Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reisbrieven uit Afrika en Azië - benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen
Author: Jacobs, Aletta H. (Aletta Henriette), 1854-1929
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reisbrieven uit Afrika en Azië - benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                     Reisbrieven uit Afrika en Azië

            Benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

                                  Door

                          Dr. Aletta H. Jacobs



                         Tweede goedkoope druk

                 Gedrukt en uitgegeven in het jaar 1915
                    Door W. Hilarius Wzn. te Almelo



                Boekdrukkerij W. Hilarius Wzn., Almelo.



INHOUD.


                                                                Bladz.

    Het zesde internationale Congres van den Wereldbond voor
    Vrouwenkiesrecht.                                               1
    Naar Dalecarlië.                                               17
    Op weg naar Alisco.                                            27
    Lapland.                                                       32
    Het land van de Middernachtzon.                                39
    Om de Noordkaap.                                               44
    Op den terugweg van Lapland.                                   54
    Aan boord van de "Walmer Castle".                              57
    Madera.                                                        62
    Aan boord van de "Saxon".                                      71
    Aankomst in Kaapstad.                                          84
    Ons verblijf in Kaapstad.                                      90
    De reis naar Port Elisabeth en bezoek bij Olive Schreiner.    102
    Ons verblijf in Port Elisabeth.                               110
    Ons verblijf in Bloemfontein.                                 117
    Ons verblijf in Kimberley.                                    125
    In den trein door Rhodesia en aankomst in Zambesie.           132
    De Victoria Watervallen.                                      139
    In Pretoria.                                                  145
    Johannesburg.                                                 158
    Durban.                                                       166
    Aan boord van de "Avondale Castle".                           173
    In Zanzibar en Mombasa.                                       184
    Tusschen Mombasa en Port-Saïd.                                193
    In Palestina.                                                 201
    Van Jeruzalem naar Beirût.                                    227
    Algemeenheden en indrukken over onzen laatsten tocht.         237
    In Quarantaine.                                               243
    Caïro.                                                        251
    Aan boord van de "Prinses Juliana".                           279
    Op Ceylon.                                                    285
    In Britsch-Indië van Colombo tot Madras.                      312
                     Bombay.                                      323
                     Van Bombay tot Jaipur.                       339
                     Van Agra tot Delhi.                          349
                     Van Delhi tot en met Lucknow.                351
                     Benares.                                     366
                     Calcutta en Darjeeling.                      374
    In Burma.                                                     385
    Burma en opweg naar Penang.                                   393
    Penang en Medan.                                              401
    Aan boord van de "Van Noort" en aankomst te Batavia.          409
    Op Java.                                                      416
    Op Sumatra's Westkust.                                        432
    Op Java.                                                      456
    Aan boord van de Tjimanoek.                                   507
    Hongkong.                                                     515
    In de Philippijnen.                                           522
    In China.                                                     576
    In Japan.                                                     673
    Op den terugtocht.                                            705



VOORWOORD.


Met zekeren schroom zend ik deze brieven, die als dagbladartikelen
bedoeld waren en door "De Telegraaf" gepubliceerd werden, thans in
boekvorm de wereld in. Nooit is bij het neêrpennen er van de gedachte
in mij opgekomen dat zij dien weg nog eenmaal zouden nemen. Eerst toen
ik in het land terug was en van zoo verschillende zijden het verzoek
tot mij kwam om die brieven te verzamelen en in boekvorm uit te geven,
ben ik daartoe schoorvoetend over gegaan.

Maar al te goed ben ik mij bewust dat er aan vorm en stijl veel
ontbreekt en dat zij flink onder handen hadden moeten worden genomen,
alvorens zij op nieuw gedrukt en uitgegeven werden. Daartoe ontbrak
mij de tijd. Doch ook indien ik aan het veranderen was begonnen,
zou ik de lust niet hebben kunnen weerstaan om in menige brief wat
uitvoeriger over verschillende punten uit te weiden en hier en daar
onderwerpen tusschen te voegen, die in dagblad-artikelen minder op hun
plaats waren. Daardoor zouden dan evenwel deze brieven, die nu reeds
zulk een grooten omvang bezitten, veel te uitgebreid zijn geworden.

Zooals men goede vrienden op de hoogte houdt van wat men ziet en
ondervindt op een langdurige reis door vreemde landen, zoo schreef
ik 's avonds, dikwijls na een vermoeienden dag, mijne wedervaringen
neder. Geen dag ging voorbij, waarop ik niet eenige uren aan dit
werk besteedde. Daardoor zijn het zuivere afdrukken geworden van de
indrukken die ik ontving.

Dat over de positie der vrouw in verschillende landen met voorliefde
gewag wordt gemaakt is heel verklaarbaar. De reisgidsen en meeste
beschrijvingen over de landen die wij bezochten, die mijne reisgezellin
en mij in handen kwamen, spreken over de vrouwen van het land niet
of slechts zeer oppervlakkig. Wij moesten daardoor zelf datgene
onderzoeken, wat ons het meeste belang inboezemde. Hieruit zou al van
zelf volgen dat dit bij het wedergeven van mijne indrukken dikwijls
op den voorgrond moest treden, maar ook omdat wij de positie dier
vrouwen in sommige gevallen eene verrassend gunstige vonden en in
alle Aziatische landen "het ontwaken der vrouw", haar strijd voor
verheffing, zoo duidelijk voor oogen zagen, kon ik mijne vreugde
daarover in mijne brieven niet onderdrukken.

Aan mijne reis door Afrika en Azië ging een zesweeksche tocht door
Zweden en rond de Noordkaap vooraf. Ik heb gemeend ook de brieven,
die ik daarover schreef, in dezen bundel te moeten opnemen; voor
mij zelve toch begon daarmede mijn reis en zijn zij daarom in deze
"Reisbrieven" te huis.


Aletta H. Jacobs.



HET ZESDE INTERNATIONALE CONGRES VAN DEN WERELDBOND VOOR
VROUWENKIESRECHT.


                                                Stockholm, 12 Juni 1911.


I.


Is het omdat het mooie Zweden zoo velen heeft gelokt, of moet het
toegeschreven worden aan het niet meer te loochenen feit, dat in
alle landen de vrouwen beginnen te ontwaken en de groote waarde van
het kiesbiljet beginnen te beseffen en zij in deze twee-jaarlijksche
congressen van den Wereldbond de opvoedende kracht voelen, die haar
tot den strijd voor politieke vrijheid geschikt maakt, zeker is, dat
nog nimmer te voren zoo vele vrouwen uit verschillende landen bijeen
kwamen, om te hooren bespreken op welke wijze wij elkander in dezen
strijd het best kunnen steunen en hoe de regeeringen van de landen,
waar de vrouwen het kiesrecht hebben, ons in dezen strijd kunnen ter
zijde staan.

Met een gevoel van nationalen trots deel ik mede, dat Nederland,
of liever de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, met ruim veertig
van hare leden op dit congres vertegenwoordigd is en dat deze groote
vertegenwoordiging door de Zweedsche vrouwen en door het bestuur van
den Wereldbond ten hoogste wordt op prijs gesteld en wij in sommige
opzichten een zeer bevoorrechte plaats innemen. Ook de Mannenbond
voor Vrouwenkiesrecht in Nederland is zeer waardig vertegenwoordigd
door zijnen president, den luitenant-kolonel Mansfeldt uit Utrecht,
en zijne beide secretarissen, de heeren Kehrer uit Gorinchem en Van
der Mandere uit Den Haag. Verder liet de Nationale Vrouwenraad van
Nederland zich vertegenwoordigen door hare presidente, mej. Baelde uit
Rotterdam, die tevens presidente is van de Rotterdamsche afdeeling van
de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Op voorstel van de Vereeniging
voor Vrouwenkiesrecht zond mrs. Catt eene uitnoodiging aan den Bond
voor Vrouwenkiesrecht, welke deze beleefdheid beantwoordde met mevrouw
Isaachsen en mej. Boissevain als afgevaardigden te zenden.

Nu ik toch over de vertegenwoordiging ben begonnen te schrijven, wil ik
meteen mededeelen, dat 22 landen afgevaardigden zonden en dat het door
ons allen hier betreurd wordt, dat België, op het Londensch congres
zoo schitterende door zijn vijf bekwame afgevaardigden, thans geen
vertegenwoordigsters zond, terwijl Italië op 't laatste oogenblik
moest berichten, dat haar afgevaardigde door ziekte verhinderd
was te komen. Daartegenover staat echter, dat IJsland thans drie
afgevaardigden zond, Servië en Bulgarije goed vertegenwoordigd zijn
en dat van Portugal een schrijven inkwam met 't verzoek zich door
Dr. Aletta Jacobs te mogen laten vertegenwoordigen. Daar elk land
echter zijne eigen vertegenwoordigsters moet zenden, is het verzoek
van Portugal door het Bestuur van den Wereldbond afgewezen, doch is er
besloten, als de statuten van de Portugeesche organisatie goedgekeurd
zijn, dit land toch in den Wereldbond op te nemen. Ook van de vrouwen
van Rumenië en Gallicië waren schriftelijke verzoeken ingekomen om
zich bij den Wereldbond te mogen aansluiten.

Het is van meer dan eene beteekenis, als men reeds eenige dagen vóór
zulk een congres begint, in de stad aanwezig is en de voorbereiding kan
gadeslaan. Nog zoo kort geleden had ik zelf zulk eene voorbereiding
geleid, toen in 1908 in Amsterdam het congres aldaar plaats vond,
en 't was met niet weinig genoegdoening dat ik zag, hoe het Bestuur
in Zweden van de door ons land verstrekte aanwijzingen geprofiteerd
heeft en met inachtneming van de voor elk land bijzondere wijzigingen,
onze organisatie heeft gevolgd. Ook in Zweden bestond een centraal
comité, met tal van sub-comité's, die al het werk verricht hebben en
die ieder voor zich de hulp hebben ingeroepen van zoovele en zulke
leden der vereeniging, die daarvoor het meest geschikt bleken.

Reeds direct bij het binnenkomen van Stockholm werden de aankomenden
verrast door een zeer groote vlag in de kleuren van den Wereldbond,
wit met goudgeel, wapperende boven een tafel, waarachter een drietal
dames zaten, die de gasten alle noodige inlichtingen verschaften en hen
met het verkrijgen van bagage, omnibus of rijtuig behulpzaam waren en
voor zoover zij zich niet van te voren door het reisbureau van een goed
hotel hadden voorzien, hen hielpen een goed hotel of pension te vinden.

In het Grand-Hotel, alwaar het hoofdkwartier gevestigd is, hebben
honderd afgevaardigden een kamer gevonden, doch bovendien zijn in dit
hotel vele kamers gereserveerd voor het centraalbureau, alwaar alle
mogelijke inlichtingen verkregen kunnen worden omtrent het te houden
congres. Verder is er een bureau voor vreemdelingenverkeer, alwaar
alle inlichtingen omtrent uitstapjes in de omgeving van Stockholm
en voor verdere tochten, na afloop van het congres gegeven worden;
zijn er twee kamers, waarin de propagandamiddelen der verschillende
landen op afzonderlijke tafels zijn uitgestald, alsmede de brochures,
boeken en vlugschriften, die voor propagandalectuur dienst doen. Een
kamer is gereserveerd voor de pers, een andere voor schrijfkamer
der afgevaardigden en een heel smaakvol ingericht vertrek, met vele
cosy-corners, geeft gelegenheid om met elkaar eens een oogenblik
rustig te praten. Ook de vergaderingen van het congres worden in de
feestzaal van het Grand-Hotel gehouden, alwaar 600 afgevaardigden en
plaatsvervangende afgevaardigden een ruime zitplaats vinden.

Deze feestzaal ziet er schitterend uit, nu zij is uitgedost met
bloemen en groen, en bovendien zeer smaakvol gedécoreerd met de
nationale kleuren, geel en blauw, dooreengevlochten met de kleuren
van den Wereldbond, wit en goudgeel.

Wanneer men de dagen vóór het congres in de vertrekken kwam, waarin
het centraalbureau gezeteld is, dan kreeg men den indruk van in 'n
woeligen bijenkorf aangeland te zijn, waarin enkele hoofdpersonen
rustig en kalm doorgaan met het inschrijven van nieuwe leden, het
uitschrijven van invitatiekaarten, het enveloppeeren van de vele
noodige stukken voor alle afgevaardigden, het innen van contributiën
van hen, die niet in de bevoorrechte positie verkeeren alles vrij te
hebben, enz., terwijl tal van andere dames de steeds meer binnenkomende
gasten van heinde en ver te woord staan, en haar, naar gelang harer
positie in dezen bond voor de gevraagde inlichtingen verwijzen naar de
verschillende tafels, waar zij geholpen kunnen worden. Aan alles is
hier gedacht, niets is vergeten. De meest zorgelooze afgevaardigde,
die tehuis alles zou hebben laten liggen, kan hier nog opnieuw van
alles voorzien worden. Voor ons Hollanders is zeker opmerkelijk,
hoe Zweden's aristocratische vrouwen hier zusterlijk samenwerken met
de vrouwen uit allen rang en stand, de hoofdplaatsen overlatende aan
diegenen, die daarvoor de meeste geschiktheid bezitten. Onder de drie
dames in het tentje aan het station was een van Zweden's vrouwen uit
de hoogste kringen, die zich niet te voornaam vond onze handtasschen
onmiddellijk over te nemen, ze naar het gereed staande rijtuig te
brengen en ons welkom te heeten in Zweden's hoofdstad.

Maar nog in een ander opzicht steekt dit congres schitterend af bij
dat, hetwelk drie jaar geleden in Amsterdam werd gehouden. Stuitten
in Amsterdam al onze pogingen af om op de een of andere wijze voor
onze buitenlandsche gasten een officieele ontvangst van de stad te
verkrijgen, weigerde men daar zelfs om, zooals bij zulke gelegenheden
gebruikelijk is, de gasten op het stadhuis te ontvangen, als wij
alle daarvoor te maken onkosten op ons namen, hier in Stockholm
heeft de gemeenteraad het centraal-comité gesteund met 3000 kronen
om daarvoor allen gasten 'n uitstapje naar een van Stockholm's
mooie omgevingen te bereiden, ontving elke vreemdelinge een keurig,
in wit met goud gedrukt en gebonden boekje, waarin een platte grond
van Stockholm, tal van mooie stadsgezichten en eene verhandeling
van alle wetenswaardigheden op sociaal en wetenschappelijk gebied,
namens de stad Stockholm cadeau. De burgemeester van Stockholm, Carl
Lindhagen, wij wisten het reeds allen vóór wij in Zweden aankwamen,
is dan ook een groot voorstander van de zaak, waarvoor wij hier bijeen
zijn en een oprecht vriend der vooruitstrevende vrouwen. Teekent hem
dat niet genoeg als een supérieur mensch?

Den Vrijdagavond, aan het congres voorafgaande, was onze presidente,
mrs. Carrie Chapman Catt, die (dit ter geruststelling van hare
talrijke vrienden) er sterker en gezonder uitziet dan ooit te voren,
reeds met de leden van het Bestuur van den Wereldbond bijeen, om eene
voorafgaande bestuursvergadering te houden en den daaropvolgenden
Zaterdagavond had eene vergadering plaats van het algemeen bestuur,
bestaande uit de zeven bestuursleden van den Wereldbond en alle
presidenten van de aangesloten landen, die ex-officio vice-presidenten
van het Bestuur van den Wereldbond zijn. In deze vergaderingen werden
alle huishoudelijke zaken besproken, zaken die beter zijn voorloopig
nog niet door de pers wereldkundig te worden. Deze beide vergaderingen
werden in den prachtigen salon van de presidente gehouden; het
huiselijk karakter werd er van verhoogd, doordat onderwijl, door
eenige gedienstige geesten, verfrisschende dranken, sandwiches en
gebakjes werden aangeboden.

Zaterdagmiddag werd reeds voor tal van genoodigden een schitterende
tea gehouden, op uitnoodiging en ten huize van de weduwe van
Zweden's grooten physioloog, prof. Holmgren. Deze oude dame en
hare tal van gehuwde dochters, zijn zulke groote voorstandsters van
vrouwenkiesrecht, dat zij zich, totdat deze zaak voor Zweden's vrouwen
een opgeloste kwestie zal zijn, aan niets anders op maatschappelijk
gebied wijden, en hare groote krachten, energie en geld geheel ten
dienst dezer beweging gebruiken. Holland riep bij deze oude dame
aangename herinneringen wakker, omdat zij vroeger dikwijls met haar
man in Utrecht de gast van onzen onsterflijken Donders was geweest.

Voorafgaande aan het congres en daarmede niet samenhangende, doch
voor duizenden, vreemdelingen zoowel als Zweden, een waar geestelijk
genot, was de preek van dominee Anna Howard Shaw, Zondagmiddag half
drie in de Gustav Wasa kerk te Stockholm gehouden. Deze enorm groote
kerk was van boven tot onder met een dichtopeengepakte menschenmassa
gevuld; tusschen de stoelen, in de midden- en zijgangen, op alle
treden van de trappen, die naar de galerijen leiden, en zelfs in
de vensternissen hadden zich de toehoorders opeengepakt. Gedurende
de preek van reverend Shaw, die meer dan een uur duurde, bleef
die menigte in ademlooze stilte geboeid. Die ontzaglijke menigte
inspireerde haar gewis, want na afloop hoorde men van alle kanten,
"nooit te voren heeft zij zoo goed gesproken". De Gustav Wasa kerk
is de grootste protestantsche kerk in Stockholm, de staatskerk. De
aanwezige predikanten waren zoo voldaan over het gehoorde, dat zij
na afloop het centraal-comité hunne tevredenheid betuigd hebben en
zeiden er trots op te zijn, dat zij zulk eene vrouw het verkondigen
van Gods woord in hunne kerk niet geweigerd hebben.

Zondagmiddag waren weder tal van tea's georganiseerd, werden er
bezoeken gebracht aan het vondelingengesticht en vele musea en
desavonds gaf mevrouw Nordenson, de presidente van het ontvangstcomité
een schitterend avondfeest in een van de zalen van het restaurant
Rozenbad.

Hedenochtend, precies klokke tien, liet de presidente den hamer
vallen en vingen de zittingen aan. De ochtendvergadering was geheel
gewijd aan voorbereidende werkzaamheden. Zoo werd onze landgenoote
mej. Martine Kramers aangesteld, om al het gesprokene voor de alleen
Fransch sprekende landen, onmiddellijk in het Fransch te vertalen, en
mevr. Lindemann uit Stuttgart, om alles in het Duitsch weer te geven,
voor die afgevaardigden, die alleen Duitsch spreken. Door eene der
Amerikaansche afgevaardigden werd den Wereldbond een zeer mooie hamer
aangeboden, die gezonden was door de vrouwen van den staat Washington,
die daarmede een bewijs van dank aan den Wereldbond betuigden voor de
hulp haar verleend bij het herwinnen van haar politieke rechten, den
8en Nov. 1910. Ik schrijf "herwinnen", omdat de vrouwen van den staat
Washington, zoolang het een Territorium was, gelijke politieke rechten
met de mannen bezaten, doch toen het in 1890 tot staat werd verheven,
hare politieke rechten verloren. Twintig jaren van hardnekkigen strijd
heeft het dezen vrouwen gekost, om die rechten te herwinnen.

Onder de Finsche afgevaardigden waren tal van
vrouwen-parlementsleden. Hadden wij in vorige congreszittingen
dikwijls het voorrecht, afgevaardigden met politiek stemrecht en
zelfs vrouwen-gemeenteraadsleden in ons midden te hebben, hier
tellen wij voor het eerst regelrechte parlementsleden onder onze
medewerksters. Dat dezen, toen haar namen van de rol der afgevaardigden
werden opgelezen, met de bijvoeging M.P. (member of Parliament,
volksvertegenwoordigster), met groot enthusiasme ontvangen werden,
is te begrijpen.

De regeering van Noorwegen had de eenige vrouwelijke
volksvertegenwoordigster van dat land, Anna Rogstad, als
regeeringsafgevaardigde gezonden, maar daar zij op dit oogenblik in
Noorwegen in het parlement aanwezig moet zijn, zond zij dr. Christine
Bonnedy als haar plaatsvervangster.

Hedenmiddag om 2.30 had de feestelijke opening van het congres
plaats in de groote zaal van de Koninkl. Academie voor muziek. De
regeering van Zweden, die eene uitnoodiging had ontvangen
tegenwoordig te zijn, beantwoordde die beleefdheid door den
minister van Buitenlandsche Zaken, graaf Taub, in ons midden
te zenden. Deze conservatieve minister had zich bij het pas
behandelde en gevallen vrouwenkiesrecht-wetsontwerp doen kennen
als een groot tegenstander. Niet weinig getuigt het voor den inhoud
van het openingswoord van de presidente, mrs. Chapman Catt, dat een
schitterende rede was, zooals wij van deze vrouw gewoon zijn, en van
al het gehoorde en geziene in deze bijeenkomst, dat de minister na
afloop zich naar het podium begaf, mrs. Catt de hand drukte en haar
de verzekering gaf, dat hij in dezen éénen middag van tegenstander
voorstander was geworden.

Het groote evenement van dezen middag was het aanbieden van een
prachtige witte banier, met goud geborduurd, aan den Wereldbond
voor Vrouwenkiesrecht. De Wereldbond heeft nu zijn eigen banier,
die voortaan bij alle congressen op het podium zal prijken. Door
zes meisjes-studenten in hare studenten-uniform, werd de banier
binnengedragen, gevolgd door een koor van dertig meisjes, die het
Zweedsche vrouwen-vrijheidslied zongen.

Door den president en leider der federatie van liberale politieke
partijen in Zweden, den heer Beckmann, lid van het parlement, werden
de vrouwen aangespoord voort te gaan te agiteeren, omdat hetgeen zij
beoogen niet alleen den vrouwen, maar allen landen ten goede zal komen,
en werd de verzekering gegeven, dat de liberale politieke partijen
in Zweden niet zullen rusten, vóór dat de Zweedsche vrouwen volkomen
gelijke politieke rechten als de mannen verkregen hebben.

Hedenavond om 8 uur zal een groot feest gegeven worden in de zeer
groote ontvangstzaal van het Grand Hotel, waar een paar duizend
personen ontvangen kunnen worden. In aangrenzende vertrekken
zullen buffets met ververschingen zijn, om den inwendigen mensch te
versterken. Wat verder voor verrassingen nog te wachten zijn, hoop
ik in een volgend schrijven mede te deden.



II.


Moest ik mijn vorigen brief eindigen toen pas den eersten dag van
het congres afgeloopen was, dezen kan ik nu gebruiken om na afloop
een overzicht te geven van het geheel. Niet in alle détails van de
discussiën behoef ik nu af te dalen, maar in groote trekken kan ik
mededeelen, over welke onderwerpen de discussiën geloopen hebben,
welke resultaten die gehad hebben en door wie er in hoofdzaak aan werd
deelgenomen. Over de feestelijkheden kan ik nu een overzicht geven,
zonder bij alles in den breede stil te staan. Dit neemt toch niet
weg, dat ik alle feestelijkheden even de revue laat passeeren en de
voornaamste punten aanstip.

Zoo was Maandagavond, den openingsavond van het congres, allen leden
een feest aangeboden in de ontvangstzaal van het Grand Hôtel Royal,
waar, ook al weder evenals in Amsterdam, eene cantate voor dit doel was
samengesteld, die gecomponeerd was en geleid werd door de 70-jarige
Elfrida Andree. Door de oude mevrouw Holmgren werd dien avond de
welkomstgroet uitgesproken in vier verschillende talen.

De Dinsdagavond mag geen feestavond genoemd worden, omdat dien
avond eene groote openbare vergadering gehouden werd in het
Operagebouw. Hoewel 't geen feestavond was, geloof ik toch, dat er
dien avond meer geestelijk genot gesmaakt werd, dan op een der andere
avonden. Door mrs. Chapman Catt werd de vergadering geleid en werden
de zes verschillende spreeksters bij het publiek geïntroduceerd. Dit
geschiedde op de haar eigen gepaste geestige, soms guitige wijze,
die ook niet weinig trots inhield om op één avond in een zoo ver
afgelegen land, zes zulke vrouwen, als deze zes spreeksters waren,
bij het publiek te kunnen inleiden. Terecht werd de vraag in een der
couranten geopperd, welke internationale mannenvereeniging kan op
één avond met zes zulke sprekers uitkomen?

Het eerst gaf zij het woord aan Helene Westermarck, uit Finland. Wie,
die een beetje in de wetenschappelijke wereld bekend is, is deze naam
niet eigen als van een goeden bekende. Hare ethnologische werken,
vooral haar werken over "het huwelijk bij alle volkeren", hebben
haar een onsterflijken naam bezorgd. Helene Westermarck sprak in het
Fransch. Meesterlijk is zij die taal machtig. Na eene uiteenzetting
van den toestand der vrouwen in Finland, met nadruk wijzende, hoe
die verbeterd werd sedert de vrouwen aldaar alle politieke rechten
bezitten, spoorde zij de tallooze menigte aan, om niet den strijd op te
geven, alvorens de vrouwen in alle landen van de bevoogding der mannen
bevrijd waren. Een eerbiedige hulde bracht zij aan al die vrouwen,
die, ieder in eigen land, den moed hebben getoond, dezen strijd aan
te binden en voor bespotting, verguizing en verkeerde beoordeeling
niet teruggeweken zijn.

Na haar kwam de ook in ons land alom bekende en geliefde Rosika
Schwimmer aan het woord. Zij bracht met haar luimige speech alle
aanwezigen telkens in een uitbundig gelach. Zij begon met het verhaal,
dat ganzenhoeders beweren, dat, wanneer zij de ganzen een zekere
grens niet willen laten overschrijden, zij dan een lijn trekken bij
die grens; de ganzen zullen dan nimmer over die lijn gaan. De vrouwen
vergeleek zij bij zulke ganzen. De mannen hadden voor haar een lijn
getrokken, waar het politieke leven begint en tot voor niet heel lang
hebben de vrouwen gemeend, die lijn niet te mogen overschrijden. De
reden, die de mannen daarvoor opgeven, komt in hoofdzaak daarop neer,
dat in de politiek het rijk der logica heerscht en dat vrouwen niet
logisch kunnen denken. Daarom hebben vrouwen eeuwen lang den kop
omgedraaid, zoodra ze aan de lijn kwamen, waar het rijk der mannen,
dat der politiek begint; in de laatste decennia evenwel hebben sommige
vrouwen den hals gerekt en eens over die lijn gekeken en gezien wat
daar in dat mannenrijk voorvalt. Spreekster behoorde ook tot die
nieuwsgierigen en nu toont zij met verschillende voorbeelden aan, wat
mannenlogica beteekent. Onbedaarlijk was het lachen toen zij vertelde
hoe o.a. in een canton in Zwitserland niet alleen de onderwijzeres
voor hetzelfde werk minder betaald wordt dan de onderwijzer, maar,
daar bij het salaris ook begrepen is, jaarlijks een zekere hoeveelheid
voeder voor de koe, die elke onderwijzer en onderwijzeres ontvangt
bij de aanstelling, de koe van de onderwijzeres slechts het halve
rantsoen krijgt van de hoeveelheid, die de koe van den onderwijzer
ten deel valt.

Na Rosika Schwimmer sprak Selma Lagerlöv. Deze pas met den Nobelprijs
voor letterkunde begiftigde vrouw, met een allerinnemendst, vriendelijk
gelaat, eene feministe pur sang, schetste de vrouw in het gezin,
beschreef den toestand in de gezinnen, waar de huisvrouw en moeder
gemist moet worden, en vroeg den mannen, hoe zij ooit hebben kunnen
meenen, dat het groote gezin van den staat goed beheerd kan worden,
wanneer de vrouwen daar tot medezeggenschap niet worden toegelaten.

Wij hadden reeds vernomen hoezeer deze Zweedsche schrijfster door haar
landgenooten vereerd wordt, en vooral, hoe lief het Zweedsche volk
haar heeft; nu waren wij getuigen, hoe in de overvolle operazaal,
waar op de gaanderijen het Zweedsche volk dicht opeengepakt zat en
stond, de geliefde landgenoote werd toegejuicht, welk een storm van
enthousiasme zij wist op te wekken.

Toen werd het woord verleend aan mevr. Philip Snowden, Engeland's
groote redenaarster. Het is moeilijk te zeggen, wat bij deze spreekster
het meest geroemd moet worden, de inhoud van haar speech of de wijze,
waarop die werd voorgedragen. Ook zij eindigde met hulde en dank te
brengen aan de pioniers in dezen strijd.

Dr. Anita Augspurg, uit Duitschland, bepleitte het kiesrecht voor
de vrouw op practische gronden. In Duitschland bleken er, na de
laatste volkstelling, van de 30 millioen vrouwen, die dat land telt,
10 millioen vrouwen te zijn, die in eigen onderhoud voorzien. Trekt
men van die 30 millioen alle meisjes en oude vrouwen af, dan blijkt,
dat meer dan de helft van alle vrouwen productieven arbeid verrichten,
en deze allen kunnen in de tegenwoordige omstandigheden, de tijd der
sociale wetgeving, niet langer zonder invloed op de regeering blijven.

Tenslotte sprak reverend Anna Howard Shaw. Allen, die deze vrouw
eens hebben hooren spreken, weten, dat het weergeven van den inhoud
harer rede tot de onmogelijkheden behoort. Ik zal het ook niet
beproeven. Zij sprak over het gebrek aan logica bij de mannen, en
bouwde hare satirieke rede op over het feit, dat de mannen overal de
vrouw de plaats willen aanwijzen, die zij moeten innemen, omdat God
de vrouw voor die plaats zou hebben bestemd. Als dat zoo was, zegt
rev. Shaw, dan zou God zelf er wel voor zorgen, dat zij binnen de
grenzen bleef, waarvoor Hij haar bestemd had. Een hen is niet bestemd
te zwemmen, daarom heeft zij ook geen zwemvliezen gekregen; nu zou
het toch te dwaas zijn, om een wet te maken, waarbij hennen verboden
werd te zwemmen. Zoo doen de mannen echter met de wetten voor de
vrouwen. Gedurende geruimen tijd hield zij de hoorders geboeid en aan
het slot werd zij van alle plaatsen met zakdoeken toegewuifd en dankte
men haar door onder daverend applaus van de zitplaatsen te rijzen.

Het was een in elk opzicht vruchtbare avond voor de propaganda van
het kiesrecht voor de vrouw; zeer zeker was er dien avond niemand
in de zaal, die niet van de noodzakelijkheid van de invoering ervan
overtuigd werd.

Woensdagavond was den talrijken vreemdelingen een feest bereid in
Skansen, het openluchtmuseum en de bekende uitspanningsplaats van
Stockholm. Ook dit was niet geheel een feestavond, omdat er om 7 uur
eerst van twee spreekgestoelten de steeds talrijke bezoekers op een
mooien zomeravond, werden toegesproken.

Onder de spreeksters was mevr. Drucker, uit Amsterdam, die haar rede
over vrouwenarbeid in het Fransch uitsprak. Het was daar 'n recht
genoeglijk feest, waarvan de gezelligheid verhoogd werd door de vele
vrouwenstudenten, die ons op hun vele studentenliederen vergastten.

Vrijdagavond gaf de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht
in Zweden een diner in Hasselbacken en Zaterdagavond de afdeeling
Stockholm in Saltsjöbaden.

Bij het eerste diner zat niet alleen de burgemeester van Stockholm,
Carl Lindhagen, aan, maar ook de bisschop van de Luthersche kerk,
baron Carl Bonde, benevens vele andere hooggeplaatste mannen, die
aan de uitnoodiging gevolg hadden gegeven.

De bisschop opende de rij der sprekers en bleek een groot voorstander
van vrouwenkiesrecht te zijn. Het was zijn diepgevoelde overtuiging,
dat de tijd daarvoor reeds lang gekomen was en dat de regeeringen met
deze hervorming in geen enkel land te vroeg, doch in veel landen wel
te laat kunnen komen, Nederland behaalde dien avond een groot succes,
doordat mevr. Goudsmit, die namens de Nederlandsche delegatie de
tafelspeech hield, dit op zoo onverbeterlijke wijze deed, dat algemeen
de meening werd uitgesproken, dat de Hollanders, als altijd op zulke
congressen, de eer van hun land meesterlijk wisten op te houden.

Van het diner in Saltsjöbaden zal ik niets zeggen, maar ik moet even
aanstippen den heerlijken terugtocht door de Saltsjön, de baai van de
Baltische Zee. In drie booten werden de talrijke gasten om elf uur 's
avonds huiswaarts gebracht. Een fantastisch, mooi avondlicht bescheen
de, aan weerszijden met mooie villa's bebouwde, oevers. Het was een
van die mooie, zoele zomeravonden, waarop een ongeveer anderhalf uur
lange tocht op het water in een schilderachtig, mooie omgeving, een
eenig genot is. Ook Zondag was het weder buitengewoon mooi, en waren
er nog ruim 300 gasten, die, blijkbaar onvermoeid, nog deelnamen aan
den boottocht naar het kasteel Gripssholm. Bij dezen tocht maakten
wij kennis met de rivier Älar, en werden wij in drie uren langs een
hoogst schilderachtigen weg naar het doel onzer reis gebracht.

Dat de vele Hollandsche vertegenwoordigsters zich hier bij al deze
gelegenheden amuseerden en den vroolijken kant van onzen volksaard
toonen, is door de ons steeds omzwervende verslaggevers der couranten
niet onopgemerkt gebleven. Een der Zweedsche hoofdbladen berichtte
althans, dat de aanwezige Hollandsche dames het levendigste en
vroolijkste van allen en vlug als kwikzilver zijn.

Buiten de genoemde feestelijkheden gaven bovendien nog vele private
familiën diners, teas en recepties, waarbij soms 75 gasten tegelijk
werden uitgenoodigd.

Wij mogen hier niet verzuimen bij te voegen, dat op geheel onofficieele
wijze de Nederlandsche gezant, baron Van Welderen Rengers, en zijn
vrouw, alle Nederlandsche vertegenwoordigers eene uitnoodiging voor
een tea ten zijnen huize zond, waaraan door de meesten onzer is
gevolg gegeven.

Van de vele werkzaamheden, die gedurende deze week verricht werden,
wil ik de voornaamste alleen vermelden. Het waren voornamelijk de
bespreking van verschillende vragen. De eerste was: Hoe kunnen de
vrouwen, die het kiesrecht reeds bezitten, beter dan tot nu toe, hare
nog politiek onmondige zusters materiaal voor propaganda bezorgen,
valsche courantenberichten over hare handelingen tegenspreken, en de
internationale vrouwenkiesrechtbeweging steunen?

Fröken Vera Hjelt, de bekende inspectrice van den arbeid, uit Finland,
gaf als haar meening te kennen, dat de vrouwen-parlementsleden na
korte tusschenruimten een rapport moeten opmaken van alles wat door
vrouwen-parlementsleden in hun respectieve parlementen is voorgesteld,
op welke wijze het verdedigd werd en hoe die vrouwen spraken en
stemden over voorstellen, door anderen ingediend. Zij zelf had zulk
een rapport samengesteld over den parlementairen arbeid der vrouwen
in Finland, gedurende de jaren 1907-1911. Dit rapport stelde zij ten
dienste van de internationale beweging.

Door Nederland werd, bij monde van mej. J. C. van Lanschot
Hubrecht, voorgesteld, om, wanneer er in een land een wetsontwerp
voor vrouwenkiesrecht in het parlement aanhangig is, dat dan de
vrouwen, die het kiesrecht bezitten, hun respectieve regeeringen
zullen verzoeken om, evenals de regeering van Australië tegenover
Engeland heeft gedaan, van regeering tot regeering, de gevolgen van
de invoering van vrouwenkiesrecht in dat land mede te deelen.

De vraag: Door welke werkwijze heeft men het snelste het doel bereikt
en werd de propaganda het best gediend? gaf velen gelegenheid tot
discussie. Het behoeft niet gezegd te worden, dat Engeland hierbij
op de militante strijdwijze wees, die de Engelsche vrouwen nu weldra
het kiesrecht zal bezorgen, terwijl van alle andere zijden op zachtere
werkmethoden werd aangedrongen, doch bijna allen de overtuiging waren
toegedaan, dat de propaganda moet gebracht worden naar buiten en zich
niet moet beperken binnen vergaderzalen.

Over de vragen: Welk politiek werk hebben de vrouwen gedaan, in de
landen, waar zij het kiesrecht bezitten? In welke verhouding staan
zij tot de politieke partijen? Hoe worden zij door de politieke
partijen behandeld? Welken raad hebben zij andere landen te geven? werd
natuurlijk alleen het woord gevoerd door de vrouwen, die het kiesrecht
bezitten, en vooral door de aanwezige parlementsleden uit Finland.

Na de beantwoording van de eerste vragen was de unanieme raad,
dat de vrouwen, als zij het kiesrecht krijgen, zich voegen bij de
bestaande politieke partijen der mannen, doch, dat zij daarnaast
een of meer politieke vrouwenvereenigingen moeten, vormen, om de
bijzondere belangen der vrouwen te behartigen. Eerst als in de landen
volkomen gelijkstelling voor de wet van man en vrouw bereikt is,
kunnen politieke vrouwenvereenigingen misschien overbodig worden;
zoolang de gelijkstelling nog niet bestaat, moeten zij in het leven
geroepen en in stand gehouden worden.

Bij de vraag, op welke wijze kan de meeste invloed op leden van
het parlement uitgeoefend worden? gaf Engeland weder als zijn
meening te kennen en wist dit meesterlijk te verdedigen, dat men
de parlementsleden nimmer moest helpen in de Kamer te komen, want
dankbaarheid kent zoo'n lid niet; maar, dat men de tegenstanders wel
moest tegenwerken bij de verkiezingen, want vrees voor de tegenwerking
der vrouwen werkt het best. Zweden wilde heel goedig de beloften
van candidaten gelooven, en voor die het meest beloofden, het hardst
loopen. Toch hebben de Zweedsche vrouwen bij de laatste verkiezing
een invloedrijken tegenstander gewipt, door den heelen dag in zijn
district met een grooten wagen rond te rijden, die geheel beplakt
was met groote woorden: "Kiest mijnheer X. vooral niet."

Geen enkele vraag bracht echter zoovele tongen los als die: "Wat
moet de verhouding zijn van de vrouwenkiesrechtvereenigingen tot
de politieke partijen in hun land, daar waar zij het kiesrecht nog
moeten veroveren?"

Eenstemmig was men van meening, dat elke vereeniging van
vrouwenkiesrecht een volstrekt neutraal karakter moet dragen, vrouwen
van alle politieke, godsdienstige en maatschappelijke overtuiging
in zich moet kunnen opnemen en geen enkele politieke partij eenige
voorkeur moet toonen.

Nadrukkelijk werd er door de politiek ontvoogde vrouwen op gewezen,
dat men nog nergens het kiesrecht verkregen heeft van eene partij,
doch, dat het altijd overtuigde mannen uit de verschillende partijen
geweest zijn, die de invoering hebben mogelijk gemaakt.

Men was het er echter heelemaal niet over eens of niet de vrouwen
individueel zich bij de bestaande politieke partijen moesten aansluiten
en daar invloed trachten te verkrijgen. Werden aan den eenen kant
de vrouwen-leden van politieke partijen als gevaarlijke mede-leden
der vrouwenkiesrechtvereenigingen voorgesteld, omdat zij op een
gegeven oogenblik 't partijbelang boven het belang der gemeenschap,
dat snelle invoering van vrouwenkiesrecht eischt, zouden stellen,
aan den anderen kant wees men juist op den invloed, die men op de
mannen kon uitoefenen als mede-leden van een politieke partij, als
de vrouwen maar wisten en nooit vergaten, dat vrouwenkiesrecht boven
elk partijbelang moest gaan. Ook verkreeg men daardoor het voordeel,
dat de mannen zich al vast begonnen te gewennen aan het medespreken
der vrouw over politieke vraagstukken.

Het volgende congres zal in 1913 in Boedapest gehouden worden, doch
er zal, indien Weenen dat verlangt, een klein na-congres, bestaande
in een reeks van openbare vergaderingen in Weenen aan verbonden
worden. Gedurende de zittingen van het congres kwam de mededeeling,
dat in Zweden een Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht was opgericht,
met aanvankelijk 40 leden, en den leider der liberale federatie en
lid van het parlement, den heer Beckman, als president.

Tevens werd medegedeeld, dat de bestaande mannenbonden zich
internationaal verbonden hebben tot 'n Internationalen Mannenbond,
die de vrouwenvereenigingen op alle wijzen hoopt te helpen.

Op verzoek van de Bulgaarsche delegatie werd aan de regeering van
Bulgarije 'n schrijven gericht, om bij de herziening van de Grondwet,
waarmede 23 Juni 1911 zal worden aangevangen, den vrouwen van Bulgarije
het kiesrecht, waarom zij vragen en waarvoor zij strijden, te willen
verleenen.

Ook aan de regeering van Portugal werd het verzoek gericht, om
alle andere vrouwen van Portugal, evenals dr. Angelo, politiek te
ontvoogden.

Een voorstel, om een internationale deputatie naar minister Asquith
te zenden, werd onder groote hilariteit afgestemd.

Maandag gaan nog vele leden een tocht naar Upsala ondernemen, waarvoor
een extra-trein is afgehuurd. Daar zullen zij door de aldaar bestaande
afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht worden ontvangen, en
den geheelen dag haar gasten zijn. Dinsdag zal de laatste vergadering
van het uitvoerend bestuur (de bestuursleden met de presidenten der
aangesloten landen) plaats vinden en daarna vertrekken de meesten
weder naar hun landen of gaan nog uitstapjes in Zweden maken, om de
eigenaardige schoonheid van dit land nader te leeren kennen.

Namen in 1906 in Kopenhagen nog geen politiek ontvoogde vrouwen aan
het congres deel, bij het congres, in 1908 te Amsterdam gehouden,
waren reeds vrouwen uit Finland, Noorwegen en Australië aanwezig,
die het politieke kiesrecht bezitten. In Londen waren in 1909 eenige
leden van gemeenteraden en zelfs eene vrouwelijke wethouder onder
de gedelegeerden, doch nu, in 1911, telde het congres reeds vele
vrouwen onder de afgevaardigden, die in hun land lid van het parlement
zijn. Een volgend congres moet ten minste een vrouwelijke minister
brengen, wil de climax voortgaan. Professor Reuterskjöld, in Zweden,
die van meening is, dat de vrouwenkiesrechtbeweging reeds lang haar
hoogtepunt bereikt heeft en in alle landen in kracht en omvang afneemt,
zal zeker door dit congres wel van zijne kortzichtigheid overtuigd
zijn geworden.



NAAR DALECARLIË.


Mijne beide reisgezellinnen, die met mij de reis van Holland naar
Zweden maakten, en ik, kwamen spoedig tot de ontdekking, dat wij
de week, die wij reeds vóór het congres van den Wereldbond voor
Vrouwenkiesrecht in Zweden doorbrachten, moesten benutten om de verder
afgelegen provinciën van Zweden te bezoeken, omdat wij gedurende de
congresweek genoeg gelegenheid hadden van Stockholm en de naaste
omgeving te genieten, en wij direct na het congres eene reis door
Lapland en een tocht om de Noordkaap op ons program hadden. Wij kwamen
overeen, om naar Dalecarlië te gaan, om daar de schoone natuur, de
Zweedsche origineele kleederdrachten en het Zweedsche boerenleven
met eigen oogen te aanschouwen. Het lezen van de boeken van Zweden's
grootste romanschrijfster, Selma Lagerlöf, de in Stockholm overal
uitgestalde plaatjes en prentbriefkaarten van Dalecarlië's bevolking
en de reclame, die er door de bureaux voor vreemdelingenverkeer van
dit deel van Zweden gemaakt wordt, spoorden ons niet weinig tot dit
bezoek aan. Daar wij eerst den avond vóór Pinksteren in Stockholm
aankwamen en men ons inlichtte, dat vooral de Zon- en feestdagen in
Dalecarlië voor vreemdelingen interessant zijn, omdat dan alle boeren
en boerinnen in hunne veelkleurige Zondagscostuums zijn en in hunne vol
menschen geladen booten en bontgekleurde wagentjes naar de kerken gaan,
besloten wij zoo spoedig mogelijk naar Rättvik, de meest aanbevolen
plaats, af te reizen. De afstand van Stockholm naar Rättvik is slechts
262 kilometer; wij dachten dus den eersten Pinksterdag, in den loop van
den dag, daarheen te vertrekken. Toen wij echter Zondagsochtends in het
Grand-Hôtel de noodige inlichtingen inwonnen, bleek al heel spoedig,
dat wij dien dag Rättvik niet meer konden bereiken, omdat de eenige
doorgaande trein des morgens om 10.20 van Stockholm vertrekt. Alleen
indien wij bereid waren met den nachttrein te gaan, zouden wij er
nog den tweeden Pinksterdag vroeg kunnen aankomen. Wij bleven toen
maar den eersten Pinksterdag in Stockholm en vertrokken den tweeden
's ochtends om 10.20. Wel had de portier van het Grand-Hôtel ons
zoo terloops gezegd, dat wij 's avonds om 6.40 in Rättvik aankwamen,
doch dat hadden wij voor een vergissing gehouden. Het was immers een
sneltrein waarmede wij gingen, dat was ons herhaaldelijk verzekerd,
en hoe zou die dan meer dan acht uur kunnen zoekbrengen op een traject
van 262 kilometer.

De Zweedsche spoorwegen wisten dit echter klaar te spelen. Hoewel
wij van Stockholm naar Upsala, ruim 60 kilometer, in ongeveer vijf
kwartier aflegden, besteedden wij inderdaad meer dan zeven uur voor de
overblijvende 200 kilometer. Na elken kilometer hield de trein stil;
geen dorpje of gehuchtje mochten wij passeeren, en het oponthoud was
somtijds lang genoeg, om van de meestal schilderachtige omgeving even
een paar fotografische opnamen te maken. Het was evenwel dikwijls
moeilijk om uit te vinden, hoe lang het oponthoud in de verschillende
stations was, want wij hadden geen goeden reisgids van Zweden kunnen
bemachtigen. De eerste, dien men ons in de handen gestopt had,
bleek een verouderde gids te zijn, en de tweede bleek een opgave van
alle hotels, tot zelfs van die in de kleinste dorpjes van Zweden,
te bevatten. Wel sprak eene der reisgezellinnen Deensch, maar voor
deze mystificatie had zij ons toch niet kunnen behoeden en ook de
vriendelijke hoofdconducteur, die in den trein alle moeite deed om
ons de noodige inlichtingen te verschaffen, werd door onze Deensch
sprekende vriendin slechts ten halve verstaan.

Dat reizen in een land, waarvan men de taal niet kent, bracht ons
reeds spoedig kleine teleurstellingen. In Krylbo, waar wij tegen ruim
één uur aankwamen, werd ruimschoots tijd gegeven, om aan het buffet
van het stationrestaurant een middagmaal te bemachtigen. Maar daar
wij niet verstonden, wat de conducteur ons mededeelde, begrepen wij
eerst later, waarom alle medereizigers waren uitgestapt. Toen spoedden
ook wij ons naar de welvoorziene tafels van de restauratiekamer, om
voor de eerste maal nu eens op zijn Zweedsch te eten. Van bediening
was namelijk geen sprake, elkeen voorzag zich van een bord, die op
hooge stapels aan de hoeken der tafel stonden, nam zich vork en mes,
en laadde toen van de vele gerechten visch, vele soorten warm en
koud vleesch, allerlei groenten, etc. op zijn bord, wat hem of haar
het meest aantrok. Dan nam men aan een van de lange, of een kleine
tafel plaats en trachtte zoo snel mogelijk de grootste hoeveelheid
naar binnen te werken. Uit een hygiënisch en vooral ook uit een
aesthetisch oogpunt zijn deze soort Zweedsche maaltijden niet voor
navolging aan te bevelen. Hadden wij tijd genoeg gehad om dat diner
wat minder gehaast te nemen, dan zoude voorzeker de prijs, die er voor
betaald moest worden, bespottelijk laag geweest zijn; nu wij echter
achterna tot de slotsom kwamen, dat wij door dit eerste experiment
wel veel geleerd, doch niet veel substantieels ontvangen hadden, was
de prijs van 1 1/2 kroner, ongeveer een gulden, toch nog hoog genoeg.

Een tweede tegenvallertje wachtte ons. Tot Krylbo waren wij op de lijn
der staatsspoorwegen en tot zoover liep mijne kaart. De andere dames
bezaten een kaart, die direct tot Rättvik ging. Van Krylbo tot Rättvik
moest ik dus een plaatskaart bijnemen. De stationschef verstond een
beetje Duitsch en was goedmoedig genoeg om den trein nog een minuutje
langer te laten wachten en mij eerst van een verder plaatskaartje te
voorzien, waarvoor ik 4 1/2 kr. moest betalen. Toen de trein echter
in vollen gang was, beduidde de conducteur ons, dat mijn kaartje naar
Insjön voerde, een ander dorpje aan het meer Siljan, doch vanwaar ik
's avonds niet meer naar Rättvik kon komen. Met Deensch, met Duitsch,
met Engelsch en met Fransch brachten wij den conducteur aan het
verstand, dat ik toch naar Rättvik zou reizen, het mocht kosten wat
het moest. Later op den middag kwam hij, vergezeld van een Zweedsch
gentleman, die hij uit een ander coupé had gehaald, weer bij ons
terug en met dezen vriendelijken man als tolk werden wij het spoedig
eens. Ik kon medegaan naar Rättvik en de daar aangestelde stationschef,
die goed Duitsch sprak, zou voor ons de zaak wel verder in orde maken.

Wat moeten Engelschen en Amerikanen, die in den regel maar één taal
kennen, zich toch dikwijls in moeilijkheden bevinden en weinig van
hunne reizen profiteeren, door het gebrek van op hunne vele reizen
nooit de taal van het land machtig te zijn. Bij onze aankomst in
Rättvik had ik het te weinig betaalde aan te vullen en daarmede was
dit incident afgeloopen.

Het had ons echter in nauwer verbinding met den daar aanwezigen
vriendelijken stationschef gebracht, die ons van eene goede reisgids
en vele goede inlichtingen en raadgevingen voorzag.

Nadat wij ons in het hotel, dat inderdaad een eerste rangs hotel
in de bergen kan genoemd worden en dat ons den wijd bekenden, doch
dikwijls niet verdienden naam van "Hollandsche zindelijkheid" op de
lippen bracht, wat opgefrischt hadden, begaven wij ons op weg om nog
zooveel mogelijk van den Zondag aan het meer Siljan te genieten.

Het was een prachtige avond, die oud en jong naar buiten had gelokt. De
vreemdelingen, die anders in Rättvik in grooten getale aanwezig zijn,
waren òf niet gekomen, òf met den overvollen trein, dien wij juist
hadden zien vertrekken, heengegaan. Wij bevonden ons bijna uitsluitend
onder de bewoners van het dorp. Van den melancholieken geest, dien
men den Zweden in het algemeen en den bewoners van het Siljansdal
in het bijzonder toeschrijft, was niet veel te bespeuren. De jonge
mannen en de jonge meisjes stonden overal in afzonderlijke groepjes
bijeen, doch in hunne grage blikken was duidelijk te lezen, dat zij
van weerszijden onderlinge toenadering wenschten; maar niemand durfde
de eerste te zijn.

Hoewel wij, Hollanders, toch aan nationale kleederdrachten wel
gewend zijn, waren wij over de kleederen der Dalecarliesche boeren
en boerinnen verrast. Zij waren bijna zonder uitzondering in hun
nationaal costuum en de enkele gewoon gekleede man of vrouw toonde ook
overigens genoeg verschil met hen, om onmiddellijk te concludeeren,
dat die geen inboorling kon zijn.

De vrouwen droegen allen op hunne, meestal stroogele haren, waarvan de
zedig om het hoofd gelegde vlecht met een wit satijn lint doorvlochten
was, een zwart puntig, met rood omzoomd kapje, dat iets coquets en
jeugdigs aan het uiterlijk gaf. De veelkleurige gestreepte voorbaan van
de rok, waarin rood en groen den boventoon voerden, gaf met de witte
blouse en het rood of groen gebloemd keurslijfje een frisch geheel.

De mannenkleeding was meer origineel dan mooi. Van achteren leken
de mannen allen, met hunne slappe hoedjes, lange soepjassen, korte
kuitbroeken en lage schoenen, op groote en kleine pastoortjes, doch
van voren bezien, was de kleeding verrassend leelijk. De lange soepjas
was geheel met een breeden rooden rand omzoomd en hing los om het
lijf. Een blauw, ook met rood omzoomd vest, tot boven aan den hals
dicht; een gele kniebroek van zeemleder, waaraan bij de knie drie
vuistdikke roode pompons bengelden, zwarte kousen en lage schoenen
vormden het costuum van de Rättviker Dalecarliër.

Een oogenblik stonden wij hen en zij ons nieuwsgierig aan te staren,
toen vatten wij het eerst moed en begonnen een praatje. Op onze vraag
of er misschien een van hen Duitsch of Engelsch verstond, begonnen
de jonge mannen als gekken te lachen. Met open monden, krom van de
pret, sloegen zij zich op de knieën, om te doen uitkomen, hoe mal
ze onze vraag vonden, doch onder de meisjes waren er een viertal,
die moedig naar voren kwamen en ons mededeelden, dat zij onderricht
in de Engelsche taal ontvingen en die taal een beetje konden spreken
en verstaan. Het deed ons feministisch hart goed ook hier weder,
als in zoo menig ander geval, de hoogere beschaving en ontwikkeling
bij de vrouw uit het volk te vinden.

Al spoedig vernamen wij dat binnen enkele oogenblikken op 't
marktplein een bal, of laat mij liever danspartij zeggen, gegeven
zou worden. Elken Zondagavond, en somtijds ook Zaterdagsavonds, heeft
dit in den zomer plaats. Langzamerhand zagen wij steeds meer groepjes
jonge lieden in die richting afdruipen. Natuurlijk wilden wij daarvan
getuige zijn. Een jonge boer, van ongeveer 30 jaar, die drie jaar in
Amerika was geweest en, zooals ik later vernam, tot de notabelen van
Rättvik behoort, had zich bij ons gevoegd en gaf de inlichtingen,
die wij wenschten.

Het marktplein is een groote ronde vlakte, midden in een
uitgestrekt dennenbosch. In het centrum van deze open vlakte
was een houten dansvloer gelegd, met een verhooginkje voor het
korps muzikanten. Dit korps bestond uit vier blaasmuzikanten, die,
phantastisch, geheel met een witten sluier omhuld, ter bescherming
tegen de vele lastige muskieten, hunne voor den dans lokkende tonen
de lucht ingalmden. Hoewel er van de muziek genoeg kracht uitging,
om menig voetje, zoowel van de jonge mannen als van de jonge meisjes,
ongedurig te maken, werd het toch tien uur, alvorens de eerste paartjes
den moed hadden het bal te openen. Het waren al weder de meisjes
van wie het initiatief uitging. Toen de eerste paartjes begonnen
waren, volgden de anderen spoedig en weldra was de dansvloer dicht
bevolkt met de dansende, bont gekleede jeugd. Dat was inderdaad een
zeer schilderachtig schouwspel en in deze bonte, wiegelende groep,
deden de gele zeemlederen broeken en de lange, met rood omzoomde,
losse jassen der mannen toch werkelijk mooi.

Nu er ook wat meer leven en onschuldige vroolijkheid in de
glad-geschoren, blonde koppen der jonge mannen kwam, begon ik mij met
hun uiterlijk geheel te verzoenen. Het effect van dit bonte tafereel
werd niet weinig verhoogd door het eigenaardige avondlicht, dat
ons omscheen. Niettegenstaande het reeds ruim elf uur was geworden,
was het toch nog licht genoeg om met gemak een boek te lezen en vóór
's nachts één uur werd grooter duisternis niet verwacht.

Zooals het op een bal overal gaat, was het ook hier. Hoewel er niets
gedronken werd, er was trouwens geen sterkedrank te krijgen, werd bij
elke wals het troepje vroolijker en de dans geanimeerder en steeds
vlugger en stampender werden de voetjes neergezet en de beentjes hooger
van den grond gelicht. Het geheel had zulk een animeerenden invloed,
dat ik moeite had mijne beide reisgezellinnen in bedwang te houden. Zij
vertoonden alle neiging om zich in de armen van een Dalecarliër te
vleien en een gracieusen rondedans aan zijn borst uit te voeren. Ware
het niet, dat zij een week daarna op het congres nog hersenwerk te
verrichten hadden, dan had ik hun dat kleine genoegen gaarne gegund;
nu was het mijn plicht te zorgen, dat zij met een frisch hoofd naar
Stockholm terugkeerden en dat niet hart en ziel in de lange jas van
Axel of Erik of Olof achtergelaten werd.

Die lange dagen, die eigenlijk geen avonden hebben, herinnerden
ons er alleen aan, dat wij ons in het hooge Noorden bevonden. De
brandend warme zon op den dag, de zoele avonden, de overal in vollen
bloei staande seringen en gouden regen bloeiende katoenboomen en
uitgestrekte berkebosschen, (de ellendige muskieten ook niet te
vergeten) hadden veeleer een zuidelijker indruk verwekt. Wanneer wij
ons van het meer Siljan afwendden en ons oog op de overige omgeving
lieten rusten, natuurlijk zonder de bont gekleede bevolking, konden
wij ons verbeelden in den Gelderschen Achterhoek te zijn.

Mijne, in Amerika geciviliseerde, zegsman vertelde mij menige
bijzonderheid uit het leven der Dalecarliërs en vooral van de bewoners
van Rättvik. Over het algemeen is de bevolking arm, doordat de grond
hoe langer hoe meer bij den dood der ouders in kleine brokstukken
onder al de kinderen verdeeld wordt en ieder kind zijn eigen klein
stukje grond krampachtig vast houdt, en niet te bewegen is het te
verkoopen. De meeste boeren bezitten nu een stukje grond, waarvan zij
niet leven kunnen, terwijl een boer, die een paard en vier koeien
kan houden, tot de uitzonderingen behoort en voor zeer welgesteld
doorgaat. Men was reeds lang begonnen in te zien, dat niet alle
kinderen tot boeren en boerinnen moesten worden opgeleid en dat er
getracht moest worden een deel der jeugd tot goede ambachtslieden
te vormen. De verschillende gemeenten zijn echter te arm om goede
ambachtsscholen te stichten; willen de jonge mannen en vrouwen een of
ander vak leeren, dan moeten zij van huis gezonden en bij een vakman
in een of andere stad in de leer gedaan worden. Dit heeft, zooals
van zelf spreekt, voor ouders en kinderen menig bezwaar, bezwaren,
die nog vergroot worden door het eene, alles overtreffend bezwaar,
dat de jongens de opleiding tot een ander beroep dan boer als een
degradatie beschouwen. In het uitoefenen van een ambacht vinden zij
iets onvrijs, iets ondergeschikts, en de Dalecarliër, die voor alles
zijn vrijheid bemint, meent die alleen als zelfstandige boer te kunnen
handhaven. Liever trekken de jongens en meisjes naar Zweden's groote
steden, of naar Amerika, om daar te gaan dienen en na eenige jaren
met het overgespaarde geld in Dalecarlië terug te keeren, daar een
stukje grond te koopen, om dan het leven eigenlijk te beginnen. Een
Dalecarliër komt altijd in zijn geboorteplaats terug, hij kan zich
op den duur in eene andere omgeving niet gelukkig gevoelen. Een
Dalecarliër, een eenvoudige man, die in zijn jeugd zelf ook in Amerika
geweest was, sprak over het in het najaar naar Amerika zenden van
zijn oudste dochtertje even licht als wij een kind van Amsterdam naar
Hilversum zouden zenden.

Wil men het meer Siljan in al zijn schilderachtige schoonheid leeren
kennen, dan moet men een tocht maken met het bootje, dat in den zomer
elken dag een toer rond het geheele meer maakt en tijd genoeg laat,
om van de afzonderlijke dorpen een indruk te krijgen. Van 's morgen 8
tot 's avonds 10 uur dobbert men dan op het 280 K.M. in oppervlakte
bestaande zeetje, waarvan de oevers steeds aan beide zijden in de
verte zichtbaar blijven. De zachtglooiende hellingen, die de Zweden
met trots bergen noemen, bevatten overal dun begroeide berken- of
dennenbosschen, waartusschen de altijd donkerrood geverfde houten
woningen een kleurig effect maken. Van mooie villa's of woningen,
die min of meer welgesteldheid verraden, is in deze mooie omgeving
geen sprake. Op mijn vraag aan een Oberstabsarzt, die met ons dit
reisje maakte, waarom de rijke Zweden hier geen villa's hadden, gaf
hij ten antwoord, dat Zweden niet zooveel rijke inwoners als Holland
had, om in elk mooi oord villa's te kunnen bouwen.

In Mora bleven wij eten en hadden ook nog tijd een wandeling door
het dorp te maken. Wij hadden nu tijd te bespieden hoe de Zweden het
middagmaal innemen; getrouw trachtten wij te volgen, met het resultaat,
dat wij nu tot de conclusie kwamen, dat een maaltijd gebruiken in
Zweden "werk" beteekent en dat, wanneer men bijziende is, zooals een
mijner metgezellinnen, men dan dikwijls wat op zijn bord krijgt wat
men nu juist niet wilde hebben. Aan het alles, tot zelfs alle soort
vleesch toe, bereiden met suiker, hadden wij ons al een beetje gewend,
doch met de overvloed van vleesch- en vischsoorten en de schaarschte
aan groenten en vruchten konden wij nog geen genoegen nemen.

Dicht bij Mora passeerden wij een paar van die meters- en meterslange
houtvlotten, waaraan de meren in Noorwegen en Zweden zoo rijk
zijn. Onafzienbaar lang en de breedte van het halve meer innemende,
gingen die duizenden boomstammen, broederlijk door kettingen aan
de buitenkanten te zamen gebonden, langzaam stroomafwaarts, om door
het meer en daarna door de dalrivieren naar de Oostzee te stroomen,
alwaar zij bij het begin in Skutskär worden opgevangen, om daar in
een reusachtige machinale houtzagerij tot planken gezaagd en naar de
verschillende landen verscheept te worden.

Wij keerden dien avond niet naar Rättvik terug, maar bleven in
Leksand, een ander door toeristen zeer bezocht oord, doch waar nog
meer de Zweden zelve heentrekken om hun rustige vacantiedagen door te
brengen. In het kleine hotel, door Baedeker gerecommandeerd, vonden
wij vriendelijke opname. Niemand sprak daar anders dan Zweedsch,
doch onze Deensch kennende vriendin had zich onderweg zoo in de taal
geoefend, dat zij nu volkomen als tolk kon dienen. Weder trof ons de
buitengewone zindelijkheid, die door het geheele huis heerschte, en de
bijzondere vriendelijkheid en goedhartigheid, waarmede men ons tegemoet
kwam. Grappig was echter de combinatie van de blinkende en glimmende
meubels in de vertrekken. Naast een hypermodern ijzeren ledikant,
met sneeuwwit beddegoed, stond een, om te stelen, oud-Noorsch kastje,
dat als beddekastje dienst deed. Verder eene oude bont geschilderde
oud-Noorsche kist voor berging, een doodeenvoudig modern waschtafeltje
en om het effect te verhoogen, een canapé, twee stoeltjes en twee
pouffen, stijl Louis XV, blijkbaar afkomstig van een verkooping op
een of ander oud kasteel. Onze rekening was den volgenden dag zoo
laag, dat wij tot de conclusie kwamen, dat Leksand het oord zal zijn,
alwaar wij ons voor eenigen tijd zullen begeven, om onze financiën
weder in evenwicht te brengen, wanneer die door het vele reizen een
beetje in de war mochten zijn geraakt.

Evenals bij ons op Walcheren, zoo hebben de boeren en boerinnen
van de verschillende dorpen aan het Siljanmeer, waarom Dalecarlië
gegroepeerd is en waarom dit meer dan ook door de Dalecarliërs "het oog
van Dalecarlië" genoemd wordt, ieder hun eigen kleederdracht. Die van
Leksand deed ons zeer veel aan onze Marker-visschersvrouwen denken,
hoewel de kleeding der mannen anders is en de Leksanders veel warmer
kleuren gebruiken, wat in de omgeving, waarin zij leven, een bijzonder
mooi effect maakt.

Mocht men in ons land eens leeren zich in hotels en winkels met
behoorlijke rekeningen van vreemden tevreden te stellen en niet
elken vreemdeling te beschouwen als een geschikt sujet om geplunderd
te worden, wij, Nederlanders, zouden dan niet zoo dikwijls in den
vreemde beschaamd staan, als men ons van deze eigenschap in ons land
vertelt en wij uit eigen ervaring weten, dat deze gewoonte in Holland
werkelijk bestaat. Ons eerste vierdaagsch uitstapje in Zweden heeft
ons geleerd, dat men hier weet de vreemdelingen te trekken, door ze
niet te exploiteeren.



OP WEG NAAR ABISCO.


Wij, bewoners van een klein, dicht bevolkt land, kunnen ons moeilijk
een voorstelling van de uitgestrektheid van Zweden maken, als wij
bedenken, dat Zweden ongeveer hetzelfde getal inwoners heeft als
Nederland.

Hadden wij van Trelleborg naar Stockholm, in een recht naar het Noorden
opgaande lijn, reeds ongeveer 12 uur in een sneltrein doorgebracht,
van Stockholm naar Abisco, verder in noordelijke richting, in een
expres-trein, die den afstand in den kortst mogelijken tijd volbrengt,
moeten wij nu van Dinsdagavond zes uur tot Donderdagmorgen acht uur
doorbrengen, dag en nacht doorreizende. Dit wil dus zeggen, dat wij
b.v. sneller van Amsterdam naar Rome kunnen reizen, dan van Zweden's
hoofdstad naar een der uiterste punten van het land.

Gelukkig zijn de Zweedsche wagons, en vooral de slaapwagens, zeer
comfortabel ingericht en men kan hier, evenals in de Amerikaansche
spoorwagens, op zoo'n langen rit allerlei werkzaamheden verrichten. Ik
zit dan ook dezen brief in den trein te schrijven.

Nu ik meer over Zweden en de bewoners ga uitwijden, moet ik toch nog
even op een stukje van het Congres van den Wereldbond terugkomen. Ik
moet nog even met een enkel woord gewagen van de uitstapjes door ons
allen gezamenlijk gemaakt naar Saltsjöbaden en Grypsholm en vooral
van ons bezoek aan Upsala, met zijn oudste en grootste universiteit
van Zweden. De twee eerstgenoemde tochten gaven ons een goeden indruk
van de eenig mooie omgeving van Stockholm en van de plaatsen, waar de
gegoede, misschien wel rijke, Zweden hunne zomerhuizen hebben. Zoowel
aan de oevers van het Mälarmeer, als aan die van de baai der Baltische
zee, bevinden zich tallooze kleine en groote villa's, soms echte
zomerpaleizen. Van menige villa had men aan de oevers Bengaalsch vuur
ontstoken, toen wij 's avonds met onze booten passeerden.

Dat het volk van Zweden, van hoog tot laag, de vrouwenbeweging
sympathiek gezind is, daarvan kregen wij door deze en andere bewijzen
een indruk.

Toen wij bijv. gedurende het congres in 90 open landauers, waarin
alleen de vreemdelingen een plaats konden vinden, een tocht van 1
1/2 uur door Stockholm maakten, werden wij het meest toegejuicht
in Stockholm's volksbuurten, waar men bijna algemeen naar buiten
stroomde, ons toewuifde en succes wenschte. Het waren vooral ook
de mannen uit het volk, de werklieden, die ons hunne goede wenschen
toeriepen en van uit het gebouw van het Leger des Heils, waar, ons ter
eere, de vlag was uitgestoken, hingen uit alle ramen de heilsoldaten,
om ons met zakdoeken toe te wuiven.

Toen wij Maandagmorgen in Upsala aankwamen, als gasten van de afdeeling
van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht aldaar, waren wij niet weinig
verrast, van bijna elke woning de Zweedsche vlag te zien wapperen en
onze verwondering en waardeering steeg, toen wij zagen, dat van het
gemeentehuis vele vlaggen wapperden en deze hulde ons bereid was op
uitdrukkelijk verzoek van den burgemeester van Upsala.

Hadden wij ons gedurende het geheele congres kunnen verlustigen
in den aanblik van een twintigtal jonge meisjes, die in hunne witte
japonnetjes en met de studentenpet coquet op haar weelderigen haardos,
als pages dienst deden, in Upsala werden wij opgewacht door 'n heel
leger van zulke geestverwantjes, die met niet weinig trots ons in
hunne mooie universiteit rondgeleiden en ons de vele inrichtingen in
het belang van het onderwijs lieten zien. Ruim 200 vrouwenstudenten
telt de universiteit van Upsala en ook onder de docenten zijn
verschillende vrouwen.

Niet alleen is in Zweden alle onderwijs vrij, van het lager tot
het hooger en hoogste onderwijs, maar voor zeer arme studenten zijn
ook in de verschillende clubgebouwen kamers beschikbaar, waar zij
gratis huisvesting en voeding vinden. De studenten zijn er verdeeld
in clubs, zooals ook bij ons, maar zij kiezen hun club niet zelf,
zij worden ingedeeld bij de club van hun provincie. Zij betalen
in deze clubs geen contributie, alles is voor hen van hoogerhand
ingericht op de meest praktische en comfortabele wijze. Zij hebben er
hun eigen leeszaal, conversatiezaal, kunnen er goed en billijk hunne
maaltijden gebruiken en hebben er een groote zaal om er 's avonds
te dansen, te musiceeren, onderling voordrachten te houden, of zich
op andere wijze te vermaken. Meisjes- en jongens-studenten zijn er
collegiaal bijeen. De meisjes-studenten hebben echter bovendien nog
een eigen studentenclub, waar alleen meisjes-studenten in opgenomen
kunnen worden, en waar zij van uit alle provinciën vereenigd zijn,
evenals er ook vele zulke jongensclubs bestaan.

Merkwaardig is zeker, dat er aan de acacdemie ook een professor
in de muziek is aangesteld, die in hoofdzaak zangonderricht geeft,
waaraan alle studenten verplicht zijn deel te nemen. Vandaar zeker,
dat de meisjes-studenten, en de oud-studenten, de dames-doctoren in
de verschillende vakken, ons bij de feestelijkheden op het congres
herhaaldelijk vergastten op hunne tallooze studentenliederen, en
dat na afloop van het diner in Upsala, de vele met ons aanzittende
heeren-professoren, docenten etc. ons zoo mooi vele oude Zweedsche
liederen te hooren en te genieten konden en wilden geven.

De lunch in Upsala werd ons aangeboden in den botanischen tuin, in de
open lucht, en als bijzonderheid daarvan moet ik even opmerken, dat
alle ons daar aangeboden en zoo lekker gevonden gerechten, taarten,
vleezen, koeken etc. etc. door een of andere der strijdsters voor
vrouwenkiesrecht zelf gemaakt waren. Werd daarmede niet getoond, dat
de strijd voor vrouwenkiesrecht, die zooveel meer tijd en energie van
de vrouw in beslag neemt, als later het uitoefenen van het kiesrecht
zal blijken te vorderen, de vrouwen toch niet ongeschikt maakt goede
huisvrouwen te zijn, die het kooken en bakken, waarvoor de mannen
zoo bang zijn, daarbij niet verwaarloozen of verleeren? Menig recept
voor gerecht of taart, welke ons daar was aangeboden, werd ook door
Hollandsche huismoeders, die dit congres bijwoonden, gevraagd. Als
belooning voor de vrijheid, die de mannen haar toestonden, om voor
dit congres naar Zweden te gaan, zullen zij hen zeker na de terugkomst
op een nieuw en lekker schoteltje onthalen.

Had ik op mijn reis naar Stockholm, en van daar naar Dalecarlië, en
zelfs langs de oevers der meren om Stockholm, den indruk verkregen,
dat Zweden liefelijk mooi, doch niet imposant is, dat het zelfs niets
specifiek Zweedsch heeft, dat het mij nu eens herinnerde aan gedeelten
in Holland, dan weder aan sommige streken in Engeland, op mijn reis
door Lapland krijg ik geheel andere indrukken. Op dezen tocht worden,
hoe verder noordelijk wij komen, de bosschen dichter, de meren grooter
en talrijker, watervallen vertoonen zich, en in plaats van heuvels,
zooals aan de oevers van het meer Siljan, zijn hier inderdaad bergen
zichtbaar. Dit alles ziet men toch ook in Zwitserland, Schotland
en Noorwegen en andere berglanden, doch hier vertoont het nu een
bijzonder, een Zweedsch karakter. De bergen zijn hier niet zoo hoog
als in die andere berglanden, maar tot aan den top, dicht met pijn-
en berkeboomen begroeid, nu en dan plotseling overgaande in een groote
open vlakte, wat altijd een meer is. Van uit den trein ziet men niet,
of die bergen bewoond zijn. Wanneer wij nu en dan een dorpje passeeren,
zijn het altijd enkele houten huisjes, die dicht bij een meer gebouwd
zijn. Ik had mij voorgesteld dezen tocht nu en dan te onderbreken en
langs een der zijbaantjes de kustplaatsen te bezoeken. Dit werd mij
echter door iedereen ontraden, om de eenvoudige reden, dat er niets
bijzonders te zien zou zijn, dat die dorpjes alleen bewoond worden
door een arme visschersbevolking, die niets eigenaardigs vertoont en
dat er geen geschikt nachtlogies te bekomen is. Van één plaats spijt
het mij bijzonder, dat ik er nu niet en dus wel nooit komen zal. Als
men jarenlang zoo elken dag in de courant onder de weerberichten
Haparanda ziet staan, als de plaats waar metereologische opnemingen
geschieden, en men komt er dan, om zoo te zeggen, rakelings langs,
dan voelt men zoo'n lust om het eens even aan den lijve te voelen,
hoe de temperatuur, al is het dan ook in het midden van den zomer,
daar op onze body inwerkt. Om er echter te komen, zou ik in Boden uit
den trein moeten stappen, op een zijlijntje in drie kwartier naar Lulea
sporen en van daar per boot in zes of acht uur naar Haparanda stoomen.

Noch in Lulea, noch in Haparanda, zou ik een geschikt hotel vinden
en wat voor mij meer zegt, de boot die van Lulea naar Haparanda en
terug gaat, is geen boot, waarop men eenig comfort mag verwachten. 't
Zijn eenvoudige goederenbooten, waarmede ook de visschersbevolking
heen en weder trekt. Dit alles zou ik misschien toch nog er voor over
gehad hebben, indien niet mijn tijd, die ik voor dezen tocht besteden
kan, krap gemeten is en men mij voorspeld heeft in Abisko en Narvik
mooiere en interessanter zaken te zullen beleven. Ik verkeer dus
in hoop, en wordt die niet verwezenlijkt, dan maak ik, terugkomend,
dat slippertje nog.

Het is nu acht uur 's avonds, de zon staat nog zoo hoog aan den hemel,
alsof zij nog lang niet denkt onder te gaan. Nog een nacht verder
sporen en dan gaat zij inderdaad in het geheel niet meer onder,
of liever gaat onder om in hetzelfde oogenblik weder op te gaan.

In den trein zittende, moet ik toch met een enkel woord melden, wat
elken reiziger uit den vreemde hier onmiddellijk moet opvallen. Ik
schreef reeds over de comfortabel ingerichte spoorwegcoupées en
vooral de comfortabele slaapgelegenheden met gelegenheid om zich 's
morgens behoorlijk te verfrisschen. Ook de toiletten worden bijzonder
zindelijk onderhouden, zoodat men er 's avonds nog even goed als
's morgens gebruik van kan maken. Dat men daar toch in ons land
eens meer aandacht aan wijdde! Bijzonder valt ook de beleefdheid van
alle beambten op; hier in dezen expres-trein spreken alle beambten
ook behoorlijk Duitsch. Vandaag is gedurende den geheelen dag een
restauratie-wagen aan den trein, waar ook alles weer even zindelijk
en goed bereid opgediend wordt.

Ik ga nu nog op het balcon van den trein een beetje van den mooien
avond met daglicht genieten, alvorens te gaan slapen, en hoop in een
volgenden brief van Abisco en Narvik, de eindstations op deze route,
te vertellen.



LAPLAND.


Nadat wij het station Boden gepasseerd waren, spoedig na middernacht,
was ik te bed gegaan. Het was nog daghelder, de zon was even onder,
om bijna op hetzelfde moment weder te voorschijn te komen, 's Nachts
om half drie werd ik wakker, doordat de felle zon, die toen reeds
vrij hoog aan den hemel stond, hel en warm door het open venster juist
mijn gezicht bescheen. Toen ik uitkeek, vond ik het landschap geheel
veranderd. Geen groene boomen of begroeide bergen meer, wild en dor zag
het landschap uit. Geen huisjes meer langs de meren, slechts hier en
daar een eenvoudig houten huisje voor den baanwachter. Langzamerhand
begonnen ook de bergtoppen nog sneeuwresten te vertoonen en tegen
den ochtendstond waren wij in een streek aangeland, waar de sneeuw
nog flink dicht op alle bergruggen ligt. Hoewel de zon om zeven uur
reeds brandend heet is, is het toch frisch en zelfs koel, zoodra men
even buiten de lijn komt, waar de zonnestralen vallen.

Is dit nu Lapland? vroeg ik mij onwillekeurig af. Aan de kleine
stations, waar eene kleine arbeidersbevolking woont om in de mijnen
te werken, merkt men niets bijzonders. Men zou zich kunnen verbeelden
in Sneek, Zuidbroek, Geldermalsen of een ander klein station in ons
land te zijn, zoo eender zien de menschen er uit. De heertjes die hier
en daar op het perron staan, zijn van hetzelfde type als dat soort
heeren in Amsterdam of elders in ons land, de vrouwen zijn bijna
allen uniform met een bont katoenen blouse, donkeren rok en witten
matelot-hoed gekleed. Van Laplanders aan de stations geen sprake. De
eenige als Laplandsche gekleede vrouw die ik aan een station zag,
zag ik in Stockholm.

Precies op tijd kwamen wij Donderdagochtend in Abisco aan. Dat was
indrukwekkend. Een uitgestrekt vergezicht over de Tornetraesk en de
Laplandsche bergketen, die nog geheel door sneeuw bedekt is. Door de
felle zon beschenen, lag alles in een blauwen gloed.

Tornetraesk noemt men het zeer groote meer waaruit rondom de hooge
sneeuwbergen opstijgen en waaraan Abisco ligt. Dit meer was nog
vol ijsschollen.

Abisco is geen stad of dorp, het is een station. Het ligt midden in
het Nationale Park; een zeer groote woesternij, om zijne bijzondere
natuurschoonheid, zeldzamen plantengroei, zijn vogels, vlinders,
insekten, enz. door de Zweedsche regeering aangekocht en tot nationaal
eigendom gemaakt. Geen andere huizen staan er dan die tot het hotel
behooren, een echt touristenhotel, van hout gebouwd en zonder eenige
luxe. Toch ziet alles er door de zeldzame zindelijkheid, waarin
het gehouden wordt, animeerend uit. Het touristenhotel behoort aan
de Zweedsche touristenvereeniging en heeft eene directrice aan het
hoofd. De prijzen zijn er, vooral de goede voeding in aanmerking
genomen, bespottelijk laag.

Wij waren bij onze aankomst niet weinig verrast nog vele andere leden
van het congres aan te treffen en spoedig waren wij overeengekomen
gezamenlijk een wandeltocht naar een waterval, de Zilverval, te
ondernemen, die op twee-en-een-half uur afstand van het hotel gelegen
is. Vooral de wandeling er heen werd ons als zeer schilderachtig
geroemd.

Met een club van zestien personen gingen wij op weg, nadat onze
twee Zweedsche metgezellinnen, die hier bekend zijn en als gids
wilden dienen, ons de noodige inlichtingen verstrekt hadden, omtrent
kleeding en schoeisel. De weg zou hier en daar wat nat zijn, dikke
schoenen of overschoenen werden dus aangeraden. Een muskietennet over
de hoed, voor de vele muskieten, die soms in de bosschen krioelen,
werd ook geraden. Verder warme kleeding. Sommigen kwamen nu direct
uitgedoscht in wit, in blauw of in groen tarlatan gehuld, met ijzer
beslagen bergschoenen aan de voeten en met alle mantels behangen,
die zij bij zich hadden. Het bleek echter dat dit alles overbodig
was, want hoe wij ook beschoeid waren, nat werden wij toch en door
de ingespannen wandeling werden wij warm genoeg. Het was een zeer
bonte groep. Alle talen werden gesproken.

De weg, die geen weg was,--de Zweedsche metgezellinnen roemden de
wijsheid der Zweedsche regeering om geen wegen aan te leggen, waardoor
het oorspronkelijk karakter van het park behouden bleef,--liep dan
eens over grasstoppels, keisteenen of mul zand, dan weder over natte
sneeuw, waarin wij tot over de enkels inzakten en leidde ons nu en dan
door een snelvlietend stroompje, waar wij òf moedig doorheen waadden,
òf met behulp van steenen of boomstronken ons een weg baanden. Opeens
echter, nadat wij bijna twee uur op die wijze voortgesukkeld hadden,
werd het pad zoo moerassig, dat wij niet verder konden en onze
geleidsters op den inval kwamen, langs de vrij steile wallen, tusschen
de struiken door, naar boven te klauteren en langs den spoorbaan onze
reis te vervolgen. Den geheelen weg over behielden wij het gezicht
op het Tornemeer (traesk is de Laplandsche naam voor meer), met
zijn schilderachtigen achtergrond van sneeuwbergen. Door de telkens
veranderende bewolking zagen wij het elk oogenblik anders belicht.

Na een eind gaans op den spoorbaan daalden wij weder af om te
onderzoeken of de weg begaanbaarder was geworden, en bereikten toen na
korten tijd, het doel van onzen tocht. De Zilverval is indrukwekkend
mooi, maar wat nog mooier en schilderachtiger is, is de omgeving
waarin hij zich bevindt.

De mooie bewolkte lucht, die het Tornemeer zoo mooi had beschenen,
werd dichter en dichter bewolkt, en verraste ons plotseling op den
inhoud van een zijner, dien morgen zoo dikwijls door ons geprezen,
wolken. Het was een regen die in stroomen nedergutste en niet van
plan was spoedig op te houden.

In een half uurtje konden wij Björkliden bereiken, een klein station,
waar een bakker woonde. Wij zouden dus misschien wat te eten kunnen
krijgen. Toen wij daar druipnat aankwamen, was de bakkersvrouw
dadelijk bereid koffie voor ons te maken en ons op koek en brood te
onthalen. In een oogwenk was zij met alles gereed, maar zij kon zooveel
natte dames niet in haar klein, zindelijk woninkje herbergen. Buiten,
op geïmproviseerde banken gezeten en nog steeds in een stortregen,
genoten wij van de heete koffie, lekkere koek en brood. En toen wij het
goede mensch betalen wilden, vroeg zij van ieder vijf-en-twintig öre,
zoowat 17 1/2 cent. Wat zou een bakkersvrouw in ons land van zoovele
vreemdelingen, die haar onverwachts in haar werk kwamen overvallen,
en die zij wel nooit zal wederzien, in zoo'n geval gevraagd hebben?

De stationschef wilde ons ook van dienst zijn. De trein van Kiruna
naar Narvik is eigenlijk aangelegd om de ijzererts uit Kiruna naar
Narvik te voeren, waar het verscheept en dan door de geheele wereld
gevoerd wordt. Elk uur passeert er zulk een ijzererts-trein. Hij
zou den eerstvolgenden trein doen stilhouden, een derde klasse wagon
aanhaken en ons in Abisko laten uitstappen. Het kleine wachtkamertje
kon ons niet allen bevatten, maar vriendelijk liet hij ons dan maar
van zijn bureau gebruik maken. In Abisko teruggekomen, konden wij
bij een vroolijk knappend houtvuur onze natte kleederen drogen. Het
regende nog steeds, een mooien zonsondergang of opgang was dus niet
te verwachten. Wij amuseerden ons met naar de vele rendieren te
kijken, die tegen den avond naar beneden komen en in groote troepen
bijeenblijven. Beproefde men ze te naderen, dan verdwenen zij snel
tusschen de heesters.

Den geheelen dag hadden een viertal Laplanders om het hotel gedwaald,
om hun rendierenhuiden, tabakstasschen, lepels, vouwbeenen en
nog allerlei andere zaken die zij uit deelen van rendierenlichamen
kunnen maken, aan den man te brengen. Het waren de eerste werkelijke
Lappen, die ik zag. Zij leken in hun bonte, blauw met rood afgezette,
ruime jakken, die om het middel met een breede lederen riem waren
vastgebonden en met hunne blauwe mutsen, net Fransche soldatenmutsen,
met een dikken rooden pompoen op den top, op groote apen. Er waren
twee oude en twee jonge Lappen bij.

's Avonds werd het plan gevormd, om den volgenden dag gezamenlijk naar
een Lappenkamp te gaan. Deze menschen kampeeren ver van de bewoonde
wereld, hoog in de bergen, waar het koud genoeg is voor hunne rendieren
en waar deze beesten het mos kunnen vinden waarmee zij zich voeden. De
Lappen leven geheel van hunne rendieren en volgen hunne kudde, waarheen
die trekt. Niet zij zoeken den weg waar zij zich nederzetten willen,
de rendieren geven den weg aan.

Om naar het dichtstbijzijnd Lappenkamp te komen, moesten wij het
electrisch motorbootje afhuren, dat ons van de eene zijde van het
Tornemeer naar de andere, naar Pölnoviken, brengt. Meer dan veertig
touristen, in het hotel aanwezig, wilden dien toer mede maken. Gelukkig
was het weer opgehelderd en met een heerlijken zonneschijn staken wij
's morgens om half elf van wal. Het was de eerste toer die dezen zomer
met het motorbootje gemaakt werd, daardoor verkeerde de kapitein
omtrent de landing nog in het onzekere. Na anderhalf uur van deze
boottocht genoten te hebben, kwamen wij in de nabijheid van Pönoviken,
waar echter het water nog zoo vol ijsschollen lag, dat van landing
daar ter plaatse geen sprake kon zijn. Nadat wij een oogenblik in
het onzekere verkeerden, wat nu gedaan kon worden, zagen wij een Lap
met zijn kanoe naar ons toeroeien. Hij zou ons bij gedeelten aan wal
brengen. Met zijn smalle boot kon hij gemakkelijk tusschen de schollen
doorscharrelen. De moedigsten stapten het eerst in en weldra had hij
ons allen gehaald. Het aan wal stappen ging weder niet zoo eenvoudig
omdat wij tot aan de knieën in de losse natte sneeuw wegzonken, maar
allen hadden dit koude voetbad er wel voor over. Wij waren nu in het
Lappenkamp en zagen vele (mannen, vrouwen en kinderen van dit volkje
bijeen. Zij waren allen in dierenhuiden gekleed, alleen het mutsje op
hun hoofd was van een soort blauwe stof met rood afgezet gemaakt. Het
lange blauwe buis wat zij dragen als zij in Abisco komen of naar de
markt in de steden gaan, schijnt hun Zondagsch kleed te zijn.

Hoewel het nog een echt nomadenvolk is, en zij nog veel oorspronkelijks
vertoonen, heeft toch de beschavende invloed van een spoorweg in de
nabijheid, waardoor zij zelf naar de marktplaatsen kunnen gaan om
daar hunne meer origineele dan mooie handelsproducten te verkoopen,
in plaats van af te wachten dat ondernemende kooplieden bij hen komen,
of ook doordat zendelingen tot hen zijn gekomen om christenen van
hen te maken, veel van hun oorspronkelijken aard weggenomen. Men
ziet in hunne primitieve tenten tal van huishoudelijke artikelen,
die zij in de steden moeten gekocht hebben voor het geld, dat zij
voor hunne rendierproducten ontvingen. Ook kunnen vele der jongere
Lappen nu zeer goed lezen en schrijven. Zij vallen namelijk ook onder
de schoolplichtwet. De Zweedsche staat legt daardoor gedurende een
groot deel van het jaar beslag op de kinderen; zoodra die den 6-jarigen
leeftijd bereikt hebben, besteedt men hen uit en laat hen naar school
gaan. Daardoor ontwikkelen die kinderen zeer zeker geestelijk, maar
men maakt ze ongeschikt voor het nomadenleven der ouders. Een begaafde
Lap, die daarover zijne ideeën eens luchtte tegen een Zweedsche vrouw,
heeft die vrouw geïnspireerd, dat gesprek in boekvorm weder te geven
en dit boek heeft nu in Zweden bij velen den twijfel doen ontstaan,
of het wel goed is, de kinderen van deze menschen schoolwijsheid bij
te brengen. Het groote bezwaar van de Lappen tegen het schoolgaan der
kinderen is, dat die kinderen dan niet van jongs af leeren skiën,
bergklimmen, springen en alles wat zij noodig moeten kennen, om de
rendieren op hunne moeilijke tochten te volgen. Op lateren leeftijd
schijnen zij dat niet meer goed te kunnen leeren.

Nu velen hunner christenen zijn geworden, laten zij hunne kleine
aap-menschen-kinderen doopen, trouwen zij kerkelijk en begraven zij
hunne dooden. Daarvoor wachten zij een of anderen heiligen dag af
en komen dan in groote groepen naar beneden, om op dienzelfden dag
alle huwelijken van den laatsten tijd te laten sanctioneeren, alle
kinderen, die in dien tijd geboren zijn te laten doopen, en slepen
zij hunne, soms lang geleden gestorven bloedverwanten mede, om die
meteen christelijk te begraven. Laat mij niet vergeten te vermelden,
dat het een zachtaardig volk is, dat niemand kwaad doet en onderling
ook in vrede schijnt te leven. Zou de opgedrongen beschaving hen niet
kunnen bederven?

Heden, den 23en Juni is het midzomernachtfeest. Dit feest wordt in
heel Zweden en door alle Zweden gevierd en duurt drie dagen. Vooral
in Dalecarlië worden deze feestdagen buitengewoon gevierd en lokken
vele vreemdelingen naar die mooie provincie. Het Johannesfeest, zooals
het ook wel wordt genoemd, heeft ook hier zoo'n groote beteekenis,
dat zelfs in de mijnwerken in Kiruna, drie dagen door niemand
wordt gewerkt en alles wat met den mijnarbeid in verband staat,
tot stilstand is gebracht. Hier in Abisco was reeds 's middags een
groote vlaggestok, geheel met lichtgroene takken van de zilverberken
versierd, in den grond geplant; een groot groen gemaakt kruis met
twee kronen er aan bevestigd en hoog boven in de Zweedsche vlag
geheschen, door het personeel van het hotel. In een omgeving, waar
men over bloemen beschikken kan, wordt zoo'n paal geheel met bonte
bloemen versierd. Met zoo'n paal als middenpunt, wordt tot laat in
den nacht of tot vroeg in den morgen door alle aanwezigen gedanst,
alle oude Zweedsche gezelschapsspelen gespeeld en de vroolijkheid hoog
opgevoerd. Van standverschil, van vreemde nationaliteit, wordt geen
notitie genomen; als men staat toe te kijken, wordt men mede in den
kring getrokken en moet mede zingen en dansen, 't Is een onschuldig,
vroolijk feest, zoolang er geen alcohol gedronken wordt. Hier in
Abisco worden geene spiritualiën geschonken in het Toerist-hotel, de
feestvreugde had daarom een beschaafd karakter, en oefende zelfs op
den meest Stoïcijnschen Zweed, de meest aristocratische Engelschen,
de lakonieke Duitschers en ons stijve Hollanders (er waren zeven
Hollanders onder de gasten) een even opwekkenden invloed uit.

Jammer, dat de zon om twaalf uur juist achter een wolk wegkroop en
ons niet liet zien, hoe het kunststuk volbracht werd, om op hetzelfde
moment onder te gaan en weder op te komen.



HET LAND VAN DE MIDDERNACHTZON.


Nu ik in het land van de middernachtzon ben, moet ik toch wat meer
over die zon schrijven, dan ik tot nu toe deed. Het ergste is echter,
dat ik nog steeds geen gelegenheid had, met eigen oogen te zien, dat
de zon onder en opgaat, op hetzelfde moment. Tot dusver hebben wij 's
avonds regen of nevel gehad, of wilde het ongeluk, dat de eenige wolk,
die de strak blauwe hemel bevatte, op het kritieke oogenblik juist
voor de zon schoof. Dit neemt evenwel niet weg, dat helder daglicht,
met een vroolijk schijnende zon om middernacht een verbijsterenden
indruk maakt en de menschen met de dagverdeeling totaal in de war
brengt. Men eet niet meer en slaapt niet meer op vaste uren van dag en
nacht, maar den raad, door Baedeker gegeven, volgt men onwillekeurig,
ook zonder die gelezen te hebben. Men gaat eten of slapen, als men
er behoefte aan heeft, onverschillig welk uur de klok aanwijst.

Alleen den eersten dag verwondert men zich, als men 's avonds om elf
of twaalf uur een troepje ziet uittrekken voor een bergtoer, omdat
zij liever den warmen dag gebruiken om te slapen. Of als men op een
wandeling rondom het hotel des nachts nog allen druk aan den arbeid
vindt en men nergens neiging tot naar bed gaan bespeurt.

Voor toeristen, die toch nooit zeer lang in deze omgeving blijven,
zal zoo'n ongeregeld leven niet veel kwaad doen, op het personeel
in de verschillende hotels hier zullen echter de korte zomermaanden,
zonder nachten, zeer gewis een zeer afmattenden invloed uitoefenen.

Van Abisco vervolgden mijne trouwe metgezellin en ik onze reis
naar het meer oostelijk gelegen dorp Narvik, het eindpunt van
den Lapland-spoorwegbaan. Na ruim een uur sporen van Abisco,
bereikten wij de Riksgraenzen, daar, waar Zweden's rijk uit is,
en dat van Noorwegen begint. Die overgang bemerkt men niet alleen
door den scheidspaal, ook niet alleen doordat andere beambten den
dienst in den trein overnemen, maar is bijna onmiddellijk merkbaar
aan den overgang van 't uitzicht. Wij zijn in Noorwegen! roept men
onwillekeurig, nu Noorwegen onmiddellijk met zijn veel majestueuzer
natuurschoon forsch inzet. Die hemelhooge kale bergen, met diepe
ravijnen en breed en krachtig neerkomende watervallen kan Zweden ons
niet bieden. Hier in deze Noorweegsche streek behoeven de Lappen niet
zoo ver van de bewoonde wereld weg te schuilen; vlak langs den weg,
waarlangs de spoorweg gaat, is het koud en onherbergzaam genoeg, om
voor rendieren en Lappen een geschikt verblijf te zijn. Herhaaldelijk
zagen wij deze leelijke menschen nu op de bergruggen, waarlangs de
spoorbaan voert, maar zij waren nu niet zoo vies-vuil meer en hunne
haren beter gesoigneerd. Toen de trein eenmaal midden op den weg,
door een of andere hindernis, stilhield en eenige passagiers, door
het toewerpen van koekjes en chocolaadjes, de Lappenkinderen naar
den trein lokten, hadden wij gelegenheid de vlugheid te bewonderen,
waarmede deze, soms nog zeer jonge kinderen, van boven naar beneden
klauteren, langs den zeer steilen bergwand. Velen onzer zou het afdalen
langs zulk een weg een onmogelijkheid zijn, deze kinderen komen als
katten zoo vlug naar beneden. Zij springen, met naar weerszijden
wijd uitgestrekte beenen, meer dan zij loopen. Van daar krijgen die
beenen waarschijnlijk zoo'n raren leelijken vorm en loopen zij zoo
potsierlijk als zij zich op den gewonen, rechten weg bewegen.

Narvik is een aardig, frisch stadje, dat zeer zeker toekomst heeft. Het
is eerst in 1902 gebouwd, na den aanleg van den Lapland-spoorweg. De
haven van Narvik is het geheele jaar vrij van ijs en is daarom in
gebruik genomen om, het ijzer uit de Zweedsche mijnen van daaruit naar
de Atlantische Oceaan en verder de geheele wereld door te zenden. Bijna
huis aan huis is winkel of hotel. De 4500 inwoners van thans zullen
zich zeer zeker spoedig vertienvoudigen.

Van Narvik wilden wij met een van de vele gelegenheden de Noordkaap
om, doch daarvoor hadden wij vooraf niet de noodige inlichtingen
kunnen verkrijgen. Het eerst begaven wij ons daarom, toen wij
's avonds om tien uur aankwamen, naar een van de daar gevestigde
stoomvaart-maatschappijen om alles te vernemen wat wij moesten weten.

Wij waren nog al fortuinlijk. De eerste passagiersboot, die dit jaar
de Noordkaap om zou gaan, kwam Maandag om twaalf uur in Narvik,
en zou vandaar dienzelfden middag om twee uur vertrekken. Als nog
plaatsruimte op die boot was, konden wij medegaan. Den volgenden
morgen, des Zondags, zou ook een passagiersboot van Narvik vertrekken,
die in 24 uren een tocht maakt om de Lofoden en vroeg genoeg terug was
om nog de boot naar de Noordkaap te halen. Wij besloten onmiddellijk
met de boot, de "Salten", den tocht om de Lofoden te ondernemen,
omdat ons die door een medereiziger in den trein reeds vroeger als
de meest interessante was beschreven en het natuurschoon op de reis
om de Noordkaap niet opwoog tegen wat deze tocht te aanschouwen geeft.

In het zeer goede hotel in Narvik ontmoetten wij twee stadgenooten, die
daar de boot afwachtten, die hen vandaar naar Bergen zou voeren. Toen
zij vernamen, dat zij met ons den tocht tot Svolvaer, het station,
waar wij de Lofoden zouden aandoen, konden maken en ook daar een boot
zouden vinden, die hen in denzelfden tijd naar Bergen zou brengen,
besloten moeder en dochter ons te vergezellen.

Nu zou ik willen, dat mijn pen in staat was den indruk weder te geven,
die deze reis bij mij wekte. In een gemakkelijken rieten stoel gezeten,
nu en dan eens wandelende van het achter- naar het voordek, trok een
panorama onze oogen voorbij, dat een overweldigenden indruk maakte. Als
ik eenvoudig de met sneeuw bedekte reuzenbergen, die van alle zijden
uit de zee opstegen, noem, of schrijf over de hier en daar zóó enge
fjorden, dat men de vrees in zich voelt opkomen, dat daar het schip
nooit door kan, zonder aan beide zijden de angstig zwarte rotswanden
te raken, of als ik tracht te schrijven over de soms liefelijker
natuurtafereelen, gevormd doordat een stukje grond door de zon kon
worden beschenen en daardoor een beetje groen vertoonde, waarachter
dan direct weder de grillig gevormde, met sneeuw overdekte rotsspitsen
opsteken, dan kan ik toch nooit den overweldigenden indruk weergeven,
die dit alles bij mij verwekte.

Wij, vier Hollandsche dames, waren op het bootje wel de eenige
buitenlanders, de anderen waren allen Noren of Zweden. Wij hadden
een rechtmatige hoop bij het mooie, heldere zomerweder, waarvan wij
genoten, nu eens een goeden zons-onder- en -opgang te zullen zien. Maar
's avonds betrok de lucht plotseling weder en weldra viel de regen
in stroomen neder en noopte ons het dek te verlaten en in de kajuit
een droge plaats te zoeken. Toen het schip om half twaalf Svolvaer
binnenliep, had de regen opgehouden en konden wij de drie kwartier,
die wij daar zouden blijven liggen, gebruiken om aan land te gaan.

Svolvaer is een van de vele eilanden of schier-eilanden, want
de achterkant wordt door een ononderbroken bergrug gevormd,
die hoofdzakelijk van de vischvangst en al wat daarmede annex is,
bestaan. Ik had er graag wat langer vertoefd om eens even een kijkje
te nemen in het atelier van den in Noorwegen bekenden schilder Gunnaar
Berg, die daar geleefd en gewerkt heeft en er gestorven en begraven
is. Zijn huis en atelier, waarin vele schilderstukken van zijn hand,
zijn gemeen goed geworden en voor een ieder toegankelijk.

Wij, vier Hollanders, maakten gezamenlijk een wandeling door het
dorpje, onwederstaanbaar getrokken naar een zeker punt, vanwaar
vroolijke dansmuziek ons lokte. Weldra stonden wij in een groote zaal
waar, door een honderdtal jonge mannen en vrouwen, lustig gewalsd
werd. Voor 50 öre (vijf en dertig cent) mochten wij mede dansen,
doch daar wij alleen wilden toezien, konden wij binnengaan. Denk nu
niet dat deze jonge menschenschaar zoo hoog in het Noorden en zoo ver
van de bewoonde wereld, er op dat bal anders uitzag dan bij ons of
ergens anders op een bal in een dorp. De jonge dames waren alle in
witte of lichte japonnetjes gekleed en er werd gedanst als overal
elders. Hadden wij wat meer tijd gehad, dan had ons Amsterdamsch
studentje zeker 50 öre versnoept, zij vond het spijtig genoeg, dat
zij dat moest aanzien, zonder er aan mede te kunnen doen.

Alhoewel de regen had opgehouden, was er toch geen zon te zien. Een
dikke nevel lag tegen de bergwanden. Spoedig nadat wij Svolvaer
verlaten hadden, begaven wij ons naar onze hut om tenminste een paar
uur rustig te slapen, ten einde in staat te zijn den volgenden dag
te kunnen genieten van 't geen de natuur ons dan aan te bieden zou
hebben. De kapitein van de boot had ons zeer hoffelijk zijn hut voor
dat doel afgestaan; een zeer zindelijk bed en een tot bed ingerichte
canapée zou ongetwijfeld een uitstekende slaapkamer uitgemaakt hebben,
als alles op dit bootje niet zoo lilliputterig klein was geweest en
wij niet van dat eenpersoons kamertje met ons beiden gebruik hadden
moeten maken.

Ruim elf uur waren wij den volgenden morgen in Narvik terug. Bij onze
aankomst zagen wij reeds in de verte de groote boot "Andenaes", die met
toeristen van Bergen uit de eerste reis van dezen zomer om de Noordkaap
zou maken, binnenstoomen. Wij bleven derhalve met ons beiden op het
havenhoofd wachten en waren weldra aan boord, om met den kapitein van
"Andenaes" te spreken. Hij wilde ons medenemen, had nog vele hutten
vrij, want voor deze eerste reis was de stroom der toeristen nog niet
opgekomen. Spoedig was onze bagage aan boord gehaald en vernamen wij,
dat de boot nog twee uur in Narvik zou stoppen. Van deze uren maakten
wij gebruik om eenige inkoopen te doen, aan een bank Skandinavisch
geld op te nemen, en ons met eenige Hongaarsche vrienden, die wij er
onverwacht zagen loopen, kostelijk te amuseeren.



OM DE NOORDKAAP.


I.


Toen wij Maandagmiddag om twee uur aan boord van de "Andenaes" stapten,
ging juist de gong, die ons aan tafel riep. Ik ben geen gourmande, doch
weet een goed diner te apprecieeren en daarom wil ik niet onvermeld
laten, hoe buitengewoon goed dit diner en verder alle maaltijden
aan boord van dat schip waren. Zoo hoog in het Noorden mag men geen
groote aanspraken maken, vooral wat vruchten en groenten betreft,
maar hier merkte men niet, dat al het genotene zeer zeker een groote
reis achter den rug had. Ananassen en meloenen waren van dezelfde
superieure kwaliteit als wij ze in Amsterdam zouden kunnen verwachten.

Daar wij tot Lödingen dezelfde fjord passeerden die wij juist twee
keer achtereen waren doorgekomen, besloten wij na het eten een paar
uur te gaan slapen, om daarna beter in staat te zijn van den avond te
genieten. Toen wij tegen zes uur op het dek kwamen, was het koud en
regenachtig. Wij waren in de nauwe Tjelsund, waar de grillig gevormde
bergspitsen dicht genoeg bij waren om ze nog te kunnen bewonderen. De
hoogste punten lagen echter in een dichte nevel.

Toen ik mij bij den kapitein beklaagde, dat er weder van een
zonsondergang of van een middernachtzon niets te bespeuren zou zijn,
begon hij te lachen en voorspelde met groote beslistheid, dat wij
dien avond nog de mooiste zonneschijn te genieten zouden krijgen,
die er te genieten valt.

Wij konden ondertusschen onze reisgenooten eens opnemen. Het was een
vrij cosmopolitisch gezelschap. Amerikanen en Engelschen ontbraken
natuurlijk niet. Verder vele Duitschers en Oostenrijkers, ook een
paar Hongaarsche dames, die wij reeds in Stockholm op het congres
voor vrouwenkiesrecht ontmoet hadden, Zweden, Noren, Russen en Finnen,
en zelfs een paar Fransche heeren.

Ruim vijftig passagiers waren aan boord, die bijna allen deze reis uit
belangstelling of "zum Erhohlung" maakten. Alleen een Amerikaansche
moeder en dochter waren medegegaan, om wat overtollige tijd aan
te vullen. Zij zouden eenige jaren in Europa reizende blijven en
wisten eigenlijk niet goed, hoe en waar zij dien tijd zouden zoek
brengen. Op dek zag men hen zelden; meestal zat mama te lezen en de
dochter te borduren in de conversatiezaal van het schip. Toen op een
gegeven oogenblik een der heeren het jonge meisje naar boven riep,
om iets merkwaardigs te zien, dat wij passeerden, gaf zij lakoniek ten
antwoord: "Thank you, I am satisfied. I only go to see the North Cape,
I am told that is so beautiful". Wat er ook te zien en te bewonderen
was, zij bleef kalm borduren of lezen, ging op bepaalden tijd naar
bed en zat altijd op het vaste uur aan tafel.

Even voor half twaalf kwam de kapitein ons allen plotseling zeggen,
dat de zon in alle pracht aan den hemel stond. Wij waren in volle zee,
geen bergtop kon zich tusschen ons en de vuurroode kogel stellen,
om ons het gezicht te benemen. Om ongeveer half twaalf was de bol het
kleinst en stond het dichtst bij ons, daarna werd zij weder grooter
en verhief zich hooger aan de horizon. Het lichteffect, dat daarmede
gepaard ging was betooverend schoon. Lang bleven allen van dezen
prachtigen zomernacht in het hooge Noorden genieten en eerst tegen
den ochtend kon men besluiten naar bed te gaan.

Dinsdagmorgen was er geen haast om op te staan, want het was
koud en regenachtig en tegen de bergwanden hing een dikke nevel,
die er alle schilderachtigheid aan ontnam. Eerst tegen den middag
klaarde de lucht wat op en na het middagmaal konden wij de sneeuw-
en ijsbergen weer in hun verscheidenheid van vorm waarnemen. Het was
echter te koud en er was te veel wind om lang achtereen op het dek te
vertoeven, zoodat dan ook telkens heele groepen personen zich weder
in de verschillende salons begaven, om even weder warm te worden. Het
was op zulk een moment, dat de kapitein ons allen boven riep, omdat
wij bij "de Vogelberg" waren aangekomen.

In het eerst bespeurden wij niets bijzonders, een enorme bergkolos,
midden in zee, waar wij rakelings langs stoomden en waarvan de zwarte
rotsblokken met duizenden en nog eens duizenden witte puntjes bezet
waren.

Wij begrepen eerst de bijzonderheid van dezen berg niet en ik
vroeg reeds: "waar zijn de vogels van de vogelberg?" toen door een
pistoolschot plotseling een zwerm witte en bonte vogeltjes de lucht
invlogen, die het effect maakten van een dichte sneeuwmassa. Vogeltjes,
niet grooter dan kleine rijstvogeltjes en daar tusschen door grootere
exemplaren. Het waren verschillende soorten meeuwen. Toen ook nog
de stoomfluit zijne schrille tonen de lucht infloot, waren de arme
beestjes geheel van streek en vlogen krijschend kris en kras dooreen,
't Was een merkwaardig gezicht zoovele duizenden vogels op die eene
berg bijeen.

Toen wij van dit schouwspel genoten hadden, gingen allen spoedig in de
salons terug om een beetje van de koude te bekomen. Dat duurde echter
niet lang, want spoedig daarna kwam de kapitein ons weder zeggen,
dat de Noordkaap in het gezicht was en dat daar de zon scheen. Ons
aller verwachting was groot en elkeen rustte zich uit om den bergtop
te beklimmen, om daar van de middernachtzon nog eens te genieten.

Door de drukte en de spanning, waarin allen verkeerden, vergaten velen
zeeziek te worden, waartoe toch alle gelegenheid was, want wij waren
in volle zee en die was vrij onstuimig. De eerste stuurman uitte
tegen mij daarover zijne verwondering, "zoovele dames aan boord en
hier niemand zeeziek, dat komt zelden voor."

Vóór wij nog de Noordkaap bereikten, bleef het schip een half uurtje
stil liggen, om alle liefhebbers van visschen daartoe een oogenblik
gelegenheid te geven en weldra zag men tal van heeren en dames met
een meters en meters lange lijn over de verschansing van het schip
aan het visschen. De eene kabeljauw voor, de andere na, werd naar
boven gehaald en weldra had de hofmeester een groote bak vol, die
hij ons den volgenden middag, heerlijk toebereid, voordiende.

Toen stoomde het schip voort en bereikte zeer voorzichtig om 9 uur
's avonds, den binnenkant van het hoefijzervormige rotsblok, dat
Noordkaap heet. De wind was nog zóó sterk, dat het schip niet dichtbij
genoeg kon komen om ons aan land te zetten. Een boot werd dus naar
beneden gelaten, met twee matrozen en den eersten stuurman bemand,
en op die boot zouden de reizigers aan land worden gebracht. Zeven
heeren en vijf dames stapten het eerst moedig in, ofschoon het ranke
bootje bijna niet dicht genoeg bij de trap van het schip kon gehouden
worden, om gelegenheid tot instappen te geven.

Toen allen gezeten waren--'t was alsof op dat oogenblik gewacht
was--begon plotseling een zóó krachtige wind op te steken, dat van
voorwaarts komen geen sprake was. De twee matrozen en de stuurman,
nog geholpen door twee inzittende jonge Duitschers, konden met hun
vijven niet tegen de golven inroeien. Zij probeerden achter om het
schip, langs de andere zijde te komen, doch dreven langzamerhand zoo
ver af, dat de op het schip achtergeblevenen elk oogenblik dachten,
dat het kleine vaartuigje met alle inzittenden, het volgende oogenblik
tegen de rotsblokken te pletter zou worden geslagen. Spoedig werd een
tweede boot, met enkel matrozen bemand, te water gelaten, die, aan het
eerste bootje geketend, beproefde het voorwaarts te brengen, of het
ten minste voor te pletter slaan tegen de rotsen te behoeden. Toen de
storm al heviger werd en wij de twee bootjes dan eens op den top van
een golf, dan weer er geheel onder, verder en verder in de open zee
zagen afdrijven, ging de groote boot hen achterna en haalde weldra
alle inzittenden veilig op het dek.

Vermakelijk was hierbij het gedrag van de twee Fransche heeren die mede
in het bootje gezeten hadden. Van de inzittenden vernamen wij, dat zij
hunne angst niet beter hadden weten te luchten, dan door onophoudelijk
te vloeken tegen de matrozen en den stuurman, zonder hierbij, zooals
de andere heeren deden, een hand uit te steken om de roeiers nu en dan
een oogenblik af te lossen, om hen weder op adem te laten komen. Toen
de groote boot hen te hulp kwam, stieten zij de inzittende dames op
zij, om toch vooral het eerste de trap te bereiken om boven op dek
te komen, doch toen zij eenmaal veilig daar waren, hadden zij beiden
de meeste praats en vergaten geheel hun onbeschoft gedrag.

De storm bleef aanhouden en loeide onheilspellend in deze enge
ruimte. Van aan land gaan kon geen sprake meer zijn. Hoog vlogen de
golven op en verwekten door de toch hel schijnende zon prachtige
breede en sterk gekleurde regenbogen, 't Was interessant, maar
angstig benauwend.

Wij zouden vijf uur aan de Noordkaap blijven liggen, om den
passagiers gelegenheid te geven de bergspits te bereiken, daar van
de middernachtzon te genieten en in het daar aanwezige restaurant
een glas champagne, de eenige drank die er geschonken wordt, te
drinken. Natuurlijk moesten ook daar de talloze briefkaarten gepost
worden, die in den loop van den dag door elkeen geschreven waren, om
toch vooral het stempel van de Noordkaap te krijgen. Van dit alles kon
nu niets komen, en ook de post, die onze boot aan boord had en die,
welke vandaar moest worden medegenomen, kon niet gewisseld worden.

Toen de storm nog steeds heviger werd, besloot de kapitein, tot aller
groote blijdschap, om terug te keeren. Geen onzer had nog lust naar
boven te gaan, of te wachten of het weer zich ook zou verbeteren.

Het was ruim elf uur 's avonds, toen wij weder in volle zee waren en
naar Hammerfest stoomden.



II.


Om vijf uur waren wij den volgenden morgen in de haven van Hammerfest
aangekomen. Wij zouden er tot tien uur blijven liggen, om kolen in
te nemen en den toeristen gelegenheid te geven aan land te gaan. Ik
maakte natuurlijk ook van deze gelegenheid gebruik.

Hammerfest lag nog in diepe rust, alle winkels waren nog gesloten. Een
goede gelegenheid om het bergje te beklimmen, van waar een mooi
vergezicht over gletschers en sneeuwbergen en de naburige eilanden
de moeite loont.

Hammerfest, een stadje van nog niet meer dan 2300 inwoners, is reeds
meer dan honderd jaren oud. Van half Mei tot einde Juli is er nooit
nacht, de zon staat dan onophoudelijk aan den hemel. Dat neemt niet
weg, dat zij in dien tijd zich wel eens achter de wolken schuil houdt,
en dat zij, om van dezen onafgebroken arbeid uit te rusten, van half
November tot einde Januari vacantie neemt en het stadje in dien tijd
in volslagen nacht laat. Gelukkig dat de bewoners electrisch licht
hebben, waardoor zij zich eenigszins kunnen schadeloos stellen.

Tegen acht uur waren alle winkels open en deden wij in een goudsmids-
en een bontwinkel eenige inkoopen. Het trof ons, dat een jonge man,
die in een van deze zaken in volkomen goed Duitsch ons te woord stond
en vier jaar in Leipzig op school was geweest, zich in dit kleine,
stille stadje, zoo ver van de bewoonde wereld, volkomen gelukkig
gevoelde en niet liefst Hammerfest voor welke stad ook ter wereld
zou willen ruilen. De onaangename traanlucht, waarmede alles in dit
stadje doortrokken was, bleef nog lang in onze neuzen hangen.

Na een dag stoomen met hetzelfde nooit vervelende uitzicht op
afwisselend groene bergen, zwarte rotsblokken en sneeuwbergen,
kwamen wij 's avonds om tien uur in Lyngseidet aan. Dit dorpje ligt
in den uitersten hoek van Lyngenfjörd, vlak aan de zee, door hooge,
groene bergen, die alleen op den top met eeuwige sneeuw bedekt zijn,
aan drie zijden geheel ingesloten.

Na zoovele onherbergzame streken gepasseerd te zijn, leek dit dorp
met weligen plantengroei eene verademing.

In twee booten, de eene met den kapitein, de andere met den eersten
stuurman aan boord, werden wij aan land gebracht. Vele passagiers
brachten toen gezamenlijk een bezoek aan het op ruim een half
uur afstand gelegen Lappenkamp, Langzaam stijgende, langs een
mooien landweg, kwamen wij tegen ongeveer elf uur bij de Lappen
aan. Rendieren, oude en jonge menschen, en zelfs de wiegekinderen,
waren nog in volle fleur en schenen van den tijd van den dag geen
Ahnung te hebben. 't Is ook mogelijk, dat onze komst verwacht werd en
zij hoopten, nog iets aan die nieuwsgierige vreemdelingen te kunnen
verdienen. Dan is hun hoop verwezenlijkt, want ik geloof, dat niet
een der bezoekers vertrok, zonder voor een of meer kronen van de
kunstig uit rendier-bestanddeelen gemaakte en zeer billijke souvenirs
gekocht te hebben. Deze Lappen waren zeer beslist van eene hoogere
ontwikkeling dan die wij in Zweden gezien hadden. Hun uiterlijk was
veel meer menschelijk, de jonge vrouwtjes zagen er in 't geheel niet
zoo afzichtelijk en vuil uit en hun haren waren behoorlijk onder het
Lappenmutsje weggestreken. De wiegekindertjes zagen er zelfs blank uit.

De wiegjes waren geheel van een rendiervacht gemaakt, met den lederen
kant naar buiten, en hadden een vorm, het best te vergelijken met dien
van een grooten houten klomp. Alleen van achteren was dan de opening
nog met een kap overtrokken. Het viel mij op, hoezeer de vorm van
deze wiegen overeenkomt met dien, welken ik door de roodhuiden in
Amerika zag gebruiken.

Terwijl wij naar de Lappen stonden te kijken en hen van alle zijden
opnamen, werden wij wederkeerig aangegaapt door de van heinde en
ver toegestroomde dorpelingen. In open rijtuigjes waren zij ons
op onzen weg gevolgd en een tiental van die wagentjes stonden en
haie geschaard, toen wij het kamp verlieten. Toen ik dan ook eens
onze bonte groep overzag, waarvan enkele heeren in sportcostuum, met
kuitbroeken, anderen in lichte zomerpakken, waarover een bontjas voor
de nachtelijke koude, dames in gekleurde tricot-mantels, gummi jassen,
bontmantels of avonddoeken, met een verscheidenheid van hoofddeksels,
kwam ik tot de conclusie, dat wij het bekijken voor deze eenvoudige
menschen even zoo goed waard waren als de Lappen voor ons.

Om twaalf uur waren allen weder aan boord en werd de reis
voortgezet. Maar niemand toonde lust om naar bed te gaan; het was nog
te mooi op het dek van het schip. Dorstige kelen en hongerige magen
konden nog gelaafd worden; het bedienden-personeel was nog voltallig
in functie.

Donderdagmorgen om zes uur waren wij in Tromsö geland en konden wij
allen tot negen uur aan land gaan. Tromsö is een zeer oninteressant
stadje van 8000 inwoners. Het ziet er uit als honderden havenstadjes
van diezelfde grootte. Op de vischmarkt, die in vollen gang was,
zag ik enkele visschen, waarvan ik den naam niet kende. Het antwoord,
dat ik op mijn vraag er naar kreeg, was van dien aard, dat ik er niet
wijzer door werd. In de talrijke winkels, zelfs groote rijwielwinkels,
zag ik niets uitgestald, dat mij bijzonder Noorweegsch leek. Dezelfde
zaken, die men in elk land vindt, waren hier voor tamelijk hooge
prijzen uitgestald.

Lang vóór negen uur waren dan ook reeds alle passagiers aan boord
terug, eenstemmig van oordeel, dat Tromsö niets eigenaardigs vertoont
en evengoed midden in Frankrijk, Duitschland, Engeland of Nederland
kon gelegen zijn.

Nadat wij aan boord het ontbijt genuttigd hadden, gingen wij op
het dek, want nu ging verder den heelen dag de weg door vele mooie
fjörden. De zon scheen en maakte het dus mogelijk op het dek te
blijven, zoodat wij niet onophoudelijk naar binnen behoefden te gaan
om ons te verwarmen. Om 8 uur 's avonds waren wij in Lödingen. De
passagiers voor Narvik moesten daar de boot verlaten, omdat die tot
Throndjhem doorging. Om elf uur arriveerde daar een goederenboot,
die om twee uur naar Narvik zou stoomen en ons beiden meenemen kon.

Vrijdagmorgen om acht uur waren wij in Narvik terug. In bijna vier
dagen hadden wij dus de Noordkaap-toer gemaakt Was het loonend? Die
vraag, die mij zoo dikwijls gemaakt wordt, wil ik hier openlijk
beantwoorden.

Indien men, zooals wij, op een mooien, zonnigen dag een toer van
uit Narvik om de Lofoden heeft gemaakt, met een kleine boot, die
klein genoeg is, om ook door het Trollfjörd te stoomen, dan heeft
men aan natuurschoon meer gezien, dan de lange reis om de Noordkaap
te genieten geeft. Daarbij moet men op die groote reis heel wat
koude lijden en steekt men ook met het mooiste weder van wal, de
mogelijkheid, ik geloof te mogen zeggen, de waarschijnlijkheid, dat
men toch onderweg slecht weder zal krijgen, is niet uitgesloten. Bij
slecht weder is het nergens aangenaam, zeer zeker dus niet op een
boot, die er eigenlijk geheel op is ingericht, om onophoudelijk goed
weder te hebben. Bovendien zijn de prijzen, die men den passagiers
laat betalen, onbehoorlijk hoog.

In Narvik teruggekeerd, vernamen wij weldra, dat de trein, die
ons naar Stockholm zou terugbrengen, niet voor Zaterdagavond
van daar vertrok. De Lapland-express gaat n.l. maar drie keer 's
weeks. Bovendien gaat er elken morgen om ruim acht uur een treintje,
dat alle tusschengelegen stationnetjes aandoet.

Wij kwamen overeen, om Zaterdagmorgen het boemeltreintje te nemen,
dat ons om twee uur in Kiruna zou brengen. Wij konden daar dan de
ijzermijnen bezichtigen en te middernacht de express oppikken, om
Maandagochtend in Stockholm te arriveeren.

Er was evenwel in het zeer goede hotel Phoenix in Narvik geen kamer
vrij en ook de minder goede hotels waren overvol, zoodat wij op raad
van een der hotelhouders besloten den stationschef te verzoeken,
aan een van de leeg terugkeerende treinen met ijzerertswagens een
wagon te laten haken, waarin wij tot Abisco konden reizen.

Het kostte eenige moeite en vriendelijk aandringen om dit gedaan te
krijgen, doch eindelijk werd toch een derde klasse wagon aan den
trein van half twaalf gehaakt, waarin wij met ons beiden konden
meegaan. Alleen de machinist, die meters ver van ons af was en
door tientallen van ledige ijzerertswagens van ons gescheiden, en
een man, die als opzichter over de wagens dienst deed, waren onze
medereizigers. Overal op den weg hield het treintje stil, zonder dat
er iets in- of uitgeladen werd. Er was trouwens ook niets uit te laden,
dan wij twee nietigheden, die gezegd hadden tot Abisco te willen gaan.

In den trein kwamen wij tot het inzicht, dat Abisco en Abiskojokk twee
verschillende stations zijn en wij in het laatste het gastvrije dak van
het toeristenhotel zouden vinden. Wij moesten er dus op bedacht zijn,
dat wij in Abiskojokk, waar wij eerst zouden arriveeren, onmiddellijk
met onze bagage uitstapten, om niet te ver te worden meegenomen. 't
Was echter anders voorbeschikt. Niettegenstaande wij elke minuut
gestopt hadden, stoomden wij om vijf uur met een behaaglijke vaart
Abiskojokk voorbij, om kort daarna in Abisko stil te houden, waar
onze wagon werd afgehaakt.

Daar stonden wij nu, met een station en eenige houten huisjes voor
ons, maar geen hotel of herberg. Wij togen onmiddellijk naar den
stationschef, die geen woord anders dan Zweedsch sprak en verstond, en
die onze jammerklachten met een schaterlach beantwoordde. Wij begonnen
er ook het komische van in te zien en met drie woorden Zweedsch,
een paar Hollandsche, Duitsche en Engelsche woorden, regen wij
zinnen aaneen, die den steeds lachenden man aan het verstand moesten
brengen, dat wij met onze bagage in Abiskojokk moesten zijn. Hij had
ons gelukkig begrepen en uit zijn rollenden woordenstroom begrepen
wij dat onze bagage daar kon blijven, dat hij die met den avondtrein
naar Abiskojokk zou zenden, en dat wij den terugweg te voet moesten
afleggen. Wij stelden voor, ook tot den avondtrein te willen wachten,
maar daarop antwoordde hij steeds: "Nei, nu marsch", zoodat wij
ten slotte maar midden over de rails, want een weg was er niet, den
terugweg aanvaardden, en om zes uur eindelijk in het toeristenhotel
aankwamen. De avondtrein bracht onze bagage prompt mede.

In het toeristenhotel werden wij door vele oude kennissen verwelkomd,
kennissen, die wij bij ons vorig bezoek gemaakt hadden; en ook
nieuwgekomenen, die wij van het internationaal congres te Stockholm
kenden.



OP DEN TERUGWEG VAN LAPLAND.


Van Abisko naar Kiruna was slechts een paar uur sporen. Wij stapten
daar tegen den middag uit den trein, alhoewel daartoe eenige moed
behoorde, want de regen viel bij stroomen neder. Kiruna is nog een zeer
jong stadje, hoogstens 10 jaren oud. Men vertelt dat de Lappen daar
het eerst het groote ijzergehalte van de omliggende bergen ontdekten
en reeds jarenlang groote rotsblokken, met de hulp van hunne rendieren,
naar beneden brachten en voor geringe sommen verkochten.

Het waren ondernemende Engelschen en Schotten die het aandurfden
de exploitatie van deze bergen op zich te nemen en die eene enorme
uitgestrektheid grond rondom Kiruna van de Zweden kochten. Om het
ijzer uit deze bergen echter te kunnen vervoeren, moesten zij eerst
den spoorweg aanleggen, die van Kiruna naar Narvik voert, waar het
de booten vindt, die het verder over de wereld verspreiden.

Al deze bergen bevatten van 70 pCt. tot 90 pCt. ijzer. In den regel
wordt het ijzer in ijzermijnen aangetroffen; in Kiruna doet zich de
eigenaardigheid voor dat daar ijzerbergen zijn en alle arbeid boven
den grond plaats vindt.

De rotsblokken worden, evenals dat in ondergrondsche mijnen geschiedt,
door dynamiet in stukken geslagen; doch door het groote ijzergehalte
zijn deze stukken dan nog te zwaar om vervoerd te kunnen worden. Het
werk der arbeiders bestaat nu hierin, dat zij met zware hamers deze
stukken in kleinere brokken verdeelen en op de wagens laden, waarin
zij naar de schepen in Narvik gebracht worden. Niets anders dan ruwe
spierkracht is voor dit werk noodig. Toch zijn er geen Zweden genoeg
te vinden, die dit werk willen verrichten. Het overgroote deel der
werklieden bestaat uit Finnen, die door armoede hiertoe gedreven
worden.

Het gemiddelde loon van deze mannen is 30 tot 36 kronen (20 tot 25
gulden) in de week, terwijl men de uitgaven voor een gezin van man,
vrouw en drie schoolgaande kinderen op ongeveer 20 kronen in de
week beraamt. Maar het zeer zware werk, het ruwe klimaat,--Kiruna
heeft beslist 9 maanden winter en de drie zomermaanden zijn ook
nat-koud,--en de slechte voeding, omdat groenten en vruchten bijna
niet te krijgen zijn, maken dat de meeste mannen het werk na eenige
jaren moeten opgeven, omdat dan hunne krachten zijn uitgeput en zij
eerst langen tijd in gezonder omgeving moeten doorbrengen om de oude
krachten te herstellen.

Er wordt door de directie wel voor de werklieden gezorgd. Zij werken in
drie ploegen, elk van acht uur. In hun vrijen tijd vinden zij op twee
plaatsen in het kleine stadje een bibliotheek, met goede boekwerken,
dagbladen en tijdschriften. Op de scholen, waar de kinderen tot hun 14e
jaar blijven, wordt door zeer goede en goedbetaalde onderwijskrachten,
meest vrouwen, onderricht gegeven, ook in vreemde talen. Er zijn
avondcursussen voor de volwassenen, waaraan elke werkman gratis
kan deelnemen. Ook op hygiënisch gebied worden er goede voorzorgen
genomen. Toch keeren de meeste werklieden na vijf of zes jaren, met
vrouw en kinderen, en een kleinen, spaarpot, weder naar hun land terug.

Het stadje Kiruna ziet er precies uit als een westersch-Amerikaansch
stadje; woningen, straten en winkels zien er uit alsof zij in een
gauwigheidje zijn opgetrokken en de bewoners volstrekt niet van plan
zijn er voor goed hun leven in door te brengen. Alles is er zichtbaar
provisorisch ingericht.

Wij waren blijde toen het 's avonds elf uur was en de Lapland-expres
ons mede nam. De te voren bestelde bedden in den trein vonden wij
reeds netjes voor ons gespreid. In twee nachten en een langen dag,
bracht deze trein ons in Stockholm terug. Wij hadden daar juist tijd
genoeg om onze achtergelaten bagage uit het Grand Hotel te halen,
eenige noodzakelijke inkoopen te doen en zelfs nog om met een auto
de nieuwe overdekte tennisbaan in oogenschouw te gaan nemen en daar
de noodige inlichtingen over in te winnen, (iets wat wij eenige
tennisliefhebbers in ons land beloofd hadden), om nog met den
avondtrein de reis naar Holland door te zetten.

Na nog eens twee nachten en een dag reizen, kwam ik juist vroeg genoeg
in Holland terug, om in Nijmegen de zomervergadering van de Vereeniging
voor Vrouwenkiesrecht bij te wonen en de talrijke kiesrechtstrijdsters
nog eens de hand te kunnen drukken, alvorens ik de zooveel grooter
en langer reis om de wereld aanvaard.



Woensdagavond elf Juli ging ik naar London, alwaar ik den volgenden
ochtend mrs. Chapman Catt in goeden welstand en in opgewekte
stemming trof. Ook hier in Engeland, waar toch ook zoo vele groote
vrouwen in den strijd voor Vrouwenkiesrecht leven, is zij de gevierde
vrouw. Van de gelegenheid, deze groote vrouw in hun midden te hebben,
profiteeren de Engelsche vrouwen in elk opzicht. Van allerlei
vereenigingen, clubs of comité's maakte men haar vice-presidente,
eere-presidente of eere-lid en drukt men haar naam met vette letters
op de agenda's. Overal wordt zij uitgenoodigd om te spreken, of moet
zij invloedrijke parlementsleden ontmoeten en hen overtuigen. Het
is alsof iedereen gevoelt welk een inspireerende kracht er van deze
vrouw uitgaat.

Zij, die deze vrouw niet van zoo nabij kennen en niet weten hoe
kinderlijk eenvoudig zij tegelijkertijd is, zullen misschien niet
begrijpen, hoeveel pret zij er in vindt, nu, na zich zooveel jaren
ziek en ellendig gevoeld te hebben, in staat te zien alles te kunnen
doen, dat haar amusant lijkt.

Nadat ik mij eenigszins verfrischt had, gingen wij twee er op uit,
om onze reis naar Zuid-Afrika en van daar verder te regelen. Tal van
bureaux moesten daarvoor bezocht, allerlei boeken en reisbeschrijvingen
aangekocht en vele inkoopen gedaan worden, waarmede wij ons den
geheelen dag bezig hielden.

Daar mrs. Catt nog tot 22 Juli in Londen spreekbeurten te vervullen
en allerlei ander werk te verrichten had, besloten mevr. B. en ik
om Zaterdagmorgen 15 Juli naar Madera af te reizen, daar een week
te vertoeven, en dan de week daarna met de boot, waarop mrs. Catt en
miss C. zich zouden bevinden, de reis naar Kaapstad voort te zetten.

Hiermede sluit ik de reeks brieven over Noorwegen en Zweden en begin
mijn volgenden brief over een in elk opzicht geheel andere reis.



AAN BOORD VAN DE WALMER CASTLE.


Zaterdagmorgen om 11.35 zou de extratrein van Waterloo-Station
vertrekken, die de eerste- en tweede-klasse-passagiers voor de "Walmer
Castle" naar Southampton zou voeren. De derde-klasse-passagiers waren
reeds om tien uur daarheen gebracht.

Een groote drukte vermoedende, zorgde ik reeds vroeg daar te zijn. De
drukte was echter nog grooter dan ik verwacht had. Ofschoon ik reeds
vóór elf uur aan het station was, ontlastte toch reeds een driedubbele
file van rijtuigen en auto's zijn inhoud: personen, die allen met
hetzelfde doel naar Southampton gingen of er familieleden of vrienden
begeleidden. Een onafzienbaar lange trein stond voor. De bagage werd
zonder inschrijving, zonder contrôle, zonder afgifte van een bewijs
(zooals dat trouwens overal en altijd in Engeland geschiedt), in
een daartoe bestemde wagen gegooid, terwijl handtasschen mede in den
wagon mochten worden genomen.

Op het moment, dat de trein zich in beweging zette, begon een koor van
heilsoldaten, uit volle borst, een lied te zingen, dat tot afscheid
moest dienen, voor een naar Zuid-Afrika vertrekkend bataillon
ambtsbroeders en zusters. In ongeveer anderhalf uur werden wij in
vliegende vaart en zonder ergens op te houden, in Southampton vlak
voor het schip gebracht, dat ons eenigen tijd voor woning zal dienen.

Gastvrij werden allen er ontvangen. Voor de vele begeleidende vrienden,
evengoed als voor de passagiers, stond een uitgebreide lunch gereed,
die genoten kon worden in den tijd, dat de groote en kleine bagage
aan boord en in de hutten werd gebracht en de mail uit alle oorden
van Engeland binnenkwam. Toen om ruim vier uur de niet-passagiers het
schip moesten verlaten, was eerst te overzien hoe groot het aantal was,
dat straks, ook weder per extratrein, naar Londen teruggebracht zou
worden. Van boven van het schip bezien leek die talrijke wuivende,
lachende, groetende en soms weenende menigte, die daar stond afscheid
te nemen van familieleden of vrienden, misschien voor langen, langen
tijd, ons een heel leger. Het was goed gezien van de directie van trein
of boot, om den trein eenige minuten vroeger te laten vertrekken vóór
het schip zich in beweging zette; daardoor toch werd het afscheid
voor de achterblijvenden minder zwaar. Men moet zoo'n afscheid
meermalen hebben medegemaakt om het pijnlijke gevoel te kennen, dat
de achterblijvende ondervindt die het schip in zee ziet verdwijnen,
dat met zich voert die hij innig lief heeft en die hij misschien
nooit zal wederzien.

Mijne metgezellin en ik bleven nog langen tijd op het dek, geboeid als
wij waren door het mooie panorama, dat ons voorbij trok. De groene
oevers van het eiland Wight waren, door de ondergaande zon, met een
bijzonder mooi waas overtrokken. Eerst toen wij de krijtbergen en de
"Needles" gepasseerd waren en in open zee kwamen, trokken wij ons in
onze hutten terug om ons voor het diner gereed te maken.

Wij hebben elk een afzonderlijke groote comfortabele hut, waarin
ruimte genoeg is om desnoods drie passagiers te herbergen. In zoo'n
hut kan men het zeer goed zeventien dagen uithouden.

Na een kalmen nacht werden wij Zondagmorgen om zes uur onaangenaam
gewekt door den misthoorn, die met steeds korter tusschenpoozen zijn
onheilspellend geluid de lucht instootte. Tegelijkertijd werd ook de
vaart van het schip verminderd. Wij lagen zelfs geruimen tijd geheel
stil, om daarna met zeer langzame vaart verder te gaan. Om de vijf
seconden hoorde men het onmuzikale stoomgeluid, wat herhaaldelijk door
een gelijkluidend signaal van andere schepen beantwoord werd. Een
dikke mist, die ons in dit drukke vaarwater had overvallen, was
oorzaak van het oponthoud.

Eerst tegen ongeveer tien uur begon de mist op te trekken en kwam de
zon ons verkwikken. Nu was het uitzicht weder vrij en konden wij zoo
ver het oog strekte, ons verlustigen in den aanblik van lucht en water,
water en lucht. Nu en dan passeerden wij een stoom- of zeilschip,
doch steeds op zulk een grooten afstand, dat wij niets anders dan de
omtrekken van het schip konden onderscheiden.

Ik had gedacht op deze boot veel Afrikaanders te zullen aantreffen, die
van de kroningsfeesten uit Engeland terugkeerden, doch het is opvallend
hoe, tenminste onder de eerste-klasse passagiers, het Engelsche element
overheerscht, bijna alleen aanwezig is. Men hoort uitsluitend Engelsch
spreken en de naamlijst der passagiers vermeldt bijna uitsluitend
Engelsche namen. Ook naar het uiterlijk te oordeelen zijn het bijna
alleen Engelsche heeren en dames die onze medereizigers zijn. Dat
maakt de kennismaking moeilijker, want geen volk is zoo gesloten op
reis als de Engelschen. De passagiers, die in Madera aan land gaan,
zitten met de maaltijden aan een afzonderlijke tafel. Daartoe behooren
wij twee en nog drie anderen. Een Engelschman, die acht jaar in het
Portugeesch leger heeft gediend, en behalve de vaktermen, nog geen
enkel Portugeesch woord verstaat. Hij gaat nu voor een jaar naar
Madera, to kill time. Erg interessant is die tafelbuur niet. Doch een
advocaat en zijne vrouw uit Madera zijn aardige praters. Zij hebben
juist een zesweeksche rondreis gemaakt van Madera naar Lissabon, door
Italië, Zwitserland, Frankrijk, en gaan over Engeland naar huis terug.

Over de nieuwe republikeinsche regeering in hun land zijn zij niet
gesticht, hoewel zij toch republikeinsch gezind zijn. Volgens
hunne redeneering is het Portugeesche volk nog niet rijp voor
dezen democratischen regeeringsvorm en worden de bedoelingen van
de tegenwoordige regeering door de ambtenaren niet goed begrepen,
verkeerd opgevat en verkeerd uitgevoerd. Bovendien wantrouwt men zijn
naasten vriend tegenwoordig, want spreekt men openlijk zijn gevoelen
uit, dan heeft men kans aangeklaagd te worden, en als vijand van de
regeering uit het land te worden verwijderd. Wij zullen daarvan in
Madera nog wel het een en ander vernemen.

Woensdagmorgen om zes uur zou de Walmer Castle in Madera landen en
daar vijf uur blijven liggen, waardoor ook de doorgaande reizigers
gelegenheid kregen een kijkje in Madera te nemen.

Ik had mij voorgenomen vroeg op te staan om het binnenkomen, te
kunnen gadeslaan en te kunnen genieten van den aanblik van het eiland
van zee uit. Reeds om vijf uur stond ik dan ook boven op het dek,
nog slechts de eenige passagier die gereed was. Ik overviel vele
matrozen in hun morgentaak om het dek een rein en frisch aanzien te
geven, alvorens het in Madera door kanongebulder begroet werd. Ik
kwam juist vroeg genoeg om de eerste vage omtrekken van het uiterste
punt van de rots, die Madera heet, in het flauwe morgenschemer te
ontdekken. Zoo, nog half door nachtelijk duister omgeven, leek dit
punt een uitgebreide ruïne van een oud kasteel. Aan den anderen
kant van het schip passeerden wij drie andere groote rotsblokken,
zoo zwart, als zwart maar zijn kan en die door de matrozen als het
"eiland desertas" aangeduid werden. Geen menschelijk wezen woont er,
nu en dan zoeken de visschers er tijdelijk een schuilplaats.

Heel langzamerhand begon de zon zich een baan te breken,--de nachten
zijn hier heel lang,--en zond een gouden streep over een verder gelegen
stuk berg, dat nu geel lichtend op den voorgrond drong. Voor het
eerst, na eenige dagen, kwamen ook weder vogels om het schip vliegen,
al waren het dan grootendeels maar meeuwen, en al was hun gekrijsch
nu juist geen mooi morgenmuziek. Zeer voorzichtig en langzaam vaarden
wij om het eiland Madera heen. Het naderende daglicht liet nu boven op
de bergen boomen en groen onderscheiden, al schenen de tallooze kleine
zeilscheepjes, die dicht langs de oevers bleven, ook van verre gezien,
nog witte vlinders tegen den zwarten achtergrond van rotswanden. De
geheele berg of reeks van bergen is van boven tot onder dun bezaaid
met witte, rooddakige huisjes, die hier en daar aan den voet van
den berg zich wat meer samenpakken en dorpjes vormen. Eindelijk,
reeds van uit de verte, werd een groote huizenhoop merkbaar, nu hel
beschenen door de inmiddels tot volle kracht gekomen morgenzon. Dat
was Funchal, de hoofdplaats van Madera.

