Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De moedige vrouw
Author: Key, Ellen, 1849-1926
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De moedige vrouw" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                           Ellen Key

                        De Moedige Vrouw

                        Uit het Zweedsch
                         (Tanke Bilder)

                              Door

                          Ph. Wijsman



                           Amsterdam
                     C. A. J. van Dishoeck
                              1899



         Leiden: Boekdrukkerij van L. van Nifterik Hz.



INHOUD.


    Conventioneele vrouwelijkheid                1
    Moed                                        20
    Vrijheid                                    29
    Rust                                        52
    De vrouw der toekomst                       65



                            De vrouw die moed heeft om naar
                            persoonlijke vrijheid te streven en zich
                            in de stilte der eenzaamheid rekenschap
                            te vragen van hare handelingen, woorden
                            en gedachten, is op den goeden weg om
                            voor latere geslachten te vormen:

                                    "De ideale vrouw der toekomst."



CONVENTIONEELE VROUWELIJKHEID.


Het conventionalisme is de stilzwijgende overeenkomst, den schijn
voor het wezen, vorm voor inhoud, en bijzaken voor de hoofdzaak
in de plaats te stellen. In zekeren zin behooren ook de, bij de
verwisseling van het schoonheidsgevoel in verscheidene tijdperken
veranderende, modes ertoe. In de diepere beteekenis van het woord
valt altijd een gedeelte van deze aangenomen leer der welvoegelijkheid
tezamen met die van zeden en gebruiken, met het begrip van de mate van
zelfbeheersching en zelfverzaking, die ieder persoon heeft in acht te
nemen in den omgang met anderen. Hoe meer men vordert in de beschaving
en ontwikkeling, des te ruimer worden de grenzen genomen, waarin aan de
samenleving de beoordeeling wordt toegestaan van ieders persoonlijk
geloof en zienswijze, van ieders arbeidsveld en gewoonten in het
dagelijksch leven. Hoe langer hoe meer begint men te begrijpen, dat
elke uiting van persoonlijke gevoelens, die op het recht van anderen
geen inbreuk maakt, vrij behoort te wezen. Een vrij groot gedeelte
van de taak der beschaving in het tijdperk van elk nieuw geslacht,
heeft altijd bestaan en bestaat ook nog, in het afschaffen van eenige,
tot ledige vormen ontaarde gebruiken, doode overblijfselen van hetgeen
vroeger bestond, die de nieuwe planten verhinderen om krachtig op
te schieten. Wij hooren in onze dagen telkens weer stemmen opgaan
die vrijheid en keuze tegenover de tot richtsnoer aangenomen zeden
verlangen voor het persoonlijk geweten en de persoonlijke neiging. In
dezen eeuwigdurenden strijd komt het er vooral op aan te beslissen,
wat ook nu in werkelijkheid nog recht van bestaan heeft en wat alleen
hinderpalen zijn voor een edeler vrijheid, eene diepere waarheid,
een grooter oorspronkelijkheid, een rijkeren levens-inhoud; in éen
woord: wat daarin is ontaard tot ledige vormlijkheid.

Maar niet alleen met verouderde gebruiken en vormen moet afrekening
gehouden worden. In elken kring worden nog voortdurend dergelijke doode
overblijfselen van voorheen opgegraven en in den vorm van vooroordeel,
van kleinzielige beweegredenen en wankelmoedige, onzelfstandige
gewoonten, gehuldigd. Bij de vrouwen is die vormendienst ten allen
tijde sterker ontwikkeld dan bij de mannen. Want de zucht tot
het bijbehouden van "hetgeen altijd zoo is geweest" wordt helaas
dikwijls een steun voor het conventioneele gedrag der vrouw in de
samenleving. Zelden zijn de vrouwen zóo persoonlijk ontwikkeld dat
zij, bij hetgeen zij wenschen te behouden, schijn van wezen, vorm
van inhoud, kunnen onderscheiden; en zelfs, al zien zij het verschil
in, ontbreekt het haar toch gewoonlijk aan den moed om inhoud en
degelijkheid te verkiezen boven vormen en schijn, wanneer de groote
meerderheid vóor de laatstgenoemden stemt.

In het laatste tiental jaren is er in de letterkunde, zelfs in de
werken van vrouwelijke auteurs, een krachtige stem tegen die ledige,
holle vormen opgegaan. Die oppositie werd vooral gericht tegen het
verouderde ideaal der vrouw, volgens hetwelk zelfverloochening de
edelste vrouwelijkheid vertegenwoordigde en tegen het verouderde
begrip omtrent de zedelijkheid, volgens hetwelk de liefde zonder
huwelijk onzedelijk, maar een echt, ook zonder liefde gesloten,
voor zedelijk gehouden wordt.

De vrouwen welke thans het nieuwe ideaal huldigen: "zelfontwikkeling
tot toewijding van haar persoon en leven aan anderen," ontmoeten
van de vooruitstrevende geémancipeerden onzer dagen dezelfde weinig
beteekenende verwijten als die, welke in 1850-60 gericht werden tot
de voorstanders der toen nieuwe beweging op dat gebied.

Immers die vroegere émancipatiebeweging had in hoofdzaak ook ten
doel de menschelijke rechten der vrouw te doen gelden, in het
algemeen beschouwd. De latere is er op uit het recht van iedere
vrouw als persoon, te verdedigen; dat is te zeggen: het moet der vrouw
onvoorwaardelijk vrij staan te gelooven, te denken naar haar eigen wil;
zelfs te handelen naar eigen goedvinden, wanneer zij hierbij niet de
rechten van anderen kwetst. Aangezien dat eerste in algemeenen zin kan
worden beschouwd, kon het voor een groot gedeelte collectief worden
beoefend; de zelfstandigheid der vrouw in hare daden moet natuurlijk
het recht van ieder van haar, als persoon, gelden. Dit bedenken de
vrouwen, die voortdurend ijveren voor dat eerste doel, de algemeen
menschelijke rechten der vrouw, niet genoegzaam. Zij dringen er niet
in door, dat elke vrouw niet slechts haar aandeel behoort te hebben
in het algemeene recht als mensch, maar dat ook hare persoonlijke
rechten, overeenstemmend met haar eigenaardigen aanleg en karakter,
gewaarborgd moet worden door de maatschappij. De strijd betreft in de
eerste plaats het recht der vrouw op een, misschien van alle bestaande
leerstellingen en van het tot nu toe gehuldigde ideaal afwijkend,
temperament. Dit is de groote kwestie tusschen de afzonderlijk voor
haar gevoelens pleitende vrouw en de vertegenwoordigsters van het
nieuwe tijdperk in het vrouwelijk bestaan. Dat ieder persoonlijk
karakter een nieuwe wereld is--deze ontdekking die in Shakespeare
zijn Columbus vond--een Columbus, op wiens voetspoor telkens nieuwe
reizigers nieuwe landen wonnen--dit feit, dat in de litteratuur
telkens weder wordt genoemd en toegepast op het leven, is nog
slechts tot enkelen doorgedrongen als eene op ervaring gebouwde, en
door het leven bevestigde, waarheid. Maar dat hiermede althans een
begin werd gemaakt; dat de voorheen, als onwrikbaar vast aangenomen,
gebruikelijke opvatting van den aard en het wezen van den mensch en de
daaruit afgeleide raadselen, meer en meer worden vervangen door eene
persoonlijke, van anderen onafhankelijke beschouwing,--dit hebben wij
wel in de eerste plaats te danken aan de dichters en denkers in onze
dagen; in dezen heeft het conventionalisme zijn ergsten vijand; hun
herkenningsteeken is het diep besef van alle oorspronkelijke krachten
van het menschdom, van de degelijke vraagstukken in het leven. Want al
moge het conventionalisme in de gestalte der napraters tot geestigheden
aanleiding geven, toch is juist het moderne genie een protest tegen
de leer, die elken, op zich zelf gewettigden, maar van de bestaande
regelen afwijkenden blik op de wereld en de kunst, ten hoogste afkeurt.

De dichter die in het Noorden met éen enkelen slag het veranderde,
vormlijke ideaal der vrouw, die zich onder alle omstandigheden
opofferende, zachtzinnige vrouw, verbrijzeld heeft, is Ibsen, als
hij Nora man en kinderen doet verlaten om getrouw te zijn aan haar
eigen plichten; als hij door "Het spook" in het zedelijk bewustzijn
der menschen tracht te etsen: dat eene vrouw, die aan haar eigen
persoonlijk karakter getrouw is, ook ten nutte van anderen, hooger
staat dan zij, die zich blijft vastklampen aan de eenmaal bestaande
vormen der zedelijkheid, ook al zijn deze zonder zin of beteekenis in
haar bijzondere omstandigheden. En sedert heeft Ibsen voortdurend
de vrijheid onder eigen verantwoordelijkheid gepredikt, als de
verlossing voor het individu. Langzaam-aan is men begonnen naar hem
te luisteren;--gedeeltelijk heeft men hem ook verstaan. Maar men weet
het immers, geen geweten is in dit opzicht meer hermetisch gesloten
dan dat van zekere, door de emancipatie in een opgewonden toestand
verkeerende, vrouwen. Dat alle vrouwen gelijke rechten met de mannen
moeten hebben is de scheering en inslag van het weefsel, dat zij in
hare redevoeringen over de persoonlijke vrijwording der vrouw, op het
getouw zetten. Zij vergeten, dat het recht om te worden wat zij wil,
voor de vrouw evenzoogoed als voor den man, vaak de noodzakelijkheid
medebrengt om datgene wat zij naar haren aanleg en karakter is, te
onderdrukken. Zij vergeten, dat het individu hoogere eischen moet en
mag stellen dan alleen het recht tot de keuze van een werkkring. Zij
zien ze voorbij, die eindelooze schakeeringen in gevoelens, in meening
en karakter, die de oorzaak waren, dat de eischen aan solidariteit in
de opvatting en handelingen der voor de vrouwenbeweging ijverenden,
verliepen in onderdrukking der enkele vrouwelijke persoon. Zeer
zeker is het ook nu nog de waarheid dat aaneensluiting noodig is,
om aan de vrouw, de rechten die haar tot heden onthouden werden, te
verschaffen. Maar elk verplichtend in gesloten gelederen optrekken
is in deze zaak gevaarlijk te achten; immers de vooruitgang in den
toestand der vrouw, in den ernstigen, diepen zin van het woord,
verlangt juist, dat de zoo oneindig verschillende individuen, zoo
onbelemmerd mogelijk, zullen kunnen toonen, waartoe zij op zeer
verschillend gebied, in staat zijn.

Het dreigend gevaar van den vormendienst in de vrouwenbeweging
uit zich echter niet alleen in de te hoog opgedrevene eischen tot
aaneengesloten handelen, maar ook in de wijze waarop de meening der
tegenstanders wordt "afgemaakt". Het verraadt zich in het gebrek aan
nauwlettende waakzaamheid, die ons zeggen zou, dat de vrouwenbeweging,
op het gebied van den arbeid althans, meer en meer ingrijpt in de
sociale vraagstukken van den dag. Het openbaart zich vooral in de
onbekwaamheid om in te zien, dat de vrouwenbeweging juist door hare
groote vorderingen van den laatsten tijd hoe langer hoe ingewikkelder
wordt en dat hierdoor steeds grooter moeilijkheid ontstaat, om zich
op een beslist maar onpartijdig standpunt te plaatsen tegenover de
daartoe behoorende zeer verschillende onderwerpen.

Hiervoor is het onder anderen bepaald noodig dat den vrouwen
meer gelegenheid gegeven worde om zich te beschaven en te
ontwikkelen. Goed. Maar of al die inrichtingen van onderwijs
ook de persoonlijkheid als zoodanige ontwikkelen, daaraan zou ik
twijfelen. Immers wij hebben de fijnste en beminnelijkste personen
ontmoet onder weinig geleerde dames van zeventig en tachtig jaar;
en het scherpzinnig eigen oordeel dezer dames, evenzoo als dat van
sommige vrouwen en meisjes, die nimmer geregeld onderwijs ontvingen,
is wel geschikt om onze moderne, over alles meê-pratende, "ontwikkelde"
vrouwen en meisjes beschaamd te doen staan.

Het is niet meer dan billijk dat het loon voor vrouwelijken arbeid
verhoogd worde; maar wordt die arbeid werkelijk in diezelfde
verhouding beter? Kan men het wel van het meerendeel van die, over
haar lessenaar gebogen zittende vrouwen verlangen, dat zij eene
levendige belangstelling voor haar dagwerk zullen koesteren, terwijl
haar eigen innerlijk wezen slechts aan het woord komt als zij over
eene wieg gebogen staan?

Er is veel voor te zeggen dat ook dochters van rijke ouders naar een
werkkring verlangen. Maar ligt het gevaar niet voor de hand dat zij,
die met gering loon tevreden kunnen zijn, den arbeid ontstelen aan
andere, misschien meer bevoegde arme vrouwen en mannen, die, omdat
zij van hunne verdiensten moeten leven, genoodzaakt zijn hooger
loon te vragen? Terwijl deze en nog veel meer vragen onbeantwoord
blijven, verbaast men er zich over, hoe het conventionalisme zich
onvoorwaardelijk verheugt over de vele jonge meisjes die studeeren,
of voor een algemeenen arbeid de ouderlijke woning verlaten, waar
zij toch zoo nuttig en noodig zijn; al zouden wij de laatsten zijn,
om den horizont der vrouw, zooals in grootmoeders dagen, tot keuken,
kinderkamer en huiskamer te willen beperken.

Het is tot heden nog altijd niet beslist of de vrouw, in fysiologisch
en psychologisch opzicht zoo bijzonder welvaart, of hare gezondheid
en gelijkmatigheid verhoogd wordt, door in den strijd om het bestaan
mede te dingen. De vrouw op dit standpunt is een nieuw onderwerp voor
studie en slechts de volle vrijheid tot arbeidskeuze en persoonlijke
ontwikkeling dezer eeuw, zal de stof leveren tot het maken van
weloverwogen gevolgtrekkingen.

De teekenen des tijds duiden het aan: altijd zal er een op lichamelijk
verschil gebouwd, onvermijdelijk geestelijk onderscheid tusschen den
man en de vrouw blijven bestaan; een onderscheid, dat haar hoogst
waarschijnlijk bij voorkeur tot de in het huisgezin scheppende kracht
zal blijven stempelen, terwijl hij bij voorkeur zich zal blijven
wijden aan den arbeid der kultuur op algemeen gebied en dàar zijn
scheppingsdrang zal trachten te bevredigen. Maar er is geen zeggen
van hoever eene volkomene gelijkstelling met den man, eene onbeperkte
ontwikkeling op het gebied van den arbeid, de vrouw zal kunnen brengen,
ten opzichte van het besturen der maatschappij en van de kultuur,
als groot geheel beschouwd.

De hierbovengenoemde, in onze dagen door oppervlakkige vrouwen en
meisjes onvervaard nagepraatte gezichtspunten op de vrouwenbeweging,
verhinderen juist de vrouwelijke ontwikkeling van het individu,
door de vele en groote raadselen in de natuur kalm voorbij te zien.

Daarentegen vormen de eenmaal aangenomene denkbeelden van
zelfverloochening als de uitdrukking der echte vrouwelijkheid, op
hunne beurt het doorbreken der vrouwelijke persoonlijkheid van uit
de nevelen der vormen en gebruiken in de maatschappij.

Met een zalig gevoel te gronde te mogen gaan voor een innig dierbaar
wezen, is voorzeker een van de schoonste voorrechten der vrouw. Maar
door dit onder alle omstandigheden te verheffen tot haar ideaal,
had de vrouw haar eigen ontwikkeling in den weg gestaan, evenzoo als
die van den man.

Als men de huwelijken uit de vorige generaties vergelijkt met die van
het jonger geslacht, dan valt er bij de mannen van heden een grooten
vooruitgang waar te nemen, ten opzichte van oplettende teederheid voor
en sympathieke waardeering van de thans meer persoonlijk levende en
hierom meer eischende vrouwen. Beide partijen hebben er bij gewonnen
dat de vrouw begonnen is zich te oefenen in de moeilijke kunst
van zichzelf-opheffende zelfverloochening. Want voor elk waarlijk
liefhebbend vrouwenhart is het oneindig moeilijker haar recht te
eischen dan dit op te offeren.



De vereering van het conventioneele vindt bij voortduring krachtigen
steun bij de opvoeding.

Voorzeker men onderdrukt tegenwoordig niet meer, of althans hoogst
zelden, de individualiteit van een kind op de voorheen gebruikelijke
ruwe en wreedaardige manier. Maar zij verdwijnt toch hoe langer hoe
meer. In den ouden tijd genoten de kinderen van een zekere vrijheid
in de kinderkamer, waar de ontwakende persoonlijke gewaarwordingen
van blijdschap en verdriet, van liefde en tegenzin, niet voortdurend
in toom behoefden te worden gehouden. Thans zijn de kinderen om en
bij de volwassenen en dit samenzijn legt hun reeds vroeg de taak op
de jonge schouders, van dwang en fatsoen.

