden, en freule Bertha meende het
aan haar voorgeslacht verpligt te zijn, dat erfstuk door het gebruik
in eere te houden), was Emma langs de bedden gewandeld en had zij hare
keus gedaan. Doch het genoegen, waarmede zij den tuin doorkruist en
haren ruiker geschikt had, was van korten duur geweest. Op hare
kamer gekomen, had zij de bloemen in het water gezet en haar
teekengereedschap voor den dag gehaald; naauwelijks evenwel was zij
gereed met eene schets, of zij legde hare potlooden en hare penseelen
naast zich neder, schoof hare kleurendoos op zijde, stond op en ging
aan hare schrijftafel zitten. Doch ook de brief naar huis, waarmede
zij een begin gemaakt had en dien zij meende slechts voor het
opschrijven te zullen hebben, vlotte niet. Na eene poos, met de pen in
de hand, op het halfgevulde blad papier te hebben gestaard stond zij
nogmaals op en beproefde haar teekenwerk te hervatten.

Hetgeen haar verdrietig, neen rampzalig maakte, was dat zij niet tot
een besluit kon komen omtrent haar verblijf te M. en, in verband
daarmede, omtrent André. Al de twijfelingen, die zij eerst zoo moedig
ter zijde had gesteld, waren met vernieuwde kracht teruggekomen. Zij
wist niet langer wat zij aan hem had. Het was of hij eensklaps te M.
aan allerlei invloeden blootgesteld was geworden, welke vroeger òf
niet op hem gewerkt hadden, òf krachteloos gebleven waren. Daar was
vooreerst Lidewyde met haar schitterend toilet, hare wereldsche
schoonheid en hare pikante konversatie. Dan Sarah met hare
geheimzinnige levensgeschiedenis en haar noodlottig ongeloof; Adriaan
Dijk met zijne onbeduidendheid en zijne rijkdommen; Lefebvre, die zich
wel slechts van tijd tot tijd vertoonde, maar zoo vaak hij kwam een
nieuwen voorraad verblindende gezegden medebragt; Ruardi wiens
denkbeelden bij André voor orakelspreuken golden, en die ja vaak met
ingenomenheid verhaalde van zijn vromen vriend Eduard Stephenson, den
kapelaan, doch wiens eigen leven blijkbaar geheel en al omging buiten
iederen God en elk gebod. Freule Bertha-zelve was van lieverlede in
Emma's oogen medepligtig geworden aan de algemeene zamenspanning, en
dagelijks werd het haar onverklaarbaarder, hoe zoo veel deugd en
godsdienstigheid gepaard konden gaan met eene zoo sterke mate van
verblinding. Zij zou hebben durven zweren dat op Soekabrenti eene
intrige gesponnen werd, waarin André meer en meer verward geraakte.
Liet zij aan hare opgewekte verbeelding den vrijen loop, dan zag zij
de woning van Adriaan Dijk doorzigtig worden en de gedaante aannemen
van een reusachtig web. In het middenpunt van dat weefsel huisde eene
monsterspin, niet een dier afzigtelijke dieren, wier lijken in muzeums
van natuurlijke historie tentoongesteld worden, maar een fraaigevormd
levend insekt, al de kleuren van den regenboog vertoonend en gekroond
met een vonkelenden diamant. Het deed denken aan de fantastische
dieren uit het boek der Openbaring in freule Bertha's bijbel, op wier
voorhoofden onheilspellende namen geschreven staan. De spin heette
=Lidewyde=, en wanneer men haar riep, kwam zij naar u toe, even als een
mak vogeltje uit vreemde luchtstreek, dat in ons noordelijk klimaat is
uitgebroeid en zijne schuwheid heeft afgelegd. Niettemin was zij eene
arachnide, gelijk men bemerken kon aan de kleinere insekten, die, als
in een lijkkleed van natuurlijke draden gewikkeld, levenloos in haar
web hingen. Het was Emma, alsof zij in een dier slagtoffers haar eigen
beeld herkende. Of neen, zijzelve kon zich nog roeren, en ofschoon
gevangen in het verraderlijk weefsel, was de kracht om adem te halen
en zich te weer te stellen nog niet geheel en al van haar geweken.
Doch hoe zij zich ook inspande om een van hare medegevangenen te hulp
te komen, uit wiens brekend oog de ziel van André tot haar sprak, zij
kon hem niet bereiken; en wat smartelijker was dan al het overige, hij
scheen zich om haren bijstand niet te bekommeren. Als een bedwelmde
liet hij zich vaster en vaster in de fijne ketenen klinken, door de
schitterende spin voor hem bestemd. Reeds waren zijne vleugelen
omwoeld, en binnen het uur zou het met hem gedaan zijn.

Doch droomen zijn bedrog, dacht Emma; en met eene driftige beweging
der hand vaagde zij het vizioen door midden, op het oogenblik-zelf dat
hare fantazie het voltooid had. André behoorde haar toe, en niemand
zou hem haar ontrukken: dit stond vast. De menschen twistten onder
elkander, tot in de kerken toe, over de vraag of wonderen mogelijk
waren; doch wat gingen haar die afgetrokken kwesties aan? Onmogelijk
was het dat André voor haar verloren ging: meer behoefde zij niet te
weten en dit ééne was genoeg voor hare rust. Doch kon zij aan den
anderen kant de oogen voor het daglicht sluiten? Al stelde zij de
insinuaties van Ruardi op rekening van diens karakter,--want wie was
Ruardi, dat zij aan zijne woorden meer waarde gehecht zou hebben dan
aan de inspraak van haar eigen gevoel?--zij kon niet loochenen dat
Lidewyde een magtigen invloed uitoefende op André. Aan alles was dit
merkbaar, en duidelijkst van al aan het jagen van haar eigen hart,
wanneer zij eene enkele maal met Lidewyde alleen was. Dan brandden
woorden des verwijts haar op de lippen, en slechts met de grootste
inspanning gelukte het haar, niet al te zeer te verraden hetgeen
omging in haar gemoed. Wie had gedacht, dat zij in haar eenvoudig
leven ooit zulk een strijd zou hebben te voeren? Eene gehuwde vrouw
hare medeminnares! Haar bruidegom luisterend naar de vleitaal van een
misdadigen hartstogt! Hare eigen wenken voor die van Lidewyde
versmaad! André's hart gespannen in het gareel van Lidewyde's oogen!
En dat dit laatste werkelijk het geval was,--Emma zou vrouw noch bruid
hebben moeten zijn, om aan dat feit te kunnen twijfelen.

De toestand was onhoudbaar geworden, dit erkende zij, en weder keerde
zij naar haren brief terug. Zonder alles te zeggen, zou zij zorg
dragen dat hare moeder alles wist. Het kwam er slechts op aan, een
geschikten vorm te vinden. Zij wilde niet, dat hare ouders André
verstooten zouden; daarom zou zij vermijden, hem regtstreeks van
ontrouw te beschuldigen. Doch zij kon duidelijk genoeg op een begin
van verkoeling zinspelen, meende zij, om te bewerken dat zij uit haar
folterverblijf te M. verlost en naar Belvedere opontboden werd. Meer
was voorshands niet noodig. Hare vrouwelijke waardigheid gedoogde
niet, dat zij langer bleef waar zij was: daaromtrent was zij het met
zichzelve volkomen eens. Ook dit was uitgemaakt, dat André eene
gevoelige les verdiende. Welnu, zij zou het een met het ander
verbinden, en het volgen van dien middenweg zou haar vrede schenken.

Zij tastte naar de pen, bragt de hand aan het voorhoofd, vond de
juiste uitdrukking niet voor hetgeen zij zeggen wilde, en ontwaakte
uit hare mijmering--kleuren zoekend voor haar penseel. En dat zoeken
was vergefelijk. De volleerdste toovenaar uit de school der
aquarellisten zou bij den eersten greep de warme donkerroode tint niet
hebben gevonden, vereischt om regt te doen aan den gloed van gindsche
François Premier. Emma had gedaan wat zij konde om die roos uit haren
ruiker te weren, doch de magt der herinneringen was eene te sterke
verleiding geweest. Vruchteloos had eene Rose la Reine de scherpte
van hare gewapende hand gevoeld; vruchteloos was daarnevens eene
Gloire de Dijon op het altaar van den minnenijd geslagt; vruchteloos
was de hekatombe voltooid door het offeren eener Malmaison van de
eerste grootte. Vorstelijk prijkten die bloemen tusschen het
bruinachtig groen der provincierozen, en wijd openden zij hare harten
van satijn. Tegelijk geestig en bescheiden hieven de bonte
cancellaria's hunne kopjes naar haar op en bogen de violetkleurige
heliotropen zich ootmoedig voor haar neder. Hoe bevallig ook lieten de
fuchsia's hare kelken hangen over den rand van het glas! Het mogt niet
baten. De eene roos, welke het laatst van al voor Emma's schaar
bezweken was, overschaduwde den geheelen ruiker, en even als de maan
en de sterren in Jozefs droom, schenen hare zusters en hare speelnoten
alleen geschapen te zijn om hulde te bewijzen aan deze rijzende zon.
Hoe was het mogelijk, dacht Emma, dat zij den naam dier bloem, in eene
harer brieven aan André, tot een voorwerp van scherts had gemaakt?
Helaas, François Premier was slechts al te zeer de type van den wuften
minnaar; het bloedig en tragisch rood der onbedachtzaam naar hem
genoemde bloem in vollen ernst de kleur der trouweloosheid. Met een
gemengd gevoel van welgevallen en afschuw vulde zij keer op keer haar
penseel met het donkerst karmozijn. De tinten op het papier werden
zwaarder, en naarmate de andere bloemen vorderden, kwam ook de
noodlottige roos meer en meer uit. Bestond er een geheim verband
tusschen het hart dier bloem en het hart van André? Was het een genot
voor Emma, het eene dier harten tot in zijne fijnste plooijen te
onderzoeken, en hoopte zij door die studie den weg naar het andere te
zullen terugvinden? Of gehoorzaamde zij alleen aan die verleidelijke
aandrift, welke ons in dagen van smart behagen doet scheppen in het
loswoelen van ons eigen wee? Teekende zij het eigenwillig door haar
gekozen beeld der ontrouw alleen hierom na, dewijl het haar verademing
schonk eenen arbeid te volbrengen, die haar tegelijk aan hare
gepeinzen ontvoerde en toch haar telkens in dat schemergebied
wederbragt?... Zij was niet ontwikkeld genoeg om zich van de motieven
harer daad rekenschap te kunnen geven, doch dit gevoelde zij, dat haar
geluk op één na verwoest was. En niemand kon loochenen, dat er eenige
overeenkomst bestond tusschen de gedachte, welke haar naar hare
penseelen deed grijpen, en het lied der arme linnennaaister die bezig
was haar eigen doodshemd te zoomen.



TWEEDE HOOFDSTUK.


In weerwil van Emma's ijver was de teekening nog in lang niet
voltooid, toen zij een welbekenden voetstap de deur harer kamer hoorde
naderen. IJlings op te staan; het glas met bloemen op den rand van den
schoorsteenmantel te plaatsen, waar zij niet in het oog vielen; een
blad papier over hare schets te werpen; al de sporen van haren arbeid
te verwijderen en zich weder aan hare schrijftafel te plaatsen, was
het werk van een oogenblik. Het gevoel van gekwetste fierheid had
eensklaps weder de overhand bekomen in haar gemoed, en voor al het
goud der wereld had zij niet door André verrast willen worden te
midden harer gewaarwordingen van daareven.

--"Mag ik binnenkomen?" vroeg hij, aankloppend en de daad bij het
woord voegend.

Zij zag op van haren brief en antwoordde:

--"Jawel, André."

Er is in de intonatie, waarmede de vrouw die hij heet lief te hebben,
of werkelijk liefheeft, hem ontvangt en zijnen welkomstgroet
beantwoordt, iets waaromtrent geen man zich vergissen kan. Al was Emma
naar hem toegesneld; al had zij hare armen om zijnen hals geslagen en
de grootste blijdschap over zijne komst geveinsd,--André zou in het
diepst van zijn hart gevoeld hebben, alleen afgaande op den klank van
hare stem, dat nogmaals tusschen hem en haar een scheidsmuur verrezen
was. Te dieper gevoelde hij dit, nu hij noch omhelsd, noch verwelkomd
werd.

--"Mijn God, Emma, wat scheelt er aan?" vroeg hij, zich nederzettend
in een fauteuil dien zij hem niet aangeboden had.

Zij droeg hetzelfde ochtendgewaad als anders, effen lichtgrijs met
groen belegsel; haar kapsel had geene verandering ondergaan; hetzelfde
lint onder een glad kraagje van dezelfde snede, viel met twee korte
slippen neder op hare borst, en om haar middel sloot hetzelfde
ceintuur. Al de keeren dat André haar in deze dagen een morgenbezoek
had gebragt, had zij er even zoo uitgezien als nu. Ook vertoonden zich
op haar gelaat geene sporen van tranen of van ligchamelijke
vermoeidheid, overblijfselen van een doorgewaakten nacht. Toch hadden
hare trekken eene nieuwe uitdrukking bekomen, en zag zij er
vrouwelijker, volwassener, weerbaarder, minder kinderlijk uit dan
voorheen.

--"Ik heb dadelijk begrepen," zeide zij kortaf, "dat ik hier niet op
mijne plaats zou zijn; en het is uitgekomen zooals ik gedacht had. Ik
had te Duinendaal moeten blijven bij mijne ouders."

--"Maar hoe is het mogelijk, lieve Emma..." begon André. Doch zij liet
hem niet uitspreken.

--"Val mij niet in de rede," ging zij voort, met nog gebiedender
stembuiging dan daareven, "en veins geene genegenheid, die gij niet
meer gevoelt. Uw hart behoort aan Lidewyde, en iederen keer dat gij
mij lieve Emma noemt, spreekt gij onwaarheid. Ik zit aan mijne moeder
te schrijven, dat ik hier geen dag langer blijven wil. De brief wordt
heden verzonden."

--"Zou zij iets weten?" vroeg André zich af. "Maar dat is onmogelijk.
Zij heeft niets kunnen zien, niets kunnen hooren. En hoe onregtvaardig
van haar, mij te verwijten dat ik haar niet liefheb!"

--"Emma," vervolgde hij overluid, en de toon van beleedigde onschuld,
dien hij aansloeg, was te opregter, naarmate hij zich stelliger
voorgenomen had, voortaan geen enkel gemeenzaam woord met Lidewyde
meer te wisselen, laat staan haar te kussen,--"Emma, gij valt mij
tegen. Dat gij jaloersch zijt van Lidewyde, is kinderachtig van u;
maar schandelijk noem ik het, u daarover op mij te wreken."

--"Indien gij mij liefhadt," antwoordde zij, "zoudt gij deelen in
mijne jaloezie, in plaats van daarover met minachting te spreken.
Denkt gij, omdat ik schertsen kan,--schertsen kon, moest ik zeggen,
want ik kan het niet meer,--denkt gij met mij te kunnen spelen? Ik had
wijzer moeten zijn, en mij nooit aan u moeten hechten. Toen ik u
leerde kennen, ben ik voor fabelen gaan houden hetgeen ik van
trouwelooze minnaars gehoord en gelezen had; doch gijlieden kunt niet
anders, schijnt het wel. Het ligt in uw aard. Eene vrouw heeft maar
één woord, en wanneer zij dat woord gegeven heeft, doet zij het
gestand; doch gij, gij weet niet wat het is, lief te hebben. Ga weg
van mij, man zonder hart!"

--"Emma, Emma, hoe draaft gij door! Weet gij wel, wanneer ik u zoo
hoor spreken, dat ik regt zou hebben, ernstig boos op u te worden?"

--"Schijnheilige die gij zijt! Zie ik niet met open oogen, dat uwe
Lidewyde en haar dokter u betooverd hebben? Indien mijn verdriet en
mijne vreugde de uwe waren, gelijk het betaamde, zoudt gij dan tot mij
spreken op een toon, alsof ik uwe vergiffenis behoefde, in plaats van
gij de mijne? Doch ik schenk u geene vergiffenis. Een man, die
vergiffenis noodig heeft, verdient geene plaats in het hart eener
vrouw."

Het klimmen van Emma's drift deed André's ongeduld bovenkomen en
versterkte hem in de overtuiging, dat, mogt hij zich al iets te
verwijten hebben, er niet de minste evenredigheid bestond tusschen het
door hem gepleegd misdrijf en Emma's vonnis.

--"Mag ik weten," vroeg hij, "met welk regt gij op nieuw, van mijne
Lidewyde spreekt, en wat Lidewyde's dokter te maken heeft met ons
onderhoud? Een onderhoud, dit moet ik u zeggen, dat mij zeer mishaagt,
en waarvan ik om uwentwil wenschte, dat het eene andere wending
genomen had."

Doch dit was olie in het vuur.

--"Het pleit niet voor u," zeide zij, "dat gij in mijne
tegenwoordigheid Ruardi's verdediging op u durft nemen. Of zijt gij de
eenige in deze stad, die zijne geschiedenis niet kent? Moet gij van
mij vernemen, dat hij een glimlagchende booswicht is, die er zijn
bedrijf van maakt, onschuldige vrouwen en meisjes in het verderf te
storten? Ach, dat ik aan uwe onnoozelheid gelooven kon! Maar dat gaat
niet aan, en dat wil ik ook niet. Onnoozele mannen zijn niet van mijne
gading. Indien gij niet slecht waart, of niet bezig om slecht te
worden, zoudt gij Ruardi verafschuwen. Maar gij zoekt zijn gezelschap,
gij schept behagen in zijne gesprekken, gij bewondert en vereert hem,
even als gij keer op keer aan de lippen van zijnen vriend Lefebvre
hangt."

--"En wat, in 's hemelsnaam hebt gij op Lefebvre aan te merken?
Lefebvre is de ingetogenheid in persoon; iemand die leeft als een
kluizenaar en zich met niets anders bezig houdt als met zijne
klienten."

--"Ik zeg niet dat mijnheer Lefebvre een slecht mensch is, zooals
Ruardi, maar alleen dat hij u verkeerde dingen in het hoofd brengt. Al
is hetgeen hij denkt en zegt misschien onschadelijk voor hem zelven,
voor u deugt het niet. Voorheen, wanneer ik u met mijn vader hoorde
spreken, waart gij eenvoudig en zeidet ronduit uwe meening; nu
daarentegen oppert gij telkens allerlei vreemde denkbeelden, waarvan
men duidelijk bemerken kan dat zij niet uit uzelven komen."

--"En ik zeg u, dat van een man als Lefebvre in veertien dagen meer te
leeren valt dan men in een half dozijn jaren gewone menschen leert.
Lefebvre is een der uitstekendste personen van ons land."

--"Van Ruardi kunt gij misschien hetzelfde zeggen, maar dat neemt niet
weg dat hij een verdorven schepsel is, wiens omgang gij behoordet te
mijden. Waarom weidt gij uit in den lof van Lefebvre? Heb ik gezegd,
dat mijnheer Lefebvre zich slecht gedroeg? Het bewijst tegen u, dat
gij den eenen van uwe afgoden gebruikt om er den anderen achter te
verbergen. Ik zou van mijnheer Lefebvre niet gesproken hebben, indien
ik het niet schande vond, dat gij tevens het hof maakt aan Ruardi en
aan hem."

--"Ik maak het hof niet aan Ruardi," viel André haar in de rede, even
driftig als zij. "Ik bewonder hem niet, ik vereer hem niet, ik hang
niet aan zijne lippen, niets van dat alles. Ik laat hem alleen regt
wedervaren. Wie u verteld kan hebben, dat hij een verachtelijk mensch
is, weet ik niet en raakt mij niet. Freule Bertha vast; want zoo zijn
de oude vrijsters. Hij is een man met een helder hoofd en die verder
ziet dan de meesten; dat is al. Waarom behagen mij zijne gesprekken?
Omdat hij vernuft heeft. Geleek hij op mijn zoetsappigen neef Adriaan,
in wien ik mij zoo jammerlijk bedrogen heb en die iederen dag meer
tegenvalt"...

--"Uw neef Adriaan", riep zij uit, bleek van verontwaardiging, "uw
neef Adriaan is een beter mensch dan òf uw vriend Ruardi, òf
gijzelf... op dit oogenblik. En al was hij een onbeduidend persoon,
geeft dit Ruardi het regt, hem zijne eer te ontrooven? Den man, wiens
vriend hij heet, wiens huis voor hem openstaat, die hem ontvangt aan
zijne tafel? Ruardi is een monster, zeg ik u, en Lidewyde is zijne
maîtres."

Onder het uitspreken van dit laatste woord, dat zij in haar geheele
leven nog nooit overluid gebezigd had, stroomde het bloed weder naar
Emma's wangen. Zij bloosde; en indien André op dat oogenblik zichzelf
was geweest en haar had aangezien, zou hij misschien tot andere en
betere gedachten gekomen zijn. Misschien ook niet, want de aanblik der
eerbaarheid treft meer dan zij verteedert. Doch getroffen was hij dan
toch, en Juist om die reden hield hij de oogen naar den grond
geslagen. Hetgeen Emma van Ruardi's betrekking tot Lidewyde beweerde,
beschouwde hij als laster; het stemde in het geheel niet overeen met
hetgeen hij daaromtrent van Sarah wist. En wie was aangaande deze zaak
beter ingelicht dan Sarah? Doch reeds de onderstelling, dat Lidewyde,
die dan toch zelve erkende dat Ruardi haar het hof maakte, iets voor
dien man gevoelen zou, vervulde hem met wrevel. Nog zeer kort geleden
was hijzelf van oordeel geweest dat Lidewyde juist eene vrouw was om
een minnaar te hebben, en had hij het denkbeeld, dat Ruardi die
minnaar was, zelfs zeer aannemelijk gevonden. Doch toen kende hij
Lidewyde nog bijna in het geheel niet, en er was tusschentijds eene
groote verandering gekomen in zijne meening omtrent haar. Lidewyde
mogt hare gebreken hebben, hij kon niet verdragen, dat iemand, wie dan
ook, met minachting over haar sprak; en dat Emma dit deed stond haar
leelijk, want steeds was Lidewyde, wanneer Emma's naam in hare
tegenwoordigheid genoemd werd, overvloedig geweest in haren lof.

Minder stuitte het hem tegen de borst dat Emma den dokter zwart
maakte. Er was ongetwijfeld veel overdrevens in de voorstelling die
zij zich van hem vormde, en blijkbaar verkeerde zij te zijnen aanzien
onder den invloed van kwaadsprekende tongen. Doch hij begon nu zelf te
vinden dat er voor hem redenen konden zijn om Ruardi te haten.
Lidewyde zwak voor Ruardi? Het was niet mogelijk, dat eene zoo
schoone, zoo schrandere, en bovenal zoo door en door goede vrouw in
die mate met blindheid geslagen zou zijn.

--"Arme Lidewyde," dacht hij bij zichzelven, terwijl een droefgeestige
trek zich om zijnen mond plooide, "hoe miskent men u!" Overluid voegde
hij er bij: "Gij weet niet half, Emma, hoe uwe woorden mij door de
ziel snijden."

Die toon en dat waas van weemoed over zijn gelaat misleidden Emma. Zij
begon berouw te gevoelen over hare heftigheid van daareven. Met welk
regt, vroeg zij zich af, had zij den teugel gevierd aan haren
hartstogt? Was drift het middel om André tot inkeer te brengen? En
indien hij onschuldig was, wat moest hij van haar denken? Welke
bewijzen kon zij aanvoeren tot staving van Ruardi's wangedrag en
Lidewyde's ligtzinnigheid? Waaruit bleek het, dat de scherpzinnigheid
van hare zegslieden gelijken tred hield met hunne goede trouw?
Bovendien, al was Lidewyde de koketterie in persoon en Ruardi een
onverbeterlijke slechtaard, was André daarom minder André? Had zij hem
niet lief met hare geheele ziel? En indien eenig gevaar hem dreigde,
was zij niet de aangewezen persoon om hem daartegen te beschermen?

Er volgde eene verzoening, zoo vleijend voor André's eigenliefde als
hij slechts wenschen kon. Emma knielde naast hem neder, greep zijne
handen, en kuste die.

--"Vergeef het mij," zeide zij, "dat ik mij daareven zoo dwaas heb
aangesteld. Ik heb u bedroefd, maar het was uit liefde. Wat gaat mij
Lidewyde aan? Wat kan mijnheer Ruardi mij schelen? Aan uw hart heb ik
genoeg."

André verkeerde in een ligt vermurwbare stemming, en om te toonen dat
hij op het punt van edelmoedigheid voor niemand behoefde onder te
doen, zeide hij, haar op het voorhoofd kussend en hare blonde lokken
streelend:

--"Ik geloof, Emma, dat uw oordeel over Ruardi inderdaad juister is
dan het mijne. Hij is minder slecht dat gij denkt, veel minder; en
toch gevoel ik dat zijne conversatie mij niet lijkt. Zelfs erken ik,
dat in zijne gesprekken onder vier oogen iets onvoegzaams is. Men kan
een jong weduwnaar, die zulke gevoelens koestert, niet ten volle
vertrouwen, en daarom, ik beloof het u,--ik zal zijnen omgang mijden
en hem van nu af op een afstand houden."

Voor Emma's gemoedsrust zou het meer waard geweest zijn, indien André
eene soortgelijke gelofte omtrent Lidewyde had gedaan, en vooral,
indien hij dien eed nagekomen was. Doch zij was te gelukkig om deze
leemte in zijne toezeggingen thans op te merken, of de portée daarvan
te beseffen. En ook =zijn= geluk was, menschelijkerwijze gesproken, op
dit oogenblik volkomen. De gedachte aan Lidewyde sluimerde zachtkens
op den achtergrond van zijn gemoed; terwijl niets hem verhinderde, nu
Emma die herinnering met vrede liet, te genieten van Emma's
tegenwoordigheid. Niet-alleen haatte hij Emma niet en zou hij om niets
ter wereld zijne verbindtenis met haar hebben willen verbreken, maar
hij gevoelde, dat hij haar hartelijk liefhad; vooral nu hij als van
ouds den arm geslagen hield om haar lief figuurtje, en zij haar
geestig kopje weder rusten liet aan zijne borst. Met het meeste
welgevallen dacht hij op nieuw aan de toekomst; aan het stil en
minzaam leven, dat hij aan Emma's zijde slijten zou; aan de
onveranderlijke getrouwheid, waarmede zij aan hem gehecht zou blijven;
aan dien kleinen hemel op aarde, waarvan hij zoo vaak had gedroomd.
Beter maakten die gedachten hem op dit oogenblik niet, maar wel
aandoenlijker; en aangedaan-zijn is in den regel eene streelender
gewaarwording dan beter-worden.

--"En wat," vroeg hij op innemenden toon, toen zij als tortelduiven
eene poos kussend gekeuveld hadden,--"wat zal nu, lieve, het onderpand
van onze verzoening zijn?"