Nauwelijks was onze boot in het zicht, en nog vóórdat wij voor anker
lagen, kwam van landzijde een zwerm groote en kleine bemande bootjes
ons bestormen, die voor een deel kleine jongens aan boord hadden, om
de pennies, door de reizigers in het water geworpen, op te duiken. Een
misselijke exploitatie van kleine kinderen. Ik zou willen, dat geen
enkele passagier zich liet verleiden, geld in het water te werpen,
dan zou het met deze kinder-exploitatie gewis spoedig uit zijn. De
andere booten bevatten allerlei soort kooplieden, die hunne waar op
het schip wilden aan den man brengen. De kapitein moest voor en achter
en aan beide zijden van het schip tegelijk zijn om te verhinderen, dat
geen ongewenscht publiek naar boven kwam. Hij zelf met verschillende
zijner officieren, stond de menschenmassa, die aan alle kanten op
het schip naar boven klom, tegen te houden. Hij vertelde mij, dat
zeer dikwijls dieven en ander gespuis mede aan boord kwam, en van de
aanwezigheid van personeel en passagiers op dek van het schip gebruik
maakten om de hutten der passagiers leeg te plunderen.

Ook bevonden zich vele kleine stoombootjes onder de ons omringende
scheepjes, die de reizigers aan land wilden brengen. In een van deze
bootjes begaven ook wij tweeën ons, na eerst op het schip door den
kapitein in kennis te zijn gebracht met den vertegenwoordiger van
het Mount Palace Hotel, waar wij gedurende deze week onzen intrek
wilden nemen. Vertegenwoordigers van alle hotels waren namelijk mede
aan boord gekomen en trachtten de in Madera aan wal gaande passagiers
voor hun hotel te winnen.

Er behoorde eenige vaardigheid toe om van den trap van het schip in
het beweeglijke kleine bootje te springen, wat door eenige passagiers
zeer onvaardig geschiedde en dan tot lachscènes aanleiding gaf. In
Funchal aan wal gekomen, werden wij al weder bestormd door tal van
menschen, die ons op allerlei wijze naar boven wilden brengen, waar
de tandradbaan begint, die tot aan de top voert, waarop het Palace
Hotel gebouwd is. Wij kozen uit al deze voertuigen een sierlijk
mandenwagentje, of liever mandesleedje, want er waren geen raderen
onder, dat met twee groote, gele ossen bespannen was. Dat tochtje,
dat ongeveer tien minuten duurde en ons door een groot deel van
Funchal voerde, kostte 400 Reis (ongeveer een gulden).



MADERA.


I.


Van het hooge terras van het Mount Palace Hotel, met een heerlijk
uitzicht naar de zee over een weelderige planten- en bloemenschat,
zit ik dezen brief in den vroegen morgen te schrijven. Wel beloofde
Madera veel, toen ik van het dek van de Walmer Castle de lange, zacht
golvende lijn van de baai, met zijne witmurige, rooddakige huisjes,
overal verspreid, volgde, maar toch is mijne verwachting overtroffen,
toen ik Madera wat nader leerde kennen.

Mag Madera voor een groot deel zijn beteekenis als herstellingsoord
voor longlijders verloren hebben, als plaats voor een streng
doorgevoerde rustkuur is het misschien eenig in zijn soort. Rust,
kalmte, spreekt uit bijna elken boom, elke plant en uit elk huisje, dat
tusschen wijndruifranken en suikerriet te voorschijn piept, en nog meer
uit de traag voortsukkelende ossen voor de velerlei soorten voertuigjes
en de nog tragere jonge mannen die zich als gidsen aanbieden. Het is
alsof niemand haast heeft en niemand veel uitricht. Zelfs het kleine
tandradbaantje, dat zes keer daags van Funchal naar den top van den
berg voert, het eenige spoorlijntje in Madera, doet dit zoo bedaard,
dat de inzittenden op verschillende plaatsen onder het rijden het
treintje uitstappen, wanneer zij op het punt zijn aangekomen, waar
hun woning ligt. Ook ons werd den eersten dag gezegd bij het hotel
uit te stappen, wat ons eerst wat griezelig leek, doch waaraan ook
wij ons spoedig gewenden.

Den meesten bezoekers van Madera moeten wel 't eerst de groote
rijkdom van plantengroei en de overvloed van bloemen opvallen. Zelfs
in zoogenaamd het centrum van de stad is er geen enkel plekje tusschen
de huizen, waar niet een of meer bloeiende planten tusschen de muren
en over de daken, in blauwe, gele, roode of witte kleurenpracht
naar beneden hangt, of waar de reuzenrozebosschen hunne prachtige
trossen helkleurige rozen niet hoog boven den omheinenden muur laten
uitsteken. En verlaat men de stad, dan wordt de verscheidenheid van
kleur en geur van den bloemenschat overstelpend.

Deze bloemenrijkdom bestaat niet alleen in den zomer; integendeel,
men beweert hier, dat er in den winter en het zeer vroege voorjaar nog
veel grooter verscheidenheid en hoeveelheid bloeit. En wat in mijn
oog dit alles hier zoo mooi maakt, is de zekere soort nonchalance,
waarin bloemen en planten van allerlei aard dooreen groeien. Men heeft
hier gelukkig de tuinen niet veel aangelegd; men heeft de natuur in
vele opzichten vrij spel gelaten.

Allen, die beweren, dat men Madera kan zien in de vijf uren, die
de meeste booten hier stil liggen, kennen Madera niet. In die vijf
uren kan men een zeer oppervlakkigen indruk van het stadje Funchal
krijgen, wat Madera-borduurwerk koopen en naar het schip terugkeeren,
zonder iets te hebben genoten van het vele natuurschoon, wat hier te
genieten valt. Een oponthoud van eene week, waarin elk uur van den dag
goed besteed wordt met sight-seeing en met het bezoeken van eenige
openbare instellingen, is juist genoeg om den indruk te verwekken,
dat Madera oneindig schoon is en dat men die week tot een maand zou
willen rekken, om al dat schoone voor goed in zich op te nemen.

Velen meenen, dat Madera in de zomermaanden ongenietbaar is door
de warmte, die hier, door de vochtige lucht, benauwend zou zijn. Wij
merken daarvan niets. Hier boven op den berg is het den geheelen dag en
nacht aangenaam warm, doch niet te warm. Zelfs midden op den dag hebben
wij verschillende wandelingen gedaan, zonder het te warm gevonden te
hebben. Maar toch schijnt 's winters het klimaat nog aantrekkelijker
te zijn, alhoewel het dan hier boven des avonds en des morgens soms
zoo koud is, dat een houtvuurtje moet worden aangelegd. In de stad
wordt de temperatuur echter zelden, ook in den winter niet, lager
dan 60 gr. Fahrenheit en is dan nog in het midden van den dag tien
graden hooger.

Met zulk een klimaat kan de bevolking bijna den geheelen dag
buitenshuis doorbrengen, wat de groote armoede, die hier heerscht,
minder pijnlijk maakt te dragen. Want arm schijnt de bevolking
in de hoogste mate te zijn. Van waar die armoede, vraagt men zich
onwillekeurig af. Het eiland is niet overbevolkt: elk plekje grond is
of kan vruchtdragend zijn; de dagelijks van alle landen aanleggende
schepen brengen stroomen vreemdelingen, al is het dikwijls maar voor
eenige uren, die meest allen op de een of andere wijze hier eenig
geld besteden; de grond, de levensbehoeften en het meeste wat een
mensch dagelijks noodig heeft, is niet duur; van waar komt dan zooveel
armoede? Toen ik die vraag aan iemand, die het weten kon, voorlegde,
was het antwoord, "de loonen zijn te laag". Een werkman, die hier 14
of 15 uren daags ruwen spierarbeid verricht, hetzij als wegwerker of
als veldarbeider, verdient niet meer dan een gulden. De vrouwen, die
hier het fijne en misschien het fijnste borduurwerk maken wat bestaat,
kunnen daarmede niet meer dan hoogstens dertig cent per dag verdienen,
niettegenstaande zij dat werk verbijsterend vlug verrichten.

Toch moeten er nog andere oorzaken voor de armoede zijn. Het volk is
ongeletterd. Bijna geen enkele volwassen man of vrouw uit het volk
kan lezen of schrijven. Een vak hebben zij niet geleerd. De vrouwen
borduren allen en leeren dit haar dochtertjes meestal reeds van het
derde jaar af. Ik heb kinderen van zes en acht jaren zien zitten
borduren, zoo vlug en zoo netjes, als bij ons geen groot mensch kan
doen, ook al zoekt zij in handwerkjes haar levensgenot. Overal waar men
een klein witkalkig huisje met een rieten dak ziet, kan men zeker zijn,
vóór het woninkje moeder met dochters of dochtertjes te zullen vinden,
die als machines zitten te borduren, zoo snel en zoo rythmisch ziet
men de naald door de stof rijgen en den arm opwaarts gaan, om weer
opnieuw neer te dalen en den volgenden steek te doen. Het is alsof
alles op het gevoel gaat, want tijd om te bepalen waar de volgende
steek gezet moet worden, laat men zich niet.

En de jongens gaan reeds vroeg met vader mede om of door veldarbeid of
langs den weg wat geld te verdienen. Aan de opvoeding, ontwikkeling
der kinderen, werd tot dusver geen zorg besteed. Dan mag zeker ook
als bron van armoede gelden, het vreeselijk misbruik dat hier gemaakt
wordt van alkoholische dranken. Op elk uur van den dag kan men hier
dronken menschen aantreffen en voor de toonbanken der openstaande
kroegen ziet men, naast en tusschen de mannen, jongens en jongentjes,
die men nog zoo graag naar de schoolbanken zou willen zenden.

Wat is hier voor hervormers handenvol werk! Zou de nieuwe regeering
overal in Portugal zooveel wat verbetering behoeft vinden als hier
in Madera? Het schijnt dat zij snel wil ingrijpen en de fouten wel
ziet. Maar er zal zeker nog wel eens misgetast worden. Zoo werd hier
een school van religieuse zusters gesloten, alwaar 700 kinderen
goed of slecht onderricht ontvingen, kinderen die nu op de enkele
openbare school geen plaats kunnen vinden en zoolang moeten rondloopen,
totdat er nieuwe openbare scholen gebouwd zijn. Ware het niet beter
geweest eerst voor nieuwe scholen te zorgen en dan de niet goede te
sluiten? Als de 700, nu bij den weg loopende kinderen eerst eenige
maanden, die jaren kunnen worden, hebben gevagebondeerd, zullen zij
dan weder gemakkelijk aan de schoolbanken gewennen?

Ook zag ik hier het stedelijk hospitaal, waar al de religieuse
verpleegsters op regeeringsbevel weggezonden zijn en waar nu twee
zusters met eenige tijdelijk gehuurde bedienden de dienst verrichten,
in afwachting van de verpleegsters, die van hoogerhand gezonden
zullen worden.

En zoo zijn er tal van instellingen, die in overgangsvorm verkeeren;
instellingen, waar religieuse mannen of vrouwen vroeger den dienst
verrichten, die door de nieuwe regeering zijn weggezonden en waarin de
open plaatsen nog niet door de plaatsvervangers zijn ingenomen. Van
dezen toestand zijn de armen en lijdenden thans dupe, tenzij de
dienst vroeger inderdaad zoo slecht was, als mij een medicus wilde
doen gelooven, die mij verzekerde, dat het beter is, niet verzorgd,
dan zoo verzorgd te worden, als het vroeger was. Van wat ik van dien
aard vroeger in Italië en in sommige ziekenhuizen in Frankrijk zag,
kan ik dit gelooven; doch de Portugeesche doctoren, met wie ik hier in
aanraking kwam, staan op een hooger medisch- en beschavingspeil, dan
de collega's die ik in de hospitalen in Italië en Frankrijk aantrof,
en dat waarborgt ook eenigszins een betere verzorging der zieken, zelfs
al ging die uit van niet getrainde en onontwikkelde religieuses. De
twee verpleegsters, die nu in het stedelijk ziekenhuis de geheele
leiding der verpleging hebben, kunnen ook niet lezen of schrijven en
kunnen derhalve niet anders dan door ondervinding het verplegen der
zieken geleerd hebben. Die ondervinding kan nog niet heel groot zijn,
want daarvoor zijn de beide meisjes nog te jong.



II.


Het eigenaardige plaveisel in Madera en de veelal zeer steil naar boven
gaande straten hebben waarschijnlijk aanleiding gegeven tot de zeer
bijzondere middelen van vervoer, waarvan men zich hier bedient. Heel
Madera is geplaveid met eivormige, eigroote steentjes, wier ronde
rugjes door het gebruik soms zeer glad en glibberig zijn. Ook liggen
zij niet in een vlakke lijn, zooals bij ons de bestrating... zou
moeten zijn, doch niet altijd is..., maar in geregelde golfvormige
hoogten en laagten. Vandaar, dat men met gewoon schoeisel hier niet
kan loopen, doch zich het best bedient van een soort tennisschoen
met gummi zolen. De bevolking, voorzoover zij niet blootsvoets gaat,
draagt een zeer elegante losse laars van wit of geel leer, waarvan
de zolen uit één stuk gemaakt zijn. Het is een aardig gezicht,
honderden van deze witte of gele laarzen, van allerlei grootte,
des Zaterdagsmorgens op het marktpleintje uitgestald te zien, als de
makers van dit bijzondere schoeisel uit alle hoeken van het eiland
komen opdagen om hunne producten aan den man te brengen.

Om uitstapjes te maken of ook zelfs als men in Funchal eenige
bezoeken wil brengen, bedient men zich van de reeds vroeger door mij
beschreven mandensleetjes, waarvoor twee ossen zijn gespannen. Deze
mandensleetjes hebben een leeren dak en rondom witte gordijntjes;
als men deze gordijntjes een beetje op zij schuift, zit men er
in als in een hokje van een wafelkraam. Heel elegant en voornaam
ziet zoo'n equipage er niet uit. Met zoo'n voertuig gaat men steile
straten op. Voor het afgaan bedient men zich van een geheel ander
middel van vervoer, die men hier toboggans noemt. Het zijn sleetjes,
maar ze gelijken in geen enkel opzicht op de sleetjes, waarvan men
's winters in bergstreken gebruik maakt om van een hoogen sneeuwbaan
naar beneden te sullen. Het zijn ook al weer lage rieten bankjes,
waar twee of drie personen tegelijk op kunnen plaats nemen, en die
van onder rusten op het benedenstel van een slede. Op zoo'n bankje
gaat men zitten en laat zich naar beneden glijden, aan beide zijden
geflankeerd door een paar mannen, die zorgen, dat men in de goede
richting blijft. Naast deze twee prachtige vervoermiddelen is er een,
die het in comfort wint. Het zijn de hangmatten, die door twee mannen
op de schouders gedragen worden. Vooral voor groote tochten op de
bijna onbegaanbare bergwegen, zit of ligt men in zoo'n hangmat recht
genoegelijk. Als de tocht echter wat te lang duurt dan moet men nu
en dan een poosje loopen, anders houden de beenen het niet uit.

En nu komen er ook reeds zeer primitieve auto's, die in de stad
of langs de zee rijden, want het is te gevaarlijk om met deze
primitieve voertuigjes de steil oploopende, gladde bergstraten op
of af te gaan. Voor groote uitstapjes kan men zich ook zeer goed
van paarden of muildieren bedienen. Er is dan steeds een gids bij,
die geen oogenblik zijn paard uit het gezicht verliest. Er zijn
echter slechts een paar paarden in heel Funchal, zoodat men niet
ten allen tijde er over beschikken kan. Als een ander clubje op
denzelfden dag een uitstapje maakt, dan moet men eenvoudig wachten,
want dan zijn de paarden genomen. De keerzijde van al deze primitieve
eigenaardige middelen van vervoer is, dat zij zoo kostbaar zijn. Men
kan in Amsterdam met een mooie landauer met twee paarden een paar
uur gaan toeren, en betaalt dan nog niet de halve prijs wat hier
een ossenwagentje of een hangmat voor een paar uur kost. En het
is goedkooper van Madera naar Londen te reizen, dan hier voor een
uitstapje van een dag zich van een hangmat of paard te bedienen. Men
hoopt dat de nieuwe regeering ook voor den aanleg van wegen zal zorgen,
zoodat Madera begaanbaarder wordt en er trams en electrische baantjes
zullen komen, om het verkeer te bevorderen.

Vroeger bezat Madera zelfbestuur. De belastingen die door de
burgers werden opgebracht, konden ten voordeele van Madera worden
aangewend. Nog onder de vroegere regeering is hun echter dat
zelfbestuur ontnomen. Zij hebben nu rijksbelastingen op te brengen
en moeten afwachten, wat van regeeringswege voor het eiland zal
worden gedaan. De vier volksvertegenwoordigers, die Madera naar
het parlement zendt, moeten daar voor de behartiging van Madera's
belangen opkomen. Van de thans gekozenen schijnt niet veel heil te
wachten. Portugal bezit thans algemeen mannenkiesrecht,--misschien
zal blijken, dat ook algemeen vrouwenkiesrecht bedoeld is,--ieder
die den leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, niet in de gevangenis
zit en niet onder curateele staat, kan kiezen. Nu zijn hier zeer
beslist de intellectueelen in de minderheid, als men maar nagaat, dat
men met zekerheid kan zeggen, dat de analphabeten 85% zoo geen 90%
van de bevolking uitmaken en dat deze menschen voor een deel geheel
onder de plak van de grondeigenaars zitten of onder de leiding der
priesters staan, wat vrijwel op hetzelfde neerkomt. Wat kan men in
zoo'n geval van den uitslag der verkiezingen verwachten!

Van organisatie onder het werkvolk is hier geen sprake. Hoe zou dat
ook kunnen, bij zoo weinig geestelijke ontwikkeling. Daarbij komt, dat
de huisindustrie hier nog hoogtij viert. Slechts weinige fabrieken en
groote werkplaatsen treft men aan. Een groote suikerfabriek is er. Die
behoort een Engelschman toe. Daardoor is de teelt van suikerriet in de
laatste paar jaren zeer toegenomen en zal hier waarschijnlijk spoedig
een zeer grooten omvang aannemen. Dat mag ook wel, want met den verkoop
van Maderawijn en dientengevolge met de fabricage er van, gaat het
steeds slechter. Over de geheele wereld schijnt de Maderawijn zijn
roem overleefd te hebben. Verder levert Madera zeer goed mandenwerk,
dat voornamelijk in een dorpje, Santa Anna genaamd, door mannen
en vrouwen thuis gemaakt wordt. En als ik nu nog het borduurwerk
der vrouwen opsom, waardoor Madera in de geheele wereld bekend is,
dan is daarmede alle industrieele arbeid genoemd, want wat er verder
geproduceerd wordt is het noemen niet waard en dient alleen voor het
gebruik der eilandbewoners en enkele kooplustige vreemdelingen.

Een ding is hier vreeselijk te betreuren en dat neemt veel weg van
de charme van Madera. Het staat echter geheel in verband met het
lage peil van ontwikkeling der bewoners en zal zeer zeker verdwijnen,
wanneer door betere scholen en door verbetering der sociale misstanden
een hoogere geest in de bevolking komt. Mannen, vrouwen, kinderen,
alles en allen bedelen hier! Zelfs een kind, dat nog niet praten kan,
heeft reeds geleerd zijn handje uit te steken en een biddend gezichtje
te trekken, zoodra iemand passeert. Doordat bijna alle kinderen hier,
zoo te zeggen, naakt loopen en lekkere, vuile gezichtjes hebben, kan
men moeilijk weten of armoede of gewoonte de hand doet uitsteken. Zelfs
vrouwen en meisjes, die zitten te borduren en wier huisjes en kleeding
een zekeren welstand doen vermoeden, zullen toch de hand voor een
penny uitsteken en een klagende stem opzetten, als men hen maar een
oogenblik aandacht schenkt.

Een vrouwenbeweging verwacht men natuurlijk in Madera niet; maar toch
zoo weinig als de zoogenaamd ontwikkelde vrouwen hier weten van hetgeen
onder de vrouwen in andere landen,--en zelfs in Portugal,--voorvalt,
dat gaat alle grenzen te boven. Ik heb hier reeds met zeer vele mannen
kennis gemaakt en voel mij in de straten van Funchal als een oude
bekende, doch nog geen enkele man of vrouw, die ik ontmoette, wist
eigenlijk iets van het feit, dat dr. Angelo in Lissabon, als eerste
vrouw, bij de laatste verkiezingen gestemd had en als kiezer op de
kiezerslijst was ingeschreven. Toch vinden zij het van zelf sprekend,
dat als iedere man van 21 jaar het kiesrecht mag uitoefenen, iedere
vrouw dat recht dan ook zal moeten hebben. Wat de vrouwen evenwel
met het kiesbiljet zouden moeten uitvoeren, dat weten zij al evenmin
als de mannen het hebben begrepen. Waar ik zeker het allerminst had
vermoed, dat ik over vrouwenkiesrecht zou spreken, daar kreeg ik
er zeer ongezocht een gereede aanleiding toe. Ik was namelijk in het
"Empress hospital", een ziekenhuis voor teringlijders, door de keizerin
van Brazilië in 1853 gesticht, ter nagedachtenis van haar aldaar aan
tuberculose gestorven dochtertje. Na den dood van de keizerin van
Brazilië viel deze instelling als erfdeel haar zuster, de koningin van
Zweden, ten deel. Vandaar, dat dit sanatorium onder Zweedsche protectie
staat en de katholieke zusters van de orde van St. Vincentius, die
er de alleenheerschappij voeren, door de Portugeesche regeering niet
kunnen worden weggestuurd. Toen ik daar, na afloop van het bezoek,
wat handwerkjes kocht, bij wijze van gift voor de instelling, werden
deze gewikkeld in een blad van "Votes for Women", (voor lezers, die
het niet mochten weten, zij hier vermeld, dat dit het weekblad van
de suffragettes van Londen is), en toen ik zuster Claire vroeg of dit
blad bij hen gelezen werd, gaf zij mij een bevestigend antwoord. Een
Engelsche verpleegster, die vroeger langen tijd bij hen verpleegd had
en tot de suffragettes in Londen behoort, zond hen geregeld wekelijks
het blad toe, dat daar met groote belangstelling gelezen wordt.

Van het hospitaaltje zelf wil ik hier ter plaatse niets anders zeggen,
dan dat het netjes en zindelijk onderhouden wordt, doch dat het niet
meer voldoet aan de nieuwe eischen, die men aan een herstellingsoord
voor tuberculose stelt. Het gebrek aan genoegzame hoeveelheid lucht
en licht in de ziekenkamers wordt evenwel voor een deel vergoed,
doordat de zieken bijna den geheelen dag in den grooten tuin in de
open lucht kunnen doorbrengen. Of daarvan echter het noodige gebruik
wordt gemaakt, waag ik niet te zeggen.

Vóór ik mijne brieven over Madera sluit, wil ik nog even met een
enkel woord de bijzondere hoffelijkheid en voorkomendheid vermelden
der bewoners, vooral uit de hoogere kringen. Ik heb nog in geen
land zooveel ware beleefdheid en voorkomendheid opgemerkt. Zij doen
het alles zoo eenvoudig en op zoo'n wijze, dat men zich heel niet
bezwaard gevoelt, de beleefdheden te accepteeren. Het is alsof
zij het voor eigen genoegen doen. Zonder de zoon des huizes hier
in het hotel, zouden wij zeker niet zooveel hebben kunnen zien en
doen in den korten tijd, dat wij hier zijn. Hij helpt ons in alles,
maakt plannetjes voor nieuwe tochten en begeleidt ons als wij het
wenschen. Hij bracht veertien jaren in verschillende landen door en
spreekt alle talen. Wij hebben zeer den indruk, dat hij het prettig
vindt met ons uit te gaan, maar 't kan even goed zijn, na 't geen wij
hier van anderen ondervonden, dat hij uit buitengewone voorkomendheid
dien schijn aanneemt.

Morgenochtend komt de "Saxon" en moeten wij dit heerlijke oord
verlaten. Ik ben overtuigd, dat ik steeds met een gevoel van heimwee
aan Madera zal terugdenken.


                                                           26 Juli 1911.



AAN BOORD VAN DE "SAXON".


I.


Het was Woensdagmorgen nog geen zes uur, toen wij van uit
de slaapkamers van het Monte Palace Hotel de "Saxon" zagen
binnenkomen. Wij waren reeds gekleed en onze bagage gepakt. Ik had
den zoon des huizes, die reeds om half zes naar de pier was gegaan,
een briefje voor mrs. Chapman Catt medegegeven, om haar te vertellen
dat wij in een half uur daar zouden zijn om haar in die paar uren
dat de boot bleef wachten, zooveel als mogelijk was, van Madera te
laten zien. Wij haastten ons naar den tuin, om beiden een arm vol
prachtige rozen, sweet peas, aronskelken, azalea's etc. te plukken--,
de eigenaar van het hotel had ons daarvoor verlof gegeven--en met
dezen bloemenrijkdom in onze armen, zetten wij ons in een tobaggon
om in acht minuten naar beneden te vliegen. Het treintje doet over
dien afstand twintig minuten. Wij kwamen juist aan de pier, toen
wij mrs. Catt en miss Cameron zagen aan wal stappen. In minder dan
geen. tijd zaten wij met ons vieren in een ossewagentje, want er was
geen minuut tijd te verliezen, de boot zou reeds om tien, in plaats van
om elf uur verder gaan; daarna gingen wij in het treintje naar boven,
wandelden even naar een van de zeer mooie views in Madera en gingen
toen terug naar het Monte Palace Hotel, waar wij op het terras een
copieus ontbijt namen. Nogmaals, nu door het bediendenpersoneel van het
hotel, met bloemen overladen, tobaggonden wij opnieuw naar beneden. In
twee sleden vlogen wij den steilen bergrug af wij waren aan den voet,
voor wij er aan dachten. Onze twee Amerikaansche reisgenooten hadden
grooten schik, nog nooit hadden zij zoo'n exciting trip, als dien
morgen, gemaakt. In een van de primitieve autotjes gingen wij nu nog
even een gemakkelijken rieten stoel voor elk van ons koopen, om op
het dek van het schip te gebruiken. De linnen stoelen, die daar voor 5
sh. verhuurd worden, zijn zeer ongemakkelijk en alleen te gebruiken om
er in te liggen, niet om ze ook eens als gewonen stoel aan te wenden,
als men wil schrijven of heel netjes een bezoek ontvangen van een of
ander medepassagier. Voor een prachtstoel, die voor alle doeleinden
dienst kan doen, waaraan een werkmandje en gelegenheid om kopjes of
glazen in te zetten, betaalden wij ieder 9 shillings.

Even vóór tien uur waren wij aan boord van 't schip. Het kostte wel
weer eenige moeite, om uit 't kleine stoombootje op de trap van de
groote boot te komen, want onze nauwe rokken lieten niet toe, dat
wij een flinken stap deden. Half springende kwamen wij toch waar wij
wezen moesten en wij bevonden ons weldra op het dek van 't schip,
dat ons nu veertien dagen tot hotel moest dienen.

Precies om tien uur staken wij van wal, zou ik willen zeggen, maar
wij lagen eenige honderden meters van den wal en waren omgeven door
een menigte kleine roeibootjes, wier inzittenden nog voor het laatst
probeerden pennies van de passagiers los te krijgen, die zij wel
vriendelijk uit het ondiepe water wilden opduiken.

't Is dus nauwkeuriger als ik schrijf dat om tien uur het schip zich
in beweging zette en zich een weg baande tusschen de tallooze kleine
vaartuigjes door, om weldra in het ruime sop met volle snelheid
Zuid-Afrikawaarts te stoomen.

Zoolang Madera in het gezicht bleef, kon ik het dek niet verlaten; ik
wilde nog een laatsten afscheidsgroet brengen aan het lieflijke eiland,
waar ik zulk een aangename en interessante week had doorgebracht. Toen
ik daarna in mijn hut kwam, vond ik daar niet alleen al mijn bagage,
maar door de goede zorgen van den heer Lopez, den zoon van den
hotelier, bevonden zich daar ook de kleurige en geurige bloemen
waarmede wij dien dag begiftigd waren.

Spoedig had ik mijn hut voor een veertiendaagsch verblijf in orde
gebracht, de japonnen die ik onderweg noodig had in de hangkast
gehangen, het ondergoed in de ladekast geborgen, een paar portretten
opgehangen, toiletartikelen netjes uitgelegd en wat boeken en papieren
op een hangertje geplaatst, en daarmede mijne hut een beetje een
huiselijk aanzien gegeven. De bloemen in glazen en vaasjes verhoogden
den vriendelijken aanblik.

Nu was het tijd geworden voor onze eerste lunch aan boord en
daarbij bood zich een goede gelegenheid om onze medepassagiers eens
op te nemen. Er waren er niet veel. Tusschen de 70 en 80 eerste
klasse-passagiers waren aan tafel. De overgroote meerderheid waren
heeren. De weinige damespassagiers waren over de tafeltjes, waaraan
elk tien gasten konden plaats nemen, verdeeld.

Aan elk tafeltje zaten 2 of 3 dames. Wij vieren waren dus ook verdeeld;
wij mochten niet tezamen zitten. Mijn Hollandsche medereizigster
en ik zaten aan een tafel met 8 Engelsche heeren, waarvan een in
Johannesburg mede-eigenaar van een diamant-mijn is en daar reeds
30 jaar woont, doch heel en al een jingo is gebleven. Twee jonge
mannen, die voor het eerst naar Zuid-Afrika gingen, om daar in een
handelsbetrekking geplaatst te worden, waren onze overburen. De
een er van is een flinke jongen met energiek uiterlijk, de ander
zal zich alleen door een kruiwagen en "good luck" een weg door het
leven kunnen banen. Beiden zijn echter jongens van goeden huize, met
aangename beschaafde manieren. Naast mij zit een echt Engelsch type,
een man die in sport zijn levensdoel en levensgeluk zoekt. Hij is
op weg naar Zuid-Afrika om leeuwen en olifanten te schieten. Het is
een reus, die aan tafel met zijn lange beenen geen raad weet. Steekt
hij ze voor zich uit, dan klagen zijn overburen, buigt hij ze netjes
zijwaarts naar rechts en links, dan komen ik en zijn linker buurman er
steeds mede in contact. Er is hem al reeds den raad gegeven, ze over
zijn schouders te slaan. Naast hem zit een donker, miserig kereltje,
ook een Brit, die zijn buurman op de leeuwenjacht wil vergezellen,
doch er heelemaal niet het uiterlijk voor heeft. Praten doet hij ook
heel weinig. Dan is er nog een oudere Engelschman, die vele jaren in
Zuid-Afrika was, mede streed in dein laatsten Zulu- en Transvaalschen
oorlog en nu teruggaat om z'n vrouw te halen, zijn zaken af te
wikkelen, vandaar eerst naar Australië te gaan en dan voorgoed naar
Engeland terug te keeren. Het is opvallend, hoe alle Engelschen, al
zijn zij ook jaren en jaren lang in andere landen geweest, al bezitten
zij ook hun tehuis in Zuid-Afrika, Australië of elders, toch altijd
van Engeland als "home" spreken. Een dame hier aan boord, die haar
tehuis, man en kinderen in de Kaapkolonie heeft en daar reeds bijna
twintig jaar woont, vertelde ons toch, dat zij elke drie of vier jaar
"must go home" anders kon zij niet gelukkig zijn. Toen ik haar vroeg
wat zij haar "home" noemde, antwoordde zij onverwijld "Engeland".

Maar den laatsten dischgenoot, behalve de purser, die mede aanzit,
heb ik nog niet genoemd. Ik liet hem met opzet achteraan komen,
want hij is een zeer bijzonder mensch. Hij is in ons land zeer goed
bekend, heeft er tal van vrienden in de geleerde wereld en spreekt
zeer beschaafd Hollandsch. Als reislectuur zag ik "Max Havelaar"
in zijn handen, en de "Camera Obscura" naast hem liggen. Hij is een
zeer ontwikkeld en aangenaam causeur, waardoor het een genot is,
nu en dan een half uur met hem op het dek op en neder te wandelen.

Onder de andere eerste-klasse passagiers zijn zeventien Belgen,
die langs dezen weg en met den trein door Rhodesia, Congo hopen
te bereiken. Dwaze typen zijn onder hen. De een is een graaf! Hij
bemoeit zich met geen zijner landgenooten, ook niet met andere
mede-passagiers. Hij zit steeds en altijd te lezen, met zijn rug naar
die andere menschen, in een toilet dat waard is aan de vergetelheid
te worden ontrukt. Ieder ander maakt het zich overdag zoo gemakkelijk
mogelijk, de heeren in witte linnen of flanellen pakken, de dames
met dunne witte blouses en rokken, maar deze count zit steeds, zelfs
reeds 's morgens om 7 uur, in lakensche pantalon en morning coat en
met bruine glacé handschoenen en met een hoed op zijn hoofd, alsof
hij zoo een officieel bezoek aan een of ander overheidspersoon in
een groote stad wil gaan afsteken.

Een andere Belg schrijft reisbrieven voor verschillende Belgische
geïllustreerde bladen. Hij loopt den geheelen dag met een reuzencamera
om zijn schouders, telkens en telkens een snapshot nemende, als hij een
aardige groep bijeenziet. Men voelt zich geen oogenblik zeker als hij
in de nabijheid vertoeft, want hij weet heel goed den oolijken kant
van zijn taak te snappen en vereeuwigt een mensch op een oogenblik,
dat hij zich juist ongemerkt geloofde. Van de overige Belgen is er
een Vlaamsche, die graag Vlaamsch met ons klapt, en van al de Belgen
het meest de gentleman is.

Buiten de genoemde Belgen en onze twee Amerikaansche vriendinnen,
zijn al de andere medereizigers Engelschen, die, óf in Zuid-Afrika
wonen óf er voor het eerst heengaan om er hun fortuin te zoeken.

In zoo'n Britsch gezelschap is het natuurlijk te verwachten dat er
spoedig een gelegenheid gezocht zou worden om op de een of andere
wijze aan sport te doen. Veertien dagen achtereen op een schip door
te brengen, zonder land te zien, neen, wat meer zegt, zonder iets
anders te zien dan lucht en water, want als wij nu en dan eens meenen
'n schip te zien passeeren, dan is het alleen een rookkolom, die zich
tegen den horizon afteekent en anders niet; van de omtrekken van een
schip is met den scherpsten kijker zelfs niets te bespeuren; en dan
geen andere lichaamsbeweging te hebben dan het eentonig op en neer
wandelen op het dek, is toch voor een Brit niet uit te houden. Toen
dan ook Madera goed en wel achter den rug was, werd uit de vele heeren
een sportcomité gekozen, dat wedstrijden en spelletjes moest verzinnen,
waaraan allen konden meedoen, zoodat allen de noodige lichaamsoefening
verkregen en er weldra een gezellige geest onder de verschillende
gasten zou komen.

Die heeren kweten zich loffelijk van hun taak. Nog dienzelfden middag
moesten wij allen inschrijven voor een bucketgame, (dat is een spel,
dat beoogt om in den kortsten tijd 21 ringen van touw op een zekeren
afstand in een houten emmertje te mikken), een quoitsgame, een bullet
board game en nog meer zulke hoogst ingewikkelde spelletjes, die ons
allen een grooten pret en nog meer lichaamsbeweging gaven, want daar
het voornamelijk om dit laatste te doen was, moet ieder zijn eigen
ringen, schijven, gummiballen, enz. oprapen en mag niemand daarin
door de heeren worden bijgestaan.

Bovendien wordt er 's morgens, gedurende ruim een uur, een net
gespannen, waartusschen de heeren cricket kunnen spelen en wordt er
's avonds voor de oude heeren en dames een bridge-drive en voor de
jongelui een bal op het dek van het schip gehouden. De spelletjes
gaan alle om de eer van het spel, om het champion-ship, geen inzet
wordt er gevorderd, maar kleine prijzen worden uitgedeeld.

Na dien eenen dag van spelletjes doen, heerschte er direct een
gezelliger geest onder de passagiers, ieder kende nu iedereen, het
ijs was gebroken en de nadere kennismaking volgde van zelf.

Ik zal nog wel eens gelegenheid hebben over mijn medepassagiers het
een en ander te zeggen; dezen eersten brief aan boord van de "Saxon",
wil ik eindigen met een paar woorden over het heerlijke weder en de
vaste ligging van 't in elk opzicht hoogst comfortabel ingerichte
schip. Wij glijden als het ware tusschen de golven door. Mijmert men
een oogenblik dan doet het kabbelen van de golfjes tegen het schip
eerder gelooven, dat men op een mooien, warmen zomermiddag aan het
zeestrand zit, dan dat men zich op een boot midden in den Atlantischen
Oceaan bevindt. Prachtig zijn de dagen en prachtig zijn de avonden
met een helderen sterrenhemel. Nog geen oogenblik was het te warm,
niettegenstaande wij reeds met snellen spoed den Equator naderen. Men
brengt op die wijze even gemakkelijk en met nog meer genoegen veertien
dagen aan boord van zoo'n schip door, als dat men des zomers met
goed weder veertien dagen in Zandvoort of Scheveningen woont; en
dan heeft men hier nog het voordeel geen couranten of brieven onder
de oogen te krijgen, die een mensch de noodige gemoedsrust kunnen
ontnemen. Hier aan boord geschiedt niets, dat iemand zenuwachtig kan
maken; de bediening is er zoo goed als men zich slechts kan droomen,
de tallooze bedienden hebben al reeds aan iemands wenschen voldaan,
nog vóór zij goed en wel overdacht zijn en zeer zeker nog voor
zij zijn uitgesproken. Het eenige hoofdbreken, dat men hier heeft,
bestaat in driemaal daags uit de lange lijst van goed toebereide,
smakelijke gerechten een ontbijt, lunch en diner te kiezen. Gelukkig
is er ook steeds een overvloed van de beste vruchten en behoeft men
dus niet de Engelsche gewoonte te volgen om zich in hoofdzaak met
vleesch, visch en gevogelte te voeden. Men kan hier heel goed geheel
vegetarisch leven, indien men dat verkiest en waaraan Mrs. Catt zich
voor een groot deel houdt.


                                                           29 Juli 1911.



II.


Ik had mijn vreugde over het aanhoudende, mooie weder in den
voorgaanden brief wat te spoedig geuit, want nauwelijks een dag
later begon in den namiddag een behoorlijke wind op te zetten, die
des avonds, vergezeld van regenbuien, in een behoorlijk stormpje
overging. Het schip hield zich goed, al slingerde het ook wat heen en
weer en al voelde men het ook tegen de groote golven optornen en er
zacht over naar beneden glijden. Onmiddellijk ontbraken er eenigen
aan de dinnertable, maar eerlijk moet worden geconstateerd, dat er
minstens even zoovele mannen als vrouwen ontbraken.

Er behoorde eenige moed toe, dien avond aan de bridge-drive deel te
nemen, maar toch waren er van de twintig nog twaalf over, die het
aandurfden. Een plekje werd uitgezocht, waar wij het rustigst konden
zitten, waar noch de wind onze kaarten in zijn loop zoude medenemen,
noch wij van de hitte zouden bezwijken en waar de schommelingen van
het schip ons niet al te zeer van de wijs zouden brengen. Al deze
eigenschappen waren voor 't meerendeel bijeen in de hal van het
schip, met aan één kant de deuren open. Met groote animo werd het
spel gespeeld, en niemand onzer dacht er aan zeeziek te worden. Eene
goede afleiding schijnt wel het beste geneesmiddel, of nog beter,
voorbehoedmiddel voor zeeziekte te zijn.

De storm ging vergezeld van een benauwende warmte, voor een groot deel
het gevolg van het feit, dat wij ons vlak bij den Equator bevonden. Des
Maandags echter, toen wij den Equator passeerden, was het vervelend
koud; door de nu en dan hevige regenbuien en den sterken wind was de
lucht flink afgekoeld.

Een aardige afleiding in de eentonigheid van niets dan lucht en water
en onze medepassagiers te zien, bracht het sein, waarmede de brandweer
gealarmeerd werd en dat alle brandweermannen in 'n ommezien aan dek van
't schip bracht om ieder de hun aangewezen taak te verrichten. Het had
gelukkig geene andere bedoeling dan eene oefening voor de manschappen,
doch het gaf ons eenige afleiding en de geruststelling, dat wij in
geval van nood door deze flinke, jonge mannen spoedig in veiligheid
kunnen worden gebracht.

Een Zondag op een Engelsche boot is nog erger dan een Zondag in
een Engelsche stad. In een stad kan men ten minste in huis blijven
en doen wat men verkiest, maar op een Engelsche boot, te midden van
hoofdzakelijk Britsche onderdanen, moet men goed- of kwaadschiks aan
de Zondagsheiliging mededoen. Alle spelletjes waren voor dien dag
opgeruimd, het eentonig geklikklak van de touwen ringen in de houten
emmers, nu en dan onderbroken door een bravogeroep en handgeklap,
als er eens iemand vier of vijf van de zes ringen tegelijk ingooide,
werd niet gehoord; evenmin het geschuifel der gummischijven en het
hartelijk gelach als een goed geworpen schijf de kunstig in het
midden van een cirkel geworpene van een tegenstander er uitmikte;
de kaarten waren opgeborgen, geen dame durfde een handwerkje ter hand
nemen en de vroolijke tonen der morgenmuziek werden niet gehoord. Men
mocht lezen, liefst een stichtelijk boek en men mocht om half elf
deelnemen aan de godsdienstoefening, waaraan de heele bemanning,
die op dat oogenblik geen dienst had, verplicht was deel te nemen en
die in de warme eetzaal van de eerste klasse gehouden werd.

Vele passagiers maakten van deze kerkgang gebruik, sommigen om daarmede
een beetje de eentonigheid van den dag te breken. Des avonds om 8
uur had er in de eetzaal van de tweede klasse eene herhaling van
deze plechtigheid plaats. Vóórdat de manschappen naar de kerk gaan,
worden zij eerst aan eene behoorlijke inspectie onderworpen en hunne
namen opgelezen, van den eersten officier af tot den eenvoudigsten
jongen, zoodat niemand kan ontbreken of zich door gewetensbezwaren
kan verontschuldigen. Wat een schijnheiligheid kweekt toch zulk een
wijze van doen! Al deze stoere, flinke kerels te dwingen om in te gaan,
ook al wijst hun eigen geest hun een anderen weg tot zaligheid aan.

Nu wij den Equator gepasseerd zijn, wordt 't langzamerhand koeler
en moeten de wollen jakjes dienst doen als men buiten, zittende, wil
doorbrengen. Over warmte hoort men niemand meer klagen. Onaangenamer
is evenwel, dat nu ook de dagen zeer snel beginnen te korten. Om half
zes is het reeds heelemaal nacht en nog een paar dagen verder dan valt
de duisternis reeds om vijf uur in. Van schemerlicht is geen sprake,
plotseling gaat het daglicht in het avondduister over. De opkomende
maan verzoent ons echter voor een deel met deze slechte bedeeling
van daglicht. Een prachtige zilvergloed zendt zij over de zwarte
oppervlakte der zee. Doch ook de sterren, die hier meer schijnen te
schitteren dan op het land, alsof zij weten, dat onze weg niet door
electrisch- of gaslicht verlicht kan worden, en alle hoop op hen is
gevestigd, wedijveren met de maan in het zenden van zilveren stralen
naar de golven der zee.

Het is nu ook de moeite waard, een tijdlang de zee gade te
slaan. Overdag ziet men dan tallooze vliegende visschen uit het water
opduiken, een eindweegs over de oppervlakte der zee vliegen, om dan
plotseling in een opkomende golf weder onder water te verdwijnen. In
het begin dacht ik niet anders dan dat het gewone zwaluwen waren,
precies zoo zien zij er van verre uit. Soms komen zij in heele
zwermen tegelijk en zien er dan uit als vele groote schuimvlokken;
dan weder komt er een, grooter en grijzer gekleurd, en vliegt een
eindweegs alleen.

Doch ook 's avonds geeft de zee afleiding als men zich een
oogenblik aan de zijde begeeft, waar de maan niet schijnt. Of dit
nu de stuurboord- of bakboordzijde is, heeft mijn zeevaartkundige
wijsheid nog niet uitgevonden. Aan die zijde van het schip is het
donker en daar ziet men bijna onophoudelijk de phosphorlichtjes uit
de zee opkomen. Soms zijn ze zoo groot, dat zij wel vijf-en-twintig
electrische lampjes bij elkaar gelijken.

Gegokt wordt hier ook op het schip, al is het dan ook op een
vrij onschuldige wijze. Elken morgen komen 'n paar heeren met een
lijst en de vraag, of men voor een shilling wil deelnemen aan "the
sweep". Zooveel shillings als men inzet, voor zooveel nummers wordt men
ingeschreven. In den regel worden 400 nummers verkocht. Velen nemen
tien tot vijf-en-twintig nummers. Deze nummers zijn alle op witte
beenen schijfjes geschreven en in een kom geworpen. In een andere kom
bevinden zich een-en-veertig andere nummers, loopende van 356 tot en
met 396. Het gemiddelde aantal mijlen dat de "Saxon" daags aflegt is
376. Er zijn twintig punten onder en twintig punten boven dit getal
genomen. Nu trekt iemand een nummer uit de kom met 400 schijven, en
tegelijkertijd een ander uit de kom met 41 schijven. Wiens nummer uit
de kom met 400 schijven komt, heeft nu voortaan het nummer uit de kom
met 41 schijven. Als er zoo 41 nummers getrokken zijn, dan zijn alle
overblijvenden van onwaarde geworden. Deze 41 nummers worden nu geveild
en daarop kan elkeen een bod doen. Ook de eigenaar dient zijn eigen
nummer in te koopen, als hij het wil behouden. De eerste prijs valt ten
deel aan dengeen, die het nummer bezit, gelijk aan dat van het aantal
mijlen dat het schip heeft afgelegd,--om twaalf uur 's middags wordt
dit altijd geannonceerd,--het nummer dat er tien boven is, krijgt den
tweeden, en dat, 't welk er tien onder is, krijgt den derden prijs. De
veiling van de nummers brengt soms enorme sommen op. Men biedt tot
aan twee en drie pond voor een gewild nummer. De helft van die som
krijgt de eigenaar, de andere helft gaat in den pot. Somtijds is de
hoofdprijs vijf-en-twintig tot dertig pond. Er zijn gelukkigen, die met
dit hazardspel hun heele reisgeld verdienen, doch er zijn ook die elken
dag groote sommen verliezen. Ook de tweede klasse-passagiers hebben het
twijfelachtige voorrecht aan deze speculatie te mogen deelnemen. Het
komt mij voor, dat het in het belang van vele jonge reizigers zou
zijn, als de directie zulk een beursspel op haar schepen verbood,
in plaats van het, zooals hier geschiedt, in de hand te werken.

Welk een haat er nog bestaat tusschen de Engelschen en Afrikaanders,
wordt ons hier op het schip in bijna elk gesprek duidelijk. De
Engelschen aan onzen tafel durven beweren, dat indien wij "de Boeren"
in Zuid-Afrika een beetje "menschelijk" vinden, wij dit dan hebben toe
te schrijven aan den beschavenden invloed der Engelschen. Zij hebben
de brutaliteit, te beweren, dat de Boeren vóór den oorlog niet veel
hooger dan de Hottentotten stonden en Engeland nu bezig is menschen
van hen te maken. Dat ik hun in dit opzicht van antwoord dien en hun
raad over den Z.-Afrikaanschen oorlog, liefst zoo weinig mogelijk te
bluffen, is zeker te begrijpen. Zij voelen niets van het ergerlijke
figuur, dat zij in dien tijd gemaakt hebben.

Doch ook bij de enkele jonge mannen uit de Boerenfamiliën, die
wij hier aantreffen, bestaat nog de diep ingewortelde haat tegen
de Britten; het is er nog ver af, dat alle in Z.-Afrika wonenden,
Britten en Boeren, zich als landgenooten gevoelen, die gezamenlijk
hun land dienen op te bouwen, tot het misschien eens kan worden een
Zuid-Afrikaansche republiek.

De directie van het schip heeft er slag van, de eentonigheid van
de reis te breken. Tegen dat men moe wordt van het schijven werpen,
cricketspelen etc, worden er wedstrijden met prijzen uitgeschreven voor
allerlei soort flauwe spelletjes; als ik ze zou moeten beschrijven,
zou iedereen ze kinderachtig vinden, doch zij bezorgen toch aan de
toeschouwers en de medespelenden eenige dagen onschuldige vroolijkheid
en groote afleiding. Niet waar, gij vindt het flauw, als ik meld,
dat groote mannen, vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen, mededoen
om een zeker aantal aardappelen, op een lange rij gezet, binnen een
bepaalden tijd een voor een op te rapen en in een emmer te werpen; of
dat een lange rij heeren plat op den grond gaat liggen, op den rug, en
dat dan een ondiep schoteltje vol water op hun borst wordt geplaatst,
dat zij liggende, over hun hoofd heen, achter zich op den grond
moeten zetten. Soms storten zij het water reeds over hun borst uit,
meestal komt het in hun gezicht en oogen terecht en slechts zelden
bereikt het schoteltje met een behoorlijken inhoud den grond. Dan
zijn er hanegevechten onder de heeren, of voor dames om geblinddoekt
de oogen te teekenen in een groot op den grond met krijt geteekend
varken, enz., allemaal spelletjes, zooals ik reeds zeide, te flauw
om te beschrijven, doch die een algemeene vroolijkheid verwekken,
vooral omdat zoowat niemand op de boot zich te voornaam of te ernstig
gevoelt om er aan mede te doen.

Maar twee dagen zijn wij allen zeer bezig geweest door het te
voren geannonceerde gecostumeerd bal; de costumes moesten aan boord
vervaardigd zijn uit artikelen, die men toevallig bezat of aan boord
kon verkrijgen. Dat gaf een algemeene drukte. Eerst de beraadslagingen
en diepzinnige overpeinzingen wat men wilde voorstellen en hoe het uit
den kofferinhoud was samen te stellen. Vele heeren kwamen bij de dames
om hulp vragen. Iets geniaals bedenken konden zij wel, maar voor de
samenstelling hadden zij onze hulp noodig. En vooral vrouwen, zooals
mrs. Catt en ik, die niet aan de verkleedpartij zouden deelnemen,
doch onze hulp gratis hadden aangeboden, hadden handen vol werk. In de
eerste plaats hadden wij beiden ons eigen landgenootje te kleeden en
te helpen bij 't ontwerpen van 't plan en de uitvoering. Mrs. Catt's
medereizigster wilde met een op het schip opgedanen vriend Romeo en
Julia voorstellen en deze toiletten vielen zoo goed uit, dat wij ten
slotte met groote cartonletters op den rug van den een Romeo en op
dien van de ander Julia moesten plakken, anders zou niemand geraden
hebben, wat hunne verschijning te beduiden had.

Mijne gezellin en ik hadden iets ernstigers en tegelijk
propagandistisch bedacht. Van een lap wit tarlatan, die dienst moet
doen voor muskietennet als wij in de tropen komen, was het embleem
nagebootst van ons internationaal vrouwenkiesrecht-insigne. Het haar
in Griekschen stijl opgemaakt en versierd met bordpapierbanden door
iemand op het schip prachtig goud geverfd. Op dezelfde wijze waren
groote en kleine gouden letters gemaakt en eerst op de borst en nog
eens op de plooien van de rok kwam met groote duidelijke letters
het "Jus Suffragii" uit. Een even kunstig gemaakte weegschaal in de
hand, bordpapiergouden banden om boven- en onderarm, voltooiden het
costuum en maakten van mijne medereizigster een statig, mooi, levend
embleem van ons internationaal herkenningsteeken. Hadden er in de jury
voorstandsters van vrouwenkiesrecht gezeten, dan was haar zeker een
prijs ten deel gevallen; nu ontving den 1en prijs een levend pistache,
een jong meisje, dat zich uit roze en licht blauw papier zeer schoon
een costuum had vervaardigd, dat in zijn geheel en in alle onderdelen
pistaches voorstelde.

Tal van geestige, al waren zij dan ook soms geen mooie, toiletten
kwamen voor den dag. Mijn op leeuwen-dooden beluste buurman verscheen
als "ridder van het bad". Met bloote beenen in een paar afgetrapte
sloffen en in een badmantel gehuld, als hoofddeksel een groote spons,
twee nagelborstels als epauletten, een tandenborstel als dasversiersel,
een flesch odol, scheergereedschap etc. als verdere attributen,
maakten van hem iemand, die door iedereen werd uitgelachen, doch
die niemand gaarne in zijn nabijheid had. Vele heeren waren als dame
gekleed, waarbij de potsierlijkste jupe-culottes vertoond werden. De
twee grootste en zwaarst gebouwde mannen onder de passagiers hadden
zich als tweeling-broertjes verkleed met korte witte broekjes,
bloote beentjes en lage schoentjes, buisjes, kraagjes en hoedjes
van een paar lieve joggies van vijf of zes jaar. Daarbij waren zij
onverbeterlijk gegrimeerd en liepen met een paardje op rolletjes,
handje aan handje. Dat was een waar succes en ieder vond, dat de jury
recht had gedaan, hun den eersten heerenprijs toe te kennen.

Aan deze en al dergelijke vermakelijkheden doen de tweede klasse
passagiers met de eerste mede. Er wordt op deze booten lang zoo'n
groote scheiding tusschen eerste en tweede klasse passagiers niet
doorgevoerd als op bijv. de booten, die tusschen Europa en Amerika
varen en afgezien, dat de eerste klasse hutten veel grooter en
comfortabeler zijn, en bij de maaltijden wat grooter keuze van
gerechten wordt gegeven, is de tweede klasse evengoed als de eerste.

Den avond van het gecostumeerde bal werd er onder het dansen lichte
wijn en limonade geofferd en om half elf was er een souper met nog
grooter lijst van fijne gerechten als bij de drie andere groote
maaltijden van den dag. Geen extra betaling werd daarvoor geëischt.

Hoe goed afleiding werkt voor het voorkomen van zeeziekte, werd den
dag en avond van het bal duidelijk. Den geheelen dag had reeds een
tamelijke bries bestaan, die tegen den avond in een flinken storm
overging. Noch dien dag, noch dien avond was er iemand zeeziek; men
danste en walste op het dek, niettegenstaande er flinke zeemansbeenen
vereischt werden om in een geregelden gang te loopen en men nam
deel aan het souper, at en dronk allerlei dingen, die in geval van
zeeziekte ongenietbaar zijn en voelde niets van de danspartij, die
het schip met de golven der zee uitvoerde.

Nu moet ik dezen brief eindigen, want men komt mij daar zoo waar
mededeelen, dat ik in een van de sportspellen den tweeden prijs
behaald heb en nu een keuze moet doen uit de voorwerpen, die voor
dat doel zijn uitgestald. Zoo zorgen mijne landgenoote en ik er voor,
dat bij alle gelegenheden aan boord ons land geen slecht figuur maakt.


                                                        4 Augustus 1911.



AANKOMST IN KAAPSTAD.


Het waren drukke dagen, die laatste dagen aan boord van de "Saxon". Er
moesten nog tal van spelletjes worden afgespeeld en sommige verslagen
mede-passagiers wilden nog gaarne gelegenheid hebben, om revanche
te nemen, alvorens men voor langen tijd, misschien voor altijd,
uit elkaar zou gaan. Daarbij moesten de koffers gepakt en brieven
geschreven worden, om familie en vrienden te doen weten, dat men veilig
aangeland was, want de eerste naar Europa vertrekkende boot, zou reeds
Woensdagsmorgens weggaan. Nu waren deze laatste dagen aan boord van het
schip ook nog de minst kalme, omdat een vrij stevige bries de golven
onstuimig opwaarts joeg en het nu door kolenverbruik veel lichtere
schip rumoerig heen en weer slingerde. Men moest zeemansbeenen hebben,
om op het dek een goed figuur te slaan, anders zwenkte men van de eene
naar de andere zijde. Geen onzer was zeeziek, alhoewel er buitengewoon
veel over moeheid, hoofdpijn en lusteloosheid werd geklaagd, maar dit
mocht, o, heelemaal niet, aan den invloed van de schommelingen van
het schip worden toegeschreven. Men went ten slotte aan alles; al zou
in de laatste dagen het schip op haar kop zijn gaan staan, dan geloof
ik nog, dat de meeste passagiers zich goed zouden gehouden hebben.

Met een enkel woord moet ik even spreken over het enorme groote
schriftelijke verkeer tusschen Engeland en andere landen met
Zuid-Afrika. Wij kregen daarvan een aanschouwelijke les. Maandagmorgen
werd de geheele stuurboord-zijde (ik weet nu het verschil tusschen
stuur- en bakboord) met groote zeilen belegd en daarop werden een paar
meter hoog de zakken met brieven opgestapeld, die over Engeland naar
de verschillende staten in Zuid-Afrika gezonden worden. Elke week
komt er een even groote mail met duizenden en duizenden stukken in
Kaapstad aan.

Het was jammer, dat wij reeds zeer vroeg in den morgen 't doel van
onzen tocht bereikten, wij hadden zoo gaarne 't mooie gezicht op de
bergen rondom Kaapstad van uit zee genoten. Wel hadden wij den avond
tevoren den steward order gegeven ons te roepen, wanneer de bergen
in zicht kwamen, als die wellicht, door maanlicht beschenen, zich
toch aan ons wilden vertoonen. Maar wij werden niet in den nacht
gewekt en vernamen Dinsdagmorgen, dat een dichte nevel de bergen
had omsluierd, omdat zij zich eerst in den ochtendstond, staande
in hellen zonnengloed, aan onze oogen wilden vertoonen. Midden in
den nacht, ongeveer twee uur, bereikte 't schip de landingsplaats
en begon men onmiddellijk met het naar boven brengen van bagage en
andere dingen, die in de maag van het schip al dien tijd een veilige
plaats hadden gevonden. De drukte, het rumoer, het gepraat van het
scheepsvolk maakten slapen onmogelijk en ik was blij, dat de steward
om vijf uur kwam zeggen, dat het eigenlijk zes uur was in Kaapstad,
dat hij eenige brieven voor mij had en dat het tijd was om op te staan.

De brieven bevatten welkomstgroeten van dames uit Kaapstad en een
er van bracht een lange lijst van uitnoodigingen voor lunches, teas,
avondrecepties etc. Ook mevr. Catt had een dergelijke lijst ontvangen,
waaruit ons duidelijk werd, dat ons verblijf in Cape Town niet zeer
rustig zal zijn, en men ons in de gelegenheid wil stellen met vele
Zuid-Afrikaansche vrouwen in kennis te komen.



Spoedig waren wij alle vier gekleed en namen gezamenlijk ons laatste
ontbijt aan boord. Toen wij boven op het dek kwamen, werden wij door
eenige Zuid-Afrikaansche medepassagiers direct in beslag genomen,
om met hen den eenigen mooien aanblik van den Tafelberg met zijn
leeuwenkop en duivelseiland, met zonnegloed overgoten, te genieten, 't
Was verrassend schoon! Doch lang konden wij ons niet aan dit schouwspel
wijden, want, ofschoon het nog geen acht uur was, waren er toch reeds
vele dames uit Kaapstad daar, bijna allen de een of andere vereeniging
vertegenwoordigende, om ons bij onze aankomst te begroeten. Niet weinig
waren wij verrast, onder deze dames ook een heer aan te treffen, de
heer en mevrouw De Villiers, die mij in zuiver Hollandsch toespraken,
en die ons direct dien morgen voor de lunch te hunnen huize noodigden.

Het was ruim negen uur, toen wij eindelijk van de vele medepassagiers,
die, voor zoover zij in Zuid-Afrika in een of andere stad wonen, die
wij waarschijnlijk op onzen tocht zullen aandoen, met uitnoodigingen
ten hunnent overlaadden, hadden afscheid genomen en wij ons naar het
hotel Mount Nelson konden begeven, waar door de vriendelijke zorg
van een der dames reeds kamers voor ons besteld waren.

De indruk die wij op dezen eersten tocht door de stad, in een
open landauer en met een neger als koetsier, kregen, is een zeer
gemengde. Wij kwamen alle vier tot de slotsom, dat wij ons iets geheel
anders hadden voorgesteld. Dan eens deed een straat ons denken aan de
Rue de la Fayette in de buurt van de Gare du Nord in Parijs, dan een
eindje verder had de buurt iets van een of ander plekje in Cannes
aan de Riviera, maar alles zag er uit alsof de stad reeds eeuwen
en eeuwen oud is. Maar, natuurlijk, ik mag nog geen oordeel vellen,
alvorens wij de stad in haar geheel kunnen opnemen.

In het hotel aangekomen, werden wij ook daar weder door andere
dames verwelkomd en gaven de Hollandsch sprekende of "de taal"
sprekende dames zich de moeite, om mij in mijn moedertaal te
begroeten. Natuurlijk ontbraken ook de heeren- en dames-journalisten
onder hen niet en werden wij om beurten een oogenblik in een hoekje
genomen, om het een en ander van ons persoonlijk, van onze reis,
ons land of iets dergelijks mede te deelen.

De verslaggever van de "Nieuwe Rott. Courant" was onder hen en hij kon
mij gelukkig de laatste editie van de N.Rott. Ct. bezorgen, zoodat ik
niet geheel zonder nieuws uit het land ben. Het is natuurlijk slechts
de maileditie, maar ik kan er toch de voornaamste bijzonderheden
uit vernemen.

Al deze bezoeken hielden ons tot bijna één uur staande; wij moesten
nog onze koffers uitpakken, waren moe en hongerig en besloten daarom
ons te laten verontschuldigen voor de eerste lunchpartij en voor
de tea in den middag en liever te trachten voor de avond-receptie
presentabel voor den dag te komen. Na eerst vlug wat gegeten te
hebben, begaven wij ons naar onze kamers, ontpakten onze zaken en
toen besloten mijne Hollandsche medereizigster en ik nog gauw een
paar uur van den mooien zonnigen dag te profiteeren, alvorens ons
voor den avond te kleeden. Onze Amerikaansche vriendinnen wilden
liever tehuis wat rust nemen, hopende op meer zonnige dagen voor een
wandeling door de stad. Laat mij hier direct bijvoegen, dat zij die
rust niet gevonden hebben, want toen wij om vijf uur tehuis kwamen,
waren zij nog geen oogenblik alleen geweest, doch hadden steeds nieuwe
bezoekers te woord gestaan.

Wij twee doorkruisten voor deze eerste wandeling de hoofdstraten van
de stad en ontvingen nu een geheel anderen indruk dan in den landauer
van dien morgen. Flinke breede, ruime straten, met groote gebouwen en
winkelhuizen, die met onze Amsterdamsche Waarenhäuser te vergelijken
zijn, met bankinstellingen en groote kantoren en met electrische trams,
vonden wij overal. Hadden de vele kleurlingen, die wij in de straten
zagen, ons er niet aan herinnerd, dat wij in een tropenland waren,
dan had zeer zeker een aanblik der straten en de daarin aanwezige
woningen en winkels bij ons geen oogenblik den indruk verwekt, dat
wij zoover van ons huis en ons in Zuid-Afrika bevonden. Een enkel
winkeltje, dat tegelijk een café'tje was, en tot opschrift droeg
"Hollandsch koffiehuis", en waarin in een hoek op een stoeltje een
groote pop in Zeeuwsch costuum zat, gaf ons al mede een huiselijk
gevoel. De klacht, die ik in ons land eens van een boekverkooper
hoorde, dat boekverkoop eene steeds minder lucratieve positie wordt,
schijnt ook voor Zuid-Afrika te gelden. Alle boekhandelaren verkoopen
tegelijkertijd allerlei andere artikelen, die met boeken slechts in een
uiterst verwijderd verband staan. Bij de beide grootste boekverkoopers
kon ik het laatste werk van Pierre Loti "La mort du Phylae" niet
bekomen, doch wat meer zegt, men antwoordde mij in de eene zaak
glimlachend, dat Fransche boeken in Cape Town niet gelezen worden,
en in de andere, dat zij vier Fransche boekjes hadden, en of ik nu
zelf eens zien wilde, of hetgeen ik wenschte, er bij was. Er moet
echter nog een groote Hollandsche boekwinkel hier bestaan, waarin,
naar men zegt, ook Fransche boeken te verkrijgen zijn.

Nadat wij tweeën geruimen tijd in de winkelstraten hadden zoek
gebracht, gingen wij boven op een electrische tram eenige tochten naar
verschillende hoeken van de stad maken. Doch ik zal over den indruk,
dien ik daarbij van de stad kreeg, niet schrijven, alvorens ik nog
eerst meer, en onder geleide van eene aldaar bekende persoonlijkheid,
van de stad heb gezien.

Te huis gekomen, was het eerste werk wat te doen was, eene schifting te
maken in de vele uitnoodigingen die ons reeds bereikt hadden, wilden
wij althans tijd over houden om iets te doen in het belang van de
zaak, waarvoor wij de reis ondernomen hadden. Onder de vele brieven,
die ik ontving, waren er eenige van Hollanders en Afrikaanders,
die mij verzochten mij vooral niet te laten overreden op de openbare
vergaderingen in Zuid-Afrika, iets anders dan Hollandsch te spreken,
vooral wanneer tegelijkertijd ook mrs. Catt sprak. Mondeling werd
ik onmiddellijk ingewijd in de op het oogenblik op den voorgrond
dringende taalkwestie, of de Hollandsche naast de Engelsche taal
moet gehandhaafd worden, waarover vooral in de Kaapkolonie, veelal
ten voordeele van de Engelsche taal beslist wordt.

Reeds den eersten avond, op de receptie, ons door de "Women's Citizen
Club" aangeboden, waarin de Engelsche vrouwen verre de meerderheid
vormen, kon ik mijne gezindheid in dezen toonen. Door alle dames van
het bestuur, die ons eerst in een afzonderlijk vertrek ontvingen,
werd ik even apart genomen en er op attent gemaakt, om op dien eersten
avond toch vooral alleen Engelsch te spreken, want dat ik anders door
geen der aanwezigen zou worden verstaan. Ik had mij echter voorgenomen
mij niet van de wijs te laten brengen en toen ik 's avonds het woord
kreeg en in het Engelsch even mijn dank voor de ontvangst en nog eenige
lievigheden aan het adres van het bestuur en de vele aanwezigen had
gezegd, deelde ik mijne meening mede, dat nu wij in een land waren,
waar de beide talen, Engelsch en Hollandsch gesproken worden, die beide
burgerrecht bezitten, na de Engelsche speech van mrs. Catt, ook ik
mijne moedertaal moest gebruiken en vervolgde mijne toespraak in het
Hollandsch. Hoewel ik meende, dat niemand mij zou hebben verstaan,
bleek toch later, dat er tal van Engelsch-Afrikaanders waren, die
mij heel goed gevolgd hadden, doch die uit voorliefde voor Engeland,
in het dagelijksch leven ontkennen, iets van onze taal te verstaan.

Oververmoeid kwamen wij 's avonds om elf uur te huis; wij gevoelden
ons allen meer zeeziek dan wij ons ooit op de boot gevoeld hadden,
en toen ik in mijn bed lag, had ik mij zelf te overtuigen, dat ik
niet meer in mijn cabin heen en weer gleed, zoo draaide alles met
mij in de rondte. Dien eersten dag in Zuid-Afrika, waarop ons zoo'n
allerhartelijkste ontvangst was bereid, waarop ik tal van oude bekenden
de hand heb gedrukt en nog veel meer nieuwe vriendschapsbanden heb
aangeknoopt, die een heel nieuwe wereld voor ons opende en ons met
geheel andere gewoonten en gebruiken, als waaraan wij gewoon zijn,
in kennis stelde, zal zeer zeker nooit uit mijn geheugen verdwijnen.


                                                            9 Aug. 1911.



ONS VERBLIJF IN KAAPSTAD.


I.


Nauwelijks was ik den eersten morgen opgestaan, toen ik reeds aan
den telefoon werd geroepen, omdat er iemand was om mij te spreken,
die ons allen voor dien dag ten eten noodigde. Wij hadden evenwel
voor dien dag reeds tal van zulke uitnoodigingen ontvangen, die wij
moesten afslaan, omdat wij ons hadden voorgenomen, in de eerste plaats
de invitatiën van de verschillende vereenigingen aan te nemen. Toen
ik naar mijn kamer terug wilde gaan, werd mij een groot pakket brieven
overhandigd, alle welkomstgroeten en uitnoodigingen inhoudende. Onder
dezen bevond zich ook een van den burgemeester van Kaapstad, die ons
een at home en receptie op het stadhuis aanbood, waarbij de besturen
van alle vrouwenvereenigingen tevens waren genoodigd. Ook bereikten
ons dien dag vele brieven uit andere steden van Zuid-Afrika, waarin
ons verzocht werd toch vooral ook in hun stad te komen spreken over
vrouwenkiesrecht. Ik behoef natuurlijk niet te zeggen, dat mrs. Catt
evenzoo ruim met brieven bedacht werd. Wij beiden kwamen dan ook
spoedig overeen, dat wij onmogelijk in twee maanden tijd aan al die
invitatiën konden voldoen en besloten onmiddellijk een maand langer
in Zuid-Afrika te blijven, nu het bleek, dat wij er zulk nuttig werk
konden verrichten.

Woensdagmorgen om half elf hadden wij reeds een vergadering met
het bestuur der Vrouwenkiesrechtvereeniging in Kaapstad en na
afloop eene vergadering met de leden. Door de Christelijke Vrouwen
geheel-onthoudersvereeniging werd ons een lunch aangeboden, en
daarna een receptie door een vereeniging, die op een lijn staat
met de in Holland bestaande Vereeniging tot verhooging van het
zedelijk leven. Dienzelfden avond, om acht uur, had de eerste
openbare vergadering plaats, uitgaande van de Women's Citizen Club
en gepresideerd door prof. Darell.

Mrs. Chapman Catt zette het doel van den Wereldbond en den stand
van het vrouwenkiesrecht-vraagstuk in alle landen uiteen en ik sprak
(in het Hollandsch) over de beteekenis van het kiesbiljet. Als men
in aanmerking neemt, dat wij gedurende den dag op alle vergaderingen
en recepties ook 'n kort woord hebben moeten spreken, dan geloof ik,
dat die eerste dag door ons goed werd besteed.

Donderdagmorgen om half elf werden wij in eenige stichtingen van
vrouwen ontvangen en zagen wij achtereenvolgens een huishoudschool,
een tehuis voor vrouwen, een industrieschool, deze laatste echter
nog in embryostaat. Daarna werd ons in de Alexandra-club, de club van
de élite der vrouwen, die ons ook gedurende ons verblijf alhier het
eerelidmaatschap der club heeft aangeboden, een schitterende lunch
bereid. Na afloop was er een receptie voor alle leden der club. Om
vier uur moesten wij echter weder een vergadering bijwonen van de
vereeniging tot bevordering en nog meer tot steun van vrouwenarbeid,
een vereeniging die heel veel overeenkomst heeft met onze Arbeid
Adelt of Tesselschade-vereeniging, doch zich nog in den toestand
bevindt, waarin die bij ons bestaande vereenigingen ongeveer een
kwart eeuw geleden waren. Dien avond de tweede openbare vergadering,
uitgaande van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht, die buitengewoon
druk bezocht was. Geen staan- of zitplaats was over, velen moesten
in de deuropeningen en gangen een plaats vinden en ook moesten velen
onverrichter zake huiswaarts keeren. Deze vergadering werd door
Sir James Innes, president van het hoog gerechtshof, gepresideerd
en op de tribune hadden tal van mannen van naam en beteekenis
plaats genomen. Mijn buurman was de Hollandsche spreker Viljoen,
lid van het Parlement, de man die reeds eenige jaren geleden de
eerste vrouwenkiesrechtsbill in het Zuid-Afrikaansch Parlement
had aangeboden en verdedigd en die onze komst in Z.-A., ten doel
hebbende de vrouwen aldaar tot den strijd voor dit recht aan te
sporen, hartelijk toejuichte. Ik sprak dien avond het eerst, en
had tot onderwerp, het belang van de invoering van vrouwenkiesrecht
voor den Staat, het gezin en de vrouw. Daarna sprak Mrs. Catt ruim
een uur lang over de gevolgen van het onthouden van het kiesrecht
aan de vrouw. Gedurende al dien tijd hield zij de aandacht van haar
gehoor geboeid en herhaaldelijk werd hare rede door handgeklap en
bravo-geroep onderbroken. Zeer zeker won zij dien avond de harten
van al hare toehoorders.

Vrijdagmorgen werden wij reeds vroeg door den auto van Sir en Lady
Innes afgehaald om op hun mooie landgoed de lunch te gebruiken en later
voor 'n vijftigtal aldaar genoodigden, allen dames uit de upper ten,
over vrouwenkiesrecht te spreken en ook deze dames op haar plicht
te wijzen aan den strijd voor deze hervorming deel te nemen. Tegen
etenstijd kwamen wij terug en zouden voor het eerst een vrijen avond
hebben, doch vele dames en heeren, die ons op de vergaderingen niet
konden bereiken, maakten nu van ons vrij-zijn gebruik, om ons dien
avond in het hotel op te zoeken, met het gevolg, dat wij nog vermoeider
naar bed gingen dan de vorige avonden.

Zaterdagmorgen reeds vroeg eene vergadering met het bestuur en
eenige invloedrijke leden van de Women's Citizen-club, daarna stond
een ons vriendelijk aangeboden auto gereed, om ons naar het buiten
van mrs. Garrett Hay te brengen, waar voor talrijke genoodigden een
lunch was bereid. Om drie uur werden wij van daar in een ouderwetsche
Cape-car, een, die gebruikt was in den tijd, dat de boeren nog "uit
trekken gingen", afgehaald, om eene van de oudste, nog in volkomen
goeden toestand verkeerende, Hollandsche boerenhofsteden te zien en
er de thee te gebruiken. Deze hofstede wordt thans bewoond door het
gezin van den heer en mevrouw Cloete-Van Warmelo, die er een wijn-farm
van gemaakt hebben. Onze vroegere boerenwoningen van welgestelde
boeren waren precies eender en geen enkel stukje huisraad troffen
wij in deze woning, wat niet afkomstig was uit een boerenfamilie in
Holland. Alles was nog in den toestand van ongeveer 250 jaar geleden;
de Hollandsche zindelijkheid trad zelfs zeer sterk op den voorgrond.

Voor den Zondag waren mrs. Catt en de andere Amerikaansche dame,
die zich in ons gezelschap bevindt, bij een Amerikaansche familie
uitgenoodigd, en mijne landgenoote en ik waren bij onzen vice-consul
voor dien dag gevraagd. Onze consul bevindt zich op dit oogenblik in
Pretoria, alwaar wij hem later hopen te treffen. In den gezelligen
huiselijken kring van den heer en mevrouw Loopuyt, waar wij tal van
andere landgenooten ontmoetten, brachten wij een allergenoeglijksten
dag door en bezochten de voor ons met zoovele historische herinneringen
verbonden "Groote Schuur" en zijne omgeving, die thans tot woonplaats
dient van den premier van het land.

Maandagmorgen gingen wij reeds heel vroeg naar de Zuid-Afrikaansche
Universiteit, ook een nog in wording zijnde instelling. Het nieuwe
gedeelte, dat alleen voor anatomische doeleinden zal worden gebruikt,
moet nog gebouwd worden. Het zal bijna geheel worden gebouwd en
ingericht als het desbetreffende gebouw te Amsterdam, waarvan ik den
plattegrond zag. Om elf uur kwam mevr. De Villiers ons afhalen voor
een auto-toer rond de Victoria-road. Ieder, die in Kaapstad bekend is,
weet, wat deze toer beteekent. Het is de uitgestrektste en mooiste
toer, die hier gemaakt kan worden. Men volgt geheel aan den achterkant
van de bergen de zeekust, en heeft nu en dan de meest verrassende
zeegezichten. Wij troffen het bijzonder goed met het weder, zoodat er
niets ontbrak aan het effect wat deze toer kan geven. Toen wij om vier
uur tehuis kwamen, hadden wij nog precies tijd om ons te kleeden,
om aan de uitnoodiging van sir Frederick Smith, burgemeester van
Kaapstad, gevolg te geven. In hem ontmoetten wij een warm geestverwant
voor onze zaak, en hoewel hij van plan was geweest ons dien avond aan
zijne talrijke gasten, waaronder velen uit de diplomatieke kringen,
alleen voor te stellen als twee distinguished guests van Kaapstad,
schemerde toch zijne ingenomenheid met de reden van onze komst naar
Z.-Afrika door al zijne introduceerende woorden heen. Hij verzocht ons
beiden, om ook dien avond over de zaak, waarvoor wij zoo veel voelen,
eenige woorden tot zijne gasten te spreken.

Ik zal niet doorgaan met het en detail neerschrijven van het
voornaamste wat wij hier elken dag zien en doen; ik heb alleen de
eerste week wat uitvoerig beschreven, om te doen uitkomen, hoezeer
onze komst hier door velen gewenscht werd, op welke wijze men ons
hier eene ontvangst heeft bereid en hoe weinig tijd ons hier rest
om onze correspondentie af te doen, en de instellingen te bezoeken,
waarin wij bijzonder belang stellen, en die niet direct in verband
staan met vrouwenkiesrecht. Maar ook het bezoek dier instellingen
wordt ons bijzonder gemakkelijk gemaakt. Nauwelijks hebben wij
den wensch geuit, om het een en ander te willen zien, of reeds
den volgenden morgen bereiken ons de uitnoodigingen. Op die wijze
zag ik hier hospitalen, verschillende inrichtingen voor onderwijs,
o.a. een school voor kleurlingen, waar de zonen van de verschillende
opperhoofden gehuisvest en onderricht worden. Wij zagen daar onder
meer de twee oudste zonen van Lewenyka, den opvolger van Lobengula,
die in de geschiedenis van Zuid-Afrika een zoo groote rol heeft
gespeeld. De directeur van deze inrichting vertelde ons, dat,
alvorens hij jongens opneemt, hij altijd eerst den vader een gedrukt
stuk stuurt, dat ingevuld moet worden, zoodat hij een weinig op de
hoogte is met de soort jongens, die hij krijgt. Achter de vraag:
"Beroep van den vader?" had de vader van de twee Lewenyka's met
krachtige hand geschreven: "King". Die twee prinsen zagen er niet
"zoo zwart als mijn laars uit," zooals de term luidt, maar nog veel
zwarter. Zij hadden een blauw-zwarte huid, met blanke binnenvlakten van
de handen. De flink gebouwde jongens hadden schitterende, groote oogen,
en waren, uit een neger-oogpunt, bepaald een paar mooie menschen; over
hunne intelligentie vernamen wij allerlei verrassende bijzonderheden.

Ook van den directeur van het Zuid-Afrikaansche Museum had ik eene
uitnoodiging, en persoonlijk leidde hij mij drie uur rond in de vooral
uit ethnologisch en sociologisch oogpunt zoo belangrijke verzameling
van alles wat Zuid-Afrika tot dusver in dit opzicht heeft opgeleverd.

Eenige leden van het Hooger- en Lagerhuis hadden zich beschikbaar
gesteld, om ons de parlementsgebouwen te laten zien. Het meest hiervan
boeide mij het archief, wat in een der gebouwen is ondergebracht. Daar
kreeg ik in handen: "het dagboek van Van Riebeeck", bijgehouden
tot eenigen tijd na zijne landing in "Capo de Goede Hoop". Daar
kreeg ik prenten in handen, gedrukt in Amsterdam, in het einde
van de 17e eeuw, waarop de heldendaden van onze mannen in Afrika
werden afgebeeld; met den Tafelberg en de hem nabijzijnde bergen,
precies verkeerd geplaatst; daar zag ik de familieregisters van de
vele eerste Europeesche bewoners van de Kaapkolonie, tot voor kort
bijgehouden. Dat Afrika een vruchtbaar land is, laat geen twijfel,
na de inzage van deze registers. Zoo hebben o.a. de drie gebroeders De
Villiers, die hier ongeveer in 1670 uit Frankrijk landden, in die twee
en een halve eeuw een familie van eenige duizenden nakomelingen. Zij
zijn op dit oogenblik waarschijnlijk de talrijkste in Zuid-Afrika.

En wat ook in dat archief bewaard was, dat waren vele exemplaren van
fraai gekleurde en goed geteekende nieuwjaarswenschen, door brave en
gehoorzame jongelingen of jonge dochters aan hunne "Geagte Vader"
of "Waarde Moeder" of "Lieve Grootouders" gestuurd, en waarvan de
gedichten dikwijls duidelijk aangaven, dat zij van eigen maaksel
waren. Zij brachten mij mijne kinderjaren te binnen, toen ook
wij gewend waren zulke heilwenschen in gekleurde of gouden rand op
nieuwjaarsdag onze ouders aan te bieden. De ons rondgeleidende heeren
interesseerde het zeer, dat mijne landgenoote en ik hen op de hoogte
konden brengen van veel, dat zij ons lieten zien, doch niet konden
lezen of begrijpen.

Maar ook zag ik daar eenige exemplaren van oude Kaapstadsche
couranten, uit het begin der 18e eeuw, waarin in goed, zuiver
Hollandsch de berichten en mededeelingen gedrukt waren. Sommige
van die bladen bevatten echter naast de Hollandsche ook Engelsche
advertentiën. Opmerkelijk was het in een nummer van die courant eene
wet te zien afgekondigd, waarbij verboden werd om slaven aan andere
natiën te verkoopen en het zelfs tot plicht werd gesteld, om elk
schip, dat de kust aandeed en slaven inhield, aan te houden, terwijl
in datzelfde blad slaven te koop werd aangeboden en de slavenmarkt
op zekeren datum geannonceerd.

Ook woonden wij in het hof van justitie een terechtstelling bij en
hoorden later een van Kaapstad's knapste advocaten een pleidooi houden,
om "wat krom is rech te praat".

Dat wij op deze wijze in de veertien dagen van ons verblijf in
Kaapstad deze stad en hare instellingen en omgeving beter leerden
kennen dan menig ander vreemdeling en zelfs beter dan menig andere
Zuid-Afrikaander, is te begrijpen. Elken dag, als de zon scheen, bracht
men ons per auto of trein naar een ander mooi of interessant punt;
geen enkel oogenblik ging daar verloren, ieder beijverde zich om ons
verblijf voor ons zelf en ook voor de inwoners van de Kaapkolonie,
zoo vruchtdragend en aangenaam mogelijk te maken.

Mijne indrukken van Kaapstad zijn dan ook geheel anders dan op
den eersten dag; deze zal ik in het kort in den volgenden brief
neerschrijven.



II.


Kaapstad als stad is leelijk, doch zeer eigenaardig en
interessant. Geen mooie straten, geen groote pleinen, geen mooie
monumentale gebouwen. Alles ziet er haveloos en armoedig uit. Het is
alsof er de hand niet aan wordt gehouden en wat eenmaal verveloos of
door den tijd verbruikt is geworden, laat men niet weder opknappen of
repareeren. Ook in de gezinnen valt datzelfde op te merken. Natuurlijk
geldt dat niet voor de rijke familiën, maar zeer zeker wel in de
huizen van de middelklasse der bevolking. Voor een deel moet dit op
rekening gesteld worden van het bijna niet te gelooven feit, dat
de eigenaren dikwijls te arm zijn om de reparatiekosten te kunnen
dragen en voor een ander deel, dat er in Kaapstad en omgeving geen
goede werkkrachten, die reparatiewerk willen verrichten, te vinden
zijn. Als iets stuk is, dan moet het maar net zoolang stuk gebruikt
worden, tot het geheel onbruikbaar is geworden, want om dat iets te
laten maken, zou evenveel moeten kosten, als om het te vernieuwen.

Maar eigenaardig is Kaapstad in hooge mate. Naast de meest verouderde
gebruiken, gewoonten, instellingen, enz., vindt men er sommige van
de modernste soort. Naast de oude, afgebruikte, te vies om er in te
gaan zitten, wagens, met afgewerkte voortsukkelende paarden, staan
de nieuwste en mooiste automobielen in de straten en het is, alsof
de hansom, die in Londen afgedaan heeft, in bootladingen naar hier
zijn overgebracht. Electrische trammen doorkruisen zelfs de verst
afgelegen buitenwijken, wat eigenlijk geheel op zichzelf staande
dorpen zijn. Ook onderhoudt een geregelde spoordienst onophoudelijk
het verkeer met de buitenwijken.

Kosmopolitisch is Kaapstad in hooge mate. Niet alleen treft men hier
onder de witte menschen alle nationaliteiten aan, hoewel Britten en
Nederlanders het grootst in aantal zijn, doch ook van de kleurlingen
zijn hier alle nuances vertegenwoordigd. Het gele ras en de door
herhaalde kruising reeds bijna niet meer zwarte man en vrouw, gaan
hier door Kaapstad's straten naast zwarten en zwart-blauwen in alle
verscheidenheid. De kleine, fijn gebouwde, aapgelijke Bosjesman en
vrouw, de Hottentot, de Zulu, de Basuto, de Kaffer en alle andere
kleurlingen, probeeren hier in kleeding en gebruiken de Europeër na
te doen en zien er daardoor dikwijls allerbespottelijkst uit. Ook
enkele mooie exemplaren van het onvervalschte ras ziet men soms
in hun oorspronkelijke gedaante, en dikwijls sta ik in bewondering
zoo'n sterk gebouwde Zulu-vrouw, met haar kind op haar rug en een
zware vracht op haar hoofd, gade te slaan. De meeste aantrekking
oefenen evenwel de kleine, koolzwarte, schattige negerkindertjes
uit. Ofschoon zij dikwijls te vuil zijn om aangeraakt te worden,
kan ik ze toch nooit voorbijgaan, zonder ze even te liefkoozen, of
een stukje bonbon te geven. Mrs. Catt heeft reeds den wensch geuit om
op haar verjaardag van ons zoo'n klein nikkertje cadeau te krijgen,
maar het mag dan niet grooter worden.

Heel mooi en schilderachtig zijn ook de Kaapsche Maleiers, vooral
de vrouwen onder hen. Zoodra dezen in zekeren welstand leven, en
zoo zijn er velen, dan gaan zij naar Mekka en eenmaal daar geweest
zijnde, voelen zij zich ver boven haar andere rasgenooten verheven
en toonen dat zichtbaar, door evenals de Turksche vrouwen, met bedekt
gelaat langs 's Heeren wegen te loopen. Het geheele hoofd is dan met
een gekleurden, meestal zijden, doek omgeven en laat alleen oogen en
neus vrij. In hunne hel-kleurige japonnen, roze, blauw, groen of wit,
door stijfgesteven rokken uitstaande alsof er wijde crinolines onder
gedragen worden, met halssnoeren van soms okkernootgroote koralen,
en met allerlei andere versierselen, zien zij er recht mooi uit. De
oudere dames dragen graag zware zijden japonnen, ook van opvallende
kleur. Ontmoet ik een troepje van deze vrouwen, dan maak ik gaarne
een praatje en probeer dan zooveel mogelijk "de taal" te spreken,
maar zoodra zij merken, dat ik "de taal" niet meester ben en "hoog
Hollandsch" spreek, zooals men hier ons gewoon Hollandsch noemt,
dan antwoorden zij in haar gebroken Engelsch.

Dit spreken met kleurlingen, of het liefkoozen van de zwarte
negerkindertjes, wordt hier echter als hoogst onwelvoegelijk beschouwd
en herhaaldelijk ontvang ik afkeurende blikken van voorbijgaande
witte menschen, omdat ik mij met een kleurling op een voet van
gelijkheid onderhoudt. Al wat kleurling is, wordt hier met een
soort van verachting behandeld, waarvoor men geen afdoende reden kan
opgeven. Het idee, dat kleurlingen slaven zijn, met slavenkarakters en
slavennatuur en dat zij in geen enkel opzicht op voet van gelijkheid
mogen worden behandeld, omdat men hen dan totaal zal bederven, is
van den aanvang den blanken kinderen ingeprent en in hen vastgeroest.

Dat de kleurlingen in de Kaapkolonie echter het kiesrecht bezitten en
uitoefenen en men hen in dat opzicht met de andere mannelijke burgers
van de kolonie op voet van gelijkheid heeft gezet en hen zelfs boven
de blanke vrouwen heeft geplaatst, schijnt de witte menschen niet
tot nadenking te brengen.

Maar naast hen die den kleurling verachten en vernederen, staat een
kleine groep, die overdreven voor hen gevoelt. Ik zou deze menschen
op een lijn willen stellen met onze gevoelssocialisten, menschen die
zich socialist noemen omdat hun liefde gaat tot al wat zwak en teer
is en lijdt en zij door onberedeneerde gevoelsmotieven aangetrokken
worden door de nooden en behoeften van den arme, dien zij niet alleen
ten koste van alles willen helpen, doch die ook in hunne opinie hoog
boven de andere bevolking verheven staat. Van dat soort negervereerders
bezit men hier ook. Vooral de familie Schreiner, met Olive Schreiner
aan het hoofd, is een blinde vereerster van den kleurling. Haar
geheele politieke overtuiging heeft tot ondergrond "hoe 't best voor
den kleurling te zorgen". De negerkwestie is hier een groot politiek
vraagstuk; het heeft moeilijkheden gebracht bij de vaststelling
van de Unie en het zal steeds opnieuw moeilijkheden in de politieke
kringen brengen. In de Kaapkolonie hadden de negers het kiesrecht,
vóórdat de Unie der vier Staten tot stand kwam en men wilde en kon
daar dit recht den negers niet weder ontnemen. In Oranje Vrijstaat,
Natal en Transvaal beschouwt men den kleurling nog als een inferieur
wezen en wil men hem geen politieke rechten verleenen. Deze drie
Staten wilden niet toestaan, dat de Kaapsche neger aan de verkiezing
van het Unie-parlement deelneemt, en zoo is er dan nu een toestand
geschapen, waarin de neger in de Kaapkolonie wel mag deelnemen aan
de verkiezingen voor de gemeenteraden en het Kaapsche gouvernement,
doch niet aan de verkiezingen voor het Unie-parlement.

Zoo dom zijn de negers nu niet, dat zij zich deze verkorting van
rechten laten welgevallen, en bijgestaan door de mannen, die hen
willen steunen en helpen, omdat zij met hun lot zijn begaan, strijden
zij tot verkrijging van de volle burgerschapsrechten. De drie andere
Staten zullen echter in geen afzienbaren tijd toestaan, dat aan dezen
eisch wordt voldaan.

Wil men mooie negers en vooral mooie negerinnen zien, dan doet men
best een Woensdag- of Zaterdagmorgen vroeg naar de bloemenmarkt te
gaan, waar de wild groeiende planten in groote verscheidenheid van
kleur en soort door de van buiten komende kleurlingen ten verkoop
worden aangeboden. Manden vol sneeuwwitte aronskelken, die hier
pickflower genoemd worden om de groote hoeveelheid waarin zij op 't
land voorkomen; allerlei soort prachtige erica's, men zegt er zijn hier
tusschen de twee en drie honderd soorten; azalea's, violen, mimosa's,
etc., etc., worden dan voor "a tikkie a bunch", dat is drie stuivers
een groote bos, door de negerbevolking ten verkoop aangeboden. Bloemen
zijn hier zoo mooi en in zoo'n groote verscheidenheid van kleur,
dat wij daarover dagelijks meer in verrukking komen. En wij zijn nog
niet eens in het goede jaargetijde.

Het is hier namelijk winter, verschillende dames ziet men met mof en
boa loopen, maar wij vinden het daartoe niet koud genoeg. Als de zon
schijnt, is het zelfs warm en alleen 's avonds of op een regenachtigen
dag, gaan wij ons hier wat warmer kleeden. Het is voor ons hier als
in een warme Aprilmaand.

Hoewel ik Kaapstad als stad niet bewonderen kan, is toch de omgeving
van Kaapstad heel mooi. De weg van den Muizenberg naar Simonstad en
vandaar naar Milner's point, is zelfs indrukwekkend mooi en ik zelf
heb nooit een idealer zeekust gezien dan die, waarop het oog rust,
als men zich een oogenblik kalm op het witte zeestrand of op een rots
neerzet bij Milner's point.

Maar men behoeft niet zoo ver naar buiten te gaan om mooie plekken
te vinden. Vlak bij de stad, in twintig minuten met een electrische
tram te bereiken, ligt Camp's baay en Sea point, waar men eveneens
een prachtig zeegezicht heeft. Vooral bij opkomende zee en wanneer de
zee een beetje woelig is, kan men daar uren staan droomen, wanneer de
hoogopkomende golven tegen de rotsen te pletter slaan en tot hoog in
de lucht een uiteengespatte, wit schuimende massa naar boven werpen,
om daarna om en over de rots zich in haast te verspreiden.

Die niet van zee en bergen, doch meer van bosch en veld houdt, kan hier
ook genieten. Al de hier vlak omliggende, met tram of trein in tien
à twintig minuten te bereiken dorpjes zijn het best te vergelijken
met Bussum, Hilversum, Baarn enz., behalve dat zij buiten hun mooie
villa's en bosschen en wandelwegen, steeds een mooien achtergrond
van fraai gevormde bergen hebben en dat bloem en plant hier in veel
grooter verscheidenheid en schoonheid voorkomen.

Men zegt ons hier, dat Kaapkolonie de mooiste van de vier Staten van de
Unie is en dat alleen Natal voor een deel in natuurschoon de kolonie
nabijkomt. Niettemin verkeert de Kaapkolonie thans in geen goede
financieele en economische conditie, omdat in den laatsten tijd alles
zich in Transvaal schijnt te concentreeren. Tal van huizen, zoowel
in de stad als in de buitenwijken, staan leeg en alle neringdoenden
klagen over slechte tijden. Handel en scheepvaart schijnen zich meer
naar 't oosten van het land te verplaatsen en men hoort zelfs door
sommigen beweren, dat Kaapstad eenmaal een doode stad zal worden.

Onze tijd is hier nu langzamerhand verstreken, morgenochtend gaan mijne
landgenoote en ik per trein van hier, mrs. Catt met hare landgenoote
gaat per boot, en wij zullen ons Donderdag in Port Elisabeth weder
vereenigen.

Ik heb de spoorreis verkozen, omdat ik daardoor meer van het land
kan zien en in de gelegenheid ben een bezoek aan Olive Schreiner te
brengen. In Port Elisabeth zullen wij ook ongeveer een week blijven,
tal van vergaderingen zijn reeds voor ons uitgeschreven. Daarna gaan
wij naar Grahamstown, Bloemfontein en Kimberley. Dan nemen wij eenigen
tijd rust; dat wil zeggen, dan gaan wij geheel alleen veertien dagen
voor pleizier op reis en gaan dan naar de Victoria-falls in Rhodesia,
die als het grootste wereldwonder beschouwd worden. Wanneer wij
van daar terugkomen, gaan wij naar Pretoria, Johannesburg, Pieter
Maritzberg en Durban, waar reeds overal de voorbereiding voor onze
komst in vollen gang is.

Van onzen tocht door Rhodesia stellen wij ons zeer veel voor, alles
wat wij er van hooren, doet onze verwachting stijgen. Maar nu wachten
ons eerst veertien dagen van hard werken, met vele vergaderingen,
recepties, tea's, etc.


                                                           22 Aug. 1911.



DE REIS NAAR PORT ELISABETH EN BEZOEK BIJ OLIVE SCHREINER.


Dinsdagmorgen 22 Augustus 1911 om 11.30 zou de trein vertrekken,
die ons van Kaapstad naar de Aar en vandaar naar Port Elisabeth zou
brengen. Reeds vroeg waren wij in de weer om al onze zaken te pakken,
onophoudelijk gestoord door de komst van dames en heeren, die ons
nog voor het laatst de hand wilden drukken en ons bloemen en bonbons
voor de reis aanboden. Wij zouden zeer zeker den trein gemist hebben,
als wij niet, op het laatste oogenblik aan het station komende, tal
van gedienstige vrienden daar vonden, die voor onze bagage zorgden en
ons naar den op het punt van vertrek staanden trein brachten. Daar
was in het midden van den trein een eerste klasse wagen voor ons
gereserveerd en er werd mij een brief overhandigd van den directeur
der Z.-Afrikaansche spoorwegen, die ons op onze geheele reis door
Z.-Afrika van grooten dienst zal zijn. De inhoud van den brief luidt:
"dat in het centrum van den trein een eerste klasse wagen gereserveerd
moet worden voor dr. Aletta Jacobs en mrs. Boersma, waar zij in
Z.-Afrika met den trein reizen en dat voor deze dames bijzondere
zorg moet worden gedragen gedurende hare geheele reis". Ook mrs. Catt
ontving voor zich en hare landgenoote zoo'n brief.

Dit maakt het reizen voor ons hier veel gemakkelijker en het heeft
veel te beteekenen, omdat wij nu de nachten in den trein rustig
kunnen doorbrengen en niet bevreesd behoeven te zijn, dat onze deur
telkens wordt opengegooid om een nieuwen passagier uit of in te
laten. Als men bedenkt, dat Port Elisabeth, nog behoorende tot de
Kaapkolonie, en op de kaart nog geen duimbreed liggende van Kaapstad,
twee nachten en bijna twee dagen eischt om er te komen en dat wij
verder op onzen weg misschien wel twintig nachten in den trein moeten
doorbrengen, dan begrijpt men hoe ingenomen wij met het bezit van
dezen brief zijn. Onze vice-consul, de heer Loopuyt, en de reeds
vroeger genoemde sir James Innes, hebben zich blijkbaar voor deze
attentie groote moeite getroost. Met Kaapstad achter ons moet ik
verklaren, dat wij daar onvergetelijke dagen hebben doorgebracht,
dat de gastvrijheid en vriendelijkheid der bewoners geene grenzen
kent en dat wij tevens het gevoel met ons kunnen medenemen, dat wij
daar nuttig werk verricht hebben en enthousiasme hebben gewekt voor
de groote zaak, waarvoor de vrouwen in de eerste plaats hebben te
strijden, het vrouwenkiesrecht. De dank, die ons daarvoor van alle
kanten werd aangeboden, de verslagen en berichten over ons verblijf
in Kaapstad in alle couranten en de brieven met uitnoodigingen, die
ons nog steeds uit alle oorden van Z.-Afrika bereiken, zijn ons voor
dat laatste een bewijs.

De reis van Kaapstad naar de Aar is waard per spoor gedaan te
worden. Men gaat dan door een zeer mooi gedeelte van de Kaapkolonie. De
eerste uren gaat men afwisselend door een streek met fraai gevormde
hooge bergen, alle met dat eigenaardige blauw-violette waas omgeven,
waarover ik reeds vroeger schreef en dat waarschijnlijk 'n gevolg is
van den plantengroei op de bergen; dan weder gaat men door mooie dalen
met mimosabosschen, thans in vollen bloei, of met hooge, nu in frisch
blad staande, eucalyptusboomen, met peperboomen en rijk met vrucht
beladen sinaasappel- en citroenboomen, met schapen, koeien en paarden
in de weiden. Maar ook de heidevelden, vol met de meest verschillende
heideplanten in bloei, een geheel ander beeld vertoonende dan onze
heide, leveren aangename afwisseling. Tegen vier uur bereikten wij
de Hex-rivierbergen, alléén op de toppen met een dikke laag sneeuw
bedekt. Met een locomotief voor en een achter den trein werden wij
de steile hoogte opgesleept en kon men zich een oogenblik in een van
de fraaie gedeelten van Zwitserland wanen. De vorming der bergen is
hier echter anders dan in Zwitserland en ook die in Noorwegen evenaart
zij niet. Z.-Afrika's bergen hebben hun eigen vorm en vooral ook hun
eigen charme, die met niets, wat ik tot dusver in bergstreken zag,
te vergelijken is.

Maar wat voor ons even interessant is als de mooie natuur, die wij
passeeren, dat zijn de Kaffer-kraals, die wij voorbijtrekken, de
dikwijls vlak aan den spoorweg grenzende struisvogel-farms, en de
soms zeer eenzaam liggende groote boerenhofsteden.

Toen wij Woensdagochtend in den trein ontwaakten, bevonden wij ons
midden in de Karoo (spreek uit "Keroe"). Toen ik in Kaapstad de
beteekenis van dat woord vroeg, wilde men mij volstrekt inpraten,
dat het een Hollandsch woord was, maar ten slotte wist een van
de professoren van de Z.-Afrikaansche Hoogeschool mij toch in te
lichten. De Hottentotten noemen 'n verdord boschje of boompje haroo, en
daarvan is door de Europeanen ten slotte het woord karoo gemaakt. Dit
is gemakkelijk te verklaren, als men bedenkt, dat in Oost-Indië de
h veelal wordt uitgesproken als g en de Oost-Indische Compagnie hier
vroeger veel menschen aan wal zette. De Karoo is 'n groote woestenij,
waarop bijna niets dan kleine stoppels en allerlei soort cactussen
groeien. Dor en droog ziet zij er uit, doch met de bergen op den
verren achtergrond, en de soms prachtig in bloei staande cactussen
en aloëplanten, biedt zij toch genoeg afwisseling.

Om elf uur bracht de trein ons Woensdagmorgen in de Aar, de woonplaats
van Olive Schreiner. Zij zelf stond ons, als een welkomstgroet, met een
bos riekende viooltjes, uit eigen tuin geplukt, aan het station op te
wachten. Haar nichtje, Dot Schreiner, de dochter van haar broeder,
den vroegeren eersten minister van de Kaapkolonie, die wij reeds
van uit Kaapstad kenden, vergezelde haar. De ontmoeting was als van
oude bekenden, er behoefde geen ijs gebroken te worden; zij was mij
uit hare geschriften eene geestverwante gebleken en door Londensche
wederzijdsche vrienden was ook ik haar niet onbekend. Zij is eene
kleine vrouw, en tamelijk gezet. Als zij in een levendig gesprek hare
lieve oogen op mij vestigde, dan riep zij steeds het beeld van onze
sympathieke Helene Mercier mij voor den geest. Onwillekeurig moest ik
telkens vergelijkingen maken tusschen deze twee groote vrouwen. Ook
bij deze talentvolle Zuid-Afrikaansche vrouw sprak uit elk woord hare
groote, alles overheerschende liefde voor de menschheid. Liefde,
die het sterkst spreekt voor alles wat hulp en steun noodig heeft;
eene liefde, die den sterken en machtigen hunne fouten, tegenover
zwakken en hulpbehoevenden begaan, vergeeft, omdat zij die aan
niet-begrijpen toeschrijft; hare machtige pen gebruikt zij om de
zwakken te steunen, door de sterken te doen begrijpen. Wel is haar
vertrouwen in de menschheid geschokt door alles wat zij doorleefd
heeft, doch alleen dan, wanneer zij over den Zuid-Afrikaanschen oorlog
spreekt en alles wat men haar toen heeft aangedaan, ligt bitterheid
in haar stem. Overigens hoopt zij nog steeds op een betere wereld, met
mensch-menschen, wanneer eenmaal de gouddorst der menschheid verzadigd
zal zijn en men zich een gelukkig bestaan alleen kan denken in eene
omgeving met toestanden, die zooveel mogelijk elkeen een menschwaardig
bestaan veroorlooven. O, wat zou zij gaarne al haar tijd en krachten
geven om op hare wijze en met haar pen het Evangelie, zooals zij dat
opvat, op aarde te verkondigen, als zij niet door ander werk in beslag
werd genomen.

En door welk werk en hoe? Deze vrouw is niet rijk, zij bezit niet eens
zooveel en verdient niet zooveel met haar pen, en haar man ook niet,
dat zij behoorlijk in haar kleine woning bedienden kan houden. Zij
woont in eene woestenij. De Aar ligt midden in de Karoo en het is een
zeer klein dorpje, alleen bewoond door wat spoorbeambten, hier en daar
verspreid wonende boeren en kleurlingen. Te midden van eene groote,
stoffige open vlakte staat het kleine witte huisje van Olive Schreiner
en haar man, omgeven door een tuintje, door hen zelven aangelegd
en hen zelven onderhouden. Bedienden bezitten zij niet, eenige uren
daags komt een zwarte vrouw het allervuilste werk verrichten. Brood
kneden en bakken, de wasch doen, het huis schoon houden, het eten
koken en bereiden, kortom alles wat in een primitieve huishouding
gedaan moet worden, verricht hier Olive Schreiner. Des zomers is het
in de Aar zoo heet, dat het er onhoudbaar is, en daar er geen boomen
staan, om schaduw af te werpen, zendt de zon hare gloeiende stralen
regelrecht op haar huisje. Om dan eenigszins beschut te zijn, gaat zij
dikwijls, zoo vertelde zij ons, onder de tafel zitten en laat zij door
'n afhangend tafelkleed de warmte tegenhouden.

Op mijn vraag, waarom zij daar bleef wonen, zoo ver af van
alle beschaving en ontwikkeling, en zoo eenzaam en ongezond,
terwijl uit alles bleek hoe hare geest zich verzette tegen de haar
opgedrongen omgeving, antwoordde zij treurig: "ik moet". Vóór den
Zuid-Afrikaanschen oorlog bezat haar man eene farm in Transvaal en
konden zij genoeg bedienden houden, zoodat zij veel van haar tijd
aan schrijven kon wijden, maar in dien oorlog hebben zij alles,
wat zij bezaten, verloren en nu oefent haar man den niet lucratieven
werkkring uit van, in het Hollandsch uitgedrukt "makelaar in onroerende
goederen". Zijn werkkring ligt in de Aar en omstreken en nu is zij
gedwongen om daar te wonen, of alleen van haar pen te gaan leven
en haar man te verlaten. Daaraan wil zij evenwel niet denken en met
haar man in de Aar leven, beteekent voor haar al haar tijd aan het
huishouden wijden en slechts in de zoogenaamd verloren oogenblikken
de gedachten, waarvan haar hoofd vol is, neer te pennen.

Daarbij komt, dat hare gezondheid zeer zwak is en door de ontberingen
en zenuwstorende invloeden in haren verbanningstijd zeer veel
heeft geleden. Zij is zeer asthmatisch en haar hart werkt niet
goed. De atmosfeer in de Aar, droog en stoffig en heet, werkt niet
gunstig op haar gestel. Zij was zeer dankbaar voor ons bezoek. Zoo
nu en dan eens met geestverwanten te mogen spreken, eens weder wat
nieuwe indrukken op te doen, was al het genot, dat haar nog af en
toe ten deel viel. Hoe troosteloos mij haar heele omgeving en haar
levensomstandigheden ook leken, zij zelve was, althans dien dag,
zeer opgewekt en welgemoed. Zij had hare couranten en vriendenbrieven
en leefde in gedachte het leven mede van de vrouwen in de geheele
wereld. De groote strijd voor politieke rechten had niet alleen
hare volle sympathie, maar zij voelde, evenals ik, dat deze strijd
eerst ten einde volbracht moest worden, alvorens de vrouwen aan iets
anders mogen denken. Zij zag met haar grooten vooruitzienden blik
al de groote gevolgen, die de politieke vrijmaking der vrouw voor
den Staat en het gezin te beteekenen zal hebben. Telkens trachtte
zij mij over te halen om in Zuid-Afrika te blijven, totdat daar deze
strijd gewonnen zal zijn. Zij was van meening, dat de Afrikaansche
vrouw, vooral de Boerin, het kiesrecht maar behoeft te wenschen, om
het in Zuid-Afrika een voldongen feit te doen worden en zij meende,
dat ik, als Hollandsche, in staat zou zijn, die Boerenvrouwen te
overtuigen. Terwijl wij bij haar zaten, telegrafeerde zij naar eene
vriendin van haar in Graaff Reinet, een plaats niet ver van Port
Elisabeth, om toch vooral eene bijeenkomst te beleggen en mij uit te
noodigen, daar te komen spreken. Daar wonen vele Hollanders en daar
is een centrum van tegenstand.

De levensgeschiedenis van Olive Schreiner is, in een paar woorden
samengevat, deze: Zij is de dochter van een Duitschen vader en
Engelsche moeder en in Zuid-Afrika geboren. In haar jeugd bracht zij
een tijd in Londen door voor hare opvoeding. Later kwam zij, in 1880,
weder naar Londen en bleef er toen bijna tien jaren. In dien tijd
leerde zij vele groote mannen en vrouwen, vooral op literair gebied,
persoonlijk kennen. Havelock Ellis, Bernhard Shaw, Eduard Carpentier,
Zangwill, etc. zijn hare trouwe vrienden, met wie zij nog een levendige
correspondentie onderhoudt.

Maar ook onder de Engelsche suffragettes heeft zij vele goede
vrienden. Met Emmeline Pethick Lawrence en haar man dweept zij. Zij
noemt zich gelukkig, omdat zij nog heeft mogen beleven den strijd,
die door de militante strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Engeland
gestreden wordt. Zij was 't zich altijd bewust, maar zij had
niet gedacht 't te zullen beleven, dat vrouwen voor een groote
zaak op groote wijze konden strijden, en in dien strijd haar mooi
vrouwenkarakter behouden. "Deze strijd is grootsch," zeide zij, "omdat
hij zooveel offers eischt van de tegenwoordige vrouw, en de vruchten
er van ten goede zullen komen aan de vrouw der toekomst. En wat
dezen strijd nog grootscher maakt, is, dat de vrouwen uit de hoogere
kringen der samenleving betrekkelijk de grootste offers brengen, ter
verkrijging van een beter leven voor de vrouwen uit de lagere kringen."

Laat mij verder gaan met Olive Schreiner's levensschets.

Toen zij ongeveer 1890 in Zuid-Afrika terug kwam, moest zij in eigen
levensonderhoud voorzien. Zij werd gouvernante in 'n Boerenfamilie,
waarvan zij de vier kinderen moest opvoeden. Daar leerde zij haar man
kennen, den heer Cronwright, met wien zij in 1894 huwde. In dien tijd
hadden reeds verschillende boeken en tijdschriftartikelen van haar
het licht gezien en bezat zij reeds als schrijfster een gevestigden
naam. Om die reden wilde haar man niet, dat zij om zijnentwille haar
naam opgaf en besloot hij zich Cronwright-Schreiner te noemen, terwijl
zij haar naam behield. Uit dit huwelijk werd één kind geboren, dat
zeer jong stierf. Het verder verloop van haar leven, dat zij in den
oorlog al haar bezittingen verloren, enz., heb ik reeds boven vermeld.

Den geheelen dag, tot wij 's avonds ongeveer 9 uur verder moesten gaan,
brachten wij met haar door en wederzijds werd het betreurd, dat het
bezoek niet langer kon duren. Er waren nog zooveel punten, waarover
wij van gedachten wilden wisselen, nog zooveel vragen wilde zij doen,
nog zooveel wilde zij weten van de positie der Nederlandsche vrouw en
haren strijd voor verheffing, maar de dag was om, alvorens wij er goed
aan dachten. Het afscheid was als van een paar oude, goede vrienden;
treuriger echter, omdat het hoogstwaarschijnlijk een afscheid voor
altoos is, en de vriendschap alleen door correspondentie onderhouden
kan worden.

In den trein legden mijne reisgezellin en ik ons spoedig ter ruste,
in de hoop een goede nachtrust te genieten. Wij sliepen veel beter
dan den eersten nacht, aan de schokken en schommelingen van den trein
eenigszins gewoon geraakt. Toen wij Donderdagmorgen ontwaakten,
bevonden wij ons nog steeds in een groote, dorre omgeving, met
onophoudelijk vlak langs den weg groote struisvogelhoeven. Hier en daar
werden de eieren dezer vogels voor eenige pennies aan den trein ten
verkoop aangeboden; wij hadden echter liever struisvogelveeren gekocht.

Nu en dan gingen wij weder Kafferdorpen voorbij en zagen wij de echte,
nog door geen Europeaan bedorven en gekruiste, Zulu's en andere
rassen. Toen mijne reisgezellin van een troepje Kafferkinderen een
foto wilde nemen, op een plaatsje, waar wij om water in te nemen
even stopten, gingen zij allen in een rij staan en riepen de andere
vriendjes: "Kom, kom, missus wil neem es". Een stukje chocolade,
aan elk hunner ter belooning gegeven, verdween onmiddellijk in de
vuile mondjes van al de jongetjes, doch al de meisjes bekeken het,
dankten ons met een lief lachje en verdwenen er mede naar moeder.

Om vier uur stoomde de trein Port-Elisabeth binnen en wij waren weldra
omringd door eenige dames, die ons van den trein kwamen halen en
naar 't hotel brachten. Men had ons alle vier 's morgens met de boot
verwacht en dien dag een garden-party gearrangeerd in de mooie woning
en tuin van den heer en mevrouw Macintosh, alwaar Mrs. Catt reeds
was. In haast konden wij ons even wasschen en wat opknappen en nog vóór
vijf uur waren wij reeds in het midden van Port-Elisabeth's high-life.

Het laat zich aanzien, dat ons verblijf in Port-Elisabeth niet minder
druk en vermoeiend zal zijn, dan dat in Kaapstad.



ONS VERBLIJF IN PORT ELISABETH.


Port-Elisabeth is een geheel andere stad dan Kaapstad. Hoewel het
slechts ongeveer 40.000 inwoners heeft, waarvan de kleinste helft
kleurlingen zijn, gevoelen wij ons daar toch veel meer in Zuid-Afrika
dan in Kaapstad.

De kleurlingen zijn er veel oorspronkelijker, leven meer in hun
natuurstaat. Hollanders wonen er bijna niet. Het zijn Engelschen
en Duitschers, die de blanke bevolking vormen. Natuurschoon is er
niet veel. Ofschoon Port Elisabeth aan de Indische Oceaan ligt,
mist het toch de mooie punten aan zee, die wij in Kaapstad konden
bewonderen. Alleen aan de Schoenmakerskop vindt men eenige mooie
rotspunten, die vooral bij opkomende zee, een mooi zeegezicht
opleveren. De omgeving van Port-Elisabeth is heuvelachtig, doch hooge
bergen mist men er. Het is er echter boschrijk, maar de bosschen
bestaan in hoofdzaak uit laag geboomte.

Reeds in het hotel gevoelden wij ons in een andere omgeving. Werden
wij in Kaapstad in het Mount Nelson hotel in eetkamer en slaapkamers
uitsluitend bediend door Zwitsersche kellners en kamermeisjes, in het
Grand Hotel in Port-Elisabeth bestaat het geheele dienstpersoneel uit
kleurlingen. In de eetkamer was een geheele staf koolzwarte Indiërs,
die in hunne witte kleeding met roode sjerpen, alleen de ober-kellner
draagt een blauwe sjerp, en hunne witte hoofddoeken er zindelijk en
netjes uitzien en veel attenter bedienen dan de soort waaraan wij
gewoon zijn.

Het is duidelijk zichtbaar, dat Port Elisabeth van jonger datum is
dan Kaapstad, alles ziet er nog zooveel nieuwer en frisscher uit. Er
heerscht ook meer algemeene welvaart. Het gaat den menschen hier
over 't algemeen goed. Voor een groot deel leeft de stad van de
struisvogelteelt en van den handel in struisveeren. Overal in de
buurt zijn groote uitgestrekte struisvogelhoeven, waar honderden
van deze vogels gehouden worden. Als men bedenkt, dat een paar
struisvogels soms duizenden guldens vertegenwoordigen, dan kan men
eenigszins de welvaart berekenen van een eigenaar van een groote
struisvogelhoeve. Het onderhoud van die beesten is niet duur, terwijl
hunne eieren, doch hunne veeren vooral, kapitalen opbrengen. Daarbij
komt nog, dat deze beesten een zeer hoogen ouderdom kunnen bereiken,
soms 150 jaar oud worden, zoodat, als er geen ongelukken gebeuren,
het bezit van eenige struisvogels een vaste jaarlijksche rente
afwerpt. Soms breekt er wel eens een ziekte onder die beesten uit,
maar tegenwoordig is men wel zoo op de hoogte van de oorzaken er van,
dat met goede voorzorgsmaatregelen dit zeer wel te voorkomen is.

Het geheele jaar door is er elken Maandag-, Dinsdag-, Woensdag-
en Donderdagmorgen in Port Elisabeth eene publieke veiling van
struisvogelveeren. Veerenhandelaars, die met huizen in Londen, Parijs,
New-York, Weenen etc. direct in verbinding staan, koopen dan bij opbod
en afslag, duizenden kilo's struisvogelveeren. Het aantal kilo's dat
elken morgen gedurende het geheele jaar verkocht wordt, bedraagt
tusschen de 1500 en 10.000 kilo's. Men kan zich nu een denkbeeld
vormen van den handel in dat artikel. Als de veeren verkocht zijn,
dan worden zij verscheept naar alle oorden van de wereld.

Opgemaakte echte veeren, zooals wij ze gaarne allen hadden willen
koopen, kan men goedkooper en beter in Londen of Parijs dan in Port
Elisabeth verkrijgen, want al wat daar verkocht wordt, is eerst in
die wereldsteden geweest om de behandeling te ondergaan, die noodig
is, om ze tot sieraad te doen strekken op dameshoed of als boa. Hier
kent men de finesse's van dat werk niet.

Wij bleven een week in dit vriendelijke, doch oninteressante stadje en
hadden elken dag een vergadering, tea, avondpartijtje of zoo iets door
te maken, waar natuurlijk altijd over vrouwenkiesrecht moest Worden
gesproken. Wij hadden ons echter vast voorgenomen, ons niet meer zoo
te overwerken als wij in Kaapstad gedaan hadden en hadden daarom de
werkzaamheden onderling verdeeld. De beweging voor vrouwenkiesrecht
is hier geheel in handen van de Engelsche vrouwen, de Duitsche vrouwen
bemoeien zich er weinig mede en Hollandsche vrouwen komen hier slechts
zeer sporadisch voor.

Zoo sprak Mrs. Catt alleen op een openbare vergadering, die door
den burgemeester van de stad gepresideerd werd. De zaal was stampvol
met mannen en vrouwen uit alle kringen. De burgemeester maakte een
poover figuur; hij las zijn drie minuten lang openingsspeechje met
't papier in de hand voor en kon schijnbaar zijn eigen handschrift
niet goed lezen. Van leiding der vergadering was geen sprake;
gelukkig dat de presidente van de vrouwenkiesrechtvereeniging naast
hem zat, om hem voor al te groote fouten te behoeden. Hoe hij de
gemeenteraadsvergaderingen zal leiden, waar hij geen kranige vrouw
aan zijn zijde heeft om hem den weg te wijzen, is gemakkelijk uit
zijn houding van dien avond op te maken.

Mrs. Catt hield eene van hare zeer overtuigende redevoeringen en
bevestigde daarmede niet alleen, ook voor de bewoners van Port
Elisabeth, hare reputatie, een eerste spreekster te zijn, doch
overtuigde de weifelende mannen en vrouwen van de noodzakelijkheid
van onzen strijd en van de gunstige gevolgen, die de invoering van
vrouwenkiesrecht voor staat en gezin met zich zal brengen. Na hare
rede voelden vele vrouwen, dat het hare plicht is aan dien strijd
deel te nemen, of ten minste door haar lidmaatschap te bewijzen,
dat zij het met deze beweging eens zijn.

Den volgenden dag sprak ik alleen ook voor een overvolle zaal, doch
nu uitsluitend uit vrouwen bestaande, over de zedelijkheidskwestie
in verband met vrouwenkiesrecht. Deze vergadering ging uit van
de Christelijke vrouwenvereeniging, die strijdt voor zedelijke
verheffing. Ook na deze lezing traden tal van vrouwen tot de bestaande
vrouwenkiesrechtvereeniging toe.

Nog verschillende huishoudelijke vergaderingen met bestuur en leden
werden door ons gehouden, om den vrouwen den weg te wijzen den strijd
met vrucht te voeren, terwijl nog een vergadering in Uitenhage gehouden
werd, waar Mrs. Catt alleen sprak, omdat daar geannonceerd was, dat
ik in het Hollandsch zou spreken, doch de daar wonende Hollanders,
of liever de taal sprekende Afrikaanders, niet opgekomen waren. Er
was bovendien ook geen tijd voor twee spreeksters dien avond, omdat
wij nog met den laatsten trein naar Port Elisabeth terug moesten.

Niet alleen met woorden, doch ook met geschenken van allerlei aard,
bedankten de vrouwen van Port Elisabeth ons voor onze hulp. Zij zeiden,
dat zij zich als kinderen gevoelden, die gaarne den goeden weg wilden
bewandelen, doch vóór onze komst niet goed geweten hadden, hoe dien
te vinden. Zij zullen nu flink aan het werk gaan en hopen spoedig
vruchten te kunnen plukken, die zij dan niet zullen genieten zonder
aan ons te denken.--Alles groeit snel in Zuid-Afrika; een boom, in
't eene jaar geplant, geeft een of twee jaar later dikwijls reeds
vruchten, misschien gedijt de vrouwenkiesrechtbeweging er even vlug.

Na er juist een week vertoefd te hebben, vertrokken wij Donderdag 31
Aug. des morgens ruim 8 uur. Ons doel was nu Bloemfontein, het kleine,
vriendelijke stadje, de hoofdplaats van Oranje-Vrij staat, dat wij
na eene reis van vier-en-twintig uur bereikten. De afstanden zijn
hier groot en de treinen gaan niet zeer snel, zoodat wij nog menigen
nacht in den trein zullen moeten doorbrengen. De treinen zijn echter
zeer comfortabel ingericht en op vertoon van onzen introductiebrief
kregen wij ook nu weder gereserveerde compartimenten. Geen oogenblik
vonden wij de reis te lang; wij passeerden onophoudelijk iets, dat
onze aandacht trok, doordat het land nieuw voor ons is.

In den beginne amuseerden wij ons met het gezicht op de tallooze
struisvogels, die soms vlak langs de spoorbaan in hunne door
ijzerdraad afgezette, oneindige vlakten ronddoolden en af en toe
in groote groepen met den trein meerenden, alsof zij een race met
den trein wilden houden. Soms zagen wij de struisvogelhanen hunne
vrouwtjes het hof maken, door een zwierige wals voor haar uit te
voeren, waarbij zij dan de vleugels uitspreidden, ze een beetje op
en neer wuifden en ons een pracht van fraaie vederen vertoonden.

Later passeerden wij talrijke, voor ons nog zeer nieuwe, Kafferdorpen,
waar de kindertjes in den echten natuurstaat rondliepen en de oudere
bewoners net zoo veel kleeding aan hadden als voor onze begrippen
van zedelijkheid noodig is. Sommige oudjes van dagen hadden het wel
een beetje koud en hadden daarom een geelroode deken om de schouders
geslagen. Het was mij reeds opgevallen, dat die geelroode kleur,
geheel overeenkomende met de kleur van het zand in vele van die
streken, een geliefkoosde kleur van de kleurlingen moet zijn, omdat ik
zoovele van hen gekleed zag,--voor zoover hier van kleeding sprake kan
zijn,--in het een of ander tooisel van die kleur. Men vertelde mij,
dat de kleurlingvrouwen eenvoudig een witten lap nemen en dien in wat
zandwater eenigen tijd laten liggen, om hem die fraaie geelroode tint
te geven.

Niettegenstaande wij reeds om acht uur 's morgens in Bloemfontein
aankwamen, werden wij toch aan den trein opgewacht door eenige
bestuursleden van de vrouwenkiesrechtvereeniging, die ons naar
het Hotel Bloemfontein brachten, waar kamers voor ons gereserveerd
waren. De ontvangst was zeer hartelijk, men was blijde met onze komst.

Bloemfontein is een klein stadje met een bevolking van ongeveer 10.000
blanken en een dubbel aantal kleurlingen. Deze kleurlingen leven bijna
uitsluitend in twee groote buitenwijken, die ieder een klein dorp op
zichzelf vormen. Mijne Hollandsche reisgezellin en ik konden den lust
niet weerstaan om, nadat wij ons wat verfrischt en ontbeten hadden, een
kijkje te nemen in de dichtst bijzijnde wijk. Wij hadden ons voorzien
van een grooten zak chocolaadjes, om de kinderen en vooral de moeders
goed te stemmen, want ons voornemen was om eenige photographische
opnamen te maken, indien dat mogelijk bleek. Wij troffen het
uitstekend, want tegen dat wij in Wijhoek, dat is de naam van een
van de wijken, aankwamen, ging juist de school uit. Eerst schonken
de kinderen ons geen bijzondere aandacht, maar toen zij merkten,
dat wij hen gadesloegen en mijne vriendin hare camera gereed maakte,
kwamen een paar van de oudste meisjes naar mij toe en vroegen beschaafd
"will that lady photo us?". Ik antwoordde in gedachte "ja" en direct
daarop zei een der meisjes: "O, jij bent Afrikaander". Het bleek toen,
dat die schoolmeisjes ven 10 tot 14 jaar allen drie talen spraken,
het Engelsch, de taal, en haar eigen zeer gecompliceerde Kaffertaal.

Wij beloofden haar elk een chocolaadje, als zij een groepje wilden
vormen en even staan wilden blijven om gephotographeerd te worden
en gaarne voldeden zij aan ons verzoek. Het was een aardige groep,
al die onvervalschte natuurkinderen, met lei en boeken gewapend en
bijna allen pen of potlood in haar dik kroezige haren. Zij droegen
allen, zoo te zeggen, een jurkje over het overigens bloote lichaampje.

Toen wij aan het chocolaadjes uitdeelen waren, kwamen van alle kanten
moeders, met hare kleinen op den rug gebonden, een chocolaadje
voor hare bébé vragen en spoedig waren wij met dat volkje in een
interessant gesprek. De jonge meisjes moesten daarbij dikwijls voor
tolk dienen, want het taaltje van de oudere dames konden wij niet
altijd verstaan. Het bleek meestal iets goedigs of vriendelijks te
zijn, wat zij ons te zeggen hadden, en zij wilden weten van welk land
wij kwamen.

Onderwijl wij ons met dat groepje onderhielden en eenige aardige
photographische opnamen maakten, kwam een jonge man, netjes uitgedost,
uit een der huisjes loopen en bleef schuchter op eenigen afstand
van ons staan. Hij droeg geel lederen schoenen, een nauwen grijzen
pantalon, dien hij met een paar knippen, zooals de heeren voor
fietsrijden gebruiken, nog nauwer om de enkels had gemaakt. De
pantalon werd met een damesceintuur om het midden opgehouden. Een
bruin open jasje, een bont gekleurde cachenez en een grijze vilten hoed
voltooiden dat toilet. O neen, hij balanceerde nog heel gracieus met
een spiksplinternieuw wandelstokje; het geheele overige toilet droeg
de sporen van kersvers uit een uitdragerswinkel gekomen te zijn. Hij
riep ons iets toe, wat wij niet verstonden; daarop vroegen wij hem
naderbij te komen en toen kwam het vriendelijk verzoek of Missus
hem nemen wilde in dat ding, (hij wees op de camera), hij had voor
't eerst een nieuw pak aan, gekocht van het geld, dat hij, ik weet
niet waar, in een mijn had verdiend. Mevr. B. besloot direct aan dat
onschuldig verzoek te voldoen en vertelde hem op welken afstand hij
moest gaan staan. Toen kreeg hij vertrouwen in ons en vroeg ons raad,
"of 't mooier zou zijn als zijn jasje toegeknoopt of open stond, hoe
hij den cachenez moest dragen en hoe zijn hoed moest zitten." Toen
wij hem eindelijk met zijn toilet in 't reine hadden gebracht, was
hij nog niet zeker hoe hij zijn stokje moest houden en hoe hij zijn
gezicht moest trekken. Bij dat alles behielden wij beiden met groote
moeite den noodigen ernst, maar toen intusschen nog een andere jonge
man uit een ander hutje was komen aanloopen, met een oranje en rood
gestreepte reisdeken om de schouders geknoopt, ons zeggende, dat hij
vandaag voor 't eerst een doek droeg, die hij voor zijn eigen verdiend
geld gekocht had en daarmede nu zoo graag door Missus genomen wilde
worden, konden wij den ernst toch moeilijk bewaren. Ook aan zijn
dringende bede werd voldaan en nu kwam het aardigste. Beide mannen
vroegen ons waar de Missus woonden en wanneer zij hun prent konden
halen. Wij vertelden hun, dat wij elk een prent zouden sturen, als
zij ons nauwkeurig hun adres opgaven.

Met een potlood en op een stukje afgescheurd papier van een brief,
in de negertaal geschreven, schreven de heeren Carrington Marrah en
Jesetbelo hunne adressen en stelden ons die ter hand. Toen vroegen zij
of zij niet vooruit moesten betalen, zij wilden dat gaarne doen en of
wij anders goed ons adres wilden opgeven, opdat zij het geld konden
sturen. Zij waren ten hoogste verbaasd, dat zij er niets voor hadden te
betalen, en geloofden maar half, dat wij het met de toezending eerlijk
meenden. Mevrouw B. vertelde hun toen nog eens, dat zij over eenige
dagen beslist hun portret zouden ontvangen, en dat zij dan alleen
aan het hun dan op te geven adres een bedankbrief moesten zenden.

Dat beloofden zij herhaaldelijk en met oogen, schitterende van trots
en inwendige vreugde, namen deze zwarte broeders afscheid van ons en
wij verlieten daarna deze voor ons hoogst interessante buurt.


                                                           2 Sept. 1911.



ONS VERBLIJF IN BLOEMFONTEIN.


Dienzelfden Vrijdagavond, den 2en September, woonden mevrouw B. en
ik eene bijeenkomst bij, die meer dan iets anders ons den geest en
het karakter van de Afrikaander bevolking van Oranje Vrijstaat deed
kennen; een bijeenkomst, die in elk opzicht karakteristiek was,
ons een inzicht gaf hoezeer de Afrikaanders hunne groote mannen
weten te eeren en hoe diep de angel nog zit, hun door den oorlog
in het vleesch geboord. Het was eene openlijke hulde van de Oranje
Vrijstaatsche bevolking aan generaal Hertzog gebracht.

Het geval, in 't kort weergegeven, is deze: Sedert 2 1/2 jaar bestaat
in geheel Zuid-Afrika een wet, die de Engelsche en Hollandsche taal
op één lijn plaatst en waarbij het onderricht in beide talen op de
scholen verplichtend is gesteld. Elk kind van Afrikaanders kan tot
op zekere hoogte van het onderwijs alleen in "de taal" onderricht
worden en is daarna verplicht Engelsch te leeren, terwijl elk kind van
Engelsche ouders tot op diezelfde hoogte in het Engelsch onderwezen
kan worden en daarna verplicht is "de taal" te leeren. Deze wet is
in hoofdzaak aan de bemoeiing van generaal Hertzog te danken. Nu
schijnen eenige Engelsche schoolinspecteurs niet erg de hand aan die
wet gehouden te hebben en zij zijn dientengevolge ook door toedoen
van Hertzog ontslagen. Misschien hadden die heeren nog meer op hun
geweten, wat echter niet bewezen kan worden. Generaal Hertzog heeft
zich nu echter in een openbare bijeenkomst zeer onvoorzichtig over
die heeren uitgelaten, met te zeggen: "Als hij alles zeide wat hij
wist, dan zou hij hen voor altoos tot schande maken." De inspecteurs
hebben daarop generaal Hertzog aangeklaagd voor laster, en hij zal
ongetwijfeld veroordeeld worden, omdat hij niet kan waar maken wat
hij geïnsinueerd heeft. Iedereen gelooft, dat hij gelijk heeft,
maar aangezien men niet alles kan zeggen wat men weet, omdat de
bewijzen niet zijn bij te brengen, ware het beter geweest, dat hij
die woorden niet gebezigd had. Deze zaak is nu voor het gerechtshof
aanhangig en de Afrikaanders wilden den geliefden generaal een bewijs
van instemming met zijn woorden geven, hem openlijk toonen, dat,
mocht hij veroordeeld worden, de Afrikaander bevolking hem blijft
eeren en hoogachten en daarvoor was deze samenkomst georganiseerd.

President Steijn en mevrouw Steijn traden 's avonds als gastheer
en gastvrouw op en aan hen werden alle binnenkomenden voorgesteld,
of wanneer het oude bekenden waren, en dat was meestal het geval,
dan werd hun ouden president en zijn vrouw hartelijk de hand
gedrukt. Toen mevrouw B. en ik werden voorgesteld, verwelkomden hij
en zijn vrouw ons hartelijk in Oranje Vrijstaat en zeide, dat hij met
onze komst zeer ingenomen was, omdat hij 'n groote voorstander van
vrouwenkiesrecht, ook voor de Zuid-Afrikaansche vrouw, is. Daarop
zeide hij tot zijne vrouw: "Houdt dr. Jacobs daar naast u en stel
al onze bekende helden uit den oorlog aan haar voor." Toen had ik
het voorrecht achtereenvolgens de hand te mogen drukken en een paar
vriendelijke woorden te mogen opvangen van zoovele helden, die in den
Zuid-Afrikaanschen oorlog zoo moedig hebben gestreden en wier namen
mij van uit dien tijd familiaar in de ooren klonken.

Toen eindelijk generaal Hertzog verscheen, ging 'n lang en
oorverdoovend applaus in de zaal op en onmiddellijk volgden de heer en
mevrouw Steijn hun grooten vriend. Toen zij op de tribune hadden plaats
genomen en aan het applaus een einde kwam, zond president Steijn den
heer Wessels, zoon van den ons allen bekenden Wessels, naar de zaal,
om den burgemeester van Bloemfontein, de heer Ehrlich, te verzoeken,
met mij op de tribune plaats te nemen, en daarna werden ook mevrouw
B. en de dames, die ons gebracht hadden, verzocht daar te komen.

Ik werd nu eerst aan generaal Hertzog voorgesteld, met wien ik eenigen
tijd kon praten. Ook hij is een groot voorstander van vrouwenkiesrecht
en vertelde mij, dat hij het steeds in zijn toespraken tot het volk
inlaschte, omdat hij meende, dat in Zuid-Afrika de vrouwen, meer nog
dan de mannen, aan het denkbeeld moeten worden gewend, dat de vrouwen
ook door het uitoefenen van politieke functiën den staat moeten
dienen. Ook hij had reeds van ons bezoek aan Zuid-Afrika gehoord
en was met onze komst zeer ingenomen. In Johannesburg, waar wij hem
weder zullen ontmoeten, hoopt hij aan onze vergaderingen deel te nemen.

Ik had nu van de tribune af een mooi overzicht over de stampvolle
zaal, die, zooals mij medegedeeld werd, tweeduizend menschen kon
bevatten. Mannen en vrouwen uit alle rangen en standen waren daar
bijeen, vele boeren hadden met hun vrouwen een langen afstand per wagen
afgelegd, om toch dien avond van hun Afrikaander gezindheid te doen
blijken. Ja, zelfs waren er vele van deze vrouwen met haar bébé's op
den schoot, wien dan de weinige stoelen, die in de zaal waren, werden
aangeboden, om zittende beter het kindje te kunnen dragen. Alle anderen
stonden, kop aan kop, in de met bloemen en guirlandes versierde zaal.

Wat zag ik onder die allen vele gezichten, die mij de vroegere type
van onze oude boeren te binnen riep. Wat een aantal mannen met lange
baarden of met den ouderwetschen ringbaard waren daarbij. En die
allen spraken "de taal", die langzaam gesproken, woordelijk door mij
verstaan kon worden; doch, wanneer zij onder elkaar snel spraken,
mij een geheel vreemde taal scheen.

Nadat door een koor van heeren en dames 't bekende lied
"Vaderlandsliefde" gezongen was, waarin uiteengezet wordt, dat alleen
hij, die zijn land en volk mint en boven alles stelt een groot man
kan zijn, stond president Steijn op en sprak de aanwezigen toe. Hij
moest een oogenblik wachten alvorens hij kon beginnen te spreken, zoo
lang en warm werd hij toegejuicht. Het was duidelijk, dat deze groote
man een groote plaats in de harten van zijn volk inneemt. Hij begon
zijn ernstige speech met een echt Afrikaander aardigheidje. Hij zeide,
dat, wanneer een Kaffer-boy erg zijn best doet en de tevredenheid van
zijn baas verwerft, de baas hem dan 's avonds dikwijls tracteert op
"een pruimpie en een soopie". Hij meende, dat de Oranje Vrijstaters
dien avond ook bijeen gekomen waren, om hun boy, generaal Hertzog,
hun tevredenheid met de uitoefening van zijn taak te toonen en hem op
hun wijze "een pruimpie en een soopie" aanboden. Daarna zette hij het
werk van generaal Hertzog uiteen, wat hij eerst in den oorlog en later
in de regeering van de Zuid-Afrikaansche Unie voor zijn volk gedaan
heeft, en hoe hij in elke hoedanigheid, die hij bekleedt, steeds de
liefde voor zijn volk toonde en de Afrikaander-belangen boven alles
stelde. Aan het einde van zijn toespraak zeide hij, dat hij zijn volk
er op moest wijzen te trachten, de nieuwe omstandigheden, waaronder
zij te leven hebben, moedig onder de oogen te zien, de belangen van
geheel Zuid-Afrika steeds het hoogst te stellen en niet te vergeten,
dat hoewel hun in dien moeilijken tijd veel is wedervaren, er toch
ook veel goeds uit is voortgevloeid.

Toen hij geëindigd had en weer was gaan zitten, begon opeens spontaan
de talrijke menigte het oude Oranje Vrijstaatsche volkslied te zingen,
waarbij niet alleen tal van mannen en vrouwen in de zaal een traan
uit het oog wegpinkten, maar dat ook den president Steijn zichtbaar
weemoedig stemde.

Toen las de jonge dr. Pretorius, die de leiding van dien avond
in handen had, een veertig telegrammen voor, genomen uit meer dan
honderd, alle van mannen en vrouwen uit verschillende steden van de
Zuid-Afrikaansche Unie, die het betreurden niet tegenwoordig te kunnen
zijn, doch die per telegram toch van hunne sympathieke gevoelens
wilden blijk geven. Hiervan waren sommige heel geestig gesteld en
brachten veel vroolijkheid teweeg. Daarna las de heer Wessels een
adres voor, onderteekend door twaalfduizend "burgers en burgeressen"
(zooals de heer Wessels zich uitdrukte) van Oranje Vrijstaat, dat
alles in een album, dat aan generaal Hertzog werd ter hand gesteld,
was saamgebonden.

Dit adres, dat te lang is hier in z'n geheel te worden vermeld,
gaf niet alleen den waren geest weder, die de mannen en vrouwen
hier bezielt maar sprak meteen van de hooge gevoelens van liefde,
eerbied en achting voor de groote mannen van Zuid-Afrika en bovenal
voor generaal Hertzog.

Daarna stond Hertzog zelf op en sprak hij de aanwezigen toe. Ook
hij werd hartelijk en langdurig toegejuicht en toen hij zijn speech,
die van vaderlandsliefde tintelde, geëindigd had, viel onmiddellijk
het koor weder in en zong het Zuid-Afrikaansche volkslied.

Toen was het tijd voor een gezellig samenzijn. Mij viel de groote eer
tebeurt aan den arm van president Steijn, mevrouw Steijn volgde met
generaal Hertzog, en mevrouw B. met den burgemeester, naar een andere
zaal geleid te worden, waar ons met eenige groote mannen en vrouwen
uit de aanwezigen een banquet werd aangeboden. De overige aanwezigen
ontvingen ververschingen in de zaal. Al de gerechten en dranken, en
ook de bloemversieringen in de zaal, waren door de Bloemfonteinsche
vrouwen persoonlijk gemaakt en aangebracht, en door Bloemfonteinsche
jonge meisjes werden wij bediend.

Zaterdagmiddag had om drie uur de eerste van onze vergaderingen plaats,
ten huize van de presidente van de vrouwenkiesrechtvereeniging. De
aanwezigen waren allen genoodigden en bij de uitnoodiging was
medegedeeld, dat ik dien middag in het Hollandsch over vrouwenkiesrecht
zou spreken. Ik had dan ook dien dag alleen het woord en tevens het
succes, dat vele aanwezigen zich na afloop van mijn toespraak als
lid der bestaande vereeniging opgaven en beloofden Maandagavond op
de openbare vergadering, waar mrs. Catt en ik samen zullen spreken,
tegenwoordig te zullen zijn.

Des Zondags waren wij allen de gasten van den burgemeester van
Bloemfontein, die ons op zijne uitgestrekte farm een mooi tuinfeest
aanbood. Deze farm is ongeveer op een afstand van een uur rijden
buiten Bloemfontein gelegen en gaf ons een goed idee van de grootte
van zulke ouderwetsche hoeven, van de tallooze koeien, paarden en
ander gedierte, dat daar leeft en van de vele Kaffer-bedienden, die
er gehouden worden, en haast een klein dorpje op zichzelf, rondom de
hoeve, vormen. Even vriendelijk als men ons per rijtuig had afgehaald,
bracht men ons 's avonds weder naar Bloemfontein terug. Wij hadden
dien dag weer met tal van Bloemfonteinsche inwoners kennis gemaakt.