De kinderen moeten bezig gehouden worden, dat is hun recht; zij
kunnen niet meer op hun eigen gelegenheid spelen, want zij hebben
den lust verloren die voorheen gebouwd was op de vrijheid der altijd
weder scheppende kinderlijke verbeeldingskracht; zij hebben er ook
den slag niet meer van om "aardig alleen te spelen".

Op deze manier hebben de ouders geen rust en de kinderen
evenmin. Altijd met volwassenen te zamen zijnde, worden zij zoo
aanmatigend, dat de gehoorzaamheid er onder lijden moet. Dus leeren zij
zich niet voegen; zij raken niet gewoon aan de voor hunne ontwikkeling
zoo noodige orde en tucht; zij leeren ze niet, die moeilijke, maar
onmisbare les van levenswijsheid: hunne opwellingen van minder
beteekenis te onderdrukken voor iets van ernstiger aard en ook in
deze zich te voegen onder de beproevingen van het kinderleven--eene
ontginning van de woeste gronden van het kinderlijk karakter,
waarmede men zeer vroeg beginnen moet om er een vruchtbaren akker
van te kunnen maken.

Deze ontginning heeft plaats als de opvoeder zelf duidelijk weet,
wat hij als hoofdzaak bij de ontwikkeling van het kinderlijk
verstand beschouwt en hiermede rekening houdende, zijn bevel en
verbod weet toe te passen; deze moeten weinig in aantal zijn, maar
onwrikbaar vast gehouden worden als wetten der natuur; en waar tegen
deze gezondigd werd, moet hij het kind niet met door hem bedachte,
onzinnige straffen plagen, maar het eenvoudig de gevolgen van zijne
ongehoorzame handelwijze laten ondervinden en aanwijzen. Zoodoende kan
men, door zich aan vaste beginselen te houden, een natuurkind vormen
tot een beschaafd mensch, dat uit ontzag voor zichzelf en anderen,
zijne driften, als die met de maatschappij in botsing komen, weet
te beteugelen,--zonder dat daardoor het persoonlijk gevoel wordt
onderdrukt. Want buiten het gebied dezer bestaande, onveranderlijke
wetten, moeten de kinderen nooit worden gedwongen of aangemaand, om
in strijd met hunnen aard en aanleg te handelen; laat hen daarin hunne
gezonde zelfzucht en hun eigenaardigen smaak ongehinderd botvieren.

Er zijn vele moeders die, door zichzelve onverstandig al te zeer op den
achtergrond te plaatsen, de volstrekt niet te verdedigen zelfzucht
harer kinderen aankweeken. Daarentegen verlangen zij op andere
oogenblikken van diezelfde kinderen eene mate van zelfbeheersching, van
bedachtzaamheid, gematigdheid en ontzag, die een geheel leven meestal
niet in staat was, die moeders te leeren. Van de zachte stof die
bedoeld was een persoonlijk wezen te worden, maken ouders, dienstboden
en onderwijzers een man of vrouw van de wereld; in sommige gevallen
een bruikbaar lid der maatschappij--maar zeer zelden een mensch.

Deze vorming noemt men opvoeding. Nu moet wel een gedeelte van
de vroegste opvoeding inderdaad in zulk vormen bestaan, zooals ik
onlangs zeide. Maar na de eerste levensjaren moet het hoofddoel der
opvoeding wezen, juist al wat louter vorm is, te verjagen; de volle
vrijheid te laten tot ontwikkeling van de éenige kracht, die in 't
groot geheel beschouwd, voor de menschenwereld het feit dat nieuwe
geslachten de ouden vervangen, belangrijk maken kan: de kracht der
nieuwe, oorspronkelijke persoonlijkheid.

Ieder kind vormt een nieuwe wereld--eene wereld, waarin zelfs niet
het oog der teederste liefde geheel vermag door te dringen. Hoe
trouwhartig dat open kinderoog ons moge aanzien; hoe vol vertrouwen
het zachte handje in onze hand wordt gelegd--toch zal dit jonge
menschenkind ons misschien later kunnen vertellen hoeveel verdriet
het er van gehad heeft, door ons te worden behandeld alsof kinderen
eenvoudig herhalingen van het bestaande waren, niet oorspronkelijke,
nieuwe, persoonlijke schepsels. En in zekeren zin is het kind ook
eene herhaling van de kindernatuur in alle tijden; maar tegelijk,
en in een veel hoogeren graad, eene geheel nieuwe samenstelling
van hoedanigheden naar geest en lichaam; die aanleiding geven tot
blijdschap en smart, tot kracht en zwakheid.

Dit nieuwe jeugdige menschje moet, op eigen verantwoordelijkheid, op
goed geluk vertrouwend, het vreeselijk-ernstige leven intreden. Wat
het zal kunnen leveren aan scheppende krachten, aan nieuwe beginselen;
wat het bezitten zal aan geestelijke veerkracht onder den druk van het
noodlot; aan de kracht om gelukkig te maken en gelukkig te zijn--dit
alles hangt, behalve van de aangeboren natuur, in zeer ernstige mate
af van de manier van opvoeding, die op dit persoonlijk kindergemoed
wordt toegepast.

Reeds Goethe klaagde er over dat de ouderlijke tucht,--de opvoeding
over het algemeen,--trachtte persoonlijke wezens tot ledepoppen te
maken. En dit is sedert nog veel erger geworden; de opvoeding is
door schoolmeesters in de hand genomen, maar er niet zielkundiger
op geworden.

Alleen hij die de gevoelens, den wil en de rechten van het kind
behandelt, evenzoo voorzichtig als die van een volwassen mensch; die
aan de persoonlijkheid van het kind geen andere beperkingen opdringt
dan die der natuur en dezulke die op goede gronden noodig zijn voor het
welzijn van het kind en zijne kameraadjes, alleen hij kan met recht
aanspraak maken op den naam van een opvoeder der jeugd. De opvoeding
behoort zeker ten doel te hebben de persoonlijke ontheffing van de
overmacht der eigene hartstochten. Maar nooit mag zij haar streven zoo
ver richten die hartstochten uit te roeien of ter zijde te dringen. Zij
toch vormen juist de kracht der persoonlijkheid, die nu eenmaal niet
kan bestaan zonder gevaar voor de daaraan gepaard gaande gebreken.

Het overwinnen van de in elk gemoed levende gebreken door het
opkweeken der daarmede gepaard gaande goede hoedanigheden in datzelfde
gemoed--dit alleen is eene zuiver persoonlijke opvoeding. En deze
methode werkt uiterst langzaam; het onmiddellijk handelen beteekent
hierbij zeer weinig; de geestelijke atmosfeer van de huiskamer,
huiselijke gewoonten en illusies zijn daarentegen bijna alles. Het
komt er vooral op-aan dat de opvoeder de kunst versta van afwachten,
van het berekenen der werking die de toekomst zal geven--minder waarde
te hechten aan het heden.

Er zijn ouders en opvoeders die gelooven het kind voor later verdriet
te bewaren door het "in zijne eigenzinnigheid tegen te gaan", zooals
men dit noemt. Men bedenkt dan niet, dat door op deze wijze een kind
te dwingen iets te doen dat lijnrecht in strijd is tegen zijnen aard,
niets anders bereikt wordt dan dien natuurlijken aanleg te verflauwen;
vaak zelfs behoudt men alleen de zwakheid van het karakter, zonder
de daarmede vroeger vereenigde kracht.

Vaak denkt men er niet eens zooveel bij en wordt men alleen tot zulk
eene handeling geleid, door het gedachteloos navolgen van den ouden
sleur, die leerde dat zelfverloochening het ideaal van den mensch
is. Men onderdrukt den lust tot onderzoek in zijn ondernemenden
geest; men kwetst zijn zoo bijzonder prikkelbaar gevoel voor 't
schoone; men oefent dwang uit op zijne meest persoonlijke uitingen,
zijne bewijzen van teederheid; men berispt zijn tegenzin en dempt
zijne geestdrift. Onder deze en dergelijke inbreuken op hunne
persoonlijkheid, op hunne bijzondere gevoelens en neigingen groeien
de kinderen, vooral de meisjes, tegenwoordig meest allen op. Daarom
is het waarlijk niet te verwonderen dat de volwassenen zelden op
hunne kindsheid terug zien als op een gelukkigen tijd.

Een krachtig bewustzijn van te leven, 't gevoel van volheid,
heelheid, veelzijdige krachtsontwikkeling, van willen en kunnen--dat
is geluk. Kinderen hebben dezelfde voorwaarden tot geluk, eigenlijk
meer nog dan volwassenen, want zij kunnen van dien levenslust meer
onverdeeld genieten. Men moest hen van deze mogelijkheid om gelukkig
te zijn vrij laten gebruik maken zoolang zij nog onder de leiding
hunner ouders staan en dezen macht over hen hebben. Maar al te spoedig
beginnen zij, op hun eigen handje proefnemingen te doen; geld te
verdienen, 't vermaak op te zoeken; en in dat gevaarlijke tijdperk
van het jonge leven blijkt geene opvoedingsmethode van grooter invloed
en van meer belang te zijn, dan deze: te zorgen dat het kind niet te
veel is opgevoed, zoodat het eigen krachten over heeft voor het rijke,
maar ernstige, leven dat hem wacht; dat wil zeggen: om 's levens lasten
te dragen; van zijne vreugde te genieten; zijn arbeid te verrichten;
zijn eigen oordeel te behouden; zich met hart en ziel toe te wijden
aan de hem opgelegde levenstaak;--dit toch is de groote en éenige
voorwaarde om gelukkig te kunnen leven, te beminnen en te sterven.

Er ligt een diepe waarheid in het oude gezegde: "Den kinderen
behoort het hemelrijk." Want geen onzer kan het hoogste bereiken,
zonder eenvoud, onbaatzuchtigheid en volharding, om zonder eenige
bijbedoeling alles dienstbaar te maken aan dat éene doel. Dit nu is
juist de groote kracht van het kinderhart. Heeft eene moeder door
hare opvoedende leiding die heilige kracht bewaard en tot bewustheid
ontwikkeld, dan heeft zij niet alleen een nieuw schepsel, maar een
nieuwe persoonlijkheid aan de maatschappij gegeven.

Maar de opvoeding, in huis en in de school, slaat tegenwoordig juist
de hier tegenovergestelde richting in. Het versplinteren van het
persoonlijk wezen en karakter is dien ten gevolge het groote kwaad
onzer eeuw.--



Maar de mensch is gelukkig een sterk gebouwd organisme. Zij, wier
persoonlijkheid door hunne opvoeding geknakt of onderdrukt werd,
kunnen zich toch uit die vernederende gebogen houding oprichten,
zichzelf baanbreken tot vrijheid van ontwikkeling, als zij zich van
de groote waarde dezer vrijheid helder bewust worden.

Weinige menschen, en onder dezen weinige vrouwen, kunnen op genialiteit
roemen. Maar al is ook slechts bij enkelen de kiem voor een groote
persoonlijkheid aanwezig, toch zouden de meesten wel een zekeren graad
van zelfstandigheid kunnen ontwikkelen, ook na een mislukte opvoeding,
als zij er zich met vollen ernst op toelegden.

Maar hiervoor is moed een eerste vereischte; moed en volharding.

Als het waar is dat "gebrek aan verstand gebrek is aan moed" dan is
dit nog meer waar ten opzichte van gebrek aan individualiteit.

Hier is al aanstonds eene der redenen gevonden waarom men onder
de vrouwen minder persoonlijke zelfbewustheid ontmoet dan onder
mannen. Een man is meer door-en-door ijverende voor zijne idée,
zijn doel waarvoor hij arbeidt; hij is meer intensief in zijn
weten en willen. Dien ten gevolge wordt hij vaak--juist als een
kind--éenzijdiger, zelfzuchtiger, maar tevens meer éen geheel vormende,
dan eene vrouw onder dezelfde omstandigheden wezen of worden zal.

Zij is, behalve in de liefde, zelden geheel van éen onderwerp
vervuld. Het valt haar dus minder moeilijk om het gevoelen van
anderen te ontzien en voorzichtig op alles en allen rondom haar te
letten. Zij is beweegelijker, meer gevoelig voor van buiten op haar
werkende indrukken, veelzijdiger en buigzamer dan de man--en hierin
ligt hare kracht. Maar evenzoo goed als bij den man, is deze gewonnen
ten koste van een daaraan gepaard gaand verlies. Want het evenwicht
in alle dingen te behouden is nu eenmaal zoo moeilijk voor ons,
menschenkinderen, dat eene deugd vaak niet de uitkomst is van eene
vermenigvuldiging-som, maar van een aftreksom.

De man is de bevoorrechte schepper van nieuwe gedachten en nieuwe
instellingen door zijn grooteren moed om 't gevaar te trotseeren,
door zijn krachtiger wil; de vrouw, het ligt in haren aard, blijft
meestal angstig volhouden met "hetgeen altijd zoo geweest is." Zij
waakt trouw niet alleen over de zeden, gebruiken en tradities van
eigen huis en haard, maar ook van de uit vroeger dagen overgeleverde
vormen en rechtsbegrippen in de maatschappij kan zij moeilijk afstand
doen. Nu is het duidelijk, dat deze algemeene vasthoudendheid aan het
eenmaal bestaande die in de natuur der vrouwen ligt, eene der grootste
hinderpalen moest vormen voor de ontwikkeling van het vrouwelijke
individu, op zich zelf staande.

Voor de persoonlijke zelfstandigheid van den man is het vaak moeilijk
om zich te ontwikkelen, doordien hij in den regel met verscheidene
anderen tezamen moet werken en aldus door partijzucht of kruiwagens,
door het vooruitzicht op bevordering of op andere voordeelen, in
zijne handelingen beperkt wordt.

De persoonlijkheid der vrouw wordt meer gekneld door het vasthouden aan
eenmaal gebruikelijke vormen en begrippen van zedelijkheid; door haar
conventioneel ideaal. Zij wil het groote onderscheid tusschen eene
zelfopofferende liefde van hooge waarde en eene zelfverloochening,
die in geen enkel opzicht iets beteekent, liever niet zien. Zij
wantrouwt haar eigen natuurlijk oordeel over goed en kwaad, zoodra
dit instinct haar ook slechts een haarbreedte zou doen afwijken, van
de gehuldigde en algemeen gebruikelijke vormen in de samenleving. Hem
die tegen een dergelijk begrip heeft gezondigd wil zij wel vergeven,
onder voorwaarde dat hij de wettigheid daarvan erkent; maar haar
oordeel is zonder mededoogen over den schuldige, die tegen het
principe handelde, omdat zijne opvattingen omtrent goed en kwaad,
niet met de nu eenmaal bestaande zienswijze overeenstemden. Zij
vermengt in haar vonnis temperament en beginselen, leer en leven,
op een treurige wijze door elkander en deze vermenging is de oorzaak
van alle geestelijke dwingelandij, van elke sociale onverdraagzaamheid.

Dit geldt vooral met het oog op de onderwerpen die de verhouding
tusschen de twee geslachten onderling raken. Hier staat namelijk ieder,
die eene van de gebruikelijke vormen afwijkende opvatting te kennen
geeft, eene opvatting die ook maar eenigszins in botsing komt met het
conventioneele vrouwelijke ideaal, bloot aan alles behalve vleiende
gevolgtrekkingen en grievende lasterpraatjes over zijn persoonlijk
leven. Van de zijde der vrouwen moest het waarlijk--althans wanneer er
sprake is van eene vrouw--wel worden bedacht, dat er niet slechts een
gloeiend geloof, maar ook een rein geweten vereischt wordt, voor den
moed om de samenleving in een van haar meest geliefde vooroordeelen
te trotseeren.

Het conventionalisme der vrouw bereikt zijn toppunt in het
gedachtelooze en gewetenlooze napraten, waardoor een aantal vrouwen
haar geestelijk peil verlagen, haar karakter bederven en ten slotte
haar eigen persoonlijkheid laten opgaan in die van iedereen.

Eene vrouw die op werkelijke beschaving aanspraak wil maken,
bewijst dit onder anderen, door het vermijden van elke geleende,
of geveinsde weelde. Zij vindt het verachtelijk om door den schijn
indruk te maken en daarom vermijdt zij in hare kleeding en huisraad
elke onechte versiering.