Als bragt die vraag een plan tot rijpheid, dat reeds geruimen tijd
door haar gekoesterd was, rees zij op en greep het blad papier,
bestemd geweest om een brief aan hare moeder te worden. Een kenner van
autografen zou het niet ontgaan zijn, dat het schrift van dien brief
teekenen van toorn vertoonde; en aan het gevloeide van sommige woorden
zou hij bespeurd hebben, dat de droefheid, onder het schrijven, hier
en ginds de overhand bekomen had op de verontwaardiging. Doch André
was in die wetenschap niet te huis, en toen Emma het blad lagchend
omhoog hief en er mede wuifde, zag hij alleen dat van de vier zijden
reeds drie beschreven waren.

--"Plaaggeest!" riep zij, op vrolijken toon; "moet gij dan in alles uw
zin hebben? Zie hier!"

Zij scheurde den brief in honderd stukjes en strooide hem de snippers
in het haar.

--"Nu poeijert gij mij voor den tijd," schertste hij, zich den
papieren regen van het hoofd schuddend. "Doch zoo goedkoop komt gij er
niet af. Uw horloge zal ik u laten houden, want gij moet kunnen zien,
wanneer het oogenblik daar is om mij te verdrijven, maar indien gij
mij niet uw mooisten bracelet, uwe mooiste broche, uw mooiste
oorbellen tot onderpand geeft, zal ik niet gelooven dat gij het
eerlijk meent."--"Ik zie wel, mijnheer," antwoordde zij, te gelijk
lagchend en blozend van geluk, "dat het oogenblik om u te verdrijven
sedert lang gekomen is. Gij wordt lastig. Doch indien gij een
onderpand begeert," ging zij voort, eensklaps ernstig wordend en
terwijl de tranen haar in de oogen sprongen, "neem dit!" Zij plagt om
den hals een fijn zwart koord te dragen, waaraan een medaljon
bevestigd was. Het kleine ronde glas met den gouden rand bevatte niets
anders als aan de eene zijde een gitzwarten haarlok, eene herinnering
aan haar broeder Reinier, de vroeggestorven bloem van haar geslacht,
en aan de andere zijde een grijzen lok van haren vader, gestrengeld
door een blonden van hare moeder.

--"Het is," zeide zij, koord en medaljon André in de hand en op zijne
hand een kus drukkend, "het is mijne reinste en heiligste
gedachtenis."



DERDE HOOFDSTUK.


Met een verruimd hart trad André een uur daarna de hem welbekende
tuinkamer binnen, waar Lidewyde en haar echtgenoot, wanneer zij geene
gasten hadden, of alleen zulke die zij tevens als halve huisgenooten
beschouwen mogten, plagten te ontbijten. Hij vond de tafel gedekt, en
den knecht, Isidoor, bezig met het rangschikken van zilver en kristal.
Volgens de pendule was het bij éénen.

--"Is mijnheer Dijk nog in de stad?" vroeg hij den knecht, meer om
iets te zeggen, dan uit wezenlijke belangstelling.

--"Ik vermoed van ja, mijnheer," antwoordde Isidoor. "Mevrouw is
uitgereden, maar mijnheer wordt gewacht."

--"Komt mevrouw niet ontbijten, denkt gij?"

--"Ik geloof het niet, mijnheer. Den tweeden donderdag van elke maand
is het vergadering van het Fundatiehuis, waar mevrouw regentes van is.
Het Fundatiehuis is zoo veel als een weeshuis, mijnheer. Knappe
burgerkinderen worden er opgeleid voor dienstmeisje. Ik heb er een
zuster."

--"Jawel," zeide André, die zich herinnerde Lidewyde over die
inrigting te hebben hooren spreken.

--"Een weeshuis is het eigenlijk niet, mijnheer, want mijn vader en
moeder leven nog. Ook dragen de meisjes elk haar eigen kleeren en
behoeven niet twee aan twee achter elkander over straat te gaan.
Iederen ochtend komt de oudste dominé een hoofdstuk uit den Bijbel
lezen. Dat is in het testament bepaald."

--"En wanneer de meisjes ziek zijn, worden zij in het huis verpleegd,
niet waar?"

--"Om u te dienen, mijnheer. Mijnheer Ruardi is er vaste dokter."

--"Nu, daar zullen zij niet kwalijk bij varen. Zulke knappe dokters
zijn er niet veel."

Isidoor had zijne zuster wel eens hooren verhalen, dat de kennismaking
met mijnheer Ruardi sommige meisjes van het Fundatiehuis naderhand
juist niet ten zegen geweest was. Hij vond het evenwel niet noodig,
dit mede te deelen aan den logeergast, die een vriend van den dokter
scheen te zijn. Bovendien werd er aan de voordeur gescheld, en zijne
funktien als dorpelwachter gedoogden niet, dat hij thans nieuwe vragen
uitlokte of beantwoordde.

Thuisgekomen van zijn bezoek bij Emma, had André zich een oogenblik
naar zijne kamer begeven en eenig toilet gemaakt. Nu Isidoor hem
alleen liet, en hij niets anders te doen had als het vertrek op en
neder te wandelen, wierp hij beurtelings een blik in verschillende
spiegels. Het zou valsche nederigheid geweest zijn, indien hij met het
resultaat van zijne waarnemingen in het geheel geen vrede had gehad.
Met betrekkelijk welgevallen bezigtigde hij zijn zwart fluweelen vest,
dat goed kleurde bij zijn blonde haren en zijn blonden knevel en een
aangenaam geheel vormde met zijn grijzen pantalon en zijn gekleed
jasje van donkerbruin laken. Hij betastte met de eene hand zijn
horlogeketting, met de andere de bloedkoralen knoopjes in zijn keurig
overhemd. Daaronder sluimerde thans het hem door Emma geschonken
medaljon, dat hij met hetzelfde koord, waaraan zij het om haren hals
plagt te dragen, om den zijnen bevestigd had. Wanneer hij eene kleine
voorwaartsche beweging met het bovenlijf en daardoor tevens in den
spiegel eene ligte buiging voor zichzelven maakte, kon hij het
medaljon voelen heen en weder schuiven langs zijne borst. Toen hij
voetstappen hoorde in den gang en de stem van zijnen gastheer meende
te herkennen, trad hij ijlings naar het venster, ten einde Dijk bij
het binnentreden in den waan verkeeren zou, dat hij zich den tijd had
gekort met Lidewyde's bloemenmand te bewonderen.

Adriaan was in =high spirits=. Hij had dien ochtend te gelijk met een
brief van Lefebvre, het berigt inhoudend dat zijne verkiezing zoo goed
als verzekerd was, een verblijdend handelstelegram uit het buitenland
ontvangen. Met ongemeene graagte,--want hij behoorde niet tot degenen
wier eetlust door aangename tijdingen bedorven wordt,--drong hij
André, zich aan tafel te zetten. Lidewyde zou niet verschijnen, zeide
hij, en hij verontschuldigde hare afwezigheid met dezelfde redenen die
reeds door Isidoor aangevoerd waren. Ofschoon André kort te voren door
geheel andere aandoeningen bestormd was geworden als zijn
bloedverwant, had zijn appetijt daaronder weinig minder geleden dan
die van Adriaan. Vooral de moezelwijn, waarmede zijn gastheer hem
aanmoedigde brood en vleesch te besproeijen, smaakte hem kostelijk.

--"Het spijt mij geducht," zeide Dijk, "dat ik u van middag alweder
geen gezelschap zal kunnen houden. Doch het rijtuig is tot uwe
dispositie, gelijk gij weet. Zoo gij met uw meisje een toertje wilt
gaan maken, bekommer u dan noch om Lidewyde, noch om mij."

--"Zeer verpligt," antwoordde André, "maar Emma heeft van daag wat
hoofdpijn, en ik denk van mijne verlatenheid gebruik te maken om
brieven te schrijven."

--"Zoo als gij wilt. Vrijheid blijheid. Mag ik u nog een glas wijn
verzoeken? Dank u. Geurige Pisporter, vindt gij niet?"

André vond den Pisporter geuriger dan ooit; en toen Dijk hem verlaten
had om naar zijn kantoor terug te keeren en van daar naar de beurs te
gaan, bleef hij nog eene poos aan tafel zitten en ledigde hij langzaam
zijn derde of vierde glas. Onder den opwekkenden invloed van den wijn
rekapituleerde hij nog eens zijn jongste gesprek met Emma en trachtte
hij zich rekenschap te geven van hetgeen hij thans gevoelde. De
slotsom was bevredigend. Het nakomen der gelofte, die hij bij
zichzelven had afgelegd, werd hem door Lidewyde's ongezochte
afwezigheid, en dat was een gunstig voorteeken, reeds aanstonds
gemakkelijk gemaakt. Wilden die voorspoedige gelegenheden zich slechts
vermenigvuldigen,--hij, voor zich, zou zich beijveren ze aan te
grijpen. Niets zou hem aangenamer zijn dan den tegenwoordigen stand
van zaken te doen voortduren. Hij beminde Emma, dat was een feit, en
zij kon er op rekenen dat hij haar getrouw zou blijven. Doch zij moest
niet jaloersch worden, en wanneer hij beleefd was voor andere vrouwen,
behoorde zij hem daarin zijnen gang te laten gaan. Ten opzigte van
Lidewyde kon zij dit gemakkelijker doen, omdat hij Lidewyde wel zeer
schoon--en hoe zou hij het noemen?--zeer appetissant vond, maar
geenszins van haar gecharmeerd was. Lidewyde was en bleef eene
getrouwde vrouw; eene vrouw, nu ja, waarmede hij, André, uit
tijdverdrijf een weinig koketteren mogt, en zij met hem, maar die
nimmer een ernstige hinderpaal kon worden voor zijne vereeniging met
Emma. Hij gevoelde alleen behoefte aan Lidewyde's onderscheiding. Zij
moest hem niet kunnen verwijten dat hij opging in een meisje als het
zijne; moest bespeuren dat hij kon liefhebben, voorzeker, doch tevens
dat hij een man was en niet een opgeschoten knaap.

--"Maar komaan," viel hij zichzelven in de rede, "Isidoor moet
afnemen, en het wordt tijd dat ik naar mijne kamer ga."

Op het portaal, boven aan den trap, ontmoette hij Sarah, die met eene
zwijgende buiging eenigzins ter zijde trad om plaats voor hem te
maken. Nog nooit tot hiertoe had hij zich naar zijne kamer kunnen
begeven zonder op de eene of andere wijze er aan herinnerd te worden,
dat Lidewyde eene vrouwelijke Cerberus nahield, die den toegang tot
hare appartementen versperde. Ook thans werd hem dit te binnen
gebragt, doch niet onder denzelfden onaangenamen vorm. Sarah toch was
gekleed om uit te gaan. Zij, die hij tot hiertoe steeds had aangemerkt
als een huiszittend wezen, hetwelk zich hoogstens, en dan nog wegens
dienstzaken, eene wandeling in den tuin veroorloofde, droeg heden,
even als andere vrouwen, een hoed en eene mantille. Zelfs zou hij
hebben durven zweren dat zij eene crinoline aan had. Nietige
omstandigheden, indien men wil, doch waaruit het geoorloofd was op te
maken, dat Lidewyde in de eerste twee of drie uren niet terug verwacht
werd. Dijk van huis, Lidewyde van huis, Sarah van huis: gunstiger
gelegenheid tot het beproeven van een onderzoek, hetwelk hij reeds
meer dan eens zou hebben willen instellen, kon zich bezwaarlijk
aanbieden.

Hij trad zijne kamer binnen, doch liet de deur achter zich open staan.
Niemand zou hem thans komen storen, en zonder onbescheidenheid kon
hij, voor hij aan zijne brieven begon, een paar malen het portaal en
den gang op en neder wandelen. Hij behoefde Lidewyde's vertrekken
immers niet binnen te treden, al verwijlde hij eene poos voor de deur
die tot het eerste daarvan toegang verleende? Toen hij evenwel ten
derde male tegenover de door geene engelen met vlammende zwaarden
bewaakte poort van het verboden Eden stilhield, stond Lidewyde's beeld
hem zoo levendig voor den geest en was hij zoozeer met de gedachte aan
haar vervuld, dat het niet onnatuurlijk scheen eene schrede verder te
gaan en de hand aan den kruk te brengen. Indien het bestaan-zelf van
sommige wezens, door de kracht der sympathie, zich aan ons schijnt
mede te deelen, zoodat het is alsof hun leven een deel uitmaakt van
het onze, waarom zou het dan ongeoorloofd zijn, zich in de
aanschouwing der onbezielde voorwerpen te vermeiden, die hen of haar
dagelijks omringen? Vermoedelijk beleed Emma daaromtrent gevoelens,
die van de zijne afweken; doch dit was geen beslissend argument. De
vrucht toch van zijne kennismaking met Lidewyde was juist, dat de
grenzen van Emma's superioriteit hem openbaar geworden waren. Hij
moest bekennen dat Emma met al hare beminnelijke eigenschappen niet
vrij was van zekere bekrompenheid in het oordeelen,--dezelfde formule
waarvan Lidewyde zich ten aanzien van freule Bertha bediend
had,--welke bezwaarlijk geacht kon worden tot het ideaal eener vrouw
te behooren. Ware zij hem op dit oogenblik plotseling verschenen en
had zij geraden wat hij ging doen,--zij ried veel, meer dan hem lief
was, meer zelfs dan hij somwijlen overeen kon brengen met eene
volkomen vrouwelijke onschuld,--dan zou hij om harentwil, en omdat
hij in spijt van hare gebreken innig veel van haar hield, zijn
voornemen hebben laten varen; niet omdat hij toestemde dat zijne
nieuwsgierigheid misdadig of ook maar berispelijk was, maar omdat hij
het wreed zou hebben gevonden, in Emma's tegenwoordigheid iets door te
drijven, wat haar onaangenaam bleek te zijn.

De eerste indruk, dien hij van Lidewyde's kamer ontving,--want hij had
André Kortenaer niet moeten zijn om thans buiten te blijven staan--was
verward. Om de brandende stralen der namiddagzon te weren, had Sarah,
voor zij heenging, al de jalousien gesloten, en het oog moest aan de
halve duisternis een weinig wennen. Weldra echter bemerkte André, dat
het vertrek, waarin hij zich bevond, slechts de inleiding was tot twee
of drie andere vertrekken, die te zamen den zuidelijken bovenvleugel
van Soekabrenti uitmaakten, en waarvan eerst het verst verwijderde,
dat met de vorige een regten hoek vormde, het eigenlijk doel van zijne
ontdekkingsreis heeten mogt. Geene lastige deuren verhinderden hem
zich daarvan aanstonds te vergewissen. Hij liep door, van den eenen
lusthof in den anderen, zoo ver de afstand reikte, en keerde toen op
zijne schreden terug. Voldaan was hij niet; maar het schemerlicht, en
de door niets afgebroken stilte om hem henen, hadden hem daareven min
of meer schichtig gemaakt, en hij wilde thans alles nog eens rustig
opnemen.

Eerst een kleine bazar, zou men gezegd hebben, bijeengebragt uit verre
landen: donkerbruine meubelen met japansch-verlakte paneelen, goud op
zwart; étagères, overladen met chineesch porselein; boeken en
plaatwerken uitgespreid op eene met gekleurd paarlemoer ingelegde
tafel; behangsels en overgordijnen van ligtgele zijde, tusschen wier
plooijen men geborduurde kakkatoes met hunne kuiven zag pronken en de
bevallig gebogen staarten van paradijsvogels zag afhangen. Dit was de
kamer, die gemeenschap had met den gang. De daarop volgende geleek het
boudoir eener fransche hofdame uit den tijd van Lodewijk den XVde:
een ameublement van zeegroen damast; vergulde lustres, een geheel
vormend met ovale spiegels; werktafels van kruiselings ingelegd
rozenhout met in vergulde schoentjes gevatte pooten; boven eene
kanapee het zachtgekleurd portret eener bruid uit de school van
Greuze; eene vergulde kroon, die voor een ruiker van waterlelien zou
hebben kunnen doorgaan; snuisterijen om te stelen; eene pendule van
saksisch porselein, op wier top men een kleinen herder met keurig
geschoren baard, eene korenbloem in den hoed van een herderinnetje
steken zag. Het derde vertrek scheen een zachten overgang naar
Lidewyde's slaapkamer te vormen. De wanden vertoonden een rozerooden
achtergrond, met geplooid neteldoek bespannen, waartusschen de
spiegels zich half verscholen. Van de zittingen der witte sofas en der
witte fauteuils hingen breede geborduurde strooken af tot op den
grond. Op de van zilverachtig hout vervaardigde tafel stond eene
albasten bloemvaas vol theerozen, wier frissche, fijne geur het
geheele vertrek doorstroomde. Het tapijt was van eene heldergrijze
kleur, even als de tafel, en bezaaid met bouquetten van bleeke
pionies.

Er ging van die rustbanken, waarop Lidewyde plagt neder te zitten; die
spiegels, waarin zij bij het uitgaan telkens een laatsten blik wierp;
dat speelgoed, hetwelk hare hand nog daareven scheen te hebben
aangeraakt, om het te verschikken of van stof te reinigen; die
tapijten, waarlangs den eigen ochtend de zoom van haar kleed geruischt
had, en waarop haar kleine voet van afstand tot afstand een indruk zou
hebben achtergelaten, indien gestalten, zoo harmonisch als de hare,
niet veeleer schenen te zweven dan te gaan,--van dit alles ging voor
André eene biologiserende kracht uit, die, zonder hem te verbijsteren
of op te winden, hem nogtans aan zichzelven ontvoerde. En de
bedwelming verminderde niet, toen hij, aan het einde van het derde
vertrek gekomen en zich half omwendend, Lidewyde's kleed- en
slaapkamer voor zich zag. In de andere vertrekken was de schaduw warm;
en men gevoelde dat het =clairobscur=, waarin zij gehuld waren, alleen
dienen moest om de hitte niet ondragelijk te maken. Hier daarentegen,
waar het niet noodig was geweest de zuiderzonnestralen te weren, hier
was licht en koelte, en de ademtogt van den oostenwind speelde, door
het halfgeopend venster, met de kanten strooken der ontplooide
overgordijnen. Lidewyde's liefde voor stille kleuren had zich ook in
dit vertrek niet verloochend. De vergeet-mij-niet had haar teederst
blaauw aan de draperien geleend, die afhingen langs de vensters en de
alkoof omhuifden, waarin het ledikant der schoone slaapster geplaatst
was. En weder scheen het geheele ameublement, en schenen alle
sieraden, met die festoenen uit één stuk gegoten te zijn. Zonder door
eenige ongelijkheid gestoord te worden, gleed het oog van de paneelen
der garderobe naar den hemel van het ledikant en van de waschtafel
naar den kapspiegel.

Naast den ingang, aan de linkerzijde, half verscholen achter de breede
plooijen der portière, stond eene hooge en breede porseleinen
kolomkagchel, thans ongebruikt, maar te zwaar om des zomers te worden
weggenomen; en daarvoor eene kleine sofa, dus geplaatst, dat men met
een boek in de hand zich daarop rustig uitstrekken en het licht der
vensters, aan de andere zijde van het vertrek, naar welgevallen kon
laten spelen over de bladzijden. André zette zich neder, liet zich
half achterover zinken, kruiste de armen over de borst, en staarde
voor zich uit. Want hetgeen hem in die kleine sofa het meest bekoorde,
was dat zijn blik van dit plekje door kon dringen tot in het diepst
der alcoof tegenover hem.

Zou hij met Emma's geheimen hebben durven handelen, gelijk hij thans
met die van Lidewyde deed? Had hij zich die vraag gesteld,--doch hij
liet haar rusten,--dan zou hij niet verlegen zijn geweest om een
antwoord. Nu ja, er =was= eene soort van eerbied, die Emma hem
inboezemde en Lidewyde niet; dit bewees evenwel alleen, vond hij, dat
Emma voor hem eene aantrekkingskracht miste, die juist, om zoo te
zeggen, Lidewyde's specialiteit was. Hij verwachtte niets van
Lidewyde; zag niet in, hoe zij ooit iets voor hem zou kunnen worden;
eischte van haar geene wederliefde, en zou desnoods hebben volgehouden
dat zijne stille genegenheid voor haar met minder zelfzucht vermengd
was dan het gevoel hetwelk hem aan Emma Verbond. Van Emma's zijde toch
rekende hij voor zichzelven op eene vermeerdering van levensgeluk; de
zorg, die hij eenmaal voor haar dragen zou, moest Emma hem vergoeden;
zij moest hem levenslang troosten van zijnen arbeid; moest de
lichtstraal zijn en blijven van zijne maatschappelijke positie; en
indien zij te eeniger tijd te kort schoot in het volbrengen van die
taak, zou hij het regt hebben, meende hij, haar dat te verwijten.
Lidewyde daarentegen had hem niets beloofd en zich tot niets
verbonden; elk blijk van genegenheid, dat hij van haar ontving, was
eene gift van hare vrije goedheid; hij kon haar slechts danken voor
hetgeen zij hem schonk. Dat Lidewyde niet zwak voor hem kon zijn,
zonder verraad te plegen aan haren man,--was eene gedachte, waarbij
hij ongaarne verwijlde. Het denkbeeld dat hij hare gunsten, indien zij
hem die verleende, zou moeten deelen met Ruardi, had hij zich voor
goed uit het hoofd gezet. Van eenig gevaar voor haar goeden naam,
indien zij hem met te veel welwillendheid bejegende, kon geene kwestie
zijn, en nog veel minder van eenige afhankelijkheid, waarin zij
geraken zou, indien zij zich aan hem, André, overgaf. Wie sprak
daarenboven van zich over te geven? Wie vergde van haar, dat zij iets
voor hem doen zou? Dit was onzin. Hij vroeg niets en rekende op niets:
daarom klopte zijn hart dan ook nu volkomen rustig en werd hij door
geene inwendige stem van iets ergers dan vrijpostigheid beschuldigd.

Zijne kalmte zou intusschen weldra ter toets gebragt worden. Reeds
twee- of driemalen was van den straatweg het geluid van een naderend
rijtuig tot hem doorgedrongen, zonder dat hij zich daarom bekommerd
had. Hij was vast overtuigd dat Lidewyde eerst tegen het etensuur
terugkeeren zou, en de uitkomst had zijn zelfvertrouwen tot hiertoe
niet beschaamd. Tot driemalen toe was het naderend rijtuig Soekabrenti
voorbijgereden, en had hij het dreunend geraas der wielen in de verte
hooren wegsterven gelijk het opgedoemd was. Doch toen weder een
rijtuig aankwam, gebeurde het tegenovergestelde. In plaats van zijnen
geplaveiden weg te vervolgen, sloeg het de laan in, die op de plaats
aanliep, en met meer verwondering dan ontsteltenis hoorde André het
hem welbekend geluid der kiezelsteenen, opspringend om de hoeven der
paarden en krakend onder het ijzer der wielen. Ook toen het rijtuig
stilhield voor de deur maakte hij zich niet ongerust. Het =kon= Lidewyde
niet zijn; en in die meening werd hij versterkt, toen hij het rijtuig
zich onmiddellijk weder hoorde verwijderen. Het zou een bezoek geweest
zijn, meende hij; en in zijne verbeelding had hij Isidoor den stoep af
naar het portier zien snellen, en hem uit de geglaceerde hand van deze
of gene van Lidewyde's vriendinnen, op het hooren dat de vrouw des
huizes afwezig was, een visite-kaartje zien aannemen. Doch hij
vergiste zich, en even onverstoorbaar als daareven zijne gerustheid
geweest was, even radeloos werd eensklaps zijne verlegenheid, toen hij
een ruischend kleed hoorde naderen en de stem van Lidewyde-zelve
vernam, die in het voorvertrek tot den huisknecht zeide: "Ik ben voor
niemand te huis; wanneer Sarah terugkomt, zeg haar dat ik haar niet
noodig heb." Op te springen van de sofa en zich achter de witte
kagchel met de koperen banden te verbergen was voor André eene daad
van werktuigelijke vertwijfeling, meer dan van overleg.

Wist Lidewyde dat hij zich in hare vertrekken bevond? Zij gedroeg zich
gelijk eene vrouw van haren rang zich alleen gedragen kon in de
overtuiging, dat geen man haar bespiedde. Als naar gewoonte was de
regentessen-bijeenkomst van het Fundatiehuis haar zeer lang gevallen,
en toen eene der oudere dames verlof had gevraagd zich voor het
sluiten der vergadering te mogen verwijderen, had zij eene ligte
ongesteldheid voelen opkomen en van het aanbod der matrone, om eene
plaats aantenemen in haar rijtuig en zich naar buiten te laten
brengen, met erkentelijkheid gebruik gemaakt. Uit de weinige woorden,
door Lidewyde met Isidoor gewisseld, bleek dat zij kennis droeg van
Sarah's afwezigheid. Ontging het haar, of ontgaf zij het zich, dat de
deur, die toegang verleende tot hare vertrekken, niet gesloten was?
Zoo ja, dan moest men de zorgvuldigheid prijzen, waarmede zij dat
verzuim herstelde. Zoodra toch had zij Isidoor niet belast met de voor
Sarah bestemde boodschap, of zij drukte het zegel op den daarin
besloten wensch naar rust en afzondering door de hand aan een dier
kleine grendels te brengen, welke in de verte sieraden schijnen, doch
van nabij bezien het nuttige aan het bevallige paren. En die beweging
was de eenige niet waaruit bleek dat zij alleen wenschte te zijn. Toen
zij in het eerste vertrek een boek gekozen had uit de velen die
uitgespreid lagen op de tafel, in het tweede een blik had geworpen op
de kunstige pendule met den bevalligen jongen herder van porselein, in
het derde zich voorover had gebogen naar de welriekende theerozen in
de albasten vaas, was haar eerste werk, bij het binnentreden van haar
slaapvertrek, de fraaibewerkte schuifdeuren, wier mechaniek door de
portière aan weerszijde onzigtbaar werd gemaakt, tot elkander te
brengen en op zoodanige wijze te bevestigen, dat een onbescheidene
geweld zou hebben moeten plegen om dien beweegbaren scheidsmuur zich
weder te doen ontsluiten. Zij legde het medegebragte boek neder op
hare kaptafel en ontdeed zich van haar hoed en mantille. Al woog dat
hoedje geen nederlandsch lood, haar kapsel had daaronder een weinig
geleden, en zij wilde in de eerste plaats die wanorde herstellen. Zij
trok hare handschoenen uit en bragt, met een bevallige beweging van
beide armen, het kapsel weder in zijne natuurlijke plooi. Een
beeldhouwer zou jaloersch geworden zijn, indien hij hare vingers zich
tusschen de gecrêpeerde lokken had zien bewegen. Toen die arbeid
voltooid was, ging zij eenige keeren de kamer op en neder, met de
oogen naar den grond geslagen en de eene hand aan hare wang brengend,
als iemand die òf geheel en al met dezelfde gedachte vervuld is, òf
eene ligte vermaning van aangezigtspijn ondervindt. Gevoelde zij
werkelijk pijn en overwoog zij in die stemming de belangen van het
Fundatiehuis? Dit scheen zeker, dat het gaan haar weldra verdroot,
evenzeer als de warmte haar hinderde. Zij trad naar de alkoof, en nam
uit de daarin voorhanden garderobe een lang kleed van eene fijne witte
stof, gemaakt om als een peignoir gedragen en met eene cordelière om
het middel bevestigd te worden. Nevens het ledikant stonden twee
kleine muilen van wit satijn; kleiner dan de strik waarmede zij aan de
bovenzijde versierd waren en die den smallen voorschoen bijna
onzigtbaar maakte. Zij bukte met een zucht naar de muiltjes, en nam ze
op. Den peignoir hing zij over de leuning van den fauteuil, die voor
haar kapspiegel stond, liet de muiltjes langs haar kleed op den grond
glijden, zoodat zij den voet slechts behoefde uit te steken om ze te
kunnen aanschieten, en ging toen de openstaande vensters sluiten.
Hoewel die vensters uitzagen in den tuin, en men in de populieren aan
de overzijde had moeten klimmen om uit de verte een blik in hare kamer
te hebben kunnen werpen, onthaakte zij nogtans de gazen gordijnen en
sloeg ze over elkander, zoodat zelfs het doordringendst oog niet in
staat zou zijn geweest, door de ranken en bloemen van zoo veel
borduursel heen, waar te nemen hetgeen daarbinnen voorviel. Bovendien
zou men een bedorven schepsel hebben moeten zijn om aanstoot te nemen
aan hetgeen zij ging verrigten. Er viel toch binnen de muren van dit
vertrek niets anders voor als dat eene jonge schoone vrouw, op een
drukkende namiddag in de maand September, wanneer de warmte soms
lastiger is dan in het midden van den zomer, zich in de eenzaamheid
ontkleedde, haar knellend schoeisel verwijderde, en in een ruim kleed
gehuld zich met een boek in de hand uitstrekte op haar sofa.