Maandagmorgen om twee uur werd ons door een vijftigtal van de
voornaamste dames van Bloemfontein een lunch aangeboden, die ons
van den goeden smaak en de vriendelijke gevoelens van deze vrouwen
overtuigde. Vele van die vrouwen brachten ons onmiddellijk op de
hoogte, dat zij geen voorstandsters van vrouwenkiesrecht waren, doch
dat zij niettemin blijk wilden geven van haar dankbare gevoelens
tegenover ons, die hier waren gekomen om haar vatbaar te maken voor
datgene, dat, naar onze opvatting, in haar belang en dat van haar
land zou zijn. Na deze inleiding vonden mrs. Catt en ik het noodig,
om ook aan deze lunch ieder een korte rede te houden om deze vrouwen
te trachten te overtuigen, dat zij dwaalden, en het gelukte ons,
velen van haar inderdaad van die dwaling te overtuigen.

Maandagavond om acht uur was de groote stedelijke zaal reeds van
onder en boven en in de deurgangen en overal, waar nog een man of
vrouw 'n plekje kon vinden, om den voet te zetten, gevuld, toen
wij, door den burgemeester voorafgegaan, de zaal binnentraden. De
burgemeester presideerde die vergadering en op de tribune hadden naast
ons de vrouw van den gouverneur en eenige andere vrouwen van positie
plaats genomen. Ik sprak weder eerst een half uur in het Hollandsch,
daarna mrs. Catt een uur in het Engelsch. Men applaudiseerde
herhaaldelijk onder onze speech en aan het eind werden wij langdurig
toegejuicht. Toen de burgemeester eindelijk, nadat er weder kalmte was
gekomen, opstond en vroeg of er iemand van de aanwezigen was, die een
woord van dank aan de spreeksters wilde brengen, stond het hoofd van
de politie, de heer Du Toit, op, kwam op de tribune en sprak eerst
in het Hollandsch en daarna in het Engelsch, niet alleen een woord
van dank uit, maar lichtte onze toespraak met enkele voorbeelden uit
zijne ondervinding in kwaliteit als hoofd der Bloemfonteinsche politie
toe. Daarna stond een tweede heer uit de menigte op, om ook nog een
woord van dank te uiten voor onze voorlichting, niet alleen voor de
vrouwen, maar ook voor de mannen, in deze belangrijke kwestie. Niet
alleen werd de vereeniging voor vrouwenkiesrecht in Bloemfontein
dien avond vele leden rijker, maar het bestuur vertelde ons, dat zij
krachtiger dan tevoren zullen werken om 't enthousiasme, voor deze
zaak door ons gewekt, vruchtbaar te maken.

Dinsdagmorgen waren wij alle vier genoodigd, om de lunch te
komen gebruiken op "Onze Rust", de hoeve van president en
mevrouw Steijn. Toen mevrouw Steijn mij reeds Vrijdagavond die
uitnoodiging gaf, vroeg ik haar, om dan dien dag geen andere gasten
te noodigen, zoodat wij van het samenzijn met haar en haar man konden
genieten. "Onze Rust" is op 12 mijlen afstand van Bloemfontein gelegen,
die per auto in een uur kunnen worden afgelegd. Precies twaalf uur
stapten wij voor de woning van den ex-president van Oranje Vrijstaat
af en werden op "de stoep", zooals men de veranda voor het huis noemt,
door den ex-president, zijn vrouw, de oude moeder van mevrouw Steijn en
de twee oudste dochters welkom geheeten. Na ons van onze stofmantels,
stofsluiers, etc. ontdaan te hebben, kwamen wij allen op de veranda
bijeen en begon onmiddellijk een zeer levendig gesprek. Nadat de
president ons eenige interessante bijzonderheden uit zijn leven, vooral
ook met betrekking tot den oorlog, verteld had, begon mevrouw ons,
op ons verzoek, haar leven en hare ondervinding uit den oorlogstijd
te vertellen. Met spanning luisterden wij naar alles wat de moedige,
verstandige vrouw in al die lange maanden van spanning door gemaakt
heeft, en uit hetgeen wij hoorden, bleek ons nog eens opnieuw,
hoe in dien oorlog, meer dan in eenig ander van de laatste eeuwen,
de vrouwen de grootste wreedheden hebben moeten doorstaan, en de
vijand de overmacht misbruikte, om op de arme achtergebleven vrouwen
en kinderen zijn verliezen te wreken, of wel door de behandeling hun
aangedaan, den mannen eerder tot overgave te dwingen.

Als eenmaal de geschiedenis van dien oorlog naar waarheid zal worden
geboekstaafd, dan zal het blijken, dat naast zoovele helden, even
zoovele heldinnen te vermelden zijn. Dat dit door de Afrikaansche
mannen sterk gevoeld wordt, blijkt uit het feit, dat op initiatief
van president Steijn er een nationaal vrouwenmonument in Zuid-Afrika
zal worden opgericht, dat gewijd zal worden aan de nagedachtenis van
de moedige vrouwen, die in den Zuid-Afrikaanschen oorlog het leven
lieten. De 12.000 pond, die daarvoor benoodigd zijn, zijn grootendeels
bijeen, het stuk grond, waarop 't verrijzen zal, is reeds aangewezen
en de Afrikaansche beeldhouwer Van Wouw reeds naar Rome vertrokken,
om daar het werk te volbrengen.

Tot vier uur 's middags bleven wij in dit vriendelijk en harmonisch
gezin, waarvan man en vrouw evenzeer te bewonderen en lief te hebben
zijn. Niet alleen vonden wij in dien gastheer en gastvrouw warme
voorstanders van vrouwenkiesrecht, en waren ook de beide dochters en de
oude mama oprechte geestverwanten, maar zelfs het dertienjarig jongste
dochtertje, dat de Oranje-school bezoekt en aldaar intern is, bleek een
jonge geestverwante te zijn. Mama had geschreven, dat zij den dag van
onze komst tehuis zou komen, doch daaraan kon zij niet voldoen, omdat
zij geen verlof kon krijgen, maar nu had zij een brief geschreven,
waarin zij haar leedwezen uitdrukte ons niet te kunnen ontmoeten,
en dat in zulke warme, goed gekozen bewoordingen, dat mama den lust
niet kon weerstaan, ons den brief voor te lezen. Het was waarlijk de
degelijkste en flinkste brief, dien ik ooit van een zoo jong meisje
onder de oogen heb gehad. Zij beloofde daarin niet te zullen rusten,
alvorens de mannen haar ook als burgeres zullen weten te respecteeren,
door haar de rechten te geven, die haar als zoodanig toekomen.

Woensdagmorgen vertrokken wij naar Kimberley, om daar dienzelfden
avond nog eene meeting te houden. In Kimberley zijn wij weder in
de Kaapkolonie, waar wij niet alleen bijna uitsluitend Engelschen
ontmoeten, maar waar met Cecil Rhodes openlijk gedweept wordt. Ons
program voor hier is: twee openbare vergaderingen, een bezoek aan
een diamantmijn, een rit door de stad, een motortocht met den
burgemeester als gastheer, een afternoon tea, een gardenparty
en waarschijnlijk nog een openbaar debat van mrs. Catt met een
tegenstander van vrouwenkiesrecht. Bovendien heb ik hier nog een
toespraak te houden tot de Christelijke vrouwen, die voor zedelijke
verheffing werken. Dit is een uitgebreide vrouwenvereeniging, die
over heel Zuid-Afrika haar vertakkingen heeft. Nadat ik in Kaapstad
voor die vereeniging gesproken had, heeft de presidente van daar aan
alle afdeelingen, waar wij komen, geschreven, en zal ik nog wel overal
door deze vrouwen worden aangezocht, om voor haar te spreken. De dagen,
die wij in Kimberley doorbrengen, zijn dus weer geheel gevuld.


                                                           7 Sept. 1911.



ONS VERBLIJF IN KIMBERLEY.


Kimberley is een eigenaardige stad, men riekt er de diamanten,
zoo te zeggen. Niettegenstaande de aanleg van de stad eene zeer
mooie is--ruime, breede straten, mooie alleeën, smaakvolle villa's,
één prachtig hotel en vele kleine hotels, smaakvol uitgestalde
winkels--zou ik er toch voor geen geld ter wereld willen wonen. Het is
een parvenu-stad; met uiterlijken schijn steekt men elkaar de oogen
uit en al wie met De Beer's mijnen in connectie staan, voeren er het
hoogste woord. Het heele stadje bestaat uit ongeveer 13.000 witte
en 20.000 gekleurde bevolking, die voor het meerendeel in of door
de diamantmijnen leven. Het peil van beschaving en van moraliteit is
precies zoo hoog als in zulk eene omgeving te verwachten is.

Het was dan ook niet te verwonderen, dat wij in deze omgeving tal van
tegenstanders voor onze zaak zouden vinden en wij hier eene moeilijke
taak te vervullen hadden. Van Kimberley was dan ook indertijd het
adres van de anti-kiesrechtsters uitgegaan, dat aan de regeering was
aangeboden en waarin gevraagd werd het kiesrecht aan de vrouwen niet
te verleenen.

Toch was de zaal geheel gevuld met belangstellenden, toen wij 's avonds
binnentraden. Hier ontmoetten wij voor het eerst een burgemeester,
die een tegenstander was en zich dan ook had laten verontschuldigen,
dat hij de openbare vergaderingen niet kon presideeren en niet
tegenwoordig kon zijn. Dat was jammer, want daardoor misten wij de
gelegenheid: hem van zijne dwaling te overtuigen.

Mrs. Catt en ik kwamen spoedig overeen, dat ik dien avond; slechts
een paar woorden zou zeggen, en zij dien avond alleen, zou spreken,
en dat in de volgende vergadering wij de rollen zouden omkeeren, opdat
wij meer gelegenheid hadden, ons beiden goed uit te spreken. Prachtig
begon mrs. Catt hare toespraak in te zetten met de vraag: "What
is the matter with Kimberley?" Zij zeide, als er iets vreemds,
iets bijna ongeloofwaardigs van een of ander persoon verteld wordt,
men dan in Amerika die vraag doet, en dat zij diezelfde vraag omtrent
Kimberley gedaan had, toen men haar had medegedeeld, dat die stad tegen
vrouwenkiesrecht was. Zij was goed op dreef en sprak bijna anderhalf
uur, tot aan het einde met de grootste aandacht gevolgd. Wat zag ik
van de tribune af menig gezicht af en toe schaamrood worden, als de
spreekster rake woorden aan de zoogenaamde "bourgeois satisfaits"
richtte en er op wees, dat de vrouwen in de wereld nog hoogere
belangen te behartigen hebben, dan het geld door den man verdient,
in eigen kring op te gebruiken.

Men had ons verteld, dat "the Beers people", zooals al die hooge
ambtenaren genoemd worden, met hunne vrouwen tegenwoordig waren en
onze vrienden vreesden, dat de spreekster, die door hare woorden
bitter zou hebben gestemd. Doch blijkbaar was dat niet het geval,
want den volgenden morgen kwam reeds vroeg de prachtige auto voor van
den hoofdambtenaar van de mijnen om ons te vragen, daarvan dien dag
gebruik te willen maken om de mijnen te zien en, voor zoover wij er
verder van profiteeren wilden. Ook hoorden wij des middags, dat al die
dames die eerst geweigerd hadden deel te nemen aan de "gardenpartij",
die ons Vrijdagmiddag werd aangeboden, aan het bestuur der vereeniging
voor vrouwenkiesrecht gevraagd hebben, alsnog van de partij te mogen
zijn, omdat zij zoo gaarne nader met ons in kennis wilden komen.

Donderdagmorgen om half tien gingen wij dan reeds per auto uit om de
diamantmijnen, met alles wat er mede verbonden is, te zien en kwamen
eerst om twee uur in ons hotel terug. Overal werden wij verwacht
en van het moment, dat de stukken steen uit de mijnen losgewerkt,
naar boven gebracht, gewasschen, gesorteerd, etc., etc. worden,
totdat de diamanten naar het syndicaat in Londen worden afgezonden,
hebben wij alles gezien.

Ook, en dat is niet het minst interessante, hoe er gewerkt wordt door
de arbeiders, welk werkvolk er wordt aangewend en hoe dat behandeld
wordt.

Al het ondergeschikte werk geschiedt door kleurlingen, van welke
een paar duizend dwangarbeiders zijn. Voor deze menschen ontvangt
de Staat een shilling per dag en per persoon, terwijl de voeding en
huisvesting door den werkgever moet geschieden. Door elkaar kost zoo'n
dwangarbeider den diamantmijnen een gulden vijftig cent per dag. Die
menschen moeten daarvoor twaalf uur werken en zijn in hun vrijen tijd
in een soort gevangenis ondergebracht, waar zij onder streng toezicht
leven. Dat huis van bewaring hebben wij niet gezien. Die arme kerels
dragen allen gevangeniskleeding, met een nummer op den rug.

De andere kleurling-arbeiders worden uit vrijwilligers gerecruteerd,
die zich voor niet minder dan vier maanden moeten verbinden. In
die vier maanden zijn zij hun vrijheid kwijt, zij mogen de poorten,
rondom de mijnen, niet verlaten. Maar zij hebben er ruimte van beweging
genoeg en verdienen een vrij hoog loon. Deze arbeiders werken in een
3-ploegenstelsel en lossen elkaar na 8 uur af. In die 8 uur verdienen
zij van twee tot drie gulden daags. In de omheining, waarin deze
kleurlingen wonen, het leven wat zij er leiden, de slaapgelegenheden,
de winkels, waarin zij hunne benoodigdheden voor zeer lage prijzen
kunnen koopen, het hospitaal, de keuken enz. alles werd door ons
bezichtigd en zag er buitengewoon goed onderhouden en zindelijk
uit. Als deze werklieden willen, dan kunnen zij in de vier maanden,
zoolang hun contract bindend is, een mooi sommetje over houden. De
directeur, die ons rond geleidde, vertelde ons, dat het verdiende
geld maar al te dikwijls moest dienst doen om een of ander stuk vee
te koopen. Voor dat stuk vee werd dan later eene vrouw gekocht, die
dan verder het werk moest verrichten. Het eerste wat een kaffer in
den regel koopt, als hij wat geld over heeft gespaard is eene vrouw;
niet om haar lief te hebben en met haar een gezin te vormen, maar om
eene slavin te hebben, die voor hem kan werken.

Eene zuster, die tot de Engelsche Katholieke missie behoort, die ik
in Bloemfontein bezocht, vertelde mij, dat in geheel onbeschaafden
staat de Kaffer niet meer werkt, zoodra hij eene vrouw heeft. Werken
is in zijn oog iets laags, dat men alleen doet, door honger of hooger
macht gedreven. Zoodra hij eene vrouw heeft, is hij de hooger macht en
dwingt zijne vrouw tot arbeid! Wij zagen dan ook in sommige plaatsen
vrouwen in de laatste maanden van zwangerschap en met een klein
kind op den rug gebonden, het zwaarste werk verrichten, terwijl de
echtgenoot als een opzichter stond toe te zien. Zoodra nu de eerste
zaden van christelijkheid beginnen te ontkiemen, dan begint de man
weder te werken en brengt zijn verdiend geld tehuis, maar dan meent
de vrouw niets meer te mogen doen en is met de grootste moeite er toe
te brengen, haar beetje huiswerk te verrichten en voor den man het
eten te koken. Den geheelen dag slingert zij dan, met haar kind op
den rug gebonden, voor hare hut om in niets-doen. Eerst het volgend
stadium doet haar begrijpen, dat ook zij een taak te vervullen heeft
en zijn zij eenmaal zoover, dan vormen zulke menschen soms heel
gelukkige gezinnen, die de kinderen naar school zenden en dan door
de ontwikkeling der kinderen, zelven ook een hoogere ontwikkeling
bereiken. In één van zulke gezinnen vonden wij zelfs eene vrouw met
een Singer-naaimachine, bezig lakens te zoomen voor hare bedden.

Donderdagavond hadden wij de argumenten te weerleggen van eenige
anti-vrouwenkiesrecht-heeren tegen de rede van Mrs. Catt ingebracht
en werden daardoor enkelen overtuigd, dat hunne argumenten niet
steekhoudend zijn. Velen hunner moesten toegeven, "dat hun hoofd
overtuigd was, doch dat hun hart nog tegenstribbelde."

Vrijdag was mijn zwaren dag. Reeds om elf uur moest ik weder spreken
over "vrouwenkiesrecht in verband met openbare zedelijkheid" voor een
veertigtal christelijke vrouwen, eene vergadering, die tot bijna één
uur duurde; toen snel lunchen, want om twee uur kwam de burgemeester
met zijne vrouw ons met twee auto's afhalen om eene tocht naar en
door Kenilworth te maken (een prachtige rit, doch alles vol Cecil
Rhodes-verheerlijking) en om vier uur bracht hij ons naar het hotel
Alexanderfontein, zes mijlen buiten de stad, alwaar de "garden-party"
gegeven werd. Alles wat in Kimberley voornaam is, was daar bijeen. Wij
moesten ieder een korte speech houden en met vele tegenstanders
spreken. Om half zeven kwamen wij tehuis, doodvermoeid, juist nog
tijd vindende om ons om te kleeden, te eten en naar de vergadering te
gaan, alwaar ik, voornamelijk voor Hollandsch sprekenden, dien avond
alleen het woord had. Mrs. Catt was zoo moe, dat zij tehuis moest
blijven. Onze lezingen hebben een zoo gunstig resultaat gehad, dat
wij met de stellige overtuiging Kimberley vanavond verlaten kunnen,
dat van uit die stad nooit meer een anti-adres aan de regeering
zal worden gezonden, als vrouwenkiesrecht weder in het parlement
behandeld zal worden. De opstelsters en eerste onderteekenaarsters
van dat adres zijn nu leden van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht.

Hedenmorgen hebben wij weer per auto een paar uren in de omgeving van
Kimberley rondgedoold en toen onze koffers gepakt en nu zitten wij
den tijd die ons rest, vóór ons vertrek van hier, met brievenschrijven
te vullen.

Vanavond om acht uur reizen wij in eens door naar Victoria-Falls,
het grootste wonder der wereld, zooals men zegt. Dit is een reis,
die van Kimberley af nog drie nachten en twee dagen duurt en die ons
dwars door Rhodesia voert, tot op betrekkelijk korten afstand van de
Congo. Volgens 't geen wij over deze reis gelezen en gehoord hebben,
kunnen ons allerlei avonturen overkomen, en verkeeren wij daarover in
groote spanning. Sedert wij Kaapstad verlaten en tot deze reis besloten
hebben, hebben wij aan de voorbereiding tot deze reis reeds menig
uur van groot vermaak te danken. Ieder die er geweest is, of het van
hooren zeggen heeft, gaf ons goeden raad, hoe wij ons moesten kleeden,
wat wij voor voorzorgsmaatregelen hebben te nemen voor nachtelijke
overvallen van leeuwen en olifanten, en voor slangenbeten; welke
boot wij over de Zambesie-rivier moesten gebruiken om niet door een
hypopotamus omver gesmeten te worden, enz. enz. Hoewel men ons den
raad gaf, niet veel bagage mede te nemen, omdat het goederenvervoer
er zoo duur is, zouden wij toch, als wij alles medenamen wat men ons
aanprees, met ons vieren zeker een scheepslading hebben.

Toch zijn er genoeg praeparatieven gemaakt en de wonderlijkste
inkoopen gedaan. Een uitrusting van Tartarin de Tarascon haalt niet
bij de uitstoffeering van mijn medereizigsters.

En met het toilet zijn de voorbereidselen niet voltooid. Men heeft
ons gewaarschuwd, dat het water op reis niet te drinken is en
men wilde zelfs, dat wij blazen gevuld met gesteriliseerd water,
van hier zouden medenemen. Wij hebben er de voorkeur aan gegeven
een mand met keukengereedschappen te koopen, waardoor wij onderweg
het water en de melk kunnen koken, onze eigen koffie en thee kunnen
zetten en voor een deel voor ons voedsel kunnen zorgen. Ieder heeft
voor eigen beddegoed en handdoeken te zorgen en een groote mand met
fruit is voor allen te zamen gekocht. Sinaasappelen, mandarijnen,
bananen, ananassen en appelen vullen een flinke aardappelmand,
die mede in de wagen moet worden genomen. Doozen met chocolade en
andere zoetigheden, voor een deel ons geoffreerd, voor een ander deel
aangekocht, voltooien onzen proviandvoorraad. Mocht het nu blijken,
dat wij van al die dingen niets noodig hebben, dan hebben wij van de
voorbereiding en met het aankoopen toch reeds de noodige pret gehad.

Dat wij Kimberley over een paar uur verlaten, spijt ons geen van
allen. Wel hebben wij hier zeer nuttig werk verricht en goede
resultaten gehad en waren de menschen zeer voorkomend, maar 't
is niet alleen de zwaveldamp, die uit de mijnen opstijgt, die de
lucht hier verontreinigt, het is iets anders, dat men voelt, niet
ziet, doch dat onaangenaam aandoet. Niet alleen de geheele stad,
maar ook de grond ongeveer 10 mijlen rondom Kimberley behoort
aan de Beer's maatschappij. Men leeft er geheel onder den indruk
van diamantkoningen. Alles wat die grond nog ooit zal produceeren,
eigenen zich de aandeelhouders van die maatschappij toe. Hier hapert
iets in onze menschelijke verhoudingen en rechten.

Ik kon hier de gedachte niet onderdrukken, dat Kimberley de tweede
stad in Zuid-Afrika is, waar wij aankomen, die geheel leeft en
geheel bestaan kan van de ijdelheid der vrouwen. Als eens de vrouwen
verstandiger worden en zich niet meer sieren met struisveeren en
diamanten, dan is het met Port-Elisabeth en Kimberley gedaan. Wat
zou er dan zelfs van geheel Zuid-Afrika worden, als deze twee
producten,--voor zoover wij nu door Zuid-Afrika gekomen zijn, de
eenige werkelijke Zuid-Afrika-producten,--eens geene marktwaarde meer
bezitten? Dan zou in Zuid-Afrika weder een landbouwende bevolking
de boventoon voeren, wat voor het land en de bewoners, naar het mij
voorkomt, verreweg het beste zou zijn. In Port-Elisabeth werd ons
gezegd, dat meer dan de helft van alle struisveeren door Amerikaansche
handelaren wordt opgekocht, hier in Kimberley vernamen wij, dat
tweederde van alle opgedolven diamanten naar Amerika gaan. Dat geeft
te denken. Onze Amerikaansche reisgezellinnen zijn er volstrekt niet
trotsch op, dat het land harer geboorte in dit opzicht bovenaan staat.



IN DEN TREIN DOOR RHODESIA EN AANKOMST IN ZAMBESIE.


Rhodesia, het grondgebied dat zijn naam ontleent aan zijn stichter
Cecil Rhodes, grenst ten zuiden aan de Transvaal, ten oosten en
westen aan Portugeesch Oost- en West-Afrika en ten noorden aan den
Congo en Duitsch-Oost-Afrika. Door de rivier Zambesie is het in twee
deelen verdeeld, het eerste Zuid-Rhodesia en het tweede Noord-Oost en
Noord-West-Rhodesia. Het grondgebied van geheel Rhodesia is grooter
dan dat van geheel Duitschland en Oostenrijk-Hongarije te zamen.

Dit grondgebied behoort niet tot de Unie van Zuid-Afrika. Het behoort
aan eene Engelsche maatschappij, die er alleenheerschappij voert. Deze
maatschappij heeft het indertijd, toen de Zuid-Afrikaansche Unie
gevormd werd, voor vijf en twintig honderd duizend pond aan de Unie
aangeboden, welk aanbod echter niet door de Unie werd aanvaard. Het
heeft nu zijn eigen wetten en staatsregeling.

Drie keer in de week gaat er een trein van Kaapstad naar Bulawayo, de
hoofdstad van Rhodesia, en verder naar de Victoria Falls, in Zambesie,
en naar Livingstone, en vandaar neemt de Mashonaland-spoorweg de lijn
over om de passagiers in nog eens vier en twintig uur naar den Congo
te brengen.

In Kimberley, alwaar wij Zaterdagavond in den trein kwamen, neemt
de Rhodesia-spoorweglijn de taak van de Kaapkolonie-lijn over. De
treinen zijn comfortabel ingericht en voorzoover doenlijk op deze
stoffige lijn, wordt er de noodige zindelijkheid betracht.

Toen wij Zaterdagavond in den trein kwamen, hadden wij een vrij
vermoeienden dag achter ons en begaven ons dus weldra ter ruste. Wij
wisten, dat wij den volgenden morgen om zeven uur in Mafeking zouden
aankomen en daar ongeveer een half uur zouden stoppen. Wij wilden
zorgen dan gereed te zijn om even een kijkje in Mafeking te kunnen
nemen, de stad ons allen uit den Zuid-Afrikaanschen oorlog zoo goed
bekend, door zijne belegering en de rol door Baden-Powell aldaar
gespeeld. Wij hadden daarvan in Kimberley zooveel hooren vertellen,
ook natuurlijk van de bezetting van Kimberley. Het was voor ons heel
interessant dezelfde toestanden en omstandigheden het eene oogenblik te
hooren vertellen door de Britsch-gezinden, het andere oogenblik door
de Afrikaanders. Hoe gevoelig zijn zij nog van beide zijden over de
gebeurtenissen in Kimberley en wat willen de Engelschen gaarne allen
lof aan Rhodes schenken, die hen gedurende de dagen van bezetting zoo
in elk opzicht schijnt te hebben geholpen, terwijl de Afrikaanders
juist aan zijn verderfelijken invloed hun val toeschrijven.

Maar over één punt zijn de Britten niet goed te spreken. Wil men
met hen op goeden voet blijven, dan doet men goed het gesprek over
"de concentratiekampen" te mijden. Dat is hun wondeplek. Wel is waar
hebben zij er op gevonden, dat die waren opgericht om de vrouwen daarin
te beschermen, maar zoodra zij met goed ingelichten te doen hebben
en dat voorwendsel niet goed kunnen volhouden, dan worden zij boos en
als zij beleefd zijn, vragen zij het onderwerp liever te laten rusten.

Toen wij Zondagmorgen een eindje buiten het station een kijkje in
Mafeking namen, zagen wij natuurlijk niets bijzonders en niets dat
ons nog aan den oorlog herinnerde. Wij kwamen daarom ook in den trein
terug met geen ander gevoel, dan dat wij tegenover deze stad onzen
plicht gedaan hadden, door zoo vroeg gereed te zijn en er even onze
opwachting te maken.

Reeds spoedig merkten wij dien Zondag, dat wij steeds meer den
equator naderden, de hitte in den trein was bijna onuitstaanbaar en
voor de witte, roode en grijze stof, die in dikke rookwolken langs
den weg opstoof, moesten wij zooveel mogelijk de raampjes gesloten
houden. Dikwijls zuchtten wij elkander dien dag toe, dat de Victoria
Falls al buitengewoon imposant moesten zijn om ons te vergoeden wat
wij dien dag door de warmte en stof leden.

Toch was de reis hoogst belangwekkend. Wel is waar was het landschap
eentonig door zijn altijddurende woestenij, met slechts weinige lage
bergen op den achtergrond en zagen wij geen enkelen olifant, leeuw,
tijger, rhinoceros of ander wild gedierte, die daar toch in menigte
zijn, maar wij zagen steeds meer, bij elke halte, de inboorlingen in
hun natuurlijken staat, nog zeer weinig door aanraking met de blanke
bevolking bedorven en zoogenaamd beschaafd. Zij kwamen bij elke halte
in groote groepen aan den trein, om vruchten, melk of eieren of wel de
door hen vervaardigde nijverheidsproducten te koop aan te bieden. Deze
laatste gaven ons geen groot denkbeeld van hun ontwikkelingsstaat
en ook hunne uitrusting plaatste hen niet op een hooge trap van
beschaving. De kinderen liepen geheel naakt rond en de grootere
menschen waren dikwijls alleen gekleed met een leeren vijgeblaadje en
eenige strengen koralen of koperen ringen, om verschillende deelen
van het lichaam gewonden. Sommigen zagen er allerdwaast uit. Zoo
liep een geheel naakte man met een oude heerensmoking om zijn naakte
schouders, een ander had alleen een oud heerenvest aan, een ander jong
mensch had een streng blauwe koralen om zijn hals, een blauw en geel
gestreept jersey, zonder mouwen, om zijn body en een paar gele leeren
beenbekleedsels van den een of anderen cavalerist om zijn beenen. Alle
mannen en vrouwen droegen evenwel het een of ander om hun middel,
om zedelijk voor den dag te komen. Met zekerheid kan ik verklaren,
dat ik in mijn leven niet zooveel verscheidenheid van toiletten heb
aanschouwd, dan den Zondag in den trein door Zuid-Rhodesia.

Hadden wij den heelen dag geen avontuurtje gehad, des avonds zouden
wij toch iets hebben. De gloeiende heete zon had mijlen ver al het
uitgedroogde gras, alle boomstronken en zelfs de hooge boomen op den
achtergrond in brand gezet en tot wij ten slotte ons te slapen legden,
gerustgesteld door den hoofdconducteur, dat er geen gevaar was,
gingen wij aan beide zijden door een vuurzee, die den geheelen weg
stralend verlichtte. Het was soms alsof op geringen afstand een heele
stad in brand stond en omdat wij wisten, dat er geen menschenlevens
en geen groote waarde door verloren ging, konden wij ons gerust de
weelde gunnen er met welgevallen naar te zien.

Gelukkig bracht de avond de gewenschte koelte en des nachts was
de temperatuur onverbeterlijk. Daarbij volle maan en een heldere
sterrenhemel, die het hoornvee in de weiden juist genoeg verlichtte,
om ons in elke koe een olifant of een rhinoceros te doen zien.

Op den geheelen afstand tusschen Mafeking en Bulawayo passeerden wij
geen enkel dorp waar andere blanke bevolking woonde dan die door de
spoorwegmaatschappijen was aangesteld of een soort politie vormde,
en zelfs deze laatste was in vele dorpen nog uit de zwarte bevolking
gerecruteerd. Men moet zoo'n zwarten politieman zien met bloote beenen
in een kort khakibroekje, een los jasje aan en een zweepje in de hand
(dat is zijn wapen) en dan een vilten hoedje op den zwarten kop,
op en neer langs den stilstaanden trein loopen en al zijne zwarte
medeburgers, die naar zijne meening te dicht bij den trein komen,
met een zweepslag terug dringen. De waardigheid in zijne houding en
gelaatsuitdrukking, waarmede hij toont, dat hij zijn taak hoog opvat,
is allergrappigst.

Maandagmorgen om 8 uur, wij waren juist gereed, kwam de conducteur
ons mededeelen, dat wij in Bulawayo waren en daar tot twaalf uur
zouden blijven. Wij konden het nauwelijks gelooven. Niets had ons
eenigszins kunnen doen vermoeden, dat wij een stad naderden en nog wel
de hoofdstad van zoo'n groot grondgebied. Wij waren nog steeds in een
woestenij en het houten stationsgebouwtje leek ook niet op wat wij
verwacht hadden. Toch waren wij in Bulawayo en wij volgden den raad
van den conducteur, om onze bagage stil in den waggon te laten,--hij
zou dien afsluiten en er toezicht op laten houden--om rustig de stad
in te gaan. Onze introductiebrief doet nog steeds wonderen.

Buiten het station stonden enkele dos-à-dos en andere kleine
wagentjes gereed om de reizigers stadwaarts te brengen, doch wat ons
het meest aantrok, dat waren de vele rickshaw's, voor één of twee
passagiers bestemd, en met een kleurling als trekdier. Mrs. Catt en
ik namen direct in een van deze voertuigjes plaats en onze beide
andere medereizigsters volgden in een tweede. Dat was een nieuwe
sensatie. Deze lichte wagentjes op caoutchouc wielen worden door
kleurlingen zoo snel voortbewogen, dat een paard het bijna niet
sneller doet. Die mannen springen meer vooruit dan dat zij loopen,
en hun lichte tred voorkomt, dat er veel stof opwaait. Het heerschap,
dat ons voertuig voortbewoog, droeg door elk oor een ongeveer tien
centimeter lang houtje, waardoor het onderste oorlelletje sterk naar
onder toe verlengd werd. Ringen van hoorn, koper en zilver droeg hij
om zijn armen en beenen, en eenige strengen gekleurde koralen maakten
zijn halsversierselen uit. Overigens had hij niet veel kleeren aan.

Wij stapten vóór 't Grand Hotel uit om daar ons ontbijt te nemen en
wilden dan verder de stad zien. Als men in aanmerking neemt, dat er
nog niet zoo heel veel jaren verstreken zijn sedert Lobengula met zijn
vele vrouwen hier den scepter voerde en op de plek, waar nu groote
koopmanshuizen en betrekkelijk groote hotels staan, de maïs groeide
voor het onderhoud van den machtigen monarch, dan is alleen van uit dat
oogpunt de stad reeds het bezichtigen waard. Maar alles verkeert er nog
in een stadium van wording; alle winkelhuizen en kantoren en hotels
waren, als het ware, zoo op een plek in de woestenij neergeworpen en
alleen hier en daar een blok winkelhuizen duidt aan dat Bulawayo weldra
een stad zal worden. Toch is er reeds een interessant museum....pje,
een openbare bibliotheek, een theater......tje, een clubgebouw, een
park, dat echter nog groeien moet, de aanleg is er, en nog het een
en ander meer, wat een stad rijk moet zijn. In het midden van de stad
staat een zeer groot bronzen standbeeld van Cecil Rhodes, vanwaar hij,
zooals men zegt, "de wereld inkijkt." Hij staat daar met ongedekten
hoofde, wat de bijgeloovige inboorlingen met vreeze heeft bezield,
omdat zij meenen dat, zoolang Rhodes zonder hoofddeksel daar stond,
Allah het niet zou laten regenen.

Wij hadden om twaalf uur van deze heete, stoffige stad genoeg gezien
om ons plan op te geven hier op den terugweg eenige dagen over te
blijven. Nog eens vier uren hier te vertoeven bij het teruggaan zal
genoeg zijn om den indruk te vestigen, dat er eens in het midden van
Rhodesia een groote stad zal verrezen zijn, waar men, de tropische
hitte niet in aanmerking genomen, even genoegelijk en comfortabel
zal kunnen leven, als in andere wereldsteden. Maar dat zal nog wel
enkele jaren duren.

Om ruim twaalf uur zette onze trein zich weder in beweging, om ons nu
regelrecht naar Zambesie te voeren, naar de plaats, waar zestig jaren
geleden Livingstone de grootste watervallen van de wereld ontdekte. Het
landschap veranderde nu een beetje. Er kwamen wat meer boomen op de
geel verbrande grasvlakten. Hier en daar zagen wij wilde abrikoos-
of perzikboomen in vollen bloei, mimosaboomen met bloemen, driemaal
zoo groot als de gewone soort, wilde olijfboomen en nog tal van andere
soort boomen, waarvan wij den naam niet kenden en de vruchten nooit
gezien hadden. Ook daar weder overal inboorlingen aan den trein,
die soms door hun woest geschreeuw ons reeds van verre verkondigden,
dat wij in een kleurling-dorp aangekomen waren. De mandjes, lepeltjes,
grillig gevormd aardewerk, stokken, etc., die zij te koop aanbieden,
geven door hunne asymetrische lijnen en onregelmatige afwerking geen
grooten dunk van hun ontwikkeling. Al deze inboorlingen behooren tot
de Zambesie-, Matabele- of Barotsestammen. Ik zou wat gaarne eenigen
tijd in deze buurten blijven om wat meer van deze volksstammen te weten
te komen, maar dat zou veel te lang duren, want heel gauw vertrouwen
deze menschen de witmenschen niet en zoo lang kunnen wij hier niet
blijven, daarvoor zijn wij ook niet naar Zuid-Afrika gekomen.

Ook dien avond zagen wij weder, doch toen op grooteren afstand, groote
boschbranden en vertelde men ons, dat die na zulke heete dagen bijna
steeds voorkomen.

Dinsdagmorgen om 7 uur waren wij aan het doel van onze reis. Zambesie
bestaat ook al weder uit niets anders dan het groote hotel, dat aan
den Rhodesian Railway Co. behoort, eenige huizen van spoorwegemployé's
en verder kleurling-hutten. Men spreekt echter altijd van de Victoria
Falls en die maken dan ook wel de aantrekking van deze plaats uit.

Een blanke man met een paar dozijn kleurlingen maakte zich spoedig
meester van onze bagage en van die van andere gasten en toen ging het
door het mulle, roode zand, naar het op vijf minuten afstand gelegen
hotel. In minder dan geen tijd hadden wij allen onze bagage in onze
kamers en konden wij een verfrisschend bad nemen. Het personeel in
dit hotel bestaat uit niets dan kleurling-mannen, geen vrouw doet
er eenig werk. In de eetzaal zijn het Indiërs, die in nette, witte
kleeding rondloopen, maar onze kamermeisjes zijn naakte jongens,
enkel met een zwembroekje gekleed. Het zijn echter voorbeeldige
kamermeisjes, zoo netjes doen zij hun werk, alleen voor het vasthaken
van een vanachter sluitende japon of blouse niet goed te gebruiken.

Nadat wij ons ontbijt genomen hadden, waren wij allen frisch genoeg om
onzen eersten tocht naar de wereldberoemde watervallen te ondernemen;
onze verwachting was te hoog gespannen dan dat wij daarmede tot des
middags konden wachten.


                                                          14 Sept. 1911.



DE VICTORIA WATERVALLEN.


De naam van deze watervallen, die inderdaad eenig in hun soort zijn,
is eigenlijk Mosioatunya, zooals de inboorlingen ze gedoopt hebben,
en dat beteekent: "rook, die geluid geeft". Deze naam ontleenen zij
aan de vochtige wolken, die zij wijd en zijd om zich verspreiden
en aan het geraas, dat de val van het water vergezelt. Zoowel
voor mij, als voor de beide Amerikaansche reisgezellinnen, die
de Niagara-watervallen kennen, boden toch deze watervallen eene
verrassing. Zij zijn bijna twee keer zoo breed en twee en half maal
zoo hoog als de Niagara-vallen. Zij beslaan ruim anderhalve kilometer
lengte en vallen van een hoogte van bijna een honderd en vijftig meter
naar beneden. Maar deze enorme breedte en deze vreeselijke hooge val
geven alleen niet de schoonheid aan deze watervallen. Het is veel meer
de buitengewoon woeste, schilderachtige omgeving, de damp of wolk, die
door het uitspatten van het schuimend water veroorzaakt wordt en de
verrassend schoone regenbogen die zij geven; dit en nog veel meer te
zamen, doen den toeschouwer den adem inhouden en vol bewondering stil
staan. Eene beschrijving van dit stuk natuurwerk waag ik niet te geven.

Nog is niet uitgemaakt of deze prachtige rivierbedding door den
eeuwenlangen val van het water ontstaan is, of dat door eene aardbeving
plotseling dit natuurwonder tot stand kwam. Voor dat Livingstone,
November 1855, de Victoria-vallen ontdekte, toen hij de Zambesie-rivier
opvoer, had men er niet van gehoord en eerst nadat Cecil Rhodes met
zijn Chartered Company den spoorweg door Rhodesia liet aanleggen,
werden zij voor gewone toeristen bereikbaar. Thans worden zij het
geheele jaar door geregeld bezocht, door Afrikanen, Engelschen en
zulk soort menschen als waartoe ons clubje van vier behoort.

Den eersten morgen deden wij niet veel meer dan de watervallen
rondloopen en van alle kanten bezien. Telkens waren wij door het
veranderde aspect opnieuw verrast. Ook wisten wij soms niet wat meer
te bewonderen was, de vallen zelf, of wel de grootsche omgeving
waarin zij zich bevinden. Toen wij tegen half twee terug kwamen,
was het te heet geworden om dien dag nog meer te doen, alleen tegen
den avond, bij ondergaande zon en opkomende maan gingen wij nog eens
een kijkje nemen. Heel lang vertrouwden wij ons toen niet te blijven,
want de wilde beesten, die nog altijd in deze omgeving huizen, blijven
bij dag wel op den achtergrond, maar of zij 's avonds niet eens een
sprong naar een nieuwsgierig en indringerig witmensch zullen maken,
durft men ons niet verzekeren.

Met een clubje van nog zes Engelschen--vier heeren en twee
dames--huurden wij den volgenden dag het kleine electrische bootje
af om een tocht op de Zambesie-rivier te maken en op een van de vele
mooie eilandjes in deze rivier te picnikken. Van dezen tocht hadden
wij ons veel voorgesteld en ik kan er direct bijvoegen, dat onze
verwachting ruimschoots werd overtroffen. Buiten ons tiental waren
er nog vijf man in het kleine bootje, de kapitein (een Engelschman),
en vier zwartjes om voor onze lunch en bediening te zorgen.

Om tien uur staken wij van wal en om half een landden wij op een eiland
met een onuitspreekbaren inlandschen naam, na twee en een half uur
lang langs de schoonste, belangwekkendste en voor ons vreemdste oevers
gevaren te zijn. Behalve hier en daar een paar inlanders zagen wij
geen menschelijk wezen, doch een prachtige, weelderige plantengroei; de
meest tropische boomen, die men zich denken kan, versierden de oevers
van deze schoone rivier. Ook was het toeval ons gelukkig. Wel wisten
wij, dat vele hypopotami dit water hier onveilig maken en menig keer
de lichte kanoe's van de inboorlingen omver werpen, door er even een
van hunne breede pooten in te zetten, maar het gebeurde toch maar al
te dikwijls, dat zij zich op een afstand houden als een electrisch
bootje met eenig geraas zich door het water, wat zij hun gebied
achten, voortbeweegt. Vele reizigers zijn dan ook reeds bevredigd
als zij de voetsporen van zoo'n beest op het eiland ontdekken,
waar zij landen. Zoowel op onze heenreis als op onzen terugtocht
zagen wij echter de monsterbeesten op eenigen afstand zich in het
water voortbewegen en hun afschuwelijk leelijken kop boven het water
uitsteken. Ook zagen twee onzer medereizigers een groote krokodil op
een der vele rotspunten, die wij bijna rakelings passeerden. Daar deze
beesten de kleur van de rots hebben, waarop zij zich bevinden, is het
niet gemakkelijk ze te ontdekken, en alleen, wanneer zij zich bewegen,
bemerkt men, dat er zich een levend gedierte op het stuk steen bevindt.

Terwijl de inlandsche jongens bezig waren het water voor de koffie
te koken en onze lunch bereidden, begaven wij ons met den kapitein,
als gids, rond het eiland, om als volgelingen van Robinson Crusoë te
ontdekken, wat er op dit eiland te ontdekken viel en te zien of er
geen onraad was. Wild gedierte en slangen zagen wij er niet, maar
de kapitein raadde ons toch, niet door het hooge gras te loopen en
vooral de voetpaden te volgen, die door de hoteldirectie daar waren
aangelegd. Overal vonden wij de nu leege holen, waar een hypo of
ander wild gedierte zijn nachtleger maakt.

Wat echter in hooge mate onze belangstelling gaande maakte, dat
waren de wonderlijkste vruchten en zaden, die wij er vonden. Jammer,
dat noch de kapitein, noch iemand in het hotel ons ook maar bij
benadering kon zeggen wat soort vruchten het waren en waarvoor zij
door de inlanders gebruikt worden. De domheid op dit gebied maakte
ons boos. Toen wij den directeur van het hotel, die hier reeds jaren
woont, vroegen, welke vrucht dit was, een vrucht, met een bast als
mahoniehout en nog veel harder, waarin prachtige, vuurrode boonen
zich bevinden, die ook als steenen zoo hard zijn, antwoordde hij:
"O, weet u, dat is een vrucht, die groeit hier in menigte aan boomen,
die gij hier heel veel zult vinden." Dat was al de wijsheid, die hij
in al die jaren van de vruchten uit zijne omgeving had opgedaan.

Tot drie uur 's middags amuseerden wij ons op dit belangrijk plekje
grond, waar wij echter geen van allen een wandeling op eigen houtje
durfden ondernemen, doch steeds in groepjes samenbleven. Toen
aanvaardden wij den terugtocht. In mijne wakende droomen zie ik
reeds over eenige eeuwen dit nog bijna onbewoonde gedeelte van het
donker Zuid-Afrika door tallooze Europeanen bewoond en overal aan
de oevers van de Zambesie-rivier villa's, met prachtige tuinen, de
plaats innemen, waar nu nog het wild gedierte alleen huist en er de
menschen op den achtergrond houdt.

De inlanders, die wij op onzen terugtocht op de rivier ontmoetten,
gebruiken nog de primitieve uitgeholden boomstam als kanoe, die zij
met hun breede, korte roeispanen, waarmede zij als het ware het water
wegslaan, pijlsnel voortbewegen.

Een heel interessanten dag brachten wij in "het regenwoud"
door. Dit boschgedeelte ligt aan de overzijde van de watervallen
en door den altijd-durenden val en 't uiteenspatten van het water,
waardoor op zeer grooten afstand steeds een fijne stofregen valt,
verkeert dit woud in de gunstigste of ongunstigste omstandigheid om
steeds beregend te worden. Daardoor zijn er eeuwig-groene boomen,
doch alleen zulke boomen, die onder zulke omstandigheden kunnen
groeien. Voor oudere dames is het beste zich voor een wandeling in
dit interessante regenwoud in een Mackintosh-mantel, met capuchon,
en een paar hooge laarzen, met overschoenen, te kleeden, maar 't
jongere volkje loopt er 't aangenaamst in een badkostuum, sandalen
en 'n gummikapje op het hoofd. Men wordt er door en door nat,
maar het gezicht op de watervallen, de prachtige plantengroei, de
vreemde bloemen en vruchten, houden den wandelaar onophoudelijk in
spanning. De drie uren, die wij voor deze wandeling bestemd hadden,
waren om nog eer een onzer er aan dacht.

Nog tal van kleine onderzoekingstochten naar verschillende andere
eilandjes werden door ons ondernomen in de kleine kanoe's der
inlanders, doch wij waren voorzichtig genoeg, steeds een witmensch
als gids mede te nemen en ons op de eilandjes door een paar inlanders
vooraf te doen gaan. Telkens werden wij op zulke tochten verrast
door 't geen wij er aan vreemdsoortige planten en vruchten vonden,
die geen onzer thuis kon brengen. Van wilde beesten zag ik niet
anders dan drie wilde bokken--bush-buck--zooals de gids ze noemde,
en een heele boom vol spelende aapjes. Natuurlijk ook allerlei soorten
vreemde en bont gekleurde vogels.

Een avond, toen wij juist allen aan tafel wilden gaan, werden wij
geroepen, dat er een heele groep oerang-oetangs in den tuin van het
hotel aan het spelen waren, die echter door 't naar buiten vliegen van
de hotelgasten verschrikt geworden, hals over kop het hazenpad kozen.

De dagen, bij de Victoria-watervallen doorgebracht, waren voorzeker
hoogst interessant, en ieder, die er geweest is, geeft toe, dat
hij deze tocht niet gaarne uit zijn leven zou willen missen. Maar
men moet er iets voor over hebben. Het is niet alleen de drie dagen
lange benauwend heete reis, maar ook het verblijf aan de Zambesie
is afmattend, tengevolge van de gloeiende hitte gedurende den
dag en doordat men in de lange avonden en nachten, wanneer men een
beetje van de hitte van den dag zou kunnen bekomen, binnenshuis moet
blijven voor het gevaar dat de wilde beesten opleveren. Men bekomt
er eigenlijk niet. Niemand rekt zijn verblijf er dan ook langer,
uitgezonderd diegenen, die er juist voor de wilde beesten-jacht komen,
dan noodig is, om alles goed in zich op te nemen. Twee keer in de week,
des Dinsdags en Zaterdags, kan men er per trein weder vandaan.

Het is goed gezien, dat de treinen, die teruggaan, juist dat gedeelte
van den weg bij dag doen, hetwelk bij de komende treinen bij nacht is
afgelegd, zoodat de reizigers tenslotte de heele weg door Rhodesia
overzien kunnen. Laat mij er direct bijvoegen, dat zij dan weten,
dat heel Rhodesia, beneden de Zambesie-rivier, niets anders dan
één groote, woeste vlakte is, bewoond voor het overgroote deel door
inboorlingen, en dat het als het ware wacht op energieke blanken,
om het tot ontginning te brengen.

Wij passeerden nu weder andere kafferdorpen, zooals men hier alle
plaatsen noemt, waar de inboorlingen wat meer opeengehoopt wonen,
en konden hun oorspronkelijke nijverheidsproducten bewonderen en
koopen. In een dorp werden werkelijk goed gesneden, houten figuren
aangeboden, die alle wilde beesten voorstelden. Giraffes, leeuwen,
olifanten, aardvarkens--deze laatsten vooral waren uitstekend
nagebootst en voor six pence te koop. Alles kostte eigenlijk six
pence, dat is waarschijnlijk het eenige geldstuk dat zij kennen. Zij
hadden ook menschen gemaakt. Mannen en vrouwen, allen naar eenzelfde
model. Wat opvallend was, was het model, dat zij zich gekozen
hadden. Niet zichzelf of gewone toeristen hadden zij nagebootst,
maar alle manpoppen waren zendelingen in lange, zwarte soepjassen,
witte beffen en uitgestreken gezichten, (met alle respect voor het
misschien nuttige werk wat deze mannen daar hopelijk verrichten), en
alle vrouwpoppen waren nonnen of zusters, die met de zendelingen daar
werkzaam zijn, om van deze natuurmenschen Christenen te maken. Niets
was aan deze poppen vergeten; wij moesten de opmerkingsgave, zoowel
als de gave, om het geziene weer te geven, bewonderen.

Als men bedenkt, dat in heel het groote, uitgestrekte land Rhodesia
thans slechts 17.000 blanken en meer dan 300.000 inboorlingen wonen,
die tot verschillende stammen behooren, en allen nog onder hun eigen
opperhoofd staan, dan begrijpt men, dat deze menschen, als zij zich
hun macht bewust en niet zoo goedaardig van karakter waren, die
weinige witmenschen niet zoo onderdanig zouden dienen. Nu maakt men
mijnwerkers, huisbedienden, winkelknechten, etc. van hen en betaalt hen
bijna niet, want, zoo heet de verontschuldiging, die menschen kennen
geen behoeften en door ze meer te geven, zou men ze maar bederven.

Toen wij weder wat dichter de bewoonde wereld naderden, verloren
de inboorlingen, die wij aan de stations zagen, voor ons alle
bekoring. Zij waren nu weder, zoo te zeggen, gekleed, en "a dressed
native is not nice", zooals Mrs. Catt, daarbij de neus optrekkend,
opmerkte. Onze mooie, slanke, naakte mannen en vrouwen, met hun
glad gepolijste, ebbenhouten huid, alleen met koraalsnoeren gekleed,
waren oneindig interessanter.

Ten langen laatste, na drie, bijna niet door te komen, nachten,
en drie en een halven dag arriveerden wij in Pretoria, vier dagen
vroeger dan men ons er verwacht had.



IN PRETORIA.


Nu moet ik beginnen met een bekentenis. Niettegenstaande al onze
voorzorgen om niet ziek te worden, door al het water door ons gebruikt
eerst zelf te koken, zelfs het water, dat wij 's morgens gebruikten
voor tanden en mond, nooit ongekookte melk te gebruiken en van de
maaltijden alleen dat te nemen, wat wij als volkomen onschuldig
beschouwden, was ik toch de eerste, die door een koortsbaccil
geïnfecteerd werd en had ik den laatsten dag in Victoria Falls
een vrij hevigen koortsaanval te doorstaan, gepaard met maag- en
ingewandlijden. Het idée om in Zambesie ziek te liggen, waar alle
comfort ontbrak en waar geen dokter te krijgen was, benauwde mij
zoozeer, dat wij gebruik maakten van den eersten trein den besten,
dat was die, welke den volgenden morgen van mijn ziek-zijn vertrok,
om regelrecht door naar Pretoria te reizen. De zorg van de beambten
van den trein en van den restauratiewagen gedurende deze reis kan ik
slechts roemen, zij deden alles om de reis zoo min mogelijk vermoeiend
voor mij te maken.

Wij kwamen nu bijna een week vroeger in Pretoria aan dan men ons
daar verwacht had. Dit gaf mij gelegenheid om rustig uit te zieken,
mijn medereizigsters om van de vermoeienissen en schrik, die zij
door mijn plotseling ziek worden gehad hebben, te bekomen, maar het
bracht onze goede gastvrouwen in Pretoria een beetje in de war met
haar program. Zij hadden zich voorgenomen om ons aan het station te
komen begroeten, de beide dochtertjes van Lady van Boeschoten, de
vrouw van den burgemeester van Pretoria, zouden ons daar bouquetten
aangeboden hebben, een toespraak en zang van een koor jonge meisjes
zouden wij in ontvangst hebben te nemen en dien dag zouden wij de
gast geweest zijn van den heer en mevrouw burgemeester van de stad.

Door de goede zorgen van dr. Mary Hannan en een verpleegster, in
een luchtige, rustige kamer van 't Grand Hotel en door den goeden
ziekenkost, die mij eenige keeren daags door onze vroegere stadgenoote,
en mijne oude vriendin, mevrouw Bal van Lier, gezonden werd, kon ik
den 6en dag reeds weder het bed verlaten en den volgenden morgen
voor een deel aan den lunch deelnemen, die ons in het Grand Hotel
door een veertig dames van Pretoria, waaronder alle vrouwen van de
verschillende ministers en lady Methuen, de vrouw van den oppersten
militairen autoriteit, werd aangeboden.

Maar ik zal over het program, 't welk wij gedurende ons verblijf
in Pretoria uit te voeren hadden, nog niet beginnen, doch eerst wat
van Pretoria zelf schrijven. Pretoria is de hoofdstad van Transvaal
en de stad waar na de totstandkoming van de Unie van Zuid-Afrika, de
regeering zetelt. Wel houdt het parlement zijn zittingen in Kaapstad,
maar de premier, de gouverneur en alle ministers wonen in Pretoria,
daar worden de audiënties gehouden en het werk verricht. Nu was
Pretoria oorspronkelijk een kleine stad, gebouwd in een dal, aan
alle kanten door heuvels en verder door vrij hooge bergen omgeven,
doch de stad breidt zich thans met groote snelheid naar buiten uit
en is bezig ver over de heuvelketen zijn straten te verlengen. Een
geregelde verbinding met zeer goede electrische trammen maakt het
doenlijk vrij ver buiten het centrum te gaan wonen. Midden in de stad
heeft men door het sloopen van eenige huizen en--o gruwel--, ook door
het sloopen van een Hollandsche kerk, een flinke ruimte verkregen,
die men bezig is tot een plein met een park te vervormen en waaromheen
reeds nu eenige zeer fraaie monumentale gebouwen gebouwd zijn. Vooral
het Paleis van Justitie, vlak tegenover het Grand Hotel gelegen, munt
uit in eenvoud van vorm en mooie lijnen. Ook het Gouvernementsgebouw
is een sieraad voor dit plein.

De stad schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid te bezitten, die
voor ons, tijdelijke bezoekers, nog niet te verklaren is; elkeen,
die wij hier ontmoeten, onverschillig of zij in Pretoria geboren
zijn en de stad reeds van hare opkomst kennen, of dat zij hier nog
slechts kort of zeer lang wonen, zeggen hetzelfde, dat zij Pretoria
lief hebben en er niet aan zouden denken, de stad anders dan nood
gedrongen te verlaten. Toch is het leven hier duur; alles in de winkels
is veel duurder dan in Kaapstad en in de andere steden, die wij in
Zuid-Afrika bezochten, en door de vrouwen wordt hier een vrij groote
luxe in kleeding en sieraden ten toon gespreid. Nergens nog zagen
wij in Zuid-Afrika zulke up-to-date toiletten en hoeden als hier,
terwijl de winkeluitstallingen met vele groote Europeesche steden
kunnen wedijveren.

Een van die bijzonderheden, die hier onmiddellijk opvallen is wel,
dat de inboorlingen hier met slechts een enkele uitzondering hun
oorspronkelijk karakter dragen, dat zij niet, zooals in de Kaapkolonie,
zoo'n mengsel opleveren van verschillende rassen en zooveel nuances van
wit, geel en zwart vertoonen. Het moet gezegd worden, dat, hoe dieper
men in Zuid-Afrika doordringt, des te zuiverder het kleurling-ras
zich vertoont. Of dit moet toegeschreven worden aan de hoogere
zedelijkheidsopvatting van de boeren, die zich hier het eerst hebben
gevestigd, of dat daarvoor dieper oorzaken te vinden zijn, waag ik
niet te zeggen. In een native-school, een school voor inboorlingen,
die wij hier bezochten, waar de leerlingen intern zijn, troffen wij
onder de 160 leerlingen slechts één kleurlinge aan, een dochtertje van
een Basuto-moeder en een Hollandschen vader, een kind dat zoo weinig
zwart bloed vertoonde, dat zij in het geheel niet zou zijn opgevallen,
als zij zich in een Europeesche omgeving bevond. Op die school vonden
wij tusschen al die zwartjes twee volkomen Albino-meisjes, kinderen
met was-witte huid, geelachtig wit haar en roode oogen. Deze twee
zusjes stammen uit een gezin, waarvan alle kinderen even zwart als
een kachel zijn. 't Was een akelig gezicht deze witte was-gezichtjes
met de licht-schuwe oogen, onder al die zwartjes aan te treffen.

Nu ik met die school begonnen ben, wil ik er meteen wat meer van
vertellen. Het is een school uitsluitend bestemd voor kinderen van
inboorlingen. Het begrip "kinderen" moet men echter breed uitmeten,
want er zijn leerlingen van negen af tot ver over de twintig. Mannen
en ook meisjes, die reeds de twintig jaar ver achter den rug hebben,
zaten daar met en naast de heele jonge kinderen in de schoolbanken
het a, b, c, te leeren en legden daarbij een ijver aan den dag,
alsof zij door haast te maken wilden inhalen wat vroeger aan hen
verwaarloosd is. Op deze school, die door de regeering gesubsidieerd
wordt, moet toch nog voor elk kind een vrij hoog schoolgeld betaald
worden. De hoofdonderwijzer vertelde ons, dat elk kind de school
ongeveer twintig pond jaarlijks kost en dat zij daarvan tien pond,
dus f 120,00 jaarlijks zelf moeten betalen; dat zij tevens alle boeken
en andere leermiddelen zelf moeten aanschaffen, dat is ongeveer twee
pond voor elk kind, en dat voor zoover zij intern zijn, en dat zijn
verreweg de meesten, zij nog jaarlijks vijftig pond kostgeld hebben
op te brengen.

In hoofdzaak zijn de meisjes-leerlingen dochters van de hoofden der
inboorlingen, maar de jongens worden gerecruteerd uit alle klassen
onder hen. De oudere jongens en mannen komen bijna allen voort uit de
armste bevolking, die eerst jaren in de mijnen hebben gewerkt om van
het overgespaarde geld hunne opvoeding te kunnen betalen. Hieruit
blijkt, hoe bij velen van deze menschen sterk de behoefte gevoeld
wordt aan eene hoogere ontwikkeling.

Deze school is niet alleen bestemd om de kinderen te leeren lezen en
schrijven en wat meer tot het elementair onderwijs behoort, maar de
drie hoogste klassen vormen een opleidingscursus tot onderwijzer en
onderwijzeres. Na volbracht examen worden deze jongelieden gebruikt om
als onderwijzend personeel dienst te doen op scholen voor hun eigen
ras. Ook onder het onderwijzend personeel van deze school waren een
paar kleurlingen. Twee uren daags worden door de jongens besteed aan
het leeren van alles wat tot het timmer- en cartonnagevak behoort,
terwijl in die uren aan de meisjes handwerk- en huishoudonderricht
gegeven wordt. De meisjes leeren er zeer goed naaien en alle handwerk,
dat met de naald moet geschieden, en ontvangen er onderricht van
het begin tot het einde in goed wasschen en strijken, zij leeren
er koken en alle andere huishoudelijke dingen, zelfs leeren zij er
debatteeren. Of dit nu juist voor een vrouw zoo noodig is aangeleerd
te worden, daarvan ben ik nog niet overtuigd. Voor het debat mogen
zij de onderwerpen zelf kiezen en dan wordt er een aangewezen, die het
vóór, een ander die het tegen te verdedigen heeft. Een lijstje van de
gegevens, die in deze week moeten worden besproken hing aan een van de
muren, en wij konden niet laten, daarin even een blik te werpen. Het
eerste punt van discussie was: "Waarom is het beter op een stoel te
zitten dan maar gewoonweg op den grond te gaan zitten?" Een ander punt
was: "Is het beter zijn dag in te richten naar de uren van de klok,
of om de zon als dagindeeling te gebruiken?" Dan was er een vraag:
"Waarom moeten wij leeren met lepel en vork te eten?" en 'n ander:
"Is 't beter voor den mensch om te werken dan om niets te doen?" Deze
zelf gekozen vragen geven een goed inzicht wat in de hoofden van die
leergierige zwarte jeugd omgaat.

Wij moesten natuurlijk in Pretoria ook de diamantmijn zien, de mijn
die de Cullinan-diamant heeft voortgebracht. Deze mijn is van veel
jonger datum dan die in Kimberley en daardoor zijn de machines die
er gebruikt worden en is de geheele inrichting veel meer up-to-date
dan in Kimberley. Ook de inrichting, waar de zwarte mijnwerkers
binnen gehouden worden, de native-compound, zoodat zij, zoolang hun
contract bindend is, de mijnen niet kunnen verlaten, is nog beter en
nog doeltreffender ingericht dan die in Kimberley.

Een van de bijzonderheden, die in Pretoria bezichtigd moeten worden,
is zeer zeker de woning waarin president Kruger gewoond heeft. Dit
huis wordt geheel in denzelfden toestand gehouden als toen het nog
door den gestorven president gebruikt werd. Een van de kamers is
geheel ingericht in aandenken aan zijn sterven. Alle kransen, hem
toen vereerd, hangen in gedroogden toestand daar aan de wanden en het
opmerkelijkst in die kamer is de schilderij, Kruger voorstellende
als hij ten hemel vaart, toegewuifd door zijne landgenooten en
vereerders. Voor ons, nuchtere beschouwers en onwillekeurige critici,
maakte het een vreemden indruk, dat het bovengedeelte van het lichaam,
dat uit de wolken zichtbaar is, Kruger voorstelt in gekleeden jas. Maar
wij mogen in deze woning niet critiseeren, want alles getuigt er
van eene oprechte liefde en piëteit voor den dierbaren afgestorvene,
die door vele zijner landgenooten zoo hoog geacht en innig geliefd was.

Nu ik over president Kruger schrijf, wil ik een enkel woord wijden
aan den oud-president Burgers, den man, die vóór Kruger aan het hoofd
stond van Transvaal en die het tegen Kruger moest afleggen, omdat zijn
veel moderner opvattingen van het leven in dien tijd voor de Boeren van
Transvaal veel te vooruitstrevend waren. Was die man toen aan het hoofd
gebleven, dan zou voorzeker veel anders gegaan zijn in Transvaal dan
het nu gegaan is. Burgers was een man, die naar Europeesche begrippen
op de hoogte van zijn tijd stond, doch hij werd door zijne achterlijke
landgenooten toen niet begrepen. Nu hij dood is, en alles onder andere
leiding gekomen is, worden vele van zijne denkbeelden uitgevoerd en
zijn lieve, oude weduwe en vele in Pretoria wonende kinderen hebben nu
ten minste het voorrecht te zien en te hooren, dat men thans begint in
te zien, wat het land in dien edelen man verloren heeft. Het is geen
wonder, dat wij in dat gezin de meest vooruitstrevende personen van
Pretoria aantreffen. Voor zoover ik de geschiedenis van Zuid-Afrika
gevolgd heb, heb ik altijd met de grootste sympathie aan dien edelen,
flinken president Burgers gedacht en daarom voel ik mij gedrongen,
nu ik in Transvaal ben, deze paar woorden aan hem te wijden.

De dierentuin met het daaraan verbonden museum in Pretoria is
ongetwijfeld de beste, die wij in Zuid-Afrika hebben gezien. Wil men
goed op de hoogte komen van alle soorten dieren, die in Zuid-Afrika
in wilden staat leven, dan mag men een bezoek aan dien tuin niet
achterwege laten. Hadden wij in Rhodesia geen leeuw gezien, hier zagen
wij eenige zeer mooie soorten. Het verschil bestond alleen daarin,
dat zij nu netjes in een hok zich vertoonden; maar wij vonden het toch
achteraf wel zoo veilig een leeuw in een hok dan in de Rhodesische
bosschen te ontmoeten.

Behalve de afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, die in
Pretoria bestaat, zijn er nog tal van andere vrouwen-vereenigingen,
die echter meest alle het een of ander philantropisch werk verrichten
en die zich ook hier somtijds verdeelen in twee groepen, waarvan een
alles doet gedreven door een christelijk, de ander door een menschelijk
gevoel. Zoo zijn hier dan ook twee tehuizen voor ongehuwde moeders
en hare kinderen, doch in beide tehuizen worden alleen de blanke
ongehuwde moeders opgenomen. Voor de zwarte zusjes wordt nog in het
geheel niet gezorgd; het zal nog een heel langen tijd duren voordat
de Zuid-Afrikaansche bevolking zal inzien, dat de zwarte menschen
eveneens onze broeders en zusters zijn, die echter nog op een lager
trap van ontwikkeling staan en daarom juist onze hulp en steun in de
eerste plaats noodig hebben. Over het algemeen beschouwt men de zwarten
nog als slaven, die voor een heel klein loon al het vuile en al het
zware werk moeten verrichten. Men behandelt hen met geringschatting,
ja, in vele gevallen met de grootste minachting. Ik heb hierover
reeds in vroegere brieven geschreven, maar onwillekeurig kom ik er
op terug, omdat het mij telkens weder opnieuw treft en ik een groote
sympathie voor dat zachte, goedaardige volk niet kan onderdrukken
en het mij hindert, dat door eene verkeerde behandeling van de zich
boven hen voelenden, dit volk misschien geheel bedorven en zijn
karakter misschien geheel verwrongen zal worden. Ik hoop, dat die
menschen bijtijds zullen leeren inzien, waarop zij als mensch recht
hebben en dat zij alleen voor eene goede menschelijke behandeling hunne
arbeidskrachten in dienst willen stellen van hunne blanke medemenschen,
die lang niet altijd in ontwikkeling en natuurlijke beschaving boven
hen staan.



II.


In korte trekken zal ik nu eerst vertellen wat wij in Pretoria verricht
hebben, hoe wij er ontvangen werden en hoe het werk door ons gedaan
er op prijs gesteld werd.

De dag, waarop ik voor het eerst een half uur aan den ons
aangeboden lunch in het hotel kon deelnemen, was ook bestemd om de
eerste openbare vergadering te houden, waar mrs. Catt en ik zouden
spreken. Het spreekt van zelf, dat ik dien avond nog niet het hotel
kon verlaten en nog veel minder een uur kon staan en een toespraak
houden. Mrs. Catt moest dus alleen gaan, en werd geassisteerd door
een der hier wonende Engelsche dames, Mrs. Bigger. De burgemeester
van Pretoria--Van Boeschoten--had voor dien avond bereidwillig het
presidium aanvaard en de stadsgehoorzaal ter beschikking gesteld. Om
het vele Hollandsch sprekende publiek, dat opgekomen was om mij te
hooren, tevreden te stellen, annonceerde de president bij den aanvang
van den avond onmiddellijk, dat ik wegens ziekte verhinderd was dien
avond te komen, doch mij bereid had verklaard na mijn herstel een avond
alleen voor de Hollandsch sprekende bevolking te zullen spreken. Dit
maakt dan nu, dat ik niet met mrs. Catt tegelijk naar Johannesburg
kan vertrekken, doch aan mijne belofte getrouw, 2 October eerst de
Afrikaanders voor het kiesrecht moet winnen. Dat mrs. Catt met haar
voordracht weder succes had en velen warm maakte voor deze groote
hervorming, spreekt natuurlijk van zelf.

Dinsdag waren wij voor een diner de gasten van mevrouw Louis
Botha, waar wij weder bijna alle vrouwen van de andere ministers
en eenige voorname dames van Pretoria ontmoetten. Laat mij er
direct aan toevoegen, dat op alle diners, luncheons en tea's,
stilzwijgend op mrs. Catt en mij de verplichting rust, dat wij
een toespraak moeten houden en dikwijls waren na afloop van zoo'n
eetpartij nog andere gasten genoodigd, om naar onze toespraken
te luisteren. Achtereenvolgens gaven alle ministersvrouwen een
dergelijke gelegenheid om ons te fuiven, of te wel om de vrienden
en vriendinnen uit te noodigen "to meet mrs. Catt and dr. Aletta
Jacobs". Woensdag was voor mij zelfs een zeer vermoeiende dag; eerst
hadden wij bij mevrouw Hull, de vrouw van den minister van Financiën,
een lunch gehad en vandaar werd ik om half vier in eene vergadering
verwacht van de Zuid-Afrikaansche Vrouwen Federatie, eene vereeniging,
die hare takken heeft over geheel Transvaal en die uitsluitend uit
Afrikaander vrouwen bestaat. Met enkele uitzonderingen zijn dit allen
conservatieve, godsdienstige vrouwen, die allerlei soort philantropisch
werk verrichten en, hoewel zij beweren de politiek geheel buiten
de Federatie te houden, toch bij de verkiezingen de candidaten van
de Afrikaanderpartij op allerlei gebied zeer sterk helpen en in
hunne statuten onder het hoofdstuk "doel van de Federatie" dit stuk
politieken arbeid zelfs hebben voorgeschreven. In de vergadering
van deze vereeniging mag alleen "de taal" of Hollandsch gesproken
worden. Om die reden was ik er alleen genoodigd te spreken en mrs. Catt
niet. De presidente, mevrouw Faure, die niet alleen presidente van de
afdeeling Pretoria, maar ook van de Nationale Federatie is, en die
zeer sterk voor het vrouwenkiesrecht gevoelt, had mij uitgenoodigd
dien middag te spreken over "vrouwenkiesrecht in verband met het
doel der Federatie en met het werk door die vrouwen verricht". Ik
had het succes de aanwezige vrouwen zoo sterk voor dat vraagstuk
te interesseeren, dat men mij verzocht op hunne jaarvergadering in
Heidelberg te willen komen om daar voor de afgevaardigden van geheel
Zuid-Afrika, want ook in de andere Staten van de Unie bestaan zulke
bonden, dat onderwerp te behandelen. Op die jaarvergadering zal ik dan
eindelijk de vrouwen onder mijn gehoor krijgen, die het eigenlijk in
handen hebben om de vrouwen van Zuid-Afrika politiek te ontvoogden;
want zoodra deze vrouwenbonden er zich voorspannen en het kiesrecht
aanvragen, zullen zij het van deze regeering verkrijgen.

En dat is gemakkelijk te verklaren. De Afrikaanderpartij is in de
regeering verre in de meerderheid, doch bij de toenemende immigratie
is het te voorzien, dat die meerderheid op den duur zal afnemen. Geeft
men nu den vrouwen het kiesrecht, dan verdubbelt de Afrikaanderpartij
haar stemmen, terwijl onder de immigranten vele ongehuwd zijn, hunne
vrouwen in het moederland achterlaten of soms hun geheele leven
als coelibatair in het nieuwe land doorbrengen. Zoolang echter de
Afrikaander Vrouwenbond zich niet voor het "kiesrecht aan de vrouw
verklaart," vreezen de mannen, dat zij het stembiljet ongebruikt
zullen laten en dat de Britsche vrouwen, die in hoofdzaak de leden
van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht uitmaken, het zullen gaan
gebruiken om haar partij te versterken. Van mijn succes in Heidelberg
hangt dus veel af en aan alle kanten word ik aangespoord om deze
gelegenheid aan te grijpen en te probeeren wat ik bereiken kan.

Dienzelfden avond, dat ik in de Pretoriasche afdeeling van den
Vrouwenbond sprak, moest ik nog naar een diner en een nieuwe toespraak
houden.

Vrijdagavond boden de Mayor en Mayoress ons een feestavond aan,
waar 400 gasten genoodigd waren, en Zondag waren wij de gasten van
de Country-club. Zaterdag brachten wij den geheelen dag door op de
farm van generaal en mevrouw Smuts, den minister van Binnenlandsche
Zaken. Dit interessante echtpaar had ons uitgenoodigd van Zaterdag
tot Maandag bij hen te komen, maar daarvoor hadden wij geen tijd.

Wij hadden ook nog een tea-party op het buiten van Semmie Marks, bekend
als de rijkste man in Zuid-Afrika, en daar hadden wij gelegenheid te
zien wat er met geld en geduld van eene Zuid-Afrikaansche farm te maken
is. Dit buiten deed ons in vele opzichten denken aan eene Engelsche
buitenplaats, maar alles was er op nog grooter en uitgebreider schaal
aangelegd.

Gedurende ons geheele verblijf was de gouvernements-auto met
chauffeur geheel te onzen dienst gesteld en elken morgen om 9 uur
kwam de chauffeur vragen, waarheen wij dien dag wilden gaan en op
welken tijd wij wenschten, dat de auto voorkwam.

Maandagmorgen moest mrs. Catt naar Johannesburg vertrekken, omdat zij
daar dien middag een comité-meeting moest bijwonen en bleef mevrouw
B. met mij in Pretoria, waar ik dien avond nog moest spreken, en ook
mevrouw B. eene korte toespraak zou houden.

Minister Malan, minister van Onderwijs, had voor dien avond het
presidium van de vergadering op zich genomen en van de in Pretoria
aanwezige ministers waren er vele in de stampvolle zaal aanwezig. Het
succes was, dat de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht dien avond vele
nieuwe leden verwierf en de voorzitter van dien avond bij zijn woord
van dank meende openlijk te moeten verklaren, dat hij veel geleerd
had en voortaan als een warme voorstander van een spoedige invoering
van vrouwenkiesrecht beschouwd kon worden.

Dinsdagmorgen vertrokken mevrouw B. en ik naar Heidelberg, alwaar
ik Woensdagmorgen voor de jaarvergadering van de Zuid-Afrikaander
Vrouwen-Federatie moest spreken. Wij hadden nu eens gelegenheid om een
van de kleine Zuid-Afrikaansche steden te zien en de toestanden daar
te leeren kennen. Heidelberg is een van de mooiste stadjes en zal later
zeker een zeer mooi oord worden. Het is in een mooi dal gelegen en door
aardige berggroepen omgeven. Het onderscheidt zich gunstig van andere
zulke stadjes, doordat er nog al veel boomen geplant zijn. Er zijn
ook eenige zeer goed gebouwde en met mooie tuinen omgeven villa's,
maar... het hotelwezen is er nog meer dan primitief. Wij waren er
uitgenoodigd bij eene familie te komen logeeren, maar, onbekendheid met
den toestand der hotels aldaar had ons doen besluiten die uitnoodiging
van de hand te wijzen en liever in het "Grand Hotel" onzen intrek te
nemen. Maar o, wat heeft ons dat berouwd. De bedden waren bevolkt,
ook zonder dat wij er in lagen en alles was er verder zoo vuil, alsof
er in geen eeuw een schoonmaak had plaats gevonden. Wij durfden niets
van onze bezittingen hier of daar neerleggen, uit vrees, dat het op de
plek zou blijven vastkleven en wij namen ons voor in het hotel eene
volledige hongerkuur in toepassing te brengen. Het grappigste was,
dat toen wij ons beklag gingen indienen over dezen toestand van zaken
bij de vrouw van het hotel, deze ons met een blik van de grootste
onverschilligheid opnam en antwoordde: "Voor gij Zuid-Afrika verlaten
gaat, zult gij nog wel meer van die beestjes ontmoeten." Gelukkig is
het warm in Zuid-Afrika en kan men zich een nacht behelpen ook zonder
veel peluwen en dekens. Zoo goed als het kon richtten wij ons in voor
dien nacht en bereidden ons op niet-slapen voor. Dat mijne metgezellin
nu en dan eens even insliep, moest zij betalen met aan hals, armen en
gezicht onmiskenbare teekenen te vertoonen, dat zij in nauwe aanraking
is geweest met dat zekere soort van platte beestjes, die men bij ons
in een "Grand Hotel" niet verwacht en ook zelden aantreft.

Woensdagmorgen werd de jaarvergadering van de Vrouwen-Federatie door
ds. Louw met een gebed, het voorlezen van een stuk uit den Bijbel, het
houden van een korte toespraak en het zingen van een psalm geopend,
waardoor de aanwezigen in de stemming kwamen, die zij voor haar werk
meenden noodig te hebben. Er waren ongeveer 40 afgevaardigden uit
de verschillende afdeelingen tegenwoordig en verder een vrij groot
aantal belangstellenden, waaronder een achttal predikanten en eenige
onderwijzers.

Nadat alle gewone punten van de agenda,--openingswoord van de
presidente, voorlezen der notulen, verslag van secretaresse en
penningmeesteresse, etc.--waren afgehandeld, kreeg ik het eerst het
woord voor mijne aangekondigde rede. Ik kon de aanwezigen wijzen
op het werk van vrouwen uit andere landen, die voor hetzelfde doel
werken als waartoe zij zich geroepen voelen en op het feit, dat al
die vrouwen geëindigd zijn met in te zien, dat zij met het kiesbiljet
honderdmaal vlugger en duizendmaal beter het werk kunnen volbrengen
dan zonder dit. Ik wees hen op de nieuwe plichten der hedendaagsche
vrouwen en vertelde hen, dat hunne grootmoeders en overgrootmoeders
misschien de eerste vrouwen in de wereld zijn geweest, die bij de
regeering hebben aangedrongen om kiesrecht. Het waren de vrouwen
van de voortrekkers, die in 1843 reeds eene deputatie zonden naar
de Engelsche vertegenwoordiger in Natal, om het recht voor de
Zuid-Afrikaansche vrouwen op te eischen een stem te hebben in alle
zaken, die de welvaart en het welzijn van het Zuid-Afrikaansche volk
betroffen. Deze laatste wijsheid had ik opgedaan van den premier Botha.

Mijne woorden werden met groote instemming van al de aanwezige heeren
en vele der aanwezige vrouwen aangehoord en luide toegejuicht, maar
onmiddellijk nadat ik geëindigd had, stond mevrouw De la Rey, vrouw van
den generaal De la Rey, op om te zeggen, dat ook zij met belangstelling
en voor een groot deel met instemming mijne woorden had aangehoord,
dat ook zij meende, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen eenmaal door den
Heer geroepen zullen worden voor dat grooter werk, die breedere taak
waarop ik hen gewezen had, maar dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen hebben
te wachten, totdat de Heer haar roept. Tot dusver had zij die roepstem
nog niet vernomen en meende daarom die taak nog niet te mogen op zich
nemen. Door haar man te steunen in moeilijke tijden had zij steeds
zeer veel bereikt en zij meende, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen
eerst moesten probeeren hoever zij het door het bewandelen van den
weg, door God haar gewezen, in Zuid-Afrika konden brengen. Zij vond
gelukkig niet veel instemming.

Na haar nam mevrouw Brandt, de vrouw van den bekenden predikant
uit Johannesburg, het woord en zeide, dat zij met groote instemming
mijne woorden had aangehoord, alleen op één punt niet zoover wilde
gaan als ik. Ik had aangeraden, dat de Vrouwen-Federatie zich
zou uitspreken vóór vrouwenkiesrecht en zelfstandig een adres aan
de regeering zou zenden, waarin zij op een spoedige invoering er
van zou aandringen. Mevrouw Brandt was van oordeel, dat daarmede
voor vrouwenkiesrecht zeer veel gewonnen, maar de Zuid-Afrikaansche
Vrouwen-Federatie daardoor in stukken gescheurd zou worden. De vrouwen
op de afgelegen farms wisten nog te weinig van deze zaak en zouden
hoogstwaarschijnlijk afgeschrikt worden door zulk een maatregel. Zij
raadde liever de afgevaardigden aan, mij uit te noodigen in hunne
afdeelingen het vrouwenkiesrechtvraagstuk te komen bespreken,
daarmede zou zeer zeker veel gewonnen kunnen worden. Daarop volgden
onmiddellijk vele uitnoodigingen, maar daar de meesten een dag of
meer reizen vereischen om er te komen, kon ik die uitnoodigingen niet
alle aanvaarden. Wij moeten den 23en October in Durban scheep gaan,
en wanneer ik die uitnoodigingen zou hebben aanvaard, zou ik misschien
nog een maand langer hier moeten blijven. Alleen de uitnoodiging van
Germiston en Potchefstroom heb ik aangenomen, indien het ten minste
den afgevaardigden van daar gelukt, in den loop der volgende week
een vergadering bijeen te roepen.

Des middags namen wij den terugtocht aan, omdat ik dien avond in
Johannesburg nog moest spreken. Eerst om half zeven arriveerden wij
in Johannesburg zoo dood vermoeid na een slapeloozen nacht en een
dag van groote beslommeringen, dat het mij onmogelijk was mijn plicht
aldaar voor dien avond te vervullen. Ik moest dus mrs. Catt verzoeken
alleen het woord te voeren en mij te verontschuldigen. Ik was voor
niets anders in staat dan een frisch bad te nemen en naar bed te gaan.



JOHANNESBURG.


Johannesburg zal wel worden het centrum en de hoofdstad van
Zuid-Afrika. Het begint reeds op een wereldstad te gelijken. Zoo
zou ik het niet aan de Johannesburgers durven zeggen, want die zijn
vast overtuigd, dat hun stad reeds een wereldstad is. Zoo ver is de
ontwikkeling van de stad echter nog niet gevorderd, maar het gaat
er met rassche schreden heen. Er zijn reeds hotels, die met de beste
Europeesche hotels kunnen wedijveren, drie à vier theaters en eenige
music-halls bieden 's avonds de noodige verstrooiing aan, al is het
kunstgenot dat men er zou moeten smaken dan ook nog van zeer inférieur
gehalte. Overal standplaatsen voor motorcars en huurrijtuigen, een
geregelde en van goede wagens voorziene electrische tramdienst,
breede, goed geasphalteerde straten met groote, mooie winkels,
een zeer woelig, druk verkeer in de stad en de mooie buitenwijken,
groote kantoren en officieele gebouwen, dat alles geeft inderdaad
reeds een grootsteedschen indruk. Deze indruk wordt nog versterkt
door het gezicht van zoovele hooge, rookende schoorsteenen buiten
de stad, die bijna alle aanduiden, dat daar het goud aan den grond
wordt onttrokken, of het zijn eenvoudig fabrieksschoorsteenen.

Cosmopolitisch is Johannesburg meer dan eenige andere stad in
Zuid-Afrika. Het Hollandsch-sprekend publiek wordt er bijna niet
aangetroffen, want de betrekkelijk weinige Hollanders, ongeveer een
300, die er wonen en de Afrikaanders, die er zich gevestigd hebben,
beijveren zich allen om toch vooral Engelsch te spreken. De Duitschers,
Franschen, Belgen, Italianen, Arabieren, etc. die er aangetroffen
worden, spreken onder elkaar ten minste nog hunne moedertaal, maar
overigens is de taal, die hier gesproken wordt, bijna uitsluitend
Engelsch. In Johannesburg zetelt ook de zeer sterke Unionistische
politieke partij, de partij der Britten en Uitlanders, die zeer sterk
tegen deze nationalistische of Afrikaander regeering gekant is. Wanneer
men zich hier in een gezelschap bevindt, hetzij van mannen of van
vrouwen of gemengd, men kan zeker zijn, dat het gesprek onmiddellijk
een politieke kleur aanneemt en dat de regeering wordt hard gevallen
over alle daden, die het heeft verricht. En het is te voorzien, dat
Johannesburg en omstreken steeds sterker Britsch-gezind worden, want
alle goudmijnen en alle fabrieken en groote werkplaatsen zijn in handen
van Britten en die employeeren bij voorkeur Britsche werkkrachten,
voor zoover het werk niet door kleurlingen wordt uitgevoerd.

Eene andere bijzonderheid valt hier nog op te merken, waardoor
Johannesburg zich van de meeste andere steden in Zuid-Afrika
onderscheidt. Nergens treft men zoovele rijkaards aan, die nu in
mooie, smaakvolle paleizen wonen en in de mooiste automobielen door
Johannesburg's straten tuffen, wie het zoo onweerspreekbaar is aan te
zien, dat zij niet op zijden kussens in de wieg hebben gelegen en dat
de weg tusschen zwoeger en genieter van 's werelds goede gaven, niet
zoo'n heele lange is geweest. Toeval, handigheid, geluk, misschien ook
fijn verstand, schijnt hen in korten tijd van het eene uiterste tot het
andere te hebben gebracht. Onwillekeurig wekt hier elke millionnair,
of die er voor wil doorgaan, de gedachte zoodra men een poosje met hen
gesproken heeft "ik zou willen weten hoe ge aan uw geld komt", of "hoe
hebt ge hem dat zoo gauw geleverd?" Slechts weinigen treft men aan,
die de weelde met de daarbij behoorende waardigheid weten te dragen.

Ik hoop niet, dat ik hiermede den indruk wek, dat elkeen in
Johannesburg een gemakkelijk bestaan lijdt en dat hier over het
algemeen veel en gemakkelijk geld verdiend wordt. Niets is minder
waar dan dit. De groote massa moet hier zeer hard werken voor een
betrekkelijk klein salaris, klein vooral in verhouding tot 't zeer dure
leven. De goudmijnen hebben natuurlijk--en doen het nog--de meeste
Europeanen, die hun geluk wilden beproeven, naar Johannesburg gelokt
en die velen doen elkander in den strijd om het bestaan eene bittere
concurrentie aan. Het schijnt hier volstrekt niet gemakkelijk te zijn
eene goede en passende betrekking te krijgen. Toch schijnen de meesten,
die hier een tijdje geleefd hebben, het aangenamer te vinden hier
gebrek te lijden dan weder naar Europa terug te keeren. Het heerlijke
frissche, opwekkende klimaat maakt het waarschijnlijk gemakkelijker
hier armoede te lijden dan thuis.

Het klimaat is hier heerlijk, maar wij treffen het nu
bijzonder. Johannesburg ligt ongeveer twee duizend meter hoog,
de hitte van het klimaat wordt hier meestal door een frissche
bries afgekoeld. Maar deze frissche bries brengt eenige zeer groote
onaangenaamheden met zich, die wij hier misloopen. Rondom Johannesburg,
waar de goudschatten uit den grond worden opgedolven, verheffen zich
torenhooge bergen van fijn wit zand, het afval van de steen, die het
goud bevatte. Deze zandmassa's hullen Johannesburg, vooral in het
droge seizoen, onophoudelijk in een stofwolk, waardoor niet alleen
de huizen en straten bijna niet schoon te houden zijn en de kleeren,
die gedragen worden, als zij niet uit waschstof bestaan, voor goed
bederven, doch die het ademen bijna onmogelijk maakt en in elk geval
op de gezondheid zeer nadeelig inwerkt. Wij kwamen hier juist na het
begin van het regenseizoen. Flinke onweers- en regenbuien houden nu
de zandmassa's nat en compact genoeg om niet te verstuiven en houden
het overigens zonnige klimaat aangenaam koel. Die regenbuien zijn
volstrekt niet onaangenaam, zij komen met groote hevigheid op, maken
in korten tijd van de straten meren en houden dan plotseling op om
de zon weder gelegenheid te geven hare krachten te beproeven. In een
oogenblik zijn dan de straten weder droog en kan men zijn autotocht
of wandeling voortzetten.

Met deze goudmijnen rondom Johannesburg is toch niet de omgeving van
Johannesburg bedorven. Na Kaapstad, die inderdaad een zeer prachtige
omgeving heeft, is Johannesburg in dit opzicht te noemen. Er zijn
hier zeer mooie omstreken, en als alles wat meer gevestigd is,
als die omstreken niet meer zoo in disorde zijn door de in wording
zijnde groote paleizen en heerenwoningen, die er gebouwd worden, dan
zal een autotocht in de omstreken van Johannesburg een nog grooter
genot opleveren.

Ook hier werden wij weder met groote onderscheiding ontvangen. Niet
alleen boden de burgemeester en de burgemeestersvrouw ons den dag
na mijne komst een officieele lunch in het Carlton-hotel aan, waar
behalve wij vieren, de Amerikaansche en Hollandsche consuls en hunne
vrouwen en een honderdtal andere dames en heeren genoodigd waren, maar
ook de Amerikaansche Club en de Nederlandsche Vereeniging hadden een
avond van ontvangst voorbereid, die inderdaad schitterend was. Op al
deze gelegenheden werd weder van ons verwacht, dat wij eene korte rede
hielden en bovendien had Mrs. Catt den avond, toen ik van Heidelberg
terugkeerde, voor eene zaal, die meer dan duizend menschen bevatte,
eene voordracht over Vrouwenkiesrecht te houden. Zij won ook hier aller
sympathie en op onzen tocht door Zuid-Afrika heeft zij zich den roem
verworven van eene spreekster "bij Gods Genade" te zijn. Een avond
nog, toen ik in Germiston voor de Afrikaander vrouwen moest spreken,
sprak Mrs. Catt in eene andere voorstad voor een Engelsch publiek.

In de Amerikaansche Club, de Martha Washington Club, die voornamelijk
bestaat uit directeuren en hooge ambtenaren van de goudmijnen, had
onze ontvangst een zeer huiselijk karakter en werden wij vergast op
allerlei American-drinks en Amerikaansche kostjes. In de Nederlandsche
Vereeniging, waarvan de sympathieke predikant Brandt de voorzitter
is, werd ik ontvangen (Mrs. Catt was dienzelfden avond afgereisd,
omdat zij zich verbeeldde de hooge lucht op den duur niet te kunnen
verdragen en daarom zoo gauw mogelijk naar Durban wilde afreizen)
door een jonge dame, die mij eene zeer fraaie bouquet bloemen met
linten in onze nationale kleuren aanbood, namens de Hollandsche
vrouwen in Zuid-Afrika en verder door het geheele bestuur, waarvan
ds. Brandt toen eene zeer mooie en gevoelige toespraak hield. Er
heerschte dien avond eene zeer gezellige geest, eenige landgenooten
gaven mooie muzieknummers ten beste en ik sprak over de positie van de
hedendaagsche vrouw in Nederland, en overigens had ik de gelegenheid
met tal van oude landgenooten de kennismaking te hernieuwen of
opnieuw aan te knoopen. De Nederlandsche consul in Johannesburg,
de heer Baerveldt, bevindt zich op dit oogenblik in Nederland,
maar zijn lieve, ontwikkelde, beschaafde vrouw, en de waarnemende
consul, de heer Prior, beijverden zich, om mevrouw B. en mij toch
alle gastvrijheid aan te bieden en ons zoo ter zijde te staan als zij
aan landgenooten van den consul meenden verschuldigd te zijn. Hoewel
mevrouw B. eene Duitsche van geboorte is en de heer Prior een Deen,
geven zij zich alle moeite onze taal te leeren en correct te spreken.

Natuurlijk hebben wij hier ook een goudmijn gezien. De directeur
geleide ons persoonlijk. Van het begin, dat de steen in de mijn
wordt losgehakt en naar boven gevoerd, tot aan het oogenblik, dat de
zuivere goudblokken gereed zijn om naar Londen te worden verscheept,
hebben wij het geheele proces gezien. Het meest wat mij bij dit
alles verbaasde was de minieme hoeveelheid goud, die uit een wagen
vol steenen verkregen wordt. Microscopisch klein is het korreltje,
soms niets meer dan een stofje, dat in de smeltkroes overblijft;
doch al deze stofjes tezamen genomen, vormen toch ongeveer vier
goudblokken, elk 50 pond wegende, die in één dag uit een mijn worden
opgehaald. Aan een stuk ruwe steen ziet men niets bijzonders, het
bloote oog kan met geen mogelijkheid er goud in ontdekken.

De compound, de plaats, waar de kleurling-mijnwerker verplicht
is te vertoeven als hij niet werkt, is niet zoo goed en gezellig
en gezond ingericht als diezelfde inrichting in de diamantmijnen,
en ook het hospitaal was er lang niet zoo frisch. Verbazend groot
is het sterftecijfer onder de mijnwerkers en zelfs onder de blanke
employé's van de goudmijnen.

Het is vooral tuberculose, die velen in korte jaren grafwaarts
voert. Men stelt het leven van een mijnwerker gemiddeld op 7 jaren,
dat wil zeggen, langer dan 7 jaren houdt zoo iemand het niet uit,
voordat de tuberculose, vooral longtuberculose, hem reeds ten grave
heeft gevoerd.

Treft dit lot een inboorling, een Kaffer, dan wordt die meestal
onmiddellijk naar zijn kraal teruggestuurd, waar hij dan de ziekte
verder kan verspreiden en een vroegen dood sterven. Van het lot van
deze arme menschen trekt niemand zich iets aan. Zoolang zij gezond en
sterk zijn, zijn die menschen goedkoope arbeidskrachten; zijn zij ziek,
dan hoopt men, dat zij zoo gauw mogelijk dood gaan en niemand meer
tot last strekken. Worden de blanke arbeidskrachten der goudmijnen
tuberculeus, dan worden zij eerst op kosten der directie naar een der
hier bestaande sanatoria gezonden; blijken zij ongeneeslijk, dan worden
zij naar hun geboorteland teruggezonden met een kleine lijfrente.

De kaffers worden hier als mijnwerkers aangeworven, zooals men vroeger
bij ons de soldaten voor Indië aanwierf. Er zijn mannen, die daarvan
een beroep maken en onder allerlei mooie beloften en voorspiegelingen
de Kaffers uit hun kralen naar de mijnen lokken. Zoo'n Kaffer moet
zich dan voor één jaar verbinden en kan onder geen voorwendsel
dat contract verbreken. Men kan gerust zeggen, dat een Kaffer, die
een jaar in deze mijnen gewerkt heeft, als hij in dien tijd niet
lichamelijk ten gronde is gegaan, dan toch zeer zeker zedelijk totaal
bedorven is. De toestanden, die hier op zedelijk gebied heerschen,
zijn allerbedroevendst. Het is mij echter onmogelijk daarover in een
open schrijven uit te wijden.

Ons langer blijven in Johannesburg bracht ons in de gelegenheid het
een en ander te hooren en te zien van het bezoek, dat door de leden
van het parlement aan Johannesburg gebracht werd. De groote afstanden
in Zuid-Afrika, het dure reizen en nog andere bezwaren zijn oorzaak,
dat vele volksvertegenwoordigers, die toch de belangen van het geheele
land dienen te behartigen, hun land slechts bij overlevering kennen, en
velen onder hen niet verder zijn geweest dan in de staat (nu provincie
genoemd), waarin zij wonen, of soms alleen het district kennen wat
zij vertegenwoordigen. Daardoor weten de landbouwers en veetelers
niets van de belangen der mijnwerkers of van de struisvogelboeren
en omgekeerd. De man van het land kent de behoeften en verlangens
niet van de stadsbewoners en de vertegenwoordigers der steden
kennen de belangen der landelijke bevolking niet. Om aan deze
bezwaren tegemoet te komen, heeft de spoorwegmaatschappij voor
een week een extra-trein ter beschikking gesteld om de leden van
de volksvertegenwoordiging, benevens senatoren en ministers, dit
jaar Transvaal te laten bezoeken en wel de daarin voorkomende steden
Pretoria, Johannesburg en Potchefstroom. In die steden zijn zij dan
de gasten van het gemeentebestuur en de burgemeesters. Voorzoover
aan de feestelijkheden, aan dit bezoek verbonden, dames deelnamen,
had de burgemeester ook mevrouw B. en mij een uitnoodiging gezonden,
waardoor ik in de gelegenheid was met tal van interessante personen
kennis te maken. Vooral was het mij aangenaam den heer Schreiner,
oudste broeder van Olive Schreiner en vroeger eerste minister van
de Kaapkolonie, te ontmoeten. Hij is de echte broeder van zijne
wereldberoemde talentvolle zuster; een even groote idealist, feminist
en strijder voor de rechten van de kleurlingen.

Aan het feestmaal, dat door den gemeenteraad en eenige invloedrijke en
financieel-rijke mannen van Johannesburg aan de gasten werd aangeboden,
namen geen vrouwen deel, maar toch werden wij om tien uur, toen het
diner was afgeloopen, door de vriendelijkheid van den burgemeester
in staat gesteld, de officieele speeches te hooren. Nadat door den
burgemeester eerst op den koning en daarna op de Zuid-Afrikaansche
regeering was gedronken,--getoast kan ik het niet noemen, want
er werd eenvoudig gezegd: "The King" en daarna "South-African
government",--begonnen de speeches. De heer Hofmeyr, burgemeester
hield een speech, die vol luimigheden in den aanvang was, aardigheden,
die bij ons, stijve Hollanders, misschien een glimlach zou hebben
verwekt, doch die de goedlachsche Zuid-Afrikaander in uitbundige
hilariteit bracht. Het ernstige gedeelte van de speech, dat een
groot effect had en door alle dagbladen sterk op den voorgrond wordt
geschoven en met algemeene instemming wordt vermeld, komt daarop neer,
"dat de beste volksvertegenwoordiger niet is, de man met het grootste
verstand, zelfs niet de man met het beste hart, maar de man met het
beste voorstellingsvermogen; hij, die zich geheel verplaatsen kan in
de belangen en behoeften van anderen; hij, die zich voorstellen kan,
dat er naast de belangen, die hij het best heeft leeren kennen, nog
andere landsbelangen bestaan, die evenzeer behartigd dienen te worden".

Hiermede was bedoeld de groote belangen van de mijndistricten en die
van de landbouwdistricten.

Na den burgemeester sprak minister Malan, de minister van
Onderwijs. Hij sprak over het groote belang voor Zuid-Afrika, om zoo
spoedig mogelijk technische scholen in het leven te roepen. Zoowel
gewone ambachtsscholen als een hoogeschool voor de opleiding van
ingenieurs, moesten spoedig overal in Zuid-Afrika tot stand worden
gebracht. Voor al het technische werk had men nu nog vreemdelingen
noodig, of moesten de Zuid-Afrikaansche jonge mannen hun kennis in
andere landen opdoen; Zuid-Afrika moet zorgen, dat het spoedig daarin
zichzelf kan redden en ambachtslieden en mijningenieurs etc. zoo goed
zou kunnen voortbrengen, dat 't met de beste opleidingsscholen in
het buitenland kan concurreeren. Hij vroeg daarvoor de medewerking
der volksvertegenwoordigers.

Alle andere speeches hadden verder éénzelfde doel, éénzelfde
strekking. Alle kwamen er op neer, dat er verbroedering moet komen
tusschen de Britten en Afrikaanders, dat Zuid-Afrika thans aan allen
behoort en dat beide partijen moeten medewerken, om de klove te dempen,
die hen nog van elkander scheidt.

Men verwacht van zulke gezamenlijke bezoeken aan een of ander deel
van het land, die in het vervolg elk jaar zullen plaats vinden, heel
veel voor de verbroedering van beide partijen, die nu echter nog als
een paar kemphanen tegenover elkander staan.

Met een enkel woord wil ik hier nog even vermelden, dat ook de
kleurling-vrouwen zich beginnen te organiseeren en voor hun belangen
strijden. Een eerste groote bijeenkomst, onder leiding van mevrouw
Amos Burnett, een vrouw van gemengd ras, die een Europeesche opvoeding
heeft gehad, had deze week plaats in Potchefstroom, waaraan vrouwen,
honderdvijftig in getal, van Zulu's, Amaxoses, Basuto's, Pondos,
Hottentots en andere rassen, benevens van gemengd ras, deelnamen. Ik
kan hiervan niets anders mededeelen, dan wat de dagbladen ervan
vermelden, doch alle beschouwen deze samenkomst als een zeer belangrijk
teeken. Deze eerste keer werd niet veel anders besproken dan de wijze
van organisatie, eenige godsdienstige arbeid, die ter hand zal worden
genomen, en de belangen van het kleurling-meisje in huisdienst bij
blanken. De Engelsche taal was de officieele congrestaal.


                                                        15 October 1911.



DURBAN.


Van Johannesburg naar Durban is weder vier-en-twintig uur in den
trein. Maar, dat was nu eens een aangename reis. Precies acht uur
vertrokken we 's avonds van Johannesburg en daar er door de duisternis
niets was te zien en wij een vermoeienden dag achter den rug hadden,
legden wij ons al heel spoedig te slapen. Zoodra het morgenlicht
aanbrak, was ik gereed om naar buiten te kijken en dat was de moeite
waard. Aan beide zijden van den trein een prachtig landschap, dat
onophoudelijk van aanzien wisselde. Wij waren in Natal aangekomen.

Natal was ons steeds als de mooiste Staat, provincie moeten wij nu
zeggen, aangeduid. Maar 't was er ook mooi. 't Was er als in een mooi
deel van Zwitserland, maar wijder, uitgestrekter, grootscher. Dan
eens waren wij in een vruchtbare vallei, met overvloed van bloemen
van allerlei kleur; bloemen, niet alleen op den grond, maar aan
heesters en boomen; bloemen, zooals wij nooit te voren gezien hadden en
waarvan niemand der medereizenden ons den naam kon noemen of de familie
aangeven. Een oogenblik later was de trein op een bergrug aangekomen en
keken wij neder op drie, vierdubbele rijen heuvelruggen, alle met nieuw
groen gras begroeid, die door de roodzandige voetpaden en rijwegen er
tusschendoor, de goudgele, in vollen bloei staande mimosabosschen,
de paarse seringen, een prachtig bont gezicht opleverden. Van 's
morgens zes uur tot dat 's avonds het nachtelijk duister plotseling
het daglicht verving, zat ik uit te kijken, zonder een oogenblik de
reis te lang of te vermoeiend te vinden.

Eigenlijk werd ik nog in Pieter Maritzburg verwacht en zou ik daar
hebben moeten overblijven, maar ik was te lang in Johannesburg
opgehouden en moest nu naar Durban doorsporen, wilde ik daar niet
alles verzuimen. Om 8 uur 's avonds waren wij op de bestemmingsplaats
aangeland en zaten weldra in het fraai gelegen en goed ingerichte
hotel, waar wij niet alleen Mrs. Catt, maar ook tal van nieuwe
vrienden, die wij op onzen tocht door Zuid-Afrika gemaakt hadden,
ontmoetten.

Hier zouden wij een van de vruchten plukken, die het allereerste
gevolg van onze reis door Zuid-Afrika was. Wij hadden reeds
onmiddellijk in Kaapstad opgemerkt, dat de Zuid-Afrikaansche
vrouwen niet goed georganiseerd waren en van een vruchtbaar
samenwerken van de vrouwen over het geheele land niets kon terecht
komen, zoolang er geen nationaal verband bestond en elke plaats,
waar een vrouwenkiesrechtvereeniging gevormd was, op zich zelf
streed. Mrs. Catt, want dit was voornamelijk haar werk, drong er
vooral op aan om in de week, die wij in Durban waren, aan het eind dus
van onze toer, daar een nationale conferentie te houden, waar elke
vrouwenkiesrechtvereeniging een of meer afgevaardigden zou zenden,
om te trachten eene nationale vereeniging tot stand te brengen. Uit
alle plaatsen had men aan ons verzoek voldaan. Kaapstad had drie
afgevaardigden gezonden, die vier dagen en vier nachten moesten
reizen om deze conferentie bij te wonen. Mevrouw de Villiers en
mevrouw Murray van de Afrikaander partij en mevrouw Garret van de
Britsche partij, hadden die lange reis van Kaapstad voor dit doel
gemaakt. Uit Port Elisabeth, Grahamstown, Kimberley, vanwaar de
afstand drie- en viermaal vier-en-twintig uren bedroeg, waren van
iedere plaats twee afgevaardigden gekomen, de dichterbij gelegen
afdeelingen, doch toch nog van vier-en-twintig uren afstand, hadden
zelfs meer vertegenwoordigsters gezonden, allen doordrongen van het
groote gewicht om tot samenwerking te geraken. Al die afgevaardigden
hadden we natuurlijk in de verschillende steden reeds ontmoet en
met velen waren wij goed bevriend. 't Was dus een aangenaam gezicht,
haar allen in 't Marine-hotel terug te vinden en de laatste week van
ons verblijf in Zuid-Afrika met haar door te brengen.

De Durbansche vereeniging voor Vrouwenkiesrecht had meer gewicht
gehecht aan de komst van zoovele afgevaardigden uit eigen land,
dan aan het feit, dat Mrs. Catt en ik de moeite hadden genomen over
te komen en haar tot het laatste toe te helpen. Van daar, dat er
meer ruchtbaarheid gegeven was aan de komst dier afgevaardigden en
dientengevolge officieele uitnoodigingen en feesten ons niet bereikten,
voordat wij reeds een paar dagen in Durban waren. Toen volgden de
uitnoodigingen van den burgemeester en officieele en onofficieele
personen elkander zoo snel op, dat wij voor velen moesten bedanken
omdat er geen tijd voor was.

Maar dat weinige gewicht hechten vooraf aan onze komst, maakte ook,
dat er voor Mrs. Catt en mij maar één openbare vergadering belegd was,
maar dat men later nog allerlei vergaderingen wilde beleggen om ons
weder aan het woord te brengen. Wij meenden evenwel voor Zuid-Afrika
onzen plicht gedaan te hebben en de laatste dagen van ons verblijf in
Durban te mogen besteden aan de voorbereidselen voor de groote zeereis,
die ons wacht en aan het bezichtigen van de mooie stad Durban en hare
mooie omgeving.

Voor de lezers, die hierin belangstellen, wil ik eerst even mededeelen,
dat de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zuid-Afrika
tot stand kwam: de voorloopige constitutie werd samengesteld en een
voltallig hoofdbestuur gekozen. Werkt dit bestuur goed, dan zullen
de vrouwen van Zuid-Afrika weldra in het genot van hare politieke
rechten zijn. De groote afstanden en het dure reizen maken het werk
hier wel wat moeilijk, maar de vrouwen beginnen er met een welgezinde
pers en een regeering, die het werk der vrouwen voor vrouwenkiesrecht
toejuicht en begunstigt, zij hebben dus een veel gemakkelijker taak dan
de vrouwen uit de meeste andere landen. Van alle vrouwen die in Durban
bijeen waren gekomen, ontvingen Mrs. Catt en ik de ondubbelzinnige
bewijzen van waardeering en dankbaarheid, dat wij waren komen helpen
en de eerste daad, die het nieuwe bestuur volbracht, was, ons te
vragen hen verder van raad en steun te zijn. Mij werd gevraagd of
ik, nu ik niet langer kon blijven, misschien een andere van onze
spreeksters kon verzoeken over te komen en een van de afgevaardigden,
die in Johannesburg aan het hoofd van een private meisjesschool staat,
vroeg mij of zij misschien een Hollandsche onderwijzeres kon laten
uitkomen op mijne aanwijzing, die tegelijk eene goede spreekster
voor vrouwenkiesrechtvergaderingen in Transvaal zou zijn. Men deed
natuurlijk ook alle moeite om ons nog langer te houden en ik gaf hen
ten slotte de belofte om haar nu en dan voor de Afrikaansche pers
propaganda-artikelen te doen toekomen.

Daar Durban bijna geen Hollanders of Hollandsch sprekende bevolking
telt, moest ik er natuurlijk in het Engelsch spreken. Ik begon
met het verhaaltje van Thugater en knoopte daaraan een korte
vrouwenkiesrechtspeech vast. Daarna kreeg Mrs. Catt het woord, die
bijna anderhalf uur alle aanwezigen in de goed gevulde, prachtige,
stedelijke gehoorzaal geboeid hield. Zij gaf voornamelijk een
résumé van ons werk in Zuid-Afrika en de indrukken, die wij hadden
opgedaan en knoopte daaraan de vooruitzichten vast voor een spoedige
politieke ontvoogding voor de Zuid-Afrikaansche vrouwen. Bloemen en
vele openlijke bedankjes hadden wij beiden aan het einde in ontvangst
te nemen.

Durban wordt in heel Zuid-Afrika de rozentuin van Zuid-Afrika
genoemd. Wij zijn nu wel niet in den rozentijd hier, maar wij zien hier
toch ook nu een zoo groote verscheidenheid van in bloei staande boomen
en heesters en zoo'n schat van bloemen, dat ik mij best met dien naam
kan vereenigen. Nergens ook in Zuid-Afrika kreeg ik zoozeer den indruk
in een geciviliseerd tropisch land te zijn als hier. De temperatuur,
de tropische boomen en vruchten,--vruchten, waarvan niet alleen ons
Europeeërs en Amerikanen den naam en het bestaan onbekend waren,
maar zelfs de Kaapsche en andere afgevaardigden hadden die vruchten
nooit te voren gezien, omdat zij voor export ongeschikt zijn,--de
huizenbouw, de kleederdracht der blanken etc. geven het tropenland
aan. De vele kleurlingen, die nu weder geheel andere eigenaardigheden
vertoonen met hunne vreemde, hoog opgebouwde coiffures, versierselen
door neus en ooren, strootjes in hoofd- en baardharen gevlochten, en
vooral de vele mooie Indische vrouwentypen en niet te vergeten--het
meest gebruikte vervoermiddel--de rickshaw, verhoogen nog den indruk,
dat wij in een tropenland zijn.

In Pretoria en Johannesburg is het niet fashionabel van de weinige
daar in gebruik zijnde rikshaws gebruik te maken, maar hier in
Durban zet iedere dame of heer zich onbeschroomd, zelfs 's avonds
in het gekleedste avondtoilet, in een rikshaw en laat zich door
den allerdwaast opgetuigden kleurling naar de plaats van bestemming
brengen.

Waarom die rikshaw-mannen zich zoo raar optuigen, weet ik niet. In
het begin kan men niet nalaten, die lui van kop tot teen op te nemen,
later went men aan het gezicht en stapt men, zonder verder voor zich
zelf opmerkingen te maken, in de eerste de beste rikshaw die zich
aanbiedt. Dikwijls hebben die mannen hunne zwarte beenen wit geverfd,
alsof zij witte kousen en schoenen aan hebben, dragen zij een soort
van gekleurd rokje met roode of groene lange franje, soms hebben zij
zich met een vol klatergoud beplakt damescorset getooid en op het
hoofd zetten zij de dwaast denkbare dingen. Groote horens zijn zeer
gewild en daaromheen allerlei hel gekleurde veeren of vogelpennen,
of andere dingen. 't Is inderdaad niet te beschrijven hoe zot die
menschen er uitzien, eenige photographische opnamen kunnen misschien
eenigszins den indruk wedergeven, dien zij veroorzaken.

Durban wordt eigenlijk als een zeebadplaats beschouwd, doch wij zijn
nu niet in het seizoen. Men zegt, dat het hier nu te heet is, doch
wij vinden het lekker, aangenaam warm. Het frissche zeewindje maakt
de 87 of 90 graden Fahrenheit in de schaduw heel goed te verdragen,
vooral daar men hier niet loopt, doch voor elken kleinen afstand voor
"een tikkie" (drie stuivers) in een rikshaw stapt. Hier is een mooi
strand, een zeer mooi wandelhoofd, met groote, hooge palmboomen en
een zeer lange wandelpier.

Een van de nieuwe middelen van bestaan, die hier een groote toekomst
schijnt te hebben, is de walvischvangst. Vier jaren geleden is men
daar voor het eerst mede begonnen onder leiding van den Noorschen
heer Egeland. Dagelijks worden er gemiddeld tien tot vijftien van die
beesten geschoten, zoolang het in het seizoen is en geoorloofd is ze
te schieten. De heer Egeland, die ook als Noorsch consul fungeert,
had de goedheid ons zelf rond te leiden en ons alles in de fijnste
détails uit te leggen. Hoewel nu reeds zooveel mogelijk alles van
het beest wordt gebruikt, de olie, de beenderen, het vleesch etc.,
krijgt men toch het gevoel, dat er nog veel verloren gaat en die
dieren later nog wel winstgevender gemaakt kunnen worden. De huid gaat
nog verloren; het uitgekookte vleesch wordt nog alleen voor meststof
gebruikt, terwijl het een goed en smakelijk voedsel blijkt te zijn; de
beenderen worden tot asch gebrand en dan ook tot meststof aangewend,
terwijl men vermoedt dat ook die meer nut kunnen doen; een deel der
kieuwen, of hoe die dingen mogen heeten, wordt nog alleen voor balein
gebruikt, terwijl dat andere gedeelte verloren gaat en zoo meer. Men
is echter nog niet ver genoeg gevorderd met deze industrie om het
reeds in al zijne finesses te kennen. Toch wordt den aandeelhouders
dit jaar 100 pCt. uitgekeerd en vinden 150 blanke, meest Noorsche,
en ruim 200 kleurling mannen er een goed middel van bestaan door.

Den dag, die wij er waren, werden vier pas geschoten walvisschen
binnengevoerd. De eerste was ruim 20 meter lang, en ongeveer 4 meter
hoog. Het was een ellendig gezicht, dat groote dier met een meterlange
harpoen dwars door den kop naar binnen gesleept te zien. Het wordt
dan onmiddellijk in stukken gesneden en de olie er uitgekookt.

Hier zijn verder vele suikerplantages en enkele theeplantages. Tot eene
bijzondere hoogte heeft zich de suikerteelt en theebouw echter niet
ontwikkeld. De thee, die hier groeit, heeft geen smaak en geen geur
en gaat niet verder dan de grenzen van het land en dan nog maar in de
huizen der velen, die Indische of Chineesche thee niet betalen kunnen.

Over twee dagen gaan wij van hier en bijna op het laatste oogenblik
werden wij in kennis gesteld met een heel leelijke verandering, die de
Union Castle Co. voor onze reis gemaakt heeft. Dat men ons niet eerder
met deze wijziging in kennis bracht, vindt een verontschuldiging,
dat wij reizende en trekkende waren en de brieven ons niet altijd
bereikten. Men zegt ons naar Bulawayo geschreven te hebben, doch daar
wij, terugkomende van de Victoria Falls, niet in Bulawayo stopten,
is die brief niet in onze handen gekomen. Men heeft eenvoudig voor de
Dunvegan Castle, die Maandag zou gaan, de Avondale Castle in de plaats
gebracht, een veel kleiner, ongeriefelijker en zeer oud schip. Nu heeft
men, om ons tegemoet te komen, de vier dekhutten, elk een geheele hut,
voor ons disponibel gesteld, maar de hutten zijn zeer klein en wij
zijn geen van allen over deze wijziging te spreken. Er is echter
niets aan te doen; eerst over een maand gaat er een andere boot
van deze maatschappij en in Juli hebben wij in Londen onze plaatsen
reeds genomen, zoodat wij niet met eene andere maatschappij kunnen
gaan, zonder onze overtochtskosten te verliezen. Wij maken nu maar
geen bezwaren, praten elkaar in, dat het nog wel zal meevallen, dat
zoo'n kleine boot toch ook voordeelen heeft en wij hopen allen innig,
dat onze voorspellingen zullen uitkomen.

Of mijne eerstvolgende brieven zoo geregeld elke week zullen komen,
durf ik niet voorspellen, want wij gaan nu tot 18 November aan boord
en ik weet niet, vanwaar ik de volgende brieven kan posten, zoodat zij
wekelijks in Holland aankomen. Misschien is er aan de verschillende
aanlegplaatsen daartoe gelegenheid.


                                                        21 October 1911.



AAN BOORD VAN DE AVONDALE CASTLE.


24 Oct. 1911. De laatste twee dagen in Durban, waarin zooveel
uitstapjes voorgenomen waren en nog aan zooveel afspraken moest worden
voldaan, vielen leelijk tegen, omdat wij door hevige onweersbuien,
storm en stortregens het hotel niet konden verlaten en gebonden waren
in onze kamers te blijven. Een goede gelegenheid om de koffers te
pakken en ons voor de langdurige zeereis voor te bereiden.

Toen wij gistermorgen moesten afreizen, was het weder nog niet weer
bedaard en de hevige storm, die de zee recht woelig maakte, deed ons
een beetje tegen de reis opzien. Maar er viel niet veel aan te doen,
de boot zou om twaalf uur vertrekken en wij moesten mede. Wij hadden
ons erg bang laten maken voor de Avondale Castle; het was een klein
schip, een oud schip, niet zeewaardig schip en nog veel meer en enkele
vrienden drongen er zelfs op aan, om ons vertrek uit te stellen,
omdat men het gewaagd vond, met zoo'n schip een zoo groote reis te
ondernemen. Het kon ons niet erg meer tegenvallen, hoewel de kleinheid
van het schip en de nauwe, kleine hutten, ons toch een kleine schok
gaven. Niettegenstaande men voor ons de vier beste hutten, en elk
een geheele hut, gereserveerd had, moesten wij ons toch eerst aan het
gezicht er van gewennen, alvorens wij er mede verzoend raakten. Zeer
lastig was het al reeds, dat onze hutkoffers, in alle gewone booten
in de hut passende, te groot waren voor deze hutten, zoodat wij onze
bagage in onder- of bovenbed moesten opstapelen. Van eenige comfort
was ook geen sprake. De Avondale Castle is een vrachtboot, die ook
passagiers medeneemt. Het is jammer, dat de Union Castle lijn, als zij
zulke booten onverwacht in de plaats van een goede boot stelt, niet de
reiskosten er van verlaagt, zoodat de passagiers weten, waarvoor zij
al de ongemakken te verduren hebben. Nu verbittert de omwisseling der
booten menigeen aan boord en daarvan zal de Duitsch-Oost-Afrikalijn
de rijpe vruchten plukken.

Het was te voorzien en iedereen had het ons ook voorspeld, dat wij het
op deze geheele reis snikheet op de boot zouden hebben, zoodat wij
alleen de dunste zomerkleederen gebruiken konden. Daarom hadden wij
alle warme kleederen zorgvuldig weggeborgen. Het onweder, de regen
en de storm heeft de temperatuur echter zoo afgekoeld, dat het er
meer van heeft, dat wij ons op den weg rond de Noordkaap bevinden,
dan in het warme seizoen in den Indischen Oceaan.

Spoedig na de lunch, gistermiddag, vonden al de met zeeziekte geplaagde
menschen het raadzaam zich te bed te leggen, want nauwelijks waren wij
in zee of de woeste golven deden ons kleine vaartuig op en neer en naar
rechts en links slingeren en een enkele keer kwam zelfs een brutale
golf ons opperdek geheel besproeien. Toch hielden mrs. Catt en ik
het kranig vol in onze dekstoelen en lazen ieder een heel boekdeel uit.

Om eerlijk te zijn, moet ik evenwel bekennen, dat ik het theeuurtje
liet passeeren en om 7 uur mijn diner maar boven liet brengen; ik
waagde het niet naar de eetsalon te gaan.

Er zijn nog slechts weinige passagiers aan boord, omdat de meesten
eerst in Lorenzo Marquez arriveeren, waar wij vanmiddag om vier
uur landen. Een vlugvarende boot zou ons er eerder brengen, maar de
Avondale Castle kon niet sneller tegen den wind inkomen. We zullen
echter tot Woensdagavond in Lorenzo Marquez blijven, lang genoeg om
van dit stadje eenige indrukken mede te nemen.

25 Oct. Het was half vier gistermiddag toen wij de Delagoabaai
binnenstoomden, maar het werd toch vijf uur, alvorens wij in Lorenzo
Marquez aan de aanlegplaats vastgemeerd lagen en ons aan wal konden
begeven. Evenals in Europeesche havens bij het binnenkomen der
booten steeds tal van stoere kerels staan, die niets anders dan
ruwe arbeidskracht--een paar stevige armen en beenen--in ruil voor
levensonderhoud hebben aan te bieden, zoo stonden ook hier eenige
honderden groote, steviggebouwde Zulumannen gereed om aangemonsterd
te worden voor het laden en lossen van het schip. Een klein deel kon
maar gebruikt worden; sommigen bleven wachten of er misschien toch nog
iets voor hen te verdienen viel, alle anderen dropen teleurgesteld af.

Lorenzo Marquez is een aardig Portugeesch stadje, dat een vroolijker,
vriendelijker en meer afgewerkten indruk geeft, dan alle andere steden,
die wij in Zuid-Afrika zagen. Het is klein, heeft ongeveer 10.000
inwoners, waarvan zoowat de helft blanken zijn, maar het vertoont eene
levendigheid in winkeluitstalling, openlucht-café's en straatverkeer,
dat het den indruk maakt, alsof het minstens tienmaal zooveel grooter
bevolking heeft.

Wij gingen eerst de stad doorkruisen, om een algemeenen indruk te
krijgen en vanochtend, direct na het ontbijt, gingen wij weer de
bijzonderheden zien. Wij begonnen met een tramrit door en rondom
het stadje en zagen toen de talrijke mooie villa's met prachtige
tuinen. Daarna begaven wij ons naar den stadstuin, die tegelijkertijd
een botanischen tuin is. Daar zagen wij een groote verscheidenheid
van voor ons de vreemdste bloemen en planten, allen met de latijnsche
namen gemerkt, zoodat wij tenminste de familie konden vaststellen.

Het schilderachtigste en amusantste was de marktplaats. Het was een
gedeeltelijk overdekte hal, waar vleesch, visch, groenten, vruchten,
bloemen en planten en bovendien alles, wat onze Nieuwmarkt oplevert
te koop werd aangeboden. Het waren bijna allen kleurlingen die er
kochten en verkochten. Om ongeveer elf uur kwam er plotseling een
groote levendigheid op het open gedeelte van de marktplaats, door
de aankomst van eenige dozijnen Zuluvrouwen, velen met een kind op
den rug gebonden, doch allen voorzien van een groote ijzeren pan
vol eten en eenige tinnen borden en een soort van houten lepels,
die veel van platte houtjes hadden. Deze vrouwen zetten zich in
een ronden kring op hare hurken neder en begonnen den inhoud van
den ijzeren pot aan den man te brengen. Het was gekookte rijst of
maïspap of vruchtenbrei, dat voor een of twee pennies een bordvol
aan de mannen verkocht werd. De moedertjes hadden drukke nering en
elken keer als een der mannen zijn bord geledigd had en verzadigd was,
werd het bord door het moedertje eerst met haar voorvinger en daarna
met haar rooden tong zorgvuldig schoongelikt, alvorens het opnieuw
gevuld en het maal te koop aangeboden werd. De volgende kooper liet
zich echter door deze wijze van reiniging niet afschrikken en hapte
de pap of brei met groote smaak op.

Vroeger dan wij verwacht hadden, verlieten wij hedenmiddag de
Delagoabaai weder. De lading was reeds om twee uur gelost en er viel
niet veel in te laden, zoodat wij met een bijna geheel leeg schip de
reis voorloopig moeten voortzetten. Even vóór den Johannesburgtrein om
vier uur binnen kwam, die verscheidene passagiers voor ons medebracht,
brak plotseling zulk een hevig onweder los, als wij in ons land zelden
bijwonen. Van twee kanten zette het vuur van den hemel ons telkens
in een lichtgloed en de daarop volgende donder barstte met zoo'n
geweld vlak boven onze hoofden los, dat het ons allen in zenuwachtige
spanning hield, en de regenvloed, die met dit onweder vergezeld ging,
bracht al de nieuwe passagiers drijfnat aan boord. Niettegenstaande wij
vastgemeerd lagen, bracht toch de storm de zee zóó in beweging, dat het
schip onophoudelijk heen en weer bewoog. De storm was zóó hevig, dat de
kapitein het veiliger vond vooralsnog de haven niet te verlaten, doch
wij hoorden, hoe de loods hem wist over te halen toch maar te gaan,
omdat het toch minstens twee uren zou duren, alvorens wij de baai
uit waren en tegen dien tijd zou het weder reeds lang bedaard zijn.

26 Oct. De storm was echter na twee uur niet bedaard en was na afloop
van het diner nog zóó hevig, dat alles, wat niet vastzat, van het
dek af vloog, als het niet tijdig door de stewards in veiligheid
was gebracht. De golven sloegen onophoudelijk over het schip en het
was voor ons, die op het opperdek huisden, onmogelijk van de eetkamer
naar onze hutten te komen zonder door een stortzee drijfnat gegooid te
worden. Niet alleen de deuren, maar ook de raampjes van onze hutten
moesten gesloten blijven, omdat de golven zelfs daardoor naar binnen
ploften. Het schip hield zich onder deze omstandigheden, zooals een
klein, bijna ongeladen schip zich in zulke omstandigheden gedragen
moet, het--om het poëtisch uit te drukken--dobberde op de baren.

Onder onze medepassagiers is er tot dusver slechts één de vermelding
waard. Het is een nog betrekkelijk jongmensch, die reeds vijf keer de
heele wereld doorreisde, in alle vijf werelddeelen was en die grondig
doorzocht. Hij is reizend agent voor eenige groote Engelsche huizen,
voor zoover hij met zijn reizen zijn levensonderhoud verdient, maar
voor zijn persoonlijk genoegen bestudeert hij verschillende sociale
toestanden in de verschillende deelen van de wereld. Het is een
genot met dien man te spreken en daar hij aan tafel mijn buurman is,
maakt hij elken maaltijd tot een geestelijk genoegen. Hij voorziet
Mrs. Catt en mij voor onze verdere reis van de meest waardevolle
inlichtingen. Jammer, dat hij ons in Mombasa reeds verlaat, omdat hij
van daar per trein naar Nairobi wil, om Centraal Afrika te bestudeeren
en dan in Mombasa terugkeert, om van daar naar Britsch-Indië te gaan.

Met vele onzer medereizenden maken wij niet eens kennis, omdat er
velen onder zijn, die gerangschikt kunnen worden onder "vlottende
bevolking". Zij komen in de eene haven aan boord en verlaten ons in
de volgende weder.

27 Oct. Vanmorgen, om tien uur, kwamen wij voor de baai van Beira aan,
doch door den lagen waterstand konden wij de baai niet opvaren. Het
anker werd uitgeworpen en daar lagen wij doodkalm te wachten tot de
vloed zou opkomen, die ons vergunde verder te gaan. Om ruim vier uur
kwam de loods aan boord en bracht ons toen weldra veilig tot dicht
voor Beira. Doch het was reeds zeven uur, voor den Portugeeschen
dokter en de Portugeesche politie zich overtuigd hadden, dat alles
"wel was aan boord" en dat wij geen contrabande binnensmokkelden.

Deze kalme dag gaf al de zeezieken aan boord gelegenheid om te bekomen,
en daar wij morgen niet eerder kunnen vertrekken, vóór de vloed ons
weder ruim sop geeft, valt er voor hen in elk geval nog op een kalmen
dag te rekenen. 't Is te laat, om vanavond nog aan land te gaan,
daarom vermaken wij ons maar met het gezicht op de lichten van Beira,
het Portugeesche stadje, dat van verre zoo vlak en onbeduidend lijkt.

Toen zoo even ons orkestje, dat uit vijf personen bestaat, die
ook als kellner, schoenpoetser, koperpoetser en meer dienst doen,
zijne valsche tonen de lucht inzond, kwamen op die muziek tal van
roeibootjes met zwarten bemand, van de landzijde aanroeien, en is nu
het schip totaal omsingeld met stil luisterende negers.

28 Oct. Vanochtend gingen wij direct na het ontbijt, met een van
de electrische bootjes, die onophoudelijk om het schip ronddolen,
naar land om een kijkje in Beira te nemen. De zon stond reeds hoog
aan den hemel en ofschoon het op het schip aangenaam frisch was,
was het in het stadje toch snikheet. Beira is een heel eigenaardig
Portugeesch stadje met nog geen 4000 inwoners, waarvan ongeveer het
vierde deel Europeanen zijn. De inboorlingen gaan hier weder geheel
naakt, alleen een broekje of, in de meeste gevallen, een sarong,
dragende. Het zijn meerendeels groote, mooie, stevig gebouwde mannen;
vrouwen zagen wij bijna niet. Al deze zwarten maken een bijzonder
goedaardigen indruk en doen al het zware en vuile werk, dat hen door
de witmenschen, voor zoo goed als geen betaling wordt opgedragen.

Waar zij die zwarten niet voor durven gebruiken! Wij passeerden hier
en daar een kantoor, waarin eenige blanken zaten te schrijven. Boven
hunne hoofden hingen een soort van zware gordijnen, die door een
daaraan bevestigd touw, dat door een opening in den muur ging, door
buitenstaande zwarte mannen heen en weder werd bewogen, zoodat op
die wijze de kantoorheeren een koeltje wordt toegewaaid, zonder dat
zij de geur, die de zwarte mannen verspreiden, in hun kantoor krijgen.

Beira lijkt in geen enkel opzicht op de kleine of groote steden,
die wij in Zuid-Afrika zagen. Het heeft zijn eigen en eigenaardig
aspect. De huizen, bijna allen houten gebouwen, zien er met hunne open
voorgalerijen min of meer Oostersch uit en de heele stad is langs
de wegen en op open plekken ruimschoots beplant met allerlei soort
tropische vruchtboomen. Vooral de vruchtdragende cocosnootboomen,
die wij hier voor het eerst opmerkten, trokken bijzonder onze
aandacht. Verder tal van andere vruchtboomen, waarvan ik te voren het
bestaan niet kende en van welks vruchten men eerst aan de smaak moet
gewennen, om ze goed te kunnen waardeeren. Vele van de vruchten die
wij hier aan den weg vonden, en die bij de maaltijden op het schip op
de tafels verschenen, zijn zeer smakelijk, doch zij bezitten geen
marktwaarde, omdat zij niet verscheept kunnen worden en niet te
bewaren zijn. Zoodra zij rijp zijn, moeten zij genuttigd worden.

De groote eigenaardigheid van Beira is, dat het geene bestrating heeft;
alleen een smal trottoir vlak langs de behuizing. Overigens bestaat
de grond uit droog, wit zand, waar men tot over de enkels inzakt als
men den weg wil oversteken. Het eenige middel van vervoer in de heele
stad is een soort trolley, die door inlanders voortbewogen wordt. In
elke trolley kan slechts één of twee menschen vervoerd worden. Door de
heele stad zijn vierdubbele, smalle rails gelegd, waarover de trolleys
gerold worden. Elke Europeaan heeft zijn eigen trolley en een jongen
om hem voort te bewegen. Alleen van de hotels kan men soms één of meer
dier dingen huren. Wij moesten natuurlijk van dat voor ons nieuwe
vervoermiddel gebruik maken, alvorens wij tevreden waren en daarom
stapten wij naar het hotel in Beira en verzochten ons voor eenigen tijd
zoo'n ding te verhuren. Voor goed geld werd aan ons verzoek voldaan en
weldra trollieden wij, twee aan twee, door Beira's straten. Nadat wij
op die wijze het stadje aan alle kanten hadden doorkruist, in eenige
winkels waren afgestapt, om wat curiositeiten te zien en te koopen,
lieten wij ons naar de haven brengen, waar wij weldra het bootje
vonden, dat ons weder veilig naar onze boot terugvoerde.

Om vier uur was de lading binnen, die voor een deel uit rubber en
voor een ander deel uit ruwe katoen bestond; dit laatste met de
bestemming naar Rotterdam. Om vijf uur stoomden wij weg, nu door
mooi weder begunstigd. Het kleine briesje is juist sterk genoeg,
om het op het schip aangenaam koel te maken. Van overgroote hitte
hebben wij tot dusverre aan boord nog geen last.

29 Oct. Toen ik vanochtend mijn hoofd voor het eerst naar buiten stak,
lagen wij tot mijn groote verrassing, midden in zee, zooals het scheen,
voor anker. Ik had er niets van gemerkt en door al de daaraan verbonden
geluiden heen geslapen. Wij waren voor Chinde aangekomen. Het bootje
van de Duitsch-Oost-Afrikalijn (die maatschappij schijnt meester van
deze haven te zijn) bracht ons een paar nieuwe passagiers aan boord
en kwam de passagiers afhalen, die voor Chinde bestemd zijn. De
kapitein van dit scheepje kwam echter de mededeeling doen, dat de
vertrekkende passagiers niet voor 's avonds onze boot konden verlaten,
omdat het onmogelijk was Chinde te bereiken, alvorens de vloed weder
opgekomen zou zijn. Wij waren nog vijf mijlen van Chinde verwijderd,
door den lagen waterstand was het onmogelijk, nader bij dit plaatsje
te komen en zelfs het kleine, Duitsche bootje moest blijven liggen
tot de vloed hoog genoeg was, om het terugkeeren mogelijk te maken.

Daar lagen wij nu, doodstil, en dat nog wel op een Zondag op een
Engelsche boot. Er zijn onder de passagiers echter nog al veel
Amerikanen, Belgen, Denen en Noren, zoodat de Zondagsheiliging niet
zoo heel strikt wordt genomen. De Engelschen vormen eigenlijk hier
een kleine minderheid. Het was toch een volmaakt rustige dag, zooals
ik er langen tijd geen doorbracht.

Om acht uur werden eindelijk vanavond de vertrekkende passagiers
overgeladen in het Duitsche bootje. Dat gebeurde op een voor mij geheel
nieuwe wijze. Bij groepjes van twee en drie werden zij in een groote
mand uit onze boot geheschen en in de kleine boot neergelaten. Net
hoopjes pakgoed!

30 Oct. Nadat wij de passagiers van Chinde kwijt waren, koos onze
boot weder zee en begaven wij ons op weg naar Mozambique. Daar hopen
wij morgen aan te komen en aan wal te kunnen gaan. De kapitein kon
ons echter daarvan niets verzekeren, hij en de eerste officier, de
scheepsdokter en eigenlijk de heele bemanning, doen de reis voor de
eerste keer en op al onze vragen, krijgen wij steeds ten antwoord:
"Ik kan er U niets van zeggen, 't is voor ons alles even nieuw als
voor U". Wij zitten nu in afwachting wat de dag van morgen ons voor
verrassing zal brengen.

31 Oct. Het was inderdaad eene verrassing, die dezen dag ons
bracht. Direct na het ontbijt kregen wij Mozambique in het gezicht,
dat daar lag, romantisch mooi onder den strak blauwen hemel en aan
het witte strand. Van verre gezien, leek het een stad van kasteelen,
allen pas nieuw gebouwd. Maar wij wisten, dat Mozambique, eens de
hoofdplaats van Portugeesch Oost-Afrika, meer dan vier eeuwen oud is
en dat de meeste groote gebouwen daar reeds eenige eeuwen staan. Eerst
passeerden wij het eilandje St. George, met niets dan een bijzonder
groote en vreemdgebouwde lichttoren er op. Al de huizen, die er eens
gestaan hebben, zijn door de zee weggespoeld. Daarna naderden wij
Mozambique, het eeuwenoude stadje, dat gebouwd is op een eiland van
koraalrif. Wij wisten niet, wat meer was te bewonderen, het gezicht op
de stad, of de prachtige kleurschakeering, die de zee rondom het eiland
te zien gaf. De sterk groene en violette kleuren gingen ongemerkt in
elkaar over en gaven een kleureffect, dat zelden overtroffen wordt.

Nog vóór het schip voor anker lag, waren wij door talrijke zeil- en
roeibootjes omstuwd, die de passagiers aan wal wilden brengen of die
vol geladen waren met de mooist gekleurde en zeldzaamste schelpen
en stukken rood en wit koraalrif, die de passagiers voor enkele
pennies konden koopen. Geheele manden vol werden door velen voor
een shilling gekocht. Het was een gejoel en gekibbel daar beneden
onder dat zwarte volkje, om het eerst naar boven op het schip te
komen, en dit geroezemoes werd nog versterkt door de tallooze kleine
zwarte joggies, die soms geheel van de wal kwamen aanzwemmen, om een
in het water geworpen penny van den bodem op te rapen. Sommige van
deze duikertjes kwamen in een zeer primitief bootje, een uitgehouwen
boomstam, aanroeien. Het roeien deden ze met de handen en zoo vlug,
dat zij een gewone boot konden bijhouden.

Wij hadden spoedig één van de bootjes aangeklampt om ons aan wal te
brengen en ofschoon de zon fel door onze witte blouses brandde, stapten
wij toch moedig aan land, om de bijzonderheden van dit stukje wereld
in oogenschouw te nemen. Onze Amerikaansche reisgezellinnen gaven
het echter spoedig op, tenzij zij een rickshaw konden krijgen. Dit
was niet gemakkelijk omdat deze dingen er niet te huren zijn, een
witmensch heeft zijn eigen rickshaw en verhuurt die niet. Wij, twee
Hollanders, stapten door en nadat wij de stad en daarna de buurt,
waar de inlanders wonen, door waren, stonden wij plotseling voor een
zeer groot gebouw, uit witte en gele kalksteen opgebouwd, dat rondom
door een tuin met groote palmboomen, cocosnootboomen, peperboomen,
in vollen bloei, en andere tropische boomen, omgeven is. Het was
het gouvernements-ziekenhuis; dat zag er zoo belangwekkend uit,
dat wij besloten naar binnen te gaan. Allervriendelijkst werden
wij er ontvangen en tot onze verbazing bemerkten wij, dat in dit
eeuwenoude gebouw de tijdgeest toch was doorgedrongen en er zijn goeden
hygiënischen invloed heeft uitgeoefend. De republikeinsche regeering
van Portugal heeft hier de verpleegsters, Fransche nonnen, tot de
Franciskanerorde behoorende, nog niet verdreven en door zoogenaamde
wereldsche verpleegsters laten vervangen.

Wij ontmoetten in dit gebouw een Engelsch jongmensch, die behalve de
moderne talen, ook Portugeesch en drie inlandsche talen sprak. Hij
bood aan ons te vergezellen en ons de merkwaardigheden van het stadje
te laten zien. Hij had bovendien ook een rickshaw en een paar zwarte
bedienden, om ons te trekken.

Gaarne maakten wij van dat vriendelijke aanbod gebruik en de paar
zeer aangename uren in zijn gezelschap doorgebracht, hebben hem tot
onzen vriend gemaakt.

Wij zullen de vriendschap met hem onderhouden, door hem op zijn
verzoek, van tijd tot tijd geïllustreerde tijdschriften toe te zenden,
om hem een beetje met de beschaafde wereld in contact te doen blijven.

Het meest interesseerde ons het oude kasteel, dat in het begin der 16e
eeuw daar was nedergezet, en waarvan elke steen op de toen primitieve
booten van Lissabon moest worden aangevoerd. Op architectonisch
gebied moge dit stuk bouwwerk een meesterstuk zijn, de historische
herinneringen er aan verbonden, strekken het land echter niet tot
eer. Alleen 't gezicht van de plek, waar de slaven nog niet zoo heel
lang geleden verkocht werden, en de ondergrondsche gangen, waar zij,
aan ketenen gebonden, wachten moesten tot zij voorgevoerd werden,
veroorzaakten bij mij eene huivering op dezen snikheeten morgen. Nu
wordt deze plaats gebruikt voor de zoogenaamde misdadigers, allen
zwarte, dikwijls jonge mannen, die de wetten overtreden hebben, door
ons witmenschen ingesteld, waarvan zij onmogelijk de beteekenis kunnen
vatten en de waarde kennen.

Toen wij 's middags door onzen jongen, sympathieken geleider aan boord
teruggebracht waren, was 't inladen van het schip afgeloopen en kon
de reis worden voortgezet. De lading bestond hier in honderden tonnen
copra, een stof uit cocosnoot verkregen en voor de bereiding van
zeep gebruikt. Verder boonen, waaruit ricinus-olie geperst wordt,
die hier aan struiken in het wild groeien, koffieboonen en ruw
katoen. Katoenboomen komen hier overal in menigte voor.

Onwillekeurig vraagt men zich af, wanneer men dit smalle streepje
grond, dat Portugal hier aan Oost-Afrika's kust bezit, bekijkt en
dat voor Duitschland en Engeland, die er rondom hunne bezittingen
hebben, toch begeerenswaard lijkt, "hoe lang zullen deze twee groote
mogendheden Portugal nog in het bezit er van laten?" Het antwoord,
dat ik op die vraag kreeg, is nog al karakteristiek. Het was een
Britsch officier, die het mij gaf: "Zoolang dat plekje grond Portugal
nog geld kost, kan het gerust in het bezit er van blijven, zoodra
het winstgevend kan gemaakt worden, zullen Engeland en Duitschland
over de verdeeling er van wel tot overeenstemming komen."

Op het oogenblik wordt dat grondgebied door een Engelsche mijncompagnie
grondig onderzocht of er iets van waarde uit den grond of van de
bergen te halen is. Het komt mij voor, dat het te hopen is, dat
er niets gevonden wordt. Het goud en de diamanten, in Zuid-Afrika
gevonden, hebben rijkdom, aan enkelen, doch ellende aan onnoemlijk
velen gebracht.