Maar diezelfde vrouw geeft kalm oordeel en opvatting die zij van
anderen napraat, voor echt uit. Zelfs al bezat zij die, zou zij toch
den moed niet hebben om een frissche, oorspronkelijke gedachte te
uiten; om blijk te geven van een warm, buiten den algemeenen regel
werkend, gevoel. Hare vervalschingen worden door andere napraatsters
van den eenen kring naar den anderen overgebracht. Hierdoor ontstaat
"de algemeene beoordeeling" van de meest kiesche vraagstukken des
levens, van de ernstige raadselen, waarvoor men de aanleiding zou
moeten kennen om ze ook maar uit de verte te verstaan. Hierdoor
worden schoone en edele daden in een twijfelachtig licht geplaatst en
vuige lasterpraatjes voor waarheid aangenomen. Aldus wordt de lucht
verontreinigd door de opstuivende zandkorrels waaronder het werk en
de eer van een medemensch begraven wordt.

Maar een op die wijze begraven werk, of goeden naam, kan nog worden
opgedolven. Alleen de lasteraars zelf lijden er ten slotte het
meeste door.

Want alles in de wereld hangt samen: het leven bestaat uit oorzaak
en gevolgen. Niemand leeft ongestraft uit de tweede hand. Wij kunnen
op intellectueel gebied onmogelijk vooruitdringen met het leengoed
van anderen, zonder hierdoor persoonlijk verlies te lijden aan
zedelijken inhoud. Wij waren heden onbillijk ten opzichte van een
boek, eene schilderij of een tooneelstuk, door dit te beoordeelen
met de woorden van een ander, die wij voor onze opvatting wilden
laten doorgaan; of omdat wij den moed niet hadden onze ingenomenheid
ermede te toonen, in geval "de critiek" hierover anders denkt: of
door eene verontwaardiging te veinzen, die wij geenszins gevoelden,
maar die anderen van ons verwachtten, in naam der mode of van het
fatsoen. Morgen zullen wij even onbillijk--laat ons zeggen even
oneerlijk--worden, tegenover een medemensch of tegenover onze eigen
overtuiging--en zulk eene onrechtvaardigheid, zulke valschheid kan
van grooten invloed worden op een geheel levenslot.

De slotsom van geestelijken rijkdom, van geestelijke waardecijfers,
vermindert natuurlijk, als wij verzuimen ons eigen cijfer erbij te
tellen. Dit moge groot zijn of klein, rijk of gering,--als wij het
zelf hebben gevoeld en gedacht, als het oorspronkelijk ons eigendom
is, beteekent het voor anderen oneindig meer, dan hetgeen wij slechts
napraten, ook al is onze zegsman eene autoriteit. In gevallen waarin
wij genoodzaakt zijn om ons op anderen, die meer weten dan wij,
te beroepen, dringt eerlijkheid en goede trouw er ons toe, onze
verplichting aan hunne meerdere kennis openlijk uit te spreken.

Ieder van ons mag zich slechts verheugen in een zeer klein gedeelte
der uitkomsten van beschaving en cultuur; zelden zijn wij in staat
over meer dan een enkel geval met zekerheid te oordeelen. Maar één
ding kunnen wij allen leeren: in te zien dat het een bewijs is van
beschaving, geen oordeel te geven over onderwerpen waarvan wij geen
verstand hebben. Laat de goede toon ons hiertegen doen waken; evenzoo
als men zich de weelde van juweelen te dragen ontzegt als men geen
echte steenen heeft, evenzoo moet men zich onthouden van een oordeel
over personen en zaken, waarover men niet door eigen aanschouwen
of kennismaking zelf oordeelen kan. Wanneer deze oprechtheid, dit
ronduit verklaren van onbevoegdheid om onze meening over dergelijke
onderwerpen of personen te zeggen, meer algemeen wordt beschouwd als
een bewijs van beschaving, dan zal de vrouwelijke cultuur in deze
richting eene bijna even groote schrede hebben gedaan, als toen de
vrouw als student op de universiteit werd toegelaten.

Want, naast de mogelijkheid om een ruimeren blik op vele dingen te
verwerven, staat op het gebied der ernstige ontwikkeling de gave om
te begrijpen hoe begrensd die blik nog is, de moed om openlijk te
bekennen, welke kennis ons ontbreekt.

Moed en oprechtheid--deze hoedanigheden zoeken wij helaas nog vaak
te vergeefs bij de vrouw; toch moeten juist deze toenemen, zal de
persoonlijkheid der vrouw groeien.

Dit groeien wordt niet bevorderd door het studeeren der jonge meisjes,
al nemen zij hare studie nog zoo ernstig op; ook niet door de een of
andere taak in de samenleving voor hare rekening te nemen, al brengt
deze een zeer groote mate van verantwoordelijkheid mede. Niets van
dit alles werkt gunstig op de geestelijke ontwikkeling van hare
persoonlijkheid, tenzij eigen onderzoek en eigen keuze dit middel
tot hare beschaving en haren arbeid inderdaad tot een organisch
gedeelte van haar eigen leven hebben doen worden. Die keuze, dat
onderzoek zijn dan de hoofdfactoren. De vrouwelijke persoonlijkheid
te ontwikkelen--van binnen uitgaande--dit is het groote vraagstuk
der vrouwenbeweging; haar vrij te doen worden van de hedendaagsche
nietsbeteekenende formules; haar moed te geven zich te toonen zooals
zij is, te bekennen wat zij niet is--ziedaar het groote en ernstige
doel van de zoo vaak verkeerd begrepen émancipatie der vrouw.



MOED.


Er zijn altijd jong blijvende woorden, woorden wier echte goudklank
nooit tot een ontvankelijk oor doordringt, zonder dezelfde
gewaarwordingen te voorschijn te roepen als toen zij, misschien
duizend jaar geleden, voor het eerst werden uitgesproken;--toen als
een nieuwe uitdrukking voor het innig besef van dien tijd.

Onder deze woorden en spreuken van een eeuwige jeugd is er een,
die voor den eersten keer door den welsprekendsten mond in Hellas
verkondigd werd:

"Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid--en dat vrijheid is moed!"

De inhoud van die spreuk kon voor Pericles voorzeker niet dezelfde
beteekenis hebben als voor ons.

Onder vrijheid verstond men feitelijk de onafhankelijkheid van den
eenen staat tegenover den anderen; met moed werd vooral de deugd van
dappere verdediging des vaderlands bedoeld.

Toch is het best mogelijk dat er bij den minnaar van Aspasia en
den vriend van Socrates, een vermoeden heeft bestaan van den tijd,
wanneer die schoone woorden, in dieperen zin, zouden beteekenen de
onmisbare voorwaarde tot welvaart en geluk; zoowel voor het geluk
van de op zichzelfstaande persoonlijkheid, als voor de vrijheid eener
geheele natie.

Edele woorden groeien in dezelfde mate als de menschheid groeit. Wij
begrijpen het nu, dat de enkele mensch evenmin geluk en vrijheid
vinden kan als de geheele Staat, wanneer de moed hem ontbreekt. Maar
hangt het dan wel van ons-zelf af moed te hebben of niet?

Zeer zeker. Moed is eene hoedanigheid die verkregen wordt door hem
of haar die haar wil verkrijgen; maar men moet willen, met ernst
en volharding. Er zijn menschen die met een hun aangeboren moed ter
wereld komen, maar de meesten hebben, voor het grootste deel althans,
hun moed zelf gekweekt.

Er is geen eigenschap die door oefening sneller toeneemt. Als men
het in onze samenleving maar duidelijker begreep dat moed den grond
vormt, waarop het karakter en de wilskracht gebouwd is, dan zouden
bijna alle menschen tot moedige wezens kunnen worden opgevoed.

Maar in de plaats van ons reeds vroeg te leeren willen, kiezen en
overwegen, leert men ons toe te geven en te buigen; het droombeeld van
vrij onzen eigen weg te gaan te onderdrukken en alleen onzen boozen
geest te volgen. Men maakt er ons opmerkzaam op, hoe verwaand het is,
een opzichzelfstaand geheel te willen beteekenen en hoe nuttig, éen van
de vele nullen te zijn die, vereenigd, eene millioen helpen vormen. Men
zegt ons dat voorspoed en vooruitgang in lijnrechte tegenstelling
zijn met het streven naar vrijheid; men wil ons overtuigen dat de
mogelijkheid om "gelukkig te maken" onvereenigbaar is met den wensch
om op onze eigene manier gelukkig te zijn. Men richt onzen blik op de
hoogte der samenleving, waar de menigte haar offer aan het vooroordeel
brengt en men waarschuwt ons, toch vooral ons niet te voegen bij de
kleine minderheid die, met ongebogen knie en fier opgeheven hoofd,
door de wereld gaat.

Men zorgt er voor het ons reeds vroeg bij te brengen hoe slecht het
altijd is afgeloopen met de overmoedigen, die hunne vrijheid van
denken en handelen onder den druk der partijen hadden trachten te
behouden; die dwazen, die trouw te zijn jegens hun eigen persoon voor
belangrijker hielden dan gelijk te staan met anderen; die hunne eigene
overtuiging verdedigden en volgden; die rond voor hunne opvatting van
het leven uitkwamen, in plaats van anderen na te praten; die leefden
van eigene middelen, liever dan van vrienden en kennissen te leenen;
die aan de opwellingen in hun eigen hart gehoor gaven en niet aan
die van zekere, heerschende kringen in de maatschappij; in éen woord,
hoe het die allen gegaan is, die eigen oordeel en meening verkozen te
hebben en zich niet wilden tevreden stellen met "de algemeene opinie".

Natuurlijk hebben die overmoedigen hun welverdiend loon
ontvangen! Hunne vrienden beklaagden er zich over nooit te weten
wat men aan hen had en haastten zich hen te verlaten, onder innig
leedwezen over hunne afvalligheid. Hunne vele kennissen hadden het
altijd wel geweten dat zij "onberekenbare, karakterlooze menschen
waren, die men nooit volkomen vertrouwen kon." En de aaneengeslotene,
toonvoerende meerderheid heeft het klaar en duidelijk bewezen dat
zij gevaarlijke menschen zijn, menschen "zonder beginselen".

Waarlijk, om door dit oordeel te worden getroffen behoefden die
menschen volstrekt niet met een nieuwen vorm van godsdienst aan
te komen, of met al het bestaande omverhalende leerstellingen in
de maatschappij!

Het was voldoende dat zij hunne beste krachten er aan hadden gewijd
om de onderdrukking van eene partij ten opzichte der andere te
verhinderen; dat zij hunne afkeuring over een onrechtvaardig oordeel
te kennen gaven en over het toepassen van gewetensdwang. Of dat zij het
karakter van een persoon verdedigden, hoewel zij zijne levensopvatting
niet huldigden; of voor die opvatting pleitten, hoewel zij zich voor
zijn karakter niet verantwoordelijk konden stellen. Ja, soms is het
wel voldoende gebleken dat iemand in een kring van conservatieven
durfde te beweren dat niet iedere radikaal een dubbelzinnig karakter
is, of in een gezelschap van radikalen te zeggen, dat niet ieder
conservatief man een domkop is, om zelf in een zeer twijfelachtig
licht te worden geplaatst ten opzichte van zijne eer, van zijn naam
als fatsoenlijk man en van zijn gezond verstand.

Laat men zich nu niet bijtijds door de vrienden waarschuwen, maar
blijft men volharden in zijn idiosynkrasi om zijn eigen meening te
zeggen, de stem van zijn geweten te volgen, te oordeelen naar de
mate van 't verstand dat hij heeft--dan hangt het van de minste
of geringste toevalligheid af welk einde zoo iemand neemt: òf de
langzame hongerdood, òf wel een beklagenswaardig alleen-staan in de
wereld zijn lot wezen zal.

En toch--ondanks dit alles hebben er in elke generatie menschen geleefd
die het durfden wagen zich zelf te zijn; die onbeschaamd genoeg waren
om te denken, te handelen, te beminnen, te dichten en te scheppen, op
hun eigen hand! Dit zijn de menschen die thans nog in ons midden leven;
zij, wier moed door hunne tijdgenooten met driestheid of brutaliteit
werd aangeduid, maar die door het nageslacht worden bezongen en
gevierd als groote mannen, aangebeden als openbaringen van wijsheid
en licht. Hunne bezwaren waren geheel dezelfde als de onze. De held
van ieder tijdperk moet het hoofd bieden aan de verzoeking die hem
nadert in den vorm van eer en een rijk bestaan; aan de meesterachtige
critiek van zijn tijd; aan den druk der partijen; aan kleingeestige
oudewijvenpraat--ja zelfs aan het toejuichend gekwaak der kikkers in de
sloot! Maar die helden hebben toch overwonnen, dank zij hun moed. Elk
tijdvak waarin nieuwe denkbeelden hun weg vonden, elk tijdvak vol licht
en gloed, vanwaar scheppende of verjongende krachten uitgingen--is
onbetwistbaar een tijdvak geweest dat vele moedige menschen opleverde.

In zulke dagen vereischt het geen bijzonderen moed om dapper te zijn;
want moed is eene hoedanigheid die het gemakkelijkst van alle deugden
op anderen overgaat--de lafheid uitgezonderd!

Alle ledige, dorre tijden, zonder glans en leven, waren laf. Wanneer
de moed niet in den dampkring ligt is er meer voor noodig om dien te
behouden, of te oefenen, dan in een gunstiger tijdperk.

De dagen waarin wij leven zijn er juist niet naar om den moed aan
te kweeken en dezen tot zijn recht te doen komen. Want alle tijden
van overgang zijn gevaarlijk voor den moed, die in buitengewone
mate versterkt wordt door getrouwheid aan vaste beginselen, door de
overtuiging te strijden voor zijn goed recht.

Maar, al gaat nu onder een tijd van worstelen en strijden aan den
eenen kant licht de moed verloren, daartegenover staan andere, en
gewichtiger redenen om te trachten dien te herwinnen, waar men zich
telkens geplaatst ziet tegenover de keuze tusschen nieuwe botsingen
en nieuwe inzichten. Er is moed noodig om de waarheid te zoeken,
maar ook om haar des noods te kunnen missen, als zij voor ons niet
duidelijk zichtbaar is; moed om werkzaam te zijn--maar ook moed om
te rusten. Er wordt moed vereischt om het geluk vast te houden als
het onder ons bereik is gekomen--ook om het prijs te geven, wanneer
de omstandigheden er toe leiden. Soms ligt het grootste bewijs van
moed in afwachten; dan weer in wagen en ondernemen. Heden kost het
moed om alleen te staan--morgen om mij bij mijne geestverwanten aan
te sluiten; nu eens om voor mijn goed recht op te komen--dan weer om
het prijs te geven.

Zonder moed kan men niet haten en nog minder liefhebben. Zonder moed
kan men niet in waarheid leven noch sterven.

Laat ons moed hebben--moed in de eerste plaats; en wij zullen tot
de bemoedigende ontdekking komen dat wij meer vrijheid en meer geluk
bezitten, dan wij dachten.

Wij zijn heusch niet zoo boosaardig, of zoo dom, of zoo kleinzielig
en "laag bij den grond" als wij schijnen. Alleen zijn wij
veel laffer dan wij zelf denken. Uit lafheid mishandelen wij
elkander--vervelen,--verdrukken--verongelijken wij elkander.

Laat ons die lafhartigheid bestrijden--en het leven zal weder schoon
voor ons worden met zijne vele scheppende krachten die vrij komen;
door de algemeene welwillendheid die overal werkzaam is; door alle
sympathie, die lust tot handelen wekt; door alle gedachten en gevoelens
die hun invloed rechtstreeks op ons uitoefenen.

Nooit vermoedde eigenaardige hoedanigheden bij ons zelf en anderen,
zullen een schat van afwisseling en schakeeringen te voorschijn roepen,
waar men meende niets dan armoede en stilstand--dus achteruitgang--te
kunnen verwachten. De som van levenslust en levenskracht zou tot
in 't oneindige vermenigvuldigd worden als wij den moed hadden om
allen tezamen het groote waagstuk te ondernemen! Als wij nu eens het
vertrouwen dat wij gevonden hebben openlijk bekenden; als wij eerlijk
rekenschap durfden te geven van het geloof dat wij nu hebben in de
plaats van het vroegere dat wij verloren? Als wij ronduit verklaarden
wat onze eigen overtuiging is--niet de van anderen geleende vormen;
als wij durfden te bouwen op eigen ervaringen, zelfs al werden wij
hierdoor van onze geestverwanten gescheiden?

Als wij den moed hadden te blijven twijfelen, waar wij bij anderen
verzekerdheid vinden en onze overtuiging te behouden, ook al
ontmoetten wij twijfel daaromtrent bij anderen? Als wij eerlijk de
deugden van onze tegenstanders durfden erkennen en de gebreken van
onze geestverwanten? Als wij den moed hadden vrijgevig te zijn met ons
vertrouwen maar zuinig met onze oordeelvellingen? Als wij in ootmoed
ons hoofd durfden te buigen ten opzichte van dingen waarvan wij geen
verstand hebben, maar fier opstaan, waar het geldt de zekerheid,
die wij met worstelen en strijden gewonnen hebben, te verdedigen? Als
wij naar onzen eigen smaak, en rekening houdende met onze middelen,
durfden te leven; in bescheidenheid te genieten op onze wijze en
er ons aan gewenden te zien dat anderen dit eveneens doen? Als wij
ons meer oefenden in de groote kunst, de beweegredenen der daden van
anderen te erkennen, ook al zijn wij genoodzaakt hen tegen te spreken,
en hunne handelingen af te keuren, hoewel wij hen persoonlijk hoog
achten? Als wij het er eens op waagden elke partij te laten voor wat
zij is--behalve onze eigen overtuiging?