André had niets gezien; maar hetgeen hij vermoed en gehoord had
vervulde hem tegelijk met blijdschap en met ontzetting. Hoe reddeloos
verloren zou hij zijn, indien Lidewyde, onkundig en onbewust van zijne
tegenwoordigheid, hem ontdekte! Hoe onuitsprekelijk belagchelijk zou
hij zich in hare oogen gemaakt hebben, indien zij, hem gewaar wordend,
opstond en hem de deur wees! Geëconduiseerd te worden als een
luistervink en bespieder, welk een lot! Toch zou zelfs die harde en
vernederende uitkomst, meende hij, indien zij zijn deel moest zijn,
hem in sommige opzigten eeuwig benijdenswaardig blijven schijnen. Want
al kon hij zich niet beroemen, meer geweest te zijn dan een blind
getuige, hij had zich in Lidewyde's innigste nabijheid voelen
verkeeren; had genoten van den waan, dat al de schatten harer
schoonheid hem toebehoorden; had den droom geliefkoosd dat hij het
was, om wiens wil zij de eenzaamheid zocht, en al de ceremonien der
wereld uitschudde, en zich met geene andere sieraden tooide als
waarmede God haar begiftigd had. Die ideale uitlegging had voor hem
aan al hare bewegingen eene hoogere beteekenis gegeven. Toen zij hare
armbanden had nedergelegd op het marmeren blad van haar toilettafel;
toen zij haren gordel ontgespt had; toen zij haar gewaad had laten
afglijden op het tapijt,--had elk dier ritselende geluiden hem als
muziek in de ooren geklonken en had zijne verbeelding daaraan
voorstellingen verbonden die hem in verrukking bragten. Dit zou hij
nimmermeer vergeten; en het scheen hem toe dat die ééne herinnering
genoeg zou zijn om hem daarna voor altijd te verzoenen, ook met de
grievendste bejegening. Doch wat pijnigde hij zich zelven met allerlei
vreezen? Zeker zou hij het onedel gevonden hebben, misbruik te maken
van een voordeel, hem door het lot in den schoot geworpen. Lidewyde te
kwellen, te vervolgen, te beleedigen,--daartoe was hij niet in staat.
Indien zich haar regtmatigen toorn op den hals te halen in zijne oogen
de zwaarste straf was, hoe zou hij het denkbeeld hebben kunnen
verdragen, haar afschuw voor hem in te boezemen? Doch met dat al was
het een feit, dat zij zich op dit oogenblik in zijne magt bevond. Hij
had haar geen strik gespannen, haar niet belaagd, had niets gedaan om
den toestand in het leven te roepen, waarin hij zich thans tegenover
haar geplaatst zag. Was hare kamenier door hem omgekocht? Was hij het
geweest die Lidewyde hier bescheiden had? Had hij niet veeleer te
goeder trouw in de meening verkeerd dat zij den geheelen namiddag
afwezig blijven zou, en waren niet allerlei kleine bijomstandigheden,
met Sarah's uitgang aan de spits, hem in dat geloof komen versterken?
Des te meer vrijheid zou hij desverkiezend thans gehad hebben, om uit
zijnen schuilhoek te voorschijn te treden, zich aan Lidewyde's voeten
te werpen, haar tegelijk zijne misdaad en zijne liefde te bekennen, en
van hare ontroering partij te trekken om haar den hoogsten prijs te
doen betalen voor zijne toekomende bescheidenheid. Doch hij verwierp
die keus. Lidewyde, dacht hij, mogt niet boeten voor een trek, dien de
kans haar gespeeld had. Argeloos was zij herwaarts gekomen; argeloos
had zij zich opgesloten; argeloos rustte zij in zijne nabijheid. Het
zou eene laagheid geweest zijn, die rust op eenigerlei wijze te
verstoren.

Op eene proef van vele uren zou dat heldhaftig besluit misschien
bezweken zijn. Doch eene zoo moeijelijke taak werd niet van hem
gevergd. Den tijd, dien hij had doorgebragt met te luisteren naar het
kloppen van zijn hart (want nu klopte het) en met na te denken over de
licht- en schaduwzijden van zijnen toestand, had Lidewyde zich ten
nutte gemaakt om zachtkens in te sluimeren; en getuige de
regelmatigheid van hare ademhaling, was haar slaap weldra even diep
als de onwetendheid waarin zij verkeerde omtrent André's liefde en
André's nabijheid. Hij zegende nogmaals zijn gesternte. Niets
verhinderde hem nu, zich over de leuning der sofa te buigen, en voor
eene wijl aan zijne oogen het feest te gunnen van Lidewyde's
aanschouwing. Langzaam en voorzigtig zou hij naar voren sluipen, en
reeds had hij aan de lage zijde der rustbank de zoom van haar kleed
meenen te onderscheiden, toen een zachte doffe slag hem met de
snelheid van den telegraaf deed terugdeizen. Hij hield den adem in, en
waande het oogenblik zijner ontdekking,--het smartelijk oogenblik
waarop een schoone droom misschien voor altijd verstoord zou
worden,--nabij. Doch het was niets geweest. Lidewyde's boek was haar
ontgleden en op den grond gevallen, zonder dat de slag haar had doen
ontwaken. Eene sekonde lang trilde haar ligchaam, gelijk slapende
ligchamen in zulke omstandigheden plegen te doen; daarna verzonk zij
weder in hare rust, nog dieper dan te voren; en naarmate zij vaster
insluimerde, gevoelde André op nieuw zijnen moed ontwaken. Gedreven
door de kracht van eenen hartstocht, die menigmaal de wijsheid
beschaamd heeft van sterkeren dan hij, boog hij zich nogmaals voorover
en zochten zijne oogen Lidewyde's gelaat. Ditmaal slaagde hij; en voor
hij het zelf gelooven kon, stond hij overeind achter de sofa en zag
hij neder op de rustende gestalte.

Hetgeen u het meest verwonderd zou hebben, indien gij hem op dat
oogenblik gadegeslagen en in zijne ziel hadt kunnen lezen, zou geweest
zijn, dat hij van geene andere gewaarwording zoozeer doordrongen was
als van het geloof aan Lidewyde's onschuld. In hare kleeding was niets
wat niet tot het schoonheidsgevoel, maar ook, volgens hem, niets wat
tot de zinnen sprak. De wijde plooijen van haar lang en blank gewaad
geleken de draperien van een standbeeld, en men moest van haren
schouder af de lijn van hare heup volgen, tot waar de strik van het
muiltje zigtbaar werd, om te bespeuren dat de rooskleurige tint van
den kleinen blanken voet niet door menschenhanden geweven, maar door
de natuur-zelve gemengd was. Zij lag met het aangezigt naar het
getemperd licht gekeerd; haar blozende wang,--een blos door de
sluimering verhoogd,--rustte op de zaamgevouwen handen, blank als
sneeuw, en op die wang een lange zwarte wimper.

Waarom, helaas, bezit de voorspoed de eigenschap, hare gunstelingen
overmoedig te maken? Toen hij Lidewyde eene poos in haren sluimer
bespied had, wilde André ook weten, de onvoorzigtige, of zij werkelijk
sluimerde; en hoewel gedruisch te maken het grootste gevaar was,
waaraan hij zich blootstellen kon, de zucht naar zekerheid was
magtiger dan hij. Op de toonen sloop hij van de achterzijde der sofa
naar de voorzijde, waar haar gelaat en hare gestalte zich in al hunne
schoonheid aan hem vertoonden: een mengsel van majesteit en
bevalligheid. Die beweging kon hij echter niet maken zonder zich
tusschen haar en het licht te plaatsen, en het was te vreezen dat het
vallen zijner schaduw op hare oogleden en haar voorhoofd, haar zou
doen ontwaken: doch zij verroerde zich niet. Hij bukte en raapte haar
boek van den grond; een heldenstuk dat hij niet volbrengen kon zonder
zich schier over haar heen te buigen: doch het bleek niet dat zij het
geringste besef had van hetgeen voorviel om haar henen. Hij
verwijderde zich van de sofa en deed ruggelings gaande eene schrede in
de rigting der kaptafel; doch ofschoon op die eerste schrede eene
tweede en eene derde volgden, haar slaap bleef even diep en hare
houding dezelfde. In de nabijheid der kaptafel gekomen, strekte hij,
zonder zich om te wenden, de hand uit en betastte, achter zich, de
gouden sieraden, door Lidewyde daarop nedergelegd. Zoo voorzigtig kon
hij dit alweder niet doen, of het aanvatten en loslaten dier
voorwerpen was hoorbaar; hijzelf althans, toen zijne vingers aan het
marmer raakten, onderscheidde duidelijk den klank van trillend goud.
Doch Lidewyde's rust scheen onverstoorbaar. Begon hij argwaan te
koesteren? Viel het hem in dat hij regt kon hebben, hare
bewusteloosheid als een vrijgeleide te beschouwen? Toch niet. Ten
einde toe volhardde hij in zijne eenmaal opgevatte meening; en toen
hij, zich eindelijk omwendend, zoodat hij met het aangezigt voor den
spiegel stond en Lidewyde's beeld zich op een afstand daarin
weerkaatste,--toen hij haar eensklaps twee schitterende oogen naar hem
zag opslaan in het glas en om hare lippen een glimlach zag spelen die
niets verbood,--zelfs toen zou hij gezworen hebben (maar was het nu
tijd voor zulke eeden?) dat elke berekening vreemd was geweest aan
hare handelwijze, en alleen een gelukkig toeval haar in zijne armen en
hem in de hare voerde.



VIERDE HOOFDSTUK.


Even buiten de poort, op den weg die van de stad naar Soekabrenti
voerde, verschool zich tusschen het geboomte een bierhuis van den
tweeden rang, in welks gelagkamer het zondagsavonds na kerktijd, en
somtijds tot laat in den nacht, druk genoeg kon toegaan. In de
dienstbodenwereld te M. was dit uitspanningsoord algemeen bekend onder
den naam van het Fonteintje, en naarmate men tot diegenen behoorde
welke aan de danspartijen in dit lokaal al dan niet deel namen, werd
men naar de uitspraak dezer jury òf tot de klasse der femelaars
gerekend, òf tot de talrijker en verlichter schaar van hen, die van
oordeel zijn, dat de mensch aanspraak heeft op eene betamelijke mate
van levensgenot. Het was zoo weinig eene kerk, en gold tegelijk zoo
weinig voor een =mauvais lieu=, dat onlangs eene meerderjarige M'sche
keukenmaagd van goede zeden, toen hare jeugdiger kameraad zich eene
wijsneuzige aanmerking veroorloofde, het regt meende te hebben haar
toe te voegen: "Hou je mond, kleuter, je hebt van je leven nog niet in
het Fonteintje gedanst!"

In dezen tempel der maatschappelijke mondigheid was het dat Jakob, de
huisknecht van dokter Ruardi, weinige dagen na de gebeurtenissen uit
hooger sfeer waarvan in de voorgaande hoofdstukken gewag gemaakt is,
des ochtends tusschen elven en twaalven eene hartsterking kwam
gebruiken. Hij moest voor den dokter eene boodschap doen op
Soekabrenti, en zou het eene daad van onnatuurlijke zelfverloochening
geacht hebben, hier in het voorbijgaan niet even zijn anker neder te
werpen en aan de toonbank een morgenpraatje te houden met zijne
vriendin, de buffetjufvrouw. Hij beroemde er zich op, die jufvrouw te
kennen van "haver tot gort"; hetgeen in zijnen mond beteekende, dat
zij tot den kring der populaire Hebe's behoorde, die somtijds door hem
met kleine geschenken werden vereerd, en van wie hij getuigen kon dat
ondankbaarheid hare hoofdzonde niet was.

--"Wel nu nog fraaijer, mijnheer Jakob," zeide de buffetjufvrouw, in
de eenzame gelagkamer bezig de groote glazen met tinnen deksels te
reinigen, die in den loop van den dag herhaaldelijk gevuld en door de
bezoekers van het etablissement herhaaldelijk geledigd zouden
worden,--"zoo vroeg al op het pad? En nu zeggen de menschen nog, dat
er geene witte raven bestaan!"

--"Geen kompliment dat gij mijn krullebol maakt, jufvrouw Bella!"
antwoordde Jakob, zijn gegalonneerden hoed even optillend, ten einde
haar eene vrijen blik op zijne kortgeknipte en gitzwarte borstels te
gunnen. "Maar zwarte raaf of witte raaf, het staat u niet fraai, mij
bij een roofvogel te vergelijken."

--"Gij zoudt toch niet willen, dat ik u bij een struisvogel vergeleek,
mijnheer Jakob?"

--"Om den dood niet, jufvrouw Bella! Neen, indien ik volstrekt een
vogel moet verbeelden... Mag ik u iets influisteren?" En voor zij nog
wist of zij zijn verzoek zou toestaan of weigeren, had hij over de
toonbank heen zijne holle hand aan haar oor gebragt en lispelde hij:
"Ik ben het met Linnaeus eens, dat er geen beesten bestaan, die meer
van kippen houden dan een haan."

--"Foei, mijnheer Jakob, gij moest u schamen," zeide de
buffetjufvrouw, die de verzen van den Schoolmeester niet kende. "Een
getrouwd man!" En zij bloosde wel, maar glimlachte toch.

--"Ik zou er u nog meer van kunnen vertellen," zeide Jakob. "Luister
eens."

--"Dank u, genoeg is meer dan veel. Spaar mijne ooren, wat ik u
verzoeken mag."

--"Uwe ooren, jufvrouw Bella, loopen niet het minste gevaar. Wat zegt
de Schrift? Niet hetgeen door den mond ingaat verontreinigt den
mensch, maar de booze gedachten, die opwellen uit zijn hart.
Welnu..."

--"Zwijg, goddelooze spotter! Gij weet wel, dat zulke aardigheden mij
niet aanstaan. Ik zou bijna gaan denken, dat het Fonteintje uwe eerste
aanlegplaats van dezen ochtend niet was. Zijt gij den geheelen nacht
weder aan het zwieren geweest?"

--"Toch niet, jufvrouw Bella; mijne positie is volkomen normaal. Met
de kippetjes naar bed en 's morgens weer 't eerst op de baan, is eene
vaste gewoonte bij den haan."

--"Gij wordt eentoonig, mijnheer Jakob," zeide het meisje, met eene
poging om strak te zien. "Wat zult gij gebruiken? Een glas Kitzinger,
of een glas Amsterdamsch?"

--"Geen van beiden, jufvrouw Bella. Voor apoplektische gestellen als
het mijne, is beijersch bier geen gezonde drank. Het blaast op, het
echauffeert, het bevordert de korpulentie. De dokter heeft mij het
Banting-systeem voorgeschreven, en daar bevind ik mij uitmuntend bij."

--"Is dat een systeem van laffe rijmpjes maken, mijnheer Jakob?"

--"Rijmpjes? En ik onthaal u op het werk van een der grootste
dichters, die Nederland ooit voortgebragt heeft! Gij leest geen
kranten? Nu, zoo lang de Pruissen of de Franschen ons niet zullen
ingepalmd hebben, zoolang zullen de Hollanders hunnen Schoolmeester in
eere houden."

--"Zeg mij liever wat gij gebruiken zult, mijnheer Jakob. Van al die
wijze praat begrijp ik niets."

--"Ik volg het Banting-systeem, heb ik u gezegd, jufvrouw Bella, en
geef boven alles de voorkeur aan een morgenslokje uit het kommetje
onder mijn stokje."

--"Bedoelt gij dit?" vroeg de jufvrouw, naar eene karaf jenever op
schillen wijzend. "Of zijt gij weder in de war met uw schoolmeester?"

--"Gij raadt mijne geheimste gedachten, jufvrouw Bella. Werkelijk
strekt mijne begeerte zich uit naar een glaasje citroen met suiker,
buiten onder de verandah, als ik u verzoeken mag... Gij zijt immers
niet boos op mij, jufvrouw Bella?"

--"Volstrekt niet, mijnheer Jakob. Mijne liefste gasten zijn zij, die
zich eene plaats onder de verandah kiezen. Dan heb ik vrede in het
buffet."

Hij trad naar buiten en zette zich neder op de groen geschilderde bank
achter een der groen geschilderde tafeltjes, waarmede het voorplein
der herberg gestoffeerd was. Jufvrouw Bella volgde hem, met een
blaadje in de eene en een tot den rand gevuld glaasje in de andere
hand.

--"Ik kan er immers op aan, dat gij niet boos op mij zijt?" vroeg hij,
eene beweging makend alsof hij den arm om haar middel wilde slaan.

--"Ik zou het kunnen worden," antwoordde zij, onder het nederzetten
van het kelkje. "Raak mij niet aan, wat ik u bidden mag!"

--"Ik zou u onbeleefd noemen, jufvrouw Bella, wist ik niet van nabij,
dat uw hart voor zachter aandoeningen vatbaar is dan het nu openbaart.
Jufvrouw Bella! jufvrouw Bella!" riep hij haar achterna.

Zij was de gelagkamer weder binnengewipt en stond hem te woord over de
onderdeur.

--"Mijnheer Jakob, gij zijt een mooiprater. Is dat nu taal voor een
gewoon mensch?"

--"Zoo praat men op het tooneel, jufvrouw Bella, en zoo behoort het.
Wilt gij mij de eer doen voor morgen-avond een vrijkaartje van mij aan
te nemen? Dan zal ik u de Schoone Helena laten zien."

--"Dank u hartelijk, mijnheer Jakob! ik moet te vroeg bij de hand
zijn, om tot 's nachts twaalf uur in de komedie te zitten."

--"Reden te meer, ook voor u, jufvrouw Bella, om met de kippetjes..."

Doch toen hij weder van zijne kippetjes begon, was jufvrouw Bella
eensklaps verdwenen.

--"Ik heb mij versproken, naar het schijnt," mompelde hij, legde het
eene been over het andere, stak een sigaar op en savoureerde in de
eenzaamheid zijn goudgeel borreltje.


Er scheelde intusschen veel aan, dat Jakob dezen ochtend werkelijk zoo
vrolijk gestemd zou zijn geweest als men uit den luchthartigen toon
van zijn onderhoud met het buffetmeisje mogt afleiden. Briefjes voor
mevrouw Dijk waren zoo menigmaal aan zijne diskretie toevertrouwd
geworden, en hij had zich te allen tijde met zoo goeden uitslag van de
taak der overbrenging gekweten, dat zijn tegenwoordige gang naar
Soekabrenti hem niet de geringste kwelling zou veroorzaakt hebben,
indien eene soortgelijke boodschap ook ditmaal het doel van zijnen
togt geweest was. Doch dit was het geval niet. Het biljet, hetwelk hij
in de borstzak van zijn blaauwen rok met verzilverde knoopen bij zich
droeg, was niet aan mevrouw Lidewyde, maar aan mijnheer Adriaan
geadresseerd. Hij wist dat de dokter het geschreven had naar
aanleiding van eene exceptioneel onstuimige konversatie, den vorigen
avond te zijnen huize met Sarah gevoerd; en wanneer hij de opgevangen
fragmenten van dien twist in verband bragt met hetgeen hem reeds
sedert lang bekend was, kon hij met die bouwstoffen eene geschiedenis
zamenstellen, geschikter dan eenige andere om den dokter te
exaspereren. Misschien zou het natuurlijker of althans gewoner zijn
geweest, indien hij zich in zijne kwaliteit van knecht over de
déconfiture van zijnen heer in stilte verheugd had, denkend: boontje
komt om zijn loontje, groote dieven worden te zelden gehangen, en het
is niet meer dan billijk, dat wie zoovele anderen vernederd heeft,
eindelijk ook zelf aan de deur wordt gezet. Doch niet-alleen was
Jakobs inborst zoo niet, maar het streed ook met zijn belang, dat zijn
meester zich brouilleerde met mevrouw Dijk. 's Dokters relatie met die
dame was in den loop des tijds voor hem de bron geworden van een
overvloediger _casuel_ dan waarop menig dorpspastoor in Frankrijk of
Oostenrijk voor het drijven van zijne huishouding en het onthalen van
zijne superieuren rekenen kan; en van lieverlede was hij die
buitengewone belooning zijner schranderheid en bescheidenheid als een
vast inkomen gaan beschouwen. En wat zou nu gebeuren? Wanneer het
Italiaansche bloed in 's dokters aderen eenmaal aan het gisten ging,
deinsde hij voor niets terug, ook niet voor handelingen, die menigeen
wreedaardig en verraderlijk genoemd zou hebben. Evenmin kon men weten,
wat mijnheer Dijk zou aanvangen, wanneer iemand van dokter Ruardi's
talent hem inzage van de boeken gaf. Mijnheer Dijk had geheel en al
het voorkomen van een goedaardig man; en dat hij zich gedurende zoo
langen tijd met open oogen had laten bedriegen door zijne vrouw en den
dokter, was zeker geen bewijs van opvliegendheid; "doch ook mijn eigen
vader ging door voor een sukkel," dacht Jakob, "hetgeen niet wegneemt
dat hij mij somtijds bont en blaauw geranseld heeft." In dat briefje
zelf zou nu wel niets staan, waar dadelijk gevaar bij was, maar het
kon een begin zijn van eene door den dokter beraamde wraakoefening; en
wanneer dat potje eenmaal te vuur stond, zou de dokter wel zorgen, dat
mijnheer Dijk er zich het hardst den mond aan brandde. "Enfin," dus
luidde de konklusie van Jakobs overwegingen, "het is een miserabel
geval, en ik wilde om een lief ding, dat die mijnheer Kortenaer en
zijn meisje (onder ons gezegd, dat meisje kan haar plezier ook wel
op!) buiten ons vaarwater gebleven waren."

De weg naar Soekabrenti was in de week en op dit uur van den dag eene
eenzame heirbaan, en van de plaats waar Jakob zat uit te rusten van de
wandeling die hij nog moest ondernemen, kon men, tusschen de
boomstammen door, de weinige voetgangers, die zich in de rigting der
stad bewogen, reeds in de verte zien aankomen. De glooijing eener
hooge brug met witte leuningen, waar eene vaart op eenigen afstand den
weg door midden sneed, verminderde nog de voor die waarneming
gevorderde inspanning; en Jakob vermaakte zich eene poos met op te
merken, hoe van de personen, die hem naderden, nadat de ronding der
brug hen gedurende korten tijd onzigtbaar had gemaakt, eerst het
hoofd, dan de romp, en eindelijk ook de beenen weder allengs zigtbaar
werden.

--"Een saai kijkje," sprak hij echter weldra in zichzelven. En schier
onmiddelijk daarna, zich vooroverbuigend, ten einde scherper te kunnen
toezien: "Dat 's casueel!" riep hij uit, alsof het kijkje hem
eensklaps nieuwe belangstelling inboezemde, "hij is het, al zijn
leven!"

De zwarte pet van glimmend wasdoek, de korte donkergrijze jas met
metalen knoopen en de om het been spannende slobkousen van
chocoladebruin laken, wier verschijnen op den top der brug Jakob dien
kreet van verwondering deed slaken, behoorden aan niemand anders als
Isidoor, den eerzamen huisknecht op Soekabrenti; in zoo ver namelijk
een livereibediende zeggen kan dat zijne kleederen hem toebehooren, en
niet hij aan zijne kleederen. Het duurde niet lang, of Isidoor, die
met eene boodschap van Lidewyde naar stad moest, merkte op dat van
onder den luifel van het Fonteintje, met dichterlijke vrijheid door
Jakob en jufvrouw Bella de verandah genoemd, telegrafische seinen tot
hem gerigt werden. Toen hij evenwel, nader gekomen, Jakob herkende,
was zijne vreugde slechts matig; want Jakob had onder zijne kameraden
den naam, in meer dan gewone mate "bij de pinken" te zijn, en Isidoor
deelde in zoo ver in het zwak dier onbedeesden wien het niet aan
verstand of doorzicht hapert, dat hij ongaarne overbluft werd. Des te
meer viel het hem in de hand, dat Jakob dezen ochtend in het geheel
niet spotziek gestemd scheen te zijn, en volstrekt geene aanstalten
maakte om hem, Isidoor, voor het lapje te houden. De ontvangst was
integendeel even hartelijk als gemeenzaam, en indien Isidoor het
voorregt had gehad, Jakob meer van nabij te kennen, zou hij aan diens
welwillendheid bemerkt hebben, dat Jakob hem noodig had.

--"Hou je me gezelschap," vroeg Jakob, naar zijn kelkje wijzend, "of
ben je van de Afschaffing? Er is in mijn eigen leven een tijd geweest,
dat ik vóór twaalven nooit iets anders als water met suiker dronk."

--"Voor mij moet die tijd nog komen," zeide Isidoor, die meende te
weten dat men tot de dagen van Jakob's zuigelingsschap zou moeten
opklimmen, alvorens de door hem bedoelde water- en suiker-periode te
bereiken. "Maar als ik regtuit spreken zal, drink ik vóór twaalven
liefst bier."

--"Ieder zijn meug," antwoordde Jakob. En zich naar de openstaande
deur der gelagkamer wendend: "Jufvrouw Bella," riep hij, "een glas
Beijersch voor mijn vriend Isidoor! Groote maat, als ik je verzoeken
mag."

--"Ik ben op weg naar jelui toe," vervolgde hij, een deel van zijne
eigen geheimen verklappend, ten einde des te spoediger achter die van
Isidoor te komen. "De dokter zendt me met een briefje naar
Soekabrenti. En wat moet jij zoo vroeg in de stad uitvoeren? Ik dacht
dat jelui nooit anders boodschappen deedt als met rijtuig?"

--"Ik moet voor mevrouw een pakje brengen naar het expeditie-kantoor."

--"Dat verandert. Spoortreinen wachten niet."

--"Dat doen ze net niet; maar in dit geval zou de trein geen eer
inleggen met te wachten, want mijn pakje hoeft niet mee."

