Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Niels Holgersson's Wonderbare Reis
Author: Lagerlöf, Selma, 1858-1940, Meijboom, Margaretha, 1856-1927
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Niels Holgersson's Wonderbare Reis" ***


                   Niels Holgersson's wonderbare reis

                           Naar het Zweedsch

                                  VAN

                             Selma Lagerlöf

                                  Door

                          Margaretha Meijboom

                        (Geautoriseerde uitgaaf)


                              Tweede druk

                               Amsterdam

                             H. J. W. Becht



       Boek-, courant- en steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.



I.

DE JONGEN.


DE KABOUTER.


Er was eens een jongen, die zoo ongeveer veertien jaar oud was, lang
en mager en met vlashaar. Hij was eigenlijk een deugniet: hij had 't
meeste pleizier in slapen en eten, en verder hield hij van kattekwaad.

Nu was het een Zondagmorgen, en de ouders van den jongen waren bezig
zich klaar te maken om naar de kerk te gaan. De jongen zelf zat in zijn
hemdsmouwen op den rand van de tafel, en dacht er aan hoe heerlijk
't was, dat Vader en Moeder allebei weggingen, zoodat hij een paar
uur lang zijn eigen baas zou zijn.

"Nu kan ik Vaders geweer nemen en een beetje schieten, zonder dat
iemand zich er meê hoeft te bemoeien," zei hij in zichzelf.

Maar 't scheen wel, dat Vader de gedachten van den jongen geraden
had, want juist toen hij op den drempel stond, klaar om heen te gaan,
bleef hij staan en keerde zich om.

"Nu je niet met Moeder en mij meê naar de kerk wilt gaan," zei hij,
"vind ik, dat je de preek ten minste wel hier thuis lezen kunt. Wil
je me beloven, dat je dat doen zult?"

"Ja," zei de jongen, "dat kan ik wel doen." En hij dacht natuurlijk,
dat hij niet meer lezen zou, dan waar hij lust in had.

De jongen vond, dat hij Moeder nooit zoo voortvarend had gezien. In
een wip was zij bij den boekenhanger, kreeg het preekenboek, en legde
het klaar op de tafel bij het venster, opengeslagen bij de preek van
den dag. Ze zocht in den bijbel den tekst van de preek op, en legde
't boek open naast het preekenboek. Toen trok zij den grooten leunstoel
bij de tafel, waarin anders niemand dan Vader zitten mocht, en die 't
vorige jaar op de verkooping in de pastorie van Vemmenhög was gekocht.

De jongen zat er op den tafelrand over te denken, dat Moeder zich al
te veel moeite gaf om de tafel in orde te maken, want dat hij niet
van plan was meer dan één of twee bladzijden te lezen. Maar nu was
het alweer, alsof Vader dwars door hem heen kon kijken. Hij ging op
den jongen toe en zei streng:

"Denk er nu om, dat je behoorlijk leest; want als we thuis komen,
zal ik je elke bladzij overhooren, en als je wat overgeslagen hebt,
kom je er niet gemakkelijk af."

"De preek is veertien en een halve bladzij lang," zei Moeder, alsof
ze de maat vol wou maken; "je mag wel gauw gaan zitten lezen, als je
hem uit wilt krijgen."

Toen gingen zij eindelijk heen, en toen de jongen hen in de deur stond
na te kijken vond hij, dat hij in den val geloopen was. "Nu loopen ze
er zich in te verheugen, dat zij 't zoo mooi in orde gemaakt hebben,
dat ik den heelen tijd met mijn neus in die preek zitten moet,
zoolang ze weg zijn."

Maar Vader en Moeder verheugden zich in 't geheel niet; integendeel,
ze waren heel bedroefd. Hij was een arme keuterboer, en hun hoeve
was niet veel grooter dan een tuintje. Toen ze er in 't begin kwamen
wonen, konden zij daar niet meer dan een varken en een paar kippen
houden; maar ze waren bizonder vlijtige en knappe menschen, en nu
hadden ze èn koeien, èn ganzen. Het was hun buitengewoon goed gegaan,
en ze zouden tevreden en blij naar de kerk zijn gewandeld, als ze
niet over hun zoon hadden hoeven denken. De vader klaagde er over,
dat hij traag en lui was. In school had hij niets willen leeren,
en hij was zoo onbruikbaar, dat men hem ternauwernood de ganzen kon
laten hoeden. En Moeder kon niet ontkennen, dat dit waar was, maar
zij was het meest bedroefd, omdat hij zoo wild en akelig was,--hard
tegen de dieren en boosaardig tegenover de menschen.

"God moge zijn boozen wil breken, en hem een ander hart geven,"
zei ze. "Anders wordt hij een ongeluk voor zichzelf en de onzen."

De jongen stond er lang over na te denken of hij de preek zou lezen of
niet. Toen was hij met zichzelf overeengekomen, dat het 't beste was
dezen keer gehoorzaam te zijn. Hij ging in den grooten leuningstoel
zitten, en begon te lezen. Maar toen hij een poosje lang de woorden
halfluid opgerabbeld had, was het alsof hij slaap kreeg van dat
gerabbel, en hij merkte, dat hij knikkebolde.

Buiten was het allerheerlijkst lenteweer. 't Was nog niet later in
't jaar dan de 20ste Maart, maar de jongen woonde in de gemeente
West Vemmenhög, heel in 't zuiden van Skaane, en daar was de lente
al in vollen gang. De boomen waren nog niet groen, maar alles stond
frisch en vol knoppen. Er was water in alle greppels, en het hoefblad
stond in bloei aan den kant van den greppel. Al 't kreupelhout, dat
op het steenen walletje om den akker groeide, was bruin en glanzend
geworden. Het beukenbosch in de verte stond als 't ware te zwellen,
en werd ieder oogenblik dichter. De hemel was hoog en helder blauw. De
huisdeur stond op een kier, zoodat men in de kamer de leeuweriken
hoorde zingen. De kippen en ganzen liepen in den tuin, en de koeien,
die zelfs in den stal de lentelucht voelden, begonnen nu en dan te
loeien. De jongen las en knikkebolde, en streed tegen den slaap.

"Neen, ik wil niet slapen," dacht hij, "want dan kom ik er den heelen
morgen niet door."

Maar hoe dat nu kwam--hij sliep in.

Hij wist niet, of hij lang of kort geslapen had, maar hij werd wakker
door een licht gedruisch achter hem. Op de vensterbank recht voor
den jongen stond een spiegeltje, en daarin kon hij bijna de heele
kamer zien. Juist toen nu de jongen het hoofd oplichtte, keek hij
toevallig in den spiegel, en toen zag hij, dat de deksel van Moeders
kist openstond.

Nu had Moeder een groote, zware, met ijzer beslagen eikenhouten kist,
die nooit iemand anders dan zijzelf mocht opendoen. Daar bewaarde
Moeder alles, wat zij van haar moeder geërfd had, en waar zij bizonder
goed op paste. Daar lagen een paar ouderwetsche boerinnenpakjes
van rood laken met korte lijfjes en geplooide rokken, en met kralen
versierd borststuk. Daar waren gesteven witte hoofddoeken en zware
zilveren broches en kettingen. De menschen wilden nu zooiets niet
meer dragen, en Moeder had er al vaak aan gedacht, die oude dingen
weg te doen, maar zij had het niet over haar hart kunnen verkrijgen.

Nu zag de jongen in den spiegel heel duidelijk, dat de deksel van
die kist open stond. Hij kon niet begrijpen hoe dat gekomen was,
want Moeder had de kist afgesloten, eer ze heenging. 't Zou Moeder
niet overkomen, dat zij de kist open liet, als hij alleen thuis was.

Hij vond het griezelig. Hij was bang, dat een dief de kamer was
binnengeslopen. Hij durfde zich niet verroeren, maar zat stil in den
spiegel te staren.

Terwijl hij zoo zat te wachten, tot de dief zich vertoonen zou, begon
hij er zich over te verwonderen, wat dat toch voor een schaduw was,
die over den rand van de kist viel. Hij keek en keek, en kon zijn
oogen bijna niet gelooven. Maar wat in 't begin maar een schaduw was,
werd al duidelijker, en hij merkte al gauw, dat het iets werkelijks
was. 't Was niet meer of minder dan een kabouter, die als een ruiter
te paard op den rand van de kist zat.

De jongen had wel over kabouters hooren spreken, maar hij had nooit
gedacht, dat zij zóó klein konden zijn. Hij, die daar op den rand
van de kist zat, was niet grooter dan een handbreed. Hij had een oud,
rimpelig gezicht, zonder baard, en droeg een zwarten rok, korte broek
en een zwarten hoed met breeden rand. Hij was heel netjes en keurig
met witte kant om hals en mouwen, gespen op de schoenen, en kousebanden
met rozetten dichtgeknoopt. Hij had uit de kist een geborduurd mutsje
genomen, en zat zóó aandachtig naar het ouderwetsche werk te kijken,
dat hij niet gemerkt had, dat de jongen wakker geworden was.

De jongen was heel verbaasd, toen hij den kabouter zag, maar zoo erg
bang werd hij niet. 't Was onmogelijk om bang voor iemand te worden,
die zoo klein was. En omdat de kabouter daar zoo in gedachten verdiept
zat, dat hij niets zag of hoorde, dacht de jongen, dat het grappig
zou zijn hem een poets te spelen: hem in de kist te duwen, en den
deksel dicht te klappen, of zoo iets.

Maar de jongen was toch niet zoo moedig, dat hij den kabouter durfde
aan te raken met zijn handen; hij keek in de kamer rond naar iets,
waar hij hem een stootje meê geven kon. Hij liet zijn oogen van de
klaptafel naar de kachel gaan, en van de kachel naar de klaptafel. Hij
keek naar de pannen en de koffiekan, die op een plank naast de kachel
stonden, naar den wateremmer bij de deur, en naar lepels, en messen,
en vorken, en schalen, en borden, die door de halfopen kastdeur te
zien waren. Hij keek op naar Vaders geweer, dat aan den wand naast de
portretten van de Deensche koningsfamilie hing, en naar de geraniums
en fuchsia's, die in 't venster bloeiden. Eindelijk viel zijn oog op
een oud kapellennet, dat aan het kozijn hing.

Nauwelijks had hij het net in het oog gekregen, of hij trok het naar
zich toe, sprong op, en zwaaide het over den kant van de kist. En hij
was zelf verbaasd, dat het hem zoo meeliep. Hij begreep bijna niet,
hoe hij dat klaar gespeeld had, maar hij had werkelijk den kabouter
gevangen. De stumper lag onder in het lange net, met het hoofd naar
beneden, en kon niet naar boven komen.

In 't eerst wist de jongen heelemaal niet, wat hij met zijn vangst
beginnen zou. Hij vond het alleen vermakelijk het net heen en weer
te zwaaien, zoodat de kabouter geen gelegenheid zou hebben naar boven
te kruipen.

De kabouter begon te praten, en smeekte zoo innig om vrij te komen. Hij
had hun zooveel jaren lang goed gedaan, en was een beter behandeling
waard. Als de jongen hem nu losliet, zou hij hem een ouden rijksdaalder
geven en een zilveren lepel en een gouden munt, zoo groot als de kast
van zijn vaders horloge.

De jongen vond niet, dat dit bod groot genoeg was, maar het was hem
zoo gegaan--nu hij den kabouter in zijn macht had--was hij bang voor
hem geworden. Hij merkte, dat hij met iets vreemds en griezeligs in
aanraking gekomen was, en hij was maar blij, dat hij van dat duivelsche
gedoe weer afkomen kon.

Hij ging daarom dadelijk op den koop in, en hield het net stil, zoodat
de kabouter er uit kruipen kon. Maar toen die er bijna uitgekropen
was, viel het den jongen in, dat hij grooter schatten had moeten
bedingen, en alle mogelijke heerlijkheden. Ten minste had hij dit
moeten bedingen, dat de kabouter hem de preek in 't hoofd zou tooveren.

"Wat was ik dom, dat ik hem vrij liet," dacht hij, en hij begon het
net te schudden, opdat de kabouter weer naar beneden zou vallen.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen dat deed, kreeg hij zoo'n
vreeselijke oorvijg, dat hij meende, dat zijn hoofd in stukken zou
springen. Hij vloog eerst tegen den eenen wand, en toen tegen den
anderen, en eindelijk viel hij op den grond, en bleef daar bewusteloos
liggen.

Toen hij weer bijkwam, was hij alleen in de kamer. Hij zag geen
spoor meer van den kabouter. De deksel van de kist was gesloten,
en het net hing weer op zijn gewone plaats in het venster. Als hij
niet gevoeld had, hoe zijn rechterwang gloeide van de oorvijg, zou
hij in de verzoeking gekomen zijn te gelooven, dat alles maar een
droom geweest was.

"Vader en Moeder zullen in alle geval wel beweren, dat het niet
anders geweest is," dacht hij. "Zìj zullen wel niets van de preek
willen aftrekken om den kabouter. Het is het beste, dat ik maar gauw
ga zitten lezen."

Maar toen hij nu naar de tafel ging, merkte hij wat wonderlijks
op. De kamer kon toch niet gegroeid zijn! Maar hoe kwam het dan, dat
hij zooveel meer stappen moest doen dan gewoonlijk om bij de tafel te
komen? En wat bezielde den stoel? Die zag er niet grooter uit dan zoo
pas. Maar hij moest eerst op de sporten tusschen de pooten klimmen en
dan verder klauteren om op de zitting te komen. En 't ging al net zoo
met de tafel. Hij kon niet over het blad van de tafel heen kijken,
zonder op de leuning van den stoel te klimmen.

"Wat in de wereld is dat toch!" zei de jongen. "Ik geloof, dat de
kabouter den leuningstoel en de tafel en de heele kamer betooverd
heeft."

't Preekenboek lag op de tafel, en schijnbaar was het precies als
anders, maar daar moest toch ook iets aan mankeeren, want hij kon er
geen woord in lezen, zonder gewoon weg op het boek te gaan staan.

Hij las een paar regels, maar toen keek hij toevallig op. Daardoor
viel zijn oog op den spiegel, en toen riep hij hardop: "Kijk, daar
is er nog een!"

Want in den spiegel zag hij duidelijk een klein, klein kaboutertje,
gekleed met een slaapmutsje en een leeren broek aan. "Die is
precies gekleed als ik," zei de jongen, en sloeg de handen in elkaar
van verbazing. Maar toen zag hij, dat de kabouter in den spiegel
hetzelfde deed.

Toen begon hij zich aan zijn haren te trekken en zich in de armen te
knijpen en rond te draaien, en oogenblikkelijk deed hij daar in den
spiegel het hem na.

De jongen sprong een paar keer rond, om te zien of er een of ander
klein kereltje achter hem stond. Maar hij vond niemand--en toen begon
hij van schrik te beven. Want nu begreep hij, dat de kabouter hem
betooverd had, en dat de kabouter, dien hij daar in den spiegel zag,
niemand anders was dan hijzelf.



DE WILDE GANZEN.


De jongen kon maar niet gelooven, dat hij in een kabouter veranderd
was.

"'t Is zeker maar een droom--of verbeelding," dacht hij. "Als ik even
wacht, word ik wel weer een mensch."

Hij ging voor den spiegel staan, en sloot de oogen. Hij opende ze
eerst na een paar minuten, en verwachtte toen, dat het weer over zou
zijn. Maar dat was niet zoo: hij was en bleef even klein. Overigens
was hij precies, zooals hij geweest was. Het lichte vlashaar en de
zomersproeten op neus en lippen, de lappen op zijn leeren broek en
de stoppen in zijn kousen, alles was precies eender; alleen was alles
kleiner geworden.

Neen, stil te staan en te wachten tot het overging, dat diende nergens
voor; dat merkte hij wel. Hij moest wat anders probeeren. En het
verstandigste wat hij doen kon, was, meende hij, den kabouter op te
zoeken en zich met hem te verzoenen.

Hij sprong op den grond, en begon te zoeken. Hij keek achter stoelen
en kasten, en onder de slaapsofa, en in den oven. Hij kroop zelfs in
een paar rattegaten, maar hij kon den kabouter niet vinden.

Onder het zoeken schreide hij en smeekte, en beloofde alle mogelijke
dingen. Hij zou nooit weer zijn woord breken tegenover iemand, nooit
zou hij weer ondeugend zijn, nooit weer slapen onder de preek. Als
hij maar weer een mensch mocht worden, zou hij zoo'n beste, lieve,
gehoorzame jongen zijn. Maar wat hij ook beloofde, het hielp hem
geen zier.

Op eens kwam het hem in de gedachte, dat hij Moeder had hooren zeggen,
dat 't kleine volkje gewoonlijk in den koestal woonde, en hij besloot
dadelijk daarheen te gaan, om te zien of hij daar den kabouter niet
kon vinden. 't Was een geluk, dat de huisdeur op een kier stond,
want hij zou niet bij het slot hebben kunnen komen om die open te
doen. Maar nu kwam hij er zonder bezwaar door.

Toen hij in de gang kwam, keek hij rond naar zijn klompen, want
in de kamer had hij natuurlijk op kousen geloopen. Hij dacht er
met verwondering over, hoe hij zich redden zou met die groote,
lompe klompen, maar op 't zelfde oogenblik zag hij een paar kleine
klompjes op den drempel staan. Toen hij merkte, dat de kabouter zoo
zorgvuldig geweest was, dat hij zelfs zijn klompen veranderd had,
werd hij nog angstiger. 't Scheen wel de bedoeling te zijn, dat al
dit akelige lang zou duren.

Op de oude eikenhouten plank, die voor de gangdeur lag, sprong een
musch rond. Nauwelijks kreeg hij den jongen in 't oog, of hij riep:
"Tiliet! tiliet! Kijk eens naar Niels den ganzenjongen! Kijk eens
naar klein Duimpje! Kijk eens naar Niels Holgersson, klein Duimpje!"

Dadelijk keken de ganzen en de kippen naar den jongen, en daar begon
een geweldig gekakel: "Kukeleku!" kraaide de haan, "dat is zijn
verdiende loon. Kukeleku! hij heeft mij aan mijn kam getrokken!"

"Ka, ka, ka! Dat is zijn verdiende loon!" riepen de kippen, en dat
riepen ze maar al door.

De ganzen liepen naar elkaar toe, staken de koppen bij elkaar en
vroegen: "Wie kan dat gedaan hebben? Wie kan dat gedaan hebben?"

Maar het vreemdste van alles was, dat de jongen verstond wat ze
zeiden. Hij was zoo verbaasd, dat hij op het stoepje bleef staan
luisteren.

"Dat komt zeker, omdat ik in een kabouter ben veranderd," zei
hij. "Daarom zeker versta ik nu de taal van de vogels." Hij vond het
onuitstaanbaar, dat de kippen maar niet ophielden te roepen, dat het
zijn verdiende loon was. Hij gooide ze met een steen en riep. "Houdt
je stil, schooiers!"

Maar hij had er niet aan gedacht, dat hij niet meer zoo was, dat de
kippen bang voor hem hoefden te wezen. De heele troep kippen rende
op hem toe, ging om hem heen staan en riep: "Ka, ka, ka! dat is je
verdiende loon! ka, ka, ka! dat is je verdiende loon."

De jongen probeerde weg te komen, maar de kippen vlogen hem na, en
schreeuwden, zoodat hij er bijna doof van werd. Hij was zeker nooit
van hen afgekomen, als de huiskat er niet aan was gekomen. Zoodra
de kippen de kat zagen, werden ze stil en deden, alsof ze nergens
aan dachten dan aan krabben in den grond om eten te zoeken. De
jongen sprong dadelijk op de kat toe. "Lieve, beste poes," zei hij,
"je kent zeker wel alle hoekjes en gaatjes hier op de plaats. Wees
nu eens lief en vertel me, waar ik den kabouter kan vinden."

De kat antwoordde niet dadelijk. Zij zette zich neer, legde den
staart sierlijk om haar pootjes, en staarde den jongen aan. 't Was
een groote, zwarte kat met een witte vlek op de borst. Heur haar lag
glad en glansde in den zonneschijn. Zij had de klauwen ingetrokken,
en haar oogen waren egaal grijs, met enkel een klein smal spleetje
in het midden. De kat zag er innig bescheiden uit.

"Ik weet wel, waar de kabouter woont," zei ze met een zachte stem;
"maar 't is niet zeker, dat ik je dat vertellen wil."

"Lieve poes, je mag me wel helpen," zei de jongen. "Zie je niet,
hoe hij me betooverd heeft?"

De kat deed de oogen wat wijder open, zoodat het groene en leelijke
er in begon uit te komen. Ze spon en snorde van genoegen, vóór ze
antwoordde. "Moet ik je misschien helpen, omdat je mij zoo dikwijls
aan mijn staart getrokken hebt?" vroeg ze eindelijk.

Toen werd de jongen boos, en vergat heelemaal hoe klein en machteloos
hij nu was. "Ik kan je nog wel eens aan je staart trekken!" zei hij
en sprong op de kat toe.

Maar opeens was de kat zoo veranderd, dat de jongen nauwelijks kon
gelooven, dat het 't zelfde dier was. Ieder haar op haar lichaam
stond overeind. Ze zette een hoogen rug, de pooten werden langer, de
klauwen sloeg ze in den grond, haar staart was kort en dik geworden,
haar ooren lagen achteruit, de mond blies, de oogen stonden wijd open,
en ze gloeiden als rood vuur.

De jongen wou zich niet laten bang maken door een kat, en deed een
stap vooruit. Maar toen nam de kat een sprong, kwam boven op den
jongen neer, gooide hem onderste boven, en ging over hem heen staan
met de voorpooten op zijn borst, en den bek open boven zijn keel.

De jongen voelde hoe de klauwen door zijn vest en hemd in zijn
huid drongen, en hoe de scherpe hoektanden zijn keel kietelden. Hij
schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon.

Maar niemand kwam, en hij geloofde vast, dat zijn laatste uur geslagen
was. Toen voelde hij, dat de kat haar klauwen introk en zijn keel
losliet.

"Zie zoo," zei ze, "nu is 't genoeg! Ik zal je dezen keer nog loslaten
ter wille van de vrouw. Ik wilde alleen maar, dat je weten zou,
wie van ons beiden nu de baas is."

Met die woorden liep de kat weg, en zag er weer even glad en
zachtzinnig uit, als toen ze kwam. De jongen was zoo beschaamd,
dat hij geen woord zei, maar zich haastte naar den koestal om den
kabouter te zoeken. Daar waren niet meer dan drie koeien. Maar toen
de jongen binnenkwam, begon er een gebrul en een spektakel, zoodat
men best kon denken, dat er minstens dertig waren.

"Boe, boe, boe," loeide Meiroos. "Het is maar goed, dat er
rechtvaardigheid in de wereld is."

"Boe, boe, boe!" hieven ze alle drie aan. Hij kon niet hooren wat ze
zeiden, zoo overschreeuwden ze elkaar.

De jongen wilde naar den kabouter vragen, maar hij kon zich niet
verstaanbaar maken, omdat de koeien in volslagen oproer waren. Zij
gedroegen zich, zooals ze gewoonlijk deden, als hij een vreemden hond
bij hen binnen liet. Ze sloegen met de achterpooten, schudden hun
halskettingen, keerden de koppen naar buiten en dreigden met de horens.

"Kom jij maar eens hier," zei Meiroos, "dan kun je een trap krijgen,
die je vooreerst niet vergeten zult."

"Kom hier," zei Goudlelie, "dan mag je dansen op mijn horens."

"Kom hier! dan zul je eens voelen hoe dat was, toen je mij met je
klompen gooide verleden zomer!" loeide Sterre.

"Kom hier, dan zal ik je de wesp betaald zetten, die je me in 't oor
gestopt hebt," schreeuwde Goudlelie.

Meiroos was de oudste en wijste van allen, maar zij was 't allermeeste
boos.

"Kom eens hier," zei ze, "dan zal ik je al de keeren betaald zetten,
dat je den melkstoel onder je moeder hebt weggerukt, en al de keeren,
dat je haar over je beenen hebt laten vallen, als zij met den melkemmer
aankwam, en al die tranen, die ze hier om jou heeft geschreid."

De jongen wilde hem zeggen, dat hij er berouw van had, dat hij zoo
leelijk tegen hen had gedaan, en dat hij nooit anders dan goed voor hen
wezen zou, als ze hem maar zeggen wilden, waar de kabouter was. Maar
de koeien luisterden niet naar hem. Ze maakten zulk een spektakel,
dat hij bang was, dat een van hen zich los zou rukken, en hij meende,
dat het maar het beste was uit den koestal weg te sluipen.

Toen hij weer buiten kwam, was hij recht moedeloos. Hij kon wel
begrijpen, dat niemand op de hoeve hem wou helpen om den kabouter te
vinden. En het zou ook wel niet veel helpen, al vond hij hem.

Hij kroop op den breeden steenwal, die rond om hun hoeve lag en
begroeid was met dorens en braamstruiken. Daar ging hij zitten om
er over te denken, hoe het gaan zou, als hij niet weer een mensch
werd. Als nu Vader en Moeder uit de kerk thuis kwamen, zouden ze
wel héél verbaasd zijn. Ja, de verbazing zou over het geheele land
gaan, en de menschen zouden komen van Oost Vemmenhög en van Torp en
van Skurup, van 't heele ambt Vemmenhög zouden ze komen om hem te
bekijken. En misschien zouden Vader en Moeder hem meênemen, om hem
op de markt te Vivik te vertoonen.

Neen dat was àl te vreeselijk om aan te denken. Hij wou het liefste,
dat maar nooit meer iemand hem zien zou.

Het was toch verschrikkelijk, zoo ongelukkig als hij was. Niemand in
de wereld was zóó ongelukkig als hij. Hij was geen mensch meer, maar
een wonder. Hij begon zoo langzamerhand te begrijpen, wat het zeggen
wou: geen mensch meer te zijn. Hij was nu van alles gescheiden: hij
kon niet meer met andere jongens spelen; hij kon later de hoeve niet
van zijn ouders overnemen; en hij kon zeker geen enkel meisje vinden,
dat met hem trouwen wou.

Hij zat naar zijn huis te kijken. 't Was een klein, wit gepleisterd
boerenhuisje in kruisvorm gebouwd, en het lag als neêrgedrukt in het
veld onder het hooge schuine stroodak. De bijgebouwtjes waren ook
klein, en de akkers waren zoo klein, dat een paard er zich nauwelijks
kon omkeeren.

Maar hoe klein en armoedig het plaatsje ook was, nu was het nog veel
te goed voor hem. Hij kon geen beter woning begeeren dan een gat
onder den vloer in den stal.

't Was wonderlijk mooi weer: de knoppen begonnen te zwellen, en om
hem heen was geruisch en gekwinkeleer. Maar hij zat in bitter verdriet
verzonken. Hij zou nooit meer ergens blij om zijn.

Hij had nog nooit den hemel zóó blauw gezien als dien dag. En de
trekvogels kwamen aanvliegen. Ze kwamen uit het buitenland en waren
over de Oostzee gereisd, recht op Smygehuk aan, en nu waren ze op weg
naar het noorden. Er waren zeker vogels van allerlei soort; maar hij
kende geen andere dan de wilde ganzen, die aankwamen in twee lange
rijen, die in een hoek samenvielen.

Verscheidene troepen wilde ganzen waren al voorbij gekomen. Ze
vlogen hoog in de lucht; maar hij kon toch hooren hoe ze riepen:
"Nu gaan we naar de rotsen! We gaan naar de rotsen!"

Toen de wilde ganzen de tamme ganzen zagen, die op de plaats liepen,
riepen ze: "Kom mee! Kom mee! Nu gaan we naar de rotsen!"

De tamme ganzen konden niet laten de koppen op te steken en te
luisteren. Maar ze antwoordden heel verstandig: "Wij hebben het goed
hier; wij hebben het goed hier!"

't Was, zooals we zeiden, een heerlijk mooie dag, met een lucht, zóó
frisch en licht, dat het een waar genot moest zijn te vliegen. En
bij iederen troep wilde ganzen, die voorbij vloog, werden de tamme
ganzen onrustiger. Een paar keer klapwiekten zij, alsof ze lust kregen
om meê te gaan. Maar dan zei altijd een van de oude ganzenmoeders:
"Wees nu niet dwaas. Die daar zullen nog honger en kou lijden."

Er was één onder de jonge ganzeriken, die door 't roepen van de
wilde ganzen een grooten lust tot reizen had gekregen: "Als er nog
één troep komt, ga ik meê," zei hij.

En toen kwam er een nieuwe troep, en riep als de andere: "Kom meê,
kom meê!"

Toen antwoordde de jonge ganzerik: "Wacht even, wacht even, ik kom!"

Hij sloeg de vleugels uit, en hief zich op in de lucht; maar hij was
zoo weinig gewend te vliegen, dat hij weer op het veld viel.

De wilde ganzen hadden zijn roepen zeker gehoord. Zij keerden om en
vlogen langzaam terug, om te zien, of hij kwam.

"Wacht even! Wacht even!" riep hij en probeerde het weer. Dat alles
hoorde de jongen, waar hij zat.

"'t Zou toch geducht jammer zijn, als die groote ganzerik wegvloog. Wat
zouden Vader en Moeder bedroefd zijn, als ze uit de kerk kwamen,
en merkten, dat hij weg was."

Toen hij daaraan dacht, vergat hij weer heelemaal, dat hij klein en
onmachtig was. Hij stond met een sprong midden tusschen de ganzen,
en sloeg de armen om den hals van den ganzerik.