En ten laatste: als wij den moed hadden onze lafhartigheid in te
zien en die bij haar waren naam te noemen in de plaats van die te
verschuilen achter fraaie woorden als: eerbied, bescheidenheid,
ontzag voor de meening van anderen; gematigdheid en tact? Dan zouden
wij een geheel andere maatschappij zien worden!

Weldra zouden wij het gezellig verkeer de plaats der vroegere
maskerades zien innemen; debatten, de twisten en het spel met ijdele
woorden zien vervangen; de daad zou de vroegere spiegelbeelden
vervangen; oorspronkelijke scheppingskracht, de eenvoudige
herhaling van het bestaande; gedachtenwisseling over verschillende
gezichtspunten, het verdacht maken van die opvatting; eigene
levenservaring de eenmaal gebruikelijke holle vormen; wáár gelooven,
de van buiten geleerde formules. In één woord: wij zouden van onze
vrijheid genieten terwijl wij nu daarentegen aan snoeren geregen,
in pakken gebonden, met étiquetten beplakt, in partijen gesorteerd,
op een lijst ingeschreven, in verschillende categoriën verdeeld en
in uniform gekleed worden!

"Maar zou de baatzucht niet een al te groote ruimte gaan beslaan indien
de moed aan ieder persoon het recht eener plaats toekende?" vraagt
misschien een altruïst.

Is dan niet juist de lafheid boosaardig? Wordt er niet vaak grooten
moed vereischt om vriendelijk te zijn en goed? Is niet vrijheid de
éenige voorwaarde om tot echte humaniteit te geraken? Dringt het besef
van onafhankelijke vrijheid niet onwillekeurig tot edelmoedigheid
jegens anderen die niet vrij zijn? Gaat geduld niet samen met
moed? [1] Moest niet de prediker van onbaatzuchtige naastenliefde
juist in den dood gaan omdat hij den moed bezat alleen te staan en
geen partij rondom hem te vormen; den moed om zichzelf te zijn;
de banden waarin zijn tijd geboeid lag te verbreken; den moed te
gelooven in de vrijheid?!

Daarom is er in het goddelijk gebod, aan anderen te doen wat wij
zouden wenschen dat anderen ons deden, niets dat strijdt tegen het
betoonen van moed. In tegendeel. In dit gebod ligt--uit een ander
gezichtspunt--eeuwig dezelfde schoone gedachte als in de vermaning
van den Helleen:

"Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid en dat vrijheid is: moed!"



VRIJHEID.

                                Ueber der Pforte unserer Zeit steht:
                                "Verwerthe Dich!"

                                                        Max Stirner.


"Persoonlijke vrijheid"--deze uitdrukking is bijna tot een
algemeen wachtwoord gemaakt, hoewel slechts enkelen begrijpen
welke beteekenis in het woord ligt. Hoevelen weten inderdaad wat er
vereischt wordt om dag aan dag, jaar na jaar, den inhoud er van te
verwezenlijken? Hoevelen hebben er hunne nachtrust aan opgeofferd,
aan het peinzen over wat zijn of haar eigen ik beteekent, en hoe die
persoonlijkheid inderdaad als zoodanig hare taak zal volbrengen in
de maatschappij?

Zichzelf persoonlijk vrijmaken--dat is onder anderen een voortdurend
luisteren naar de tonen in ons gemoed om te trachten den grondtoon te
ontdekken. En heeft men dien gevonden, dan eischt het streven naar 't
bereiken van persoonlijke vrijheid, dat men met open oog zoekt naar de
behoeften van geest en hart, en daaraan tracht te gemoed te komen. Dat
men zich op de juiste wijze vormt en zijne ontwikkeling met ernst in
de hand neemt; dat men luistert naar de stem van eigen ervaring in
het leven; zijne eigene gewoonten, voor zoover daar eenigen zin in
ligt, veredelt en dus zijne eigenaardige oorspronkelijkheid kweekt en
krachtiger doet worden. En ook dat men daarentegen zooveel mogelijk de
herinneringen, studies en gewoonten die hinderend onze persoonlijke
ontwikkeling in den weg kunnen staan, ter zijde zet en het vermijdt
om met deze in aanraking te komen. De neiging tot individualiteit
uit zich--evenzoo als elke andere belangrijke neiging--aanvankelijk
als eene kracht tot zelfverdediging jegens allen en alles wat inbreuk
daarop zou kunnen maken, dien drang zou willen beperken. De geboren
individualist heeft reeds in de kinderkamer en op de schoolbank
een eigen keuze gedaan met het oog op zijn speelgoed, zijne boeken,
zijne wijze van leeren, zijne vrienden. Reeds vroeg heeft hij den moed
gehad zijn eigen smart en vreugde, zijn eigen smaak en zijne fouten,
ronduit te toonen. Hij heeft die niet laten verwringen, verkleuren en
afronden door anderen, of door de omstandigheden. In zijne jeugd is
men zelden in de gelegenheid om zijn gevoel van persoonlijkheid in
daden uit te drukken. Maar juist om die reden doet zich de geboren
individualist in die jaren kennen als een "Jantje contrari" en wordt
dus een alles behalve aangenaam kind in den huiselijken kring. Laat
echter eerst de tijd tot handelen komen! Dan heeft hij zijn karakter
middelerwijle genoeg geoefend om te begrijpen: wanneer hij iets kan
en mag wagen, en wanneer het geraden is stil toe te zien; wanneer hij
fier het hoofd kan opheffen, of zich moet voegen naar anderen; wanneer
hij moet afwachten of een besluit nemen; inhoever hij met anderen
kan meêgaan en inhoever dit meêgaan ontrouw aan zichzelf zoude worden.

Maar al deze dingen vormen nog slechts oefeningen en dressuur voor den
grooten veldslag, die gewonnen moet worden, zal men de persoonlijke
vrijheid veroveren. Die oorlog wordt gevoerd in de geheimzinnige
wereld van mijn binnenste, als het om de oprechtheid mijner gevoelens,
de eerlijkheid mijner toekomst-droomen te doen is; als het mijne
twijfelingen en mijn geloof, mijne voorgevoelens en opwellingen van
het oogenblik geldt. Dan wordt er een scherp oog vereischt om alles,
wat mijn eigendom is in den vollen zin van het woord, op te delven
uit die schemerachtige diepte, die men het menschelijk hart noemt;
en een scherp gehoor is er noodig om die zachte, bedeesde stemmen
te verstaan, die de tolken van ons zieleleven zijn, maar die helaas
vaak worden overstemd door overgeërfde, aangeleerde gewoonten en
oppervlakkigheid. Ons verstandig ik brengt maar al te dikwijls ons
beter, ons warmgevoelend ik tot zwijgen. Wij verwisselen al te licht
de kreet van den hartstocht, met den zucht van innig verlangen die
uit onzen boezem opstijgt. Wij houden vaak de weerspiegeling van doode
denkbeelden, voor echte teekenen van leven. Hoe menigmaal verloochenen
wij onze overtuiging en noemen dit "ontzag en eerbied voor de meening
van anderen"; en hoe menigmaal klampen wij ons vast aan verouderde en
versleten gewoonten en noemen dit vastheid van karakter. Hoe laf! Is
er wel een duidelijker bewijs noodig dat het ons ontbreekt aan moed?

Nu beteekenen alle vrijheden ter wereld bedroefd weinig,
vergeleken bij de verlossing uit den persoonlijken dwang en
alle andere onderdrukkingen verdwijnen in het niet bij die van de
persoonlijke vrijheid. Het komt er in de eerste plaats op aan of onze
persoonlijkheid krachtig genoeg ontwikkeld is om hare eigene boeien
te verbreken, want dàn heeft zij voorzeker ruimschoots de kracht die
vereischt wordt om alle andere hinderpalen te overwinnen. Iemand,
bezield met den drang om altijd en geheel zich zelf te zijn; te leven
met elke bloedstrooming; uitdrukking te geven aan wat er in zijn
binnenste omgaat--zoo iemand zal wel geen rustig, maar altijd een
rijk leven leiden. Voor hem is het leven een lied; want hij dicht het
zelf onder de dagelijksche bezigheden en de bedwelming van gewichtige
oogenblikken; onder jaren van leed en gedurende het kortstondig,
maar heerlijk genot van alles wat hem gelukkig maakt. Hij weet, dat
het beste wat hij anderen geven kan, tevens het hoogste genot voor
hemzelf oplevert: het leven te vervullen van altijd echte--en als het
mogelijk is ook krachtige en schoone, uitingen zijner persoonlijkheid.

Op deze wijze geeft hij, voor zichzelf en voor anderen, een vernieuwde
waarde aan het leven, en tevens nieuwe, prikkelende aanmoediging
ten leven. Hij verruimt, naar de mate zijner gaven, zijn plekje
van het aardsch bestaan; hij overwint op zijn eigenaardige wijze
de moeilijkheden waarmede het verouderde en gestorven verleden,
het levend heden in den weg treedt.

Een zelfbewust persoon in den echten diepen zin van het woord, verlangt
van anderen eenvoudig vrijheid voor zijne persoonlijke gevoelens en
daden. Daarom hebben haat noch spot, waardeering noch miskenning, de
macht hem van zijn weg te doen afwijken of zijne innerlijke harmonie te
verstoren, zoolang hij getrouw blijft aan zijn eigen pathos; die trouw
is voor hem alles--godsdienst en zedelijke wet. Die getrouwheid geeft
moed om af te dalen tot in de diepte van zijn eigen hart--moed om de
gevolgen van hetgeen hij daar ontdekt te dragen--zelfs ook al zoude
het eigen belang er door winnen dat men tijdelijk zijn gevoelen of
zijne plannen opofferde. En zij geeft ons nog een anderen moed: dien,
om desnoods de achting onzer medemenschen te kunnen missen. Dit toch
is de éenige voorwaarde om ten allen tijde onze achting voor onszelf
te behouden; wij moeten deze maar al te dikwijls prijs geven als het
er ons om te doen is den bijval der wereld te veroveren. Om al deze
redenen noemen wij een individu alleen dan persoonlijk sterk en vrij,
als hij niet langer vreest de achting van iemand te verliezen behalve
zijne eigene.

Het gebeurt niet zelden dat zulk eene kracht de overwinning behaalt
over de algemeene stemming die een flink karakter zich genoodzaakt
zag te trotseeren. Want die stemming wijkt--even als andere wilde
beesten--terug voor een moedig oog, terwijl zij den lafhartig
vluchtende vervolgt en verscheurt.

Nu moge het vreemd klinken, maar een individualist die zich gedwongen
ziet alleen zijn weg te gaan heeft desniettemin daarbij altijd een
goed geleide; niet van de menschen die nu leven, maar van hen die
komen zullen.



De groote menigte heeft nog zeer weinig doorgedacht over de beteekenis
van de uitdrukking "persoonlijke vrijheid". Voor velen roept dit
woord de voorstelling op van--om iets te noemen--een heer, die zijn
dag begint met zijne voeten op de ontbijttafel te leggen en dien
eindigt met de vrouw van zijn vriend te verleiden, daartusschen-in
een meineed gezworen, een wissel vervalscht, een sluipmoord begaan,
heeft. Maar ook degenen wier verbeeldingskracht een minder hooge
vlucht neemt, vereenigen toch aan de gedachte van "vrijheid des
persoons" de voorstelling van onbeperkte vrijheid voor iedereen,
om zijne driften en neigingen te volgen.

Wie het onderwerp ernstig beschouwt, zal weldra tot de
overtuiging komen dat onze driften juist niet het persoonlijke, het
algemeen-menschelijke in ons vertegenwoordigen en dat iemand die zich
door zijne hartstochten laat beheerschen, al was het alleen daarom,
geen persoonlijkheid is. Het zeer jonge kind, de boschjesman, de
onbeschaafde ruwe mensch, draagt nog slechts de mogelijkheid in zich
om, eenmaal een persoonlijkheid te kunnen worden; maar daaraan moet
zeer veel voorafgaan. Zij ontstaat slechts door de geheel bijzondere
ernstige wijze waarop driften en hartstochten tot hoedanigheden van
edeler aard worden omgewerkt. Zoo als het wezen van de meeste menschen
in den grond bepaald wordt door overgeërfde neigingen en gaven, zoo
vindt men ook verschillende graden van aanleg tot individualiteit. Maar
al zijn de neigingen of het talent voor persoonlijkheid grooter of
geringer, toch kunnen die gewijzigd worden door ervaring van droeven
of verblijdenden aard, door opvoeding en ontwikkeling, door gewoonten
en levensomstandigheden. Zoodoende worden hartstochten in gevoelens
en gevoelens in gedachten en voorstellingen omgezet. Zoo wordt het
ruwe wezen van den natuur-mensch tot een denkenden mensch veredeld,
en in dezelfde mate als hij vordert op den weg van zelfkennis en
ontwikkeling, zal deze zich minder laten beheerschen door zijne
blinde hartstochten en driften. Hartstocht en zinnelijkheid zijn
noodzakelijk; dat is te zeggen: zij hebben het recht van bestaan
evenzoogoed als ieder ander moment onzer persoonlijkheid. Maar geen
enkele dezer hoedanigheden mag zich zoo sterk ontwikkelen dat alle
andere eigenschappen er door worden benadeeld. Dit zou zoowel het
geluk als de vrijheid des persoons hinderend in den weg staan. Het is
een oude ervaring, die in onze dagen met eene treurige duidelijkheid
wordt bevestigd, dat een mensch die door zijne driften beheerscht
wordt, zoo karakterloos wordt, dat hij tot een zekeren graad van
verlaging gekomen, elk bewustzijn verliest van zijne waardigheid en
van de verplichting die zijn rang en stand in de maatschappij hem
opleggen; dit gaat soms zoover, dat hij zich van het eene uiterste
tot het andere laat drijven en zich laat medevoeren op honderd paden,
waarvan geen enkel door hem gekozen werd.

Vrij is alleen de man, of de vrouw, die zich noch door eigen lusten,
noch door den wil van anderen, laat verleiden om tegen beter weten
in te handelen. Alleen zelfbewuste daden kunnen een mensch voldoening
schenken. Geluk is het volkomen bewustzijn van macht, dat het gevolg is
van de ontwikkeling onzer krachten in de grootst mogelijke vrijheid,
de hoogst mogelijke volmaaktheid. Het onpersoonlijke bevredigen van
onze driften kan eenig dierlijk genot opleveren, maar het schenkt
ons nimmer het echte, menschelijke geluk.

Elke gedwongene, onpersoonlijke handeling die de individueel
ontwikkelde mensch begaat, kwelt hem als eene zonde tegen zijn eigen
karakter, zij het nu dat hij die gepleegd heeft in een oogenblik toen
zijn hartstocht hem te machtig werd, of gevolg gevende aan eene door
hem in den grond afgekeurde gewoonte. Maar wie eenmaal de persoonlijke
vrijheid veroverd heeft, zal zich niet licht aan een dergelijk
kwaad schuldig maken. Hij kan gebruik maken van al de eigenaardige
krachten en bewegingen, die hij, dank zij zijne volmaakte vrijheid,
onafhankelijk van anderen kan sturen naar zijn eigen goedvinden. Hij
houdt en leidt die zoo gemakkelijk als de ervaren schipper zijn
vaartuig, de geoefende ruiter zijn ros. Hij geniet van het heerlijk
bewustzijn zichzelf vrij te laten in zijne bewegingen, zonder vrees
voor te ver te zullen gaan; van het gevoel van zijn geheel warm hart,
zijn persoonlijk karakter, gerust te kunnen toonen zonder vrees dat
hierdoor iets wat laag of kleinzielig, ruw of leelijk is, aan het
daglicht zou kunnen komen.

Er is geen edeler toestand van bezieling denkbaar dan die dit
verheffende, fiere wezen in zijn vrij en eigenmachtig optreden ten
toon spreidt.

Bij zulk een mensch kan van geen gebreken of vergissingen sprake zijn;
alleen van bepaalde grenzen. Maar binnen die grenzen van eigen kunnen
is het persoonlijk materiaal tot volkomen ontwikkeling gebracht.