--"Hoe heb ik het met je? Breng jij pakjes naar het expeditie-kantoor
om thuis gelaten te worden?"

--"Niet precies. Mijn pakje moet worden bezorgd aan een adres in de
stad."

--"Wat? Zoo als de rijke lui op Sinterklaas-avond doen, om te zorgen
dat de vrinden niet weten zullen uit welken hoek de wind waait? Jou
mevrouw is er tijdig bij, moet ik zeggen. Ik heb juist gisteren aan
mijn kleine meid verteld, dat Sinterklaas' mooije japon nog twee
maanden in de Bank moet staan, voor hij hem lossen kan."

--"De kleine meid, voor wie mijn pakje bestemd is, zou blij zijn,
geloof ik, indien ze twee maanden uitstel kreeg," zeide Isidoor op
geheimzinnigen toon.

Een minder naauwlettend hoorder dan Jakob zou het spel bedorven hebben
door te vragen: "Voor wie is het dan?" Doch Jakob begreep dat de ander
op den goeden weg was, en van hemzelven nog slechts een weinig meer
openhartigheid gevorderd werd, om Isidoor de zijne te doen voltooijen.

--"Luister eens," zeide hij, eensklaps de hand op Isidoor's arm
leggend en insgelijks een mysterieusen toon aannemend, "het gaat mij
niet aan, welke boodschappen jou worden opgedragen, en mijn vader
heeft me geleerd, dat een booi, die niet hooren, zien en zwijgen kan,
geen knip voor zijn neus waard is. Maar, òf ik heb het mis, òf de
wagen gaat op dit oogenblik bij jou aan huis evenmin regt als bij den
dokter."

--"Bij den dokter?" vroeg Isidoor verwonderd. "Daar weet ik niet van."

--"Indien je alles wist, zou ik je niets te vertellen hebben, dat
spreekt. Wil ik je eens wat zeggen? Ik geloof dat die mevrouw van jou
een rare dame is."

--"Ik wou," zeide Isidoor met een zucht, "dat het anders was; maar ik
vrees dat je gelijk hebt."

--"Waarom zet je daar een bedrukt gezigt over? Ze is geen kind; en
wanneer ze dingen doet, die niet deugen, moet ze zelf weten wat er bij
staat."

--"Jawel, maar voor de rest is ze een goed mensch; veel te goed om
zich te vergooijen."

--"Dat is de vraag, Isidoor. Ken je de geschiedenis van prins
Potemkin?"

--"Neen, van dien snuiter heb ik nooit gehoord."

--"Nu, er is reis een keizerin van Rusland geweest, die eerst er man
gemold en toen een sleep vrijers nagehouden heeft, waarvan vriend
Potemkin het verder heeft gebragt dan al de anderen. Minister,
admiraal, generaal, stadhouder, prins,--de hemel weet wat de kerel al
niet geworden is, ofschoon hij van afkomst maar de zoon van een armen
kapelaan was. Want in Rusland, moet je denken, mogen de kapelaans
trouwen, als ze willen, en kinderen krijgen als ze kunnen. Maar denk
je dat iemand ooit precies geweten heeft waarom keizerin Katharina
zoo'n zin had in dien jongen?"

--"Misschien was het wel..."

--"Je wilt zeggen dat hij meer verstand of meer courage had dan de
anderen? Mis, maat! Hij was zoo dom als een eend, al hield hij zich,
wanneer het op vechten aankwam, wijsselijk buiten schot. Er kan maar
één reden geweest zijn, waarom de keizerin zich aan hem verslingerd
heeft."

--"En dat was?"

--"Men kan alle dingen zoo niet bij 'er naam noemen; maar ik geloof
dat keizerin Katharina om dezelfde reden van prins Potemkin hield,
waarom jou mevrouw een hekel heeft aan 'er man. Ja, ja, Isidoor,
sommige vrouwen zijn vreemde zeeschepen, en prins Potemkin was een
mooije jongen, zoo hoog en zoo breed als een tamboermajoor. Maar dat
's tot daaraan toe. Is die mijnheer Kortenaer nog bij jelui
gelogeerd? Hij is een keer of wat bij den dokter komen praten, en de
dokter is een keer of wat met hem uit rijden of uit wandelen geweest.
Het zou mij niet verwonderen, indien het briefje, dat ik in mijn zak
heb, bestemd was om daar een einde aan te maken. De dokter is op zijn
gezelschap niet bijzonder gesteld, lijkt het wel."

--"En zendt mijnheer Ruardi jou om die reden naar Soekabrenti?" vroeg
Isidoor, die het oogenblik gekomen achtte om op zijne beurt Jakob een
weinig uit te hooren.

--"Dat zou ik je niet kunnen zeggen," antwoordde Jakob droogjes; "maar
wel, dat het briefje niet voor mijnheer Kortenaer, maar voor mijnheer
Dijk is. Het zou evenwel kunnen wezen, dat mijnheer Dijk alleen dienen
moest als tusschenpersoon, net als jou expeditie-kantoor."

--"En voorzie je dat daar ongenoegen van komen zal?"

--"Wel zeker voorzie ik dat, en erg ongenoegen ook."

--"Het doet me pleizier dat je niet luchtig denkt over hetgeen
tegenwoordig bij ons aan huis voorvalt. Ik heb medelijden met dat
juffertje."

--"Nu zeg je precies hetzelfde, Isidoor, wat ik bezig was bij mijn
eigen te overleggen, toen ik je daareven zag aankomen. Dat meisje, zei
ik, kan 'er pleizier meer dan op."

--"En ik vrees dat haar pleizier nog verminderen zal, wanneer ze dit
pakje ontvangt."

--"Heb ik het niet gedacht," riep Jakob, achter een schijn van
verontwaardiging zijne zelfvoldoening over Isidoor's mededeeling
verbergend. "Mevrouw Dijk doet met jufvrouw Emma even als de dokter
met mijnheer André."

--"De tijd moet het leeren, Jakob; maar ik kan je zeggen dat ik van
mijn mevrouw nooit zoo iets vermoed zou hebben."

--"Ik ook niet," antwoordde Jakob. "Gelukkig voor ons, dat wij onze
handen in onschuld wasschen kunnen. Maar onze lieve Heer is
regtvaardig, dat heb ik altijd gezeid. Wij, arme drommels, moeten het
werk doen; maar de verantwoording komt voor rekening van de grooten.
Zoo krijgt elk zijn deel. Nog een halfje Beijersch?"

Het aanbod was niet geheel en al opregt; doch al ware het dat geweest,
Isidoor zou het in elk geval van de hand gewezen hebben. Hij was een
te naauwgezette knaap om ter wille van zijne gemoedsbezwaren zijne
boodschappen te verzuimen.

Jakob was ruimer van geweten, en vond het geene doodzonde vóór hij
Isidoors voorbeeld volgde, nog een halfje citroen met suiker te
gebruiken. In het eind evenwel nam ook hij afscheid van het
Fonteintje, en ging hij zich kwijten van den hem opgedragen last.

--"Veel wijzer ben ik niet geworden," zeide hij bij zichzelven, toen
hij zijne vertering betaald had en men hem den weg naar Soekabrenti
zag opwandelen. "Maar toch wel een beetje. Wel, wel, moet jufvrouw
Emma de vesting ruimen! Wonder is het niet, want voor Isidoors mevrouw
is zij geen portuur. Met dat al spijt het mij vervl--, dat de dokter
en mevrouw Lidewyde met elkander over hoop liggen. Dat zal een
geduchte streep door mijne rekening zijn. Een lieve jongen, die
mijnheer André!"



VIJFDE HOOFDSTUK.


Hoewel Adriaan Dijk voorwaar geen genie was, zou men hem ten onregte
voor een lafaard gehouden hebben, en wie hem in de eenzaamheid had
kunnen gadeslaan, toen hij, uit de stad gekomen, Ruardi's briefje vond
en zich daarmede naar zijne kamer begaf, zou getroffen zijn geweest
door de uitdrukking van vastberadenheid, welke zich eensklaps over
zijne gelaatstrekken verspreidde. Eerst stapte hij, met de armen over
de borst gekruist, eenige malen het vertrek op en neder, opende toen
zijn bureau, waarvan de cylinder naar achteren week, wanneer men het
blad bij den knop vatte en naar zich toe trok, en zette zich toen met
het hoofd in de hand, blijkbaar zonder eenig voornemen om thans
schrijf- of ander werk te verrigten, peinzend neder in zijn ronden
stoel.

--"Gij zijt ijdel," zou de wereld hem hebben kunnen toevoegen, en tot
staving van dat verwijt had zij zegevierend kunnen wijzen op zijn
hunkeren naar een mandaat waarvoor hij niet berekend was. "Gij zijt
dom," kon zij vervolgen, en onder vier oogen zou Lefebvre het haar uit
den grond zijns harten hebben nagezegd. "Gij zijt veel te goed van
vertrouwen," kon zij er bijvoegen, en indien Jakob of Sarah uit de
school hadden willen klappen, zouden zij hem van de waarheid dier
stelling op eene voor zijn gevoel uiterst pijnlijke wijze hebben
kunnen overtuigen. Doch juist Ruardi was de man, die hem van elke
opkomende achterdocht ten aanzien van Lidewyde telkens genezen had;
zoodat zijne eenige fout, in zake van ligtgeloovigheid, hierin
bestond, dat hij Ruardi's vriendschap voor eene uitgemaakte zaak
hield. Zal men weigeren te erkennen dat die dwaling hem tot eer
verstrekte, ook al was hij overigens die hij was? Schranderder lieden
dan hij, lieden van wie elk erkent dat hunne handelingen te geener
tijd door vaniteit bestuurd werden, zijn dwaas genoeg geweest om ten
einde toe aan de goede trouw van sommige personen te gelooven; en het
moet nog uitgemaakt worden, of het beter is, alle menschen zonder
onderscheid te verdenken, dan enkelen hunner als het uitgedrukt beeld
der welwillendheid aan te merken.

Er rustte op Dijks huwelijksleven een dier sluijers, welke alleen door
de dienstboden van Jakobs soort plegen opgeligt te worden. Lidewyde
had hem indertijd hare hand geschonken,--ja waarom? omdat zij eene
natuurlijke dochter was. Op een leeftijd dat andere jonge meisjes nog
naauwelijks de kinderschoenen ontwassen zijn, had het besef van dien
toestand haar reeds naar een huwelijk doen verlangen. Zij wilde
levenslang aan iemand toebehooren; een eigen naam dragen, gelijk alle
andere menschen in haren kring; een eigen huis en eene eigen omgeving
bezitten. Die wensch verdrong bij haar destijds al het overige; en
toen zij op achttien- of negentienjarigen leeftijd aan Adriaan Dijk
verbonden werd, was haar geduld, meende zij, reeds op de uiterste
proef gesteld geworden. Wat hem betreft, hare ongemeene, uitheemsche
schoonheid had hem eene wijl betooverd, en daarbij was het vragen van
hare hand in zijne oogen eene daad van courtoisie, bijna eene
heldendaad geweest. Zijne moeder, tegen wie hij van jongs af zeer had
opgezien, wier afkeuring hij nog nooit getrotseerd had, was eerst te
elfder ure tot berusten gekomen, en het had hem vrij wat moeite
gekost, haar eene vondeling, gelijk zij Lidewyde noemde, als
schoondochter te doen erkennen. Doch de vreugde over die zegepraal was
slechts van korten duur geweest. Geene drie maanden na zijn huwelijk
was tusschen Lidewyde en hem eene onoverkomelijke verwijdering
ontstaan; eene dier scheidingen, welke voor het oog der wereld
verborgen kunnen blijven, omdat zij haren oorsprong nemen in eene door
haar zelve ten toon gedragen koelheid. Weldra zou het zes jaren worden
dat Adriaan en Lidewyde voor elkander niets anders geweest waren als
twee personen, die in hetzelfde hôtel, ten onregte hun huis genoemd,
verschillende appartementen bewoonden.

Het was heden geenszins voor de eerste maal in dat half dozijn jaren
dat Adriaan nadacht over hetgeen hij doen zou, indien Lidewyde hem te
eeniger tijd openlijk ontrouw werd. In bijzonderheden, wel is waar,
had hij daaromtrent nooit iets kunnen vaststellen, omdat de te nemen
wraak of de te eischen voldoening zich natuurlijkerwijze zouden moeten
regelen naar de omstandigheden, waaronder de beleediging zou plaats
hebben. Doch indien hij met zijne wenschen te rade ging, wist hij met
genoegzame zekerheid op welke soort van strafoefening, al zou de
wereld daarvan dan ook schande spreken, zijne keus zich vestigen zou,
en zelfs zou hij de wapenen hebben kunnen noemen en aanwijzen, waarvan
hij zich bij die gelegenheid liefst zou bedienen. In het eerste jaar
van zijn huwelijk had hij een gitzwarten Newfoundlander bezeten, aan
wien hij om zijne vrolijkheid en hartelijkheid bijzonder gehecht was,
en wiens doodvonnis (het dier was sporen van dolheid gaan vertoonen,
of was althans eensklaps niet langer te vertrouwen geweest) hij met
een verdeeld gemoed onderteekend had. Eerst had hij Marcelis last
gegeven, den hond buiten zijne voorkennis te doen afmaken; doch
naarmate het oogenblik naderde, waarop hij berekenen kon dat zijn
bevel ten uitvoer zou worden gelegd, was de vrees hem gaan bekruipen,
dat men het dier meer zou doen lijden dan volstrekt noodig was. Ten
slotte was hij naar de stad gereden, had bij een geweermaker den
moorddadigsten revolver gekocht, die in 's mans magazijn te vinden
was, en had met eigen hand den armen Moor, die roerloos en met
bloedroode oogen op eene binnenplaats aan zijne ketting lag, door den
kop geschoten. Sedert dien tijd rustte dat wapen achter de kleine
kunstig gesloten deur onder den cylinder van zijn bureau, en slechts
enkele malen haalde hij het voor den dag, ten einde het te reinigen en
in bruikbaren staat te houden. Naast den revolver lag de korte zweep
met den langen en zwaren slag van gevlochten leder, dien hij gewoon
was geweest bij zich te steken, wanneer hij met Moor eene verre
wandeling ging doen. Niet dat de hond veelvuldig behoefde gekastijd te
worden; maar hij was te gelijk een zwemmersbaas en een aartsvijand van
wolvee, en indien men onderweg geen ongenoegen krijgen wilde met
herders of boeren, was het somtijds zaak hem tot zijnen pligt te
roepen. Zoo verleidelijk evenwel konden de ontstelde schapen met hunne
dikke lijven en hunne korte pooten niet voor hem uitrennen; zoo
breed kon de molenvliet niet zijn, die hij moest overzwemmen om
zijnen meester weder in te halen, of op het eerste geluid van
Adriaans zweepslag keerde Moor, druipend en hijgend, op zijne
zevenmijlssprongen terug.

De vraag of er eene bijzondere predispositie noodig is om te eeniger
tijd een doodslager of een beul te worden, dan wel of de aanleg
daartoe, zonder onderscheid van individuen, bij alle menschen als kiem
wordt aangetroffen, is welligt niet meer dan eene thesis voor de eene
of andere debating-club. Predikers der godsdienst hebben herhaaldelijk
in den loop der eeuwen het laatste alternatief tot het onderwerp van
roerende toespraken gemaakt; het eerste is door moralisten van de
physiologische school meermalen als ruim zoo waarschijnlijk
voorgesteld. Doch zoo min die zede-als die godsdienstleeraars zouden
in staat zijn geweest Adriaan Dijk de bekentenis te ontlokken, dat,
indien een man hem zijne eer ontroofde en zijne vrouw aan dien roof
medepligtig was, hij het regt niet hebben zou, Lidewyde voor dat
misdrijf te tuchtigen en haren minnaar te dwingen, zich met eigen hand
het leven te benemen. Op dat punt koesterde hij eene vastheid van
overtuiging, waarvan men beweren kon dat zij aan zinsverbijstering
grensde, doch tevens erkennen moest, dat zij de onbeduidendheid van
zijn persoon tot op zekere hoogte neutraliseerde. Het eene wapen om
hem te vernietigen, het andere om =haar= te vernederen: van die
opvatting was hij niet af te brengen. Dat stond geschreven, meende
hij. En aan de regtmatigheid van dat inzigt geloofde hij met dezelfde
onverzettelijkheid als een Arabier gelooft dat God groot en Mohammed
zijn profeet is.



ZESDE HOOFDSTUK.


De besteller van het expeditie-kantoor had zijnen pligt kwalijk
betracht, of wel de chef van het bureau had aan verstrooidheid
geleden. Althans, eerst in den loop van den avond, toen zij van huis
was en met André eene wandeling in het Park deed, was het voor Emma
bestemde pakje aan haar adres bezorgd geworden.

--"Hier is een pakje voor de jufvrouw," had Floris gezegd, toen hij de
lampen was komen opsteken.

--"Van wien komt het?" had freule Bertha gevraagd.

--"Dat is er niet bij gezegd," had Floris geantwoord. "De man, die het
bezorgd heeft, is dezelfde die boodschappen pleegt te doen voor het
expeditie-kantoor."

--"Leg het dan maar neder op de jufvrouws plaats," had de freule
bevolen. "De jufvrouw kan elk oogenblik thuis komen."

Emma kwam, en vond de freule als naar gewoonte bij haar theeblad
zitten. Zij zou even naar hare kamer gaan, zeide zij, om zich van haar
wandelkostuum te ontdoen; dan kon zij verder rustig beneden blijven en
zou zij de freule iets voorlezen.

--"Doe dat, liefkind! Hoe meer gij mij mijne oude oogen helpt ontzien,
hoe grooter dienst gij mij bewijst. Floris heeft daareven een
kleinigheid voor u binnengebragt, die gij misschien zult willen
medenemen naar boven. Ik heb hem gezegd, dat hij het dingje op uwe
plaats zou deponeren. Ligt het daar niet?"

--"Waar?" vroeg Emma, die het pakje eerst niet opgemerkt had.

--"Voor u, op de tafel."

--"Hoe kan ik zoo onoplettend zijn! Gij bemerkt, freule, dat men jonge
oogen niet te spoedig prijzen moet."

--"Nu, nu, gij zult eene aanstaande bruid niet hard vallen, omdat zij
kleine distrakties heeft."

--"Staat dat in de Schrift, freule?" vroeg Emma lagchend.

--"Neen, jufvrouw ongeloof, de Schrift bezondigt zich niet aan zulke
zwakheden. Dat doen alleen oude vrouwen, die een te goed hart hebben
voor de jonge."

--"Mag ik dan even gaan? Binnen vijf minuten ziet gij mij weder hier."

Emma had dien avond aan André niets ongewoons bespeurd. Alleen toen
hij reeds afscheid van haar genomen had was haar ingevallen, dat het
hartelijker van hem geweest zou zijn, indien hij voor het minst eene
poging had aangewend om de wandeling nog een weinig te rekken. Doch
ook dat verzuim had haar niet bijzonder getroffen, omdat zij wist dat
hij altijd vol bezorgdheid was voor hare gezondheid en hij de
avondlucht bepaald schadelijk achtte voor haar gestel. Arm in arm
hadden zij tusschen de oude boomen en het jonge plantsoen
gedwaald,--van de kiosk, waar muziek gemaakt werd, naar den vijver, en
van de hertenkamp terug naar de kiosk. Buitengemeen vertrouwelijk of
teeder waren hunne gesprekken niet geweest; daartoe was het dien avond
in het Park niet eenzaam genoeg, en hadden zij te vaak zorg moeten
dragen, den groet van nieuwe M'sche bekenden met wedergroeten te
beantwoorden. Niettemin had het onderhoud geen oogenblik gekwijnd.
Zooveel de gelegenheid het toeliet en met zorgvuldig vermijden van
Lidewyde's naam (bij stilzwijgende overeenkomst was tusschen hen in de
laatste dagen geene spraak van Lidewyde geweest), hadden zij als van
ouds gekeuveld over tijd en toekomst. Toen de duisternis begon te
vallen, waren zij den stroom der huiswaarts keerende wandelaars
gevolgd en voor de deur van freule Bertha's woning had André, meteen
vriendelijk: "Tot morgen!", hare hand eerst zacht gedrukt en daarna
gekust.

--"Wat beteekent dat?... Van waar komt dat?... Wat zal nu volgen?...
Hoe zou hij het verloren,... wie zou het hem ontnomen,... aan wie zou
hij het gegeven hebben?... Ach, dat ik niet zien kan!... Floris,
Floris, breng licht!"

In de meening, dat het pakje afkomstig was uit een magazijn, waar zij
des ochtends eenige kleine emplettes had gedaan, had zij het
gedachteloos met zich medegenomen naar hare kamer; en reeds was zij op
het punt weder naar beneden te gaan en het aan freule Bertha gegeven
woord gestand te doen, toen zij zich herinnerde, niet eenmaal inzage
genomen te hebben van hetgeen de oude dame met zooveel trouwhartigheid
voor haar in ontvang genomen had. Zonder licht naar boven geloopen,
had zij, half op het gevoel, het pakje nedergelegd op hare
schrijftafel; doch de gaslantaarn op de straat brandde helder genoeg
om het haar weldra te doen terugvinden. Zij beproefde, of welligt de
hand van schrijver of schrijfster op het adres haar de herkomst van
het gezondene zou kunnen doen raden; want het pakje scheen van buiten
de stad te komen, of was althans anders en zorgvuldiger gesloten dan
met gewone, bezendingen uit winkels het geval pleegt te zijn. Doch het
schrift was te fijn, en zij onderscheidde alleen de aanvangletters van
haar eigen naam en voornaam. Eerst toen zij drie of vier malen haar
schaartje gebruikt, het bindgaren doorgeknipt en het eene papier voor,
het andere na verwijderd had, ontwaarde zij, dat die windselen alleen
hadden moeten dienen om haar zoo lang mogelijk naar een klein rond
voorwerp te doen zoeken, hetwelk nogmaals in een papier gewikkeld was.
Zij betastte het, en ofschoon zij nog niet wist wat het was, begon
haar hart eensklaps sneller te kloppen en bekroop haar een geheime
angst. Zij zou gezworen hebben, dat het voorwerp, hetwelk zij in de
hand hield, haar eenmaal in eigendom had toebehoord; dat zij het
honderd malen had aanschouwd; het jaren achtereen, aan een fijn zwart
koord bevestigd, om haren hals gedragen had. Doch hoe kon het
medaljon, hetwelk zij eenige dagen geleden aan André had geschonken,
en dat hij plegtig beloofd had, levenslang te zullen bewaren als een
onderpand van hare liefde, zich eensklaps in dit pakje bevinden?
Moedig verbande zij elke gedachte, welke op nieuw eene schaduw zou
hebben kunnen werpen op André's karakter; en zelfs toen zij met
bevende vingers het laatste papier, dat dunner en buigzamer was dan
een der vorige, opengevouwen had; met onbedriegelijke zekerheid haar
eigen geschenk herkende; als eene gejaagde het vertrek op en neder
liep, om licht roepend en in hare radeloosheid de middelen niet
vindend om het zich zelve te verschaffen,--zelfs toen geloofde zij nog
aan eene dier duizend gunstige mogelijkheden, wier naam zelfbedrog of
misverstand is.

Eindelijk vond zij op den schoorsteenmantel, achter eene candelabre,
het porseleinen doosje dat tot bergplaats voor de lucifers diende. Den
vorigen avond had zij het zelve daar nedergezet, en in elke andere
omstandigheid zou zij het onmiddelijk teruggevonden hebben. Doch met
het licht kwam wel de waarheid, maar niet de vrede. Aan de binnenzijde
toch van het glanzig blad, waarin vaardige vingeren waren aangevangen
het medaljon te vouwen, stonden in het Fransch eenige woorden
geschreven, die naauwlijks voor tweederlei uitlegging vatbaar schenen
te zijn. Reeds voor zij er in geslaagd was eene bougie te ontsteken,
had de gladheid en fijnheid van dat papier Emma's aandacht getrokken;
en meer nog dan zijne schitterend witte kleur of zijne satijnachtige
oppervlakte, de verveinegeur die het verspreidde. Zij bedroog zich
niet. Eau-de-verveine was Lidewyde's geliefkoosde parfumerie, en het
fraaije blad papier was afkomstig uit Lidewyde's buvard. Ook had
Lidewyde de moeite niet genomen, haar schrift, dat zeer elegant en
tegelijk zeer eigenaardig was, onkenbaar te maken. =Recueilli sur le
coeur= d'=un charmant infidèle=, luidden de fransche woorden, bestemd
om naar het medaljon te verwijzen; en die woorden waren geschreven met
dezelfde vaste en loopende hand als het briefje, waarin Lidewyde Emma
verzocht had, Belvedere voor eene wijl met Soekabrenti te verwisselen.
Emma bezat dat briefje nog. Het lag in hare schrijfportefeuille; en de
overeenkomst van het eene handschrift met het andere maakte elk verder
onderzoek overbodig. Ten overvloede prijkte Lidewyde's voorletter,
gevat in het schild van een gestempeld fantasiewapen, bovenaan links
op den brief zoowel, als op het nu ontvangen biljet.

Hoe overtuigend dit alles ook was, duurde het eene poos alvorens Emma
zich van het aan haar gepleegd verraad ten volle bewust werd. Welk
leed had zij ooit aan Lidewyde berokkend, dat Lidewyde haar aldus naar
het hart stak? Wat kon het Lidewyde schelen, hoe het André's bruid
verging, mits André haar toebehoorde?... Doch bij het doen dier
laatste vraag, waarin tot tweemalen toe den naam van André voorkwam,
overmeesterde haar op nieuw het gevoel der doodelijke zekerheid.
Lidewyde moest zelve weten hoe zij haar gedrag verantwoorden kon. Zij,
Emma, was daarvoor niet aansprakelijk. Van zulke vrouwen en zulke
hartstogten kon zij zich geene voorstelling vormen. Doch hoe kwam
Lidewyde in het bezit van André's medaljon? Emma kon niet gelooven dat
hij het haar geschonken zou hebben. Het lag niet in zijnen aard,
meende zij, opzettelijk trouweloos te zijn; en daarin oordeelde zij
juist. Doch wat lag dan wèl in zijnen aard? Nog den vorigen dag had
hij haar verhaald, welken hoogen prijs hij stelde op het hem dien
zekeren ochtend door haar geschonken verzoeningsteeken; hoe weldadig
het hem had aangedaan, aldus door haar bejegend te zijn; dat zij de
teederste en de edelmoedigste van alle bruiden was, en hij haar
medaljon nacht en dag op zijne borst droeg. En zij, toen hij haar
edelmoedig genoemd en daardoor zijdelings bekend had, dat door hem
aanleiding was gegeven tot het gerezen misverstand, zij had niet voor
hem willen onderdoen in openhartigheid, maar had het geheim der aan
zijn oog onttrokken teekening,--met welk een ijver en welk eene
droefheid zij had zitten arbeiden aan hare aquarel; hoe zij daarbij
gestadig aan hem gedacht, en welke noodlottige voorstellingen hare
fantasie aan de donkerroode kleur der al de andere rozen
overschaduwende François Premier verbonden had,--eerlijk opgebiecht.
Was er dan wel een naam te vinden voor André's gedrag? Slechts op ééne
wijze was het medaljon uit zijn bezit in dat van Lidewyde kunnen
overgaan, en wanneer Emma bedacht, wat daartoe noodig was geweest,
verkreeg de eerste indruk weder de bovenhand en ontsnapte haar op
nieuw de kreet waarmede zij Lidewyde's briefje van zich af- en op den
grond geworpen had: "Afschuwelijk!"