"Je zult het wel laten om weg te vliegen," riep hij. Maar juist op
dat oogenblik was de ganzerik er achter gekomen, hoe hij doen moest
om van den grond op te vliegen. Hij kon niet ophouden om den jongen
af te schudden, zoodat die mee de lucht in moest.

't Ging zóó snel in de hoogte, dat de jongen rilde. Eer hij er aan
dacht, dat hij de gans los moest laten, was hij zóó hoog gekomen,
dat hij doodgevallen zou zijn, als hij op den grond was neergekomen.

Het eenige, wat hij doen kon om het wat beter te hebben, was probeeren
om op den rug van den gans te komen. En daar kroop hij ook op, maar
niet zonder groote moeite. En ook was het geen kleinigheid zich
in balans te houden op dien gladden ganzerug, tusschen de twee op
en neer slaande vleugels. Hij moest diep in de veeren en het dons
grijpen met beide handen, om niet naar beneden te tuimelen.



DE GERUITE DOEK.


De jongen werd zoo bedwelmd, dat hij lang niet wist wat er met hem
gebeurde. De lucht huilde en suisde hem te gemoet, de vleugels sloegen
op en neer, en door de veeren bruiste het alsof er een heele storm
was. Dertien ganzen vlogen om hem heen. Alle fladderden en kakelden,
alles draaide voor zijn oogen, en 't suisde in zijn ooren. Hij wist
niet, of ze hoog of laag vlogen, of waar ze heen gingen. Eindelijk
kwam hij zoover bij, dat hij begreep, dat hij op moest letten, waar
de ganzen hem heen brachten. Maar dat was niet zoo gemakkelijk, want
hij wist niet, hoe hij ooit naar beneden zou durven kijken. Hij wist
zeker, dat hij duizelig zou worden, als hij dat probeerde.

De wilde ganzen vlogen niet heel hoog, omdat hun nieuwe reiskameraad
in de allerfijnste lucht geen adem kon halen. Om hem vlogen zij ook
wat langzamer dan gewoonlijk.

Eindelijk dwong de jongen zich even naar de aarde beneden te
kijken. Toen was 't hem, alsof er een groote doek onder hem lag
uitgespreid, verdeeld in een ongeloofelijke massa kleine en groote
ruiten.

"Waar in de wereld ben ik nu gekomen?" vroeg hij zich verbaasd af.

Hij zag niets dan ruit aan ruit. Sommige waren schuin en sommige
langwerpig, maar overal waren er hoeken en rechte lijnen. Niets was
rond, en niets was er puntig.

"Wat is dat voor een groote geruite doek, dien ik daar beneden
zie?" zei de jongen in zichzelf, zonder van iemand antwoord te
verwachten.

"Akkers en weiden, akkers en weiden!" riepen dadelijk de wilde ganzen,
die om hem heen vlogen.

Toen begreep hij, dat de groote geruite doek de platte grond van Skaane
was, waar hij nu over heen vloog. En hij begon te begrijpen waarom
die er zoo geruit uitzag, en zoo veel kleuren had. De lichtgroene
ruiten herkende hij het eerst; dat waren de roggeakkers, die in
het vorige najaar bezaaid waren, en onder de sneeuw groen waren
gebleven. De geelgrijze waren de stoppelvelden, waar den vorigen
zomer koren gestaan had; de bruinachtige waren oude klavervelden, en
de zwarte waren leege weilanden of opgehoogde tuinbedden. De ruiten,
die bruin waren met gele randen, waren zeker beukenbosschen, want
daartusschen staan de groote boomen, die midden in 't bosch groeien,
kaal in den winter; maar de kleine beukjes aan den kant van het bosch,
behouden hun dorre gele blaadjes tot aan 't voorjaar. Daar waren ook
donkere ruiten met grijs in het midden: dat waren de groote hoeven in
het vierkant gebouwd, met de zwartgeworden stroodaken en de steenen
plaatsen in 't midden. En dan waren er ruiten, groen in 't midden en
met bruin omzoomd: dat waren de tuinen, waar 't gras al begon groen
te worden, terwijl de struiken en boomen er om heen nog naakt in hun
bruinen bast stonden.

De jongen kon niet laten te lachen, toen hij zag, hoe alles geruit was.

Maar toen de wilde ganzen hem hoorden lachen, riepen ze als
bestraffend: "Vruchtbaar en goed land! Vruchtbaar en goed land!"

De jongen was al weer ernstig geworden: "Hoe kan jij nu lachen! Jij,
wien 't allerergste is overkomen, wat een mensch gebeuren kan!" dacht
hij.

Hij bleef een poos ernstig, maar gauw begon hij weer te
lachen. Naarmate hij aan het vliegen en de sterke vaart was gewoon
geraakt, zoodat hij aan iets anders kon denken, dan aan het zich in
evenwicht houden op den ganzerug, begon hij op te merken, hoe vol de
lucht was van vluchten vogels, die naar het noorden vlogen. Er was
een roepen en schreeuwen van de eene vlucht naar de andere: "Zoo,
zoo! zijn jelui vandaag gekomen?" riepen sommigen. "Ja, dat zijn we,"
antwoordden de ganzen.

"Wat denk jelui van den winter?"

"Geen blad aan de boomen en koud water in de meren," klonk het
antwoord.

Toen de ganzen over een hoeve vlogen, waar tam gevogelte buiten liep,
riepen ze: "Hoe heet de hoeve? Hoe heet de hoeve?"

Toen stak de haan den kop op, en antwoordde: "De hoeve heet Lillgärde,
van 't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar."

De meeste hoeven heetten naar de eigenaars, zooals gewoonlijk in
Skaane, maar in plaats van te antwoorden, dat het de hoeve van Per
Mattson of Ola Persson was, bedachten de hanen namen, die zij gepast
vonden. Zij, die op armoedige hoevetjes of keuterboerderijtjes woonden,
riepen: "Deze hoeve heet "Grutteloos"." En zij, die op de allerarmste
woonden, riepen: "Deze heet "Deugt niet veel, Deugt niet veel! Deugt
niet veel!""

De groote, welgestelde boerenhoeven kregen mooie namen van de hanen,
als b.v.: "Geluksveld, Eierberg en Geldstad."

Maar de hanen van de groote buitens waren te deftig om wat grappigs te
verzinnen. Een van hun kraaide en riep zóó hard, alsof hij zich tot
geheel op de zon wou laten hooren: "Dit is 't landgoed Dybeck! Van
't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar!"

En wat verder op stond er een te roepen: "Dit is Zwanenholm. Dat moet
de heele wereld weten!"

De jonge merkte, dat de ganzen niet rechtuit voortvlogen. Zij zweefden
heen en weer over de heele provincie Söderslätt, alsof ze blij waren,
dat ze weer in Skaane waren, en iedere hoeve wilden begroeten.

Ze kwamen bij een plaats, waar een stuk of wat groote, zware gebouwen
stonden met hooge schoorsteenen, en daaromheen veel kleine huisjes:
"Dit is de suikerfabriek Jordberga," riepen de hanen. "Dit is de
suikerfabriek Jordberga!"

De jongen richtte zich met een ruk op. Die plaats had hij toch moeten
kennen. Die lag niet ver van zijn huis, en 't vorige jaar was hij daar
herdersjongen geweest. Maar alles zag er toch zoo heel anders uit,
als je het van boven af zag.

En stel je voor! Asa 't ganzenmeisje, en de kleine Mads, zijn kameraden
van verleden jaar! De jongen zou graag willen weten, of ze er nog
waren. Wat zouden ze wel zeggen, als ze wisten, dat hij zoo hoog over
hun hoofden heen vloog?

Toen verloren ze Jordberga uit het oog, en vlogen over dalen en meren
en kloosters en bergen. De jongen zag meer van Skaane op dien eenen
dag, dan hij ooit in zijn heele leven gezien had.

Als de wilde ganzen tamme ganzen zagen, hadden ze 't allermeest
pleizier. Dan vlogen ze heel langzaam en riepen naar beneden:
"Nu gaan we naar de rotsen. Gaan jelui meê, gaan jelui meê?"

Maar de tamme ganzen antwoordden: "De winter is nog in 't land. Jelui
zijn te vroeg! Ga terug, ga terug!"

De wilde ganzen vlogen nog lager om beter gehoord te worden, en riepen:
"Ga meê, dan zullen we jelui leeren vliegen en zwemmen!"

Dan werden de tamme ganzen boos, en antwoordden niet, zelfs niet
met gekakel.

Maar de wilde ganzen kwamen nog lager, zoodat ze het veld bijna
raakten, en dan vlogen ze omhoog als pijlen uit een boog, alsof ze
vreeselijk schrikten: "O! O! O!" riepen ze. "'t Waren geen ganzen! 't
Waren maar schapen, 't waren maar schapen!"

De ganzen beneden op 't veld werden heelemaal woest, en schreeuwden:
"'k Wou, dat jelui geschoten werden, allemaal! Allemaal!"

Toen de jongen al die plagerij hoorde, lachte hij. En dan dacht hij
er aan, hoe 't nu met hem was--en dan schreide hij weer. Maar na een
poosje lachte hij weer. Nooit te voren had hij zoo snel gereisd. En
hard en wild rijden, dat had hij altijd heerlijk gevonden. En hij
had zich natuurlijk nooit kunnen voorstellen, dat het boven in de
lucht zoo frisch was, en dat er van den grond zoo'n heerlijke geur
van mulle aarde en hars opsteeg. En hij had er ook nooit aan gedacht,
hoe 't zijn zou, daar zoo hoog over de wereld te vliegen. Dat was,
alsof hij wegvloog van alle bekommering en verdriet en ergernis,
die je maar bedenken kon.



II.

AKKA VAN KEBNEKAISE.


DE AVOND.


De groote, tamme ganzerik, die meê gevlogen was, was er heel trotsch
op, dat hij heen en weer vloog over Söderslätt met de wilde ganzen,
en de tamme vogels kon plagen. Maar hoe heerlijk hij 't ook vond--hij
kon er toch niets aan doen, dat hij tegen den middag moe begon te
worden. Hij probeerde dieper adem te halen en de vleugels sneller op en
neer te slaan, maar hij bleef toch een heel stuk bij de anderen achter.

Toen de wilde ganzen, die achteraan vlogen, merkten, dat de tamme niet
meê kon komen, begonnen ze de gans, die aan de punt van den driehoek
vloog, en den tocht leidde, toe te roepen: "Akka van Kebnekaise! Akka
van Kebnekaise!"

"Wat wil jelui van me?" vroeg de leidster-gans.

"De witte blijft achter! de witte blijft achter!"

"Zeg hem, dat het gemakkelijker is gauw te vliegen dan langzaam!" riep
de leidster, en vloog voort als gewoonlijk.

De ganzerik probeerde wel dien raad te volgen en meer vaart te zetten;
maar daardoor werd hij zóó uitgeput, dat hij zelfs tot de geschoren
wilgen neerzonk, die langs de akkers en weiden stonden.

"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise!" riepen toen zij, die achteraan
vlogen, en zagen hoe moeilijk hij 't had.

"Wat wil jelui nu weer?" vroeg de aanvoerster, en scheen geweldig
knorrig.

"De witte zinkt naar den grond, de witte zinkt naar den grond!"

"Zeg hem, dat het gemakkelijker is hoog te vliegen dan laag!" riep
de leidster. En ze vloog geen ziertje langzamer, maar even snel als
te voren.

De ganzerik probeerde ook dien raad te volgen, maar als hij omhoog
vliegen wou, werd hij zóó kortademig, dat het was, alsof zijn borst
zou springen.

"Akka, Akka!" riepen zij, die achteraan vlogen.

"Kun jelui me niet met rust laten?" vroeg de leidster, en scheen nog
ongeduldiger dan de vorige keer.

"De witte is op 't punt van te vallen! De witte is op 't punt van
te vallen!"

"Zeg hem, dat wie niet meêkomen kan, maar naar huis moet gaan!" riep
de leidster-gans. En ze dacht er niet aan om langzamer te vliegen,
maar ging door met dezelfde vaart.

"O zoo! staat het zoo?" dacht de ganzerik. En nu begreep hij op eens,
dat de wilde ganzen nooit van plan waren geweest hem meê te nemen
naar Lapland. Zij hadden hem maar voor de grap van huis weggelokt.

Het ergerde hem geducht, dat zijn krachten hem nu gingen begeven,
zoodat hij die schooiers daar niet kon toonen, dat een tamme gans
ook wel wat waard was. En 't allerakeligste was, dat hij juist Akka
van Kebnekaise ontmoet had. Want, al was hij maar een tamme gans,
hij had toch wel van een leidstergans gehoord, die Akka heette, en
die meer dan honderd jaar oud was. Zij was zeer gezien, en de beste
wilde ganzen, die er waren, sloten zich gewoonlijk bij haar aan. Maar
niemand had zoo'n verachting voor tamme ganzen als Akka en haar troep,
en hij had hun gaarne willen toonen, dat hij voor hen niet onderdeed.

Hij vloog langzaam achter de anderen aan, terwijl hij in zich zelf
overlegde, of hij zou omkeeren of doorgaan. Toen zei op eens 't ventje,
dat op zijn rug zat: "Lieve Maarten Ganzerik, je begrijpt toch wel,
dat het voor jou, die nog nooit gevlogen hebt, onmogelijk is met de
wilde ganzen heel meê naar Lapland te vliegen. Zou je niet liever
weer naar huis gaan, vóór je je heelemaal ziek maakt?"

Maar die boerenjongen was het akeligste wezen, dat de gans kende,
en zoodra hij begreep, dat die stumper meende, dat hij den tocht niet
meê kon maken, besloot hij vol te houden.

"Als je daar nog één woord over spreekt, gooi ik je in de eerste
mergelgroeve, waar we over heen komen," zei hij, en kreeg op 't zelfde
oogenblik uit ergernis zoo veel kracht, dat hij bijna even goed begon
te vliegen, als een van de anderen.

Lang had hij het toch zoo niet kunnen uithouden; maar dat hoefde ook
niet; want nu daalde de zon snel, en juist bij zonsondergang vlogen de
ganzen recht naar beneden. En eer de jongen en de ganzerik het wisten,
stonden ze aan den kant van het Vombmeer.

"Hier zullen we wel den nacht overblijven," dacht de jongen, en sprong
van den rug van den ganzerik op den grond.

Hij stond op een smalle strook zand aan den oever, en vóór hem lag
een tamelijk groot meer. Dat was akelig om te zien, want het was
bijna heelemaal bedekt met een ijskorst, die zwart en oneffen was,
en vol spleten en gaten, zooals voorjaarsijs gewoonlijk is. Maar 't
ijs zou zeker niet lang meer blijven. 't Was al losgeraakt, en er om
heen lag een breede gordel zwart, blinkend water. Maar toch lag nog
hier en daar de kou en de barschheid van den winter over het landschap.

Aan den anderen kant van het meer scheen open en licht bebouwd land
te liggen, maar waar de ganzen neergekomen waren, lag een groot
dennenplantsoen. En 't was, alsof de naaldboomen de macht hadden den
winter vast te houden. Overal verder was 't veld leeg, maar onder de
reusachtige takken lag sneeuw, die gesmolten en weer bevroren was,
keer op keer, zoodat ze zoo hard was als ijs.

De jongen meende, dat hij in een woest en eenzaam winterland was
gekomen, en hij was zoo angstig, dat hij wel hardop had willen huilen.

Hij had honger. Hij had den heelen dag niets gegeten. Maar waar zou
hij eten vandaan halen? Er groeit niets eetbaars op velden of aan
boomen in Maart.

Ja, waar zou hij eten vandaan halen, en wie zou hem huisvesten,
en wie zou zijn bed opmaken, en wie zou hem warmen bij zijn vuur,
en wie zou hem beschermen tegen de wilde dieren?

Want nu was de zon weg, en nu kwam er kou van over 't meer, en de
duisternis viel, en de angst kwam in 't spoor van de schemering,
en in 't bosch begon het te kraken en te ritselen.

Nu was het uit met den vroolijken moed, dien de jongen had gevoeld,
terwijl hij boven in de lucht was, en in zijn angst keek hij om naar
zijn reiskameraad: hij had immers niemand anders om zich bij aan
te sluiten.

Toen zag hij, dat de ganzerik het nog erger had dan hij. Het dier
lag nog op dezelfde plaats, waar hij was neergekomen, en het scheen,
alsof hij stervende was. Zijn hals lag rechtuit op 't veld, zijn oogen
waren gesloten, en zijn ademhaling was nog maar een flauw zuchten.

"Lieve Maarten Ganzerik," zei de jongen, "probeer een slok water te
nemen. Van hier naar het meer is 't maar twee stapjes."

Maar de ganzerik bewoog zich niet.

De jongen was vroeger wel hard tegen alle dieren geweest, en ook tegen
den ganzerik; maar nu meende hij, dat de ganzerik de eenige steun
was, dien hij had, en hij werd vreeselijk bang dien te verliezen. Hij
begon hem dadelijk te schuiven en te stooten, om hem bij het water
te krijgen. De ganzerik was groot en zwaar, zoodat het een heel werk
voor den jongen was, maar eindelijk lukte het hem. De ganzerik kwam
in 't meer terecht met den kop vooruit. Een oogenblik lag hij stil
in de modder, maar al gauw stak hij den kop op, schudde het water
uit de oogen en proestte. Daarop zwom hij trotsch tusschen riet en
waterplanten door.

De wilde ganzen lagen vóór hem in 't meer. Zij hadden noch naar den
ganzerik, noch naar zijn ruiter omgezien, maar waren dadelijk het
water ingeloopen. Zij hadden zich gebaad en gepoetst, en nu lagen
zij te plassen tusschen half vergaan riet en waterkolven.

De witte ganzerik had het geluk een klein baarsje te zien. Dat greep
hij gauw, zwom er mee naar den kant, en legde het voor den jongen neer.

"Dat mag jij hebben, omdat je mij naar het water geholpen hebt,"
zei hij.

't Was voor 't eerst, dien heelen dag, dat de jongen een vriendelijk
woord hoorde. Hij was zoo blij, dat hij zijn armen wel om den hals
van den ganzerik had willen slaan, maar daar kwam hij niet toe. En
met het geschenk was hij ook blij. Eerst dacht hij wel, dat het hem
onmogelijk zou zijn rauwe visch te eten, maar toen kreeg hij toch
lust het te probeeren.

Hij voelde, of hij zijn mes wel bij zich had, en jawel! het hing
in de schede achter aan een knoop van zijn broek, maar het was zoo
klein geworden, dat het niet eens zoo lang als een lucifer was. Nu,
't was in ieder geval goed om den visch mee te schrappen en schoon
te maken, en het duurde niet lang, of de baars was opgegeten.

Toen de jongen goed verzadigd was, schaamde hij er zich wel over,
dat hij rauwe visch had kunnen eten.

"'t Lijkt wel of ik geen mensch meer ben, maar een echte kabouter,"
dacht hij.

Al dien tijd, dat de jongen at, stond de ganzerik zwijgend naast hem,
maar toen hij zijn laatste hapje op had, zei hij zacht: "'t Is maar
zoo, dat we bij onvriendelijke, trotsche ganzen gekomen zijn, die
alle tamme vogels verachten."

"Ja, dat heb ik wel gemerkt," zei de jongen.

"'t Zou wel een heele eer voor mij zijn, als ik toch met hen meê kon
komen naar Lapland, en hun toonen, dat een tamme gans ook wel tot
iets deugt."

"Ja--a," zei de jongen wat langzaam, want hij geloofde niet, dat de
ganzerik dat zou kunnen doen, maar hij wilde hem niet tegenspreken.

"Maar ik geloof niet, dat ik me alleen op zulk een reis zal kunnen
redden," zei de ganzerik, "en nu wou ik je vragen, of je meê zou
kunnen gaan en me helpen."

De jongen had natuurlijk geen ander plan, dan zoo gauw mogelijk
naar huis terug te gaan, en hij was zóó verbaasd, dat hij niet wist,
wat hij antwoorden zou.

"Ik dacht, dat we geen goede vrienden waren, jij en ik," zei hij. Maar
dat scheen de ganzerik heelemaal vergeten te hebben. Hij dacht er
alleen aan, dat de jongen hem zoo pas het leven had gered.

"Ik moest eigenlijk naar huis, naar Vader en Moeder," zei de jongen.

"Ja, ik zal je tegen den herfst wel terugbrengen," zei de ganzerik. "Ik
zal niet van je weggaan, voor ik je bij je thuis op den drempel
kan neerzetten."

De jongen dacht, dat het eigenlijk wel prettig zou zijn, als hij zich
niet dadelijk aan zijn ouders hoefde te vertoonen. Hij had niets tegen
dat voorstel, en hij wou juist zeggen, dat hij het aannam, toen zij
een sterk gedruisch achter zich hoorden. Dat waren de wilde ganzen,
die allen te gelijk uit het meer waren gekomen, en 't water van zich
af stonden te schudden. Toen schikten zij zich in een lange rij,
met de leidster-gans vooraan, en kwamen op hen af.

Toen nu de witte ganzerik de wilde ganzen bekeek, voelde hij zich niet
recht op zijn gemak. Hij had verwacht, dat ze meer op tamme ganzen
zouden lijken, en dat hij zich aan hen verwant zou voelen. Ze waren
veel kleiner dan hij, en geen van hen was wit, maar allen waren grijs
en bruin gemarmerd. En voor hun oogen werd hij bijna bang. Ze waren
geel en schitterden, alsof er vuur achter brandde. De ganzerik had
altijd geleerd, dat het netjes stond langzaam en waggelend te loopen;
maar zij liepen niet, ze sprongen voort. En 't meeste griezelde
hij, als hij naar hun pooten keek. Ze waren groot, met versleten en
gescheurde zolen. Men kon wel merken, dat wilde ganzen nooit vroegen,
waar ze op trapten. Ze namen geen omwegen. Ze waren heel netjes en
verder goed gepoetst, maar aan hun voeten kon men zien, dat ze uit
de wildernis kwamen.

De ganzerik kon nog juist den jongen toefluisteren: "Antwoord nu flink,
maar zeg niet, wie je bent," en toen waren ze bij hen.

Toen de wilde ganzen voor hen stonden, bogen ze dikwijls met de
halzen, en dat deed de ganzerik ook,--nog vaker. Toen ze genoeg
gegroet hadden, zei de leidster-gans: "Nu moeten we eens hooren,
wie jij eigenlijk bent."

"Er is niet veel van mij te vertellen," zei de ganzerik. "Ik ben
verleden voorjaar in Skaane geboren. Dezen herfst werd ik aan Holger
Nielsson in West Vemmenhög verkocht, en daar ben ik aldoor geweest."

"'t Schijnt dat je geen familie hebt, waar je je op beroemen kunt,"
zei de leidster-gans. "Hoe kom je dan zoo overmoedig, dat je met
wilde ganzen meêdoen wilt?"

"Dat kan immers wel zijn, omdat ik jelui, wilde ganzen, toonen wil,
dat ook een tamme gans ergens goed voor is," zei de ganzerik.

"Ja, dan was het goed... als je dat ons toonen kunt," zei de
leidster-gans. "We hebben nu gezien, hoeveel je van 't vliegen
kon. Maar misschien ben je ergens anders knapper in. 't Kan wel zijn,
dat je sterk in 't snelzwemmen bent."

"Neen, daar kan ik me niet op beroemen," zei de ganzerik. Hij meende
te merken, dat de leidster-gans al besloten was hem terug te zenden,
en nu lette hij niet meer op zijn antwoorden: "Ik heb nooit verder
gezwommen dan dwars over een mergelgroeve," ging hij voort.

"Dan denk ik, dat je een baas bent in 't springen," zei de gans.

"Ik heb nog nooit een tamme gans zien springen, en ik zelf heb het
ook nooit gedaan," zei de ganzerik, en maakte de zaak erger dan ze was.

De groote witte was er nu zeker van, dat de leidster-gans zeggen zou,
dat ze hem heelemaal niet meê wou hebben. Hij was dus heel verbaasd,
toen ze zei: "Je antwoordt moedig op mijn vragen, en hij, die moed
heeft, kan een goede reiskameraad worden, al is hij ook in het begin
onwetend. Wat zou je er van zeggen een paar dagen bij ons te blijven,
tot we zien wat je waard bent."

"Dat wil ik heel graag," zei de ganzerik, en was blij.

Toen wees de leidster-gans met den snavel naar den jongen en zei:
"Maar wien heb je daar bij je? Zoo een heb ik nog nooit gezien."

"Dat is mijn kameraad," zei de ganzerik. "Hij is zijn heele leven
ganzenhoeder geweest. Hij kan ons op reis wel te pas komen."

"Ja, dat kan wel goed zijn voor een tamme gans," antwoordde de
wilde. "Hoe noem je hem?"

"Hij heeft verscheiden namen," zei de ganzerik aarzelend; hij wist
niet, wat hij zoo gauw zou bedenken, want hij wou niet verraden,
dat de jongen een menschennaam had.

"Ja, hij heet Duimelot," zei hij eindelijk.

"Is hij van het kaboutergeslacht?" vroeg de leidster-gans.

"Wanneer gaan jelui, wilde ganzen, gewoonlijk slapen?" vroeg de
ganzerik gauw, om niet op die laatste vraag te hoeven antwoorden. "Mijn
oogen vallen van zelf toe om dezen tijd."

't Was gemakkelijk te zien, dat de gans, die met den ganzerik praatte,
héél oud was. Haar heele veeren kleed was grijs, zonder donkere
strepen. Haar hoofd was grooter, haar beenen waren grover en haar
voeten meer versleten, dan bij een van de anderen. De veeren waren
stijf, de schouders beenig, en haar hals was dun. Dat alles was het
werk van den ouderdom.

Alleen over de oogen had de tijd geen macht gehad. Zij schitterden
helderder, en schenen jonger dan die van de anderen.

Ze keerde zich nu heel trotsch naar den ganzerik: "Weet nu wel, dat
ik Akka van Kebnekaise ben, en dat de gans, die rechts 't dichtst
achter me vliegt, Yksi van Vassijaure is, en die links vliegt,
Kaksi van Nuolja. En de tweede rechter- is Kolme van Sarjekljakko,
en de tweede linkergans Nelja van Svappavaara, en achter hen vliegen
Viisi van de Oviksrots en Kuusi van Sjangeli. En allen, ook de zes
jonge ganzen, die achteraan vliegen--drie links en drie rechts--zijn
hooge rotsganzen van de meest voorname families. Je moet ons niet voor
landloopers houden, die maar met iedereen meegaan, en denk maar niet,
dat wij iemand op onze slaapplaats toelaten, die niet wil zeggen van
welke familie hij is."

Toen Akka, de leidster-gans zoo sprak, deed de jongen snel een stap
naar voren. Hij had het heel naar gevonden, dat de ganzerik, die zoo
flink voor zichzelf sprak, zulke ontwijkende antwoorden had gegeven,
toen het hem betrof.

"Ik wil niet geheim houden, wie ik ben," zei hij. "Ik heet Niels
Holgersson, en ben de zoon van een keuterboer. Tot vandaag toe ben
ik een mensch geweest, maar vanmorgen..."

Verder kwam de jongen niet. Zoodra hij zei, dat hij een mensch was,
stoof de leidster-gans drie stappen achteruit en de anderen nog
verder. En allen strekten de halzen uit, en bliezen boos tegen hem.

"Daar heb ik je al van verdacht, van af 't oogenblik, dat ik je voor
't eerst hier aan den oever zag," zei Akka. "En nu moet je gauw maken,
dat je wegkomt. Wij dulden geen menschen bij ons."

"'t Is toch onmogelijk," zei de ganzerik bemiddelend, "dat jelui,
wilde ganzen, bang kunt zijn voor iemand, die zóó klein is. Morgen
zal hij stellig naar huis gaan, maar van nacht moet jelui hem toch
hier bij ons laten blijven. Dat kunnen wij toch geen van allen op
onze verantwoording nemen, zoo'n stakker aan zichzelf over te laten,
met wezels en vossen in den nacht."

De wilde gans kwam nu wat dichter bij, maar het was toch duidelijk,
dat ze moeite had haar angst te bedwingen.

"Ik heb geleerd bang te wezen voor al wat "mensch" heet, onverschillig
of ze groot of klein zijn," zei ze. "Maar als jij, ganzerik, voor deze
hier wilt instaan, dat hij ons geen kwaad doet, dan mag hij van nacht
bij ons blijven. Maar ik denk niet, dat ons nachtkwartier geschikt
is voor jou of voor hem, want wij zijn van plan op het losgeraakte
ijs daar vóór je te gaan slapen."

Ze dacht wel, dat de ganzerik een bedenkelijk gezicht zou zetten,
als hij dat hoorde, maar hij hield zich goed, en trok zich er niets
van aan.

"Jelui zijn heel verstandig, dat je zoo'n veilige slaapplaats weet
te kiezen," zei hij.

"Maar jij staat er voor in, dat hij morgen weggaat, naar huis."

"Dan moet ik ook heengaan, want ik heb beloofd hem niet alleen te
laten," zei de ganzerik.

"Je bent vrij om te vliegen, waarheen je wilt," zei de leidster-gans.

En ze sloeg haar vleugels uit, en vloog naar het ijs; de eene wilde
gans na de andere volgde haar.