1 Nov. Wij zijn nu op weg naar Zanzibar, de meest interessante van
alle havenplaatsen, die wij aandoen. Wij hopen er morgen te landen.

De hitte op het schip was vandaag zeer groot.



IN ZANZIBAR EN MOMBASA.


Den 2en November arriveerden wij op den vastgestelden tijd in
Zanzibar. Reeds om ongeveer twee uur kregen wij de oevers van dit
wereldbekende eiland in het gezicht. Hoe dichter wij het naderden,
hoe belangrijker het ons geleek. Om ongeveer drie uur kwamen wij
zoo dicht langs de oevers, dat wij met het bloote oog de huizen en
de verschillende boomen gemakkelijk onderscheiden konden. Het meest
belangrijke gebouw met zijne prachtige omgeving was het zomerpaleis
van den jongen sultan, dicht aan den oever gelegen. Weldra volgde
eene interessante ruïne, van wat eens een kasteel van de favorite
van een der oude sultans was. Nog een eindje verder en daar lag het
stadje Zanzibar in al zijn schilderachtige schoonheid voor ons. De
gewitte en gegeelde huizen gaven het geheel weder een aanzien, alsof
alles nieuw was, doch nauwelijks waren wij aan wal, of wij zagen de
eerwaardige oudheid van alles. Vlak voor het paleis van den sultan
met de twee groote bijgebouwen, waarin de 100 vrouwen van den jongen
sultan huizen, wierp onze boot zijn anker neder, en wij vieren waren
de eersten die met een van de vele onmiddellijk aan boord komende
gidsen, een contract hadden gesloten, en die daarna met hem in eene
der roeibootjes aan wal gingen.

Het lijkt vreemd, dat men in zoo'n klein plaatsje een gids noodig
heeft, en ook wij dachten eerst dat het een overbodige zorg was om een
gids te engageeren, maar een medepassagier, die reeds eenige keeren
deze reis gedaan heeft, en steeds in Zanzibar was afgestapt, zagen
wij hetzelfde doen, waardoor wij van de noodzakelijkheid overtuigd
werden. En toen wij eenmaal aan wal stonden, begrepen wij onmiddellijk,
dat dit de eenige zekerheid is om weder op het schip terug te komen. In
dien doolhof van enge straatjes moet ieder vreemdeling verward raken.

Doch wat een wonderbaar schouwspel levert dit stadje op. Het
is gewis de vreemdste plaats die ik ooit in de wereld heb
aanschouwd. Orientalischer oord is, dunkt mij, niet denkbaar. Het
geheele eilandje is niet grooter dan 14 mijl in omtrek en daarop huizen
ongeveer 70.000 inwoners, voor het overgroote deel allen in het stadje
opeengehoopt. Van deze 70.000 menschen zijn er slechts 250 Europeanen
en Amerikanen, alle anderen zijn Arabieren, Britsch-Indiërs, Turken,
Swahili's, Sinhaleezen en Duitsch West-Afrikaners, de laatsten er als
slaven heengevoerd, doch sedert Zanzibar onder Britsche protectie staat
en de slavernij langzamerhand wordt afgeschaft, vrij levende en vrij
werkende menschen. Al deze menschen leven er naar hunne eigen zeden en
gewoonten en dragen geen kleederen, of hun eigen dikwijls zeer vreemd,
doch ook dikwijls zeer schilderachtig costuum. Wat een verscheidenheid
van Orientalische menschen ziet men soms op een oogenblik in een der
nauwe straten bijeen.

Wij waren het er over eens, dat wij de drie uren vóór het diner
gebruiken wilden om het stadje in alle hoeken te doorkruisen en een
algemeenen indruk op te doen. De gids, een Arabier, die goed Engelsch
sprak, moest ons natuurlijk alles verklaren, wat wij tegenkwamen, dat
niet voor zich zelf sprak. Wij zagen echter zooveel dat onze grootste
verbazing wekte. In dit antieke stadje met straten als nauwe stegen,
ontmoetten wij alle denkbare middelen van vervoer. Rijtuigen met
paarden of muildieren bespannen, die net tusschen de muren der huizen
door kunnen en waarvoor, om ze te laten passeeren, de voetgangers in
eene deuropening moeten gaan staan; rickshaws, kameelen, rijwielen,
motorrijwielen, automobielen en een tram. En toen het donker begon
te worden, zagen wij de straten en menig huis en winkel electrisch
verlicht. Maar dat is ook al het moderne wat er te zien is.

De hooge, kalksteenen huizen hebben geen van allen vensters, maar
hier en daar groote, vierkante openingen met zware, ijzeren tralies,
die licht en lucht toegang geven. De deuren der woningen, die bijna
steeds open staan, zijn groot, zwaar, met koper beslagen en in vele
gevallen prachtig oud-Arabisch gebeeldhouwd. Sommige gevels der huizen
zijn met gekleurde tegels ingelegd, wat een mooi bont geheel vormt.

De Sinhaleezen, die uit Ceylon naar hier zijn overgekomen, en de
Britsch-Indiërs hebben bijna allen hunne winkels en werkplaatsen
binnenhuis, doch met wijd openstaande deuren, zoodat men naar binnen
kan gaan, de mooie Japansche ivoorwerken, de Indische borduurselen en
andere fraaie kunstwerken kan bewonderen, zonder een kooper te willen
zijn. De Arabieren en andere volkeren oefenen hun heele bedrijf op
straat uit en daar liggen ook alle te koop aangeboden zaken. En wat
daar niet te koop wordt aangeboden! Herhaaldelijk moest de gids ons
eene uitlegging geven van hetgeen wij zagen.

In eene nauwe straat, het was de barbiersstraat, zagen wij eene heele
rij oude mannen, Arabieren, die elk een geknielden man, een Swahili,
voor zich hadden, die zij hoofd en gezicht scheerden. De Swahili's
gaan allen geheel geschoren.

Hoewel in de winkels der Indiërs en Sinhaleezen vele artistiek
bewerkte ivoren, zilveren, gouden en zijden artikelen te koop worden
aangeboden, staat toch de kunstnijverheid op het eiland op een zeer
laag niveau. De bewoners kunnen alleen de primitiefste dingen zelf
maken. De kunstwerken worden alle uit Britsch-Indië, Ceylon, Java,
China en Japan ingevoerd om aan de vele vreemdelingen verkocht
te worden.

De Sinhaleezen zijn rare heeren. Zij zien er heelemaal uit als vrouwen,
alleen de snor geeft sommigen iets mannelijks. Hun lang, zwart haar
hangt soms in lange krullen over hunne schouders, doch is meestal in
een wrong achter op het hoofd saamgebonden en met schildpad haarnaalden
en een schildpad kam bijeengehouden. Hunne kleeding bestaat uit een
sarong en kabaai, de sarong heeft soms veel van een lange, nauwe rok
en de witte kabaai is prachtig geborduurd. Zij hebben ook in stem en
gebaren iets onuitstaanbaars sentimenteels.

De Britsch-Indische vrouwtjes zien er snoezig uit. Wij zagen ze om
zes uur in groote menigte naar de kerk gaan, allen in dunne, zijden
doeken van hoofd tot voeten kunstig gedrapeerd. De verscheidenheid
van mooie, zachte kleuren vormde een mooi bont geheel. De Indische
vrouwen mogen naar de kerk gaan, alhoewel hun kerk geheel afgescheiden
is van die der mannen, en natuurlijk van binnen en buiten lang zoo mooi
niet. Dat hebben zij voor bij de meeste andere Oostersche vrouwen. De
Mohammedanen, de meeste secten ten minste onder hen, houden niet
van biddende vrouwen; zij gelooven niet dat God zich verlaagt om een
vrouw aan te hooren, en zij zijn vast overtuigd dat een vrouw nooit
in den hemel kan komen. De weinige Mohammedaansche secten die een
vrouw toestaan te bidden, laten haar toch niet naar de kerk gaan, en
zij zijn vast overtuigd dat als er zoo iets als belooning hiernamaals
voor eene goede vrouw bestaat, dan is het ergens in een apart hoekje
daar boven, ver gescheiden van den hemel der mannen.

Terwijl wij bovenstaande wijsheid stonden op te doen, trok een
voorbijgaande groep van drie personen onze bijzondere aandacht. Het
waren twee groote, stevig gebouwde mannen, waartusschen een heel
klein ventje liep, niet grooter dan een jongentje van vijf jaar,
doch met een omvang van een volwassen man. Het was een allerdwaast,
ongeproportionneerde verschijning. Het kereltje met zijne beide
trawanten werd door elkeen met eenig ontzag den weg gebaand. Het
was de dwerg, de clown van den sultan, die, zooals wij dat nog uit
onze kinderverhalen weten, als levensdoel heeft den sultan met zijne
grimassen te amuseeren.

De sultan, een jonge man van 27 jaar, is op het oogenblik in
Europa. Hij is eigenlijk meestal in Europa, waar hij zich beter schijnt
te kunnen amuseeren dan op zijn klein eiland. Hij heeft zijne opvoeding
in Engeland gehad en schijnt zich daar goed ontwikkeld en vele moderne
begrippen opgedaan te hebben. Als hij op reis gaat, laat hij meestal
zijne honderd vrouwen tehuis; hij schijnt zich in Londen en Parijs
op moderne wijze te kunnen amuseeren. Zijne twee echte vrouwen zijn
Arabieren, de acht en negentig anderen zijn Swahili's. Nu is het
een jongmensch, al is hij ook zelf van moederszijde een Swahili, die
eene Engelsche opvoeding genoot en Europeesche vrouwen heeft leeren
beminnen, niet kwalijk te nemen, dat hij zijn harem onaangeroerd laat,
want tusschen eene Swahilische schoone en een baviaan is net zoo'n
groot verschil als tusschen een villa en een buitenverblijf.

Sedert 1840 heeft Engeland hier een consulaat en van dien tijd af is
ook langzamerhand de slavenhandel er onderdrukt, die echter eerst
twaalf jaren geleden geheel werd afgeschaft, toen Zanzibar geheel
onder Engelsch protectoraat kwam. De marktplaats, waar de slaven
geveild werden, staat er nog alsof hij morgen weder in gebruik kan
worden genomen en onze gids zeide doodkalm, toen wij een groepje
West-Afrikaansche vrouwen voor ons zagen loopen, "twaalf jaren geleden
hebben elk van die vrouwen twee pond opgebracht."

Het eiland Zanzibar dankt zijne wereldbekendheid niet aan zijne mooie
ligging, zijne schilderachtige schoonheid of zijne interessante
bewoners, maar aan het feit, dat dit klein stukje grond voor 90%
de heele wereld voorziet van kruidnagelen. Een deel van het eiland
is geheel met kruidnagelboomen beplant en deze en de copra zijn
de voornaamste artikelen, die van hier over de geheele wereld
verzonden worden. Het geheele jaar door geschiedt de uitvoer van
kruidnagelen, omdat de boomen terzelfder tijd bloesem, bloem en vrucht
opleveren. Elken dag kunnen de rijpe vruchtjes geplukt worden.

Wij spraken met onzen gids, die den romantischen naam Romeo draagt,
af, om voor den volgenden morgen een rijtuig voor ons te bestellen,
dat ons naar de kruidnagelplantages zou brengen. Om 8 uur liep
Romeo den volgenden morgen reeds op het dek van ons schip rond, om
ons op te wachten en direct na het ontbijt volgden wij hem naar het
aan land gereed staande rijtuig. Eerst gingen wij, zooals wij dat
overal deden, waar er gelegenheid toe bestond, naar de marktplaats,
om de groenten, vruchten, koopers en verkoopers in oogenschouw te
nemen. Het was een kleurige, woelige, druk pratende en nog drukker
gesticuleerende menigte, waaronder vrij wat lepralijders en menschen,
die met vieze huid- en oogziekten rondwandelden. Wij zagen een school
waar de kindertjes Arabisch en Indisch leeren; de leerlingen waren
allen kleine jongens; of de meisjes naar afzonderlijke scholen gaan,
of niet onderricht worden, hebben wij niet vernomen. Het zou mij niet
verwonderen, dat hier nog de leer gehuldigd wordt, dat "een wetend
wijf brengt groot gekijf", en dat met vrouwen te leeren schrijven,
de onzedelijkheid in de hand gewerkt wordt. Zij zouden dan maar die
kennis gebruiken om den minnaars briefjes te zenden.

Door een mooie allee van manga- en cocosnootboomen, dadel- en
banaanpalmen en langs verschillende groepen van woningen, waarin de een
of andere Indianenstam zich opeen gehoopt had, kwamen wij in Bububu,
de plaats, waar de kruidnagelplantages zijn. Het zijn vrij groote
boomen, met bladen, die in vorm, kleur en geur aan laurierbladeren
doen denken. Deze mooie, groenbladige boomen, met de roode bloesem,
bloem en vrucht, leveren onder dien strakblauwen hemel en met de
blauwgroene zee op den achtergrond een schitterend effect. Alleen
door de goedkoope arbeidskracht der zwarten kan deze specerij zoo
goedkoop aan den man worden gebracht. Mannen, vrouwen en kinderen
plukken de vruchtjes, spreiden ze op doeken in de zon uit, om ze
te drogen, dan eerst worden zij zwart, en dan zijn zij gereed om
verpakt en verscheept te worden. Elk jaar, tusschen Maart en Mei,
het regenseizoen, worden nieuwe boompjes geplant, die dan eerst na
tien jaar vruchtdragend zijn. Op die wijze wordt gezorgd, dat er
steeds nieuwe boompjes in aanplant zijn.

De uitvoer van kruidnagelen, copra en andere artikelen, een beetje
tabak, rubber, tropische vruchten en groenten, is blijkbaar belangrijk
genoeg, om hier van bijna alle landen een consulaat te vinden,
alleen een Nederlandsche consul was er niet te ontdekken, hetgeen
mij daarom verwonderde, omdat de invoer van Javaansche producten er
nogal belangrijk is.

Kort voordat het schip het anker ging lichten keerden wij van Zanzibar
terug. Wij hadden er gaarne nog langer gebleven en zeer zeker zal ik
het bezoek aan dit eiland nimmer vergeten. Om Zanzibar alleen is het
de moeite waard, de reis naar of van Zuid-Afrika langs de Oostkust
te maken.

Om vijf uur 's middags zette het schip zich in beweging en zonden
wij dit eiland onzen laatsten afscheidsgroet. Toen wij den volgenden
ochtend onze oogen openden passeerden wij vlak langs de oevers van
Mombasa. Zij gaven ons een beteren indruk van wild Afrika dan wij
tot dusver gehad hebben. Echte wilde, ongecultiveerde bosschen en
vlakten gingen aan onze blikken voorbij.

Ook het eiland Mombasa ligt op een koraalrif, waardoor de groei van
vruchten en groenten beperkt is. Het is echter door een spoorweg met
het binnenland verbonden, zoodat er veel kan worden aangevoerd. Deze
spoorweg, de Uganda-spoorweg, die tot Nairobi doorloopt, geeft Mombasa
zijne belangrijkheid. Hierdoor toch staat het met Centraal-Afrika
in verbinding en alles wat van daaruit verscheept moet worden, moet
vooralsnog zijn weg door Mombasa vinden.

Ook Mombasa is een aardig, oud-Arabisch stadje, al is het dan ook
lang zoo schilderachtig niet als Zanzibar. Wij vinden er dezelfde
nauwe straatjes, dezelfde soort huizen, dezelfde soort winkels en
een ongeveer gelijke markt, maar alles is er kleiner, armoediger en
onbelangrijker. Het eenige middel van vervoer is de trolley en de
rickshaw. Paarden komen er niet voor. Men zegt, dat paarden er niet
kunnen leven, omdat de tetsemug [1] er existeert. Er zijn ook slechts
heel weinig koeien, weinig ezels (tenminste, die op vier beenen gaan)
en eenige muildieren. Van deze laatsten zouden er niet meer dan vijf
op het heele eiland zijn.

Door de weinig in Mombasa wonende Europeanen is buiten het stadje,
naar den zeekant toe, een aardige streek gebouwd, waar zij wonen en
dat in vergelijking met het stadje een gezond oord kan genoemd worden.

De uitvoer van ivoor van hieruit is een zeer belangrijke en voor 7/8
deel gaat dit alles naar Amerika. Heele hoopen olifantstanden, voor
een groot deel komende van het oostelijk deel van den Congo, alle met
"New-York" gemerkt, vindt men in de havenplaats opgestapeld. Ons schip
moest hier een onnoemlijk aantal zakken maïs en ruw katoen en eenige
schuiten vol huiden laden.

Mombasa is nog niet opgewassen tegen het drukke verkeer en den drukken
uitvoer, die de aanwezigheid van den spoorweg heeft meegebracht. Als
er, zooals wij het treffen, eenige schepen tegelijkertijd in de haven
liggen, die lading moeten innemen, dan kan Mombasa geen arbeidskrachten
genoeg leveren. Het handjevol Swahili's, die de lading in ons schip
moeten brengen, zullen ons lang aan de praat houden. Wisten wij maar
vooraf hoe lang wij hier bleven liggen, dan hadden wij met den trein
eenige honderden mijlen landwaarts kunnen gaan en zien wat daar te
leeren valt. Elk oogenblik kan echter een der andere schepen gereed
komen en de arbeidskrachten naar onze boot overgeplaatst worden en
dan schieten wij sneller op en zijn tot verder gaan gereed, alvorens
wij terug zouden zijn.

Mombasa is rijk voorzien van zendingshuizen. Protestanten
en Katholieken kampen hier om den voorrang om deze eenvoudige
Mohammedaansche of andere bevolking een ander geloof te geven. Heel
Afrika is bezaaid met deze instellingen, die over het algemeen
weinig geliefd zijn. Overal hoort men dezelfde appreciatie, dat zij
zeer veel kwaad en weinig goed stichten. Het is heel moeilijk uit te
maken, waarom het beter is, dat deze eenvoudige menschen den God der
Christenen dan hun eigen God aanbidden, en waarom het Protestantsche
of Katholieke geloof beter zou zijn dan het Mohammedaansche. Het
laatste leeraart tenminste nog geheelonthouding van alcoholische
dranken en eenvoud in voeding en levenswijze. Eenige missions hier,
in Mombasa, drijven hun opvoedenden en veredelenden invloed tot in
't potsierlijke. Zij voeden hun volgelingen niet alleen op, om onze
zeden--die zoo hoogst beschaafd zijn--en gewoonten over te nemen, maar
ook om zich Europeesch te kleeden. Verbeeldt u, hier, in dat woeste,
heete klimaat, vlak bij de Equator, waar elke rechtgeaarde Europeaan
benijdend neerziet op de doelmatige naaktheid der bruine broeders, en
wat graag in dat toilet zou willen verschijnen als onze beschaving ons
niet geleerd had dat dit onzedelijk is, hier die eenvoudige menschen
te leeren, hun mooie, bruine ruggen te bekleeden en zich des Zondags
naar de kerk te begeven, gehoed en gelaarsd, in witte overhemden en
blouses, is toch wel het toppunt van stomme kortzichtigheid en blinde
ingenomenheid met eigen gebruiken en gewoonten.

Dinsdagmorgen, na drie volle dagen en nachten in Mombasa geankerd
gelegen te hebben, gingen wij verder. Den laatsten avond had nog een
treurig ongeval op onze boot plaats. De zwarte jongens, met het laden
van de vracht belast, hadden reeds 26 uren onophoudelijk--slechts
kleine rustpoozen om wat te eten hadden zij gehad--doorgewerkt, toen
een vracht met twaalf zakken ruw katoen uit de haak schoot, juist
toen het in de lucht en boven het ruim zweefde. Twee van de daaronder
werkende mannen werden er als het ware onder verpletterd. De een liep
belangrijke kneuzingen op en de ander werd zieltogende naar boven
gebracht. Een oogenblik werd er gevreesd, dat nu alle anderen het
werk zouden neerleggen en weigeren door te gaan, maar dat gebeurde
niet. Na een oogenblik wachten gingen allen onder diepe stilte weder
aan het werk.

Wij hebben nu een langen tijd voor ons alvorens wij weder land
zullen zien. Eerst na zes dagen komen wij in Aden, de eerstvolgende
aanlegplaats. Wij zullen ons in Aden slechts zeer kort ophouden,
misschien niet lang genoeg om er iets van te zien, maar wel lang
genoeg om dezen brief aldaar te posten, die dan met een mailboot
verder gaat en Port Said en daardoor Holland eenige dagen eerder dan
met onze boot bereikt.


                                                            9 Nov. 1911.



TUSSCHEN MOMBASA EN PORT SAÏD.


Het waren zes lange dagen tusschen Mombasa en Aden, die weinig
afwisseling boden. Er was niets te zien, niets te bewonderen, niets
om je aan te ergeren, niets om je mede bezig te houden. De kleine,
witte, vliegende visschen, die nu en dan in groote groepen vlak bij het
schip opvlogen, waarschijnlijk nadat het schip ze onverwacht in het
een of ander werk gestoord had, gaven alleen eenige afleiding. Onder
de passagiers, die in Mombasa tot 38 eerste klasse passagiers waren
aangegroeid, was letterlijk niet een de moeite van kennismaking
waard. Het waren allen lieve, brave burgers of burgeressen van het
land, waartoe zij behooren; ik hoop ze niet te krenken als ik zeg,
dat er verder niets van hen te vertellen is, dat de moeite van
neerschrijven loont. Van onze tafel waren de twee aangenaamste
buren in Mombasa afgestapt en die plaatsen zijn onbezet gebleven;
buiten ons vier zaten er nu nog een Deensche mijnheer, die in den
Congo in Belgischen militairen dienst was en een Deensche dame,
die in den Congo getrouwd was, beiden voor malaria naar hun land
teruggestuurd en gedurende de reis telkens weder aan malaria lijdende,
en twee Engelsche jonge mannen van 24 en 26 jaar oud, beiden van de
grootste onbeduidendheid. Het waren evenwel een paar goede jongens,
die ons nog al eens van dienst waren. Met een Amerikaanschen admiraal
en zijne vrouw, die in Mauritius een getrouwde dochter bezocht
hadden, en eene andere Amerikaansche dame, trachtte ik de avonden
te dooden met het spelen van bridge en overdag konden wij lezen of
praten. Romannetjes van onbekende schrijvers of schrijfsters, die in
elk ander geval het oprapen niet waard zijn, gingen nu van hand tot
hand en werden bediscussieerd, alsof de slecht gemarkeerde karakters,
de ongemotiveerde handelingen en de onuitgewerkte problemen in die
boeken, een vruchtbare discussie mogelijk maakten. Een door een
sentimenteel juffertje geïmproviseerd bal mislukte geheel, doordat
de heeren het te warm vonden om te dansen en er trouwens aan dek geen
genoegzame ruimte voor was.

Eerst toen wij Cap Guardafui naderden kwamen de gemoederen in
beweging. Dit was niet alleen omdat de gevaarlijke bocht, die wij
daar te maken hadden ons allen zenuwachtig maakte en wij meer dan
anders de mogelijkheden bespraken om in geval van een ongeluk nog
gered te kunnen worden; ook niet alleen het feit, dat dit scherpe punt
zonder lichttorens elk jaar een of meer schepen ten gronde richt en
tal van menschenlevens verwoest, maar de tragische geschiedenis van
onzen armen deksteward hield ons bezig. Deze goedhartige jongeman,
die aan boord ieders sympathie had, was voorheen steward op een der
Australische booten. In Melbourne had hij een meisje leeren kennen,
met wie hij een jaar geleden getrouwd was. Zijne omstandigheden hadden
zich intusschen verbeterd en hij kon nu eene vaste positie aan wal
in Engeland krijgen. Daar de scheepsreglementen niet toelaten, dat
de geëmployeerden vrouw of kinderen op hetzelfde schip meenemen, was
hij eerder uit Australië naar Engeland teruggekeerd en zijne vrouw
met het pasgeboren kindje zou een paar maanden later komen. Dat
schip nu, waarmede zijne vrouw van Australië naar Engeland kwam,
heeft twee maanden geleden schipbreuk geleden aan de Cap Guardafui en
een van de vier booten, waarin de passagiers waren ondergebracht en
waarin vrouw en kind van onzen deksteward zaten, is nimmer terecht
gekomen. Er wordt gevreesd, dat zij op Cap Guardafui geland waren,
dat bewoond wordt door een zeer gevreesden zwarten stam, de Somali's,
waarvan men vermoedt, dat zij kannibalen zijn.

Zeker weet men, dat zij alle witmenschen uitplunderen en
vermoorden. Reeds twee keer is een boot van Aden uitgezonden om een
onderzoek in te stellen, doch is telkens zonder eenig teeken van de
verongelukten ontvangen te hebben, teruggekeerd. Toen het bericht van
het ongeluk voor het eerst Engeland bereikte, en er nog niets anders
bekend was, dan dat die boot zoek was, wilde de radelooze jonge man
zelf op onderzoek uit en daarvoor gaf de Union Castle Mij. hem de
gelegenheid, door hem als deksteward op de Avondale Castle aan te
stellen. In de twee maanden sedert dat schip Engeland verliet, zijn de
berichten gekomen van de vergeefsche pogingen, uit Aden ondernomen,
om iets van de ongelukkigen te vernemen. Men vermoedt nu, dat de
boot, waarin de tweede officier het commando voerde, toen deze zag,
dat zij op Cap Guardafui landen, weder zee heeft gekozen en door een
noodlottig toeval is gezonken. Dit zou de minst treurige dood zijn,
die de ongelukkigen kon hebben getroffen en daarom wordt dit nu maar
als het waarschijnlijkste aangenomen.

Tot even vóór wij deze rotsen in het gezicht kregen, bleef de
deksteward trouw op zijne post en voerde de groote en kleine wenschen
en bevelen der passagiers prompt uit; doch toen dit onherbergzaam oord,
met zijn kale puntige rotsen en gloeiend heete zandvlakten vlak voor
ons lag, werd het hem te benauwd en verdween hij en kwam den geheelen
dag niet weder te voorschijn.

Als Italië, die de gelukkige bezitter van dit gevaarlijk en
onherbergzaam stuk grond is, niet spoedig zorgt, dat er vuurtorens
komen en dat menschenlevens er veilig zijn, dan vindt Engeland
een zeer gegronde reden om handelend in te grijpen en dit stuk bij
Britsch-Afrika in te lijven.

Zondag 12 November kwamen wij in Aden aan. Het was reeds zes uur
in den avond, wij hadden dus geen gelegenheid iets van de stad te
zien. Slechts eenige uren zouden wij er liggen blijven om eenige
honderden balen vracht in te nemen. Wij konden wel aan land gaan en
verschillende passagiers deden dit ook, maar de stad Aden ligt 4 à 5
mijlen landwaarts, daar konden wij in dien korten tijd niet heen en
de eeuwenoude watertanks, het eenige wat Aden voor een vreemdeling
belangrijk maakt, waren in het avondduister niet te zien. Wij bleven
dus aan boord en vermaakten ons met de wanhopige pogingen aan te
zien van de tallooze Arabieren en Somali's om aan boord van het
schip te komen. Zij waren allen met hunne koopwaren in primitieve
roeibootjes komen aanzetten en schreeuwden en riepen in hunne door ons
onverstaanbare taal, dat zij aan boord iets te verrichten hadden. De
kapitein wilde hen echter niet aan boord hebben, omdat zij niet alleen
kooplieden, maar bijna zonder uitzondering dieven zijn en er aan
boord voor hen niets veilig is. In een verschrikkelijk geroezemoes
van geluiden, want het laden van 't schip ging onderwijl ook zijn
gang, werden nu van uit de bootjes touwen naar de kijkende dames en
heeren op het schip geworpen, en zoodra wij het uiteinde van zoo'n
touw te pakken kregen, aan het andere uiteinde koopwaar gebonden en
naar het schip opgeheschen. Een tienmaal te hooge som werd daarvoor
geëischt en dan begon het vragen en bieden op schreeuwende wijze van
over de scheepsrailing naar de daaronder vertoevende zwarten in de
bootjes. Somalimandjes, waarvoor vijf en zes shilling werden geëischt,
werden voor één shilling en later zelfs voor six-pence gekocht. Vooral
de kooplieden met Abyssinische struisveeren hadden groote nering en
een zeker soort cigaretten vond bij de heeren gewillige koopers. Later
op den avond klommen de slanke, vlugge jonge Somali's bij de dunne,
aan boord vastgehouden touwen zelf naar boven en eenmaal boven,
werden zij door de passagiers genoeg beschermd om dat handjevol
durvende kereltjes met hunne, achter hen aankomende koopwaren, boven
te houden. De uren vlogen om en toen om tien uur het schip Aden weder
verliet, waren wij het er allen over eens, dat wij eenige zeer amusante
en interessante uren hadden doorgebracht.

De groote gebouwen in Aden, die van af het schip konden gezien worden,
waren reeds gedeeltelijk versierd voor het te wachten bezoek van den
koning en de koningin van Engeland op hun doorreis naar Engelsch-Indië.

Toen eenmaal Aden achter den rug was, was ook de eentonigheid van de
reis gebroken. In de Roode Zee hadden wij nog onophoudelijk aan één
van beide zijden wat te zien. En als het bloote oog ons de stadjes en
kooldepôts en de voorbij stoomende bootjes niet deed onderscheiden,
dan gingen de vele goede kijkers van hand tot hand en gunden ons
op die wijze een blik op hetgeen wij passeerden. Een boot van de
Nord-Deutsche Lloyd, waarschijnlijk op weg naar Australië, die ons
voorbijvoer zonder een vriendschappelijken groet te wisselen, wekte
de verontwaardiging der Britten. De haat tusschen die twee natiën
moet vroeg of laat in een oorlog een weg vinden om zich te uiten.

Een schandelijke daad doet Turkije op dit oogenblik. Omdat het in
oorlog is met Italië, heeft het in alle Turksche kustplaatsen, en op
alle gevaarlijke rotsen de lichten in de lichttorens doen dooven. Langs
den geheelen weg van Aden tot Suez was 's avonds en 's nachts in geen
enkele lichttoren, die op Turksch grondgebied staat, een licht te
zien. Tegen de internationale wetten op scheepvaartgebied en tegen
elke opvatting van welvoegelijkheid in stelt hier Turkije de schepen
van alle natiën bloot aan het gevaar om op een zijner gevaarlijke
rotspunten te stranden, omdat het met Italië oorlog voert. Zullen de
verschillende mogendheden niet spoedig moeten protesteeren tegen dit
feit, alvorens er ongelukken door ontstaan zijn?

Woensdagmorgen om acht uur lagen wij in de haven van Port Soudan. Deze
haven is nog slechts achttien maanden oud en is door de Britten geheel
up to date ingericht. De matineuse menschen, die van halfzeven reeds
het binnenkomen bespieden, hadden een zeer loonend gezicht op het
land. De zee had aan de kust een zuiver smaragd-groene tint, daarachter
de oneindige witte zandvlakte en geheel aan den gezichtseinder staken
de tallooze prachtige bergtoppen hunne grillige koppen tot in de
wolken omhoog. Dit landschap geleek op een stuk Egypte, zooals wij
dat van platen en prenten kennen. Toen wij wat dichterbij kwamen en
de morgenschemering voor vol daglicht had plaats gemaakt, werd dit
gezicht nog meer Egyptisch, doordat wij toen de vele Egyptenaren,
Grieken, Arabieren en Inlanders van verschillende stammen, die zich
op den weg bevonden, konden onderscheiden.

Port Soudan is natuurlijk nu nog een stadje van kleinen omvang, maar
de vele groote officieele gebouwen met de Britsche vlag op het dak,
zagen er allen zoo massief en kolossaal uit, dat het niet betwijfeld
behoeft te worden, dat Engeland zich hier blijvend heeft gevestigd
en van Port Soudan spoedig een groote stad zal maken. Van uit dit
stadje gaat een spoorweg, die in 24 uur Karthoum bereikt en waardoor
het ook met Kaïro verbonden is. Daardoor kan het alle vracht van uit
het binnenland komende, van daar gemakkelijk verschepen. Het geheele
stadje maakt een zeer hygiënischen indruk. De rioleering, watertoevoer,
goede harde wegen, ruime, frissche woningen, electrische verlichting,
dit alles toonde de goede zorg van de Britsche regeering.

Wij hadden vlug ons ontbijt genuttigd en ons aan wal begeven om in de
drie uur, die wij in Port Soudan vertoeven zouden, zooveel mogelijk in
ons op te nemen. Nadat wij het Europeesche gedeelte doorgegaan waren,
waar de Engelschen en Grieken wonen, begaven wij ons naar de Kraals,
waarin de verschillende inboorlingen leven. Allerlei stammen wonen
er. Op ons maakten vooral de Wadi-Wadi's, met hunne lange wolharige
coiffures en hunne woeste blikken een diepen indruk. Zij behooren
eigenlijk in de bergtoppen tehuis en komen alleen naar beneden om
handel te drijven. Een eigenaardig soort bokken en schapen telen zij
en die brengen zij ter markt. Wij zagen die rare beesten in groote
massa op de markt. Het was soms moeilijk uit te maken of het een
geit of een schaap was. Van die Wadi-Wadi's wordt verteld, dat zij
een zeer aristocratisch volk zijn, dat zich voor werken te hoog acht
en waarvan niet een enkele in dienst van blanken te krijgen is. Zij
zijn zeer oorlogszuchtig en leven van veeteelt en van wat zij op
eerlijke wijze door oorlog zich toeëigenen. Zij hebben hun eigen
vorst en worden tot dusver nog door elke natie ontzien.

Wij zagen er vrouwen met gouden ringen door den neus zoo groot en breed
als een flinke bracelet; wij zagen er de markt met alles wat er te koop
is en die vele verschillende kleurlingmannen en vrouwen, om van dat
alles te koopen en wij zagen er verschillende café's en restaurants,
waar het geheele menu, in tallooze potjes en pannetjes aan den weg
bereid en gekookt werd. Wij zagen er nog tal van opmerkenswaardige
dingen meer, maar wij zijn aan dat kleurling-leven reeds zoo gewoon
geraakt, dat veel wat wij zien in het geheel geen blijvenden indruk
meer maakt.

Het was reeds twaalf uur, alvorens het schip geladen was en wij de
reis konden voortzetten.

De vijf dagen in de Roode Zee waren warm, maar voor ons in de hutten
op het bovendek wel uit te houden. Overdag koelde het zeewindje
genoeg af om het niet benauwd te hebben als wij maar rustig op het
dek bleven zitten en 's nachts hadden wij het ook niet te warm. Zij,
die in de andere hutten vertoefden, hadden het 's nachts dikwijls
te heet en meestal lagen de canapé's van de dames- en heerensalon
en het geheele opperdek 's nachts vol passagiers, die het in hunne
hutten niet langer konden uithouden.

Zoo'n lange zeereis oefent op de gezondheid van vele passagiers een
gunstigen invloed uit. Velen was dit duidelijk aan te zien. Zelfs de
scheepsdokter, die er in den beginne zoo holoogig en mager en spichtig
uitzag, had ronde wangetjes en een frissche kleur gekregen.

Naarmate wij Suez naderden en het duidelijk werd dat wij niet voor
Zaterdagavond in Port Saïd zouden landen, begonnen wij ongerust te
worden, dat wij dien nacht geen onderkomen zouden vinden. Er waren
over de twintig passagiers van de eerste klasse, die daar aan land
gingen, hetzij om evenals wij naar Palestina te gaan, hetzij om een
week in Port Saïd over te blijven om de aankomst van den koning en de
koningin van Engeland aldaar bij te wonen. Maandag 20 November worden
die hooge gasten in Port Saïd verwacht, en in Soudan hadden wij reeds
vernomen, dat alle hotels in Port Saïd daardoor geheel bezet waren. Wel
hadden wij van uit Suez een telegram gezonden om vier kamers voor ons
disponibel te houden, maar dat telegram kon niet vóór Zaterdagmorgen
verzonden worden.

Met het schip hadden wij ons langzamerhand verzoend. Het voedsel was
tamelijk goed, de bemanning vriendelijk en voorkomend en de kapitein
deed alles om het den passagiers naar den zin te maken.

Ook hadden wij na Mombasa onophoudelijk goed weder en het schip was
daar goed vol geladen, zoodat het zonder schommelingen vrij rustig
vooruit schoof. Wat konden wij meer verlangen.

Vrijdagavond om ongeveer tien uur kwamen wij in Suez aan. Daar
werden wij nu eens echt door een Turkschen dokter aan een onderzoek
onderworpen. Het heele onderzoek kwam daarop neer, dat wij een voor een
den dokter passeerden, hij zag dan met zijn wetenschappelijken blik,
dat wij zonder gevaar Turkije konden binnentreden. Niettegenstaande het
nachtelijk uur, waren toch nog tal van kooplieden aan boord gekomen,
die ons doosjes met Turksche noga en met andere Turksche zoetigheden,
benevens cigaretten, koralen en bovenal eenig mooie Turksche shawls
te koop aanboden. Deze laatsten vonden tal van koopers en vele van
de kooplieden gingen huiswaarts met een lichtere vracht aan goederen,
doch met een goed gevulde beurs.

Zaterdag in het Suez-kanaal hadden wij ruimschoots gelegenheid om
van onze medepassagiers afscheid te nemen en met velen nog eenige
oogenblikken een luchtig gesprek te voeren. Zoo'n vaart door het
Suez-kanaal is heel geschikt om menschen geduld te leeren. Zoo nu
en dan eens een paar uur stil te blijven liggen om een reeks andere
schepen te laten passeeren en daarna weer heel langzaam een eindje
op te schieten, is voor reizigers van de twintigste eeuw niet meer
geschikt. Maar al de passagiers op onze boot lieten zich er niet
door uit hun humeur brengen, wat meer zegt, wij allen zegenden elk
oponthoud dat zich voordeed. Eerstens was het een prachtigen dag,
vol afwisselingen en ten tweede konden wij in geen geval vóór zes
uur aankomen, zoodat de naar Caïro vertrekkenden niet zouden kunnen
afreizen en nu was van allen de hoop, dat het schip niet vóór tien uur
in Port Said zou aankomen, dan konden wij den nacht nog op het schip
doorbrengen en konden Zondagmorgen afreizen, of hadden gelegenheid een
hotel te zoeken. Het was een allervroolijkste stemming den geheelen
dag op het schip en zeer zeker was het een aangenaam einde van een zoo
interessante reis. Wij vieren en alle medepassagiers, waarmede wij dien
dag spraken, betreurden het, dat wij het schip moesten verlaten, waarop
wij zoo'n gelukkige maand hadden doorgebracht en ik zal zeer zeker
steeds met de aangenaamste herinneringen aan dezen tijd terugdenken.

Maar het schip kwam vóór tien uur in Port Saïd aan en nu moesten wij
dus 's avonds nog het schip verlaten. Het Eastern Exchange Hotel had
gelukkig voor dien nacht plaats voor allen en het was een goed hotel,
maar voor Zondag waren alle kamers genomen. Om twee uur den volgenden
dag vertrok een boot naar Jaffa en daarop hebben wij plaatsen besproken
en hopen een dag of tien in Palestina door te brengen, alvorens wij
Egypte verder ingaan.

Hier in Port Saïd is alles in vroolijke stemming. Den geheelen nacht
was er muziek en zang en dans door de geheele stad en 's morgens had
het in de straten meer van een vroolijke kermisstemming dan van een
ernstigen Zondagmorgen.



IN PALESTINA.


Wij hadden niet veel rust in Port Saïd genoten, want, nadat wij
Zaterdagavond omstreeks middernacht in ons hotel waren aangeland
moesten wij het Zondagmiddag om twee uur reeds weder verlaten. In dien
tusschentijd moesten wij de verschillende kantoren afloopen om geld
op te nemen, (onze credietbrieven geven bijna in elke stad voor ieder
van ons een verschillend kantoor op); moesten wij onze vice-consuls
over onze paspoorten spreken, moesten wij onze koffers bij Cook
onderbrengen en moesten mrs. Catt en ik onze plaatsen bespreken voor
een in Januari naar Colombië vertrekkende boot. Wij waren dan ook dood
moe, toen wij op de boot aankwamen die ons naar Jaffa zou voeren,
en wij namen ons voor in Jaffa een dag rust te nemen, alvorens wij
onze pelgrimstocht door Jeruzalem zouden aanvangen. Wij zouden niet
in zoo'n haast zijn afgereisd als niet de boot, die Zondagmiddag
vertrekken zou, ons bijzonder was aanbevolen en een volgende boot
van die lijn, de Khedivian lijn, eerst dagen later zou gaan.

Om ruim twee uur verlieten wij ons hotel en ofschoon de boot, die ons
zou herbergen, geen tien minuten van ons hotel verwijderd lag, duurde
het toch ongeveer een uur, alvorens wij er waren aangeland. Even
moeilijk als men in Port Saïd binnenkomt, met even-zoovele
moeilijkheden heeft men te kampen om er uit te komen. Even goed als
wij den vorigen avond eerst in twee verschillende bureaux onze namen
in een boek moesten inschrijven, daarmede verklarende, dat wij gezond
zijn, geen contrabande invoeren en brave menschen zijn, doch daarna
toch nog bij de douanen gevisiteerd werden, omdat men ons op onze
eerlijke gezichten en op ons woord en handteekeningen niet geloofde,
zoo moesten wij nu al diezelfde formaliteiten weder ondergaan, maar nu
om het bewijs te leveren, dat wij niets uit het land uitvoerden. Goed
dat wij een dragoman bij ons hadden, want wij zouden met ons zuiver
geweten en in kinderlijke onschuld recht door naar het schip zijn
gegaan. Voor het bewijs, dat wij gezond zijn en niets te verbergen
hebben, moesten wij ieder vier stuivers betalen.

Op de boot troffen wij een ander soort passagiers dan op andere
booten. Niet zoozeer onder de eerste klasse passagiers, die waren
voor een deel toeristen als wij, voor een ander deel mannen en
vrouwen, zendelingen en handelslieden. Maar onder de derde klasse en
bovendeks- en tusschendekspassagiers was een groot verschil. Onder
de eerstgenoemde was een heele bezending Turksche dames, waarvan
geen stukje van het lichaam te zien was, zoo dicht waren zij van het
puntje van hun hoofd tot aan de teenen in zwarte doeken gehuld. Dan
waren er Bedouïnen en Fellahinen, Syriërs, Armeniërs en nog meer van
dat soort in groote hoeveelheid.

Wij hadden op de boot een beter diner dan wij in lang genuttigd
hadden en alles was er even zindelijk en goed. Om 7 uur hedenochtend
landden wij in Jaffa, dat wil zeggen, zoo dicht bij als de boot ons
brengen kon, want daarna moesten wij in roeibooten aan land gebracht
worden. Het was gelukkig prachtig weder en de zee zoo stil, als men
zich maar wenschen kan en toch is die landing in Jaffa niet geheel en
al ongevaarlijk. De rotsige ondergrond, rotsen, waarvan de vinnige
punten een halven meter hier en daar boven de zee uitsteken en de
bijna steeds aanwezige branding hebben al menigen passagier het leven
gekost. Wij hebben dan ook al vastgesteld, dat wij alleen bij kalm
weder van hier zullen vertrekken en in geval van storm liever eenige
dagen langer zullen blijven.

Wij hebben in de laatste weken veel gezien en ondervonden en toch,
hetgeen wij vanmorgen zagen, toen wij van de landingsplaats naar
het hotel gingen, heeft ons geheel in verbazing gezet. De indrukken,
die ik in dezen eenen dag opdeed, zijn zoo vele en zoo intens, dat
ik niet weet, waarover het eerst te moeten schrijven. De algemeene
indruk is, dat het mij voorkomt, dat elke predikant of priester of
rabbi, eerst naar Palestina gezonden moet worden en hier eenigen tijd
moet doorbrengen, alvorens zijne opleiding als voleindigd beschouwd
zal kunnen worden. Eén dag hier doet den bijbel beter begrijpen, dan
jaren van studie doen. Het heele oude testament staat op eens levendig
voor je geest. Een andere algemeene indruk is, dat de afstammelingen
van Abraham, Izaak en Jacob in die meer dan 5000 jaar niet veel van
uiterlijk zijn veranderd en dat de achter-kleinkinderen van de twaalf
zonen van Jacob er uitzien, alsof zij nog in staat zijn hun broertje
Benjamin voor een ezelsvel--of was het wat anders--te verkoopen.

Baedeker zegt, dat men hier de Mohammedanen, Joden en Christenen aan
hunne kleeding kan herkennen; dat is maar goed ook, want, volgens
hun uiterlijk zou men ze zeker allen onder de zonen van Israël
rangschikken. En wat de straten en die menschen er allen vies en vuil
uitzien, dat is niet te beschrijven. De Batavierstraat en Uilenburg in
Amsterdam zijn er met hunne bewoners heilig bij. Toch is dat alles
schilderachtig mooi. Als men daar zoo'n karavaan kameelen, zwaar
beladen, door zoo'n nauwe straat vol kleurig gekleede mannen en vrouwen
ziet gaan, of een troep ezeltjes, ieder met een Mohammedaan er op, of
oude huisvaders op hun laag stoeltje voor hun winkeltjes ziet zitten,
dan blijft men staan en zou graag van dat alles een afbeeldsel nemen,
maar een fotografie of teekening kan onmogelijk de kleurschakeering
en levendigheid weergeven, die het in werkelijkheid bezit.

In ons hotel "Hotel Jeruzalem", hebben de kamers geen nummers, maar
alle een bijbelsche naam. Mrs. Catt, die haar kamer naast de mijne
heeft, logeert in Ruben en ik in Dan. De bijbelsche kennis van ons vier
is niet toereikend om uit te maken waardoor mijnheer Dan zich beroemd
gemaakt heeft, en terwijl ik vlijtig zit te schrijven, zitten mijne
drie reisgenooten in den bijbel deze en dergelijke bijzonderheden na te
pluizen. Het hotel is gelukkig zindelijk en goed en ligt in de buurt,
waar de Duitsche bevolking woont, dat is in eene der voorname straten,
als men ten minste dien term gebruiken kan.

Van het voornemen, om hier een dag rust te nemen, is natuurlijk niets
gekomen. Den heelen morgen waren wij in de straten en op de markt en
met een gids van hier hebben wij een contract afgesloten om ons door
Palestina te voeren. Dat contract nam direct na de lunch een begin
en om half twee waren wij dan ook reeds alle vier gereed, om per
rijtuig de kolonie, door Rothschild uit Parijs dertig jaren geleden
hier gesticht, te bezoeken. Deze kolonie is ruim acht mijlen buiten
Jaffa gelegen en, ofschoon de weg allerbedroevendst was, bracht toch
de geheele tocht ons een en al in verrukking. Het was heerlijk weder,
niet te warm en niet te zonnig en daar zaten wij, met onzen Engelsch,
Fransch en Duitsch sprekenden gids naast den koetsier om ons alles
te verklaren, den geheelen weg over te genieten van alles, wat wij
passeerden. Wij reden voorbij oude bronnen, groote oude graftomben,
langs sinaasappelplantages; wij zagen uitgestrektheden land beploegen
met 'n kameel of een os voor 'n ééntandsche ploeg bespannen; wij
zagen Bedouïnen in hunne primitieve hutten, en licht en eenvoudig
landbouwwerk verrichten; wij zagen kudden schapen en geiten, en
menschen die zoo uit den bijbel in levenden lijve voor ons stonden;
wij reden langs de vlakte van Sharon en zagen de vrouwen en meisjes
water uit de bronnen halen en ezels en kameelen zich laven met
het koele vocht; wij zagen de roos van Sharon in menigte bloeien
en daarnaast de leliën van het veld en narcissen en irissen en dat
alles eerst in mooi, helder daglicht en terugkomende in een prachtige
avond-schemering. Nooit zag een van ons zoo'n mooien zonsondergang
als hedenavond, waardoor de heuvels van Juda in een teer violette
kleurschakeering gezet werden, waaraan wij ons oog niet konden
onttrekken. Het was alsof wij in een sprookje leefden.

Maar in de kolonie Richon le Zion zooals die door Baron Rothschild
gedoopt is, is alles werkelijkheid. Rothschild heeft hier ongeveer
30 jaar geleden ruim 600 hectaren bouwgrond gekocht en wat geld
disponibel gesteld voor de Russische en Roemeensche Joden, die uit
hun land verdreven werden.

Op dien grond en met dat geld zijn die menschen hier een
wijndruiventeelt begonnen en hebben wijn gefabriceerd. Vier en
twintig jaar geleden heeft Rothschild hen met geld geholpen om een
wijnkelder te bouwen, geheel op denzelfden voet gebouwd en ingericht
als die te Bordeaux, die de grootste en beste van de geheele wereld
moet zijn. Deze hier volgt in grootte direct op dien te Bordeaux. De
zaken gingen zoo goed, dat achttien jaar geleden Rothschild geheel
kon worden afbetaald en alles nu aan de kolonie toebehoort.

Hoewel deze kolonie hoofdzakelijk uit Russen en Roemeniërs bestaat,
zijn er toch ook enkele Duitsche, Fransche en Engelsche Joden onder. De
kolonie bevat ongeveer honderd families. Zij werken coöperatief,
dat is te zeggen, elke familie woont in eigen huis en bezit haar
eigen stuk grond, dat groot of klein is.

De druiven worden in de fabriek bewerkt en naar gelang men inzendt,
wordt men uitbetaald. In de fabriek werken losse arbeiders, die in
loondienst zijn; dat zijn geen kolonisten, doch wel bijna allen Joden.

Eenige jaren geleden heeft de kolonie groote verliezen geleden,
doordat zij voor haar wijn geen uitweg vond. In het land kon niet
meer verbruikt worden en voor het buitenland had men geen afnemers. De
kelder lag toen vol. In dien tijd zijn toen vele kolonisten begonnen
hunne druiven uit te roeien en er sinaasappelen en amandelen en
andere vruchten voor in de plaats te kweeken. Na de moeilijkheden,
die de wijnfabricage het vorige jaar in Frankrijk ondervond, heeft
Frankrijk allen wijn, die in voorraad was, van hier opgekocht en heeft
ook voor dit jaar groote bestellingen gedaan. De geleden verliezen is
men daardoor te boven gekomen en daar de nieuw aangekweekte vruchten
ook een goeden oogst hebben geleverd en goed verkocht worden, hoopt men
door het ongeluk nog tot meerdere voorspoed te komen. De wijnfabricage
bedroeg dit jaar 35.000 hectoliter.

De kolonie, die een dorpje op zichzelf vormt, ziet er veel en veel
zindelijker en beter onderhouden uit dan Jaffa. Ook zagen de kinderen
en volwassenen er bijna zonder uitzondering frisch en gezond en flink
uit. Wij hadden nog even gelegenheid de school te bezoeken, waar de
kinderen degelijk onderricht genieten en waaraan ook een cursus voor
mannen en vrouwen verbonden is. Wij zagen er de kinderen, jongens en
meisjes, juist een les in tuinbouw ontvangen.

Er zijn hier in de buurt nog tal van Joodsche kolonies, die alle min
of meer in denzelfden geest werken en die het ook allen goed gaat. De
drie grootste hier zijn Duitsche nederzettingen. Zoo oppervlakkig
beschouwd, is er nog plaats voor tal van Joden, die zich hier, dunkt
mij, geheel tehuis moeten gevoelen. Er ligt nog zooveel vruchtbare
grond onbearbeid, en als de grond hier bewerkt wordt, geschiedt dit op
zoo'n primitieve wijze, dat er oneindig meer uit te halen moet zijn,
dan er nu uitgehaald wordt.

Dinsdagmorgen waren wij reeds bijtijds gereed om direct na het
ontbijt met onzen dragoman er op uit te kunnen gaan. Het eerst reden
wij naar de laatst gevormde kolonie van Zionisten, waar ook het alom
bekende Joodsche gymnasium gevestigd is. Deze kolonie, waarin Russen,
Duitschers, Oostenrijkers, Roemeniërs, Engelschen, etc., etc. wonen,
is nog maar 2 jaar oud. De huizen zijn geheel nieuw en zijn voor
het grootste deel kleine of groote villa's. Het is duidelijk, dat
de kolonie, "Tal Abib" genaamd, hoofdzakelijk uit welgestelde Joden
bestaat. Zij is gelegen aan de zeekust; de grond is er vruchtbaar, alle
bewoners zien er welvarend uit, voor zoover wij ze zagen. Zij zijn geen
landbouwers of vruchtkweekers, zij werken ook niet coöperatief, zij
hebben financieel niets met elkaar uit te staan. Het zijn kooplieden,
die hun zaken in geheel Palestina of daar buiten drijven, bankiers,
doctoren, leeraren en zulk soort menschen. Het meest interessante
in deze kolonie, maar geheel onafhankelijk daarvan, is het Joodsche
gymnasium. Deze mooie, hygiënisch goed gebouwde, groote school, die
ongeveer 6 jaar geleden door den heer en mevrouw Moser, uit Engeland,
gesticht werd, wordt nu door het geld van dezen en ongeveer 800 leden
uit verschillende landen in stand gehouden. Ieder lid, ook in Holland
zijn eenige leden, betalen jaarlijks 250 frcs. contributie. Voor
ieder kind wordt van 60 tot 160 frcs. schoolgeld jaarlijks betaald,
naar gelang hunne ouders welgesteld zijn. Voor ongeveer 10 pCt. der
leerlingen wordt niets betaald. Elk lid heeft het recht voor zijn
contributie een kind gratis te plaatsen.

Er zijn op dit oogenblik 305 leerlingen, waarvan 206 jongens en 99
meisjes, terwijl er bovendien nog 40 leerlingen in een voorbereidende
klasse zijn. Voor al deze leerlingen zijn 23 leeraren en leeraressen
en een directeur. Veertig van deze kinderen zijn in Jaffa geboren, doch
uit ouders, die naar Palestina geïmmigreerd zijn. Tachtig kinderen zijn
elders geboren en met de ouders uitgekomen. Vijf-en-twintig kinderen
komen uit andere kolonies, rondom Jaffa, en van vijf-en-zestig
leerlingen wonen de vaders in het buitenland en zijn de moeders
met de kinderen hier gekomen om hun een goede Joodsche opvoeding te
geven. Deze laatsten zijn voor het grootste deel welgestelde Russen,
die hunne kinderen in Rusland niet op goede scholen geplaatst kunnen
krijgen. Verder zijn er op school nog een kleine honderd weezen uit
verschillende landen, die bij families ondergebracht zijn. Men is
echter nu bezig een mooi pension te bouwen, waarin 60 à 70 kinderen
gehuisvest kunnen worden en dat uitgaat van de vereeniging of het
comité, die de school in stand houdt.

Het leerplan is in hoofdzaak hetzelfde als dat van de Zwitsersche
scholen en ook van de leeraren en leeraressen zijn de meesten in
Zwitserland gevormd. De leerlingen kunnen het op deze school tot
aan de Universiteit brengen, daarna moeten zij naar Europa gezonden
worden. Men denkt er evenwel over ook een Joodsche Universiteit
te bouwen. In Haïfa wordt reeds een Joodsche Polytechnische school
gesticht.

Behalve in alle andere wetenschappen, ontvangen de kinderen hier nog
onderwijs in Arabisch, Turksch, Duitsch, Fransch en Latijn en Grieksch
en al het onderwijs wordt in de Hebreeuwsche taal gegeven, zoodat zij
ook deze taal grondig moeten kennen. Voor vele kinderen is dat echter
te veel en daarom is het Fransch, Hebreeuwsch en Turksch of Arabisch
obligatorisch gemaakt, terwijl de andere talen facultatief zijn
gesteld. Natuurlijk wordt er niet alleen de Hebreeuwsche taal, maar
ook de Hebreeuwsche philosophie, godsdienst en historie onderwezen;
de kinderen ontvangen hier een zuiver Hebreeuwsche opvoeding. Onder
de leerlingen waren er vele echt mooie Joodsche typen en allen zagen
er even opgewekt en frisch en gezond uit. De geheele school met alle
leeraren en leerlingen maakte een gunstigen indruk en 't is zeker,
dat deze school een groote toekomst heeft. Wij alleen leerden bij dat
bezoek veel en begrijpen de Zionisten en hunne drijfveeren beter dan
ooit te voren.

Ik heb over deze school zoo uitgebreid geschreven, omdat het mij
voorkomt, dat vele lezers daarin belang stellen en het hoogst
waarschijnlijk een school is, die eenig is in de wereld.

Nadat wij deze school bezocht hadden, gingen wij naar de plaats waar
Tabitha, ook wel Dorcas genoemd, gewoond heeft en hare graftombe nog
bestaat. Er is nu een Russisch klooster, waar monniken en nonnen in
vrede te zamen wonen. Zij behooren tot de Grieksche kerk.

Vandaar gingen wij nog even het huis zien, waar Simon, de looier,
gewoond heeft, maar ik heb nog geen tijd gehad na te zien, waardoor
deze heer zich beroemd heeft gemaakt. Mijne reisgenooten beweren,
dat hij Jonas gastvrijheid verleend heeft, toen die door de walvisch
uitgespuwd en aan land geworpen werd, maar dat komt met de tijdrekening
niet overeen.

Toen moesten wij naar huis om te lunchen en ons haasten om nog den
trein van één uur naar Jeruzalem te halen. Onze dragoman vergezelt
ons daarheen en zorgt voor alles. Ik zit nu in den trein dezen brief
te vervolgen; een zeer comfortable eerste klasse waggon, waarin wij
alleen met onzen dragoman zitten. Op onzen weg passeeren wij allerlei
interessante plaatsen en bovendien is de geheele tocht belangrijk
door de mooie bergpassen. Nadat wij Jaffa achter den rug hadden en
de vele sinaasappelkweekerijen voorbij waren,--ik hoorde, dat er
jaarlijksch 700.000 kisten sinaasappelen, iedere kist 12 dozijn
stuks bevattende, alleen uit Jaffa uitgevoerd worden,--zagen wij
heele akkers met olijfboomen. De olijven, die van deze boomen komen,
zijn klein en alleen geschikt om er olie uit te persen en zeep van
te maken. Daarna werd ons reeds spoedig de plaats aangeduid, waar de
Philistijnen gewoond hebben en de plek waar David Goliath met een steen
doodde. Op die plek liep nu een jong schaapherdertje achter een groote
kudde schapen en geiten en die zag er uit alsof hij vergeten had dood
te gaan en er nog stond van uit den tijd van David. Toen zagen wij
de plaats waar Samson geboren is en waar hij begraven werd en later
de cave--ik weet op het oogenblik het Hollandsche woord niet--waarin
Samson in liefde ontvlamde voor Dalila. Samson en Dalila zochten hunne
liefde hoog, want die cave is boven in een heel hoogen, rotsigen berg,
die moeilijk te bereiken is. De holte schijnt echter nog al diep te
zijn, want de kruisvaders hebben er later een heele kerk in gebouwd;
nu dient zij voor een schuilplaats voor herders.

Zoo zou ik wel kunnen doorgaan met alle oud-testamentarische
gebeurtenissen te vermelden, waarvan wij de plaatsen zagen waar zij
voorgevallen zijn, maar dat wij door 't land van Juda en daarna door
het land van Benjamin togen en nog zooveel meer, komt mij weinig
belangrijk voor. De geheele afstand tusschen Jaffa en Jeruzalem,
die ongeveer 54 mijlen bedraagt, is vol van deze merkwaardigheden.

Iemand, die Palestina bezoekt, moet van een goede dosis goed
vertrouwen in de verhalen, die men hoort, voorzien zijn, wil men
genieten van hetgeen men ziet en hoort. Wij hebben ons voorgenomen
om aan de waarheid van geen enkel verhaal te twijfelen en voor vast
aan te nemen, dat de ons aangewezen plaatsen en het feit, dat er zou
zijn voorgevallen, onvoorwaardelijk de ware zijn. Onze dragoman is in
groote bewondering voor ons kinderlijk vertrouwen en meent ons nu en
dan eens te moeten waarschuwen, dat men omtrent deze of gene plaats
of dit of dat feit niet de volle zekerheid heeft.

Om ongeveer half zes bereikten wij Jeruzalem, waar wij nu eens
niet in een hotel onzen intrek gaan nemen, maar in de stichting
van Mrs. Spafford, de Amerikaansch-Zweedsche kolonie, die in Selma
Lagerlöf's boek "Jeruzalem", zoo phantastisch beschreven is. Ook
dr. Abraham Kuyper schijnt, zooals ik juist hoor, over deze kolonie
geschreven te hebben in zijn reisbeschrijving door dit land, maar ik
heb dat boek niet gelezen. Eigenlijk is het station een weinig buiten
de stad gelegen en moesten wij eerst het dal van Hinnom passeeren en
de hoogte van Zion bestijgen, alvorens wij de Jaffapoort bereikten,
waarmede wij in Jeruzalem waren. De Amerikaansch-Zweedsche kolonie ligt
even buiten de stad. Onze ontvangst was daar zeer hartelijk en weldra
waren wij in onze gezellige en comfortable kamers geïnstalleerd, waar
ik dezen brief nu zit te voleindigen. De afspraak met onzen dragoman
is om morgenochtend zes uur af te reizen naar Jericho en de Doode Zee,
vanwaar wij dan Donderdagavond hier in deze woning terugkeeren. Deze
tocht gaat geheel per rijtuig en wij hebben nu nog prachtig weder,
vandaar dat wij zoo'n haast maken. Men kan in Jeruzalem nooit lang
achtereen zulk mooi, zonnig weder verwachten, meestal regent het hier
in dezen tijd van het jaar.

Ik word nu verzocht beneden te komen om een concert bij te wonen,
dat eenige kolonisten hier geven. Ik hoop over deze kolonie ook mijne
indrukken te schrijven, die natuurlijk geheel persoonlijke indrukken
zijn en wel hemelsbreed zullen verschillen van die door dr. Kuyper
hier opgedaan. Zeker is reeds, dat alles hier in werkelijkheid geheel
anders is dan Selma Lagerlöf met haar groote phantasie en prachtigen
stijl er van gemaakt heeft.



II.


Het was vanochtend, 22 Nov., nauwelijks half zeven, toen de twee
rijtuigen, ieder met drie paarden bespannen, reeds voor de deur stonden
om ons naar Jericho te voeren. Het daglicht brak juist door en alles
voorspelde weer een prachtigen dag. Wij hadden een langen tocht voor
ons en de weg is niet alleen zeer bergachtig, maar ook steenachtig en
vol gaten en andere ongerechtigheden. Toch klaagden wij over niets,
want wij hadden te veel te zien, dat onzen geest bezig hield. Langs
den geheelen weg passeeerden wij steeds troepen Muzelmannen, die met
hun beladen kameelen en ezels, soms te voet, doch meestal op kameelen
of ezels gezeten, hun tarwe, rogge, vruchten of andere producten naar
Jeruzalem voerden. Zij kwamen van het Oosten van den Jordaan en hadden
een tweedaagsche reis achter den rug. Op verschillende plaatsen zijn
open vlakten, die tot rustplaatsen voor de beesten en hun geleiders
dienen; daar werden dan voor een poosje de dieren ontladen, de kleurig
gekleede mannen strekten zich op den grond uit en de kameelen volgden
het voorbeeld van hunne meesters of deden als de ezeltjes, die poogden
om met de distels tusschen de rotsen hunne magen te vullen.

Onder die Muzelmannen waren enkele vrouwen, maar het is voor ons
nog heel moeilijk om van deze menschen de mannen van de vrouwen te
onderscheiden. Van één ding zijn wij zeker: als zoo iemand een broek
draagt, dan is zij een vrouw; draagt het mensch rokken, dan is het
meestal een man, maar kan ook wel een vrouw zijn. De snor of baard
moet dan de oplossing geven, hoewel ook daarnaar niet altijd valt
te oordeelen.

Met den Olijfberg links, passeerden wij rechts spoedig het graf van de
Heilige Maagd, waar nu de Grieken een kerk hebben. Een eindje verder,
aan de andere zijde, is de tuin van Gethsemané, waar nu Franciskaner
monniken wonen. In dien tuin staan nog acht oude olijfboomen, die
er reeds stonden in den tijd van Christus. De olie uit de olijven
van deze heilige boomen wordt door de Franciskaners voor zeer hoogen
prijs verkocht en over de geheele wereld geleverd. Daarna kwamen wij
in Bethanië, een geheel Muzelman-dorp, met een menigte olijf-, vijge-,
amandel- en sinaasappelboomen. Hier staat een ruïne van het huis,
waarin Simon de lepralijder gewoond moet hebben. Vlak daarbij is de
graftombe van Lazarus. Deze beiden worden door de Muzelmannen als
heiligen beschouwd. Een eindje verder is de steen, waar Martha Jezus
ontmoette, en zoo gaat het den geheelen weg door, vol van heilige
steenen, bergpunten, ruïnes, enz.

De ruïne van de woning van den goedhartigen Samaritaan wordt nu als
een schuilplaats voor schaapherders gebruikt. Dat deze Samaritaan
een armen broeder, die ziek was, op zijn ezeltje liet rijden en
in zijn hut wat te drinken gaf, heeft hem toch wel wat goedkoop
eene eeuwigdurende vermaardheid bezorgd. Ieder van ons, die in de
wildernis van Judea een armen zieken broeder of zuster zou tegenkomen,
zou toch natuurlijk hetzelfde gedaan hebben, en dan zou er in geen
enkele courant melding van worden gemaakt.

Maar ook, afgezien van al deze bijbelsche bijzonderheden, was hetgeen
wij zagen, prachtig. Die kale bergen, met hunne diepe ravijnen en
grillige vormen, namen bij elke bocht in den weg een ander aspect
aan. In een van die diepe ravijnen is een Grieksch monnikenklooster,
dat als een soort van gevangenis voor ondeugende monniken dienst
doet. Alleen bij wijze van straf worden ze daarheen verbannen. Het is
wel heel mooi en zeer interessant van boven van den weg af er op neer
te zien, maar om er te moeten wonen, al was het ook maar voor eenige
weken, lijkt mij een zware straf. In de daar dichtbij zijnde holten
in de bergen wonen hermieten, die, zoo zegt men, van vier druiven
per dag leven.

Toen wij van boven af op de vlakte van de Jordaan neerzagen, waar
Jericho met hare vruchtbare tuinen gelegen is, was het duidelijk, dat
Mozes, toen hij van de andere zijde van den berg Moab dit dal overzag,
moet hebben uitgeroepen, dat dit het land van belofte was. Het was na
zoo'n langen tocht door een wildernis, op welks rotsachtigen bodem
van plantengroei niets te bespeuren is, eene verrassing opeens op
zoo'n mooi vruchtbaar dal neer te zien. Het is echter duidelijk,
dat Jericho nooit zooals de Bijbel te verstaan geeft, zoo groot als
Jeruzalem kan geweest zijn. Het is nu wel heel klein, maar zelfs
wanneer vroeger dit geheele dal bebouwd en bewoond is geweest, dan
nog zou het kleiner dan Jeruzalem geweest moeten zijn, want het dal
laat geen grootere uitbreiding toe.

Nadat wij in Jericho nog eerst even het waterreservoir hadden
bezichtigd, waaruit nu de tuinen van Jericho besproeid worden, maar
waar vroeger Eliza het zeewater in zoet water veranderde, kwamen
wij in ons hotel aan, juist tijdig genoeg, om nog aan de lunch te
kunnen deelnemen. Onmiddellijk na de lunch stonden de rijtuigen alweer
gereed, om ons naar de Doode Zee en vandaar naar de rivier de Jordaan
te voeren.

Ik had mij steeds voorgesteld, dat het water van de Doode Zee er zwart
en vies zou uitzien, maar, ten minste vandaag, zag het heele meer er
prachtig blauw en helder uit. Het water is niet zoo bijzonder zout,
er is een sterk alcalische smaak aan. De Jordaan is een heel mooie
rivier, of liever de oevers zijn heel mooi, maar het water ziet er
vies, heel vies uit. Wij hebben natuurlijk een boottochtje op die
rivier genoten en mijne Hollandsche reisgezellin heeft eenige fleschjes
met het heilige water gevuld, waarmede zij eenige landgenooten wil
gelukkig maken.

Ik geloof, dat ons gezelschap nog niet in de juiste stemming verkeert,
waarin men dit land moet bereizen. Het landschap en de bevolking, met
hare eeuwenoude gewoonten, kleeding, zeden en gebruiken, oefenen op ons
nog een grootere aantrekking uit dan de reliquiën der heiligen. Wij
doen echter ons best, om in de vereischte stemming te komen, en daar
wij morgen weder naar Jeruzalem terugkeeren en onzen intrek weder
in de Amerikaansch-Zweedsche kolonie nemen, hebben wij alle kans,
dat het ons daar wel zal gelukken.

Het was nog nacht, de sterren stonden nog helder aan den hemel,
toen wij vanmorgen Jericho weder verlieten. Wij waren blij,
dat wij dat vuile stadje, waaraan zoovele belangrijke historische
herinneringen verbonden zijn, "gedaan" (zooals de Amerikanen zeggen)
hadden. Behalve de twee hotels, waarvan het grootste gesloten was,
omdat het reisseizoen is afgeloopen, zijn er in Jericho woningen voor
nog 'n 300 menschen, meest allen Bedouïnen en eenige Muzelmannen van
zeer gedegenereerd type. De degeneratie zou een gevolg zijn van de
groote hitte, waaronder deze menschen in den zomer leven. Het is te
begrijpen, want zelfs nu, in de tweede helft van November, nu het
ook hier laat najaar is, was de zon gistermiddag zoo heet, dat wij
't, zittende in het rijtuig, bijna niet konden uithouden.

Nog tot voor twee jaren gingen de vreemdelingen Jericho bezoeken
onder militair geleide, omdat het volkje er niet te vertrouwen is en
er menigmaal vreemdelingen totaal uitgeplunderd werden. Zij staan nu
onder controle.

De weg naar Jeruzalem terug was dezelfde als dien wij gisteren gekomen
zijn, met dat onderscheid, dat wij nu aanhoudend bergopwaarts gingen
en de rijtuigen meestal stapvoets moesten gaan. Wij wilden tegen de
lunch in Jeruzalem terug zijn, vandaar dat wij reeds om zes uur in
de rijtuigen zaten. Ook nu weder passeerden wij onophoudelijk groote
kudden geiten en schapen, met Jozef of David als herder, en karavanen
kameelen en ezels, op weg naar Jeruzalem.

Het is grappig te zien, hoe die kameelen hun arrogante domme snuiten
de lucht in steken en met een air de dédain op ons nietelingen
nederzien. Een aardig tafereeltje zagen wij afspelen. Een Bedouïn,
begeleider van vier bevrachte kameelen, had zich een oogenblik te
rusten gelegd op een van de open plekken langs den weg. In den regel
worden de beesten dan in dien tusschentijd ontladen en kunnen ook zij
zich nedervleien of hun ontbijt zoeken. Deze Bedouïn had de moeite
van de ontlading zijner beesten niet genomen, doch toen de meester
sliep, trachtten zij zich zelf stuk voor stuk van hun last te ontdoen,
wat hun maar al te goed gelukte. Eenmaal van hun last bevrijd, zetten
zij het op een loopen, zoo snel als die onelegante beesten zich maar
verplaatsen kunnen. Maar het genot van onbeperkte vrijheid duurt
nooit lang; dat ondervonden de kameelen ook, want weldra waren zij
bij een ravijn aangeland, waar geen van allen overdurfde. De meester,
die ondertusschen ontwaakt was, holde hen na en toen ook hij het ravijn
genaderd was, deed hij als elke kwajongen zou gedaan hebben: hij koelde
zijn drift door de beesten met groote en kleine steenen naar de domme
koppen te gooien; telkens bukte hij zich weder om nieuwen voorraad
steenen op te rapen, totdat hij blijkbaar genoeg redelijk verstand
bijeen had, om in te zien, dat hij beter deed de beesten terug te
brengen naar hun vracht, ze opnieuw te laden en verder te trekken.

Om half één waren wij in ons gemoedelijk, zindelijk en goed logement
terug, waar wij weder door heeren en dames, oud en jong, hartelijk
ontvangen werden. Nadat wij geluncht hadden, namen wij allen een paar
uur rust en om vier uur begaven wij ons weder op weg, om het eerst de
graftomben der koningen, zeer merkwaardige graftomben, onder den grond
in de rotsen uitgehouwen, te bezoeken. Daarna gingen wij op den berg
Zion en zagen er alle kerken en bijzonderheden, die daar te zien zijn.

Het meest van al impressioneeren mij de stadstooneeltjes, die wij zoo
ongemerkt op onzen weg zien. Een oogenblik was ik diep bewogen. Wij
hoorden een geweldig rumoer; eerst zagen wij in de verte een groote
stofwolk en langzamerhand konden wij onderscheiden wat aan ons oog
voorbijtrok. Een troepje soldaten voorop, een paar militairen te paard
achteraan en aan de zijden soldaten, en daartusschen in de droeve,
melancholieke gezichten van een honderdtal jongelingen, allen uit de
dorpen opgehaald, om naar het oorlogsveld gezonden te worden. Al het
woest getier, dat een krijgszang moest beduiden, door de soldaten
gemaakt, kon den treurigen blik uit de oogen der jongelingen niet
verwijderen; zij zagen er letterlijk uit alsof zij zich bewust waren
naar de slachtbank gevoerd te worden. "Kanonnenvleesch," die gedachte
drong zich onwillekeurig aan mij op. Dit is tot dusver het eenige,
wat wij hier van den oorlog gemerkt hebben.

Heden was het een interessante dag voor ons. Om half negen togen
wij stadwaarts en begaven ons eerst naar de Harem-esh-sherif, of het
"heilige der heiligen". Om daar te komen, moet men toestemming vragen
van de Turksche autoriteiten, en die kan men alleen krijgen met een
introductie van den eigen consul. Om het gemakkelijk te maken, gingen
wij maar alle vier voor Amerikaansche onderdanen door en, vergezeld
van een vertegenwoordiger van den Amerikaanschen consul en een Turksch
soldaat, en na onze voeten in een paar oude sloffen gestoken te hebben,
konden wij dat "heilige der heiligen" binnentreden. Het is een zeer
mooie, oude moskee, die het stuk rots bevat, "de heilige rots", die,
volgens de Mohammedanen, tusschen hemel en aarde zweeft. Zij vertrouwen
dat zaakje echter toch niet goed, want het stuk rots wordt aan alle
kanten van onder op door zware kolommen gesteund. Mohammed schijnt
van deze rots naar den hemel opgestegen te zijn. Abraham heeft op
die rots Izaäk willen offeren en de Mohammedanen gelooven, dat onder
die rots de zielen der gestorvenen tweemaal 's weeks bijeenkomen om
gezamenlijk te bidden. En nog veel meer heeft hier plaats gevonden,
zooveel zelfs, dat goedgeloovigen gelooven, dat de rots een tong heeft
en bij zekere gelegenheden spreekt. Na Mekka is dit het heiligste
stuk grond op aarde, en als het laatste oordeel komt, dan zal Gods
troon op die rots gebouwd worden. Wij zagen er ook de plek, vanwaar
God het stukje klei nam om Adam te vormen.

Na aldaar nog de Aksa moskee, nu in handen der Grieken, bezichtigd te
hebben, de moskee, waar God Mohammed in één nacht van Mekka bracht,
begaven wij ons naar "de kerk van het heilige graf". Dit is een zeer
merkwaardige kerk, die staat op de plek, waar men gelooft, dat Jezus
gekruisigd werd, en op welke plek de Katholieken, Grieken en Armeniërs
gelijke aanspraken doen gelden. Broederlijk deelen zij nu die kerk
samen, en elk bezit een zeker stuk ervan in eigendom. Over het bezit
van één venster wordt echter reeds 27 jaar gevochten en niemand gunt
den ander de eer van dat venster te mogen schoonmaken. En nu staat
daar reeds 27 jaar een Turksch soldaat op wacht, om op te passen,
dat, alvorens is uitgemaakt wie recht kan doen gelden op dat venster,
er geen van alle met de vingers aankomt. Neen, wat nog erger is:
in de Paaschweek, als de kerk van alle drie geloovigen vol is, dan
houden er duizend Turksche, dat wil zeggen Mohammedaansche soldaten,
heidenen in de oogen der Christenen, de wacht, om te voorkomen,
dat de drie verschillende soorten Christenen ruzie krijgen, omdat
bijv. een Armeniër met zijn stoel op den Griekschen grond komt,
of omdat een Katholiek misschien bij vergissing een Armenisch recht
aantast. Ik hoop, dat mijn lezers het mij niet euvel zullen duiden,
dat ik deze feiten, uit godsdiensthaat ontstaan, vermeld, maar zij
hebben een diepen indruk op mij gemaakt en nemen al het mooie en
heilige weg van wat wij daar zagen.

Wij zagen dezen morgen alle plaatsen, waar Jezus geleefd en geleden
heeft, waar hij gekruisigd werd, van het kruis genomen en naar den
hemel opgestegen is, en nog veel meer.

Vanmiddag gingen wij per rijtuig naar Bethlehem. Een mooie tocht,
die ons een prachtig gezicht op het landschap gaf en waarbij wij
weder tal van heilige plaatsen passeerden. In Bethlehem ziet men
mannen en vrouwen nog geheel in de kleederdracht van twintig eeuwen
geleden. Wij zagen hier natuurlijk de plaats van Jezus' geboorte
en op deze plaats meenen Grieken en Armeniërs gelijke aanspraken te
kunnen doen gelden. Deze twee hebben hier nu gezamenlijk een kerk,
waaronder de stal, waarin Jezus geboren is. Die stal is natuurlijk
zeer donker en wordt door beide partijen met altijd brandende lampen
verlicht. Iedere partij heeft er evenveel lampen en deze zijn van
boven door een ketting bevestigd. Die ketting wordt vastgehouden
door een ding, waarin vier spijkers zitten. Een van die spijkers
is er uitgegaan, gebroken of wat anders; en nu betwist elk der
partijen de andere het recht om die spijker te vernieuwen, en ook
daar staat een soldaat nacht en dag op wacht om den vrede tusschen de
beide partijen te handhaven en te voorkomen, dat niet een ervan die
spijker vernieuwt. En in die kerk staat op nog twee andere plaatsen
een soldaat op wacht om even zulke verheven redenen.

Terugkomende van Bethlehem hadden wij een klein accident, dat, zooals
de gebruikelijke term luidt, treurige gevolgen had kunnen hebben,
maar dat nog gelukkig is afgeloopen. Vlak bij een zeer diepen afgrond
schrikten de paarden plotseling, en wij zouden met wagen en al naar
beneden gerold zijn, als de koetsier niet met zooveel kracht de teugels
had ingehouden, dat beide paarden naar de andere zijde overvielen en
de een op den ander op den grond terecht kwam. Een oogenblik dachten
wij, dat ook de wagen dien weg zou opgaan, maar dat gebeurde gelukkig
niet. Wij kwamen allen met den schrik vrij, en behalve dat van een
der paarden de knie ontveld was, had niemand verder letsel bekomen.

Wij waren vroeg genoeg in Jeruzalem terug om nog naar de
"klaagplaats der Joden" te gaan. Dit is vooral des Vrijdagsavonds zeer
belangwekkend, omdat de Joden daar dan in grooten getale bijeenkomen
om gezamenlijk te weenen over het geleden verlies van Jeruzalem en
te bidden, dat het hun teruggegeven mag worden. Voor een stuk ouden
muur, dat bij den val van Jericho nog zou zijn staan gebleven, ziet men
honderden Joden, mannen en vrouwen, bidden en lamenteeren, en de oude,
vergane steenen onophoudelijk kussen. Aangrijpender schouwspel is haast
niet denkbaar. Nooit zag ik zooveel stokoude, grijze rabbi's bijeen. Er
waren er onder, die bijna niet meer loopen konden en door twee jonge
mannen beiderzijds ondersteund werden. De oudsten stonden vooraan en
het dichtst bij den muur. Heilig fanatisme blonk in aller oogen. Is
het denkbaar, dat nu reeds vele eeuwen lang de Joden zich hier telkens
met hetzelfde doel weder verzamelen en daar zoo lamenteerende hunne
gebeden opzenden? Met mijn nuchtere levensopvatting kan ik haast niet
gelooven, dat dit menschen met gezond verstand zijn. Het geheel maakte
op mij een diep-droevigen indruk.

Zaterdagmorgen bezochten wij weder tal van kloosters en kerken en
des middags brachten wij tal van bezoeken bij Mohammedaansche dames,
die ons uitgenoodigd hadden. Het eerst brachten wij een bezoek bij
de vrouw van den vorigen burgemeester van Jeruzalem. Zij is een zeer
mooie vrouw, moeder van een dochter en een zoon. Alle dames, die wij
bezochten, zijn, voor zoover zij gehuwd zijn, de eenige wettige vrouw
van hunne mannen.

Onze eerste gastvrouw was eene lieve, verstandige vrouw, die
even belangstellend was in hetgeen wij haar konden vertellen als
wij in hetgeen wij van haar hoorden. Zij sprak alleen Arabisch,
doch haar 16-jarige dochter spreekt vloeiend Engelsch, Fransch en
Italiaansch. Toen wij haar vroegen, of zij vond, dat de positie der
Mohammedaansche vrouw, evenals die van de vrouwen in Europa, Amerika
enz., verbeterde, antwoordde zij, stralend van geluk: "O ja, zeer
zeker. Mijn moeder kon niet lezen of schrijven en mocht nooit over
iets anders spreken dan over de eenvoudigste huiselijke bezigheden,
en zoo heeft zij ook mij opgevoed. Mijn man bespreekt echter alles
met mij, houdt mij op de hoogte van alle bijzonderheden op politiek en
maatschappelijk gebied en leest mij de courant voor. En mijne dochter
heb ik alles laten leeren, wat een Europeesch meisje van onzen stand
ook zou leeren, en zij heeft zeer vooruitstrevende denkbeelden. Zij wil
niet, zooals bij ons gebruikelijk is, door de ouders uitgehuwelijkt
worden, zonder haar man te zien en te weten of zij hem liefheeft,
en zij verzet zich zeer tegen het dragen van den sluier". Vooralsnog
durven de Mohammedaansche meisjes in Jeruzalem zich echter niet van
den sluier ontdoen; het stadje is er te klein voor en de bevolking
te fanatiek.

Na dit bezoek kwamen wij bij een jong getrouwd vrouwtje, dat
in de Amerikaansche kolonie, waarin wij logeeren, zeven jaren is
opgevoed. Zij behoort tot een zeer ouderwets denkende, middelklassige
Mohammedaansche familie, die nog zeer patriarchaal leven. De zonen
blijven, als zij trouwen, bij de ouders inwonen en vormen in het
ouderlijk gezin tal van nieuwe gezinnen. Elk echtpaar en kinderen
hebben één kamer voor zich zelf, al het andere is gezamenlijk. Het
jonge vrouwtje, dat ons had uitgenoodigd, was bijna 19 jaar en haar
man was nauwelijks 17 jaar en bezocht nog de school. De jonge man,
die gedurende ons bezoek van de school thuiskwam, heeft algeheele
macht over zijn honderdmaal hooger ontwikkelde vrouw. En een jongen
van dien leeftijd weet natuurlijk niet hoe hij die macht op redelijke
wijze mag gebruiken. Niettegenstaande haar schoonmoeder en een paar
tantes tijdens ons bezoek aanwezig waren, kon zij toch vrij uit met ons
spreken, omdat de conversatie in het Engelsch ging en die andere dames
daarvan geen woord verstonden. Zij merkte op dat het eigenlijk verkeerd
is het jonge Turksche meisje eene goede opvoeding te geven, zoolang
de zeden en gebruiken nog op den ouden voet doorgaan. Wij konden haar
echter overtuigen, dat hare hoogere ontwikkeling haar kinderen ten
goede zal komen en dat door de moeders te ontwikkelen het ras alleen
kan vooruitgaan. Zij zou niet voor niets lijden; dat wat zij ondervond,
hadden in alle landen alle vrouwen ondervonden, die in ontwikkeling
en beschaving het gros der natie vooruit waren. Haar schoonmoeder
en haar tantes, die niet lezen of schrijven konden, voelden zich (en
vooral de eerste) volmaakt gelukkig in haar afhankelijke positie. Hare
gelaatsuitdrukkingen, vooral die der oogen, waren wezenloos. Er was
geen enkele emotie in die gezichten te bespeuren.

Daarna gingen wij naar het hoofd van de Mohammedaansche meisjesschool,
een openbare school. De directrice had al hare onderwijzeressen
uitgenoodigd en daar werden wij in hare woning recht feestelijk
ontvangen. Hadden wij bij de twee vorige bezoeken na het een of ander
zoetigheidje de gebruikelijke Turksche koffie genoten, een klein
kopje vol heel sterke, zoete, zwarte koffie, waarin een of ander
geurigheidje is gedaan, hier, bij de onderwijzeressen, werden wij
onthaald eerst op eigengemaakte confituren, toen koffie, direct daarna
thee en toen werd een tafel vol met allerlei vruchten en zoetigheden,
die reeds klaar stond, maar met een doek overdekt was, voor ons heen
gezet en ontsluierd. Van alles moesten wij proeven en onderwijl
las een der onderwijzeressen ons een stukje uit den Koran voor,
waarvan wij wel niets verstonden, doch dat ons toch interesseerde,
omdat het lezen eigenlijk meer zingen is. Ook met deze meisjes
spraken wij over de positie der Turksche vrouw, maar hier, als in
zoovele meer ontwikkelde landen, durfden de leeraressen zich niet al
te sterk uitlaten, omdat zij in gemeentedienst zijn. Eén ding geeft
echter hoop: zij zijn met haar salaris niet tevreden, dat voor haar,
voor hetzelfde aantal lesuren als de mannen geven, zooveel lager is,
als van hare mannelijke collega's. Ik vond de salarieering anders
nog niet zoo slecht, in aanmerking genomen de goedkoope leefwijze
in Jeruzalem. Het salaris van de hoofdonderwijzeres bedraagt, in
Hollandsch geld omgezet, f 800 en vrije woning, voor de anderen f
600 en f 700. Een van de onderwijzeressen was naar Mekka geweest en
vertelde ons daarvan allerlei bijzonderheden.

Des avonds waren wij de gasten in het huis van den burgemeester. De
burgemeester is een ongetrouwd man en leeft nog in het huis van zijn
moeder en met zijn ongetrouwde zuster. Dit is een heel merkwaardige
familie, die rechtstreeksch van Mohammed afstamt. Zij zijn de 33e
generatie. De vader van den tegenwoordigen burgemeester was gedurende
zijn leven 16 jaar burgemeester van Jeruzalem. Zijne weduwe vertelde
ons allerlei bijzonderheden uit hare jeugd. Zij was op tienjarigen
leeftijd gehuwd met haar man, die toen 17 jaar oud was, en toen zij
nauwelijks twaalf jaar oud was, werd hun eerste kind geboren. De
wijze, waarop dat jeugdig ouderpaar dien eerstgeborene grootbracht en
opvoedde, vindt de moeder nu zelf zoo onmogelijk, dat zij zich niet
kan begrijpen, dat het kind daaronder niet is bezweken. Zij zeide,
dat de Mohammedaansche kinderen wel van bijzonder maaksel moeten zijn,
want dat hare kinderen, twee zonen en vijf dochters, tot sterke,
gezonde kinderen zijn opgegroeid, wat haar nu onbegrijpelijk is. De
oudste zoon is pasja van Bagdad en is zelfs veertigmaal grootvader. De
jongste zoon is de tegenwoordige burgemeester van Jeruzalem. Vier
dochters zijn gehuwd, allen op twaalf à veertienjarigen leeftijd,
doch de jongste dochter, die een zeer goede opvoeding genoten heeft
en Fransch spreekt als een Française, heeft tot dusver geweigerd een
haar onbekenden man te huwen. Zij vertelde ons veel uit het leven der
Turksche vrouwen en noemde het een ongelukkig bestaan. Zij was wel
niet op de hoogte van de moderne vrouwenbeweging, docht stelde er zeer
veel belang in en hoopte, dat die zich ook spoedig tot de Turksche
vrouwen zou uitstrekken. Zij vertelde ons ook, dat het gesluierd
gaan van de Turksche vrouwen niets met hun godsdienst te maken heeft,
dat de Koran er over zwijgt, maar dat het een eeuwenoud gebruik is,
dat kans heeft nu te verdwijnen. Zij zelf durfde in Jeruzalem niet
ongesluierd gaan, doch als zij in Constantinopel bij hare vrienden
logeert, dan laat zij den sluier af. Zij en hare broeder behooren
tot de Jong-Turken en zij hoopt, dat de nieuwe toestand, in Turkije
geschapen, ook den vrouwen in vele opzichten ten goede zal komen.

Nog heel lang hebben wij met deze beschaafde vrouwen zitten praten
en veel van elkander geleerd.



III.


Toen wij Vrijdagavond van onzen tocht thuis kwamen, waren wij niet
weinig verschrikt bij het vernemen van de tijding, dat er in Jaffa
drie gevallen van cholera waren geconstateerd en deze plaats voor
besmet was verklaard. Dit bericht bracht ons geheele reisplan in
de war. Het is nu bijna zeker, dat de booten Jaffa niet zullen
aandoen, en wij van daar niet naar Port Said kunnen terugkeeren. De
eenige mogelijkheid om hier weder vandaan te komen, zoo wordt ons
van verschillende zijden verzekerd, is over Damascus naar Beirût
te gaan en daar een stoomboot te nemen, die ons naar Port Said of
als dat niet kan, naar Alexandrië of naar Marseille brengt. Nu is
de afstand tusschen Beirut en Jeruzalem op de kaart niet zoo groot,
maar in een land, waar bijna geen spoorwegen zijn, waar de rijwegen
zelfs nog zeer schaarsch en in elk geval zeer slecht zijn, daar heeft
zoo'n reis heel wat te beteekenen. Wij moeten nu Maandagmorgen om 7
uur vertrekken en per rijtuig naar Nabulus gaan, daar overnachten en
den volgenden morgen weder per rijtuig over Jenin naar Nazareth, dat
is een rijtoer over een zeer slechten weg van 9 uur; den volgenden dag
van daar naar Tiberias en van daar Donderdagmorgen eerst over het meer
van Gennesaret per boot en dan per rijtuig naar een klein plaatsje, van
waar wij per spoor 's avonds laat in Damascus kunnen aankomen. Vrijdag
zullen wij dan in Damascus kunnen blijven om uit te rusten, om dan
Zaterdag van daar per spoor naar Beirut weder een reis van bijna
den geheelen dag, te vertrekken. Wij hopen dan Zondag in Beirut een
boot te krijgen, die ons van daar naar Egypte terugbrengt. Men ziet
het, zoo heel gemakkelijk is hier het reizen niet. Wij zijn blij,
dat onze dragoman, een vertrouwd jongmensch, ons ook op dezen tocht
wil vergezellen en onzen weg effenen. Zonder de taal van het land
machtig te zijn en zonder kennis van de bijzonderheden der wegen,
is het onmogelijk hier te reizen zonder dragoman.

Vandaag--Zondag 26 Nov.--vernamen wij, dat de trein tusschen Jaffa
en Jeruzalem is stop gezet, omdat men de uitbreiding van de cholera
vreest. Het is wel erg, als in een land als dit, voor zoover wij het
nu kennen, een besmettelijke ziekte uitbreekt. Van de eenvoudigste
opvatting van zindelijkheid heeft de bevolking geen begrip. De
laatste maal dat Jeruzalem's straten zijn schoongeveegd, was in 1898,
vóór dat de keizer van Duitschland hier een bezoek bracht. Voor het
opgeveegde vuil had men toen evenwel geen plaats en toen is alles
in kelderhokken in de nauwe straten van de stad gegooid en zijn
deze daarna dichtgegrendeld. Dat vuil ligt daar nu nog, want men is
het er in den gemeenteraad nog niet over eens, wat men er mede doen
moet. Kan men zich grooter eenvoud van verstand voorstellen? Toch
zitten er geen vrouwen in den gemeenteraad van Jeruzalem, het zijn
allen vroede vaderen, die met mannelijke wijsheid de stad regeeren.

Dit vrijwel overhaast vertrek uit Jeruzalem maakt het nu voor mij
onmogelijk om de hospitalen, of enkele er van, te bezoeken. Hier zijn
tal van hospitalen, want elke godsdienstsekte heeft niet alleen haar
eigen kerk, doch ook haar eigen hospitaal. Ik had gaarne het groote
Britsche hospitaal voor oogziekten en het gemeentelijk algemeen
hospitaal bezocht. Met den directeur-geneesheer van het eerste heb ik
in Jaffa kennis gemaakt en vele bijzonderheden er over vernomen. Voor
jonge oogartsen schijnt hier een machtig studieveld te bestaan, want
in geen land ter wereld komen zoovele menschen met oogziekten voor.

Ook heb ik nu geene gelegenheid meer om hier de verschillende kolonies
van Joden te bezoeken en te zien hoe de geïmmigreerde Joden hier leven
en wat die hier uitvoeren. Hier dicht bij heeft de laatst gekomen
groep zich genesteld. De huizen, die wij telkens moesten passeeren,
als wij naar de stad en terug naar ons pension gingen, zien er netjes
en goed uit. Men vertelde mij, dat deze Joden niet coöperatief werken
en niet communistisch leven, doch hun verschillend beroep ieder op
eigen risico uitoefenen. Zij ontvangen in den beginne financieelen
steun, totdat zij zichzelf kunnen redden. De groote immigratie van
Joden is momenteel tot een stilstand gekomen, zoo vertelt men mij
hier, omdat de regeering de zonen der Joden, die zich hier komen
vestigen, ook oproept om militaire plichten te vervullen. Daarvan
zijn zij natuurlijk niet gediend en zoolang daarin geene verandering
is gekomen, zullen de Joden uit andere landen niet zoo gemakkelijk
meer te bewegen zijn, zich hier te komen vestigen.

Een eigenaardige Jodentype ontmoet ik hier steeds in de straten. De
meesten van dezen hebben bleeke, melancholieke, teere gezichten,
dragen allen dezelfde ronde vuile vilten hoedjes en aan elke
kant van het gezicht een lange krul, op dezelfde wijze als onze
Marker-visschersvrouwen, al zijn de krullen niet zoo lang en donkerder
van kleur. Het zijn voornamelijk Joden uit Wilna (Polen), die zeer
orthodox zijn. Zij worden hier Skinage genoemd.



En nu zal ik het een en ander van de kolonie vertellen, waarin wij
een zoo rustige, comfortable, huiselijke week doorbrachten en waar wij
zoovele lieve goede vrienden maakten. Men voelt zich er onmiddellijk
thuis, omdat men voelt en uit alles merkt, dat men in eene omgeving
verkeert, van goede, brave menschen, die geen pogingen doen om hunne
overtuiging aan anderen op te dringen. Het zijn geen proselietenmakers,
het zijn menschen die zelf, volgens eigen opvatting, braaf, en goed
willen leven en zooveel goed doen aan anderen als hun mogelijk
is. Overdreven godsdienstig of fanatiek zijn zij ook niet en als
men bij hunne gebeden en hunne godsdienstoefeningen tegenwoordig is,
krijgt men het gevoel, dat elkeen oprecht gelooft wat hij zegt en,
dat hij handelt in overeenstemming met zijne woorden.

Er zijn ruim 100 mannen en vrouwen in de kolonie, die strikt
op communistischen voet leven. Er zijn oude en jonge mannen, oude
vrouwen, jonge vrouwen en jonge meisjes. Velen van de jongeren zijn
in de kolonie geboren. Van de jonge paartjes zijn al de huwelijken
gesloten uit eigen kring, deze vormen weder nieuwe gezinnen. Tal van
lekkere, gezonde, goed uitziende babies zag ik er.

Ofschoon de kolonie gevormd is door eenige Amerikanen, hebben
zich toch weldra eene groep Zweedsche mannen en vrouwen bij hen
aangesloten, waardoor het een Amerikaansch-Zweedsche kolonie werd,
doch steeds Amerikaansche kolonie genoemd wordt. Niemand bezit iets
van deze kolonisten, al wat ieder bezit of erft of verdient, gaat in
de gezamenlijke schatkist. Elkeen doet er het werk waarvoor hij of
zij het beste geschikt is en wat hij of zij het beste volbrengen kan,
en men helpt elkaar en stelt elkaar in de gelegenheid om het in het
werk wat hij of zij wil doen tot de grootste hoogte te brengen. Zoo is
de jonge man of zijn de jonge mannen, die de photographie beoefenen
door opleiding, studieboeken, instrumenten, tijdschriften, enz. niet
alleen in de gelegenheid gesteld het tot eene groote hoogte te
brengen, maar eenmaal klaar voor hun vak, ook om zich steeds verder
te ontwikkelen. De photographieën die zij van het land maken, worden
over de geheele wereld verkocht en hunne lantaarnplaten voor lezingen
en onderwijs over Palestina en zijne historische herinneringen worden
vooral in Amerika veel gebruikt.

Alles wat door de kolonisten genuttigd wordt en alles wat
zij voor leven en comfort noodig hebben, wordt door hen zelven
gemaakt. Bediendenpersoneel is er niet. Het huis wordt door de jonge
meisjes schoon gehouden en jonge meisjes bedienen aan tafel. Er
is een keuken voor het middageten en een broodbakkerij en niet
alleen de koekjes en taarten voor eigen gebruik worden er gebakken,
maar daar er in heel Jeruzalem niet zoo'n goede banketbakkerij is
als hier, leveren zij voor alle feestelijkheden, die er in de stad
plaats vinden, en voor de voornamen van de stad, alle gebak, dat er
gebruikt wordt. Zij hebben hun eigen koeien en paarden, verbouwen
hun eigen koren, kweeken hun groenten en vruchten, spinnen, weven
en naaien hunne eigen benoodigdheden, maken hun eigen ameublement,
in 't kort, alles wat noodig is voor een gezin van zoovele personen,
geschiedt door henzelf. En ook vele andere menschen worden geholpen,
en daarvoor ontvangen zij betaling. Vroeger deden zij alles voor
niets, maar weldra zagen zij in, dat zij op die wijze niet bestaan
konden en nu helpen zij armen voor niets, doch die betalen kan moet
hunne diensten betalen. Zij hebben ook één grooten winkel in de stad,
de American Store, waarin allerlei soort artikelen, door hen gemaakt,
verkocht worden.

Al de leden van de kolonie zien er des daags en des Zondags als heeren
en dames uit, alhoewel van allen de kleeding eenvoudig, doch smaakvol
is. De voeding is er smakelijk en overvloedig en beter dan in menig
welgesteld gezin. Alle volwassen personen nemen gelijktijdig aan de
maaltijden deel, de kinderen eten afzonderlijk. Er zijn natuurlijk
ook goede scholen voor de kinderen in de kolonie, waar zij uitstekend
onderwijs genieten, in de verschillende vakken. Wij kunnen natuurlijk
hierover slechts oordeelen naar de resultaten die wij hier zien en
naar het feit, dat vele notabelen van de stad hunne kinderen hier op
school zenden.

Het feit, dat deze communisten, want dat zijn zij eigenlijk, geene
proselieten trachten te maken en allen in eigen geloof door hun
voorbeeld tot goede menschen trachten te vormen, heeft hen bij de
Mohammedaansche bevolking, die door verschillende missionairs zoo
geplaagd geworden zijn, spoedig bemind gemaakt. Zij zijn geloovige
Christenen, die geheel naar de leer van Jezus trachten te leven.

Hoe zij tot het vormen van deze kolonie kwamen, vertelt mevrouw
Spafford, die met haar man de stichters er van waren, aldus: Zij waren
zeer godsdienstige menschen en leefden in Chicago, waar Mr. Spafford
advocaat was. Zij hadden vier kinderen en een aangenomen zoon. Bij een
vreeselijke schipbreuk verloren zij de vier kinderen en dit ongeluk
bracht hen tot nadenken. Zij vroegen zich af, of zij wel volgens
de leer van Christus geleefd hadden en toen namen zij het besluit
Jeruzalem te bezoeken en zich daar blijvend te vestigen. Enkele goede
vrienden, met dezelfde godsdienstige gezindheid, sloten zich bij hen
aan en zoo kwamen zij in 1881 in Palestina. Zij vonden hier het werk,
wat zij meenden te moeten doen, maar hunne middelen waren beperkt,
zoodat zij weldra in groote armoede verkeerden. Gaandeweg sloten
zich anderen bij hen aan, die wat geld hadden en hoewel zij groote
ontberingen leden, kwamen zij toch niet van honger en ellende om. Zij
werden door familie en vrienden in Amerika voor fanatieke krankzinnigen
gehouden en hadden hier, vooral van den Amerikaanschen consul,
met groote tegenkanting te kampen. Allerlei slechte dingen werden
van hen verteld, vooral ook, dat zij zeer immoreel leefden. Op dien
grond wilde de familie van mevrouw Whiting, eene weduwe uit Chicago,
die met hare twee kinderen zich bij de kolonie had aangesloten,
haar de voogdij over hare kinderen ontnemen en werd zij bij den dood
van hare moeder onterfd. Om al deze redenen moest zij naar Amerika
terugkomen en daar ook andere leden van de kolonie moeilijkheden met
hunne familie in Amerika hadden, besloten zij allen te zamen te gaan.

In dien tusschentijd had mevrouw Spafford echter veel wedervaren. Zij
was in Jeruzalem twee keer van een dochtertje bevallen, haar man was
er gestorven, en ook haar aangenomen zoon. Deze laatste had echter
een boezemvriend, een wees, die niettegenstaande hij bij den dood
van zijn vriend reeds 18 jaar oud was, toen door mevrouw Spafford
als zoon werd aangenomen en ook nog als zoodanig optreedt.

In Amerika, waar verschillende der leden processen te voeren hadden
om hun rechten te verkrijgen, werd er in de couranten veel over hen
geschreven, waardoor zij vele aanhangers kregen. Onder deze aanhanger
was ook een heele groep Zweden, die in Amerika gekomen waren om
godsdienstige redenen, en die daar niet gevonden hadden wat zij er
zochten. Met een gevolg uit 67 personen bestaande, kwamen zij in
Jeruzalem terug, en nu ook hunne geldzaken in Amerika geregeld waren,
konden zij zich beter inrichten, en een ware christelijke gemeenschap
vormen. Nadien heeft zich slechts een enkelen keer een nieuw lid bij
hen aangesloten, o.a. een Mohammedaan; en eenmaal kwam uit Zweden,
uit Dalecarlië, eene groep mannen en vrouwen, de personen waarvan
Selma Lagerlöf in haar boek "Jeruzalem" melding maakt. In de dertig
jaren, dat de kolonie bestaat, is het nog maar eenmaal voorgekomen,
dat iemand de kolonie verliet. Dit was een Zweedsche jonge man,
die als kind met zijn moeder er gekomen was, en altijd een verlangen
gekoesterd heeft, naar Zweden terug te keeren.

Mevrouw Spafford is nu een krasse oude vrouw van zeventig jaren,
die nog de hoofddirectie voert. Haar aangenomen zoon, Jacob, is het
mannelijk hoofd, voor zoover men dezen term in de gemeenschap gebruiken
kan. De beide dochters, mooie, vroolijke gezonde vrouwtjes, zijn beide
met mannen uit de gemeenschap getrouwd, en hebben beeldige spruiten.

Terwijl ik dezen brief zit te schrijven, hoor ik beneden het gemengd
koor zingen en zijn er evenals elken Zondagmiddag en -avond, tal
van gasten, uit de Christelijke en Mohammedaansche bevolking uit de
stad. De predikant van de alhier bestaande Engelsche kerk en zijne
vrouw waren van middag de gasten aan tafel.

Ik heb over deze kolonie zoo uitvoerig geschreven, omdat ik vermoed,
dat er in Holland velen gevonden zullen worden, die er belang in
stellen. Ik kan elken landgenoot aanraden, die Palestina gaat bezoeken,
om te trachten in dit vreedzame oord gastvrijheid te verkrijgen.



VAN JERUZALEM NAAR BEIRÛT.


Om zeven uur stonden vanochtend de twee rijtuigen, elk met drie
paarden bespannen, weder gereed om ons van uit ons veilig oord in
Jeruzalem weg te voeren. Zoo zonder omwegen ging dat echter niet. Wij
werden gewaarschuwd, dat wij een bewijs moesten medenemen, dat wij
sedert de cholera niet in Jaffa waren geweest en dat wij allen gezond
waren. Onze dragoman had daarvoor spoedig een medicus gevonden, die op
zijn medisch geweten nam voor tien gulden te verklaren, dat wij niet
in Jaffa waren geweest en dat wij gezond waren, zonder dat de man een
van ons allen gezien had. Met dit gewichtig document gewapend begaven
wij ons op weg. Het landschap verschilde niet veel van dat, wat wij
ook de vorige dagen genoten hadden en de menschen en dieren, die wij
ontmoetten, waren ook vrijwel gelijk aan die wij reeds kenden. Alleen
toen wij Jeruzalem wat verder achter den rug hadden, begon vooral de
hoofdtooi der vrouwen zich te wijzigen. Groote karavanen kameelen en
muilezels, alle zwaarbeladen, passeerden ons. In één karavaan telden
wij 34 kameelen en ontzaglijk veel ezels.

Het weder was als tot dusver steeds buitengewoon mooi, wij konden
het ons niet beter wenschen. Om half een hielden wij halt. Het was in
het dal van Ephraim, aan den voet van een berg en vlak bij een bron,
waaruit de dochteren van Lubban in geitehuiden water kwamen halen en
met de gevulde huid op het hoofd (de gevulde huid zag er nu uit als
een dood geitje) bergopwaarts togen om het water te brengen naar het
dorpje, dat op den top van den berg gelegen is.

Wij hadden een lunch, en een heel goede, van de Amerikaansch-Zweedsche
kolonie mede gekregen en nu vlijden wij ons neder in de schaduw van
een grooten vijgeboom en lieten ons de boterhammen, de vruchten en
de zoetigheden goed smaken.

Natuurlijk passeerden wij op den weg weder allerlei historische
bijzonderheden; elke bron, elk oud vergaan huis, elke graftombe, elk
dorp bijna heeft bijbelsche vermaardheid, doch één plekje had voor ons
eene bijzondere beteekenis. Dicht bij Nabulus was de bron van Jacob,
waar Jezus de vrouw van Samaria ontmoette, waarover Reverend Anna Shaw
op den Zondag, voorafgaande aan het congres voor vrouwenkiesrecht in
Stockholm, in de Staatskerk aldaar, zoo mooi sprak.

Om vier uur waren wij in Nabulus, alwaar wij logeeren in een hotel,
dat door de directie van de Hamburg-Amerikalijn daar geplaatst is en
geëxploiteerd wordt. Wij gingen onmiddellijk op weg om nog iets van
het stadje bij daglicht te zien. Door tal van nauwe, vuile straatjes,
veel overeenkomst hebbende met die in Jeruzalem, bracht onze gids ons
in een poort, waarachter een complex van woningen, alle bewoond door
eenzelfde soort menschen. Het zijn de Samaritanen. Er bestaan nog 180
leden van deze gemeenschap. Het is een vreemd soort menschen. Hoewel
hunne feestdagen, godsdienstoefening enz. heel veel overeenkomst
hebben met die der Joden en zij er zeer semitisch uitzien, haten en
verachten zij toch de Joden, evenals de Christenen. Zij voelen zich
boven allen verheven. Zij hebben hun eigen kerkje en vormen zelfs
hun eigen gemeente. Het hoogepriesterschap is erfelijk en gaat van
vader op oudsten zoon over. De hoogepriester is tegelijkertijd ook het
burgerlijk hoofd en beslist over alle moeilijkheden, die er tusschen
de Samaritanen onderling mogen voorkomen. Het merkwaardigste van dit
handjevol menschen, die langzaam uitsterven, is dat zij werkelijk
in het bezit zijn van de oudste uitgave van het Oude Testament. Het
exemplaar, dat zij bezitten, is 3636 jaar oud. Een copie, een namaak
er van, wordt den vreemdelingen vertoond, want het echte exemplaar
wordt alleen bij groote uitzonderingen voor den dag gebracht.

Het stadje vertoont overigens dezelfde eigenaardigheden, die wij ook
in Jaffa en Jeruzalem zagen; tijd om er veel van te zien hadden wij
niet, omdat de straten te vuil en te glibberig zijn om zich er in
het donker in te wagen.

Om zes uur vanochtend zaten wij reeds weder in de rijtuigen, omdat
ons vandaag een zware dag wachtte. Het was echter, niettegenstaande
de dragoman ons er alles van verteld had, nog erger dan wij ons hadden
kunnen voorstellen. De weg is geen rijweg, nauwelijks zelfs goed genoeg
om er per paard over te komen. De meeste passagiers maken dien tocht op
ezels en doen er dan twee dagen over. Maar dat was voor ons onmogelijk,
omdat wij op tijd in Beirut moesten aankomen en omdat een ander hotel
van de Hamburg-Amerikalijn, dat ongeveer op de helft van den weg ligt,
nu gesloten is, en om in tenten buiten te kampeeren, zooals zomers ook
veel toeristen doen, zijn de nachten nu te koud. Wij hadden dus geen
keuze en moesten door dezen zwaren dag heen. Den geheelen dag ging het
berg op en berg af en dan weer door een vallei en steeds over gaten,
boomstammen, steenen en langs afgronden. Herhaaldelijk moesten wij
uitstappen om te loopen, en ware de afstand niet veel te groot geweest,
dan hadden wij dat zeer zeker verkozen boven zoo'n rijtoer. Nu en dan
gingen wij dwars over een weiland, of over de versch geploegde voren,
van een bouwveld.

Om half twaalf hielden wij een rustpoos, om de paarden rust te geven,
en in dien tusschentijd vlijden wij ons allen op onze uitgespreide
reisdekens neder en werden door den dragoman bediend van een koude
lunch, zoo goed alsof wij in een groot hotel waren. Om zes uur kwamen
wij in Nazareth in het hotel aan, waar telegrafisch reeds kamers
voor ons besteld waren. Evenals gisteravond in Nabulus moesten wij
ook hier direct laten constateeren, dat wij niet van Jaffa kwamen en
geen cholerabacillen medevoerden.

Het landschap vertoont steeds hetzelfde eigenaardig aanzien, wat
wij door heel Palestina opmerkten. Hooge kale bergen, dorpjes altijd
gebouwd op den top der bergen, en vruchtbare en onvruchtbare dalen. Wij
passeerden nu wat meer boomen, soms zelfs kleine bosschen, doch alle
boomen zijn olijf- of vijgeboomen en een zeker soort cactus. Deze
laatste kan natuurlijk niet onder de boomen gerangschikt worden,
maar zij groeien hier in groote hoeveelheid, zijn soms zoo hoog en
breed als boomen en geven een smakelijke vrucht, een zeker soort peer.

Dicht bij Nazareth passeerden wij een zeer vruchtbare vallei, waarin
een Joodsche kolonie zich kort geleden gevestigd heeft. Al de bouwgrond
rondom is door de vereeniging of maatschappij, die hen ondersteunt,
opgekocht, zoodat zij zich hier goed kunnen ontwikkelen. Het zag er
alles flink en hoopvol uit.

Wij behoefden vandaag eerst na de lunch uit Nazareth te vertrekken
en hadden daardoor vanochtend alle gelegenheid het stadje te
doorkruisen. De plaats waar Jezus zijn kinderjaren doorbracht en
gewerkt heeft, bezit natuurlijk tal van historische herinneringen
en men kan gerust zeggen, dat op elk plekje, waar men maar gelooft,
dat Jezus Zijn voet heeft gezet, nu een kerk of een klooster staat,
aan een of andere godsdienstige sekte toebehoorende. Al die Fransche
monniken en nonnen, de Grieksche priesters, de Russische Katholieken en
andere vreemde vrome mannen en vrouwen, die hier sedert jaren wonen,
hebben echter van de bevolking nog geen twintigste-eeuwsche menschen
gemaakt. De ontwikkeling en beschaving is hier minstens vijf eeuwen
ten achter, terwijl zeden en gewoonten nog dateeren van het begin
der jaartelling. In het midden van het stadje is een zeer oude bron,
waar den geheelen dag de vrouwen en meisjes uit de bevolking komen
om water te halen, dat zij in eigenaardige aarden kannen op het hoofd
dragen en huiswaarts voeren. Hier hadden wij gelegenheid op te merken,
hoe mooi bijna alle vrouwen van Nazareth zijn. Mooi van bouw en van
eene bijzondere Oostersche schoonheid.

Om twaalf uur reden wij hedenmorgen weg, nadat de dragoman eerst
het bewijs, dat wij gezond waren en niet uit Jaffa komen, door een
officieel persoon in Nazareth had laten verifieeren. Dit was nu
eens een zeer mooien tocht. Het landschap was geheel veranderd, de
hooge bergen zagen er niet zoo wild en onherbergzaam uit, de groote,
breede vlakten waren groen of omgeploegd om tegen het voorjaar groen
te worden, de karavanen op den weg veel menigvuldiger en telkens
passeerden wij dorpjes, waarvan de schilderachtigheid vooral van
uit de verte gezien, alle beschrijving te boven gaat. Het was mij,
alsof ik in een sprookjeswereld verkeerde.

Zoo'n dorp heeft veel van een dorp der roodhuiden in Amerika, met
dit verschil alleen, dat de huizen der Indianen alleen van boven in
een van de kalk- en moddermuren een vierkant gat hebben, waardoor
men met een ladder in het huis kan klimmen, terwijl deze Arabieren
onder in den muur een vierkant gat hebben, waardoor men gebukt het
huis kan binnentreden.

Om een klein staaltje te geven van het totaal gemis aan eenig begrip
van hygiëne, wil ik trachten een klein tafereeltje te schetsen van
hetgeen wij vanmiddag op onzen weg zagen.

In een dorpje was een groote bron, waarbij koeien, ezels, olifanten,
geiten en schapen in grooten getale hun dorst leschten. Eenige
vrouwen stonden met hunne bloote beenen in de bron te wasschen, eenige
mannen waschten er hunne bestofte, vieze, vuile voeten en beenen in,
het water zag zoo modderig en smerig als men maar met mogelijkheid
denken kan, en toch vulden aan deze bron de vrouwen hunne kannen en
kruiken om het water huiswaarts te voeren en zagen wij mannen dat
water zoo uit de bron drinken. Maar dat tafereeltje aan die bron
was schilderachtig. Al die mannen en, vrouwen, met hunne roode,
blauwe, gele en groene lange kleederen, de vrouwen met de kleurigste
harembroeken onder hun dun rokje uitkomende en met de Oostersche
hoofdbedekking, en de Arabieren allen met hunne gekleurde hoofddoeken,
daar tusschen al dat vee vrij rond plassende, was mooier dan ik kan
weergeven. Deze mannen en vrouwen zijn bijna allen mooie menschen,
maar jammer boven jammer, al die vrouwen hadden hunne mooie gezichten
op de vreemdste wijze getatoueerd. Allen hadden zonder uitzondering
een kruis of een ander teeken boven de neus, tusschen de wenkbrauwen
in, terwijl velen de wangen en den mond met allerlei teekens versierd
hadden. Eén meisje zagen wij, die rondom haar mond zoo getatoueerd was,
dat het leek, alsof het fijne, teere kind een baard had.

Ongeveer een uur vóór dat wij Tiberias bereikten, zagen wij van
boven van den berg, waarop wij waren, op het fraaie meer van Galilei
neer. "Het meer van Genève" riepen wij allen tegelijk uit, zoo leek
het van verre precies; doch toen wij nader kwamen, zagen wij, dat
de oevers van het meer geheel anders zijn, dat de soliede, steenige
bergwand, die vrij steil vanuit het meer opstijgt, niets gemeen heeft
met de bewoonde, groene oevers van het Zwitsersche meer.

Kort voor wij in Tiberias aankwamen, passeerden wij eene zeer
vruchtbare vallei, waarvan de Zionisten (of zou het niet de
Hirschvereeniging zijn?) alle grond heeft opgekocht en waar nu reeds
een 25 of 30 Joodsche families de nieuw gebouwde woningen bevolken.

Wij kwamen nog vóór vier uur in Tiberias aan, buiten de wallen
opgehouden door een overheidspersoon, die ons met een groote mate van
gezag vroeg van waar wij kwamen en of wij gezond waren. Mr. Barakat,
de dragoman, vertoonde het bewijs en nadat de overheidspersoon en
nog een ander heer met groot gewicht, dat papier gelezen en herlezen
hadden, konden wij doorgaan. Van hieruit moeten wij nu morgen vroeg
zoo'n nieuw document medevoeren.

Wij gingen onmiddellijk het stadje in, dat liefelijk aan het
wereldbekende meer gelegen is. Er is nog een ruimte, die--zoo zegt
men--uit Herodus' tijd stamt en van de zeer oude wallen, waarmede het
stadje eertijds omgeven was, staan overal nog brokstukken. Het stadje
is op zichzelf heel oud en op dezelfde wijze gebouwd als alle Arabische
stadjes die wij zagen. Zeer nauwe vieze, vuile straten. De bevolking
hier bestaat voor een groot deel uit Orthodoxe Joden, waaronder tal
van Poolsche Joden. Men hoort hier dan ook in de straten zeer veel
Duitsch spreken. Even vóór zonsondergang zagen wij een troep Joden
eene godsdienstoefening in de open lucht op een stuk weiland houden.

Tiberias is des zomers zeer bezocht door vreemdelingen, die hier van
de zwavelbronnen komen profiteeren voor rheumatisme en huidziekten. Ik
zou al heel ziek moeten zijn en nergens anders genezing kunnen vinden,
eer ik zou besluiten hier een badkuur te doen. De natuur is mooi
genoeg, maar de menschen zien er allen zeer weinig aantrekkelijk
uit en Baedeker vertelt, dat er niet één te vertrouwen is. Voor een
crimineele anthropologist is hier een prachtig studieveld. Vóór
wij Tiberias verlaten,--op het meer zullen wij morgenochtend nog
een zeiltochtje maken,--wil ik aan degenen die er belang in stellen
mededeelen, dat hier op een heuvel, de graftombe van den beroemden
Rabbi Akiba gevonden wordt.

Donderdagochtend vertrokken wij om half zeven uit Tiberias, vanwaar
wij met een zeilboot het meer van Galilei overstaken om bijtijds in
Smalakh te komen, om den trein te halen, die om half negen vandaar
naar Damascus vertrekt. Wij genoten een mooien zonsopgang op het
meer. Allerlei legenden worden van dit meer verteld. Wij kwamen
juist op tijd in het Turksche dorpje om den trein te krijgen,
die op 't punt van vertrekken stond. Zoo'n trein te missen zegt
hier veel, want er gaat maar één trein daags en gelegenheid om in
zoo'n dorp te overnachten, bestaat niet. Wij waren blij, dat wij
eindelijk in een trein zaten en dat de spoorreis niet al te bezwarend
was. Het spoorverkeer is nog in een stadium van wording en vooralsnog
vergenoegt men zich hier met de afgedankte en zeer verouderde wagons
van Duitschland. Zoo'n tocht in een trein in een vreemd land en vooral
in een zoo achterlijk land is altijd interessant, geen oogenblik
viel ons dan ook de tocht te lang. Vooral aan de stations zagen wij
soms zeer eigenaardige tooneeltjes; ik zou zoo'n Arabischen trein wel
eens voor één dag door Holland willen laten rijden. De rare koppen,
vooral omdat de hoofdtooi van mannen en vrouwen hier zoo vreemd is,
die bij elk station uit de vierkante gaten, die voor vensters moeten
dienst doen, hingen, is een gang naar het station waard.

Om vijf uur kwamen wij in Damascus aan en hadden eerst een half uur
lange rit door de stad te maken, alvorens wij het Damascus Palace
Hotel bereikten. Welk een merkwaardigen indruk maakt deze stad. Geheel
iets anders als Jaffa en Jeruzalem; zij maakte op ons meer den indruk
eene oude Moorsche stad te zijn. Het hotel waarin wij logeeren is een
oud paleis, dat door verarming der eigenaars verkocht en voor hotel
ingericht werd. Alles is hier Oostersch mooi.

Daar Baedeker beweert, dat er in Damascus theaters zijn en wij dat
ook hier vernamen, besloten wij, na 't diner, met onzen dragoman
een er van te bezoeken. De dragoman, die meer nog dan wij zelf,
voor ons decorum zorgt, had er niet zoo heel veel lust in, maar op
ons aandringen besloot hij met ons te gaan naar een, waar "dames
fatsoenlijk kunnen komen". Wij hebben nu gezien hoe men zich hier 's
avonds fatsoenlijk amuseert. Het theater is een soort Café Chantant,
waar alleen mannen waren. Of er bij andere gelegenheden wel eens
vrouwen komen, geloof ik niet, maar dames zijn er welkom. Wij
hadden geen last van de mannen, alleen keken zij allen meer naar
ons dan naar hetgeen op het tooneel voorviel. Elke man zat er met
een Turksche pijp in den mond, een pijp met een lange slang, terwijl
er een met water gevulde karaf voor hem stond. Die pijpen hebben de
goede eigenschap, dat zij geen rook verspreiden en al het kwaad, dat
zij stichten alleen den rooker ten goede laten komen. Verder werd er
Turksche koffie en water gedronken. Niet ieder kreeg een glas water,
maar een karaf of kan water werd voor een groepje mannen neergezet en
daaruit werd beurtelings gedronken. Ook waren er groepjes personen,
die gezamenlijk uit één pijp rookten, die dan van mond tot mond
ging. Geen pijp werd door den kellner neergezet die hij niet eerst
zelf geprobeerd had en eerst als hij goed brandde, kreeg de besteller
hem. Op het tooneel werd er ondertusschen door twee leelijke dames op
de guitaar gespeeld en afschuwelijk gezongen; allemaal keelgeluiden,
op dezelfde wijze als de Koran gelezen wordt. Eenige mannen die op een
tamboerijntje sloegen, of een ander primitief instrumentje bespeelden,
hielpen het succes verhoogen. Na den zang kwam de dans. Een in het
zwart gekleede juf, zoo modest mogelijk, voerde een soort buikdans
uit, die zeer in den smaak viel van het talrijk heeren-publiek. Toen
hadden wij er genoeg van en gingen huiswaarts.

Vrijdag is een Mohammedaansche feestdag, doch was deze week een
bijzonder heilige dag. De gouverneur ontving den geheelen ochtend
officieele bezoeken; wij hadden daardoor de gelegenheid niet alleen
het vertoon van vele Oostersche officieele kostuums te zien, maar daar
ook Damascus' inwoners, evenals de menschen uit alle andere landen,
belangstellen in het gezicht van zoovele officieele, mooi opgetuigde
persoonlijkheden, kregen wij eene goede gelegenheid om de Turksche
mannen, vrouwen en kinderen in hunne Zondagsche kleeding te zien. Wat
een pracht van kleuren en stoffen. De meeste dames die wij zagen waren
in zware zijden Turksche costuums gekleed en daar ook zij evenveel
belang stelden in ons als wij in hen, werd vaak even de dichte sluier
opgelicht, om ons beter te kunnen opnemen. Enkelen sloegen zelfs de
sluier geheel naar achteren en lieten zich ongegeneerd in de mooie
zwarte oogen kijken. Het dragen van de sluier schijnt hier niet
zoo strikt opgevolgd te worden als in de plaatsen, die wij te voren
bezochten. Ook de mannen droegen prachtige zijden gewaden, waarover
soms een met fraai bont omrand overkleed, of een van zeer fijn laken,
dikwijls van dezelfde tint.

De Moskee, (er zijn er hier over de honderd), met een onuitspreekbaren
naam, is de oudste, de grootste en verreweg de mooiste, die wij tot
nog toe zagen. Deze Moskee, waarvan bij herhaalde branden stukken
verloren zijn gegaan, doch die zooveel mogelijk steeds gerestaureerd
werd, dateert van de 4e eeuw. De gekleurde vensters, de emailleering,
de marmeren zuilen, getuigen alle van onberekenbare oudheid. Het
geheele gebouw is met prachtige Perzische tapijten behangen en
belegd. De geschiedenis van dit gebouw is te lang om er hier over te
durven beginnen.

Wij hadden den geheelen dag tijd om de stad met hare vele mooie
vruchtentuinen, haar interessante bazaar en hare vreemde bevolking
goed op te nemen, daartoe waren wij van 9 uur 's morgens tot 6 uur
namiddags op de been. Gaarne zouden wij hier eenige dagen langer
gebleven zijn om de vele winkels met orientalische bijzonderheden
wat beter te kunnen doorsnuffelen, maar de hoop, dat wij Zondag in
Beirût een boot zullen vinden, die ons naar Port-Said terugbrengt,
dreef ons Zaterdagmorgen om 7 uur reeds weder verder.

Bij ons bezoek aan de groote Damascus-fabriek van koperwerken, zagen
wij treurige staaltjes van kinderexploitatie. Het ciseleeren en het
bewerken van de koperen artikelen is alles handwerk en geschiedt door
kinderen, bijna allen meisjes. Mannen teekenen met een zeker soort
inkt de figuren op de stukken en de kinderen hakken de figuren uit,
leggen er zilverplaatjes of zilverdraadwerk in, of bewerken ze op
andere wijze. Er waren vele meisjes van 5 en 6 jaar onder, en het
werk van een zesjarig kind werd ons als bijzonder knap werk getoond
en de directeur roemde de handigheid en de smaak van het bleeke,
holoogige kind. Op mijn vraag hoe lang dit kind reeds op de fabriek
werkte, ontving ik ten antwoord "anderhalf jaar, maar in den regel
nemen wij ze niet vóórdat de kinderen voluit vijf jaar zijn." Onder
die kinderen waren er slechts enkele meisjes ouder dan 12 of 14
jaar. Ik informeerde waar de meisjes bleven, die het vak kenden en
die den leeftijd van 12 à 14 jaar bereikt hebben. "O, die gaan in den
regel een ander vak beoefenen, waarmede zij meer kunnen verdienen;
sommigen er van trouwen," was het bescheid.

De kinderexploitatie in fabrieken is hier en overal in Arabië
allerbedroevendst. Het is een vreeselijk land in menig opzicht.

Ons vertrek uit Syrië's hoofdstad gaf ons nog even een mooi gezicht
op de stad, met zijne nu met herfsttinten getooide tuinen. De geheele
route per trein van Damascus tot Beirût is een groot genot door de
eenig mooie landschappen, die men onophoudelijk passeert. Tegen
ongeveer elf uur kwamen wij aan het station Reyak, waar wij onze
reis onderbraken, om langs een zijlijntje een bezoek te brengen aan
Ba'albek, het Grieksche Heliopolis. Hier zagen wij de prachtige ruïnen
van de oude Acropolis, omringd door de groote tempels aan Jupiter,
Bacchus en andere goden gewijd. Vooral de ruïne van de tempel van
Bacchus, waarvan nog geheele stukken met prachtig beeldhouwwerk intact
zijn gebleven, is een groote reis waard. Ook van den tempel van Venus
is nog zeer veel in goeden staat, doch de hooge marmeren zuilen en de
fijnere afwerking maken den tempel van Bacchus meer belangwekkend. Het
geheele stadje Ba'albek, nu behalve deze ruïnes van geen beteekenis,
geeft toch zeer sterk den indruk, dat hier eens een groote, prachtige,
indrukwekkende stad moet geweest zijn. Men heeft uitgemaakt, dat
in elk geval de Acropolis met de tempels reeds in de tweede eeuw na
Christus daar gestaan moet hebben.

Aan het station van Ba'albek woonden wij een interessant tooneel
bij. Er werd een bruid afgehaald, een Mohammedaansch meisje uit een
naburig dorp. Familie en vrienden van bruid en bruidegom waren allen
in Zondagsgewaad aan het station. Toen het zwaar gesluierde bruidje
uit den wagen stapte, werd zij met hare vrouwelijke, ook gesluierde,
familieleden of vrienden op een eveneens mooi uitgedost kameel getild
en daarna werden de andere versierde kameelen met dames en heeren
en kinderen beladen. Soms zaten er zeven of acht op één kameel. De
kameelen droegen allen gekleurde zijden kapjes, met gekleurde koralen
afgewerkt, op hunne domme koppen en de geheele nek van de beesten
was ook met koraalwerk en gekleurde koorden versierd. Het was voor
ons een eenig mooi en grappig gezicht tevens.

Om half twaalf kwamen wij Zaterdagavond in Beirût aan, waar wij tot
onze groote teleurstelling vernamen, dat wij niet vóór Dinsdagavond
naar Port-Said kunnen vertrekken.



ALGEMEENHEDEN EN INDRUKKEN OVER ONZEN LAATSTEN TOCHT.


Voor menschen, die niet zoo heel ver van huis een echt orientaalsch,
primitief volk willen leeren kennen en die tegelijkertijd van een
eigenaardig natuurschoon willen genieten, is een reis, zooals ik die
maakte, zeer zeker te recommandeeren. Men moet er dan echter wat meer
tijd voor nemen, overal langer blijven en wanneer het reisgezelschap
uit mannen alleen, of uit mannen en vrouwen bestaat, geen dragoman
nemen. Deze menschen, die zich, wat van zelf spreekt, zeer gewichtig
willen maken en den indruk willen wekken, dat men zonder hen geen voet
in Arabië zou kunnen verzetten, maken niet alleen de reis onnoodig
duur, maar maken de reizigers lui. "De dragoman vertelt het ons wel,"
"de dragoman weet dat wel," enz., doen den reiziger verzuimen, zijn
Baedeker of andere reisgids na te slaan en zelf uit te vinden wat
hij weten wil. Bovendien, neemt zoo'n man voor elken kleinen tocht
een rijtuig, betaalt hooge fooien, zendt den reiziger naar de winkels
en magazijnen, waarvan hij procenten trekt, alles op kosten en zeer
hooge kosten van de reizenden. Wel maakt men tevoren met zoo iemand
een contract, waarin alles staat, wat hij voor een zekere som te doen
heeft, maar men vergeet natuurlijk honderden kleinigheden en die worden
dan later nog eens extra in rekening gebracht. Met een dragoman ziet
men in korten tijd veel meer dan anders het geval zou zijn, maar het
geziene maakt niet zoo'n blijvenden indruk, omdat het te vluchtig
gaat en niet verwerkt kan worden. Juist door eerst nauwkeurig na te
lezen wat er in elke plaats voor belangrijks te zien is en dan zelf
de wegen na te gaan, hoe er 't best te komen, is reeds oorzaak, dat
men van alles veel meer geniet en beter in zich opneemt. Er worden
dan wel eens fouten gemaakt en wel eens verkeerde wegen ingeslagen,
maar die verhoogen dikwijls het genoegen van de reizigers.

Men moet niet denken, dat een dragoman zich als ondergeschikte van
zijn gezelschap gevoelt, hij treedt veel meer als de leider, het
hoofd van het gezelschap op. Onze dragoman, die een goede in zijn
soort is, vertelde ons direct den eersten dag, dat wij hem niet als
een gids moesten beschouwen, hem ook vooral niet zoo mochten noemen,
maar, dat hij mr. Barakat was, die op zich genomen had ons door een
zeker deel van Arabië te voeren, de hotels en rijtuigen voor ons te
bestellen en ons te geleiden naar alles wat bezienswaardig is. En dat
program heeft hij stipt uitgevoerd. Wij hebben dan ook geen oogenblik
tijd gehad om hospitalen of scholen of andere sociale inrichtingen
te bezoeken, waarin wij belangstellen, want die stonden niet op zijn
program; als ik eens een morgen of een dag wilde uitbreken, om op
eigen gelegenheid naar zulke inrichtingen te gaan, dan was het steeds,
dat wij, volgens hem, dien morgen of dien dag het merkwaardigste van
de heele reis zouden gaan zien en dat ik dat dan verzuimen zou. Zijn
program eens te wijzigen, daarvan was nooit sprake, hij kende zijn
les van buiten, draaide die achter elkaar elken dag af en mocht door
onze abnormale wenschen niet in de war gebracht worden. Op Baedeker
was hij heelemaal niet gesteld, en als ik nu en dan eens beweerde,
dat Baedeker een andere verklaring gaf, dan was Baedeker verkeerd,
dat boek wist er niets van, als ik Baedeker meer dan hem geloofde,
dan had ik zonder dragoman moeten reizen, en vooral als zijn prijzen
met die in Baedeker niet overeenstemden, dan was hij over "dat boek"
heelemaal niet te spreken.

Als ik dezen tocht nog eens zou overmaken, dan zou ik het in het late
voorjaar willen doen, in April, Mei of Juni, omdat dan het landschap
oneindig veel zal winnen door de bloemenkleur en -geur, die er dan veel
meer dan in het late najaar zullen zijn; dan zou ik vier of vijf weken
er voor willen nemen en dan zou ik niet per rijtuig, maar te paard
of op een ezel het land willen doorreizen. Voor dit laatste zijn de
wegen beter geschikt en het is meer in overeenstemming met de omgeving.

Wij zijn nu veertien dagen in Arabië en in al dien tijd hebben wij
niet kunnen uitvinden hoe de oorlogstoestand van het land staat. Nooit
is een dag voorbij gegaan, waarin ik niet den een of anderen Turk
gevraagd heb, of er berichten van het oorlogsveld waren, en steeds
was het antwoord, dat meestal lachend gegeven werd: "Hoe zou ik dat
kunnen weten". Couranten ziet men hier niet; de Europeanen die hier
wonen, lezen Fransche of Engelsche bladen, die een paar weken oud
zijn, en de hier en daar verschijnende Arabische courant schijnt
zich met zulk een kleinigheid als de oorlogstoestand in eigen land
niet op te houden. Waarom zouden zij ook zulke berichten opnemen,
zij weten dat zij toch valsch of in elk geval schromelijk overdreven
zijn. Het laatste bericht van het oorlogsveld dat in deze streken
bekend werd, heeft overal in de dorpen zulk een opwinding teweeg
gebracht, dat men ernstig gevreesd heeft, dat er hier 'n burgeroorlog
tusschen Mohammedanen en Christenen zou door ontstaan zijn. Het
was een bericht, nu drie à vier weken oud, waarin vermeld werd,
dat de Italianen, geheel door de Turken verslagen zijn geworden,
dat de overwinning der Turken ergens, ik weet niet waar, want wij
krijgen hier ook geen couranten onder de oogen, een volkomene was
en dat de Italianen bij duizenden door de Turken in de zee gezwiept
zouden zijn. Het bleek natuurlijk later, dat dit bericht geheel onwaar
of in elk geval buiten de perken van welvoegelijk liegen overdreven
was. Beter geen berichten dan zulke berichten, zegt onze dragoman,
die zich trouwens van den geheelen oorlog niet veel aantrekt.

Toen wij gisteravond met den trein vele dorpen passeerden, waar
overal een ongewone drukte heerschte, vernam ik, dat de vele jonge
mannen, die allen trachtten met den trein mede te komen, jonge
Christen-Turken zijn, die hals over kop naar Amerika vertrekken, om
de kans te ontloopen, naar het oorlogsveld gestuurd te worden. In
Arabië, in dit deel van Turkije, is de oorlog met Italië niet
populair en wordt meer beschouwd als een oorlog tusschen Christenen
en Mohammedanen. Zou Turkije de overwinnaar zijn, dan zou daardoor de
toestand der Christenen in Turkije wel eens hachelijk kunnen worden,
zoo vreest men. Vroeger dienden in 't leger alleen Mohammedanen,
de regeering van Turkije heeft echter nu ook de Christenen en Joden
opgeroepen om in het leger dienst te doen.

Maar ook van de cholera in Jaffa weet men hier niets. Wij weten nu
na een week niets meer dan toen wij Jeruzalem verlieten, dat er
toen vier gevallen van cholera geconstateerd zijn en dat daarvan
drie personen overleden zouden zijn. Ook wisten wij toen, dat Jaffa
daarna besmet is verklaard en de booten, die naar Port Saïd gaan,
Jaffa niet aandoen en er niemand van uit Jaffa vertrekken kan,
zonder in het naastbijliggende dorpje of stadje een vijfdaagsche
quarantaine te ondergaan. Nergens heeft men ons verder iets naders
van den toestand in Jaffa kunnen berichten en zelfs wist men ons
hedenochtend in de verschillende kantoren van de stoomvaartlijnen hier,
in Beirut, geen nader bericht te geven dan dat van een week oud. Of
de cholera zich in Jaffa uitgebreid heeft, of dat het bij die vier
gevallen gebleven is, men weet er hier niets van, en toen ik vroeg
of men dan geen telegrafische berichten verspreidde, om het land op
de hoogte te houden van den werkelijken stand van zaken, vertelde
men mij, dat, toen er eenige maanden geleden in sommige streken van
Arabië de cholera heerschte, het gebleken is, dat de berichten, die
men uit die streken kreeg, geheel valsch waren. Zoo waren in een dorp
twee mannen belast met het begraven der cholera-lijken, waarvoor zij
per stuk betaald werden. In één week hadden zij drie lijken begraven;
dat vonden de heeren te weinig, om te reclameeren, en zij brachten
driestweg twintig gevallen in rekening. Er werd nu bericht, dat er op
zooveel zieken twintig sterfgevallen in één week voorgekomen waren, en,
alvorens de valschheid van deze opgave geconstateerd was geworden, had
het onware bericht reeds binnen- en buitenland bereikt. Deze weinige
staaltjes geven een kleine illustratie van de geloofwaardigheid van het
volk en tevens wat men van berichten uit zulk een land gelooven kan.

Men kan Arabië niet bereizen zonder zich vooraf voorzien te hebben
van een goede hoeveelheid insectenpoeder. Alle hotels schijnen alleen
bewoonde bedden te kunnen aanbieden. Al ziet alles er op het oog
nog zoo zindelijk uit, dan moet men toch niet vast erop rekenen,
dat men zijn bed niet met eenige andere levende wezens te deelen
heeft. Over het geheel genomen staat het hotelwezen hier nog op
een zeer laag peil. De weinige goede hotels, die er zijn, of laat
mij liever zeggen, die goed zouden kunnen zijn, zijn toch slecht,
omdat men zich er bedient van inboorlingen-bedienden, die geen flauw
begrip van zindelijkheid en goede bediening hebben, en die er zelf
altijd even onappetijtelijk uitzien. Nu kan men hier in den zomer
of in het late voorjaar zeer gemakkelijk met eigen tenten reizen en
daardoor de hotels vermijden, en dat wordt door Cook's gezelschappen
en andere zulke reizigersgroepen ook meestal gedaan.

Het onderwijswezen der Turken staat ook op een zeer laag standpunt. Ik
geloof niet, dat de regeering zich hier reeds bewust is, dat de
opvoeding der jeugd een regeeringszaak is. Het aantal analphabeten
onder de Mohammedanen is zeer groot. Ik weet niet of er statistische
opgaven van bestaan, maar ook, al zouden die bestaan, dan weten wij
vooraf, dat die ongeloofwaardig zijn. Toch zijn op vele plaatsen
scholen, soms zelfs goede scholen, doch die zijn door Duitschers,
Engelschen, Amerikanen, Franschen of Italianen gesticht. De meeste van
die scholen hebben een godsdienstig karakter en de onderwijs-gevenden
staan niet onder regeeringscontrôle. Iedereen kan hier een school
openen. Hier, in Beirût, is zelfs een Amerikaansch instituut voor
hooger onderwijs, dat na een vierjarige opleiding een doctor in de
medicijnen kant en klaar aflevert.

Een ding moet ik niet vergeten mede te deelen, ofschoon het ergens
anders misschien beter tusschen geplaatst zoude zijn. Wij zagen
herhaaldelijk in verschillende plaatsen in den bazaar, dat is
de plaats, waar alles verkocht en gekocht wordt, op de straat, of
in open winkeltjes, meel, boonen, erwten, enz. koopen; waren, die
per maat verkocht worden. De kooper mag dan zelf de maat vullen,
er zooveel in doen als hij er bij mogelijkheid kan instoppen, en
dan wordt met een rol de oppervlakte geëffend, zoodat die niet boven
den rand van de maat uitsteekt en daarna afgeleverd. Ze vertrouwen
elkaar dus ook niet heel erg, maar zijn zeer beleedigd, tenminste
volgens onzen dragoman, als vreemdelingen zeggen, of toonen, dat
zij de Turken niet erg vertrouwen. Men kan hier in geen winkel iets
koopen en den prijs betalen, die er voor gevraagd wordt. Minstens 50%
moet steeds worden afgedongen.