Zij was te lang boven gebleven om geheel en al zonder
verontschuldiging in de tegenwoordigheid van freule Bertha te kunnen
verschijnen; doch indien zij slechts eenmaal beneden was, meende zij,
zou haar wel het een of ander invallen tot verklaring van haar gedrag.
Intusschen was het in den gang, dien zij volgen moest om den trap te
bereiken, geheel en al duister geworden; en ten einde niet te
struikelen, of zich niet aan de ouderwetsche gebeeldhouwde linnenkast
te stooten, wier vooruitspringende voet schier de helft van het
portaal besloeg, nam zij den kandelaar mede, bij wiens schijnsel zij
Lidewyde's schrift ontcijferd had. Bij het afgaan van den trap viel,
door het wankelen van haren tred, een groote droppel was op de
bovenzijde van hare hand; doch zij bemerkte dit eerst, toen het heete
vocht reeds gestolten en strak geworden was.

Hoe zwak freule Bertha's oogen bij avond ook waren, zij bespeurde
weldra aan Emma's voorkomen, en begreep uit het onwaarschijnlijke der
door haar aangevoerde redenen, dat haar iets ongewoons en onaangenaams
was wedervaren. Zoo lang evenwel Emma haar daaromtrent geene
opheldering gaf, meende zij den schijn te moeten aannemen, alsof zij
zonder bevreemding de aangekondigde vijf minuten zich had zien
verlengen tot een uur. Om te toonen hoe gevoelig zij voor die
bescheidenheid was, nam Emma het boek ter hand, waaruit zij beloofd
had, de freule te zullen voorlezen. De eerste bladzijde ging goed, de
tweede dragelijk. Doch van lieverlede werd hare stem onvaster, en toen
zij de derde bladzijde nog ten einde brengen moest, snikte zij zoo
luid en zoo hartstogtelijk, dat hare hoorderes de schepen der
diskretie moedig in brand stak.

--"Kom hier, lief kind," zeide freule Bertha, de armen naar haar
uitbreidend, "kom hier en zeg mij wat u kwelt."

Alles kon Emma de oude dame niet mededeelen; ten minste niet op
eenmaal. En dat wilde zij ook niet. Er viel, ten bate van André, een
wanhopige schijn te bewaren, en aan die verpligting mogt niet te kort
gedaan worden. Doch wat het ongelukkige meisje ook achterhield en de
brave freule ook raden moest,--toen zij elkander "goeden nacht"
kusten, geloofde geen van beiden dat die wensch in vervulling zou
gaan. Wakker liggen; de trage uren tellen; zich nu het een dan het
ander in het hoofd halen; het gelaat in de kussens verbergen met het
stellige voornemen om te gaan slapen; geene minuut later weder
overeind zitten om nogmaals en vruchteloos een nieuw antwoord op de
oude vragen te zoeken; het aanbreken van den dag verbeiden, en
nogtans weten, dat ook het rijzend licht niet in staat zal zijn de
benaauwde schaduwen te verdrijven,--zoo zal het wezen, dacht de vrouw
van leeftijd; daarop zal het nederkomen, voorspelde zich het jonge
meisje. En met een hart vol zorgen,--vlijmende zorgen, waarmede hier
beneden alleen de vriendschap en de liefde teisteren,--begaven beiden
zich naar hare slaapkamers.


Sommige nachten zijn zoo droog als de =Noctes Haganae= van onverschillig
welken rector der latijnsche scholen in het 's Gravenhage der 18de
eeuw; andere zoo amusant als de =Florentinische= van dokter Ruardi's
lievelingsauteur. Doch zoo min in het leven als in de litteratuur is
alles òf grappig òf vervelend. In beiden doet ook de weemoed zijne
regten gelden; en het is voor de bedroefden,--voor hen en voor haar
die in Emma's geval verkeeren, toen zelfs de ten hemel geslagen blik
van het =Ecce Home=-beeld, waarop in het fantastisch uur haar slapeloos
oog zich vestigde, geen antwoord gaf op de vraag, waarom André haar
bedrogen had,--voor haar en voor hen is het, dat Musset in eene zijner
=Nuits= die strofe vol zuchten en tranen gedicht heeft:

     Partout où j'ai voulu dormir,
     Partout où j'ai voulu mourir,
     Partout où j'ai touché la terre,
     Sur ma route est venu s'asseoir
     Un malheureux vêtu de noir
     Qui me regardait comme un frère.

Dat lied der eenzaamheid, Emma zou het dien nacht gezongen hebben,
indien elke andere aandrift voor haar op dat oogenblik niet
natuurlijker geweest dan die tot zingen. Zij dacht aan niets als aan
hare laatste wandeling met André in het Park. Wie haar toen had willen
diets maken dat de man, in wiens arm de hare rustte, weinige uren
later door eene andere vrouw zou worden verwelkomd,--zij had hem een
lasteraar genoemd. Ware de onbescheidene zelfzuchtig genoeg geweest,
door het aanvoeren van bewijzen zich te willen zuiveren van die
blaam,--de minste menschen kunnen het denkbeeld verdragen, voor
logenaars te worden aangezien, en wanneer zij kiezen moeten tusschen
hunne eigene rechtvaardiging en uwe smart vergeten zij ligt de
voorschriften der edelmoedigheid,--niet-alleen zou zij uit kieschheid
geweigerd hebben toe te luisteren, maar de aantijging zou bij haar
zijn afgestuit op een stalen ongeloof. Hoe jammerlijk was haar
vertrouwen beschaamd geworden! Hetgeen toen monsterachtig zou geluid
hebben, was nu eene werkelijkheid. Zij waakte, zij schreide, zij bad,
zij bracht de handen aan hare slapen om niet waanzinnig te worden van
verdriet,--terwijl Lidewyde's vingeren met de lokken van haren
bruidegom speelden.



ZEVENDE HOOFDSTUK.


--"Vroeg dag geweest van ochtend," zeide freule Bertha's koetsier tot
den ouden Floris, die nevens hem op den bok zat.

Floris antwoordde niet.

--"Vroeg dag geweest," herhaalde Hendrik, niet gewoon vóór twaalven te
rijden, doch heden, ofschoon het uur van negenen nog slaan moest,
reeds voor de tweede maal achter de paarden, eerst om Emma naar den
spoortrein, daarna om freule Bertha-zelve naar Soekabrenti te brengen.

--"De jufvrouw zag er erg ontdaan uit," ging Hendrik voort, vast
besloten Floris aan de praat te krijgen.

--"Hendrik," antwoordde Floris in het eind, niet willende dat zijn
kameraad, door geheel en al onkundig te blijven, misschien achteraf
nog veel onbeteugelder zou gaan babbelen, dan hij ongetwijfeld nu
reeds doen zou, "er is in de familie van jufvrouw Emma eene treurige
omstandigheid voorgevallen, zoodat de jufvrouw op stel en sprong naar
huis moest; en de freule heeft beloofd, daarvan onmiddelijk
mededeeling te zullen gaan doen aan mevrouw Dijk, met verzoek, er
mijnheer André op te willen voorbereiden. Daarom zijn we van daag zoo
in de vroegte. Pas gister-avond laat is de tijding ontvangen. Ik heb
zelf den brief binnen gebragt."

--"Dat je den brief zelf hebt binnen gebragt," zeide Hendrik, dankbaar
maar onvoldaan, "zal ik niet tegenspreken, want ik ben er niet bij
geweest; maar ik vind het casueel, zoo als Jakob van den dokter om het
andere woord pleegt te zeggen, dat wij om die reden op dit uur naar
Soekabrenti moeten."

--"Ik heb je al meer gezegd, Hendrik," antwoordde Floris, die den
aanval op het korps der vesting trachtte te ontwijken, door uit een
der afgelegen buitenwerken een uitval te beproeven, "dat je verkeerd
handelt door de kennis met dien Jakob aan te houden. Ik houd hem voor
een gemeenen kerel."

--"Dat's tot je dienst," zeide Hendrik. "Je bent de eenige niet, die
zoo over hem denkt; en als je niet te oud waart om zondagsavonds in
het Fonteintje te komen dansen, zou je misschien nog wel erger over
hem gaan denken."

--"Al kon ik er morgen twintig jaar mede worden," viel Floris hem
driftig in de reden, "ik zou geen voet in jelui vervl--Fonteintje
willen zetten. Dat je er zelf komt, laat ik daar; je bent jong gezel
en de jeugd moet 'er tijd hebben, zeggen de menschen; ofschoon dat
=mijn= leer =niet= is. Maar dat de vader van een huis vol kinderen zulke
plaatsen bezoekt, is schande; en daar je meê verkeert, wordt je meê
geëerd."

--"Dat wordt je," antwoordde Hendrik, met de oogen knippend, "en dat
is de reden, zeggen ze, dat jufvrouw Emma niet langer verkeeren wil
met mijnheer André. Of heb ik het mis?"

Floris zag hem verbijsterd aan. Tot zijn leedwezen bemerkte hij, dat
de koetsier hem niet zoozeer uitgehoord had ten einde iets nieuws,
maar alleen om van hem de bevestiging te vernemen van hetgeen hij
reeds wist of op goede gronden giste. Het was nu evenwel geen tijd om
Hendrik zoo ernstig onder handen te nemen als de zaak het verdiende.
Daar reden zij de laan van Soekabrenti op, Floris moest bij de hand
zijn om het portier te openen voor freule Bertha.


-"Zoodat gij niet voornemens zijt het bedreven kwaad op eenigerlei
wijze goed te maken?" vroeg freule Bertha oprijzend, nadat zij een uur
lang vruchteloos beproefd had Lidewyde òf eene bekentenis, òf eene
toezegging te ontlokken.

Lidewyde was op dit of een dergelijk bezoek voorbereid geweest, en de
gevoelens der oude dame waren haar te gemeenzaam bekend, dan dat zij
langen tijd naar hare antwoorden zou hebben behoeven te zoeken. Bij
tusschenpoozen evenwel, en ook nu weder, hield zij zich, alsof freule
Bertha's vragen met de meeste naauwgezetheid door haar overwogen
werden. In stede van het voorbeeld harer bezoekster te volgen en
insgelijks op te rijzen, bleef zij zitten leunen in haar fauteuil, en
zeide op nadenkenden toon, als iemand, die er in het minst geen belang
bij heeft een aangevangen onderhoud vóór den tijd af te breken:

--"Neen, freule, ik ben inderdaad niet voornemens iets te doen van
hetgeen gij bedoelt. Dat zou geene houding hebben en tot niets leiden.
Doch ik herhaal wat ik daareven zeide: indien tusschen ons omtrent
deze zaak eenig misverstand bestaat,--en ik erken, dat dit het geval
is,--komt het alleen hieruit voort, dat dezelfde gebeurtenis door u
als een kwaad wordt aangemerkt, en door mij niet zoozeer. Is het een
kwaad, dat Emma eenige tranen stort? Dat hare ouders en die van André
eene teleurstelling ondervinden? Ik kan het niet inzien. Spiegelen wij
ons aan de natuur, die den mensch geene enkele smart bespaart, en laat
ons niet wijzer willen zijn dan zij!"

--"Dat zijn drogredenen, Lidewyde, door u aangegrepen met het oogmerk
om uwen misstap te vergoêlijken. Hoe kunt gij uwe handelwijze
natuurlijk noemen? Is het natuurlijk, dat gij uwen man en uwe vrienden
bedriegt? Dat gij droefheid brengt over het hoofd van personen, die,
zooals Emma's ouders, u nooit het geringste leed berokkend hebben? Ik
ken een anderen naam voor dergelijke handelingen."

--"Gij verstaat mij verkeerd, freule, en de beteekenis, die door ons
aan dezelfde woorden gehecht wordt, verschilt. Men spreekt van oorlog,
van pest, van hongersnood; doch neem nu eens het alle dagen zich
herhalend verschijnsel van het sterven; neem de verpligting, waaronder
een onnoemlijk aantal menschen liggen om te moeten werken voor hun
brood. De een moet, om aan den kost te komen, veertien uren daags den
vernederendsten arbeid verrigten, de ander zijne aangeboren talenten
begraven, een derde zijn geweten verkrachten of zijne overtuiging
verkoopen. Doch zoo is de wereld nu eenmaal zamengesteld."

--"Ik weet niet, Lidewyde, wat gij met dergelijke redeneringen
bedoelt. Voorheen spraakt gij anders, en ik zou nooit gedacht hebben,
dat het u in die mate aan gemoed ontbrak. Wat mij betreft, ik ben met
geen ander oogmerk hier gekomen als om u te verzoeken, gebruik te
maken van uwen invloed op André. Weigert gij mij die dienst, dan heb
ik verder niets te zeggen."

--"Altoos hetzelfde misverstand, freule! Gij kondt even goed van mij
verlangen, dat ik een einde maken zal aan de dienstbaarheid van mijn
koetsier of aan de afhankelijke positie van Sarah. Ik heb dat niet in
mijne magt. En al kon ik iets dergelijks uitwerken, dan nog zou ik van
oordeel zijn, dat Emma's verdriet niet in de eerste plaats in
aanmerking komt. Sarah is in mijne oogen veel ongelukkiger dan
Emma, en het ongelukkigst van al vind ik Marcelis. Niets is
onwaarschijnlijker, niet waar? dan dat Marcelis te eeniger tijd in
beter doen komen zal; nogtans moet hij van den ochtend tot den avond
tuigen poetsen, rijtuigen schoonmaken en op den bok zitten. Doch houd
mij de aanmerking ten goede,--het behoort tot de zwakke zijde van uwe
filanthropie, voor =zulke= tragediën geen oog te hebben."

--"Ik erken," zeide de freule, met een bitteren glimlach, "dat uwe
filanthropie geen gevaar loopt, voor zwak te worden aangezien. Foei,
Lidewyde, hoe kunt gij er behagen in scheppen, u zoo geheel anders
voor te doen als gij zijt? Op uwe christelijke barmhartigheid zal ik
mij niet beroepen: gij zoudt in staat zijn mij uit te lagchen. Maar ik
kan niet gelooven dat gij enkel als vrouw, hoe hardvochtig de
behaagzucht u moge gemaakt hebben, geene deernis gevoelen zoudt met
een meisje in Emma's toestand."

--"Toch wel, freule. Ik ben niet overtuigd dat uwe barmhartigheid eene
deugd is, in den zin van eene kracht. En nu gij van christelijk
spreekt, grijp ik de gelegenheid aan om u ronduit te zeggen, dat ik
mij hoe langer hoe minder in uwe denkwijze te huis gevoel."

--"Die mededeeling kondt gij sparen. Ik geloof niet, dat uwe
antipathie mijne denkwijze tot schande strekt."

--"Meen niet, freule, dat mijn oogmerk is, u persoonlijk te grieven;
mijn toeleg is veeleer u een kompliment te maken. Doch laat mij u
mogen vragen, of de christelijke godsdienst niet bij uitsluiting
geschikt is om over het vreugdeloos bestaan van personen zeker waas
van poëzie te werpen? U houd ik voor eene voorbeeldige christin, en
van Emma zal, naar ik voorzie, over dertig of veertig jaren, hetzelfde
kunnen gezegd worden; doch is het christendom eigenlijk wel voor iets
anders bestemd, als om--ik spreek niet van uzelve--vrouwen die in het
geval verkeeren, waarin Emma dan verkeeren zal, te verzoenen met haar
lot? Mijne bedoeling met die vraag is natuurlijk niet de waarde van uw
geloof te verkleinen,--daarvoor is het aantal der gekontrariëerde
vrouwenlevens te groot,--maar alleen u duidelijk te maken, dat voor
mij geene reden bestaat, om, in strijd met mijn beter oordeel, gevolg
te geven aan uw beroep."

--"Mijn geloof, Lidewyde, staat te hoog om door uwen schimp getroffen
te kunnen worden, en ook zonder dat ik het behoef te regtvaardigen,
veroordeelt het u. Wat mij veroordeelt en beschaamd doet staan, is,
dat ik u zoo lang gekend heb zonder u te doorzien. Op mijne knieën zal
ik om vergiffenis voor die kortzigtigheid smeeken tot denzelfden Heer,
die Zijn aangezigt van u afgewend en u overgegeven heeft aan uwe
verdorvenheid. Ook voor u zal ik tot Hem bidden, want Hij is magtig
genoeg om zelfs steenen harten te kunnen verbrijzelen. Wordt mijn
gebed verhoord, dan ziet gij mij weder; eer niet. Er bestaat van dit
oogenblik af geenerlei betrekking meer tusschen ons. Wees de heidin
van uwe keus, indien gij dat voor uw geweten verantwoorden kunt; doch
zoo eene vrijdenkster te zijn voor u beteekent geen hart en alleen
driften te hebben, verboden minnarijen te onderhouden, den naam te
onteeren van den man aan wien gij duizend verpligtingen hebt,
jongelieden in het verderf te storten en ouden van dagen in het
aangezigt te slaan,--zoo dat de vrucht is dier hoogere beschaving,
waartoe gij beweert opgeklommen te zijn, weet dan dat mijn bijgeloof
en mijne wanbegrippen te fier zijn om zich af te geven met uwe
wijsheid."

--"Freule Bertha! Freule Bertha!" riep Lidewyde, eindelijk oprijzend,
toen de freule haar niet zonder digniteit den rug toekeerde en het
vertrek wilde verlaten.

--"Wat is het, Lidewyde?" vroeg zij, het hoofd naar haar omwendend en
haar aanziende met een bestraffenden blik.

Gelukkig voor haar en voor hare waardigheid verried niets in dien blik
de schemering van hoop, die Lidewyde's roepen in haar binnenste had
doen opflikkeren. Wel ver toch dat Lidewyde haar als eene berouwvolle
zondares te gemoet zou gegaan zijn, of voor het minst eenig leedgevoel
zou getoond hebben over hare onbeschaamdheid, ontving zij van haar een
laatsten slag door de wedervraag:

--"Ik wenschte van u te vernemen, freule, wat ik, nu Emma vertrokken
is, aanvangen zal met André?"



ACHTSTE HOOFDSTUK.


De persoon, wiens naam in het voorgaand hoofdstuk het laatst genoemd
is, droeg van datgene, waarin hij zelf zoo van nabij betrokken was,
nog geene kennis. Hij was een ochtendzwerftogt gaan doen, doch niet in
de rigting der stad; anders zouden freule Bertha en hij elkander
misschien tegengekomen zijn, hij te voet en zij in haar rijtuig, en
zou die vroege togt der oude dame naar Soekabrenti hem welligt op het
denkbeeld gebragt hebben van iets buitengewoons. In weinige dagen toch
was het reeds zoo ver met hem gekomen, dat, zonder dergelijke
uitwendige aanleiding, de toestand van aan waanzin of dronkenschap
grenzende verblinding, waarin hij verkeerde, hem niet meer helder
worden kon. Doch de diepe sluimer van zijn geweten werd door geene
enkele ontmoeting gestoord; hij volbragt zijne wandeling, gelijk hij
dat gisteren of eergisteren gedaan zou hebben; droeg zorg den
terugtogt dus te nemen, dat hij van de andere zijde de stad weder
binnenkomen kon, en schelde omstreeks hetzelfde uur, waarop hij
meermalen in het voorbijgaan een bezoek aan Emma gebragt had, aan de
woning van freule Bertha.

--"Vertrokken?" vroeg hij, met de uiterste verbazing, toen Floris hem
aangediend had en hij bij de vrouw des huizes toegelaten was. "Is Emma
vertrokken? Waarom? Waarheen? Hoezoo? Heeft zij geene boodschap voor
mij achtergelaten? Geen briefje? Kon zij niet gewacht hebben totdat ik
met haar gesproken had?"

--"Mijnheer Kortenaer," antwoordde freule Bertha, wier gevoelig hart
tegen dezen toon met kracht in opstand kwam, "indien gij tegenwoordig
waart geweest bij het onderhoud dat ik een uur geleden met mevrouw
Dijk gehad heb, zoudt gij op dit oogenblik niet tegenover mij zitten.
Of heeft een regtvaardig God ook uw hart verstokt, even als dat van
Lidewyde? Eene boodschap voor u, of een briefje van haarzelve, heeft
Emma niet voor u achtergelaten, neen; doch ziehier hetgeen door eene
verraderlijke en onreine hand haar gisteren toegezonden is."

De freule opende hare schrijfcassette, die nevens haar op de tafel
stond, en reikte André het medaljon over, met het daarbij behoorend
biljet van Lidewyde. Emma had eerst niet gewild, dat zij die
voorwerpen behouden zou, doch was geëindigd met toe te geven.

André herkende aanstonds, even als Emma gedaan had, de hand van
Lidewyde. Hij herkende ook het medaljon met het fijne zwartzijden
koord. Ten overvloede bragt hij werktuigelijk de hand aan zijne borst,
ten einde zich te vergewissen dat het door Emma achtergelaten
voorwerp inderdaad hetzelfde was dat hij in de laatste dagen
getrouwelijk om den hals gedragen had. Gisteren nog, herinnerde hij
zich, of anders eergisteren, was het medaljon op de gewone plaats
bevestigd geweest; doch het was verdwenen, en thans hield hij het,
daar viel niet aan te twijfelen, in zijne hand. Hij bezag het eene
wijl aan de voor- en achterzijde, nam toen het papier nog eens op,
waarin het gewikkeld was geweest, en herlas met aandacht de daarop
door Lidewyde gestelde woorden.

Doch meent men dat òf de aanblik der achtenswaardige vrouw tegenover
hem, òf het overtuigend bewijs der onverantwoordelijkste handelwijze,
waarop zijn oog thans rustte, hem verlegen maakte? In geene deele.
Misschien is het jammer, maar het is zoo, dat de stem van het geweten
en de vrees voor het vonnis der wereld luider bij ons spreken, wanneer
onze verkeerde neigingen om zoo te zeggen nog in de periode der
kindsheid verkeeren, dan wanneer zij reeds zekeren graad van
consistentie verkregen hebben; zoodat twee van onze beste
schutsvrouwen tegen de verleiding, helaas, magteloozer worden,
naarmate wij dringender behoefte zouden hebben aan hare bescherming.
André's hartstogt voor Lidewyde was te sterk en tevens te onzuiver,
dan dat freule Bertha's welmeenend bedoelde ontmaskering een
noemenswaardigen indruk op hem zou hebben gemaakt.

--"Is uw wensch, freule, dat ik deze voorwerpen bij mij steken en
medenemen zal?" vroeg hij, zijn zakportefeuille voor den dag halend.

--"Neen, mijnheer; mijn wensch is integendeel, dat gij ze mij
onmiddelijk teruggeven zult. Althans, zoodra gij u met eigen oogen
overtuigd zult hebben van uwe trouweloosheid. Foei, mijnheer
Kortenaer, ik zou u niet in staat hebben geacht tot eene zoo
laaghartige handelwijze!"

Met eene zwijgende buiging reikte hij freule Bertha het medaljon en
het briefje over, greep zijnen hoed, en verliet, met eene aan fierheid
grenzende koelbloedigheid, het huis, waaruit Emma door hem verjaagd
was.

Hij vond het vervelend, ja, dat eene oude jonge jufvrouw, die hij
daarenboven voor eene langtong hield, nu kennis droeg van zijne
hartsgeheimen. Klapte zij uit de school, dan zou hem dit in sommige
moeijelijkheden kunnen wikkelen. Die gedachte deed hem evenwel niet
blozen of verschrikken, maar alleen de wenkbraauwen fronsen; en weinig
scheelde het, of van ongeduld had hij op de openbare straat met den
voet gestampt. Doch verder ging voorshands zijne bezorgdheid niet.
Stond het Lidewyde fraai, achter zijnen rug het leven der goede Emma
te verbitteren? O neen. Door den teugel te vieren aan hare antipathie,
had Lidewyde eene verhouding onmogelijk gemaakt, die hij, wat hem
betrof, gaarne zoo lang mogelijk zou hebben zien voortduren. Doch aan
den anderen kant streelde het in de hoogste mate zijne gevoeligheid,
dat Lidewyde prijs stelde op het onverdeeld bezit van zijn persoon.
Dit was een triomf waarvan hij weinige dagen geleden zelfs niet zou
hebben durven droomen. Daarbij kwam dat Lidewyde, in de zaak van het
medaljon, hem toescheen meer uit onwetendheid dan met opzet gezondigd
te hebben. Zij kon niet weten, dat Emma aan dat kleine voorwerp eene
zoo groote waarde hechtte. Hijzelf althans kon zich alleen herinneren
haar gezegd te hebben, doch zonder meer, dat het medaljon van Emma
afkomstig was. Er was derhalve geene boosaardigheid in het spel
geweest, maar er had een noodlottige zamenloop van omstandigheden
plaats gehad.

Evenwel, er moest nu in sommige opzigten raad geschaft worden. Met
zijn engagement was het gedaan, dat sprak van zelf. Emma,--daaromtrent
maakte hij zich geene hersenschimmen,--Emma had eene soort van
onafhankelijkheid over zich, die het gemakkelijker was te vertreden
dan te buigen. Hare ouders zouden in geen geval gedoogen, dat hij òf
hen, òf haar immer weder onder de oogen kwam. Ook zijne eigen ouders
kwamen in aanmerking. Zij moesten niet in de waan kunnen verkeeren,
dat hij den verkeerden weg was opgegaan, even als zijn broeder
Lodewijk, die gestolen had; hetgeen geheel iets anders was. Vooral
zijn vader, die hem steeds een goed hart had toegedragen en van wien
hij veel vriendschap ondervonden had, moest weten, dat de schuld
slechts gedeeltelijk aan hem, André, lag, en dat, al had zijn
engagement nog eene poos geduurd, en al was hij ten slotte met Emma
getrouwd, Emma toch nimmer eene geschikte vrouw voor hem zou geweest
zijn. Hij zou onmiddelijk werk maken van een uitvoerigen brief naar
huis, waarin hij een en ander duidelijk uiteenzetten zou.

En wat zou de wereld zeggen, indien het uitkwam dat het afspringen van
zijn huwelijk met Emma het gevolg was van zijnen hartstogt voor
Lidewyde? Men zou er zoogenaamd schande van spreken, dat hij een lief
en onschuldig jong meisje opofferde of aan eene getrouwde vrouw. Doch
wat bekommerde hij zich daarom? Lidewyde's liefde was hem genoeg, en
voor Lidewyde's rust vreesde hij niet. Zij was te gevat en te
vindingrijk, dan dat zij de openbare meening niet gemakkelijk op een
dwaalspoor zou weten te brengen; en al gelukte haar dit niet, zoodat
het geheim hunner betrekking verraden werd, ja zelfs al zou eene
openbare breuk met een ondragelijk echtgenoot het gevolg daarvan
zijn,--welnu, die scheiding zou haar vrij en hem, André, tot den
gelukkigste der stervelingen maken.