De jongen was er bedroefd om, dat er niets van zijn reis naar Lapland
komen zou, en bovendien was hij bang voor het koude nachtkwartier. "'t
Wordt al erger en erger, ganzerik," zei hij. "Ten eerste vriezen we
dood, daar op dat ijs."

Maar de ganzerik had goeden moed. "Dat heeft geen nood," zei hij. "Ik
wou je alleen vragen, zoo gauw mogelijk, zooveel stroo en gras bij
elkaar te halen, als je maar dragen kunt."

Toen de jongen de armen vol droog gras had, nam de ganzerik hem bij
zijn hemd en vloog met hem naar het ijs, waar de wilde ganzen al
stonden te slapen, met den snavel onder de vleugels.

"Leg nu 't gras op het ijs, zoodat ik ergens op staan kan en niet
vast vries! Als jij mij helpt, zal ik jou helpen," zei de ganzerik.

De jongen deed het, en toen hij klaar was, pakte de ganzerik hem
weer bij zijn hemd, en stopte hem onder zijn vleugel. "Ik denk, dat
je daar lekker warm liggen zult," zei hij en drukte den vleugel aan.

De jongen zat zóó in dons gepakt, dat hij niet antwoorden kon, maar
heerlijk zacht en warm lag hij daar; moe was hij, en in een oogenblik
sliep hij.



DE NACHT.


't Is waar, dat ijs altijd verraderlijk is, en dat je er niet op
vertrouwen kunt. Midden in den nacht dreef het losse stuk ijs op het
Vombmeer weg, zoodat het ergens tegen het land stootte. En nu gebeurde
het, dat Smirre, de vos, die toen aan den oostkant van het meer in
't Övedkloosterpark woonde, die plaats ontdekte, toen hij op zijn
nachtjacht uit was. Smirre had de wilde ganzen al 's avonds gezien,
maar hij had niet durven hopen er een van te kunnen pakken. Hij ging
nu dadelijk op het ijs.

Toen Smirre heel dicht bij de wilde ganzen was, gleed hij uit,
zoodat zijn klauwen over 't ijs schraapten. De ganzen werden wakker,
en klapten met de vleugels om op te vliegen. Maar Smirre was hun te
vlug af. Hij stoof vooruit, als een bal, die gegooid wordt, pakte
een gans bij de vlerk, en holde naar land terug.

Maar dien nacht waren de wilde ganzen niet alleen op 't ijs; ze hadden
een mensch bij zich, hoe klein die ook was. De jongen was wakker
geworden, doordat de ganzerik met de vleugels geslagen had. Hij was op
't ijs gevallen, en was klaar wakker blijven zitten. Hij begreep niets
van al die onrust, vóór hij een kleinen hond met korte pooten over
't ijs had zien wegspringen met een gans in den bek.

De jongen liep hem dadelijk achterna, om dien hond daar de gans af
te nemen. Hij hoorde wel, dat de ganzerik riep: "Pas op, Duimelot,
pas toch op!"

Maar de jongen dacht, dat hij voor zoo'n hondje toch niet bang hoefde
te wezen, en hij stormde voort.

De wilde gans, die Smirre, de vos, meesleepte, hoorde het geklapper
van de klompen van den jongen over 't ijs, en ze kon haar ooren
nauwelijks gelooven.

"Stel je voor, dat dat ventje mij van den vos zal afnemen," dacht
ze. En hoe ellendig ze 't ook had, diep uit haar hals kwam een vroolijk
gekakel, bijna alsof ze lachte.

"'t Eerste wat er gebeurt is natuurlijk, dat hij in een spleet in
het ijs valt," dacht ze.

Maar hoe donker de nacht ook was--de jongen zag duidelijk alle spleten
en gaten, die er in het ijs waren, en sprong er flink over heen. Dat
kwam, doordat hij nu de goede nachtoogen van de kabouters had, en
in 't donker zien kon. Hij zag 't land en het meer even duidelijk,
alsof het dag was geweest.

Smirre, de vos, ging van 't ijs af, daar, waar het tegen 't land aan
lag en juist, toen hij zich tegen den kant opwerkte, riep de jongen
hem toe: "Wil je die gans wel eens neerleggen, jou lummel!" Smirre
wist niet, wie het was, die dat riep, hij nam den tijd niet om om te
kijken, maar liep nog harder.

Hij liep nu een bosch in met groote, prachtige beuken, en de jongen
volgde hem zonder er aan te denken, dat hij gevaar kon loopen. Hij
dacht er aldoor aan, hoe verachtelijk de wilde ganzen hem den vorigen
avond hadden ontvangen, en hij wilde hun heel graag toonen, dat een
mensch toch wat meer is dan eenig ander schepsel.

Hij riep den hond telkens toe, dat hij zijn buit zou neerleggen.

"Wat ben jij toch voor een hond, dat je je niet schaamt een heele
gans te stelen?" zei hij. "Leg haar nu dadelijk neer, of je zult
eens zien, wat je voor een pak slaag krijgt! Leg haar dadelijk neer,
of ik zal aan je baas vertellen, wat jij hebt uitgevoerd!"

Toen Smirre, de vos, merkte, dat hij voor een hond werd aangezien,
die bang voor slaag was, vond hij dat zoo grappig, dat hij bijna de
gans had laten vallen van 't lachen. Smirre was een echte roover,
die niet tevreden was met op ratten en waterratten buiten op 't veld
te jagen; hij waagde zich ook in de hoeven, om kippen en ganzen te
stelen. Hij wist, dat hij in de heele streek gevreesd was. Zooiets
mals als dit had hij niet gehoord, sinds hij jong was.

Maar de jongen liep zoo hard, dat het hem toeleek, of de dikke boomen
hem achteruit voorbij gleden, en hij haalde Smirre langzamerhand
in. Eindelijk was hij zóó dicht bij hem, dat hij zijn staart te
pakken kreeg.

"Nu pak ik je toch de gans af!" riep hij, en hield hem met alle macht
tegen. Maar hij had geen kracht genoeg om Smirre in zijn vaart te
stuiten. De vos sleepte hem meê, zoodat het dorre beukenloof om hem
heen opstoof.

Maar nu scheen Smirre er achter te komen, hoe weinig gevaarlijk
hij was, die hem achterna zat. Hij bleef staan, legde de gans op
den grond, en ging met zijn voorpooten op haar staan, om te maken,
dat ze niet wegvliegen kon. Hij wilde haar den hals afbijten, maar
eerst kon hij niet laten, dat ventje wat te plagen.

"Ga 't nu gauw aan den baas vertellen, want nu bijt ik de gans dood,"
zei hij.

Maar wie er verbaasd was, toen hij zag, wat een spitsen snoet die
hond had, dien hij achterna gezeten had, en wat een nijdige heesche
stem hij opzette--dat was de jongen! Maar hij werd zoo boos, omdat
de vos hem voor den gek hield, dat hij er niet aan dacht om bang te
worden. Hij pakte den staart nog steviger vast, steunde tegen den
wortel van een beukeboom, en rukte met alle macht. Smirre werd er zoo
door verrast, dat hij zich een paar stappen achteruit liet trekken,
en de wilde gans kwam vrij. Ze fladderde met moeite omhoog. Haar
eene vleugel was gewond, zoodat ze dien nauwelijks kon gebruiken,
en daar kwam bij, dat ze niets kon zien in den donkeren nacht in 't
bosch, maar zoo hulpeloos was als een blinde. Ze kon dus den jongen
heelemaal niet helpen; ze zocht een gat in het groene bladerdak,
en vloog weer terug naar het meer.

Maar Smirre vloog op den jongen af. "Als ik de eene niet krijg, dan
wil ik den ander hebben," zei hij, en aan zijn stem kon je hooren,
hoe woedend hij was.

"Neen, dat moet je niet denken, dat je dien krijgt," zei de jongen,
die erg in zijn schik was, omdat hij de gans had gered. Hij hield
maar aldoor den vossestaart stijf vast, en zwaaide daarmeê naar den
anderen kant, als de vos hem probeerde te vangen.

Dat werd een dans in 't bosch, dat het beukenloof opdwarrelde. Smirre
draaide al maar rond, maar de staart draaide ook rond, en de jongen
hield zich daaraan vast, zoodat de vos hem niet pakken kon.

De jongen was zoo vroolijk na den goeden afloop van zijn werk, dat hij
in 't begin niets deed dan lachen, en den vos voor den gek houden,
maar Smirre hield vol, zooals oude jagers gewoon zijn, en de jongen
begon bang te worden, dat hij toch nog zou vastraken. Toen kreeg hij
een jongen beuk in 't oog, die omhoog geschoten was als een stok,
om gauw boven in de vrije lucht te zijn, boven het dak van takken,
dat de oude beuken over hem uitbreidden. Hij liet heel gauw den
vossestaart los, en klauterde in den boom. Smirre, de vos, was zóó
in vuur, dat hij nog lang om zijn staart bleef ronddraaien.

"Schei nu maar uit met dansen," zei de jongen. Maar Smirre kon de
schande niet verdragen, dat hij zoo'n klein ventje niet aankon. En
hij ging aan den voet van den boom liggen om hem te bewaken. De
jongen had het niet zoo heel best, zooals hij daar boven te paard
zat op dien dunnen tak. De jonge beuk was nog niet boven bij het
hooge takkengewelf gekomen. Hij kon niet in een anderen boom komen,
en hij durfde niet naar beneden op 't veld te springen.

Hij had het zoo koud, dat hij bijna verstijfd was, en bang was den tak
niet te kunnen vasthouden, en hij had zoo'n vreeselijken slaap, maar
hij durfde niet te gaan slapen, uit vrees van naar beneden te rollen.

't Was niet te gelooven, hoe griezelig het was daar 's nachts in
't bosch te zitten. Hij had vroeger nooit geweten, wat het eigenlijk
beteekende, dat het nacht was. 't Was, alsof de heele wereld versteend
was en nooit meer levend zou worden.

Toen begon het licht te worden, en de jongen was blij, omdat alles
er weer als gewoonlijk uit ging zien, hoewel hij de kou nog scherper
voelde, dan in den nacht.

Toen de zon eindelijk opkwam, was ze niet geel, maar rood. De jongen
vond, dat ze er uitzag, alsof ze boos was, en hij vroeg zich verwonderd
af, waarom ze boos zou zijn. Misschien wel omdat de nacht het zoo
koud en donker op de aarde had gemaakt, terwijl ze weg was.

De zonnestralen joegen voort in groote bundels, om te zien wat de
nacht had uitgevoerd, en het scheen, dat alle dingen rood werden,
omdat ze een slecht geweten hadden. De wolken aan den hemel, de gladde
zij-achtige beukenstammen, de zamengevlochten takjes in het boschdak,
de rijp, die 't beukenloof op den grond bedekte, alles vlamde op en
werd rood.

Maar steeds meer bundels stralen joegen door de ruimte, en al gauw
was al het akelige van den nacht weg. De versteening was weg, en er
kwam zoo wonderlijk veel levends voor den dag. De zwarte specht met
den rooden nek begon met den snavel tegen een stam te hameren. De
eekhoorn sprong uit zijn nest met een noot, ging op een tak zitten,
en begon de noot te pellen. De spreeuw kwam met een wortelvezeltje,
en de bergvink zong in de boomtoppen.

Toen begreep de jongen, dat de zon tegen al dat kleine goed gezegd
had: "Word nu wakker, en kom uit je huisjes! Nu ben ik er. Nu hoef
je nergens bang voor te wezen." Van het meer hoorde hij de wilde
ganzen roepen, terwijl ze zich voor de vlucht rangschikten. Kort
daarop kwamen alle veertien ganzen over het bosch vliegen. De jongen
probeerde hen te roepen, maar ze vlogen zoo hoog, dat zijn stem hen
niet kon bereiken. Ze namen niet eens de moeite naar hem te zoeken.

De jongen was op het punt van te schreien van angst, maar de zon
stond nu goudgeel en blij aan den hemel, en gaf de heele wereld moed.

"Je hoeft nergens bang voor of ongerust over te zijn, zoolang ik er
ben, Niels Holgersson," zei de zon.



'T GANZENSPEL.


Alles bleef, zooals het was in 't bosch, ongeveer zoo lang als
een gans noodig heeft om te ontbijten, maar juist toen de morgen
voormiddag zou worden, kwam een eenzame gans aanvliegen onder het
dichte takkendak. Ze zocht aarzelend haar weg tusschen de stammen
en takken, en vloog heel zacht. Zoodra Smirre, de vos, haar zag,
liep hij weg van zijn plaats onder den jongen beuk, en sloop haar
tegemoet. De wilde gans ontweek den vos niet, maar vloog tot heel dicht
bij hem. Smirre deed een hoogen sprong naar haar, maar hij sprong mis,
en de gans vloog verder, naar het meer toe.

Het duurde niet lang, of er kwam weer een nieuwe wilde gans
aanvliegen. Ze nam denzelfden weg als de eerste, en vloog nog lager
en langzamer. Ook zij vloog dicht voorbij Smirre, en hij deed zoo'n
hoogen sprong, dat zijn ooren haar pooten raakten, maar ze ontkwam
ongedeerd, en zette stil als een schaduw haar weg naar het meer voort.

Een poosje ging voorbij, en weer kwam er een wilde gans. Nog lager en
langzamer vloog zij, en nog moeilijker scheen zij haar weg tusschen
de beukenstammen te vinden. Smirre nam een geweldigen sprong, en het
scheelde maar een haar, of hij had haar gegrepen, maar ook deze gans
redde zich.

Onmiddellijk nadat zij verdwenen was, kwam een vierde wilde
gans. Hoewel zij bijna zoo langzaam en slecht vloog, dat Smirre
meende haar zonder veel moeite te kunnen vangen, was hij nu bang,
dat het hem mislukken zou, en hij was van plan haar ongedeerd voorbij
te laten gaan. Maar zij nam denzelfden weg als de andere, en juist
toen ze boven Smirre kwam, daalde ze zoo ver, dat hij verleid werd
naar haar op te springen. Hij kwam zoo hoog, dat hij haar met zijn
pooten aanraakte, maar ze wierp zich vlug op zij, en redde haar leven.

Vóór Smirre weer op adem gekomen was, kwamen drie ganzen op een rij
in 't gezicht. Ze vlogen op dezelfde manier voort als de andere,
en Smirre nam hooge sprongen naar alle drie, maar het lukte hem niet
één van hen te vangen.

Daarop kwamen vijf ganzen; maar die vlogen beter dan de vorige, en
hoewel zij Smirre schenen te willen lokken tot een sprong, weerstond
hij de verzoeking.

Na een lange poos kwam een eenzame gans. Dat was de dertiende. 't Was
een, die zóó oud was, dat ze heelemaal grijs was, en geen donkere
plek meer op het lichaam had. Zij scheen den eenen vleugel niet
recht te kunnen gebruiken, en vloog jammerlijk slecht en scheef,
zoodat zij den grond bijna raakte. Smirre deed niet alleen een hoogen
sprong naar haar, maar hij vervolgde haar springend tot aan het meer,
maar ook dezen keer werd zijn moeite niet beloond.

Toen de veertiende kwam, stond dat heel mooi, omdat zij wit was,
en het glansde als een lichtschijn door het donkere bosch, als zij
met de groote vleugels sloeg. Toen Smirre haar zag, verzamelde hij
al zijn kracht en sprong tot halverwege het takkendak, maar de witte
vloog volkomen ongedeerd voorbij als alle andere.

Nu werd het een poosje stil onder de beuken; het scheen wel of de
heele troep wilde ganzen voorbij gekomen was.

Op eens dacht Smirre aan zijn gevangene, en keek naar boven
in den jongen beuk. Zooals te verwachten was--de jongen was
weg--verdwenen. Maar Smirre had niet lang tijd om aan hem te denken,
want nu kwam de eerste gans terug van het meer, en vloog als vroeger
langzaam onder het takkendak voort. Niettegenstaande al zijn tegenspoed
was Smirre blij, dat zij terugkwam, en hij vloog haar na met een
hoogen sprong. Maar hij was te haastig geweest, en had zich geen tijd
gegeven zijn sprong te berekenen, en hij kwam naast haar terecht.

Na deze gans kwam er nog een, en toen een derde, een vierde, een
vijfde, tot het geheel werd afgesloten met de oude grijze en de groote
witte. Ze vlogen allen langzaam en laag. Juist als ze boven Smirre,
den vos zweefden, daalden ze, precies alsof ze hem wilden uitnoodigen
hen te vangen. En Smirre liep ze na en sprong een paar voet hoog,
zonder dat hij in staat was één van hen te pakken.

Dat was de vreeselijkste dag, dien Smirre nog ooit beleefd had. De
wilde ganzen vlogen onophoudelijk over hem heen, kwamen en gingen,
kwamen en gingen. Groote, heerlijke ganzen, die vet geworden waren op
de Duitsche akkers, en heiden, zweefden den heelen dag door het bosch,
zóó dicht bij hem, dat hij ze dikwijls aanraakte, en hij kon met geen
enkele zijn honger stillen.

De winter was nog nauwlijks voorbij, en Smirre herinnerde zich dagen
en nachten, waarin hij werkeloos rond had moeten loopen, zonder een
stuk wild om op te jagen, als de trekvogels weg waren, als de ratten
zich onder de bevroren aardkost verborgen, en de kippen opgesloten
waren. Maar alle honger in den winter was niet zóó moeilijk te
verdragen geweest, als de teleurstellingen van dezen dag.

Smirre was geen jonge vos. Hij had menigmaal de honden achter zich
aan gehad en de kogels om zijn ooren hooren fluiten. Hij had diep in
zijn hol gezeten, terwijl de taxhonden in de gangen kropen en hem
bijna gevonden hadden. Maar alle angst, die Smirre had uitgestaan
onder de scherpste jacht, was niet te vergelijken met den angst,
dien hij nu voelde, telkens als het hem mislukte een van de wilde
ganzen te grijpen.

In den morgen, toen 't spel begon, was Smirre zoo sierlijk geweest,
dat de ganzen verbaasd waren, toen ze hem zagen. Smirre hield van
pracht en zijn pels was schitterend rood, zijn borst wit, zijn neus
zwart en de staart donzig als een pluim, maar toen de avond dien dag
kwam, hing Smirre's pels in pruiken neer, hij baadde in 't zweet,
zijn oogen waren glansloos, de tong hing lang uit zijn hijgenden bek,
en er liep schuim uit zijn mond.

Tegen den namiddag was Smirre zóó moe, dat hij aan 't ijlen ging. Hij
zag niets dan vliegende ganzen voor zijn oogen. Hij sprong naar
zonneplekken, die hij op het veld zag en naar een armen vlinder,
die te vroeg uit zijn pop gekomen was.

De wilde ganzen gingen onvermoeid door met vliegen, vliegen! Ze bleven
Smirre den heelen dag kwellen. Het wekte hun medelijden niet op, dat
Smirre, in den war, verhit, waanzinnig was. Ze gingen onbewogen door,
hoewel ze begrepen, dat hij hen nauwelijks meer zag, en dat hij naar
hun schaduwen sprong.

Eerst toen Smirre op een hoop dorre bladen neerzonk, volkomen
krachteloos en mat, bijna op 't punt den laatsten adem uit te blazen,
hielden ze op hem te foppen.

"Nu weet je, vos, hoe 't hem gaat, die het waagt Akka van Kebnekaise
aan te raken," riepen ze in zijn ooren, en toen lieten ze hem met rust.



III.

'T LEVEN VAN DE WILDE VOGELS.


OP DE BOERDERIJ.


Juist in die dagen gebeurde er in Skaane iets, waar veel over gesproken
werd, en dat zelfs in de courant kwam, maar dat velen voor een praatje
hielden, omdat zij niet in staat waren het te verklaren.

't Was namenlijk zoo: een eekhoorn was in een hazelstruik, die aan
den kant van het Vombmeer groeide, gevangen en naar een boerderij
in de buurt gebracht. Alle menschen in de boerderij, oude en
jonge, hadden pleizier in het mooie, kleine dier, met zijn grooten
staart, zijn verstandige, nieuwsgierige oogen en zijn kleine, nette
pootjes. Zij wilden den heelen zomer het genoegen hebben naar zijn
vlugge bewegingen, zijn handige maniertjes om noten te pellen, en zijn
vroolijke spelen te kijken. Ze maakten gauw een oude eekhoorn-kooi
in orde, die bestond uit een klein groengeschilderd huisje en een
wiel van ijzerdraad. 't Kleine huisje, dat een deur en vensters had,
moest de eekhoorn gebruiken als eet- en slaapkamer; daarom legden ze
daar een bed van bladen in, en zetten er wat melk en noten neer. Het
ijzerdraadwiel moest zijn speelkamer zijn, waar hij kon springen en
klauteren en ronddraaien.

De menschen meenden, dat zij heel goed voor den eekhoorn hadden
gezorgd, en ze waren er verwonderd over, dat hij niet scheen te
tieren. Hij zat bedroefd en knorrig in een hoek van zijn kamer, en
nu en dan liet hij een scherpen, klagenden kreet hooren. Hij roerde
het eten niet aan, en draaide het wiel geen enkele keer rond.

"Hij is zeker bang," zeiden de menschen op de boerderij. "Morgen,
als hij zich thuis voelt, zal hij wel eten en spelen."

Intusschen waren de vrouwen op de boerderij bezig met toebereidselen
voor een feest, en juist dien dag, toen de eekhoorn gevangen werd,
waren ze allen aan 't bakken. En òf ze hadden tegenspoed gehad met
het deeg, dat niet rijzen wou, òf ze waren langzaam geweest, want ze
moesten werken, lang nadat het donker geworden was.

Natuurlijk waren ze druk aan 't werk in de keuken, en er was zeker
niemand, die tijd had om te zien hoe de eekhoorn het had. Maar er
was een oud moedertje in huis, die te oud was om meê te bakken. Dat
begreep ze zelf wel, maar ze vond het in ieder geval niet prettig zoo
overal buiten te staan. Ze was bedroefd, en daarom ging ze niet naar
bed, maar bleef bij het venster zitten in de huiskamer, en keek naar
buiten. In de keuken hadden ze voor de warmte de deur open gezet,
en een heldere lichtschijn viel naar buiten op de plaats. 't Was
een ingebouwde plaats, en die werd nu zóó goed verlicht, dat de oude
vrouw de spleten en gaten in de verf op den muur aan den overkant kon
zien. Zij zag ook de kooi van den eekhoorn, die juist hing, waar 't
licht het sterkste viel, en ze merkte, dat de eekhoorn den heelen nacht
van zijn kamer in het wiel sprong en van 't wiel in zijn kamer, zonder
een oogenblik te rusten. Ze vond, dat het dier wonderlijk onrustig was,
maar ze dacht natuurlijk, dat het door het scherpe licht wakker bleef.

Tusschen den koestal en den paardenstal was er in de plaats een breede,
overdekte inrijpoort, en die lag zoo, dat zij ook werd verlicht. En
toen het wat later in den nacht was geworden, zag 't oude moedertje,
dat uit het poortgewelf zacht en voorzichtig een klein ventje kwam
sluipen, die niet meer dan een handbreed lang was; hij droeg klompen
en een leeren broek, zooals een gewoon arbeider. 't Oude moedertje
begreep dadelijk, dat het de kabouter was, en ze werd heelemaal niet
bang. Ze had altijd gehoord, dat hij op de plaats woonde, maar ze
had hem nog nooit gezien. En een kabouter bracht immers geluk, als
hij zich vertoonde.

Zoodra de kabouter over den steenen kant om de plaats heen gekomen
was, sprong hij regelrecht op de kooi van den eekhoorn toe, en omdat
die zoo hoog hing, dat hij er niet bij kon, ging hij naar de schuur,
waar het gereedschap stond, en haalde een lat, zette die tegen de
kooi en klauterde daarlangs naar boven op dezelfde manier, waarop de
zeeman tegen een touw opklautert. Toen hij bij de kooi gekomen was,
rukte hij aan de deur van het kleine groene huisje, alsof hij die
open wou maken; maar 't oude moedertje bleef heel kalm, want ze wist,
dat de kinderen een hangslot voor de deur hadden gehangen, uit angst,
dat de buurjongens zouden probeeren den eekhoorn te stelen. De oude
zag, dat, toen de kabouter de deur niet kon openkrijgen, de eekhoorn
naar buiten kwam in het wiel. Daar overlegden hij en de kabouter lang
met elkaar. En toen de kabouter alles gehoord had, wat het gevangen
dier hem te zeggen had, gleed hij langs de lat naar den grond, en
liep hard weg door de poort.

De oude vrouw dacht niet, dat zij dien nacht meer van den kabouter zou
te zien krijgen; maar zij bleef toch voor 't venster zitten. Na een
poos kwam hij terug. Hij had zóó'n haast, dat ze vond, dat zijn voeten
den grond bijna niet raakten, en hij liep gauw naar de kooi van den
eekhoorn. De oude vrouw zag hem duidelijk met haar vèrziende oogen,
en ze zag ook, dat hij iets in de handen hield, maar wat dat was,
kon ze maar niet begrijpen. Wat hij in de linkerhand had, legde hij
op de steenen neer, maar wat hij in de rechterhand had, nam hij meê
naar de kooi. Hier schopte hij met de klomp tegen 't kleine venster,
zoodat de ruit sprong en stak dat wat hij in de hand hield aan den
eekhoorn daarbinnen toe. Daarop gleed hij weer naar beneden, pakte
weer op, wat hij op den grond had gelegd, en klauterde ook daarmee
weer naar de kooi. En dadelijk daarna draafde hij weer weg met zulk
een haast, dat de oude vrouw hem nauwelijks met de oogen kon volgen.

Maar nu bleef ook 't oude moedertje niet langer stil in de kamer
zitten; ze liep heel stil naar buiten op de plaats, en ging in de
schaduw van de pomp staan, om den kabouter af te wachten. En er was
nog iemand, die hem opgemerkt had, en nieuwsgierig was geworden. Dat
was de huiskat. Zij kwam zacht aansluipen en bleef bij den muur staan,
een paar stappen van den heldersten lichtschijn af.

Zij stonden buiten lang te wachten in den kouden Maartnacht, en de
oude vrouw begon er over te denken om weer naar binnen te gaan, toen
ze geklepper op de steenen hoorde, en zag, dat de kleine kabouter er
weer aan kwam stappen. Net als de vorige keer, droeg hij iets in beide
handen, en dat, wat hij droeg, piepte en spartelde. En nu ging er een
licht voor 't oude moedertje op. Zij begreep, dat de kabouter naar
de notenhaag was geloopen, om de jongen van den eekhoorn te halen,
en dat hij ze bij haar bracht, opdat ze niet dood zouden hongeren.

De oude moeder bleef stil staan om hem niet te storen, en het scheen
ook niet, dat de kabouter haar opgemerkt had. Hij zou juist het eene
jong op den grond leggen om met het andere naar boven naar de kooi
te kunnen klimmen, toen hij de groene oogen van de huiskat dicht bij
hem fonkelen zag. Hij bleef radeloos staan met een jong in iedere hand.

Hij keerde zich om, keek naar alle kanten uit, en werd nu het oude
moedertje gewaar. Toen bedacht hij zich niet lang, maar ging naar
haar toe, en reikte haar het eene jonge eekhoorntje toe.

En 't oude moedertje wilde zich zijn vertrouwen waard toonen, boog
zich neer, en nam het jonge eekhoorntje aan. Zij bleef staan en hield
het vast, tot de kabouter met het eene naar boven, naar de kooi was
geklommen, en het andere kwam halen, wat hij haar had toevertrouwd. Den
volgenden morgen, toen de menschen op de boerderij bijeen kwamen om
koffie te drinken, kon 't oude vrouwtje niet laten te vertellen,
wat ze den vorigen nacht gezien had. En allemaal lachten ze haar
natuurlijk uit, en zeiden, dat ze het gedroomd had. Er waren geen
jonge eekhoorns zoo vroeg in het jaar.

Maar zij was zeker van haar zaak, en vroeg, of ze eens in de kooi van
den eekhoorn wilden kijken. En dat deden ze. En daar lagen op het bed
van dorre bladen in de kamer vier kleine, halfnaakte en halfblinde
jongen, die ten minste een paar dagen oud waren.

Toen de vader op de boerderij zelf de jongen zag, zei hij: "'t Mag
nu wezen, zooals 't wil, maar zeker is het, dat we ons voor dieren
en menschen moeten schamen." En hij nam den eekhoorn met alle jongen
uit de kooi, en legde ze in den schoot van het oude moedertje. "Ga
maar naar de notenhaag," zei hij, "en laat ze vrij."

Die gebeurtenis was het, die zooveel besproken werd en zelfs in de
courant kwam, maar die de meesten niet wilden gelooven, omdat ze niet
verklaren konden, hoe zooiets had kunnen gebeuren.



VITTSKÖVLE.


Een paar dagen later gebeurde er nog zoo iets wonderlijks. Een
troep wilde ganzen kwam op een morgen neerstrijken op een akker in
Oost-Skaane; niet ver van het groote landgoed Vittskövle. In den troep
waren dertien ganzen van de gewone grijze kleur en één witte ganzerik,
die op zijn rug een klein ventje droeg, gekleed in gele leeren broek,
groen vest, en een wit slaapmutsje. Ze waren nu heel dicht bij de
Oostzee, en op den akker, waar de ganzen waren neergestreken, was de
aarde met zand vermengd, zooals gewoonlijk aan de zeekust. Het scheen,
dat daar in die streek vroeger bewegelijk stuifzand was geweest,
dat vast gelegd had moeten worden, want op verscheiden plaatsen,
zag men groote dennenplantages.