Toen wij Zaterdagavond laat in Beirût aankwamen, vernamen wij
reeds spoedig, dat de booten van de Khedivian-lijn, die Haïffa en
Jaffa aandoen, doch alleen om de mail af te geven en op te nemen,
geen passagiers in Port Saïd mogen landen, dat die tot Alexandrië
meegenomen moeten worden en daar een tweedaagsche quarantaine moeten
ondergaan. Dat er Dinsdagavond echter een boot van de Fransche
lijn van hier vertrekt, dat die in bovengenoemde havens niet stopt
en de passagiers in Port Saïd alleen een medisch onderzoek hebben
te ondergaan en daarna aldaar aan wal kunnen gaan. Daar wij allen
onze groote bagage in Port Saïd hadden laten staan en enkelen van
ons ook om andere redenen in die haven wilden landen, besloten wij,
tot Dinsdagavond hier te blijven, Beirût te zien en een paar rustige
dagen te hebben, alvorens wij in Egypte weder groote, nieuwe indrukken
opdoen.

Beirût is een zeer geschikte stad om eenigen tijd rustig door te
brengen. Het ligt aan de Middellandsche Zee en bezit een zeer zacht
en prettig aandoend klimaat. De zon is hier niet zoo heet als aan
de Riviera, maar ook is het hier niet zoo koud in de schaduw als
daar. De omgeving van de stad is schitterend mooi, alles ademt rust en
kalmte. Voor menschen en vooral voor kinderen met een zwakke gezondheid
is het verblijf in den winter hier, naar mijne meening, weldadiger
dan aan de Riviera. Blijft men aan den zeekant, dan is er geen stof
te duchten, alleen de landwegen zijn stoffig, maar niet zoo erg als
in de reeds genoemde streek. De stad is min of meer Europeesch, men
ziet hier bijna geen oriëntaalsche kleeding. Ook in de meeste winkels
kan men zich met de Fransche of de Engelsche taal verstaanbaar maken.

Wij gebruikten de paar dagen gedwongen rust om achterstallige
correspondentie af te doen en om verfrischt en krachtig aan boord
van het Fransche stoomschip te komen. Ofschoon wij wisten, dat de
boot eerst 's avonds om zes uur zou vertrekken, begaven wij ons toch
direct na de lunch reeds aan boord, om op de boot rustiger nog dan
in de stad van het mooie landschap rondom ons te profiteeren.

Als wij nu morgen vroeg geen oponthoud in Port Saïd hebben en men
ons zonder kunsten aan wal wil zetten, dan komen wij vroeg genoeg om
onze bagage uit het depôt te halen en nog denzelfden dag naar Caïro
te vertrekken. De geheele maand December blijven wij in Caïro.


                                                        6 December 1911.



IN QUARANTAINE.


Ik was mij niet bewust, toen ik den vorigen brief op het schip van
de Messageries Maritimes zoo plotseling eindigde, omdat Port Saïd in
het gezicht kwam en ik mij gereed moest maken om aan wal te gaan,
wat mij boven het hoofd hing. Wel had ik 's morgens tot een mijner
medereizigsters de opmerking gemaakt, dat op een zoo vuil schip,
waarop eerste, tweede, derde en vierde klasse passagiers broederlijk
en zusterlijk op het dek dooreenwandelden, er slechts een verdacht
ziektegeval onder één van de lagere klassen behoeft voor te komen om
ons allen in quarantaine te doen gaan. Maar ik dacht er niet aan,
dat dit werkelijk het geval zou worden. Smeriger booten dan die
Fransche booten kan men zich niet voorstellen. Voor de eerste klasse
passagiers was alleen de eetzaal gereserveerd; maar daar vlak daarboven
een hal was, waar elkeen kon komen, heerschte er den geheelen dag een
drukkende, bijna niet uit te houden atmosfeer. Maar boven op het dek
was het heelemaal niet te zijn, daar lagen en zaten in alle hoeken en
gaten, op alle banken en stoelen, de geurige en kleurige Arabieren,
die met hun heele hebben en houden op weg waren om van vaderland
te verwisselen. De onschuldige kindertjes van deze natuurmenschen
vermaakten zich met kinderlijke spelen en deponeerden tusschen de
bedrijven door kleine plasjes en vaster bestanddeelen op de plekjes,
die zij daarvoor geschikt vonden.

Er waren 1228 passagiers aan boord; daarvan waren er bijna 1000
tusschendekspassagiers, allen op weg naar Amerika. Ongeveer 150
van dezen moesten in Port Saïd aan wal gaan, om daar van schip te
verwisselen, de anderen gingen tot Marseille door om daar overgescheept
te worden. Deze menschen, die in eigen land en in eigen woning niet
het minste begrip van zindelijkheid hebben, vertoonen natuurlijk
nog smeriger uiterlijk op een overvulde boot, liggende kris en kras
dooreen in de maag van het schip, zonder gelegenheid zich te reinigen,
etende hun eigen meegebracht voedsel, en liggende op eigen meegebrachte
lompen. Maar dat dezulken onze reisgenooten zouden zijn, wisten wij
niet toen wij in Beirût aan boord gingen. Elkeen had ons zoo vaak
verzekerd, dat de "Messageries Maritimes" ongehinderd Port Saïd zou
kunnen binnenstoomen, dat wij aldaar alleen een medische inspectie
hadden te ondergaan, dat wij niet twijfelden aan de geloofwaardigheid
van deze inlichtingen.

Even over twaalf uur, het vastgestelde landingsuur, stoomden wij
langzaam de haven van Port Saïd binnen, passeerden wij het mooie
standbeeld van De Lesseps en wierp het schip zijn anker uit op
eenige meters afstand van de landingsplaats. Wij stonden allen
gepakt en gezakt om direct aan wal te gaan, doch men vertelde daar,
dat wij te wachten hadden op den dokter, die nog niet aan boord was
gekomen. Het was een Tantalus-kwelling voor de lieve echtgenooten,
broeders en andere familieleden, die in kleine bootjes ons schip reeds
waren tegemoet gekomen en steeds om ons heen bleven dobberen, en die
op eenige armenlengten van het liefste wat zij bezaten verwijderd
waren, en toch noch bij ons aan boord mochten komen, noch de lang
verwachten over de verschansing heen bij zich in het bootje mochten
tillen en meevoeren. Wachten, wachten, was steeds het antwoord, dat
wij kregen als wij het eene kwartier na het andere zagen verstrijken
en permissie vroegen om weg te gaan.

Om half twee begon de medische inspectie bij de eerste klasse. Wij
moesten ons in de eetzaal verzamelen, en, als onze naam werd
afgeroepen, den dokter voorbij de zaal verlaten. Dat kostte ons elk
2 shillings. Toen kwam de tweede klasse; ook dat ging goed. Daarna
de derde klasse, en gelukkig werd ook daar alles goed bevonden. Het
was toen reeds over drie uur en wij vroegen of wij nu niet aan wal
mochten gaan, maar eerst moest de vierde klasse nog geïnspecteerd
worden. En daar gebeurde het! Alles tengevolge van de stommiteit van
den Franschen scheepsdokter.

Des nachts had een oude vrouw van 70 jaar, uit de 4de klasse
passagiers, die met hare kinderen naar Amerika wilde vertrekken,
het tijdelijke met het eeuwige verwisseld; hoogstwaarschijnlijk door
de slechte atmosfeer en de voorafgaande vermoeienissen en emoties
van de reis, eenvoudig gesuffoqueerd. Dat kwam den inspecteerenden
dokter verdacht voor en toen later ook onder het scheepsvolk een
jonge man ontbrak en de dokter riep: "waar is die zieke jongen?",
scheen de argwaan te vermeerderen. Toen ten slotte de boy gevonden
was en deze opgaf, dat hij weder heelemaal beter was, alleen een
beetje....., was de maat vol. De dokter wilde geen toestemming tot
vertrek geven, hij vroeg een consult met een collega. Eerst kwam één,
toen nog een dokter aan boord, die allen heel gewichtige gezichten
zetten en nadat men ons tot zes uur in het onzekere had gelaten,
kwam toen het positieve bevel; "Niemand mag aan wal gaan, allen
moeten mede naar Alexandrië!" Het lijk van de oude vrouw, alsook de
zieke jongeling, werden aan wal gezet en men verzekerde ons positief,
dat wij in Alexandrië, na nog een medisch onderzoek, allen daar aan
wal konden gaan. Den wachtenden echtgenooten werd vergund aan boord
te komen om de mogelijke ballingschap met hunne vrouwtjes te deelen.

Ons clubje troostte zich in het lot, wij pakten den boel maar
weder uit en vlijden ons na een gezelligen avond maar weder in onze
scheepshutten ter ruste. Het was echter voor een massa passagiers een
groote teleurstelling en veroorzaakte hun groote moeilijkheden. Er
waren moedertjes met drie, vier en meer kinderen, die in Port Saïd
thuis behooren, en die nu zooveel meer onkosten hebben, zooveel
langer met die schapen onderweg moeten zijn en dood-vermoeid dezen
tocht opnieuw, ondernamen.

Tusschen acht en negen uur kwamen wij den volgenden morgen in de
haven van Alexandrië aan en daar begon de pret opnieuw. Eerst kwam
een doktertje, een Griek, aan boord en nu zouden wij, zoo heette
het, een zorgvuldiger onderzoek hebben te ondergaan. Weer werden de
namen van alle eerste klasse-passagiers in de eetzaal afgeroepen en
moesten wij voor den dokter verschijnen, de tong uitsteken en werd,
zoo te zeggen, de pols gevoeld. Voor dit laatste was echter geen tijd
genoeg en ik ben zeker dat van geen der eerste klasse-passagiers de
hartslag kon worden geconstateerd. Het werd weder middag alvorens
dit onderzoek, met gunstig gevolg voor alle aanwezigen op de boot,
was afgeloopen, doch toen wij meenden aan wal te kunnen gaan, heette
het, dat op een telegram uit Port Saïd gewacht moest worden met de
resultaten van de autopsie op de oude vrouw en het ziekteverloop van
den zieken jongeling. Heel gauw kwam dat telegram, vermeldende: dat de
jongen beter was, doch dat men van de oude vrouw niet met zekerheid
kon zeggen, dat zij geen cholera had gehad. Om die reden was het
bevel: allen, die in Egypte wilden blijven, moesten in quarantaine,
de passagiers voor Marseille konden doorgaan.

Toen werd onmiddellijk de geel-groene of groen-gele vlag in
top geheschen en werden wij beschouwd als komende van een besmet
schip. Wij waren nu gevangenen in den volsten zin van het woord, wij
hadden geen eigen wil meer, maar moesten gehoorzamen aan de bevelen
van de Egyptische politie.

Dat klinkt alles zeer gewichtig en het was het eigenlijk ook, maar wij
zagen er voorloopig alleen het komische van. Wij wisten niet wat ons
te wachten stond, niemand kon ons zeggen hoe lang de gevangenschap
zou duren en niemand kon ons eenige inlichtingen geven hoe wij het
er zouden hebben.

Om twee uur werden, stil en plechtig, vijf of zes groote
zolderschuiten, getrokken door 'n klein, vuil stoombootje, aan onze
boot vastgelegd; eerst werd alle bagage ingeladen, ook de heele
huishoudingen van de emigranten, daarna werden eerste en tweede
klasse-passagiers in één boot, de derde en vierde klasse-passagiers in
drie of vier andere booten geladen, en toen gingen wij in treurigen
optocht naar 'n afgelegen plaats, waar wij allen ontscheept, doch
onmiddellijk in een gereedstaanden trein opnieuw geladen werden. Hier
was het een onuitsprekelijke herrie, iedereen zocht naar zijn bagage
en men wilde gaarne in den trein een goed plaatsje hebben. De geheele
trein bestond alleen uit derde klasse-wagens, die er zeer primitief
uitzagen en onuitstaanbaar naar carbol roken. Er was een hooge piet,
een pasja, bij ons aan boord, die de ballingschap met ons moest deelen,
dien hielden wij in het oog en volgden hem in den waggon. Daardoor
werden wij niet met de derde en vierde klasse-passagiers vermengd en
hadden vrij goede plaatsen.

Hoe treurig de stand van zaken ook voor vele reizenden en vooral voor
de arme landverhuizers was, die daardoor misschien hun passage op de
boot naar Amerika verloren, doch in elk geval op extra kosten werden
gejaagd, het ontschepen en inschepen van zoovele nerveuse personen en
hun angst, een stuk van de bagage te verliezen, gaf toch ook menig
vermakelijk tooneeltje. Als een waggon volgeladen was, dan werden
de deuren van buiten gegrendeld, een politie-agent op post gezet,
zoodat niemand meer kon ontvluchten. Onder die politie-agenten waren er
verscheidene zwart-menschen, die nu eens met een air van autoriteit al
die wit-menschen de les lazen. Het was nog voor vier uur toen wij allen
en ook de bagage in den trein geladen waren, doch het werd over zes,
alvorens wij konden afreizen. Toen ik om vijf uur, ongeduldig geworden,
mijn hoofd eens buiten het raam stak, om te informeeren waarom wij niet
afreisden, vertelde men, dat de machinist ongeveer een uur geleden
naar de stad was gegaan, om water te halen en niet terug kwam. De
stationschef zou hem gaan zoeken en zien wat van hem geworden was. Het
resultaat van dat onderzoek hebben wij niet vernomen, maar om zes
uur zette onze trein zich eindelijk in beweging, bracht ons eerst een
eindweegs in de eene en daarna in een juist tegenovergestelde richting,
zoodat wij totaal in de war geraakten, waar men ons bracht. Het was
donker en daardoor alles heel geheimzinnig, en toen wij tenslotte aan
de Lazaretto aangekomen waren en zagen hoe wij daar aan alle zijden
door hekken en hooge muren van de overige wereld werden afgesloten,
maakte zich toch van velen een minder vroolijke stemming meester.

Wij werden er door een dame, een directrice, ontvangen, die ons
onmiddellijk onze kamers wees en ons met de orders van 't huis op de
hoogte bracht. Het zag er alles zindelijk en netjes uit, de slaapzalen
met nette, zindelijk uitziende bedden, voor vijf of zes personen
ingericht, de muren helder wit gekalkt en een goede voorraad water om
zich te verfrisschen. Spoedig kwam de eerste officier op het terrein
en deelde ons mede, dat het misschien maar voor één dag zou zijn,
dat wij zijne gasten waren. Het hing alles af van de telegrafische
berichten, die den volgenden dag uit Port Saïd verwacht werden.

Hoewel het voor ons eerste klasse-passagiers best uit te houden
was, waren wij toch echte gevangenen en konden ons slechts buiten
in een beperkte ruimte vrij bewegen. Buiten de dubbele rij hekken,
stond heel wat militair vertoon om te voorkomen, dat een onzer zou
ontsnappen. Ook het eten was zindelijk en goed bereid en als ik
't menu vermeld van wat ons den eersten avond om acht uur als diner
werd voorgezet, dan zal men zien, dat men voor geld hier vrij goed
bediend kan worden. Vermicellisoep, gebakken zalm, roastbeef met
verschillende groenten, gevogelte en salade; daarna roomsoezen,
dadels, appelen en sinaasappelen, Turksche koffie en gedurende het
diner, vrij goede landwijn naar believen. Wij moeten echter voor deze
gevangenschap twintig francs per dag betalen, een som, waarvoor wij
in elk hotel een goede kamer en goed voedsel kunnen verkrijgen.

Niet alleen is de directrice een Engelsche dame, maar ook eene der
doctoren is een vrouwelijke collega uit Engeland. Het zijn voornamelijk
deze twee vrouwen, die hier met gezag hebben op te treden, wat zeer
veel tact vereischt, omdat de meeste gasten hier tegen wil en dank
gehouden worden en mokkende en halsstarrig zijn.

Toen echter den volgenden morgen het bevel kwam, dat wij allen tot
Maandag moesten blijven, toen maakte de vroolijke stemming weldra
plaats voor een tragische. Onder onze medegevangenen, wij waren met 54
eerste klasse-passagiers, waren verschillende groote handelslieden,
die door dit oponthoud aanmerkelijke schade leden, anderen, die voor
ernstige familie-aangelegenheden tehuis of in den familiekring moesten
zijn en de plannen van elkeen werden door dit lange onvoorziene
oponthoud min of meer gedwarsboomd. Bovendien was er in onze
gevangenis niets te krijgen, wat de eentonigheid van het verblijf
kon verminderen. Als er geen van de drie maaltijden in voorbereiding
waren, dan konden wij zelf eenige tafels en ongemakkelijke stoelen
naar buiten sleepen, voor een gemakkelijker zitgelegenheid kon men
naar de slaapzaal gaan en zijn bed gebruiken. Meer dan de helft
van den tijd werd dan ook door ons op bed en slapende doorgebracht;
achteraf beschouwd kwam deze ongezochte rustkuur ons uitstekend ten
goede, na de gejaagde, vermoeiende tocht door Arabië en de emotievolle
dagen aan boord van dat vieze, Fransche schip.

Met eenige Mohammedaansche dames, die onder onze lotgenooten waren
en waarvan enkelen Engelsch, anderen Fransch spraken, maakten wij nu
wat nader kennis en vernamen van hen allerlei bijzonderheden. Een
paar van hen waren Drusen, dat zijn Mohammedanen, die Mohammed wel
vereeren, doch niet aanbidden. Zij aanbidden alleen God en gelooven,
dat God nu en dan groote wijsgeeren doet geboren worden, die de
overige menschheid in ontwikkeling ver vooruit zijn, doch dat niet
alleen Mohammed en Christus zulke wijsgeeren waren, maar er telkens
nog zoodanigen geboren worden, waardoor de geheele menschheid in
ontwikkeling vooruit gaat. Als aandenken aan onze gezamenlijke
ballingschap hebben die meisjes voor elk van ons een mooi kraagje
gehaakt. Het haakwerk van deze vrouwen is nog fijner en mooier dan
het Iersche haakwerk en heeft ook hooger marktwaarde.

Nu zou ik zeker wel twee brieven kunnen volschrijven als ik in
alle bijzonderheden zou treden van ons vierdaagsch verblijf in deze
gevangenis; als ik uiteenzette, welke gevoelens ons bekropen, toen
wij den eersten morgen in onze slaapzaal ontwaakten en zagen dat
de ramen van onze cel met zware ijzeren stangen getralied waren en
dat daarover heen nog eens een dik ijzeren netwerk gespannen was,
zoodat wij door de ramen niets naar buiten noch naar binnen konden
moffelen; dat ons voedsel drie keer daags van uit Alexandrië moest
worden aangebracht en dat dit door een klein poortje in de dubbele
verschansing, waarachter wij zaten, moest worden naar binnen geduwd;
dat men ons niet alleen een veel te hoogen prijs voor voedsel en logies
liet betalen, doch dat men ons in rekening bracht, en wel vrij hoog,
ons transport per zolderschuit en derde klasse trein van het schip
naar de Lazaretto, en een zeer hooge som voor desinfectie van onze
goederen; dit laatste was daarom zoo schandelijk, omdat niets van
ons goed gedesinfecteerd was, wij hadden onze handbagage bij ons,
het had ons niet verlaten. Toen wij daartegen reclameerden, werd ons
geantwoord, of wij dan liever wilden, dat men het gedesinfecteerd en
daarmede geheel bedorven had, en als wij weigerden te betalen, zou
men ons eenvoudig langer in de Lazaretto houden. Ook zal ik niet in
details treden over alle tegenstrijdige berichten, die wij elken dag
van de directrice, de verschillende doktoren en den eersten officier
kregen, inlichtingen, die elkaar boudweg tegenspraken; of klagen over
den éénen handdoek voor elk onzer, waarmede wij vijf dagen ons moeten
rein houden; of over het ontbreken van hygiënische maatregelen, waar
die het eerst noodig waren; onder al deze omstandigheden bleven wij in
een goed humeur en zagen er al het komische van en vermaakten ons er
mede. Avonturen zijn in den regel niet prettig als men ze ondervindt,
men lacht er alleen later over; dit avontuur, zoo ongezocht--wij hadden
in Arabië alles gedaan om juist aan de quarantaine te ontkomen--gaf
ons terwijl wij het ondervonden, toch menig vroolijk uurtje.

Het schandelijkste van alles is wel de wijze waarop men de gevangenen
vrij laat. Evenals werkelijke misdadigers werden wij eenvoudig met
al onze bagage buiten de poort gezet en vernamen wij, dat wij op ruim
vier mijlen afstand van Alexandrië waren. Onze groep had door middel
van de directrice bij Cook's office aangevraagd ons eenige rijtuigen te
zenden, en er waren eenige rijtuigen, die altijd rond zoo'n instelling
zwermen om degeen, die vrijkomt, voor een veel te hooge som naar de
stad te brengen, maar overigens moest elkeen nu maar zien, op welke
wijze hij of zij de pas verkregen vrijheid wilde gebruiken. Geen
enkele maatregel, om het de menschen gemakkelijk te maken, was genomen.

En nu zullen velen misschien nieuwsgierig zijn te weten hoe mrs. Catt
zich onder deze omstandigheden hield. Zij was steeds de prettigste,
opgewektste, tevredenste van allen en vond het "a new experience
in her life". De wijze waarop zij den laatsten morgen haar boeltje
bijeenpakte en elk hoekje van onze cel nog eens doorkeek, om alles
vooral goed in haar geheugen te griffen, was waard vereeuwigd te
worden. Zij is maar één oogenblik boos geweest, dat was toen zij haar
naam moest teekenen onder de kwitantie en zij er bij wilde zetten,
"betaald onder protest", en haar dit geweigerd werd, maar ook deze
boosheid had een komische zijde en deed haar later schaterlachen.

Wij zijn nu weder vrij, onze kennis is verrijkt, wij weten nu
hoe gevangenen zich moeten gevoelen, hoe het in een Egyptisch
quarantaine-station toegaat, hoe beschaafde Arabieren, Turken, Grieken
en andere oriëntaalsche menschen zich met ons beschaafd weten te
gedragen, en over dat alles verheugen wij ons en klagen niet.


                                                           11 Dec. 1911.



CAÏRO.


Het is waarschijnlijk wel te begrijpen, dat wij, nadat wij 't
quarantaine-station verlaten hadden, niet veel lust gevoelden ons lang
in Alexandrië op te houden. Onze meeste lotgenooten verlieten die
toch overigens wel mooie stad met de eerstvolgende gelegenheid. Zoo
wilden wij evenwel niet vertrekken, in elk geval wilden wij toch
een bezoek brengen aan de Catacomben, om de belangrijke Egyptische
begraafplaats, dateerende uit de 2e eeuw onzer jaartelling, te
zien. Deze begraafplaats werd aldaar een dozijn-aantal jaren geleden
ontdekt. Men gaat met een flinke breede wenteltrap, die gedeeltelijk
nieuw is, tot diep onder den grond en komt dan in 'n grooten tempel
met verschillende vertrekken, alwaar 150 lijken in afzonderlijke
gemetselde en gebeeldhouwde nissen gevonden werden. Het beeldhouwwerk
van vele dier nissen is zeer goed bewaard gebleven en zelfs een geheele
tempel, die hoogstwaarschijnlijk het lijk van een hooggeplaatst persoon
bevat, is bijna in ongeschonden staat aanwezig. Deze begraafplaats
is ongetwijfeld voor archaeologen en liefhebbers van oudheden een
afzonderlijk bezoek aan Alexandrië meer dan waard.

Nadat wij dit belangrijk stuk uit oud-Egyptische grootheid hadden
gezien, lieten wij ons door de voornaamste buurten van de stad rijden,
stapten even in het mooie, weelderig ingerichte Savoy-hotel af om een
goede afternoon tea te gebruiken en vertrokken met den trein van zes
uur naar Caïro. Wij waren weliswaar dien middag uit de quarantaine
ontslagen, maar geheel vrij waren wij toch nog niet. Wij hadden een
man, een begeleider, op den bok van 't rijtuig medegekregen, die
een lijstje met onze namen bij zich had, die ons tot in het station
bracht en zorgde, dat onze spoorkaartjes met een rood kruis geteekend
werden. Daardoor wist de conducteur direct met welk soort volk hij te
doen had en in Caïro werden wij des avonds om half tien opgehouden
en moesten weder eene medische inspectie doormaken en ons adres in
Caïro achterlaten. Ongelukkig was geen onzer in het bezit van een
Baedeker van Egypte, die hadden wij noch in Zuid-Afrika, noch in een
der plaatsen aan de oostkust, noch in Arabië kunnen machtig worden
en wij konden derhalve niet anders doen dan een hoteladres opgeven,
dat ons door--geen onzer wist meer wie--was aanbevolen. Naar dat
hotel begaven wij ons, doch onmiddellijk bij aankomst zagen wij,
dat wij verkeerd waren. Het was in zijn soort een heel goed hotel,
bij wat wij in Arabië ondervonden hadden zelfs zindelijk te noemen,
maar het was een hotel van den zooveelsten rang, in Baedeker, die
wij den volgenden morgen reeds om acht uur kochten, aangeduid onder
de rubriek: "en dan nog verscheiden hotels van minder gehalte". Wij
passeerden er een zeer onrustigen nacht, waren den volgenden morgen
reeds om zes uur kant en klaar om bij het eerste morgengloren er
op uit te trekken een Baedeker te koopen en een beter hotel op
te sporen. Dat alles gelukte vrij spoedig, zoodat wij om tien uur
's morgens reeds met pak en zak in het mooi gelegen en comfortabel
ingerichte Continental-hotel overgebracht waren.

Wat een gelukkig vrij gevoel bekroop mij, toen ik in dat goede
hotel een frisch bad kon nemen, van kleederen kon wisselen en mij
's avonds in een goed bed, met een kamer voor mij alleen, te slapen
kon leggen, en dat niemand meer over mij te bestellen had. Door ons
spoedig vertrek uit het eerste hotel schijnt de gezondheidscommissie
ons spoor bijster geworden te zijn, wij althans hebben van geen dokter
meer iets vernomen, terwijl andere lotgenooten nog de geheele week
des morgens een doktersvisite ontvingen.

Dit gedwongen langer verblijf in Arabië en daarna de 5 dagen oponthoud
in het quarantaine-station hebben de plannen, die wij voor ons verblijf
in Egypte gemaakt hebben, geheel in de war gestuurd. Mrs. Catt en
ik hadden reeds vóór wij naar het Heilige Land afgereisd waren een
hut besproken op de "Prinses Juliana" van de Mij. Nederland, die 9
Januari 1912 van Port-Said vertrekt. Wij hadden daardoor ongeveer
zes weken tijd om Caïro en het voornaamste gedeelte van den Nijl te
zien, maar nu onze tijd zoo is bekort geworden en wij bovendien eenige
dagen noodig hadden om ons te restaureeren, alvorens in staat te zijn
nieuwe indrukken te verwerken, nu zal van de Nijlreis waarschijnlijk
niet veel komen. Caïro levert alleen genoeg belangrijks op om een
week of vier met overvloed van afwisseling hier door te brengen. Wel
heeft Caïro voor personen, die in de laatste maanden zooveel oriëntaal
leven zagen, niet die groote aantrekkelijkheid, niet dat verbijsterend
nieuwe, als degenen ondervinden, die kersversch uit Europa naar hier
verplaatst worden. Veel van hetgeen wij hier zien, zagen wij reeds in
Damascus en in Jeruzalem en omstreken. Ook is Caïro, of liever dat
gedeelte van de stad, waarin de goede hotels gelegen zijn, zoodanig
gemoderniseerd, dat het, afgezien van de straattooneeltjes, daar op een
of ander Europeesche stad is gaan gelijken. De groote geheel Europeesch
ingerichte hotels, die, om toch een klein beetje het oriëntaal karakter
te behouden, bedienden voor een deel uit inboorlingen, gekleed in
roode of anders gekleurde Turksche broek en kort jakje, dat rijk
met goudborduursel is gegarneerd, recruteeren; de groote Fransche,
Engelsche en Amerikaansche winkels, met hunne Europeesche koopwaren;
de kantoren van de groote stoomvaartlijnen, de bankinstellingen,
de Parijsche café's, 't Fransche en Italiaansche operagebouw en nog
zoovele andere gebouwen ontnemen aan het centrum der stad 't geheel
Egyptisch karakter. Wel zijn al deze gebouwen gegroepeerd om een
grooten, smaakvol aangelegden tuin, den Ezbekujeh-tuin, met eenige
zeer buitengewone, zeldzaam mooie boomen, die, door de vele vrij dikke
luchtwortels, die van boven uit de takken naar beneden hangen, doch
zoodra zij den grond bereiken in den grond zich vastmetselen, den stam
van den boom een allerzonderlingsten vorm geven; maar deze tuin kan
alleen den indruk niet wekken dat men in een Egyptische stad vertoeft.

Dien indruk krijgt men pas goed, als men buiten de stad gaat en een
bezoek brengt aan de wereldbekende pyramiden en de Sphinx. Reeds de
rijtoer daarheen, passeerende de Nijlbrug en door het dorp Gizeh,
brengt reeds die zekere Egyptische stemming. Rondom ziet men dan
veraf overal de woestijn, met het droge, glinsterende, witte zand,
waardoor de zon zoo krachtig en heet teruggekaatst wordt, en waarin
veraf overal de donkere pyramiden den kop in de lucht steken. De meest
indrukwekkende van al deze pyramiden is de groote pyramide van Gizeh,
welke bij den ingang van de Libyan-woestijn, in de onmiddellijke
nabijheid van de Sphinx staat. Deze kolossus, die verondersteld wordt
meer dan 6000 jaren oud te zijn, brengt elkeen alleen in verbazing
over de enorme afmetingen en ook over den jarenlangen arbeid, dien 't
gekost moet hebben om hem tot stand te brengen. Uit een architectonisch
of aesthetisch oogpunt vind ik er niets aan te bewonderen, maar wel
dringt, hoe langer men er naar kijkt, steeds meer het besef door met
welke reuzenafmetingen men hier te doen heeft. Volgens de opgaven
zouden er, loopende over twintig jaar, elk jaar gedurende drie maanden
100.000 man aan gewerkt hebben om de eenige millioenen granietblokken,
elk van 40 kubiek voet grootte uit te houwen, te fatsoeneeren en op
te stapelen. En dat ding was gebouwd om als graftombe te dienen van
koning Cheops en zijne familieleden. Al die pyramiden zijn graftomben
van een of ander vorstelijke familie. Zeer zeker een zeer eigenaardige
manier om zijn lijk te laten bewaren.

Een geheel anderen indruk verwekt de Sphinx, waarvan zoovele
bewonderaars van Egypte zoovele romantische verhalen, weten te
doen. Als men Pierre Loti's boeken en herhaalde beschrijvingen over dit
bewonderingswaardige monument leest, en als men in aanmerking neemt,
dat tal van personen in de onmiddellijke nabijheid er van, midden
in de woestijn, in den letterlijken zin van het woord, hunne tenten
opslaan om in de gelegenheid te zijn, dit wonder uit de oudheid onder
alle soort belichting en bij zonsopgang en zonsondergang te zien en te
bestudeeren, dan begrijpt men zeker, dat ik mij aan eene beschrijving
er van niet waag. Ik zag het op een mooien zonnigen namiddag; ik
vleide mij in het warme mulle zand aan den voet van het monster neder
en observeerde wat deze mannenkop op leeuwenlichaam mij te vertellen
zou hebben. En het vertelde mij zulke geheel andere zaken als die ik
er van gelezen had, dat ik ze niet waag neer te schrijven. De nuchtere
impressie, die ik het allereerst kreeg, was, dat het zeer te betreuren
is, dat deze reuzenkop zijn neus verloren heeft, dat er een hak uit de
lippen is en dat de nek de helft van zijne afmetingen heeft verloren,
maar na eenigen tijd maken deze mankementen niet meer den hoofdindruk
en beginnen de mysterieuse oogen te spreken. Maar, zooals ik reeds
opmerkte, wat die mij te vertellen hadden, behoud ik voor mij zelf.

Moskeeën zijn in Caïro over de vijfhonderd, daaronder zijn er heel
mooie en heel oude, maar wij zijn er hier maar enkele binnen gegaan,
omdat wij in de laatste weken zooveel van die dingen zagen, dat wij
er nu voorloopig genoeg van hebben.

Als overal in deze soort steden gevoel ik mij hier het meest
aangetrokken tot het volksleven, geen dag gaat er voorbij, waarop
ik niet een korten tijd hier in den bazaar doorbreng. Bazaar
heeft in deze oriëntale steden eene andere beteekenis dan wij er
gewoon zijn aan te hechten. De bazaar is dat gedeelte van de stad,
waar alle handwerkslieden hun bedrijf uitoefenen en hunne winkels
hebben. Het is een complex van zeer nauwe straatjes, die als in een
doolhof in elkaar loopen en waar in elk straatje een afzonderlijk
beroep wordt uitgeoefend. Er is een straatje voor de schoenmakers,
een voor de goudsmeden, de koperwerkers, de kappers, de kleermakers,
enz. enz. Het beroep wordt altijd in de kleine open ruimte uitgeoefend,
die tegelijkertijd ook het winkeltje is. De straatjes zijn zoo nauw,
dat men elkaar er nauwelijks in passeeren kan. In die nauwe, bont
gekleurde straatjes in Caïro vindt men het echte Egyptische leven. Het
lijkt op dat van alle oostersche steden, maar het heeft toch hier
zijn bijzonder karakter en zijne eigen bekoorlijkheid. Behalve dat de
eigenaars van de winkeltjes elken voorbijganger nopen tot staanblijven
om zijne waren te bezien, "kijken kost niets" hoort men in alle talen
en in alle toonaarden telkens opnieuw zich toeroepen, maar ook de vele
wandelende winkeliers, mannen, behangen met een heelen winkelinhoud,
sporen je telkens aan hetgeen zij te koop aanbieden te bezien en
iets van hen te koopen. Tusschen het geschreeuw van dezen hoort
men onophoudelijk het rinkelen van glazen en kopjes van kooplieden,
die behangen zijn met het een of ander vaatje, gevuld met smakelijk
vocht uit een café, die de menschen willen aansporen een glas of een
kop leeg te drinken van het door hen aangeboden lekkere vocht, dat
dikwijls niets anders is als water met een of ander geurtje. Komt men
één oogenblik in een beetje breeder straatje, dan kan men onophoudelijk
plaats maken voor de ezeltjes, die aan weerszijden behangen zijn met
vruchten, groenten of ook wel allerlei andere koopwaren, die door
den drijver van het beest op luiden toon en met veelzijdige gebaren
te koop worden aangeboden. Dat alles en onnoemelijk veel meer geeft
een levendigheid, geroezemoes en kleurigheid aan dit interessante
stadsdeel, dat beter geschilderd dan beschreven kan worden.

Hoewel ook dit Oostersch volk een eigen opvatting van zindelijkheid
heeft, is het hier toch oneindig veel zindelijker en hygiënischer
dan in Jeruzalem en Syrië. Ook is het volk hier beter gekleed. De
Arabier schijnt er een eer in te stellen zijne kleederen zoolang
te dragen, tot zij hem van het lijf vallen en blijkbaar worden zij
in al dien tijd dan ook nooit gereinigd; de Egyptenaar, voor zoover
die zich ten minste in de straten vertoont, schijnt juist zeer veel
aan goede en mooie kleeding te hechten. Vooreerst is het opvallend,
zoo goed en smaakvol hier iedere man en vrouw geschoeid gaan, bij
het volk zijn vooral roode en gele schoenen zeer in den smaak, en
dan zijn de lange kleederen en de hoofdbedeksels van de Egyptenaren
steeds van zulke mooie harmonieerende kleuren en van zulk een goede
kwaliteit, dat men onwillekeurig de verkeerde conclusie gaat trekken,
dat de kleedingstoffen en het maken er van hier weinig geld kosten.

Doordat de Mohammedanen, en die vormen hier natuurlijk de groote
meerderheid van de bevolking, hun Zondag of wekelijkschen rustdag
op Vrijdag vieren, de Joden op Zaterdag en de Christenen op Zondag,
daardoor is hier nooit een dag in de week, dat alle werk stilstaat
en alle winkels gesloten zijn, of dat zoo'n dag een bepaald karakter
heeft. Alleen de musea en andere openbare instellingen zijn des
Vrijdags gesloten, de Mohammedanen houden echter hunne winkeltjes
tusschen de godsdienstoefeningen open. Donderdag is vooral een
levendige dag in de volksbuurten van Caïro, het is de dag vóór hun
Zondag en evenals de Jodenbuurt in Amsterdam op Vrijdag een bijzonder
cachet heeft, zoo is dat hier het geval op Donderdag.

Als men in die straatjes ronddwaalt, gebeurt het soms, dat men
plotseling komt op een plekje, waar een oude man met acht of tien
jongens op een mat luid zitten te zingen. Dat is dan een zekere soort
school, waar de jongens niets anders leeren als den Koran lezen. Ik
kreeg echter niet den indruk, dat de jongens den Koran leeren lezen,
veel meer, dat zij die van buiten leeren en in den goeden toon leeren
zingen. Het onderwijs is ook hier nog zeer slecht, maar daarover
schrijf ik later, als ik eerst wat scholen gezien heb; verplicht
onderwijs bestaat er niet en tal van analphabeten komen hier voor.

Er zijn hier natuurlijk nog tal van bezienswaardigheden, die ik
hier dan ook successievelijk als een goed toerist ben gaan zien,
doch die daarvan meer wil weten moet maar eens een Baedeker koopen en
die nalezen. De musea, hoewel zeer interessant en een herhaald bezoek
overwaard, hebben toch naar mijne meening geen grooter en uitgebreider
collectie Egyptische bijzonderheden, dan er in het Britsch Museum te
Londen te vinden is.

De groote aantrekkelijkheid, die Caïro voor vreemdelingen bezit, moet
gezocht worden in het overheerlijk klimaat. Dat klimaat lokt elken
winter tal van vreemdelingen en doet hen hier de drie of vier natte,
koude wintermaanden in eigen land ontvluchten. Nu in het einde van
December genieten wij hier elken dag van een heerlijken zonneschijn,
met een temperatuur van 60 à 70 graden Fahrenheit en daarbij een
door en door droge lucht. De avonden zijn koud, maar van een droge,
windstille koude, die niet onaangenaam aandoet. Toch werkt dit klimaat,
als men hier pas komt, dikwijls zeer noodlottig. Door het frissche,
opwekkende weder, meent men hier in staat te zijn veel te kunnen doen
en vooral den geheelen dag in de lucht te kunnen vertoeven. Men gaat
's morgens uit en men gaat weder direct na de lunch uit en blijft
buiten tot de hotelgong roept om zich voor het diner te kleeden en
men verwondert zich dan, dat men na een paar dagen geheel op is en
niet in staat nog eenige indrukken in zich op te nemen. Als men
dan niet door de hier veel voorkomende ziekte, "zonlichtkoorts",
wordt aangetast, mag men van geluk spreken. Dit is een koorts, die
de patiënten vrij onverwacht overvalt, met een temperatuursstijging
tot 40 graden toe, en die met hoofdpijn, roodgezwollen gezicht en een
onaangenaam ziektegevoel gepaard gaat. Eenige dagen bed-rust brengt
dan wel weder evenwicht in het gestel, maar de patiënt betaalt toch op
een leelijke manier tol voor zijne onvoorzichtigheid, die dikwijls het
gevolg is van te veel op een dag te willen doen. Denk niet, dat ik
zelf de dupe was van deze ziekte, maar ik had gelegenheid een geval
van nabij gade te slaan.

Is men hier echter voorzichtig, door alleen 's morgens of alleen
's middags uit te gaan, dan kan men hier in den tijd, dat 't in ons
kikkerland, donker, nat en koud is, een heerlijken tijd doorbrengen en
veel van het mooie weder genieten. Op den duur schijnt het klimaat
toch ook hier afmattend te zijn; een Engelsche militaire dokter
vertelde mij, dat een verblijf van vier of vijf jaar de energie van
de meeste jonge menschen hier geheel doodt en men ze dan eerst weder
voor geruimen tijd naar Europa moet sturen om nieuwe krachten en moed
te verzamelen. Dit komt mij een beetje overdreven voor, maar ik ben
hier in den winter, of wat hier winter genoemd wordt en kan dus over
de zomermaanden niet oordeelen.

Voor wat het toeristendeel van Egypte betreft, kan men gerust zeggen,
dat het voor 3/4 deel aan het toeristenbureau van de firma Cook
toebehoort. Booten, hotels en andere dergelijke gelegenheden, die
men op reis moet benutten, zijn bijna zonder uitzondering in handen
van Cook's firma en hoe men zich hier wendt of keert, men komt bijna
altijd weder bij Cook terecht. Daardoor is alles hier bovenmatig
duur en wordt er bovendien door die firma een overdreven reclame
voor Egypte gemaakt, die zeer zeker bedriegelijk is. Afgezien van
het gunstige klimaat in den winter, waardoor zwakken en zieken hier
'n goede verblijfplaats vinden, is Egypte hoofdzakelijk van bijzondere
interesse voor archaeologen, historici en architecten, doch de gewone
toerist kan zich voor minder geld in verschillende andere oorden
van de wereld evengoed amuseeren. Wil men de wereld zien, dan moet
men natuurlijk ook Egypte zien, maar men late zich niet verlokken
naar Egypte te komen alleen op de reclameplaten en advertenties,
uitgaande van de firma Cook & Co.

Ik heb thans wat Engelsche, hier wonende, heeren en dames en eenige
Egyptische doctoren leeren kennen; wat die mij in de volgende dagen
van Egypte zullen laten zien, daarover hoop ik in een volgenden brief
te schrijven.



II.


Als men als gewoon toerist maandenlang in Europa reist, dan kan
het gebeuren, dat men in al dien tijd niets verneemt wat in direct
verband staat met godsdienst; dat men met de menschen, waarmee men
in aanraking komt, nooit over godsdienstkwesties spreekt, dat men
dikwijls niet weet--en dat het ons ook niet interesseert--tot welken
godsdienst die menschen behooren. Het is in den regel voor den gewonen
toerist van heel weinig belang, of de bewoners van een of ander land
in Europa in hoofdzaak Protestant, Jood of Katholiek zijn. Slechts
bij toeval zal zulk een onderwerp den reiziger bezighouden.

Geheel anders is dit in de orientalische landen; daar dringt de
godsdienst zoo op den voorgrond, dat elke reiziger er nota van moet
nemen, dat hij onwillekeurig een van de hoofdonderwerpen wordt,
waarover men denkt en spreekt, dat hij met al het bezienswaardige
zoo is samengeweven, dat men niets kan gaan zien, over niets kan
lezen of hooren spreken, zonder dat de godsdienst der bewoners van
het land er ten nauwste in betrokken is, er het hoofdbestanddeel of
het uitgangspunt van vormt.

Reeds merkte ik dat op in Zuid-Afrika, vooral daar, waar wij in
aanraking kwamen met de inboorlingen en ook zelfs bij de Afrikaners,
maar het trad steeds meer naar den voorgrond in de verschillende
plaatsen aan de Oostkust van Afrika, die wij aandeden, doch toen wij
in Arabië kwamen was daar natuurlijk alles geheel en al met godsdienst
doortrokken. Daar was letterlijk niets anders te zien, daar werd over
niets anders gesproken en van elkeen, die wij op onzen weg ontmoetten,
kon men aan kleeding en uiterlijk onmiddellijk vaststellen, tot welken
godsdienst hij behoorde.

In Egypte is dat bijna even sterk het geval. Niet alleen verhalen alle
pyramiden, sphinxen, moskeeën van den godsdienst der Egyptenaren,
maar ook alles wat wij in de musea vinden, getuigt op een of andere
wijze daarvan. Van één instelling, die eenig op de wereld is, wil
ik hier het een en ander vertellen. Het is de moskee El-Azar, die
als moskee niets bijzonder merkwaardigs heeft, maar die dient tot
theologische universiteit van Egypte, een universiteit zooals nergens
meer gevonden wordt. Deze universiteit dateert uit de tweede helft
van de tiende eeuw en is door al die eeuwen heen zoo goed als niets
van karakter veranderd. Ongeveer 10.000 studenten bezoeken jaarlijks
deze theologische school en in de paar laatste jaren is dat getal
tot over de 12.000 gestegen. Ruim 350 leeraren geven er onderwijs.

Deze studenten komen niet alleen van heel Egypte, Opper-, Lager-
en Oost-Egypte, doch zij komen van heel Azië, van Constantinopel,
Damascus, Mekka, Alexandrië, Britsch Indië en van Java en Sumatra. Waar
Mohammedanen zijn, van daar komen ook jonge mannen om hier tot priester
te worden opgeleid. De studenten betalen niets voor hunne opleiding
en als zij arm zijn--en zoo zijn er velen--worden zij ook nog van
brood en een zeker soort soep dagelijks voorzien en dan slapen zij
in de moskee. Men weet, dat de Mohammedaan eenvoudig zijn mat spreidt
en zich dan daarop, onverschillig waar, te slapen legt.

Het maakt een verrassenden indruk, als men deze moskee bezoekt, dat men
daar op den grond, met de beenen kruislings onder zich, die duizenden
mannen vindt, van af jongens van ongeveer 12 jaar tot oude grijsaards,
allen in groepen verdeeld en allen bezig een of ander onderdeel van
hun godsdienst te leeren, of datgene wat zij beschouwen in verband
te staan met hun godsdienst. De jonge jongens en ook de ouderen,
die uit andere landen komen, hebben eerst het Arabisch in de fijnste
bijzonderheden te leeren, alvorens zij tot de hoogere studie kunnen
worden toegelaten, doch ook voor degenen, die direct aan de eigenlijke
theologische lessen kunnen deelnemen, duurt de opleiding van vier
tot zes jaar. Velen komen in al dien tijd de moskee niet uit. Er zijn
zelfs mannen, die hun geheele leven aan deze studie blijven wijden,
die blijven doorstudeeren of blijven als leeraar. Zoo'n leeraar wordt
sheik genoemd. Er waren er velen met zeer eerbiedwaardige gezichten,
gezichten, waarvan men gaarne een foto zou willen nemen, of die voor
een schilder 'n mooi model zouden zijn. De sheiks worden ook alleen
door piëteit tot hun taak gedreven, hunne belooning is niet veel meer
dan waarvoor zij amper hun levensonderhoud kunnen bekostigen en eer
of aanzien is aan hun ambt niet verbonden.

Het leerprogram komt hoofdzakelijk hier op neer: Zij, die niet
genoegzaam Arabisch kennen, moeten eerst grondig die taal leeren. Dan
worden hun de gronden van het Mohammedanisme, van God en zijn profeet
Mohammed, onderwezen en daarna leeren zij eerst jurisprudentie,
wetgeving. De Mohammedanen gelooven, dat een priester de wetten
moet kennen, omdat de wetten moeten bevatten de voorschriften van
God, in betrekking tot de handelingen der menschen;--dat God heeft
voorgeschreven en in den Koran heeft vastgelegd de plichten, die
de mensch heeft te vervullen, de handelingen, die hij bij voorkeur
moet doen en andere die hij beslist moet nalaten. Uit gegevens uit
den Koran wordt den studenten geleerd, welke wetten in de wetgeving
van het land moeten worden opgenomen. Bovendien leeren de studenten
hoe zij den Koran moeten zingen; verder logica, rhetorica en poëzie,
terwijl eerst onlangs ook wat aardrijkskunde aan het leerplan is
toegevoegd. Heel hoog en heel ver gaat de ontwikkeling dus niet.

De gezichten van de studenten, uit zoovele verschillende deelen van de
wereld komende, zijn voor den bezoeker 't bestudeeren waard. Niemand
van al die leerlingen toonde eenige belangstelling voor al de bezoekers
van de Moskee, ongestoord gingen de lessen door en men kon zien,
dat de aandacht der studenten ononderbroken was. Toch deed het
mij onaangenaam aan, dat zoovele toeristen, door niets anders dan
nieuwsgierigheid geleid en klaarblijkelijk dikwijls niets begrijpend
van de heilige geestdrift, die deze jonge mannen bezielt, daar in
dat voor hen heilige der heiligen binnenkwamen, deze jonge mannen
fixeerden en somtijds achter hun zakdoek een lach onderdrukten, of
hun spottend gelaat verborgen. De Mohammedanen moeten wel goedmoedige
en vredelievende menschen zijn, om al de profanatie te verdragen,
die de vreemdelingen jaarlijks in hun land en over hunne heilige
instellingen brengen.

Al de kosten aan het onderhoud van deze universiteit verbonden worden
betaald uit de fondsen van de Moskee. In den loop der eeuwen zijn
zoovele en zoo groote giften en erfenissen aan deze instelling ten
deel gevallen en nog jaarlijks komen er zooveel nieuwe groote giften
in, dat het bestaan er van financieel verzekerd is.

Ofschoon niet bepaald met Egypte in verband staande, maar wel passende
in het kader van dezen brief, wil ik hier het een en ander mededeelen
van een nieuwen godsdienst, waarvan, voor zoover mij bekend, in
Holland nog weinig of niets gehoord wordt en die in de toekomst toch
zeker een rol in de wereldgeschiedenis zal spelen. In hoeverre deze
godsdienst zich zal weten te handhaven en uit te breiden, waag ik niet
te profeteeren, maar de volgelingen verwachten ervan, dat hij binnen
niet al te langen tijd eenheid zal brengen onder de menschen en dat
hij in staat zal blijken Jood en Christen, Katholiek, Mohammedaan,
Boeddhist, Hindoe en alle andere godsdienstsekten te voldoen.

Ik bedoel het Béhaïsme. Reeds in Zuid-Afrika hoorden wij er nu en dan
van, doch meestal onder zeer bedekte termen, zoodat wij niet recht
begrepen wat de beteekenis er van was en eerst langzamerhand tot
ons doordrong, dat het een godsdienstvorm moest zijn. Zoodra toch
degeen, die 't genoemd had, bemerkte, dat wij er niets van wisten,
werd het gesprek er over dadelijk afgebroken en op een ander onderwerp
overgebracht. In Arabië noemde onze dragoman het even, toen wij den
berg Karmel in het gezicht kregen, als de plaats waar de Behaïs het
stoffelijk overschot van hunnen Meester hebben begraven en waar zij
zijn graftombe bouwden. Onze dragoman wist of vertelde er echter niets
meer van. Dikwijls hebben mrs. Catt en ik elkander afgevraagd, wat
toch die Behaïs mogen zijn, en nu hier in Egypte, geheel onverwacht,
geheel ongezocht,--wij wij dachten niet meer aan hen--hier kwamen wij
precies terecht in een groote groep volgelingen en meenden deze in ons
geschikte objecten te vinden, om ons tot hunne geloofsovertuiging over
te halen. Evenals in alle groote bewegingen, stellen wij ook in deze
beweging, die vele zeer ontwikkelde volgelingen bezit, groot belang;
woonden wij een der wekelijksche bijeenkomsten bij en lieten wij ons
door de hoofdpersonen in alle onderdeelen voorlichten.

In het kort komt hetgeen ik vernam hierop neer: In 1844, het jaar,
dat in verschillende heilige geschriften is aangeduid, als het jaar,
waarin een nieuwe profeet zou verschijnen, verklaarde een jonge
man van 25 jaar, Mirza Ali Mohammed, in de stad Shiraz, in Perzië,
dat hij de menschheid een boodschap van God had te brengen, dat hij
daarvoor door God was geroepen. Men gaf hem toen den naam "Bab", die
poort beteekent en geloofde, dat God deze poort gebruikte, om tot de
menschheid door te dringen. Hij werd de voorlooper en de stichter van
deze groote godsdienstige beweging. Hij bracht zijn boodschap en maakte
in korten tijd vele volgelingen. De snelle verspreiding van zijne
leerstellingen verontrustte de Perzische regeering, die hem gevangen
nam en in Juli 1850 te Tabriz fusilleerde. Ook de volgelingen van Bab,
voor zoover zij bekend waren, werden gevangen genomen en gedood.

De leer van Bab was heel eenvoudig. God is eenig; hij zendt van
tijd tot tijd een profeet op de wereld, die juist zooveel van de
Waarheid brengt aan de menschheid, als de menschheid in staat is
op dat oogenblik te verdragen, te begrijpen is misschien een beter
woord. Zoo kwamen Boeddha, Mozes, Jezus en nu Bab. Boeddha en Mozes
vonden de menschheid in de zuigelingsperiode, Jezus kwam, toen de
menschheid in de kinderjaren was en Bab vond de menschheid in volwassen
leeftijd. Vandaar, dat zijne leerstellingen verder kunnen gaan dan
die van Jezus, de menschheid kan nu beter begrijpen, grooter daden
verrichten. Bab wees 18 volgelingen als discipelen aan, waaronder
eene vrouw, Kurru-t'ul-Ayn, die een beroemde Perzische dichteres en
zeer schoon was. Deze vrouw, bij het Perzische volk zeer geliefd
om haar groote goedheid en groote zeggingskracht in hare werken,
werd na den dood van Bab letterlijk ter dood gemarteld. Met deze 18
discipelen tot hulp werden de leerstellingen van Bab geboekstaafd.

Onder de volgelingen van Bab was een jong Perzisch edelman,
die in Teheran woonde en daar als gevolg zijner weldaden den
"Vader der Armen" werd genoemd. Zijn naam was Béha-ullah en hij
werd beschouwd als de Meester, waarvan Bab in zijne geschriften
gewaagde, die komen zou om zijne leerstellingen te verbreiden. Het
zou mij te ver voeren, als ik al de vervolgingen waaraan Béha-ullah
van de zijde der regeering blootstond, en al de vernederingen, die
men hem aandeed, hier zou mededeelen; zij doen heel veel denken aan
alles, wat de eerste volgelingen van een nieuw geloof steeds hebben
ondervonden. Niettegenstaande dit alles bleef hij tot 28 Mei 1892 in
leven, toen hij als gevangene op 75-jarigen leeftijd stierf te Akka,
een plaatsje in de nabijheid van den berg Karmel, den berg van zoo
groote Bijbelsche beteekenis. Vóór zijn dood schreef hij, dat zijne
volgelingen, die in Turkije tot tienduizenden zijn aangegroeid, zijn
oudsten zoon, Abdul Béha, moesten volgen, dat hij "de Grootste Tak"
was, die het werk op aarde zou vervolgen en tot grooter ontwikkeling
brengen.

Deze zoon, die reeds met zijn vader verbanning, vervolging en
gevangenschap had verduurd, werd nu weer het mikpunt der regeering,
totdat, nu bijna vier jaren geleden, de nieuwe Turksche regeering,
in 1908, hem in vrijheid stelde. Sedert heeft de thans 67-jarige mooie
grijsaard herhaaldelijk Amerika en in den laatsten tijd ook Engeland en
Frankrijk bezocht. In Amerika maakte hij duizenden volgelingen, vooral
in Chicago, den grond, waarop blijkbaar alle nieuwe godsdienstige
uitingen zoo welig vrucht leveren. Maar ook in Engeland en in Frankrijk
heeft hij, vooral onder de intelligente (of die daarvoor in den regel
doorgaan) menschen reeds vele aanhangers gevonden.

Wat bevatten de leerstellingen van Béha, wat beoogt deze
godsdienst? vroeg ik. Uit de antwoorden, die ik kreeg, en uit hetgeen
men er mij over te lezen gaf, zou ik concludeeren, dat de kern
er van een soort geestelijk socialisme is, een streng doorgevoerd
humanisme. Rondom die kern zit voor mij nog te veel mysticisme en
wordt er nog te veel waarde gehecht aan het bidden. Overigens kent
het Béhaïsme geen priesterdom, de wekelijksche bijeenkomsten worden
geleid door een of ander uit de aanwezigen, soms daarvoor de week te
voren reeds aangewezen. Zelfontwikkeling en daarmede ontwikkeling
van anderen en philantropie in den goeden vorm, maken de hoofdzaak
uit van de handelingen der Béhaïs, die ik hier ontmoette. Op mijn
vraag, of men in Holland reeds volgelingen had, werd mij gezegd,
dat er misschien eenigen in Leiden voorkomen, maar dat in Holland
nog nooit een poging gedaan is om openlijk volgelingen te kweeken.

De Béhaïs durven nog niet openlijk voor hun geloof uitkomen, ten minste
niet in Turkije, waar zij aan zoovele vervolgingen hebben blootgestaan
en waar zij zich volstrekt nog niet veilig gevoelen. Zij zeggen nog
een woord, waaraan zij elkander kunnen kennen, of zij dragen een
herkenningsteeken in den vorm van een ring, een zeker soort doek- of
dasspeld, of een of andere kleinigheid aan horlogeketting. In Amerika
en in de Europeesche landen zijn zij minder bang voor vervolging,
maar meenen zij ook daar eerst meer volgelingen te moeten kweeken,
alvorens zij openlijk getuigen. Dit laatste valt heelemaal niet in
mijn geest, maar ik durf hen niet veroordeelen, nadat ik vernam,
hoeveel zij te lijden hebben gehad en dat niet alle volgelingen
sterke naturen zijn, en maatschappelijk onafhankelijk genoeg, om de
verdrukking te kunnen doorstaan.

Dat het Béhaïsme zoovele aanhangers vindt onder de Mohammedaansche
vrouwen, is te begrijpen. In de voorschriften toch is ook opgenomen:
volkomen gelijkstelling der seksen en wordt er aan het onderricht
der meisjes, de toekomstige vrouwen en moeders, groote waarde
gehecht. De Mohammedaansche vrouwen hopen door dezen godsdienst
groote verbeteringen in haar lot te verkrijgen, van den door haar zoo
gehaten sluier verlost te worden en hare harems te mogen verlaten. Een
harem beteekent hier niet datgene, wat wij gewoon zijn er onder te
verstaan. Een man, die streng monogaam leeft, heeft in zijn woning
toch een harem. Harem beteekent niets anders hier dan dat gedeelte
van het huis, waarin alleen de vrouwen van het gezin vertoeven en
waarin een vreemde man, een, die niet tot het gezin behoort, nooit
zijn voet zet. De vrouwen van het gezin in een monogaam huwelijk
zijn de moeder van den man, zijne echtgenoote, dochters, indien die
er zijn, en vrouwelijke bedienden. Binnen de grenzen van den harem
gaan de vrouwen ongesluierd en dragen Europeesche kleederen.



III.


Een geheelen dag bracht ik door in de Egyptische medische school,
in de universiteit, waar de Egyptische jonge mannen tot medecinae
doctores worden opgeleid. Zij is verbonden aan een zeer groot
gouvernementshospitaal, wordt geheel door Egyptisch geld onderhouden,
maar staat overigens geheel onder leiding van Engelsche krachten. De
directeur van het hospitaal, die tegelijkertijd aan het hoofd der
universiteit staat, is een Brit. Al de hoofdverpleegsters uit het
hospitaal zijn zusters uit Groot-Brittannië en vele professoren en
leeraren komen ook van daar. Er zijn een paar Duitsche professoren,
een Fransche, een Deen en een uit Turkije. Alle lessen worden in het
Engelsch gegeven en zoo sterk regeert Engeland hier, dat de directeur,
dr. Keatinge, mij zeide, dat lord Kitchener reeds de 300.000 pond
had toegestaan, die noodig zijn om een nieuw hospitaal te bouwen. Op
mijn vraag of dit geld dan uit Engeland moest komen voor deze zuiver
Egyptische instelling, ontving ik ten antwoord: "O, neen, het Turksche
gouvernement heeft het te geven, maar lord Kitchener kan het verzoeken
dat te doen." Een nieuw gebouw is zeer zeker geen weelde, het hospitaal
is nu geplaatst in een oud kasteel, dat later voor kazerne dienst deed,
door Napoleon voor hospitaal werd ingericht en sedert als zoodanig
dienst doet. Het voldoet in geen enkel opzicht meer aan de eischen,
die men thans aan een hospitaal mag stellen. Toch hebben de Engelsche
doktoren en verpleegsters er van gemaakt wat er van te maken is,
zoodat de patiënten tenminste overal genoeg frissche lucht, licht
en zindelijkheid vinden, maar voor comfort van de arme zieken, voor
comfort van doktoren en verpleegsters is niets aanwezig en ook aan
onze tegenwoordige begrippen van hygiëne beantwoordt het gebouw in
't geheel niet.

Niet alleen worden hier de studenten tot medische doktoren
opgeleid, maar aan deze instelling is ook verbonden, de opleiding
van verpleegsters en vroedvrouwen. Een allerdwaaste combinatie, die
tot heel veel misstanden en immoreele verhoudingen aanleiding geeft
en die door alle aan deze instelling verbonden leeraren, doktoren
en verpleegsters om het zeerst wordt afgekeurd. De meisjes die hier
worden opgeleid tot toekomstige verpleegsters en vroedvrouwen, moeten
in het land voorzien in de behoefte der Mohammedaansche vrouwen aan
medische hulp, vooral bij verlossingen. Een Mohammedaansche vrouw
laat geen mannelijke dokter aan haar kraambed komen, zelfs niet in de
allerzwaarste gevallen. Zij worden dan door oude vrouwen bijgestaan
en maar al te dikwijls is een zeer pijnlijke dood het einde van een
kraambed. Door de opleiding van deze vroedvrouwen hoopt de regeering
de vrouwen uit het volk in dezen ter hulp te komen. Dat zou wel goed
zijn, als die meisjes een zekere ontwikkeling bezaten, een bepaalden
leeftijd moesten bezitten, vóór zij tot deze studie konden worden
toegelaten en indien zij gekozen konden worden uit een moreel hoog
staande klasse. Dat alles is hier niet het geval. Meisjes van 12,
13 en 14 jaar, ouderen zijn uitzondering, die niet lezen en schrijven
kunnen, die niet uit toewijding, maar omdat zij geen tehuis hebben,
zich voor dit doel in het hospitaal laten opnemen, komen hier, om in
drie of vier jaar tijd als verpleegster en vroedvrouw het hospitaal te
verlaten en hebben dan het recht, niet alleen in de gewone gevallen
haar assistentie te verleenen, maar zelfs de forceps te gebruiken en
keeringen te verrichten. Bovendien is de soort waaruit deze vrouwen
gerecruteerd worden van dien aard, dat zij maar al te dikwijls
prostitutie als bijvak uitoefenen, of de gezinnen waarin zij hulp
verleenen, zeer immoreel beïnvloeden.

Deze menschen zijn in den regel kinderen, die reeds vroeg door hun
vader aan een of ander man tot echtgenoot zijn gegeven of verkocht
en die, na eenige weken huwelijksleven door den echtgenoot weer naar
huis worden gezonden, alleen en dikwijls om geen andere reden, dan dat
hij er genoeg van heeft. Neemt de vader haar niet weder in huis op,
dan blijft er voor haar niets anders over, dan op straat een minder
eerbaar leven te leiden of naar het hospitaal te gaan. Ook als een
vrouw door haar man gedivorceerd wordt, dan behoudt hij de jongens,
doch de meisjes worden met de moeder weggestuurd en daarvoor behoeft
hij haar voor onderhoud niets te betalen. Zoodra zulke meisjes
den 12-jarigen leeftijd bereikt hebben, stuurt de moeder haar
dochter naar het hospitaal, om haar ten minste eten en onderdak te
bezorgen. Nu worden wel alle mogelijke voorzorgen door doktoren en
hoofdverpleegsters genomen, om deze meisjes, dertig in getal (meer
kunnen er terzelfder tijd niet worden aangenomen) van de driehonderd
studenten te scheiden, maar het menschelijk vernuft is scherp, vooral
in zulke omstandigheden, en men weet maar al te goed, dat deze meisjes,
zoo pas uit de afzondering van de harems in vrijheid gekomen, deze
vrijheid niet beter weten te gebruiken, dan op de een of andere wijze
één of meer van de jonge studeerende mannen aan zich te binden. Moeten
zij bevallen en hebben zij het geluk een jongen het leven te geven,
dan is de vader van het knaapje, eo ipso, met de moeder gehuwd, heeft
voor haar en het kind te zorgen en het kind draagt zijn naam. Hij kan
haar dan wel na een week weder wegsturen, maar het kind blijft het
zijne. Tot de jongen zeven jaar oud is, moet hij de moeder wekelijks
een som geven, tot onderhoud van het kind en zoodra het zeven jaar is,
kan hij het tot zich nemen of voortgaan de moeder voor het onderhoud
te betalen. Bevalt zij echter van een meisje, dan bestaat er tusschen
haar en den verwekker van het kind geen verband en behoeft hij zich
van het geheele geval niets aan te trekken.

Dat ook de omstandigheid, om zulke jonge meisjes op de ziekenzalen
reeds allerlei soort werk te laten verrichten en haar bij verlossingen
te laten assisteeren, haar te laten onderrichten door mannelijke
doktoren in alles wat met het sexueele leven in verband staat, op
velen geen goeden invloed uitoefent, is te begrijpen. Men moet deze
meisjes niet met de onze vergelijken; zij zijn van te voren in groote
afzondering van de mannenwereld grootgebracht; 't sexueele leven,
zoo 't kan in 't huwelijk, is haar voorgesteld, als de eenige bron,
waaruit en waardoor alles moet komen, wat zij voor levensonderhoud
en misschien een beetje levensgeluk, noodig hebben. Daarop zijn al
haar gedachten, al haar handelingen geconcentreerd en dit heeft bij
haar natuurlijk een soort broeikast-ontwikkeling in deze sfeer ten
gevolge gehad. Een der doktoren zeide mij dan ook, "men veronderstelt,
dat wij jaarlijks een dertigtal vroedvrouwen afleveren, maar eerlijk
gezegd, leveren wij voor twee-derde van dit aantal prostituees af!"

De studenten, die later doktoren hopen te worden, hebben een
vierjaarlijksche opleiding. Het eerste jaar in hoofdzaak anatomie
en physiologie en de twee laatste jaren aan het ziekbed. Dan kunnen
zij hun eindexamen afleggen en zijn gerechtigd de geheele medische
praktijk uit te oefenen. Een groot aantal echter gaat tot completeering
van hun studie alsdan naar Parijs, Londen, Weenen, Berlijn of Amerika
en vestigt zich later als specialiteit in een of ander onderdeel der
medische wetenschap.

De studie is hier zeer goedkoop. Boeken, microscopen en alle andere
studiebenoodigdheden worden door de universiteit verstrekt; die niets
betalen kan, betaalt ook geen studiegeld en voor de anderen is het 15
pond jaarlijks. Verder kunnen de studenten hier zeer goedkoop leven,
zoodat slechts weinigen om financieele redenen van de studie in de
medicijnen zijn uitgesloten. Toch bestaat het meerendeel der medische
studenten uit jonge mannen uit de gegoede kringen.

Het pathologisch anatomisch laboratorium van deze universiteit
verschilt van vele andere, omdat het zoovele exemplaren bevat uit
den voor-historischen tijd. Ik zag er schedels en beenderen, zelfs
intacte inwendige organen, die toebehoord hebben aan menschen van
drie- en vierduizend jaren vóór de Christelijke jaartelling. Hoewel
de mummies alle ontdaan zijn van hunne inwendige organen, is toch
bij vele een deel van de genitaalorganen mede gemummificeerd en in
de sarcophaag nedergelegd. Hiervan waren eenige zeer goed gebleven
exemplaren in het laboratorium aanwezig.

Ook zag ik er de mummie van een man, die ongetwijfeld aan tuberculose
gestorven moet zijn en bij wien de opgedroogde tubercelbacillen
onweerspreekbaar gevonden zijn. Deze man was 3600 jaren vóór onze
jaartelling gestorven. Ook is het duidelijk, dat kanker in dien
tijd reeds voorkwam, ook daarvan waren enkele gevallen aanwezig. De
syphilisbaccil, waarnaar zoo geregeld gezocht wordt, werd tot dusverre
nog niet gevonden. Hieruit kan men natuurlijk nog niet vaststellen,
dat deze ziekte bij de oude Egyptenaren niet voorkwam. Ik durf niet
door gaan met het opsommen van alles wat ik hier voor merkwaardigs
zag, dit deel van mijn brief zou dan voor vele lezers ongenietbaar
worden. Zelden was ik in een inrichting van onderwijs, waar professoren
en leeraren zich zooveel moeite geven om den leergierigen bezoeker
zoo ten volle op de hoogte te stellen en zij deden dit op zulk een
aangename, gentleman-like wijze, dat zij nog den indruk verwekten,
alsof het voor hen een aangename taak was.



IV.


O, wat vliegen ze voorbij, de dagen in Caïro, ik zou ze zoo graag
willen vasthouden of althans hun vlucht temperen. Als ik er aan denk,
dat ik overmorgen Caïro moet verlaten, om de boot te halen, die mij
naar een ander land brengt, dan stemt mij dat weemoedig. Ik had dat
niet gedacht, toen ik in den aanvang hier kwam; alles maakte toen
zoo'n nuchteren indruk op mij, maar met den dag heb ik de stad en
hare omgeving meer leeren liefhebben, heb ik er al het mooie meer
van leeren waardeeren. Met de geheele stad gaat het als met de
woestijn. Als men die voor het eerst ziet, dan ziet men niets dan
een onmetelijke witte zandvlakte, waarvan het witte glinsterende zand
de oogen pijnlijk aandoet en dan lijkt zij niets als een eenvormige,
levenlooze, eindelooze vlakte te zijn. Maar langzamerhand begint men
de woestijn mooi te vinden, keert men er telkens naar terug en zou
men er dagen in kunnen zitten mijmeren, voelt men zich onwillekeurig
verplaatst en wekt het historische feiten in ons op, uit Egyptische
dagen van voorheen.

Mijn langer verblijf dan ik gewoon ben, in dezelfde stad, heeft mij
ook in aanraking gebracht met meer personen, van wier leven en werken
ik zoo graag meer zou leeren kennen en waarvan enkelen vrienden zijn
geworden, die ik o zoo ongaarne reeds zoo spoedig weder verlaat. Van
die allen en dat alles zou ik zeker tal van brieven kunnen vullen,
maar daarvoor ontbreekt mij de tijd. Toch wil ik van enkele zaken
en over enkele personen hier nog wat zeggen, alvorens ik Caïro voor
goed den rug toekeer. Maar waar te beginnen? Laat mij aanvangen
met te vertellen, hoe hier, even buiten de stad, op ongeveer een
half uur afstand met een automobiel, midden in de woestijn een
nieuwe stad begint te verrijzen, een stad van louter paleizen,
Europeesche paleizen, eenige honderden staan er reeds, met een heel
groot Europeesch hotel in het midden en dat die stad Heliopolis heet
en uit Belgische beurzen wordt bekostigd. Zij ligt in de nabijheid
van de ruïnen van het eens zoo bekende oude Heliopolis, de oudste stad
van Egypte, waar de koningen gekroond werden en waar de geestelijkheid
eene bijzondere vermaardheid bezat.

Maar de nieuwe stad Heliopolis heeft niets met de oude stad gemeen,
die zal niet door oude priesters bewoond en er zullen geen koningen
gekroond worden, alhoewel de Khedive er vlak bij zijn winterpaleis
heeft, maar zij zal door Amerikaansche en Europeesche kapitalisten
bevolkt moeten worden, door menschen met volle beurzen en ziekelijke
lichamen, die hier gedurende de wintermaanden zich willen koesteren
in de felle zon en door de groote droogte van de atmosfeer hopen
verlost te worden van rheumatische aandoeningen. Of er bij de vele en
verschillende gelegenheden in Egypte waarheen de menschen om dezelfde
reden en met hetzelfde succes kunnen vertoeven aan een zoo groote
stad van paleizen behoefte is, of dat het weldra zal blijken, dat
de Belgische maatschappij, die hier met Belgisch geld werkt, groote
financieele verliezen zal lijden, zal de toekomst leeren; dit jaar
wordt door allen, die daarvan moeten leven, ontzaglijk geklaagd, omdat
de vreemdelingen, uit vrees voor den oorlog, dit jaar op zich laten
wachten. De groote hotels in Caïro zijn nog niet ten halve gevuld.

Als men zich hier op een mooien, zonnigen dag een uurtje in den
namiddag op het terras voor het hotel nederzet, en zooals de term
luidt, "Caïro aan zich laat voorbijtrekken", dan ziet men inderdaad
zooveel merkwaardigs, dat men gerust nu en dan thuis kan blijven,
buiten kan gaan zitten, en dan toch een groote hoeveelheid indrukken
te verwerken krijgt. Ik zag deze week op een middag, de gewone
voorbijgangers,--Egyptenaren in hunne lange, mooi-kleurige kleeding,
ezeltjes met hunne menschenvracht, kameelen met suikerriet, graanzakken
of iets anders beladen, kooplieden met Egyptische shawls, Perzische
tapijten, borduurwerk, prentbriefkaarten, gekleurde koralen en vooral
de scarabeeën niet te vergeten, en nog zoovele andere zaken, te veel
om op te noemen, niet medegerekend,--eerst een begrafenis voorbij
trekken met de gebeden-zingende mannen voorop en het lijk gevolgd door
gesluierde vrouwen. Het lijk, in het midden, wordt gedragen door eenige
mannen, die behangen zijn met de attributen of eenige kostbaarheden van
den doode. Zoo'n lijkstoet ziet men hier elk oogenblik van den dag,
vooral van kinderlijkjes. De kindersterfte is hier ontzaglijk groot;
een kinderarts vertelde mij, dat in Egypte de kindersterfte grooter is
dan ergens elders op de wereld. Daar wordt van regeeringswege nog zeer
weinig tegen gedaan, doch van particuliere zijde is men in de laatste
jaren bezig om te trachten hierin verbetering te brengen. Men heeft op
verschillende punten van de stad, in de armenwijken, kinderklinieken
opgericht, waar de moeders met de zieke kindertjes komen; aan één
er van is zelfs een klein hospitaal verbonden, waar de heel ernstige
patiëntjes kunnen worden opgenomen. Een Egyptische moeder is er echter
zeer moeilijk toe te brengen, haar kind in een ziekenhuis achter te
laten; daardoor is dan ook dat hospitaaltje slechts zeer dun bevolkt en
bevat bijna alleen kindertjes, waarvan de moeder dood is, of verlaten
door haar man en familie. Ik zag eenige van deze inrichtingen, die
alle door giften in stand moeten worden gehouden en die, als alle
zuiver philantropische instellingen, tal van gebreken hebben.

Verder zag ik een bruiloftstoet voorbij trekken. Eerst een troep
bont gekleede muzikanten, waarvan de trommelslager het hardst werkte
en het verantwoordelijkste deel voor zijne rekening had. Daarachter
liepen twee mooi versierde kameelen, elk bevracht met minstens een half
dozijn bont toegetakelde kinderen. Dan weder twee even mooie kameelen,
die een sedan-chair, een soort draagstoel, tusschen zich hadden,
waarin het jonge in rose zijde gekleede bruidje met twee familieleden,
waarschijnlijk de beide moeders gezeten waren en daarachter eenige
open rijtuigen, ook bont gesmukt, met familieleden of gasten.

Er was dien middag meer te zien. Plotseling verschenen twee, in wit
satijn, rijk met goud geborduurd, gekleede mannen; uit hun gekleurde
hoofddoek hing achter op den rug een lange staart, ofschoon het geen
Chineezen waren. Zij vlogen voor een rijtuig aan en schreeuwden iets in
't Arabisch, wat beteekent "maak ruimte" of "ga uit den weg".

In het open rijtuig, dat hen op die hielen volgde, zaten twee in
gekleede jas en hoogen hoed gekleede heeren; naast den koetsier op
den bok zat een palfrenier in een steenrood, rijk met goud geborduurd
kostuum. Het rijtuig hield vlak voor het hotel stil, de heeren stapten
uit en brachten een kort bezoek aan een voornaam Engelschman in ons
hotel. Een der heeren, die op die wijze door Caïro's straten reed, was
lord Kitchener. Wel een hemelsbreed verschil bij de eenvoudige wijze,
waarop de Khedive voorbij gaat. Als ik er niet door den portier van 't
hotel opmerkzaam op was gemaakt, dan zou ik in den eenvoudig voorbij
rijdenden man nooit een der grooten op aarde gezocht hebben. Ook
de vrouwen van den Khedive, hij heeft er twee, en de verschillende
prinsessen maken niet zoo'n drukte als zij uitrijden. Ik zag twee
prinsessen in een mooie automobiel. Zij droegen Europeesche kleeding,
een ronde, vilten hoed, waaromheen losjes een witte sluier lag, die
even lichtelijk ook de mond bedekte; dat was de wijze, waarop deze
dames het gesluierd gaan opvatten.

Van een merkwaardig bezoek wil ik nog iets mededeelen. Ik maakte er
verscheidene, maar 't is onmogelijk om van die alle te gewagen. Dit
eene bezoek zal ik echter nooit vergeten. Een Engelsche dame, die in
Britsch-Indië is groot gebracht, zich daar zeer voor den godsdienst der
Hindoe's interesseerde, later naar Perzië trok om een meisjesschool
te stichten, met geen ander doel, dan de Perzische vrouwen te helpen
zich te emancipeeren, later naar Caïro kwam, toen zij haar school
in Perzië in goede handen kon achterlaten, en daar nu een soort
kinderschool heeft, eene vrouw met groote zeggingskracht en vol van
mooie hervormingsideeën, had Mrs. Catt en mij uitgenoodigd een middag
bij haar te komen om eenige heeren, hervormers op theologisch gebied,
te ontmoeten. Wij begrepen niet, waarom wij deze uitnoodiging kregen,
maar deze vrouw hadden wij leeren kennen als iemand, die een hernieuwd
bezoek ten volle waard was en wij begrepen ook, dat wij bij haar
bepaald belangrijke personen zouden ontmoeten.

Toen wij er kwamen, zagen wij er, als de meest opvallende, een klein,
fijn, zwart mannetje, met gitzwarte, zijdeachtige, lange haren, die
hem over de schouders hingen; oogjes, die in schittering concurreerden
met de diamantjes in z'n ooren; gekleed in 'n lang, laat mij zeggen,
kemelsharen kleed en met bloote voeten in sandalen. Hij werd ons
voorgesteld als Shree Shyama Swarma Balyogi, zooals ik later op zijn
naamkaartje zag, als een Hindoe-filosoof. Op zijn naamkaartje stond
zeer bescheiden: "Great Student of Vedant Philosophy". Hij kwam van
Vaso, in de nabijheid van Bombay, Britsch-Indië. Laat mij er direct
aan toevoegen, dat hij op weg is naar Parijs en Londen, alwaar hij
eenige filosophen op theologisch gebied gaat bezoeken. Daarna gaat
hij naar Amerika, om Edison te interesseeren voor een electrisch
apparaat, waarvoor hij de gegevens heeft geput uit de Veda. Als dat
toestel tot stand komt dan zal de geheele medische diagnostiek en
therapie onderst boven worden gekeerd. Wat ik er evenwel dien middag
van vernam maakte op mij meer den indruk een hocus pocus te zijn
dan een ernstige hervorming van hetgeen het beoogt. Dit was echter
slechts een bijzaak. Daarvoor waren die mannen niet bijeengekomen;
zij hadden andere zaken te bespreken.

De tweede en mijns inziens de belangrijkste van de bezoekers was een
Sheik, een trouw Mohammedaan. Hij is echter een hervormer van zijn
godsdienst. Hij wil aan het vele bidden der Mohammedanen, vijf maal
daags en nog al lang, een einde maken en tevens het afzonderen der
vrouwen trachten tegen te gaan. Hij is een man, die in den smaak valt
van den tegenwoordigen Khedive, die zeer liberaal en hervormingsgezind
is, die hem dan ook heeft aangesteld als Universeel prediker en
die hem uit eigen fondsen salarieert. Aly El-Girbi, zooals zijn
naam is en in 't Arabisch op zijn visitekaartje prijkt, heeft geen
vaste moskee waarin hij predikt, hij reist door het geheele land,
predikt in alle moskeeën en trekt overal tal van hoorders. Hij richt
zich vooral tot de vrouwen, vraagt hen vooral onder zijn gehoor te
komen en--naar men mij mededeelde--boeit hij zijne hoorders soms
vijf uur lang achtereen. Hij is bijzonder welbespraakt en poëtisch
en zijne weinige doch veelzeggende handgebaren geven zijne woorden
een bijzondere kracht. Hij zeide tot ons, dat de lage stand van
ontwikkeling der tegenwoordige Egyptenaren verklaard moest worden
uit de slaafsche positie waarin de Egyptische vrouwen verkeeren. Uit
zulke moeders konden geen groote mannen geboren worden. Alsof hij
Perkins Gilman of Olive Schreiner gelezen had!

Verder was er een man uit Perzië, die in Teheran een soort filosofische
school schijnt te hebben, een Turk, die zich met de filosofie
der godsdiensten bemoeit, en twee heeren uit Caïro, die Béhaïsten
zijn. Het geheele onderhoud van deze heeren kwam daarop neer, dat
zij de verschillende godsdienstvormen in overeenstemming trachten te
brengen met de eischen van den tijdgeest; het kwam mij voor, dat zij
het er allen gloeiend over eens waren, dat de opheffing der volkeren
alleen kan tot stand komen door de vrouwen een grooter aandeel te
geven in 't maatschappelijk en later ook staatkundig leven. Van den
Sheik ontvingen Mrs. Catt en ik een bijzonder hartelijken handdruk en
den dank voor 't geen wij trachten te doen voor de vrouwen. Het was
een allermerkwaardigste middag die wij in dat gezelschap doorbrachten.

Hedenochtend was ik getuige van eene ceremonie, zooals hier elk jaar
ongeveer om dezen tijd plaats vindt, 't Was de ceremonie van "het
heilige tapijt". Elk jaar zendt de Egyptische regeering een nieuw
prachtig met goud en zilver geborduurd tapijt naar Mekka; het oude,
dat daar een jaar gebruikt is, wordt dan weder teruggenomen en is dan
door het gebruik in Mekka, heilig geworden. Door 200 à 300 soldaten,
meestal vrijwilligers, wordt het nieuwe kleed gebracht en het oude mede
terug genomen. Het kleed, dat zeer zwaar is, wordt door één kameel
gedragen; het ligt onder een baldakijn, in den vorm van eene moskee,
van rood fluweel met zilver en goud geborduurd. De kameel, die dit
heilig stuk draagt, wordt ook met bijzondere vereering beschouwd en
behandeld. Het beest bezit een koninklijke stal, wordt op bijzondere
wijze gevoed en doet het heele jaar geen werk. Zijn eenig levensdoel is
jaarlijks de kostbare last naar Mekka te dragen en de nog kostbaarder
mede terug te nemen.

Om acht uur vanochtend stonden wij reeds in ons rijtuig, dat een goede
plaats vooraan in de file had gekregen, om alle toebereidselen te zien
voor de ontvangst van het heilige tapijt, dat om tien uur verwacht
werd. Wij stonden vlak vóór het gebouw waar het in ontvangst zou worden
genomen. Evenals in een opera defileerde in goede volgorde telkens
iets anders ons voorbij. Nauwelijks waren wij aangekomen, toen een
regiment artillerie met kleine kanonnen op muilezels geladen, alle
militairen in groot uniform, met hun muziekcorps voorbij trok en op
eenigen afstand zich opstelde. Kort daarna infanteristen, marcheerende
op de marsch uit de opera Carmen, dan cavalleristen, groepen van hen
op prachtige witte schimmels, een andere groep op goudvossen, weer
een andere op kastanjebruine paarden, allen van het echte Syrische
ras. Lange rijen infanteristen achter groene vaandels volgden: dat
waren de militairen die dit jaar of vroegere jaren in Mekka waren
geweest. Al die militairen werden opgesteld op eene groote vlakte,
tegenover het officiëele gebouw, waar het heilige tapijt gebracht
zou worden.

Onderwijl kwamen in automobielen, in open rijtuigen of gesloten
rijtuigen, met of zonder voorrenners, alle officiëele personen uit
Caïro in groot tenue aanrijden en stapten in het bedoelde gebouw
af. Het is de Khedive, die in hoogst eigen persoon dit tapijt in
ontvangst dient te nemen; hij had evenwel dit jaar dezen post aan
zijn jongeren broeder afgestaan. Al die officiëele personen, eenige
honderden in getal, waren in het gebouw, maar ook buiten verzamelde
zich intusschen een onafzienbare massa, die uit nieuwsgierigheid of uit
toewijding naar dit schouwspel gedreven werd. De nieuwsgierigen waren
de duizenden vreemdelingen, die op het oogenblik in Caïro vertoeven;
de Mohammedanen kwamen uit zuivere devotie. Er waren drie groote
afgesloten ruimten, waar de auto's en rijtuigen met hunne inzittenden
een plaats kregen en die allen een even goed en vrij gezicht op het
schouwspel hadden. De eerste was afgezonderd voor de familieleden van
den Khedive, die in groot aantal aanwezig waren. De tweede was voor
de familieleden der officiëele personen, de verschillende consuls en
hooge militairen. De derde ruimte was voor de vreemdelingen.

Klokslag tien uur arriveerde de karavaan. Zoodra zij in het gezicht
kwam werd het heilige kleed met 21 kanonschoten begroet en waar
het voorbij de militairen trok, presenteerden dezen het geweer of
maakten hun militair saluut. De kameel, die de heilige last droeg,
was geheel met goudwerk en roode franjes behangen; het verhief zijn
kop nog hooger dan die beesten gewoon zijn te doen, alsof het zich
van zijne waardigheid bewust was. Het werd gevolgd door zeven andere
met rood fluweel behangen kameelen en op elk zat een eerbiedwaardige
pelgrim, die zachte tonen uit een fluit te voorschijn bracht, om het
heilige beest te amuseeren.

Zeven keer wandelde deze stoet in de ruimte rond, telkens door de
militairen en nu ook door de Sheiks, de Pasja's, de koninklijke
familie en alle officiëele personen, allen nu naar buiten gekomen,
eerbiedig gegroet. Daarna overhandigde de broeder van den Khedive
den eersten begeleider een sleutel en alles verdween in het gebouw,
waar het tapijt voorloopig ondergebracht werd. Weder 21 kanonschoten
om het uitgeleide te doen.

Dit tapijt blijft nu twee maanden aldaar en wordt in dien tijd door
alle geestelijken en fanatieken aangebeden; daarna wordt 't in vele
stukken gesneden, die verschillende moskeeën ten deel vallen om op de
daarin aanwezige heilige graftomben gelegd te worden. Men verteld, dat
dit grapje het land elk jaar twaalf millioen gulden zou kosten! Vóór
ik alles had gezien kon ik dat niet gelooven; nu ben ik er zeker van,
dat die som niet overdreven is. Wat zou dat geld hier in het land
nuttiger besteed kunnen worden, indien het b.v. voor oprichting en
in-stand-houding van goede scholen werd gebruikt.

Het was vandaag prachtig weder, de zon scheen reeds vroeg; toen ik dit
in het rijtuig staande opmerkte, zeide onmiddellijk een Mohammedaansche
koetsier: "Maar natuurlijk, mevrouw; dat is altijd zoo; wanneer het
heilige tapijt in Caïro komt, laat God de zon schijnen!" Ik dacht
aan onze Oranjezon, die zich echter wel eens een enkele keer achter
een wolk verschuilt.

Nu alles is afgeloopen, weet ik niet, wat diepere impressie op mij
maakte, het gezicht van die mooie, vroolijke, veelkleurige vertooning,
of de groote orde die er onder die tienduizenden heerschte en het kalme
en vriendelijke optreden van de politie. Behalve de kanonschoten en
de militaire muziek, werd geen enkele luide toon gehoord; de bevelen
van de politie gingen meer door een vriendelijk handgebaar dan door
verheffing van stem. Na afloop vertrok geen rijtuig van zijn plaats
vóórdat de politie het sein gegeven had en allen bleven achter
elkaar rijden.



P.S. Van bevriende zijde worden mij twee uitknipsels uit "De Telegraaf"
toegezonden, op welks inhoud ik hier even wil terugkomen.

Het eerste is onderteekend door twee artsen uit Transvaal en
heeft de strekking te doen uitkomen, dat mijne opvatting over de
behandeling der inboorlingen in Zuid-Afrika niet de juiste is. De
inhoud van dat ingezonden artikel verwondert mij niet; ik zal in vele
Zuid-Afrikaansche bladen over mijne geuite meening in dezen wel meer
en sterker gecritiseerd worden. Uit gesprekken, die ik daarover in
Zuid-Afrika met vele Afrikaners en Britten hield, is het mij heel
goed bekend, dat de groote meerderheid der bevolking mijne gevoelens
in dezen niet deelt. Hoe kan het ook anders. Sympathiseerde de
meerderheid der bevolking in dezen met mij, dan zou de behandeling
der kleurlingen eene andere zijn en dan had ik daarover anders
geschreven. Betreffende dit eene punt, minachting voor den kleurling,
hem te beschouwen louter als goedkoope arbeidskracht, harmonieeren
Britten en Afrikaners meesterlijk. Dat niet de heele bevolking van
Zuid-Afrika zoo verkeerd denkt over den Kaffer en deze kleurlingen
warme vrienden bezitten in enkele toonaangevende kringen, daarvan ben
ik ook zeker. Vooral in de Kaapkolonie vond ik voor mijne meening
vele gelijkdenkenden en toen ik Olive Schreiner een bezoek bracht,
ontdekte ik, dat ook zij in dezen mijne geestverwante is.

De oplossing van het kleurlingen-vraagstuk zal in Zuid-Afrika eene zeer
moeilijke zijn, maar wil men eene rechtvaardige en wijze oplossing
verkrijgen, dan moet men beginnen deze menschen met andere oogen
te beschouwen, hun karakters te bestudeeren in de kraals, ik meen:
zoolang zij nog onbesmet zijn door de aanraking met de Europeeërs, en
hen in deze eigen omgeving eerst tot eene hoogere ontwikkeling brengen,
zoodat zij beter bestand zijn tegen de gevolgen van verleiding,
verkeerde behandeling en verkeerde voorbeelden der blanken.

Het tweede stuk is onderteekend door Zionist; deze maakt mij er een
verwijt van, dat ik van het Zionisme in Palestina niet beter op de
hoogte ben. Ik heb dat evenwel in een van mijne brieven erkend, eerst
in Palestina trof mij den omvang van deze beweging. Mijn Baedeker,
de laatste uitgave, zegt zoo goed als niets er van en onze dragoman,
een Protestant, stelde er zeer weinig belang in en wist er niets van
mede te deelen. Dat er geen Hirsch-vereeniging bestaat, maar dat uit
de nalatenschap van Hirsch eene andere vereeniging geformeerd werd,
was mij onbekend. Had ik met beslistheid geschreven, dat die kolonie
boven Tiberias door de I. C. A. tot stand was gebracht, het verwijt
van Zionist zou mij kunnen treffen; ik deed echter die vraag tusschen
haakjes, omdat men mij in Jeruzalem had medegedeeld, dat de Zionisten
nooit financieele voorschotten geven, doch dat, waar het noodig is,
de Hirschvereeniging in dit opzicht helpt. Waren we niet zoo door
Syrië gevlogen, had ik tijd gehad mij overal wat langer op te houden
en nauwkeuriger informatiën te nemen, dan had ik met meer beslistheid
ook over de bedoelde kolonie kunnen schrijven.

Dat de Zionisten een supplement op de Baedeker uitgeven, waarin over
deze zaken uitvoerige inlichtingen worden verstrekt, is zeer goed
gezien; laat mij hen echter in overweging geven, dit boekje in het
Engelsch, in plaats van in het Duitsch te laten drukken, want tot
nu toe bestaan de bezoekers van Palestina voor een overwegend groot
deel uit Amerikanen en Engelschen. Duitsch sprekende toeristen zijn
nog groote uitzonderingen.

Laten mijne lezers niet vergeten, dat ik mij in de verschillende landen
niet lang genoeg ophoud om mij steeds van alle vraagstukken goed op
de hoogte te stellen, dat ik ook van alles alleen mijne indrukken
weergeef, en dat ik niet verwacht, ook niet verwachten kan en wil,
dat elkeen het met mijne opvatting eens is.



AAN BOORD VAN DE "PRINSES JULIANA".


Wij waren reeds vroeg op, den dag waarop wij Caïro verlieten, om ons
naar Port-Said en aan boord van het schip te begeven, het schip,
dat ons zou wegvoeren uit Egypte en in een ander werelddeel weder
aan land zetten. Om zeven uur 's morgens zou de trein vertrekken,
doch om zes uur stonden wij reeds gereed, waren de koffers gepakt en
wachtten wij op de mannen, die de vele stukken bagage naar beneden
zouden brengen en die den dag tevoren waren aangewezen, om voor onze
koffers te zorgen en ons veilig in den trein te brengen. Waren wij
blijven wachten, dan stonden wij er misschien heden nog, want toen wij
beneden in het hotel kwamen, lag er alles nog in diepe rust. Zelfs de
mannen, aan wie de nachtwacht was toevertrouwd, lagen in de corridors
op de dikke Smyrna-tapijten te snurken; de eenige wezens, die teekenen
van leven gaven, waren een paar groote, dikke ratten, die door onze
komst gestoord werden in een of andere belangrijke onderneming en
toen ijlings de vlucht namen. Nadat wij genoeg menschen wakker en
naar beneden getrommeld hadden, er een rijtuig voor ons gehaald was
en wij aan het station waren uitgeladen, was er amper tijd voor onze
reisbiljetten te zorgen, de bagage te laten inschrijven en plaats te
nemen, voor de trein afreed.

Wij zouden nu nog in de 4 1/2 uur, die wij noodig hadden, om naar
Port Saïd te komen, gelegenheid krijgen, om in Egypte eene van die
natuurverschijnselen te zien, waarvan wij wel veel gelezen hadden,
doch dat wij nog niet hadden bijgewoond. Spoedig, nadat wij Caïro
achter den rug hadden, begon de een of andere wind op te steken
en langzamerhand zagen wij het woestijnzand steeds hooger stuiven,
zagen wij de op den weg zich bevindende kameelen zich nederleggen en
de opzittende of begeleidende mannen zich achter hen verschuilen,
nam de lucht een grijsgrauwe tint aan, waar doorheen wij slechts
op korten afstand konden zien en kwam het fijne stuifzand zelfs
door onze goed afgesloten vensterraampjes onze oogen, neus en keel
binnen dringen. Het was "a new experience", zooals mijne reisgezellin
goedmoedig opmerkte, maar geene aangename.

In Port Saïd bijna een uur te laat aangekomen, had deze zandstorm
voor een fijnen, doordringenden regenstorm plaats gemaakt, die het
aan boord gaan niet veraangenaamde. Doch--en nu heb ik in mij-zelf
een eigenschap ontdekt, die ik mij niet bewust was te bezitten--ik
gevoelde mij aangenaam aangedaan, toen ik daar, al was het dan ook in
een hoekje van Afrika, mijn voet op Nederlandschen bodem zette; toen
ik in eigen taal door tal van landgenooten begroet werd en toen ik in
mijne hut gekomen vele pakjes van Hollandsche vrienden vond, alle de
een of andere nationale bijzonderheid bevattende. Het waren Dordtsche
speculaasjes, Haagsche beschuitjes, chocolade van Korff, Delftsche
parfumerie, Haagsche hopjes, Deventer koek en Groninger molleboonen,
die mij door goede feeën waren toegezonden en die mij nog lang zullen
blijven vertellen, dat er ook in eigen land veel goeds is te vinden. Ik
dacht een cosmopoliet te zijn, doch het nationaliteitsgevoel is sterker
dan ik vermoedde. Dit gevoelde ik ook heel sterk, toen wij in onze hut
kwamen en mijne Amerikaansche reisgenoote, die vele bootreizen in haar
leven maakte en verschillende stoomvaartlijnen bij ondervinding kent,
uitriep: "Ik heb nog nooit zoo'n gerieflijke en ruime hut op een boot
gehad als deze." 't Is waar, in de hutten op de "Prinses Juliana"
gevoelt men zich even comfortable als in een kamer in 'n hotel en de
van alle kanten gemakkelijk te bereiken bad- en toiletkamers, waar
een echte Hollandsche zindelijkheid heerscht, zijn niet alleen ruim
en comfortable, maar zijn zelfs luxueus ingericht. De comfort op de
"Prinses Juliana" laat in geen enkel opzicht te wenschen over.

Het werd bijna vier uur, toen wij Port Saïd uit en het kanaal van Suez
binnenstoomden, zoodat wij het kanaal, dat ik nog gaarne eens weder
had gezien, bij avond en nacht passeerden. Toen wij den volgenden
morgen ontwaakten lag Suez reeds achter ons en waren wij in de Roode
Zee. Nog één tamelijk koele dag en toen kwamen de passagiers reeds
in hun witte pakken voor den dag, hadden de zwarte bedienden zich
reeds van voor hun voeten niet bestemde schoenen ontdaan en hoorde men
reeds enkele medepassagiers--en vooral de spelende kinderen--klagen,
dat zij "puften van de warmte". Zoo erg was het echter niet, maar de
temperatuur was toch slechts enkele graden lager dan toen ik hier twee
maanden geleden van de andere zijde doorvoer. Het schip is echter goed
toegerust, om aan wat warmte te kunnen weerstand bieden. Niet alleen,
dat overal in de salons en eetkamers en in alle hutten electrische
waaiers koelte aanbrengen, maar bovendien zijn aan alle patrijspoorten
windvangers aangebracht, die het beetje wind, dat wij genieten,
opvangen en in de hut uitstorten. Het is dus best uit te houden.

In een ander opzicht onderscheidt deze boot zich nog van de meeste
andere, waarop ik groote reizen maakte, een onderscheid, dat ik ten
hoogste waardeer. Ze heeft n.l. geen muziekkorps aan boord, zoodat de
passagiers niet 's morgens en 's middags en soms ook nog des avonds de
hartverscheurende valsche tonen van een scheepsmuziekkorps te genieten
krijgen. Hier is slechts een pianola-piano aan boord, die alleen nu
en dan ons trommelvlies tracht te verscheuren en waarop op de meest
ongelegen oogenblikken een zich muzikaal aangelegd voelend jongmensch
zit te trommelen en volstrekt niet voelt, dat hij meerendeels mistast.

Elk patriotisch Nederlander kan op deze boot niet alleen trotsch
zijn over de wijze, waarop onze stoomvaartmaatschappijen haar
passagiers vervoeren, maar ook op de geaardheid en het gedrag
zijner medepassagiers. Men gevoelt zich hier in deftig, Hollandsch
gezelschap. Alles gaat even kalm en netjes zijn gang, geen luidruchtig
geluid wordt gehoord, geen luidruchtige spelen gespeeld. Elkeen wandelt
kalm over het dek of ligt op zijn rieten stoel een sigaartje te rooken
en kringetjes te blazen, of leest 'n van huis medegebracht of uit de
scheepsbibliotheek geleend boek. Enkelen zitten samen te keuvelen,
even bedaard en even netjes, alsof wij bij ons in Holland op 'n
buurtbezoek zijn. Een enkel clubje--en daartoe behoor ik--speelt
's avonds een partijtje bridge, anderen zitten schaak of domino
te spelen, maar van luidruchtige spelen als op de Engelsche booten
gespeeld worden, waaraan alle passagiers meedoen, daarvan is hier
geen sprake. Op deze boot zijn de Hollanders Hollanders: netjes,
bedaard, verstandig, kalm. Ik verheug mij daarover en ben hartelijk
blij op deze boot gelegenheid te hebben met mijne landgenooten eens
weder een verstandig gesprek te kunnen voeren en successievelijk
met al mijne medereizigers kennis te kunnen maken en hen van hun
goede, oud-Hollandsche zijde te leeren kennen. "I like your people,
especially as travel-companions", zeide na eenige dagen dan ook mijn
reisgezellin en dat streelde mijn ooren niet weinig.

Ik heb echter nog een voornaam punt vergeten te noemen, toen ik opsomde
wat wij hier op deze boot dagelijks uitvoerden. Dat is vreemd, want
het is iets, wat het grootste deel van onzen tijd in beslag neemt. Ik
bedoel het eten en drinken, het deelnemen aan de maaltijden. Het
lijkt wel, dat de Stoomvaart-Maatschappij "Nederland" zich verbeeldt
tot taak te hebben, haar gasten een mestkuur te laten doormaken,
om ze bestand te doen zijn tegen de nieuwe leefwijze, die hen aan
het eind der reis wacht. De maaltijden zijn niet alleen overvloedig
en goed, maar de verscheidenheid der gerechten is ook zoo goed en
juist gekozen, dat men alleen met een ernstigen en vasten wil kan
zorgdragen niet overvoed te worden. Als men niet onmiddellijk uit de
overvolle menu's een paar gerechten kiest, waarvan men zal gebruiken,
en de anderen, zonder er naar te zien, laat passeeren, dan heeft men
al heel spoedig den dokter noodig, die met wat bicarbonas sodae de
maag te hulp moet komen.

Niet alleen in de Roode Zee was het warm; toen wij Aden achter den rug
hadden en Kaap Gardefui voorbij gestoomd waren, bleek er wel wat meer
wind te komen, doch was de temperatuur niet lager. Het was dan ook op
heel bescheiden toon tot mij gericht, het verzoek, om "als de warmte
het mij niet onmogelijk maakte", een voordracht over vrouwenkiesrecht
te houden. Aan dit verzoek, door 36 passagiers onderteekend, kon ik
natuurlijk geen weerstand bieden. Als goede propagandiste voor de
groote zaak, moest ik natuurlijk verheugd zijn--en dat was ik dan
ook--, dat mij op zoo'n ongezochte wijze gelegenheid gegeven werd,
dit onderwerp, zelfs op den Indischen Oceaan, te bespreken en met
toestemming van den kapitein werd de 2e klasse eetsalon ingericht
om als vergaderzaal te dienen. Ik dacht niet, dat de belangstelling
in vrouwenkiesrecht onder mijn medepassagiers zóó groot was; op één
enkele uitzondering na waren alle 1e en 2e klasse passagiers aanwezig,
toen ik dien middag, om half vijf, het woord nam. Zóó groot was zelfs
de belangstelling, dat wij om zes uur nog midden in het debat waren,
toen de zaal ontruimd moest worden om weder voor eetsalon te worden
ingericht. Om elf uur den volgenden morgen werd het debat voortgezet,
en toen ik op het middaguur eindigde, werd door vele Engelsch sprekende
medepassagiers onmiddellijk het verzoek gericht, om ook mevrouw Catt
te vragen, een voordracht voor hen te houden.

Vrouwenkiesrecht was daarna langen tijd 't onderwerp van de
gesprekken op de boot; sommigen waren overtuigde voorstanders
geworden, anderen vonden het toch ook een vanzelf sprekend gevolg
van den ontwikkelingsgang der maatschappij, anderen waren verstokte
tegenstanders, onder dezen voornamelijk die heeren, die van oordeel
waren, dat huwelijksgeluk alleen bestaanbaar is, zoolang de vrouw tot
den man opziet, en door de vrouwen nu ook politieke rechten te geven,
ontnam men den man alle superioriteit over zijne vrouw. Die heeren
kennen niet de "Amalasuntha's"-zusteren van de Amalasuntha uit Dickens'
onovertreffelijke verhalen, die aan nekverstijving te gronde gaan,
door het onophoudelijk opzien tot hun zoo hoog boven hen staanden
echtgenoot. Ik heb hen geraden, Dickens voor dat doel eens na te slaan.

Mrs. Catt was natuurlijk ook dadelijk bereid om aan het verzoek, dat
inhield wat te vertellen over de toestanden in Amerika met betrekking
tot het vrouwen-vraagstuk, te voldoen, en twee dagen, nadat ik
gesproken had, vulde zij mijne voordracht aan met het bovengenoemd
onderwerp. Ik had niet gedacht dat ook dien derden dag nog zooveel
belangstelling zou bestaan, om een paar uur in de warme salon stil
te zitten luisteren naar hetgeen mrs. Catt op haar eigenaardige,
boeiende wijze te vertellen had, en het verhoogde het effect van
haar voordracht niet weinig, toen aan het slot een heer in ons midden
opstond, die een Australiër bleek te zijn en in Queensland woont en
die op zeer welsprekende wijze de resultaten van het vrouwenkiesrecht
in Australië besprak. De vrees voor "ongenoegen in het gezin" als
gevolg van kiesrecht, ook voor de gehuwde vrouw, het bezwaar, dat in
de laatste dagen nogal eens gehoond werd, wist hij zoo schitterend te
weerleggen, dat twijfel omtrent dat punt nu onder de passagiers van de
"Juliana" wel niet meer zal bestaan. Zijn vrouw, die ook aanwezig was,
wist nog even mede te deelen, dat zij en haar man wel dikwijls omtrent
de keuze van den candidaat tot overeenstemming kwamen, maar in de
gevallen, waar beiden aan eigen candidaat de voorkeur bleven geven,
brachten zij natuurlijk ook hun stemmen uit op hun eigen candidaat. 't
Klonk zoo eenvoudig en alleen 'n door-alles-heen-gelijk-willen-hebbend
echtgenoot kon zich nog beangst maken voor "ongenoegen".

Zoo werd dus gedurende eenige dagen het vrouwen-vraagstuk de "topic
of the day"; menigeen, die vroeger nooit ernstig hierover heeft
nagedacht, begint thans te begrijpen, dat de vrouwenbeweging, hij
moge er mede instemmen of niet, eene groote, machtige beweging is,
die zich thans in alle landen openbaart en die niet eerder tot een
einde zal komen, alvorens er volkomen wettelijke--hieronder ook de
politieke te verstaan--en maatschappelijke gelijkstelling tusschen
mannen en vrouwen zal zijn verkregen.

En zoo gaan de dagen op de boot langzaam voorbij, maar toch nog
veel te snel voor mrs. Catt en mij, die deze zeereis gaarne nog
wat verlengd zouden hebben. Wij gevoelen ons hier thuis, rustig,
aangenaam. De warmte is wel groot, maar niet te groot, en wanneer
wij des avonds de wonderschoone zonsondergangen, die tusschen Aden
en Colombo onbeschrijflijk mooi zijn, genoten hebben, volgt daarop
spoedig een lange, aangename koele zomeravond.

Morgenochtend moet de boot in Colombo aankomen, maar wij hebben de 8
uren, die wij te laat van Port Saïd vertrokken zijn, niet ingehaald en
daardoor zal het wel avond worden, eer wij in Colombo aan wal stappen.



OP CEYLON.


I.


Het avondduister was reeds lang ingetreden, toen wij de kustlichten
van Colombo in het gezicht kregen en eer het schip voor anker lag, de
visiteerende dokter aan boord was gekomen en zijn plicht vervuld had,
en eer wij met onze bagage goed en wel geland waren, was het reeds
bijna tien uur. Het was jammer, dat wij het mooie binnenkomen in de
haven van Colombo gemist hebben en ons hebben moeten tevreden stellen
met de verhalen over dat mooie gezicht van uit zee op Colombo, van
onze medepassagiers, die deze reis reeds meermalen gemaakt en Colombo
vroeger hebben gezien. Tot op het laatste oogenblik vonden wij het op
de Prinses Juliana aangenaam; ik hoop later nog wel eens van deze boot
te kunnen gebruik maken, vooral wanneer zij dan nog onder denzelfden
goeden gezagvoerder met zijne plichtgetrouwe en beschaafde bemanning
vaart. En van de passagiers wil ik alleen dit zeggen, dat gisteravond,
toen wij in het hotel en op onze kamer aangeland waren, mrs. Catt tot
mij zeide: "Als men mag aannemen, dat men op een groote boot van zekere
natie een goed overzicht krijgt over zijn volk, dan gaat Nederland
met de eer strijken van het meest beschaafde en ontwikkeldste volk
te zijn onder al degenen die wij op onze reizen ontmoet hebben".

In Colombo aangekomen, wachtte ons de eerste teleurstelling; ik wil
hopen dat er geen tweede op volgt. Het Galle Face Hotel, het meest
gerenommeerde, was overvol; de eetkamer was zelfs tijdelijk voor
slaapkamer ingericht; het daarop volgend Grand Oriental Hotel was in
dezelfde conditie, zoodat wij ons ten slotte moesten tevreden stellen
met een kamer voor twee personen in het Bristol Hotel. Gelukkig is er
alles zindelijk en valt het bij nadere kennismaking zeer mede. Met
eenige van onze medepassagiers van de boot hebben wij 's avonds nog
een tijd lang in de veranda van het hotel zitten praten, totdat zij
weder aan boord en wij naar bed moesten.

Onze kamer, waarvan de deur van boven uit open traliewerk bestaat,
had wel twee groote open vensternissen, doch geen vensters; de lucht
kon van buiten vrij naar binnen treden. Door een grooten electrischen
waaier, veel gelijkenis vertoonende met een paar molenwieken, werd de
lucht in beweging gehouden en eenige koelte in de kamer gebracht. Het
was er aangenaam heet en het eenige laken, dat ons tot dekking in het
vrij goede bed diende, was voor dat doel ruimschoots voldoende. Wij
moesten ons even voor den geest roepen, dat wij hier in Ceylon in den
wintertijd zijn en het in Europa op 't oogenblik overal buitengewoon
koud is. Het is nu het seizoen voor Colombo; hoe moet de temperatuur
hier wel zijn als 't hier zomer is.

Ik zou zeker dien eersten nacht in Colombo een heerlijken slaap hebben
genoten, ware het niet, dat de boomen vóór het hotel rijk bevolkt waren
met kraaien en eksters, die den geheelen nacht hun krijschende stemmen
hebben doen hooren. Onophoudelijk schijnen die beesten onderlinge
twistgesprekken te voeren gehad te hebben, waarbij honderden individuen
het hunne hadden in te brengen. In een ander land zou men aan zoo'n
overbevolking van zulke lieve beestjes een einde maken, maar hier,
met zoovele Hindoe's en Boeddhisten onder de bevolking, zal men dat
wel uit zijn hart laten. De Boeddhist mag geen levend wezen dooden,
allen moeten den natuurlijken dood sterven.

Ware het niet Zondag geweest, dan waren wij vanmorgen met de eerste
gelegenheid naar Kandy, dat veel hooger gelegen en koeler is,
vertrokken; wij moesten nu eerst wachten tot morgenochtend de banken
open zijn om geld te halen en eenige andere zaken af te doen. Deze
Zondag is echter geen verloren dag voor ons geweest. Integendeel,
het was een alleraangenaamste, vol van nieuwe indrukken. Om eerst even
naar het kantoor van Cook te gaan en naar het telegraafbureau, hadden
wij ieder een rickshaw genomen, die hier veel beter zijn dan die wij
in Zuid-Afrika zagen en waarvan de mannen niet zoo bont toegetakeld
zijn als daar. Deze hier zijn ook heel licht en altijd alleen voor één
persoon bestemd. Het lijkt voor vele Europeanen misschien onbarmhartig,
dat men zich in een wagentje nederzet en zich door een medemensch
laat voortbewegen, maar dit gevoel gaat hier weg, als men ziet,
op welk een gemakkelijke wijze deze mannen zich--oogenschijnlijk
althans--van die taak kwijten en hoe gelukkig zij met een vrachtje
zijn. Toen wij hen aan het telegraafkantoor wilden betalen en wij
een rijtuig aanriepen, om een tocht door de stad te maken, smeekten
zij ons zóó hen met die taak te belasten, dat wij daartoe ten slotte
maar besloten. Zij zouden ons nu eerst langs de zee en dan langs
mooie punten, die wij hen hadden opgegeven, naar Mount Lavinia Hotel
brengen, waar wij wilden lunchen en eenige uren vertoeven. Zij moesten
ons daar blijven wachten en later langs een anderen weg terugvoeren.

Niettegenstaande de groote hitte draafden die twee naakte bruine
broeders als paarden, en op onze herhaald tot hen gerichte opmerking,
dat zij zich niet zoo behoefden te haasten, of, of zij misschien
niet eens wilden rusten, gaven zij ons met een lachend ontkennend
hoofdschudden antwoord. Draven doen hier echter niet alleen menschen
en paarden, maar ook ossen. Herhaaldelijk passeerden wij op onzen weg
een soort tentwagentjes, waarin de een of andere Sinhalees met vrouw
en kinderen gezeten was, waarschijnlijk een Zondagstoertje makende,
en die getrokken werden door een klein, vinnig osje, dat met een paard
in het hardloopen kan wedijveren. Zij zijn van het soort, deze ossen
bedoel ik, dat ik ook in Oost-Afrika gezien heb, met een min of meer
groot uitwas in den nek, die men daar buffeltjes noemde. Een zeer
gedistingeerd vervoermiddel schijnt zoo'n ossewagentje niet te zijn,
ik zag er althans alleen Sinhaleezen gebruik van maken.

Over deze menschen heb ik al eens geschreven, toen ik ze voor het
eerst in Zanzibar zag; hier zien wij ze in grooten getale, zoodat hun
verschijning reeds geen bijzonderen indruk meer maakt. En toch moeten
ze voor een Europeaan opmerkenswaardig zijn. Die mannen met hunne
zachte, melancholieke, vrouwelijke gelaatsuitdrukking, hun lange,
zwarte, bijna blauw-zwarte haren, die in golvingen of krullen, over
hun schouders hangen, of in een wrong op het achterhoofd bevestigd en
met een groote schildpad-kam afgewerkt zijn, en die gekleed zijn in
sarong en kabaai, de sarong soms voor een gewonen nauwen damesrok
plaats makende, zijn toch een bijzonder soort menschen. Op hun
gezicht afgaande, stel ik hen veel hooger dan b.v. den Arabier. De
Sinhaleezen hebben over het algemeen verstandige, denkende gezichten
en zij missen geheel dat sensueele in hunne gelaatsuitdrukking,
dat vooral den Arabier zoozeer vertoont.

Was het omdat het Zondag was en er nu door velen niet zooveel
als anders gewerkt werd, dat wij daarom in de volksbuurten zooveel
langharige mannen in gebukte houding voor hunne woningen zagen zitten
en achter hen hurkende vrouwen--wij zullen ten minste veronderstellen,
dat dit hier eene echtelijken liefdedienst gold--die, evenals de
apen, die lange haren trachtten te zuiveren van het wild, dat er
waarschijnlijk in rondhuppelde? Het is ook mogelijk, dat de Zondag
er niets mede te maken heeft.

Maar dit was niet het eenige merkwaardige, dat wij op onzen weg
zagen. Wij zijn hier in den winter, maar aan boom, blad, bloem
en vrucht is dat niet te bespeuren. Alles ziet er uit als in den
hoog-zomer, en wel een, die een bijzonderen rijkdom aan bloemen
en vruchten levert. De kokosnootpalmen, die hier veel mooier en
frisscher lijken dan in Oost-Afrika, de bananen, de broodboomen en de
boomen met jakvruchten (ik weet nog niet wat dat voor vruchten zijn),
vormen hier heele wouden en vooral de Banyanboom--ik geloof, dat die
op Java Waringin heet--, waarvan één exemplaar den geheelen tuin kan
overschaduwen, maakte den weg, waarlangs wij gingen, schaduwrijk en
koel. Een van de Banyanboomen, waarvan de luchtwortels weder stammen
waren geworden van eenige meters in omvang, had zoodoende een omvang
verkregen van meer dan vijf-en-twintig meter.

Verder zagen wij de kaneeltuinen, mijlen ver uitgestrekte velden met
laag boom- en struikgewas, doch elk struikje was een kaneelboompje,
waarvan niet alleen het blad, doch vooral de stam en stengel
sterk naar kaneel ruikt en nog meer smaakt. Wij zagen sagoboomen,
notemuscaatboomen en kruidnagelboomen, alle voor een deel in bloei,
voor een ander deel in vrucht staande. Maar meer nog dan dit alles
verlustigden wij ons in het gezicht van die vele mooie, groote,
bonte vlinders, die zich hier in dit bloemenrijk zoo geheel tehuis
gevoelen. En even gaarne verwijlden onze oogen op de vele naakte
kindertjes, die aan den weg speelden in het gewaad, dat zij bij de
geboorte hadden medegekregen. Velen zijn reeds door de toeristen
bedorven, zij steken bedelend hunne handjes op en prevelen eenige
onverstaanbare woorden. Maar er waren onder hen, die op zoo'n nieuwe
wijze hun bedelend stemmetje deden hooren, die al naast den wagen
voortrennende, 'n aardig kinderliedje zongen en dan plotseling hunne
schalksche oogjes tot mij opheffende, zeiden: "you are my Mamma,
my dear Mamma, give me a cent for a new dress", dat zij er mij
toe brachten mijn principe te verloochenen, om in dat opgeheven,
bruine handje een penningske te stoppen. Het was ook zoo warm en het
was midden op den dag, mijne hersens waren een beetje in gesmolten
boter-toestand, anders had ik zeker de in mijn oog groote fout niet
begaan, om een kind, door het geven van een giftje, tot bedelen aan
te moedigen. Maar die naakte kleine meisjes, met hare mooie snuitjes,
die een nieuwe japon noodig hadden en die mij Mamma noemden, hadden
mijn hart verteederd en..... in zoo'n hitte kan men er toch ook
eigenlijk geen principes op nahouden.

Het was ongeveer één uur, toen wij in het Lavinia-Hotel aankwamen. Onze
bruine mannen hadden de 7 mijlen afstand zonder rusten in geregelden
draf afgedaan en zij waren van oordeel, dat nu de Ladies 'n tiffin
namen, wij hen ook daartoe in de gelegenheid moesten stellen. Zij
voegden er schalks aan toe, dat de lunch in het hotel drie rupees
(een rup. = 80 cts.) kost, maar dat zij wel ergens konden gaan,
waar zij maar 3 sh. (1 sh. = 60 cts.) hadden te betalen. Toen ik hun
vroeg of zij niet een billijker restaurant voor zich konden vinden
en ik ze één rupee gaf voor dat doel, sprongen ze in de lucht van de
pret en toen wij hen om half drie weer lieten voorkomen om ons terug
te voeren, wreven zij over hunne buikjes om ons duidelijk te maken,
dat het zoo lekker had gesmaakt. Zij hadden in dien tijd ook even in
de zee een bad genomen en mijn paardje had zijn lange haren nu koket
in een rol rondom zijn hoofd gelegd, zooals tegenwoordig bij ons zoo
vele jonge meisjes haar kapsel dragen. Vlak van achter had hij er
een blauwe lap tusschen gevoegd, zoodat het precies een meisjeskop was.

Het Lavinia-Hotel is aan de uiterste punt van een rots in zee
gebouwd en daardoor aan drie zijden door de zee omgeven. Vooral om
zijne vischlunchen is het hotel beroemd. Een dozijn verschillende
vischschotels werden ons achter elkaar voorgediend, allen even fijn
en de meeste zelden-voorkomend.

Langs een geheel anderen weg keerden wij huiswaarts en waren tegen
vijf uur in het Bristolhotel terug.

Nadat wij Maandagochtend al onze boodschappen verricht en ons
reisvaardig gemaakt hadden, vertrokken wij naar Kandy. Al spoedig
waren wij twee het roerend eens, dat Ceylon 't hof van Eden moet
geweest zijn. Toen wij de stad uit en meer landwaarts gekomen waren,
zagen wij niet alleen de natuur, zooals die ons in 't Paradijs wordt
geschilderd, maar zagen wij ook de mannen en vrouwen in Adam's en
Eva's costuums van uit den tijd, na het eten van de verboden vrucht. De
groote bladen die hier in menigte te vinden zijn, zijn er als 't ware
voor aangewezen. Sedert wij Rhodesia verlaten hebben, hebben wij
onder de Afrikaansche bevolking niet zoo'n volkomen naaktheid meer
gezien. Wij waren er reeds een beetje aan ontwend, daarom trof het
ons hier op Ceylon te meer. Het is echter in dit klimaat het meest
praktische costuum.

De geheele weg van Colombo naar Kandy is uiterst loonend. Wij
zagen dan eens uitgestrekte rijstvelden met de rijsthalmen in de
verschillende graden van ontwikkeling, dan weder groote bosschen
kokosnootpalmen, bananenpalmen, vijgeboomen en nog zooveel meer. Er
zijn op dien weg alleen twintig verschillende palmboomen te zien. De
kokosnootboom lijkt mij het nuttigst van al deze boomen voor de
inlandsche bevolking. Niet alleen wordt de vrucht op allerlei wijze
gebruikt, maar ook de bladeren doen dienst voor allerlei zaken. Hier
is nog onze ouderwetsche huifkar heel veel in gebruik, de groote,
naar voren en achteren overhangende huif is geheel gemaakt van
de gevlochten bladeren van den kokosnootpalm. Men vlecht er ook
manden van en zij worden op allerlei wijze dienstbaar gemaakt tot
het aanbrengen van schaduw. Wij zagen er geheele tenten van gemaakt,
het tehuis van vele inlanders. En nog op allerlei andere wijzen zagen
wij deze groote bladeren gebruiken. En van de noot wordt de bast,
het vleesch en de melk op honderderlei wijze aangewend. Van kokosnoot
en bananen alleen leven hier vele menschen. En daar deze ook voor
huisvesting en toiletartikelen niet veel hebben uit te geven, heeft
armoede natuurlijk hier al hare verschrikkingen verloren.

Een kort eindje ging de trein langs een oranjeboomhoeve, waarvan
de boomen alle in bloei en in vrucht stonden, die de heerlijke
geur door de open wagonvensters zonden. Toen wij hooger kwamen,
passeerden wij telkens schilderachtige dorpen van inlanders, die
hun heele huishouding buitenshuis voerden. Wij zagen nu ook meer
dan in Colombo de in oranje-geel gekleede en geheel kaal geschoren
Boeddhistische priesters. Hun kleeding bestaat alleen in een grooten
gelen doek, die rondom de lenden gaat en daar in een sierlijken zwaai
over den rechterschouder geslagen is. Verder loopen zij allen met
een bijzonder grooten waaier, die, wanneer hij is opengeslagen, een
zeer groote schelp gelijkt, waarachter de mannen zich geheel kunnen
verschuilen en zich voor de inwerking van de heete zonnestralen kunnen
behoeden. Het Boeddhisme, dat in Engelsch-Indië aan het uitsterven
is, vindt hier nog vele aanhangers, alhoewel de vorm in den loop der
eeuwen reeds veel gewijzigd is. De Boeddhistische priesters mogen
ook hier op Ceylon niet huwen, maar zij behoeven niet in armoede
en gebrek te leven, zooals in Burma. Daar mogen zij 's morgens vóór
twaalf uur niets eten of drinken en moeten zij elken morgen eerst hun
voedsel langs den weg bedelen; hier bezitten de priesters echter veel
grond en gebouwen en behooren zij tot de kapitalisten. Zij bedelen hun
voedsel niet, de offeranden worden in de tempels gebracht, maar of de
priesters dat in plaats van hun eigen goed toebereid eten gebruiken,
wist men ons niet te vertellen.

Van uit den tijd dat Ceylon tot onze koloniale bezittingen behoorde,
is niet heel veel overgebleven. Men heeft hier alleen een zeker soort
menschen, die 'n Hollandschen voorvader hebben gehad en zich daarom
"burghers" noemen en die zich hooger voelen, misschien ook zijn, dan
de inboorlingen. Ook het Ceylonsch geld vertoont eene opmerkelijke
overeenkomst met het onze, als men een rupee, die maar 80 cents
waarde heeft, met onzen gulden vergelijkt. Een halve rupee is precies
gelijk aan ons 50 centsstuk, een kwart rupee met ons kwartje en de
tien-cents,--zij spreken ook van centen en verdeelen hun rupee in
honderd centen,--met ons dubbeltje. Ook de koperen cent is aan de
onze gelijk, alleen 't nikkelen stuiverstukje is hier vierkant met
afgeronde hoeken.

Om half zes kwamen wij heden in Kandy aan, waar de temperatuur veel
frisscher en deze avond, terwijl wij in den tuin onder een ouden
Banyanboom zitten te schrijven, overheerlijk is. Hier in Kandy zijn
verscheidene goede groote hotels, de menschen komen hier om eenige
maanden te blijven.

De prijzen in de hotels, in aanmerking genomen wat men er voor geeft,
zijn hier bespottelijk laag, zij zullen zeker later, als de trek naar
Ceylon voor menschen, die er eenigen tijd blijven, grooter is geworden,
aanmerkelijk stijgen.

Kandy, dat eens de hoofdstad van Ceylon was en ruim 1600 voet hoog
ligt, heeft niet alleen geschiedkundige bekendheid, maar wordt
het schilderachtigste plekje van het geheele Britsche keizerrijk
genoemd. Om dit echter te genieten moet men 's morgens vroeg opstaan,
want in het midden van den dag is het te heet, alleen 's morgens en
in den laten namiddag maakt men hier uitstapjes, en daarom moet ik
voor hedenavond eindigen, anders kan ik morgen vroeg onmogelijk bij
tijds gereed zijn.

Wij zaten hedenochtend reeds om zeven uur in de Victoria, die ons
naar Paradenya, zeven mijlen afstands van Kandy, zou voeren, om daar
de Koninklijke Botanische tuinen in oogenschouw te nemen. Wij waren
de eerste bezoekers; er was nog slechts één jonge man, die tot de
staf van employé's behoort, die zich direct aanbood, om ons tot gids
te dienen. Hij was een Burgher, zijn naam klonk echter niet in het
minst Hollandsch. Met dit ontwikkeld jongmensch als geleider, leerden
wij spoedig vele van de interessante palmen en boomen en heesters
kennen, die wij in de laatste dagen op onzen weg gezien hadden. Wij
hadden o.a. een tot hoog in de lucht zich verheffenden palm gezien,
die van boven een groote pluim van bloesems vertoonde; het bleek nu,
dat dit de Taliputpalm is, die slechts eens in de 100 jaren bloeit
en dan daarna meestal sterft. Zelfs hier in de botanische tuinen,
waar een geheele avenue van deze prachtige palmen bestaat, komt het
hoogst zelden voor, dat er een van gaat bloeien. De roode katoenboom
stond er overal in vollen bloei, de cacaoboom stond voor een deel in
bloei, voor een ander deel vertoonde hij ons zijn roodbruine rijpe
vruchten. Wij zagen er de verschillende soort rubberboomen, waarvan
er zijn, die door hunne op een slang gelijkende, boven den grond zich
vormende wortels, een zeer fantastisch gezicht opleverden. Een bosch
van zich hoog verheffende bamboestammen vertoonde een eigenaardig
beeld, doordat zich van boven aan hunne toppen trossen vertoonden,
die als vruchten geleken. Toen onze geleider echter met een zware
stok tegen de bamboestammen sloeg, vlogen op eens al deze vruchten
hoog in de lucht en bleken het honderden groote vleermuizen te zijn,
die daar aan hunne pooten met de koppen naar beneden hingen, dikwijls
vijf of meer zich aan elkander vastklemmende. Hier worden die beesten
vliegende vossen genoemd; zij zijn veel grooter dan onze vleermuizen.

De papaws, die hier veel fijner en geuriger zijn dan in Zuid-Afrika
en die, geloof ik, in Java papaya's genoemd worden, zagen wij in de
botanische tuinen in elk stadium van ontwikkeling. Men noemt papaw
hier "de arme lui's vrucht", maar ik beschouw hem op 't oogenblik
nog als mijn lievelingsvrucht.

De jakvrucht, die wij in Colombo zoo in grooten getale hadden gezien,
zagen wij ook hier in verschillende ontwikkelingsstadia; men vertelde
ons, dat zij als groente dienst doet bij de rijsttafel.

Maar genoeg over deze prachtige tuinen, die na de Kew-Gardens in
Londen, de prachtigste van de geheele wereld genoemd worden. Ik hoop
later in Batavia gelegenheid te hebben, onze Koninklijke Botanische
tuinen te zien en te kunnen uitmaken of die voor deze in Kandy
moeten onderdoen, of dat wij hier met een beetje Engelsche bluf te
doen hebben.

De rijtoer, die wij in den namiddag deden, werd door de kennis,
die wij in den morgen omtrent de inheemsche boomen, en plantengroei
hadden opgedaan, voor ons een veel interessanter en dikwijls moesten
wij het rijtuig even laten stilstaan en uitstappen, om een in 't wild
groeiende plant, waarvan wij des morgens de bijzonderheden hadden
leeren kennen, nog eens nauwkeurig in oogenschouw te nemen.

Doch wat wij in den namiddag deden en zagen in een volgenden brief.



II.


Vanmiddag gingen wij eerst den voornaamsten rijtoer van hier maken,
die vooral om zijn mooie vergezichten, die hij op verschillende
punten aanbiedt, een zekere vermaardheid heeft verkregen en daarna
lieten wij ons brengen naar de "groote zandrivier", om een kijkje te
nemen naar het voor ons oog nog nieuwe schouwspel "het baden van de
olifanten". Elken middag van drie tot half zes kan men op zekere plek
in de rivier twintig heilige olifanten zien spelen en zich amuseeren in
het ondiepe water. Heeft men in Egypte heilige kameelen, die slechts
eens per jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor het geheele
jaar door goed gevoed en verzorgd worden, op Ceylon heeft men heilige
olifanten, die maar één dag in het jaar een heiligen plicht vervullen
en daarvoor een staf van bedienden hebben, die hen met de grootste
zorg en liefde alle andere dagen van het jaar verzorgen en dienen. Een
eind verder in de rivier baden ongeveer ter zelfder tijd vele andere
olifanten, die echter een verfrisschend bad verdienen, omdat zij een
langen en zwaren arbeidsdag achter den rug hebben. Want ook voor het
zware werk, waarvoor men zich in Arabië en Egypte bedient van kameelen,
gebruikt men hier olifanten. Zelfs als paard doen zij dienst.

Toen wij ons lang genoeg in den aanblik van die badende en spelende
olifanten verlustigd hadden, die zich blijkbaar in het water
amuseerden, legden wij een bezoek af aan den Tempel van Buddha, den
tempel van den Heiligen Tand. Die heilige tand wordt verondersteld
een tand van Buddha te zijn. De geschiedenis ervan is, dat toen
Buddha 2500 jaar geleden, gecremeerd werd, eene vrouw in zijn asch
vier gave tanden vond, die niet mede verbrand waren. Zij verborg die
tanden in haar haarwrong en verkocht ze later voor zeer hooge sommen
aan Buddhistische vorsten. Een er van kwam in het bezit van den
regeerenden monarch van Kandy, die er een tempel voor liet bouwen,
den tempel van den Heiligen Tand. Het bezit van dien tand werd den
goeden burgers van Kandy echter herhaaldelijk betwist en omdat de
Buddhisten geen oorlog mogen voeren, niemand en niets mogen dooden,
en ook omdat de latere en verstandiger koning meende dat Buddha,
die zich na zijn dood wilde laten verbranden, toch recht had geheel
verbrand te worden, dus ook zijne tanden, werd op zijn bevel de tand
van Buddha tot poeder gestampt, deze poeder daarna verbrand en de asch
aan de vier windstreken prijsgegeven. Met groote praal en plechtigheid
werd dat bevel ten uitvoer gebracht. Kort na den dood van dien vorst
echter stond er een man op die beweerde de asch van dien tand weder
verzameld te hebben en dat die asch opnieuw tot tand was geworden. Door
de goê-gemeente werd dit geloofd en deze tand opgekocht en als tand
van Buddha weder groote eer bewezen. In den loop der eeuwen is die
tand herhaaldelijk door wijze regeerders verpulveriseerd, doch steeds
kwam er na langeren of korteren tijd iemand, die de gepulveriseerde
tand weder in zijn geheel ten verkoop aanbood. Sedert eenige honderden
jaren nu is die tand niet meer verbrand. Hij ligt nu aan een gouden
ketting in een zilveren kastje. Dat kastje staat in een ander zilveren
kastje en dit gaat zoo negen maal door, totdat de laatste kast een vrij
grooten omvang heeft verkregen. Deze laatste kast is geheel ingelegd en
ook rondom behangen met de prachtigste robijnen, smaragden, saphieren
en wat er meer voor kostbare edelsteenen mogen zijn. Elke opvolgende
koning offerde er bij zijn leven of na zijn dood een of meer van
zijne kostbaarheden aan. Rondom deze kast staan Buddhabeelden om de
heilige schat, die meer op een tijgerklauw dan op een tand gelijkt,
te bewaken, en er vóór staat een massief zilveren, fraai bewerkte
tafel, die als offertafel dienst doet. Niemand komt in de nabijheid
zonder verplicht te zijn te offeren. Is men met bloemenoffers, vooral
lotusbloemen, tevreden als het leden van eigen gemeente betreft, van
vreemdelingen verwacht men offers in klinkende munt en dat weet men
hen duidelijk aan het verstand te brengen. In Kandy zijn 600 in gele
doeken rondwandelende Buddhistische priesters en een soort klooster,
waar nieuwe collega's gekweekt worden. De Buddhisten op Ceylon zijn
geen zuivere Buddhisten meer. Door allerlei invloeden is hun godsdienst
verbasterd. Ze gaan drie keer daags naar den tempel, de Mohammedanen
vijf keer, en evenals dezen buigen zij zich herhaaldelijk geheel neder
op den grond en zwaaien met hun lichaam als zij hunne gebeden prevelen.

Eens per jaar, in Augustus, gaat de zilverkast met heiligen inhoud
een ronde door de stad doen. De heiligste van de heilige olifanten
mag de kast dragen, terwijl de negentien andere olifanten ieder met
een minder heilige kast belast worden. Zoo is er o.a. een gouden kast
in den vorm van een graftombe, waarin een stukje hout bewaard wordt
van den brandstapel waarop Buddha verbrand is. Dat is na den tand
het heiligste stuk.

Rondom den tempel is een vijver, daarin zwemmen groote, vette
schildpadden rond, die ook al "heilig" verklaard zijn. Deze beesten
worden ook met groote liefde gevoed en verzorgd. En dan is er een
boom, de bo-boom, waarvan verhaald wordt, dat het een tak was van den
boom, waaronder Buddha in Burma zeven dagen zonder voedsel in gebeden
doorbracht, en die bevolkt is met heilige apen. Takken van dien boom
zijn overal heengezonden. In den grond gestoken, schieten zij wortel
en blijven eeuwig leven. Het was onweersprekelijk een zeer oude boom,
waaronder thans een Buddhabeeld zit om zooveel mogelijk de beteekenis
van den boom aanschouwelijk voor te stellen en het was een nieuwe
gelegenheid om den bezoeker geld af te zetten, want dit beeld nam
offeranden in klinkende munt in ontvangst, ter instandhouding van
het Buddhisme.

Eén zaak moet ik nog even releveeren, alvorens ik van de Buddhisten
voorloopig afstap, omdat het ons een beeld geeft van hetgeen deze
eenvoudige zielen onder de zeven hoofdzonden rekenen. Zij hadden
ze buiten op de tempelmuren in beeld gebracht en aanschouwelijk
voorgesteld, hoe de zondaren daarvoor na hun dood gestraft worden. De
voornaamste zonde is het dooden. Die zich daaraan schuldig hebben
gemaakt gedurende hun leven, worden na hun dood door duivels, die
op de schilderij een heel fantastisch en wreedaardig voorkomen
hebben met een lans of ander wapen door het hart gestoken en
zoo moeten zij eeuwig blijven bloeden. De volgende zonde was, de
burgers te veel belasting te laten opbrengen. Zoo iemand werd met
een geldstuk in stukken gesneden. Het was een erg pijnlijk beeld,
dat daarvan een afschildering gaf. De derde zonde was het liegen. De
vierde, zijn ouders niet gehoorzamen. De vijfde, zich toe-eigenen
wat hem niet toebehoort. De zesde, de kerk bestelen en de zevende,
kwaadspreken van een kaste, die boven hem staat. Al die zonden worden
hiernamaals gestraft met straffen, waarvan het middendoorzagen een
van de zachtste is en waarbij duivels in verschillende vormen van
wreedheid voorgesteld, de uitvoerders zijn.

Behalve de Sinhaleezen komen hier natuurlijk verschillende
andere volksstammen voor, waarvan de laagste kaste mijne grootste
belangstelling wekt. Hoewel men hier over het algemeen mooie menschen
vindt, vallen toch deze menschen en vooral de vrouwen onder hen, door
hare mooie geregelde gelaatstrekken, mooien lichaamsbouw en prachtige
oogen op. Zij leven in hoofdzaak op een dagreizen's afstand van hier,
maar verspreide groepen vindt men overal. Het zijn de Rhodiya's.

Van dezen volksstam wordt verhaald, dat hij zijn oorsprong dankt
aan slechte voorvaders. Eeuwen en eeuwen geleden, lang vóór de
Christ. jaartelling, leefde er op Ceylon een vorst, die veel van
lekker eten hield, maar overigens een braaf man was. Zijne koks waren
wel eens teneinde raad, wat zij hem toch alle middagen voor lekkernij
zouden voorzetten. Op een middag hadden zij wat nieuws gevonden en
de vorst vond dat zoo heerlijk, dat hij herhaaldelijk opnieuw zoo'n
schotel bestelde. Maar op zekeren dag kwam het uit, dat wat de koning
zoo lekker vond, versch geslachte kindertjes waren en daarover was hij
zoo in heilige verontwaardiging geraakt, dat hij de schuldige koks en
allen, die er aan hadden medegewerkt, bij zich liet komen en voor hen
de grootste straf bedacht, die hij maar bedenken kon. Hij veroordeelde
hen, dat zij als paria's in de maatschappij moesten voortleven, en
dat al hun nazaten die straf deelachtig zouden worden. Zij moesten
leven in de bosschen en mannen en vrouwen mochten nooit hun bovenlijf
bedekken. Zij mochten niets leeren en nooit met andere menschen
in aanraking komen. Als zij ooit iemand op hun weg ontmoetten, dan
moesten zij minstens dertig meter boschwaarts gaan. Om die mannen nu
in de gelegenheid te stellen zich voort te planten en zoo de straf
eeuwigdurend te doen zijn, kregen zij successievelijk tot vrouw alle
prinsesjes, die wat te warmbloedig waren en eens een vurigen blik
geworpen hadden,--misschien ook wel wat verder waren gegaan--op den
een of anderen man van lager afkomst. Zulke prinsesjes werden de
ondeugende koks in de armen geworpen, en zoodra die er in geslaagd
waren haar den gekauwden siri-pruim--een vieze aardigheid--tusschen
de lippen te duwen, waren zij voor goed met haar getrouwd; dat
beteekende dus zooveel als bij ons het burgemeestersbriefje. Eerst
met de Britsche overheersching is aan die straf een einde gemaakt,
maar bij de Ceylonsche bevolking doet het verhaaltje nog dienst, en
staan die menschen nog op den laagsten sport van den maatschappelijken
ladder. Uit de mooie Rhodiya'sche meisjes worden thans in de steden
de dansmeisjes en nog erger en ergerlijker soort gemaakt, terwijl
de Rhodiya'sche mannen in de steden meest als slangenbezweerders en
goochelaars of toovenaars optreden. Maar ook nu nog durven de mooie
Rhodiya'sche vrouwen zich 't bovenlijf niet bedekken, omdat dit hier
tot beteekenis heeft van een hooger stand te zijn.

Alle Engelsche schrijvers over Ceylon wijden een deel van hun boek aan
de theeplantages en aan de onovertreffelijke theefabricatie. Steeds
las ik, dat dit hier op zooveel beter wijze geschiedde dan in
China of op Java, waar het geheele proces voor degenen, die er in
werkzaam zijn, zoo wreed is. Dat prikkelde mij dus, om hier een groote
theeplantage te bezoeken en het theemaken van het begin tot het eind
na te gaan. Wij waren daarvoor hedenmorgen reeds weder zeer vroeg
uit de veeren en reden met zonsopgang naar Gampola, een oud stadje,
door inboorlingen bewoond, met vele historische herinneringen. Van
hieruit waren gemakkelijk verschillende theeplantages te bereiken. Het
theeplukken was in vollen gang toen wij aankwamen, want de vrouwen
en kinderen--deze laatsten allen boven tien jaar oud--beginnen
den dagtaak direct bij het aanbreken van den morgenstond. Mannen
waren bezig met 't snoeien der boompjes en het schoonhouden der
velden. Het leek mij een gezond en gemakkelijk werk wat die vrouwen
en kinderen verrichten. Tegen tien uur hebben zij allen ongeveer
de mand, die op hun rug gebonden is, volgeplukt en gaan dan naar de
fabriek. Daar wordt de inhoud nog eens nagelezen, de groote bladeren
eruit verwijderd en een te groot steeltje afgeplukt. Dit doen ook
de vrouwen. De bladeren worden dan door mannen op de droogzolders
gebracht en uitgespreid om gedroogd te worden en ondergaan dan
verder een geheel machinale behandeling. Het krullen der blaadjes,
het zuiveren en sorteeren der verschillende soorten, het verpakken,
enz. geschiedt alles machinaal en de fabriek, die wij zagen, was
in elke afdeeling zoo ruim, zoo zindelijk en zoo goed geventileerd,
dat er van wreedheid of van ongezondheid geen sprake kon zijn, als,
hetgeen wij natuurlijk niet konden constateeren, de behandeling der
zwarte werkers en werksters ook een goede is. Want mij werd verteld
door een gast in dit hotel, dat de opzichters soms zeer onmenschelijk
met de ondergeschikten omspringen, door hen het volle loon te onthouden
als zij niet genoeg geplukt hebben of soms voor een klein misdrijf in
't geheel geen dagloon uitbetalen en door nu en dan gebruik te maken
van de zweep. Het loon wat de theeplukkers als regel ontvangen is 25
cents per dag, d.w.z. 25 Ceylonsche centen, die ongeveer 20 Hollandsche
centen vertegenwoordigen. Daarvoor werken ze van 's morgens 6 tot 11
en 's middags van 1 tot 5 uur. Dat lijkt een heel kleine belooning,
maar in aanmerking genomen de weinige behoeften dezer menschen, is
zij niet zoo klein. Tenminste alle vrouwen en meisjes, die wij aan het
werk zagen, hadden armen en beenen en vingers rijk bedekt met ringen,
de oorlellen van onder tot boven vol versierselen, het middenschot
van de neus en beide neusvleugels prachtig geornamenteerd, en vier,
vijf of meer verschillende kettingen om de hals. Een groot deel
van hetgeen zij verdienen, wordt blijkbaar in lichaamsversierselen
omgezet. Ik zal nu later kunnen nagaan hoe de Javaansche theeplanters
hun zaken hebben ingericht, of daar inderdaad van wreedheid bij de
theefabricage sprake kan zijn.