Toen hij tot zoover met zijne overdenkingen gevorderd was, had zijn
weg door de stad hem naar de Groote Markt gevoerd, waar de omnibussen
naar Zeeburg afreden. Juist sloeg de klok van het stadhuis twaalf ure,
en de schetterende trompet van een kondukteur kondigde aan, dat een
der voor het Badhuis bestemde wagens zich in beweging zou gaan zetten.

"Door thans naar Soekabrenti terug te keeren," zeide hij bij zich
zelven, "zou ik daar zoo goed als zeker te gelijk met Dijk aankomen,
of in geen geval vroeg genoeg om rustig met Lidewyde te kunnen
spreken. Ook moet ik eerst nog eens bij mij zelven overleggen, hoe ik
dien brief aan den ouden heer inkleeden zal. Weet gij wat? Ik zal te
Zeeburg gaan ontbijten. Dat zal mij goed doen. Eerst een bad, dan wat
eten, dan met de eerstvolgende omnibus naar de stad terug,--zoodoende
ontloop ik Dijk, vind Lidewyde alleen, heb eene explikatie met haar,
en regel daarnaar mijn brief."

Er was overvloed van plaats in de omnibus, en de enkele passagiers, in
wier gezelschap hij den rid naar Zeeburg maakte, schenen even weinig
lust te hebben om met hem in gesprek te komen als hij met hen. Ook de
groote zaal van het Badhuis vond hij bij zijne aankomst bijna
verlaten. De meeste badgasten waren reeds vroeger te water geweest en
deden nu een dutje in hunne slaapkamers, of kleedden zich om in den
namiddag naar de stad te gaan. Hij bestelde vooruit een ontbijt, kocht
een kaartje en begaf zich naar het strand. De heeren en dames, die hij
daar nog aantrof, boezemden hem weinig belangstelling in. Het waren
gewone badgasten van beiderlei geslacht, de mannen met schotsche
plaids om de schouders, de vrouwen blootshoofds en met loshangende
haren. Bekende aangezigten ontmoette hij niet. Ook in de babbelkoetsen
op het terras had hij in het voorbijgaan niemand opgemerkt, dien hij
zich herinneren kon gedurende zijn verblijf te M. wel eens gezien of
gesproken te hebben. Men waarschuwde hem dat eene badkoets beschikbaar
was; meer verlangde hij op dit oogenblik niet.

=Le bain creuse=, zeggen de Franschen; en wie André, na afloop van het
zijne, in een hoekje der groote zaal had zien ontbijten, zou zich in
zijn geloof aan de juistheid van dat gezegde niet geschokt gevoeld
hebben. Nogtans was de graagte, waarmede hij zijne koffij verorberde
en zijne lamskoteletten at, niet uitsluitend van stoffelijken
oorsprong, maar tegelijk een symbool van hetgeen in hem omging.
Dezelfde golven, dacht hij, waarin hij daareven geplast en zich alle
vooroordeelen van het lijf, alle muizennesten uit de haren gespoeld
had, hadden menigmaal ook de schoone ledematen van Lidewyde
overstelpt. Lidewyde in het bad; Lidewyde nederduikend in het
bruischend water of de brekende golf opvangend met haren
schouder,--die voorstelling verschafte aan zijne fantasie niet minder
en geen onaangenamer werk dan de aangerigte disch aan zijn verhemelte.
Dat zulk eene vrouw, zoo schoon en zoo schrander, haar goeden naam in
zijne hand gesteld had; dat hij alles van haar gedaan kon krijgen; dat
zij zoover ging van zich naijverig te toonen op hare eigen
heerschappij over hem,--die wetenschap was bijna grooter weelde dan
hij dragen kon. In zijne opgewondenheid riep hij den knecht en
bestelde eene halve flesch sherry.

--"Een glas sherry? Asjeblieft, mijnheer!"

--"Verstaat gij mij niet? Ik vroeg een halve flesch."

--"Asjeblieft, mijnheer!"

Sedert dien namiddag, dat hij met Dijk ontbeten en daarna in spijt van
Sarah's waakzaamheid binnengedrongen was in zekere vertrekken, had een
glas wijn hem zoo goed niet gesmaakt. Hij dronk een tweede en derde
glas. Bij het vierde knipte hij met het linkeroog, bragt het vonkelend
goudkleurig vocht aan zijn regter, liet het licht er in spelen, en zou
lust gevoeld hebben een toast in te stellen op zijnen oom, den
oud-minister, die hem met Lidewyde in kennis had gebragt.

Doch wiens stem weêrklonk daar in het galmend voorhuis, wie trad de
zaal binnen en vroeg overluid aan den kellner, of hij mijnheer Z. (een
der badgasten) voor eene wijl geen belet doen zou? Ja waarlijk, hij
was het! Niet oom Timmermans, hetgeen in hooge mate onwaarschijnlijk
geweest zou zijn, maar dokter Ruardi, wat niemand verwonderen kon en
alleen op dit uur tot de zeldzaamheden behoorde; dokter Ruardi, die
op het zien van André eensklaps al zijne opgeruimdheid scheen te
verliezen en over wiens welwillend gelaat zich plotseling eene
uitdrukking van haat en wraakzucht verspreidde, gelijk men aan onze
noorderstranden en bij onze meer flegmatieke landgenooten slechts
zelden in de gelegenheid is waar te nemen.

André's goede luim daarentegen steeg, toen hij den dokter herkende,
nog hooger dan te voren. In een oogwenk was hij opgerezen, maakte zich
met eene bewonderenswaardige gemakkelijkheid meester van den
ongenaakbaren Ruardi, troonde hem met zich mede naar zijn tafeltje,
deed alsof 's dokters onwil in het geheel niet door hem werd
opgemerkt, en legde over deze ontmoeting eene in den aangenamen zin
des woords zoo contagieuse blijdschap aan den dag, dat men met alle
goede manieren gebroken zou moeten hebben om zijne demonstratien van
ingenomenheid niet voor het minst met een schijn van vriendschap te
beantwoorden. Het kostte Ruardi te minder inspanning dien glimp aan te
nemen, omdat, indien André zijne redenen had om aldus openlijk over
hem te triomferen, hij de zijne meende te hebben om te gelooven dat
André's uitgelatenheid van korten duur zou zijn.

--"Dokter," zeide André op emfatischen toon, als moest de feestdronk,
dien hij daareven zou hebben willen instellen, hem thans onder een
anderen vorm van het hart, "het doet mij onbeschrijfelijk veel
genoegen, uw aangezigt te aanschouwen. Mag ik u een glas wijn
aanbieden? Jan, een glas!"

--"Waarlijk niet, mijnheer Kortenaer. Het maderaklokje heeft voor mij
nog niet geslagen."

--"Zoo als gij wilt, dokter. Op eene verpligting meer of minder, komt
het niet aan. De mijne aan u zijn talloos. Nimmer, dat zweer ik, zal
ik vergeten wat gij voor mij geweest zijt en gedaan hebt. Wanneer ik
betuig in u een ouderen broeder en te gelijk een voortreffelijk
leermeester gevonden te hebben, zeg ik inderdaad niet te veel. Op uwe
gezondheid, dokter, en dat gij voort moogt gaan eenig genoegen aan mij
te beleven!"

--"Laat ons minder luid spreken, mijnheer Kortenaer," fluisterde de
dokter. "Wij hebben wel geene geheimen te verhandelen, maar het zou
niettemin kunnen gebeuren, dat personen, wien onze zaken niet aangaan,
ons beluisterden. Gij houdt mij die opmerking ten goede, niet waar?
Een medicus moet zich op publieke plaatsen somtijds meer in acht nemen
dan hem lief is."

--"Ik begrijp u volkomen, dokter," antwoordde André, eenige oktaven
lager dan daareven, doch met dezelfde hartelijkheid. "Het is alleen de
medicus in u, die zoo spreekt. Als mensch zou het u slechts tot de
hoogste eer kunnen verstrekken, indien de geheele wereld u
beluisterde. Herinnert ge u ons eerste gesprek, daags nadat Adriaan
Dijk de goedheid had gehad mij aan u voor te stellen? Zoo in eenig
oogenblik van mijn leven eene onzigtbare hand in mijne ziel de kiem
gelegd heeft van een ander en hooger bestaan, is het dien
onvergetelijken dag geweest."

--"Gij schertst, mijnheer Kortenaer!"

--"Toch niet, dokter. Voorheen geloofde ik niet aan den invloed van
priesters op mannen, en wanneer ik op de straat, of buiten, een
predikant ontmoette, nam ik den hoed af en dacht bij mijzelven: "Geef
kinderen zoeten koek, en vrouwen zoeten most." Doch sedert mijn
gelukkig gesternte mij naar M. gevoerd en met u in aanraking heeft
gebragt, ben ik van dat vooroordeel voor goed teruggekomen. Gij ziet
in mij den katechumeen, die er in roemt en er zich op verhoovaardigt,
van u zijne wijding ontvangen te hebben."

--"Uwe uitdrukkingen zijn zoo dichterlijk, mijnheer Kortenaer, dat ik
met den lakonieksten der staatslieden, toen een poëet hem zijne
politieke beschouwingen voordroeg, zou wenschen te zeggen: "Ik bid u,
mijnheer, laat ons op de aarde blijven!" Waarlijk, gij overdrijft
schromelijk de geringe diensten die ik u mag bewezen hebben. Zijn
mijne inzigten naar uwen smaak, het is mij aangenaam; doch houd in het
oog, dat de eenige denkbeelden, waarmede men in deze wereld verder
komt, die zijn, waarvan men zelf de uitvinder is."

--"Hetgeen gij daar zegt, dokter, is weder zoo fijn gedacht en zoo
keurig uitgedrukt, dat mijne ingenomenheid met u er volkomen door
geregtvaardigd wordt. Vrees echter niet, dat gij in mij met een dier
onwaardige discipelen te doen hebt, die hunnen meester slechts
napraten."

--"Waarde heer," zeide Ruardi, die nu zijne contenance niet meer
verloor, "niemand kan omtrent uwe originaliteit een gunstiger meening
koesteren dan ik; en tenzij er ook eene oorspronkelijkheid gevonden
wordt, die zich vergenoegt met nalezingen te houden,--hetgeen met
zichzelf in tegenspraak zou zijn,--weet ik inderdaad niet hoe men
billijkerwijze op het denkbeeld zou kunnen komen, u van gebrek aan
zelfstandigheid te beschuldigen."

--"Ten opzigte van uw onderwijs althans, dokter, zou die aantijging
onverdiend zijn," antwoordde André. "Want het is juist omtrent eene
van uwe treffendste uitspraken, dat ik mij hij nader inzien verstout
heb, met u van meening te gaan verschillen. Herinnert gij u?... Maar
gij, die dagelijks zulke gesprekken voert, en, waar het op geestige en
welsprekende aforismen aankomt, u de weelde moogt veroorloven een
=enfant prodigue= te zijn..."

-"Nog eens, mijnheer Kortenaer, gij vergeet dat het voorwerp van uwen
lof tegenover u zit. Hoe zou de kellner mij uitlagchen, indien hij de
vlugt van uwe oden volgen kon! Gelukkig voor mij dat er waarheid is in
het spreekwoord: men moet niemand prijzen vóór zijnen dood."

--"En waarom zou men u niet prijzen bij uw leven, dokter? Toen gij de
eeredienst der vrouwen het aangewezen middel noemdet om onzen landaard
die hoogere vorming te doen bereiken, waarvan de tegenwoordige tijd
eene levensvoorwaarde maakt, waart gij de profeet der 19de eeuw
voor Nederland. Mij ten minste heeft dat denkbeeld eene geheel nieuwe
toekomst geopend, en ik zou alles willen opofferen om het in praktijk
te leeren brengen. Onze kunst, onze litteratuur, onze over het paard
getilde voorouders, den eenoogigen grondlegger van mijn geslacht niet
uitgezonderd,--onze geheele volkshistorie doe ik u prezent."

--"Vrijzinniger kan het niet, mijnheer Kortenaer," zeide de dokter,
"en ik zou geheel en al ontrouw worden aan mijzelven, indien ik u met
die verandering van zienswijze niet van harte geluk wenschte. Doch uwe
bruid zou inderdaad reden hebben mij te haten, indien ik eene
dankbetuiging aannam, waarop buiten haar niemand regt heeft. Hoe vaart
jufvrouw Emma? Hebt gij haar van ochtend reeds een bezoek gebragt? Ik
moet verschooning vragen, dat ik eerst nu naar haren welstand verneem;
doch erken, waarde heer, dat gij mij tot hiertoe geene gelegenheid
gelaten hebt, mij van die aangename verpligting te kwijten."

--"Ik bid u, dokter, bezig het woord verpligting niet. Gij doet
uzelven daarmede onregt aan. Ten eeuwigen dage zal ik de schuldenaar
zijn van den man, die mij den hartstogt der liefde als den volmaaksten
vorm van het menschelijk zijn heeft leeren beschouwen. Doch mag ik u
thans op mijne beurt van een vooroordeel genezen? Er waren in Holland
geene vrouwen, beweerdet gij, in staat eene neiging in te boezemen,
sterk genoeg om u ter wille daarvan alles te doen vergeten. Dat was
onbillijk van u. Ik althans mag eene vrouw de mijne noemen, die aan
uwen eisch in allen deele voldoet; de levende heldin van den
schoonsten roman."

--"En houdt gij mij voor zoo kleingeestig," vroeg Ruardi, "dat ik ter
wille van mijne theorien u het genot van dat voorregt misgunnen zou?
Ik zou het veeleer bejammeren, indien hetgeen ik gezegd mag hebben van
de hollandsche dames in het algemeen, door u was toegepast op jufvrouw
Visscher. Van het eerste oogenblik af heeft uwe bruid den
aangenaamsten indruk op mij gemaakt, en het verwondert mij in geenen
deele dat gij in haar de vrouw van uwe keus gevonden hebt. Zoo ziet
gij, mijnheer de ingenieur, dat men tezelfdertijd een Archimedes in de
werktuigkunde en in de liefde kan zijn!"

--"Voortreffelijk, dokter!" riep André, oprijzend. "Een Archimedes in
de liefde! Men moet dokter Ruardi heeten om aldus in drie woorden een
geheelen toestand te kunnen teekenen. Doch het wordt mijn tijd, en den
uwen mag ik niet langer ontrooven. Krijg ik voor de vrouw van mijne
keus uwe groeten mede?"

Een oogenblik scheen het, alsof André's moedwil Ruardi op nieuw zijne
tegenwoordigheid van geest zou doen verliezen. Doch hij herstelde zich
spoedig en antwoordde met zijne gewone minzaamheid:

--"Het zal mij zeer veel eer zijn, door u te worden aanbevolen in de
herinnering van jufvrouw Visscher."

Hij volgde André naar buiten en zag hem eene plaats kiezen op den top
der huiswaarts keerende omnibus. André groette hem met de hand en hij
beantwoordde dien groet op dezelfde wijze. Toen keerde hij zijnen
zegevierenden medeminnaar den rug toe en zeide binnensmonds:

--"Indien Dijk zichzelven gelijk blijft, zal vriend Kortenaers haan
den langsten tijd viktorie gekraaid hebben."



NEGENDE HOOFDSTUK.


Op een zaterdagavond in de tweede helft van September, zes weken na
dien anderen avond, des zondags, toen André en Emma te zamen op de
bovenvoorkamer van Belvedere voor het venster gestaan en elkander de
vonkelende ster gewezen hadden, die den hoorn der maan scheen te
kroonen, sukkelde over den Duinendaalschen straatweg, van de stad naar
buiten, een klein huurrijtuig met één paard. Het was hetzelfde paard
waarmede André, vermoeid van het dreunen der lokomotiven en het
ruischen der toasten, na afloop van de feestelijke opening der
spoorwegbrug, in de koelte en de schemering naar Duinendaal terug was
gebragt. Op den bok zat dezelfde voerman, die hem destijds had
ingewijd in het verborgen leven van zes slepers-arabieren, waarvan
deze de magerste, de stramste, en van afkomst de doorluchtigste was.
Boven op het rijtuig, welks bouwvallige imperiaal en rammelende veren
op onbedriegelijke wijze de spoorwegvigilante onzer provinciesteden
kenmerkten, stond een groote reiskoffer, hooger en breeder dan met
heeren-koffers het geval pleegt te zijn. De persoon, die zich in het
rijtuig bevond, was dan ook geen heer, maar eene dame.

Het was Emma. Met den vroegen sneltrein uit M. vertrokken, had zij den
geheelen dag doorgereisd, en bereikte nu het einde van haren togt.
Ofschoon de duisternis haar belette het landschap te onderscheiden en
de avond koel, om niet te zeggen koud was, had zij uit behoefte aan
lucht het glas nedergelaten aan de zijde van waar de wind kwam. Zoo
hotste zij voort langs den eenzamen weg, niets ziende en door niemand
gezien. Tegelijk met den wind stroomde de walm van den petroleum naar
binnen, dien de sleper in zijne lantaarns brandde. In elke andere
stemming als die, waarin zij op dit oogenblik verkeerde, zou zij het
glas opgehaald en de ondragelijke reuk geweerd hebben; doch hare
zenuwen waren verstompt, en zij had alleen nog gevoel voor den
scherpen wind, die haar door het geopend portier in het aangezigt
blies.

Daar hield de vigilante stil voor het nederige hek van Belvedere; doch
de ouderlijke woning ontsloot zich niet aanstonds. Zij hoorde den
voerman, van den bok gestegen om aan te schellen, eenige woorden
wisselen met eene der dienstboden, die zorg droeg de deur niet wijder
te openen dan noodig was om te kunnen vernemen wat men van haar
verlangde.

--"Het is zaturdagavond vader is naar het dorp," dacht Emma, toen zij
dit oponthoud gewaar werd; want hoewel de openbare veiligheid te
Duinendaal niets te wenschen overliet, kon toch de heer des huizes in
dit saisoen, nu de avonden reeds begonnen te lengen, na zonsondergang
de hielen niet keeren, of keuken- en werkmeid beijverden zich om
strijd de ketting op de voordeur te doen; en lieten niemand binnen dan
na zich vergewist te hebben dat er geen onraad was.

Hoe riepen die kleine bijzonderheden Emma dagen voor den geest wier
rust te weinig door haar was gewaardeerd!

Aanvankelijk baatte het niet veel, dat de voerman, sprekend door de
reet der deur, onder eede verzekerde, dat niemand anders als jufvrouw
Emma, zich in zijne vigilante bevond. Men geloofde hem niet. De
jufvrouw was uit de stad, werd hem geantwoord, en men verwachtte haar
vooreerst niet terug. Hij beriep zich op zijn gezond verstand, op
zijne goede oogen, op zijn goed geheugen, en eerst toen het niet
langer mogelijk was de waarheid van zijn getuigenis in twijfel te
trekken, werd de ketting losgemaakt.


In dezelfde kleine bovenkamer bij den trap, waar zij meest den
laatsten avond der week doorbragt, zat mevrouw Visscher in de
eenzaamheid de thuiskomst van haren man te verbeiden. Des
zaturdagsavonds werd in het Wapen van Duinendaal heeren-societeit
gehouden: en ofschoon de eigenaar van Belvedere noch kaart speelde,
noch politiseerde, bezocht hij die bijeenkomst met naauwgezette
regelmatigheid. Wie op een dorp woont, meende hij, moest zich niet
afzonderen, en Lydia was dit volkomen met hem eens. Zelfs kwam de
aansporing om op het gebruikelijk uur naar de societeit te gaan
dikwijls van hare zijde, en ook dezen avond was zij de eerste geweest,
om hem aan zijne goede gewoonte te herinneren.

--"De lust is niet groot," had hij gezegd, "en ik vind het aardiger,
zoo lang Emma van huis is, de societeit er aan te geven en u
gezelschap te blijven houden. De heeren zullen hun partijtje wel maken
zonder mij."

--"En sedert wanneer wachten zij op uwe komst om de kaarten te
schudden?" had zij lagchend gevraagd. "Neen, lieve man, dat zijn
uitvlugten. Emma kan nog wel drie weken wegblijven. En wat zullen de
Duinendaalsche heeren van mij denken, indien gij hun morgen verhaalt,
dat uwe vrouw zelfs niet één avond in de week alleen kan zijn? Ik heb
lektuur en bezigheden in overvloed, geloof mij. Wij verrigten elk een
verdienstelijk werk: ik door afstand van u te doen, gij door te gaan."

Na zijn vertrek was de stilte om haar henen gedurende een vol uur
door niets gestoord. Niemand had aangescheld, ook de postbode niet,
die anders omstreeks dezen tijd van den dag dikwijls brieven bezorgde.
Dubbel verwonderd was zij daarom, een rijtuig te hooren stilhouden
voor het hek, en daarna een koffer te hooren afladen en binnenbrengen.
Zij legde het tijdschrift, waarin zij had zitten bladeren, uit de
hand, schoof hare werkdoos op zijde, en wachtte luisterend naar eene
verklaring van het ongewoon gedruisch beneden in den gang.

--"Daar zal Bartje zijn," dacht zij, meenende dat de persoon, die zij
den trap hoorde opkomen, de werkmeid was. "Waar blijft gij, Bartje?
Waarom talmt gij zoo? Zeg mij spoedig wat er te doen is."

--"Ik ben het, moeder," zeide Emma, die in haar reisgewaad, en met de
hand aan de kruk, wankelend bij den ingang van het vertrek bleef
staan. "Kom naar mij toe en help mij; ik ben ziek."

Emma moest zooveel moeite doen om te spreken, dat Lydia in het eerste
oogenblik te naauwernood hare stem herkende. Zij geloofde aan eene
hallucinatie, en rees wel op van hare zitplaats, maar snelde niet
aanstonds naar hare dochter.

--"Help mij, moeder, ik kan niet meer," fluisterde op nieuw de doffe
stem; en ware Lydia niet toegeschoten, Emma zou van vermoeidheid en
aandoening ineengezonken zijn.

--"Is er een ongeluk gebeurd?... Hoe komt gij hier?... Waar is
André?... Wat schort er aan?... Waarom hebt gij niet geschreven?"...

Emma moest op die onstuimige vragen het antwoord schuldig blijven.

--"Breng mij naar bed, moeder," zeide zij, "dan zal ik u alles
vertellen."

De moeder wist niet, of zij waakte dan droomde. Doch ofschoon hare
gissingen met de snelheid van het licht het onbegrensd gebied der
mogelijkheid doorvlogen, zij was er de vrouw niet naar om zich
daardoor te laten afbrengen van hetgeen thans in de eerste plaats van
haar gevorderd werd. Emma moest ontkleed en naar bed geholpen worden.

--"Waarom wilt gij heengaan, moeder?" vroeg Emma, toen Lydia de
gordijnen van haar ledikant met die zekere zorgvuldigheid geplooid en
weder ontplooid had, waaraan zieken bemerken kunnen dat men voornemens
is, hen te verlaten. "Nu ik eenmaal rustig nederlig, behoeft gij niet
langer voor mij te vreezen. Blijf bij mij, totdat vader thuiskomt. Is
vader opgeruimd? Heeft hij dikwijls naar mij gevraagd?"

--"Morgen zal ik al uwe vragen beantwoorden, mijn kind; maar houd u nu
stil, en beproef of gij den slaap kunt vatten. Gij hebt de koorts."

--"Toch niet, moeder. Ik ben wel ziek, maar anders als gij meent. Voel
eens naar mijne voeten hoe koud zij zijn."

--"Als marmer, kind. Ik zal Bartje zeggen, dat zij onmiddelijk water
heet maakt om de tinnen kruik voor u te vullen."

--"Dat is lief van u. Maar een ding zou ik nog liever van u gedaan
hebben."

--"En dat is?"

--"Warm mijne voeten tusschen uwe handen, zoo als gij deedt toen ik
nog een kind was. Misschien zal ik dan van zelf gaan slapen."

Lydia knielde neder aan het voeteneind van het ledikant, de armen
uitgestrekt onder de dekens en het aangezicht verbergend in de
plooijen der sprei die zij zelve gebreid had. Zij hief het hoofd niet
op om Emma aan te zien, en Emma wendde het hare niet af om den blik
van hare moeder te ontwijken. Doch het oogmerk der dochter was
bereikt. Er bevond zich in het vertrek geen ander licht als dat eener
veilleuse, en bij die weifelende schemering verhaalde zij, terwijl
Lydia hare voeten warmde, al hetgeen tusschen André en haar
voorgevallen was.



TIENDE HOOFDSTUK.


Van Belvedere naar zee, het bosch door en de duinen over, was bij dag
eene wandeling van niet meer dan twee uren. Doch kan het wonder
schijnen dat Aart Visscher dien nacht het dubbel van den tijd behoefde
om te gaan, en nogmaals het dubbel voor den terugtogt? Toen hij tegen
tien ure uit de societeit thuis gekomen was, had hij onmiddelijk aan
zijne vrouw bespeurd dat hen eene ramp had getroffen, en met den
besten wil was het haar niet mogelijk geweest, de waarheid voor hem te
verhelen. Emma terug, omdat André een slechtaard was? Die gedachte
dreigde hem te doen stikken. Emma's toestand gedoogde niet, dat hij
naar haar toevloog om haar te omhelzen; en zelfs smeekte Lydia hem,
slechts fluisterend te spreken. Voor zijn overkropt gemoed, en de
gezwollen aderen zijner kloppende slapen, was die dwang eene
duldelooze kwelling geweest. "Geef mij mijn hoed en mijn regenmantel!"
had hij gezegd. "Ik wil naar het strand, ik moet de zee zien! Hier =kan=
ik het niet uithouden!"

--"En laat gij mij den geheelen nacht met Emma alleen? Indien haar
iets overkwam, wat zou ik beginnen?"

--"Zeg Bartje, dat zij met u wake. Ik ben tot niets nut. Het is voor
ons allen beter dat ik ga."

--"Maar indien Emma iets overkwam?"

--"En welk grooter leed kan haar overkomen dan hetgeen die lafaard
haar berokkend heeft? Gij weet zoo goed als ik, Lydia, dat ik u van
geenerlei dienst kan zijn."

--"En wanneer zie ik u terug?"

--"Morgen-ochtend, met het aanbreken van den dag."

--"Laat mij dan voor het minst uwe veldflesch vullen en u een stuk
brood medegeven. Is dit een uur om geheel alleen door de duinen te
gaan dwalen! Gij zult mij twee zieken voor eene bezorgen."

--"Die wandeling zal mij niet ziek maken, Lydia, maar gezond. Vrees
niet voor mij. Ik ken den weg en neem ten overvloede Tiras mede."

Met Reiniers hond aan zijne zijde stak hij het bosch door en besteeg
een voetpad door het zand, dat voor den kortsten weg naar zee gehouden
werd. Doch door de duisternis raakte hij het smal en dagelijks
verstuivend spoor weldra bijster, en kon zijnen weg alleen voortzetten
door nu eens met zijnen stok zich door de bremstruiken heen te slaan,
dan zich vast te klampen aan de helmplanten links en regts, dan zijnen
voet los te rukken uit de ineen gewoelde ranken der duinbeziën, de
angels en klemmen der natuur. Bij het afgaan van eene der hoogste
duinen viel hij eensklaps voorover en moest in het rond tasten om
zijnen hoed weer te vinden: de bovenlaag van een konijnenhol was niet
sterk genoeg geweest om hem te dragen, en hij mogt van geluk spreken
dat zijn struikelen geene erger gevolgen had dan eene schram over het
gelaat en opgekrabde handen.