Ook zonder die hoogte te hebben bereikt kan eene waarlijk vrij
geworden persoonlijkheid, alleen op hare eigenaardige wijze en tegen
hare bijzondere wetten van eer en plicht, zondigen. Want bij een
afgerond, gesloten ik, vallen de gebreken tezaam met de natuur en aard
van den persoon, evenzoo als de schaduw de omtrekken eener gedaante
teruggeeft. Ja, er zijn karakters die voorloopig een gebrek dat met
hunne kracht in overeenstemming is, niet verkiezen af te leggen; maar
de zoodanige personen verheffen zich nooit op die fouten, evenmin als
zij met hunne deugden pralen; immers deze staan in eene onpersoonlijke
verhouding tot henzelf. Met een nimmer mistastend instinct kiest de
vrije mensch datgene wat voor zijnen aard en zijn temperament van het
meeste belang is, om het even of dit hem leed of vreugde oplevert, of
het goed is of kwaad, in den gewonen zin van het woord: een droombeeld
of eene daad. Voor hem is het physiek onmogelijk om in een oogenblik
van onbeheerschte drift, in eene hartstochtelijke opwelling, een
misdaad te begaan. Zijne weloverdachte, zorgvuldige ontwikkeling van
eigen persoonlijkheid gaat bovendien gepaard aan een steeds fijner en
teederder wordend besef van de grenslijnen voor zijn gedrag, juist ook
ten opzichte van anderen. Iemand, die zelf weet wat hij wil en kan;
die nimmer tevreden is met minder dan het beste wat hij geven kan en
zich nooit laat verleiden om buiten zijne grenzen te gaan--zoo iemand
ontziet ook stellig de meening en opvatting van anderen.

Maar het gebeurt ook, dat hij niet kan toegeven dat de eigenaardige
opvatting van een ander recht van bestaan heeft; dat zijn
nauwgezet geweten eene wet of eene instelling moet afkeuren. Dan
komt hij met zijn gevoelen hieromtrent ruiterlijk voor den dag,
niet onder den indruk eener plotselinge opwelling, maar duidelijk
en op welberedeneerde gronden. Hoewel hij voor zich zelf en anderen
elke onnoodige smart verfoeit, heeft hij toch in zijn karakter den
moed aangekweekt om, waar dit geeischt wordt, eene noodige wonde te
kunnen slaan. Maar er is, ook bij zulke aanleidingen, geen zweem te
bespeuren van de ruwheid, die onnoodig de handen met bloed bevlekt,
door het wroeten in de hartewonden van den naaste.

Men kan het veel gemakkelijker en aangenamer hebben in de wereld
dan de individualist, als men behoort tot de menigte van reizigers
door het leven, die plaats nemen op "de groote pleizierboot", het
vaartuig dat, met de vlag der algemeen-gebruikelijke moraal in top,
zachtjes over de golven henen glijdt. Ieder reiziger behoeft niets
anders te doen dan zich kalm de haven te laten binnen brengen. Maar
naast de stoomboot ziet men hoe


            "Alleen, in een gebrekkig scheepje
            Een zeiler zich waagt op de groote zee...",


hoe die zeeman, veel grooter gevaren trotseerend, maar met oneindig
meer krachtsinspanning, den tocht aanvaardt, onder het heerlijk gevoel,
die onstuimige golven te beheerschen door de macht van zijn vasten
wil. Dàt is het ware, volle leven!--

Er wordt vaak gezegd--vooral bij gelegenheid der jubileumsfeesten van
het protestantisme--dat in onze dagen ieder in zijn eigen geweten zijn
hoogsten rechter heeft. Maar zoodra iemand dit beginsel van het eigen
persoonlijk recht in toepassing wil brengen, haasten die "wachters over
de gebruikelijke instellingen" zich, te prediken, dat een dergelijk
subjectisme alle verhoudingen in de samenleving onmogelijk zoude maken.

Nu is het er zoo mede gesteld, dat het geweten der meerderheid zich
in de eerste plaats door overgeërfde zeden en gebruiken laat leiden;
dat dit, in de meeste gevallen niets anders is dan een echo van het
sociale geweten. Het groote gebrek is, dat men verzuimt zijn eigen
persoonlijk gevoel van recht, dat toch het éenige voor ieder van
ons geldige geweten is, te ontwikkelen en op te voeden; al gaat die
opvoeding soms met misstappen vereenigd--dit hindert niet; immers
alleen door de gevolgen van zijn eigen daden te ondervinden, kan men
tot de ontdekking komen dat men den verkeerden weg had ingeslagen en
leeren op zijn hoede te zijn.

Om deze reden werkt elke voortdurende gewetensdwang dien de regeering
op bijzondere personen uitoefent, op den langen duur nadeelig voor
den Staat zelf. Want het geweten der maatschappij wordt slechts
verfijnd en veredeld onder gunstige voorwaarden voor de vrijheid
van den afzonderlijken persoon; dat is te zeggen, wanneer de enkele
individuen in staat gesteld worden, om naar de inspraak van hun eigen
geweten te handelen en voor hun eigen verantwoording. Middelerwijle
ontstaan juist hierdoor botsingen en toestanden, die aan een ieder
gelegenheid geven zijn gemoed ernstig te onderzoeken; door aldus dezen
toets en die besliste keuze uit te lokken, wordt een nieuw zedelijk
geweten bij de geheele samenleving gewekt en ontwikkeld.

Maar deze nieuwe schepping op ethisch gebied heeft niet plaats doordat
flauwe menschen voortdurend blijven zondigen tegen de wetten die zij
blijven goedkeuren; ook niet doordat losbandige menschen aan hunne
onbeteugelde passies toegeven, ondanks die wetten der zedelijkheid.

Zij komt alleen tot stand door de medewerking van hen, die van
natuurmenschen leden der samenleving geworden zijn en van dezen tot
persoonlijke karakters werden ontwikkeld. Dat zij aldus zijn gevorderd
op den weg der beschaving geeft hun het recht om de sociale zedewet te
toetsen en zelf te beslissen in hoever zij niet genegen zijn daaraan
in alle opzichten te gehoorzamen. Aangezien nu de menschen de wetten
der zedelijkheid hebben gemaakt om in hunne behoeften te voorzien,
hebben zij ook het recht om daarin veranderingen aan te brengen,
waar zij dit noodig en nuttig achten.

De eisch van Kant: "dat het individu zòo moet handelen, als of zijne
handelwijze een wet voor alle menschen worden moest"--is in lijnrechte
tegenstelling tot de bedoeling der persoonlijke vrijheid. Deze toch
hoopt en verwacht het hoogste geluk en de grootste vorderingen op het
gebied der beschaving van de groote meerderheid te zullen bereiken,
daardoor dat men ten laatste geen absolute, voor allen verplichtend
geachte wetten meer zal erkennen, maar dat ieder individu zijn eigen
wet, naar de stem van zijn geweten, leert gehoorzamen.

Zij, die nog niet zoover in de ethische ontwikkeling gevorderd zijn, om
op die hervorming der wet aanspraak te kunnen maken; groote kinderen;
of plichtmenschen zonder persoonlijk oordeel; of driftmenschen zonder
sociaal geweten; alle dezen hebben den dwang van de maatschappij
noodig, om te worden verhinderd anderen ongelukkig te maken.

Zelfs een flink karakter heeft in bepaalde tijdperken zijner opvoeding,
behoefte aan zulk een steun. Toch zal het groote doel der samenleving
niet bereikt zijn, eer zij in haar geheel overwonnen wordt door de
ethische volmaaktheid der individuen.

Omtrent dit punt ontmoeten wij behoudende en radikale idéalisten. De
conservatieve idéalist gelooft, dat de maatschappij--evenzoo als het
huisgezin, de kerk, het vaderland--in haar tegenwoordigen vorm, voor
altijd beslissende, afgeronde idéen en formules bevat. De radikaal
heeft den moed te gelooven, dat alles wat bestaat--regeering,
godsdienst en huwelijk--voor verandering en verbetering vatbaar
is. Deze overtuiging wordt wederom gewraakt door het wantrouwen,
dat eigenlijk niets anders is dan de instinctmatige zelfverdediging
van al het bestaande, door den mensch van heden. Die twijfel is de
droevige angst van den ouderdom; twijfel aan het leven en aan de
groote levenswet, die luidt: hernieuwing, hervorming aller dingen.

Wat de ouden van dagen bovenal vreezen is juist die persoonlijke
vrijheid; wat het jonge geslacht in de eerste plaats hoopt is
diezelfde persoonlijke vrijheid, waardoor het leven niet langer
zal blijven eene plaats vol onvruchtbare droombeelden, maar vol van
verwezenlijkte idéalen.

Dan zal het blijken, dat niet de deugd gelukkig maakt, zooals het
christendom predikt, maar dat het een geluk is goed te zijn. Deze
overtuiging zal ingang vinden waar ieders persoonlijk geloof zijn
godsdienst geworden is, die alle andere belangen in zich sluit.

De aanhangers van dezen nieuwen godsdienst zullen--zooals hierboven
gezegd werd, hoe langer hoe zorgvuldiger luisteren naar de stem
van hun geweten, waar het erop aankomt hun demon te volgen, hunne
handelingen en beweegredenen ernstig te toetsen aan hun beste weten
en kunnen. Zelfs eene daad, die niemand anders benadeelde dan den
persoon zelf, waarvan niemand iets weet dan hijzelf, kan, als zij
in strijd was met het persoonlijk karakter van den dader, dezen nog
jarenlang hinderen en bedroeven; evenzoo als een onherstelbare fout
aan zijn kunstwerk toegebracht den beeldhouwer bedroeft.

Hiertegenover staat, dat hij geen ander schuldgevoel erkent, dan dat
jegens zijn eigen idéaal;--hem ontbreekt het besef van schuld dat
altijd dengene beheerscht, die zich gedwongen ziet elke wilskrachtige
opwelling, elke spontane handeling te vergelijken met een buiten hem
staand voorbeeld.

Hoe vele christenen, die een krachtig zelfbewustzijn met zich omdragen,
brengen, bijvoorbeeld, niet een groot gedeelte van hun leven, in den
gebede en geknield door om daardoor eindelijk zich te dwingen tot de
ootmoedige belijdenis: van nietswaardig te zijn voor God!

Hoe vele christenen, die uit hunnen aard een levendig gevoel hebben
voor recht; die sterk sprekende sympathiën en antipathiën hebben in
hun hart, strijden niet op diezelfde wijze om een misdaad te leeren
vergeven en den misdadiger te blijven liefhebben! Gelukt dit niet,
dan hebben die dwepers diep berouw en met reden; immers zij waren
niet in staat het hun gegeven voorbeeld na te volgen.

Hij daarentegen, die de éthiek van het individualisme aanhangt,
beschouwt het zelfbewust gevoel zoolang als gewettigd, als hij kans
ziet aan de mogelijke eischen die dit hem stelde, te voldoen. En
hij acht den drang om--tengevolge van zekere waarnemingen--een
persoon buiten, of beneden de sfeer zijner sympathie te plaatsen,
ook een deel te zijn van zijn instinct tot zelfbehoud. Aangezien de
individualist het recht van anderen tegenover een hem onsympathiek
persoon erkent, wordt wraaklust voor hem evenzoo onmogelijk als
vergiffenis schenken. Hij bepaalt er zich eenvoudig toe, zulk een
persoon te schrappen uit den kring met wien hij verkeert; deze behoort
van nu af tot een ander geslacht, tot een ander tijdperk dan het zijne.

Dit verklaart hoe het gevoel van schuld, in den christelijken
zin, moet ophouden wanneer de menschen niet langer copiën vormen
van hun voorbeeld: den Christus. Toch ligt hierin volstrekt geen
aanleiding tot bandeloosheid. De vrijheid in denken en handelen
van den individualist onderscheidt zich van teugelloosheid,
evenzoo als de krachtsvertooningen van den atleet, verschillend
zijn van de luchtsprongen en duikelpartijtjes onzer kinderen. De
eerstgenoemde heeft zijne vrijheid met groote inspanning en na
ernstig worstelen, gewonnen. Maar tot belooning is ook zijne
vrijheid edeler, vertrouwbaarder, "natuurlijker" zelfs, dan die
"vanzelf ontstaande." Het menschdom nadert op deze wijze een ander
tijdperk van onschuld; het herwint een Paradijs, waar Adam en Eva
zich mogen verzadigen aan de vruchten van den boom der kennis van
goed en kwaad--en daarbij kalm kunnen bouwen en wonen onder den
boom des levens, aangezien de strenge wachter bij de poort van Eden,
glimlachend, zijn zwaard, waarmede hij alleen uit de verte gedreigd
had, aan hunne voeten heeft neergelegd.

Wanneer eenmaal het grondbeginsel der persoonlijke vrijheid geheel
tot ons zal zijn doorgedrongen; wanneer het zal zijn vleesch van
ons vleesch en bloed van ons bloed, dan zullen ouders en opvoeders
er evenzoo ijverig naar streven oorspronkelijke wezens te vormen,
als zij tegenwoordig trachten zedelijke menschen op te voeden. Een
volkomen "zoet kind", zal dan een even zoo onaangenaam en treurig
gezicht opleveren als een mismaakt schepsel. Men moet bij een kind
vooral zijn natuurlijke wilskracht beschermen, maar deze trachten
op te leiden voor de groote taak, een beschaafd mensch te worden,
zijne bijdrage te leveren, tot de algemeene cultuur in de wereld
der menschheid.

En de wilskracht van het kind kan bewaard blijven als het zijne
neigingen en hartstochten mag behouden, maar daarbij leert--uit
eerbied voor den mensch die in hem leeft,--den tijger te temmen en
den aap te tuchtigen--die ook in hem leven.

Daarom kan met de opvoeding van het kind niet te vroeg worden begonnen;
reeds aan de borst der moeder moet daarmede een aanvang worden gemaakt;
en dan moet zij worden voortgezet in eene lijnrechte tegenstelling
met de tegenwoordig gevolgde methode.

In de opvoeding mag niets verplichtend worden geacht, dan het verwerven
van die eenvoudige kundigheden, die, als het ware, mes en vork bij
den feestmaaltijd der wetenschap vertegenwoordigen. Later zal deze hun
worden aangeboden, ieder persoonlijk, volgens een menu van uitgezochte,
krachtige spijzen, waaruit door oordeelkundige opvoeders voor elk der
kinderen eene keuze zal worden gedaan, overeenkomstig ieders aard en
gestel. Na eenige generaties van aldus opgevoede individualisten zal
men eerst in staat zijn te begrijpen, wat de gedachte der persoonlijke
vrijheid van de menschelijke natuur maken kan.

Het was natuurlijk te verwachten, dat deze idée, in een geheel
onvoorbereid geslacht tot handeling omgezet, een aantal afschrikkende
gevolgen zoude vertoonen. Zijn eigen ik te believen; zijn eigen leven
te leven; gehoorzaam te zijn aan zijn temperament--deze roepstemmen
werden, gericht tot in leeftijd en gemoed onrijpe menschen, of tot
dezulken voor wie alleen de zinnelijkheid beteekenis en inhoud aan
hun bestaan geeft, vaak misbruikte wachtwoorden.

Voor sterke, levendig gevoelende persoonlijkheden, werd de verzoeking
van een anderen aard, om gesteund door den in een dieperen zin waren
levensregel: "Alle Schaffenden sind hart", ruwheid en hardvochtigheid
te verdedigen; zelfgenoegzaamheid of koelheid, listen en driften
uit zijne bloedsmenging voortkomende, te gaan beschouwen als een
belangrijk gedeelte van hunne persoonlijkheid; een woeste grond, die
niet mag worden ontgonnen, maar die er, in tegendeel, voor bewaard
worden moet misschien zijn oorspronkelijke wilskracht te verliezen,
of zijne scheppings- en daadkracht te dòen verminderen.

Deze beide soorten van zichzelf verheffende menschen, maken nu gebruik
van Nietzsche, als den verdediger hunner teugelloosheid, of laagheid,
van hunne zelfzucht en hun gemis aan ontzag voor anderen. Van alle
dingen kan misbruik gemaakt worden; waartoe heeft het christendom
al niet tot voorwendsel gediend!? Nietzsche had een voorgevoel van
hetgeen hem te wachten stond, toen hij een doornenhaag rondom zijn
tuin liet zetten, opdat het vee daar niet in zou kunnen dringen!