Wij wilden Gampola niet verlaten zonder eerst een kijkje in het stadje
genomen te hebben. Het loonde de moeite. Niet alleen zagen wij er zeer
oud en zeer origineel steenhouwwerk, overblijfselen van oude tempels,
maar wij zagen er een koperen plaat, waarop eene heele geschiedenis
gegraveerd was. In 't kort is het verhaal zoo, dat in 1804 koning
Wickrama Daja Sinha den tempel van Gampola een groot geschenk in
grond en goud aanbood en het eindigt aldus: "Zijne Majesteit heeft het
genoegen, dit aan te bieden, zooals bij den mond van de godin Saraswati
is geuit, en hij geeft deze gift in een gelukkigen tijd, zittende op
een gouden troon, in den vorm van Sakkraya in de stad van Senkanda
Sailabidhana Siriwardhanapura, welke overvloeit van rijkdommen; en
deze gift is gegeven op Maandag, den tweeden dag van de opkomende
maan in de maand Medindina, in het jaar 1726, genaamd Raktaksa. Hij,
die plukt, breekt, of snijdt, een blaadje of grasspriet of eenig hout
of vrucht, of iets wat thans aan Buddha behoort, zal herboren worden
als een pretaya (een vertaling van dat woord ken ik niet, maar 't zal
wel wat verschrikkelijks zijn), doch iedereen, die eenige offeranden
brengt, zal voorspoed genieten en in Nirvana treden. Hij, die met
geweld iets neemt van hetgeen Buddha toebehoort, met de bedoeling het
zich toe te eigenen of het aan anderen te geven, zal in een worm op
een mesthoop veranderen voor een tijdsduur van zestigduizend jaren".

Niettegenstaande deze verschrikkelijke bedreiging is nu 5 jaren
geleden het gouden beeld van Buddha gestolen, dat aan goud ongeveer
25.000 gulden waarde bezit. De dief is nooit gevonden; de goe-gemeente
is vast overtuigd, dat die ook nooit gevonden zal worden, omdat de
politie onder de menschen zoekt en de dief natuurlijk reeds lang in
een worm op een mesthoop is veranderd.

Nadat wij na de lunch eerst een paar uren gerust hebben, begaven
wij ons op weg naar het museum, wat nog niet veel te beteekenen
heeft. In één opzicht vond ik het toch interessant, omdat ik er veel
terugvond wat afkomstig moet zijn van onze Hollandsche voorvaders
en omdat de oude Kandysche industrie, die in dit museum nog wordt
uitgeoefend, in veel opzichten door de onze moet zijn beïnvloed. Er
waren o.a. oud-Hollandsche bedplanken, stoven, schoengespen, lepel-
en vorkrekken, pannen en potten, etc. Ik kocht er eenige zaken, die
ik nu nog zag maken, alle met de oude, primitieve instrumentjes van
voorheen en die elkeen voor oud-Hollandsch werk zal aanzien.

Wij hadden nog juist tijd om vóór zonsondergang de winkels van Kandy
te bezoeken, waar de echte Ceylonsche edelsteenen verkocht worden en
waar men niet, zooals in Colombo, met kooplieden te doen heeft, die
zes- of zevenmaal den prijs vragen van dien, waarvoor zij geleverd
kunnen worden. Er waren prachtige saphiren, smaragden, robijnen,
amethyst, paarlen, enz., en, in aanmerking genomen de prijzen, die
men daarvoor in Europa vraagt, bespottelijk goedkoop.

Den derden dag vertrokken wij met den ochtendtrein naar Nuwara Eliya
(spreek uit Nurelia), op eene hoogte van 6200 voet gelegen, waar
het heerlijk koel en gezond is. Den geheelen weg over, de treinreis
duurde vijf uren, gingen wij door theeplantages, waar overal het
werkvolk druk aan den arbeid was. Het was een prachtige tocht, met
grootsche berggezichten. Ongeveer op het midden van de reis passeert
men een plaatsje, dat Hatton heet en dat bekendheid bezit, omdat men
van daaruit den berg, genaamd Adam's berg, bestijgt. Jaarlijks gaan
duizenden pelgrims dien berg op, maar ook vele toeristen komen hier
om op den top van den berg, van waar men een onbeschrijfelijk mooi
uitzicht moet hebben, te beklimmen. Waarom die berg zoo belangwekkend
is? Dat is natuurlijk niet alleen een gevolg van het mooi vergezicht,
dat men op den top kan genieten, maar omdat die berg een heilig
karakter draagt, in de geschiedenis van vele oude godsdiensten een
groote rol speelt en het onderwerp is geweest van veel onderzoek en
nog grooter godsdiensttwisten. Op den top van den berg is namelijk
duidelijk het afdruksel te zien van een voetstap, maar van een voet die
een reuzenmensch moet hebben toebehoord. Nu zeggen de Mohammedanen,
dat dit de voetstap van Adam is, de Buddhisten beweren, dat Buddha
daar gewandeld heeft en de voetstap van hem afkomstig is en de Hindu's
beweren, dat Siwa, een hunner drie godheden, die voetstap toebehoort.

Volgens de Mohammedanen is Adam, toen hij uit den hemel gevallen
of geworpen is, op den top van dien berg terecht gekomen en heeft
hij daar 200 jaren op Eva gewacht. De voetstap moet dus van Adam
afkomstig zijn. De Buddhisten weten echter beslist, dat Buddha op
zijne zwerftochten ook Ceylon heeft bezocht en daar hij veel van de
eenzaamheid hield, heeft hij gewis dien berg beklommen en daar vele
van zijne overpeinzingen gehouden.

Doch de Hindu's weten met even groote zekerheid, dat Siwa, in een
zijner menschelijke gedaanten, daar geweest moet zijn; zij hebben de
maten van dien voetstap genomen van alle kanten en die alle vormen
een volkomen overeenkomst niet de afdruksels van de voeten van Siwa.

Hoe het zij, de Hindu's, Buddhisten en Mohammedanen maken er nu geen
herrie meer over, zooals de Christenen in Palestina, maar elk hunner
vereert dien berg en nog meer dien voetstap op zijne wijze, en zij
trekken broederlijk gezamenlijk opwaarts.

De weg om er te komen is 24 mijlen lang waarvan de helft per rijtuig
of te paard kan worden afgedaan. De andere helft moet te voet worden
afgelegd en de drie laatste mijlen zijn zeer steil en gaan over
een bijna onbegaanbaren weg. Voor twee oudjes als mijne metgezellin
en ik is de top dus onbereikbaar, want wij gaan er niet uit heilige
devotie heen, zooals zoovele oude mannen en vrouwen doen, die het voor
de hoogste zaligheid houden in het aangezicht van dien voetstap te
sterven. Men vertelde mij, dat elk jaar vele oude pelgrims op den weg
er heen sterven en dan door de andere pelgrims mede naar boven worden
gedragen. Sommige zonen gaan er met hun ouden vader of moeder op den
rug heen, keeren echter maar al te dikwijls alleen terug. Daar wij
eerst Britsch-Indië, Burma, Java en Sumatra nog moeten zien alvorens
wij tot dood gaan bereid zijn, moeten wij ons dus het genot om naar
boven te klimmen ontzeggen.



III.


Nuwara Eliya is een plaats, die met St. Moritz in de Engadine in
zomertijd kan vergeleken worden. Men leeft er in de zuiverste en
prikkelendste atmosfeer, die men zich wenschen kan en de temperatuur
komt zoowat met de zomertemperatuur in ons land overeen. Het is nog
een paar honderd meter hooger gelegen dan St. Moritz. Met elk jaar
neemt de toevloed van Engelsche bezoekers, die hier de wintermaanden
doorbrengen, toe. Er zijn tal van goede, groote hotels, pensions en
gemeubelde villa's. Het onderscheidt zich echter van St. Moritz door
de weelderiger plantengroei.

Wij waren er heen gegaan, omdat de reis er heen zoo mooi is en omdat
wij daardoor een goed beeld kregen van de uitgestrektheid van de
theeplantages in Ceylon en toch ook even een kijkje wilden nemen
in de plaats, die weldra in Europa de meest bekende van dit eiland
zal zijn. Er zijn van daar vele mooie bergtoeren en rijtoeren te
maken. De meest gerenommeerde, die leidt naar den voet van den berg
Hakgalla en naar den Koninkl. Botanischen tuin--want ook hier is een
gouvernementstuin--maakten wij. In dezen tuin worden de boomen en
planten gekweekt, die een koeler klimaat behoeven, waaronder vele
Europeesche planten. Maar al zag ik er varens zooals ook bij ons
voorkomen, diezelfde varens waren hier tienmaal grooter en ik zag
er zelfs een, die als boom fungeert. Ook de rhododendron, die hier
in zeer groote hoeveelheid in het wild groeit, is een boom, en zelfs
zag ik de margharites groeien aan een boom.

Van verschillende punten hadden wij een mooi gezicht op hooge
bergtoppen en ook op mooie valleien. Betrekkelijk dichtbij is de plek,
waar het kamp was, waarin de Engelschen de Afrikaansche Boeren gevangen
hielden. Eén van deze Boeren leeft nog hier; 't is degene, die niet
dien eed van trouw aan Engeland heeft willen zweren. Hij schijnt nu
in Kandy een hofstede te hebben en daar te wonen. Als ik tijd heb,
zal ik trachten hem een bezoek te brengen.

Den volgenden dag gingen wij naar Kandy terug. Daar trachtten wij uit
te vinden, wat er voor het onderwijs der jeugd wordt gedaan. Het was
echter Zaterdag, vele scholen waren gesloten of gaven geen geregeld
onderwijs. Onze inlichtingen waren dus zeer onvolledig. Het meeste
onderricht wordt hier overal op Ceylon nog op zendelingsscholen
gegeven, die door de regeering gesubsidieerd worden, maar alle tot
hoofddoel hebben van de Boeddhistische en Hindoesche kindertjes
Katholieke of Protestantsche Sinhaleezen of Tamils te maken.

"Dat is ons hoofddoel", zeide mij een juffrouw, aan het hoofd van
een meisjesschool staande; "daarvoor zijn wij hier, maar dat neemt
niet weg, dat toch het gouvernement toezicht op het onderwijs houdt,
zoodat 't ook goed is".

Tot voor betrekkelijk korten tijd werd het onderricht der meisjes
hier nog geheel verwaarloosd. Er waren in 1901 nog slechts 6% der
meisjes, die lezen en schrijven konden. Door de zendelingsscholen is
hierin groote verbetering gebracht. De dochters van alle hoofden op
Ceylon ontvangen nu onderwijs; wij waren in de school, waar zij allen
vereenigd zijn en reeds van haar 4e jaar af worden opgenomen. Ongeveer
60 van die meisjes waren er intern. Een paar ouderen onder haar waren
met drie Engelsche juffrouwen als onderwijzeressen aangesteld.

De leeftijd, waarop de meisjes over geheel Ceylon trouwen, is een veel
hoogere dan die in Syrië en Egypte. Vóór haar 16e jaar trouwt er bijna
geen enkele en in de laatste jaren is die leeftijd nog stijgende. Dat
komt door de hoogere ontwikkeling. De beter onderwezen jonge mannen,
waarvan er vele naar Engeland gaan om hunne opvoeding te voltooien,
willen goed ontwikkelde vrouwen tot hunne echtgenoote en van deze is
de opvoeding dikwijls niet vóór het 18e of 20e jaar voltooid.

Toen ik 's middags in het hotel informeerde of in Kandy een
Zuid-Afrikaansche boer woonde, wist mij elkeen direct te zeggen, dat
de prison-boer, zoo wordt hij hier genoemd, even buiten Kandy een
farm heeft, dat hij getrouwd is en een dochtertje bezit. Zijn farm
schijnt echter niet genoeg op te leveren, daarom werkt hij in Colombo,
doch komt dikwijls in Kandy om naar zijn farm om te zien. Het was
Zaterdagmiddag en waarschijnlijk zou ik hem wel tehuis vinden. Ik nam
een rickshaw en liet mij er brengen. Het was langs een zeer mooien
landweg, die naar de woning van James Gibson leidde en zijne kleine
hoeve was ook zeer schilderachtig gelegen. De prison-boer was echter
niet daar, een vriendelijke oude man met een dochter namen de taak van
huisbewaarders waar. Toen deze oude man vernam, dat ik een Hollandsche
was, vertelde hij, dat ook hij een "burgher" was. Zijn vader was in
het begin der vorige eeuw hier gekomen. Hij heette echter Cooley, maar
zijn naam was verbasterd, zijn vader's naam was Kohle geweest. Het
kwam mij voor, dat de vader eerder een Duitscher dan een Hollander
kon geweest zijn, maar ik hield die gedachte voor mij, omdat de man
er blijkbaar op gesteld was een "burgher" te zijn. Ik moest een kopje
thee blijven drinken en met een mooie bouquet rozen uit den tuin keerde
ik huiswaarts. Op mijn terugweg passeerde ik een huisje, waar twee
oudjes knusjes in de veranda zaten te keuvelen. Met groote letters
stond op de deur van het hek "Pieter de Vos", "Weltevreden". Dat
moeten een paar Hollanders zijn, dacht ik, liet mijn rickshaw halt
houden en ik stapte het hek binnen. De oude heer kwam mij tegemoet,
doch toen ik hem in 't Hollandsch begon aan te spreken, bleek het, dat
de goede man mij niet verstond. Ik begon dus in het Engelsch te vragen
of ik hier niet een Hollandsche familie ontmoette en direct kreeg
ik een bevestigend antwoord, maar zij waren "burghers" en hadden het
Hollandsch verleerd. Ik moest echter mede naar zijne vrouw en vernam
weldra, dat ik hier met een oud-Hollandsche familie te doen had, die er
een stamboek op nahielden en trots op hun afkomst waren. In 1642 waren
de gebroeders Pieter en Olivier de Vos uit Brugge op Ceylon gekomen,
en hadden er zich metterwoon gevestigd. Zij hadden hunne vrouwen ook
uit Brugge laten overkomen en deze twee families hebben in den loop
der jaren een groote nakomelingschap gekweekt. De jongeren uit die
families spreken allen Hollandsch en zijn mede-oprichters van den
bond van burghers, die niet lang geleden op Ceylon gevormd is. Het
was jammer, dat de zoon en dochters van dit echtpaar niet thuis waren
en ik geen tijd had op hun thuiskomst te wachten; ik had gaarne van
hen wat meer over de burghers van Ceylon vernomen, dan hetgeen de
oudjes mij er van vertellen konden. Volgens hen verkeeren de burghers
over het algemeen niet in financieel schitterende omstandigheden,
hoogstens behooren zij tot de min of meer gegoede middenklasse.

Zondagmorgen was het weder vroeg opstaan, want wij wilden Ceylon
niet verlaten, zonder ten minste één van de "begraven steden" te
hebben gezien. Wij gingen naar Anuradhapura. Het was wel zeven uur
sporen noordwaarts van het eiland, maar wij hadden het er voor over
en het bracht ons ook door een geheel ander deel van het land. Deze
tocht heeft ons niet berouwd. Om twee uur kwamen wij ter bestemder
plaatse. Hoe geheel anders was het hier dan wij op Ceylon tot dusverre
gezien hadden. De plek waar nu weder Anuradhapura is herrezen,
was 30 jaar geleden nog een dicht woud, waarin de wilde olifanten,
tijgers, luipaarden, apen etc. de lakens uitdeelden en waar geen
mensch woonde. Het was een dicht woud, waaronder de oude stad begraven
lag. Er zijn nu vele boomen omgehakt, rijstvelden aangelegd, huizen
gebouwd en er ligt een garnizoen militairen. Het hotel, een zeer
primitief houten gebouw, bestaat nog maar twee jaar. Het kan een
beperkt aantal gasten herbergen. Het staat midden in een woud van
mooie, hooge boomen, waarin tal van aapjes zich amuseeren, die nu en
dan in groote getale naar beneden komen en na een rondedans of ander
spelletje gespeeld te hebben, gauw weder naar boven klimmen. Maar dat
is natuurlijk niet het eenige aantrekkelijke geweest om deze reis te
ondernemen, het zijn de opgravingen, of liever uitgravingen, die hier
door het Engelsche gouvernement ondernomen worden en de resultaten,
die zij opleveren. Hier zijn Boeddhistische tempels ontdekt, die
de oudste en grootste van de wereld zijn en die nog duidelijk de
inscripties vertoonen, waaruit men hun oorsprong en bestemming kan
nagaan. Enkelen er van vertoonen nog zulk mooi steenhouwwerk, alsof
't pas kort geleden gemaakt was. De oudste van de thans gevonden
tempels is door Koning Tissa gewijd aan den eersten apostel van het
Boeddhisme op Ceylon, aan den Indischen koningszoon Mahinda en dateert
van 311 vóór Christus. De grootste van de opgegraven tempels heeft
zoo'n enormen omvang, dat uitgerekend is, dat uit de bouwsteenen
een stad van 20.000 zielen kan worden opgebouwd. Hij is veel hooger
en grooter dan de St. Paulskerk in Londen. De mooiste heeft mooi
beeldhouwwerk, rust op honderden groote olifanten, die allen ivoren
tanden moeten gehad hebben, waarvan echter bijna geen een gevonden
is. Er zijn aan al deze gebouwen, want het zijn niet alleen tempels,
zoovele en interessante legenden verbonden, dat het een genot is ze
te zien onder den indruk der pas gelezen verhaaltjes.

Tal van tanks, watertanks, zijn ook ontdekt, die van nog ouder datum
zijn dan de tempels, waarin de krokodillen nu lustig rondzwemmen en
zich aan den vroeg opstaanden in vollen omvang vertoonen.

Zulke vroege opstaanders waren wij, want wij wilden vóór de zon te
heet zou branden in Mihintale aankomen en de 1840 treden opgeklommen
zijn. De weg naar Mihintale is anderhalf uur rijden en voert over een
zeer goeden weg dwars door een dicht bosch, waarin ratelslangen in
ontelbare menigte voorkomen, waar beeren, tijgers en wilde olifanten
vrij rondloopen en waar wij nog meer van zulk soort beestjes hadden
kunnen ontmoeten. Elke inlander, die wij op onzen weg ontmoetten,
was met een geweer gewapend om zich te verdedigen tegen mogelijke
overvallen. Zelfs de vredelievende en niet doodende Boeddhist en
de Hindoe gaan toch niet ongewapend door het bosch. Wij ontmoetten
echter niets van dat alles, wij hadden zoo graag een avontuurtje gehad,
alleen zagen wij prachtig mooie wilde hanen en hennen--het deed mijn
hart goed te zien, dat ieder mooi haantje wandelde met één hennetje
en toonde in natuurstaat monogaam te zijn,--wij zagen een soort groote
bunsings, of hoe die beesten in het Hollandsch mogen heeten en midden
op den weg stond een mooi gestreepte jakhals, die toen de koetsier
't rijtuig liet stilstaan, kalm bleef staan om ons op te nemen. Vogels
zagen wij er in menigte, kleine, waarvan het lichaampje niet grooter
dan de top van een pink is, mooie bonte en ook zeer groote.

Precies half negen stonden wij aan den voet van den berg, waaraan voor
de Boeddhisten zoovele historische herinneringen verbonden zijn. Op
dezen berg ontmoette koning Tissa voor het eerst Mahinda, de Indische
koningszoon en Boeddhistischen priester, die hem tot het Boeddhisme
bekeerde. De legende luidt, dat koning Tissa met groot gevolg op de
jacht was en een elk ontmoette van buitengewone schoonheid, die hij
niet onder schot kon krijgen. Hij volgde het beest op zijn vlucht,
gebood zijne volgelingen achter te blijven, omdat hij alleen dit
beest wilde overwinnen, dat op zeer geheimzinnige wijze telkens aan
zijn schot ontkwam. Hij volgde het van rots tot rots, tot hij ten
slotte op den top van den berg gekomen was, waar het beest op eens
onzichtbaar werd, doch waar hij Mahinda in kluizenaarskleeding en
in diep gepeins vond zitten. De elk was een priester, die in deze
gedaante koning Tissa verschalkte en hem naar boven lokte om Mahinda
te ontmoeten en toen plotseling weder in een priester veranderde.

Mahinda vertelde Tissa wie hij was en sprak tot hem over het
Boeddhisme. Dit wekte de belangstelling van den koning, die weldra
zijn geweer van zich wierp en zich aan de voeten van Mahinda
nedervleide. Toen hij wat lang wegbleef, kwamen zijne volgelingen
hem zoeken en waren niet weinig verbaasd hun jachtlievenden vorst op
die wijze aan de voeten van een kluizenaar te vinden. Zij luisterden
nu ook naar hetgeen Mahinda te vertellen had en velen van hen lieten
zich daar met hunnen vorst tot het Boeddhisme bekeeren.

Dat deze berg nu tal van historische herinneringen bevat en voor hen,
die een indruk van het Boeddhisme willen krijgen, de moeite waard is om
te bestijgen, spreekt van zelf. Men moet bedenken, dat het Boeddhisme
in Britsch-Indië aan het uitsterven is en nergens nog zoo welig tiert
als op Ceylon. De weg naar boven is een gemakkelijke; de 1840 treden
zijn voor een deel in de rotsen uitgehouwen, voor een ander deel door
groote granietblokken gevormd. Bovendien is er op den weg naar boven
telkens zooveel belangrijks te zien, dat dwingt om stil te staan,
dat men boven is aangekomen eer men er aan denkt.

Den geheelen weg naar boven voert weder door een dicht woud, dat in
den loop der eeuwen op deze steenrots gegroeid is. Hier zagen wij
op onzen weg apen, die in rechtopstaande houding met het grootste
gemak op mij neerzien en die niet de minste vrees toonden voor hunne
menschelijke nazaten. En de boomen zaten vol van de soort, die wij
in Artis en in de meeste dierentuinen aantreffen. Het was aardig,
die beesten nu eens in hun natuurstaat te bespieden, wanneer wij ons
een oogenblik op een rotsblok nederzetten om wat te rusten.

Boven gekomen hadden wij een prachtig uitzicht over een uitgestrekt
landschap, dat één groot bosch geleek. Maar ook vonden wij daarboven
nog een geheel gave dagaba (d.i. een heilig huisje in den vorm
van een immens groote bel, hetwelk een of andere heilige reliquie
bevat), waarin de asch van Mahinda bewaard wordt. Er is ook een
groote tempel, die gebouwd is over een haar van de wenkbrauwen
van Boeddha, later in zijn asch gevonden, en tal van andere zulke
belangwekkende oudheden. Alles dateert van eenige eeuwen vóór
Christus en alles van hier is ouder dan de Boeddhistische oudheden,
in Britsch-Indië ontdekt. Tal van priesters- of kluizenaarswoningen
zijn nog in de rotsen te vinden, en wat meer zegt: doen nog als
zoodanig dienst. Eenigen van die priesters wonen daar boven in de
grootste ontbering. Ik was in een paar hunner zoogenaamde woningen,
die niets anders zijn dan een groot hol in de rots, en waarin mij op
dien heeten morgen een koude rilling overviel, toen ik er een oogenblik
vertoefde. Zij slapen daarin op een gevlochten rieten rustbank en
voeden zich met de vruchten uit de bosschen. Hun eenige kleeding is
de groote, geel-katoenen doek, waarin zij gewikkeld zijn. Het water
drinken zij uit een van de vele vijvers, waarin het stilstaande water
in de droge moesson opdroogt en in de natte moesson weder door den
regen wordt aangevuld. Tal van beesten zwemmen er in rond. Die vijvers
zijn daar in den Boeddhistischen tijd aangelegd, om de wilde beesten
van water te voorzien. Die beestjes hebben evenals menschen behoefte
aan water; zij zelf zijn niet in staat vijvers te bouwen en daarom
hielpen de menschen hen in dit werk.

Een van de priesters vond ik met een brandenden koorts op zijn rieten
rustbank in de natkoude spelonk liggen. Ik vertelde hem door middel
van onzen gids--anders verstond hij ons niet--dat hij zich door zijne
broeders naar buiten moest laten brengen, of nog beter zich in het
hospitaal te Anuradhapura laten opnemen, maar glimlachend schudde
hij het hoofd, en zeide tot den gids, dat, wanneer hij sterven moest,
"dan wilde hij sterven in de nabijheid van de geesten van Boeddha en
Mahinda." Dat zal dan wel gebeuren; zijn groote wensch zal wel vervuld
worden. De hooge temperatuur, de lugubere omgeving en de ontbering
zullen hem zeker nog wel eerst eenige revelaties geven en dan zal
hij misschien in Nirvana sterven. Hoe ver moet het verstand van
menschen beneveld zijn, die meenen in zoo'n volslagen nutteloosheid
een godgevallig werk te doen? Deze menschen zijn niemand tot nut;
zij offeren hun leven voor een waan. Het waren bijna allen nog
betrekkelijk jonge mannen, die wij er zagen.

Van hun zachte, niemand en niets kwaad doende natuur getuigt zeker
wel, dat ons daar boven een paar vrij in 't rond vliegende vogeltjes
overal op onzen weg volgden, en dan eens op de punt van onzen voet
zich neerzetten of tegen onze rokken opliepen en met hunne opgeheven
kopjes duidelijk "mother, mother" zeiden en iets, dat wij niet konden
verstaan, doch dat de gids verklaarde sanskriet te zijn en beteekende,
dat wij ze eenig voedsel moesten geven. Het waren vogeltjes, door de
priesters in natuurstaat opgevoed, wien zij allerlei dingen leerden
zeggen. Zij noemden ze Myna-birds.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat jaarlijks groote bedevaartgangen
naar deze plek gehouden worden. Elk jaar, met opkomende maan, in Juni
en Juli, komen er duizenden pelgrims uit Britsch-Indië, Burma en over
geheel Ceylon, om hier hun opwachting te maken aan al dat heiligs, dat
er te zien is. Zij slapen dan in de open lucht en leven van hetgeen
de natuur hun aanbiedt of van hetgeen zij meebrengen. Cocosnooten
en bananen zijn er in overvloed en daar kunnen zij best eenige dagen
op teren.

De Boeddhisten maken het de Engelsche regeering niet gemakkelijk
haar archaeologische onderzoekingen voort te zetten. Zij bespieden de
uitgravingen met argusoogen en laten niet toe, dat er ook maar iets aan
de heiligdommen beschadigd wordt. Zelfs hebben zij het vorige jaar een
verzoekschrift door 5000 Boeddhisten onderteekend, naar de regeering
in Engeland gezonden, om te voorkomen, dat er nog meer bosschen worden
omgehakt en in vruchtbare rijstvelden herschapen. Zij beweren, dat
al die grond, met alles wat er op groeit, door opeenvolgende vorsten
aan Boeddha vermaakt is en dat geen menschelijk wezen recht heeft,
zich daarvan iets toe te eigenen. Ook hebben zij tot dusver nog
verhinderd de een of andere dagaba te openen om te zien wat er zich
binnen, in bevindt. Dat is in hun oog groote heiligschennis. Uit de
oude archieven, die over geheel Ceylon reeds vele eeuwen vóór Christus
met groote duidelijkheid geschreven en bewaard zijn gebleven, moet men
de identiteit van de meeste der oudheden vaststellen. De opgravingen
zijn eigenlijk nog slechts pas begonnen; wie weet wat zij nog aan den
dag zullen brengen, vooral als de regeering op de een of andere wijze
de Boeddhisten tevreden kan stellen, hunne gevoelens niet kwetst en
toch met krachtige hand de onderzoekingen voortzet.

Voor mijne lezeressen wil ik hieraan nog toevoegen, dat Mahinda eene
zuster had, die ook Boeddhiste was, en dat hij die zuster, toen zijn
proselietenmakerij zoo succesvol was, liet overkomen om de vrouw van
koning Tissa en hare hofdames te bekeeren. Zij kwam en bracht een
tak van den bo-boom mede, waaronder Boeddha zeven dagen in heilig
afwachten gezeten had; zij plantte dien tak hier, deze schoot weldra
wortel en is nu de heilige bo-boom van Anuradhapura. Mahinda's zuster
was even succesvol als haar broeder; de koningin en alle dames uit
haar gevolg lieten zich bekeeren en uit deze vormde zij een soort
nonnen, die wel op andere wijze dan de priesters of monniken, maar
toch ook haar geheele leven aan den dienst van het Boeddhisme wijden,
zonder iets anders te doen. De Boeddhistische zusterschap vormt geen
nonnen, die, evenals de Katholieke nonnen, zich op de een of andere
wijze nuttig trachten te maken voor de menschheid; zij zijn totaal
nuttelooze wezens, die haar leven wijden aan den dienst van Boeddha.

Toen wij tegen één uur weder in het hotel aangeland waren, hadden wij
nog juist tijd om haastig wat te eten, ons boeltje weder te pakken,
om nog met den trein van twee uur weder naar Colombo te vertrekken.

Wij vonden dezen keer opname in het Galle Face Hotel, wat weldra
bleek een "betrekkelijk" voorrecht te zijn. Vooreerst is dit hotel
tamelijk ver buiten de stad gelegen, zoodat wij minstens een kwartier
noodig hebben alvorens wij de stad bereiken en dan is het hoog
fashionable. Bijna den geheelen dag is er muziek en niet alleen de
gasten van het hotel genieten er van, maar ook de heeren en dames van
Colombo's high life komen hier tea'en, dineeren, dansen en hunne mooie
toiletten ten toon spreiden. Achterna bezien was het eenvoudig hotel
Bristol, dat toch in zijn soort heel goed was, voor ons veel beter
gelegen en doelmatiger geweest. Toen wij 's avonds in het Galle Face
Hotel aankwamen, was een van de vele bals, die hier gegeven worden, in
vollen gang. Ik verkeerde door de hitte zoo ongeveer in smeltvorm, maar
dat nam niet weg, dat tal van jonge paren--en ook eenige oude--het niet
te warm vonden, om in walspas rond te draaien en aan elkanders warmen
boezem te rusten. Het was geen frisch schouwspel, dat bal aan te zien.

Ik zou over Ceylon nog wel eenige brieven kunnen vullen, als ik
maar tijd had ze neer te pennen. Het land is rijk aan natuurschoon,
belangrijk voor den ethnoloog door de verschillende volksstammen,
waarvan vele vrijwel nog in natuurstaat verkeeren, en voor
den archaeoloog om van te watertanden. De uitgravingen zijn op
verschillende plaatsen op Ceylon in vollen gang en leveren overal
prachtige resultaten. Voor allen, die naar Indië gaan of van daar
huiswaarts keeren, is het zeer loonend een tweeweeksch oponthoud in
Colombo te maken en dan die dagen in Kandy door te brengen.



IN BRITSCH-INDIË.


VAN COLOMBO TOT MADRAS.


2 Februari. Wij gaan over eenige uren Ceylon verlaten, om ons naar
het vaste land van Britsch-Indië te begeven.

Vóór ik over dit enorm uitgebreide land, dat even groot is als heel
Europa zonder Rusland, waar 404 talen door 300.000.000 menschen
gesproken worden, waar dagelijks couranten in 22 talen verschijnen,
waar behalve Christenen en Joden, menschen leven, die tot alle oude
godsdiensten met honderden sekten behooren, begin te schrijven, moet
ik de lezers waarschuwen, dat alle schrijvers over Indië het er over
eens zijn, dat zelfs indien men 25 jaren in Indië heeft gewoond met
het doel land en volk te bestudeeren, men dan nog ten slotte tot
de conclusie komt, dat men er eigenlijk niets van weet. Dit land,
dat het oudste land op aarde schijnt geweest te zijn, waar de eerste
wetenschap beoefend werd en van waar de beschaving is uitgegaan,
schijnt voor vreemdelingen ondoorgrondelijk. Wij zijn van plan in
twee maanden tijd dit uitgebreide land van Zuid tot West, van Noord
tot Oost te doorkruisen en in alle belangrijke plaatsen een of meer
dagen te vertoeven. Vóór wij de reis aanvingen, hebben wij moeten
kiezen tusschen al het belangrijke wat dit land te zien en te leeren
geeft om onze reisroute te kunnen vaststellen. Wij zullen de plaatsen
bezoeken, waar wij belangrijke oude tempels vinden, de steden, waar de
hoofdgodsdiensten de omgeving beïnvloeden en eenige mooie bergtoeren
maken. Daarvoor gaan wij van Tutticorin naar Madras, en vandaar naar
Bombay, onderweg verschillende plaatsen aandoende. Van Bombay gaan
wij Noordelijk tot Lahore en dan naar Calcutta. Zooveel mogelijk zal
ik van alle plaatsen die wij aandoen het vermeldenswaardige vermelden
en de indrukken mededeelen, die ik opdoe. Dat die indrukken vluchtige
zijn, spreekt van zelf en dat zij altijd precies zullen wedergeven wat
de toestanden in werkelijkheid zijn, wil ik niet belooven. Misschien
zijn er onder mijne lezers, die dezelfde reis al eens gemaakt hebben en
andere indrukken opdeden, dat is zeer wel mogelijk. Men verwachte van
mij dan ook geene beschrijving van Britsch-Indië, geen volledigheid
van de onderwerpen, die ik aanroer, maar alleen een beschrijving van
wat ik zag, wat ik ondervond, en wat ik van dat alles denk.

3 Februari. Met een uitstekende boot met groote, comfortabele hutten,
goede badkamers en zeer goede keuken, de "Bharatta", staken wij van
Colombo naar Tutticorin over. Hadden wij bij aankomst in Colombo gemist
de mooie haven te zien, bij ons vertrek van Ceylon hadden wij daartoe
alle gelegenheid. Om zeven uur van ochtend bracht de boot ons op vijf
mijlen afstand van Tutticorin, van waar wij in een kleine stoombarkas
met onze bagage aan land werden gebracht. Spoedig daarna reisden wij
af naar Madura, alwaar onze eerste stopplaats voor Indië zou zijn. De
treinreis bood niet veel bijzonders, het landschap was vlak en dor,
de natives aan den weg van het soort, zooals wij ook op Ceylon hadden
gezien, alleen de Sinhaleezen ontbraken. De zon in dit deel van de
wereld, waarin het altijd heet en altijd dor en droog is, gloeide
door de tralies van onze jalouzieën voor de waggonraampjes. Gelukkig
voorzien de spoorwegdirecties de compartimenten van goede electrische
waaiers, die ten minste eenige koelte aanbrengen. Als men bedenkt, dat
alle gidsboeken, (ongelukkig heeft Baedeker den tijd nog niet gekomen
geacht een Baedeker van Indië uit te geven), er voor waarschuwen in
Indië--vooral in treinen en stations--water of melk te drinken, dat men
niet zelf vooraf gekookt heeft, vruchten aan de stilstaande treinen
van inlanders te koopen en die te eten, in de restauratiewagens
salade, vruchten zonder schil of met zachte schil te nuttigen,
vleesch en visch zooveel mogelijk onaangeroerd te laten, dan blijft
er niet veel over, waaraan de verhitte en hongerige toerist dorst
en honger kan laven. De lijst van zaken, die in dit land "dangerous"
zijn, is inderdaad zoo groot, dat het mij niet verwondert, dat men in
Engeland dankgebeden in de kerken opzond en een algemeenen feestdag
hield, toen koning George en zijne gemalin heelhuids door dit land
heengekomen waren. Wij zullen probeeren dat kunststukje na te doen.

Het eenig verschil wat wij aan den weg tusschen de kleurlingen hier
en op Ceylon opmerken, is, dat hier bijna elke man, vrouw en kind
gemerkt zijn. Op Ceylon waren het slechts weinigen, die wij hier en
daar gemerkt zagen. Zij hebben dan midden op het voorhoofd--soms gaande
tot over de neus--witte, gele of roode strepen en ronde roode plekken,
strepen in horizontale of in verticale richting. Elk merk geeft aan tot
welke godsdienst of tot welke kaste de bezitter behoort. Soms zag ik
iemand met drie horizontale witte strepen, gaande van 't eene eind tot
het andere einde van het voorhoofd en daaronder, vlak boven de neus,
een vermiljoen roode stip, ter grootte van een gulden. Anderen hadden
verticale, witte strepen, waarvan de middelste tot over de neus tot
aan de punt liep. Een klein, naakt meisje had drie gele strepen over
haar voorhoofd en men had getracht hare bruine wangetjes en rondom
het kleine mondje een oranje-gele tint te geven. Allerlei variaties
op dit thema zijn aangebracht en met mijn gidsboek tot hulp heb ik
getracht deze en gene soort te identificeeren. Geen gemakkelijke taak.

Om half drie arriveerden wij in Madura, een stadje van ruim 100.000
inwoners, alleen door inlanders bewoond en vol van historische
oudheden. Een hotel is er niet te vinden, doch de spoorwegmaatschappij
heeft het den reizigers mogelijk gemaakt om er een dag te vertoeven,
door op het dak van het station een groote open veranda te bouwen
met zes min of meer afgesloten... laat mij zeggen, kamers, waarin
in ieder twee ledikanten staan en die van frissche badgelegenheden
zijn voorzien. Als men den dag te voren telegrafeert, zoo'n telegram
kost niets, dan is men vrij zeker een onderdak te vinden, want
niemand mag langer dan 24 uren zoo'n kamer occupeeren. Wij hadden de
voorzorg om te telegrafeeren genomen en vonden dus een kamer voor ons
gereserveerd. Wij zullen op onze toer door Indië nog wel meer van zulke
stationgelegenheden gebruik moeten maken, als dan alle zoo eenvoudig
doch goed als deze zijn, zijn wij tevreden. Alleen zouden wij gaarne,
als het voor het vragen was, wat minder bezoek van ratten en muizen
hebben, die zich hier al bijzonder thuis gevoelen. Maar in Indië,
nog meer dan op Ceylon, waar het leven van alle dieren heilig is,
moeten wij niet verwachten, dat zulke beestjes uitgeroeid worden.

Wij zijn lucky toeristen. Juist den dag dat wij aankwamen, was een
belangrijke feestdag voor de Hindu's. Het was de Chitraï, op een na de
voornaamste van alle Hindu'sche feestelijkheden. Het feest vindt elk
jaar plaats op den eersten dag van volle maan, in de Hindu'sche maand
Tai, die valt tusschen Januari en Februari. Wij hadden nu wel heel
veel moeite een rijtuig en een gids te vinden, want allen en alles
was getogen naar den tempel Teppakulam, waar de heilige processie
zou plaats vinden, op ongeveer vier mijlen afstand van hier. Den
geheelen dag brachten locaaltreinen Hindu's uit de omgeving aan om
aan de processie en de daarmee gepaard gaande feestelijkheden deel
te nemen, zoodat duizenden en duizenden hunner dezen dag in Madura
bijeen waren. Met behulp van den stationschef kregen wij ten slotte
om ruim vijf uur een jutka, dat is een wagentje in den vorm van een
groote rioolpijp op twee wielen, doch van riet gemaakt en met een os
bespannen. De inlanders gaan er in liggen, of zitten er in op hunne
gekruiste beenen, wij verkozen er achter in te kruipen en onze beenen
naar buiten te laten hangen. Wij kregen ten slotte ook in plaats van
een os, een paardje, maar een paardje, dat niet grooter was dan een
muis. Wij moesten onze hoeden afzetten en achter ons neerleggen, want
boven onze hoofden werd het ronde ding natuurlijk steeds nauwer en
liet nauwelijks genoeg ruimte om onze hoofden fier op te houden. Bij
elke oneffenheid in den weg, of bij elke kromming, caramboleerden
onze hoofden tegen elkaar of tegen de wagenwanden. Mijn valsche pruik
beschutte mij voor menige buil.

Op onzen weg passeerden wij de dichte drommen inlanders, die allen
naar het feest togen. De vijf olifanten, de heilige, die een voorname
plaats bij elk heilig feest van Buddhisten en Hindu's innemen zagen
wij prachtig uitgedost heenvoeren. Een er van boog vriendelijk voor
ons en bood toen zijn snuit voor een belooning aan. Wij staken voor
deze beleefdheid een paar koperstukjes in den snuit, die onmiddellijk
aan den op hem zittenden priester oversnuit werden. Eenige hooge
en voorname priesters werden in prachtig versierde baldakijns heen
gebracht. De baldakijns werden door 8 mannen gedragen, voor en
achter en aan beide zijden door muzikanten omgeven. De muziek werd
gegeven door mannen, die op fluiten bliezen, op trommels sloegen, met
rinkelbellen en andere bellen rinkelden, of met twee stukjes metaal
op elkaar sloegen. De Hindu'sche bediende van den stationschef die
ons tot gids diende, en die een beetje Engelsch sprak, vond de muziek
prachtig; ik kon er niet veel harmonie in ontdekken.

De geheele weg was met gele bloemen en gele bladen versierd, alle
vrouwen en meisjes droegen gele bloemen in de haren en hadden kransen
van gele bloemen om den hals. Geel was de heilige kleur. Alle
Siwabeelden bij den weg kregen offeranden van gele bloemen. Na
ongeveer drie kwartier in onze ongemakkelijke koets gereden te hebben,
kwamen wij op de heilige plaats aan. Daar was een reuzengroote tank
of vijver, waar midden in op een eilandje een mooie tempel stond,
de Teppakulam, voor wie de feestdag gold. Met een bootje moesten wij
er heenroeien. Maar die bootjes, van den meest primitieven vorm en
constructie (sommige geleken op heele groote, halve kokosnootdoppen)
konden niet aan de oevers van de vijver komen. Voor de Hindus,
die allen blootvoets en blootbeens zijn, levert dat natuurlijk
geen bezwaar op, maar wij konden onze benedenlichamen moeilijk
blootstellen aan zulk een koudwaterbad. Onze jonge gids wist echter
voor die twee vreemde dames de menigte, die er om vocht om in de
bootjes te komen, op een afstand te houden, het bootje zoo dicht
mogelijk aan wal te laten komen, en toen met behulp van twee mannen
en een koenen, jeugdigen sprong, kwamen wij in een scheepje terecht,
waarvan de bestuurder uit diepe eerbied voor de twee blanken onder de
zwarten--eerlijk gezegd heeft de zon in Ceylon van mij reeds bijna een
kleurling gemaakt en, ik kon best voor een der hunnen doorgaan--niemand
meer veroorloofde plaats te nemen. Hij roeide ons naar den tempel,
waar een jonge priester ons onmiddellijk met een krans gele bloemen
behing, waarvoor wij hem een rupee moesten offeren. Spoedig nadat wij
aangekomen waren, werden de duizenden lichtjes ontstoken. Het waren
alle aarden olielampen van antieken vorm, waarin olie en een zakje
met brandbare stof. Walm gaven zij genoeg. De processie was eenig
om aan te zien. Het Siwabeeld, vol behangen met gouden kettingen
en edelsteenen, achter hem aan het beeld van zijn vrouw, minder
kostbaar versierd, werd rondgedragen. Rondom muzikanten van het reeds
beschreven soort. De dragers waren Brahmanen, dat is op een na de
hoogste kaste hier. Zij alleen genieten de eer Siwa en zijne gemalin
rond te dragen. Vooraan liepen vele priesters maar allereerst een groep
dansmeisjes, Nautchgirls, de heilige prostituees. Voor een nuchteren
toeschouwer was het meest humoristische van deze groep, de twee mannen
te zien, die aan beide zijden van het Siwabeeld liepen met reuzengroote
waaiers en daarmede zwaaiden, dat het zweet van hun naakte lichamen
droop, met het doel Siwa koelte aan te brengen. Maar de geheele groep,
waarin ook een paard van goud werd rondgedragen, was zoo'n mooi stuk
bont oriëntalisch geheel, dat het mij onuitsprekelijk boeide.

Voor degenen, die het niet mochten weten, is Siwa een van de
drie godheden der Hindu's, Brahma, Vishnu en Siwa, maar 't
wordt verondersteld dat Siwa in honderden--onze Hindu-gids zegt
duizenden--verschillende vormen op aarde kwam en in al die vormen wordt
hij door zijne volgelingen vereerd. Madura is de meest Hindusche stad
in Indië en de oude tempel, dien wij den volgenden morgen gingen zien,
de mooiste en grootste van geheel Indië. Nergens ook leven zooveel
dansmeisjes als in Madura, waar haar aantal meer dan 200 is. Zij wonen
in een afzonderlijke straat. Men vertelde ons, dat deze, die wij niet
anders dan prostituees zouden noemen, toch van deze daarin verschillen,
dat zij zich nimmer verlagen om een blanken man te dienen, dat zij
alleen met Hindumannen verkeeren. Zij worden dansmeisjes genoemd,
omdat zij bij alle heilige feesten in de tempels dansen en zij zijn met
een soort heiligheid omgeven, omdat zij de priesters "unentgeltlich"
ten dienste staan. Onder de Europeesche schrijvers over Engelsch Indië
zijn er echter verscheidene, die beweren, dat deze vrouwen voor geld
en lieve woorden ook wel eens een blanken man hare gunsten verkoopen.

4 Februari. Wij gingen den volgenden morgen vroeg den ouden tempel
zien, die inderdaad in vele opzichten een wonder is. Het Hindu-knechtje
van den stationschef diende ons weder tot gids. Deze tempel is niet
zoo heel oud, dateert van het begin der 17e eeuw, hij is echter
bijzonder goed bewaard gebleven. Al de beelden en beeldengroepen zijn
stucadoorswerk en later geschilderd. Men beweert, dat het inwendig
deel van den tempel reeds in de 5e eeuw moet bestaan hebben, want
er zijn schrijvers uit dien tijd, die er reeds van gewagen. Nadat
wij dezen tempel genoegzaam eer bewezen hadden, zagen wij het oude
koninklijke paleis, dat nu tot officieel gebouw dient en waarin de
gemeenteraad zitting had en zagen wij de groote bo-boom, die op één
na (in Calcutta is een nog grooter) de grootste van de geheele wereld
is. Een bo-boom is een heilige banyanboom, een oude Waringin, die door
zijne vele luchtwortels tot stammen gegroeid, een groep boomen gelijkt,
doch inderdaad slechts één boom is. Deze bo-boom was heilig verklaard,
wijl hij in staat bleek, vrouwen, die van den duivel bezeten zijn,
als zij er deemoedig voor bidden en er offeranden voor brengen,
te verlossen. Er zijn dingen voor minder nuttige diensten heilig
verklaard!

Toen wij om 12 uur van onzen rijtoer terugkeerden, stond vlak voor
het station, in de brandende zon, een geheel naakte man; alleen zijn
lendenen waren met een doek omgord. Zijn geheele bruine body was met
heilige asch grijs gekleurd. Zijn oogen leken bloedrood. Hij stond op
één been, het andere gestrekt voor zich uit. Het was een fanaticus, die
door zelfkastijding zich trachtte te zuiveren van begane zonden. Hoe
lang die man daar reeds gestaan had toen wij arriveerden, kan ik
niet zeggen, maar toen wij om half drie vertrokken stond hij daar
nog op hetzelfde eene been. In elk ander land zou zoo'n grappenmaker
met zachte hand naar een krankzinnigengesticht overgebracht worden,
hier wekte hij van elken voorbijganger bewondering en een eerbiedig
medelijden op.

Vóór ik van Madura vertrek moet ik nog opmerken, dat de voornaamste
industrie hier in de stad het weven is, wat nog overal thuis op
de ouderwetsche handweeftoestellen geschiedt. Wij zagen er velen
buitenshuis dit handwerk beoefenen. Zeer mooie fijne, zijden en
katoenen stoffen maakten zij. Het wasschen en het verven der geweven
stoffen geschiedt ook hier. Ruim de helft der bevolking is wevers,
zij vormen een afzonderlijke kaste, de weverskaste, die ook hun eigen
voorhoofdmerk dragen.

De hoogste kaste in Madura en omgeving zijn de Kallars of roovers. Deze
menschen leven bijna uitsluitend van roof. Geheele dorpen rondom
Madura zijn geheel door Kallars bevolkt. Tegen de niemand en niets
ontziende leden van deze kaste hebben de Engelsche regeering en
ook de overige bewoners van dit district reeds alles beproefd wat
denkbaar is, maar zij kunnen ze niet kwijt worden. In 1896 en '97
nam de regeering zeer ernstige maatregelen tegen hen, waardoor zij
tijdelijk in toom werden gehouden en er reeds eenigen hunne bezittingen
te gelde maakten en naar andere oorden vertrokken. Maar in het midden
van 1897 ontvoerden de Kallars de vrouw en oudste dochter van een
invloedrijk man uit Madura en zeiden, dat deze vrouwen alleen tegen
een hoog losgeld weder teruggebracht zouden worden. Indien echter
de politie of iemand anders een der Kallars een haar mocht krenken,
of indien de politiemaatregelen tegen hen niet mochten opgeheven
worden, dan zouden binnen kort alle vrouwen uit het district op even
geheimzinnige wijze verdwijnen en niemand harer zou terugkeeren. De
bevolking was daardoor zoo beangst geworden, dat zij smeekten de
politiemaatregelen weder op te heffen. Zij wilde liever weder onder
het oude regime leven. De politie kan nu niet veel anders doen dan
elkeen waarschuwen op zijn hoede te zijn.

Nog op een andere bijzonderheid wil ik wijzen, want ik weet niet of ik
dat in zoo'n hooge mate wel meer in Indië zal zien. De vrouwen hier
schijnen lange oorlellen bijzonder gracieus te vinden. Wij zagen er
met oorlellen die op de schouders neerhingen. Om dat schoone resultaat
te bereiken, worden de oorlellen van meisjes op den 8en dag na de
geboorte doorboord en met steeds zwaarder ringen behangen. Als de
kinderen ouder worden dan hangt men stukjes lood aan de ringen om
een sneller verloop te verkrijgen.

Dezen eenen dag in Indië kregen wij ieder minstens een dozijn
certificaten te teekenen over de braafheid en eerlijkheid en
geschiktheid der verschillende menschen, waarmede wij in aanraking
kwamen. De gids, hoewel geen gids van professie, de koetsier, de
juffrouw van de stationskamers, de restaurateur, de winkelier van
wie wij een kleinigheid kochten en al zulke menschen meer, vroegen
een getuigschrift, dat wij met hunne handelingen tevreden waren en
wilden liefst, dat wij naast onze handteekening een visitekaartje
plakten. Elkeen loopt hier met een boek certificaten in zijn zak
en duwt je dat direct onder de neus om zijne voortreffelijkheid te
bewijzen. Sommige van die certificaten, vooral als zij in de Fransche
of Duitsche taal zijn geschreven, want dat verstaan de goede menschen
niet, zijn in 't geheel geen aanbeveling. In een er van vond ik zelfs
een Hollandsch getuigenis door een landgenoot gegeven, dat luidde:
"Hoedt u voor dezen man die u afzet op honderdlei wijzen!" De man
vroeg mij of ik dat lezen kon, of ik het dan voor hem vertalen wilde
en ik gaf als vertaling: "Dit is de eerlijkste man in de wereld!" "Ja",
zeide hij, "dien mijnheer heb ik ook zoo goed behandeld".

5 Febr. Om 8 uur kwamen wij 's avonds in Trichinopoly aan, waar wij na
een schraal diner en na een gids voor den volgenden morgen besproken
te hebben, gauw op onze primitieve bedden kropen. Wij moesten weder
in de stationsgelegenheid overnachten, die veel primitiever was dan de
vorige. Daar wij hier met eigen bedtoebehooren moeten reizen en alleen
ijzeren bedden met ijzeren matrassen vinden, behoeven wij voor bewoonde
bedden niet te vreezen; daardoor is onze nachtrust een veel kalmere.

Wij reden vanmorgen eerst naar den verst af zijnden tempel,
die de grootste in zijn soort in Indië is. Het is een tempel aan
Vishnu gewijd, waarin Vishnu voornamelijk gehuldigd wordt als de
dans- en vermaak-lievende God. Erg aanschouwelijk wordt dat in de
verschillende beelden op en in de enorm grooten tempel voorgesteld;
voor de openbare zedelijkheid ware het misschien wenschelijk, dat
vele van deze beelden met een sluier van welvoegelijkheid bedekt
werden. Als die tempel in ons land stond dan zouden onder onze
tegenwoordige Zedelijkheidswet zeer zeker vele van de zinnebeeldige
voorstellingen uit de graniet zuilen uitgehakt worden. Zij geven echter
een goed beeld van verheerlijking der zinnelijkheid in den Hindu'schen
godsdienst. Den geheelen morgen wijdden wij aan het bezichtigen van al
de tempels in den omtrek en vanmiddag gingen wij een kijkje nemen van
de industrie die in Trichinopoly beoefend wordt. Het is in hoofdzaak
goud- en zilverwerk, filigrainwerk, wat ook al weer door elkeen in
eigen hut of nog meer vóór de hut, uitgevoerd wordt.

Zuid-Indië, waarin wij nu reizen, is door zijne Hindu-tempels
vermaard, daarom bezochten wij de voornaamsten er van. Maar wij
hebben er nu genoeg van gezien en zullen niet meer, zooals wij eerst
van plan waren, in Tanjore uitstappen om ook daar tempels te zien,
maar liever in eens doorreizen naar Madras.

7 Febr. 'n Tocht van 7 uur 's avonds tot 8 uur den volgenden morgen
bracht ons in Madras, alwaar wij na in een hotel een frisch bad en
een goed ontbijt genomen te hebben, ons onmiddellijk per rijtuig op
weg begaven. Madras is een vrij onbelangrijke stad, bezit eenige
onbeduidende Hindu-tempels en eenige mooie officieele nieuwe
gebouwen. Alleen voor hen die de occulte godsdiensten grondig
bestudeeren willen, is Madras belangrijk. Daar hier de eerste
Theosophische school door mad. Blavatsky en haar medewerker Olcott
gesticht is, gingen wij daar een kijkje nemen. Even buiten Madras,
in Adyar, is een zeer mooi gelegen en smaakvol aangelegd stuk grond,
waarop deze school, met haar uitgebreide bibliotheek en verschillende
woonhuizen, waarin de studenten en allen die tot de school in
betrekking staan, wonen, is gevestigd.

Wij troffen er den vriendelijken secretaris mr. Aria, een Parsee,
die ons alle inlichtingen gaf die wij wenschten. Verscheidene
Hollandsche heeren en dames zijn op dit oogenblik in en aan deze
school werkzaam. In de ruime, frissche hall van het hoofdgebouw
stond een levensgroot beeld van de twee stichters van de school,
mad. Blavatsky en kolonel Olcott. In Benares, waar wij later komen,
is de tweede theosophische school gevestigd. Veel volgelingen hebben
de theosophische leerstellingen nog niet gevonden. Als men bedenkt,
dat de eerste school reeds in 1875 werd gesticht, dan is het tal
actueele leden over de geheele wereld, dat volgens de officieele
opgaven niet meer dan 23.000 bedraagt, zeer klein.

Nadat wij alle bezienswaardigheden en het Madrassche borduurwerk,
door de vrouwen verricht, tegen ongeveer half twee gezien hadden,
keerden wij naar het hotel terug, lunchten en namen eenige uren
rust. Om vijf uur gingen wij nog eens een rijtoer maken door de
omgeving van de stad, waar de élite op dat uur bijeen komt, en om
9 uur zaten wij weder in den trein, om rechtdoor naar Bombay af te
reizen. Wij hadden genoeg van Zuid-Indië.

Terwijl de inboorlingen Van Zuid-Afrika, de groote kind-menschen, met
hun kinderlijke begrippen, hun kinderlijke wijze van zich op te sieren,
hun kinderlijk geloof, mijn volle sympathie wekten en ik gaarne voor
hen zou willen werken, om ze tegen te ruwe handelingen te beschermen,
ik mij tot de inboorlingen van Ceylon, met hun zacht-vrouwelijke
trekken, hun lieve, vriendelijke oogen, hun gracieuse bewegingen en
hun tevreden voorkomen, aangetrokken gevoelde, zoo zelfs, dat ik
het voor de hoogste zaligheid houd, in het binnenland van Ceylon
een kinderschooltje met deze lieve, mooie kindertjes te hebben,
wekten de inboorlingen van Zuid-Indië mijn--en ook die van mijne
reisgezellin--grootste afkeer op.

Deze ruwe, zinnelijke, domme, fanatieke bedrieger-gezichten, die drie
keer daags in een stilstaand water een bad nemen om zich van hunne
zonden te zuiveren--elke onderdompeling in het vieze slootwater
neemt een bedreven zonde weg,--en die dikwijls direct daarna zich
rondwentelen in een hoop excrementen van een koe, omdat dat dier heilig
is, wekten, met alles wat hen omgeeft, hun geheelen godsdienst incluis,
mijn grootsten weerzin op. Als het ander deel van Indië en de andere
inboorlingen geen beteren indruk weten te wekken, als elke Hindu en
andere Indische inboorlingen bedelaars en bedriegers blijken te zijn,
als alle merkwaardigheden in Britsch-Indië ons zoo gauw gaan vervelen,
neen, erger nog, in vele opzichten verontwaardiging wekken, zooals de
Hindusche tempels, dan gaan wij snel door het land en zullen eerder
dan ons plan was Calcutta bereiken.

Het is echter te hopen, dat Engeland er in geslaagd is, van het
overige deel van dit oude land iets beters terecht te brengen.

9 Febr. Den 5en Februari vertrokken wij 's avonds om 9 uur van Madras
en kwamen den 7en Februari 's morgens om 6 uur in Bombay aan. Wij waren
toen 6 dagen en route geweest, hadden daarvan een nacht in de boot,
twee nachten in stationsslaapplaatsen en drie nachten in den trein
doorgebracht. Wij namen ons derhalve voor in Bombay eenige dagen zeer
rustig door te brengen.



BOMBAY.


I.


Toen wij 's morgens om 6 uur arriveerden, lag de stad nog in nachtelijk
duister, de straatlantaarns gaven alleen eenig licht. Wij konden
nu zien, hoe de stille straten van een Oostersche stad er bij nacht
uitzien. Langs den geheelen weg van het station tot het hotel, minstens
20 minuten rijden, lagen de menschen langs den huizenkant buiten
te slapen. Soms, waar wij wat nauwere straten hadden te passeeren,
ging het rijtuig dwars tusschen de slapende Bombayers door. Het is
natuurlijk dat soort menschen, dat 's morgens "zijn bed opneemt en
gaat wandelen", menschen, die waarschijnlijk geen woning hebben en
er ook de behoefte niet aan gevoelen. Want ook wanneer deze menschen
een woning hadden, zouden zij tehuis geen zachtere slaapplaats kiezen.

Het hotel, Taj Mahalhotel, waarin wij intrek namen, wordt het grootste
hotel van de wereld genoemd. Het is zeer zeker waard even vermeld
te worden. Het is een navolging van de Taj Mahal-tempel in Agra,
waarover ik later zal spreken, als wij daar geweest zijn. Een rijke
Parsee heeft in dit hotel een groot deel van zijn kapitaal gestoken,
omdat hij Bombay de eer wilde geven, het beste hotel van de wereld te
hebben. Ik geloof niet, dat hij daarin geslaagd is, ook al omdat het
Oostersche klimaat niet toelaat de luxe aan te brengen, die men in
vele groote Europeesche hotels vindt. Hoe het zij, het is een zeer
mooi en comfortabel hotel, met prachtig uitzicht, zoowel op de zee
als op de stad.

De stad Bombay is de meest Europeesche stad, die men zich denken
kan. Als men de native town, het gedeelte, waar de Oosterlingen
wonen en hunne winkels hebben, er buiten laat, dan kon deze stad
even goed ergens in Duitschland of Frankrijk of Engeland liggen,
als juist hier. Het is een stad met mooie moderne gebouwen, breede,
ruime straten, groote pleinen met standbeelden, tuinen en parken;
het geheel geeft den indruk een welvarende stad te zijn, die goed
en zindelijk beheerd wordt. Wij maakten denzelfden middag van
onze aankomst een rijtoer van eenige uren om een indruk van de
stad te krijgen en gaven hier en daar ons visitekaartje met een
introductiebrief af, bij personen, waarvoor wij eene aanbeveling
ontvangen hadden. Reeds denzelfden avond ontvingen wij een bezoek
van een Engelsche lady-doctor, die ons velerlei inlichtingen gaf.

Den volgenden morgen brachten wij het allereerst een bezoek aan de
native town, waar wij haast verblind werden door de helle kleuren, door
mannen en vrouwen beide gedragen. Mannen met blauwe, bruine of witte
beenbekleeding (geen broeken) met emerald vesten en roode, groene of
goudgele turbans. Vrouwen met kersroode, hardrose of zeegroene zijden
doeken, waarin zij van hoofd tot voeten gewikkeld zijn, waarvan de
randen rondom met een gouden band zijn afgewerkt. Men beweert, dat
er meer dan 40 dialecten alleen in dat stadsdeel gesproken worden.

Des middags gingen wij datgene in Bombay zien, waarvoor de meeste
toeristen alleen Bombay bezoeken en er een dag verblijven. Ik wil
den lezer waarschuwen, dat ik nu over griezelige dingen ga schrijven,
dingen, die griezelig zijn als men er over leest, doch als men ze ziet,
dan verdwijnt het afschuwelijke er van voor een groot deel.

Zooals men weet, verbranden de Boeddhisten en Hindoe's hunne lijken,
doch overal, waar wij tot nog toe waren, vertelde men ons, dat daarvoor
niet een bepaalde plaats bestond, elke familie verbrandde het lijk
van zijn naastbestaande ergens dicht bij een stroom of ergens in een
bosch, zoodat wij daarvan niets konden zien. Hier in Bombay hebben de
Hindoe's hun verbrandplaats en daarheen begaven wij ons. Men moet om
toegelaten te worden eene aanbeveling medebrengen en die bezaten wij.

Iets somberders dan deze plaats, waar het lichaam voor de laatste
maal heengeleid wordt, is niet denkbaar. Het is niet anders dan een
groote, langwerpig-vierkante ruimte, omgeven door kale muren. Op
verschillende plaatsen stonden vier ijzeren stangen, twee aan twee
tegenover elkander. Tusschen deze ijzeren stangen wordt het hout
opgestapeld en het lijk gelegd. Verder eenige houten banken, waarop de
familieleden kunnen rusten, onderwijl het lijk van hun naastbestaande
verbrand wordt. Dat is alles. Wij zagen een vuur branden, doch
het lijk was reeds verteerd. Toen wij daarnaar stonden te kijken,
kwamen op eens eenige in het wit gekleede mannen de poort binnen, die
een nieuw lijk brachten. Het was het lijk van een volwassen mensch,
dat geheel in een wit laken gehuld, op twee palen gebonden, door 8
mannen op de schouders naar binnen gedragen werd. Daar werd het van
de palen verwijderd, daarna het hout opgestapeld, het lijk er tusschen
gelegd..... Wij hadden er genoeg van gezien, ons verbeeldingsvermogen
kon het verder wel uitwerken. De man, die ons rondgeleidde, vertelde,
dat voor lijken van rijke menschen echt sandelwood gebruikt wordt,
zoodat het vuur soms drie- à vierhonderd rupees kost. De asch der
verbrande lijken wordt in de meeste gevallen aan de vier windstreken
prijsgegeven, door sommige familieleden wordt zij verzameld en naar
Benares opgestuurd om in den heiligen Ganges geworpen te worden.

Hier op deze verbrandplaats was zoo duidelijk te kennen gegeven, dat de
Hindoe niet de minste waarde hecht aan het omhulsel van den mensch. De
ziel is alles en die heeft natuurlijk reeds lang het doode lichaam
verlaten en is in een ander levend wezen overgegaan. Dat is hun geloof.

Van deze trieste plaats gingen wij naar de plaats waar de Parsees
hunne lijken brengen. Laat mij vooraf mededeelen, wie de Parsees
zijn. Het zijn de oorspronkelijke bannelingen uit Perzië, die ruim
acht eeuwen geleden in Indië kwamen en eerst toen Indië onder Britsche
heerschappij kwam, tot welvaart en ontwikkeling konden komen. In het
algemeen gesproken, zijn zij de intelligentste van de rassen hier. Niet
alleen de mannen, maar ook de vrouwen en dochters der Parsees zijn
hoogst ontwikkelde personen, die de universiteiten alhier bezoeken en
in de verschillende vakken promoveeren. Niettegenstaande hun aantal
betrekkelijk klein is, in Bombay, waar zij voornamelijk wonen, zijn
er nog geen 50.000, wordt toch feitelijk deze stad geheel door hen
beheerd. Alle groote financieele en commercieele ondernemingen gaan
van hen uit, alle mooie, groote paleizen worden door hen bewoond. Ook
in den gemeenteraad vormen zij verreweg de meerderheid en voor alle
groote functiën worden zij aangewezen. Geen enkele philantropische
of wetenschappelijke instelling kan bestaan, als de Parsee-prinsen
er niet hun goedkeuring en hun financieelen steun aan schenken.

Deze Parsees zijn Zoroasters, zij aanbidden zon, maan, aarde, lucht
en vuur. In hun tempels, waarin niemand, die geen Parsee is, wordt
toegelaten, brandt eeuwig een vuur. Dat vuur aanbidden zij, zooals
zij buiten den tempel zon en maan, aarde en lucht aanbidden. Zij zijn
van meening, dat zij hunne dooden niet kunnen begraven, omdat zij dan
de aarde verontreinigen zullen; door ze te verbranden, ontheiligen
zij 't vuur en zoo hebben zij er wat anders op bedacht. Maar laat
mij den lezer langzaam op het komende voorbereiden. Het rijtuig
bracht ons langzaam een mooi begroeiden heuvel op, vanwaar wij een
prachtig uitzicht op de zee en op de stad onder ons hadden. Voor
een poort gekomen, hield de koetsier halt en wees ons naar binnen
te gaan. Nadat wij onze introductie vertoond hadden, gingen wij
een eind door een prachtige allee met in bloei staande boomen en
kwamen toen in een wondervollen bloementuin. Een intelligente man,
daarvoor waarschijnlijk aangewezen, ging met ons rond en wees ons
op al het schoone, vooral op de zeer mooie vergezichten, die men op
menige plek genieten kan. Het eenige wat in dezen tuin hinderde,
was het onophoudelijk gekrijsch van de honderden roofvogels boven
ons. Wij mochten niet verder gaan dan tot op een zekere plek,
"de Vaarwelhoek" genaamd. Niemand mag dien hoek overschrijden, ook
de Parsees niet. Alleen de wachters van de torens, "de Torens van
Stilzwijgen", hebben daartoe het recht. Die torens van stilzwijgen
waren van die plek geheel te zien. Er zijn er vijf. Het zijn ronde,
tien à vijftien meter hooge, van boven open, torens, met slechts ééne
opening, de deuropening. De randen van die torens zitten rondom vol
groote gieren, wachtende op hun prooi. Als er geen epidemie heerscht
komen er dagelijks twee à drie lijken. Tot aan den Vaarwelhoek wordt
het lijk door de familieleden gebracht, daar nemen de wachters van de
torens van stilzwijgen het in ontvangst, de familieleden verwijderen
zich, of gaan bidden in den tempel van den tuin en het lijk wordt
in een der torens van stilzwijgen neergelegd. Nauwelijks hebben de
gieren de torendeur hooren kraken of met snellen wiekslag zijn allen,
die niet reeds tevoren op de randen zaten te wachten, aangevlogen,
om den prooi in ontvangst te nemen. In minder dan twee uren, soms niet
meer dan in een uur, hebben deze roofdieren het lijk geheel opgegeten,
niets dan het zuiver afgekloven skelet is overgebleven. Door de heete
zonnestralen worden deze beenderen in een paar dagen geheel gedroogd en
daarna tot asch verbrand. Het geheele proces, zooals het daar plaats
vindt, werd ons in een klein toestel aanschouwelijk voorgesteld. Op
deze wijze meenen de Parsees dat zij voldoen aan het wijze woord: "Uit
asch zijt gij opgebouwd en tot asch zult gij wederkeeren." Het komt mij
voor, dat alleen de beenderen op die wijze tot asch wederkeeren, maar
op zoo'n kleinigheid moet men niet letten. Het mag vreemd schijnen,
dat wij op deze plaats niet zoo somber gestemd werden als op de
verbrandplaats der Hindoe's. De prachtige omgeving nam al het sombere
en het griezelige hier weg. Trouwens, als men zijn gevoel een oogenblik
het zwijgen oplegt, het verstand alleen laat spreken, dan vraagt men
zich af, is er tusschen deze wijze van handelen en het begraven der
lijken wel zoo'n groot verschil? Wat hier bijna zichtbaar geschiedt,
het opeten der lijken, geschiedt onder den grond op minder snelle
wijze toch ook. Wij denken daaraan niet en doordat wij het niet zien,
stellen wij ons, hetgeen met de lijken die wij begraven geschiedt,
anders voor. Als hier die gieren niet zoo luidruchtig hunne vreugde
te kennen gaven als er voedsel voor hen in aantocht is, en niet zoo
zichtbaar op hun prooi zaten te wachten, zou het minder wreed lijken.

Maar genoeg over deze griezeligheden, ik ga nu slapen en zal morgen
vervolgen.

10 Februari. Gistermorgen vonden wij een invitatie voor een tea,
ten huize van een der dames, voor wie wij een introductie hadden en
waar wij den eersten dag ons kaartje hadden afgegeven. Ook vond ik een
briefje van dr. Benzon, om in het hospitaal, waarvan zij de directrice
is, te komen, om eenige belangrijke operaties bij te wonen. Daar
toog ik dus alleen op af en vond bij aankomst dr. Benzon met hare
drie assistenten met de eerste operatie reeds vrij ver gevorderd.

Het betrof een twaalfjarig meisje, bij wie uit de okselholte eenige
zeer groote tuberculeuze klieren werden weggenomen. De tweede operatie
gold 'n vrouw bij wie een tumor uit den buik verwijderd werd.

Toen die operaties afgeloopen waren, had dr. Benzon nog lust en tijd
mij in haar geheel hospitaal zelf rond te leiden en eenige belangrijke
ziektegevallen te wijzen.

Dit Kama-hospitaal voor vrouwen is meer dan een kwart eeuw
geleden door den heer Kama gesticht, vandaar zijn naam, doch is
later door het gouvernement overgenomen en is nu dan ook een
gouvernements-instelling en de daaraan verbonden doktoren en
verpleegsters, regeeringsambtenaren. Dr. Benzon, die aan het
hoofd staat, is een Engelsche, die in Londen gestudeerd heeft,
hare drie assistenten zijn hier geboren, zij hebben ook hier in
Bombay gestudeerd en haar doctorstitel gehaald. In Bombay is een
zeer goede medische school voor studenten van beiderlei sekse. Tal
van Indische meisjes studeeren hier, zoodat langzamerhand de Hindu-,
Parsee-, Mohammedaansche en andere vrouwen nergens meer van medische
hulp verstoken behoeven te blijven. Het Kama-vrouwenhospitaal is een
inrichting met honderd bedden, die altijd alle in gebruik zijn, zoodat
spoedig een vergrooting kan worden tegemoet gezien. Het is in alles een
up-to-date hospitaal, waarvoor door de regeering geen geld gespaard
en dat door de vrouwen-doktoren onberispelijk beheerd wordt. Ik ben
benieuwd te zien, wat equivalent ik voor deze inrichting op Java zal
vinden; in hoeverre onze regeering aan de zieke Javaansche vrouwen
gelegenheid geeft door vrouwelijke doktoren behandeld te worden.

Dr. Benzon had ook eene uitnoodiging voor de tea, waarheen wij ons
om vijf uur zouden begeven. Zij sprak met mij af, dat zij ons met
haar automobiel zou komen halen, zoodat wij gezamenlijk konden gaan
en zij ons aan eenige interessante personen kon voorstellen. En daar
kwam nu datzelfde fijne persoontje, dat 's morgens eenige belangrijke
operaties had verricht, 's middags eenige drukke consult-uren voor
private patiënten had gehad, om vijf uur ons halen, gekleed in een
geborduurd wit japonnetje met een hoed met lange witte veeren, er
uitziende als de meest vrouwelijke vrouw, die men zich denken kan.

De dame, die ons had uitgenoodigd voor de tea, is eene der
voornaamste Engelsche vrouwen hier. Zij is niet alleen de leidster
in de Engelsche society-wereld, zij is tevens de persoon, die tal
van goede hervormingen hier tot stand brengt. Zoo heeft zij onder
meer eene overbrugging bewerkt tusschen de vrouwen uit de Parsee-,
Hindoe- en Mohammedanenwereld en de Engelsche vrouwen. Zij is heel
voorzichtig begonnen de vrouwen uit die verschillende groepen bijeen
te brengen en thans kan men op hare tea's de interessantste vrouwen
uit die kringen vinden. Voor ons was het een waar oogengenot,
die Purdah-partij bij te wonen. Purdah beteekent gordijn. Vroeger
vond men op de Purdah-partijen altijd een gordijn, waarachter de
Mohammedaansche vrouwen zaten en diegenen onder de andere vrouwen,
die niet door andere mannen dan hun eigen familieleden gezien mochten
worden. Langzamerhand hebben de vrouwen uit de hooge kringen deze
gewoonte afgelegd, zij vertoonen zich nu openlijk en ongesluierd in
de kringen, doch de naam Purdah-partij is behouden gebleven en heeft
nu alleen de beteekenis, dat er alleen vrouwen uit alle godsdiensten
en geen mannen tegenwoordig zijn. Wij maakten er kennis met een paar
Indische prinsessen, meisjes naar schatting 15 en 17 jaar oud, klein
en teer gebouwd, gekleed in zulke schitterende Indische kleeding
en met zulke prachtige edelsteenen, dat het alle beschrijving te
boven gaat. Er was een vrouw van een Maharatja, en er waren tal van
vrouwen uit de schatrijke Parsee-wereld en van de toonaangevende
Hindoe's en Mohammedanen. En onder al dezen de elite uit de Engelsche
ambtenaarskringen. Dan eens warrelden dezen allen in bonte mengeling
dooreen, dan weder zetten zij zich op de hoefijzervormig geplaatste
stoelenrijen om een oogenblik te luisteren naar de muziek en zang, door
eenige Engelsche en een paar Indische dames ten beste gegeven. Een
der Indische dames bespeelde een echt Indisch instrument, een
cither, en gaf daarop echt Indische muziek te hooren. Ik heb nooit
te voren zoovele kostbare gewaden en edelgesteenten bijeen gezien
en nooit zoovele vreemde damescostuums als gistermiddag. Er was een
Mohammedaansch meisje met rood satijnen broek, de pijpen van onder
bijeen gebonden door 'n gouden band, waaruit de kleine voetjes in
gouden muiltjes coquet te voorschijn kwamen. Daarover droeg zij van
ragfijn rosezijde, geheel met goud doorwerkt, een overkleed, dat,
als bij alle andere dames, altijd eindigde in een soort van sluier,
die van achter over het hoofd ging en daarop met een groote parel
bevestigd was. Zij was een Mohammedaansche. Er waren een paar zusjes,
die hun lichaam alleen in een zacht crème zijden, met goud geborduurden
langen doek of sarong gewikkeld hadden, die ook al weder op het hoofd
in een soort sluier eindigde, waarmede de bleek-bruine gezichtjes
met de groote zwarte oogen en lange wimpers prachtig omlijst werden.

Maar meer dan al die mooie vrouwen in hun prachtige gewaden te zien,
interesseerde het ons om met velen van hen te spreken. Velen van
hen hadden aan een der vijf universiteiten in Indië gestudeerd en
een doctorstitel in een der faculteiten behaald met geen ander doel
dan hun kennis te verrijken. Enkelen van hen gebruikten de verworven
kennis ten behoeve van het algemeen. Onder deze vrouwen vonden wij
die volkomen op de hoogte van de vrouwenbeweging in de andere deelen
van de wereld waren en daarmede geheel instemden. Ook hier waren
alle rechten die deze vrouwen thans genieten, niet zonder strijd
verkregen. Een oude voorvechtster in deze hervormingen ontmoetten
wij er in de 70-jarige mrs. Sirinbai Maneckji Cursetji, de zuster van
den man, die het Kama-hospitaal voor vrouwen tot stand bracht. Toen
ik dit door jicht bijna dubbelgevouwen oud moedertje vroeg, hoe lang
zij reeds voor de rechten der Indische vrouwen streed, antwoordde
zij, "van af het oogenblik dat ik loopen en praten kon, heb ik mij
verzet tegen de achterstelling van de vrouw bij den man, en later
heb ik voor de gelijkstelling van beide seksen met pen, woord en daad
gestreden." Zij vertelde ons dat haar geheele familie feministen waren
en dat alleen om ons te ontmoeten, zij dien middag bij lady Graeves
gekomen was. Want zij zat midden in allerlei drukte, omdat vandaag
een harer kleindochters ging trouwen, met al de ceremoniën die de
Parsees daaraan verbinden. Ik liet mij ontvallen dat ik zoo heel
graag zulke ceremoniën eens zou bijwonen en onmiddellijk antwoordde
zij: dan zult gij beiden een uitnoodiging om die te komen bijwonen,
ontvangen, alhoewel voor de geheele huwelijksplechtigheid overigens
geheel alleen de naaste familieleden een invitatie ontvangen. En
zoo gaan wij dan hedenmiddag eerst een tea bij dr. Benzon bijwonen,
alwaar wij eenige vrouwen zullen spreken, die ons omtrent den stand
van het vrouwenvraagstuk in Indië geheel op de hoogte kunnen brengen
en vandaar gaan wij naar de Parseebruiloft.

Over dit alles en 't geen wij van ochtend deden in een volgend
schrijven.



II.


11 Februari. Het was gisteren een dag vol indrukken van verschillenden
aard. Wij waren reeds vroeg opgestaan om met een van de eerste
stoombootjes, dat om acht uur vertrok, naar de Elephanta Caves te
gaan. Het is een tocht van anderhalf uur. De Elephanta Caves is ook
alweer een groote Hindoetempel, doch deze is niet opgebouwd, maar
geheel in de rotsen uitgehouwen. Al de prachtig bewerkte zuilen,
alle deelen van den tempel en al het beeldhouwwerk zijn uit de
rotsen gehouwen. Dit is inderdaad wonderwerk uit de 7e of 8e eeuw
na Christus en grootendeels goed bewaard gebleven. Deze tempel is
gewijd aan Siwa, maar vooral in zijne hoedanigheid als bevruchter. Het
voorttelingsvermogen wordt hier op al te duidelijke wijze verheerlijkt
en ofschoon de Portugeezen, toen zij voor het eerst als machtgevers
hier optraden, een groot deel van deze zinnelijke voorstellingen
verwoestten, is er toch nog genoeg overgebleven om het doel van dezen
tempel te verduidelijken en om nog jaarlijks duizenden mannelijke en
vrouwelijke bedevaartgangers hierheen te lokken, die in dezen tempel
de vruchtbaarheid afsmeeken, die hun ontbreekt. Kinderlooze mannen
en vrouwen brengen soms dagen en nachten in deze rotsholten door, om
door ootmoedig bidden gezegend te worden met nakomelingschap. Tegen
lunchtijd waren wij in Bombay terug.

Om vijf uur begaven wij ons eerst naar de woning van dr. Benzon, alwaar
wij eenige Parsee- en Eurasian-vrouwen-doktoren aantroffen. Eurasians
noemt men de inboorlingen in Indië, die geheel of gedeeltelijk van
Europeesche voorouders afstammen. Europeeërs, die hier eeuwen gewoond
hebben en wier nakomelingen voor een groot deel vereenzelvigd zijn met
de Indische bevolking, doch grootendeels Europeeërs gebleven zijn. Met
de Parsees zijn zij de vooruitstrevendste menschen hier. Behalve
deze dames waren er een paar toonaangevende Hindoe-vrouwen in de
vrouwenbeweging alhier. In mrs. Ranadaij ontmoetten wij de presidente
van de, het vorige jaar opgerichte en aan de lezers van het Maandblad
voor Vrouwenkiesrecht bekende vereeniging, de Sewa Sisterhood, eene
vereeniging, die zich ten doel stelt de Mohammedaansche, Hindoesche en
Parseesche vrouwen te vereenigen voor zelfontwikkeling. Zij hebben een
eigen clubgebouw, waarin elken Woensdagmiddag een bijeenkomst gehouden
wordt. Het eerste uur wordt gewijd aan het lezen van een werk van een
of ander groot schrijver, daarna wordt door een der leden een korte
voordracht gehouden over sociale of hervormende arbeid door vrouwen
in andere landen gedaan, en dan volgt vrije discussie in hoever zulk
werk ook voor Bombay of Britsch-Indië nut kan stichten. Mrs. Ranadaij
noodigde ons uit, indien wij a.s. Woensdag nog hier mochten zijn, die
bijeenkomst te komen bijwonen. Zij is eene vrouw van ongeveer 40 jaar,
de dochter van een Indischen prins, die een groot hervormer voor Indië
is geweest. Zij is nu getrouwd met een Hindoedokter. Zij vertelde ons
vele bijzonderheden uit het Hindoeleven. Een wettelijk huwelijk bestaat
in Indië niet. Feitelijk worden de echtverbintenissen niet voor het 12e
jaar der kinderen gesloten, maar dat verhindert de Hindoes niet, om de
kinderen reeds zeer jong aan elkaar te verbinden, zonder daarbij eenige
waarde te hechten aan de wenschen van de kinderen zelven. Als het jonge
meisje is uitgehuwelijkt, dan behoort zij de familie van haar man toe,
bij wie het kind verplicht is na haar 5e jaar minstens de helft van
het jaar door te brengen. Onder de welgestelde families loopt het
kind daar in ijdel niets-doen rond, onder de armere klasse wordt zij
als meid gebruikt Eerst wanneer zij de puberteitsjaren bereikt heeft,
wordt zij de feitelijke echtgenoote van den jongen man en heeft hij
verder alle macht over haar. Mrs. Ranadaij vertelde mij, dat hare
schoonmoeder niet wilde, dat zij iets leerde en ofschoon zij bij
hare ouders thuis in de helft van het jaar, die zij daar doorbracht,
leerde lezen en schrijven, mocht zij bij hare schoonouders geen
boek ter hand nemen of iets doen wat haar geest kon ontwikkelen. Op
haar 12e jaar werd zij de feitelijke vrouw van haren 19-jarigen man,
die aan de medische school in Bombay studeerde. Toen brak voor haar
een betere tijd aan. Na twee jaren ging hij naar Engeland om in
Edinburg zijn medische studiën te voltooien en nam haar mede. Hij
gaf haar daar eene uitstekende gouvernante. Van dien tijd af heeft
zij nooit opgehouden zich verder te ontwikkelen. Zij heeft in Bombay
een Hindoeschool gesticht, die wij morgen met haar gaan zien.

Na ons interessant bezoek bij dr. Benzon begaven wij ons om ongeveer
half zeven naar de bruiloft der Parsees. Alles was daar reeds in
vollen gang toen wij aankwamen. De mannen waren allen, zonder eenige
uitzondering, in een smetteloos wit costuum gestoken, alle volgens
hetzelfde model gemaakt. Zij zaten in den tuin. De bruidegom was
spoedig te herkennen aan den bloemenkrans, die om zijn hals hing
en de bouquet rozen, die hij in zijn hand hield. De dames waren
allen in een soort zaal gezeten, die aan alle kanten open was. Zij
droegen allen de mooie Indische kleeding, schitterend van goud en
edelsteenen. De bruid en de bruidsmeisjes hadden allen een wit kleed
aan, slechts spaarzaam met goud gegarneerd, doch van eene bijzonder
prachtige kwaliteit. Midden in de zaal was een kleine verhooging,
waarop de plechtige huwelijksinzegening zou plaats hebben. Zoowel in
den tuin als in de zaal waren groote tafels geplaatst met onnoemelijk
veel ververschingen en dranken. Het waren bijna alle zoetigheden,
vruchten, verschillende ijssoorten, limonades en zulke onschuldige
zaken meer, waaraan elke gast zich te goed kon doen. In den tuin
maakte een muziekkorps oorverdoovende muziek.

Spoedig na onze aankomst werden op een zilveren blad bloemen
aangedragen en kwam de moeder van de bruid ons beiden behangen met een
krans tuberozen en rozen. Mrs Sirnibai Maneckji Cursetji, die ons de
uitnoodiging bezorgd had en die zich tusschen ons beiden had neergezet
om ons alles te verklaren, fluisterde ons toe, dat wij daarvoor onzen
bijzonderen dank moesten uitspreken, omdat dit beteekende, dat onze
komst op hoogen prijs werd gesteld. Als de Aziaten iemand bijzonder
willen eeren, dan behangen zij hem met bloemen. Wij beiden gaven aan
de wenk van grootmoeder Cursetji gehoor.

Nu begonnen langzamerhand de ceremoniën. De bruidsmeisjes brachten de
geschenken binnen, die de bruid haar aanstaanden echtgenoot aanbood, en
deze, op zilveren schalen uitgespreid, werden in optocht door den tuin
gebracht en den jongen man aangeboden. Daarop kwamen de bruidsmeisjes
terug en brachten het bruidje de geschenken, die de bruidegom haar
aanbood. Het waren voornamelijk kostbare gewaden, een paar kostbare
oorringen, die haar onmiddellijk in de ooren werden gestoken,
eenige braceletten, die zij aandeed, en tal van huishoudelijke
zaken. Zij werd toen door de bruidsmeisjes op het huwelijksaltaar,
zooals de verhooging werd genoemd, geleid en achter een laag scherm
geplaatst. Daarna brachten de bruidsjonkers den bruidegom binnen, die
tegenover het bruidje, aan den anderen kant van het scherm, plaats
nam. Zij konden elkaar niet zien. Toen werden zij gezamenlijk door
een zijden band vijf-en-twintig maal omwonden. (Al wat verder volgt
is zuiver symboliek). Nu werd hun door den priester de heiligheid van
het huwelijk voor oogen gesteld en de plichten, die het voor man en
vrouw beiden meebrengt. Het speet mij zeer, dat ik niet kon verstaan,
de priester sprak een onverstaanbare taal, welke die plichten voor
beiden zijn. De band, waarmede beiden omwonden waren, beteekent,
dat eenmaal saâm verbonden, alleen door geweld een einde aan die
verbintenis kan worden gemaakt. Nadat de priester geëindigd had,
werd het jonge paar gevraagd, of zij de heiligheid van het huwelijk
begrepen, of zij bereid waren, de plichten ervan te aanvaarden, of
geen andere drijfveer dan liefde hen tot elkander had gevoerd. Toen
op al deze vragen een bevredigend antwoord was gegeven, werd het
scherm weggenomen, de band losgemaakt en namen bruid en bruidegom
naast elkaar plaats. Het bruidje was 17 jaar, de jongeman 21. Zij
waren neef en nicht, zij kenden elkaar van de geboorte af.

Toen zij naast elkaar gezeten waren, werd op een tafel naast
hen een soort komfoor met vuur geplaatst, waarop onophoudelijk
welriekende--tenminste sterkriekende--kruiden gestrooid werden, die een
bedwelmenden geur verspreidden. Dat vuur beteekent: dat in hun beider
harten het vuur der liefde eeuwig moge branden. Daarnaast werd op een
zilveren blad een bakje met rijst, een ander met amandelen en eenige
kokosnoten gebracht. Onderwijl de priester de huwelijksinzegening
uitsprak, bestrooiden hij en een andere priester bruid en bruidegom
onophoudelijk met de droge rijstkorrels. De beteekenis hiervan is: dat
zij in voorspoed mogen leven, zoo zelfs, dat het voedsel overal rondom
hen verspreid ligt en zij in staat zijn anderen van hun overvloed mee
te deelen. Ik vroeg, of aan dat bestrooien met rijst niet het Engelsch
begrip verbonden is, dat meer op de vruchtbaarheid van het huwelijk
betrekking heeft, doch dat werd door allen ontkend. De amandelen
beteekenen, dat er rust en vrede in het huwelijk moge heerschen, want
uit amandelen werd door de Parsees het eerst olie bereid en olie is
in staat bewogen golven tot stilstand te brengen. De kokosnoot heeft
een huiselijke beteekenis. De kokosnoot geeft voedsel en drank,
uit zijn bast worden kleederen zoowel als allerlei huishoudelijke
artikelen bereid, de boom geeft schaduw en zijn bladeren kunnen
voor honderdlei doeleinden aangewend worden. Zoo veelzijdig nuttig
als de kokosnoot moge ook het pasgesloten huwelijk worden. Toen al
deze plechtigheden waren afgeloopen, was het jonge paar getrouwd en
werden zij van alle kanten gelukgewenscht. Wij mochten het eerst
onze wenschen aanbieden. Vele familieleden brachten nu nog kleine
geschenken aan, er werd wat heen en weder gewandeld, veel gepraat,
onderwijl het diner werd voorbereid. Wij meenden, bij het diner niet
te moeten tegenwoordig blijven en gingen de gastvrouw daarom bedanken
voor het genotene, maar zij wilde niets hooren van weggaan, wij moesten
ten minste iets van het diner nuttigen. Het was een diner, zooals een
ander, maar er was geen enkel vleeschgerecht, wel vischsoorten. Toen
ik m'n buurman de reden daarvan vroeg, antwoordde hij, dat de Parsees
niet bepaald tegen het eten van vleesch zijn, doch bij groote diners
het eten van vleesch zooveel mogelijk vermijden, opdat nooit ter
wille van een feest een beest geslacht moet worden! Toen ik op de
vele vischgerechten wees, zeide hij: "Maar dat is toch geheel iets
anders, visschen zijn koudbloedige dieren." Om half tien gingen wij
tweetjes doodvermoeid hotelwaarts, alle bruiloftsgasten in vroolijke,
opgeruimde stemming achterlatend.

Nu ik dit bruiloftsverhaal overlees, lijkt mij de beschrijving zoo koud
en realistisch, terwijl het geheel toch zoo'n poëtischen, mooien indruk
op mij maakte. Zooiets te zien, in je op te nemen, het te overdenken,
is zoo geheel iets anders dan het in nuchtere taal, voor anderen,
die het Oostersche leven niet kennen, neer te pennen en begrijpelijk
te maken. Wij gaan het oude grootmoedertje Maandagmiddag bezoeken,
om van haar nog het een en ander van 't doen en laten der vrouwen hier
te vernemen. Het is nu Zondag; wij hebben heden een kalmen dag en gaan
alleen vanmiddag een bezoek brengen bij sir en lady Philoysha Meta,
een Parsee-familie, voor wie wij in Caïro een introductie ontvingen.



Wij troffen bij deze familie verschillende heeren en dames, die in
de nationale beweging alhier een rol spelen. Sir Meta staat aan het
hoofd van deze beweging, eene beweging die ten doel heeft om voor
Britsch-Indië home-rule te verkrijgen. Jaarlijks komen zij daarvoor
op verschillende plaatsen in Indië bijeen en houden congressen. Om
Sir Meta den mond te snoeren, want hij is een geweldig orator, heeft
de Engelsche regeering hem kort geleden in den adelstand verheven, en
dat heeft op de golven van zijne welsprekendheid een nog kalmeerender
effect gehad, dan amandelolie op de golven der zee. Wij hoorden daar
over vele belangrijke kwesties spreken, die echter van te ingewikkelden
aard zijn, om er hier van te gewagen.



12 Febr. Dezen dag wijdden wij aan het bezoeken van scholen voor
meisjes. Het eerst bracht mrs. Ranadaij ons naar een der Hindoesche
meisjesscholen. Deze school is uit private fondsen gesticht,
doch wordt thans door de regeering gesubsidieerd. Een derde van de
uitgaven wordt door de regeering bekostigd. De Hindoesche meisjes
komen hier van haar 10de tot en met haar 17de jaar, zeer enkelen zijn
ouder. Het is voor ons zeker merkwaardig, dat onder deze leerlingen
tal van gehuwde vrouwtjes en ook eenige weduwen waren. Sommige van
deze vrouwtjes werden door haar mannen naar school gestuurd. Op al
die soort scholen wordt de eigen taal en de Engelsche taal geleerd
en in de hoogere klassen tevens het Sanskriet. Of het onderricht er
inderdaad goed is, kon ik niet beoordeelen, wel werd mij verzekerd,
dat het gelijk stond met het onderricht op Engelsche scholen. Meisjes,
die den geheelen cursus hebben doorloopen, zijn klaar voor het
ontvangen van middelbaar en gymnasiaal onderwijs in Engeland. Aan
het hoofd van deze school staat een Hindoe-echtpaar, beiden leeraren,
die theosophen zijn en in Madras hun opleiding hebben genoten.

Na het bezoek van deze school nam mrs. Ranaday ons mede naar haar
woning, om een Hindoesche huishouding te zien. Het was een geheel
andere huishouding dan wij ooit gezien hadden, waarvan niemand zich
een voorstelling kan maken, die het zelf niet aanschouwd heeft. De
eetkamer bijv. is een leege, vierkante ruimte, zonder stoelen, tafels
of kasten. Alleen stonden er een paar lage, vierkante bankjes,
nog niet zoo hoog als onze voetenbankjes. Daarop wordt het eten
geplaatst in een bak of schotel. Alle gasten zitten of liggen rondom
en eten met de handen uit den bak. De mannen, vader en zonen, eten
eerst alleen en worden door de vrouwen bediend; als zij verzadigd
zijn, beginnen de vrouwen te eten op dezelfde wijze. Mrs. Ranaday
vertelde ons, dat zij altijd gelijk met haar man eet, maar dat dit
zoo iets vooruitstrevends is, dat zij het nooit aan haar familieleden
mededeelde en ook niet doet als zij gasten heeft. "Het zou mijn man
al zijne patiënten kosten, als men dit weet", zeide zij.

De keuken was een even onmogelijk ding en toen mrs. Catt den drempel
wilde overschrijden, om het geheel wat beter te kunnen overzien, werd
zij door mrs. Ranaday met een ruk teruggetrokken. Zij vertelde ons,
dat niet-Hindoes nooit in de nabijheid van hun eten mochten komen, of
zelfs bij iets wat voor hun maaltijden gebruikt wordt, want, wanneer
de schaduw van een van ons over het eten of over de keuken-utensiliën
valt, dan moet onmiddellijk alles vernietigd worden; het mag dan
niet meer door een Hindoe worden aangeraakt. Men moet niet vergeten,
dat wij hier bij eene voorname en radicale Hindoesche familie waren,
een doctor, die in Engeland zijn studiën voltooid heeft en een zeer
radicaal man is, en zij, de dochter van een Indischen prins, die als
hervormer bekend stond.

De provisiekamers, de slaapkamers en salon waren ook met de onze
niet te vergelijken. Ik weet nu reeds, dat ik nooit een invitatie
zal accepteeren om in een Hindoe-familie een nacht door te brengen,
maar ik behoef niet bang te zijn, dat zulk een uitnoodiging mij ooit
zal bereiken. Niet-Hindoe's worden nooit in den huiselijken kring
van Hindoe's opgenomen.

Vanmiddag zagen wij een Parsee-school. Ook hier waren ongeveer
200 meisjes-leerlingen met een twaalftal onderwijzeressen en een
directrice. Op school worden de meisjes zoo ver gebracht, dat
zij de hier bestaande universiteiten kunnen bezoeken. Ook deze
scholen worden door de regeering financieel gesteund, doch zijn
privaat-instellingen. Er zijn wel openbare scholen hier voor jongens
en meisjes, doch daarvan wordt door de meisjes nog weinig gebruik
gemaakt. Over het geheel genomen komt er in Britsch-Indië op elke 10
mannen één voor, die lezen en schrijven kan, doch bij de vrouwen is
die verhouding slechts één op de 144. Met de algemeene ontwikkeling der
vrouwen is het dus nog treurig gesteld, maar wij vinden het gelukkig in
Bombay verscheidene vrouwen ontmoet te hebben, die flink en onversaagd
voor de betere ontwikkeling der vrouwen in de bres springen en die
reeds op gunstige resultaten kunnen bogen. Hoewel deze strijdsters
voor de verheffing der vrouw hier eene zware taak hebben te vervullen,
vooral door te moeten oproeien tegen den tegenstand van de vrouwen
zelve, wordt die taak haar toch vergemakkelijkt, doordat zij op den
steun der overheidspersonen kunnen rekenen.

13 Febr. Wij hadden zooveel gelezen en gehoord over het werk der
vrouwen in de textielfabrieken alhier, dat wij meenden Bombay
niet te mogen verlaten, zonder een kijkje genomen te hebben in een
dezer fabrieken. Gemakkelijk was dat niet, maar door de invloedrijke
bemiddeling van onzen Hollandschen consul, den heer Bendien, werd ons
dit toch mogelijk gemaakt. Als men bedenkt, dat de textielnijverheid in
de stad en provincie Bombay groote afmetingen bezit, dat van de 20.000
inwoners in deze provincie 17% uitsluitend door dit bedrijf leven,
dan begrijpt men, dat de vele fabrieksschoorsteenen hier reeds lang tot
ons gesproken hadden en wij nieuwsgierig waren de fabrieken binnen te
treden om te zien hoe de toestanden daar waren. De heer Bendien had de
vriendelijkheid ons persoonlijk te geleiden en hier en daar voor ons
als tolk te dienen. Het is voor onze Europeesche oogen altijd weder
even vreemd, als men de mannen bezig vindt het werk te doen, dat bij
ons als "vrouwenwerk" gestempeld is, terwijl de vrouwen "mannenwerk"
verrichten. Dat men hier in een winkel mannen wit borduurwerk ziet
maken, of om fijne zijden zakdoekjes witte kantjes naaien, valt
niemand op, en als men vrouwen bij het bouwen van een huis zware
balken op haar hoofd naar boven ziet dragen, ook niet. Ook in deze
fabrieken was, naar onze westersche begrippen, de verhouding omgekeerd.

Over het algemeen genomen wordt hier echter door de vrouwen nog
slechts weinig gewerkt, alleen bij de heele lage kasten verrichten
de vrouwen werk in het openbaar.

De toestanden in de fabrieken schenen nog al goed, de vrouwen werkten
van 8 tot 12 en van 1 tot 5 uur. De mannen beginnen vroeger en eindigen
later. De loonen kwamen mij zeer laag voor, maar alle arbeid wordt
hier heel slecht betaald, misschien is het in verhouding tot anderen
arbeid niet laag. Kinderarbeid is uitgesloten, elke arbeider, man of
vrouw, moet boven de 14 jaar zijn. Er wordt hier in Bombay machinaal
alleen een soort grof katoen geweven en grove garens gefabriceerd,
waarvan grof ondergoed machinaal gebreid wordt.

De heer Bendien bracht ons daarna nog bij eene Hindoe-familie, waarvan
de vrouw en dochter zich zeer voor de vrouwenbeweging interesseeren
en die ons omtrent de toestanden in Indië goede inlichtingen konden
geven. Ook deze familie is door de Engelsche regeering in den adelstand
verheven. Dat lijkt mij een prachtige maatregel om invloedrijke
Indische mannen, die van hervormingen droomen, den mond te snoeren
en tot vrienden van Great-Britain te maken.

Wij gaan thans Bombay verlaten. Om 9 uur reizen wij vanavond af,
en hopen morgenochtend in Ahmedabad aan te landen.



VAN BOMBAY TOT JAIPUR.


14 Februari. Toen wij gisteravond aan het station aankwamen, stond
de trein reeds gereed en de waggon, van onze namen voorzien, voor
ons gereserveerd. Dat is hier door geheel Indië het geval. Als men
tevoren opgeeft met welken trein men wil vertrekken, dan wordt een
compartiment gereserveerd, van buiten en ook van binnen duidelijk met
de namen voorzien van degenen, voor wie de wagen gereserveerd is,
zoodat geen vergissing kan plaats vinden. Verzuimt men vooraf een
plaats aan te vragen, dan is men volstrekt niet zeker, met den trein
mede te komen; er schijnen niet meer eerste-klasse wagens mede te gaan,
dan er plaatsen zijn aangevraagd.

Er zijn in Indië verschillende spoorwegmaatschappijen, die tegen
elkander concurreeren in het verschaffen van comfort in de waggons. Wij
troffen het gisteravond al bijzonder goed. De waggon was nl. wel
anderhalf maal zoo breed en lang als onze waggons en maar voor twee
ruime, gemakkelijke slaapgelegenheden bestemd, had flinke groote
spiegels, goede verlichting, waarbij men gemakkelijk kon lezen,
een electrischen waaier om verkoeling aan te brengen, vier soorten
afsluitingen van de vensters, gewone glazen, houten jalouzieën,
ijzergaas en rieten gordijnen, en bovendien een goede badkamer met
alles wat daartoe behoort. En voor dit alles werd geen extra-betaling
vereischt; onze gewone spoorkaart--wij hebben een rondreisbiljet door
Indië--deed daarvoor dienst. De spoorwegmaatschappijen concurreeren
hier nog goed; daarvan profiteeren de reizigers, want ook de prijzen
voor de biljetten worden laag gehouden.

Men reist hier bij voorkeur bij nacht, omdat het overdag te heet is en
er niet veel is uit te zien. Doch toen ik vanmorgen wakker werd, nadat
het daglicht juist was doorgebroken en ik naar buiten keek, zag ik
boomen vol apen en ook vele groote apen, die dicht bij den trein kwamen
om zich aan de versnaperingen, die passagiers naar buiten wierpen,
te goed te doen. Ruim een uur lang, tot wij in Ahmedabad aankwamen,
zagen wij steeds geheele horden van deze beesten, die tamelijk mak
bleken te zijn. In een land als hier, waar geen beest iets kwaads
geschiedt, zijn alle beesten bijzonder mak. Wij verwonderen ons er al
niet meer over, dat de vogeltjes overal vrij in de huizen rondvliegen,
in een schoollokaal op den rand van het zwarte bord gaan zitten en
in de hospitalen op de randen van het bed der zieken komen. Hier
in Ahmedabad--de stad staat er voor bekend--zijn overal in de stad
een soort van vogelhuizen op hooge palen gebouwd, allersierlijkste
gebouwtjes, die steeds van voedsel en drinken voorzien zijn, waarvan
echter niet alleen de vogels, doch ook de eekhorentjes en ander
boomgedierte gebruik maken.

Wij bleven in Ahmedabad een dag over, voornamelijk omdat dit de
stad is waar de Mohammedanen en de Jains in hoofdzaak wonen en
hunne tempels hebben. Maar ook omdat dit stadje nog geheel Indisch
is en op twee na het mooiste stadje van Indië wordt genoemd. Wij
zijn hier nu weder in het midden van een Mohammedaansche omgeving,
doch de Mohammedaansche vrouwen, die hier opvallend kleurig gekleed
gaan, loopen allen ongesluierd. Wel wordt ons verteld, dat de vrouwen
uit de rijkere kringen zich nooit op straat bevinden, omdat het hier
te warm is om gesluierd te gaan en zij zich niet ongesluierd willen
vertoonen. Die wel op straat komen, zijn terstond van de Hindoe-vrouwen
te onderkennen, doordat zij de broek dragen, de zoogenaamde harembroek,
zooals wij die ook in Syrië en Egypte zagen.

De moskeeën van de Mohammedanen zijn hier geheel anders dan die wij in
Arabië zagen. Hier zijn zij van heel mooi beeldhouwwerk voorzien. De
minarets zijn soms van onder tot boven gebeeldhouwd. Ook de graftomben
zijn hier mooier. De Indische Mohammedaansche vorsten hebben bij
het bouwen der tempels en graftomben blijkbaar over meer geld en
goeden smaak kunnen beschikken dan hunne Arabische en Egyptische
geloofsgenooten.

Voor het eerst zagen wij nu de tempels der Jains. Dat is een
Hindoe-sekte, die echter niet Siwa aanbidden. Ik ben er nog niet achter
kunnen komen wat de Jains eigenlijk gelooven. De boeken, die ik over
Indië las, gaven er geen voldoende beschrijving van en Hindoes, die het
konden weten, gaven mij steeds op mijne vragen alleen ten antwoord,
dat het eene sekte van de Hindoes was, met een zeer gecompliceerd
geloof. In hunne tempels--een er van hier is zeer mooi--zagen wij de
beelden van Boeddha en Brahma verheerlijkt. Wij kregen den indruk dat
het een mengsel van Boeddhisme en Brahmisme is. Overal in de tempels
der Jains staan offervaten, waarin de geloovigen 's morgens hunne
offeranden, in den vorm van een handjevol rijst of een paar amandelen,
soms zelfs een kokosnoot, komen brengen en dat daar bijeengegaard
wordt. Al de arme moedertjes, zelfs te arm om eenmaal daags zelf een
beetje rijst te eten, trachten toch een handjevol elken morgen bijeen
te krijgen, om het den beelden van Boeddha en Brahma te offeren.

Hier worden nog enkele industrieën in den ouden vorm beoefend. Wij
zagen zijde, met goud en zilver doorwerkt, met de hand weven. Heel
mooi en hoogstwaarschijnlijk ook heel duurzaam, maar zeer
kostbaar. Prachtige sarongs werden op deze wijze door mannen gemaakt,
sarongs, die van 60 tot 100 gulden kosten. Ook zagen wij hier nog
den goud- en zilverarbeid, alles met de hand en met zeer primitieve
werktuigjes verrichten. Doch vooral het houtsnijwerk van Ahmedabad
is door heel Indië bekend.

Achter den tuin van het hotel is een groote open vlakte, een kleine
woestijn. Des avonds komen daar de apen bij honderden om versnaperingen
te halen, die de toeristen hun aanbieden. Zij zijn zoo mak, dat
zij vlak bij ons komen; een paar hadden zelfs den durf de nootjes
en koekjes uit onze hand te komen nemen en vlak voor onzen neus te
gaan zitten om ze op te eten. Moeder-aapjes, met hare poppige jongen
in den arm, kwamen zoo vriendelijk om een versnaperinkje bidden,
dat men een steenen hart zou moeten hebben om 't ze te weigeren.

15 Febr. Vanochtend vertrokken wij om negen uur uit Ahmedabad en
kwamen te ongeveer twee uur in Abu Road aan. Dit gedeelte, bij dag
afgelegd, heeft ons toch niet berouwd. Wij hadden onophoudelijk
wat te zien, al was het dan ook niet natuurschoon, wat te bewonderen
viel. Wij zijn hier in het apenland en deze beesten trekken nog steeds
onze belangstelling. Waren er geen apen, dan waren er kameelen of
olifanten, die wij in menigte in de velden en bosschen zagen. Ook de
massa armoedige dorpen met de armoedige en verdierlijkte bewoners, in
uitgestrekte dorre velden, vielen ons op. Om ongeveer 12 uur hielden
wij stil in het dorp Unjha, in een landbouwdistrict, waarvan de
bewoners tot eene Hindoesekte behooren, die maar eens in de elf jaren
een algemeenen trouwdag hebben, waarop alle meisjes beneden de elf
jaren, ook als ze pas een week oud zijn, uitgehuwelijkt worden. Zijn
er niet genoeg mannen te vinden, dan wordt een man omgekocht, die
voor de leus met al de meisjes trouwt, voor wie geen echtgenoot
beschikbaar was. Deze meisjes moeten dan later weder uitgehuwelijkt
worden, ten voordeele--soms ook wel eens ten nadeele--van den man,
aan wien zij voor het eerst waren gekoppeld.

Toen wij om twee uur in Abu Road aankwamen, hadden wij nog 17 mijlen
af te leggen alvorens wij in Mount Abu, het doel van ons oponthoud,
waren. Wij hadden naar het hotel getelegrafeerd om een automobiel
aan den trein te zenden, om ons af te halen, doch in plaats daarvan
stond er een zeer primitief wagentje, dat voor ons bestemd was. De
automobiel was in reparatie, zoo heette het en daarom zond de hotelier
een tonga. Het was een heel laag boerenkarretje, waarin wij weder van
achteren met de beenen naar buiten moesten zitten. Er waren echter een
paar vurige paardjes voor, die op dien afstand van 17 mijlen zesmaal
werden verwisseld. De weg ging sterk naar boven--Mount Abu ligt ruim
1500 meter hoog--en het ging steeds door in galop. Het verwisselen van
de paarden kostte geen minuut tijd: de koetsier lichtte even de stang
op, de paardjes liepen dan van zelf uit het zadel en de nieuwe, die
reeds klaar stonden, namen onmiddellijk hunne plaats in; zij werden
even vastgemaakt en dan gingen wij weder verder. De tocht naar boven
is zoo mooi en biedt zooveel bijzonders aan, dat vele reizigers,
alleen om naar boven te gaan, een nacht hier overblijven. Ik zou er
ook veel meer van genoten hebben, als het steil naar boven gaan het
rijtuigje niet zoo sterk achterover had doen hellen, waardoor wij
op onze achterbankjes steeds er op verdacht moesten zijn, om ons
op onze plaatsen te handhaven. Toen wij ongeveer halfweg waren,
zagen wij op eenigen afstand boven ons weder een geheel naakten
man op één been staan. Zijn geheele lichaam was weder met heilige
asch ingesmeerd. Heilige asch wordt gemaakt door het verbranden van
koemest. Deze man stond daar op een rotspunt, met geen ander oogmerk
dan zelfkastijding, want de weg wordt niet druk begaan en velen konden
passeeren zonder hem op te merken. Hij deed het dus niet om bewonderd
te worden, of om aalmoezen te krijgen. De koetsier vertelde ons,
dat hij daar reeds in diezelfde positie stond, toen hij vier uren
geleden met de tonga naar beneden reed.

Mount Abu is een druk-bewoond stadje. Door de hooge gezonde ligging
zijn er vele scholen, waarin de kinderen van Engelsche ambtenaren
onderricht ontvangen. Ook zijn er tal van sanatoria. Vele Maharatja's
hebben hier kasteelen, waarin zij een groot gedeelte van het jaar
wonen.

Toen wij om half zes boven kwamen, stonden er reeds twee rickshaws
voor ons gereed om ons naar een zeker punt te brengen, om den eenig
mooien zonsondergang hier te aanschouwen. Eer wij nog goed wisten
waar men ons heen voerde, waren zij reeds onderweg en keerden eerst
om half acht huiswaarts. Morgen gaan wij hier de oude Jainstempels
zien en dan morgennacht verder naar Jaipur.

16 Februari. Vóór wij vanochtend naar de Jainstempels gingen,
lieten wij ons eerst door het stadje en naar het Gem-meer brengen,
waaraan het stadje gelegen is. Toen wij aan het Gem-meer arriveerden,
vroegen wij ons een oogenblik af, of wij niet in een sprookjeswereld
verkeerden. Wonderschoon ligt dat meer daar, rondom door kunstig
gevormde hooge rotsblokken omgeven, waarop hier en daar juist in
deze omgeving passende kasteelen zijn gebouwd of ruïnes van oude
tempels zich bevinden. Op verschillende punten van het meer kwamen de
kleurig gekleede Mohammedaansche en Hindoesche vrouwen, met haar blank
geschuurde koperen waterkannen op het hoofd, water halen. Tal van
groote watervogels zaten op de rotspunten, die uit het ondiepe meer
opstegen; olifanten, ossen en andere viervoeters kwamen er hun dorst
lesschen en groote en kleine apen speelden aan den waterkant. Het was
een plek om er een geheelen dag te vertoeven om het bonte leven gade
te slaan.

Nergens vond ik ooit in mijn leven zooveel rotsblokken, die een
diervorm vertoonen. Reuzenkikvorschen, leeuwen, olifanten, de kop
van een ratelslang en nog meer zijn duidelijk in deze door de natuur
gevormde rotsen te zien. Het verklaart een beetje de geest, die de
Jains vroeger moet bezield hebben, toen zij aannamen, dat niet alleen
al wat leeft een ziel heeft, maar ook boomen en planten, delfstoffen
en mineralen. Daarin vindt ook hunne boom- en rotsvereering eene
verklaring.

De Jainstempels zijn alleen een bezoek aan Mount Abu waard. Wij zagen
er drie. Alle zijn in de elfde en twaalfde eeuw gebouwd. Zij zijn
geheel van wit marmer en men beweert, dat het fijne beeldhouwwerk en
de prachtige detailuitvoering ervan nergens in de wereld geëvenaard
worden. Hier vonden wij voor al de Boeddha-beelden en voor de
afbeeldingen van Parswanatha, de vrouw van Brahma en de godin der
schoonheid, kwistig kruidnagelen als offerande gestrooid.

17 Februari. Om half vijf kwam de tonga gistermiddag reeds voor, om
ons weder naar beneden te voeren, omdat de weg, die aan den eenen kant
langs rotswanden, doch aan den anderen kant steeds langs een steilen
open bergwand voert, waardoor men onophoudelijk een prachtig vergezicht
geniet, in donker gevaarlijk is. Wij konden in het station nog iets
te eten krijgen en wijl onze slaapwagen reeds gereed stond, konden
wij er na het eten al vast gebruik van maken. Wij beiden lagen reeds
in diepen rust toen wij om elf uur aangehaakt en met den sneltrein
medegevoerd werden, die ons vanmiddag om één uur in Jaipur bracht.

Toen wij vanochtend ontwaakten, stond de trein stil in Ajmer, waar den
reizigers gelegenheid gegeven wordt om te ontbijten. Vóór wij echter
klaar konden komen om ons fatsoenlijk in het restaurant te vertoonen,
zette de trein zich weder in beweging. Wij keken elkaar eens aan en
troostten ons toen met ons een eigen ontbijt te prepareeren. Onze
mand, die alles bevat om ons in zulke omstandigheden uit den brand te
helpen, werd voor den dag gehaald, ons spiritustoestel in de badkamer
in werking gesteld en met de thee, die wij in de theeplantage op
Ceylon present hadden gekregen, een heerlijk kopje thee gezet, beter
dan wij het in lang gedronken hadden. Met de biscuits, Haagsche
beschuitjes en St. Nicolaasjes, die ons op de "Prinses Juliana"
uit Holland waren gezonden, genoten wij een ontbijt, dat lekkerder
smaakte, dan wat wij in het restaurant gemist nebben. Alles werd weder
huiselijk afgewasschen en weggeborgen, om ons in tijd van nood weder
te kunnen dienen.

Jaipur maakt een allerverrassendsten indruk. Het is de hoofdstad
van Rajputana. In 't midden van de stad woont de vorst van dat
verheven land, met zijne duizend vrouwen, honderden bedienden en
levende liefhebberijen. Het is de dwaaste stad, die men zich kan
voorstellen. Alle straten zijn zoo breed en zoo goed geplaveid, dat men
er in de grootste wereldstad naar zou watertanden. Alle huizen zijn
hard-rose geverfd en zijn bijna zonder uitzondering grappig en bont
beschilderd. De eenvoudigste hebben bloemschilderingen, het liefst
bloempotten met een plant, die bloemen van verschillende kleuren,
zelfs van geheel verschillende familie, bevatten. Bont opgetuigde
olifanten, ossen en ezels zijn ook geliefde onderwerpen. De mooie en
groote huizen vertoonen geheele geschiedenissen in prent gebracht in
groote afmetingen op de muren. In de drukke straten ziet men allerlei
vervoermiddelen zooals wij ze nergens hebben gezien. Heele karavanen
kameelen en drommedarissen, alsof wij in Egypte zijn, loopen hier
rustig naast volgeladen, mooi beschilderde olifanten en de apen
loopen hier in de druk bevolkte straten, alsof zij er even goed als
de menschen hunne boodschappen te verrichten hebben.

Jaipur levert voor ons weder een geheel nieuw gezicht, zooals wij
nog nooit te voren gezien hebben, en dat ook met niets te vergelijken
is. Om half vijf gingen wij vanmiddag naar het paleis van den vorst,
die het op aanvrage van een toegangsbiljet voor vreemdelingen ter
bezichtiging stelt. Even dwaas als de stad, even dwaas is ook dat
reuzenpaleis. Het was meer vreemd dan mooi. Zoo ook de tuinen. Deze
vorst is een groot liefhebber van vrouwen en dieren. Zooals ik reeds
schreef, bezit hij duizend vrouwen; met drie er van is hij wezenlijk
getrouwd, de 997 anderen zijn er maar, om hem in trieste oogenblikken
wat op te vroolijken. Voor dat doel bezit hij ook een vijver met
krokodillen en schildpadden, reuzenbeesten in hun soort, die allen
zoo mak zijn dat de bedienden ze met een stuk rauw vleesch en door
ze bij hun naam te noemen en een liedje te zingen, alle op het droge
kunnen laten komen. Maar de grootste afleiding zoekt de vorst in het
temmen van panters en tijgers, waarvan hij er eenige dozijnen bezit,
die nu en dan, als hij op zijn staatsie-olifant, of staatsie-kameel
een wandeltochtje onderneemt, met hem mede mogen wandelen, losjes aan
een koord vastgehouden. Er was in dat kasteel en in die tuinen van
alles te zien. Zelfs de 120 uit sandelhout gemaakte en met zilver
belegde kisten, die alle als reiskoffers medegaan, wanneer zijne
excellentie naar Engeland of ergens anders in Europa reist. Maar als
men bedenkt, dat deze vorst een Hindoe is, en niets mag eten wat door
iemand die geen Hindoe is, is aangeraakt, en hij dus al zijn voedsel
en de gereedschappen waarin het bereid en opgediend moet worden, moet
medenemen, dan zijn 120 zulke groote kisten nog niet zoo heel veel.

Toen wij tegen het vallen van den avond uit het paleis naar buiten
kwamen, en nog eerst met het rijtuig de drukbevolkte straten van de
stad doorgingen, toen leken al die framboze-ijs gekleurde huizen in
de avondschemering alsof zij van albast waren en de feërique bevolking
bracht mij Pierre Loti's uiting over schilderachtig Jaipur te binnen:
"tout l'Orient des féeries, processionnant à grand spectacle dans
l'imaginable cadre de camaieu rose".

18 Febr. Wij waren vanochtend reeds vroeg op weg om een bezoek te
brengen aan Amber, op 8 mijlen afstand van Jaipur. Amber, de oude
hoofdstad van Jaipur, bezit een prachtig paleis en levert een prachtig
vergezicht over een groot deel van Rajputana, zoodat de vorst, toen
hij nog daar woonde, bijna zijn geheele gebied overzien kon. Amber
is nu grootendeels verlaten, het mooie marmeren kasteel, veel mooier
en smaakvoller dan wat de vorst nu bewoont, staat leeg en doet alleen
nog dienst om het door vreemdelingen te laten bewonderen. Zes mijlen
van dezen weg kan men in een geciviliseerd rijtuig afleggen, maar de
twee laatste mijlen moet men afleggen boven op een olifant. Vroeger
werden deze lieve beestjes door den vorst voor de vreemdelingen
beschikbaar gesteld; aan den voet van den bergtop, waarop Amber met
zijn mooi paleis gebouwd is, stonden zij den reizigers dan het eerste
welkom toe te balken; tegenwoordig moet men voor dit vervoermiddel,
als voor anderen, betalen. Maar een olifantsrug is breed en kan een
massa dragen. Met twee andere Engelsche dames in het hotel waren
wij overeengekomen, samen zoo'n lief dier te huren. Nadat het zich
netjes op zijn buikje had neergevleid, door eerst de achterpootjes
naar achter uit te strekken, daarna zijn voorpootjes te buigen, werd
er een ladder bij zijn body geplaatst en klommen wij zoo een voor
een naar boven. Dat was heel niet moeilijk; wij zaten er als branies;
maar toen het beestje daarna probeerde zijn beentjes weder recht onder
zich te trekken en daarbij sterk naar achter en naar voren overhelde,
konden wij toch eenige vrouwelijke gilletjes niet onderdrukken. Lezers,
als gij nog nooit vier mijlen op den rug van een olifant hebt afgelegd,
dan kan ik u moeilijk uitleggen, welke gewaarwordingen zoo'n rijtoer
verwekt. Ik had achterna een heelen tijd noodig om al mijne inwendige
organen eerst weder op hun gewone plaats te krijgen, ik had het gevoel
alsof er niet één zat waar het wezen moest. Ik ben moedig genoeg,
maar toch geloof ik, dat door deze schudding mijn hart een beetje
naar der schoenen kant gezakt was.

Maar het bezoek aan het kasteel met zijn prachtige vergezichten was zoo
loonend, dat wij ook onzen olifantentocht er voor over hadden. Hier
in het hartje van Britsch-Indië, waar de bevolking een geheel andere
is dan in het zuidelijk deel, komt ons de Hindoe-bevolking lang niet
zoo weerzinwekkend voor. Dit is een veel flinker ras menschen, goed
gebouwde mannen en vrouwen, die werken. Door de groote schaarschte
aan water in de geheele omgeving heeft het volk zich steeds meer
door nijverheid dan door landbouw en veeteelt gehandhaafd. De
Jaipur-industrie, door geheel Indië bekend, heeft een groote hoogte
bereikt. Vooral de geweven tapijten en gordijnen, het geëmailleerde
goud- en zilverwerk, en het geciseleerde koperwerk zijn artistiek en
in vergelijking van wat men voor zulk werk in andere landen zou moeten
betalen, zeer billijk. Wij zagen verschillende werkplaatsen, waar dit
werk werd uitgeoefend en waar.... o, schrik... kinderen van zes, zeven
en acht jaar, allen bleekneuzige, holoogige jongetjes, werkzaam waren.

Van de naïeviteit der Hindoes moet ik toch even een staaltje
vertellen. Wij passeerden een Hindoetempel en hoorden daarin zingen,
mooier en anders dan wij van de Hindoe's gewoon zijn te hooren. Al
lang heb ik opgemerkt, dat alles hier een beteekenis heeft; zoodra
ik iets hoor of zie waarvan ik niets gehoord of gelezen heb, vraag
ik daarom de beteekenis daarvan. Wij waren den tempel binnengegaan,
denkende dat er misschien dienst was, doch vonden er alleen één
zingenden man. Ik vroeg wat die man daar deed en kreeg ten antwoord:
"Zingen". Ik zei dat ik dat wel hoorde, maar hij was alleen in den
tempel, voor wien zong hij dan? "O", was 't antwoord, "hij is niet
alleen, Siwa is daar; deze man is door de geloovigen aangesteld,
omdat hij zoo mooi zingt, elken dag twee uur in den tempel te zingen
om Siwa te amuseeren." O, heilige onschuld.

Wij zagen vandaag weder verschillende mannen op straat zichzelf
kastijden of in heilige overpeinzing onder een boom zitten.

De Maharatja van Jaipur wordt geroemd om zijne vrijzinnige
denkbeelden. Hij doet verschillende dingen om zijn onderdanen
te ontwikkelen. De zoölogische tuin en het museum van oudheden en
hedendaagsche kunst en nijverheid, die voor elkeen openstaan, worden
zeer druk door de Jaipursche bevolking bezocht. Het museum vooral is
zeer interessant door zijn mooie verzameling oud-Indische kunst. In
de school van schoone kunsten, die wij ook even een bezoek brachten,
waarin de leerlingen ook alle onderricht, vrij van schoolgeld,
ontvangen, wordt getracht de Jaipursche nijverheid weder op de hoogte
te brengen waarop zij vroeger stond. Door voor de markt te gaan werken
was zij in de laatste jaren sterk achteruit gegaan.

Hoewel wij nog gaarne een paar dagen in Jaipur waren gebleven, ook
omdat het klimaat hier koel en aangenaam is, meenden wij toch ons
verblijf niet langer dan twee dagen te mogen rekken. Daarom vertrekken
wij nog heden, den 19en Februari, naar Agra, de trots van geheel Indië.



VAN AGRA TOT DELHI.


21 Febr. Sedert twee dagen zit ik nu in Agra, de stad waarvan ik,
zoolang ik in Indië ben, heb hooren gewagen. Bij elke goed- of
afkeuring over 't geen ik hier zag, bij elke waardeering van het een
of ander, of geringschatting van iets anders, gaf iedereen, die in
Indië bekend is, er gereisd heeft, steeds tot antwoord: "Wacht tot ge
in Agra komt". Mijne verwachting was dus hoog gespannen, de boeken,
die ik er over gelezen had, hadden die spanning niet weinig verhoogd,
ik vreesde derhalve zeer voor eene teleurstelling. Teleurgesteld ben
ik echter niet.

De stad zelf, met ongeveer 20.000 inwoners--liefelijk aan de
Jumna-rivier gelegen--is een niet zeer opvallende Indische stad. Maar
de paleizen, moskeeën, graftomben en vooral en bovenal de Taj Mahal,
geven haar eene bijzondere beteekenis.

De Taj Mahal is een wereldberoemd Mausoleum, dat door sommige
schrijvers het fijnste en best uitgevoerde architectonisch kunstwerk
wordt genoemd, door anderen als het prachtigst Mausoleum van de wereld
wordt beschreven. Het was in 1652 voltooid, nadat er gedurende 22
jaren door 20.000 arbeiders aan gewerkt was. Met dat kunstwerk werd
het hoogtepunt van kunstuiting in Indië bereikt. Voorafgaand daaraan
was in Agra het nog steeds beroemde fort en daarin gelegen paleis,
het Paleis van Akbar, voltooid. De van 1628 tot 1658 regeerende
vorst, Shah Jehan, wilde zijn meestgeliefde vrouw, Arimand Banu,
bijgenaamd Mumtaz-i-Mahal, (de trots van het Paleis), bij haar leven
een graftombe schenken, zoo mooi en zoo kostbaar, als nergens in
de wereld bestond. Daarin wilde hij, na zijn dood, alleen met haar
rusten. Als Mohammedaansche vorst bezat hij meerdere vrouwen. Nog
vóór het voleindigd was, stierf de vrouw in het kraambed van haar
achtste kind. Haar lijk werd zoo lang naast de tombe bewaard, tot
die gereed was.

Hoewel men het geheele kunstwerk, dat zich hoog boven zijne omgeving
verheft, den geheelen weg over, als men er heen rijdt, voor zich ziet,
en het zoo de aandacht trekt, dat men geen oog heeft voor den mooien
weg, die er heenvoert, staat men toch op het oogenblik, dat men aankomt
en het geheele gebouw door de prachtige poort voor zich ziet, langen
tijd ademloos. Daar staat het in al zijn pracht en grootheid en het
effect is overweldigend. Het zuiver-wit marmer, waaruit het geheel is
samengesteld, komt machtig mooi uit tegen den blauw-azuren hemel en
't groen van de pijnboomen, die 't op eenigen afstand omgeven. Zoo van
verre ziet men nog niets van de détailuitvoering, als fijn kunstwerk
uitgevoerd, en van de schittering en verscheidenheid der ingelegde
juweelen. Alles is in harmonie met het fijne, witte marmer, waarin
het is uitgevoerd. Hoewel aan dit kunstwerk niets gespaard is, wat
de waarde er van verhoogen kon, krijgt men toch geen oogenblik den
indruk, dat het overvoerd is. De kosten ervan worden op 31.000.000
rupees geraamd. Zooveel geld voor een graftombe kon natuurlijk
alleen besteed worden in een tijd, waarin de vorst van zoo'n land
een jaarlijksch inkomen genoot, grooter dan dat, wat jaarlijks in de
Britsche schatkist binnenkomt, een inkomen, waarvan hij geen kostbaar
leger en nog kostbaarder vloot had te onderhouden, waarvan niets afging
voor onderwijs of voor andere sociale doeleinden. In den democratischen
tijd, waarin wij thans leven, kunnen zulke kunstproducten niet meer
worden gebouwd. De menschen, die thans over zoovele millioenen hebben
te beschikken, bouwen zich op andere wijze graftombes, waardoor zij
zich eveneens onsterfelijk maken, doch waarvan op andere wijze door de
navolgende geslachten genoten wordt. Een graftombe, zooals Carnegie,
in Amerika, zich bij zijn leven bouwt, of een zooals Nobel, in Zweden,
zich na zijn dood oprichtte, valt meer in onzen geest en is meer in
overeenstemming met den tijd, waarin wij leven.

Hoewel ik met de Taj Mahal (wat niets anders beteekent dan de
graftombe van Mahal) dezen brief begon, is toch het fort met het zich
daarin bevindende Paleis van Akbar en de Paarl Moskee in Agra niet
minder belangrijk en bewonderenswaardig. Het geheele fort is in rood
zandsteen opgetrokken. Dit fort met paleis en moskee werd door Shah
Jehan's voorganger, den Molog Akbar, gebouwd.

De Paarl Moskee, die haar naam ontleent aan de in haar soort volmaakte
schoonheid, dankt die schoonheid vooral aan de harmonie, waarin het
geheel is uitgevoerd en het prachtige materiaal wat er voor gebruikt
werd. Hoewel alle moskeeën een zekere gelijkheid vertoonen, is toch
deze, geheel uit marmer gebouwd, door zijn sobere décoratie en zijne
volmaakte lijnen, iets geheel bijzonders.

Ook het paleis van Akbar, Mogol Akbar beteekent de groote vorst,
met zijn Jasmijntoren, zoo genaamd om de jasmijnbloemen, die op den
geheelen toren, van boven tot onder zijn aangebracht; zijn Gem-moskee,
een moskee, waarin alleen de koning en zijn liefste vrouwen mochten
komen, om te bidden; zijn spiegelpaleis, een zaal waarin de vrouwen van
den koning zich vermaakten en dat geheel met spiegelglas ingelegd is;
de badkamers van den vorst en die zijner vrouwen, waarin het geurigste
rozenwater door glazen pijpen binnenstroomde; het gouden paviljoen
en nog zoovele bijzonderheden meer, houden den bezoeker een geheelen
morgen in spanning. Meer dan dat, men zou hier weken willen vertoeven
om er elken dag eenige uren te kunnen verwijlen.

Nadat men het paleis van Akbar, de paarl-moskee en de Taj Mahal gezien
heeft, moet alles tegenvallen wat men verder hier te bezichtigen
krijgt. De Vrijdag-moskee, schoon in haar soort, waar elken dag vele,
doch Vrijdags talloos velen van de hier wonende Mohammedanen zich
in allerlei lichaamskrommingen op den grond werpen om op hunne wijze
hunne dankbaarheid voor het genotene in het leven uit te drukken en om
te bidden voor meer, was nu het bezichtigen niet waard. Onwillekeurig
maakt men een vergelijking bij het even te voren genotene en dan valt
alles tegen.

Toen wij tegen den avond huiswaarts keerden, zagen wij op een dak
een paar opgesmukte, van bordpapier of iets dergelijks vervaardigde
reuzenpaarden. Goud- en zilverpapier, rood, groen en geel gekleurde
ornamentage bracht een schitterend effect teweeg. Op één van de paarden
zat een houten mannetje, op een ander een dito vrouwtje. Spoedig daarna
passeerden wij eene woning, waar in plaats van paarden, een paar dito
gefabriceerde en opgesmukte olifanten stonden. De koetsier deelde ons
mede, dat dit teekens waren, dat in beide woningen een Hindoe-bruiloft
plaats vond. Kort daarna passeerde ons, of liever wij passeerden een
optocht van vele mannen, van trommelslag en blaasmuziek begeleid,
met in hun midden een 7- of 8-jarig jongetje op een armoedig wit
paard. Paard en jongen waren ook erg met groote lappen en klatergoud
behangen, het kleine ventje had zelfs een goudpapieren kroon op
zijn hoofd. Hij was de bruidegom die naar het huis van zijne bruid
geleid werd. Wij gaven den koetsier order dezen stoet stapvoets te
volgen. Voor het huis met de bordpapieren olifanten hield de optocht
stil. De bruidegom werd van het paard getild, hem werd een soort zwaard
in de hand gedrukt--het was misschien ook van papier--en daarmede
moest de jonge held een stuk hout doorhakken om in de woning van
zijne bruid te kunnen komen. Het stuk hout viel reeds in twee stukken
nog voor hij ver genoeg was om het te kunnen aanraken. Hij had nu de
veste veroverd waarachter zijne bruid verborgen was en mocht haar in
zijn bezit nemen. Het werd ons veroorloofd binnen even een kijkje te
nemen. Het bruidje was ongeveer 6 jaar, precies weten de Hindoe's hun
leeftijd nooit op te geven, zij was even zoo mooi en bont aangedaan
als haar toekomstige heer en meester. Zoo'n Hindoe-bruiloft duurt
vele dagen lang en gaat met tal van formaliteiten gepaard. Als alles
afgeloopen is keert bruidegom en bruid elk naar hun eigen ouderlijk
huis terug en vangt het kinderleven weder aan alsof er niets bijzonders
met hen heeft plaats gegrepen. Deze kinderen, met hunne groote zwarte
oogen, die veel grooter en zwarter lijken dan zij in werkelijkheid
zijn door de brutaal zwart geverfde oogleden en wimpers, beseffen
natuurlijk volstrekt niet, dat daar door hunne moeders--het zijn
meestal de moeders die de huwelijken bekonkelen,--over hun geheel
toekomstig leven is beschikt. Het bruidje moet nu voortaan de helft
van het jaar bij hare schoonmoeder doorbrengen om die als eene slavin
te gehoorzamen. Zoodra zij huwelijks-fähig is, hebben er nieuwe
ceremoniën en feestelijkheden plaats, dan wordt zij in werkelijken
zin uitgehuwelijkt en behoort den jongen man toe.

22 Febr. Gisteravond ontmoetten wij in de eetkamer mr. en mrs. Sydney
Webb uit Londen, met wie wij overeenkwamen, dezen dag gezamenlijk
door te brengen. Wij spraken af gezamenlijk naar Fatehpur-Sikri te
gaan. Wij huurden een automobiel en vertrokken vanochtend om 8 uur
van hier. Fatehpur-Sikri beteekent de stad van Victorie, doch is
inderdaad een verlaten stad. Zij ligt op 23 mijl afstand van Agra.

De geschiedenis van deze stad luidt in het kort: Ruim 300 jaar geleden
werd zij door de grootste mogol van Indië, Mogol Akbar, de voorganger
van Shah Yehan, gebouwd. Vorst Akbar verkeerde in groote droefheid door
den dood van zijne tweeling-kinderen, die zijn liefste vrouw Mariam
Zamana hem geschonken had. Op een dag kwam hij door het armoedige
dorp Sikri, waar een beroemde Mohammedaansche priester, Sheik Salim
Chisti, in groote afzondering leefde. De vorst vroeg dezen priester
raad hoe hij aan een troonopvolger kon komen en de priester antwoordde:
"Kom en leef in Sikri". De vorst volgde dien raad op en negen maanden
later beviel Mariam van een zoon. Uit dankbaarheid maakte Akbar toen
Sikri tot de hoofdstad, bouwde er een prachtig fort, een ongeëvenaard
koninklijk paleis, een paleis voor Mariam en paleizen voor zijne
andere vrouwen, een prachtige moskee, een hospitaal, scholen, woningen
voor zijne bedienden, kortom alles wat een wijs en vooruitstrevend en
artistiek aangelegd man, die onbegrensd over geld en arbeidskrachten
te beschikken had, maar kon bedenken en noodig vond. Na 17 jaren, even
vóór het geheel voleindigd was, verliet hij dit lustoord weder. De
geschiedenis zegt, dat de ware reden waarom Akbar Fatehpur-Sikri
verliet, nooit aan iemand is medegedeeld geworden. Sommigen gissen,
dat het om gezondheidsredenen was, door gebrek aan goed water;
anderen meenen, dat de heilige Sheik te veel gestoord werd in zijne
heilige overpeinzingen door de rumoerige en overdadige feesten aan
het hof van Akbar. Hoe het zij, thans verrijst daar midden op een
groot plateau, ver boven zijne omgeving uitstekende, als het ware
midden in de wildernis, een volmaakte stad, waarvan elk deel nog een
bezoek overwaard is, een stad die thans geheel is verlaten. Alleen
onder aan den voet van den berg zijn nog enkele huisjes door eene
armoedige bevolking bewoond, die voornamelijk leven van den afval der
bezoekers. Den geheelen dag brachten wij in die stad in gezelschap
van die twee interessante kennissen uit Londen door en keerden 's
avonds dood vermoeid, doch zeer voldaan over onzen dag, huiswaarts.

24 Februari. Wij hebben een paar vermoeiende dagen achter den
rug. Reeds vroeg zaten wij gistermorgen in het rijtuig, omdat wij,
alvorens Agra te verlaten, eerst een bezoek wilden brengen aan het
Mausoleum, dat koning Akbar voor zichzelf en zijne vrouwen gebouwd
had. Hij, de groote vorst, ontegenzeggelijk de meest bouwlievende
en artistieke man van zijn tijd, die gedurende zijn leven eerst
een heele stad bouwde, een stad die thans nog om haar schoonheid en
architectonische waarde algemeen geroemd wordt, die daarna deze stad
verliet en zich in Agra een fort en daarbinnen paleizen en een moskee
liet bouwen, eenig mooi in alle détails, die had natuurlijk ook een
mausoleum gebouwd, dat de bezichtiging waard was. Even voorbij het
dorpje Sikandra, op zes mijlen afstand van Agra, verheft zich het reeds
in de verte schitterende Mausoleum. Rondom, op grooten afstand, is het
door een rood zandsteenen, geheel opengewerkte muur omgeven, waarin
op vier tegenover elkaar liggende zijden vier koninklijke poorten
toegang geven tot het terrein, waarin de overblijfselen rusten van
den grooten man en van de vrouwen die hij lief had. De graftombe is
in drie hooge etages gebouwd, elke etage geeft een uitzicht, dat hoe
hooger men komt steeds grootscher wordt, over de geheele omgeving. De
koning moet hier zeker gedurende zijn leven veel en gaarne vertoefd
hebben. Het geheel is ook weder uit rood zandsteen opgebouwd, doch
geheel met wit en geel marmer ingelegd, wat een zeer mooi effect
geeft. De ronde daken van de verschillende domes (ik weet niet of
dat het meervoud is van dome), zijn alle met paarlemoer ingelegd,
wat beschenen door de Oostersche zon, een schitterend kleureffect
geeft. De kleine moskee, die hier bij een mausoleum nooit ontbreekt,
is een juweel van eenvoud en schoonheid. Het geheele groote terrein
buiten is nu met eeuwenoude waringinboomen begroeid en daartusschen
bloeien en groeien nu een ontelbare menigte oranjeboomen, die aan de
geheele omgeving kleur en geur geven. Wij kwamen juist in het hotel
terug om gauw de bagage op te laden en meteen naar het station te
rijden, waar de trein voor Gwalior reeds gereed stond.



Gwalior was eigenlijk niet in onze reisroute opgenomen, onze
rondreiskaart loopt ook niet over dit deel van Indië. Het is een der
vorstendommen en ligt geheel in het centrum van het land. Wij hadden
Agra wat vlugger afgewerkt dan wij ons hadden voorgenomen en wilden
den dag dien wij daardoor wonnen voor dit uitstapje gebruiken. Gaarne
zouden wij op deze spoorlijn nog wat verder zijn gegaan om een der
andere vorstendommen, Bhopal, te bezoeken, dat sedert ongeveer een eeuw
steeds door eene vorstin geregeerd wordt. De Begum of Bhopal (Begum
beteekent vorstin), die het bewind in handen heeft, wordt als zeer
verstandig en zeer vooruitstrevend geroemd. Zij was reeds verscheiden
keer in Europa, bezocht dan niet alleen Engeland, maar ook Italië,
Frankrijk en Turkije en gaf over hare Europeesche reizen eenige zeer
belangrijke boeken uit. Over hare laatste reis naar Engeland, tijdens
de kroning van koning George, schreef zij eenige tijdschriftartikelen,
waarin zij niet nalaat met veel enthousiasme te schrijven over den
laatsten grooten optocht van de Engelsche vrouwen, ter verkrijging
van vrouwenkiesrecht.