--"Maak geen leven om niets!" zeide hij, toen de hond om hem henen
sprong en aansloeg. "Kom hier, en speel voor chirurgijn."

Hij rigtte zich op, zette zich neder in het zand, en liet zich door
Tiras het aangezigt en de handen lekken. Zoo ging het voort, duin op,
duin af, in de rigting der zee. Doch toen hij de laatste duinenrij
achter den rug had en alleen nog het strand hem van den grooten
waterplas scheidde, vond hij de begeerde verademing niet. Hij had zich
voorgesteld, onder het bruischen der baren woorden te zullen vinden
voor zijne verontwaardiging. Hoe sterker wind, had hij gedacht, en hoe
woester golven, des te weldadiger zou de overeenstemming zijn tusschen
het geraas om hem henen en den storm in zijne borst. Doch hij ontving
niet een der indrukken, waarop hij gerekend had. De inspanning van het
klimmen en dalen was vergelijkenderwijs eene afleiding geweest: de
vlakke zandbaan was eene teleurstelling. Hij zag omhoog, doch
bespeurde niets als een grijs en onrustig zwerk, met een zwartblaauwen
achtergrond, waarin nu en dan eene enkele ster kwam vonkelen en dan
weder verschoot. Verder dan honderd passen voor zich uit kon hij het
water niet van de lucht onderscheiden, en alleen in zijne onmiddelijke
nabijheid zagen de kuiven der baren wit. Het strand, dat bij dag
onafzienbaar zou zijn geweest, geleek nu eene kleine vlakte binnen
enge fantastische grenzen. Het eenige wat hem half en half voldoening
schonk, was het daverend geweld waarmede sommige reuzengolven
nederkwamen en het strand beukten. Doch hij kon zich niet onverdeeld
overgeven aan zijne gedachten, evenmin als hij een uitweg vond voor
zijne aandoeningen. Hij zou in de eenzaamheid de vuist hebben willen
ballen tegen André; maar om voort te kunnen komen moest hij met beide
handen zijnen mantel bijeen houden. Het zou eene verligting voor hem
geweest zijn, indien hij zich in Emma's droefheid had mogen verdiepen;
doch nu moest hij al zijne krachten inspannen om tegen den wind op te
worstelen, dan werd hij zijns ondanks voorwaarts gestuwd. Had hij
geweten, dat André dien eigen ochtend, op twee dagreizen afstand,
hetzelfde strand bezocht en daar in Lidewyde's bezit geroemd had; dat
Ruardi's haat Emma's vernedering wreken zou; dat André op dit zelfde
oogenblik... Doch van geen der dingen, die zijne belangstelling gewekt
of hem bevredigd zouden hebben, ook al hadden zij hem te gelijk met
afgrijzen vervuld, droeg hij kennis. Daarentegen vernieuwde hetgeen
hij wist onophoudelijk in zijn binnenste het gevoel van zijne
magteloosheid.

Zulke teleurstellingen zijn geene zeldzaamheid. Men heeft verdriet, en
beeldt zich in, het te zullen kunnen verzetten, indien men van zijne
smart door niets wordt afgeleid en men er zich geheel aan wijden kan.
Doch naauwelijks is men met zichzelven alleen, of het blijkt, dat die
verwachting eene hersenschim geweest is. De ligtzinnigheid eet in
zulke uren opium, of drinkt alkohol; het piëtisme werpt zich op de
knieën en bidt. Doch wie het laatste niet zou kunnen doen zonder zich
aan huichelarij te bezondigen, het eerste niet zonder zich in eigen
oogen te verdierlijken, voor hem blijft alleen over zich het zwaard
uit de wonde te rukken en geduldig af te wachten of de tijd haar
cicatriseren wil. Elke andere poging om verligting van pijn te bekomen
staat gelijk met het heen en weder loopen van den leeuw in het hok
eener diergaarde. Hetzij hij nog tien jaren leeft of morgen sterft, in
de voorwaarden zijner gevangenschap komt geene verandering: eene
plaatsruimte van vijfentwintig kubieke voeten, ijzeren bouten aan de
voor-, ijzeren grendels aan de achterzijde, en tweemalen daags een
stuk vleesch.

Ook Emma's vader zocht eenen troost die niet bestond, of althans
nergens op aarde voor hem te vinden was. Hij mogt zijne woning
ontvlugten als een vagebond, door bosschen en duinen dwalen gelijk een
strooper, nu in deze, dan in gene rigting den zoom der golven
volgen,--even als een moordenaar of dief gedaan zou hebben, die naar
een vaartuig zoekt om hem met zijnen buit naar de overzijde te
brengen,--zijn leed verminderde niet. Na Emma was hij het, die door
André's trouweloosheid het diepst gegriefd werd, dieper dan Lydia,
dieper zelfs dan André's ouders. Gulle vooringenomenheid had hem dien
knaap zijn hart doen schenken; voor het eerst sedert vele jaren had
hij weder vrolijk de toekomst ingestaard, had hij zich de
waarschijnlijkheid voorgespiegeld eener verwezenlijking van
lievelingsdenkbeelden, tot hiertoe slechts op één gebied mogelijk
geweest en daar in tranen verdwenen. En nu was het, alsof met het
boosaardigst overleg en door de ruwste vuist hem, voor elke van zijne
blijde verwachtingen, een stoot in de borst werd toegebragt. Wie of
wat kon hem van de smart dier ontgoocheling bevrijden? Bedrogen en
beleedigd was hij gegaan, beleedigd en bedrogen keerde hij op zijne
schreden terug. De eenige verandering was dat de wind ging liggen en
voor een digten motregen plaats maakte. Zijn mantel en Tiras dropen
toen Lydia hem binnenliet.

--"Hoe maakt Emma het?"

--"Zij slaapt. Heeft de wandeling u goed gedaan?"

--"Neen, Lydia. Vergeef mij dat ik niet naar uwen raad geluisterd
heb."

--"En wat beginnen wij nu?"

--"Zorg gij voor Emma, en laat mij naar André gaan."

--"Om wat te doen?"

--"Dat weet ik zelf niet."

--"Wilt gij hem rekenschap vragen van zijne handelwijze?"

--"O neen, zijne verantwoording verkies ik niet aan te hooren. Maar
hij moet niet kunnen denken, dat wij hem vreezen."

--"En wanneer woudt gij vertrekken?"

--"Met den middagtrein van heden. Dan ben ik morgen-ochtend daar
ginds."

--"Het is eene bittere beproeving voor ons allen."

--"Bitterder dan... Maar ook welk eene dwaasheid, dat wij ons vleiden
met de hoop, André voor ons te zullen zien worden wat Reinier geweest
is!"



ELFDE HOOFDSTUK.


--"Wat deert u, Lidewyde? Wat is er gebeurd?" vroeg André, schichtig
oprijzend uit den slaap. "Gij vergist u, het is nog lang geen dag.
Waarom loopt gij zoo driftig op en neder? Kom hier, gij zult ziek
worden."

Bij het schijnsel der albasten lamp, die in het voorvertrek van den
zolder afhing, kon hij alleen hare gedaante onderscheiden. Er was iets
spookachtigs in het heen en weder golven van dat wit en slepend
nachtgewaad: hetwelk het eene oogenblik zich van de alkoof verwijderde
en dan telkenmale eensklaps weer zigtbaar werd.

--"Waarom antwoordt gij niet, Lidewyde? Schiet ten minste uwe muiltjes
aan, zeg ik u. In het holle van den nacht op uwe bloote voeten!"

Zij trad naar het ledikant, sloeg de armen om zijnen hals, en
fluisterde hem in het oor:

--"Ruardi heeft ons verraden. Dijk is hier geweest, terwijl gij
sliept. Sta dadelijk op en ga naar uwe kamer."

--"Naar mijne kamer?" vroeg hij, overeind vliegend en naar zijne
kleederen grijpend. "Neen, Lidewyde, ik verlaat u niet. Geef mij den
sleutel van de kleine trapdeur. Ik zal Marcelis wekken en hem zeggen
dat hij ijlings inspant. Verkiest gij den landauer?"

--"Gij droomt, André. Den sleutel, waarvan gij spreekt, bezit ik niet.
Dien heeft Ruardi aan Dijk in handen gespeeld. Marcelis is omgekocht.
Wij zijn in Dijks magt."

--"Is hij het dan die verlangt, dat ik naar mijne kamer zal gaan?"

--"Ja. Daareven stond hij eensklaps aan mijne zijde en wekte mij. Ik
kon hem aanzien dat hij gewaakt had."

--"En wat heeft hij gezegd?"

--"Niet veel, maar genoeg. Over een uur, zeide hij, kwam hij hier
terug en zou dan eene explikatie hebben met mij, na eerst met u te
hebben afgerekend."

--"Hoe wenschte ik, dat hij mij uitdaagde! Het schreeuwt om wraak, dat
gij vastgeketend zijt aan zulk een bloed. Doch hij zal den moed niet
hebben om zich als een man te gedragen."

--"Gij zult hem niet sparen, wel?"

--"Wees zonder zorg. Het genot zou grooter zijn, indien ik, tegelijk
met hem, ook Ruardi treffen kon; maar Ruardi zal mij daarom niet
ontloopen. Met den prijs uwer liefde in het verschiet..."

--"In het verschiet? Gij zoudt mij bijna doen glimlagchen. Zie mij
aan, en zeg welke vrouw zwakker voor u kan zijn dan ik? Doch de tijd
dringt. Rep u! Dijk wacht."

--"Voor zijne rust zal ik vroeg genoeg tot zijne dienst zijn."

--"Maar hij zal u verdenken, indien gij hem niet spoedig te woord
staat."

--"Verjaagt gij mij? Dat is hard. Misschien zie ik u heden nacht voor
het laatst."

--"Onzin, André! Zelfs in den dood ben ik de uwe!"

--"Laat mij nog vijf minuten mogen blijven, Lidewyde! Het =kon= zijn dat
wij voor eeuwig gescheiden werden."

--"Geloof toch niet aan dwaze voorgevoelens, André! Dijk mag niet
wachten. Gij bederft uwe zaak... en de mijne."

--"Gij hebt gelijk. Omhels mij dan, en ik ga. Omhels mij, bid ik u."

--"Ziedaar."

--"Omhels mij nogmaals, en zeg overluid dat gij mij liefhebt."

--"Nu dan."

--"Neen, niet fluisteren."

--"Ik heb u lief, André! Is het zoo naar uwen zin?"

--"Bijna. Eerst moet ik u op den hals mogen kussen, even als ik dien
avond in den tuin gedaan heb."

--"Maar dan gaat gij ook?"

--"Stellig en zeker."

--"Gij breekt uw woord! Laat mij los, André! Zoo kust een man zijne
aanstaande vrouw niet."

--"Dat kunt gij niet meenen, Lidewyde. Uw hoofd op mijnen schouder en
mijne lippen op uwen hals: zoo behoort het. Mag ik?"

--"Al wat gij wilt, mits gij mij loslaat."

Reeds voor het bekomen verlof, ofschoon zij het niet aldus bedoeld
had, had zijne hand over haren schouder heen, haar gewaad ontknoopt,
en viel het matte licht der van den zolder afhangende lamp op haar nu
met geen enkel floers bedekten boezem. Het baatte niet dat zij met den
eenen arm hem van zich poogde af te weren en met den anderen haar
kleed bijeenhield. Haar gordel zelf bezweek weldra voor zijne drift,
die alles wilde aanschouwen. Toen ook de laatste sluijer verwijderd
was, deed hij eene schrede achterwaarts, verslond met de oogen het
golvend marmer van Lidewyde's schoonheid, drukte haar nog eenmaal aan
zijne borst, en ging.



TWAALFDE HOOFDSTUK.


Toen André in den voornacht zijne kamer verlaten had om zich naar die
van Lidewyde te begeven, had hij de deur voorzigtig aangezet, en noch
licht ontstoken, noch de overgordijnen tot elkander getrokken. Thans
waren die gordijnen zorgvuldig digtgeschoven; op de tafel brandde eene
lamp, en om binnen te kunnen treden had hij de deur moeten ontsluiten.
Ook de gang en het portaal waren min of meer verlicht, en hij had
ditmaal niet noodig, gelijk anders, afgaande op de flaauwe schemering
der lantaarn van gebogen glas, die zich hoog in de lucht boven den
trap welfde, tastend zijnen weg te zoeken. Hij opende de deur met
kracht, om te toonen dat hij geene vrees kende, en meende niet anders,
toen hij de ontstoken lamp bespeurde, of Lidewyde's echtgenoot zou
eensklaps op hem toeschieten. Doch er heerschte in het vertrek eene
doodsche stilte. Eerst had zijn oog moeite, de voorwerpen behoorlijk
te onderscheiden; want de kamer was te groot om door slechts ééne lamp
in alle rigtingen verlicht te kunnen worden, en de donkere kleur der
meubelen, bij het diepe groen en rood van het behangsel en de
draperiën, vermeerderde nog de duisternis op den achtergrond en aan de
zijden. Des te sterker daarentegen was het schijnsel dat van onder de
kap der lamp op de met een gebloemd kleed van fluweelachtig trijp
bedekte tafel viel. Ook kon het geen toeval zijn, dat geen enkel ander
voorwerp op dat oogenblik de aandacht afleidde van het tweetal, door
Dijks hand aan den voet der lamp nedergelegd. Niemand kon het vertrek
binnentreden zonder die twee--eene pistool en een brief--aanstonds op
te merken.

André had zoo vast geloofd, Dijk te zullen aantreffen, dat zelfs het
lezen van zijnen naam op het adres van den brief hem niet overtuigde
dat hij alleen was. Hij rukte de overgordijnen open, als kon er voor
Adriaan eene reden bestaan hebben om zich daarachter te verbergen;
doch ook dit onderzoek leidde tot niets. Het verdroot hem, dat hij
Dijk niet onder de oogen kon treden. Niet één, maar twee pistolen
waren noodig; en niet hier of nu was daaraan behoefte, maar tegen
morgen of overmorgen, in het afgelegen veld, wanneer alles voor het
duel in gereedheid zou zijn gebragt en hij in den vorm van een
doodelijken kogel Dijk de voldoening schenken zou, welke voor
Lidewyde's rust gevorderd werd. Doch hoe bestierf eensklaps op zijne
lippen de taal van den overmoed; tot welk eene armzalige werkelijkheid
kromp voor zijn gevoel de poëzie van het wanbedrijf, zoodra hij kennis
genomen had van Adriaans wilsbeschikking! Dijk schreef hem:

"Het is beneden mij, u met woorden te berispen of te straffen. De zorg
om dat met daden te doen, heb ik aan anderen opgedragen. Wend geene
pogingen aan om te ontvlugten; zij zouden u slechts te spoediger in de
handen van Marcelis en zijne palfreniers doen vallen. Al mijne
maatregelen zijn genomen, en indien gij het waagt, den voet buiten uwe
kamer te zetten, zal ik u voor uw leven tot verminkens toe doen
tuchtigen. Eén middel schiet u over om te toonen, dat gij geen lafaard
zijt. Het ligt voor u op de tafel. Gij zult daardoor tevens de
toekomst kunnen redden van het meisje dat door u verraden is. Terwijl
ik dit schrijf, slaat de klok twee ure; mijne lieden hebben in last,
indien met slaan van drieën uw schot niet gevallen is, binnen te
dringen in uwe kamer, u gekneveld mede te voeren naar den stal, en
hunnen euvelmoed aan u te koelen op eene wijze, die ik niet noemen
wil. Gij hebt te kiezen tusschen het wapen nevens u en de straf der
overspelers.

"PS. De pistool is niet met kruid geladen; maar de bussen der kogels
zijn met donderpoeder gevuld. Er zijn er zes, zooals gij ziet. Ketst
de eene, gebruik dan den volgenden. Doch ik geloof niet dat het noodig
zal zijn. Het is dezelfde revolver waarmede ik Moor door den kop
geschoten heb. Het dier heeft geene minuut behoeven te lijden. Dit tot
uw narigt."

André's eerste daad na het lezen dezer woorden was eene poging om door
een sprong in den tuin zijn leven te redden. Doch hoe hij nu aan het
eene, dan aan het andere venster rukte, er was aan de spanjoletten
geen verwrikken: eene geoefende hand had ze onbruikbaar gemaakt, en
hij verspilde noodeloos zijne krachten. Wat erger was, zoodra de
stilte in het vertrek door het gedruisch zijner voetstappen en het
rammeijen aan de vensters was afgebroken, hoorde hij een sleutel
steken in het slot der kamerdeur. Een onzigtbaar cipier draaide tot
tweemaal toe den sleutel om in het slot, en de gevangene kon voor-noch
achteruit.

Het besef dat die voorzorg noodig was geweest om hem het vlugten te
beletten, vernederde hem, en hij schaamde zich over zijne eerste
opwelling. Alle verdere pogingen tot ontsnappen liet hij varen, en
beproefde een juist inzigt in zijnen toestand te bekomen.

Zou Dijk zijne bedreigingen ten uitvoer durven brengen? Sedert hij van
Lidewyde wist dat Ruardi langer dan een jaar onder Dijk's oogen haar
aangenomen minnaar was geweest, had zijne verachting voor Adriaan haar
toppunt bereikt. Daareven nog was Adriaan in zijne oogen een
walgelijke stumpert, dien hij de moeite niet zou genomen hebben te
haten, indien hij niet een onoverkomelijke hinderpaal voor zijne eigen
vereeniging met Lidewyde geweest ware. Was het mogelijk, dat diezelfde
Adriaan thans eene koelbloedigheid ten toon spreidde, die misschien
niet veel persoonlijke dapperheid, maar eene dubbele maat van
hartstogt verried? Hoe blinder evenwel Adriaans woede was, des te meer
reden bestond er om te duchten dat hij behagen scheppen zou in de door
hem aangekondigde wraak. En de voorstelling dier strafoefening deed
het Kortenaersbloed André naar het aangezigt stijgen. Te zelden was
voorheen de stem van dat bloed bij hem ontwaakt, en indien men hem
gestreng beoordeelen wilde, had men het regt hem een treurig voorbeeld
van de verbastering van onzen landaard te noemen. Doch eene
beleediging als die, welke Dijk hem toedacht, was meer dan zelfs hij
verdragen kon. In zijne verbeelding zag hij zich door de geheele
wereld met den vinger nagewezen...

De tranen sprongen hem in de oogen toen hij de pendule op den
schoorsteenmantel half drie hoorde slaan. Daareven had hij zich
nedergeworpen in zijn gemakkelijken stoel, ten einde des te rustiger
te kunnen nadenken; doch die metalen klank werkte zoo galvanisch op
zijne zenuwen, dat het hem niet mogelijk was langer te blijven zitten.
Met de kin op de borst en de handen in de zakken, krampachtig spelend
met zijne beurs en zijne sleutels, stapte hij de kamer op en neder, en
poogde, doch vruchteloos, zich zelven in te prenten dat, wilde hij
handelen als een man, hij binnen dertig minuten een lijk moest zijn.
Hij was geen Kato, en zou zonder wroeging den val van zijn vaderland
overleefd hebben; geen Hamlet, vragend naar te zijn of niet te zijn,
en over dat onderwerp, met een eigenwilligen dood voor oogen,
onsterfelijke diepzinnigheden verkondigend. Maar hij was jong; en
gelijk dat volstond om den lust naar het leven als wassend water te
doen klimmen in zijne borst, evenzoo was het verschoonbaar dat zijne
aandoeningen hem voor eene wijl overstelpten. Hij snikte overluid en
moest zich de oogen afwisschen. Emma had hij verraden, Dijk bedrogen,
Ruardi gesard, naar Lidewyde's omhelzingen gehunkerd, het was alles
zijne eigen schuld. Zijne ouders zouden ontroostbaar zijn. Die van
Emma, waaraan hij zulke groote verpligtingen had en die zoo goed voor
hem waren geweest, hem levenslang haten. Emma-zelve zou zich door zijn
toedoen diep ongelukkig gevoelen; en al was de vreugde van haar
bestaan niet noodzakelijk voor altijd verwoest, het zou eindelooze
jaren kunnen duren eer haar gevoelig hart weder aan deugd en liefde
kon gelooven. Al dien tijd zou zij het kruis van zijne nagedachtenis
moeten dragen en zouden de menschen haar elkander aanwijzen als de
voormalige bruid van dien André Kortenaer, wiens vader en moeder
zooveel verdriet beleefden van hunne zonen. Nogtans waren het geene
tranen van berouw, die zijne oogen verduisterden en hem deden
aanloopen tegen de meubelen regts en links. Het gevoel van schuld had
te geener tijd luid bij hem gesproken, en deed dit ook nu niet. Hij
schreide niet omdat hij slecht was, maar omdat hij pas dertig jaren
telde; en indien men hem gevraagd had wat hij meer betreurde, voor
altijd Emma te moeten missen of nimmermeer verzadigd te zullen
insluimeren aan Lidewyde's zijde, zou hij het antwoord schuldig
gebleven zijn.


En hoe zou Adriaan met Lidewyde handelen? Het vermoedelijkst was, dat
hij openlijk van haar zou willen scheiden; en misschien werd het
voornemen daartoe haar op dit oogenblik-zelf door hem aangekondigd.
Zou zij daarna het land verlaten en in vreemde werelddeelen gaan
omzwerven? Moeten eindigen met even als Sarah haar eigen brood te
verdienen? Dat dit haar deel zou kunnen zijn, was eene ondragelijke
gedachte. Doch duldeloozer nog was de voorstelling, dat de nood haar
op nieuw in Ruardi's armen zou kunnen drijven, en zij, ten einde in
haar levensonderhoud te voorzien, liefkozingen zou moeten dulden,
neen, beantwoorden, die zij in den grond van haar hart verafschuwde.
Arme Lidewyde, hoe duur zou het haar kunnen te staan komen, dat zij
hem, André, onvoorzigtig had liefgehad! Het zou hare schuld niet zijn,
indien zij voor Ruardi's aanbiedingen bezweek, maar alleen die van den
verfoeijelijken dokter. Zulk een schepsel had de wereld nog nooit
voortgebragt: tegelijk een wellusteling en een lafaard, een verrader
en een bluffer, een wijsgeer en een zielverkooper.


Van tijd tot tijd wierp hij een blik op de pistool. Het gepolijste
staal van den loop glinsterde in het licht der lamp, en het
donkerbruin der kunstig gesneden kolf kwam zoo schilderachtig uit
tegen de hooggekleurde bloemen van het tafelkleed, dat men gewaand zou
hebben een feestgeschenk te zien liggen: eenige dier nuttige
snuisterijen waarmede eene verstandige vrouw haren man op zijn
verjaardag verrast, of die een bevoorregt pupil bij zijn aanstaand
vertrek naar de akademie van een edelmoedig voogd tot eene gedachtenis
ontvangt. André was het nog in het geheel niet met zichzelven eens hoe
hij handelen zou; doch dit was geene reden, meende hij, om met het
door Dijk hem opgedrongen wapen niet meer van nabij kennis te maken.
Spoedig evenwel ontzonk hem die belangstelling. Door de gleuven van
den metalen kraag, tusschen de kolf en den loop, grijnsden hem zes
grijze puntkogels aan, en hij herkende in Dijks revolver een dier
uitheemsche moordtuigen, waarvan men den haan slechts behoeft over te
halen om telkens een nieuw schot te kunnen doen. Er was geen twijfel
aan: één zulk een kogel volstond om iemands hersenen uit elkander te
doen spatten, en zijne hand beefde toen hij de pistool weder op de
tafel legde.


Allerlei voornemens speelden hem door het hoofd. Eerst zou hij
beproeven een brief aan zijnen vader te schrijven, toen een brief aan
den ouden heer Visscher, toen een brief aan Emma. Doch geen dier
plannen slaagde. Moest hij sterven, dan zou het beste ongetwijfeld
zijn, dat hij Emma vergiffenis vroeg voor het haar aangedaan onregt,
en haar verzocht zijne voorspraak te willen zijn bij hare ouders. Aan
zijnen vader zou hij dan kunnen melden, dat het hem innig leed deed
door een jammerlijken zamenloop van omstandigheden in den bloei zijns
levens te zijn weggerukt. Doch zoolang het niet onherroepelijk
vaststond dat zijn laatste uur aanstonds slaan zou, wilde hem geen
enkel woord uit de pen; en hoe gering de kans ook zijn mogt om aan het
door Dijk gesteld dilemma te ontkomen, hij klampte zich met de
halstarrigheid van een ter dood veroordeelde aan de hersenschimmige
voorstelling vast, dat zijn lot, op welke wijze dan ook, in het
beslissend oogenblik eene gunstige wending nemen zou.


Onder het staren in dat denkbeeldig verschiet, verloor hij allengs
weder het besef van zijnen toestand. Daareven had hij met ontsteltenis
den grooten wijzer der pendule zich zien reppen om van de eene minuut
naar de andere te komen; thans scheen het alsof de groote wijzer de
kleine geworden was en het eene eeuwigheid duren zou eer hij den
eindpaal bereikte. Naarmate zijne wilskracht insluimerde, ontwaakte op
nieuw zijne fantasie, en hij begon het als eene uitgemaakte zaak te
beschouwen dat hij zich noodeloos verontrust had. Wanneer het zoo
aanstonds drie ure sloeg, zou de deur van zijne kamer openspringen
en--Lidewyde op den drempel verschijnen. Met den vinger op den mond,
ten teeken dat hij voorzigtig moest zijn, zou zij hem een sluijer
aanbieden en hem wenken zich dien voor de oogen te binden. Zoodra hij
daarmede gereed was, zou zij hem bij de hand grijpen en langs een
onbekenden weg hem naar beneden voeren, waar zij eenige woorden
fluisteren zou in het oor van iemand, die haar met gedempte stem zou
antwoorden, doch niet zoo onverstaanbaar of hij zou bemerken dat het
Sarah was. In het volgend oogenblik, nadat hij Sarah een grendel had
hooren wegschuiven, zou hij zich met Lidewyde in de open lucht
bevinden en langs honderd kronkelpaden door haar naar eene plaats
gevoerd worden, waar hij snuivende paarden met ongeduld zou hooren
stampvoeten op een geplaveiden weg en een postiljon tot het
ongeduldigste dier beesten met eene doffe stem zou hooren zeggen:
"Stil, knol!" Het rijtuig, waarin Lidewyde hem nevens haar zou doen
plaats nemen, zou in vliegende vaart den geheelen nacht voorthollen,
dorpen en steden door, en eerst wanneer de zon reeds sedert geruimen
tijd aan den hemel moest staan, zou Lidewyde, die al dien tijd zijne
hand in de hare gehouden had, hem vrijheid geven om zich den blinddoek
van het gelaat te rukken. Op hetzelfde oogenblik zou het rijtuig
stilhouden voor het hoog bordes van een oud en vervallen kasteel,
omgeven door verwilderde bosschen en verwaarloosd bouwland, maar zoo
verrukkelijk gelegen en met zulke prachtige vergezigten voor en
achter, dat men zich onwillekeurig afvroeg, waarom niemand de moeite
nam, orde in dien chaos te scheppen. "André!" zou Lidewyde tot hem
zeggen, op nieuw zijne hand grijpend en die aan haren boezem
drukkende, "ziedaar de plek die ik heb uitgekozen om er levenslang
gelukkig met u te zijn. Te zamen zullen wij deze wildernis een
paradijs doen worden, waaruit alleen de dood ons zal kunnen
verdrijven."