Voor iederen ernstigen lezer van Nietzsche is het, ondanks zijne
onbewust elkander tegensprekende gezegden en zijne met opzet gebruikte
paradoxen, toch zeer duidelijk wat een zijner biografen zegt: dat de
grondgedachte waarop Nietzsche zijne stellingen heeft gebouwd:--dat
ieder persoonlijk met geheel de kracht van zijn lichaam en geest,
met inspanning van al zijne gaven en vermogens, moet streven naar
veredeling, en daarnaar, éenmaal het hoogste punt der menschelijke
volmaking te bereiken,--dat die gedachte niet alleen het individu,
maar het geheele menschdom ten goede zal komen en dat zij dus geen
zelfzuchtig maar wel degelijk een altruïstisch doel beoogt. En hoe
Nietzsche zelf zijne leer van den veredelden mensch in practijk heeft
gebracht, hieromtrent weten wij nu althans zooveel, dat het voor goed
uit moest zijn met dat onzinnig gepraat over Nietzsche als den profeet
der teugelloosheid; over hem, die uit zijnen aard en aanleg bezield
was met eene onwrikbare liefde voor de waarheid, met eene bijzondere
neiging voor beleefde en waardige vormen in de samenleving; met een
groote behoefte aan vriendschap en sympathie; met eene opgewektheid,
die hem onder de eenvoudigste omstandigheden vroolijk en tevreden deed
zijn; met eene zelfstandigheid, die hem leerde anderen te ontzien;
met een zeldzame gave om zichzelf te beheerschen!

De zedeleer van het christendom was hem tot een tweede natuur geworden;
zijn gevoel voor alles wat schoon is en welluidt, maakte iedere
leelijke of ruwe handeling voor hem tot een onmogelijkheid.

Al misbruiken de "gewone menschen" uit onwetendheid de leer van dezen
Meester, toch zal dit misbruik op den langen duur niet veel kwaad
doen. Want vroeg of laat komen dezen toch in botsing met de grens
hunner eigen persoonlijkheid: de individualiteit van anderen. De ruwe,
koele, zelfgenoegzame zal hierom ten laatste alleen staan; tegelijk
daalt hiermede zijne persoonlijkheid en tevens de waarde van zijne
betrekking in de maatschappij, waarvoor hij zijne ruwe wilskracht
had willen bewaren. De zinnelijke, laagstaande mensch ontmoet zijn
tuchtmeester in den tegenstand der samenleving en van dien der op
een hooger standpunt van beschaving gekomene, enkele personen in
zijn kring.

Ook de aanhanger der nieuwe zedenleer komt niet eer tot zijn recht
dan wanneer hij dit kan verwerven, door zijne persoonlijke rechten
te bewijzen. Hij moet hierom vooruit goed de kosten van zijn proces
berekenen en wel weten wat hij waagt, wat hij wil. En in dien strijd
tusschen de samenleving en den afzonderlijken persoon; bij deze
moeilijkheden voor den ontwikkelden mensch, om zich op het juiste
standpunt te plaatsen, ligt het tegengif tegen de gevaren, die anders
zoo licht het gevolg zijn van den--allezins gewettigden--eisch, eener
grootere zedelijke vrijheid voor de hoogerstaanden, een beperkter
grens voor de lagerstaanden, op de ladder der beschaving.

De gewettigde zelfzucht van alle anderen vormt een dam tegen de
onbillijke--of misschien ook wel gewettigde--zelfzucht van den
afzonderlijken persoon. Reeds het kind leert soms reeds in zijn prille
jeugd de wijze kennen waarop men een lid der groote maatschappij wordt:
het ondervindt al spoedig dat het niet aangaat, onzen zin te volgen
ten koste van eens anders onbehagen. En tegenover de volwassenen,
die deze les als kind niet hebben geleerd, heeft de maatschappij het
recht--zoolang als zij er de macht voor heeft--met nadruk de hand te
leggen op eene zelfverheffing ten nadeele van die van anderen. Een
bijzonder ontwikkeld mensch kan dus niet zonder strijden en worstelen,
zijn eisch voor de persoonlijke vrijheid verwezenlijkt zien en niet
eer dan wanneer het hem gelukt is den wensch om ook van die vrijheid
te genieten bij de meerderheid op te wekken. Eerst dan, en niet eer,
wordt de wet, of het aangenomen gebruik dat den alleenstaanden persoon
verhinderde zich als een vrij mensch te gedragen, herzien.

Maar in de meeste gevallen is de individualist, wanneer het hem maar
goed duidelijk is, wat zijn werkelijk belang eischt, niet onwillig
om zijne gehoorzaamheid aan de wetten der zamenleving te toonen
en deze op te houden; hij weet maar al te goed dat hij, zonder
deze, genoodzaakt worden zou, zijne krachten te verspillen tot zijn
verdediging tegen het ruwe geweld en op die wijze slechts onvoldoende
aan de ontwikkeling van zijn eigenlijke persoonlijkheid zou kunnen
werken. Indien een individualist zin en gevoel heeft voor harmonie,
dan zal hij ook spoedig verstaan, dat niet de ruwe maar de veredelde
kracht de sterkste is; dat niet de ruwe ijzerstaaf, maar het geplette
stalen lint dat men om den vinger kan winden, de uitdrukking is voor
de eigenaardige kracht van het metaal. Wilskracht bij de teederste
aandoeningen; edele uitdrukkingen ook bij de geweldigste ontboezeming
van kracht; zich niet ontzien om tot de meest gewaagde gevolgtrekkingen
door te dringen, waar het een heilige verborgenheid geldt--maar
zachtzinnigheid jegens elk wezen dat zwak is en lijdt--ziedaar de
groote kracht van den harmonisch ontwikkelden, persoonlijk vrijen,
mensch. En een zoodanig persoon vermorst geen enkelen druppel van
den nectar, die hem uit den beker van een ander, even rijk individu
wordt aangeboden. In tegendeel, voorzichtig brengt hij dien beker aan
zijne lippen en ledigt hem met den plechtigen eerbied eener heilige
ceremonie. Zulk een ontwikkeld individualist kan--voor zoover hij
niet tevens anarchist is--alleen in opstand komen tegen de hooge mate
van dwang, door de wachters der maatschappij, die toch het recht van
allen moeten beschermen, toegepast. Het ligt in de rede dat over dit
onderwerp de zienswijze der persoonlijk vrije menschen verschillend
wezen moet. Laat ons hiervan een voorbeeld opnoemen: ik veronderstel,
dat de meeste individualisten het recht der Regeering erkennen om hem,
die de godsdienstige bijeenkomsten van anderen stoort, te straffen;
maar volstrekt niet het recht om iemand tot zekere kerkelijke
handelingen te dwingen. Zeker, ook de individualist oordeelt strenge
straf noodig, op het plegen van geweld, of verleiding der onschuld;
maar toch acht hij eene ontwikkelde vrouw volkomen gerechtigd zich
aan eene ernstige liefde over te geven in vrijheid.

Velen zien verlangend uit naar eene wet die de rechten van het
kind tegenover zijne ouders waarborgt; een ander wenscht weder het
tot stand komen eener wet, die elk huwelijk, waarbij eene treurige
nakomelingschap met zekerheid is vooruit te zien, verbiedt.

Zulke wetten zouden eene grens bepalen tegen de misdadige
lichtzinnigheid waarmede--in en buiten het huwelijk--nieuwe
wezens tot de smart van een ziekelijk, ongelukkig bestaan, worden
veroordeeld. Intusschen rekent een ontwikkeld individualist het niet
tot deze lichtzinnige daden, als eene beschaafde, ernstig denkende
vrouw, volkomen bewust en met opgewekt gevoel van verantwoordelijkheid,
het moederworden verkiest buiten het wettige huwelijk. Ten opzichte der
rechten van een derden persoon erkennen vele vrienden der persoonlijke
vrijheid het nut van den wettigen vorm bij een huwelijk; toch verwerpen
zij beslist elken vorm, die de eene partij het recht over den andere
toekent en de vrijheid om het huwelijk te ontbinden hinderend in den
weg staat.

Hoe meer de persoonlijkheid ontwikkeld wordt, des te veelzijdiger
zal ook het liefdeleven zich ontwikkelen. Voor de bescherming van het
kind zal de toekomst ook wel voorzien in een matriarchaat, b. v. er
voor zorgen, dat elke moeder, gedurende een zeker aantal jaren,
op het onderhoud van haar kind door den staat rekenen kan.

Toegegeven dat de eer en de goede naam van ieder persoon dient
gevrijwaard te worden tegen misbruik der pers; toch mag er geen woord
blijven staan van een stuk, dat gebruikt zou kunnen worden als een
wapen tegen de vrijheid van onderzoek, tegen de vrije uiting op het
gebied van letterkunde en wetenschap.

Sommigen willen aan de Regeering niet alleen de macht geven het
leven der enkele personen te beschermen, maar hare macht vergrooten
tot het beletten van al de moorden uit de tweede hand, die door de
hedendaagsche industrie worden begaan. Anderen daarentegen gaan uit
van den stelregel, dat ieder mensch de vrije beschikking heeft over
zijn eigen leven en dat hij, hieraan een einde makend, niet laf op
de vlucht slaande, maar wel en ernstig overlegd, onder bijzondere
omstandigheden, eene zedelijk te rechtvaardigen handeling begaat.

Tot bescherming van het leven in onze dagen van opgezweepten arbeid en
onophoudelijk produceeren, is éen rustdag in de week nuttig en noodig;
deze moet door de Regeering voor alle soorten van arbeiders worden
bevolen en gehandhaafd. Maar het gaat niet aan, voor de Regeering om
zich te bemoeien met de wijze waarop ieder blieft van dien rustdag
gebruik te maken--en het voegt haar vooral niet dit te doen in den
vorm van gedwongen godsdienstoefeningen. Eene wet die de zwakken
verhindert hun leven te bederven door 't gebruik van sterken drank,
kan goed zijn; maar deze mag niet zoover gaan, te eischen dat degenen
die dezen tuchtmeester niet noodig hebben omdat zij zichzelf en hunne
neigingen kunnen beheerschen, terwille van die zwakken, onder een
zeer overvloedig dwangmiddel zullen lijden. De zwakken op te voeden
door hen te wijzen op het voorbeeld der sterken--dit is de rechte
wijze om deze en dergelijke kwesties op te lossen.

Als de maatschappij innig doordrongen was van deze waarheid, dan
zou de taak der wetgeving moeilijker, maar ook veel belangrijker,
worden. De hoogst ontwikkelden zouden dan niet hunne vrijheid
opofferen en evenmin de ontwikkeling der lagerstaanden tegenwerken
door middeleeuwschen dwang.

Hierin de juiste maat te houden is moeilijk maar niet
onmogelijk. Niemand die ernstig denkt acht de persoonlijke vrijheid
het doel te zijn der beschaving, maar het middel om tot dit doel
te geraken.

De vrijheid houdt voortdurend gelijken tred met de ontwikkeling,
zoodat hoe verder men vordert op den weg van ontwikkeling men ook
van meer vrijheid geniet; en wederkeerig wordt door die vrijheid de
beschaving bevorderd.

De dienst van de industrie, de aanbidding van het kapitaal, zijn
de grootste vijanden der persoonlijke vrijheid. Al acht daarom de
individualist eene wet die aan dit misbruik paal en perk kan zetten
gewenscht, toch keurt hij de gedachte aan een ander misbruik--het
geheel op te doen gaan en op te offeren voor het algemeen--zooals de
socialen dit eischen--grootelijks af.

Wat beteekent het toch, dat men onder voorwendsel van de algemeene
zedelijkheid te bevorderen, de plichten jegens den naaste boven de
plichten jegens onszelf zet; dat het christendom verlangt, dat wij
alle menschen als onze broeders en zusters zullen liefhebben, even
hartelijk en allen gelijk? Dit is een dwang dien men aan het beginsel
der vrije keuze heeft opgelegd.

Voor den voorstander der persoonlijke vrijheid is de vraag wat iemand
gelooft van weinig beteekenis; ook de vraag wat hij doet beduidt niets;
op de vraag wat hij is komt het aan.

Hoe hooger men stijgt in het besef zijner eigene waarde des te
krachtiger lid gevoelt men zich in de samenleving: het wel en wee
der anderen treedt ons nader; het wordt als het onze. Een persoon
behoeft nu niet langer te worstelen om een plekje grond waarop
hij vrij kan opgroeien; hij gunt aan anderen diezelfde ruimte, want
immers alle boomen vormen een gedeelte van zijn eigen bosch. Hij doet
daarbij de heerlijke ondervinding op, dat ons groote levensdoel is:
de ontwikkeling van onze persoonlijke vrijheid, en die van anderen,
te bevorderen en haar te verdedigen, des noods ten koste van ons leven.

Maar al overwinnen wij, zoowel vrouwen als mannen, den zedelijken
dwang; en al stellen wij de vrije persoonlijkheid ook ten opzichte
van ons zedelijk leven daarvoor in de plaats--toch blijft er een groot
en ernstig bewustzijn van overwegend belang in alle vraagstukken des
levens, ons bij: de wet der noodzakelijkheid.

"Alles wat er gebeurt is een gevolg der noodzakelijkheid; doe daarom
wat ge kunt en verdraag dan alles wat ge lijden moet." Dit groote
woord van Schopenhauer is het eerste gebod op onze steenen tafelen
der wet gegrift.

Niets kon anders gaan dan het ging en niets kan ongedaan worden
gemaakt.

De gevolgen mijner daden, voor zoover deze uit mijn karakter zijn
voortgekomen, vormen mijn noodlot.

Alles in mijn wezen en alles in mijn werk verbindt mij met
onverbreekbare schakels aan het groot geheel van het leven; aan de
ongekende diepten, waaruit ik als een golf word opgeheven, om als
deze voort te zwemmen op de levenszee, te stijgen en te dalen. Maar
onder dat rijzen en dalen van die golf, maakt haar eigen beweging en
haar eigen vorming haar tot hetgeen zij is.

Het heerlijk bewustzijn van mensch te zijn, kan mij goddelijk maken
onder het oog der eeuwige kracht waarvan ik ben éen der golven, die
de zee vormen: de groote oceaan des levens, die grooter en krachtiger
is dan de golven.



RUST.


Het woord van Geyer over het genot, dat de herinnering aan den weg,
die even buiten zijne ouderlijke woning doodliep hem schonk, wekt
bij ons, menschen aan het einde eener eeuw staande, een gevoel van
afgunst ten opzichte van de gelukkigen, die vroeger eeuwen mochten
eindigen en voor wie het Paradijs toen nog bestond.

Want voor onze verbeelding is het Paradijs niet langer een met
allerhande boomen--vooral appelboomen--beplante lusthof, omringd
door een witten muur met gouden poorten. Wij vormen er ons eene
voorstelling van, uit louter ontkenningen saamgesteld: de weg loopt
niet verder door, dan tot aan de hekken van het Paradijs; van een
telefoon heeft men er zelfs geen flauw vermoeden; de brievenpost
komt er hoogstens éenmaal per week en van stoomboot of spoorweg is,
mijlen ver in den omtrek, geen sprake.

Welnu, zulk een Eden heb ik gevonden. Maar ik vertel u niet waar
het ligt. Dan zouden andere menschen van het moderne gedeelte der
maatschappij er misschien ook den weg heen vinden en dan was--het
Paradijs verloren! Want dat aan een eerste uitgaaf hiervan geen
onverdeeld succès te beurt gevallen is, dit was voorzeker niet de
schuld van de slang, al trachten een aantal menschen zich met die
gedachte te troosten....

In mijn Eden ontbreekt niet alleen alles wat er niet behoort te
wezen, maar men vindt er alles wat men er behoort en verlangt te
zien. Blauwe, met sneeuwranden omzoomde rotsen en veruitgestrekte,
met bosch beplante hoogten vormen in schoone lijnen een muur rondom
den lusthof. Een breede, groenachtig zwarte, gedeeltelijk met wit
mos bekleede bergspleet, maakt den weg door den muur vrij voor het
oog en voor de verbeeldingskracht; en heldere meertjes of binnenzeeën
geven aan het donkere boschrijke landschap een paar groote blinkende
oogen. Glinsterende berken en bloeiende linden geuren in de zomerzon,
die slechts voor enkele uren achter den horizont verdwijnt; die de
koornaren als in 't geheim laat rijpen en aan de bloemen meer geur en
krachtiger tinten geeft. Boven de met mos bekleede rotsbergen glijden
over dag de blauwe wolkjes, vlug als schimmen er tegen uitkomende,
voorbij. Maar de avond verspreidt over bergen en rotsen de vele
paarsche en violet-schakeeringen van topasen en ametisten; het
lichte blauw der opalen en de diepdonkere blauwheid van de zee; de
schakeering van het appelbloesem--teeder kleurtje tot het donkerrood
van den wijn. Eindelijk treden de donkere, zacht verdeelde omtrekken
van den rotsberg, in eigenaardig émailleblauw tegen den goudkleurigen
achtergrond van de lucht afstekende, te voorschijn. Deze blijft
den geheelen nacht door lichtgeel getint, tot die kleuren ongemerkt
overgaan in het morgenlicht.