Toen de wilde ganzen een poos geweid hadden, kwamen er een paar
kinderen aan in den greppel. De ganzen, die op wacht stonden, vlogen
dadelijk luid klapwiekend in de hoogte, opdat de heele troep zou
hooren, dat er gevaar was. Alle wilde ganzen vlogen op, maar de witte
bleef kalm op het veld loopen. Toen hij zag, dat de andere vluchtten,
richtte hij het hoofd op, en riep hen na: "Jelui hoeft niet weg te
vliegen voor die daar. Dat zijn immers maar een paar kinderen!"

't Kleine ventje, dat op zijn rug had gezeten, zat nu op een hoogtetje,
aan den kant van 't bosch, en plukte een dennenappel uit elkaar om
bij de zaadjes te kunnen komen. De kinderen waren zóó dicht bij hem,
dat hij niet over het veld naar de witte gans durfde te loopen. Hij
verstopte zich gauw onder een groot dor distelblad, en liet meteen
een waarschuwend roepen hooren.

Maar de witte scheen bepaald van plan zich niet bang te laten
maken. Hij bleef op het veld loopen, en keek niet eens, waar de
kinderen heengingen.

Zij weken intusschen van hun weg af, liepen over het veld en kwamen
op den ganzerik toe. Toen hij eindelijk opkeek, waren ze vlak bij
hem, en nu was hij zoo verbluft en verward, dat hij vergat, dat hij
vliegen kon, en haastig wegliep. De kinderen liepen hem achterna,
joegen hem in een sloot, en vingen hem daar. De grootste van hen nam
hem onder den arm, en droeg hem weg.

Toen het ventje, dat onder het distelblad lag, dat zag, sprong hij op,
alsof hij den ganzerik van de kinderen wilde afnemen. Maar toen dacht
hij er aan, hoe klein en machteloos hij was, en gooide zich neer op
het aardhoogtetje, en bonsde wanhopend met zijn vuistjes op den grond.

De ganzerik riep om hulp, zoo hard hij maar kon. "Duimelot, help me
toch, Duimelot, help me toch!"

Maar toen begon de jongen te lachen, midden in zijn angst. "Ja,
ik ben wel de rechte, om iemand te helpen," zei hij.

Toch stond hij op, en liep den ganzerik na. "Ik kan hem niet helpen,"
zei hij, "maar ik wil tenminste zien wat ze met hem uitvoeren."

De kinderen waren hem een heel eind vooruit, maar de jongen had
toch geen moeite hen in het oog te houden, tot hij aan een diepte in
't veld kwam, waar een lentebeek voortbruiste. Die was niet breed,
en stroomde niet hard, maar hij moest toch ver langs den kant loopen,
eer hij een plaats vond, waar hij over springen kon.

Toen hij tegen den kant was opgeklommen, waren de kinderen
verdwenen. Hij kon nog hun spoor zien op een smal pad, dat het bosch
inliep, en hij bleef het volgen.

Spoedig kwam hij aan een kruisweg, en hier moesten de kinderen van
elkaar zijn gegaan, want van daar gingen de sporen in verschillende
richting. Nu keek het ventje heelemaal verslagen.

Maar op hetzelfde oogenblik zag hij op een klein hoogtetje op de hei
een wit veertje. Hij begreep, dat de ganzerik het aan den kant van
den weg geworpen had om hem te wijzen, waar hij heen gedragen was, en
daarom zette hij zijn tocht voort. Hij volgde zoo de kinderen het heele
bosch door. Van den ganzerik zag hij niets, maar overal waar hij zich
in de richting vergissen kon, lag een wit veertje, en wees hem den weg.

De jongen volgde trouw de veertjes. Zij leidden hem uit het bosch,
over een paar akkers, een weg op en eindelijk door de laan van een
groot landgoed. Aan 't eind van de laan kon hij flauw gevels en torens,
met roode tegels bedekt, onderscheiden. Ze waren versierd met lichte
randen en ornamenten. Toen de jongen zag, dat daar een groot buiten
lag, meende hij wel te kunnen begrijpen, wat er van den ganzerik
geworden was. "De kinderen hebben stellig den ganzerik naar dit buiten
gebracht en hem hier verkocht, en dan is hij zeker al geslacht," zei
hij in zichzelf. Maar hij wou niet rusten, voor hij precies wist,
wat er gebeurd was, en liep voort met nog grooter haast. Hij kwam
niemand tegen in de laan, en dat was maar goed ook! Want zulken,
als hij, zijn gewoonlijk bang om door menschen gezien te worden.

Op het buiten, waar hij gekomen was, stond een prachtig oud gebouw,
in 't vierkant gebouwd om een slotplaats heen. Aan de oostzij was
een diepe gewelfde poort, die naar de slotplaats leidde. Tot zoover
liep het ventje door zonder te aarzelen, maar toen hij daar kwam,
stond hij stil. Verder waagde hij zich niet, maar hij bleef er over
staan denken, wat hij nu doen zou.

Het ventje stond nog met den vinger langs den neus te peinzen, toen
hij achter zich voetstappen hoorde, en toen hij zich omkeerde, zag
hij een heele schare menschen de laan opkomen. Hij sloop gauw achter
een waterton, die toevallig bij de poort stond, en verstopte zich daar.

Zij, die daar aankwamen, waren een twintig jonge mannen van een
volkshoogeschool, die een voetreisje deden. Er was een leeraar bij,
en toen zij aan de poort gekomen waren, vroeg deze hun daar even te
wachten, terwijl hij naar binnen ging om te vragen, of zij het oude
kasteel Vittskövle mochten bekijken.

De nieuw aangekomenen waren warm en moe, alsof ze een lange wandeling
gemaakt hadden. Een van hen had zoo'n dorst, dat hij naar de waterton
ging en zich voorover boog om te drinken. Hij had een botaniseertrommel
om den hals hangen, en hij vond zeker, dat die hem hinderde, want hij
gooide ze op den grond. Daardoor ging de deksel open, zoodat men zien
kon, dat er een paar lentebloemen in lagen.

De botaniseertrommel viel vlak bij het ventje neer, en nu vond hij,
dat er zich een uitstekende gelegenheid voordeed om in den burcht
te komen, en te hooren, wat er van den ganzerik geworden was. Hij
kroop vlug in de trommel, en verstopte zich, zoo goed hij kon, onder
anemonen en hoefblad.

Nauwelijks was hem dat gelukt, of de jongeman nam de botaniseertrommel
op, hing ze om, en sloeg den deksel dicht.

De leeraar kwam nu terug en zei, dat hij toegang tot het slot
had gekregen. Om te beginnen bracht hij hen niet verder dan de
slotplaats. Daar bleef hij staan, en begon over het oude gebouw
te spreken.

Hij herinnerde er hen aan, dat de eerste menschen, die in 't land
kwamen, in krotten en holen in den grond, in tenten van dierenhuiden en
rieten hutten hadden gewoond, en dat er veel tijd was voorbij gegaan,
eer ze bedacht hadden een huis te timmeren van boomstammen. En daarna:
hoe lang hadden ze niet moeten werken en zwoegen om zoover te komen,
dat ze een slot konden bouwen met honderd kamers, zooals Vittskövle!

Ongeveer driehonderdvijftig jaar geleden bouwden de rijken en
machtigen zich zulke kasteelen als dit, zeide hij. Men kon wel zien,
dat Vittskövle gebouwd was in een tijd, dat oorlog en roovers het
onveilig maakten in Skaane. Rond om het kasteel liep een gracht,
en daarover lag vroeger een brug, die kon worden opgehaald.

Boven het poortgewelf was nu nog een wachttoren; buiten langs de
muren van het kasteel liepen wachtgangen, en in de hoeken stonden
vaste torens met muren, die wel een meter dik waren.

De leeraar sprak lang en uitvoerig, en het ventje, dat in de
botaniseertrommel zat opgesloten, werd braaf ongeduldig; maar hij
moet toch heel stil gelegen hebben, want de eigenaar van de trommel
merkte in het geheel niet, dat hij hem bij zich had.

Eindelijk ging dan het geheele gezelschap het kasteel binnen, maar als
het ventje gehoopt had, gelegenheid te hebben uit de botaniseertrommel
te ontsnappen, dan had hij het mis. Want de leerling hield hem bij
zich, en hij moest meê door alle kamers.

't Werd een langdurige wandeling. De leeraar bleef elk oogenblik
staan om iets te verklaren, of de jongelui wat te leeren.

In een kamer was een oude haard, en daar bleef hij voor staan om te
vertellen van de verschillende stookplaatsen, die de menschen in den
loop der tijden hadden gebruikt. De eerste stookplaats binnenshuis
was een steenen plaat midden in de kamer geweest, met een opening voor
den rook midden in het dak, die regen en wind binnen liet, de tweede
was een groote gemetselde oven zonder schoorsteen geweest, en die
had wel de kamer verwarmd maar die ook met rook en damp gevuld. Toen
Vittskövle gebouwd werd, waren de menschen juist zoover gekomen,
dat ze open haarden hadden, met een wijden schoorsteen voor den rook,
maar die ook de meeste warmte meê de lucht in zonden.

Als dat kleine ventje ooit heftig en ongeduldig was geweest, kreeg
hij dien dag een goede gelegenheid om zijn geduld te oefenen. Nu had
hij al bijna een uur onbewegelijk gelegen.

In de volgende kamer, waar de leeraar kwam, bleef hij staan voor
een oud bed met een hoogen hemel en prachtige gordijnen, en dadelijk
begon hij te vertellen van bedden en slaapplaatsen in den ouden tijd.

Hij haastte zich niet. Maar hij wist ook niet, dat er een klein
stumpertje in de botaniseertrommel lag opgesloten, en er maar op
wachtte, dat hij zou ophouden. Toen hij bij een kamer kwam, met
goudleeren behang, begon hij te vertellen, hoe de menschen al van
de eerste tijden af hun wanden hadden bekleed; als hij bij een oud
familieportret kwam, vertelde hij van de vele vormen van kleederdracht,
en in de feestzalen beschreef hij de wijze, waarop men in vroeger
tijden bruiloften en begrafenissen hield.

Onder dit alles lag het ventje doodstil. Als hij ooit ondeugend was
geweest, en de kelderdeur achter Vader of Moeder had dichtgegooid,
dan kon hij nu voelen, hoe dat voor hen was geweest, want het duurde
uren vóór de spreker ophield.

Eindelijk ging de leeraar weer naar buiten op de plaats. En daar
vertelde hij er van, hoe lang de menschen hadden moeten werken om
zich werktuigen en wapens, kleeren en huizen, meubels en versiersels
te verschaffen. Hij zei, dat zoo'n oude burcht als Vittskövle als een
mijlpaal op den weg was. Daar kon men zien, hoe ver de menschen waren
gekomen voor driehonderd vijftig jaar geleden, en zelf beoordeelen,
of ze sinds dien tijd vooruit of achteruit waren gegaan.

Maar naar deze toespraak hoefde het ventje niet te luisteren, want
de leerling, die hem in zijn botaniseertrommel meê droeg, kreeg weer
dorst, en sloop naar de keuken om een beetje water te vragen. Toen nu
't ventje in de keuken werd gedragen, wou hij zeker probeeren eens
naar den ganzerik uit te zien. Hij was begonnen zich te bewegen,
en hierdoor drukte hij bij ongeluk zóó hard tegen den deksel,
dat die opensprong. Botaniseertrommels springen altijd open, en de
leerling dacht daar niet verder over na, maar drukte die eenvoudig
weer dicht. Maar toen vroeg het keukenmeisje, of hij een slang in de
trommel had.

"Neen, er zijn alleen wat planten in," antwoordde de leerling.

"Maar er was iets, dat zich bewoog," hield de kookster vol.

De leerling deed toen den deksel open om haar te laten zien, dat zij
zich vergiste: "Zie nu maar zelf of...."

Maar verder kwam hij niet, want nu durfde het dwergje niet langer
in de botaniseertrommel blijven. Hij sprong op den grond, en liep
weg. De meisjes konden nauwelijks zien wat het was, dat daar weg
sprong, maar ze liepen er alle hard achteraan.

De leeraar stond nog te praten, maar hij werd gestoord door luid
roepen. "Pak hem! Pak hem!" riepen zij, die uit de keuken kwamen, en
al de jonge mannen liepen het dwergje achterna, dat nog harder wegliep
dan een rat. Zij probeerden het den weg af te snijden in de poort,
maar het was niet makkelijk zoo'n kleintje te pakken te krijgen,
en hij kwam gelukkig naar buiten.

Hij durfde niet door de open laan te loopen, maar ging een anderen
kant uit. Hij vloog door den tuin, de plaats achter het huis op. En
steeds jaagden de menschen achter hem aan met geschreeuw en gelach. De
kleine stumper vloog voort zoo hard hij kon, maar 't scheen toch,
dat de menschen hem zouden inhalen.

Toen hij voorbij een arbeidershuisje liep, hoorde hij een gans kakelen,
en hij zag een wit veertje op de stoep liggen. Daar had hij eindelijk
den ganzerik. Hij was dus op den verkeerden weg geweest. Hij dacht
niet meer aan de meisjes en jongens, die hem achternazaten, maar klom
gauw de trappen in het gangetje op. Verder kon hij niet komen, want de
kamerdeur was dicht. Hij hoorde den ganzerik schreeuwen en jammeren
daarbinnen, maar hij kon de deur niet open krijgen. De groote jacht
achter hem aan, kwam al nader en nader, en in de kamer schreeuwde de
ganzerik steeds jammerlijker! In den uitersten nood nam het dwergje
al zijn moed bij elkaar, en bonsde met alle kracht op de deur.

Een kind kwam opendoen, en het dwergje keek de kamer binnen. Midden op
den vloer zat een vrouw, die den ganzerik vasthield om zijn vleugels
te knippen. Haar kind had hem gevonden, en zij wilde hem geen kwaad
doen. Ze wilde hem bij haar eigen ganzen laten, als ze alleen maar
zijn vleugels geknipt had, zoodat hij niet weg kon vliegen. Maar
een grooter ongeluk kon den ganzerik bijna niet overkomen, en hij
schreeuwde en jammerde, zoo hard hij maar kon. En 't was een geluk,
dat de vrouw niet eerder was begonnen met knippen. Nu waren nog
maar twee pennen door haar schaar gevallen, toen de deur openging,
en het dwergje op den drempel stond. Maar zooiets had de vrouw nog
nooit gezien. Zij kon niet anders denken, dan dat het de Goa-kabouter
zelf was, en ze liet van schrik de schaar vallen, sloeg de handen in
elkaar, en vergat den ganzerik vast te houden.

Zoodra die zich vrij voelde, sprong hij naar de deur. Hij had geen tijd
om stil te staan, maar in het voorbijgaan greep hij het dwergje bij
den kraag, en nam hem meê. En op de stoep sloeg hij de vleugels uit,
en vloog op in de lucht. Meteen maakte hij een sierlijke beweging met
den hals, en zette het dwergje op zijn gladden donzigen rug. En zoo
zweefden ze weg, hoog door de lucht, en heel Vittskövle stond ze na
te kijken.



IN HET KLOOSTER VAN ÖVED.


Heel den langen dag, toen de ganzen met den vos speelden, lag de
jongen in een verlaten eekhoornsnest te slapen. Toen hij tegen den
avond wakker werd, was hij heel bezorgd.

"Nu word ik gauw naar huis gestuurd," dacht hij, "en dan moet ik me wel
aan Vader en Moeder vertoonen." Maar toen hij de wilde ganzen opzocht,
die zich baadden in 't Vombmeer, zei geen van hen er een woord over,
dat hij moest heengaan.

"Ze vinden zeker, dat de witte te moe is om vanavond met mij naar
huis te gaan," dacht de jongen.

Den volgenden morgen waren de ganzen al wakker bij 't aanbreken van
den dag, lang vóór zonsopgang. Nu was de jongen er van overtuigd, dat
hij naar huis moest, maar vreemd genoeg mochten de witte ganzerik en
hij meê op hun vroegen tocht. De jongen begreep niet wat de oorzaak
van dit uitstel was, maar toen maakte hij voor zichzelf uit, dat de
ganzen den ganzerik niet wilden wegsturen op zoo'n lange reis, voor
hij eerst flink zijn genoegen gegeten had. Maar hoe het ook was, hij
vond dat ieder uur, dat voorbij ging, vóór hij zich aan zijn ouders
vertoonen moest, winst was.

De wilde ganzen vlogen over het buiten van Övedklooster, dat in een
heerlijk park lag, ten oosten van het meer, en er prachtig uitzag
met zijn groot kasteel, zijn mooie steenen slotplaats, door lage
muren en paviljoens omgeven, en zijn mooien, ouderwetschen tuin met
geschoren hagen, dichte berceaux, vijvers, fonteinen en watervallen,
verrukkelijke boomen en kort geschoren grasvelden, omlijst door bonte
randen lentebloemen.

Toen de ganzen over dat groote buiten vlogen in den vroegen morgen,
was er nog geen mensch op. Toen ze daar zeker van waren, daalden
ze tot dicht bij het hondenhok en riepen. "Wat is dat hier voor een
klein hutje? Wat is dat hier voor een klein hutje?"

Dadelijk kwam de hond uit het hok, woedend, razend, en schold ze uit.

"Noem jelui dat een hutje? Jelui schooiers! Zie je niet, dat het een
groot kasteel van steen is? Zie je niet wat mooie muren het heeft? Zie
je al die vensters en de hooge poorten niet en dat prachtige terras,
wou, wou, wou! Noem je dát een hutje? Zie je dan den tuin niet,
en den boomgaard? Zie je dan de oranjerie niet? Zie je de marmeren
beelden niet? Noem jelui dit een hutje? Hebben hutjes dan een park,
waar beukenbosschen en kreupelhout van hazelaars zijn? En waar je
velden met loofboomen en eikenhagen en rijen dennen vindt, en een
hertenkamp vol herten, wou, wou, wou! Noem je dit een hutje? Heb
je ooit een hutje gezien met zooveel bijgebouwen, dat het wel
een heele stad leek? Jelui kent zeker veel hutjes, die hun eigen
kerk en pastorie hebben, en die macht hebben over landgoederen en
boerenhuizen en pachterijen en boerderijen, wou, wou, wou! Noem je
dát een hutje? Bij dat hutje hoort het grootste landgoed van Skaane,
jelui bedelaars! Waar jelui in de lucht hangt, kun je geen handbreed
grond zien, dat niet bij dit hutje hoort, wou, wou wou!"

Het lukte den hond dit alles in één adem uit te blaffen, en de ganzen
vlogen heen en weer over het landgoed, en luisterden naar hem, tot
hij even moest ophouden om op adem te komen. Maar toen riepen ze:

"Waarom ben je zoo boos? We vroegen niet naar het kasteel, we vroegen
enkel naar je hondenhokje."

Toen de jongen die grap hoorde, lachte hij eerst, maar toen kwam een
gedachte bij hem op, die hem op eens weer ernstig maakte: "Stel je eens
voor, hoeveel grappen je hooren zou, als je met de ganzen meê mocht
't heele land door, heel tot Lapland toe," zei hij in zichzelf. "Nu
ik er toch zoo akelig aan toe ben, was zoo'n reis 't beste, wat ik
bedenken kon."

De wilde ganzen daalden neer op een van de groote velden ten oosten
van het landgoed, om graswortels te eten, en dat deden ze uren lang. In
dien tijd ging de jongen in het groote park, dat aan de velden grensde,
zocht naar een notenhaag, en begon naar boven in de struiken te kijken,
of er niet hier en daar een noot was blijven hangen van den vorigen
herfst. Maar telkens kwam de gedachte aan de reis terug, terwijl hij
daar door het park liep. Hij stelde zich voor hoe prettig het wezen
zou met de wilde ganzen mee te gaan. Honger en kou lijden zou hij
zeker vaak genoeg, maar daarentegen zou hij ook vrij zijn van werken
en leeren.

Terwijl hij daar liep, kwam de oude leidstergans naar hem toe en vroeg,
of hij iets te eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, zei hij,
en toen probeerde ze hem te helpen. Noten kon zij ook niet vinden,
maar ze ontdekte een paar rozebottels, die aan een wilde rozestruik
hingen. De jongen at ze met graagte op, maar hij dacht ondertusschen
wat Moeder er wel van zeggen zou, als ze wist, dat hij nu van rauwe
visch en overwinterde rozebottels leefde.

Toen de wilde ganzen eindelijk genoeg gegeten hadden, trokken ze weer
naar het meer, en daar vermaakten ze zich en speelden tot tegen den
middag. De ganzen daagden den witten ganzerik uit tot een wedstrijd in
alle mogelijke lichaamsoefeningen en spelen. Ze zwommen, sprongen en
vlogen om het hardst met hem, de groote tamme gans deed zijn best,
maar hij werd aldoor overwonnen door de vlugge, wilde ganzen. De
jongen zat aldoor op den rug van den ganzerik en moedigde hem aan,
en had evenveel pret als de anderen. 't Was een geschreeuw en een
gelach en gekakel, dat het een wonder was, dat de bewoners van het
kasteel hen niet hoorden.

Toen de wilde ganzen het spelen moe waren, vlogen ze naar het ijs en
rustten een paar uur. Den namiddag brachten ze bijna op dezelfde manier
door. Eerst een paar uur eten, dan baden en spelen in 't water aan den
kant van het ijs tot zonsondergang. Toen moesten ze gauw gaan slapen.

"Dat zou nu juist een leventje voor mij zijn," dacht de jongen,
toen hij onder den vleugel van den ganzerik kroop. "Maar morgen zal
ik wel naar huis gestuurd worden."

Eer hij insliep, lag hij er aan te denken, dat hij, als hij met
de wilde ganzen meê mocht, van alle standjes over zijn luiheid af
was. Dan mocht bij den heelen dag luieren, en zijn eenige zorg zou
zijn, dat hij moest zien iets te eten te krijgen. Maar hij had nu
zoo weinig noodig, dat dit wel terecht zou komen.

En dan dacht hij aan alles, wat hij te zien zou krijgen, en aan alle
avonturen, die hij meemaken zou. Ja, dat werd heel wat anders dan al
dat zwoegen en sjouwen thuis.

"Als ik maar met de wilde ganzen meê op reis mocht, dan zou ik er
niet bedroefd om wezen, dat ik betooverd ben," dacht hij.

Hij was alleen maar bang, dat hij naar huis zou worden gestuurd;
maar ook 's Woensdags zeiden de ganzen er niets van, dat hij weg
moest. Die dag ging op dezelfde manier voorbij als de Dinsdag, en
de jongen vond het leven in de wildernis steeds prettiger. Het was,
alsof hij het eenzame park bij Övedklooster, dat zoo groot was als
een bosch, voor zich alleen had, en hij verlangde niet terug naar
het enge kamertje en de akkertjes thuis.

Dien Woensdag dacht hij, dat de wilde ganzen van plan waren hem bij
zich te houden, maar Donderdag daarop gaf hij die hoop weer op.

De Donderdag begon op dezelfde manier als de andere dagen. De ganzen
weidden op de groote velden, en de jongen zocht naar voedsel in het
park. Na een poosje kwam Akka bij hem en vroeg, of hij al iets te
eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, en toen zocht ze een droog
komijnenplantje voor hem, dat al zijn vruchtjes nog had.

Toen de jongen gegeten had, zei Akka, dat ze vond, dat hij al te
onvoorzichtig in het park rondliep. Ze zou wel eens willen weten,
of hij wist hoeveel vijanden hij had, waar hij voor oppassen moest,
hij, die zoo klein was. Neen, dat wist hij heelemaal niet, en nu
begon Akka ze voor hem op te noemen.

Als hij in het park liep, zei ze, moest hij oppassen voor den vos en
den marter; als hij aan 't strand kwam, moest hij om de otters denken;
als hij op het steenen plaatsje zat, moest hij den wezel niet vergeten,
die door het kleinste gaatje kruipen kon; als hij zou willen slapen
in een hoopje dorre bladen, moest hij eerst onderzoeken, of niet een
adder ook daar zijn winterslaap deed. Zoodra hij op 't open veld kwam,
moest hij den havik en den kievit, den arend en den valk in 't oog
houden, die hoog boven in de lucht zweefden. In de notenhaag kon hem
de sperwer vangen. Eksters en kraaien waren overal, en die moest hij
niet te veel vertrouwen, en zoodra de schemering inviel, moest hij
de ooren spitsen om te luisteren naar de groote uilen, die zoo stil
voortvlogen, dat ze vlak bij hem konden komen, eer hij het merkte.

Toen de jongen hoorde, dat er zóóvelen waren, die hem naar het leven
stonden, begreep hij wel, dat het volkomen onmogelijk was, dat hij
het kon behouden. Hij was niet zoo heel bang om dood te gaan, maar
hij vond het niet prettig om opgegeten te worden, en daarom vroeg
hij Akka wat hij doen moest om zich tegen de roofdieren te beschermen.

Akka antwoordde dadelijk, dat de jongen moest probeeren goede vrienden
te worden met de kleine dieren in 't bosch en op 't veld; met de
eekhoorns en de hazen, met vinken en meezen en leeuweriken. Als hij hun
goede vriend was geworden, konden zij hem voor gevaren waarschuwen, hem
schuilplaatsen bezorgen, en in hoogen nood konden ze zich vereenigen
en hem verdedigen.

Maar toen de jongen later op den dag dien raad wilde volgen, en zich
tot Sirle, den eekhoorn, wendde om hem om hulp te vragen, bleek het,
dat deze hem niet wilde helpen.

"Van mij of van de andere kleine dieren moet je niets goeds
verwachten," zei Sirle. "Meen je, dat wij niet weten, dat jij Niels,
de ganzenjongen, bent, die verleden jaar zwaluwnestjes vernielde,
spreeuweneieren kapot gooide, jonge kraaien in de mergelgroeve smeet,
lijsters in strikken ving en eekhoorns in de kooi zette? Jij moet
jezelf maar helpen, zoo goed je kunt, en wees maar blij, dat wij ons
niet tegen jou vereenigen en je terug jagen naar je familie."

Dat was nu juist een antwoord, dat de jongen vroeger niet ongestraft
zou gelaten hebben, als hij nog Niels, de ganzenjongen, was geweest,
maar nu was hij alleen bang, dat ook de wilde ganzen zouden hooren,
hoe ondeugend hij kon wezen. Hij was zóó bang geweest, dat hij niet
bij de wilde ganzen zou mogen blijven, dat hij zich ook niet aan het
kleinste kattekwaad had durven wagen, sinds hij met hen in gezelschap
was gekomen. 't Was wel waar, dat hij niet zóóveel kwaad had kunnen
doen, nu hij zóó klein was, maar hij kon toch nog veel vogelnestjes
hebben uitgehaald, en veel eieren stukgegooid, als hij daar lust in
had gehad. Nu had hij zich voortdurend goed gedragen, hij had geen
enkel veertje uit een ganzevleugel getrokken, nooit een onbeleefd
antwoord gegeven, en iederen morgen, als hij Akka had goedenmorgen
gezegd, had hij de muts afgenomen en een buiging gemaakt.

Den heelen Donderdag liep hij er over te denken, dat de wilde ganzen
hem zeker niet meê naar Lapland wilden nemen om zijn ondeugendheid. En
toen hij tegen den avond hoorde, dat de vrouw van Sirle, den eekhoorn,
was geroofd en haar kinderen op het punt waren dood te hongeren,
besloot hij hen te helpen, en wij hebben al gehoord hoe goed hem
dat gelukte.

Toen de jongen Vrijdags in het park kwam, zongen de bergvinken in
iedere struik, hoe de vrouw van Sirle, den eekhoorn, door wreede
roovers van haar teere jongen was weggevoerd, en hoe Niels, de
ganzenjongen, zich onder de menschen had gewaagd, en haar de kleine
eekhoorntjes gebracht had.

"Wie is nu zoo gevierd in 't park van Övedklooster als
Duimelot?" zongen de vinken, "hij, dien allen vreesden, toen hij nog
Niels, de ganzenjongen, was. Sirle, de eekhoorn, zal hem noten geven,
de arme hazen zullen met hem spelen, de reeën zullen hem op den rug
nemen en met hem vluchten, als Smirre, de vos, er aankomt, de meezen
zullen hem beschermen voor den sperwer, en vinken en leeuweriken
zullen van zijn heldendaad zingen."

De jongen was er vast van overtuigd, dat Akka en de wilde ganzen dit
alles hoorden, maar toch ging de heele Vrijdag voorbij, zonder dat
ze er iets van zeiden, dat hij bij hen blijven mocht.

Heel tot Zaterdag toe mochten de ganzen op de weiden om Öved grazen,
zonder door Smirre, den vos, te worden gestoord. Maar toen zij
Zaterdagmorgen op het veld kwamen, lag hij daar op den loer, en
vervolgde hen van de eene weide naar de andere, zoodat zij niets te
eten kregen. Toen Akka begreep, dat hij niet van plan was hen met rust
te laten, nam zij vlug een besluit, verhief zich hoog in de lucht,
en vloog met den heelen troep verscheiden mijlen ver over de vlakke
velden van Färs en de met jeneverbessen begroeide heuvels van den
bergrug van Linderöd. En ze daalden niet neer, voor ze in de buurt
van Vittskövle kwamen.

Maar daar werd de ganzerik gestolen, zooals we al verteld hebben. En
als de jongen niet alle kracht had ingespannen om hem te helpen,
was hij nooit weer terecht gekomen.