Uit het oogpunt eener verheven zedeleer gezien, was deze droom, waarin
hijzelf en Lidewyde zoozeer de hoofdrollen vervulden dat voor Emma te
naauwernood eene plaats onder de toeschouwers overbleef, een nieuw
bewijs van André's verdorvenheid. Zij daarentegen die van oordeel zijn
dat de mensch een te zwak en te nietig schepsel is om met een idealen
maatstaf gemeten te mogen worden, zullen zich om André's wil
verblijden dat zijne laatste gedachten in deze wereld ten minste niet
bezoedeld zijn geweest met de smet der zinnelijkheid. De gelegenheid
om eenmaal een beteren dunk van zich te doen koesteren werd hem niet
geschonken; want toen het slaan der pendule hem uit zijne verdooving
deed opschrikken en hij op hetzelfde oogenblik eene ruwe stem buiten
de deur bevel hoorde geven om naar binnen te dringen, daagde de
spookgestalte van Adriaans bedreiging met zulk eene overweldigende
kracht voor hem op en ontstak het gevoel der naderende schande zulk
een vuur in zijne aderen, dat hij met éénen sprong zich op den
revolver wierp, den loop aan zijnen mond bragt, en met een onvasten,
maar daarom niet minder wreeden vinger den trekker de beweging
mededeelde, die aan alles een einde moest maken.



DERTIENDE HOOFDSTUK.


--"Sta op!" zeide Dijk, voor het ledikant tredend, dat Lidewyde na
André's vertrek weder opgezocht had. "Sta op, zeg ik u!"

Zij was verkleumd geweest, en het beste middel, had zij gedacht, om
van den schrik te bekomen, dien André's hartstogtelijkheid haar had
aangejaagd, was geweest, zich in hare dekens te wikkelen. Hoe dwaas
van hem, haar de kleederen van het lijf te scheuren, nadat hij zelf
aanmerking had gemaakt op hare bloote voeten! Doch nu zij geene koude
meer gevoelde, vergaf zij hem zijne drift en dacht met welgevallen aan
het tooneel van daareven. Alleen van zulk een minnaar, niet van een
berekenend egoïst gelijk Ruardi, kon zij verwachten, dat hij niets en
niemand ontzien zou. Wanneer het tot een tweegevecht kwam, zou André,
die alles voor haar over had, in vollen ernst Dijk om het leven zoeken
te brengen; en zijne meerdere bedrevenheid in het hanteren van wapenen
zou de kans om daarin te slagen nog doen toenemen. Omtrent hetgeen zij
daarna met hem zou aanvangen had zij nog niets bij zich zelve
vastgesteld. Dit zou afhangen van de middelen, waarover zij na Dijks
dood zou kunnen beschikken. André was haar medegevallen; doch niet in
zoodanige mate, dat zij gebrek met hem zou willen lijden. Het deed
haar geen leed, dat zij geene enkele voorzorg genomen had om hare
betrekking tot hem voor Dijk te verbergen. Geheime minnarijen waren
niet langer van hare gading, en met één overleg had zij twee oogmerken
bereikt. Sproten daaruit voor André sommige gevaren voort, zij vergde
niets van hem als hetgeen ieder man, die haar lief had, gaarne voor
haar wagen zou. Bovendien was de vrees, dat Dijk overwinnaar blijven
zou in den strijd, bijna hersenschimmig. Eenmaal op het terrein
verschenen, zou Adriaan onmiddelijk zijne tegenwoordigheid van geest
verliezen. Harerzijds zou zij, wanneer hij kwam om met haar te
spreken, hem tot het uiterste drijven, en van hare liefde voor André
zoo hoog opgeven, dat het gevoel van zijne minderheid hem geheel en al
demoraliseren zou.

--"Verstaat gij mij niet?" vroeg hij, op nog barscher toon dan te
voren. "Ik zeg u, dat gij op zult staan."

--"Zeg gij mij eerst waar André zich bevindt," antwoordde zij. "Ik ben
niet doof of slaap niet, en gij hebt verlof minder luid te spreken."

--"André is in goede handen."

--"Belooft gij mij, dat hem geen leed geschieden zal? Hij is
onschuldig. Indien ik hem niet aangemoedigd had, zou hij de oogen niet
naar mij hebben durven opslaan."

--"De onbeschaamde, die mij niet ontzag al gaaft gij u den eersten den
besten prijs!"

--"Hij onbeschaamd? Zijne bescheidenheid is integendeel zoo groot, dat
hij er zich mede vergenoegd heeft de opvolger van Ruardi te worden."

--"Dat liegt gij. Ruardi's vriendschap voor mij zou hem het regt geven
zich uw bittersten vijand te toonen; maar er is niemand die met meer
verschooning over u spreekt dan hij."

--"Het is waar, dat hij slechts enkele nachten in dit ledikant heeft
doorgebragt; maar ik een des te grooter aantal in het zijne. Ten
laatste walgde ik van hem, even als van u, en heb ik aan André de
voorkeur gegeven."

--"Gij liegt, maar uwe fabelen zullen noch uzelve baten, noch André."

--"Dat behoeft ook niet. Hij en ik, wij kunnen uwe bescherming
ontberen. André is een gentleman."

--"Veel geluk er mede!"

--"Ik heb hem lief, omdat hij in alles het tegenbeeld is van u."

--"Ik gun hem uwe liefde. De genegenheid van lichtekooijen heeft nooit
veel aantrekkelijkheid voor mij gehad."

--"En ik kan mij levendig voorstellen, dat de onverschilligheid
wederkeerig geweest is."

--"In uwen mond is dat antwoord voegzaam. Zult gij opstaan?"

--"Ja, indien gij mij zegt waar André is."

--"Dat raakt u niet."

--"Het is integendeel het eenige wat mij op dit oogenblik schelen
kan!"

--"André is in den stal, bij Marcelis."

--"In den stal!"

--"Ja. Ik heb Marcelis last gegeven hem zijne booze lusten te
verleeren. Het is evenwel mogelijk dat hij zich nog in zijne kamer
bevindt."

--"Waarom?"

--"Omdat ik het in zijne keus gelaten heb, zich voor den kop te
schieten, of kennis te maken met wapenen van minder allooi. Zulke
knapen moeten loon naar werken ontvangen."

--"Gij bluft. Al zou André zich van kant willen maken, hij zou niet
kunnen. Ik weet zeker, dat hij geene pistolen bij zich heeft."

--"Die kan hij missen. Ééne pistool is genoeg, en die heb ik hem
verschaft. Denkt gij, dat hij er gebruik van maken zal?"

--"En gij?"

--"Ik denk van neen."

--"Gij beoordeelt hem naar uzelven."

--"Misgeraden, ik beoordeel hem naar u. De schoot van ontuchtige
vrouwen is het graf van den moed der jongelieden, zegt men. Doch mijn
geduld is ten einde. Voor het laatst vraag ik u, of gij zult opstaan?"

Hij wilde haar bij den schouder grijpen, ten einde meer klem bij te
zetten aan zijne tot hiertoe vruchteloos herhaalde vraag, doch voor
hij de hand naar haar had kunnen uitstrekken, vloog zij overeind. Voor
het eerst in haar leven had zij in een woordenstrijd met haren man het
onderspit gedolven. Keer op keer was hij er in geslaagd haar
grievender te beleedigen dan zij hem; en de spijt over die
teleurstelling, gevoegd bij de woede en den angst waarmede de gedachte
aan André's hopeloozen toestand haar vervulde, deed haar zichzelve
zoozeer vergeten, dat zij Adriaan met hare vlakke hand een
luidklinkenden slag in het aangezigt toebragt.

Die slag besliste over hetgeen Lidewyde dezen nacht wedervaren zou.
Adriaan toch was niet teruggekomen met het stellige voornemen om haar
te tuchtigen, en hij had zijne zweep alleen bij zich gestoken, ten
einde een middel van bedreiging bij de hand te hebben. Hij zou
tevreden zijn geweest, indien zij eenig leedgevoel of eenige schaamte
aan den dag gelegd had; ja zelfs, mits zij geene enkele poging
aanwendde om weder aanspraak op zijne genegenheid te verwerven, zou
hij met haar in overleg hebben willen treden over hetgeen gedaan kon
worden om hare misdaad te bedekken en de gevolgen daarvan zoo
onschadelijk mogelijk te maken. Doch nu zij in stede van berouw te
toonen of vergiffenis te vragen, hem met de uiterste impudentie te
woord stond, luid pronkte met hare schuldige liefde voor André, Ruardi
(gelijk hij waande) schandelijk belasterde, en zich ten laatste niet
ontzag hem in het aangezigt te slaan, achtte hij zich tot alles
geregtigd. Onder het uitspreken van een barbaarschen scheldnaam tastte
hij naar zijne zweep en viel op haar aan. Zij wilde vlugten en om hulp
roepen, doch reeds bij de eerste schrede struikelde zij over haar
nachtgewaad en stortte voorover op den grond. Hij wierp zich op haar,
scheurde haar den halsdoek van de borst, snoerde haar daarmede den
mond, en stiet, toen zij zich aan zijne knieën wilde vastklemmen om
weder op te staan, haar meedoogenloos van zich af. Vier, vijf, zes
malen snorde de lange zweep boven zijn hoofd door de lucht en kwam zij
met een doffen slag op Lidewyde's krimpend ligchaam neder. Met striem
aan striem teisterde Adriaan de schoone ledematen, waarvoor André een
uur te voren zou hebben willen nederknielen. In het eind, toen
Lidewyde in het eene oogenblik haar bewustzijn scheen te verliezen en
het knallen van een schot haar in het andere stuiptrekkend deed
opspringen, wierp hij haar het marteltuig in het gelaat, en zeide
onder het heengaan:

--"Zoek nu André op, indien gij lust hebt, en laat mij voortaan met
vrede!"



VEREISCHT BESLUIT?


Op den tweeden Pinksterdag van het volgend jaar waren de
bedevaartgangers naar het Duinendaalsche bosch zoo talrijk als ooit te
voren. Des ochtends was de lente hun genadig geweest, en toen zij des
avonds huiswaarts keerden, favoriseerde hen de vaderlandsche Mei met
eene gematigde November-koelte. Meer konden zij billijkerwijze niet
verlangen.

Voor de deur der tolgaarderswoning verbeidde een gemengd gezelschap de
komst van den tentwagen en het driespan, waarvan op de eerste
bladzijde van dit verhaal gesproken is. De zon was nog niet
ondergegaan, doch reeds sedert geruimen tijd waren de schaduwen der
duinen bezig geweest bezit te nemen van de weilanden aan den voet van
deze, en wanneer men het oog op den langzaam naderenden wagen
gevestigd hield, die 's morgens naar de stad gezonden was om te
stallen, was het of men hem zag opdagen uit het licht om door de
vallende duisternis verslonden te worden.

Een gedeelte van het gezelschap had plaats genomen aan eene lange,
smalle tafel onder het geboomte en werd door de schoone
tolgaardersvrouw, de heeren van warme rumgrogjes, de dames van
glaasjes curaçao voorzien. Een minnend paar versmaadde die
lekkernijen, en mijmerde, zich zelf genoeg, het erf op en neder dat de
hofstede van den slagboom scheidde. Eerst luisterden de jongelieden
niet naar de gesprekken der anderen, meerendeels personen van leeftijd
en wier konversatie, na een geheelen dag pleizier-hebben, weinig
pikants aanbood. Doch weldra werd een onderwerp aangeroerd, dat hen de
ooren deed spitsen.

--"In de bruidsdagen, zegt u?"

--"Ja, mijnheer, of ten minste zoo goed als in. En daarom is het huis
nu gesloten, zoo als u ziet."

--"En waar zei u dat zij begraven ligt?"

--"Begraven, mijnheer? Bewaar me! Wij hopen haar toekomend voorjaar
gezond en wel hier weêr te zien."

--"Is zij dan niet dood?"

--"Mijnheer André is dood, maar jufvrouw Emma niet. Die is met haar
vader en moeder verleden jaar in den natijd op reis gegaan."

Het was de tolgaardersvrouw die deze inlichtingen gaf; en zij schonk
ze aan een oud jong heer, die met de gewone belangstelling naar
Belvedere en naar den naam van Belvedere's eigenaar gevraagd had. Doch
de twee gelieven wilden er meer van weten. Ongemerkt slopen zij de
boerin achterna.

--"Lieve tijd," zeide de schoonoogige en breedgebouwde, "heeft u daar
nooit van gehoord? Het heeft verleden jaar in al de kranten gestaan.
Terwijl de jufvrouw in het eene huis bij goede vrienden gelogeerd was,
heeft mijnheer zich in het andere 's nachts te kort gedaan. Den
vorigen avond had men ze zamen nog zien wandelen, en geen mensch wist
dat er iets aan haperde."

--"Was hij niet wel bij het hoofd?"

--"Een dokter in die stad heeft verklaard, dat hij hem 's morgens erg
van streek had gevonden; en dat zal wel zoo geweest zijn. Hier op het
dorp, anders, heeft nooit iemand kunnen bespeuren dat mijnheer
Kortenaer maalde."

--"Woonde hij vroeger dan ook te Duinendaal, even als jufvrouw
Visscher?"

--"Wonen niet zoozeer, maar hij is een klein jaar lang zooveel als
kommensaal geweest in het logement achter de kerk. De menschen hier
mogten hem gaarne lijden, en toen zij wisten dat hij met jufvrouw Emma
zou gaan trouwen, noemden zij hem in de wandeling mijnheer André.
Jufvrouw Emma is erg gezien hier op het dorp."

--"Hoe treurig voor dat lieve meisje!" zeiden de geëngageerden uit
éénen mond.

--"Toen zij voor het eerst weêr buiten de deur kwam, leek zij een
schim, kan ik u zeggen. Dat zal zoo wat een week of drie na mijnheer
André's dood geweest zijn. Maar over mijnheer André mogt ik niet met
haar spreken. Dat had haar vader ons uitdrukkelijk verzocht."

--"En waar is zij nu, sedert al dien tijd?"

--"Dat zou de brievengaarder u beter weten te zeggen dan mijn man of
ik. De oude heer heeft alleen gezegd: Wij gaan met jufvrouw Emma naar
het zuiden."

--"Arme mijnheer Kortenaer!" zuchtte de aanstaande bruid.

--"Dat is een waar woord, jufvrouw. Indien mijnheer André was blijven
leven, zou jufvrouw Emma een goed man aan hem gehad hebben. En een
knap man ook. Heeren, die er verstand van hebben, heb ik hooren zeggen
dat nog niemand een beter brug gebouwd heeft dan de onze. Maar ons
leven is in Gods hand, en wanneer onze lieve Heer ons met waanzin
slaat, moeten wij buigen of barsten."


Toen Adriaan Dijk, in zijn meedoogenloos briefje, André op Emma
gewezen en hem gesommeerd had met zijne eigene eer ook den goeden naam
van zijn meisje te redden, was zijn oogmerk met die aansporing alleen
geweest, André eene drangreden meer aan de hand te doen om naar de
vernietigende pistool te grijpen. Doch het goede doel, dat hij niet
beoogd, of alleen als bijzaak beoogd had, werd nogtans bereikt. Wel is
waar luidde de traditie omtrent André's uiteinde niet overal zoo
gunstig of zoo dichterlijk, als in den mond der welwillend gezinden
onder de Duinendalers;--en zelfs volgden verschillende personen, wier
theologie voor het overige met die der tolgaardersvrouw overeenstemde,
omtrent de aanleiding tot dat uiteinde eene geheel andere lezing. Doch
met dat al wist de buitenwereld over het algemeen niet beter, of er
hadden zich bij André, gedurende de laatste dagen van zijn verblijf
te M., sporen van krankzinnigheid vertoond.

Die uitspraak der openbare meening, welke Emma's positie redde, was
door André's begrafenis met tact voorbereid. Twee koetsen waren het
lijk naar het kerkhof gevolgd: in de voorste zaten André's vader en de
oude heer Visscher; in de andere de geridderde heer Timmermans,
Adriaan Dijk, dokter Ruardi, en de aan het Fundatiehuis verbonden
deken der M'sche predikanten. Met uitzondering van den geestelijke,
die bij den geopenden grafkuil een gebed deed en eene korte toespraak
hield, was er onder deze mannen niet één, die niet volkomen wist hoe
de zaak zich toegedragen had; en indien zij op de begraafplaats, aan
het einde van 's leeraars toespraak, den teugel hadden gevierd aan
hunne hartstogten, zouden kreten van haat en toorn met snikken
ondermengd, de schimmen der dooden in hare eeuwige rust gestoord
hebben. Doch één gevoel en één belang breidelde aller driften. Zelfs
Ruardi's tegenwoordigheid werd door niemand der anderen gewraakt. Zijn
verhaal van hetgeen des ochtends vóór den zelfmoord tusschen hem en
André was voorgevallen op het Badhuis, bleek een kostbaar getuigenis.


Toen de stoet Soekabrenti verliet, kon men aan een der vensters van de
bovenverdieping de hand van een onzigtbaar persoon--eene magere
vrouwenhand--het nedergelaten valgordijn aan de eene zijde voorzigtig
bijeen zien houden. De opening was niet wijd genoeg om de
gelaatstrekken der bespiedster te verraden, maar wel om haar van alles
getuige te doen zijn. Freule Bertha zou, indien zij Sarah op deze daad
betrapt had,--want het was Sarah, die achter het gordijn
stond,--daarin een nieuw bewijs hebben gevonden voor hare stelling,
dat eene vrouw niet ophouden kan aan God te gelooven, zonder tevens al
hare betere gevoelens uit te schudden. Doch Sarah bekommerde zich niet
om zulke gevolgtrekkingen. Haar interesseerde het meest André's oom,
de oud-minister, en de houding van geen der heeren, die zij
achtereenvolgens in de koetsen zag stijgen, boezemde haar zooveel
belangstelling in als de zijne. André had aan Lidewyde en Lidewyde aan
Sarah verhaald, dat het denkbeeld om hem met mevrouw Dijk in kennis te
brengen van Zijne Excellentie was uitgegaan, en Sarah vond het
belangwekkend, dat hetgeen zij gedaan had om André te gronde te
rigten, buiten hare voorkennis, slechts had moeten dienen om de
bedoelingen van André's oom in de hand te werken.

--"Daar komt hij aan", zeide zij, toen zij hem met gebogen hoofd en
knikkende knieën de stoep zag afgaan. "Hij steunt op den arm van den
lakei om in de koets te klimmen. Zou hij zich verwijten, André op den
verkeerden weg te hebben gebragt? Een gewezen diplomaat, dunkt mij,
moest minder aan het oordeel der wereld hechten. Hoe kon hij van te
voren weten, dat zijne aansporing nadeelige gevolgen hebben zou voor
André? Wordt, al naar de uitkomst, dezelfde handeling niet beurtelings
boosaardig en weldadig genoemd? Geloof mij, mijnheer Timmermans",--en
dit zeggende trok zij de hand terug van het gordijn,--"indien gij meer
ondervonden hadt, zoudt gij kalmer toezien!"

De goede naam van mevrouw Dijk is tot op dit oogenblik niet volstrekt
verloren, en tenzij de hoogmoed haar tot wederspannigheid verleide,
kan zij blijven wie zij was. Zij weet nu, dat Adriaan haar aandurft.
Doet zij haar voordeel met die wetenschap, dan zullen de praatjes der
dienstboden haar weinig deren. Hare vriendinnen zullen haar blijven
dulden, omdat sommige van haar insgelijks behoefte hebben aan een
toegevend oordeel. Adriaan is edelmoedig genoeg geweest Marcelis eene
andere dienst te bezorgen, zoodat zij naar hartelust uit rijden kan
gaan met den nieuwen koetsier, zonder gekweld te worden door het
denkbeeld, dat haar Automedon bijna de beul van haren minnaar zou
geworden zijn. Tot hiertoe heeft zij zich goed gehouden. De dames
Dijk, uit Engeland teruggekeerd, weten nog van niets, en het zal
slechts van haarzelve afhangen, heeft Adriaan haar gezegd, die onkunde
te doen voortduren. Doch zal zij nog eenmaal in haar leven een bezoek
van freule Bertha ontvangen? Daaromtrent make niemand zich
hersenschimmen. De schrijver van dit verhaal kent slechts één man, die
welligt in vervolg van tijd, mogt het toeval hem met Lidewyde in
aanraking brengen, een gunstigen invloed op haar zou kunnen
uitoefenen: Eduard Stephenson.


Met een kort berigt omtrent dezen zou de auteur reeds hier ter plaatse
afscheid wenschen te nemen van het publiek. Er is evenwel een persoon
wiens naam hij ongaarne voor het laatst bewaren zou en van wiens doen
en laten men nogtans niet geheel onkundig mag blijven. Dokter Ruardi
namelijk verkeert tegenwoordig veel minder bij Adriaan Dijk aan huis
dan voorheen. Sarah heeft zorg gedragen dat Lidewyde's striemen niet
door balsem van zijne hand zijn verzacht, en tot hiertoe deed
geenerlei ongesteldheid, voorgewend noch wezenlijk, haar de hulp der
fakulteit inroepen. Mogt zij te eeniger tijd ernstig ziek worden, dan
zal zij Dijk verzoeken, een professor te ontbieden van eene onzer
hoogescholen, of anders, want de vermaardheden wisselen gelijk het
weêr, uit Amsterdam. Zij mijdt het gezelschap van Ruardi zoo veel zij
kan, en hij maakt haar dit gemakkelijk. Want hoewel hij schijnbaar
over haar getriomfeerd heeft, hindert het hem, dat zij hem eerder
moede is geweest dan hij haar, en nimmer zal hij vergeten, dat aan een
onervaren knaap, met wien hij gemeend had te kunnen spelen en die hem
eensklaps met gelijke munt had durven betalen, eenmaal boven hem de
voorkeur gegeven is, door haar. Ook heeft, vreemd genoeg, de man, die
anders altijd met zichzelven in vrede leefde, er geene rust bij, dat
hij Dijk heeft moeten gebruiken om den hoon hem aangedaan op Lidewyde
en André te wreken. Met uitzondering van dien éénen doorn in het
vleesch, is hij nog steeds dezelfde en gaat voort den type te
vertegenwoordigen van den valschen kosmopoliet der 19de eeuw. Jonge
mannen, voor wie die les dienstig zou kunnen zijn, mogen van hem
leeren, dat het niemand tot eer verstrekt, geen gemoed te hebben en
geen vaderland te erkennen.


De jonge priester, wiens orthodoxie, gestaalder dan die van freule
Bertha, het misschien eenmaal gelukken zal, Lidewyde tot het inzigt te
brengen, dat de =Bekentenissen= van Augustinus de voorkeur verdienen
boven die van Rousseau, Stephenson woont nog te G. en ziet iederen
ochtend uit zijne boven-achterkamer den grijzen pastoor zijne klompen
aanschieten en zijne bloemen reinigen. Men had mij verhaald dat hij
een echt handschrift bezat van de oudste hollandsche vertaling der
=Imitatio Christi=, en daar ik er belang in stelde, eene onder mij
berustende kopij dier vertaling, genomen naar een sedert uit het oog
verloren tweede exemplaar van hetzelfde handschrift, met het zijne te
kollationeren, heb ik mij zelven het vorig najaar het genoegen gegund,
hem een bezoek te gaan brengen. Hij bleek de dienstvaardigheid in
persoon, en nam het volstrekt niet kwalijk dat ik Thomas à Kempis niet
voor den maker van het boekje der =Navolging= hield. Toen wij eenigen
tijd over dat onderwerp hadden doorgepraat, bemerkte ik dat zijne stem
hem van lieverlede begaf. Hij moest zich nederzetten in zijne matten
stoel bij het venster, en over zijn gelaat verspreidde zich eene bijna
doodelijke bleekheid. Ik vroeg, of ik hem welligt met iets van dienst
kon zijn. Met de hand wenkte hij van neen, en noodigde mij uit, weder
plaats te nemen; want ik was opgestaan met het oogmerk mij te
verwijderen om een der huisgenooten te roepen. Naderhand zou het mij
gespeten hebben, indien ik niet had mogen blijven; want toen hij eene
poos had uitgerust en weder spreken kon, vroeg hij naar mijn geloof en
schetste mij het zijne met een vuur en eene liefde, die de hoogste
bewondering verdienden. Het was vijf uur in den namiddag, toen ik bij
hem werd toegelaten, en toen de zon tegen zeven uur onderging, was ik
nog niet vertrokken. Hij zat met het aangezigt naar het westen, en
wees mij, achterover leunend in zijnen stoel, boven de daken der
huizen en de toppen der boomen in de tuinen, den rozengloed aan het
firmament.

--"Ik ben geen onvoorwaardelijk bewonderaar van uwe jongere
protestantsche dichters," zeide hij, om weder op het onderwerp van ons
gesprek te komen. "Maar een van hen, een vroeg gestorven vriend van u,
naar ik meen, heeft toch somtijds den regten toon getroffen. Er is
zuiver godsdienstig gevoel in de bede die hij ergens een kranken
voorganger onder uwe dissenters laat slaken:

   Leid mij zachtkens naar huis,
     In de dienst van uw kruis,
       Die mijn ziel zich zoo lieflijk gedacht heeft!
   Dat ik werkend bezwijk,
     Als een knecht van uw rijk,
       Die zijn dagwerk geloovig volbragt heeft!

--"Het metrum is misschien niet geheel en al oorspronkelijk;" ging hij
voort, "maar de toestand van den stervenden jongen leeraar is goed
begrepen en juist weergegeven. Het is anders het =fort= van uwe
protestantsche dichters niet. Het is alsof de wereld van het
priesterlijk gevoel een gesloten paradijs voor hen is."

Nog geruimen tijd fantaseerde hij voort op dit thema, en poogde mij
aan het verstand te brengen, dat geene andere mannelijke roeping in
deze wereld zulk een voorregt en tevens zoo rationeel is als die van
den roomschen priester. Doch mijne aandacht was voor goed afgeleid.
Door mij te herinneren aan dat gedichtje, had hij mij woorden doen
vinden tot kenschetsing van zijnen eigen toestand, en ik wist niet of
de zelfverblinding van den teringlijder, die niet gevoelde dat zijn
eigen leven aan een zijden draad hing, aandoenlijk dan wel een al te
sprekend bewijs der menschelijke kortzigtigheid was. Onder dien indruk
verkeer ik nog thans. Denk ik aan Eduard Stephenson dan zie ik hem,
gelijk op dat oogenblik, in zijnen stoel bij het venster zitten, met
zijn manuscript der =Imitatio= naast zich op de tafel, en met den vinger
naar het westen wijzend. Tevens vind ik dan op nieuw de strofe, die
hijzelf mij toen aan de hand deed:

   En ik hoorde hem aan
     Met een lach en een traan;
       'k Had de zon nooit zoo plegtig zien dalen:
   En dat bleeke gezigt
     Werd zoo sprekend verlicht
       Door de laatste, haar stervende stralen.


EINDE.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Lidewyde" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home