In deze ochtendure, waarin de natuur vol kleuren en licht, in groote
lijnen en ruime vèr-gezichten tot ons spreekt, wordt het menschenhart
ontroerd door het bedwelmende gevoel van eenzaamheid en stilte. Het
heeft niets gemeen met de blijdschap over een eigen welgelukte
schepping, maar het heeft zijne bijzondere aantrekkelijkheid,
zijne eigenaardige kracht. Terwijl het van het noodlot afhangt om
ons dien beker van genot al of niet aan de lippen te brengen--niet
van onzen wil--hangt het alleen van onszelf af, of wij van de
plechtige eenzaamheid wenschen te genieten; of wij ons hart willen
laten uitrusten, onze gedachten verruimen in die groote stilte;
volop genieten, in een grootsche natuur met rustige, schoone en
breede lijnen.

Maar niet altijd is het hart van den mensch van heden tot rusten
in staat. Het leeft in onrust--smacht naar kalmte--en schuwt de
stilte als eene ziekte, nog erger dan de nevrose waarvoor zij het
geneesmiddel wezen zou. De vrouw uit onze dagen vreest eigenlijk niets
met een grootere vreeze, dan om alleen te worden gelaten,--alleen
met hare eigene gedachten, want dit maakt haar zooals zij het noemt,
droefgeestig. Eigenlijk beteekent dit eenvoudig, dat zij er in die uren
bepaald toe gedwongen wordt den ernst van haar bestaan onder de oogen
te zien, of ook den ernst des levens in het groot geheel te beschouwen;
een gevoel waaraan haar geest zich zou kunnen verheffen. Maar juist
dit wil zij niet. Met kracht onderdrukt zij den drang van haar gemoed
om zich op te richten tot edeler aspiraties, door hoe langer hoe meer
toe te geven aan hare behoefte aan een oppervlakkig, versplinterd,
leven. Hoezeer deze behoefte voor uiterlijk vertoon in onze dagen
algemeen is, dit ziet men duidelijk op het gebied, waar ook de gewone,
alledaagsche vrouw voorheen, in zekeren zin, hare gedachten op éen
punt trachtte te bepalen, op dat van den godsdienst. Het type der
geloovige vrouw is tegenwoordig niet meer zij die "als zij bidt in
hare binnenkamer gaat en de deur achter zich sluit"; maar zij heeft
bazuinen en theekransjes noodig om tot het besef te komen, dat zij
eene vrome vrouw is, vol van den heiligen geest des geloofs.

De ongedurige menschen van het laatst dezer eeuw genieten zelfs
niet van de rust als deze hun ten deel valt. Vooral met de vrouw
is het zoo gesteld; hoe meer de tijd en gelegenheid tot rusten en
stille zitten haar ontbreken, des te meer verliest zij het talent
om van die enkele haar geboden gelegenheid gebruik te maken. Hoe
menigvuldiger zij genoodzaakt is om in het openbaar indrukken op te
nemen, die zich aan haar opdringen, des te meer acht zij het noodig,
dat hare polsen met eene koortsachtige snelheid blijven jagen, om er
zich van te overtuigen dat zij leeft.

Dieper gevoelende naturen erkennen met leedwezen dat zij hoe langer
zoo meer verloren gaan met haren rijken aanleg, in dien maalstroom
des levens; in het gedrang van de uit alle oorden samenstroomende,
overweldigende onderwerpen; onder den druk van de eischen onzer
moderne samenleving.

Zulke karakters krijgen niet zelden hallucinaties van een stille,
groene kloostergaarde; of van eene, in het dichte bosch verscholen,
kluizenaarswoning; van de eenzame uren op hooge rotsbergen, of op
de golven der groote, wijde zee, in éenzaamheid doorgebracht. Maar
doorgaans is aan hare behoefte aan éenzaamheid reeds voldaan, door
zich in deze voorstellingen te verdiepen; zij verzuimen dan ook in den
regel gebruik te maken van de gelegenheid, als deze zich voordoet,
om een dergelijke oase in de woestijn te scheppen; een stil plekje,
afgezonderd van het rumoer der wereld. Wie inderdaad een smachtend
verlangen koestert naar éenzaamheid, heeft in de meeste omstandigheden
wel gelegenheid, die op de eene of andere manier te vinden.

Uit mijn kindertijd herinner ik mij dikwijls te hebben hooren vertellen
van eene vrouw die door haar huwelijk haar stille ouderlijke woning
in het bosch had moeten verwisselen voor de onvermijdelijke drukte
van eene uitgebreide huishouding in een groote stad. Die verandering
speet haar zeer, tot zij op den inval kwam om elken morgen, een half
uur lang, alleen stil te gaan zitten met een groenen doek over haar
hoofd. Op die wijze droomde zij, dat zij weer in de stille éenzaamheid
van haar bosch zat en verzamelde zij hare gedachten genoegzaam om
daarna kalm en gelijkmatig de bemoeiingen van den dag tegen te gaan.

Indien ieder van ons haar eigen groenen doek had, zouden wij niet zoo
licht geprikkeld en prikkelend zijn; wij zouden dan niet de gejaagde,
ongedurige, onbeduidende slaven der vormen en gebruiken wezen, die
wij nu maar al te vaak zijn!

Van welken aard nu dit beschermende omhulsel werd,--dit zou voor een
gedeelte door het toeval worden beslist, maar soms ook zoude juist
het eigenaardige karakter blijken van ieder die zulk een haven zocht
uit de keuze van dat stille plekje, en van den doek.

In roomsch-katholieke landen kan men zulk een rustig toevluchtsoord
vinden onder ieder kerkgewelf. Geleund tegen de pilaren van een
gothischen tempel, kan men te midden eener drukke wereldstad, droomen
in een verafgelegen bosch te zijn--hoewel Nietzsche gelijk heeft
als hij zegt, dat modern denkende menschen aan een geheel nieuwe
architectuur, als lijst voor hunne overpeinzingen, de voorkeur
zouden geven.

Voor velen schept de muziek eene verrukkelijke eenzaamheid, vooral
wanneer die thuis genoten wordt en niet in het publiek, waar zoo vele
verscheidene indrukken afleiding geven en waar ons gemoed nauwelijks
de wanklanken uit het dagelijksch leven begint te vergeten, als dat
akelige handgeklap er ons op nieuw aan komt herinneren. Want een
bewijs te geven van gevoel voor het schoone, door volkomen stille
zijn--dit wacht nog op een meer veredelden staat van fijne beschaving,
dan waarop wij in onze eeuw bogen kunnen!

Voor anderen is misschien zulk een rustig gesprek met het eigen
gemoed te vinden in een museum van kunstvoorwerpen, of onder het
lezen van een uitmuntend boek, een oud boek vooral, waarover nu geen
besprekingen meer de ronde doen. En in de groote steden bereiden
de openlijke leesinrichtingen den boekenvrienden het vredige stille
plekje, waarnaar zij tehuis dikwijls te vergeefs hadden uitgezien.

Maar de stilte die het gemakkelijkste verkregen wordt is toch die in
de natuur. Nu gaan de meesten echter niet naar buiten om daar alleen
te zwijgen, of om er te zwijgen met een vriend--deze grootste en
fijnste toets van echte vriendschap. Integendeel, zij zoeken er eenige
kennissen, met wie zij de vraagstukken van den dag kunnen bespreken;
en als zij zich dan warm en moe geredeneerd hebben, keeren zij naar
huis terug, niet van een stille plaats maar uit nieuwe drukte.

Och, zij hebben hunne ziel niet gemaakt tot een kalmen spiegel voor
de indrukken der schoone natuur; neen, deze is op de bewogen golven
blijven zweven, waar het niet mogelijk is een duidelijk en helder
lichtbeeld op te nemen.

Wie inderdaad in de natuur de éenzaamheid zoekt, moet leeren om van
zeer nabij die grootsche natuur gade te slaan; zich oefenen in het
uit het hart verwijderen van alle onbeduidende indrukken, om hierdoor
de degelijke niet te verhinderen er in door te dringen; eene kunst
waarin de wijsgeerige Montaigne ons menige behartenswaardige les
gegeven heeft. "Wij overvoeren ons gemoed met te veel verschillende
dingen tegelijk" zeide hij, reeds voor driehonderd jaren geleden. "Wij
moeten onzen geest oefenen om enkele dingen vluchtig te zien, andere
beter te monsteren; maar eigenlijk in ons opnemen moeten wij alleen die
woorden, voorwerpen of gedachten die met onze eigene overeenstemmen,
die op denzelfden grond zijn gebouwd als deze, zoodat zij ons, als het
ware, zelf raken. Want ons gemoed behoort eigenlijk alleen van eigen
middelen te leven.... Nu zijn wij allen, althans de meesten van ons,
rijker begaafd dan wij zelf denken; maar wij worden er bij opgevoed
om van anderen te leenen, om eens anders goed liever te gebruiken dan
eigen goed...." Dat wij zoo zelden tot de kennismaking met onze lang
niet geringe middelen komen, is het gevolg ervan, dat wij slechts
bij uitzondering, ons met hart en ziel wijden aan hetgeen wij hebben
ondernomen.

"Als ik dans," zegt Montaigne, "dan dans ik; als ik slaap dan slaap ik;
als ik alleen wandel in een mooien tuin en ik betrap mijne gedachten
op afwegen, dan breng ik ze dadelijk weer terug naar den tuin, tot
het genot der éenzaamheid en tot mijzelf."

Dit opzettelijk streven om aan elke daad en aan alles wat wij zijn,
ons persoonlijk geheel te geven en zoodoende uit elken toestand den
geheelen inhoud te persen, is in een ruimen zin belangrijk voor elke
ontwikkeling; zoowel voor ons vermogen om te denken en te arbeiden,
als om te genieten en te rusten.

Maar het is een eigenaardig teeken van onzen tijd steeds een nog
sterker graad van zenuwspanning te verlangen om zich geheel aan het
oogenblik te kunnen geven.

Daarom is ook sport de groote aantrekkingskracht geworden, die
de menschen naar buiten lokt; maar niet om te rusten en kalmte te
zoeken. Integendeel, de wedstrijden op elk gebied en het "africhten"
daarvoor, heeft zelfs de beweging in de vrije frissche lucht tot een
koorts, tot een nieuwen vorm van jagen en stormen, gemaakt. Sport
kan voorzeker een middel zijn om veel van de natuur te genieten, om
spoediger buiten te komen. De riemen waarmede men tusschen de begroeide
oevers eener rivier voortglijdt; de sneeuwschoenen waarop men diep
in de winterstilte van het bosch doordringt; het rijwiel dat zijn
eigenaar vlug naar nieuwe plantsoenen, of naar landelijke eenzaamheid
overbrengt; deze en nog verscheidene andere dingen die tot vermaak en
nut beoefend worden, als zeilen, rijden en zwemmen, brengen inderdaad
bij velen eene hartelijke vereeniging met de natuur tot stand.

Maar de roeier of de ruiter, de schaatsenrijder of de cyklist, die
aan elken indruk van een schoon landschap voorbijvliegt in dolle
woede om zich te bekwamen tot mededingen in den wedstrijd, komt door
zijne voorliefde tot beweging in de buitenlucht hoe langer hoe verder
buiten de natuur en buiten zichzelf. Dit soort van sport ontwikkelt
alleen het lichaam maar niet den geest. Men zal binnen korten tijd
geheel vergeten hebben, dat er een eenvoudiger manier bestaat om
van de natuur te genieten: er van te genieten met lichaam en ziel,
tot nut en genoegen voor beide.

Als wij de meisjestype aan het einde onzer eeuw--dat is te zeggen,
eene jonge dame die geen uitstapje naar buiten maakt anders dan op
haar rijwiel of schaatsen, met het tennis-racket, òf een roeispaan
in de hand,--vergelijkt met het jonge meisjestype van het einde der
vorige eeuw, dan valt die vergelijking niet bepaald gunstig voor
onze dagen uit. Ik denk hierbij onwillekeurig aan de beminnelijke
vriendin van Goethe, de jonge Bettina Brentano, die als een ree van
het buitenleven genoot; die de hoogste bergen beklom om zich daar in
het gouden zonnelicht te baden; die zich niet ontzag om door wind en
regen te loopen, of een onweersbui te laten overtrekken, staande onder
een bloeiende linde, tusschen wier bladeren zij witte bliksemstralen
flikkeren zag; die aan het strand lag, door kabbelende golven omstuwd;
of hoog op de takken zat van een reusachtigen kastanjeboom, te midden
van groen licht en groene schaduwen; of op het grasperk van den grooten
tuin, uitgestrekt, zich vergastte aan de geuren van mos, taxus en
roode anjelieren, zelfs met een paar bloeiende heestertakjes in den
mond, om de nijvere bij tot zich te lokken; die op avonden als de maan
scheen, tusschen de hagen van den wijngaard, onder de doorschijnende,
lichtgroene trossen wandelde, en soms den geheelen zomernacht buiten
bleef, insluimerend onder het nachtlied van merels en nachtegalen,
om niet eer dan door het morgenlicht te worden gewekt....

Behalve deze dichterlijke wijze om van het buitenleven te genieten
is er ook nog de natuur-wetenschappelijke, die echter evenzoo als de
eerste, tamelijk naar den achtergrond wordt gedrongen door sport. Van
dit gezichtspunt beschouwd is het aangenamer knapen tegen te komen
een kruiden-doos aan een band om den hals dragende, dan knapen op
rijwielen.

Van welken aard de reeds vroeg ontwikkelde zucht naar kennismaking met
de natuur wezen moge, altijd verschaft dit onderzoek den beoefenaar
dezer wetenschap een zekere vertrouwelijkheid met de natuur, een
vriendschappelijke, hartelijke genegenheid, die onmogelijk kan ontstaan
tusschen de natuur en een, haar op zijne velocipède voorbijvliegend,
sportliefhebber.

Wat eenigszins vergoelijkend omtrent deze type van de tegenwoordige
jeugd werkt, is het feit, dat velen, die door geen ander middel
naar buiten gelokt zouden worden, nu ten minste, dank zij sport,
eenig vermoeden van de schoonheid der natuur ontvangen en dat
die oefeningen van heden--nadat de overdrijving hare offers zal
hebben ontvangen--zullen bijdragen tot de ontwikkeling van eene
lichamelijk--gezonder en krachtiger generatie, die dan waarschijnlijk
beter dan ons tegenwoordig geslacht, bestand wezen zal tegen
vermoeienis; die op eene edeler wijze het natuurgenot zal smaken en
wier kernspreuk zal zijn "sport te gebruiken als niet misbruikende."

Het gewone dagelijksche rust-uurtje, dat de meesten van ons met een
ernstigen wil kunnen vinden, vervangt intusschen niet de diepe stilte,
die eene wandeling vroeg in den morgen, of het zich terugtrekken
naar een verborgen plekje van de aarde,--zoo mogelijk in een vreemd
land en aan de grenzen der beschaafde wereld gelegen--in staat is
ons te bieden. Maar voor de meeste hoofden van huisgezinnen is het
gemakkelijker gezegd dan gedaan, zulk een schuilhoekje te vinden. Zelfs
de alleenstaande en hierdoor meer onafhankelijke mensch, heeft vaak
een groote mate van ernst in zijne behoefte aan éenzaamheid en veel
wilskracht om andere, minder noodzakelijke dingen te laten, noodig, als
hij er toe komen zal een paar weken van volkomen ongestoorde rust te
kunnen genieten. Daarenboven wordt het verlangen naar afzondering van
een lid van het huisgezin dikwijls tegengewerkt door het vooroordeel,
dat de éenzaamheid een erg soort van égoïsme vertegenwoordigt. Want
de meesten die de groote winst van eene tijdelijke afzondering voor
henzelve inzien,--begrijpen nog niet hoezeer hun huisgezin hierdoor
tegelijkertijd wordt gebaat.

Een korte scheiding heeft namelijk een buitengewone macht om ons
nadenken te wekken en hierdoor ons beter verstaan en ons gevoel
van billijkheid. Wij komen er gemakkelijker toe met een helder oog
de belangrijke dingen in ons op te nemen en de kleinigheden tot
hare wezenlijke onbeduidendheid terug te leiden, als wij een poos
van elkander af zijn. Het eenzame overleg ontwart soms met vlugge
hand de meest ingewikkelde draden en het alleenzijn geeft vaak aan
onze blijdschap een vroolijker, aan onze smart een minder droevige
tint. Volbrengt men den een of anderen arbeid alleen zittende,
dan valt die bijna altijd oneindig beter uit, dan wanneer anderen
erbij tegenwoordig zijn. De boeken die men leest en overpeinst in
het dichte bosch; met de eeuwigschoone sneeuw vóor zich, of op de
bloeiende heide, onder het geruisch van eik en den, verschaffen den
rijksten oogst aan denkbeelden; en de indrukken der natuur die men
onder zulke rustpoozen in zich opneemt, zijn krachtiger en langer van
duur dan andere. Want men geeft zich nimmer zoo geheel en al aan de
natuur als wanneer zulke éenzame dagen een parelsnoer vormen, waarvan
een dag tamelijk gelijk is aan den anderen, maar waarvan toch elke
dag op zichzelf een afgerond geheel vormt, en een aangenaam geheel ook.