Toen de jongen met den ganzerik dien Zaterdagavond bij het Vombmeer
terug kwam, vond hij, dat hij een goed dagwerk had gedaan, en hij was
er nieuwsgierig naar, wat Akka en de wilde ganzen zouden zeggen. En
zij waren in 't geheel niet spaarzaam met hun lof, maar ze zeiden niet,
wat hij zoo verlangde te hooren.

Zoo werd het weer Zondag. Een heele week was nu voorbij gegaan,
sinds hij betooverd was, en nog steeds was hij even klein.

Maar het scheen, dat hij er niet hard om treurde. Dien Zondagmiddag
zat hij in een grooten, weelderig groeienden wilgestruik bij den kant
van het meer, en blies op een rietfluitje. Om hem heen zaten zooveel
meezen en vinken en spreeuwen, als de struik maar houden kon. En
ze kwinkeleerden liedjes, die hij probeerde na te spelen. Maar de
jongen was niet heel bedreven in de kunst. Hij blies zóó valsch,
dat de veeren bij al zijn kleine leermeesters te berge rezen, en
dat ze van wanhoop schreeuwden en fladderden. De jongen lachte zoo
hartelijk om hun opgewondenheid, dat hij zijn fluit liet vallen.

Hij begon weer van voren af aan, en 't ging even slecht, en alle
vogeltjes jammerden: "Vandaag speel je slechter dan gewoonlijk,
Duimelot. Je fluit niet één zuiveren toon. Waar zijn toch je gedachten,
Duimelot?"

"Ze zijn ergens anders," zei de jongen, en dat was waar. Hij zat er
aan te denken, hoe lang hij nog bij de wilde ganzen zou mogen blijven,
en of hij misschien al dezen dag naar huis zou worden gestuurd.

Op eens gooide de jongen de fluit weg, en sprong uit de struik op
den grond. Hij zag Akka en alle ganzen op zich toe komen in een
lange rij. Zij liepen zóó geweldig langzaam en plechtig, dat de
jongen dadelijk meende te begrijpen, dat hij nu zou te weten komen,
wat ze met hem voor hadden.

Toen ze eindelijk stilstonden, zei Akka: "Je hebt alle reden gehad je
over mij te verbazen, Duimelot, omdat ik je er niet eens voor bedankt
heb, dat je me uit de klauwen van Smirre, den vos, redde. Maar ik
dank liever met daden dan met woorden. En nu geloof ik, Duimelot,
dat het me gelukt is je een grooten dienst te bewijzen. Ik heb een
boodschap gestuurd aan den kabouter, die je heeft betooverd. In 't
begin wou hij er niet van hooren om je weer beter te maken, maar ik
heb hem de eene boodschap na de andere gestuurd, en hem laten zeggen,
hoe goed je je bij ons gedragen hebt. Hij laat je nu groeten en zeggen,
dat je, zoodra je weer thuiskomt, weer een mensch mag worden."

Maar stel je nu voor! Even blij als de jongen geweest was, toen
de wilde gans begon te spreken, even bedroefd was hij, toen ze
uitgesproken had. Hij zei geen woord, maar keerde zich om, en begon
te schreien.

"Wat in de wereld is dat nu?" zei Akka. "Het lijkt wel of je meer
van me hebt verwacht, dan ik je nu aanbied."

Maar de jongen dacht aan zorgelooze dagen en vroolijke grapjes,
aan avonturen en vrijheid, en tochten hoog boven de aarde, die hij
misloopen zou, en hij huilde hardop van droefheid.

"Ik geef er niet om, of ik een mensch word!" zei hij. "Ik wil met u
meê naar Lapland."

"Ik moet je wat zeggen," zei Akka. "Die kabouter is heel
lichtgeraakt. En ik ben bang, dat als je nu zijn aanbod niet aanneemt,
het je moeilijk vallen zal er hem later weer toe te bewegen een mensch
van je te maken."

Dat was nu vreemd van dien jongen: zoolang hij had geleefd, had
hij van niemand gehouden. Hij hield niet van zijn vader of moeder,
niet van den meester, niet van zijn kameraden, niet van de jongens in
de buurt. Alles wat die wilden, dat hij doen zou, spelen of werken,
had hij altijd vervelend gevonden. Daarom was er nu niemand, die hij
miste of naar wien hij verlangde. De eenige, met wie hij het wel
had kunnen vinden was Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads,
een paar kinderen, die net als hij, ganzen hoedden. Maar echt van
hen houden deed hij ook niet. Neen, heelemaal niet.

"Ik wil geen mensch worden," snikte de jongen. "Ik wil met u meê naar
Lapland. Daarom ben ik een heele week zoet geweest!"

"Ik wil je niet beletten met ons meê te gaan," zei Akka, "zoover je
maar wilt. Maar denk er nu nog eens over, of je niet liever naar huis
wilt. Je kunt er later zoo'n spijt van hebben."

"Neen," zei de jongen, "er is niets om spijt van te hebben. Ik heb
het nooit zoo prettig gehad, als hier bij u."

"Nu, dan zullen we doen, wat je wilt," zei Akka.

"Dank u," zei de jongen, en voelde zich zóó gelukkig, dat hij schreide
en weende van blijdschap, zooals hij eerst van verdriet had geschreid.



IV.

'T HUIS GLIMMINGEN.


ZWARTE EN GRIJZE RATTEN.


In 't zuidoosten van Skaane, niet ver van de zee, ligt een oud kasteel,
dat "'t Huis Glimmingen" heet. Dat bestaat uit één enkel hoog, groot
en sterk steenen gebouw, dat mijlen ver over het vlakke veld te zien
is. 't Is maar drie verdiepingen hoog, maar 't is zoo geweldig groot,
dat een gewoon huis, dat op hetzelfde landgoed staat, er uitziet als
een stukje kinderspeelgoed.

Het groote steenen huis heeft zulke zware buiten- en binnenmuren en
dakgewelven, dat er van binnen niet veel plaats is voor iets anders
dan die dikke muren. De trappen zijn smal, de portalen klein, en er
zijn maar weinig kamers. Opdat de muren goed sterk zouden blijven,
zijn er maar enkele vensters in de bovenste verdiepingen en in de
benedenste heelemaal geen. Daar zijn maar smalle lichtgaatjes. In
de oude oorlogstijden waren de menschen even blij, als ze zich
in zoo'n sterk en geweldig huis konden opsluiten, als we nu zijn,
wanneer we in den bar kouden winter in een pels kunnen kruipen; maar
toen de goede vredestijd kwam, wilden ze niet meer in de donkere,
koude steenen kamers van het oude kasteel wonen. Ze hebben al lang
het groote huis Glimmingen verlaten en zijn naar woningen verhuisd,
die zoo zijn ingericht, dat licht en lucht er binnen kunnen komen.

In den tijd, dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondzwierf,
waren er dus geen menschen in 't huis Glimmingen, maar daarom waren
er toch inwoners genoeg. Op het dak woonden iederen zomer een paar
ooievaars in een groot nest; op den zolder leefden een paar katuilen;
in de verborgen gangen hingen vleermuizen, in den haard in de keuken
woonde een oude kat, en beneden in den kelder, waren eenige honderden
van het oude geslacht zwarte ratten.

Ratten waren juist niet gezien bij de andere dieren; maar de zwarte
ratten op 't huis Glimmingen maakten daar een uitzondering op. Er werd
altijd met achting over hen gesproken, omdat zij zoo dapper waren
geweest in den strijd met hun vijanden, en omdat ze zoo flink waren
geweest onder de groote ongelukken, die over hun volk waren gekomen.

Zij behoorden namelijk tot een rattenvolk, dat eens talrijk en machtig
was geweest, maar nu langzamerhand uitstierf. Jaren lang hadden de
zwarte ratten Skaane en 't geheele land in bezit gehad. Zij waren in
iederen kelder, op iederen zolder, in schuren en op dorschvloeren, in
provisiekamers en bakkerijen, in koe- en paardenstallen, in kerken en
kasteelen, in branderijen en molens, in alle gebouwen door menschen
opgetrokken; maar nu waren ze bijna overal uit verdreven en bijna
uitgeroeid. Alleen nog op een of andere ouderwetsche, eenzame hoeve
kon men er enkele ontmoeten, en nergens vond men ze in zoo grooten
getale als op 't huis Glimmingen.

Als een dierenvolk uitsterft, hebben meestal de menschen daar schuld
aan; maar dat was nu niet het geval. Wel hadden de menschen met
de zwarte ratten gestreden, maar zij hadden hun geen noemenswaarde
schade kunnen doen. Zij, die ze overwonnen hadden, behoorden tot een
volk van hun eigen stam: de grijze ratten genaamd.

Die grijze ratten hadden niet, zooals de zwarte ratten, sinds
oeroude tijden het land bewoond. Zij stamden af van een paar
arme landverhuizers, die zoowat een honderd jaar geleden in
Malmö aan land kwamen met een boot uit Lubeck. 't Waren daklooze,
uitgehongerde stumpers, die in de haven zelf hun verblijf hielden,
tusschen de steigers rondzwommen, en het afval aten, dat in het water
werd geworpen. Zij waagden zich nooit in de stad, die aan de zwarte
ratten toebehoorde.

Maar zoo langzamerhand, toen de grijze ratten in aantal toenamen,
werden ze moediger. Om te beginnen betrokken ze een paar verlaten
en onbewoonbaar verklaarde oude huizen, die de zwarte ratten hadden
verlaten. Zij zochten hun voedsel in de gootsteenen en op mesthoopen,
en namen voor lief allen rommel, die de zwarte ratten niet meer wilden
hebben. Ze waren standvastig, met weinig tevreden en onvervaard,
en in weinig jaren waren ze zoo machtig, dat ze zich voornamen de
zwarte ratten uit Malmö te verjagen. Ze namen hun zolders, kelders
en magazijnen af; hongerden ze uit of beten ze dood, want ze waren in
't geheel niet bang voor den strijd.

En toen Malmö was ingenomen, trokken ze voort in kleine en groote
troepen om het geheele land te veroveren. 't Is bijna onbegrijpelijk,
waarom de zwarte ratten zich niet bij elkaar voegden, en een
grooten gezamenlijken veldtocht op touw zetten om de grijze ratten
te vernietigen, toen er nog maar weinig waren. Maar de zwarte waren
zeker zóó overtuigd van hun macht, dat ze niet konden gelooven, dat het
mogelijk was die te verliezen. Ze leefden stil op hun bezittingen, en
intusschen namen de grijze ratten hun het eene landgoed na 't andere,
het eene dorp na het andere, de eene stad na de andere af. Ze werden
uitgehongerd, verdrongen, uitgeroeid. In Skaane hadden ze zich nergens
kunnen staande houden dan op het huis Glimmingen.

Het oude steenen huis had zulke vaste muren, en er waren zoo weinig
rattengangen daar door heen, dat het den zwarten ratten gelukt
was het te behouden en den grijzen ratten te beletten er binnen te
dringen. Jaar in jaar uit, nacht na nacht was er oorlog gevoerd met
aanvallen en verdediging, maar de zwarte ratten hielden trouw de wacht,
en vochten met de grootste doodsverachting, en dank zij dat heerlijke
oude huis, hadden ze nog altijd overwonnen.

't Moet gezegd worden, dat zoolang de zwarte ratten de macht in handen
hadden, ze door alle andere levende wezens even erg verafschuwd werden
als de grijze ratten nu, en met recht. Ze hadden arme gevederde
gevangenen overvallen, en hen gepijnigd, ze hadden zich aan lijken
te goed gedaan, zij hadden de laatste rapen uit de kelders der armen
gestolen, de pooten van slapende ganzen afgebeten, eieren en kleine,
donzige kuikentjes van de kippen weggeroofd, en duizenden misdaden
begaan, maar sinds ze in het ongeluk waren geraakt, scheen dit alles
vergeten te zijn, en ieder moest wel de laatsten van hun geslacht
bewonderen, zóó lang als zij het uitgehouden hadden in den strijd
tegen hun vijanden.

De grijze ratten, die op de plaats Glimmingen en in de omgeving
woonden, zetten steeds den strijd voort, en trachtten elke
toevallige gelegenheid te gebruiken om zich van het kasteel meester
te maken. Men zou meenen, dat ze dat kleine troepje zwarte ratten het
kasteel Glimmingen in vrede hadden kunnen laten houden, nu ze zelf
het heele verdere land gewonnen hadden, maar daar dachten ze niet
aan. Ze zeiden gewoonlijk, dat het een zaak van eer voor hen was,
eens de zwarte ratten te overwinnen, maar zij, die de grijze ratten
kenden, wisten wel, dat het alleen was, omdat de menschen het huis
Glimmingen als korenmagazijn gebruikten, dat zij geen rust hadden,
vóór zij het hadden ingenomen.



DE OOIEVAAR.


Op een morgen werden de wilde ganzen, die op het ijs in 't Vombmeer
stonden te slapen, vroeg gewekt door luid geroep boven in de lucht:
"Trirop! Trirop!" klonk het.

"Trianut, de kraanvogel, laat Akka, de wilde gans en haar troep
groeten. Morgen zal de groote kraanvogeldans op den berg Kulla
plaats hebben!"

Akka strekte dadelijk den kop omhoog, en antwoordde: "Dank je wel! Veel
groeten! Dank je wel! Veel groeten."

Daarop vlogen de kraanvogels verder, maar de wilde ganzen hoorden ze
nog lang, terwijl ze voortvlogen, roepen over ieder veld en iederen
boschrijken heuvel: "Trianut laat u groeten. Morgen heeft de groote
kraanvogeldans op den berg Kulla plaats!"

De wilde ganzen waren heel blij met die boodschap.

"Je treft het!" zeiden ze tegen den witten ganzerik, "dat je meê
moogt naar den grooten kraanvogeldans."

"Is 't dan zooiets bizonders de kraanvogels te zien dansen?" vroeg
de ganzerik.

"Dat is iets, waarvan je zelfs nooit hebt kunnen droomen," antwoordden
de wilde ganzen.

"Nu moeten we er over denken, wat we morgen met Duimelot zullen
doen, zoodat hij geen ongeluk krijgt, terwijl wij op de Kulla zijn,"
zei Akka.

"Duimelot zal hier niet alleen achterblijven," zei de ganzerik. "Als
de kraanvogels niet willen hebben, dat hij hen ziet dansen, blijf ik
hier bij hem."

"Nog nooit is een mensch bij de groote dierenvergadering op de Kulla
geweest," zei Akka, "en ik durf Duimelot niet meê te nemen! Maar daar
kunnen wij vandaag nog wel eens over praten. Nu moeten we allereerst
iets te eten zien te krijgen."

Akka gaf toen het teeken tot vertrekken. Ook toen zocht ze haar weide
ver weg, om den vos, en daalde niet neer, voor ze op de moerassige
velden, ten zuiden van het huis Glimmingen kwam.

Dien heelen dag zat de jongen aan den kant van een plasje, en blies
op zijn rieten fluitje. Hij was uit zijn humeur, omdat hij den
kraanvogeldans niet zien mocht, en kon het niet over zich verkrijgen
een woord tegen den ganzerik of een van de anderen te spreken.

't Was toch wel hard, dat Akka hem nog niet vertrouwde. Als een jongen
had afgeslagen een mensch te worden, om met een paar arme wilde ganzen
rond te trekken, dan kon men toch wel begrijpen, dat hij geen lust
had hen te verraden. En ze moesten toch ook begrijpen, dat, als hij
zooveel had opgeofferd om met hen meê te mogen, het toch ook hun plicht
was hem al het merkwaardige te laten zien, wat ze maar konden vinden.

"Ik zal hun wel eens zeggen, hoe ik er over denk," dacht hij. Maar
het eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij er toe kwam
dat te doen. 't Lijkt misschien vreemd, maar de jongen had wezenlijk
een soort ontzag voor de oude leidstergans. Hij voelde, dat het niet
gemakkelijk was zich tegen haar wil te verzetten.

Aan de eene zijde van het moerassige veld, waar de wilde ganzen
graasden, lag een breede steenen plaats. En nu gebeurde het, dat
de jongen tegen den avond het hoofd ophief om eindelijk met Akka te
spreken, en dat zijn oog op de plaats viel. Hij deed een uitroep van
verbazing, en alle ganzen keken dadelijk op, en begonnen denzelfden
kant uit te zien als hij. Op het eerste oogenblik dachten zij--en
de jongen ook--dat alle grijze baksteenen, waaruit de vloer van de
plaats bestond, pootjes hadden gekregen, en begonnen te springen,
maar al gauw zagen ze, dat het een troep ratten was, die er over heen
liepen. Ze bewogen zich heel snel, en sprongen voort, dicht op elkaar
gepakt, rij aan rij, en er waren zoovele, dat ze een langen tijd de
heele plaats bedekten.

De jongen was altijd bang voor ratten geweest, ook toen hij nog een
groot en sterk mensch was. En hoe zou hij het dan nu niet zijn, nu
hij zoo klein was, dat twee of drie van hen hem al de baas waren? De
eene rilling na de andere ging over zijn rug, terwijl hij daar naar
hen stond te kijken.

Maar 't was vreemd, dat de ganzen denzelfden afschuw van ratten schenen
te hebben als hij. Ze spraken niet tegen hen, en toen ze voorbij waren,
schudden ze zich, alsof ze modder op de veeren hadden gekregen.

"Zooveel grijze ratten aan 't wandelen! Dat is geen goed teeken,"
zei Yksi van Vassijaure.

Nu wou de jongen de gelegenheid waarnemen om Akka te zeggen, dat hij
vond, dat ze hem meê moest laten gaan naar de Kulla; maar hij werd
daar weer in verhinderd, doordat een groote vogel haastig neerdaalde
tusschen de ganzen.

Als men dien vogel zag, zou men kunnen meenen, dat hij het lichaam,
den hals en den kop van een kleine witte gans had geleend. Maar daarbij
had hij zich groote, zwarte vleugels aangeschaft, hooge roode pooten
en een langen, dikken snavel, die te groot was voor den kleinen kop,
en dien neertrok, zoodat het dier er bekommerd en bedroefd uitzag.

Akka legde gauw zijn vleugeldekveeren terecht, en boog verscheiden
malen den hals, terwijl zij den ooievaar tegemoet ging. Ze was niet
heel verbaasd hem zóó vroeg in het voorjaar in Skaane te zien, omdat
zij wist, dat de mannetjes-ooievaars gewoonlijk vroeg daarheen komen,
om na te zien of hun nest geen schade geleden had in den winter,
vóór de vrouwtjes-ooievaars zich de moeite geven over de Oostzee
te vliegen. Maar ze vroeg zich heel verwonderd af, wat dit kon
beteekenen, dat hij haar opzocht, omdat ooievaars het liefst met hun
eigen stamgenooten omgaan.

"Ik hoop niet, dat er iets niet in orde is met uw huis, Mijnheer
Ermerik," zei Akka.

Toen bleek het, dat 't waar is, wat men zegt, dat een ooievaar zelden
zijn snavel opent, als het niet is om te klagen. Wat nu maakte, dat,
wat de ooievaar zei, nog treuriger klonk, was dat hij zoo moeielijk
sprak. Hij stond een heele poos niets te doen dan te klepperen,
en sprak toen met een heesche en zachte stem. Hij beklaagde zich
toen over alles en nog wat: het nest, dat boven op het dak van het
huis Glimmingen lag, was heelemaal bedorven door de winterstormen,
en hij kon nu geen eten meer vinden in Skaane. De Skaaners hadden
hem nu bijna al zijn bezittingen afgenomen. Ze legden dijken om zijn
natte velden, en bebouwden zijn moerassen. Hij was van plan uit dit
land weg te gaan en nooit meer weerom te komen.

Terwijl de ooievaar zoo klaagde, kon Akka, de wilde gans, die nergens
vriendelijkheid of bescherming vond, niet laten te denken: "Als ik
het zoo goed had als u, Mijnheer Ermerik, zou ik me wel schamen te
klagen. U is een vrije, wilde vogel gebleven, en toch staat u op
zoo'n goeden voet met de menschen, dat niemand op u zal schieten,
of een ei uit uw nest nemen."

Maar dat hield ze voor zich. Tegen den ooievaar zei ze alleen, dat ze
niet gelooven kon, dat hij van een huis zou weggaan, waar ooievaars
hun verblijf hadden gehouden van den tijd af, dat het gebouwd was.

Toen vroeg de ooievaar snel, of Akka de grijze ratten had gezien,
die op weg waren naar het Glimmingehuis, en toen Akka antwoordde,
dat zij dat ongedierte gezien had, begon hij te vertellen van de
dappere zwarte ratten, die jarenlang het kasteel verdedigd hadden.

"Maar van nacht zal het huis Glimmingen in handen van de grijze ratten
vallen," zei de ooievaar zuchtend.

"Waarom juist van nacht, Mijnheer Ermerik?" vroeg Akka.

"Ja, omdat bijna alle zwarte ratten van nacht naar de Kulla zijn
getrokken," zei de ooievaar. "Ze vertrouwden er op, dat alle andere
dieren daar ook naar toe zouden gaan. Maar u ziet wel, dat de grijze
ratten thuis gebleven zijn, en nu verzamelen zij zich om 't kasteel
binnen te dringen, nu 't maar wordt verdedigd door een paar oude
stumpers, die niet meer meê naar de Kulla konden komen. Zij zullen
hun doel wel bereiken, maar ik heb nu zoolang in de buurt van de
zwarte ratten gewoond, dat ik er geen pleizier in heb op dezelfde
plaats met hun vijanden te wonen."

Nu begreep Akka, dat de ooievaar zich zoo geërgerd had over de
handelwijze der grijze ratten, dat hij haar had opgezocht om er zich
over te beklagen. Maar op de gewone ooievaarsmanier had hij stellig
niets gedaan om het ongeluk te voorkomen.

"Hebt u een boodschap naar de zwarte ratten gestuurd, Mijnheer
Ermerik," vroeg zij.

"Neen," zei de ooievaar. "Dat zou niets geven. Voor ze hier terug zijn,
is het kasteel al ingenomen.

"Daar moet u niet zoo vast op rekenen, Mijnheer Ermerik," zei Akka. "Ik
ken een oude wilde gans, die zoo'n schurkestreek graag zou beletten."

Toen Akka dit zei, hief de ooievaar het hoofd op en zag haar met
groote oogen aan. En dat was immers geen wonder, want de oude Akka had
geen klauwen en geen scherpen snavel, die in den strijd dienst konden
doen. En bovendien was zij een dagvogel, en zoodra het donker werd,
viel ze altijd in slaap. En de ratten vochten juist altijd 's nachts.

Maar Akka was blijkbaar van plan de zwarte ratten bij te staan. Ze
riep Yksi van Vassijaure, en beval haar de ganzen naar het Vombmeer
te voeren, en toen de gans bezwaren maakte, zei ze kortaf en op een
toon van gezag:

"Ik geloof, dat het voor ons allen het beste is, dat je doet, wat ik
zeg. Ik moet naar het groote steenen huis, en als jelui meêgaan, dan
zien natuurlijk de menschen daar ons, en schieten ons dood. De eenige,
dien ik op deze reis meenemen wil, is Duimelot. Hij kan me van groot
nut zijn, want hij heeft goede oogen, en kan 's nachts wakker blijven."

De jongen was dien dag in een koppige bui, en toen hij hoorde, wat Akka
zei, rekte hij zich uit om zoo groot te zijn, als hij maar kon, en deed
een stap vooruit met de handen op den rug en den neus in de lucht,
om te zeggen, dat hij niet van plan was meê te doen in het gevecht
tegen de grijze ratten. Ze moest maar zien andere hulp te krijgen.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen voor den dag kwam,
begon er leven in den ooievaar te komen. Tot nu toe had hij op
ooievaarsmanier met gebogen hoofd gestaan, en den snavel tegen den
hals gedrukt gehouden; maar nu hoorde men een geluid diep in zijn keel,
alsof hij lachte. Bliksemsnel stak hij den snavel naar beneden, pakte
den jongen, en gooide hem een paar meter de lucht in. Dat kunststuk
herhaalde hij zevenmaal, terwijl de jongen schreeuwde en Akka riep:
"Wat doet u toch, Mijnheer Ermerik? Dat is geen kikker! Dat is een
mensch, Mijnheer Ermerik!"

Eindelijk zette de ooievaar toch den jongen volkomen ongedeerd
neer. Toen zei hij tot Akka: "Ik vlieg nu naar 't huis Glimmingen
terug, Moeder Akka. Allen, die daar wonen, waren heel angstig, toen ik
heenging. U kunt er zeker van zijn, dat ze heel blij zullen zijn, als
ik hun vertel, dat Akka, de wilde gans, en Duimelot, de menschendwerg,
komen om hen te redden."

Met die woorden strekte de ooievaar den hals uit, sloeg met de
vleugels, en vloog weg als een pijl uit een sterk gespannen boog. Akka
begreep, dat hij haar voor den gek hield, maar dat trok ze zich
heelemaal niet aan. Ze wachtte tot de jongen zijn klompjes gevonden
had, die de ooievaar van hem had afgeschud. En toen zette ze hem op
haar rug, en volgde den ooievaar. En de jongen verzette er zich niet
tegen, en sprak er geen woord over, dat hij niet meê wilde. Hij was zoo
boos op den ooievaar, dat hij bijna zat te brieschen. Die leelijke,
lange roodpoot dacht, dat hij nergens voor deugde, omdat hij klein
was, maar hij zou hem wel toonen, wat Niels Holgersson van Wester
Vemmenhög voor een flinke baas was.

Een oogenblik later stond Akka in het ooievaarsnest, op het huis
Glimmingen. 't Was een prachtige, groote woning. Als onderlaag had het
een wiel, en daarover lagen verscheidene lagen takken en zoden. De
woning was zoo oud, dat allerlei struiken en planten wortel hadden
geschoten, en als de ooievaarsmoeder zat te broeden, had zij niet
alleen een heerlijk uitzicht op en over een groot gedeelte van Skaane
om van te genieten, maar ze had ook wilde rozen en huislook om naar
te kijken.

De jongen en Akka konden al gauw merken, dat hier iets gaande was,
dat alles in de war bracht. Op den rand van het ooievaarsnest zaten
twee katuilen, een oude grijsgestreepte kat en een dozijn stokoude
ratten, met scheefgegroeide tanden en loopende oogen. Dat waren nu
juist geen dieren, die men gewend was vredig bijeen te zien.

Geen van hen bewoog zich om Akka aan te zien, of om haar welkom te
heeten. Ze dachten aan niets anders dan aan een paar lange, grijze
lijnen, die hier en daar flauw te onderscheiden waren op de rotsen,
die kaal en naakt waren door den winter; ze zaten er onafgebroken op
te staren.

Alle zwarte ratten zwegen. Men kon hen aanzien, dat ze diep wanhopig
waren, en 't wel wisten, dat ze noch hun eigen leven, noch het kasteel
konden verdedigen. De beide uilen rolden hun groote oogen heen en weer,
trokken met de oogleden, en spraken met booze, scherpe stemmen over de
groote wreedheid van de grijze ratten, en dat ze om hen uit hun nest
weg moesten, want dat ze gehoord hadden, dat ze eieren, noch donzige
jongen spaarden. De oude gestreepte kat was er van overtuigd, dat de
grijze ratten haar zouden dood bijten, als er zóóvele in het kasteel
kwamen, en zij bromde onophoudelijk op de zwarte ratten. "Hoe kon
jelui zoo dom zijn, en je beste soldaten weg laten gaan?" zei zij. "Hoe
kon jelui op de grijze ratten vertrouwen? 't Is onbegrijpelijk."

De twaalf zwarte ratten antwoordden niet, maar de ooievaar kon
niettegenstaande zijn droefheid niet laten gekscherend tegen de kat te
praten: "Wees maar niet bang, Mono, huiskat!" zei hij: "Zie je niet,
dat Moeder Akka en Duimelot hier zijn gekomen om het slot te redden. Ge
kunt er zeker van zijn, dat hun dat gelukt. Nu moet ik gaan slapen,
en ik doe dat met een gerust hart. Morgen, als ik wakker word, is er
stellig geen enkele grijze rat meer in 't Glimmingehuis."

De jongen knipoogde tegen Akka, en beduidde haar, dat hij den ooievaar
op den grond wilde gooien, terwijl die zich gereed maakte om te
gaan slapen op den buitensten kant van het nest, met het eene been
opgetrokken; maar Akka belette hem dat. Zij zag er in 't geheel niet
gekwetst uit. Ze zei alleen heel vergenoegd: "'t Zou wel erg zijn als
iemand, die zoo oud is als ik, zich niet uit grooter moeilijkheid
zou kunnen redden, dan deze. Als maar de uileman en de uilevrouw,
die den heelen nacht wakker kunnen blijven, een paar boodschappen voor
mijn rekening willen doen, dan denk ik wel, dat alles goed zal gaan."

Dat wilden de beide katuilen wel, en Akka vroeg toen den uileman, of
hij de zwarte ratten, die vertrokken waren, weer opzoeken wou, en hun
aanraden zoo spoedig mogelijk weer thuis te komen. De uilevrouw zond
ze naar Flammea, de torenuil, die in de domkerk te Lund woonde, met
een zoo geheimzinnige boodschap, dat Akka haar die alleen fluisterend
durfde toevertrouwen.



DE RATTENVANGER.