Als monarch is zij natuurlijk gekant tegen elk recht der burgers om
invloed uit te oefenen op de wijze waarop een land geregeerd wordt,
maar zij is van oordeel, dat overal waar dit recht aan mannen gegeven
is, men het den vrouwen niet mag onthouden. Mrs. en mr. Sydney Webb,
die eenige dagen haar gasten waren, vertelden ons zeer veel van
haar. Maar een bezoek aan Bhopal zou voor ons alleen waarde hebben
als wij met de vorstin in aanraking konden komen en hoewel dat
zeer gemakkelijk tot stand was te brengen door de introducties die
wij bezitten, is de tijd die dit alles in beslag neemt te lang om
ons dit te vergunnen. Het begint reeds overal zeer warm te worden,
midden op den dag is het buiten reeds bijna ondragelijk. Willen wij
voor Calcutta en van daar voor Rangoon het niet veel te heet vinden,
dan moeten wij hier en daar onze reis bekorten en nergens langer
blijven dan strikt noodig is.

Om vier uur kwamen wij in Gwalior aan, de stad die den naam van den
staat draagt. De trein voerde ons door een zeer barre streek, die nog
vol leeuwen en tijgers en andere wilde beesten is. Voor Engelsche
sportliefhebbers die hier in den jachttijd veel zijn, om van te
watertanden. De leeuwenjacht is ook een groote liefhebberij van den
tegenwoordigen Maharatja. Tot voor korten tijd waren de toeristen die
Gwalior bezochten en eene introductie van eigen consul konden vertoonen
waarin wordt verteld, dat zij behooren tot de "distinguished" mannen
of vrouwen van hun land, de gasten van den vorst van Gwalior. Deze
had, toen koning Edward in 1876 hem als prins van Wales bezocht,
een mooi gebouw laten zetten, waarin de Engelsche koningszoon met
zijn gevolg kon wonen, zoolang hij in Gwalior vertoefde. Sedert dien
tijd gebruikte de vorst dit gebouw om zijne gasten, toeristen met
eene aanbeveling, te herbergen. De tegenwoordige jonge vorst heeft
er echter een gewoon hotel van gemaakt met een Europeeschen manager
aan het hoofd, waarin nu elke toerist voor acht rupees per dag een
buitengewoon goed onderkomen en een uitstekende tafel vindt.

Vanwege het mooie, sterke fort, dat nu evenals andere forten die wij
hier zagen, voor het Engelsche leger gebruikt wordt, wordt Gwalior
het Gibraltar van Indië genoemd. Doch daarover later.

Nadat wij ons door een goed kop thee verfrischt hadden, begaven
wij ons onmiddellijk op weg om voor het te donker werd nog het een
en ander te zien. Het eerst reden wij door den mooien tuin, waarin
ook het hotel is gelegen van den Maharatja en kwamen zoo voor zijn
mooi nieuw paleis. Wij lieten het rijtuig stil houden om het geheel
beter te kunnen overzien en direct kwamen er acht verschillende
bedienden uit het paleis snellen, waarvan één, aan zijne kleeding
te oordeelen, de voornaamste, ons met velerlei eerbiedige buigingen,
in een onverstaanbare taal, de Hindoestansche taal, aansprak. Ik gaf
hem te beduiden, dat wij geen Hindoestani verstonden en vroeg of er
niet iemand was die Engelsch of Fransch sprak. Na korten tijd kwam
er een jonge man uit 't paleis, meer of min Europeesch gekleed, die
als tolk kon dienen. Ik vertelde hem, dat wij vreemdelingen waren,
veel van den Maharatja gehoord hadden en heel graag zijn paleis
wilden zien. Toen dit aan de bedienden vertolkt was, snelde een naar
binnen en kwam spoedig daarna terug met het bericht, dat wij welkom
waren. Wij zagen echter den Maharatja niet, wel zijn enorm groot,
nieuw paleis, dat half Oostersch, half Europeesch in constructie en
meubileering is. Het geheel verraadde goeden smaak en de beschikking
over een zeer groot inkomen. Toen wij het paleis gezien hadden,
sprong een der bedienden naast den koetsier op den bok en bracht ons
rond. Eerst naar de stallen, waar een keur van mooie Arabische en
Australische paarden stond; toen naar de 20 olifanten, waarvan een
eenige dagen geleden de gelukkige moeder van een lieftallige spruit
was geworden. Het jonge olifantje, even schalksch en speelsch als
alle jonggeborenen, zag er zoo snoezig uit, dat ik het haast als een
schoothondje zou hebben geliefkoosd, maar de jaloersche moeder liet
een al te nauwe aanraking met haar kind niet toe. Daarna bracht de
bediende ons naar den rozentuin en naar de allée, waarin de vorstin
het liefst rondrijdt. Ook nu ontmoetten wij haar in haar rijtuig,
doch de gordijntjes waren neergelaten, zoodat wij alleen konden zien,
dat er twee dames in dat rijtuig zaten. Deze arme vorstin is op het
oogenblik diep te beklagen. Zij is kinderloos. De vorst, die een
troonopvolger moet hebben, voelt zich verplicht een tweede vrouw te
nemen in de hoop daarbij kinderen te krijgen. Binnen eenige weken
zal de dochter van den vorst van Baroda zijn tweede vrouw worden.

Deze vorst, Maharatja Sir Madeno Rao Sindhia staat als een ontwikkeld
en vooruitstrevend man bekend. Hij doet veel voor de ontwikkeling
van zijn volk. Er zijn in zijn rijk staatsscholen voor elementair
en vakonderwijs, waarin het onderwijs gratis gegeven wordt. Wij
zagen een school voor technisch onderwijs, waarin de leerlingen
in smidswerk, goud- en zilverwerk, weven, horlogemaken en in andere
vakken onderwezen worden. Wij zagen hier ook een gevangenis. Dit gebouw
en de wijze waarop de 500 gevangenen er behandeld worden, heeft al
de verschrikkingen van dit soort inrichtingen verloren. Ik had hier
gaarne langer vertoefd en van een der hoofdpersonen meer bijzonderheden
vernomen, doch wij kwamen reeds laat in den middag aan en hadden geen
tijd te wachten tot de directeur ons te woord kon staan. De gevangenen
waren nergens opgesloten in cellen, het waren allen frissche open
ruimten, waarin licht en lucht vrijen toegang hebben. Alle gevangenen
werkten. Het voornaamste bedrijf, dat zij leeren en daar tot een
wonderbare hoogte uitvoeren is het maken van tapijten, een soort
Smyrna-tapijten. Een der gevangenen leest hardop het patroon af en
vijf of zes gevangenen die allen hetzelfde patroon verwerken, zeggen
't na onderwijl zij uitvoeren wat de eerste opgelezen heeft. Zoo wordt
voorkomen, dat er onderling gesprekken gevoerd worden, terwijl toch
allen hunne stemmen kunnen laten hooren. Geen veroordeelde verlaat
de gevangenis die niet grondig dit vak heeft leeren beoefenen. Ook
allerlei andere vakken worden er onderwezen en in praktijk gebracht.

Vanmorgen waren wij reeds om 7 uur op weg om het beroemde fort
van Gwalior met de zich daarbinnen bevindende paleizen, tempels,
moskeeën, en andere oudheden te zien, die hier reeds van de 9e en
10e eeuw dateeren. Voor dit doel moesten wij weder van olifanten als
vervoermiddel gebruik maken, die nog steeds door den vorst gastvrij ter
beschikking van de reizenden worden gesteld. Wij waren nu reizigsters
met ondervinding en oefening in dit vervoermiddel en maakten met meer
gerustheid van dit rijpaard gebruik, hoewel de gevolgen voor maag
en ingewanden vrijwel dezelfde bleven als bij den eersten keer. Het
merkwaardigste, dat wij dezen morgen zagen waren de in de rotsen
uitgehouwen afgodsbeelden, enkele van 15 tot 20 meter hoogte.

Maar ook de stad was zeer de bezichtiging waard en gaf ons opnieuw
een beeld van de wijze, hoe de welgestelde Hindoes en Mohammedanen
vroeger hun welstand ten toon spreidden. Ik kan daarover echter nu
niets vertellen, want het is middernacht. Ik zit nu in Delhi, en ik
verlang naar mijn bad en bed.



VAN DELHI TOT EN MET LUCKNOW.


25 Februari. Delhi, eens de hoofdstad van Indië, waar de
Mohammedaansche regeering gevestigd was, en dat thans weder tot
hoofdstad en zetel der tegenwoordige regeering verheven, is; Delhi,
waar reeds drie keeren eene koninklijke Durbar is gehouden en dat
slechts twee maanden geleden alle Indische vorsten met hunne vrouwen
en gevolg, benevens duizenden belangstellenden en nieuwsgierigen
heeft geherbergd; Delhi, dat in de Indische en Britsch-Indische
geschiedenis zoo'n groote rol speelt en waar in 1857 de muiterij,
die zoovele Engelschen het leven kostte, haar oorsprong nam; die
stad had bij ons verwachtingen gewekt, waaraan Delhi niet heeft
beantwoord. Wij dachten hier het culminatiepunt van Indische grootheid
en belangrijkheid te zullen vinden, maar hierin zijn wij teleurgesteld.

Delhi is op het oogenblik niets anders dan een klein, vuil stadje,
waarvan de Britten zullen trachten een stad van beteekenis te
maken. Voor den gewonen toerist bezit het fort met de zich daarbinnen
bevindende tempels, het paleis en de moskeeën de grootste aantrekking,
doch dit was heden niet te bezichtigen, omdat het Zondag is. Wij
begonnen daarom onzen dag met een rit door de stad en omgeving. De
stad en omgeving bieden vooral den Britten vele historische
bijzonderheden. Overal vindt men nog overblijfselen van den grooten
opstand, een halve eeuw geleden. Oude tempels zijn toen ten deele
verwoest, graftomben van vorsten en heiligen tot ruïnes gemaakt,
machtige paleizen naar den grond gehaald. Neemt men de moeite om tot
op den top van den "herinneringstoren aan de muiterij" te klimmen,
dan overziet men het geheele veld, waar de opstand plaats vond en waar
de slachtoffers grootendeels zijn gevallen. Deze herinneringstoren
steekt sterk af bij de Kutab Minor, ook een herinneringstoren, den
toren van victorie, 900 jaren geleden door de Mohammedanen gebouwd
uit de steenen van verwoeste Hindoe-tempels, om hunne overwinning
te vereeuwigen. De Kutab Minor, zoo indrukwekkend door zijn hoogte
en elegantie, wordt beschreven als de schoonste in zijn soort in de
geheele wereld. Een mijner boeken over Indië noemt het de zuiverste
uitdrukking van krijgshaftige energie, evenals de Taj Mahal het symbool
is van liefde en hartstocht, en de graftombe van koning Akbar majesteit
en wijsheid uitdrukt,

Den geheelen weg over naar Kutab Minar, waar wij vandaag ook een
bezoek brachten, is als bezaaid met overblijfselen van moskeeën
en graftomben. Een paar bezichtigden wij nauwkeurig, maar voor
het meerendeel hadden wij geen oogen meer. Wij zijn voorloopig
over-verzadigd met deze dingen en alleen indien het fort ons morgen
iets zeer bijzonders op dit gebied te genieten geeft, zullen wij in
staat zijn het nog in ons op te nemen.

Met veel belangstelling zagen wij echter vandaag de plaats waar
koning George in December j.l. aan alle personen van positie en rang
in Indië audientie verleende, waar de duizenden en nog eens duizenden
bezoekers in Delhi in tenten ondergebracht waren, waar alle Indische
vorsten en de Begum van Bhopal allen met hun gevolg en olifanten en
ander gedierte ieder hun afzonderlijk kamp hadden; hoe de ontelbare
massa door dit kleine stadje, dat weldra een groote stad zal worden,
gevoed en van water voorzien werd, en waar de koning en de koningin
gehuisvest waren. Dat na afloop van de Durbar vele van de bezoekers
ziek werden, verwondert ons, na hetgeen wij zagen, niet.

26 Februari. Vóór ik over vandaag ga schrijven, wil ik even de
beteekenis van het woord Durbar geven. Er kunnen onder de lezers
mijner brieven enkelen zijn, die even dom zijn als ik was, toen ik het
woord voor 't eerst hoorde en naar de beteekenis moest vragen. Het
geleerde woord beteekent niets anders dan eene groote openbare
officieele receptie; het wordt meestal alleen gebruikt wanneer het
een koninklijke receptie betreft.

Vandaag zagen wij van 9 tot 2 uur het fort en alles wat in Delhi
meer de moeite van een bezoek loont. Binnen het fort is vooral het
paleis, door Sjah Jehan gebouwd,--denzelfde, die ook de Taj Mahal
bouwde--schitterend schoon. Die man paarde aan een artistieken smaak en
lust om dien aan de wereld te toonen, ook de financieele macht om het
te kunnen uitvoeren. Dit kasteel van wit marmer, geheel met kleurig
bloemwerk ingelegd, waarvoor hij honderden werklieden uit Florence
liet overkomen, is eenig in zijn soort. De private audientiezaal
is zoo weelderig met goud en juweelen ingelegd en de pauwhaantroon,
die thans in het museum in Kensington is, moet zoo overweldigend mooi
zijn, dat de zoon van Sjah Jehan dacht, dat zijn vader krankzinnig was
en hem daarom, toen dit alles voleindigd was, in zijn kasteel in Agra
gedurende 7 jaren gevangen hield. Daar stierf de kunstlievende man in
een van de torens, die hem uitzicht gaf op zijn grootste meesterwerk,
de Taj Mahal. Deze gunst, om stervende dit werk van zijn geest voor
oogen te mogen hebben, was de eenige, die hij zijn zoon in die 7
jaren gevraagd heeft.

Over de moskeeën en andere architectonische kunstgewrochten wil ik
niet meer schrijven; Britsch-Indië biedt op dit gebied den bezoekers
een onuitputtelijken voorraad, de grootste verscheidenheid en de
hoogste kunstuiting aan.

Na de tiffin, zoo noemt men hier de lunch, gingen wij nog een paar
uur in het stadje om wat winkels te bezichtigen en het ivoorsnijwerk,
wat hier dezelfde kunsthoogte als in Japan bereikt heeft, te zien
vervaardigen. Naderhand gingen wij, zooals wij in elke stad gewoon
zijn te doen, naar een winkel, waar goede fotografieën van alle
bezienswaardigheden te koop zijn. Ik had reeds eene goede collectie
uitgezocht, toen ik den winkelier vroeg, of hij ook fotografieën
van de bijzondere inboorlingen had. Eerst gaf hij mij toen een pak
fotografieën van de mannen en vrouwen alhier in hun verschillend
beroep of met verschillend huishoudelijk werk bezig, toen een groot
pak met de portretten van alle regeerende Indische vorsten en van vele
hunner vrouwen en toen.... de portretten van alle goden. Niet alleen
waren Brahma, Vishnu, Siwa, Kreshna, enz. enz., niet als foto's van
afgodsbeelden maar als portretten van menschen voorgesteld, maar er
waren ook fotografieën van Mozes, Christus, Mohammed, en o, lezer,
schrik niet.... ook van God. Voor die allen moeten levende personen
geposeerd hebben. Mohammed was een zeer oud man, in een kleed van
kemelshaar. Het portret van God stelde ook een zeer oud man voor,
geheel naakt, zittende op zijn gekruiste beenen, met een langen,
dunnen, grijzen baard, gedeeltelijk kaalhoofdig, gedeeltelijk met lange
grijze haren. Er lag een verdrietige barre uitdrukking op het gelaat.

Toen ik dat portret in handen kreeg, waarop met Hindoestansche
letterteekens den naam stond van wien het voorstelde, vroeg ik:
En wie is dit?--Dat is de God der Christenen, was het antwoord. Ik
kon een glimlach niet onderdrukken, en vroeg of dat portret in den
hemel genomen was. Met een medelijdende uitdrukking op zijn gelaat
over zooveel domheid, antwoordde de Hindoe mij: De goden zijn niet
altijd in den hemel, zij komen van tijd tot tijd op aarde als zij
bevelen hebben te geven of iets anders hebben uit te voeren. En
onmiddellijk liet hij mij een andere fotografie zien, waar God in
een gemoedelijk praatje met Mohammed is afgebeeld. "Zie," zeide hij,
"daar is God met den profeet Mohammed; bij zoo'n gelegenheid heeft
men Hem gefotografeerd." Ik ben overtuigd, dat de man geloofde wat
hij zeide. Voor zoo'n Hindoe, wiens goden in beelden zijn uitgedrukt,
die hij niet alleen zien, maar zelfs betasten kan; die op geregelde
tijden naar de rivier gebracht worden om gewasschen te worden; wien
men voedsel brengt, enz., voor zoo iemand is het heel natuurlijk, dat
een god een belichaamd wezen is, met menschelijke vormen en behoeften.

Toen wij van dezen tocht thuis kwamen, hebben wij snel onze zeven
zaken weder bijeengepakt en nu zit ik te wachten tot het rijtuig
voorkomt om ons met den nachttrein naar Lahore te voeren. Dit is het
verste Noordoostelijke punt, dat wij gaan bezoeken.

28 Febr. Wij hebben ons de moeite gegeven naar Lahore te komen, niet
om nog meer tempels en moskeeën en forten en paleizen te zien, maar
om een van de steden van beteekenis in het Noordoosten van Indië te
leeren kennen en het stadsleven daar te aanschouwen. Een dag oponthoud
is genoeg om daarvan een indruk te krijgen, vooral als men dien dag
geheel buitenshuis doorbrengt. Lahore is eigenlijk een stad, die men
in drie afzonderlijke steden verdeelen kan; de Engelsche stad, waar de
Engelsche bevolking woont en waar alle officieele gebouwen gevestigd
zijn; de Indische stad, de oude stad, waar de inboorlingen wonen, en
het deel waar de militairen in hunne kazernes en officierswoningen
leven. Dit laatste deel is weinig belangrijk, alles ziet er frisch
en nieuw en hygiënisch uit. De oude stad doet zeer sterk denken aan
het oude Caïro, en deze overeenkomst wordt nog sterker, doordat ook
in Lahore vele Mohammedanen zijn en deze menschen hier weder zeer
streng de voorschriften van hun godsdienst volgen. Wij zagen hier
een graftombe, Ranjit Singh's Mausoleum, wiens elf vrouwen levend
met zijn lijk in het begin van de 19e eeuw verbrand werden. Op de
graftombe is een groote marmeren knop met daaromheen elf gelijke
kleinere knoppen aangebracht, vertegenwoordigende de asch van den
vorst en zijn elf geliefden.

In Lahore behooren de Hindoe's die er leven, grootendeels tot de sekte
der Sikhs, eene Hindoe-sekte, die bijna uitsluitend hier in het Noorden
van het land voorkomt. Hunne tempels, waarvan wij hier twee zagen,
zijn zeer eenvoudig, waarin wij weinig karakteristieks vonden.

Het deel van de stad waarin de Engelschen wonen en dat nog zeer
ver kan uitgebreid worden, is mooi en maakt een zeer florissanten
indruk. De woningen, alle met fraaie tuinen omgeven, zien er frisch
en Europeesch uit; de officieele gebouwen, alle in half Hindoeschen,
half Europeeschen stijl opgetrokken, verraden goeden smaak en zijn uit
een royale beurs gebouwd. Hier bezochten wij de kunstnijverheidschool,
40 jaren geleden door den vader van Rudyard Kipling, den bekenden
schrijver over Britsch-Indië, gesticht. Britsch-Indië bezit vier van
deze scholen, doch deze in Lahore is de beste en levert de meeste goede
artisten af. Wij zagen er het fijnste ivoorsnijwerk verrichten, dat
men zich denken kan. Lahore wordt beschouwd als het groote centrum van
oude en moderne kunst en ontwikkeling in Indië. Wij brachten ook nog
even een bezoek aan het museum, een van de fijnste musea in Indië,
waar onze landgenoot, de heer Vogel, het archaeologisch deel van
gecatalogiseerd heeft.

Wij zouden heel graag van Lahore uit een uitstapje gemaakt hebben
naar Kashmir, waar we dichtbij waren, maar dit was onmogelijk met
het oog op onze verdere reisplannen.

Vanmorgen kwamen wij om 10 uur in Amritsar aan. Dit is de heilige
stad van de Sikhs. Het is zeker de schilderachtigste stad van
alle, die wij in Indië zagen. De gouden tempel, waarvoor de meeste
toeristen hier een deel van den dag doorbrengen, is de heilige tempel
der Sikhs. Deze tempel staat midden in een grooten vijver, die de
poel der onsterfelijkheid genoemd wordt. Rondom dien vijver staan
verschillende andere tempels van minder beteekenis dan de gouden
en eenige oude paleizen. De Sikhs zijn thans in een feestweek: het
feest der aanbrekende lente, dat acht dagen duurt en voornamelijk zijn
uiting vindt in een bedevaart naar den gouden tempel. Mannen en vrouwen
uit alle oorden van dit district, vooral de landbouwende bevolking,
komen in deze week in Amritsar om hunne offeranden in den tempel
te brengen en een goeden oogst af te smeeken. De trein, die ons van
Lahore naar Amritsar bracht, bevatte honderden bedevaartgangers. Voor
dit voorjaarsfeest is elkeen, mannen, vrouwen en kinderen, geheel in
witte gewaden gekleed, die van boven tot onder met rose verf bespat
zijn; sommigen hadden rose en gele verfvlekken. Grijsaards hadden zelfs
hunne lange witte baarden ook rose geverfd en de witte turban eveneens.

De gouden tempel, een tempel van wit marmer met een koperen dak,
dat in het zonlicht schittert als goud, en met vier massief zilveren
deuren, is mooi, maar kan geen vergelijking doorstaan met hetgeen wij
op dit gebied reeds zagen. Zoo midden in het water maakt hij echter een
goed effect. Er was juist een dienst begonnen toen wij aankwamen. Alle
priesters en geloovigen zaten in een kring op den grond; in het midden
was een rood fluweelen doek uitgespreid, waarop ieder, die binnenkwam,
zijne offerande gooide of legde, en dan tusschen de biddenden ging
zitten. De offeranden, die wij zagen brengen, bestonden uit bloemen,
mandjes met zoetigheden of uit geld. Een enkele gooide een enveloppe
neer, alle anderen een kleiner of grooter geldstuk. Aan de vier
punten van den doek lagen hoopjes graan voor de rondfladderende
duiven en andere vogels, die daarvan gedurende den bidstond gretig
kwamen snoepen. De geheele tempel was van binnen ook met witte doeken,
waarop rose en gele verfvlekken waren, behangen.

De Sikhs dragen, evenals de Sinhaleezen, lang haar, dat echter in
een knot boven op den kruin van het hoofd is vastgemaakt door een
eigenaardig soort kam. Doordat zij echter turbans dragen, valt dit
lange haar bij hen niet zoo sterk op als bij de Sinhaleezen. Doch
ook de Sikhs hebben, niettegenstaande zij bijna allen baard en
knevel dragen, en zeer sterk behaard zijn, zeer zachte vrouwelijke
trekken. Dit is heelemaal niet in overeenstemming met hetgeen zij
eigenlijk zijn. Wij passeerden namelijk de sedert eenige jaren
bestaande universiteit der Sikhs, een universiteit, door hen zelven
uit eigen fondsen gesticht. Wij gingen naar binnen; de cursus was
echter juist geëindigd, alleen een tiental mannen, naar gissing
tusschen de 25 en 30 jaar, die studenten bleken te zijn, waren nog
aanwezig. Wij dachten, dat zij de leeraren waren en vroegen om eenige
inlichtingen. Zij waren allen bereid ons de noodige inlichtingen te
geven. Zij vertelden ons--allen spraken uitstekend Engelsch--dat de
Sikhs geen eigenlijke sekte der Hindoe's waren, doch meer als een
kaste beschouwd wilden worden. Zij waren een militaire kaste; zij
noemden het een "Old Templars Knighthood". Hunne priesters dragen
zwaarden, hetgeen wij reeds opgemerkt hadden. De lange haren moeten
kracht uitdrukken. Wij vernamen van deze jonge mannen, die allen een
intelligent, zacht uiterlijk hadden, veel dat onze belangstelling
gaande maakte. Een van hen offreerde ons een klein Engelsch boekje,
waarin wij het een en ander over hunne tempels, zeden en gebruiken
en de geschiedenis van den gouden tempel kunnen vinden.

Op onzen tocht door de stad zagen wij hier weder tal van heiligen, die
in zelfkastijding of in heilige overpeinzing de zaligheid hiernamaals
hopen te verwerven, of misschien wel een goed leven op aarde. Een
betrekkelijk jonge man, met lange zwarte haren, zat geheel naakt
tusschen vijf houtvuren, ver genoeg van hem verwijderd, om hem niet
te kunnen verbranden, maar dicht genoeg om hem een warm lichaam te
bezorgen. Rondom hem zaten tal van eenvoudige zielen in heiligen
ootmoed te luisteren naar de woorden van wijsheid en bezieling,
die van de lippen van dezen dwaas vloeiden.

Een eind verder zat een grijsaard met haren, die ver over den grond
vielen. Dichtbij gekomen bleek het echter, dat er een soort vlas
tusschen de haren gevlochten was, waardoor het zoo lang leek. Die
man zat met een strak gelaat te staren in het verre verschiet. Hij
zat in heilige overpeinzing en mocht niet gestoord worden. Naast
hem stond een koperen bedevaartsnapje, waarin de voorbijgangers eene
offerande konden werpen, als zij deze heilige wenschten te eeren. Men
moet een bepaald aantal dagen of weken zichzelf gekastijd hebben, of
heilige overpeinzingen hebben gehouden, alvorens het publiek iemand
heilig verklaart.

Op dezen tocht in het Noordoostelijk deel van Indië zagen wij
weder een geheel ander type van menschen, dan wij te voren gezien
hadden. Vooral in Amritsar zagen wij, doordat de feestweek zooveel
boeren en anderen uit Peshawar, Afghanistan, Kashmir en andere buurten
naar den gouden tempel had gelokt, tal van nieuwe typen en ook geheel
andere kleederdrachten. Hoevele verschillende turbans wij vandaag
opmerkten, is niet te tellen.

29 Febr. De nachttrein bracht ons hedenochtend vroeg in Lucknow. Dit
mooie provinciestadje biedt den gewonen toerist weinig belangrijks. Uit
een geschiedkundig oogpunt is Lucknow natuurlijk zeer belangrijk. Hier
was in 1857 het centrum van de muiterij en een geheelen dag kan men
zoek brengen om alle punten te bezoeken, die nog de kenteekenen, van
den gevoerden strijd dragen. Een rilling kan men niet onderdrukken als
men de kelders ziet, waarin de vrouwen en kinderen maanden lang voor
hunne veiligheid ondergebracht zijn, doch waarin zij door de hitte,
benauwde atmosfeer, slechte voeding en nog slechter water als sneeuw
voor de zon wegteerden. De begraafplaats, waar meer dan 2000 vrouwen,
kinderen en grijsaards in dien tijd begraven werden, duidt maar te
duidelijk aan, dat de sterfte onder deze beschermden grooter was dan
onder de deelnemers aan de verdediging.

De native town in Lucknow kan ook op niets bijzonders bogen; een
vergelijking met wat wij in Lahore en Amritsar zagen, is zelfs niet
te treffen.

Wij zullen hier dan ook niet langer dan een dag vertoeven en
vertrekken morgenochtend naar Benares. Het hotel--voor het eerst een
werkelijk goed hotel in Indië, dat door een Duitsche eigenaar beheerd
wordt,--lokt ons tot eenige dagen langer verblijf, enkel en alleen om
wat uit te rusten. Wij durven ons die weelde echter niet veroorlooven.



BENARES.


Meer dan Rome is voor de Katholieken, meer dan Amritsar is voor
de Sikhs, meer dan Jeruzalem is voor de Christenen, zelfs meer dan
Mekka is voor de Mohammedanen, is Benares voor de Hindoe's. Benares
is een van de oudste steden in de wereld; lang voor Rome bekend was,
had Benares reeds den roep van heiligheid. In deze stad te sterven
beteekent zaligheid, ja, zelfs hij of zij, die sterft op een afstand
van 50 mijlen rondom deze stad, is zeker in Siwa's hemel opgenomen
te worden. Men behoeft daarvoor geen Hindoe te zijn, Siwa verleent
daarboven in zijne woning ook gastvrijheid aan Joden, Christenen,
Mohammedanen en Boeddhisten, indien zij op de heilige plek, binnen
Benares, het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. Hoe deze opvatting
te rijmen is met het re-incarnatiebegrip der Hindoe's is mij niet
recht duidelijk.

Benares bezit ruim 1500 tempels en meer afgodsbeelden dan inwoners,
ofschoon deze laatsten meer dan 200.000 bedragen, Iedere geloovige
Hindoe gaat op zijn minst eens in zijn leven naar Benares om er te
bidden in alle tempels en te baden in de heilige rivier. Welgestelde
Hindoe's bezoeken deze stad meermalen in hun leven en de zeer rijken
hebben hier allen een eigen woning of paleis, waarin zij elk jaar
eenigen tijd vertoeven om hunne ziel te zuiveren van alle begane
zonden en als de tijd daar is, te sterven binnen de muren van de
heilige stad. Elke Hindoe-Maharatja heeft hier zijn eigen paleis. Het
aantal bedevaartgangers, dat jaarlijks van alle oorden van Indië
komt, om aan alle goden offeranden te brengen en te bidden in de
1500 tempels, wordt ver over een millioen geschat. Het kost elken
pelgrim 6 dagen hard werken om de ronde in de 1500 tempels te doen;
hij heeft daarmede alleen een afstand van 45 mijlen af te leggen. Die
dagen worden dan geheel aan bidden gewijd, voor slapen en eten blijft
weinig tijd beschikbaar.

Niettegenstaande Benares met hare tot het uiterste gedreven nauwe,
overbevolkte straten en bazaars, met haar druk-bewerkte tempels
en godenhuisjes, en haar verscheidenheid van kleuren, grooter dan
ergens elders, een schilderachtig geheel levert, en, om een van de
schrijvers over Indië te citeeren: "geen andere stad in Indië, die
zulk een atmosfeer van onsterflijke oudheid verraadt", toch verwekt
deze stad een indruk van diepen weemoed en gedruktheid.

De grootste aantrekking voor de pelgrims zijn niet hoofdzakelijk de
vele tempels en goden, die Benares bezit, niet de zekere heiligheid,
die deze stad omgeeft, omdat Siwa en Vishnu en Brahma hier geleefd en
gewoond hebben, maar in hoofdzaak omdat de heilige rivier, de Ganges,
hier een bijzonder heilige kracht bezit. Het water van deze rivier
bezit een alles-zuiverende macht. Niet alleen neemt elke onderdompeling
in dit water de zonden weg, die bedreven zijn, maar ook alle ziekten
worden daardoor genezen. Er is een plek aan den oever van de rivier,
het pokken-bad genaamd, waar poklijders gebracht worden om er dagelijks
te baden, en dan allen genezen. Inderdaad is er iets van waar, dat dit
water een tot nog toe onverklaarbare kracht bezit om ziektekiemen te
dooden. Het Britsche gouvernement heeft herhaaldelijk proeven genomen
en steeds bleek, dat cholera- en andere baccillen in dit water na
eenige uren alle dood waren, terwijl baccillen, van dezelfde bron
genomen, in volkomen zuiver water welig tierden. Ware dat ook niet
het geval, dan zou het onverklaarbaar zijn, dat van deze stad uit
pest en pokken en cholera en meer zulke plagen, niet jaarlijks over
heel Indië verspreid werden.

Wil men de beteekenis van de Ganges voor den Hindoe zien, dan moet
men 's morgens vroeg opstaan en nog vóór de zon aan de Oosterkim is
verschenen reeds in een bootje gezeten zijn, zich langzaam laten op
en neer roeien en het leven aan de oever der rivier gadeslaan. Wij
lieten ons op een morgen zeer vroeg naar de rivier brengen. Het
was een rit van bijna een half uur. De stad begon te ontwaken. De
langs den weg liggende slapers rolden hunne doeken, waarin zij
zich neergelegd hadden, rond hunne lendenen en begaven zich op weg
naar de badgelegenheid. Hier en daar was een arme vrouw bezig den
weg schoon te vegen en de smeden begonnen den brand te steken in
hunne houtvuren. Hoe dichter wij de rivier naderden, des te grooter
werden de troepen menschen, die zich in dezelfde richting voorwaarts
spoedden, om, zuiver uit godsdienstige overwegingen, een bad in de
Ganges te nemen en hunne gebeden op te zenden ter verheerlijking
van een hunner goden of van de rivier, of van de zon. Maar ook hoe
meer wij de rivier naderden, hoe grooter werd het aantal mannen, dat
in zelfkastijding of in heilige overpeinzing, de eeuwige zaligheid
hoopte te verwerven. Mannen, liggende op een bed van spijkers, gezeten
tusschen brandende vuren; mannen, staande op één been, of met één arm
in de lucht; mannen, overladen met zware ijzeren kettingen; mannen,
dagen achtereen vastende, geen water of voedsel tot zich nemende,
in heilig stilzwijgen, allen met asch overladen en haren, die door
tusschenvlechting van de eene of andere wollen stof verlengd zijn, soms
tot 8 à 10 meter, en die dan in een torenhooge kroon rondom hun slapen
zijn gelegd, of netjes een kring rondom hen vormen. Eén heilig man had
zich van koemest en pauwenveeren een toren geplakt en die op zijn hoofd
gezet. Al die heiligen hadden een kring van discipelen rondom zich,
die naar hunne woorden luisterden, of die ook in heilig stilzwijgen
zaten te staren naar de richting, waarin de meester staarde.

Van 47 ghats--plaatsen, van waar men de rivier kan bereiken, hier
meestal breede, hooge, steenen trappen--komen de tallooze mannen
en vrouwen om hunne vereering te uiten. Als zij de rivier bereiken,
sprenkelen zij eerst water over hunne oogen en het hoofd en prevelen
het eerste gebed. Dit luidt vertaald: "O, Ganges, ik groet uwe twee
voeten, uwe twee voeten die zoo schoon zijn en welke door goede en
slechte goden verheerlijkt worden. O, Ganges, gij geeft geluk en ten
slotte verlichting aan allen". Dan spoelen zij den mond met het heilige
water. Daarna beginnen zij weder te bidden, eerst op het eene, dan op
het andere been staande, en ten slotte laten zij zich neerploffen in
het water. Daarna gaan zij weder staan met de beide handen vol water
en dit laten zij langzaam wegvloeien, zich wendende tot de zon, een
offer van Ganges-water aan de zon, en daarbij prevelen zij een van
de oudste gebeden in de wereld: "Laat ons ootmoedig neerknielen voor
de glorie van het Heilige Leven-gevende Licht; moge het ook onzen
geest verlichten". Dan gaan zij voort onder allerlei handengewring,
onderdompeling en beenenbuiging hunne verdere gebeden te uiten. Als zij
gereed zijn met baden wasschen zij hun doek, hun lendengordel en turban
(zoo zij die dragen want vele pelgrims gaan blootshoofds), houden
die dan uitgespreid in de hand tot zij door de zon gedroogd zijn,
brengen dan met rood of geel of wit een merkteeken op hun voorhoofd,
en daarmede is hun morgendienst afgeloopen. Vrouwen en mannen baden
naast en door elkaar, alleen voor de weduwen is een afzonderlijke
plaats aangewezen.

Tusschen al deze zwemmende en badende menschen in zijn breede steenen
trappen ingericht voor de lijkverbranding. Onophoudelijk wonden
de lijken, alleen in een doek gerold, door de lijkdragers--twee
mannen--aangebracht. Zoodra het lijk aangekomen is, gaan een paar
mannen, dikwijls familieleden, het hout in de nabijheid aankoopen en
wordt dit opgestapeld, het lijk daarop gelegd en het vuur ontstoken. Is
het lijk zoowat half verteerd, dan klooft het naaste mannelijke
familielid met een bijl den schedel. Deze liefdedienst--want nu kan
de geest gemakkelijker ontwijken en wordt niet door het vuur mede
verteerd--wordt gewoonlijk door den zoon voor vader of moeder, door den
vader voor zijne vrouw en kinderen verricht. Zijn er geen mannelijke
familieleden, dan komen de vrouwen aan de beurt. De vrouwenlijken
zijn in roode, de mannenlijken in witte doeken gehuld. Wij zagen in
het oogenblik, dat onze boot voorbij roeide, drie lijken verbranden,
en een geheele rij lag te wachten tot hunne beurt was aangebroken. De
asch van de lijken wordt in de Ganges geworpen, doch de armen, die
niet veel hout kunnen betalen, zijn dikwijls slechts half verteerd. De
dienstdoende mannen breken dan de halfverkoolde beenderen in stukken
en gooien ook die in de rivier. Soms zelfs--wij zagen het niet--worden
heele stukken van een lijk onverteerd door den stroom meegevoerd.

Toen wij onze oogen afwendden van dit weinig verkwikkelijk schouwspel
en ze een oogenblik richtten naar den anderen oever van de rivier,
zagen wij een troep gieren zich te goed doen aan iets groots en diks,
dat in het midden van 't water dreef. "Dat is het lijk van een heilige
koe", zeide onze Hindoe-gids ernstig. "Heilige koeien worden zoo
in de Ganges geworpen na haar dood." En onmiddellijk voegde hij er
aan toe: "Ook de heilige mannen worden niet verbrand, hunne lijken
worden ook zoo in de Ganges geworpen; zij behoeven de zuivering van
het vuur niet meer te ondergaan; zij hebben zich in hun leven reeds
gepurifieerd." Zulke mannen krijgen echter aan elk been een steen
gebonden, zoodat zij zinken en niet door roofvogels worden opgegeten.

Als men bedenkt, dat hier menschen met de meest besmettelijke en
afzichtelijke ziekten dagelijks tusschen de anderen komen baden; dat
allen na het bad dit water drinken en er kannen vol van meeslepen, dan
moet men aannemen, dat er iets in dit water is, waardoor ziektekiemen
gedood worden, anders zouden de gevolgen onoverzienbaar zijn. Maar
ook als de ziektekiemen geheel verwoest worden, dan nog verwekt het
een indruk, die onze maag rechtsomkeert doet werken, als men lupus-,
kanker- en syphilis-menschen zich in het water ziet onderdompelen en
terzelfder tijd een geloovigen Hindoe met gretigheid daarnaast het
water ziet verzwelgen.

Na dezen tocht in het vroege morgenuur moesten wij eerst eenige uren
bekomen, alvorens wij ons in staat achtten de andere wonderen van
Benares in ons op te nemen. Het was niet ons plan, om, evenals de
bedevaartgangers, allen 1500 tempels achtereen onze opwachting te
gaan maken; wij zochten er eenige uit, die bij de beschrijving onze
nieuwsgierigheid hadden gaande gemaakt.

Toen wij wat later op den dag onzen tocht naar die tempels begonnen,
zagen wij onophoudelijk de tallooze bedevaartgangers van alle zijden
de stad binnenstroomen. Heele rijen achter elkaar loopende mannen,
in saffraankleurige doeken gehuld, blootshoofds, doch met een langen
stok met een bijl aan den top in de eene en een koperen drinknap of
bedelnap in de andere hand, noemde de gids "bedelmonniken". Mannen
en vrouwen in roode, gele, groene, witte, paarse en andere kleederen
wist de gids allen aan de kleur hunner kleederen te localiseeren van
waar zij kwamen. Er waren er bij, die weken achtereen geloopen hadden
om deze heilige plek ten slotte te bereiken. Het was een bijzonder
heilige dag, daarom kwamen er meer pelgrims dan andere dagen.

Wij begonnen met den Durga-tempel, bijgenaamd de apentempel. Deze
bijnaam vindt zijn oorsprong in het feit, dat meer dan 200 apen,
bruine met korten staart en erg menschelijke gezichten, in en om dezen
tempel leven en wanneer door trommelslag een dienst in den tempel
wordt aangekondigd, allen komen aanloopen en aandachtig zitten te
luisteren. Het waren erg menschelijke apen, die de koekjes en andere
zoetigheden beleefd uit onze handen namen, zonder zenuwachtigheid te
verraden. De jonggeborenen, die het aardigst waren en natuurlijk de
meeste versnaperingen kregen, werden heel wijs door de moedertjes
in den arm genomen en naar een afgelegen plaats gebracht, als mama
dacht, dat zij genoeg gehad hadden. Eén aap zat onophoudelijk met een
zakspiegeltje uit een of ander dames-étui in zijn voorpoot zich zelf
te bewonderen. Een koekje kon slechts een oogenblik zijne attentie
gaande maken; dan at hij het koekje op, doch zat, al etende, zich
in eigen aanblik te verlustigen. Deze ijdele aap, lieve lezers,
was een mannetjes-aap.

De Durga-tempel is gewijd aan Durga, de vrouw van Siwa. Zij wordt als
zeer verwoestend en bloeddorstig voorgesteld. Zij bezit 18 armen en
handen, in elke hand een zwaard of ander moordtuig houdende, waarmede
zij de koppen van mannen en leeuwen afslaat. Aan haar gordel bengelen
doodshoofden van mannen. Vroeger werd ter eere van Durga elken
dag een mensch geslacht, om haar bloeddorst tevreden te stellen;
sedert het menschenslachten verboden is, offert men haar elke week
een geit. Geiten zijn hier duurder dan menschen. Elken dag een geit
te offeren, zou te veel geld kosten; daarom moet Durga zich eens in
de week met een geitje tevreden stellen. Het toeval wilde, dat wij in
den tempel twee Hindoe jongemannen uit Calcutta aantroffen, die ook
ter bedevaart waren opgekomen naar Benares. Zij bleken beiden zeer
ontwikkelde, goed Engelsch sprekende jongelui te zijn. Zij begonnen
een gesprek met ons, waarop wij hun vroegen, hoe ontwikkelde menschen
een godin der verwoesting konden aanbidden. Glimlachend antwoordden
zij: "Gij moet u dat anders voorstellen. Wij, Hindoes, verdeelen den
tijd in verschillende perioden. Wij leven thans in de periode der
verwoesting. Oorlog, doodslag en verwoesting van landen en steden is
over de geheele wereld aan de orde van den dag. Durga regeert thans
overal. Met aan haar offeranden te brengen, hoopt men haar moordlust
te koelen, m.a.w. hoopt men de groote periode der verwoesting snel
te passeeren. Het is slechts eene zinnebeeldige voorstelling". [2]

Zoo weet de ontwikkelde Hindoe aan alle godenvereering eene hooge,
poëtische verklaring te geven, maar de onontwikkelde, zooals onze
gids, vat alles in zijne platte beteekenis op. Die vertelde ons,
dat het geitje, dat elken Dinsdag geslacht wordt, met zijn kop aan
een houten paal, die vlak voor Durga staat, vastgebonden wordt, dan
door een man met één slag op de kop, de kop wordt afgehakt, "zooals
Durga het 't liefste ziet". Den gewonen Hindoe is niets bekend van
de philosophie van de Veda en de beteekenis zijner goden. Voor hem
personifieert elk afgodsbeeld een werkelijken god.

Na den apentempel bezochten wij den koetempel. Deze tempel is eigenlijk
niets bijzonders, alleen dat daarin eenige bullen in plaats van goden
vereerd worden. Werkelijk levende bullen, die met bloemen en heilig
gras gevoed worden, worden daar dagelijks door duizenden aangebeden
en vereerd.

Toen naar den tempel van Ganesha. Ganesha is de zoon van Siwa en
Durga en wordt voorgesteld als een kind met een olifantskop. Toen
Ganesha geboren werd, had het wurm geen kop. Durga was daarover erg
ongelukkig en toen kwam Siwa en zeide: "Ga naar buiten; het eerste
levend wezen, dat gij ziet zal zijn kop verliezen en deze zal op
den romp van Ganesha komen". Durga deed alzoo en het eerste levend
wezen dat zij zag was een olifant. Haar lieftallig kind hield in zijn
jeugd, als vele kinderen, erg van zoetigheden; daarom worden hem nog
heden tal van versnaperingen geofferd. Hij reed in zijn jeugd bij
voorkeur op een rat, daarom zijn nu nog de ratten heilige dieren. De
Britsche regeering heeft zeer veel moeite hier in Benares, waar altijd
pestgevallen zijn en nu zelfs zeer vele, de ratten uit te roeien. Een
Hindoe sterft liever aan pest, dan dat hij een rat zou willen zien
dooden. Achter Ganesha was een bron, de Bron der Kennis. Drinkt men
uit die bron--dat water is zeer duur--dan wordt men helderziend,
alwetend. Ik wilde liever dom blijven, dan mij te wagen aan het
drinken van dit sop. Dit water wordt nog aantrekkelijker gemaakt,
als men hoort vertellen, dat het is het zweet van Vishnu, uitgezweet
in een al te dolzinnig doorgebrachten nacht.

Wij bezochten nog eenige van zulke vermaarde tempels en hadden er toen
genoeg van. Wij besteedden liever den ons nog restenden tijd aan het
bezoeken van de Hindoe-school, door Annie Besant hier gesticht, en hare
theosophische vereeniging. Hoe Annie Besant er toe kwam hier in deze
fanatieke omgeving haar school te vestigen, zal, naar ik hoop, haar en
hare volgelingen duidelijker en verklaarbaarder zijn dan mij. Het is
waar, dat ook Buddha hier langen tijd vertoefde en zijne leer voor het
eerst in Britsch-Indië verkondigde. Dat ook Paulus hier schijnt geweest
te zijn en dat hier thans acht verschillende zendelingsinstellingen
de leer van Christus trachten ingang te doen vinden. Waarom zou zij
dan niet haar leer hier verkondigen, de universeele broederschap van
hieruit over de wereld zich laten verspreiden?

De Hindoe-school en college van Annie Besant, die door vrijwillige
gaven, bijna uitsluitend door Hindoesche beurzen, wordt in
stand gehouden en waar de leerlingen in den zuiver Hindoeschen
godsdienst worden onderwezen, bevat reeds meer dan 1000 mannelijke
Hindoe-leerlingen en ongeveer 200 vrouwelijke. Zij staan beide--de
jongens- en meisjesschool zijn streng gescheiden--onder oppertoezicht
van een Engelschen directeur en directrice, doch de leerkrachten zijn
voor verreweg het meerendeel Hindoe's. In de zaal, waar de gebeden
worden gezongen, hangt een levensgroot portret van Annie Besant.

Wij bleven in Benares een dag langer dan de meeste toeristen
gewoon zijn te doen, niet zoo zeer om het vele belangrijke, dat
hier te zien is, dan wel om den geest van de stad beter in ons op te
nemen. Herhaaldelijk bezochten wij de stad op verschillende tijden van
den dag, maar steeds weder overviel ons datzelfde gevoel van weemoed,
dat wij ook gevoelden, toen wij in Jeruzalem die vele huilende en
lamenteerende Joden voor een stuk oud en vervallen muur zagen staan,
dien muur kusten en met hunne tranen bevochtigden; of toen wij daar
in verschillende kerken der christenen soldaten vonden om den vrede
te bewaren tusschen katholieken en protestanten voor een elkander
betwist venster of een stuk balk.

Onwillekeurig vraagt men zich hier af, zijn dat menschen uit
denzelfden tijd waarin ook wij leven, zijn het misschien eenvoudig
bekrompenen van geest, of zijn het ongelukkigen, wier geest beneveld
is? Benares met zijne afgoden en tempels, met zijne heilige rivier,
zijne heilige apen, heilige koeien, heilige ratten en vooral met
zijne bevolking en pelgrims, verwekte bij mij den indruk van een
groot krankzinnigengesticht.



CALCUTTA EN DARJEELING.


Lang vóór ik er nog aan dacht, deze groote reis te maken, las ik eens
in een geïllustreerd tijdschrift een artikel over Calcutta. In dat
artikel werd deze stad zoo mooi beschreven en de illustraties waren
zoo aantrekkelijk, dat ik den indruk kreeg hier een stad met een
groote aantrekkelijkheid te zullen vinden. Toen ik dan ook 's morgens
vroeg in Calcutta arriveerde en naar het hotel reed, dacht ik, dat de
koetsier ons door eenige vuile buitenwijken voerde en dat ook het hotel
niet in een van de mooie straten van de stad gelegen was. Doch nadat
ik de stad in alle richtingen doorkruist heb, zoowat alle straten
met de voornaamste gebouwen zag, vraag ik mij af: hoe kan iemand
zoo'n moderne, Europeesche, onooglijke, oninteressante stad zoo mooi
voorstellen? Waar heeft de schrijver al dat moois gezien, anders dan
in zijne verbeelding? Er is in de heele stad niets de moeite van een
bezoek waard. Het is waar: er is een interessant museum, en er is in
den botanischen tuin, ver buiten de stad gelegen, een waringin-boom,
die de grootste van de geheele wereld genoemd wordt, wat ik graag
wil aannemen, want die eene boom lijkt wel een geheel bosch. Maar de
stad, de stad met haar even oninteressant native gedeelte, met haar
vuile haven en groote gebouwen, die alle den indruk geven alsof zij
er slechts provisoir zijn neergezet, die stad is leelijk en biedt
den bezoeker weinig aantrekkelijks.

Het is mogelijk, dat toeristen, die hun toer door Indië van hieruit
beginnen, een anderen indruk krijgen, omdat voor hen het leven der
inlanders dan nog vreemd is en zij hetgeen zij daarvan in Calcutta
zien, met meer belangstelling in zich opnemen; doch voor ons, die in
Calcutta onzen toer door Indië afsluiten, die het leven der inlanders
in alle opzichten op verschillende plaatsen origineeler, interessanter,
kleuriger en naïever zagen, biedt dit hier geen aantrekkelijkheid meer.

Indien wij hier lang genoeg zouden blijven, dan konden wij ons
verblijf hier echter interessant genoeg maken, want nergens in Indië
wordt een zoo intensief sociaal leven geleefd als in deze stad. De
nationale beweging, waarover ik van uit Bombay reeds schreef, heeft
hier haar wortels, wordt van hieruit gevoed en van hieruit worden
hare vruchten over het gansche land verspreid. Ik schreef vroeger
reeds, dat de nationale beweging tot leus heeft: Indië voor Indiërs,
en dat zij beoogt van Engeland's heerschappij verlost te worden. Die
beweging is echter nooit sterk geweest en zal ook nooit zoo sterk
worden, dat Engeland er iets van heeft te vreezen. Dat moet elkeen
gevoelen, die met zijn oogen open eenige weken in dit land heeft
gereisd. De bevolking bestaat te veel uit heterogene bestanddeelen. De
Mohammedanen, die een vierde van de bevolking uitmaken, haten
en wantrouwen de Hindoe's, zooals deze wederkeerig hen doen. De
Mohammedanen zouden niets meer vreezen, dan dat de heerschappij van
het land in handen van de Hindoe's zou komen. De Hindoe's zelf zijn
in vier groote kasten verdeeld, die ieder op zich zelf staan en die
nooit op een voet van gelijkheid met elkander kunnen samenwerken. De
Brahmaan, de hoogste kaste, de kaste der priesters, mag nooit de hand
of ander lichaamsdeel aanraken van eene lagere kaste; als hij dit
doet door toeval of anderszins, dan moet hij eerst eene zuivering
ondergaan, alvorens hij weder met zijne kaste-genooten in aanraking
kan komen. Een hoogere kaste mag niets eten, dat door iemand uit een
lagere kaste is aangeraakt, en dit alles gaat zóó ver, dat wanneer ik
het zou mededeelen, geen mijner lezers mij zou gelooven, die daarover
niet vroeger het een en ander gelezen had. Dit staaltje b.v.: Een
fabrikant vertelde ons, dat hij naast zijn fabriek een rij huisjes
had laten bouwen voor zijn Hindoe-werklieden. Elk gezin bewoonde een
éénkamer-woning gratis. Op zekeren dag komt 'n werkman tot hem en
vertelde hem, dat hij die woning niet langer gebruiken kon; het kwam
hem te duur uit. De eigenaar vroeg: "Hoe is dat mogelijk? Gij betaalt
mij toch niets voor de woning."--"Ja," zeide de werkman, "dat is goed
en wel, maar de man naast mij is van een lagere kaste en elken keer
als de wind west is en de rook uit zijne woning zich vermengt met de
rook uit mijne woning, dan is mijn eten onzuiver en mag het niet meer
genuttigd worden. Heb ik, zonder het te weten, het toch genuttigd,
dan moet ik eerst gezuiverd worden, en dat kost veel geld."

Zulke staaltjes heb ik bij dozijnen vernomen. De afscheiding
tusschen de kasten is zoo groot, dat in de eerstvolgende geslachten
van overbrugging geen sprake kan zijn. Nu preeken de nationalisten
wel, dat men voor een groot doel mag samenwerken, één algemeenen
vijand gezamenlijk mag verslaan, maar de lagere kasten zijn onder
de Britsche overheersching veel beter af, dan onder de regeering van
hunne hoogere geloofsgenooten, zij zullen zich nooit laten gebruiken
om tegen Engeland op te treden. Een troep heethoofden kan misschien
hier of daar eens weer een muiterij op touw zetten, doch groote,
ernstige gevolgen, kan die niet hebben. De leiders dezer beweging
bestaan voor een groot deel uit jonge mannen, die juist door den
invloed der Britten in staat zijn geweest gratis eene goede school te
doorloopen waarvoor nu geene gepaste werkkring te vinden is. Dat de
zoon van een waterdrager, een bullewagendrijver, een fabriekswerker,
die heeft leeren lezen en schrijven in zijn moedertaal, Engelsch en
Sanskriet grondig kent, die rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde
heeft geleerd, geen lust heeft zijn vader in zijn vak op te volgen,
is duidelijk. Deze jonge mannen hebben hoogere aspiraties, waaraan,
voorloopig althans, niet kan voldaan worden. Enkelen hunner studeeren
verder en worden onderwijzers voor hun eigen kastegenooten, een heel
enkele wordt gids voor vreemdelingen, nog zeldzamer, vinden zij een
plaats als klerk op een of ander bureau; doch het meerendeel vindt
geen geschikte bezigheid en vormt een klasse van ontevredenen, die
in de nationale beweging het hoogste woord voeren. Door het in het
leven roepen van goede industriescholen, waaraan in zeer vele plaatsen
reeds is voldaan, hoopt men aan dit euvel tegemoet te komen.

Ook de vrouwenbeweging, die over heel Indië slechts eene sporadische
is, en die op het oogenblik nog niet veel meer op haar program heeft
dan tegengaan van de kinderhuwelijken, verbetering van het lot der
weduwen, opheffing van het purdah-systeem, en scholen voor meisjes,
vindt in Calcutta de krachtigste verdedigsters.

Doch om al deze bewegingen te bestudeeren, er meer dan een
oppervlakkigen indruk van te verkrijgen, zouden wij hier langen tijd
moeten vertoeven. Wij bespraken onze passage op de boot, die ons van
Calcutta naar Rangoon zal brengen voor den 12en Maart, en de week
die ons nog rest, willen wij liever in een van de hooge bergstreken
hier doorbrengen, om ten minste één van de punten te zien, waarheen
de rust- en koeler klimaat-behoevende Engelschman zich begeeft als
verlof, tijd en geld hem dit veroorloven.



Darjeeling, in het Himalaya-gebergte, dat 7100 voet hoog is, is 't
meest aantrekkelijke van deze plaatsen. De reis erheen is echter niet
zoo eenvoudig als wij ons die hadden voorgesteld. Als men Calcutta
om half vijf 's avonds verlaat, dan spoort men tot half negen naar
Damookdeah, daar gaat men op een stoomboot over en vaart gedurende
twee uren op de rivier de Ganges. De rivier is daar niet zeer breed
en beide oevers zijn bebouwd, een volle maan bescheen het water en gaf
aan alles aan den wal wat wij passeerden, een phantastischen vorm. Zoo
in gedachten verzonken, verbeeldde ik mij in een wereld te verkeeren
van een halve eeuw geleden en een tocht te maken van Groningen naar
Sappemeer in een trekschuit of barge. Door mijne reisgenoote werd
ik uit mijn mijmering gewekt met de nuchtere vraag, of wij niet wat
zouden gaan eten, waartoe op de boot tamelijk goede gelegenheid was.

Om elf uur zaten wij aan den overkant van de Ganges weder in een trein,
doch moesten die om vijf uur 's morgens weder verwisselen met het
bergtreintje, dan ons om één uur in Darjeeling afleverde. Dat was, met
het herhaaldelijk verwisselen van reisgelegenheid, een zeer vermoeiende
tocht, waarop geen van ons beiden was voorbereid. Doch de tocht van
Silliguri tot Darjeeling, den tijd dien wij in het bergtreintje
doorbrachten, biedt zooveel schoons, dat wij onze moeheid geheel
vergaten en geen berouw meer gevoelden over dit laatste uitstapje
in Britsch-Indië.

Hoewel het Himalaya-gebergte veel grooter en daardoor grootscher is,
vertoont toch de weg naar Darjeeling veel overeenkomst met den weg
van Chur naar St. Moritz in Zwitserland. Van Darjeeling uit hebben
wij bij helder weer 't gezicht op den berg Everest, den hoogsten berg
in de geheele wereld.

De bevolking in Darjeeling is een geheel andere dan die wij tot
dusverre in Indië zagen. Hier predomineert het Mongoolsche type,
dat eensdeels groote gelijkenis vertoont met het Chineesche type,
anderdeels ons doet denken aan Eskimo's en Laplanders. Wat vooral bij
deze menschen opvallend is, is de gelukkiger, levendiger, vroolijker
trek, die de vrouwen, op hunne gezichten vertoonen. Deze menschen
komen allen van Thibet en Nepaule en zijn van geloof Boeddhisten. Zij
werken hier in de theeplantages, die hier in menigte zijn, of verdienen
de kost met het bij de straat curio's van Thibet te verkoopen. Zij
dragen geheel andere kleederen, zijn geheel anders opgesierd, mannen
en vrouwen dragen hun haar als de Chineezen in een lange staart,
maar hebben het andere hoofdhaar niet afgeschoren, en zij zijn over
het algemeen zeer warm gekleed. Het is hier ook zeer koud, wij hebben
alles, wat wij voor warme kleeding bezitten mede naar boven genomen,
en toch moesten wij 's morgens en 's avonds dicht bij het vuur kruipen,
om warm te blijven.

Natuurlijk dient men hier uitstapjes in de bergen te maken, maar wij
willen den korten tijd dien wij boven zijn liever kalm doorbrengen om
wat tot rust te komen en om, alvorens wij naar nog heeter streken gaan,
eerst een paar dagen in een kouder klimaat te vertoeven. Wij bepalen
ons dus tot wandelingen in de naaste omgeving om telkens weder terug
te keeren naar de bazaar, de plaats waar alle volkstypen, die hier
zijn, samenhokken en een interessant geheel vormen. Want de menschen
uit Thibet en Nepaule zijn niet de eenige rassen die hier wonen, de
Bhoteas zijn even talrijk en dan zijn er nog Lepcha, Aka, Dhimal-,
Mechi-, Murmi- en Urava-rassen. Met de photographieën die wij van
die rassen gekocht hebben in onze hand trachten wij de menschen,
die wij in de bazaar zien, te identificeeren.

Morgen gaan wij naar Calcutta terug en nadat wij daar nog een dag
blijven om onze zaken te regelen, gaan wij ons inschepen naar
Burma. Daarmede is dan onze reis door Britsch-Indië afgeloopen
en op Amerikaansche wijze kunnen wij dan zeggen: We have done
British-India. In den waren zin des woords hebben wij Britsch-Indië
"gedaan" hetgeen mij spijt, want het is een land, dat langer
oponthoud, dieper studie, nauwer kennismaking met zijn sociale en
andere instellingen verdient. Maar voor alsnog is het niet goed
mogelijk voor toeristen langer dan wij deden in Indië te reizen,
daarvoor is het reizen er te vermoeiend, het klimaat te afmattend en
zijn de hotels, in het algemeen gesproken te uncomfortable. Ook zijn de
hygiënische omstandigheden nog niet van dien aard, dat men ergens het
water durft gebruiken, melk durft drinken en ongekookte groenten of
vruchten, visch of vleesch durft eten. Men moet den geheelen tijd op
zijn qui-vive zijn, om niet door een van de vele vreeselijke ziekten,
die hier inheemsch zijn, overvallen te worden.

Niettemin waren wij lang genoeg in Indië, om niet enkele zaken
opgemerkt, en een algemeenen indruk verworven te hebben, en om niet
over enkele onderwerpen althans een oordeel te durven vellen. Ik
heb daarbij ook nog dit groote voordeel, dat ik reis in gezelschap
van een zeer intelligente vrouw, een vrouw, met zoo'n breeden blik,
helder verstand en algemeene ontwikkeling, als zelden geëvenaard
wordt. Alles wat wij opmerkten, wat wij hoorden vertellen, werd altijd
onmiddellijk gezamenlijk besproken en ons beider meening, indien die
soms mocht afwijken, gewikt en gewogen. Om onze lectuur vruchtbaarder
te maken, lazen wij nooit dezelfde boeken, doch verdeelden de lectuur
en bespraken dan onderling het gelezene. Door deze wijze van handelen,
zagen en vernamen wij twee in zes weken meer dan anderen doen, die
veel langer hun verblijf rekken. Herhaaldelijk viel het ons beiden op,
dat andere toeristen, die wij in verschillende plaatsen ontmoetten,
en met wie wij over het geziene van gedachten wisselden, niet de
helft hadden gezien of opgemerkt van hetgeen wij hadden gedaan en
dat zij dikwijls niets anders dan een algemeenen indruk hadden,
"that India is a dirty place."

Dit laatste nu is, algemeen gesproken, volstrekt niet het geval. Men
moet, evenals wij deden, slechts even te voren het Heilige Land en
Syrië doorreisd hebben om te weten wat een "vuil land" is. Als men
vandaar komt geeft Indië den indruk van een zindelijk land te zijn,
waar, de omstandigheden in aanmerking genomen, van overheidswege
alle voorzorgen genomen zijn om het land zoo bewoonbaar mogelijk te
maken. Zelfs in de geheel Indische steden waar alleen de inboorlingen
wonen in overbevolkte nauwe straatjes, waar men alleen achter
elkander kan doorgaan, vonden wij nog altijd een zekere soort
zindelijkheid, die gunstig afstak bij wat wij van dien aard in
Syrië en Egypte zagen. Herhaaldelijk maakten wij elkander daarop
opmerkzaam. Hoogstwaarschijnlijk moet dit toegeschreven worden aan de
hygiënische voorschriften in den Hindoeschen godsdienst. De Hindoe is
verplicht zich dagelijks te baden en zijn lendendoek te wasschen. Het
kopervaatwerk moet elken dag geschuurd worden, andere is het voedsel,
dat het bevat onrein en mag niet genuttigd worden. Elk jaar is er
'n dag waarop verondersteld wordt, dat de lente haar intrede doet,
den dag, waarop de geheele natuur zich verjongt, op welken dag elke
Hindoe, man en vrouw, nieuwe kleederen moet aantrekken en de oude,
afgelegde kleederen moet verbranden. Die dag valt in het begin van
Maart en is over het geheele land een algemeene feestdag. De jeugd
vermaakt zich den dag tevoren om elkaar met verfkladden te besmeren,
en er als de bontste harlekijns uit te zien. Groote vuren worden
's avonds overal ontstoken en de "oude plunje" daarop verbrand. Deze
enkele voorschriften, doch er zijn er meer, doen de Hindoe gunstig
afsteken bij zijn Mohammedaanschen broeder in Arabië. Deze laatste
draagt dikwijls zijn kleederen tot er geen stuk meer van heel is,
en zij hem letterlijk van het lijf vallen, en van wasschen zijner
kleederen schijnt hij geen begrip te hebben. In Indië passeert men
nooit een vijver, meer of rivier, of men ziet er tallooze mannen,
vrouwen en kinderen baden en zwemmen en hunne kleederen wasschen,
die dan door de heete zon in een ommezien weder gedroogd worden.

Over het algemeen komt het mij voor, dat Engeland, in den korten
tijd, dat het Indië in zijn beheer heeft, van het land gemaakt
heeft wat het kon. Ik laat de financieele kwestie geheel ter zijde,
ik weet volstrekt niet of Engeland te groote financieele offers van
Indië gevraagd heeft, of op andere wijze aderlating op Indië heeft
toegepast; om dat te beoordeelen zou ik over geheel andere gegevens
moeten kunnen beschikken, dan mij ten dienst staan. Ik zag alleen
de groote oppervlakten grond, die wij per spoor doorreisden, die nu
door goede irrigatie in vruchtbaren bouwgrond zijn herschapen. Het is
waar, er zijn nog duizenden en duizenden hectaren dorre, onvruchtbare
woestijnen, die op een stroomend, frisch water wachten, maar alles
kan niet op eens geschieden en ongetwijfeld zullen te zijner tijd
ook deze streken onder handen genomen worden.

Door Engeland wordt bijna over het geheele land voor behoorlijk
onderwijs zorg gedragen. Wel zijn er nog een 80% analphabeten in het
land, maar het is niet zoo gemakkelijk om den Hindoe, en nog minder
den Mohammedaan het nut van goed onderwijs te doen begrijpen. In
enkele vorstenlanden heeft de vorst, de Maharatja, in zijn gebied
het elementair onderwijs nu verplichtend gesteld en langzamerhand zal
verplicht onderwijs over het geheele land wel wet worden. Er bestaan
in Indië nu 5 universiteiten in verschillende steden, in Bombay,
Madras, Calcutta, Allahabad en in Lahore, waar de vier verschillende
faculteiten onderwezen en doctorsgraden verkregen kunnen worden. Er
zijn tallooze middelbare scholen, kunst- en nijverheidsscholen, en in
al deze inrichtingen van onderwijs zijn voor de meisjes-leerlingen
dezelfde voorwaarden gesteld, als voor de jongens. Het schoolgeld
is miniem, en die niet kan betalen wordt zelfs van die minieme
som vrijgesteld, De meeste van die inrichtingen van onderwijs
worden echter nog niet door meisjes bezocht, omdat de Hindoe-vrouw,
evenals hare Mohammedaansche zuster zich nog aan de oogen der mannen
onttrekt. Alleen daar waar de Parsees wonen, zagen wij de scholen
ook door meisjes bezocht. Deze vrouwen zijn ook aan de verschillende
universiteiten te vinden, waar zij vooral in de medicijnen studeeren
en dan als doktoren voor de Hindoe- en Mohammedaansche vrouwen van
onschatbare waarde zijn, omdat het die vrouwen verboden is, in tijd
van ziekte een man te consulteeren. Een der Engelsche dames-doctoren
vertelde mij, dat er onder die Parsee-vrouwen zeer bekwame doktoren
gevonden worden, die soms ook uitstekende chirurgen blijken te zijn.

Verder geeft Engeland zich alle moeite, om de kunstschatten, waaraan
Indië zoo rijk is, voor de toekomst ongeschonden te bewaren en ze ter
leering en bewondering voor elken bezoeker open te stellen. Niet alleen
dat daarvoor nergens een entrée geheven wordt, maar zelfs is overal met
groote letters duidelijk gemaakt, dat de daarin aangestelde ambtenaren
goed bezoldigd worden en het hun verboden is giften aan te nemen.

Naast deze en nog zoovele goede dingen, die hier onder en door het
beheer van Engeland tot stand kwamen, wil ik ook nog met een enkel
woord wijzen op 't vele goede, dat hier door particulier initiatief
geschiedt, zoowel door mannen als door vrouwen. Uit den aard der
zaak kwamen wij tweeën niet zooveel in aanraking met de sociale
instellingen, door mannen-initiatief ontstaan, doch op een paar door
vrouwen tot stand gebracht en van overgroote beteekenis voor een land
als dit, wil ik wijzen.

Als men thans door Indië reist, dan vindt men bijna overal, zelfs
in het kleinste stadje, een Lady Dufferin's hospitaal, waar alleen
zieke vrouwen en kinderen worden opgenomen, die dan door vrouwelijke
doktoren en goede verpleegsters worden behandeld. In de groote steden
zijn deze inrichtingen door het gouvernement overgenomen, doch nu
kan ten minste elke vrouw in Indië, wier godsdienst het verbiedt
zich onder mannelijke geneeskundige behandeling te begeven, in tijd
van ziekte door eene vrouw behandeld worden. In den regel staan deze
hospitalen nog onder het oppertoezicht van eene Engelsche vrouwelijke
dokter, met een paar Parsee vrouwen-doktoren tot hare assistenten,
maar in sommige gevallen zijn toch reeds deze Parsee-doktoren met
het geheele beheer belast.

Ook de ziekenverpleging staat overal zeer hoog, waar Engelsche
verpleegsters overkwamen om hier haar liefdewerk te verrichten en
de inlandsche vrouwen in deze taak te onderrichten. Overal is nog
maar de groote tegenstand te overwinnen, dien de Hindoe toont om
zich in een ziekenhuis te laten opnemen, of om zich in eigen huis
te laten behandelen en verplegen en zoodoende een out-cast, iemand,
die niet tot zijn kaste behoort, over den drempel zijner woning te
laten komen en zijn lichaam te laten beroeren.

Een ander zeer groot werk wordt bijna uitsluitend door vrouwen
uitgevoerd, hoewel zij daarbij financieel zeer krachtig door vele
mannen gesteund worden. Dit is de verbetering van den toestand van
de weduwen. Zooals men weet, werden vroeger de weduwen bij den dood
van den echtgenoot levend met zijn lijk verbrand; sedert dit door de
Britsche regeering verboden is, laten de familie en nabestaanden
haar een langzamen dood sterven. Zij worden als verachtelijke
wezens beschouwd, die ongeluk aanbrengen, overal waar zij zich
vertoonen. Deze weduwen zijn dikwijls niet ouder dan vier of vijf jaar,
in vele gevallen zijn zij weduwen alvorens zij ooit vrouw werden. Zij
worden zeer jong, in enkele gevallen reeds vóór de geboorte, door de
ouders uitgehuwelijkt en na intrede der puberteitsjaren aan den man
afgeleverd, Sterft de man, ook zelfs nog vóór zij waren afgeleverd,
dan zijn zij voor 't geheele leven weduwen, want een ander huwelijk
mag niet door haar gesloten worden. Aan allerlei gruwelen zijn zij
blootgesteld en er is inderdaad in Indië niets zoo beklagenswaardig
als het lot van deze kind-weduwen. Sedert een kwart-eeuw ongeveer heeft
een Hindoe-vrouw, Panditha Ramabai, zelf eene weduwe van goede familie,
zich het lot dier kinderen aangetrokken. Door eerst in Indië, daarna in
Engeland en Amerika, voordrachten gehouden te hebben, waarin zij het
lot van die kinderen beschreef, verkreeg zij geld en hulpkrachten, om
verzachting aan te brengen. Men heeft nu in verschillende plaatsen in
Indië zoogenaamde "homes" voor kind-weduwen, waar zij goed onderricht
ontvangen en waar zij leeren, om, onafhankelijk van nabestaanden, op
menschwaardige wijze in eigen onderhoud te voorzien. Door de publieke
opinie onophoudelijk wakker te schudden en de menschen te wijzen op
het onhoudbare van dezen toestand, hoopt men verbetering tot stand
te brengen. Er is nu reeds een beweging over geheel Indië, om door
de Engelsche regeering een wettelijken minimum-leeftijd vastgesteld
te krijgen, waarop huwelijken mogen gesloten worden, en daardoor in
de eerste plaats aan de vroege huwelijken paal en perk te stellen.

Men heeft mij vóór ik naar Indië ging en ook later per brief
zoo dikwijls gezegd en geschreven, dat het goed was, dat ik eerst
Britsch-Indië bezocht en daarna naar Java ging, omdat ik dan kon zien
hoeveel beter Java door Nederland behandeld wordt dan Britsch-Indië
door Engeland. Ik ben zeer nieuwsgierig of ik dat oordeel zal
deelen. Het komt mij voor, dat Britsch-Indië, door de verdeeldheid
zijner bevolking, voor zelf-regeering niet rijp is en nog lang de
voogdijschap van een andere regeering zal noodig hebben. Dat de over
hem gestelde macht wel eens fouten zal maken door het uitzenden van
vertegenwoordigers, die niet voor hunne taak berekend zijn, of door
het treffen van maatregelen, die te veel een Europeesch karakter
dragen en met de Indische toestanden niet genoegzaam rekening houden,
is licht te begrijpen. Daarvoor behoeft echter de Britsche regeering
niet hard gevallen te worden.

Iets anders is echter de persoonlijke verhouding der Engelschen
tegenover de inlanders. Enkele gunstige uitzonderingen daargelaten,
zijn de Engelschen zeer te laken over dit hun gedrag. Iedere inboorling
van Indië is voor hen een "native" en wordt door hen met de grootste
minachting behandeld. Al heeft de man ook eene opvoeding in Engeland
genoten, getoond een van de intelligentste menschen te zijn en hier
eene hooge positie te bekleeden, dan nog wordt hij geboycott van
hunne clubs, kan nooit verwachten bij een Engelschman geïnviteerd te
zullen worden, en kan zelfs geen lid worden van eene leesinrichting,
wanneer de Engelschen die voor hunne ontwikkeling noodig hebben. Toen
wij tweeën eens voor 'n kleinen afstand onze plaats in den trein niet
gereserveerd hadden en wij in de eerste klasse zochten waar nog een
plaats open was, vonden wij een waggon, waarin slechts één heer zat. De
stationschef, een Engelschman, zag ons instappen en kwam onmiddellijk
mededeelen, dat wij daar toch niet konden gaan zitten: wij hadden
dan te reizen met een native. Wij zeiden geen bezwaar te hebben en
bleven waar wij waren. Het was echter als een loopend vuurtje op het
perron bekend geworden, dat twee Europeesche dames waren gaan zitten
in een waggon met een native, en elkeen kwam voor het venster om ons
te bekijken en uit te maken welk soort menschen wij waren. Wij hebben
over ons gezelschap niet te klagen gehad en met hem een interessanter
gesprek gevoerd, dan met menig Engelschman mogelijk is.



IN BURMA.


De Arankola, het mooie, kleine, zindelijke bootje van de British
India Steam Navigation Co., bracht ons in twee en een halven dag
van Calcutta naar Rangoon. Dat waren twee heerlijke, rustige dagen,
die mij lang zullen heugen. Wij waren de twee eenige damespassagiers
eerste klasse en ook het sterke geslacht was slechts door vijf jonge
mannen vertegenwoordigd. Het nette geriefelijke damessalonnetje was
voor ons alleen, en elk onzer had een groote comfortabele hut. Wij
hadden een gevoel alsof wij een private stoomboot hadden afgehuurd,
waarvan het geheele personeel te onzer beschikking stond. De
jonge mannen, vriendelijk en voorkomend en zich bij alles te onzer
beschikking stellend, droegen er niet weinig toe bij om dat gevoel te
versterken. Gedurende de drie groote maaltijden van den dag, waaraan
ook de kapitein, eerste machinist en eerste officier deelnamen,
zat het kleine groepje aan één tafel samen en werden wij door een
talrijke zwarte bedienden-troep bediend. Dan was er een algemeen
levendig gesprek, over Burma en de Burmeezen, over Britsch-Indië en het
Engelsch beheer, dan werd het Engelsche gouvernement tot in de wolken
verheven en dan voelden de Engelschen zich trotsch boven elke natie
staande. Het is voor 'n vreemdeling onuitstaanbaar den blufferigen
toon aan te hooren, waarop overal en altijd de Engelschman over zijn
land en volk spreekt, maar aan den anderen kant ligt daarin toch ook
veel te apprecieeren. Dat warme nationaliteitsgevoel heeft toch ook
zijn goede zijde, al schijnt het vrijwel een gevoel van bekrompenheid.

Om half acht verlieten wij Dinsdagmorgen de haven van Calcutta en eerst
om vier uur 's middags bereikten wij den mond van de Gangesrivier. Al
dien tijd brachten wij op deze rivier door en stoomden de hier en daar
mooi met hooge palmen en groote in bloei staande boomen begroeide
oevers voorbij. De overgang van de rivier in de baai van Bengalen
was bijna onmerkbaar, omdat ook daar de zee kalm was, als op een
meer. Het was een heerlijke rustige tijd, om lezende en droomende,
starende in de helderblauwe wolkenlooze lucht, door te brengen. Het
bracht ons weder in evenwicht en in staat van Burma en de Burmeezen
in korten tijd zooveel mogelijk in ons op te nemen. Tegen ongeveer
elf uur kwamen wij Donderdagmorgen in de Rangoon-rivier en kregen
toen reeds heel spoedig den gouden top van de groote, wereldbekende
pagode van Rangoon in het gezicht. Toch werd het nog bijna twee uur,
alvorens wij in Rangoon aankwamen, alle formaliteiten waren afgeloopen
en wij aan wal konden gaan.

Nu waren wij in Burma en alsof wij een blad hadden omgeslagen van een
plaatwerk, zoo was op eens het beeld veranderd van hetgeen zich thans
aan ons oog vertoonde. Vlak bij de landingsplaats stonden de rijtuigen
met hunne bruine, naakte koetsiers en deze laatsten bestormden ons om
ons naar het hotel te brengen. Van het bijna leege schip was niet veel
te halen, de meesten moesten zonder vrachtje huiswaarts keeren. Wij
moesten echter eerst zien of er niet een beter vervoermiddel te
verkrijgen was, voordat wij ons in deze vierkante vogelkooi op groote
bandlooze wielen, met een paard als een rat, nedervlijden. Al spoedig
vernamen wij, dat deze "gharries" de Burmeesche rijtuigen waren en
wij ons daarvan te bedienen hadden. Gelukkig zijn onze ingewanden
reeds gewend om door elkaar geschud te worden, zulke tochtjes doen ons
heelemaal geen kwaad meer, hebben zelfs dikwijls eene zeer heilzame
uitwerking.

Wat een heerlijke, verkwikkende, opvroolijkende indruk gaat van
Rangoon uit. Niettegenstaande het misschien een van de warmste
plekjes op aarde is en men verwachten kan, dat elkeen hier gebukt
gaat onder den deprimeerenden invloed van die nat-warme hitte, ziet
men hier een levendigheid en een vertier, en wat het meest aantrekt,
een lach op elks gelaat en een vriendelijke expressie in ieders oog,
die onwillekeurig eene stimuleerende werking op ieder mensch moet
uitoefenen. Nadat wij in het hotel onze kamers in bezit genomen
hadden, begaven wij ons onmiddellijk de straat op, hoewel de zon nog
wreed-brandend hare stralen op ons neder zond. Hier konden wij ons dus
weder vergasten aan het gezicht van vrouwen in de straten, vrouwen,
die niet alleen, zooals in Britsch-Indië, het zwaarste en vuilste
werk verrichten, maar vrouwen uit alle rangen van de maatschappij,
die zich op straat bevinden voor de verschillende dergelijke redenen
als waarom zich ook bij ons vrouwen op straat bevinden. De Burmeesche
vrouwen zijn zeer opvallend. Zij gelijken zeer veel op de Japansche
en Chineesche vrouwen, zij behooren trouwens ook tot het Mongoolsche
ras. In hare gele, rose, blauwe, mauve of anderskleurige zijden nauw
om de beenen sluitende sarong, hare wit geborduurde kabaja, hare
lange, dikke, zwart-glimmende haarwrong als een diadeem op de kruin
van haar hoofd, waarin altijd eenige versche bloemen steken, en een
nooit ontbrekenden vriendelijken lach in hare oogen, wandelt zij met
hare gebloemde Chineesche pajong boven haar hoofd in de eene, en eene
brandende sigaar in de andere hand, even vrij door Rangoons straten
als de vrouwen van elke beschaafde Europeesche natie in eigen land.

Rangoon heeft eene bevolking van ongeveer 300.000 zielen en daarvan
zijn slechts 80.000 Burmeezen.

De anderen zijn menschen uit verschillende Oostersche landen. Velen
komen uit Britsch-Indië. Alle koelies bijv. zijn Hindoes uit de laagste
kaste, want nooit zal een Burmees zich verlagen om koelie-werk te
doen. Dan zijn er velen uit Thibet en China, uit Ceylon en Afrika
en ook onze Maleiers ontbreken niet. Europeanen vormen slechts een
klein deel en dat zijn bijna allen personen, die hier slechts een
tijdelijke functie waarnemen. Doch zoodra men Rangoon verlaat en
dieper het land intrekt, dan ontmoet men Burmeezen en niets als dezen.

Naast de Burmeesche vrouwen vallen in de straten van Rangoon de
Boeddhistische monniken 't sterkst op. Ik beschreef ze reeds in Ceylon,
deze kaalgeschoren, bijna naakte mannen in hunne oranjekleurige doeken
gewikkeld, die hun geheele leven nietsdoende doorbrengen. Kerken
hebben de Boeddhisten niet, dus kerkdienst hebben zij niet te
vervullen en zelfs bij een sterfgeval, huwelijk, geboorte of zulk
soort omstandigheden in eene familie doen zij geen dienst. Als de
hedendaagsche Boeddhist in zulke gevallen een priester verlangt,
dan gebruikt hij daarvoor een Brahmaan. Vroeger heette het, dat de
Boeddhist-monniken de opvoeding en het onderricht van de jongens tot
taak hadden en toen was er in Burma geen man, die niet een of meer
van zijne jongensjaren in een monnikenklooster had doorgebracht,
daar had leeren lezen in eigen taal en de Boeddhistische wijsheid
had opgezogen. Sedert er echter gouvernementsscholen zijn, zenden de
meeste ouders hunne jongens naar deze scholen en wordt het zedelijk
verplicht verblijf in een monnikenklooster voor elken jongen beperkt
tot eenige dagen in zijn geheele leven. Als opvoeders der jeugd
kunnen de priesters dus ook al niet meer beschouwd worden en hoewel
de boeken van Fielding Hall, die met zooveel sympathie schrijft over
het Boeddhisme, mij het mooie, poëtische in dezen godsdienst wel
hebben doen gevoelen, is hij er toch niet in geslaagd mij eenige
sympathie voor dit priesterdom in te blazen. Hun leven is zeer
simpel, zij eten slechts eens per dag en gebruiken alleen voedsel,
dat door de jonge priesters 's morgens is opgebedeld. Zoo luidt
tenminste hun voorschrift, doch of daaraan strikt de hand wordt
gehouden, betwijfel ik, na hetgeen ik daarvan in Ceylon zag en uit
den mond van een priester vernam. Het is een vreemd gezicht als men
's morgens vóór twaalf in een der drukke straten van de Bazaar loopt
en men ziet dan een lange rij Boeddhistische priesters één voor één
achter elkaar loopend met een groote steenen bak op hun hoofd of om
hun hals, gebeden prevelend, voorbij trekken; geen moedertje blijft
dan achter haar toonbank daadloos, allen komen uit om in den steenen
bak wat gekookte rijst, wat toebereide groenten, wat brood of iets
dergelijks te werpen. Sommige van die kleine vrouwtjes staan reeds met
hun zorgvuldig bereide gift op den rand van het trottoir te wachten,
tot de monniken komen aanloopen.

Dit is niet de eenige wijze waarop een Boeddhist zijne zaligheid
koopt. Als hij een rijk mensch is, dan laat hij een mooi Boeddhabeeld
maken en bouwt daar een mooie pagode omheen, dat is de zekerste
weg tot eeuwige gelukzaligheid. Men kan die ook verwerven door het
bouwen van een klooster en als daartoe de middelen ontbreken door
het plaatsen bij een boom of aan den voet van een berg van een kruik
koel drinkwater voor de passeerende menschheid, of door rustplaatsen
in te richten voor den vermoeiden voetganger. Er ligt een bijzondere
soort vriendelijkheid in den godsdienstvorm van deze menschen. Zij
aanbidden geen God; Boeddha was van meening dat er geen God was,
die aanbidding verlangt, doch zij gaan naar hun pagoden om Boeddha
te verheerlijken. Geen man, noch vrouw, noch kind komt daar zonder
bloemen, zelfs de zuigeling op moeders arm wordt een roos in het
handje gestopt, om aan Boeddha's voeten neer te leggen. Al de
pagode's zijn elken dag vol veelkleurige bloemen, die des avonds
worden verwijderd, om plaats te maken voor de frissche bloemen van
den volgenden dag. Man, vrouw en kinderen komen gezamenlijk hunne
offeranden--altijd bloemen en niets dan bloemen--brengen, knielen
dan voor een der vele Boeddhabeelden in deemoedige houding neder en
prevelen een soort gebed. Volgens Fielding Hall bidden zij echter niet,
doch komt hetgeen zij zeggen daarop neder, dat het leven ellendig is,
alleen verdriet en moeilijkheden baart en dat na den dood eerst het
hooge geluk kan aanbreken en dat zij Boeddha danken, omdat hij hen
dat geleerd heeft.

De Boeddhisten bidden echter ook wel, doch niet tot God of Boeddha
zenden ze hunne gebeden op, maar tot de goede en booze geesten. Volgens
hen is er leven in alles. Boomen en planten, bergen en rivieren,
rotsen en steenen, alles leeft, in alles huist een geest. Deze geesten,
die goede en booze geesten kunnen zijn, aanbidden zij. Zulk een geest
kan een ziek kind gezond maken, een oogst doen mislukken, een vrouw de
liefde van haar man terugbrengen, of een jongeling's hart doen gloeien
voor een of ander meisje. Die geesten beschikken over leven en dood,
over welvaart en ellende. Hen tot goed vriend te houden, met hen op
goeden voet te verkeeren, is politieke wijsheid en daarom doet een
Boeddhist alles waarmede hij zoo'n geest meent te kunnen dienen.

Wij begaven ons den eersten keer in schemerdonker naar de Shwe Dagón
Pagode, dat is de meest beroemde van alle pagode's; dan krijgt men
het best een algemeenen indruk en ziet niet de détails. Het miste
zijne uitwerking op ons niet. Wij stonden letterlijk verbaasd. Het
was zoo geheel iets anders dan alles wat wij tot dusver gezien hadden
en de talrijke Boeddhisten, die met ons de hooge stoep opklommen
om daar boven hunne hulde te brengen aan den grooten profeet en
hunne bloemen aan zijne voeten te leggen, werkten er toe mede om
den diepen indruk, dien dat alles verwekte, te verhoogen. Het was
een schoon Oostersch beeld, dat ons met sympathie vervulde voor de
Boeddhisten en hun grooten voorganger. Den volgenden dag gingen wij
er bij helder daglicht heen en toen nam al dat klatergoud, al dat
gekleurde glas, dat bij avond als diamanten en robijnen schittert,
en al die honderden Boeddhabeelden, elk in een afzonderlijken pagode
rondom de eenige groote tombe, die het een of ander stuk van Boeddha's
lichaam in haar binnenste herbergt, veel van het verheven gevoel weg,
dat ons des avonds had bezield.

Rangoon is een mooie stad, veel mooier, veel Oosterscher en veel
interessanter dan Calcutta. Er zijn zeer mooie rijtoeren in en om
de stad te maken, die rondom de lakes is het schilderachtigst. Doet
men dien tocht 's avonds tusschen vijf en zeven, dan heeft men
nog het voordeel om heel de élite van Rangoon aan zich voorbij te
zien trekken, vooral op een avond als er in het midden van een der
groote grasvelden, waarvan alleen de Engelschen het geheim schijnen
te bezitten om ze fluweel groen te maken, een muziekkorps van een of
ander Engelsch regiment een concert geeft. Dan hoopt zich daar heel
de groote wereld van dit cosmopolitische stadje in een betrekkelijk
kleinen cirkel bijeen, dan vindt men daar specimina van bijna alle
orientalische volkeren. Wij lieten ons rijtuig op kleinen afstand
halt houden om die bonte menigte beter te kunnen overzien. Op dat
in-groene grasveld, onder hooge palmen van allerlei soort, werd
het militaire muziekkorps omringd door Europeanen in hunne witte
kleeding; Burmeesche vrouwen en mannen in hunne veelkleurige sarongs
en witte kabaja's, de vrouwen nog veel meer dan in de straten hunne
haren met levende bloemen versierd; door geheele families Chineezen,
hare staarten met gekleurde linten doorvlochten en mannen en vrouwen
zóó gekleed in zijden broeken en jassen, dat wij ze niet van elkander
konden onderscheiden; door Japanners in hunne eigen en eigenaardige
kleederdracht; door vele Hindoes en Parsees en door de rijk met
gekleurde koralen en gouden sieraden behangen Thibet-vrouwen. Hier
kwamen al de rijke lui van Rangoon bijeen, menschen, die althans
rijk genoeg om zijn eigen rijtuig, automobiel of rijpaard er op na
te houden. Hier werd een stuk society-life afgespeeld, waarvan wij
niet de volle beteekenis konden begrijpen, omdat wij bijna geen dier
menschen kenden. Alleen van enkelen werd ons hunne beteekenis in de
geld- en handelswereld medegedeeld.

Een van de bijzonderheden van Burma is wel het groote gebruik, dat nog
gemaakt wordt van olifanten als arbeidskrachten in de houtwerken. Wil
men dat echter goed zien, dan moet men dieper het land intrekken
en de oerwouden bezoeken. Men had ons gezegd en ook de gidsboeken
vermelden het, dat een paar mijlen van Rangoon verwijderd eenige
houtzaagmolens zich van olifanten als arbeidskrachten bedienen
en wij namen de moeite om een ochtend om zes uur op te staan en
om half zeven te rijden naar een dier gelegenheden. Het was echter
alleen ondergeschikt werk, dat daar door drie olifanten gedaan werd,
het andere geschiedt alles machinaal. Dat hadden wij in Ceylon reeds
veel beter gezien, zoodat wij dezen tocht vrijwel als een mislukten
beschouwden. Bij de groote pagode is een zoogenaamde witte, heilige
olifant. Het dier is echter heelemaal niet wit, alleen wat lichter
grijs van tint dan zijne broeders. Men beweert echter, dat het beest
bij de geboorte bijna wit was en bij de toeneming der jaren donkerder
van tint is geworden. Het dier heet echter nog de witte olifant.

Behalve een overgroot aantal monnikenkloosters, bezit Burma ook
nonnenkloosters. Die zijn echter slechts weinig in aantal. De nonnen
gaan allen gekleed in een gele sarong met witte kabaja en daarover
losjes een rose getinte, zeer dunne shawl. Zij vallen in de straten
onmiddellijk op, omdat hare hoofden, evenals van de monniken, kaal
geschoren zijn. Als men ze 's morgens vóór twaalf uur in de straten
ziet, hebben zij meestal ook een bedelpan op het hoofd en verzamelen
daarin de goede gaven der eenvoudige burgers. Deze nonnen leven, als
't kan, een nog doelloozer leven dan de monniken. Zij doen letterlijk
niets, zelfs besteden zij den tijd niet aan het lezen der boeken van
Boeddha. Zij meenen hemelsche zaligheid te verwerven door zich van
alle wereldsche genoegens te spenen. Wat een hemelsbreed verschil
met de Roomsch-Katholieke nonnen, waarvan wij juist hier in de
lepragestichten de meest sympathieke staaltjes van zelfopoffering
zagen. Lepralijders schijnen hier in grooten getale voor te komen,
overal zijn hier tehuizen voor hen ingericht. Wij zagen zulk eene
inrichting voor mannen en een voor vrouwen, waarin 350 lijders op de
meest liefderijke wijze door Franciscaner nonnen verpleegd worden.

Moge het Boeddhisme ook veel aantrekkelijkheid bezitten en zeker de
meest poëtische godsdienst zijn, mij bekend, de Boeddhist-monniken en
-nonnen kunnen geen sympathie wekken. Terecht of ten onrechte schrijf
ik den lagen stand van ontwikkeling van de Burmeezen aan hun invloed
of althans aan hun voorbeeld toe. Niets-doen, in de volle beteekenis
van het woord, geeft recht op vereering in dit leven en op eeuwige
zaligheid hier namaals; dit is te gemakkelijk te verwerven dan dat
in dit heete land, waar men zoo vanzelf energieloos wordt, niet tal
van jonge mannen zich aangetrokken gevoelen om hunne lange haren
te laten afscheren en in een gelen doek gewikkeld verder het leven
te slijten. Tot daden, die eenige inspanning van geest of lichaam
vereischen, komen deze menschen nooit; ook gelooven zij, dat elkeen bij
de geboorte reeds is voorbestemd voor wat hem verder in het leven zal
wedervaren en dat het doelloos is zich daaraan te willen onttrekken of
dat te willen wijzigen. Van zulk een volk kan natuurlijk geen kracht
uitgaan, zulke menschen brengen de wereld niet vooruit.

Ik bewonder mijzelf, dat ik hier nog de energie heb kunnen verzamelen
dezen brief te schrijven, die, in letterlijken zin, in het zweet
mijns aanschijns is ten einde gebracht. Over 't geen wij hier meer
zagen en ondervonden, hoop ik op de boot naar Penang gelegenheid te
vinden het een en ander mede te deelen, want 't is hier eigenlijk
veel te heet om een vin te verroeren. Als ik hier lang bleef ben ik
er niet zoo zeker van ook niet een Boeddhist-non te worden en het
verdere van mijn leven in een zalig niets-doen door te brengen.



BURMA EN OP WEG NAAR PENANG.


Ik zit nu aan boord van de "Dilwara", die ons van Rangoon naar Penang
zal brengen en ofschoon het ook hier snikheet is, zal ik toch trachten
wat meer van Burma en de Burmeezen te vertellen dan ik in mijn vorig
schrijven deed. Want dit land en volk is een ernstige studie waard,
het is zoo geheel verschillend van alle andere volken. Eensdeels
zijn zij eenige eeuwen bij anderen ten achter en anderdeels zijn
zij andere natiën ver vooruit. Dit laatste vooral voor zoover het de
positie der vrouwen betreft.

Ons plan was geweest, minstens drie weken in Burma door te brengen,
naar Mandalay, de interessantste stad in Burma te gaan, vandaar
naar Bhamo, een paar bergtoeren te maken en dan de Irrawadday-rivier
afgaande, naar Rangoon terug.

Wij hadden de rondreiskaarten daarvoor reeds besteld den eersten dag
toen wij arriveerden en nog vol energie waren. Toen ik echter den
volgenden morgen na het ontbijt in de kamer van mijn reisgezellin
verscheen om gezamenlijk uit te gaan, vond ik haar weder ontkleed op
haar bed liggen, in Hindoe's costuum, zooals zij het geliefde te noemen
en vast besloten "den heelen dag geen vin te verroeren, omdat zoo'n
hitte niet te verduren is". Ik toog er toen moedig alleen op uit en
vernam dat Mandalay op het oogenblik nog veel heeter dan Rangoon is,
dat de booten op de smalle rivier, met de thans hooge oevers (omdat
er weinig water in de rivier is) onuitstaanbaar zijn van de hitte en
de muskieten, die aldaar bijzonder bijtlustig zijn, en dat wanneer
wij het in Rangoon reeds te warm vonden, de voorgenomen reis sterk
ontraden moest worden. Toen ik met dat bericht thuis kwam, besloten
wij die reis op te geven en te trachten ons van onze reiskaarten weder
te ontdoen. Met een verlies van 10% lukte ons dit. Wij moesten echter
tot den 21en Maart in Rangoon blijven, omdat er geen boot vóór dien
tijd naar Penang ging.

Wij hadden eenige introducties in Rangoon en ik had dien morgen
genoeg vernomen om ons nieuwsgierig te maken. Met een opwekkend
woord mijnerzijds en den prikkel om wat van Burma's vrouwen
te kunnen vernemen, gelukte het mijn reisgezellin genoegzaam
energie te verzamelen om haar Hindoe's voor een geciviliseerd
toilet te verwisselen en met mij er op uit te gaan. Ik had ook een
victoria bemachtigd, zoodat wij van de Rangoonsche gharrie verlost
waren. Regelrecht lieten wij ons naar het gemeentehuis brengen, alwaar
wij met den president en den secretaris van het gemeentebestuur een
zeer belangrijk gesprek hadden. Het was waar wat wij vernomen hadden,
dat de vrouwen van Burma het kiesrecht voor de gemeenteraden bezitten,
evenals de mannen, en dat daarvan door hen geregeld gebruik wordt
gemaakt, procentsgewijze evenveel als door de mannen. De vrouwen zijn
ook verkiesbaar, doch voor zoover de heeren wisten, was er nog nooit
een vrouw candidaat geweest voor een zetel in den raad. Maar sedert
eenigen tijd begonnen de vrouwen zich te roeren, zij waren ontevreden
met genomen besluiten, en de naam werd genoemd van een dame, die zich
bij de volgende verkiezing candidaat zal stellen. Wij vroegen het
adres van die dame en na nog tal van inlichtingen ontvangen te hebben,
omtrent verschillende gemeente-instellingen, scholen, gevangenis,
hospitalen enz., gingen wij die dame, Mah Illà Oung, opzoeken.

Dat was een vrouw naar ons hart. Zij was thans weduwe, doch reeds
bij het leven van haar man, die een van de hoogste posities hier
in Engelschen dienst bekleedde, stichtte zij verschillende sociale
instellingen en trachtte zij de Burmeesche vrouwen te vereenigen. Zij
was reeds twee keer in Engeland en werd zoowel door koningin Victoria
als door koning Edward en koningin Alexandra in particuliere audiëntie
ontvangen, waarop zij hen over toestanden in Burma met betrekking tot
de opvoeding der Burmeesche meisjes inlichtte. Vooral door haar toedoen
is er 'n groote verbetering gekomen in de opvoeding der Burmeesche
meisjes, die nu, voor zoover 't de hoogere en middenklasse der
bevolking betreft, allen naar school gaan. Haar ideaal is co-educatie
voor jongens en meisjes, dat dan ook in de beide scholen, door haar
in Rangoon gesticht, strikt wordt doorgezet. Haar scholen worden
door 370 en 420 kinderen bezocht. De leerkrachten zijn grootendeels
Burmeesche onderwijzeressen. Wij bezochten beide scholen en woonden
een geheelen morgen 't onderwijs in de verschillende klassen van
een der beide scholen bij, dat in de hoogere klassen geheel in de
Engelsche taal gegeven wordt. Het was een genot die kleine Burmeesjes
en Chineesjes te hooren en te zien. Het onderwijs brengt de kinderen
zoover, dat zij, zoo gewild, in Engeland of Britsch-Indië een van de
universiteiten kunnen bezoeken om een doctorstitel te behalen, of met
een tweejarigen cursus aan een school voor opleiding tot onderwijzeres
het examen voor dit vak kunnen afleggen. Beide scholen staan onder de
hoofdleiding van 'n directrice, dames (Burmeesche), die in algemeene
ontwikkeling en helder oordeel, in kennis van talen en van literatuur
voor de besten in Europa niet behoeven onder te doen. Deze dames hebben
hare geheele opleiding in Rangoon ontvangen. Mevrouw Illà Oung vertelde
ons, dat nu haar streven is, in Rangoon een universiteit te krijgen,
zoodat ook de doctorsgraad in de verschillende vakken aldaar behaald
kan worden. Zij hoopt, dat dan wat meer vrouwen voor doctor in de
medicijnen zullen studeeren, waar groote behoefte aan is.

Hier in dit land van pagoden en kloosters, van nonnen en monniken,
hebben de vrouwen dezelfde rechten als de mannen. Huwelijken werden
tot voor korten tijd zonder priesters en zonder burgemeesterbriefjes
gesloten; meisje en jongen komen overeen om te zamen een gezin op te
zetten en als de ouders het goed vinden, wordt daaraan op zekeren dag
gevolg gegeven, meestal voorafgegaan door 'n eenvoudig huiselijk of
familiefeest. Tegenwoordig helpt een Brahma'sche priester den band
tusschen de jongelieden leggen. Doch ook nu nog behoudt het meisje
in het huwelijk haar eigen naam en wat meer zegt, haar eigen bezit
en recht op haar eigen verdienst. De meeste Burmeesche vrouwtjes
verdienen, ook in het huwelijk, haar eigen onderhoud, evengoed als de
mannen. Zij bezitten een stuk grond, dat zij zelf bebouwen, zij hebben
haar eigen standplaats in de bazaar, waar zij zijde (dikwijls zelf
geweven), zilver, houtsnijwerk of andere zaken verkoopen, zij gaan
daags naar hunne kantoren of scholen, waar zij werken of onderwijs
geven, of zij voorzien op andere wijze in eigen onderhoud. Even
gemakkelijk als zij trouwen, kunnen zij ook scheiden, als een van
beiden daartoe den wensch te kennen geeft en naar het bureau gaat, waar
zij als man en vrouw staan ingeschreven. Als zij dan daar mededeelen
dat hij of zij het huwelijk wenscht te ontbinden, dan wordt na eenige
dagen ook de andere partij opgeroepen, vastgesteld wat ieder hunner
vóór het huwelijk bezat en wat gedurende het huwelijk op beider naam
is aangekocht of door gezamenlijke inspanning verkregen. Elk krijgt
dan terug wat vóór het huwelijk het zijne was en het andere wordt
verdeeld. Echtscheidingen in Burma zijn evenwel zeldzaamheden. De
huwelijksband wordt om geen andere reden dan uit zuivere liefde
gesloten en schijnt tegen een stootje bestand te zijn. Volgens de
boeken van Fielding Hall gaat de hofmaking meestal van het meisje
uit, doch toen ik een jonge Burmeesche schoone vroeg of dat waar is,
gooide zij haar fijn besneden, zwart kopje op haar linker schouder,
keek mij schalks met haar glinsterende zwarte oogjes aan en antwoordde
bedeesd: "Ik geloof niet, dat meisjes daartoe den moed hebben". Maar
toen ik haar, zooals zij daar voor mij stond, goed opnam, toen wist
ik, dat zij en Fielding Hall beide gelijk kunnen hebben; zonder het
in zoovele woorden uit te drukken, kan de hofmaking toch heel goed
van het meisje uitgaan. Zulke zwarte oogjes kunnen meer uitdrukken
dan de mond onder woorden kan brengen.

Wij woonden in de school ook een godsdienstles bij. Men had het
over zielsverhuizing. Die les werd in 't Burmeesch gegeven, doch
alles werd voor ons in het Engelsch vertaald. Wat ik daar hoorde,
vind ik te belangrijk om er niet in het kort hiervan melding te
maken. De Boeddhist gelooft niet aan een zielsverhuizing in den
geest der Hindoe's. Hun godsbegrip is ook anders. Dit werd den
kinderen op de volgende wijze duidelijk gemaakt. Eerst werd verteld
van de electrische kracht die licht geeft, licht dat soms op grooten
afstand van de lichtgevende kracht schijnt. De kinderen moesten zich
nu een soortgelijke macht denken, die leven geeft. Een levengevende
macht was de hoogste macht. Men kon die macht God, Jehova, Allah,
of hoe ook, noemen, de naam was onverschillig, het was die macht,
die over de geheele wereld alles beheerschte. Het leven werd verder
vergeleken bij het electrische licht, de uitwerking van die macht,
die wij zien. Soms breekt door een of andere oorzaak het lampje,
het licht gaat dan uit. Zoo ook met het leven. Maar al is het lampje
gebroken, het licht bestaat als te voren. De lichtgevende kracht
had niet opgehouden te werken, het licht was niet verdwenen, het had
slechts een ander omhulsel noodig om opnieuw te schijnen.

Toen ik zooveel van Burma en de Boeddhisten vernomen had, wilde ik
Rangoon niet verlaten, alvorens nogmaals een bezoek te hebben gebracht
aan de Shwé Dagon Pagode en de honderden pagoden rondom. Ik koos
daarvoor weder den tijd van schemerdonker. Het was alsof die tallooze
zittende Boeddha-figuren nu alle vriendelijk glimlachten en alsof een
liefelijke muziek klonk uit die duizenden klokjes, die onzichtbaar aan
de groote en kleine pagoden hangen en door den wind in beweging worden
gebracht. Ik zag die bloemen brengende mooie Burmeesche vrouwtjes,
met hunne poppige bébé's en de altijd vriendelijke en hulpvaardige
mannen nu met andere oogen, ik voelde groote sympathie voor dit
volk en zijne religie in mij opwellen. Jammer, duizendmaal jammer,
dat onder den invloed van Amerikanen, Engelschen en andere Europeërs,
dit volk langzamerhand zijne zeden en gewoonten begint te verliezen,
en zij en wij meenen, dat zij van ons zooveel leeren kunnen. Zeker
kunnen zij wat van ons leeren, maar daarnaast valt er voor ons ook
zoo heel veel van hen te leeren.

Donderdag tegen den avond, nadat wij dus ruim een week in Burma
hadden doorgebracht, begaven wij ons aan boord van de "Dilwara". Dit
is een oude boot, die oorspronkelijk dienst deed voor troepenvervoer
van Londen naar Calcutta. Voor dat doel werd hij afgedankt en nu
gebruikt de Britsch-India Steam Navigation Co. hem als vrachtboot
tusschen Rangoon, Penang en Singapore, met een begrensde ruimte voor
passagiers. Die begrensde ruimte is nu tot over de grenzen bevolkt,
het is alsof Indië al de nog resteerende toeristen opeens heeft
uitgeworpen en, bijeengepakt op deze boot, naar koelere streken
zendt. Het is grappig, hoe wij vele toeristen die wij in Ceylon of
in Indië in de vele hotels ontmoet hebben, thans hier bijeen vinden
en hoe levendig de gesprekken zijn onder al die heeren en dames, die
elkander op dit kleine plekje nu weder ontmoeten. Het is lang niet
gemakkelijk een hoekje te vinden om rustig te kunnen schrijven. De
medepassagiers zijn voor het meerendeel Engelschen en Amerikanen,
die nu op weg zijn naar Japan, doch er zijn toch ook betrekkelijk
vele Duitschers en eenige Oostenrijkers onder. Veel interessanter
dan de eerste klasse passagiers zijn de tusschendekpassagiers. Van
over de leuning van de brug zie ik juist op hen neer. 't Zijn allen
natives, zegt de eerste officier tot mij. Maar dan toch natives van
bijna even zoovele tribes als er menschen daar beneden huizen. Dat
is een gemakkelijker te vervoeren bende dan de 1ste klasselieden. Wij
beklagen ons over alles, vinden de matrassen te hard, de hut te klein,
geen gelegenheid genoeg om al ons hebben en houën te bergen, het
ijs in onze dranken niet koud genoeg, de tien of twaalf gerechten,
drie keer daags op de menu voorkomend, niet variëerend genoeg. De
tusschendekpassagiers hebben allen precies zooveel ruimte, dat zij
hun matje kunnen uitspreiden, waarop zij zich neervleien als zij
gaan slapen, of waarop zij met gekruiste beenen neerzitten als zij
wakende zijn. Die laatste toestand komt echter alleen voor, wanneer
zij hun maaltijd gebruiken. Hun voedsel bestaat uit medegebrachte
gekookte rijst, bananen en wat gedroogde visch of vleesch. Zij nemen
niet kwart zooveel voedsel tot zich als wij gewoon zijn te doen
en ze doen dat zonder omhaal van tafelbenoodigdheden. Geen borden,
geen mes, lepel en vork, geen servet, geen drinkglas, niet van al die
dingen die wij overbeschaafde menschen meenen noodig te hebben om ons
voedsel in den mond te brengen. Zij zitten daar vlak naast elkander,
geen speldruimte is er tusschen hen overgelaten, en zij lijken allen
tevreden. In deze hitte zijn zij in hun element, hunne kleeren benauwen
hen niet, behoefte aan beweging gevoelen zij niet.

Daar komen eenige jonge Engelsche athleten den eersten officier
overvallen met de vraag, of er niet ergens een hoek gereserveerd
kan worden, waar zij wat beweging kunnen nemen. Een Engelschman
houdt het geen drie dagen uit zonder den een of anderen vorm van
sport. De Duitschers kunnen zich onledig houden met musiceeren. Voor
de ontstemde piano zit steeds en altijd een van de Duitsche heeren en
vergast ons soms op de heele Wagnercyclus. Jammer, dat de piano niet
bij machte is de goede bedoeling naar waarde weer te geven. Vreemd,
dat verschil tusschen die twee groote naties, dat hier op dit kleine
schip al bijzonder opvallend is. De krachtig gespierde Engelschman,
wiens energie in hoofdzaak in armen en beenen huist en de min of meer
smachtig uitziende Duitscher, intellectueel veel hooger staande,
zijne genoegens en afleiding zoekend in geestelijk werk. Doch toen
den tweeden avond een bal geïmproviseerd werd, waren Duitschers en
Engelschen beiden in hun element. Niettegenstaande de hitte, en de meer
dan beperkte ruimte, waren er toch nog steeds drie of vier paren te
vinden, die op de tonen van de Waltzertraum-wals ronddwarrelden. Ons
potsierlijk dik kapiteintje, met zijne veel te korte beentjes, was
onvermoeid. Kon hij geen jong meisje of jong vrouwtje vinden om met
hem op de tonen der muziek "rond te zwieren", dan beproefde hij zijn
geluk bij de ouderen. De bezitters van een kodak betreurden het allen,
dat het avond was en zij hem niet konden vereeuwigen, zooals hij daar
rondsprong. Er heerschte op dit schip zoo'n opgewekte toon, er was den
geheelen dag zoo'n onoverdreven vroolijkheid, er was zooveel afleiding,
dat de 2 1/2 dag omvlogen.

Het was Zondagmiddag na de lunch toen het anker werd uitgeworpen
en wij even buiten Penang stil lagen. De sloep met de doctoren
voor de medische inspectie kwam aan boord. Ik schrijf doctoren,
want naast mijne mannelijke collega liep ernstig en statig een klein
Chineesch vrouwtje, in zwart zijden pantalon en wijd hangend jasje,
haar glinsterende zwarte haren op Japansche wijze gekapt, die als de
"lady-doctor" werd geïntroduceerd. Ik liet mij aan haar voorstellen,
doch toen bleek, dat zij niets meer dan een "trained nurse" is, die
door de regeering is aangesteld voor het medisch onderzoek der in
Penang arriveerende vrouwen. Zij heeft haar opleiding in het hospitaal
te Penang genoten.

Het bleek, dat op het schip toen het in Rangoon aankwam twee
doodelijk afgeloopen gevallen van cholera en een van pest onder de
tusschendekpassagiers waren voorgekomen en daarom al die menschen
nu voor tien dagen in quarantaine gingen. Eerste en tweede klasse
passagiers konden echter aan wal gaan. Hadden wij dat vroeger
geweten, wij zouden niet zoo rustig en genoegelijk de reis op dit
schip gemaakt hebben.



PENANG EN MEDAN.


Het is loonend eenige dagen in Penang door te brengen. De stad
met de geheele omgeving heeft zeer veel overeenkomst met Kandy in
Ceylon. Er is ongeveer dezelfde plantengroei, dezelfde soort bergen
en dezelfde soort villa's voor de Europeesche bevolking. Maar de
inlanders verschillen hemelsbreed van die op Ceylon. Naast enkele
Indiërs, vindt men in Penang een overgroote meerderheid Chineezen,
Maleiers en een mengsel van deze beide laatsten. Chineesch en Maleisch
is de volkstaal, ook de kleederdracht dezer beide volken ziet men het
meest aan den weg. Elke vreemdeling moet onmiddellijk getroffen worden
door de groote zindelijkheid in de straten, zoowel in die, waar de
Oosterlingen, als in die waar de Europeanen wonen. Alles ziet er keurig
netjes en afgewerkt uit. De straten waarin in hoofdzaak Chineezen
wonen, kenmerken zich duidelijk aan de gekleurde lampions, die aan
elke woning hangen en aan de rood en blauw geschilderde plankjes met
zwart of goud gemerkte namen in Chineesche letterteekens. Geheele
buurten zijn door hen bevolkt en overal vindt men de kleine, nette
gebouwtjes, meestal in een mooien tuin staande, waarin deze menschen
's avonds bijeen komen en hun clubgebouw hebben. Opmerkelijk is het,
dat zoovele Chineezen hier, blijkbaar pas kortelings, hunne staarten
hebben afgesneden en er nu, zoolang hun haar nog niet rondom is
bijgegroeid, bespottelijk uitzien. De meening van de Europeanen
in Penang is, dat de republiek in China voor goed is gevestigd,
en dat geen volk ter wereld zoo rijp is voor een republiek als de
Chineezen. Men vertelde ons, dat alle Chineezen, waar zij zich ook ter
wereld bevinden, georganiseerd zijn. Elk hunner behoort tot zijn eigen
geheim genootschap, waarvan zij hulp en steun ontvangen in tijd van
nood en die hen van de noodige voorlichting dient. De positie van een
Chinees kan niet zoo nederig en slecht betalend zijn, dat hij zijne
contributie voor zijn genootschap niet vóór alles betaalt, en aan
de voorschriften getrouw blijft. Dat maakt het volk thans sterk. Zij
zijn over de geheele wereld overal doodgemakkelijk te bereiken en daar
al die genootschappen gefedereerd en republikeinsch zijn, kunnen de
instructies gemakkelijk uitgedeeld en gehandhaafd worden.

Wij bezochten in Penang een Chineeschen Boeddhistischen tempel, die
eene bijzondere vermaardheid bezit. Zoowel de omgeving als de tempel
zelf is zeer schilderachtig. De tempel is in een rots uitgehouwen,
van den top van den berg kan men het geheel overzien. Het Chineesche
Boeddhisme in Penang draagt meer het karakter van dat in Ceylon dan
van dat in Rangoon. Hier weder geen offers van bloemen aan Boeddha,
doch offers in geld en goed. Hier geen voedsel bedelende monniken,
maar priesters die een zekere welvaart bezitten. Wij zagen een
groep van acht priesters of monniken hun middagmaal nuttigen. Zij
zaten allen op een stoel aan tafel, de hoofdschotel was rijst, doch
daarnaast een dozijn andere gerechten, die bij de rijst genuttigd
werden, en alles werd met dunne stokjes zeer netjes en sierlijk naar
den mond gebracht. Is dat een trap van vooruitgang in beschaving,
vroegen wij ons af. Deze menschen zitten niet meer op den grond,
zij eten hun rijst niet met de handen en zij bedelen hun voedsel
niet. Het mag zijn, doch de tempel in Penang, hoe schilderachtig
die er ook uitziet, verwekt niet half die sympathie als de Pagodes
in Rangoon. In dezen tempel zagen wij ook weder de afbeelding van
zoovele duivels en draken en andere dingen om bang van te worden,
die gereed staan om de menschen na hun dood te straffen, wanneer
zij in hun leven iets boosaardigs gedaan hebben. Hier was weder een
Boeddhisme, zooals wij ook in Ceylon aantroffen. Dan is het niet meer
mooi; zoo kan Boeddha het nooit bedoeld hebben.

Wij hadden in de twee dagen die wij in Penang doorbrachten, juist
tijd om een algemeenen indruk te krijgen en niets meer, en deze is
een zeer gunstige. Het is er echter het geheele jaar door zeer heet
en dat maakt er het verblijf voor de Europeanen zeer afmattend.

Wij verlieten Penang Dinsdagmiddag aan boord van de "Calypso",
een Engelsche boot, en kwamen Woensdagmorgen in Deli aan. De
Nederl. Paketvaart-Mpij. laat Dinsdags slechts een vrachtboot
varen; wij zouden tot Vrijdag hebben moeten wachten, wilde ik aan
mijn nationaliteitsgevoel voldoen om overal eigen ondernemingen te
begunstigen, waar die te vinden zijn. Penang heeft een zeer pittoresque
haven, maar om daar bij een beetje stormachtig weder aan boord te
gaan of te landen, gun ik alleen mijne vijanden. Mrs. Catt noch
ik dachten levend aan boord van de "Calypso" te komen, zoo ging de
sampan, het bootje waarin de neger ons naar het schip roeide, op en
neer en links en rechts. Dan eens zaten wij op de top van een golf,
dan weder zakten wij zóó laag, alsof wij regelrecht naar den grond
gingen. Op al onze zeereizen zijn wij beiden niet zoo nabij zeeziekte
geweest als in dat kleine, nare ding. Tot overmaat van ramp bleek
het dat de man niet wist welke van al die schepen de "Calypso" was,
zoodat hij ons herhaaldelijk naar een verkeerde boot bracht. "Goddank",
ontviel mij, toen wij eindelijk het schip in de gaten kregen en wij
naderbij kwamen. Er waren slechts drie andere passagiers aan boord,
zoodat wij een hut voor het kiezen hadden.

Om half acht kwamen wij Woensdagmorgen in Belawan-Deli aan, en werden
op dat vroege morgenuur aldaar reeds verwelkomd door mevr. Lievegoed,
mevr. van Hengel en mej. Baanders, die ons beiden een heerlijke
bouquet orchideeën aanboden. Ik gevoelde mij zoo dadelijk thuis in
Sumatra, alles klonk zoo familiair en sympathiek in mijne ooren. Toen
het treintje ons een uur later in Medan afleverde, vond ik daar
op het perron zoo waarlijk de lieve, goede, oude vriendin en warme
voorstandster van vrouwenkiesrecht, mevr. Kunst en hare schoondochter,
benevens eenige heeren. In het hotel De Boer waren een paar rustige,
frissche kamers voor ons in gereedheid gebracht en per automobiel en
rijtuigen brachten allen ons gezamenlijk naar het hotel.

Medan gaf mij op het eerste gezicht den indruk, alsof ik in Baarn
rondreed, alles ziet er niet enkel Europeesch, maar zelfs Hollandsch
uit. De geheele ontvangst, onze kamers, het geheele hotel, alles was
voor ons eene verrassing. In onze groote, ruime, luchtige kamer staat
't bed in een groote vliegenkast; dit is nieuw voor ons, maar het
lijkt mij wel zoo luchtig als de dichte gazen muskietnetten rondom
de bedden in Britsch-Indië. Ook de rijsttafel om twaalf uur was "a
new experience". Wij hadden door Britsch-Indië ook wel tot vervelens
toe twee keer daags rijst met kerry gehad, maar het was niet dat. Wij
kregen een soepbord voor de rijst en daarnaast een ander bord, waarop
de tallooze bijspijzen gestapeld werden, die door drie verschillende
jongens achtereenvolgens werden aangevoerd. Wij namen van alles een
beetje "just to try", maar toen het oogenblik was aangebroken om
er van te eten, wisten wij niet hoe er mede om te springen. "You
ought to know", klonk de stem van mijne reisgezellin verwijtend,
en ik zette een gezicht als iemand, die "wist" en vertelde haar,
maar naar mij te zien en mij na te volgen. De "jongens" wisselden
echter heel rare blikken onderling, die mij duidelijk toonden, dat
wij niet op het rechte pad waren, zoodat ik, alvorens ons voor de
tweede maal op deze wijze in de oogen der Javanen te compromitteeren,
eerst bij onze goede vrienden zal informeeren hoe wij in het vervolg
met al die lekkere kostjes moeten omspringen. Want lekker was het,
daarover waren mrs. Catt en ik het eens; zij, die anders niet van
rijst houdt, kwam nu tot de ontdekking, dat zij in Indië rijst en
niets dan rijst wil nuttigen.

Ook over de badkamers wil ik een woordje zeggen, want over een paar
dagen zijn wij er aan gewend en dan maken zij geen indruk meer. "En
hier zijn de badkamers", zeide de hotelier tot ons, toen wij in de
geheimen van het hotel werden ingewijd. Een viertal groote vertrekken
met steenen vloeren, een waterkraan, aan de zoldering een douche en
aan den muur een spiegel, maar het allereerste dat men in een badkamer
verwacht,--een badkuip--ontbreekt. Men kan zich in deze vertrekken
ongegeneerd begieten met koud water, wat ik vanmiddag, toen ik het van
de warmte niet goed meer kon uithouden, deed, met het gevolg, dat ik
kort daarna begon te transpireeren, zooals ik nog nooit in mijn leven
heb gedaan, maar een bad nemen kan men niet. Ook over het gebruik van
deze soort badkamers zal ik eerst nog de noodige inlichtingen moeten
inwinnen, want het komt mij voor, dat zij zoo alle doel missen.

Kort nadat wij in het hotel aangeland waren, ontvingen wij een telegram
uit Batavia, een welkomstgroet in Nederl.-Indië, van de ledengroep
van de Ver. voor Vrouwenkiesrecht in Indië.

Onze goede vrienden in Medan lieten ons gedurende de heete uren van
den dag tot rust komen, maar kwamen ons tegen vijf uur afhalen om
een rijtoer in en rondom de stad te maken, zoodat wij ons konden
oriënteeren en zij ons op de bijzondere plekjes opmerkzaam konden
maken. Bij deze en latere tochten werd mijn eerste indruk nog
versterkt, dat Medan en omstreken een bijzonder Hollandsch karakter
draagt en alles er zoo netjes en welvarend uitziet.

Den tweeden dag van ons verblijf bezochten wij de tabaksonderneming
van de Amst. Deli-Compagnie. De hoofdadministrateur, de heer
v. d. Capelle, was zoo vriendelijk ons de auto te zenden om ons
af te halen en hij zelf en zijne zuster vergezelden ons over de
uitgestrekte bezittingen en legden ons de geheele tabakscultuur
uit. Ongelukkig waren de droogschuren geheel leeg, doordat de tabak
pas naar Holland was verzonden, doch wij zagen den nieuwen aanplant
in verschillende stadia van ontwikkeling, en de heer v. d. Capelle
gaf ons van het proces, dat de versch geplukte bladeren hebben door
te maken, alvorens zij als dekbladen voor de fijne sigaren naar de
markt gestuurd kunnen worden, zoo'n duidelijke verklaring, dat wij
ons daarvan eene goede voorstelling konden vormen. Vooral troffen
ons op deze onderneming de goede zorgen, die er voor de werklieden,
de koelies, genomen worden. Aan hunne geestelijke ontwikkeling, hunne
ontspanning, hunne gezondheid en hunne economische belangen wordt de
grootste zorg besteed. Deze onderneming, die met zoo grooten voorspoed
werkt, schijnt de nijvere mieren, die dien voorspoed helpen aanbrengen,
bij de verdeeling der winsten niet te vergeten.

En nu zit ik reeds op de "Van Noort", de boot van de
Kon. Paketvaartmaatschappij, die ons van Deli naar Batavia zal
voeren. Wij waren de week, die wij in Medan doorbrachten, zoo bezet,
dat er voor het vervolgen van dezen brief geen tijd overbleef. Ik zal
dus nu aan boord mijne aanteekeningen over dat verblijf uitwerken en
aan hen, die er belang in stellen, mededeelen.

De dames in Medan hebben de geheele week voor de noodige afwisseling
gezorgd, en ons verblijf aldaar tot eene van de aangenaamste
gemaakt die wij in de laatste maanden doormaakten. Een van de
eerste dagen bracht men ons in aanraking met de vrouw en dochter van
den Chinees-majoor, die ons allervriendelijkst op een morgenbezoek
ontving. Wij vonden vooral in de moeder eene vooruitstrevende vrouw,
die goed Hollandsch spreekt en die zich voor verschillende zaken
interesseert. Doch zij is toch te veel nog vrouw van haar land dan dat
er van haar eenig initiatief kan uitgaan om den strijd op te nemen
tegen verouderde zeden en gewoonten. Haar 16-jarig mooi dochtertje
is verloofd met een jong man, dien zij nog nooit gezien heeft en dien
zij, nadat het huwelijk voltrokken en zij voor goed aan hem verbonden
is, voor het eerst zal ontmoeten. De moeder vertelde dat zij een
dergelijk huwelijk indertijd geweigerd heeft, dat zij het doorgezet
heeft haar man eerst te zien en hem toen de belofte heeft afgedwongen,
dat hij nooit eene tweede, wettige vrouw naast haar zou nemen. Haar
dochtertje ging echter op de oude wijze het huwelijk en daarmede
voor haar het leven in. Ook de weduwe, of liever een der weduwen,
van den overleden Chinees-majoor had den wensch te kennen gegeven
ons te ontvangen en ook daar brachten wij een kort bezoek. Deze dame
sprak echter slechts enkele Hollandsche woorden, zoodat een gesprek
met haar niet goed wilde vlotten. Daar interesseerde ons meer de
typisch Chineesche woning, met den eigen familietempel, waar nog
eenige keeren daags offeranden geplengd worden aan de nagedachtenis
van den eerst eenige maanden geleden gestorven heer des huizes.

Zondagavond, 30 Maart, hadden wij de eerste openbare vergadering,
waar Mrs. Catt en ik over vrouwenkiesrecht zouden spreken. Het was een
snikheete dag en 't was alsof de avond nog zwoeler was dan de dag. Dat
zal wel aan ons gelegen hebben, want wij hadden er tegen op gezien om
in een temperatuur van zoo om en bij 90 graden Fahrenheit een lans
voor de invoering van dat van zelf sprekend recht te breken. Wij
waren bevreesd, dat niemand de moed zou hebben om bij die hitte
in een zaal naar een voordracht over een, uit den aard der zaak,
droog onderwerp te komen luisteren. Wat dit laatste betreft viel het
echter bijzonder mede. Toen wij om kwart over negen, het uur waarop de
vergadering zou beginnen, op het podium plaats namen, zagen wij voor
ons een zaal vol dames en heeren, wier belangstelling in de publieke
zaak groot genoeg was om de hitte in de zaal te trotseeren. Tot over
twaalf uur bleef het geheele gehoor aandachtig luisteren, eerst naar
onze voordrachten en toen naar de beantwoording van de ons gestelde
vragen, en toen bij het sluiten der vergadering mevrouw Lievegoed,
die deze bijeenkomst meesterlijk leidde, de aanwezigen attent maakte,
dat allen, die wenschten het streven der leden van de Vereeniging voor
Vrouwenkiesrecht in Nederland te steunen, dit konden doen door als lid
der vereeniging toe te treden, toen werden de daarvoor gereed gelegde
lijsten zoo druk geteekend, dat de wenschelijkheid onmiddellijk bleek
en ook werd uitgesproken, dat er een ledengroep in Deli en omstreken
gevormd zal worden.

Toen wij den 1en April in den vooravond ook in Pangkalan Brandan,
de groote petroleumonderneming, met de daar aanwezige Europeanen,
dit voor ons zoo belangrijk onderwerp bespraken, bleek ook daar de
belangstelling en de sympathie groot en werden ook daar vele leden
gewonnen. Het was jammer, dat wij aan de uitnoodiging van de twee
andere ondernemingen, om ook daar te komen spreken, niet meer hebben
kunnen voldoen, anders was zeker de ledenoogst nog grooter geworden. De
ledengroep in Deli begint nu met 86 leden te werken en zal onder de
flinke leiding van mevrouw Lievegoed en enkele andere dames daar wel
spoedig nog sterk in aantal winnen. Opmerkelijk is zeker, dat zoovele
mannen zoo bereid gevonden werden ons pogen te steunen. Zij, die in
Indië zelve invloed op onze wetgeving missen, voelen krachtiger dan
de mannen in Nederland, hoe gemakkelijk in de regeeringslichamen de
belangen verwaarloosd worden van hen, die niet vertegenwoordigd zijn.

De heer en mevrouw Du Pont, hoofdadministrateur van de onderneming
"Pangkalan Brandan", hadden daar alles prachtig voor ons geregeld
en ons op de meest voorkomende wijze gastvrij ontvangen. Mevrouw
Lievegoed vergezelde ons ook daarheen en leidde op even eenvoudige
en goede wijze als zij dat in Medan had gedaan, ook deze vergadering.

Het was een verrukkelijke tocht van Medan naar Pangkalan Brandan,
waarvoor de heer Van de Capelle ons een van de mooiste auto's had
afgestaan, zoodat wij nu eenige uren achtereen door de uitgestrekte
tabaksvelden, rubberaanplantingen, pisang- en kokosnootbosschen
vlogen, in plaats van drie uren in een primitieven trein door te
brengen. Vooral des avonds, toen wij omstreeks middernacht langs
de eenzame wegen huiswaarts keerden en de volle maan ons pad met
een zilvergloed overgoot, toen schudden die wuivende pisangbladen
en de mooi verlichte reusachtige kokosnootpalmen bij ons alle drie
de fantasie wakker, zoodat wij zwijgend naast elkander zaten en
alleen bij het voleindigen van den tocht den uitroep slaakten: "Hoe
verrukkelijk!" Voor het eerst, na vele weken, ging ik dien nacht,
heel laat, met een kouden neus naar bed.

Zou ik nog meer over Medan schrijven en over allen, die ons daar zoo
voorkomend hebben ontvangen; over het allerliefste gezin van dr. Van
Hengel; over de tallooze voorkomendheden van de goede mevrouw Kunst;
over.... neen, ik noem niemand meer, want ik ben overtuigd, dat ik
er altijd eenigen zou vergeten en onze waardeering voor al hetgeen
men voor ons deed, kan ik toch nooit geheel in woorden uitdrukken.

Alleen met dezen totaalindruk wil ik eindigen: Medan is zoo'n aardig
Hollandsch stadje, er heerscht zoo'n opgewekte geest, de temperatuur
is er over het algemeen niet te heet (wij troffen het bijzonder heet
en droog), de avonden en nachten zijn zoo aangenaam frisch, dat de
Nederlanders, die aan de Oostkust van Sumatra familieleden hebben,
niet bezorgd behoeven te zijn, dat hunne zonen of dochters, broeders of
zusters, daar niet een gezond en genoegelijk leven leiden, en verzekerd
kunnen zijn, dat de omgeving in het geheel op lichaam en geest eerder
eene heilzamen, dan een deprimeerenden invloed uitoefent. In Medan
en omgeving behoeft niemand te "verindischen", zooals wij dat gewoon
zijn te noemen: er bestaat alle gelegenheid om geest en lichaam jong
en frisch te houden en, als de tijd van repatrieeren is aangebroken,
als verbeterde uitgaven van het Hollandsche ras in het vaderland
terug te keeren.


                                                           5 April 1912.



AAN BOORD VAN DE "VAN NOORT" EN AANKOMST TE BATAVIA.


Door een groote groep vrienden werd ons Woensdagmorgen in Deli
uitgeleide gedaan, vrienden, die werkelijk niet noodig hadden
door bloemen en souvenirs hun aandenken bij ons levendig te
houden. Onze gedachten zullen zeker nog menigmaal naar Sumatra's
Oostkust teruggevoerd worden en met de grootste sympathie zullen
wij gedenken allen, die wij daar ontmoet hebben. Mrs. Catt benijdt
mijne, in dit opzicht, begunstigde positie, omdat ik mag hopen en
verwachten allen vroeg of laat in het vaderland terug te zullen zien;
maar op hare verzuchting: "where and when shall I meet them again",
kon ik moeilijk het juiste antwoord geven.

De Koninklijke Paketvaartmaatschappij had juist deze week niet haar
beste schuit in de vaart; wij moesten ons met de "Van Noort" tevreden
stellen, een boot, die ik het best kan definieeren door de mededeeling,
dat zij weldra aan de vaart, ten minste op deze zijlijn, zal worden
onttrokken; en dat is goed ook. Deze boot strekt de maatschappij niet
tot eer; het is niets te vroeg, dat er een andere voor in de plaats
komt. Laat ik hopen, voor de reizigers, die na mij komen, dat dan
op de keuken en wat daaruit te voorschijn komt, een ander toezicht
wordt uitgeoefend. Het lijkt nu allemaal te veel op de menage van
een welgestelde burgerhuishouding uit Groningen's of Friesland's
achterhoek, in plaats van op de tafel van een eerste-rangshotel,
waarop men als eerste klasse-passagier toch min of meer aanspraak mag
maken. Zuurkool met spek, snijboonen met worst, hutspot met wortelen
en uien, dikke erwtensoep met varkenskluifjes en zulke schotels meer,
mogen onze Hollandsche kelen strelen als wij 's winters een flinken
tocht op schaatsen achter den rug hebben en bij onze Hollandsche
oud-Indische gasten een aangename herinnering wekken aan moeders
pappot, maar bij een temperatuur van 90 gr. Fahrenheit en hooger en
dan voor Fransche, Engelsche, Amerikaansche en andere toeristen, die
aan zulk eten heelemaal niet gewend zijn, is zulk een menu, middag na
middag, eenvoudig ongenietbaar en onverteerbaar. Als mede-passagier
hoort men de gegronde klachten daarover in den regel meer en krachtiger
uiten dan de directie van de maatschappij, of de hoofdpersonen op
het schip. Om die reden wil ik er hier melding van maken.

De reis tusschen Deli en Batavia is een zeer aangename, omdat die vol
afwisseling is. Men is op zee, doch men ziet nog iets anders dan lucht
en water. Onophoudelijk gaat men links en rechts tusschen de vele
eilandjes door, die in de straat Singapore, in de Chineesche Zee,
de straat Banka en andere straten voorkomen en die met het bloote
oog zeer duidelijk te zien zijn. Met een goeden kijker kan men zelfs
de vegetatie op de meeste dier eilandjes zeer goed vaststellen.,
Ook biedt het oponthoud in Singapore een interessante afleiding. Wij
kwamen daar Donderdag tegen den avond aan en gingen direct na het
eten met den kapitein en een ander heer als geleiders eenige uren
aan wal. De stad lag echter zoo in het duister, dat er niet veel
te zien viel. Alleen een rijtoer langs de haven, met de tallooze
schepen van heinde en ver, alle voorzien van de noodige lichten,
bood een mooi gezicht. Vrijdagmorgen gingen wij, met de drie andere
dames, die met ons de reis van Deli gemaakt hadden, reeds om zeven
uur aan wal om gezamenlijk de stad te doorkruisen. Vijf rickshaws
waren spoedig genomen en toen gingen wij in gezelligen optocht
alle bijzonderheden van de stad zien, een bezoek brengen aan de
botanische tuinen, die in deze tropische steden altijd een bezoek
overwaard zijn, de Singapore'sche waterwerken bewonderen en toen
naar den weg, die naar het Chineesche kerkhof leidt. Het was voor de
Chineezen een soort heilige dag, een dag, die aan de dooden gewijd
wordt. Het kerkhof was te ver af, dat konden wij niet meer bereiken,
doch op den grooten weg daarheen zagen wij onophoudelijk een dichten
drom Chineezen, mannen, vrouwen en kinderen, in automobielen, eigen
rijtuigen, gharries of rickshaws gezeten, allen voorzien van de vele
verschillende offeranden, die ter eere der dooden op hun graf verbrand
zouden worden. Wat wij daar hebben zien heendragen, zou genoeg zijn om
een geheel dorp weken lang te onderhouden. Speenvarkens of dieren, die
er heel veel op gelijken, zagen wij geheel gevild en met een rijstrand
en andere ingrediënten voorzien, keurig opgemaakt, herhaalde malen
ons voorbij trekken. Taarten, vruchten, groenten, visch, vleesch,
doch ook stukken huisraad, doeken en shawls, en vooral tallooze
bundels goud- en zilverpapier met spreuken, aan de dooden gewijd,
waren alle bestemd om verbrand te worden, om de geesten der lieve
afgestorvenen van stoffelijk en geestelijk voedsel te voorzien.

Singapore maakt bij avond en bij dag geen bijzonder aangenamen
indruk. In de stad treedt het Chineezen-element sterk op den voorgrond
en men voelt als bij intuïtie, dat men China en de Chineezen niet
mag beoordeelen naar de exemplaren, die men in deze havenstad
ziet. Vooral niet naar hetgeen spreekt uit de tronies der mannen
en vrouwen, die in de straten nabij de haven wonen en die leven van
hetgeen zij bemachtigen kunnen van de op zee verdiende centen van het
lagere scheepsvolk. Opmerkelijk was het, hoe in Singapore bijna alle
Chineezen hun staart hebben verloren, een bewijs, dat geen hunner meer
twijfelt aan het voortbestaan der republiek, anders zouden zij wel wat
voorzichtiger met dat kenteeken zijn geweest. Zonder staart hebben
zij uiterlijk alle aantrekkelijkheid verloren en hebben vervelende,
domme gezichten.

Toen wij om twaalf uur op het schip terugkwamen, leverde het dek van
de boot een voor ons geheel nieuw gezicht. Wij hadden in Singapore
tal van medereizigers verkregen, zoodat elke hut geheel gevuld was, en
alle scheepsofficieren zelfs hunne hutten hadden moeten afstaan. Ons
gezelschap, dat eerst hoofdzakelijk Hollandsch was, was nu opeens
zoo cosmopolitisch mogelijk geworden. Heeren en dames van alle natiën
zouden de 36 uren, die ons nog van Batavia scheiden, de boot met ons
deelen. Ik kwam al ras tot de ontdekking, dat het toch wel goed was,
dat er een gedrukt voorschrift, in drie talen, in een van de salons
hing, hoe men zich op het schip heeft te kleeden en te gedragen. Toen
ik dat voor het eerst zag, kon ik een glimlach niet onderdrukken,
maar nu begon ik het toch te apprecieeren. Een Hollandsche gravin,
die Fransch sprak, en Hollandsch vloekte; eene Fransche baronne,
samen met een Belg, die zich voor Franschman uitgaf; eenige Engelsche
jockey's op weg naar Australië; en nog vele van die interessante typen
meer, die ik niet nader wil aanduiden, vormden den groep nieuwe eerste
klasse passagiers.

Op Banka legden wij even aan, om de mail aan boord te nemen, een paar
koelies aan wal te laten gaan en om een geëmployeerde van Muntok even
gelegenheid te geven, eenige formaliteiten uit te voeren. Het was
jammer dat dit alles slechts minuten duurde en er van een aan wal
gaan geen sprake kon zijn. Ik had zoo graag even een kijkje genomen
op het eiland, dat ons zoo braaf van tin voorziet.

De vier dagen aan boord van de "Van Noort" gingen snel, veel te snel
om, want niet alleen dat de reis gezellig en vol afwisseling was,
maar ook de frissche zeelucht koelde de temperatuur genoegzaam af,
om het ons des daags op het dek en des nachts in de hut héél aangenaam
te maken.

In plaats van Zondagmorgen bij het ochtendgloren in Tandjong
Priok vastgemeerd te liggen, zooals ons voorspeld was, hadden de
goedgeloovigen, die al om 6 uur klaar stonden, om aan wal te gaan,
nu gelegenheid eerst te genieten van het mooie gezicht op de Duizend
Eilanden, waarvan vooral Edam, met zijn grooten vuurtoren, en met een
zee van geel morgenlicht overgoten, heerlijk groen tegen den blauwen
horizon afstak. Het eene eilandje voor, het andere na, dook uit de zee
op, tot wij eindelijk de haven van Priok in het gezicht kregen. Het
was werkelijk niet alleen mijn Hollandsch hart, dat sprak, het waren
de frisch groene oevers, groen in velerlei kleurschakeering en frisch
door de pas afgeloopen plasregens, die met het rood en zwart van de
nieuw geverfde schepen in de haven een zoo vroolijk en vriendelijk
geheel vormden, dat zij mij van verre reeds den indruk gaven, alsof
Batavia ons tegenlachte en die ons den vriendelijksten welkomstgroet
boden, die ons tot nog toe uit een van de vele havens die wij reeds
op onzen reis aandeden, gewerd. "O, kijk eens, hoe heerlijk frisch
en vriendelijk de haven er uit ziet," riep ik mijn reisgezellin,
die minder vertrouwend op de voorspellingen van aankomst eener boot
haar morgenslaap niet te vroeg had onderbroken, door het hutvenster
toe. Zij lachte even; zij plaagt mij reeds lang, dat ik in Java alles
van te voren reeds naar mijn hart vindt, doch toen zij eindelijk toch
bovenkwam, moest ook zij toegeven, dat dit de vriendelijkste haven was,
die wij tot nog toe aandeden.

Maar toen gebeurde iets, dat een schaduw goot over mijn trotsch
Hollandsch hart. Toen wij ten slotte vastgemeerd aan den steiger
lagen, klonk het kapiteinlijk bevel, dat niemand van boord mocht gaan
en niemand aan boord mocht worden toegelaten, vóór dat alle eerste-
en tweede-klasse passagiers voorzien waren van "een toelatingskaart in
Java". Dat is wat nieuws, en eerst met 1 April 1912 ingevoerd. Niemand
mag een schip verlaten, om in Java aan land te gaan, zonder voorzien te
zijn van een bewijs, dat hij of zij.... ja, wat eigenlijk is. Als men
in Indië geboren of Nederlander is, dan krijgt men zoo'n bewijs voor
niets, alle anderen hebben voor dat papiertje f 25 te betalen. Dit
geld kunnen zij weder terug ontvangen, als zij binnen zes maanden
Java verlaten.