Zij die tegen het alleenzijn opzien omdat zij vreezen zich dan nog
meer eenzaam en verlaten te gevoelen hebben in zekeren zin gelijk en
ongelijk. Want juist van menschen omringd, kan het gebeuren dat men
door de omstandigheden, of door zijn bijzondere stemming, mijlenver
van hen verwijderd is; in de door menschen bevolkte woestijn hangt,
meer dan elders, zwaarmoedigheid in de lucht. Maar tegenover de
natuur en den dood--de grootste eenzaamheid en de onwrikbaarste
noodzakelijkheid--worden wij gedwongen afstand te doen, niet alleen
van de bezorgingen en drukten van den dag, maar ook van de bezorgdheid
omtrent ons lot en leven. De grondlijnen waarop ons wezen gebouwd
is worden breeder, maar de vertakkingen dier lijnen worden minder
duidelijk zichtbaar, evenzoo als dit het geval is met een landschap
dat men van een aanzienlijke hoogte af, in de diepte ziet liggen. Het
meer of minder aan lief en leed, waarmede het leven onze dagen vult;
het meer of minder belangrijke werk dat aan ons bestaan inhoud gaf--tot
dit alles keeren wij van zulke eenzame overpeinzingen terug met een
zachten, medelijdenden glimlach.

Het valt ons nu niet meer zoo moeilijk het doove oor te keeren naar die
stemmen, welke ons trachten mede te voeren in de beslommeringen van
den dag en die ons trachten wijs te maken dat wij daarbij hoognoodig
zijn. Wij worden nu minder hevig ontroerd door de pijnlijke kreten uit
ons eigen gemoed opgaande, dan door die van onze medemenschen. Want
wij hebben het leeren inzien, dat de grootste smart niets meer is
dan een druppeltje in den grooten oceaan, evenzoo als het grootste
geluk slechts het vluchtig licht is, dat zulk een kleine druppel
doet glinsteren.

De ziel, die in stilte en eenzaamheid den moed vond om tot zichzelf
in te keeren en haar eigen kracht te meten, weet, dat er slechts éen
groote en wezenlijk belangrijke taak ons leven beheerscht: grooter te
worden. En dat doel kunnen wij bereiken in onze smart en onze vreugde,
in onze dwaasheid en in ons verstand. Groeien kunnen wij door onze
nederlagen, zoowel als door onze overwinningen; door onze rust,
zoowel als door onzen arbeid.



Toch is het hem of haar die de éenzaamheid zoekt aanteraden dit te
doen, zonder een bepaalden eisch aan dat "stille zijn" vooraf te
laten gaan. Want het gebeurt vaak, dat die afzondering juist iets
geheel anders oplevert dan men verwacht had. Hij die rust zocht,
vindt allicht een nieuwen prikkel tot arbeiden; hem die hoopte troost
te vinden, kan zij nieuwe wonden slaan. Hoe het zij: de éenzaamheid
schenkt toch altijd moed- en krachtbesef waarvan men zich niet bewust
was. Maar alleen hij kan hiervan nut trekken die weet, wat de overigens
tamelijk luchthartige Romeinen reeds wisten:

Dat de Éenzaamheid eene godin is wier geheiligde bosschen geen
sterveling nadert met grootspraak, maar met een nederige bede op de
lippen en van wie men met rijke gaven bedeeld terugkeert, indien men
de taal harer ernstige oogen heeft leeren verstaan, die ons 't geheim
van het éene noodige verraden:


                  "Stille zijn in eigen hart."



DE VROUW DER TOEKOMST.


Er zijn woorden die ons aantrekken als een lied. Een dezer woorden is:
"De vrouw der toekomst."

Dit lied klinkt voor mij als de poézie van een Dichter, van een
Dichter en Ziener tegelijk; van éen, wiens naam thans schittert
in het licht der morgenster, maar die, toen hij in het land der
levenden verkeerde, dien naam hoorde door het slijk sleuren--als de
naam van den godsloochenaar en oproerkraaier--terwijl de lichtstralen
van zijn genius op de vooroordeelen zijner tijdgenooten werkten als
angstwekkende bliksemflitsen,--uit de verte.

Zijn profetische dichtergeest liet hem een blik slaan in een tijd
waarin de vrouw zoude zijn:


        ".... frank, beautiful and kind
        As the free heaven, which rains fresh light and dew
        On the wide earth....
        From customs evil taint exempt and pure;
        Speaking the wisdom once they could not think,
        Looking emotions once they feared to feel,
        And, changed to all which once they dared not be
        Yet being now, made earth like heaven...." [2].


Dit visioen der vrouw in de toekomst, door Shelley in zulke schoone
omtrekken geschetst, zweefde mij voor den geest, toen ik mij voornam
haar beeld in eenige meer vaste trekken te schilderen.



Zeer waarschijnlijk zal de Sturm-und-Drang-tijd der vrouwen en de
hiermede samenhangende sociale hervorming, tot ver in de volgende
eeuw aanhouden. Dit tijdperk, vervuld met twistvragen en botsingen van
allerhande soort, zal niet eer eindigen, dan wanneer de vrouw, in en
buiten het huwelijk, voor de wet gelijkstelling met den man zal hebben
verkregen; wanneer zulk eene herschepping in de samenleving zal hebben
plaats gegrepen, dat hierdoor aan de hatelijke mededinging tusschen
de beide seksen op eene, voor beide partijen bevredigende wijze,
een einde werd gemaakt; en wanneer de arbeid, zoowel het bedrijf tot
eigen onderhoud als de arbeid in de huishouding, minder zwaar op de
vrouw zal drukken dan op heden het geval is.

Het is best mogelijk dat eerst tegen het laatst der twintigste eeuw
het vrouwentype onzer dagen tot het onhoudbare zal zijn gestegen en
een nieuw type der vrouw uit dien toestand zal geboren worden. Mijn
idéaal der toekomstige vrouw--en als men zich in een droombeeld
verdiept mag men zeer ver dwalen in het rijk der fantasie!--is, dat
zij zal worden een wezen van groote tegenstrijdigheden die tot een
harmonisch akkoord worden vereenigd. Zij zal zich doen kennen als zeer
veelzijdig, maar tevens als een gesloten geheel; als een rijke schat
en volmaakte eenvoud; als een zeer beschaafd, flink ontwikkeld wezen
en toch oorspronkelijk; als eene sterk sprekende, echt menschelijke
persoonlijkheid en eene volkomen openbaring van het innig vrouwelijke.

Deze vrouw zal in staat zijn den ernst van den arbeid op
wetenschappelijk gebied te verstaan in een streng onderzoek naar de
waarheid, in een vrijen gedachtenloop, in een artistieke schepping.

Zij zal de noodzakelijkheid inzien van de wetten der natuur en de
daardoor te voorschijn geroepene ontwikkelingen; zij zal bij een
sterk gevoel van solidariteit belang stellen in hetgeen dient tot
het algemeene nut.

Omdat zij meer weet en helderder denkt dan de vrouw in onze dagen, zal
zij ook rechtvaardiger oordeelen; omdat zij krachtiger is zal zij beter
zijn; omdat zij verstandiger is, zal zij zachtzinniger wezen. Zij kan
de dingen breeder opvatten, ze in den samenhang met het groot geheel
beschouwen; het gevolg hiervan is, dat zij langzamerhand verscheidene
vooroordeelen, die men heden vrouwelijke deugden noemt, laat varen.

Zij is en blijft de ontwerpster der zeden, die zij adelt. Maar daarbij
steunt zij niet op de in de samenleving nu eenmaal gebruikelijke
vormen, maar op de wetten en geboden in eigen hart.

Zij heeft den moed haar eigen gedachten over menig vraagstuk te
hebben; ook dien om de nieuwe denkbeelden van haar tijd ernstig
te onderzoeken en te toetsen. Zij durft niet alleen te kennen,
maar ook te bekennen--gewaarwordingen die zij thans onderdrukt
of verbergt. Hare volkomen vrijheid van beweging en veelzijdige
ontwikkeling als zelfstandig persoon, maken voor haar moeilijke
ondernemingen mogelijk, het wilskrachtig streven naar een bestaan,
dat in evenredigheid tot haar eigen kunnen blijken zal een hooger
doel te beoogen: Een zoodanig doel zal zij met een scherper instinct
dan zij nu bezit, weten te vinden. Zij heeft geleerd beter te werken,
krachtiger zich te verblijden over eenvoudige, voor de hand liggende
onderwerpen en op haar tijd behoorlijk en volkomen te rusten, beter
dan de vrouw in onze dagen dit kan.

Op deze wijze wordt het levensbewustzijn der nieuwe vrouw verhoogd;
hare ervaring wint aan diepte; haar gemoedsleven, haar zin voor het
schoone, haar talenten worden ontwikkeld en fijner beschaafd. Zij
wordt allengs meer gevoelig voor indrukken; zij voelt en gevoelt
levendiger en smaakt meer genot maar lijdt ook meer en heviger smart,
dan de vrouw van heden genieten en lijden kan.

Ten gevolge van dit alles zal de vrouw der toekomst de waarde verhoogen
der onderlinge samenleving, de waarde van de kunst, van wetenschap
en letterkunde.

Maar de grootste beteekenis op het gebied der cultuur zal toch
voor haar altijd daarin bestaan, dat zij door het raadselachtige
en oorspronkelijke, het profetische en voor indrukken gevoelige in
haar wezen, het menschdom beschermt tegen het ernstige gevaar van
overbeschaving.

Tegenover hetgeen wij weten kunnen stelt zij eerlijk datgene wat ons
nog niet is geopenbaard; tegenover verstandig redeneeren--het gevoel;
tegenover de nuchtere werkelijkheid, mogelijkheden; en tegenover de
ontleding, haar indruk van 't geheel.

Het is in de eerste plaats het streven der vrouw, om het hart te
veredelen--dat van den man, het verstand te ontwikkelen; aan haar,
het gebied der poézie te verwijden--aan hem meer ruimte te verwerven
voor de vruchten van geest en vernuft. Zij vertegenwoordigt en verheft
de teederheid--hij de rechtvaardigheid. Hij behaalt menige overwinning
door overmoedigheid--zij door moed.

De vrouw der toekomst zal niet alleen veel hebben geleerd, zij zal ook
zeer veel hebben vergeten, vooral van de hedendaagsche feministische
en antifeministische dwaasheden.

Zij zal met alles wat in haar is trachten het geluk der liefde te
vinden en te verhoogen.

Zij is kuisch, niet omdat zij koel, maar omdat zij hartstochtelijk
is. Zij is teer, niet omdat zij bleek is, maar omdat zij zooveel en
zoo warm stroomend bloed in hare aderen heeft. Zij is geestdriftig
en daarom ook zinnelijk; zij is trotsch en daarom eerlijk, oprecht en
waarheidslievend. Zij eischt een sterke liefde, omdat zij zich bewust
is zelve nog onverdeelder en met een nog grooter liefde te kunnen
beminnen. Het erotische problema is door haar verfijnd idéalisme vaak
zeer geheimzinnig en moeilijk op te lossen.

Hier tegenover staat, dat het geluk der liefde, als zij deze eenmaal
schenkt en gevoelt, rijker, dieper en waarachtiger is, dan alles wat
men ooit geluk had genoemd; eene nog ongekende zaligheid.

Het is niet onmogelijk, het is zelfs te verwachten, dat een aantal
hoedanigheden en trekjes die onzen echtgenooten en huismoeders eigen
zijn, bij de vrouw der toekomst te vergeefs zullen worden gezocht.

De eerstgenoemde wil altijd de geliefde blijven en alleen als de
zoodanige wil zij moeder worden. Aan den grootschen maar moeilijken
plicht om geliefde en moeder te gelijkertijd te zijn wijdt de laatste
haar beste krachten; het wordt haar godsdienst, om met alles wat in
haar is, 's levens genot tot zaligheid te verheffen. Juist omdat zij de
groote voorrechten van schoonheid en gezondheid kent en op hoogen prijs
stelt, op geestelijk en lichamelijk gebied, zal zij met meer ernst en
door een dieper gevoel van verantwoordelijkheid geleid worden, bij de
keuze van den vader harer kinderen. Zij zal aan gezonde, krachtige
menschen het leven geven en dezen naar haar beste weten voeden,
verzorgen, opvoeden, en daarbij zal zij zelf hare bekoorlijkheid en
hare jeugd langer behouden dan de vrouw in onze dagen.

Zij wil haar geheele leven door behagen, omdat het altijd haar wensch
is het leven schoon en aantrekkelijk te maken. Maar zij wenscht
alleen te behagen door op elken leeftijd zich te toonen zooals zij,
daarmede in overeenstemming, is; haar hoogste bekoorlijkheid, hare
eeuwige jeugd, openbaart zij uitsluitend aan hem dien zij bemint. Zij
weet dat de bekoorlijkheid des geestes de diepste gevoelens opwekt en
uit de volheid van haar rijk gemoed put zij bestendige hernieuwing
van die bevalligheid; telkens onverwacht en in, tot het oneindige
afwisselende, schakeeringen van hare persoonlijke gratie.

Eenvoudig door haar bijzijn verjaagt zij de dwaze en zinledige
vormen, den dwang der gewoonten en vervangt deze door van haar
oorspronkelijk uitgaande en door haar zielenadel verfijnde, manieren
en uitingen, zoowel in de samenleving als in het huisgezin, en in
den vertrouwelijken vriendenkring.

Waarschijnlijk zal zij veel minder redeneeren dan de vrouw in onze
dagen, maar haar stilzwijgen en haar glimlach zal welsprekender
zijn, dan lange voordrachten en debatten in de vergaderingen door de
hedendaagsche vrouwenbeweging belegd.

Zij zegt altijd duidelijk verstaanbaar wat zij te zeggen heeft en
spreekt altijd gematigd; zij kiest hare woorden onveranderlijk en
blijft bij hetgeen zij gezegd heeft, in schijnbaar zeer gewone, maar
inderdaad zorgvuldig gekozene, doeltreffende, uitdrukkingen. Er gaat
een opgewekte en opwekkende, gezonde strooming van haar uit; frisch
als de beek in het bosch die van de bergen stort, maar als deze, aan
een bepaalde grens gebonden. Hoe ver zij ook schijnt zich te laten
medevoeren--in den roes der vreugde of in den hartstocht van hare
liefde; in buitengewoon genot of bij de wanhoop der smart--nimmer
vergeet zij zichzelf. Zij vereenigt vele vrouwen in éen persoon,
hetzij dat zij lacht en schertst, hetzij dat zij lijdt en ook
dan glimlacht; dat zij een bloeiende gezondheid geniet of aan een
ongeneeselijke wonde verbloedt; kalm is of ontroerd; of zij juicht
of weent; of er zonneschijn is in heur hart of nachtelijk duister;
koelte of vuurgloed--altijd is zij de ideale vrouw.

Reeds sedert lang leeft de vrouw der toekomst in de droombeelden van
den man en zij wordt geschapen naar het beeld dat hij van haar heeft
gemaakt. Het vrouwelijk idéaal van den modernen man is geenszins
de mannelijke vrouw, maar de veelzijdig ontwikkelde openbaring van
"Das ewig Weibliche". Dit nieuwe vrouwentype is bij tusschenpoozen
verschenen, niet alleen in onze dagen, maar in verschillende vroegere
tijdperken.

In de middeleeuwen schreef zij Heloïse's brieven; in den tijd der
Hervorming schilderde Leonardo haar als Mona Lisa en in de achttiende
eeuw hield zij haar salon als Mademoiselle de Lespinasse. In onze eeuw
heeft zij het lied der liefde gezongen als Elisabeth Barett Browning;
zij heeft van het tooneel tot ons gesproken als Eleonore Duse;--en
als een edel gesteente is haar wezen gekristalliseerd door het woord
van den dichter dat Rahel's persoonlijkheid uitdrukte:


                        "Still und bewegt."



AANTEEKENINGEN


[1] In het Zweedsch is moed = mod; geduld = tålamod, letterlijk:
"moed om te dulden"; eene schoone, veelzeggende woordspeling.
                                                                VERT.

[2] "Vrij, schoon en goed, als de open hemel, wiens regen wazig
en zachtde geheele aarde verfrischt.... Ontwassen aan het kwaad
van den vormendienst; eenvoudig en rein; een taal sprekend van
't verlicht verstand, waaraan door haar voorheen zelfs niet gedacht
werd; aandoeningen onder de oogen ziende, die zij voorheen vreesde te
gevoelen; en aldus ontwikkeld tot alles wat zij voorheen niet durfde
te zijn; toch aardsch en hemelsch tegelijk, ook nu!...."        VERT.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De moedige vrouw" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home