Op mijne aan verschillende personen, die het konden weten, gestelde
vraag, wat deze maatregel beteekende, kreeg ik steeds ten antwoord,
"om minder gewenschte elementen te weren". Maar dat kan toch onmogelijk
de reden zijn, want "minder gewenschte elementen", die eerste en
tweede klasse reizen, kunnen immers voor f 25 een toelatingsbewijs
koopen. Wil de regeering weten, nu de toeloop van toeristen in
Java wat begint toe te nemen, wie de personen zijn, die het eiland
doorkruisen, dan kan zij elken nieuweling een vragenlijst laten
invullen, zoodat men alle bijzonderheden (als zij ten minste naar
waarheid zijn ingevuld) van de tijdelijke of blijvende gasten kent,
maar om een sommetje van f 25 te vragen van elken niet-Nederlander,
die Java binnentreedt, lijkt mij een regeeringsmaatregel, die toont,
"dat een klein land in kleine zaken heel klein kan zijn." Bovendien
veroorzaakt deze maatregel een oponthoud van vele uren, uren, die
men daar op het schip wachtende moet doorbrengen, totdat allen zoo'n
toelatingsbewijs ontvangen hebben, en dat op een oogenblik, dat naaste
familieleden daar beneden aan wal staan te wachten, hunkerend naar het
oogenblik van wederzien; uren, die mannen van zaken ontstolen worden
van hun duren tijd, die dikwijls met zoovele malen vijf en twintig
gulden niet te betalen zijn. Was het wonder, dat elkeen mopperde
over dezen maatregel en elkeen overtuigd was, dat het onmogelijk is,
dien op den duur te handhaven. Wij, op dit betrekkelijk kleine schip,
hadden daardoor reeds een zoo lang oponthoud, maar hoe zal dat zijn
als de groote schepen met een paar honderd passagiers aan boord
binnenkomen! En al die last en moeite voor een imaginair voordeel!

Toen wij eindelijk verlof kregen om het schip te verlaten,
vonden mrs. Catt en ik daar beneden aan den steiger een vijftal
dames, bestuursleden van de ledengroep in Ned.-Indië, om ons
te verwelkomen. Drie lieve hoogere burgerscholiertjes, evenals
de dames bestuursleden in wit gekleed, en met strikjes van de
vrouwenkiesrechtkleuren getooid, boden mrs. Catt en mij elk een
bouquet aan van witte chrysantemums en goudgele bloemen, ook daarin
zich strikt houdende aan onze eigen kleuren. Een heer, de heer Nittel,
was zoo vriendelijk geweest de dames te vergezellen en ons in alles,
maar voornamelijk met de bezorging van onze bagage, van grooten
dienst te zijn. Eenmaal in Tandjong Priok aan wal gestapt, waren alle
zorgen ons ontnomen, voor alle gebeurlijkheden had men voorbereidende
maatregelen getroffen, wij hadden slechts in den gereedstaanden trein
te stappen om met het heele gezelschap in een gereserveerden waggon,
naar Batavia te sporen.

Ook daar was reeds voor alles gezorgd. In het Hotel der Nederlanden
was een mooi paviljoen voor ons afgehuurd en daar vonden wij een
grooten standaard van witte en goudgele bloemen van de bestuursleden,
een groote mand bloemen in dezelfde kleuren van de presidente en
bovendien nog een zeer mooie mand bloemen van eenige oude vrienden
uit het vaderland. Een baboe, die ons gedurende ons verblijf hier is
toegevoegd, zorgde voor de ontpakking onzer koffers; wij konden ons
in de koele voorgalerij nederzetten om even van onze bewondering en
verwondering te bekomen. Want lang liet men ons niet met rust. Reeds
spoedig kwamen de reporters van verschillende couranten ons interviewen
om van onze reiservaringen te vernemen en over onze reisplannen in
Java het nadere te hooren. Maar 't was gelukkig de eerste Paaschdag
en er viel daarom voor ons op dien en den volgenden dag niet veel
te doen. Om half zes 's avonds kwam mijne zuster, de apothekeres
Charlotte Jacobs, die reeds bijna 30 jaren in Batavia woont, ons
afhalen voor een rijtoer, die echter na korten tijd onderbroken moest
worden door de hevige stortbuien, die ons plotseling overvielen. Den
kalmen Maandag, die ons nog van de zeer drukke voor ons liggende week
scheidde, gebruikten wij om het Museum van Batavia te bezichtigen. Wij
vertoefden er van 's morgens half tien tot twaalf uur en zijn nog lang
niet half dit buitengewoon belangrijk museum van Indische kunst en
oudheden door. Wij hopen er nog een anderen heelen morgen heen te gaan.

Op onze geheele reis hebben wij nergens verzuimd de musea te bezoeken,
doch eene zoo belangrijke, leerrijke en kostbare verzameling als in
het museum te Batavia, hebben wij nergens aangetroffen. De dochter van
den directeur, mej. Tine Prange, had de goedheid ons dit interessant
gebouw rond te leiden en ons op alle bijzonderheden opmerkzaam te
maken. Zij was wel de meest gewenschte persoon, die wij voor dat doel
konden treffen, want niet alleen is zij in het museum, waar haar vader
de scepter voert, geheel tehuis, maar zij is zelf de bezitster van
eene zoo belangrijke en kostbare verzameling van oud-Indische kunst,
dat men ook aan hare particuliere collectie eenige interessante uren
kan besteden. Deze veelzijdig ontwikkelde vrouw, die met zeer veel
verstand en overleg een eigen verzameling opbouwt, is haar vader in
zijn veel omvattend werk een groote steun.

Allerzonderlingst keek ik op, toen ik vernam, dat het museum in
Batavia, met zijn kostbaren en belangrijken inhoud, geen nationaal
bezit is, doch dat het opgebouwd en in stand gehouden wordt door
eene vereeniging, wier leden eene jaarlijksche bijdrage leveren of
een contributie betalen. Van het al of niet voortbestaan van zoo'n
vereeniging, van het al of niet in kas hebben van veel of weinig
geld, hangt dus de in standhouding en den verderen opbouw van dit
belangrijke museum af. Wordt het niet tijd, dat de regeering er toe
overgaat deze kostbare verzameling te annexeeren en de in standhouding
en uitbreiding te verzekeren, onafhankelijk van den wisselvalligen
kasinhoud eener particuliere vereeniging?

Morgen begint ons werk hier en daar alles door de ledengroep van
Batavia uitstekend is voorbereid, hopen wij op groote belangstelling.


                                                  Batavia, 9 April 1912.



OP JAVA.


I.


Laat mij eerst vertellen, hoe wij hier in Batavia gehuisvest zijn, want
het hotelleven hier is in vele opzichten anders dan in Europa. Wij
zitten dan met ons beidjes in een eigen huisje, een paviljoen
genaamd. Daarin hebben wij een groote, luchtige slaapkamer met wat
daarbij behoort, een binnenkamer en een voorgalerij. Van de voorgalerij
hebben wij een ruim uitzicht over het Koningsplein. Denk niet, dat
dit plein eenige overeenkomst biedt met dat in Amsterdam. Hier is het
een onafzienbaar groote, groene weide met koeien en ander gedierte
er in. Over den drukken en breeden grintweg, die ons van het plein
scheidt, defileert Batavia's bevolking voor onze oogen. Door kalmpjes
in een luien stoel in de voorgalerij te gaan zitten, zien wij genoeg
om onze gedachten bezig te houden en op een gemakkelijke manier het
leven hier te bestudeeren. Twee keer daags, voor de hoofdmaaltijden,
moeten wij eene wandeling van zoowat een halve mijl maken om naar
het hoofdgebouw te komen, het overige van den dag merken wij van het
hotelleven niets en zitten wij samen knusjes in ons eigen huis.

Nu eens deze, dan gene van de dames hier stelt zichzelf met haar
auto voor een deel van den dag te onzer beschikking, zoodat wij in
korten tijd veel hebben kunnen zien. Ik zal mij echter niet wagen
aan eene beschrijving van Batavia, nu in den laatsten tijd zoovele
literair hoog staande personen hunne pennen in dienst hebben gesteld
van dit doel. Alleen wil ik deze opmerking maken. Hoe vele mooie
lanen, hoe vele verrukkelijke plekjes, hoe vele belangrijke gebouwen
Batavia ook bezit en hoe welvarend de geheele stad er ook uitziet,
men krijgt toch telkens den indruk, dat Batavia nog niet af, nog in
wording is. In dat opzicht verwekt Medan een beteren indruk.

Wij zijn thans een week in Batavia en hebben nu, om het zoo maar eens
te noemen, de werkweek achter den rug. Wij blijven nog een week hier
om verschillende inrichtingen van onderwijs te bezoeken, eenige sociale
instellingen te zien en nog een avond te gaan spreken in Buitenzorg.

De werkweek, die achter ons ligt, vergde geen hard werk van ons en
werd door heele prettige bijeenkomsten onderbroken, maar in een land
zóó heet en in een klimaat, waaraan wij nog niet gewend zijn, en in
een week, waarin ik familieleden en ook vrienden wederzag, die ik in
vele jaren niet had ontmoet en in een stad, waar ik bij aankomst een
groot pakket correspondentie uit Nederland op mij wachtende vond, twee
avonden in de eerste week te vullen met spreken over vrouwenkiesrecht,
deed ons toch wel een beetje opzien tegen dien plicht. Zij ligt nu
gelukkig goed en wel achter ons.

Direct Dinsdag na de Paaschdagen, was er in Maison Versteegh een thee
georganiseerd, waarop de heeren- en damesleden van de Vereeniging van
Vrouwenkiesrecht alhier met ons en wij met hen konden kennismaken. De
dames, die zich tot een feestcommissie of tot eene commissie van
ontvangst geformeerd hadden, hadden voor dit doel de mooie bovenzaal
artistiek versierd met groene en witte en goudgele bloemen en linten,
zoodat alles in den toon was van onze vrouwenkiesrechtkleuren. Een
groot aantal heeren en dames werd ons voorgesteld, vele van hen
voor mij oude vrienden of bekenden uit het vaderland. Mrs. Catt won
stormenderhand de harten van de aanwezigen en heeft in deze eene
week in Batavia tal van warme vrienden gemaakt. Door de presidente
van de ledengroep in Batavia, de apothekeres mej. Charlotte Jacobs,
werd ons uit naam van de Nederl.-Indische leden een hartelijk welkom
toegeroepen, waarop eerst mrs. Catt en daarna ik een korte toespraak
hielden. Dat was het eenige officieele van dien dag, maar onofficieel
in gezellige gesprekken, waarin wij dikwijls zeer wetenswaardige
bijzonderheden vernamen van het leven op Java en van de verhoudingen
tusschen de verschillende rassen, die hier leven, bleven wij zóó lang
bijeen, dat het etensuur, dat hier zeer laat is, het ligt tusschen
8 en 9 uur 's avonds, reeds verstreken was vóór allen uiteen gingen.

Woensdagavond was de groote voordrachtsavond. Daarvoor was de groote
schouwburgzaal afgehuurd, die zich tegen 9 uur, niettegenstaande de
bijna ondragelijke hitte, met heeren en dames uit alle rangen der hier
levende Nederlanders zoo goed als geheel vulde. Behoorde er voor ons
doorzetting en kracht toe om in die heete atmosfeer te spreken, niet
minder energie werd er aan den dag gelegd door al die toehoorders,
die tot aan het eind van den avond bleven zitten luisteren naar
de bespreking van een zoo droog en nu langzamerhand zoo afgezaagd
onderwerp als vrouwenkiesrecht. Door mej. Haarman, vice-presidente van
de ledengroep alhier, werd deze vergadering geleid en werden wij tweeën
aan het publiek voorgesteld. Mrs. Catt sprak over de internationale
beteekenis van den strijd voor vrouwenkiesrecht en hoe door, of
gepaard gaande met de nu ruim een halve eeuw bestaande beweging
voor vrouwenkiesrecht, de positie van de vrouw in de maatschappij
overal gaandeweg een andere, een betere is geworden. Dat zij met
hare gloedvolle voordracht, hare klankvolle stem en hare sympathieke
persoonlijkheid, elkeen voor zich innam en allen twijfel aan het goed
recht van onze zaak overwon, behoeft voor wie haar kennen eigenlijk
niet meer gezegd te worden.

Het is niet aanmoedigend en het vereischt eene groote mate van
overtuiging, dat het moet, om na zoo'n spreekster te durven opstaan
en voor dezelfde zaak op andere wijze een lans te breken. Ik gevoel
dat telkens zeer sterk, als ik na Mrs. Catt het woord moet nemen om
met andere argumenten ons goed recht te bepleiten. Voortgaande op
hetgeen Mrs. Catt in groote, breede trekken begonnen was, schetste ik
de evolutie der menschheid met betrekking tot de veranderde positie
der vrouw, vooral met het oog op de Nederlandsche vrouw en toonde aan,
dat onze verouderde wetten, die met deze evolutie geen gelijken tred
hebben gehouden, den toestand in Nederland thans voor menige vrouw
onhoudbaar hebben gemaakt. Nadat ik gesproken had, was er eenige
oogenblikken pauze, waarvan vele aanwezigen gebruik maakten om de
lijsten, die in eene bijzaal ter teekening waren neergelegd, voor hen,
die als lid tot de vereeniging wenschten toe te treden, te teekenen.

Na de pauze werd gelegenheid tot debat gegeven, waarvan zoo goed
als geen gebruik werd gemaakt. Toen werd geannonceerd, dat zij, die
na langer nadenken toch nog bedenkingen hadden, deze schriftelijk
konden indienen, en dat Mrs. Catt en ik genegen waren, die dan alsnog
des Vrijdagsavonds te bespreken. Voor Vrijdagavond was een openbaar
debat uitgeschreven, waar ieder met bedenkingen tegen de invoering
van vrouwenkiesrecht voor den dag kon komen, waarop wij hadden te
antwoorden. Van de gelegenheid om schriftelijke bedenkingen te mogen
indienen, werd een ruim gebruik gemaakt, zoodat wij Vrijdagavond
in de prachtig met bloemen en vlaggen versierde logezaal ruimschoots
gelegenheid hadden, de ook bij ons bekende en eigenlijk overal gehoorde
argumenten tegen vrouwenkiesrecht te weerleggen.

Mrs. Catt nam voor haar deel de drie bezwaren, die min of meer
een internationaal karakter droegen en die daarop neer kwamen, dat
vrouwen geen dienstplicht vervullen en daarom geen kiesrecht moeten
hebben, dat vrouwenkiesrecht, waar het is ingevoerd, de vrouwen ook
geen hemel op aarde gebracht heeft en dat de militante strijdsters
voor vrouwenkiesrecht in Engeland deze zaak voor de vrouwen overal
bederven. Hoog en breed vatte zij de weerlegging dezer argumenten
op, wees aan, dat oorlogvoeren in den regel beteekent huis en haard
beschermen tegen de indringing van vreemden en om de maatschappij,
waarin wij leven gaande en staande te houden. Evenals in tijden van
vrede, bestaat er ook in tijden van oorlog verdeeling van arbeid. De
mannen trekken met het zwaard in de vuist ten strijde, de vrouwen
blijven tehuis om huis en haard te beschermen en de productie in den
staat voort te zetten, deze niet te doen stilstaan. Zouden in een land
de vrouwen met de mannen uittrekken ten strijde, dan zou spoedig in
zoo'n land alle voortbrenging stil staan en het voortbestaan van den
oorlog onmogelijk maken. Zij wees er op, hoe Engeland onbewust dit de
wereld heeft getoond door in den onrechtvaardigen Zuid-Afrikaanschen
oorlog de vrouwen in de concentratiekampen op te sluiten en haar
zoodoende te verhinderen verder te produceeren. Uit den mond
van president Stein hadden wij vernomen, dat de Zuid-Afrikaansche
vrouwen in één jaar tijds zooveel hadden voortgebracht, dat daarmede
de oorlog drie jaren door de mannen kon worden staande gehouden,
"maar", zoo zeide de heer Steijn, "toen eenmaal onzen vrouwen de
handen gebonden waren, moesten wij den strijd opgeven, was verder
strijden nutteloos en noodeloos." Dat vrouwen strijden kunnen en
als het noodig is ook strijden willen, dat hebben zij in zoo menige
episode in de wereldgeschiedenis bewezen; het komt er maar op aan,
en dat houden zij steeds voor oogen, waar zij in een gegeven tijd en
onder gegeven omstandigheden het meeste nut kunnen stichten.

Het tweede bezwaar, dat vrouwenkiesrecht nog nergens voor de vrouwen
een hemel op aarde getooverd had, gaf zij grifweg toe, doch het had
wel overal eene menigte andere goede zaken tengevolge gehad. De
voornaamste gevolgen, gevolgen, die direct de geheele menschheid
ten goede komen, gevolgen, die overal geconstateerd kunnen worden,
waar vrouwenkiesrecht reeds eenigen tijd heeft bestaan, zijn in de
eerste plaats het verhoogd zelfrespect der vrouwen, en eene verhoogde
waardeering van den man, grooter belangstelling in de zaken van
algemeen belang en de instaatstelling der vrouw om hare private en
huiselijke belangen zelve te behartigen en zichzelf en haar gezin te
beschermen op eene wijze, zooals alleen een politiek ontvoogde vrouw
kan doen. Met enkele gegevens lichtte zij deze voordeelen toe.

Op de suffragette vraag antwoordde spreekster, dat deze vrouwen
ongetwijfeld het vrouwenkiesrecht-vraagstuk hebben gediend en
bevorderd, overal in het buitenland; dat het door haar optreden is,
dat de aandacht op deze zaak overal gevestigd werd en het nu "het alles
overheerschende vraagstuk" is geworden. Door haar gewelddadig optreden
hebben zij de wereld wakker geschud en, ofschoon Mrs. Catt persoonlijk
tegen geweld is en gelooft in een vredige oplossing van dit vraagstuk,
meende zij toch de suffragettes niet te mogen onthouden de waardeering,
waarop elk aanspraak heeft, die den moed zijner overtuiging niet
alleen durft uitspreken, doch er ook voor wil strijden en lijden.

Ik had toen nog de beantwoording der vragen voor mijne rekening, of
de vrouwen wel kiesrecht noodig hebben, nu toch langzamerhand wordt
ingezien, dat de grieven der vrouwen gegrond zijn en er in den loop
van den tijd wel gaandeweg betere wetten zullen komen.

"Geduld" werd ons van dien kant toegeroepen. Verder kwam het afgezaagde
bezwaar van oneenigheid in de gezinnen, als de gehuwde vrouw ook
kiesrecht zal hebben; de vrees, dat de vrouw, die kiesrecht heeft,
hare huiselijke en moederplichten zal verwaarloozen; dat er op
een schip geen twee kapiteins kunnen zijn, voorafgegaan door een
vergelijking van het huwelijk met een schip; het argument, dat de
vrouw geen belasting betaalt en als zij het doet, dan is het van het
geld van haar man en wie geen belasting betaalt, mag ook geen invloed
hebben op de besteding der belastingsommen; dat er meer vrouwen dan
mannen in de meeste landen zijn en bij invoering van vrouwenkiesrecht
de mannen overstemd zullen worden en nog enkele andere dergelijke
argumenten, die wij ook kennen van de vergaderingen in Holland. Bij
de beantwoording dier bezwaren zal ik niet stilstaan; wie er belang
in stelt, ga naar de eerste de beste vrouwenkiesrechtvereeniging in
Holland en hoore naar de weerlegging er van.

De vergadering, die weder zeer druk was bezocht door personen
van beiderlei geslacht, hield ons weder van kwart over negen tot
na middernacht bezig en droeg een bijzonder vriendschappelijk en
sympathiek karakter.

Zaterdagavond werd ons door tal van heeren en dames een diner
aangeboden, weder bij Versteegh. De tafelversiering, die bijzonder
aantrekkelijk voor ons was, omdat weder wit en goud de hoofdtonen
waren, was door eenige dames zelf tot stand gebracht. Vroolijke muziek
luisterde het bijzijn op, doch die bleek niet bepaald noodig te zijn
om eene vroolijke, gezellige, prettige stemming gaande te houden. De
nacht was reeds voor een goed deel verstreken toen wij uiteengingen;
wij met den wensch in het hart, dat wij de aanzittenden nog menigmaal,
ook hier in Indië, zullen mogen ontmoeten.

De ochtenden werden door ons telkens besteed om met een der dames een
autotocht te maken en het een of ander van Batavia te zien, zoodat wij
met een gevoel van zelfvoldoening kunnen terugzien op deze welbestede
week. Wel vragen wij ons telkens af, "hoe lang zullen wij dit drukke
leven in zulk een heet klimaat volhouden" en gevoelen wij, dat wij
tot beperking van ons arbeidsveld moeten overgaan. Ik heb dan ook
reeds moeten bedanken voor vele aanvragen om voor vereenigingen of
debatingclubs te komen spreken, die niet regelrecht de bevordering
van de belangstelling in het vrouwenkiesrechtvraagstuk beoogen.

Ik wil dezen brief niet eindigen, alvorens nog eens terug te komen
op de allerdwaaste maatregel door de Nederlandsche regeering hier
ingevoerd om het binnenkomen in Java voor landgenooten en vreemdelingen
te bemoeilijken. Wij waren er met het ons op het schip verstrekte
toegangsbewijs, waarvoor Mrs. Catt vijf-en-twintig gulden moest
betalen, nog niet af, want het bleek, dat wij dat bewijs nog eerst in
Tandjong Priok voor een ander hadden moeten inwisselen. Daarvan was
met geen enkel woord op de boot melding gemaakt, geen der passagiers
was gewaarschuwd dat men eerst na inwisseling van het op het schip
ontvangen bewijs, tegen een definitieve toelatingskaart, die op
Tandjong Priok werd afgegeven, Java verder mocht binnentrekken. Daar
kwamen al die menschen na een uur sporen in Batavia aan om daar te
vernemen, dat het bewijs, dat zij hadden, eigenlijk niets waard was
en zij naar Priok terug moesten, om een nieuwe, 'n andere kaart te
halen. Heeft men ooit van zoo'n onbesuisden maatregel meer gehoord? En
is het wonder, dat vreemdeling en Nederlander vragen, of wij in een
land van gekken in plaats van in eene der koloniën van het verlichte
en beschaafde Nederland zijn aangekomen?

Door middel van het Toeristenverkeer-Bureau en met hulp van den
Resident werd het ons gespaard naar Priok terug te keeren en werden
ons een paar dagen later de toegangsbewijzen overhandigd, nadat wij
beiden daarvoor, of voor wat anders, f 1.50 hebben moeten betalen. In
welk land is Nederland ter schole gegaan, om zulk een maatregel te
leeren nemen? Mij is geen enkel land bekend, waar men vreemdelingen en
wat meer zegt, eigen landgenooten, het reizen zoo bemoeilijkt. Zelfs
Turkije, en dat was op het oogenblik, toen wij er kwamen, in oorlog,
ontvangt vreemdelingen gastvrijer.

Ik heb van de vreemdelingen gehoord, dat zij bij de ontscheping
voor de groote moeilijkheid stonden geen vijf en twintig Hollandsche
guldens te bezitten en dat de ambtenaar, belast met de inning dier
gelden, geen vreemd geld in ontvangst nam. Zelfs op vertoon van een
credietbrief, die over ettelijke duizenden guldens liep, kon men de
vijf en twintig gulden niet geborgd krijgen en moest men ten slotte
door een mede-passagier geholpen worden.

Hoe spoediger deze zotte maatregel wordt opgeheven, hoe beter, wij
hebben er ons nu reeds in het buitenland belachelijk door gemaakt. Laat
het spoedig blijken, dat de regeering zich in dezen vergist heeft en
haar fout ongedaan wenscht te maken. De Nederlandsche regeering is de
eenige niet die wel eens fouten maakt; het strekt den feministen alleen
ten bewijs, dat eene regeering, uitsluitend uit mannen bestaande,
wel eens zeer onverstandig kan doen en dat de logica, die alleen uit
mannenbrein zou kunnen voortspruiten, wel eens ver te zoeken is in
de handelingen, die van de logische overwegingen het resultaat zijn.

Als vrouwen zoo eens handelden?



II.


In den regel begin ik mijn volgenden brief voor de courant, alvorens
ik mijn voorgaanden verzend, om te voorkomen in herhalingen te treden;
maar den laatsten brief sloot ik af en verzond dien, toen ik op het
punt stond een kijkje te gaan nemen in Concordia, waar de Batavische
jeugd zich vermaakte, met op de maat van de muziek, op een marmeren
terras rolschaatsen te rijden. Eens in de veertien dagen wordt hun
daartoe gelegenheid gegeven en de hitte, die mijne metgezellin en mij
het leven hier heel zwaar maakt, verhindert de jongens en meisjes van
Batavia niet om daar uren achtereen rond te tollen op een heel klein
baantje. Ik zou die kinderen gaarne even een lesje in het rolschaatsen
rijden willen laten nemen bij onze straatjongens op het Leidscheplein
of voor het Paleis van Volksvlijt, waar men zulke mooie draaiers
ziet maken en zulke verrukkelijke kunstjes ziet doen op het slechte
materiaal, waarover de meesten hunner beschikken, jongens die mij
altijd een genot verschaften als ik 'n poosje naar hun kunstig gedoe
kon blijven kijken. De kinderen hier hebben geene leiding gehad bij
het leeren rijden, zij rollen allen in groote snelheid voort, alsof
zij verplicht zijn in een minimum van tijd een maximum aantal malen
het kringetje rond te komen, geen enkele er onder, die ook maar een
poging doet er wat sierlijks, wat oogenstreelends van te maken.

Maar nu ben ik op eene ontboezeming over het rolschaatsen rijden
gekomen, terwijl ik eigenlijk had willen zeggen, dat ik, na een week
niet meer tot schrijven te zijn gekomen, niet meer weet, waarmede
ik mijn laatsten brief afsloot en waarmede ik dezen zou moeten
beginnen. Dat is nu wel niet zoo erg, want na 'n week van zooveel
afwisseling en na zooveel wetenswaardige dingen te hebben gezien en
te hebben leeren kennen, kan ik er gerust een greep in doen en van
het een en ander melding maken.

Het eerst wil ik vertellen van onzen tocht naar Buitenzorg. Van
drie kanten waren wij aangezocht om daar eene lezing te komen
houden. Eerstens van eenige dames, leden van de Vereeniging voor
Vrouwenkiesrecht en verder door een heeren-debatingclub. Beide
uitnoodigingen golden natuurlijk het vrouwenkiesrecht-vraagstuk. De
derde uitnoodiging was persoonlijk tot mij gericht en kwam van
eene afdeeling van het Nederl. Taalverbond en met de bedoeling,
dat ik zou spreken over de toestanden in Zuid-Afrika, in betrekking
tot de Nederlandsche taal. Daar wij echter deze week maar één dag in
Buitenzorg kunnen vertoeven, hadden wij geantwoord, dat de drie groepen
zich maar met elkander in contact moesten stellen en gezamenlijk
eene vergadering uitschrijven, waar wij over vrouwenkiesrecht zouden
komen spreken.

Op Donderdag den 18en April was die vergadering uitgeschreven en op
dienzelfden dag was ons ook een particulier onderhoud met Z. Exc. den
gouverneur-generaal toegestaan. Reeds vóór acht uur 's morgens stonden
de heer en mevrouw Wevers Bettink met hun auto voor de deur om ons
naar Buitenzorg te brengen, waar wij even vóór tien uur aankwamen. Ik
heb reeds geschreven dat ik over Java's natuurschoon niet uitweiden
zal, omdat daarvoor vroeger en ook thans nog bevoegder pennen dan de
mijne, in beweging zijn gezet; alleen wil ik even aanstippen, dat de
ongeveer 66 kilometer lange weg, die Batavia van Buitenzorg scheidt,
zooveel mooie gezichtspunten levert, dat de autotocht in elk opzicht
eene genotvolle was. Bij onze aankomst in Buitenzorg werden wij
door eenige dames en heeren vandaar opgewacht en verwelkomd, maar
ons oponthoud kon slechts kort zijn, omdat de gouverneur-generaal
ons om tien uur wachtte. Met de grootste voorkomendheid werden wij
beide door Z. Exc. ontvangen en werden ons alle gegevens verstrekt,
die wij noodig hadden om een goed inzicht in vele toestanden
hier te verkrijgen. Het was ons een waar genoegen te vernemen,
dat Z. Exc. in zeer vele opzichten onze gevoelens deelt, omtrent
de opvoeding en het onderwijs van het Javaansche meisje en omtrent
de opleiding van eenige dezer meisjes tot onderwijzeres. Ook bij
de bespreking van vrouwelijke doctoren voor de inlandsche vrouwen
en voor hospitalen voor deze vrouwen, met uitsluitend vrouwelijke
medische hulp en de opleiding van vrouwelijke doctor djawas, stond
Z. Exc. veel dichter bij ons dan menige zijner ambtenaren met wie
wij deze kwesties reeds vroeger bespraken. Tot dusver worden nog alle
inlandsche meisjes, die zich aanmelden voor de doctor djawa-school,
teruggewezen, altijd onder een of ander voorwendsel, doch eenvoudig
omdat de machthebbenden bij dat departement de moeilijkheid van het
gezamenlijk met de jonge mannen te ontvangen medisch onderwijs te
zwaar inzien en de wenschelijkheid van het hebben van vrouwelijke
doctoren voor de inlandsche vrouwen niet genoeg voelen. Ik hoop en
vertrouw evenwel, dat daarin spoedig verbetering komt, dat men het
Javaansche meisje, dat die moeilijke studie en die latere zware taak
aanvaarden wil, steunen zal in plaats van moeilijkheden op haar weg
te plaatsen, dat men ook in Nederlandsch-Indië eindelijk zal gaan
inzien, dat voor de inlandsche vrouwen, die door godsdienst, zeden en
gewoonten geen mannelijke doctor aan haar ziekbed kunnen toelaten,
het verschaffen van vrouwelijke medische hulp eene noodzakelijkheid
is. In dat opzicht is Britsch-Indië ons een reuzensprong voor, daar
kan elke inlandsche vrouw, in tijd van ziekte, door een vrouwelijke
doctor behandeld worden.

Het komt mij voor, dat de Nederlandsche vrouwen in Nederlandsch-Indië,
enkele zeer gunstige, niet genoeg te prijzen, uitzonderingen
daargelaten, haar maatschappelijke taak in dit opzicht geheel
verwaarloosd hebben, dat zij niet gevoeld hebben, dat de zedelijke
verplichting op haar rustte, beter voor hare native-sisters te
zorgen. Als zij wat dieper in het leven van de inlandsche vrouw waren
doorgedrongen, het vertrouwen van hen hadden weten te verwerven en
de spreekbuis waren geweest, die hunne nooden en behoeften aan de
regeering of aan het groote publiek had geopenbaard, dan, ik ben er
zeker van, zouden ook in onze koloniën voor de inlandsche vrouwen
betere toestanden reeds bestaan. Was het niet een man, dr. H. van
Buuren, die een noodkreet heeft geuit om betere verloskundige hulp
voor de inlandsche vrouw te verkrijgen, een noodkreet, die nog lang
niet hard genoeg is geweest om de regeering ten volle de verplichting
te laten gevoelen, die zij in dezen tegenover de inlandsche vrouwen te
vervullen heeft? In Britsch-Indië was het eene vrouw, Lady Dufferin,
die hare stem over deze kwestie luide deed klinken, en toen de Britsche
regeering niet spoedig genoeg handelend optrad, zelve de handen
aan den ploeg sloeg en een fonds bijeenbracht, dat na haar dood het
Lady-Dufferinfonds werd genoemd, waaruit zij al vast begon vrouwelijke
doctoren aan te stellen en kleine hospitaaltjes te stichten. Deze
hospitalen zijn nu allen door de Engelsche regeering overgenomen, de
vrouwelijke doctoren daaraan werkzaam, regeeringsambtenaren geworden
en in alle steden van eenige beteekenis kan nu de Engelsche inlandsche
vrouw goede geneeskundige hulp van vrouwen ontvangen. Ook de vorming
van inlandsche vrouwelijke doctoren wordt daar gesteund en in de
hand gewerkt.

Wij bezochten in Buitenzorg verder een inlandsche school van jongens
en meisjes en maakten er met een achttal Soendaneesche en Javaansche
meisjes kennis, die allen in den loop van dit jaar haar diploma
voor onderwijzeres zullen halen, doch thans nog als kweekeling op
die school werkzaam waren. Het is bedroevend te zien, hoe weinig
meisjes nog aan het onderwijs deel nemen; in alle scholen, die wij
tot dusver bezochten, zitten er in elke klasse van ongeveer twintig
of vijf-en-twintig leerlingen niet meer dan een of twee meisjes. In
sommige aanvangklassen zaten er drie of vier, maar dikwijls worden deze
meisjes door de ouders weder van school genomen, zoodra zij een paar
klassen doorloopen hebben. Voor een deel moet dat worden toegeschreven
aan de zeden der inlanders, waardoor het niet welvoegelijk gevonden
wordt, dat een meisje na de puberteitsjaren, en die treden in dit
warme klimaat reeds op tien à twaalfjarigen leeftijd in, met jongens
of mannen in aanraking komt.

Ook maakten wij in Buitenzorg kennis met de zeer interessante familie
Motman, waarvan moeder en dochter een school in het weven en batikken
voor inlandsche meisjes hebben. Met de grootste belangstelling
sloegen wij de verschillende procedé's gade, die zoo'n lap katoen
heeft te ondergaan, alvorens het in mooie harmonieerende kleuren en
met artistieke figuren kan worden afgeleverd, maar brengt men den
tijd, die zulk werk kost, en de vele vrij kostbare benoodigdheden
om het geheele proces ten einde te brengen in rekening, dan is
zulk werk niet te betalen en daardoor voor de markt ongeschikt en
voor meisjes, die in eigen onderhoud willen of moeten voorzien,
geen geschikte levenstaak. Het is heel mooi, dat wij nog eens in de
gelegenheid waren, dat kunstige werk te zien verrichten, te weten,
dat vrouwen en meisjes zoo uit het hoofd die aardige figuren met hare
wasstaafjes op het doek kunnen tooveren, maar in den tegenwoordigen
tijd, nu al meer en meer de tijd van de vrouw ook geld waard wordt,
nu is deze kunst gedoemd van de aarde te verdwijnen, omdat zij te
tijdroovend en daardoor te kostbaar wordt. Het gaat er mede als met
onze mooie oude gobelins, over afzienbaren tijd zullen wij de uit de
hand gebatikte doeken nog alleen in onze musea kunnen bewonderen.

Dien middag om half zeven was de vergadering voor vrouwenkiesrecht
uitgeschreven en toen wij in de smaakvol met bloemen en groen versierde
zaal van de Buitenzorgsche Sociëteit kwamen, werden wij aldaar door
verschillende dames en heeren, die de vergadering hadden georganiseerd,
opgewacht en werd ons ieder door een paar kleine, schattige meisjes
een mooie bouquet, die van Mrs. Catt met de Amerikaansche, de mijne
met de Nederlandsche vlag, geoffreerd. Op het podium prijkten een
paar manden met witte lotusbloemen, lotusbloemen van zulk eene
enorme afmeting en zoo fluweelig en vol, als ik nooit te voren
gezien heb. De president van de debatingclub leidde deze vergadering,
waarin ook de acht inlandsche onderwijzeressen en tal van inlandsche
onderwijzers aanwezig waren. Mrs. Catt sprak slechts kort, omdat vele
der aanwezigen haar niet verstonden, ik moest toen de lange speech
houden en daarna gelegenheid geven tot debat. Het is te begrijpen,
dat een debatingclub de gelegenheid gebruikte om te debatteeren en
toen er om 9 uur nog vele strijdlustigen bleken te zijn en wij nog
moesten eten en naar Batavia terug autoën, kon ik niet anders doen dan
aan aller wensch toegeven om bij ons volgend bezoek aan Buitenzorg,
waar wij nog de botanische tuinen en tal van andere bijzonderheden
hebben te zien, opnieuw een avond te geven voor debat. Dat zal in
't midden van Mei zijn. Ruim twintig leden hadden zich onderwijl
reeds als lid van de vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgegeven en
den wensch geuit eene afzonderlijke afdeeling Buitenzorg te vormen,
waaraan dan ook in Mei zal worden voldaan.

Om half een 's nachts bracht de heer Wevers Bettink ons veilig tehuis,
een kunststukje van chauffeurs accuratesse, want de weg is over 't
geheel genomen veel te smal en heeft tal van zeer gevaarlijke bochten.

Eene instelling, waarvoor de regeering aller dank toekomt, leerden wij
in Batavia kennen. Het zijn de regeeringspandhuizen. De heer Nittel,
onder-directeur dier instelling, liet ons deze in alle finesses zien
en bracht ons met de geheele instelling op de hoogte. In aanmerking
genomen, dat de inlander gaarne zijne bezittingen beleent, hetzij
om in tijdelijke extra uitgaven, voor een ziekte, een begrafenis,
een bruiloft etc. te voorzien, hetzij om dingen van waarde veilig
opgeborgen te hebben, of om tal van andere redenen, is het goed
gezien van de regeering om daarin den kleinen man te helpen en
hem uit de handen der Chineezen--de vroegere pandhuishouders--te
houden, Als men bedenkt, dat in één pandhuis in Batavia, er zijn
er aldaar acht, dagelijks gemiddeld 800 à 1000 panden ingebracht
en even zoovele uitgehaald worden en dat de gemiddelde waarde van
de ingebrachte panden niet meer dan f 1.75 bedraagt, dan komt men
tot de conclusie, dat deze instelling in eene behoefte voorziet,
die vooral voor den kleinen man zeer groot is. Het is verblijdend,
dat na 1913 heel Java deze van regeeringswege opgerichte huizen zal
tellen en dat daarmede een einde is gemaakt aan de afpersing, die
in dit bedrijf voorheen door de Chineezen werd gedreven. Ik durf in
een dagbladartikel niet in détails treden over het pandhuisbedrijf in
Nederlandsch-Indië, doch de wijze, waarop die is ingericht, de kalmte,
die er in deze huizen heerscht, de vlugge en regelmatige wijze, waarop
die stroom van publiek bediend wordt en de contrôle, die over alles
wordt uitgeoefend, is boven allen lof verheven. Men voelt hier, dat
de goedaardige, eenvoudige Javaan beschermd wordt tegen uitzuigerij,
eene bescherming, die hij maar al te zeer behoeft. Dat de regeering
met dit bedrijf nog een kleine winst maakt, vermindert m.i. den lof
niet, die er haar voor toekomt, als die winst maar op de een of andere
wijze ten bate van den Javaan wordt aangewend.

Ook de inrichting en de werking van het instituut Pasteur is iets,
waarop wij met rechtmatigen trots kunnen wijzen. Dat wij met
zooveel meer veiligheid, voor zoover het onze gezondheid betreft,
in onze koloniën dan in Britsch-Indië kunnen reizen, danken wij
voor een goed deel aan deze instelling. Onder de kundige leiding
van den bekwamen directeur, dr. Nijland, heeft dit instituut zich
ontwikkeld tot het zich ver verheft boven de meeste dier inrichtingen
in het buitenland. Dat pest, cholera en pokken niet meer zoo de
verschrikkingen hier zijn als in andere tropische landen, is zeker
waard om dankbaar vermeld te worden.

Ik zou willen, dat ik met even groote nationalen trots kon schrijven
over een andere regeeringsinstelling, waarvan ik ook met de grootste
belangstelling kennis nam, de opiumfabrieken en de opiumregie. Wij
zagen daar de bollen, zooals die uit Britsch-Indië worden ingevoerd,
waaruit de opium bereid moet worden en gingen met den directeur alle
stadia door, die de inhoud van deze bollen doorloopt, alvorens de
daaruit verkregen opiumsiroop in nette, tinnen buisjes verzameld en
als geschikt voor het gebruik afgeleverd kan worden.

Maar op dat gebruik, daarop komt het aan. Al die glinsterende tinnen
buisjes, honderdduizenden in aantal, die daar door tal van inlanders
met behulp van prachtige machines, in regeeringsdienst bereid worden,
zijn uitsluitend bestemd om door inlanders en Chineezen gerookt,
of, zooals die term luidt, "geschoven" te worden. Onze regeering,
leverancier en fabrikant van een zoo verderfelijk genotmiddel,
omdat..... ja, om geen andere reden, dan dat zij er jaarlijks zoovele
millioenen op verdient. Hoe beschamend! Niettegenstaande de herhaalde
en besliste verzekeringen van den directeur, dat het opiumschuiven,
mits er onvervalschte opium wordt gebruikt, niet nadeelig voor de
gezondheid is, kan ik dit toch niet aannemen. De toestand, waarin de
opiumschuiver na zijn pijpje geschoven te hebben, verkeert, de begeerte
naar een volgende pijp, het niet meer er zonder kunnen leven, zoo hij
er eenmaal aan gewend is, toonen genoeg aan, dat het opiumschuiven
niet zoo'n onschuldig vermaak is, als men ons wel wilde doen gelooven.

In één opzicht kan ik vrede hebben met onze opiumregie. Door de wijze,
waarop de verkoop is geregeld en door, nu reeds, over geheel Java
en Sumatra de Chineezen uit dit bedrijf gestooten en de geheele
verkoop in eigen handen genomen te hebben, kan de regeering de
verdere uitbreiding van dit kwaad tegengaan en zoodra zij het wil,
geheel uitroeien. Zoo wij eens eenmaal het voorrecht mogen hebben een
regeering te bezitten, die haar taak ethischer opvat, die in plaats van
jaarlijks millioenen te besteden voor leger en vloot, millioenen, die
voor een deel verkregen worden uit die opiumfabricage, de gelden der
schatkist besteedt tot opvoeding van het volk, ook het Indische volk,
dan is het bij de tegenwoordige regeling mogelijk, binnen betrekkelijk
korten tijd aan dit mensch-bedervend en mensch-onteerend opiumschuiven
in onze koloniën een einde te maken. Dat dit nu gemakkelijker gaat dan
wanneer de handel in handen van gewetenlooze Chineezen is, daarvan
getuigt het volgende staaltje, dat wij in Medan vernamen en op Java
bevestigd vonden. In een kampong boven Medan kende de bevolking het
opiumschuiven niet. Op zekeren dag ontvingen de bewoners aldaar, huis
aan huis, een eenvoudig toestel om opium te schuiven met een buisje
opium en de gebruiksaanwijzing van een Chinees ten geschenke, en binnen
geen tijd waren tal van dorpelingen daar opiumschuivers geworden
en daarmede tevens trouwe koopers van opium bij den goedgeefschen
Chinees. Den 1en April van dit jaar verloor ook die Chinees het recht
tot verkoop van opium en wordt ook in Medan dit kostbaar en kostelijk
stroopje door onze regeering geleverd. Aan zulke praktijken om met
opzet nieuwe ongelukkigen te kweeken, zal natuurlijk de regeering zich
niet schuldig maken, en met groot ongeduld zie ik den tijd tegemoet,
waarop een regeering aan 't bewind komt, die den moed heeft de sluiting
van de opiumfabriek voor te bereiden en binnen niet al te langen
tijd te bewerkstelligen. De overweging dat degene, die eens aan het
schuiven verslaafd is er niet meer zonder kan leven, is m.i. de moeite
van een discussie niet waard. Laten er daardoor, als dat waar is,
eenige duizenden opiumschuivers, voor de maatschappij halfwaardige
of nietswaardige individuen, ten gronde gaan of vroeger dan anders
sterven, dit verlies weegt niet op tegen de millioenen uit deze en
de volgende geslachten, die dit verderfelijk kwaad dan niet zullen
leeren kennen en daardoor een hooger en beter leven kunnen leiden.

Nog op een ander beschamend feit moet ik wijzen. In de opiumfabriek
zagen wij niet alleen Indische mannen en opgeschoten jongens aan het
werk, maar ook tal van jongens, die zeker en gewis nog geen tien jaar
oud waren. Met bevreemding vernam ik, dat onze wetten, die kinderarbeid
beneden den 12-jarigen leeftijd verbieden, voor Indië niet gelden en
dat in dit zonnige land, zelfs door onze regeering kleine jongens
in een fabriekslokaal dagelijks uren en uren achtereen voor eenige
centen aan het werk worden gezet.

Dat de lokaliteit waarin de kinderen werken, ruim en luchtig is,
dat de jongens als hun kistje volgepakt is, van hun plaats opstaan om
zelf een nieuw kistje te halen en daardoor nu en dan eens een verzetje
hebben, dat er in Java nog lang en lang niet genoeg scholen zijn om de
kinderen te onderwijzen en die jongens dus, als zij niet in de fabriek
werken, zich bij den weg zouden vervelen en kattekwaad uitrichten en
nog meer zulke overwegingen, verminderen in mijn oog het kwaad niet,
dat daar door de overheid bedreven wordt. Niet alleen werken die jonge
kinderen daar dagelijks 7 uren onafgebroken aan dat machinale werk,
een veel te lange dagtaak voor zulke nietige wezentjes, maar ook moet
het spoedig tot hen doordringen, dat opiumschuiven niet kwaad is en
heel prettig moet zijn, als de fabricage en verkoop door de regeering
geschiedt en als er dagelijks zooveel moet afgeleverd worden om aan
de aanvraag te kunnen voldoen.

Ik was blijde, dat wij de opiumfabriek zagen, nadat wij reeds met het
Instituut Pasteur en met den pandhuisdienst hadden kennis gemaakt,
zoodat mijn Amerikaansche medereizigster geen al te slechten indruk
van onze overheidszorg voor den Javaan krijgt en er toch ook wel wat
te prijzen valt.



OP SUMATRA'S WESTKUST.


I.


Den 22en April verlieten wij 's morgens Batavia, om ons met de
"Bantam" van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij naar Padang
en de Padangsche Bovenlanden te begeven. Van Batavia naar Padang
met de Kon. Paketvaart-Mij. is een tocht vol afwisseling, omdat
men onophoudelijk dicht langs de kust vaart en tal van plaatsjes
aandoet. Tegen ongeveer het middaguur verlieten wij Tandjong Priok en
genoten nog eens van het gezicht op de mooie haven en de vele kleine
eilandjes. Even vóór zes uur lagen wij stil op de reede van Anjer om
tal van inlanders en eenige vrachtgoederen aan boord te nemen. Tevoren
hadden wij nog bij daglicht het gezicht op Krakatou, het verlaten
eiland, en het lange eiland genoten, want toen wij er later op den
avond veel nader bij kwamen, was het te donker om er iets van te zien.

Om 6 uur den volgenden morgen lagen wij voor Kotô Agoëng stil,
om menschen en goederen te laden en te lossen. Kotô Agoëng is
een dorpje van de Lampongsche districten. Wij tweetjes stonden bij
aankomst reeds kant en klaar en toen wij den kapitein onzen wensch te
kennen gaven om aan wal te gaan, werd het stoomsloepje onmiddellijk
neergelaten en werden wij aan wal gestoomd. Een klein roeibootje,
bemand met twee inlanders, was achter aan 't stoomsloepje gebonden,
om ons uit de sloep zooveel verder te roeien en te trekken, tot
wij droogvoets aan wal konden stappen. Wij moesten toch nog een ver
sprongetje maken om niet door een opkomende golf verrast te worden,
doch toen wij daar eindelijk aan wal stonden tusschen die tallooze
toegestroomde inlanders, met wie wij geen woord konden wisselen,
hadden wij toch voldoening van onze daad, al moesten wij elkander
ook even glimlachend aankijken en ons zelf een paar avonturiersters
noemen. Wij waren de eenige passagiers, die aan wal waren gegaan.

Eerst namen wij een kijkje op de passar, waar vooral de vrouwen
zeer bedrijvig waren. Tal van jonge vrouwen zaten er neergehurkt,
ieder in eigen kringetje, met in 't midden een gat in den grond,
daarboven een houtvuurtje en op dat houtvuurtje een pan gloeiend
vet of olie, waarin allerlei soort bananen en ook sommige andere
vruchten gebakken werden. Rondom ieder houtvuurtje een troepje
inlanders, die de gebakken vruchten zoodra zij gereed waren, voor
een of meer centen kochten en ze dan onmiddellijk nuttigden. Sommige
oudere vrouwen kochten bij de verschillende gelegenheden eene kleine
verscheidenheid van gebakken vruchten, die in een groot groen blad
gerold, mede huiswaarts genomen werden. Ook kon men er hoopjes rijst
of rijstkoekjes koopen, met of zonder een bestrooisel van geraspte
kokosnoot. Wij zagen er meer soorten van ananas, dan wij ooit vermoed
hadden dat er bestonden. Opmerkelijk was daar de stilte en kalmte,
die onder deze menschenmassa heerschte. Men hoorde er nauwelijks
eenig geluid.

Toen wij op de passar waren uitgekeken, gingen wij het dorp in. Een
net en welvarend dorpje. Aan het eind van den langen hoofdweg stond
de controleurswoning met het kantoor en de gevangenis, de eenige
gouvernementsgebouwen, die daar bestaan, doch die zich onmiddellijk
van alle andere gebouwen onderscheiden. De controleur zat in de
voorgalerij en toen hij bemerkte, dat wij zijn erf opkwamen, kwam hij
ons vriendelijk tegemoet. Hij is de eenige Europeaan, die daar woont
en zijne kennismaking was voor ons bijzonder aangenaam, omdat hij
uitstekend Engelsch sprak. Hij stond op het punt het gebergte in te
gaan, waar sedert eenige avonden onheilspellende aardbevingsschokken
vernomen waren, die de instorting van eenige bouwvallige woningen
ten gevolge hadden gehad en waarover de inlandsche bevolking zich
zeer verontrustte. Hij moest nu den stand van zaken gaan opnemen en
zooveel mogelijk de bevolking geruststellen.

Over de daar wonende Lampongsche bevolking gaf hij ons eenige zeer
wetenswaardige bijzonderheden. Er bestaat daar een soort overgangsvorm
tusschen het matriarchaat en het patriarchaat. De Lampongsche jonge
meisjes worden door de vaders voor een zekere som, soms 2000 à 3000
gulden, aan den toekomstigen echtgenoot verkocht en gaan dan van het
ouderlijk huis in het ouderlijk huis van den man over. Zij moeten dan
in het nieuwe tehuis 't werk verrichten, dat haar door echtgenoot
en schoonmoeder wordt opgedragen. In zekeren zin is zoo'n vrouw
dan de slavin van haar schoonmoeder en van haar man. Kan de huwbare
man echter de kostende som voor zijne bruid niet bijeenbrengen, dan
begeeft hij zich in dienstbaarheid bij haar vader. De dochter en de
jonge echtgenoot blijven dan in de woning van de ouders der vrouw en
de jonge man wordt de slaaf van zijn schoonvader en misschien ook
wel van zijne vrouw. De kinderen uit dat huwelijk dragen in zoo'n
geval den familienaam van de moeder en behooren haar toe. Wanneer een
vader geen zonen en maar één dochter heeft, dan wil hij alleen onder
de laatste voorwaarde zijn dochter uithuwelijken, omdat anders zijn
familie uitsterft.

Bijzonder interesseerden mrs. Catt en ik ons nu voor hetgeen wij
vernamen, omdat daaruit bleek, dat onder de Lampongsche jonge vrouwen
een geest van verzet zich begon te openbaren, nu de zaken niet meer
gaan zooals zij dat wenschen. De som van twee à drieduizend gulden,
die de vaders tegenwoordig voor hunne dochters eischen, kan n.l. in
den regel niet door een jongen man opgebracht worden en om die
reden worden de meisjes nu maar al te vaak uitgeleverd aan oudere
of oude bokken, die voor een groen spruitje een groote som over
hebben. De jonge meisjes van Kotô Agoëng en omstreken zijn nu sedert
geruimen tijd een strike begonnen: zij zijn overeengekomen om niet
anders dan een huwelijk aan te gaan, waarbij de nieuwe jonge man in
dienst treedt van haar vader en zij de rechten behoudt op kinderen
en ouderlijk erfdeel. De reden is duidelijk. De jonge vrouwtjes
vertikken het langer om uitgehuwelijkt te worden aan oude snoepers;
zij geven den jongen, frisschen echtgenoot de voorkeur. Deze strike
der jonge dames heeft reeds zoo'n omvang aangenomen, dat de hoofden
van Kotô Agoëng met den controleur eene vergadering hebben belegd,
om te zien wat er in dezen gedaan moet worden, omdat er in de laatste
maanden geen huwelijken meer gesloten worden. De controleur vertelde
ons, dat er nog geen oplossing voor dit penible vraagstuk was gevonden.

Wij hadden gaarne nog eens een kijkje genomen in de peperplantages,
waaraan dit district zijne beteekenis grootendeels ontleent, maar die
plantages zijn ongeveer twee uur ver in het gebergte gelegen en alleen
per paard of te voet konden wij er komen. Zoo lang durfden wij echter
niet van het schip verwijderd blijven. Na nog een mooie verzameling
eigengemaakte fotografieën van het district en zijn bewoners van
den controleur Kriebel bewonderd te hebben, namen wij van onzen
vriendelijken gastheer afscheid, die daar wel eenzaam leeft, doch
zijne eenzaamheid met opgewektheid draagt en er al het interessante
van gevoelt. Even voorkomend als wij aan land gebracht waren, werden
wij ook weder naar het schip teruggevoerd.

Midden in den nacht kwamen wij in Kroë aan en vertrokken van daar
ook weder nog vóór de dag was aangebroken. Van aan wal gaan dus geen
sprake. Grooter was evenwel de teleurstelling, toen wij Woensdagavond
ook eerst Benkoelen bereikten, nadat het nachtelijk duister reeds
lang was ingetreden. In Benkoelen waren wij zoo gaarne aan wal
gegaan en wij hadden daarop vrij zeker gerekend. Er was echter geen
sprake van, want het aan wal gaan geschiedt, door de groote deining,
die er bestaat, niet zonder gevaar en de afstand van het schip naar
den wal is minstens een half uur roeien in een primitieve prauw. Aan
boord blijven was dus de boodschap. Wij konden niets anders doen dan
den volgenden morgen vroeg opstaan, om vóór wij Benkoelen verlieten,
van het dek van het schip met een goeden scheepskijker een kijkje te
nemen van het voor ons onbereikbare stadje.

Vrijdagmorgen, om zes uur, landden wij in Padang. Van het mooie
binnenkomen konden wij ook al weder, doordat het daglicht nog niet
was doorgebroken, weinig genieten. Alleen even vóór wij vastgemeerd
lagen was het daglicht helder genoeg om ons een kijkje te gunnen en
een vermoeden te geven van wat wij gemist hadden.

Niettegenstaande het zeer vroege ochtenduur, stonden er op den wal
toch reeds drie dames op ons te wachten, die ons het welkom in Padang
brachten, de zorg voor onze bagage namen en ons per auto langs den
mooien weg van de Emmahaven naar de stad en in het gastvrije huis van
den heer en mevrouw Kamerling afleverden. In dat vriendelijke, oude
echtpaar, mevrouw vierde dien dag haar 72en geboortedag, vonden wij een
paar warme voorstanders van Vrouwenkiesrecht, die daar in Padang de
voorbereiding voor onze komst geheel geleid en met behulp van eenige
andere dames ook verricht hebben. Een hartelijker ontvangst is niet
denkbaar. Voor alles was gezorgd. Omdat wij kwamen op een oogenblik,
dat de Juliana-feesten in volle voorbereiding waren, was het beter de
vergadering voor vrouwenkiesrecht uit te stellen totdat wij het bezoek
aan de Padangsche bovenlanden hadden gebracht en voor dit bezoek waren
alle stappen gedaan, om het voor ons zoo gemakkelijk, aangenaam en
vruchtdragend mogelijk te maken. Aan alle assistent-residenten en
hotels in de verschillende plaatsjes was onze komst aangekondigd
en gevraagd om ons het verblijf te vergemakkelijken. Wij besloten
daarom, om maar direct Zaterdagmorgen naar boven te gaan, omdat wij
vóór alles Zondag in Pajacombo, het eindpunt van de reis, wilden zijn.

Vrijdagavond hadden echter mijnheer en mevrouw Kamerling tal van
Padangsche heeren en dames uitgenoodigd, om kennis met ons te maken
en ons met dezen in kennis te brengen, van welke uitnoodiging een
ruim gebruik was gemaakt. Wij kwamen hierdoor ook in de gelegenheid
tal van bijzonderheden te vernemen aangaande den tocht, dien wij
den volgenden morgen vroeg zouden aanvangen. Omdat twee logé's voor
onze lieve oudjes wat veel was, maakte mrs. Catt gaarne gebruik van
de vriendelijke uitnoodiging van de buren der familie Kamerling,
den heer en mevrouw de Keth, om daar te gaan logeeren.

Toen mr. De Keth ons den volgenden morgen vroeg naar het station
bracht, bleek ook daar, hoe voorkomend de oude heer Kamerling alles
voor ons had voorbereid. De stationschef was van onze komst verwittigd;
hij had op verzoek een 1e klasse waggon met balcon vóór aan den trein
gehaakt, (de locomotief staat achter den trein en duwt hem naar boven)
en daarop een paar bankjes geplaatst, zoodat wij een onbelemmerd
uitzicht genoten van den prachtigen weg, dien wij aflegden.

Eerst ging het eenige uren lang links, langs tuinen met klapperboomen,
pisangpalmen, mangoboomen en zoovele andere tropische boomen
waarvan wij den naam niet weten en hier zagen wij ook in groote
verscheidenheid den varenboom, dien wij op Ceylon hadden leeren
kennen, terwijl rechts reeds heel spoedig eene reeks van bergtoppen,
het Barisangebergte, tot aan den top met palmen begroeid, zich aan ons
oog vertoonde. Schilderachtig lagen tusschen dat veelkleurige groen
de houten woninkjes met hunne donkerbruine, rieten daken, daken,
die alle gracieus, boogvormig zijn, eene eigenaardigheid waardoor
Sumatra'sche, inlandsche woningen zich kenmerken. Wat verder op kregen
wij ook aan den linkerkant eene bergreeks, het Danaugebergte, totdat
wij eindelijk de kloof van Anek naderden, en de trein tusschen eene
nauwe bergengte met watervallen, gorges en snel vlietende stroompjes,
zich naar boven werkte.

Als men den tropischen plantengroei, de donkerkleurige bevolking en
de Sumatra'sche huisjes wegdacht, zou men zich in een van de mooie
gedeelten van Zwitserland in den zomer verplaatst kunnen gevoelen, maar
juist deze drie zaken maken dezen weg tot eene nog schilderachtiger.

De bruine, rieten daken der woningen waren langzamerhand verdwenen en
in de plaats daarvan zagen wij nu wit geschilderde, houten huisjes,
met zinken daken, die in de zon hel schitterden.

Opmerkelijk is overal de kalmte van onzen inlander, hetzij hij
Javaan of Maleier is. Hoe sterk steekt die af bij de rumoerigheid van
den Britsch-Indiër. Als in Britsch-Indië een trein aan een station
stilhoudt, dan kan men van de drukte, het door elkaar geschreeuw, het
lawaaiig doen van den inlander, niets hooren of zien van 'tgeen een
doortrekkende reiziger soms gaarne hooren of zien wil en des nachts is
die drukte aan de stations even groot als bij dag, zoodat de nachtrust,
die men in de Britsch-Indische treinen zou kunnen genieten, daarbij
zeer veel inboet. Als drie of vier Britsen-Indiërs bij elkaar staan,
dan converseeren zij met elkaar op een wijze, die elkeen moet doen
vermoeden, dat het onmiddellijk op een hevige kloppartij zal uitloopen,
terwijl het toch niets anders dan een vriendelijk praatje geldt.

Hoe voornaam, stil, kalm haast, doet daarentegen onze inlander. In
lange rijen staan zij achter elkander aan het loketje, om een
plaatskaartje te nemen; geen luid woord wordt vernomen, ieder
wacht kalm zijn beurt af. Als de trein stilstaat, stappen zij haast
geruischloos in; wanneer men niet vooraf gezien had, dat er zoovele
passagiers op het perron stonden te wachten, zou men zich niet kunnen
verbeelden, dat er menschen uit of in den trein gestapt waren.

Toen wij te ruim twaalf uur in Padang Pandjang aankwamen, stond de
hotelier van het hotel Merapi zelf op het perron, om de noodige hulp
te bieden, terwijl de assistent-resident zijn rijtuig had gezonden,
om daarvan gebruik te maken. Hij zelf was voor dienstzaken elders,
doch mevrouw Tubergen, de vrouw van den assistent-resident, had
er voor gezorgd, dat een vaas met geurige en wondermooie bloemen
in onze kamer in het hotel ons een vriendelijke welkomstgroet in
Padang-Pandjang bracht.

Ofschoon wij in het midden van den dag, waarop het dus het heetst is,
aankwamen, was de temperatuur toch niet hooger dan op een matig warmen
zomerdag in Holland. Na al die heete dagen, die wij in den laatsten
tijd hadden doorgemaakt, leefden wij in Padang-Pandjang weer eens
heelemaal op, tegen den avond moesten zelfs de doekjes voor den
dag komen. Van het bordes van het hotel genoten wij 't gezicht op
den altijd rookenden Merapi. Er lag echter 's middags zoo'n vlokkige
witte wolk op den top van den vulkaan, als ware de kop met een groote
slaapmuts overtrokken, zoodat wij van het al of niet rooken niet
veel bespeuren konden. Tegen den avond herinnerde de zwaveldamp,
die de atmosfeer had doortrokken, ons echter aan het bestaan en de
nabijheid van dezen vuurspuwenden berg.

Het één bataillon groote garnizoen geeft vrij wat levendigheid aan
het interessante plaatsje. Voor de kinderen van deze militaire
ambtenaren is natuurlijk een Europeesche school met Europeesche
onderwijzers noodig, het spoorwezen heeft er eenige ambtenaren,
zoo ook het kantoor van den assistent-resident en door al deze
Europeeërs ademt er een geest van civilisatie, waardoor het voor
toeristen doenlijk is, er eenige dagen te vertoeven. Daardoor is het
ook mogelijk, dat een tamelijk goed hotelletje zich er staande kan
houden, en dat niet alleen toeristen, maar ook herstelde zieken, die
een tijdlang een koeler klimaat en een mooie omgeving noodig hebben,
om verloren krachten te herwinnen, zich daar kunnen ophouden. Maar
over Padang-Pandjang ga ik later schrijven, want het diende ons alleen
om er te overnachten, om den volgenden ochtend vroeg van daar naar
Pajacombo te kunnen vertrekken, waar des Zondags de groote Passar
gehouden wordt, waaraan deze plaats haar vermaardheid voornamelijk
dankt. Wij zullen eerst Pajacombo en Fort de Kock bezoeken om daarna
terug te keeren naar Padang-Pandjang en van daaruit eenige uitstapjes
te maken en 't merkwaardige van 't stadje te zien.



II.


Pajacombo is voor ons een zeer interessant oord. Heerscht in geheel
de Padangsche bovenlanden, onder de Minang Kabauers, 't matriarchaat,
hier in Pajacombo en zijne omgeving vindt men het nog het zuiverst
bewaard. De woning, waarin die matriarchale families leven, hebben
een zeer eigenaardige vorm, en geven van buiten reeds aan, uit hoevele
gehuwde dochters het gezin bestaat. De stammoeder, de Indoea genoemd,
bewoont het middengedeelte van de woning, van buiten herkenbaar door
het middelste halfboogvormige dak; als de oudste dochter trouwt,
dan wordt er rechts een kamer, half zoo groot als de oorspronkelijke
kamer, waarin de Indoea huist, gebouwd en daarin huist dan de dochter;
de tweede dochter krijgt, als zij huwt, links zoo'n uitbouwsel en zoo
gaat het door tot alle dochters gehuwd zijn. Elk bijbouwsel heeft
een kwartboogvormig dak. Van binnen in de woning ziet men echter
slechts één groot vertrek, de familiekamer, die de ruimte van het
geheele gebouw beslaat en daarachter, door gordijnen afgeschoten,
de verschillende slaapgelegenheden der familieleden.

In zoo'n groot huis treft men in den regel alleen de vrouwen en
kinderen aan. De stammoeder met één of meer zusters, haar eigen
dochters en de dochters van de zusters en de kinderen van al deze
vrouwen, wonen daar te zamen. Sterft de stammoeder, dan wordt zij
opgevolgd door hare oudste dochter, en de zusters van de moeder,
dus eigenlijk de tantes en veel ouder in jaren, noemen dan ook de
nieuwe stammoeder Indoea en zijn haar gehoorzaamheid verschuldigd. Al
het geld en goed dat zoo'n familie bezit, behoort den vrouwen toe
en wordt door hen gezamenlijk beheerd; alle familiekwesties worden
onderling opgelost; doch naar buiten uit, als er om de een of andere
reden overheidskwesties te bedisselen vallen, of als er in moeilijke
huishoudelijke omstandigheden een oordeel moet worden geveld, dan
treedt de oudste broeder van de lndoea als raadgever op en hoewel hij
buiten het familieverband leeft, is hij toch feitelijk het mannelijk
hoofd van het gezin. Dit is echter alleen een eerebaantje, dat hem
verplichtingen oplegt en waarvoor hij wel eens een douceurtje van de
vrouwen kan krijgen, doch dat hem feitelijk geen rechten geeft op iets,
wat de vrouwen toebehoort.

Al het werk in zoo'n gezin, waaronder behoort ook het bewerken van het
land en de veeteelt, het weven der goederen, het bouwen der woningen en
bijgebouwen, want zulke woningen uit bamboehout en -riet opgetrokken,
moeten nog al eens vernieuwd worden, is het werk der vrouwen, al of
niet bijgestaan door de buitenshuis wonende mannen. Zij ook brengen
de opbrengst van het land, de tuinvruchten, de geweven goederen en
andere dingen, die zij voor den verkoop maken, naar de Passar en
verkoopen het daar.

Waar blijven de mannen uit zoo'n gezin?

Hierop is niet zoo eenvoudig het antwoord te geven, omdat de
Mohammedaansche godsdienst, die hier in zeer verwaterden vorm beleden
wordt, het zuiver matriarchale stelsel bedorven heeft. Volgens dezen
godsdienst is het geoorloofd, dat een man vier vrouwen heeft en
de Minangkabausche mannen, die ik gesproken heb, vatten het bijna
allen zoo op, dat de godsdienst hun voorschrijft, vier vrouwen te
trouwen en zij geen goed Mohammedaan zijn, als zij zich met minder
tevreden stellen. Ook komt er nog bij, dat de vrouwen hier hunne
mannen koopen, de moeder koopt den man voor hare dochter, en daar
een man van twintig tot twee à drie honderd gulden kost [3], al naar
gelang hij een hoogere positie bekleedt, is het een voordeelig zaakje,
zich viermaal te verkoopen. De vierde maal schijnt de man nog evenveel
waarde te hebben als bij den eersten koop. Als regel woont de man nu om
beurten bij de verschillende vrouwen en laat zich daar als een koning
behandelen. In vele gevallen dient hij in het familieverband alleen als
een noodzakelijk.... iets... zal ik het maar noemen, tot instandhouding
van het ras. Buiten het familieverband bezit hij soms nog wel een
maatschappelijken werkkring. Zoo ontmoetten wij op onzen tocht naar de
kloof van Harau, een wondermooi uitstapje wat natuurschoon betreft,
een dorpshoofd, die een beetje Hollandsch sprak. Hij noodigde ons
in zijn woninkje, dat heel klein, doch uiterst zindelijk en in een
goed aangelegden tuin met pijnappels, bananen, papaja's, suikerriet,
kokosnoten en andere vruchten, gelegen was. Ik vroeg hem, of hij geen
vrouw en kinderen had, waarop hij lachend antwoordde: "Natuurlijk heb
ik vier vrouwen en reeds acht kinderen". En toen vernam ik, dat die
vier vrouwen ieder bij hare respectieve moeders woonden en hij ze
om beurten bezocht. Kan een van mijne Nederlandsche heeren-lezers
zich een koninklijker en rustiger leven voorstellen, dan van dit
dorpshoofd en zijne lotgenooten? Hij woonde in een heerlijk huisje, in
een prachtige natuur, rustig alleen, zijn klein rijtuigje stond naast
zijne woning en 't paardje als een muis zoo groot, graasde rustig in
een veld in de nabijheid. Als hij lust heeft, spant hij zijn paardje
voor het karretje en laat zich naar eene zijner vrouwen rijden, waar
hij steeds op een goede ontvangst kan rekenen. Na zich daar voor een
of twee dagen een leven als "heer der schepping" te hebben laten
welgevallen, spant hij weder in, om naar eene der andere vrouwen
te rijden of om eerst eenige dagen in eigen woninkje rust te nemen
om van de smullerij te bekomen. Van tandenkrijgende kindertjes, van
humeurige vrouwen, heeft hij geen last en als men hem niet met open
armen en lekkere schoteltjes ontvangt, dan blijft hij den volgenden
keer wat langer uit om van een hartelijker welkom zeker te zijn.

Maar zooals dit dorpshoofd het leven had ingepikt, zoo leven niet
alle gezinnen. Als een man wat geld of een goede positie bezit, dan
bouwt hij een huisje en heeft één vrouw met haar kinderen bij zich
inwonen. Zij doet dan zijne huishouding en vormt als het ware een nieuw
familieverband. De andere vrouwen worden dan van tijd tot tijd bezocht.

Een koeli, of een man van dergelijke positie, heeft dikwijls maar ééne
vrouw en woont dan bij de moeder van zijne vrouw in. In zoo'n gezin
helpen de schoonzoons het familiebezit vergrooten. Hun wordt dan ook
allerlei werk opgedragen. Maar in deze gevallen treedt het nadeel, wat
zoo'n familieleven met zich brengt, aan den dag. Het maakt de mannen
lui, onwillig om te werken. De opbrengst van hun arbeid komt de geheele
familie ten goede en in gevallen waar twee of meer schoonzoons zijn,
wil geen hunner meer doen dan de ander en komt toch dikwijls al het
werk op de vrouwen neer.

Dat die vrouwen hier gewoon zijn het zware en verantwoordelijke
werk te verrichten, ziet men dadelijk als men op een passardag in
Pajacombo rondkijkt. De vrouwen komen daar allen met zware vrachten op
het hoofd en dikwijls bovendien met volle handen; de mannen wandelen
eenige passen vooruit met een klein vogelkooitje, waarin een grijs
vogeltje, ik geloof een kwartel, in de hand. Ook op de markt zijn
de vrouwen druk en bedrijvig om hare waren van de hand te doen en
nieuwe zaken in te koopen, terwijl men de respectieve echtgenooten
bijeengehurkt onder een schaduwrijke waringinboom vindt, bezig 'n
strootje of sigaret te rooken, of ook wel in een afzonderlijk hoekje
hunne meegebrachte vogeltjes onderling uit te wisselen of ze soms
een soort hanengevecht te laten houden.

Op de Passar hadden wij Zondag gelegenheid om het wonderfijne weefwerk,
vooral het goud en zilverweefsel, der vrouwen te bewonderen. Ook
zilver-filigraanwerk was er te zien, doch dit muntte niet in fijnheid
en artisticiteit uit, wij hebben dat in Padang reeds beter gezien.

De assistent-resident de Munick had een bijzonder interessant bezoek
voor ons voorbereid in het gezin van eene weduwe van een vroeger
districtshoofd en had ons een Hollandsch sprekend familielid als
geleider medegegeven. De zeer oude, grijze Indoea en hare twee zusters
ontvingen ons zeer hoffelijk en weldra kwamen ook alle gehuwde dochters
met hare kleine kindertjes zich presenteeren. Nadat ons de woning
in alle bijzonderheden getoond was, waarin wij vooral de vele mooie
kussenbekleedsels bewonderden, werden wij uitgenoodigd een kop koffie
met de dames te drinken. De goede Minangkabausche manieren schrijven
voor, dat men zoo'n uitnoodiging moet accepteeren. Wij werden toen
vergast op een kop koffie, gemaakt van gedroogde koffiebladeren,
met veel bruine suiker en geen melk, daarbij werd een soort gekookte
gemalen rijst met veertien verschillende zoetige bijspijzen opgediend,
Het waren blijkbaar alle zeer lekkere zaken, maar zooveel kwee-kwee
maakte ons een beetje wee, doch wij beiden hebben ons er toch moedig
doorheen gewerkt. Wij beiden kregen een vork en een lepel om ons er
van te bedienen, de anderen deden het veel netter dan wij, zonder
die attributen.

De jongste dochter van het gezin, een werkelijk zeer mooi meisje,
van 17 jaar, verkeerde in zeer tragische omstandigheden. Zij was drie
maanden geleden gehuwd met een mantrie van de opiumregie. Hij was
een jonge, knappe vent en zij zijn eerste vrouw. Een maand na het
huwelijk werd hij door onze regeering naar de opiumregie in Medan
overgeplaatst en toen hij daar kwam, wist hij niet beter te doen dan
daar eene Japansche tweede vrouw te nemen. Hij had nu geschreven,
dat ook zijn mooi Maleisch vrouwtje moest overkomen, dan zou hij
eerlijk zijne gunsten tusschen deze twee rivales verdeelen. 't Jonge
vrouwtje heeft echter niet veel lust haar man te volgen en ziet er
sterk tegen op om in partnership te treden met eene Japansche schoone,
waarvan zij zeden en gewoonten niet kent. Zij pakte mijne hand met
beide hare handen en zeide, dat zij liever met mij wilde medegaan en
altijd bij mij wilde blijven.

Het is jammer, dat onze regeering nog niet bij machte is, aan de
leergierigheid, de behoefte aan onderwijs der Minangkabauers naar
behooren te voldoen. Er is in vele dezer plaatsen nog slechts een begin
gemaakt met de oprichting van scholen. Hier doet zich het gelukkig
verschijnsel voor, dat ook de vrouwen naar onderricht haken en zich
daarvoor offers getroosten willen. Het schijnt niet hoofdzakelijk
gebrek aan geld, maar ook gebrek aan goede leerkrachten te zijn,
die de regeering verhindert in deze, hier sterk gevoelde, behoefte te
voorzien. De Minangkabauers, zooals ik er verschillende in Pajacombo
heb leeren kennen, schijnen sympathieke, intelligente menschen te zijn,
vatbaar voor eene hoogere ontwikkeling. Ik wilde dat ik onmiddellijk
genoeg scholen voor hen kon tooveren. Het is zoo jammer, dat er nu
nog zoo velen van onderricht verstoken blijven.

Het is zeer te betreuren, dat men eigenlijk nog zoo weinig positieve
kennis van het leven, de zeden en gewoonten der Minangkabauers
bezit. Al de controleurs en assistent-residenten, wien wij er naar
vroegen, gaven tegenstrijdige inlichtingen. Ook de boeken, die wij
er over lazen, en er is nog zoo weinig over dit interessante volk
geschreven, [4] geven slechts weinig en dikwijls nog uiteenloopende
beschrijvingen. Het komt mij voor, dat een vrouw-ethnoloog, die het
vertrouwen van deze vrouwen heeft weten te verwerven en die eenige
jaren onder haar gaat leven, heel veel wetenswaardigs van het leven en
de zeden en gewoonten van deze menschen aan het licht kan brengen. Er
komt nu weldra een openbare school met een paar onderwijzers en een
onderwijzeres; als de regeering er nu in kon slagen een onderwijzeres
voor deze school te krijgen, die de geschiktheid, de kennis en vooral
ook den slag heeft om het vertrouwen van de Minangkabausche vrouwen te
winnen en die de kennis, die zij daardoor opdoet, weet uit te werken,
dan zal zij de volkenkunde kunnen verrijken met wat positiever
gegevens dan nu bekend zijn omtrent dit merkwaardige volk. Omdat
het hier vooral geldt, achter de geheimen van het huiselijk leven
van een volk te komen, waarvan de gezinnen bijna alleen uit vrouwen
bestaan, vrouwen, die van aard zeer gereserveerd zijn, zullen de
heeren ethnologen nooit zoo goed als eene vrouw de ware gegevens
kunnen bijeenbrengen. De eene morgen in dat gezin van de weduwe en
hare zusters en dochters deed mij duidelijk zien, dat er nog heel
veel voor ons onverklaarbaars in deze gezinnen bestaat, dat met een
beetje tact aan het licht kan worden gebracht.

Toen wij op Prinses Juliana's verjaardag des morgens vroeg waren
opgestaan, om met den eersten trein naar Fort de Kock te vertrekken,
stonden wij beiden niet weinig verbaasd, te vernemen, dat er dien nacht
om ongeveer drie uur eene uitbarsting van de Merapi was geweest. Wij
hadden er niets van gehoord en er rustig doorheen geslapen. Wij hebben
zoo dikwijls tegen elkaar gezegd: konden wij nu maar eens een explosie
bijwonen, nu is er een geweest, die wijd en zijd asch en sintels over
de dorpen heeft verspreid en nu sliepen wij er rustig doorheen. Wij
waren ontevreden over ons zelf!

In Fort de Kock was ter eere van Juliana's geboortedag alles gesloten
en in plaats van een drukken dag leek het ons er erg stil. Wij besloten
daarom maar direct het uitstapje te maken naar het meer van Manindjoe
en bestelden daarvoor in het hotel een extra goed voertuig met twee
paarden. Direct na de lunch zouden wij vertrekken. De equipage kwam
voor. Het was een klein houten karretje op twee hooge houten wielen,
waarin wij moeilijk rechtop konden zitten en voor onze beenen was
heelemaal geen plaats en daarvoor stonden een paar onbeschrijflijk
kleine, minne paardjes. Ons werd verzekerd, dat het erg goed was en wij
in de heele stad geen beter vervoermiddel zouden kunnen krijgen. Wij
lieten ons bepraten en stapten in. Inderdaad hebben de sukkelpaardjes
ons naar Matoër gebracht, maar over de 13 mijlen afstand deden zij ruim
4 uren. Gelukkig hebben wij in Britsch-Indië op kameelen en olifanten
eene oefenschool doorloopen, waardoor onze inwendige organen aan door
elkaar schudden gewend geraakt zijn, anders hadden wij het er op dezen
tocht nooit goed afgebracht. Herhaaldelijk zijn wij maar eens eindjes
gaan loopen om de rijsttafel, die wij om één uur genoten hadden, in
de plaats te houden, waar wij haar toen gedeponeerd hadden. Het is
jammer, dat er in Indië nergens waar wij tot dusverre waren, goede
huurrijtuigen en paarden te verkrijgen zijn. Vooral op deze reis,
die zooveel natuurschoon biedt, verliest men zooveel als men zich op
de meest primitieve wijze moet verplaatsen.

Gelukkig was de Passanggrahan, het regeerings-passantenhuis in
Matoër, zoo goed en zindelijk en comfortabel, dat het ons spoedig
het doorgestane leed deed vergeten en wij volop genoten van het vele
natuurschoon, dat van uit dit Sumatrasche dorpje te genieten valt. Van
verschillende punten zagen wij op het donkerblauwe, 600 meter onder ons
gelegen meer van Manindjoe, dat met zijne rondom gelegen rijstvelden
en koffietuinen en de blauwe bergenreeks een onbeschrijfelijk schoon
gezicht levert.

De controleur Barthelemy had de vriendelijkheid een der inlandsche
dorpshoofden, die gebrekkig Hollandsch sprak, te verzoeken ons den
volgenden dag als geleider te willen dienen en deze goede leidsman
maakte ons dien dag tot een waar genot. Eerst bracht hij ons naar eene
der oudste woningen van het dorp, waarin eene uitgebreide matriarchale
familie huisde en waarvan de gevel bijzonder door beeldhouwwerk en
goudversiering uitmunt. Het huis, de daarbij behoorende rijsthuisjes en
de tempel droegen hetzelfde versieringskarakter. Ook de baleh-baleh,
het huis, waarin de gemeenteraadszittingen gehouden worden, was
bijzonder mooi gebeeldhouwd en met goud opgesmukt. Daarna bracht hij
ons in de woning, waarin hij leeft. Het was eene familie met een Indoea
en zusters en dochters. Met een van deze dochters is hij getrouwd en
daar hij geen andere vrouwen heeft,--eene tweede vrouw, die hij had,
is gestorven--woont hij meestal bij vrouw, zusters, tantes en moeder
in. Ook hier werden wij weder op koffie, uit koffiebladen gemaakt,
vergast en wij kwamen tot de ontdekking, dat wij al een beetje aan den
smaak begonnen te wennen en als wij nog veel zulke visites afsteken,
het ten slotte nog lekker zullen gaan vinden.

Van daar bracht hij ons in eene woning, of liever buiten eene
woning, waar de vrouwen van het gezin bezig waren suiker te bereiden
uit suikerriet. Hier en ook bij de rijstbereiding wordt het zoo
aanschouwelijk voorgesteld hoeveel goedkooper wij, cultuurvolken,
suiker en rijst hebben, dan deze menschen. Zeven vrouwen waren reeds
van het zonnegloren bezig uit een stapel suikerriet, door middel
van een primitief persblok, dat door een os in werking werd gezet,
het sap te persen en het daaruitverkregen vocht tot suikerkoeken in te
dikken. Eene hoeveelheid suiker, waarvoor wij een gulden betalen, kost
zulke vrouwen met elkaar een paar dagen arbeid. Bij de rijstbereiding
kwam ik tot de zelfde gevolgtrekking. Alleen zoolang groote groepen
vrouwen in ééne familie samenwonen en vrouwenarbeid niet met geld
betaald wordt, kan een dergelijke productie zich handhaven; zoodra de
invloeden van buiten het matriarchale huishouden zal hebben opgelost
en de dochters gaan huwen, en buiten de familie gaan wonen, of een
betaalden werkkring gaan zoeken, moet de productie in het klein van
de eerste levensbehoeften plaats maken voor de machinale productie
en moet het den menschen duidelijk worden, dat men veel goedkooper
een pond machinaal bereide suiker kan koopen dan het zelf te maken.

Zoover als echter thans de stand van ontwikkeling van de
Minangkabausche Maleiers staat hebben de vrouwen nog handen vol werk;
men ziet ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bezig en men ziet
het aan haar zelfrespectvol uiterlijk, dat zij ook zeer goed gevoelen
van hoeveel belang zij voor de instandhouding van haar ras zijn. Zij
brengen het volgend geslacht in de wereld en doen tegelijkertijd bijna
al het belangrijke en verantwoordelijke werk, dat er voor maatschappij
en gezin te verrichten valt. Alleen daar, waar de nieuwe tijd nieuwe
werkzaamheden geschapen heeft, daar treedt de man op den voorgrond,
die door den 19en en 20en eeuwschen tijdgeest beschouwd wordt als de
rechthebbende op bijna al het buitenhuissche werk en op dat wat in
kantoor en publieke aangelegenheden moet worden verricht.



III.


Onze inlandsche geleider bracht ons vervolgens naar een plek, die
allermerkwaardigst is en ook in de Padangsche bovenlanden eenig is
in haar soort. Het was de plaats, waar de hoofden van het district
Matoër alle drie maanden hunne bijeenkomst houden. Het is een groot
open terrein, in de rondte afgepaald met honderd en twintig zerken,
even zoovele hoofden als er zijn; zerken, die alle zeer verschillen in
hoogte en breedte. Tijdens eene vergadering zit elk hoofd voor zijn
eigen zerk en naarmate zijn gezag of stand hooger is, naar die mate
is ook de afmeting van den steen, waarvoor hij zit. Er is er een van
naar gissing twee meter hoog en er zijn er die geen vijf-en-twintig
centimeter boven den grond uitsteken.

In de inlandsche school op Matoër, waarvan het hoofd der school
uitstekend Hollandsch sprak, konden wij ons, beter dan in eene
der voorgaande scholen, die wij bezochten, overtuigen van de
bevattelijkheid der inlandsche leerlingen. Hier liet het hoofd der
school de kinderen eenige proeven van bekwaamheid afleggen. Het
meest verbaasden wij ons over de vlugheid, waarmede de zeven en
achtjarige joggies en meisjes, die nog slechts zeven maanden de
school hadden bezocht, eenvoudige rekensommen met krijt op het bord
uitrekenden. Geene der kinderen, die wij zelf uit de klasse mochten
uitpikken, maakte een enkele fout in de eenvoudige vermenigvuldig-
en aftreksommetjes, die wij hun opgaven, terwijl zij daarbij zeer
duidelijke en gelijkmatige cijfers op het bord schreven. Trouwens
over het mooie schrijven der inlandsche schoolkinderen verbazen
wij ons steeds, daarmede kunnen de kinderen op onze scholen niet
wedijveren. Het hoofd der school had voor eigen rekening de laagste
klasse genomen; toen ik hem vroeg, waarom hij zelf de laagste klasse
onderrichtte, gaf hij ten antwoord: "dat doe ik om twee redenen:
de eerste is, omdat ik de eerste klasse het belangrijkste vind;
als de grond eerst goed bereid is, gaat het volgend onderricht veel
gemakkelijker; de tweede is, omdat het onderricht in de aanvangklasse
het moeilijkst is en ik als hoofd der school het moeilijkst
werk voor eigen rekening moet nemen". Worden in Amsterdam niet de
onderwijzeressen in de aanvangklassen geplaatst en meent de overheid
daar niet, dat dit het minst belangrijke werk van de school is?

Wij bezochten in Fort de Kock o.a. ook de kweekschool voor inlandsche
onderwijzers. Deze school, die acht-en-dertig jaar geleden met het oog
op vijftig leerlingen was ingericht, bevat nu reeds honderd-en-twintig
leerlingen. De jongelui zijn daar allen intern. Zij hebben ieder een
eigen frisch en licht kamertje met ledikant, stoel, tafel, waschtafel
en kast, dat hun gratis wordt verstrekt, alleen de kamerversiering moet
door de jongens zelf worden aangebracht. Boven de zeer goede kost en
inwoning, die het gouvernement dezen jongelingen kosteloos verschaft,
ontvangen deze toekomstige onderwijzers maandelijks nog eene geldelijke
toelage. Op deze school zijn ook enkele inlandsche meisjes, die voor
onderwijzeres worden opgeleid. Aan inlandsche onderwijzeressen is
zeer groote behoefte; in alle inlandsche scholen in Sumatra, die
wij bezochten werd door het hoofd der school geklaagd, dat hij geen
vrouwelijke leerkracht had, met een onderwijzeres aan de school zou
hij beter de vrouwelijke leerlingen in de klasse kunnen houden, die
nu op veel te jongen leeftijd de school verlaten, omdat zij dan niet
meer dagelijks alleen met mannen in contact mogen komen. Een gevolg
van de Mohammedaansche invloeden. Niettegenstaande de behoefte aan
onderwijzeressen worden de meisjes aan de kweekschool toch niet met
open armen ontvangen. Zij moeten bijzonder uitmunten, willen zij
toegelaten worden, zij moeten zelf voor kost en inwoning zorgen en
ontvangen geen maandelijksche toelage en bovendien werden er bij de
laatste toelating zes meisjes geweigerd, die een uitstekend examen
hadden afgelegd, omdat de klasse te vol zou worden en er voor een
gesplitste klasse geen leerkrachten aanwezig zijn. Is dat niet meten
met twee maten? Dit is natuurlijk niet aan de directie van de school
te wijten, maar wel aan de directie van Onderwijs in Batavia. Hoezeer
ook de Minangkabausche vrouwen naar onderricht verlangen, is er toch
voor haar nog maar een begin gemaakt om haar te ontwikkelen.

Het had mijne reisgezellin en mij reeds lang gehinderd, dat wij er
niet achter konden komen wat toch de naam Minang Kabau te beteekenen
heeft, maar eindelijk gelukte het ons toch van een der inlandsche
onderwijzers eene uitlegging te verkrijgen. Deze uitlegging, die ons
door andere inlanders bevestigd werd, is te merkwaardig om haar niet
hier mede te deelen. Zij luidt aldus: De Maleiers van de Padangsche
bovenlanden lagen onophoudelijk in twist en tweedracht met een naburige
groep Maleiers. Deze onophoudelijke twisten kostten beide partijen
steeds menschenlevens, have en goed en daarom kwam men overeen door
één flinken strijd de veete uit den weg te ruimen. De overwinnende
partij zou werkelijk daarna de overmacht krijgen. Wat deden nu deze
primitieve menschen? Zij lieten niet hunne flinke, gezonde, krachtige
jonge mannen een strijd op leven en dood aangaan en zoodoende de beide
partijen berooven van de beste elementen uit hunne samenleving, maar
zij kozen beiden hun sterksten os en lieten die twee samen de zaak
uitvechten. De os van de Padangsche bovenlanders overwon en sedert
dien tijd noemen zij zich Minang, in het Maleisch overwinnaar, en
Kabau, wat os beteekent. Ook de boogvormige daken ontleenen daaraan
hun oorsprong. De middelste groote boog heeft den vorm van de beide
hoorns van een kabau en de kleinere uitbouwsels stellen elk één hoorn,
de helft van de twee, voor.

Wat mij in dezen oorlog zoo bijzonder trekt, is het feit, dat
de Maleiers, die in dien tijd nog allen in matriarchaat leefden,
vorstinnen bezaten, die het oppergezag uitoefenden, al werd zoo'n
vorstin naar buiten uit toen reeds vertegenwoordigd door Radjas. Deze
vrouwen moeten het dus geweest zijn, die het oorlogvoeren toen
reeds in de ware beteekenis hebben opgevat, als een strijd om wie
de physiek sterkste is, een strijd, die evengoed door een paar ossen
als door gehuurde soldaten kan worden uitgevochten. Zouden wij alle
Europeesche landen niet er toe kunnen brengen hunne veeten ook op die
wijze te bevechten, het zou jaarlijks honderden millioenen aan leger-
en vlootuitgaven sparen; gelden, die in alle landen zooveel beter
dienst kunnen doen, en onze jonge mannen, die nu als kanonnenvleesch
gebruikt worden, zouden dan voor nuttiger doeleinden kunnen strekken.

Fort de Kock is een heel mooi plaatsje met een heerlijk koel klimaat,
maar bezit ongelukkig geen goede hotelgelegenheid, zoodat wij ons
verblijf er zeer kort maakten en naar Padang Pandjang terugkeerden. Het
eerste wat wij daar vernamen, was dat de Merapi dien morgen opnieuw
eene uitbarsting had gehad, zoo mooi als slechts zelden gezien
werd. Dat hadden wij dus weder gemist en ik vrees, dat wij er nu wel
geene meer zien zullen.

Wij zagen in dat lieve, vriendelijke stadje allerlei andere dingen. Den
geheelen dag stootte de Merapi nog mooie gele vlokkige wolken uit,
die zich langzaam in het heelal oplosten. Nu en dan werd eens een klein
pufje vernomen, dat aantoonde, dat de kolossus een beetje buikpijn had,
maar tot eene regelrechte uitbarsting kwam het toch niet meer.

Hadden wij op Ceylon de kaneeltuinen gezien, hier konden wij ons
verrijken met de kennis van het verder proces, dat de kaneelpijp
ondergaat, alvorens het in Holland voor vijf cents een heele zakvol in
de winkels verkocht wordt. Omdat die onschuldige kaneelstokjes, die in
gemalen vorm meestal zoo--ongekookt en ongewasschen--genuttigd worden,
een bron van ziekte kunnen opleveren, wil ik er op wijzen. Van dat de
takken de rose-getinte boompjes verlaten hebben, totdat zij buiten in
de zon gedroogd, gesorteerd en in bundels bijeengebracht zijn, gaan
zij door tal van inlandershanden. Dan staan die bundels kaneelstokken
open en bloot uren, soms dagen, voor een station opgestapeld en
worden zoo naar de markt afgeleverd. Hoe gemakkelijk kunnen zij niet
de overbrengers zijn van tal van besmettelijke ziekten, die min of
meer onder de inlanders voorkomen. Ik weet wel, dat ditzelfde geldt
voor vele andere specerijen, die in menig gezin ongewasschen gebruikt
worden, maar ik wilde op dit eene voorbeeld wijzen, misschien zal
dan wel de gevolgtrekking gemaakt worden, beter te doen, met al de
specerijen wat zindelijker te werk te gaan.

Van Padang Pandjang uit zijn vele interessante uitstapjes te maken, die
ons dubbel belang inboezemden, omdat overal de sawahs geel stonden,
zoodat de vrouwen allen druk op het veld bezig waren om de paddi
binnen te halen. Dit was bijna uitsluitend vrouwenwerk, slechts in
enkele gevallen hielpen daarbij mannenhanden. Het schilderachtige,
het poëtische van dit werk is reeds zoo dikwijls door daarvoor beter
in staat zijnde pennen, dan de mijne beschreven, dat ik mij gerust
ontheven kan achten voor Hollandsche lezers daarop te wijzen. Voor
ons was het gezicht op die drukwerkende vrouwen daarom zoo vol
interesse, omdat deze opgewekte, gelukkig uitziende menschen zoo'n
heerlijk contrast vormden met de zwaarmoedige, met haar lot ontevreden
uitziende vrouwen in Egypte en Britsch-Indië. Wil men zich overtuigen
dat de vrouw slechts gelukkig kan zijn, als verantwoordelijke arbeid
op hare schouders rust, dat de aard van de vrouw medebrengt, dat zij
nuttig bezig is en dat zij zich alleen onder zulke omstandigheden
tevreden kan gevoelen, men begeve zich naar de Padangsche bovenlanden
en vergelijke deze werkzame vrouwen met die in de landen, waar de
ontwikkeling der nijverheid of de heerschende zeden en gewoonten, haar
alle nuttige werkzaamheden gaandeweg uit de handen hebben genomen. De
geheele vrouwenbeweging, overal in de beschaafde wereld, die zich
oogenschijnlijk beweegt op verschillende paden, heeft toch feitelijk
geen andere oorzaak en geen ander doel, dan het willen terugwinnen
van de beteekenis, die de vrouw in de oorspronkelijke wereld voor het
ras bezat, het weder willen deelnemen aan het werk voor het algemeen,
weder verantwoordelijk gesteld worden voor de helft van den arbeid, die
gedaan moet worden tot instandhouding van het ras en den vooruitgang
der menschheid.

Maandag 6 Mei, verlieten wij reeds vroeg Padang Pandjang, omdat wij
nog dienzelfden dag in Padang moesten spreken in eene vergadering door
warme voorstanders van vrouwenkiesrecht aldaar voor ons belegd. Was het
niet, dat wij om die reden beneden moesten zijn, dan hadden wij ons
verblijf in de bovenlanden nog wat gerekt, waar wij zulke heerlijke
dagen hadden doorgebracht. Dat ons kort verblijf aldaar zoo vol
afwisseling was, dat wij in dien korten tijd, om zoo te zeggen, alles
zagen, wat er voor ons bezienswaardig en van belang was, danken wij
grootendeels aan de niet genoeg te waardeeren vriendelijkheid van den
gouverneur van Sumatra's Westkust, die te voren de assistent-residenten
en de controleurs der verschillende plaatsen, die wij gingen bezoeken,
schriftelijk had verzocht, ons bij ons bezoek in elk opzicht van dienst
te willen zijn. Aan dit schriftelijk verzoek hadden wij het te danken,
dat deze heeren, die zich allen op de meest voorkomende wijze van
deze taak hebben gekweten, van onze komst op de hoogte waren en ons
daardoor zoo goed hebben kunnen helpen.

In Padang werden wij met de grootste hartelijkheid bij onze beide
gastvrouwen en gastheeren ontvangen. De vergadering was tegen 7 uur
uitgeschreven en toen wij op dien tijd in het logegebouw aankwamen,
was de vergaderzaal reeds geheel gevuld met een belangstellend
publiek, zoowel heeren als dames. Ook hier bleek, dat het
vrouwenkiesrechtvraagstuk thans aller aandacht trekt, en dat men het
slechts heeft te bespreken om uit de belangstellenden voorstanders
te maken. Wel werd er na afloop der voordrachten van mrs. Catt en mij
gebruik gemaakt van de gelegenheid om bezwaren te opperen of vragen te
stellen, maar geen der aanwezigen scheen eenig bezwaar te hebben, wel
wenschte men op enkele punten nadere inlichtingen. Van een kant werd
de vraag geopperd, of niet de vrouwen het kiesrecht zouden deelachtig
worden, ook zonder dat er voor gestreden werd, of wel de tijd rijp
was voor de invoering ervan en of de mannen 't ons niet zouden geven,
ook wanneer wij er niet om vragen, doch deze illusie kon gemakkelijk
en met succes bestreden worden. Het gevolg van deze vergadering was,
dat er ook in Padang eene afdeeling tot stand kwam.

Van de vier dagen, die wij nog in Padang moesten vertoeven, alvorens
de boot ons weder naar Batavia zal terugvoeren, maakten eenige goede
vrienden gebruik, om diners, een gardenpartij, een automobieltocht
enz., te arrangeeren, en stelden ons daardoor in de gelegenheid niet
alleen met de ingezetenen van het schilderachtige stadje, maar ook
met zijne mooie omgeving kennis te doen maken.

Maar van die gardenpartij moet ik iets meer zeggen. De heer en
mevrouw Schlüter hadden die voor ons belegd. Hun prachtige tuin, die
met lampions en lichtpotjes feeëriek geïllumineerd was, leende zich
bij uitstek voor zulk een feest. Wat echter voor ons het bijzonder
aantrekkelijke was en ons dien dag nooit zal doen vergeten, dat
waren de Indische muziek en de Indische amusementen, waarmede wij
voor het eerst kennis maakten. Midden op een groot groen grasveld,
fantastisch beschenen door het licht uit de ontelbare lichtpotjes
rondom geplaatst, speelde de gamelan en werd er door eene Javaansche
schoone, in hofgewaad, getandakt, nu en dan in hare mooie, gracieuze
bewegingen bijgestaan door een mannelijken tandakker. En was het fijne,
Javaansche poppetje--'t was alsof zij van porselein was--moe dan
zweeg de gamelan en dan keerden wij onze stoelen om en verlustigden
ons in het gezicht van een groote groep mannen, die mêmantjakten,
dat is krijgsdansen en schermutselingen uitvoerden, waarbij hun eigen
opgewekt, melodieus gezang de maat aangaf. Wat steekt dat dansen van
deze inlanders, dat eigenlijk niets anders dan elegante, rhytmische
bewegingen is, toch hemelsbreed gunstig af bij onze danspartijen! Wat
staan hunne amusementen toch veel hooger dan de onze!

De Indische bevolking, die op de muziek van de gamelan van heinde en
ver was toegestroomd en in honderden zich driestweg in den tuin had
gewaagd, schaarde zich zittende en staande rondom de gamelan en de
dansende Maleiers en vormde in hare schilderachtige bonte kleeding
een achtergrond, die niet mooier kon worden uitgedacht. Ook bij deze
gelegenheid toonde de bevolking weder haar hoog peil van beschaving;
uit deze tallooze menigte werd geen luide stem vernomen; stil,
bijna geruischloos, waren zij binnengekomen en stonden daar even
bewonderend als wij naar het tandakken en mêmantjakken te zien. Alleen
als wij de uitvoerders door handgeklap toejuichten, waren het in
hoofdzaak de inlandsche kinderen, die ons in dit tevredenheidsbewijs
steunden. Onder deze vertooningen, waarbij ook nog de muziek van een
Chineesch orkest gevoegd moet worden, werden de gasten onophoudelijk
van spijzen en verfrisschende dranken voorzien, en ook daarbij werd
van de aanwezigheid van zooveel inlanders, waaronder toch ook vele
kinderen, niet de minste overlast ondervonden. Vergelijk met dit
alles eens iets dergelijks in ons land!

Padang en de Padangsche bovenlanden hebben op ons beiden een
diepen, blijvenden indruk gemaakt. Noch de prachtige natuur, noch
de buitengewone omstandigheden, waaronder de bevolking daar leeft,
noch de vele hartelijke menschen, die wij er hebben ontmoet,
die ons vriendschappelijk tegemoet zijn getreden en ons bezoek
zoo vruchtdragend hebben gemaakt, zullen ooit uit onze herinnering
verdwijnen. Sumatra's Westkust is alleen een bezoek aan onze koloniën
waard.

Nu wij op het punt staan, Sumatra voorgoed te verlaten, wil ik met een
enkel woord den indruk weergeven, dien over het algemeen de Maleier
op mij heeft gemaakt, omdat wij dezen nu niet meer zullen ontmoeten
en in hoofdzaak met den Javaan kennis maken.

Het is niet gemakkelijk, in een paar woorden te omschrijven, welke
die indruk is en daarom neem ik mijn toevlucht tot eene vergelijking
van de Maleiers, zooals wij die hier op Sumatra's Westkust ontmoet
hebben, met de inlanders in andere landen..

In Zuid-Afrika boezemden de inlanders mij groote sympathie in;
ik gevoelde voor hen als een moederlijke vriendin. Ik beschouwde
hen als kinderen, die met tact moeten worden opgevoed, waarbij er
waren met moeilijke karakters, maar zoo zeer velen, die slechts
goede leiding noodig hebben om tot bruikbare, zeer goede menschen
op te groeien. Van de Afrikaansche inlanders is m.i. alles te maken;
komen zij niet of niet goed terecht, dan kunnen wij dat toeschrijven
aan de verkeerde leiding, aan de dikwijls verdervende omstandigheden,
waaronder zij opgroeien.

In Britsch-Indië heeft de inlander mijn sympathie niet kunnen
verwerven. De weerzinwekkende indruk, dien de Hindoe in het Zuiden
van het land op mij maakte is wel langzamerhand wat verzacht, maar de
druk-doende, schreeuwerige Hindoe en Mohammedaan in Britsch-Indië,
de slimheid en geslepenheid in zijn optreden, zijn aanstellerige
manier om zijn godsdienst en kaste aan de wereld te openbaren door
middel van groene, gele en roode verf op zijn gezicht te smeren, maar
vooral ook zijn geloof en ongeloof, zijn afgodsdienst enz. zijn zoo
walgingwekkend, dat ik mij in geen enkel opzicht met deze menschen
verwant kan gevoelen.

De Maleische bevolking in Padang, doch vooral in de Padangsche
bovenlanden, hebben heelemaal niet den indruk verwekt, dat wij zoo
ver boven hen staan. Hun zelfbewust, waardig optreden, hun kalme
natuur, hun werkzame aard, (vooral wat de vrouwen betreft), hun
getoonde behoefte aan ontwikkeling, stellen hen op nagenoeg één lijn
met ons zelven, Wij mogen hen beschouwen als een jongeren vriend,
die goede leiding noodig heeft, die intellectueel hoog genoeg staat,
maar wien tot dusver de noodige opleiding onthouden is en die, zoodra
de gelegenheid tot geestelijke ontwikkeling maar genoegzaam geboden
wordt, met reuzensprongen zal vooruitgaan, om weldra in menschelijke
ontwikkeling geheel met ons gelijkgesteld te kunnen worden.

Men zegt hier: "de Maleier is lui"; in Deli vindt men den Maleier
ongenegen om koeliewerk voor ons te verrichten, maar dat laatste
stempelt hem in mijn oog hooger dan den Javaan en den Chinees,
die zich daarvoor wel gebruiken laten. Dat de Maleiers, en dit
geldt alleen voor de mannen, lui zouden zijn, is ook voor een deel
toe te schrijven aan de rechtsverhouding, waaronder deze menschen
nog leven. Hun rechtstoestand dateert nog van vele eeuwen her,
toentertijd was het misschien wijs en rechtvaardig, hunne wetgeving
zoo in te richten zooals die nu nog is, maar met hunne tegenwoordige
ontwikkeling en levensopvatting is deze dikwijls zeer in strijd.



OP JAVA.


III.


Den 9en Mei 's avonds, een halven dag vroeger dan wij verwacht hadden,
voer de "Tambora", een van de mooie booten van de Rotterdamsche Lloyd,
ons van Padang naar Batavia terug. Door deze vervroegde aankomst en
vertrek van de boot werd nog even het afscheidsdiner, door de familie
Kamerling voor ons belegd, in de war gestuurd. Toen de gasten kwamen,
moesten wij afreizen, alleen de vroegkomers konden wij nog even de
hand tot afscheid reiken! De heer Kamerling, die ons, niettegenstaande
't in de war gestuurde diner, toch zelf naar de boot bracht, had van
tevoren gezorgd, dat de bagage bezorgd werd, die reeds netjes op haar
plaats in onze hutten op ons wachtte.

Het waren een paar gezellige, vroolijke dagen, die wij aan boord
sleten. De laatste dagen aan boord van deze Hollandsche mailbooten
worden altijd als feestdagen beschouwd; het afscheidsdiner is een
maaltijd met een begin, maar zonder einde; goede wijn en champagne
wordt dan namens den kapitein den gasten geoffreerd; sigaren voor de
heeren, zoetigheidjes voor de dames en aardige, bruikbare souvenirs
vindt men naast zijn couvert of worden gedurende het diner rondgediend,
en als het oogenblik van de champagne is aangebroken, dan breekt
ook meteen de welbespraaktheid los en vloeien de toasten op elkeen
en ieder van veler lippen. De vroolijkheid behoefde niet met geweld
opgewekt te worden, ze kwam spontaan en 't was duidelijk, dat de vele
reizigers, die eenige weken gezamenlijk dit schip bevolkt hadden,
het te zamen goed hebben kunnen vinden en dat zij ook met den kapitein
en de officieren van het schip goede vriendschap hadden gesloten.

In Tandjong Priok aangekomen, hadden wij weder datzelfde gezeur met
de toelatingsbewijzen. Niettegenstaande wij onze toelatingsbewijzen,
die twee jaren geldig zijn, bij ons hadden, moesten wij toch wachten
tot allen klaar waren, omdat niemand vóór dien tijd van boord mocht
gaan. Op een snikheeten middag eenige uren in de haven van Tandjong
Priok doelloos door te brengen, gun ik mijn vijanden zelfs niet.

Het was in Batavia zoo heet--men vertelde ons, dat in veertig jaren
zoo'n hitte niet voorgekomen was--dat wij besloten zoo spoedig mogelijk
onze zaken aldaar te regelen en naar Buitenzorg te vertrekken en
daarmede onzen toer door Java te beginnen.

In het Hotel Bellevue te Buitenzorg vonden wij vriendelijke opname en
een paar frissche kamers met een wonderschoon uitzicht op den berg
Salak en op de daaronder stroomende rivier. Uren konden wij daar,
op de veranda zittende, doorbrengen met te kijken naar de kleine,
bruine kindertjes, die daar als jonge kikvorschen in en uit de rivier
sprongen en zich daar den geheelen dag amuseerden, terwijl hunne
moeders, tot aan het middel in het water staande, tallooze gekleurde
sarongs en witte baaitjes in den snelvlietenden stroom waschten en
ze dan op den oever te drogen legden. De berg zelf, tot aan den top
begroeid met theeplantages en palmboomen, bood ons een heerlijken,
rustigen aanblik. Drie dagen brachten wij in Buitenzorg door, dagen,
die vol waren met afwisselende indrukken.

Natuurlijk gold ons eerste bezoek de beroemde botanische tuinen,
den trots van Java. Zonder het opzettelijk te willen, maakte
ik toch onwillekeurig vergelijkingen met den mededinger naar de
kroon van de beste en de mooiste in de geheele wereld te zijn, den
Koninklijken Botanischen tuin in Paradenya, op Ceylon. Ik ben blij,
dat ik niet geroepen ben, in dezen uitspraak te moeten doen, want
het zou mij heel zwaar vallen uit te maken, welke van beide den prijs
verdient. Is onze Koninklijke tuin misschien smaakvoller aangelegd,
die in Paradenya bezit het voordeel, dat men bij elken boom en plant
naast den wetenschappelijken Latijnschen naam ook den gebruikelijken
Engelschen naam vermeld vindt, benevens den naam van het land, waar
die boom of plant inheemsch is.

Naast den botanischen tuin interesseerden ons het meest, de eveneens
beroemde kweek- en proeftuinen en de landbouwtuin. Hiermede verbonden
wij meteen een bezoek aan de landbouwschool, alwaar wij van het
onderwijs niet veel konden zien, omdat de jongelieden juist in de
examen-werkzaamheden zaten. Het waren in hoofdzaak jongens, geboren
uit Hollandsche vaders en inlandsche moeders, die de leerlingen vormden
en naar de directeur ons mededeelde, was het voornamelijk om voor deze
jongens een hun passenden werkkring te vormen, dat deze school was in
het leven geroepen. Ik hoop, dat er een hooger en meer algemeen belang
bij de oprichting en instandhouding van deze school beoogd wordt,
al is het resultaat dan ook, dat daarmede bedoelde jongelieden aan
eene maatschappelijke positie geholpen worden.

Ik wil niet opnoemen wat wij in Buitenzorg op zoölogisch, botanisch,
landbouwkundig, chemisch en phytopathologisch gebied meer voor
bijzonderheden zagen, doch met een enkel woord wil ik toch even het
zoö-phytopathologisch museum gedenken, met zijn bekwamen directeur,
den heer Ouwens, aan het hoofd, den man, die zoo met liefde zijn
interessanten arbeid volbrengt. Met hem als gids, brachten wij eenige
onvergetelijke uren in dat museum door, uren, waarin wij omtrent
de dieren in onze koloniën méér leerden, dan wij anders in maanden
zouden hebben gedaan. Wat maakt het toch een oneindig verschil, als het
hoofd van zulk een inrichting zijn taak met belangstelling en liefde
voor de zaak vervult, of, zooals ik ze ook wel eens heb aangetroffen,
zijn betrekking opvat als een baantje, dat hem tot kostwinning dient.

Eene vergadering met de daar bij ons vorig bezoek verkregen leden
van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, leidde tot de oprichting
van eene afdeeling Buitenzorg, die met 28 leden haar werk aanvangt.

Donderdagmorgen, 16 Mei, vertrokken wij 's morgens om 7 uur per
kar naar Sindanglaja. Ik schrijf per kar, Kahar Baloon, zooals de
inheemsche naam luidt, want rijtuig durf ik het niet noemen. Maar
hoe ongemakkelijk onze zitplaatsen in dit nauwe, op twee hooge wielen
draaiende karretje ook waren, spoedig hadden wij alle ongerieflijkheden
vergeten door het prachtige gezicht, dat onophoudelijk in tal van
variaties, onze aandacht boeide. Hoewel deze tocht, waarbij wij eerst
door drie, later door vijf paarden naar boven geheschen werden, ruim
zes uren duurde, hebben wij ons geen oogenblik over den langen duur
beklaagd. Niet alleen was het uitzicht op de bergen onbeschrijfelijk
mooi, maar ook de bevolking in de verschillende dorpjes, die wij
doorkwamen, bood ons telkens iets nieuws en gaf stof tot vele
opmerkingen.

Hoe hemelsbreed verschilt deze Soendaneesche bevolking van die
welke wij zoo kort geleden in de Padangsche bovenlanden zagen. De
Soendaneesche vrouwen zijn mooier dan hare Minangkabausche zusters,
maar dat is ook het eenige, dat wij in haar voordeel kunnen
aanvoeren. Zagen wij in de Padangsche bovenlanden overal aan den weg,
op het land, in de passars het werk door vrouwen verrichten, hier
over den Poentjakpas waren het bijna uitsluitend mannen, die het werk
deden, terwijl de vrouwen overal in groepjes bijeenzaten te babbelen,
of met een baby in de armen of aan de borst op den grond zaten en
lusteloos voor zich uitstaarden. Hier was geen spoor meer aanwezig
van de fiere, zelfbewuste houding der Minangkabausche vrouwen, hier
zagen wij moedertjes, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, met
een zwaarmoedig, levensmoe uiterlijk, waaruit elke grein van energie
geweken was. Het verwonderde ons niet, dat ook de kleine kindertjes
reeds die oude-mannen- en oude-vrouwen trek op hun gelaat vertoonden,
kindertjes, die stil neerlagen als ze in het zand gelegd werden,
en op wier gezichtjes, als het rijtuig eens stil hield, of als wij
eens verkozen door een dorp te loopen, in plaats van te rijden, wij
met geen mogelijkheid een lachje konden te voorschijn roepen. Hoe
kunnen zulke energie-looze moedertjes anders dan wezenlooze kinderen
het leven schenken?

In een paar dorpen, die wij doorgingen, was het passar-dag en nu zagen
wij steeds van alle zijden de mannen, zwaar beladen, met groenten,
vruchten en aardappelen ons langs den weg passeeren en passarwaarts
gaan. Geen enkele vrouw was onder hen. Deze mannen dragen hunne zware
vrachten niet, zooals de Minangkabausche vrouwen, op het hoofd, maar
hangende aan een lang juk over een der beide schouders. Dit juk is
meestal van bamboe gemaakt en wordt om beurten over den rechter of
linker schouder geslagen.

Op deze passars zaten mannen achter hunne vruchten- of
groenten-uitstallingen en mannen waren de koopers of verruilden hunne
meegebrachte zaken voor andere.

Nog iets viel ons bij deze menschen op, iets dat wij op Java en
Sumatra nog niet gezien hebben. Het was de onbeschaamdheid waarmede
deze Soendaneesche vrouwen haar bovenlijf onbedekt vertoonden. Het
miste hier geheel den indruk van naïeviteit, van niet beter weten
of van algemeen gebruik, het was veeleer een onverschilligheid,
een te lui zijn, om het jakje aan te trekken of doek om te slaan,
die andere vrouwen gebruiken om het bovenlijf te bedekken.

Alleen op de theeplantages, die wij hier en daar passeerden, waren
vrouwen aan het theeplukken,--een licht en slecht betaald werk,--en
dat was het eenige dat wij op den geheelen langen rit van vrouwenwerk
zagen. Deze Soendaneesche menschen verkeeren blijkbaar reeds in een
verder gevorderd stadium van maatschappelijke ontwikkeling dan de
Minangkabauers, hier is de landbouw, de arbeid, die oorspronkelijk
vrouwenwerk was, reeds geheel in handen van mannen overgegaan. Op
de landbouwschool in Buitenzorg, worden alleen jongens toegelaten,
tot nu toe hebben zich ook nog slechts jongens als leerlingen
opgegeven, maar als er meisjes mochten komen, die eene opleiding
op die school wenschten, dan zou de directeur zich met hand en tand
tegen de toelating verzetten. Voor de meisjes in deze buurten worden
nu door particulieren kant- en weefscholen opgericht, werkzaamheden,
die volgens onze Westersche begrippen meer geschikt zijn voor vrouwen,
en als de meisjes die scholen als volleerde werksters verlaten hebben,
kunnen zij met het aangeleerde nog niet het beetje rijst verdienen,
dat iemand hier voor voedsel noodig heeft.

Toen wij op 't hoogste punt van onzen weg gekomen waren, hielden wij
een oogenblik halt, om langs een mooien weg met prachtig uitzicht even
een bezoek te brengen aan het Telaga warna meer. Dit meertje is een
kratermeer, dat door een dicht geboomte met groote verscheidenheid van
kleur, omgeven is. Dit geboomte wordt in het water weerspiegeld en
verwekt den indruk, alsof het water telkens van kleur wisselt. Bij
fellen zonneschijn, als de zon zich achter een wolk verschuilt,
of als de wind de veelkleurig getinte bladeren dooreenmengelt,
verandert de kleur van het meer.

Op onzen tocht hadden wij een aardige ontmoeting. Zeer spoedig nadat
wij in Buitenzorg het hotel verlaten hadden, zagen wij voor ons een
zelfde soort karretje, ook met drie paarden bespannen, waarin één heer
zat. Toen wij voor den eersten keer uitstapten, stapte ook hij uit,
en begon met ons een gesprek over het doel van onzen tocht. Ook hij
ging naar Sindanglaja en daar hij, alleen gezeten en met zeer weinig
bagage over meer ruimte in zijn karretje beschikken kon dan wij,
nam hij bereidwillig eenige van onze zaken over.

Het is een Spanjaard uit Spaansche ouders, in de Philippijnen geboren,
die zijne opleiding tot advocaat aan de universiteit te Madrid
genoot. Hij is nu in Manilla in een staatsbetrekking. Met echte
Spaansche courtoisie ruimde hij alle moeilijkheden, die onze tocht
medebracht voor ons uit den weg en hij bleek een cavalier te zijn,
zooals wij ons niet beter konden wenschen. Hoewel de man niet ouder dan
35 à 40 jaar kon zijn, kende hij toch zoowat de heele wereld en gaf
ons voor onze verdere reis tal van wetenswaardige inlichtingen. Hij
kende Amerika zoo goed als mrs. Catt en over Holland sprak hij met
een kennis van zaken, die menig Hollander hem benijden kan.

Hij maakt nu een toer door Sumatra en Java, met het doel het geheim
te leeren kennen, waardoor Holland als koloniale mogendheid met beter
resultaten werkt dan de meeste andere landen, die over koloniën te
beschikken hebben. Daar hij in hetzelfde hotel ging logeeren, waren
wij, de twee dagen die hij in Sindanglaja vertoefde, onophoudelijk
met hem samen en hij bleek tot aan het eind de aangename causeur,
de wetenschappelijk ontwikkelde wandelgenoot en de gentleman van top
tot teen te zijn.

Hij schreef het succes van Nederland op Java en Sumatra, het laatste
had hij reeds bezocht, alleen toe, aan onze sociale gelijkstelling van
den Indo-Europeaan met den volbloed Europeaan. Hij had opgemerkt, dat
de geheele geschiedenis door in alle koloniale staten, de opstanden
voor zoover die niet uit godsdienstfanatismus ontstaan--altijd
ontstonden en geleid werden door kleurlingen, d.w.z. door menschen,
uit een mengsel van inlandsche en Europeesche ouders ontstaan. De
inboorling volgt zulke leiders gaarne en gewillig. Doordat bij ons de
Indo-Europeaan als Hollander beschouwd wordt, nemen wij de aanleiding
tot een opstand weg, en mochten de Hollanders op dezen ingeslagen weg
voortgaan, door ook de inlanders als Hollanders te gaan behandelen,
door hun bij gelijke ontwikkeling aanspraak te geven op gelijke
maatschappelijke positie, door hen in onze sociale kringen op te
nemen en hen op voet van gelijkheid te behandelen, dan zou het kleine
Nederland in staat blijven, zijne groote koloniën te behouden, want
dan zou het in de bevolking zelf, een machtigen steun hebben. Dit
was zijne meening. Hij was er niet voor, de koloniën op te voeden
tot zelfregeering, hetgeen Amerika met de Philippijnen voor heeft,
maar wel, om de koloniale bevolking op te voeden tot het peil van
beschaving en ontwikkeling van den staat, die hen regeert, zoodat
zij één wordt met dien staat en de bevolking zich ook één met hare
vroegere overheerschers gevoelt.

Daar onze nieuw verworven vriend den 1en Juli in Manilla terug moest
zijn, reisde hij sneller door Java dan wij, en verliet hij ons na
twee dagen oponthoud in Sindanglaja. In Manilla hopen wij later de
vriendschap voort te zetten.

Een van onze eerste bezoeken van uit Sindanglaja gold de
landbouwkundige tuinen in Tjibodas. Elk in een draagstoel gezeten,
gedragen door vier inlanders, legden wij den steilen steenigen,
slechten weg naar boven, in ongeveer twee uren af. Het was echter een
prachtig uitzicht, dat wij onophoudelijk genoten. Deze botanische
en landbouwkundige tuin, midden in een oerwoud, 1500 meter hoog
gelegen, bevat alle planten, die in de tuinen van Buitenzorg niet
willen bloeien, omdat zij een kouder klimaat behoeven. Deze tuin
kan vergeleken worden met den Ceylonschen tuin in Newrelia, die
om dezelfde reden als de onze een aanhangsel is van den tuin in
Paradenya. Onze Tjibodas-tuin staat echter in menig opzicht, doch
vooral wat aanleg en planten-verscheidenheid betreft, veel hooger
dan de Newrelia'sche. Hier leggen de Engelschen het bij ons af.

Het is maar goed, dat wij in Britsch-Indië door het rijden op kameelen
en olifanten aan het dooreen-schudden gewend geraakt zijn, anders
hadden wij het op dien tocht naar Tjibodas, drie uur heen en terug,
nooit in de draagstoelen uitgehouden. Dat zitten in draagstoelen,
berg-op, berg-af geeft een emotie, die minder goede zeevaarders dan
wij twee zijn, zeker zeeziekte aan land zou bezorgd hebben; het maakte
ons alleen wat duizelig en liet een vage hoofdpijn achter.

Een kwartier wandelen van hier, langs een mooien landweg, in Tjipanas,
ligt het landgoed van den gouverneur-generaal in een prachtig park,
dat vreemd genoeg, voor het publiek gesloten is. Door een toeval
kregen wij gelegenheid om in dit goed onderhouden en idyllisch mooi
gelegen park te wandelen. Als de gouverneur zijn landschap dikwijls
bezocht, zou er misschien reden kunnen zijn, om wandelaars te weren,
maar zelden of nooit komt Z. Exc. er den dag doorbrengen, of er eenige
dagen vertoeven, zoodat deze uitgestrekte bezitting bijna uitsluitend
ten dienste is van het daar wonend ondergeschikt personeel.

Toen wij op onze wandeling door het dorpje een beetje van den grooten
weg afdwaalden, kwamen wij spoedig in een dicht bosch, alwaar op bijna
alle boomen wildgroeiende orchideeën voorkwamen. Het is opmerkelijk,
hoe hier overal langs den weg wild-groeiende orchideeën te vinden
zijn. Hoewel de bloemen niet zoo groot als de bij ons voorkomende,
gekweekte soorten zijn, is de kleur van deze, hier gevondene dikwijls
fijner en zachter. Sommige er van bezitten een heerlijken zoetigen
geur.

Eenige door mij geplukte soorten van deze bloemen, omgeven door een
rand van roodbruine bladeren, van een hier ook in 't wild groeienden
heester, vormde zoo'n mooie bouquet, dat elke bloemist er naar
hunkeren zou.

Het hotel in Sindanglaja, dat tevens tot herstellingsoord dient,
is zeer mooi gelegen en geeft uit bijna alle kamers een mooi
uitzicht op de rondom gelegen bergen. De temperatuur in Sindanglaja
is zeer behagelijk, het is er niet te warm en niet te koud. Het
zou gewis de meest gewenschte plek op aarde zijn voor vele rust-
en herstel-zoekenden, als de huishouding in het hotel een beetje
beter gevoerd werd. Die laat zeer veel te wenschen. Ook klinkt
het een beetje paskwillig, dat eene inrichting, die zich als
"herstellingsoord" publiceert, geen dokter bezit, en er zelfs de
meest gebruikte medicamenten niet te krijgen zijn. Er komt eens per
week een dokter uit een ander oord, die aan den directeur vraagt,
of er ook zieken zijn, en daarna weder verdwijnt.

Niettegenstaande deze bezwaren brachten wij tweetjes toch vier rustige
dagen in Sindanglaja door, dagen die ons geheel restaureerden en die
ons tot de gelukkige ontdekking brachten, dat er met een paar dagen
rust in een koeler klimaat toch nog een beetje van de oude energie
in ons aanwezig is. Wij waren er aan gaan twijfelen.



IV.


Niet zoo moeilijk als het was voor ons om in Sindanglaja te komen, was
het om er weder uit te verdwijnen. Wij behoefden daartoe slechts met
een rijtuigje den ongeveer negen kilometer langen weg naar Tjiandjoer,
die geheel bergafwaarts voert, af te leggen. In Tjiandjoer zouden
wij den trein vinden, die ons naar Bandoeng moest brengen. Wij hadden
reeds twee dagen tevoren in het hotel Sindanglaja paarden en rijtuig
besteld, om toch vooral zeker te zijn, dat wij op tijd en zonder
ongelukken ter bestemder plaatse zouden aankomen, en niettegenstaande
de herhaalde verzekeringen van den chef van het hotel, dat het rijtuig
ons in één uur naar beneden aan het station kon brengen en wij dus
niet eerder dan acht uur van Sindanglaja behoefden te vertrekken,
hadden wij toch maar de voorzichtigheid betracht met om zeven uur
weg te rijden. Wij hadden de keuze tusschen een Kahar Baloon of een
dos-à-dos en hadden de laatste gekozen, omdat die rijtuigjes, laag bij
den grond zijnde, ons in de gelegenheid stellen bij bokkesprongen van
de paardjes, er gemakkelijk uit te springen. In een Kahar Baloon is men
meedoogenloos aan de bijna ongetemde grillen van de lieve beestjes,
die men hier paarden noemt en als zoodanig gebruikt, overgeleverd,
want in zoo'n balonkar kan men alleen met behulp van een trapje uit-
en instijgen. Gelukkig, dat wij zooveel voorzorgen getroffen hadden,
want tot tweemaal toe gevoelden wij ons verplicht uit ons karretje
te springen, omdat de twee vurige paardjes meenden genoeg gedaan
te hebben en pogingen aanwendden om zich van den inhoud der kar
te ontdoen, met ons over den dijk te gooien. Ook vertikten zij het
eenige keeren om een stap voorwaarts te gaan, zoodat het koetsiertje,
met behulp van een voorbijgaanden inlander, de beestjes een eindweegs
moest voorttrekken, om er zoodoende weder den gang in te brengen. Dat
alles had ten gevolge, dat wij in Tjiandjoer aankwamen toen de trein
reeds daar was en op het punt van vertrekken stond. Een onzer zorgde,
dat de handbagage in den trein geworpen werd, de ander nam gauw twee
kaartjes, en zoo regelden wij het om op het laatste oogenblik nog in
den trein te komen en mede te kunnen afreizen. Zoo'n trein verzuimen
zegt hier veel in Indië, want er staat maar niet zoo op eens een
tweede trein gereed, zooals wij dat in Holland gewend zijn.

Toen wij eindelijk voortrolden in een gemakkelijken, neen,
zeer gemakkelijken en uiterst zindelijk onderhouden waggon van de
Staatsspoorwegen, toen konden wij ons verlustigen aan den aanblik van
de streek, die wij doortrokken. Wij hadden het getroffen met te zitten
in de achterste waggon, waaraan een balcon verbonden was, dat ons een
ruim en vrij uitzicht bood over de heerlijke vlakten in de Preanger
Regentschappen. De uren, in den trein doorgebracht, vlogen om als
waren het even zoovele minuten en toen wij te Bandoeng aankwamen en
daar aan het station opgewacht en begroet werden door de Bandoengsche
Kiesvereeniging, die mij voor een spreekbeurt had uitgenoodigd,
en door mevrouw Willy Berton, ons vroeger Amsterdamsch bestuurslid
van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, verkeerden wij in zoo'n
opgewekte stemming over het genotene, dat wij nauwelijks realiseerden,
dat hier in Bandoeng weder "werken" onze plicht zoude zijn.

Bandoeng is een verrukkelijke stad; er is het geheele jaar door
een temperatuur, die niets te wenschen overlaat. Het is er nooit te
koud en het is er nooit te warm. Daarbij ligt het zoo te midden van
een prachtige natuur, dat men er tal van heerlijke uitstapjes kan
maken. Er wonen juist genoeg Europeanen om gezamenlijk wat kunstgenot
te kunnen betalen en ook noodzakelijke, nuttige instellingen in het
leven te houden.

Waarom vestigen alle groote lichamen hunne hoofdkantoren niet hier,
inplaats van in het door de hitte bijna onbewoonbare Batavia? En waarom
wordt de regeeringszetel niet naar hier overgeplaatst? Als ik het in
Holland niet meer naar mijn zin vind, ga ik naar Bandoeng. Waarom
gaan de menschen naar Italië, naar Zwitserland; wat men daar zoekt
en slechts voor een deel van het jaar vindt, is hier onophoudelijk
te genieten. Voor het onderwijs van de kinderen zoekt men die andere
landen, maar bij genoegzame deelname zijn hier toch ook goede scholen
te stichten. Als er ooit in Indië een universiteit komt, moet die
in Bandoeng gevestigd worden, want hier kunnen de jongelieden met
heldere koppen werken, hier behoeft hunne energie door de hitte niet
verlamd te worden.

Wij rekten ons verblijf in Bandoeng zoolang wij konden, en bleven er
tot na de Pinksterdagen. Dat waren bijzondere drukke dagen voor het
stadje. Niet alleen hielden de kina-kultuurondernemers, de theeplanters
en de koffie dito's er eene bijeenkomst of een congres in die dagen,
maar er had nog een andere bijeenkomst plaats, die ten doel had de
leden der gemeenteraden over heel Java tot een bond te vereenigen, om
zoodoende de belangen der afzonderlijke gemeenten op betere wijze dan
tot nu toe te kunnen behartigen. De bijeenkomst droeg den grootschen
naam van "Decentralisatie-congres", en had plaats ten huize van den
regent van Bandoeng.

Door middel van mijn perskaart kreeg ik toegang tot dit congres. Het
vorige jaar kwamen door de bemoeiingen van het oud-Kamerlid Van Kol
en op zijn initiatief, eenige heeren, allen deel uitmakende van de
verschillende gemeentebesturen uit Nederlandsch-Indië, bijeen, die
de wenschelijkheid gevoelden van de totstandkoming van een bond van
gemeenteraadsleden met een eigen orgaan, zoodat de gemeentebelangen
beter dan tot dusverre behartigd kunnen worden. Het is nog zoo
kort, dat onze broeders in Indië de bevoegdheid verwierven de
gemeentebelangen, voor een deel, zelve te mogen regelen. Vele
gekozenen in de gemeenteraad schijnen hun taak ook met liefde en
toewijding te vervullen, maar zij gevoelen zich als een beginnende
schaatsenrijder, zij hakkelen nog wat in de kunst en weten nog
niet goed of de rechter- dan wel de linkervoet voor moet gaan. Niets
begrijpelijker dan dit. Wijsheid te putten uit de gemeente-handelingen
onzer Nederlandsche groote steden helpt slechts weinig, omdat de
toestanden hier zoo geheel anders zijn. Door elkaar voor te lichten
met wat in de eene gemeente met goed resultaat tot stand kwam, of
wat onvoorziene slechte gevolgen had; door groote belangen, die voor
heel Indië konden gelden, samen te bespreken, kan men elkaar helpen
en steunen en de gemeenten kunnen daarvan de goede vruchten plukken.

Den 26en en 27en Mei had nu de tweede bijeenkomst plaats, die echter
het eerste congres moet worden genoemd, omdat nu voor het eerst eenige
onderwerpen door verschillende sprekers zouden worden ingeleid,
onderling besproken en over de daaruit voortgevloeide stellingen
gestemd zoude worden.

Nadat de oude regent even alle aanwezigen in zijn woning had begroet,
ging hij heen en werd het congres met een kort, passend woord
geopend door den resident van Bandoeng, den heer Oudemans. Deze
had, op verzoek, het presidium voor deze bijeenkomst aanvaard,
omdat de aangewezen president niet tegenwoordig kon zijn en zijn
plaatsvervanger de taak niet aandurfde. Benevens de resident waren
ook nog de heeren Tollenaar, regeerings-vertegenwoordiger, en ons
Eerste Kamerlid, Van Deventer, tegenwoordig. Verder was de opkomst
bedroevend gering. Dat was zeer te betreuren, omdat de onderwerpen,
die ingeleid werden, zeer belangrijk waren, en naar het mij voorkwam,
zeer degelijk werden behandeld.

De heer D. de Jongh Wz. hield de zakelijke openingsspeech, waarin
hij het doel van deze bijeenkomst schetste. Dat is samen te vatten
in de volgende woorden: Dit congres moet de belangstelling wekken
der gemeenteraadsleden en daardoor moet men komen tot een "Bond ter
bevordering van gemeentebelangen".

Daarna sprak de heer Westerveld, Semarangsch gemeenteraadslid, over
"Gemeentelijke grondpolitiek". Helder en goed gedocumenteerd was zijne
voordracht, die gemeentelijk grondbezit aanbeval. De 6 stellingen,
die ten slotte uit de voordracht getrokken, aan stemming onderworpen
werden en met algemeene stemmen werden aangenomen, komen daarop neer:
1. dat de uitbreiding eener gemeente alleen mag geschieden volgens een
door den gemeenteraad vastgesteld uitbreidingsplan. 2. Dat de gemeente
de bevoegdheid deelachtig wordt om ten algemeenen nutte gronden te
onteigenen. 3. Dat gemeentelijk grondbezit in de eerste plaats moet
dienen tot verbetering der volkshuisvesting. 4. Dat bij overname van
door particulieren aangelegde straten de voorwaarde wordt gesteld,
dat de grond kosteloos aan de gemeente wordt afgestaan en tevens een
grooter of kleiner deel van de gekapitaliseerde onderhoudskosten in
de gemeentekas wordt gestort, en 5. Dat het gemeentelijk grondbezit
afzonderlijk beheerd moet worden.

Daarna sprak de heer De Jongh over het Verkeersvraagstuk in de
gemeenten. Ook deze spreker had zijn onderwerp goed bestudeerd
en beschikte over de talenten om op aangename en duidelijke wijze
zijne overtuiging bij zijne hoorders ingang te doen vinden. Hij is
een groot voorstander van gemeente-exploitatie van tramwegen, doch
zoolang dit uit gebrek aan middelen een ideaal moet blijven, wil
hij de particuliere exploitatie aan zeer scherpe voorwaarden binden,
voorwaarden, die het te allen tijde mogelijk maken, dat het bedrijf
door de gemeente op niet al te nadeelige voorwaarden kan worden
overgenomen. Ook deze spreker heeft zijne voordracht in stellingen
samengevat, die ook eenparig werden aangenomen.

Dat in stemming brengen en aannemen van al de stellingen beteekent
eigenlijk niets anders, dan dat het handjevol der daar aanwezige
gemeenteraadsleden van slechts zeer weinige gemeenten in hoofdzaak met
de denkbeelden van den voorsteller kunnen meegaan; verdere beteekenis
mogen wij daaraan vooralsnog niet hechten. In beide deze voordrachten
trof het mij, hoe de belangen van den inlander steeds nummer één werden
gesteld, en hoe men er op voorbedacht is om de gemeentepolitiek in
de eerste plaats dienstbaar te maken aan de belangen der inlandsche
bevolking.

Den tweeden dag werd door mr. Van Wijngaarden het vraagstuk van
"Gemeenteraad en Inlandsche Gemeente" ingeleid, doch dit is zoo'n
ingewikkelde juridische kwestie, dat ik daarvan den inhoud niet
in een kort bestek kan samenvatten, ook al niet, omdat ik er
niet genoeg van begrijp. Dit laatste was toch het geval met de
meeste aanwezigen, waardoor dan ook de stellingen niet in stemming
konden worden gebracht, doch men algemeen van oordeel was, dat
dit vraagstuk grondig moest worden bestudeerd en in een ander
congres opnieuw ter sprake worden gebracht. Daarna sprak de heer
J. E. Stokvis, over Gemeenteraadscommissies. Onnoodig zeker te zeggen,
dat hij een groot voorstander bleek te zijn van zulke lichamen,
of lichaampjes, die in de gemeenteraden eigenlijk het practische
werk verrichten. Toen deze besprekingen afgeloopen waren, werd de
wenschelijkheid besproken van eene definitieve oprichting van eene
"Vereeniging ter bevordering van gemeentebelangen", waarvan elkeen,
ook niet-gemeenteraadsleden, die aan de behartiging dier zaken wil
medewerken, lid kan worden. Uitdrukkelijk wordt in het reglement
door den heer Stokvis samengesteld, uitgesproken, dat vrouwen, onder
dezelfde voorwaarden als de mannen, lid dezer vereeniging kunnen
worden. Dit is een zeer verstandige maatregel, want het zou mij niet
verwonderen, als niet zeer spoedig zal blijken, dat de vrouwen hier
meer belangstelling toonen in de gemeentebelangen dan tot dusverre
de mannen deden, enkele zeer bijzondere gunstige uitzonderingen
daargelaten. De vrouwen in Indië hebben nu gelegenheid van hare
belangstelling te doen blijken, daarmede aantoonende, hoe bekrompen,
en meer de traditie dan het belang der Indische gemeenten dienende,
de uitsluiting der vrouw tot het kiezen van en verkiesbaar zijn voor
gemeenteraadslid in Indië, in de Verkiezingsordonnantie van 19 Januari
1908 is geweest. Was er toen een gouverneur-generaal in Indië geweest
met een helderen kop en met de moed zijner overtuiging, dan had hij,
in het belang der Indische gemeenten, nooit het woordje "mannelijk"
in artikel 2 van de Kiesordonnantie gelascht. De vrouwen, onder welke
er vele zijn, die de gemeentebelangen begrijpen en ze wenschen te
bevorderen, moeten nu eerst den strijd aanbinden om dat woordje uit
artikel 2 verwijderd te krijgen, alvorens zij met vrucht haar werk
ten nutte der gemeente kunnen aanvangen. Dat zij dezen strijd zoo
spoedig mogelijk zullen aanbinden, daarvan zal ieder verzekerd zijn,
die vele der flinke vrouwen hier heeft leeren kennen en waardeeren.

Tijdens mijn verblijf in Sindanglaja vond ik op de leestafel in het
hotel aldaar "het Tijdschrift", een maandblad, dat sedert korten tijd
hier in Bandoeng uitgegeven wordt, onder de bekwame leiding van den
heer Douwes Dekker. Het toeval wilde, dat juist in het nummer dat
in mijne handen kwam het program van de partij of de vereeniging,
waarvan "het Tijdschrift" het orgaan moet zijn, ontwikkeld werd
en dat ik daarin las, dat het doel kort en bondig daarop neerkomt:
"Indië voor de Indiërs". Natuurlijk dacht ik, dus dan toch ook bij
ons, evenals in Britsch-Indië, eene beweging tegen de overheersching
der Europeanen, dus ook hier een begin van opstand, of ten minste
eene poging om zich van den Nederlandschen invloed en Nederlandsche
macht te bevrijden. Het was natuurlijk mijn eerste werk, toen ik in
Bandoeng kwam, om mij te overtuigen van den omvang dezer beweging
en van de reden, die de leden tot verzet noopt. Nu weet ik niet of
ik teleurgesteld of blij moest zijn, toen ik vernam dat er van een
dergelijke beweging in onze koloniën vooralsnog ten minste geen sprake
is, dat de redacteur van "het Tijdschrift" een nog op zichzelf staand
leider is van eene denkbeeldige vereeniging of bond, dat er wel hier en
daar personen gevonden worden, die met zijne inzichten sympathiseeren
(zou er wel ooit iemand eene meening geuit hebben, waarvoor niet hier
en daar geestverwanten gevonden worden), doch dat er onder die personen
nog geene organisatie bestaat. Het komt mij een versnippering van de
intellectueele krachten van den heer Douwes Dekker (een achterneef
van Multatuli, die eenige van de goede eigenschappen van zijn oudoom
overgeërfd heeft) voor, om in onze koloniën deze Britsch-Indische
beweging na te bootsen, ten eerste omdat de conditiën, waaronder onze
inlanders en vooral onze Indo-Europeanen leven, zooveel gunstiger
zijn dan die van dezelfde categorie personen in Britsch-Indië en ten
tweede, omdat onze inlandsche bevolking bij lange na niet staat op
denzelfden trap van ontwikkeling als de Britsch-Indische.

Als wij eens de onderlinge twistpunten, vooral uit verschil van
godsdienst voortspruitende, buiten beschouwing laten, dan kan men
gerust zeggen, dat Britsch-Indië zich zonder de hulp van Engeland
zal kunnen staande houden en zich verder ontwikkelen. Ik bedoel niet
tegenover vreemde mogendheden, maar als een volk op zichzelf. Zij
beschikken over genoeg krachten om scholen te stichten en 't volk
verder te ontwikkelen, terwijl ook hunne industrie op zeer voldoende
wijze in de behoeften van het volk kan voorzien. Daarbij komt,
dat de half-Europeaan, die aan een Europeeschen vader of moeder en
een inlander zijn ontstaan dankt, daar onder de inlanders geteld
wordt en het vooral deze zijn, die de beweging "Indië voor Indiërs"
sterk steunen. Voor deze halfbloed inlanders in Britsch-Indië zijn de
levensvoorwaarden uiterst slecht; geen wonder, dat dezen elk middel
aangrijpen om tot betere omstandigheden te komen.

Vergelijk daarmede eens onze koloniën. Wanneer Nederland Java en
Sumatra thans onafhankelijk maakte, afgezien van het feit, dat andere
mogendheden spoedig en gaarne de voogdijschap zullen overnemen, dan
zouden beide eilanden in minder dan geen tijd terugzinken tot het peil
van beschaving, dat zij een eeuw of langer geleden bezaten. Het volk
beschikt nog niet over genoeg financieele en intellectueele kracht
om zichzelf verder op te heffen, terwijl de industrie