Het liep tegen middernacht, toen de grijze ratten na lang zoeken een
kelderluik vonden, dat open stond. Dat zat vrij hoog in een muur;
maar de ratten gingen op elkaars schouders staan, en het duurde niet
lang, voor de moedigste onder hen in het luik zat, klaar om in 't
huis Glimmingen binnen te dringen; buiten de muren van dat kasteel,
waarvoor zóóveel van zijn voorvaderen gevallen waren.

De grijze rat zat een poosje heel stil in het luik te wachten, of
hij ook aangevallen werd. De hoofdtroepen van de verdedigers waren nu
wel weg, maar hij nam aan, dat de zwarte ratten, die in het kasteel
waren achtergebleven, zich niet zonder strijd zouden overgeven. Met
een kloppend hart luisterde hij naar het minste gedruisch, maar alles
bleef doodstil. Toen vatte de aanvoerder der grijze ratten moed,
en sprong naar beneden in den kouden, donkeren kelder.

De eene grijze rat na de andere volgde den aanvoerder. Allen waren
heel stil, en allen verwachtten, dat de zwarte ratten zich verweren
zouden. Niet vóór er zóóvele in den kelder waren binnengedrongen, dat
er niet meer op den vloer konden staan, waagden zij het verder te gaan.

Hoewel ze nooit te voren in het gebouw waren geweest, viel het
hun toch niet moeilijk den weg te vinden. Zij ontdekten al gauw
de loopgraven in den muur, die de zwarte ratten gebruikt hadden om
in de bovenste verdiepingen te komen. Maar vóór dat ze die smalle,
steile trappen opklauterden, luisterden ze weer heel oplettend. Ze
waren veel onrustiger, doordat de zwarte ratten zich op deze manier
schuil hielden, dan ze zouden geweest zijn, als ze hun in open oorlog
tegemoet waren gekomen. Ze konden nauwelijks aan hun geluk gelooven,
toen ze zonder ongelukken in de eerste verdieping waren gekomen.

Zoodra ze daar binnenslopen, kwam hun de geur van 't koren tegemoet,
dat in groote hoopen op den vloer werd bewaard. Maar het was nog de
tijd niet om van hun overwinning te genieten. Ze doorzochten eerst met
de grootste nauwkeurigheid de donkere, kale vertrekken. Ze sprongen
op den haard, die midden op den vloer stond, in de oude keuken
van het kasteel, en ze waren bijna in den put van de binnenkeuken
gevallen. Ze sloegen geen enkele van de smalle lichtopeningen over
bij hun onderzoek, maar ze vonden nog steeds geen zwarte ratten. Toen
die verdieping dus geheel en al in hun macht was, begonnen ze even
voorzichtig de volgende te onderzoeken. Weer moesten ze een moeielijke
en gevaarlijke klauterpartij door de muren ondernemen, terwijl ze in
ademloozen angst verwachtten, dat de vijand op hen aan zou vliegen. En
hoewel de heerlijkste geuren uit de korenhoopen verlokkend tot hen
kwamen, dwongen ze er zich toe met de grootste orde de door zuilen
gesteunde bediendenkamer van de vroegere knechts te onderzoeken--hun
steenen tafel en haard, de diepe vensternissen en het gat in den vloer,
dat men er in vroeger dagen had gemaakt, om daardoor kokende pik over
een binnendringenden vijand te kunnen gieten.

Nog steeds bleven de zwarte ratten onzichtbaar. De grijze zochten
hun weg naar de derde verdieping, waar de groote feestzaal van den
burchtheer was, die even naakt en kaal stond als alle andere; ze kwamen
heel tot in de bovenste verdieping, die uit een enkele groote, leege
ruimte bestond. De eenige plaats, waar ze niet aan dachten om die te
doorzoeken, was het groote ooievaarsnest op het dak, waar juist op
dat oogenblik de uilevrouw Akka wakker maakte, en haar mededeelde,
dat Flammea, de torenuil, haar wensch had vervuld, en haar zond waar
zij om vroeg.

Toen nu de grijze ratten zoo nauwkeurig het geheele kasteel hadden
onderzocht, voelden zij zich veilig. Ze begrepen, dat de zwarte
ratten gevlucht waren, en er niet aan dachten weerstand te bieden;
en ze sprongen met een vroolijk hart naar de korenhoopen.

Maar nauwelijks hadden de grijze ratten de eerste korenkorrels
opgegeten, of beneden van de plaats klonk het scherpe geluid van
een schel fluitje. Ze hieven den kop op, luisterden onrustig, deden
een paar sprongen, alsof ze van plan waren van de korenhoopen weg te
loopen, maar keerden toen terug, en begonnen weer te eten.

Weer klonk de fluit sterk en snijdend, en nu gebeurde er iets
wonderlijks. Eén rat, twee ratten,--ja, een heele troep liep weg van
het koren. Ze sprongen uit den korenhoop, en haastten zich langs den
kortsten weg naar den kelder om uit het huis weg te komen. Toch waren
er nog heel wat grijze ratten over. Zij dachten aan al de moeite, die
't hun had gekost om in het huis Glimmingen te komen, en ze wilden
't niet verlaten. Maar de tonen van de fluit bereikten hen nog eens,
en toen moesten ze gehoorzamen. Ze stortten in wilde vaart neer uit
den korenhoop, vlogen door de nauwe gaten in de muren, en rolden over
elkaar, in hun haast om naar buiten te komen.

Midden op de plaats stond een dwergje, dat op een fluit blies. Om zich
heen had hij al een heelen kring ratten, die verbaasd en bekoord naar
hem luisterden; en ieder oogenblik kwamen er meer bij. Eens nam hij
de fluit uit den mond om een langen neus tegen de ratten te kunnen
trekken, en toen scheen het, alsof zij lust hadden op hem aan te
vliegen en hem dood te bijten, maar zoodra hij blies had hij ze in
de macht.

Toen het dwergje alle grijze ratten uit het Huis Glimmingen had
gespeeld, begon hij langzaam van de slotplaats weg en den straatweg
op te loopen, en al de grijze ratten liepen hem na, omdat de tonen
van die fluit hun zóó liefelijk in de ooren klonken, dat ze die niet
konden weerstaan.

Het dwergje liep voor hen uit, en lokte hen met zich meê naar
Valby. Hij leidde ze in alle mogelijke kringen en bochten en scherpe
hoeken door hagen en langs dijken naar beneden, en waar heen hij ging
moesten ze meê. Hij blies onophoudelijk op zijn fluit, die van hoorn
scheen gemaakt te zijn, hoewel de horen zóó klein was, dat er in onze
dagen geen dier bestaat, waar die van zou kunnen zijn. Niemand wist ook
wie dat fluitje gemaakt had. Flammea, de torenuil, had het gevonden in
een nis in den toren van de domkerk in Lund. Zij had het aan Bataki,
den kraai, laten zien, en ze hadden samen uitgevonden, dat het zoo'n
horen was, als men vroeger placht te maken, wanneer men macht over
ratten en muizen wilde krijgen. De kraai was een vriend van Akka,
en door hem was zij te weten gekomen, dat Flammea zulk een schat bezat.

En het was waar, dat de ratten die fluit niet konden weerstaan. De
jongen liep vooruit, en speelde zoolang er sterren aan den hemel waren,
en ze liepen hem al dien tijd na. Hij speelde tot de morgen aanbrak,
hij speelde tot de zon opging, en aldoor volgde de heele schaar grijze
ratten hem en werden al verder en verder van den grooten korenzolder
op het Huis Glimmingen weggelokt.



V.

DE GROOTE KRAANVOGELDANS OP DEN KULLABERG.


't Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in
Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft
als de oude Kullaberg.

De Kullaberg is laag en langwerpig. 't Is heelemaal geen hooge
of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en
akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich
ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo
bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten
in Skaane.

Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet
laten een beetje teleurgesteld te zijn.

Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den
kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij
op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet
weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo
gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen
om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen,
als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg,
om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij
den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen.

Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar
bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven,
diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten,
die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den
wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken
en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte
hellingen en zachtglooiende, met groen bekleede terrasjes. Daar zijn
kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes,
die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar
zijn statige rotspoorten, die zich over 't water welven; daar zijn
steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere,
die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar
zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten,
den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen,
tot in het hol van den Kullaberggeest.

En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich
ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind
is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen
om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over
't veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf,
en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten.

Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de
schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg
zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen
daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen,
wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar
samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik
uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen
de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren,
waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder
ander oord.

Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de
reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren,
den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet
te worden opgemerkt. Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar
de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver
van de uiterste punt van den berg.

De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die
haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in
de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen
zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de
heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben
de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op
den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het
Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande
wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte.

Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich
neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel
't een uitgemaakte zaak is, dat op een dag als deze, algemeene vrede
heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op
dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen
loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar
toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de
oude gewoonte.

Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels
uit te zien. 't Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels
zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen,
als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook
niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De
zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn.

Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar
een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En
zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund
naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen,
blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te
kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt,
stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk
valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk,
en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder
grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen
en groengele meezen.

Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat
blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en
kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en
spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en
boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit
de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil
van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als
het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet
enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot,
dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze
boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet
een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij,
die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien.

Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd
door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar
aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er
door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een
donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst
geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst
gekras. Allen, die op de speelplaats zijn, herademen, als die wolk zich
eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien,
en roeken, en raven en zaadkraaien.

Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een
menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte,
gestippelde lijnen in 't oosten en 't noordoosten. Dat zijn de
boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op
een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels,
van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven
in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in
scheeve hoeken en halve cirkels.

Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels
Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep
later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel
Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze,
zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die
urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van 't huis
Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap,
dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn,
en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen,
en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden.

Maar 't was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met
zijn groot gevolg voortliep; 't was niet Akka, die neerdaalde,
hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de
lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar
hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht,
en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo
oneerbiedig had behandeld.

Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden
goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar
oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen,
die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den
jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet
had verdiend.

"Neen, Moeder Akka," zei hij. "U moet niet denken, dat ik de grijze
ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer
Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde."

Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar,
en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den
Kullaberg te nemen. "Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als
op ons zelf," zei ze.

De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan.

"Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka,"
zei hij, "'t is een geluk, dat we hem kunnen beloonen voor alles,
wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog
spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen,
zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen."

Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen,
die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit
zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over
hem spraken.

Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug
van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was,
bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een
meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van
wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog,
met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een
massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte
in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer
wierp hij zich naar beneden met zóó'n vaart, dat het scheen, dat hij
hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte
hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka
heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was
in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger
niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou.

Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het
Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de
grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht
naar den Kullaberg.

Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd
was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop
naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens
van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen
van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit
van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte
kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich
niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht,
en zongen van blijdschap.

Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen
en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij
verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij
elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze
dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers,
die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien
zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij,
toen die voorbij was. De dieren vonden dien even somber en onzinnig
als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze
werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets,
wat hen een beetje blij kon maken.

Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien
klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een
lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of
vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met
zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder
't springen draaiden ze in 't rond, namen hooge sprongen, en sloegen
met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden
ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en
rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond,
een ander liep op de voorpooten. Er was niet de minste orde, maar er
was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren,
die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu
waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De
zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn!

Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote
boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en
met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op
de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op,
sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren
voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte
een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. "Tjek, tjek tjek,"
klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een
paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde:
"Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!" En meteen werd hij
zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde.

Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie,
die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit
hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo
ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen
en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen,
en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun
bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide,
begon zwaar en heet te worden.

"Ja zeker! Nu is het lente!" dachten alle diervolken. "De winterkoude
is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde."

Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes
hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was,
waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer op de speelplaats,
waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde
staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te
zingen: "Orr, orr, orr!"

Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen,
gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren
aan niets anders dachten dan aan 't spel van de korhoenders, heel
zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep
heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem
opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in 't oog, en omdat ze niet
gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen
doorsluipen zou, begon ze te roepen: "Pas op! Wilde ganzen, pas op!"

De vos sloeg haar over de keel, misschien wel 't meest, opdat ze
zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord,
en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den
heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek.

Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had,
kreeg Smirre zoo'n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had,
dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd
had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk
omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik,
dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag
verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis
verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen
probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd,
om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het
land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem
verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn
vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust-
en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk
beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten
zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt
van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge
vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem
bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen
achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg.

Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun
wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun
eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet
laten storen.

Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de
kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hun oorlogsspel te
laten zien. 't Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze
stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens
tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden
elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven
losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong
zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst.

Op de heuvels in 't rond was het ademloos stil, terwijl de in
't strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een
nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt
door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor
allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal
vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als
de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan,
zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle
door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat
ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was,
en ze kracht in hun eigen lichaam voelden.

Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en
dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den
anderen: "Nu komen de kraanvogels." En toen kwamen de grijze, als in
schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode
veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen,
hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over
den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden,
zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels
gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was
iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze
schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het
was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame
moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor 't eerst
op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar
den dans van de kraanvogels heette.

Er was woestheid in, maar 't gevoel, dat het wekte, was toch een zoet
verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de
gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig
hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt,
het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven
naar het bovenaardsche.

Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het
leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt
was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen.



VI.

IN DEN REGEN.


Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in
den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad,
maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen,
begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van
den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou.

Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De
wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder
haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige
in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd
gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld,
maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen
ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep:
"Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik."

Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen
afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar
ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de
schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren
van Christianstad en 't koningspaleis van Bäckaskog op de smalle
landtong tusschen 't meer van Oppmanna en 't Ivömeer, en de steile
helling van den Ryesberg.

't Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen
te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de
regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden,
dat zij grijs en vervelend waren, maar 't was heel wat anders, nu
hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige
vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen:
sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, andere met
tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en
andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende
hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze
een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had,
en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken
het water over de aarde neer te stroomen.

Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op 't veld
neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle
vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk,
en de jongen hoog van zijn plaats opsprong.

"Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente
geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen
en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is
het beste, wat er is," zongen de vogeltjes.

Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun
slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden
zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een
vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden.

Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in
de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze:
"Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nu zijn
jelui lang genoeg lui geweest."

Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen,
zeiden ze vermanend: "Waarom hebben jelui zoo'n haast? Zien jelui niet,
dat het stoeten en pannekoeken regent!"

Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden
voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te
verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich
groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: "Hier komen we met
anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we
met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar
aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!"

Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog
blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging,
werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen
om het meer van Ivö: "Hebben jelui nu nog niet haast genoeg? Hebben
jelui nu nog niet haast genoeg?"

De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed,
dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter,
sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette
buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van
regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze
verwarring, en de wegmerken waren bijna niet te zien. De tocht ging
al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou
steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de
lucht gereden had. En 's middags, toen ze neergestreken waren onder
een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar
alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren
bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had
hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen
en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en
't werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door
konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen
lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet
slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel
geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen;
hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest
ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven
zou van angst. "Als ik 't nu eens waagde naar de menschen te gaan,
voor dezen éénen nacht?" dacht de jongen. "Alleen maar zoo, dat ik
even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar
de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang."

Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond
glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen
niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over 't moeras.

Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane,
in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij
een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet
lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die
lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen.

De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er
zooveel zijn hooger op het land, maar die men in 't geheel niet vindt
op de vlakten.

De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden
gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met
hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte
olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of
nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken,
hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten
en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het
prettig weer menschenstemmen te hooren. "Ik zou wel eens willen weten,
wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te
worden," dacht hij.

Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was
zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan
voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij
in de nabijheid van menschen was.

"Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken," dacht hij, "voor ik iemand
vraag, of ik binnen mag komen."

Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen
voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig
licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een
mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek.

"Het regent, nu komt de lente gauw," zei ze. Toen de jongen haar zag,
werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het
eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de
menschenwereld gezet had.

Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een
roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk
op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met
de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig 't
wezen moest, met zoo'n mooie machine over een akker te rijden. Een
oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen
dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd
steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou
toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap.

Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten,
die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van
de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over,
hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden
tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan,
dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren
spreken van een wereld,--boven die, waarin ze leefden,--van God,
en opstanding en eeuwig leven.

En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden.

Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat
wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te
geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten,
wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar
nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden,
zooals hij wezen moest.

Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te
worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep,
ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar
een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofd er pijn van
deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten
al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe
onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden.

"Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft
geleerd als ik," dacht hij eindelijk. "'t Zal wel zoo loopen, dat ik
toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en
den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd
zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit."

Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde
zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan 't zwemmen
was geweest.

Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen,
en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En
dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak
zat, zich te bewegen en riep: "Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis,
moerasuil? Hoe heb je het in 't buitenland gehad?"

"Heel goed, dank je wel, katuil!" zei de moerasuil. "Is er hier wat
bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?"

"Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is 't gebeurd, dat
een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als
een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans."

"Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit
weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?"

"Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De
kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past,
zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en..."

"En verder, katuil? Verder? Verder?"

"Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je
alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is,
die ons beluistert."

En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op
in de lucht. "Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids
thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag
ik weer een mensch worden!"

Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in
de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard
zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het
natte moeras.



VII.

BIJ DE BEEK VAN RONNEBY.


Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit
weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar
nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen,
en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe
in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen
parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën
gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon.

Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd,
niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde
ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de
ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had.

Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust
in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet,
dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot
ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting,
en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een
slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat
hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken.

Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken
waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet
bij hen kon komen.

De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar
toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene
plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht
uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie
en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er
is niet veel, dat prettiger is op een mooien zomerdag, dan op dat
kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat
zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden.

Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud,
buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand,
die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk
waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo'n steilen
bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze
er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende
beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter
zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen
verborgen. Ze konden het niet beter hebben.

De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog
dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en
't woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder
den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar
slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij
niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van
alle kanten, en er kwam zoo'n groote onrust over hem, dat hij onder
den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen.

Smirre stond op den bergtop, ver weg uit 't gezicht.

"Deze vervolging hier kun je even goed laten!" zei hij in zich
zelf. "Je kunt zoo'n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo'n
woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje
land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn
je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen."

Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en
hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde
de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te
bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja,
't was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar 't armoedige
Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar
lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze
dan ook zelf niet op mogen eten.

Toen Smirre's boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij
geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een
eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen
van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die
voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich
tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij
keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was
als de eekhoorn, maar toch even zeker op en neer langs de boomstammen
sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep.

"Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar," dacht de vos,
"dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen."

Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar
den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen,
dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den
marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre
wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter
daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop,
zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein
prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner,
en hij antwoordde bijna niet.

"Het verbaast me," zei Smirre, "dat zoo'n jager, als jij zich met
de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je
bereik is."

Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel
onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: "'t Is toch
niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder
tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in 't klimmen,
dat je beneden bij hen kunt komen?"

Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten.

"Heb je wilde ganzen gezien?" riep hij blazend. "Waar staan die? Zeg
het dadelijk, of ik bijt je den strot af!"

"Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees
een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen."

In 't volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl
Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van
tak tot tak voortbewoog, dacht hij:

"Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in 't heele bosch. Ik
denk, dat de wilde ganzen 't aan mij te danken hebben, als ze in
een bloedbad wakker worden." Maar juist toen Smirre verwachtte
den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van
een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog
opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen,
en alle ganzen vlogen snel op.

Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend
te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter
weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu
en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven.

"Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou
rollen!" zei Smirre verachtelijk.

"Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen," zei
de marter. "Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over,
hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje,
niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó'n kracht een
steen naar het hoofd gooide, dat ik in 't water viel, en eer ik er
weer uit kon kruipen..."

De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar
hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.

Intusschen was Akka naar 't zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats
te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien
stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien
kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer
dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was,
als ze in 't voorjaar over de Oostzee reisde.

Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang
kon zien slingeren door het in 't maanlicht badende landschap. Zoo
kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een
onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van
glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem
daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder
aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water
als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was
ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als
de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging,
hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt
niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een
papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen
begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven
op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom,
die bruisend in de kloof valt.

't Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers
dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer
beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig
en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden
waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze
veilig voor roofdieren waren.

De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij
zat naast hen om op den ganzerik te passen.

Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij
kreeg dadelijk de ganzen in 't oog, die daar in den bruisenden
maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon
komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten. Hij bleef aan den oever
naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond,
dat zijn eer als jager op 't spel stond.

Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch
in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen
afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet
wou afnemen.

"Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen,
als er volop wilde ganzen op de steenen staan," zei Smirre. Hij was
zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te
kiezen, als hij gewoonlijk deed.

De otter keerde niet eens zijn kop naar 't water. Hij was een
landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt,
en kende Smirre, den vos, wel.

"Ik weet wel, hoe jij 't aanlegt om een forel machtig te worden,
Smirre," zei hij.

"O, ben jij 't, Gripe," zei Smirre en was blij, omdat hij wist,
dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. "Ik wil wel gelooven,
dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staat
bent ze te bereiken." Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de
teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was,
en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde 't niet op zich laten
zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde
zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg,
wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier.

Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen
in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten
hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter
werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte
zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop
over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. 't
Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen
te worden.

Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag
hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar
juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte
achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind,
jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard
met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te
zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn
eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht
mislukt was, barstte hij uit: "'t Komt niet, doordat ik niet goed
zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou
juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen,
en me op mijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó'n pijn,
dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me."

Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de
ganzen achterna.

Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken
tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar
licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te
vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier
weer naar 't zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere
daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer
te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de
zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis,
met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles
staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten,
en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting
zoeken op de balkons en in de waranda's van de verlaten gebouwen.

Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk
sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij
niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen.

't Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen 't gezicht op de zee
had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe
mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten.

Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel
verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij
de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij
't land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. 't Is
alsof ze zoo'n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste
willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het
land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt,
alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat
de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat
tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van 't land kort
en klein wil scheuren.

Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar
ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes,
en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien
komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee
elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen.

Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en
leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als
ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die
neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groen af, en maakt haar even
kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar
gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die
wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen
was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de
zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt,
om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe
verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt
haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich
in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij 't land zóó
weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan
zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden.

En denk dan aan 't land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna
overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een
beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met
bosch begroeid. 't Ziet er uit, alsof 't enkel denkt aan haver, en
rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die
ver in 't land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar 't zet die af
met berk en els, precies alsof 't een gewoon zoetwatermeertje was. Dan
komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten
mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en
breken in, en maken zich breeder. Ze splijten 't veld en de bosschen,
en zoodoende moet het land ze wel opmerken.

"Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt," zegt het land, en dan
begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst
en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. 't
Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als
oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden,
en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo
mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het
zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent.

Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de
jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij
begon zich rustiger te voelen dan in 't begin van den nacht. Toen
hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het
badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn
op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer
nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had
hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij
te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis.

Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en
hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen.

"Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?" vroeg ze.

"Ja," zei Smirre, "ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui
ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb."

"Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden
hebt?" vroeg Akka weer.

"Een goede daad moet men niet ontkennen," zei Smirre. "Jelui hebt
eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het
vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden,
zoolang er nog maar een van jelui in 't leven is, al zou ik jelui
ook door 't heele land heen vervolgen."

"Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die
gewapend is met tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen;
wij--die weerloos zijn," zei Akka.

Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: "Als jij,
Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt,
pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te
sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij
je hooren."

"Duimelot kan ik je niet geven," zei Akka. "Van de jongste tot de
oudste hebben we graag ons leven voor hem over."

"Als jelui zóóveel van hem houden," zei Smirre, "dan beloof ik je,
dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal."

Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild
had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door
wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit
had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn
leven voor hem wilde wagen!

Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen,
dat hij van niemand hield.



VIII.

KARLSKRONA.


't Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. 't Was mooi en
stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend,
en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want
bijna niemand waagde zich nog op straat.

Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over
Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten
avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen
te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze--waar ze ook
neerstreken--door Smirre, den vos, gestoord werden.

Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de
klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er
zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw,
maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was
melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren
glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele
klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of
vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken
en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart
af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde
onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was.

Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet
bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig
verschrikte. 't Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige
blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken
helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen,
bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden
zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets
dergelijks was.

Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er
maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen
hadden. 't Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de
jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland
hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de
landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden,
waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste
punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over
al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen.

De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist
boven dat eiland ging neerdalen.

"Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken," zei hij.

Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over,
dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren
ten eerste niets anders dan huizen. 't Heele eiland was een stad,
en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte
vensters. De reus, die op 't hoogste punt van het eiland stond en de
armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken
en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en
vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van
het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine
kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde
vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende
schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door
't water moesten kunnen glijden als visschen.

Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter
komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven
pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken
gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten
varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen
lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.

De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en
zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de
groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier
voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat
hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.

Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen,
die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de
werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.

Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermd
wou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen
nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon
hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij
zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als
het licht werd.



De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden
kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging
zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder
den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen
naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote
markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en
voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk
weiland. Zij, die in 't woeste veld wonen, of ver weg op het land,
voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen
recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan
zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op
de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het
raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was
geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.

Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men
ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk
stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten,
groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok,
korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het
wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit,
alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig
streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.

"Wat heeft die hanglip daar te maken?" zei de jongen eindelijk. Hij
had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij
probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht
hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in,
die naar zee leidde.

Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich
hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen
stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat
klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan 't wandelen
was gegaan.

De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde,
en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was. De
grond dreunde, en de huizen schudden. 't Kon niemand anders wezen dan
hij, die zóó zwaar liep, en de jongen werd bang, toen hij dacht aan
wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken
om te zien, of hij het werkelijk was.

"Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier," dacht de
jongen. "Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat
was heelemaal zoo niet bedoeld."

In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen,
sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde
allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.

Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat
insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat
hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden
in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan
zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat,
midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik,
maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.

"Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad
beschut," meende hij.

Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond,
en hem wenkte.

"Dat is zeker iemand, die mij helpen wil," dacht de jongen. Hij werd
innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang,
dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam,
die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal
verbluft.

"Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte," dacht hij,
want hij zag, dat de heele man van hout was.

Hij bleef hem aan staan kijken. 't Was een grove man met korte beenen
en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen
zwarten baard. Op 't hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het
lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten
sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten
kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas
geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in den maneschijn,
en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo'n goedig uiterlijk te
geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.

In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:


                Ik vraag u nederig,
                Al is mijn stem ook zwak,
                Kom, leg een penning neer,
                Maar neem mijn hoed dan af.


O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war
gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonders zou zijn. En nu
herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar
had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel
van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om
van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich,
dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd
zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,--precies zooals
men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.

De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij
den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu
hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij
kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?

Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem
neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk
iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één
sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed,
en stopte hem daaronder.

Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm
weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem,
en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn
voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:

"Wat ben jij voor een snuiter?"

De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout
kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:

"Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op
't linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de
Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein
neergezet als armenbus."

Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de
houten man zei: "Uwe Majesteit." Want nu hij er over nadacht, wist
hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad
gesticht had. 't Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij
tegen zijn zin mee te doen gekregen had.

"Je antwoordt flink," zei de bronzen man. "Kun je me nu ook zeggen,
of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de
stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg,
zal ik hem wel mores leeren." En bij die woorden stootte hij zijn
stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit.

"Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien," zei de houten
man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed,
en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in 't hout. Maar
hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: "Maar uwe Majesteit
is op 't verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf
te loopen en zich daar te verstoppen."

"Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op
je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen
zien meer dan twee, Rosenbom."

Maar de houten man antwoordde met jammerende stem:

"Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik
zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en
vermolmd, en kan 't niet verdragen me te bewegen."

De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag
tegengesproken worden.

"Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?"

En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden
klap op zijn schouder. "Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt,
Rosenbom."

Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van
Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van
de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar
de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat
de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen
zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende
afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en
zagen er van dichtbij grooter en verschrikkelijker uit, dan toen
de jongen ze van boven af zag. "'t Was toch nog niet zoo verkeerd,
dat ik ze voor zeespoken hield," dacht hij.

"Waar vindt je 't het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?" zei
de bronzen man.

"Zoo'n klein ding, als hij, zou zich wel 't beste in de modelzaal
kunnen verstoppen," antwoordde de houten man.

Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele
haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De
bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en
een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die
open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten
treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en
getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem
zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening
van de Zweedsche marine gebouwd waren.

Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude
linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen
voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen
bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen,
met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek,
en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen
voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware,
breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die
tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes,
die op lange, slanke visschen leken.

Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds
meer verbaasd.

"Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!" sprak
hij.

Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen
man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal,
van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En
Rosenbom, de opperbootsman van de "Driestheid" vertelde wat hij wist
van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden,
en hoe 't met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden
tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest.

Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen
de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel
verstand te hebben.

"Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier," zei de bronzen
man. "Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier
heb ik pleizier in, Rosenbom."

Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en
Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed.

Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij,
de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen
en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis,
de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was
uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor
anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben,
bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich.

De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken,
hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die
van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren
gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe
bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen
zoo goed mogelijk te maken en te verbeteren, die ter verdediging
van het vaderland moesten dienen. 't Kan niet ontkend worden, dat de
jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat
alles hoorde praten.

't Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren
van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had
de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk
indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen
er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de
groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan
de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar
voor hem stonden.

Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: "Neem
je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in
den strijd voor het vaderland geweest."

En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren,
evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn
houten hoed af en riep:

"Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte,
en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!"

"Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Je bent een beste kerel! Maar
wat is dat nu, Rosenbom?"

Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van
Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af,
en zwaaide die hoog in de lucht en riep: "Hoera voor jou, Langlip!"

De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen
kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de
zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man,
alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken,
vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en
weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in 't oog,
en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen.



IX.

DE REIS NAAR ÖLAND.


Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om
te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel
verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun
verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze
waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor
de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden
verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans,
die even oud en wijs scheen als Akka zelf:

"Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land
vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u
tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar
't noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland,
zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war
te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland
blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof
niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt."

Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien
te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar
Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans
had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven.

Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten
vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle
vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg
waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen
gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen
zouden aan gidsen geen gebrek hebben.

Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste
weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een
beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel
was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa's,
die tot aan den horizon neerhingen, en 't uitzicht verhinderden.

Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich
zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden
keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder
hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal
duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan
hij den eersten keer had gedaan. 't Was, alsof hij zich onmogelijk
vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.

't Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen,
waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht
na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. 't Was, als
volgden ze een gebaanden weg. 't Waren eenden en grijze ganzen,
zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten,
duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar
toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij
den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig,
dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met
den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over,
want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.

De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van
hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles
er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.

"Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!" zei hij in
zichzelf. "Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!"

Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het
waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd
blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De
duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken,
dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.

Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige
witte rookzuiltjes opstijgen.

Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.

"Schutters! Schutters! Schutters in booten!" riepen ze. "Vlieg
hoog! Vlieg weg!"

Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen,
en dat ze in 't geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in
een lange rij, en ze waren vol schutters, die schot op schot losten. De
eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden
te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee,
en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan.

't Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde,
met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot
omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst
mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg,
maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor,
dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik
en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!

Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was
doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan:
"Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?"

En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: "We vliegen recht op
Öland aan, recht op Öland!"

De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.

"Haast je zoo niet!" riepen de eenden toen. "Jelui eet alles op,
voor wij er aan toe zijn!"

"Er is genoeg voor jelui en voor ons," antwoordden de duikeleenden.

Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw
windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa's
witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.

Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze
bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al
dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen
scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De
jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.

Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien,
begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die
tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te
spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. "Pas
op!" riepen zij. "Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in
's hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland."

Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar
het spoor bijster te maken. "Kijk nu die pijlstaarten eens!" klonk
het in den nevel. "Jullie gaan naar de Noordzee terug!"

"Past op, grijze ganzen!" riep iemand van een anderen kant, "als
jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!"

Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon
waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden
laten lokken. Maar zij, die 't moeilijk hadden--dàt waren de wilde
ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren,
en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.

"Waar moet jelui heen, vrienden?" riep een zwaan. Hij kwam recht op
Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.

"Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest," zei
Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.

"Dat is toch te erg," zei de zwaan. "Dan hebben ze jelui in de war
gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in
de goede richting brengen."

En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten
trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij
in den mist.

Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt
de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.

"'t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist
is opgetrokken," zei de eend. "Men kan wel zien, dat jelui niet aan
't reizen gewend zijn."

't Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor
zoover de jongen 't begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een
kring rond.

"Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt," riep
een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep
onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang
voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen,
als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.

Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort
in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd,
dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland,
omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren
op den nevel te schieten.

Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer
van afbrengen.



DE ZUIDPUNT VAN ÖLAND.


Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve,
die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het
eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al
daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht
gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar
Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een
groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij,
waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele
honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby
geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er
groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten
worden gebruikt.

In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt
is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang
is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en
spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is
het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw
voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En
dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van 't
eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland
afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve
loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen,
waar ze niet zoo veilig zijn.

Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna
denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden
rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in
zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden
stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er
graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor
vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder
de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.

Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren
aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de
schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over
de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij
onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand,
dat hij kon overzien.

't Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een
massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogen kiezen, zou hij er
nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden
het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen
te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en
andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen,
maar 't meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken
aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten
zich aan larven, die daar in eindelooze massa's wezen moesten, want
nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.

Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken
om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn
kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: "Zijn jelui nu
klaar? dan gaan we verder."

"Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg,"
zei zijn reisgezelschap.

"Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je
zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?" zei de leider,
klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens,
dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om
meê te gaan.

Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen
zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op
't water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en
haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers
gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet
klonken.

Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen,
ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde
zwanen van dichtbij gezien.

Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.

De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde
en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken,
vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen
zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken
de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans
of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de
aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.

Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet,
die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel
weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde
een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen
hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort
daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.

Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar
verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij
was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een
peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid
achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder,
en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was,
dat ze hun waardigheid niet op konden houden.

Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels
in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als
't ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht
genoeg onder de vleugels, en vlogen op.

Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die
eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje,
berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.

De jongen ging weer naar 't land. Daar bleef hij toezien hoe de
snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat
kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende
bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in
een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een
golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed,
volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.

De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker
verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar,
gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél
sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een
breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart;
de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een
weerschijn als zijde.

Zoodra een paar van hen zich aan 't strand vertoonden, zeiden de andere
vogels: "Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!" "Als ze
niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te
maken, maar konden boven in 't daglicht wonen, zooals alle anderen,"
zeide een bruine wijfjesgraseend.

"Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch
nooit behoorlijk uitzien met zoo'n neus als zij hebben," zei een
grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een
groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.

Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over
het water, en vischten.

"Wat is dat voor visch, die je ophaalt?" vroeg een wilde gans.

"Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de beste
visch in de wereld," zei een meeuw. "Wil je niet eens proeven?" En
hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes,
en wilde er haar van geven.

"O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!" zei de wilde gans.

Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen
gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand
om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht,
dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar
hij in 't geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een
zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud
rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te
vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er
ook heel blij mee, toen die af was.

Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem
of hij den witten ganzerik ook gezien had. "Neen, hij is niet bij
mij geweest," zei de jongen.

"Hij was een oogenblik geleden nog bij ons," zei Akka, "maar nu weten
we niet, waar hij is."

De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich
ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt
gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik
was zeker alleen maar in den mist verdwaald.

Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier
de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om
hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal
rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard
naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het
mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde
vogelgewemel--maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van
Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een,
maar hij vond geen spoor van den ganzerik.

Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het
strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen,
en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als
hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder
kon missen.

Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot
wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij
was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de
anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in 't hoofd
gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De
jongen sloeg in zijn blijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem
voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde
hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden
morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen
de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.

Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij
was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.

De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond
een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij
er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan 't strand,
dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er
plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op
het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere
gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem
zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.

Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond
liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders
denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos,
dat hij niet wist wat te beginnen.

Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde
vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was,
meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die
vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten
ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene
lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen
niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst
te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.

Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag
een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen
de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren,
wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen
vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar
troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op
het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen
dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds
dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt,
dat ze beter zou worden, voor hij van 't eiland weg zou gaan, maar
ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om,
maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.

Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden
dag zou terugkomen.

De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop
hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen
was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem
was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake
van, dat hij hier kon blijven om haar!--Maar toen hij het jonge gansje
van dichtbij zag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang
eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken,
dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren
zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.

Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel
was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde
bij al haar bewegingen.

"Je hoeft niet bang voor me te wezen," zei de jongen, en keek lang
zoo boos niet, als hij van plan was te doen. "Ik ben Duimelot, de
reiskameraad van Maarten, den ganzerik," ging hij voort, en hij wist
niet, wat hij zeggen zou.

Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen,
wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het
betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra
Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem,
en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat
het een gans was, die sprak: "Ik ben heel blij, dat je hier gekomen
bent om me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand
zoo goed en zoo verstandig is als jij."

Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen
werd. "Dat kan geen gans wezen," dacht hij. "Dat is zeker een
betooverde prinses."

Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes
onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. 't Been was niet
gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte
in 't gelid.

"Pas nu op," zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en
zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug
en goed, in aanmerking genomen, dat het voor 't eerst was, dat hij
zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben,
want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze
neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De
jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was
ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard
weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.

Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka
zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten. Allen waren bereid om op
weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep,
dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet
naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik,
en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De
jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had
berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen,
hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. 't Was maar
't beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht
hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van
de grijze gans weg te gaan.

Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans
werd hem te machtig. 't Moest met de reis naar Lapland maar gaan,
zooals 't kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist,
dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.

Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag
geen jonge gans tusschen de steenen.

"Donsje, Donsje, waar ben je?" riep de ganzerik.

"De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen," dacht
de jongen. Maar op 't zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem
antwoorden: "Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even
een bad genomen." En uit het water dook de kleine grijze gans op,
frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in
't lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê
te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige
veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr,
dat ze een echt prinsesje was.



X.

DE GROOTE VLINDER.


De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland, dat beneden
hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich opgeruimd en blij
op dien tocht. Hij was nu even tevreden en vergenoegd, als hij den
vorigen dag somber en gedrukt was geweest, toen hij daar beneden op
het eiland had rondgezworven, en naar den ganzerik gezocht.

Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale
hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land
langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond
had gehoord.

Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens, die op de
hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun
honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden,
want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was
't zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen
zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven.

De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere
was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig,
maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn
gezicht. 't Was alsof dat lichaam en dat gezicht in 't geheel niet
bij elkaar pasten.

Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar
onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn
kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal
hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig,
alsof hij dacht: "Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te
laten praten."

"Nu zal ik je eens wat vertellen, Erik," zei de oude herder. "Ik heb
bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooter waren,
dan ze nu zijn, de vlinders zeker ook ontzettend groot werden. En eens
was er een vlinder, die mijlen lang was, en vleugels had, zoo breed
als meren. De vleugels waren blauw en glinsterend zilverkleurig, en zóó
mooi, dat als die vlinder rondvloog, alle dieren hem nakeken. Hij had
natuurlijk dat gebrek, dat hij te groot was. Zijn vleugels konden hem
bijna niet dragen. Maar het zou wel goed zijn gegaan, als hij maar
zoo wijs geweest was zich boven het land te houden, maar dat was hij
niet. Hij vloog heel tot boven de Oostzee. En hij was nog niet ver
gekomen, voor de storm hem tegemoet kwam, en aan zijn vleugels begon
te trekken.

Ja, je kunt wel begrijpen, Erik, hoe het gaan moest, toen de
Oostzeestorm teere vlindervleugels ging hanteeren. 't Duurde niet lang,
of ze waren uitgerukt en weggeblazen, en toen viel natuurlijk de arme
vlinder in zee. Eerst werd hij op de golven heen en weer gegooid en
toen strandde hij op een paar klippen aan de kust van Smaland. En
daar bleef hij liggen, zoo groot en lang als hij was.

Nu verbeeld ik me, Erik, dat als de vlinder op het land was blijven
liggen, hij gauw vergaan en uit elkaar gevallen zou zijn. Maar
omdat hij in zee viel, werd hij met kalk doortrokken en zoo hard als
steen. Je weet wel, dat we steenen aan 't strand gevonden hebben,
die niet anders dan verharde larven waren. En nu geloof ik, dat het
met het groote vlinderlichaam op dezelfde manier ging. Ik geloof,
dat het een lange, smalle klip werd, toen het daar in de Oostzee
lag. Geloof je dat ook niet?"

Hij hield op, en wachtte op antwoord. De andere knikte hem toe, en zei:
"Ga nu maar door, zoodat ik hooren kan waar je heen wilt."

"Let nu goed op, Erik. Dit eiland hier, waar jij en ik op wonen,
is niet anders dan het oude vlinderlichaam. Als je even nadenkt,
merk je, dat dit eiland een vlinder is. Naar het noorden kun je het
smalle borststuk zien en den ronden kop, en naar 't zuiden zie je
't achterlijf, dat eerst breed uitloopt, dan smaller wordt, en in
een scherpe punt eindigt."

Hier hield hij nog eens op, en keek zijn kameraad aan,--wat gespannen,
om er achter te komen, hoe die zijn bewering op zou nemen. Maar de
jonge man at kalm door, en knikte weer, alsof hij hem aanmoedigde
door te gaan.

"Zoodra de vlinder in een kalksteenklip was veranderd, kwamen allerlei
zaden van planten en boomen aanzweven met den wind, en wilden er wortel
op schieten, maar 't was moeilijk voor hen zich vast te hechten op den
kalen, gladden berg. Het duurde lang, eer daar iets anders dan wier kon
groeien. Toen kwamen het hondskruid, het zonnekruid en de wilde rozen.

Maar nog tot nu toe is er niet zooveel plantengroei op Alvaret
[1], dat de berg geheel verborgen is. Hier en daar schijnt hij er
door. En niemand kan er aan denken hier te ploegen of te zaaien,
omdat de aardlaag zoo dun is.

Maar als je nu aanneemt, dat Alvaret en de oude kasteelen, die
daaromheen liggen, door het vlinderlichaam zijn gevormd, dan zou je
kunnen vragen, waar het land, dat beneden langs de kasteelen ligt,
vandaan gekomen is."

"Ja dat is het juist," zei de andere, die rustig door bleef eten,
"dat zou ik wel willen weten."

"Je moet niet vergeten, dat Öland al heel wat jaren in zee heeft
gelegen, en in dien tijd heeft alles, wat op de golven ronddrijft:
wier, en zand, en slakken, er zich omheen verzameld, en is blijven
liggen. En toen zijn steenen en gruis neergekomen van het oude kasteel
in het oosten, en van dat in het westen. Zoo heeft het eiland breede
stranden gekregen, waar rozen en bloemen en boomen kunnen groeien.

Hier boven op den harden rug van den vlinder loopen alleen schapen en
koeien en kleine paarden; hier wonen enkel kieviten en pluvieren,
en hier zijn geen andere gebouwen dan windmolens en een paar
armoedige schuren, waar wij--herders--inkruipen. Maar daar beneden
op het strand liggen groote boerendorpen en kerken, en pastorieën,
en groepen visschershutten en een heele stad."

Hij zag den ander vragend aan. Die was nu klaar met eten, en knoopte
zijn broodzakje dicht.

"Ik zou wel eens willen weten wat je bedoelt met dit alles," zei hij.

"Ja, dàt is 't maar, wat ik weten wou," zei de herder, en hij sprak
zóó zacht, dat het bijna fluisteren werd, en staarde in den nevel
met zijn kleine oogen, die moe schenen te zijn van het uitkijken
naar alles, wat er niet is. "Ik zou alleen dit willen weten: of de
boeren, die in de rondgebouwde hoeven daar onder de kasteelen wonen,
of de visschers, die de visschen uit de zee halen, of de kooplieden
in Borgholm, of de badgasten, die hier elken zomer komen, of de
reizigers, die rond wandelen in de ruïne van 't kasteel op Borgholm,
of de jagers, die in den herfst hier komen om patrijzen te schieten,
of de schilders, die hier op Alvaret de schapen en de windmolens
zitten schilderen,--ik zou willen weten, of een van hen het begrijpt,
dat dit eiland hier een vlinder is geweest, die heeft rondgevlogen
met groote, glanzende vleugels."

"O ja," zei de jonge herder plotseling, "dat moet wel iemand van hen
begrepen hebben, die op een avond aan den kant van het kasteel heeft
gezeten, en de nachtegalen heeft hooren slaan in de boschrijke velden,
en die heeft uitgezien over 't Kalmar Sond. Hij heeft wel gemerkt,
dat dit eiland niet kan zijn ontstaan als alle andere."

"Ik zou hun willen vragen," ging de oude voort, "of niet een van hen
heeft verlangd vleugels aan die windmolens te geven, zóó groot, dat
ze het heele eiland konden opheffen uit de zee en het laten vliegen,
als een vlinder, onder de vlinders."

"'t Is best mogelijk, dat er wat van aan is, wat je zegt," zei de
jonge man, "want in de zomernachten, als de hemel zich hoog en open
welft boven het eiland, heb ik soms gevonden, dat het was, alsof het
uit de zee wou opkomen en wegvliegen."

Maar nu de oude man den jongen herder eindelijk tot spreken had
gebracht, luisterde hij niet lang naar hem.

"Ik zou willen weten," zei hij nog zachter, "of iemand kan verklaren,
waarom er zoo'n sterk verlangen hier boven op Alvaret woont. Ik heb
het levenslang elken dag gevoeld, en ik geloof, dat het over iedereen
moet komen, die hier rondzwerft. Ik zou willen weten of niemand
anders heeft begrepen, dat ál dat smachtend verlangen daarvan komt,
dat het heele eiland een vlinder is, die naar zijn vleugels verlangt."



XI.

HET KLEINE KARELSEILAND.


DE STORM.


De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht,
en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke
zuidenwind over 't Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven
waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting
van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij
een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels
aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka
hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de
lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar
eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over
hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich
uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven,
en slingerde ze voort naar den kant van de zee.

't Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om
te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de
Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór
hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met
den wind meê draaien.

Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze,
dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te
laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was
al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met
sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was,
alsof ze wedijverden, wie 't hoogste kon komen en het woedendste
schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende
water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze
spanden zich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven--hoog
op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal--en hadden
evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was,
dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels,
die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen
afgunstig: "Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen."

Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten
eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk
wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en
inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka
riep telkens: "Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van
den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!"

Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep
de een na de ander in, en zelfs Akka was op 't punt in te slapen,
toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop
van een golf.

"Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!" riep Akka met luide, schelle stem,
en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. 't Was op het
laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen
was, waren de zeehonden zóó dichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.

Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich
uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze
zagen geen land--enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water,
zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd
waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de
zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest
was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.

Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste
verwoestingen aan onder de massa's vogels, die in dien tijd van het
jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar
een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe,
dat ze in zee zonken en verdronken.

Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi
van de zeehonden.

Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te
vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe,
en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den
avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel
plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan
bonsden, en ze vreesde daartusschen verpletterd te worden. Een paar
maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar
nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen
de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.

Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze
waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al
gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.

't Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou 't toch
gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden
òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden
opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.

De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de
duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur
zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. 't Roepen van
trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu
men niet meer kon zien wie 't waren, die zoo riepen, klonk het akelig
en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend
tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. 't
Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.



HET GEVAAR.


De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens
meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek
op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich
een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in
hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan,
en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd
moesten worden.

Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar
niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij
ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen
de ganzen in, en 't volgend oogenblik waren zij in veiligheid.

Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden
zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook
gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi,
alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi
van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist,
wat er van haar was geworden.

Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksi van den
troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude,
wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel
zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.

Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel
daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en
breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo'n prachtig nachtverblijf
hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten
in 't oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.

"Dat zijn oogen!" riep Akka. "Er zijn groote dieren hier binnen!"

Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in 't donker
kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: "Daar hoef jelui niet
voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den
wand van de grot liggen!"

Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren,
zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen
dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een
groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van
de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te
gemoet. "Wees welkom in deze wildernis!" zeiden ze.

Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.

Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij
in hun grot waren gekomen.

"'t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen,"
zei Akka. "Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te
sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm
rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht
mochten blijven."

Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapen met woorden
antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar
van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen
en wonderlijk waren, maar deze schenen er in 't geheel geen begrip
van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude
schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende
stem:

"Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit
is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen
zooals vroeger."

"U behoeft u daarover niet te bekommeren," zei Akka. "Als u wist,
wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we
blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen."

Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. "Ik geloof,
dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen,
dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u,
zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben."

Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast
lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te
goed te doen. "Wij hebben van 't jaar veel sneeuw gehad hier op het
eiland," zeide ze. "De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons
met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit
stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven."

De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat
zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij
merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe
gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk
gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals
gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en
kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met
zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was
hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen
en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.

"Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te
zeggen, dat het hier onveilig is," zei hij. "Wij kunnen hier in dezen
tijd geen gasten voor den nacht ontvangen."

Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. "Wij zullen
heengaan, wanneer u dat verlangt," zeide zij. "Maar wilt u ons niet
eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens,
waar wij zijn."

"Dit is het kleine Karelseiland," zei de hamel. "Dat ligt voorbij
Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels."

"Hoort u misschien tot de wilde schapen?" vroeg Akka.

"Dat scheelt niet veel," antwoordde de hamel. "We hebben niets met
menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en
de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien,
als het 's winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel
wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein,
zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden
wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren
en sloten, maar houden ons in grotten als deze op."

"Blijft u hier ook 's winters?" vroeg Akka verwonderd.

"Ja, dat doen we," antwoordde de hamel. "We hebben genoeg te grazen
hier op den berg het heele jaar."

"Mij dunkt, het schijnt, dat u 't beter hebben moest dan andere
schapen," zeide Akka. "Maar wat is er u dan voor een ongeluk
overkomen?"

"'t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen
drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier
gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland."

"O zoo! durven de vossen dan ook u aan?"

"O neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen,"
zei de hamel, en schudde zijn horens. "Maar ze sluipen op ons toe
in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker
te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze
hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren
kudden, even groot als de mijne."

"'t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn," zei nu
de oude schapemoeder. "We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer
we tamme schapen waren."

"Denkt u, dat ze hier van nacht komen," vroeg Akka.

"We kunnen niet anders verwachten," antwoordde de oude. "Ze waren
hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom,
zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere
plaatsen gedaan."

"Maar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid,"
zei Akka.

"Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op
't kleine Karelseiland," zei de schapemoeder.

Akka stond daar heel besluiteloos. 't Was niet prettig er nu weer
op uit te gaan in den storm. En 't was ook niet goed in een huis
te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had
nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.

"Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo
dikwijls hebt gedaan," zei ze.

"Ja," zei de jongen; dat wilde hij wel.

"'t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen," zei de wilde gans,
"maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons
dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?"

De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan
er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te
zullen blijven.

Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen,
om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.

Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te
bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven
te spelen. De jongen ging naar den ingang om uit te kijken. De grot
lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van
dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.

Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in 't eerst
heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar
groote reuzen, of andere steenen monsters,--of misschien waren het
wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er
heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote
mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige
stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan
waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen,
en andere in 't geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige
hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets
wonderlijks gezien.

De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij
bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een
klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen,
en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij
weer kalm, en was in 't geheel niet bang meer. Toen viel 't hem in,
dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan
hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde
zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel
aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.

"Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te
maken!" zei de jongen.

Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets
gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot,
bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.

"Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen," zei de een.

"Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren."

"Ga jij er maar gerust op af," zei de ander. "Ons kunnen ze ten minste
niets doen."

Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in
't rond.

"Wien zullen we vanavond nemen?" fluisterde de vos, die vooraan liep.

"Vanavond zullen we den grooten hamel nemen," zei de laatste. "Dan
gaat het later gemakkelijk met de andere."

De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze
voortslopen.

"Stoot nu recht vooruit," fluisterde hij. De hamel stootte toe, en
de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van
de grot.

"Stoot nu links," zei de jongen, en wendde den grooten kop van den
hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die
den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond,
eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel
graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had
al gemaakt, dat hij wegkwam.

"Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht," zei de jongen.

"Ja, dat denk ik ook," zei de groote hamel. "Ga nu op mijn rug liggen,
en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je 't goed en warm krijgt
na al dien wind, waarin je geloopen hebt."



HET HELSCHE HOL.


Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug,
en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige
rots. 't Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat
dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den
jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het
eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den
berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende
gewassen, waar schapen veel van houden.

Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als
men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de
heele zee, die nu blauwend in 't zonlicht haar glanzende golven
voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in
schuim. Vlak in 't oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust,
en in 't zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie
als 't kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van
het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien,
merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee
beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels,
zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.

"'t Lijkt hier wel het beloofde land," zei de jongen. "Jelui schapen
woont hier maar mooi."

"Ja, wel is 't hier mooi," zei de groote hamel. Het was, alsof hij
er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.

"Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die
spleten hier in den berg," ging hij een poos later voort. En die
waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren
er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette "'t helsche
hol". Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.

"Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan," zei de groote
hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling
had, met wat hij zei.

Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij van dichtbij
die reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat
waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg
naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren,
die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.

Hoewel 't heel mooi was aan 't strand, wou de jongen toch liever boven
op den berg wezen. 't Was akelig daar beneden, omdat er overal doode
schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij
zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half
opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en
die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. 't Was hartverscheurend
te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen
uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.

De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm
voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid
te kijken.

Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij
daar gekomen was, bleef hij staan.

"Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag,"
zei hij, "dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende
straf hadden gekregen."

"De vossen moeten toch ook leven," zei de jongen.

"Ja," zei de groote hamel, "zij, die niet meer dieren verscheuren,
dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die
vossen hier zijn misdadigers."

"De boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen,"
meende de jongen.

"Zij zijn hier al dikwijls geweest," antwoordde de hamel, "maar dan
verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet
konden schieten."

"Je meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou
kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen
krijgen," zei de jongen.

"Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken," antwoordde de
groote hamel.

Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij de wilde
ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel
niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen,
en had ze zoo graag willen helpen.

"Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over
die zaak," dacht hij. "Misschien kunnen ze mij bijstaan met een
goeden raad."

Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep
over de bergvlakte naar het helsche hol.

Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te
denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter
bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was
vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht
gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel
aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer,
alsof hij gebroken was.

Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar
grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag
languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij
was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan.

Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze
natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En
de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te
naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op
den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden,
gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem
te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik
niets van hen merkte.

Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te
vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat
hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze
hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven
over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter
bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat
hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen
zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich
tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.

Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij
sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel
niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong,
en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar
kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een
vos moeite heeft ze in te halen.

De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en
schreeuwde tegen de vossen: "Jelui hebt je te dik gegeten aan
schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!"

Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan
dachten zoo hard mogelijk voort te stormen.

De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij
er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er
over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen.

De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen
hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een
paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei:
"Nu kun je wel stilstaan, ganzerik."

Op 't zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een
schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was
niets meer te zien.

Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van 't groote
Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop
met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: "De vossen op het kleine
Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien."

En dat deed de wachter ook.



XII.

TWEE STEDEN.


DE STAD OP DEN BODEM DER ZEE.


Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust
beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op
den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de
ganzen gaan liggen.

't Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast
niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis
was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds
hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten,
dat het de avond vóór Paschen was.

"Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots," dacht hij,
en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en
kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.

Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch
wel gezien hebben. 't Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel,
dat ook maar 't kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou
hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.

Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg
hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog
aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog
niet voorbij de maan, maar 't scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel
scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten
van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo
gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de
maanschijf geteekend was. 't Lichaam was klein, de hals lang en smal,
de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw,
dat het een ooievaar moest wezen.

Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem
neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel
om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.

"Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik," zei hij. "Hoe komt het, dat u midden
in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt
u Moeder Akka spreken?"

"Het is van nacht te licht om te slapen," antwoordde Mijnheer
Ermerik. "Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar
't Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde
van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar
't huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren."

De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had
opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk
vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan,
en wat rond te rijden in den mooien nacht.

Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou
inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug
was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.

Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger
en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk
gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.

De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer
Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand,
bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen
met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den
jongen toch iets van het binnenland te zien.

Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en
boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.

"Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen," zei hij tegen
Duimelot, "terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je
me niet weer terug kunt vinden."

De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien
hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar
stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij
boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door
roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud,
dat hij 't niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar
het wegschopte.

Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want
op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkere muur met een
groote poort, waar een hooge toren op stond.

Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken,
lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen
achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar
vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de
groote poort in den muur open.

De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier
hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet
zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd
bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig
gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien,
wat daar achter lag.

"Ik moet toch zien, wat dat wezen kan," dacht hij, en ging de poort
door.

Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime
kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden
een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op
den jongen, die hen snel voorbij liep.

Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen
geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen
liepen lange smalle straten.

Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen.

De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden
onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun
hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo
sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.

De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze
waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.

Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen,
die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten
zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.

Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen,
dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel
naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat
men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou
kunnen vertoonen.

Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet
alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij
trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op
de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden
langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas,
en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer.

Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel
van vreeselijke haast.

"Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer
zien!" zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo
gauw hij kon, straat in, straat uit.

De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de
steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten
voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van
een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes,
open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met
hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders
was een lange touwbaan.

Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen
leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden,
hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe
de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte
schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de
wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.

Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort
om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.

De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een
hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem,
met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen
krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.

Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een
poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag
ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd
voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het
anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal
heerschte drukte en leven.

Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij
haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar
lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde
gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er
geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht,
als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met
goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak
over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen,
hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk
en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie
gevels met de meest verschillende versieringen.

De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste
gezien te hebben, en begon daarom langzamer te loopen. De straat, die
hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige
kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan,
waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel
met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank
uitspreidde.

Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem
gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine,
grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam
langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog,
en begon hem te wenken.

De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman
wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk
zijden damast uit, als om hem te lokken.

De jongen schudde het hoofd.

"Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan
koopen," dacht hij.

Maar nu hadden ze hem in 't oog gekregen in alle winkels in de heele
straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij
lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag,
hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels
om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen
trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.

Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de
toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten
met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te
lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij,
zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide
leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat,
en dat ze hem met rust moesten laten.

Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen
stapel prachtige waren naar hem toe.

"Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil
verkoopen?" dacht de jongen verwonderd.

De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn,
den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En
hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde
met een paar groote, zware zilveren bekers.

Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij
geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.

Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien,
hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in
zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen
de handen vol gouden en zilveren sieraden, en boden hem die aan. En
allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één
enkele kleine penning was.

Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden
zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen,
al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij
werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen,
en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen
helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten,
dat hij zoo pas aan het strand had gezien.

Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee,
zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij
vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken,
dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar
toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij
alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters,
geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!

De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in
't begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen,
maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi
alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.

Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem
toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel
aanstooten om zich te doen opmerken.

"Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik," zei Mijnheer
Ermerik.

"Ach, Mijnheer Ermerik!" zei de jongen. "Wat was dat voor een stad,
die hier zoo pas stond?"

"Heb je een stad gezien?" zei de ooievaar. "Je hebt geslapen en
gedroomd, zooals ik zei."

"Neen, ik heb niet gedroomd," zei Duimelot, en hij vertelde den
ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: "Ik
voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op 't strand in slaap gevallen
bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen,
dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens
heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen,
die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad
heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan
trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad
Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar
de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest
worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op
uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde
één uur lang."

"Ja, dat moet het wezen," zei Duimelot, "want dat heb ik gezien."

"Maar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet
een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft
verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was
die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op
het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en
sterven als alle andere menschen."

"Och, mijnheer Ermerik," zei de jongen, "nu begrijp ik, waarom u mij
is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude
stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan,
zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!"

Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te
zeggen, wie er 't meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.



DE LEVENDE STAD.


Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en
Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.

Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. 't Veld was geruit,
precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar
er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de
velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En
groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met
uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.

De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van
Duimelot. Hij was nu al twee dagen lang zichzelf niet geweest, en had
geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad
dacht, die zich op zoo'n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij
had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar
geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was
anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie
gebouwen en statige menschen.

Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij
een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet
van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had,
wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij
liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.

Juist toen de jongen 't ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij
den troep teruggekeerd. Ze was van den kant van Gothland teruggekomen,
en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar
kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland
waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens:

"Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw
troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen,
die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen."

Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze
op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd
hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar 't land beneden
zich te kijken, waar hij heen vloog.

Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne
af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar
veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier
afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold,
alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk
geworden was als brooddeeg--dat was het niet. Toen ze langs de kust
vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien,
vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren
zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig
uit in zee.

Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. 't Was
zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden
den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren
wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis
lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de
lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen,
en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.

't Waren niet alleen de kinderen, die speelden, maar ook de
volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen
vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna
bereikten. 't Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en
de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar
had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.

Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel
gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje,
waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger
des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen,
in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en
andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote
menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij
herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen
wapperden. En ze zongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze
kon hooren.

De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te
denken aan spel en zang.

Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de
oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het
gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde
blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was,
maar een stad, die aan 't strand lag.

De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het
westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge
gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij
kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik
geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in
den Paaschnacht had gezien.

Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere
uit de zee, en er toch ook niet op leek. 't Was 't zelfde verschil,
alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke
versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen.

Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij
aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens
en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was,
waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren,
de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende
pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.

Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor
't grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier
en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit
den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt,
en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden
de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze
versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart
marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder
spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren
waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar
boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze
met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het
koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar
priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.

De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen
feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zich eens
hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest,
vol van allerlei werk.

Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat
oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in
de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en
de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie
tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn
oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij
niets goeds in het tegenwoordige kon zien.

De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot
alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras
begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door
te brengen.

Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog
wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden
avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij
er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had
kunnen redden.

Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad
uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over
eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was 't maar beter,
dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.

"'t Was 't beste, dat 't ging zooals het ging," dacht hij. "Al had
ik de macht de stad te redden,--ik geloof niet, dat ik het doen zou."

Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.

En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de
menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te
zijn--dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een
prachtig Vineta op den bodem der zee.



XIII.

HOE SMALAND GESCHAPEN WERD.


De wilde ganzen hadden een goede reis over de zee gehad, en waren
in het district Tjust in Noord Smaland neergestreken. Dat district
scheen niet te kunnen besluiten, of het land of zee wilde zijn. Overal
gingen de zeeboezems diep het land in, en sneden het in eilanden
en schiereilanden, in landtongen en landengten. De zee was zóó
indringerig, dat rotsen en heuvels het eenige was, wat zich kon
staande houden. Al het lage land was onder den waterspiegel verborgen.

Het was avond, toen de wilde ganzen aankwamen van over zee, en het
heuvelachtige land lag mooi tusschen de glanzende inhammen. Hier en
daar op de eilanden zag de jongen hokjes en hutjes, en hoe verder hij
't land inkwam, hoe grooter en beter de woningen werden. Eindelijk
werden het groote, witte heerenhuizen. Aan den kant van het strand
stond gewoonlijk een kring van boomen, daar binnen lagen de akkers,
en op de toppen van de heuvels verschenen de boomen weer. Hij kon niet
laten aan Blekinge te denken. Dit was ook een plaats, waar land en
zee elkaar op zoo'n mooie, stille manier ontmoetten, en als 't ware
elkaar 't mooiste en beste trachtten te vertoonen, wat zij bezaten.

De wilde ganzen streken neer op een kaal eilandje, diep in de
ganzenbaai. Bij den eersten oogopslag naar 't strand, merkten zij,
dat de lente groote vorderingen had gemaakt, in den tijd, dat zij
op de eilanden waren geweest. De groote, prachtige boomen waren nog
niet in blad, maar 't veld beneden was bont gekleurd door witte en
blauwe anemonen.

Toen de ganzen 't bloemenveld zagen werden ze bang, dat ze te lang
in het Zuiden waren gebleven. Akka zei dadelijk, dat er geen tijd was
om een van de rustplaatsen in Smaland op te zoeken. Al den volgenden
morgen moesten ze doortrekken naar het Noorden, over Oostgothland.

De jongen zou dus niets van Smaland te zien krijgen, en dat speet hem
toch wel wat. Hij had over geen ander landschap zooveel hooren spreken,
als over Smaland, en hij had verlangd het met eigen oogen te zien.

Den vorigen zomer, toen hij als ganzenjongen bij een boer in de
nabijheid van Jordberga diende, had hij bijna elken dag een paar arme
kinderen uit Smaland ontmoet, die ook ganzen hoedden. Die kinderen
hadden hem vreeselijk met hun Smaland geplaagd.

Maar eigenlijk was het niet mooi om te zeggen, dat Asa, het
ganzenhoedstertje, hem had geplaagd. Zij was daar veel te verstandig
voor. Maar wie hem plagerige antwoorden kon geven, dat was Mads,
haar broertje.

"Heb je gehoord, Niels, hoe het toeging toen Smaland en Skaane
geschapen werden," vroeg hij, en toen Niels Holgersson: "Neen," zei,
begon hij dadelijk het oude, grappige verhaal te doen: "'t Was in den
tijd, dat onze lieve Heer bezig was de wereld te scheppen. Terwijl
Hij daar druk meê bezig was, kwam de heilige Petrus voorbij. Hij
bleef staan, en keek er naar, en toen vroeg hij, of het een moeilijk
werk was.

"Och ja, dat is zoo gemakkelijk niet," antwoordde onze lieve Heer.

Petrus bleef nog een oogenblik staan, en toen hij merkte, hoe
gemakkelijk het ging, het eene land na het andere uit te spreiden,
kreeg hij lust het ook eens te probeeren.

"Misschien hebt U wat rust noodig," zei Petrus, "zoodat ik intusschen
het werk kan overnemen." Maar dat wilde onze lieve Heer niet hebben.

"Ik weet niet, of je de kunst zoo goed verstaat, dat ik 't je kan
toevertrouwen voort te gaan, waar ik ophoud," antwoordde Hij.

Toen werd Petrus boos, en zei, dat hij meende even mooie landen te
kunnen scheppen als onze lieve Heer zelf.

't Was nu zoo, dat onze lieve Heer juist op dat oogenblik bezig was
Smaland te scheppen. 't Was nog niet half klaar, maar 't zag er uit,
alsof het een onbeschrijfelijk mooi en vruchtbaar land worden zou. Onze
lieve Heer kon Petrus niet best iets weigeren, en behalve dat, dacht
Hij zeker, dat wat zoo mooi begonnen was, niet door een ander bedorven
zou kunnen worden. Daarom zei Hij:

"Als je 't met me eens bent, zullen we eens probeeren wie van ons
beiden dit soort werk het best verstaat. Jij, die nog maar een beginner
bent, moet dit werk voortzetten, wat ik begonnen ben, en ik zal een
nieuw land scheppen."

Daar ging Petrus dadelijk op in, en toen begonnen zij te werken,
ieder aan een kant.

Onze lieve Heer trok een eind naar het Zuiden, en daar begon Hij Skaane
te scheppen. 't Duurde niet lang, tot Hij klaar was, en dadelijk
vroeg Hij, of Petrus zijn werk al af had, en of hij niet wou komen
kijken naar 't werk van onzen lieven Heer.

"Ik heb 't mijne al lang in orde," zei Petrus, en men kon aan zijn
stem hooren, hoe blij hij was met wat hij had klaar gekregen.

Toen de Heilige Petrus Skaane zag, moest hij bekennen, dat er van
dat land niets dan goeds was te zeggen. 't Was een vruchtbaar en
gemakkelijk te bewerken land, met groote vlakten, waar hij ook heen
zag, en nauwelijks een zweem van bergen. 't Scheen, dat onze lieve
Heer er het er echt op had toegelegd te maken, dat de menschen het
er goed zouden hebben.

"Ja, dit is een mooi land," zei de Heilige Petrus, "maar ik geloof
toch, dat het mijne beter is."

"Laat ons er eens naar gaan kijken," zei onze lieve Heer.

't Land was al klaar geweest in 't noorden en in 't oosten, toen Petrus
was begonnen te werken, maar het zuidelijk en westelijk gedeelte en
't geheele binnenland had hij alleen moeten scheppen. Toen nu onze
lieve Heer daar kwam, waar Petrus had gewerkt, schrikte Hij zóó,
dat Hij bleef staan, en zei: "Wat ter wereld heb je toch met dit land
uitgevoerd, Heilige Petrus?"

Petrus stond ook heel verbaasd rond te kijken. Hij had gemeend,
dat niets voor een land zoo best was, als veel warmte. Daarom had
hij een ontzettende massa steenen en bergen bij elkaar gehaald en
een hoog land gemaakt; en dat had hij gedaan, omdat het dicht bij de
zon zou komen, en veel zonnewarmte krijgen. Boven op de steenen had
hij een dun laagje vruchtbare aarde gelegd, en toen had hij gedacht,
dat alles goed in orde was.

Maar nu waren er een paar hevige regenbuien gekomen, terwijl hij in
Skaane was, en meer was er niet noodig, om aan te toonen, hoe weinig
zijn werk deugde. Toen onze lieve Heer het land kwam bekijken, was
alle aarde weggespoeld, en de kale rotsgrond stak overal door. Op
de beste plaatsen waren de steenen met klei en zwaar grint bedekt,
maar dat zag er zoo mager uit, dat het gemakkelijk te begrijpen
was, dat er nauwelijks iets anders dan dennen, mos en heikruid kon
groeien. Wat er in overvloed was--dat was water. Dat had alle kloven
in den berg gevuld, en meren, stroomen en beken zag men overal, om niet
te spreken van moerassen en plassen, die zich over groote stukken land
uitstrekten. En het ergerlijkste was, dat terwijl sommige streken meer
dan genoeg water hadden, er op andere plaatsen zoo'n gebrek aan was,
dat er groote velden droge hei waren, waar zand en aarde in wolken
opstoven bij den minsten wind.

"Wat kan toch je bedoeling zijn geweest met zoo'n land te
scheppen!" zei onze lieve Heer; en de Heilige Petrus verontschuldigde
zich, en zei, dat hij het land zoo hoog had willen maken, dat het
veel van de zonnewarmte zou krijgen.

"Maar dan krijgt het immers ook veel van de nachtkou," zei onze lieve
Heer, "want die komt ook van den hemel, evengoed. Ik ben bang, dat
het beetje, wat hier groeien kan, nog bevriest."

Daar had de heilige Petrus natuurlijk niet aan gedacht.

"Ja hier wordt het mager en koud land," zei onze lieve Heer, "daar
is niets aan te doen."

Toen kleine Mads zoover gekomen was met zijn verhaal, viel Asa,
het ganzenhoedstertje hem in de rede.

"Ik kan 't niet best aanhooren, Mads, dat je zegt, dat het hier in
Smaland zoo akelig is," zei ze. "Je vergeet heelemaal hoeveel goede
grond er toch is. Denk maar aan Möre daar bij 't Halmar Sund. Ik zou
wel eens willen weten, waar je rijker korenvelden vinden kunt. Daar
ligt akker aan akker, precies als hier in Skaane. Dat is zulke goede
grond, dat ik niet weet, wat hier niet zou kunnen groeien."

"Dat kan ik niet helpen," zei kleine Mads. "Ik vertel maar na, wat
anderen eerst hebben gezegd."

"En ik heb veel menschen hooren zeggen, dat er geen mooier kustland
is dan Tjust. Denk aan de baaien en de eilanden, aan de heerenhoeven
en de bosschen," zei Asa.

"Ja, dat is wel waar," gaf kleine Mads toe.

"En herinner je je niet," ging Asa voort, "dat de schooljuffrouw
zei, dat zoo'n levendige en mooie streek, als 't stukje van Smaland,
dat ten zuiden van 't Wettermeer ligt, in heel Zweden niet te vinden
is? Denk eens aan 't mooie meer, en de gele heuvel aan het strand,
en aan Grenna en Jönköping met de lucifersfabriek en 't Munkmeer,
en denk aan Huskvarna en alle groote inrichtingen daar."

"Ja, dat is wel waar," zei kleine Mads weer.

"En denk aan Visingö, Mads, met de ruïnen, en 't eikenbosch, en alle
sagen. Denk aan het dal, waar de Em-beek uitkomt, met alle steden en
molens en houtfabrieken, de zagerijen en meubelfabrieken."

"Ja, dat is alles waar," zei kleine Mads en zag er heel bekommerd uit.

Maar toen keek hij snel op.

"Nu zijn we toch al heel dom," zei hij. "Dat allemaal ligt immers
in 't Smaland van onzen lieven Heer, in dat gedeelte van 't land,
dat al klaar was, toen de Heilige Petrus begon te werken. Dat is
immers juist in orde, dat het daar mooi en heerlijk is. Maar in 't
Smaland van den Heiligen Petrus ziet het er alles zoo uit, als 't in
't verhaal staat. En het is geen wonder, dat onze lieve Heer bedroefd
werd, toen hij dat zag," ging de kleine Mads voort, en nam den draad
van 't verhaal weer op. "De Heilige Petrus verloor den moed niet,
maar probeerde onze lieve Heer te troosten."

"Trek u dit maar niet zoo erg aan," zei hij. "Wacht maar, tot ik
menschen geschapen heb, die de moerassen kunnen bebouwen en akkers
kunnen ontginnen op de rotsen."

Maar toen was het geduld van onzen lieven Heer eindelijk uit, en
Hij zei: "Neen, jij moogt naar Skaane gaan, dat ik tot een goed en
gemakkelijk te bewerken land heb gemaakt en den Skaaning scheppen,
maar den Smalander wil ik zelf scheppen."

En toen schiep onze lieve Heer den Smalander, en maakte hem vlug en met
weinig tevreden, opgewekt en vlijtig, ondernemend en flink, opdat hij
zou kunnen leven in zijn armoedig land." Toen zweeg de kleine Mads,
en als nu Niels ook maar had gezwegen, was alles goed gegaan, maar
hij kon niet laten te vragen, hoe het den Heiligen Petrus was gegaan,
toen hij den Skaaning scheppen ging.

"Ja, wat vindt je zelf?" zei kleine Mads en keek zóó verachtelijk,
dat Niels Holgersson op hem aanvloog om hem te slaan. Maar Mads was
nog een klein ventje, en Asa, 't ganzenhoedstertje, die een jaar
ouder was, sprong dadelijk toe om hem te helpen. Hoe goedig ze ook
was, ze werd als een leeuw, als iemand haar broertje aanraakte. En
Niels Holgersson wou niet met een meisje vechten. Dus keerde hij hun
den rug toe, en liep weg, en keek dien heelen dag niet meer naar die
Smalandskinderen om.



XIV.

DE AARDEN KRUIK.


In het zuidwesten van Smaland ligt een groote heide, waar enkel
heikruid groeit, behalve op één plekje, waar een lage steenige
bergrug midden over de hei heenloopt. Daar groeien jeneverbessen,
lijsterbessen en enkele groote, mooie berken. In den tijd, toen Niels
Holgersson rondreisde met de wilde ganzen, stond daar ook een hutje,
met een klein stukje ontgonnen grond er om heen, maar de menschen,
die daar eens gewoond hadden, waren om een of andere reden er vandaan
gegaan. 't Hutje stond leeg, en de akker lag daar ongebruikt.

Toen de menschen dat hutje verlieten, hadden zij den sleutel van
den haard dichtgedraaid, de haken op de vensters gezet, en de deur
gesloten. Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat een ruit in het
venster kapot was, en enkel met een lap dichtgestopt. Na de regenbuien
van een paar zomers was die lap verrot, en eindelijk was het een
kraai gelukt dien weg te pikken.

Die bergvlakte op de heide was namelijk niet zoo eenzaam, als men wel
zou meenen, maar werd door een groot kraaienvolk bewoond. Het heele
jaar rond woonden de kraaien daar natuurlijk niet. Ze verhuisden
in den winter naar het buitenland; in den herfst gingen ze van den
eenen akker naar den anderen, heel Gothland door, en aten koren;
's zomers verspreidden ze zich over de hoeven in Sunnerbo, en leefden
van eieren, bessen en jonge vogels; maar iedere lente, als ze nesten
moesten bouwen en eieren leggen, kwamen zij naar de heide terug.

De kraai, die den lap uit het venster gepikt had, heette Garm
Witteveer, maar hij werd nooit anders dan Haspel genoemd, omdat
hij altijd dom en onhandig deed, en nergens goed voor was, dan om
uitgelachen te worden. Haspel was grooter en sterker dan een van de
andere kraaien; maar het hielp hem niets, hij was en bleef een mikpunt
van spotternij. Het baatte ook niet, dat hij van goede familie was. Als
alles was gegaan, zooals het behoorde, had hij zelfs aanvoerder van
den heelen troep moeten zijn, omdat die waardigheid sinds onheuglijke
tijden aan den oudste van de Witteveeren was opgedragen; maar lang
vóór Haspel werd geboren, was de heerschappij uit zijn geslacht aan
een ander overgegaan en nu in handen van een wreede en wilde kraai,
die Windsnel heette.

Die verplaatsing van de macht was gekomen, doordat de kraaien op de
kraaienvlakte een ander leven wilden gaan leiden. 't Kan wel zijn,
dat menigeen gelooft, dat alles, wat kraai heet, op dezelfde manier
leeft, maar dat is heelemaal onjuist. Er zijn heele kraaienvolken,
die een rechtschapen leven leiden, d.w.z., die zich voeden met zaad,
wormen, larven en doode dieren, en er zijn andere, die een echt
rooverleven leiden, op jonge hazen en kleine vogeltjes aanvliegen,
en elk vogelnest, dat zij in het oog krijgen, uitplunderen.

De oude Witteveeren waren streng en matig geweest, en zoo lang zij
den troep hadden aangevoerd, hadden zij de kraaien gedwongen zich
zoo te gedragen, dat andere vogels geen kwaad van hen zeggen konden;
maar de kraaien waren talrijk, en er heerschte veel armoede onder
hen. Ze konden het op den duur niet uithouden zoo'n sober leven te
leiden, zij maakten oproer tegen de Witteveeren, en gaven de macht
aan Windsnel, die de ergste nestenplunderaar en roover zou zijn,
die men bedenken kon, als zijn vrouw, Windkara niet nog erger was
geweest. Onder hun bestuur waren de kraaien begonnen zoo te leven,
dat zij nu nog meer dan valken en berguilen werden gevreesd.

Haspel had natuurlijk niets in te brengen in de groep. Allen waren
het er over eens, dat hij in 't geheel niet op zijn voorouders leek,
en dat hij niet deugde om leider te zijn.

Niemand zou over hem gesproken hebben, als hij niet altijddoor nieuwe
domheden had begaan. Enkelen, die heel wijs waren, zeiden nu en dan,
dat het misschien een geluk voor Haspel was, dat hij zoo'n onbeholpen
stakker was, anders zouden Windsnel en Kara hem niet bij den troep
hebben laten blijven, omdat hij tot het oude hoofdmansgeslacht
behoorde.

Nu waren ze heel vriendelijk voor hem, en namen hem graag meê op hun
jachtpartijen. Dan konden allen merken, hoe veel moediger en flinker
zij waren dan hij.

Geen van de kraaien wist, dat het Haspel was, die den lap uit
het venster had geplukt, en als ze het gehoord hadden, zouden ze
zeker ongeloofelijk verbaasd zijn geweest. Zulk een driestheid: een
menschenhuis te naderen, hadden zij niet van hem verwacht. Zelfs
verzweeg hij de zaak zorgvuldig en had daar zijn goede redenen
voor. Windsnel en Kara behandelden hem altijd goed overdag, en
als de anderen er bij waren, maar in een heel donkeren nacht, toen
de kameraden al op hun nachtverblijf in de boomen waren, was hij
door een paar kraaien aangevallen en bijna vermoord. Na dien tijd,
ging hij iederen avond, als het donker geworden was, van zijn gewone
slaapplaats naar de leege kamer.

Het gebeurde nu op een middag, toen de kraaien al hun nesten in orde
hadden gebracht op het kraaienveld, dat zij een merkwaardige vondst
deden. Windsnel, Haspel en een paar anderen waren in een grooten
kuil neergeslagen in den éénen hoek van de heide. Die kuil was niet
anders dan een verzakt dak van grint; maar de kraaien konden zich niet
met zulk een eenvoudige verklaring tevreden stellen, maar vlogen er
telkens weer in, en keerden elk zandkorreltje om, om er achter te
komen, waarom de menschen den kuil gegraven hadden. Juist toen de
kraaien daar liepen, stortte een massa grint van een kant naar beneden.

Ze vlogen er snel op af, en hadden het geluk onder neergevallen
steenen en grastoefjes een vrij grooten aarden pot te vinden, die
met een houten deksel afgesloten was. Ze wilden natuurlijk weten,
of er asch in was, en probeerden een gat in den pot te pikken en het
deksel los te maken, maar geen van beide gelukte hun.

Ze stonden radeloos bij elkaar, en bekeken den pot, toen ze iemand
hoorden zeggen: "Zal ik jelui helpen, kraaien?" Ze keken haastig
op. Aan den kant van den kuil zat een vos, en keek op hen neer. Hij was
een van de mooiste vossen, zoowel wat zijn kleur als figuur betreft,
dien ze ooit gezien hadden. Zijn eenigste fout was, dat hij maar één
oor had.

"Als je lust hebt ons een dienst te bewijzen," zei Windsnel, "zullen we
geen "neen" zeggen." Op 't zelfde oogenblik vlogen hij en de anderen
op uit den kuil. De vos sprong er in, op hun plaats, beet in den pot,
en trok aan het deksel, maar hij kon het ook niet open krijgen.

"Kun jij er achter komen, wat daarin zit?" vroeg Windsnel.

De vos rolde den pot heen en weer, en luisterde opmerkzaam. "Dat kan
niet anders dan zilvergeld zijn," zei hij.

Dat was meer, dan de kraaien verwacht hadden. "Denk je, dat het zilver
kan zijn?" zeiden ze, en de oogen rolden hun bijna uit het hoofd van
begeerigheid, want, hoe vreemd het ook klinken moge--er is niets in
de wereld, waar de kraaien zóó veel van houden, als van zilvergeld.

"Hoor ze eens rammelen!" zei de vos, en rolde den pot nog eens
rond. "Ik kan alleen niet begrijpen, hoe we er bij kunnen komen."

"Neen, dat zal wel onmogelijk zijn," zeiden de kraaien.

De vos stond met zijn kop tegen zijn linkerpoot te wrijven, en dacht
na. Misschien zou hij nu met behulp van de kraaien dien dwerg te
pakken kunnen krijgen, die hem altijd ontsnapte.

"Ik weet wel iemand, die den pot voor jelui zou kunnen openmaken,"
zei de vos.

"Wie dan? Wie dan?" riepen de kraaien, en kwamen zóó in vuur, dat ze
in den kuil vlogen.

"Dat zal ik jelui zeggen, maar je moet eerst beloven mijn voorwaarden
aan te nemen," zei hij.

Toen vertelde de vos van Duimelot, en zei aan de kraaien dat, als
ze hem naar de hei konden brengen, hij den pot wel voor hen zou
openmaken. Maar als loon voor dien raad vroeg hij, dat zij Duimelot
aan hem zouden uitleveren, zoodra hij hun het zilvergeld had bezorgd.

De kraaien hadden geen reden Duimelot te sparen; zij gingen dadelijk
op dit voorstel in.

Dit alles was nu gemakkelijk afgesproken, maar 't was moeilijker uit
te vinden, waar Duimelot en de wilde ganzen waren.

Windsnel vloog zelf weg met vijftig kraaien, en zei, dat hij gauw
terug wezen zou. Maar de eene dag na den anderen ging voorbij, zonder
dat de kraaien op 't kraaienveld een glimp van hen te zien kregen.



DE ROOF.


De wilde ganzen waren wakker bij 't eerste krieken van den dag, om
te probeeren wat eten te krijgen, eer zij de reis naar Oostgothland
begonnen. Het eilandje in den ganzenplas, waar zij geslapen hadden,
was klein en kaal, maar in het water, overal in het rond, waren
planten, waaraan zij hun genoegen konden eten. Voor den jongen was
het erger. Hij kon niets eetbaars vinden.

Toen hij, hongerig en huiverig door de morgenlucht, naar alle kanten
stond rond te kijken, vielen zijn oogen op een paar eekhoorns, die op
een met boomen begroeide landtong vlak voor het eiland speelden. Hij
wilde weten, of de eekhoorntjes nog iets van hun wintervoorraad over
hadden, en hij vroeg den witten ganzerik hem even naar de landtong
over te brengen, zoodat hij hun om een paar hazelnoten kon vragen.

De groote witte gans zwom vlug met hem over 't water, maar het
ongeluk wilde, dat de eekhoorns zóó'n pleizier hadden met elkaar van
boom tot boom te jagen, dat zij geen lust hadden naar den jongen
te luisteren. Ze trokken zich verder in 't bosch terug. Hij liep
hen hard achterna, en de ganzerik, die aan 't strand bleef liggen,
verloor hem al gauw uit het oog.

De jongen liep met moeite voort door een hoog bosje anemonen, dat hem
bijna tot de kin reikte, toen hij voelde, dat iemand hem van achteren
aangreep, en probeerde hem op te lichten. Hij keek om, en zag, dat
een kraai hem bij zijn hemdkraag vast had. Hij probeerde zich los
te rukken, maar vóór dit hem gelukt was, kwam gauw nog een kraai,
pakte hem bij zijn eene kous, en gooide hem op den grond.

Als Niels Holgersson maar gauw om hulp geroepen had, zou de witte
ganzerik hem stellig hebben kunnen bevrijden, maar de jongen
meende zeker, dat hij zich alleen wel tegenover een paar kraaien
kon redden. Hij schopte en sloeg, maar de kraaien lieten niet los,
en het gelukte hun met hem op te vliegen. Daarbij gingen ze zoo
onvoorzichtig te werk, dat zijn hoofd tegen een tak sloeg. Hij kreeg
een harden slag op de hersens, het werd donker voor zijn oogen,
en hij werd bewusteloos.

Toen hij weer bijkwam, was hij hoog boven in de lucht. Langzaam
werd hij weer helder. In het begin wist hij niet, waar hij was,
en wat hij zag. Als hij naar beneden keek, was 't hem, alsof onder
hem een reuzengroote, wollige mat lag, doorweven met groen en bruin
in groote onregelmatige figuren. Die mat was heel dik en prachtig,
maar hij vond, dat het zonde was, dat ze zoo verwaarloosd was. Zij
was heelemaal kapot; er liepen groote scheuren door, en hier en daar
waren er heele stukken uitgescheurd. En 't wonderlijkste was, dat ze
scheen te liggen op een spiegelvloer, want door de gaten en scheuren
heen scheen helder glimmend glas.

Wat de jongen daarna zag, was, dat de zon opkwam aan den
hemel. Dadelijk begon het spiegelglas onder de gaten en spleten in
de mat te glanzen in rood en goud. Dat stond prachtig, en de jongen
genoot van de mooie kleurschakeeringen, hoewel hij niet recht wist,
wat hij zag. Maar nu daalden de kraaien neer, en op eens merkte
hij, dat de groote mat onder hem de aarde was, bekleed met groene
dennenbosschen en bruin, kaal loofhout, en dat de scheuren en gaten
de blanke plassen en meertjes waren.

Hij herinnerde zich hoe hij, toen hij voor 't eerst hoog in de lucht
geweest was, had gevonden, dat de aarde in Skaane er uit zag als
een geruit stuk goed. Maar dit land, dat op een gescheurde mat leek,
wat zou dat zijn?

Allerlei vragen kwamen in hem op. Waarom zat hij niet op den rug
van den witten ganzerik? Waarom vloog er een zwerm kraaien om hem
heen? En waarom werd hij heen en weer gerukt en geslingerd, zoodat
hij bijna kapot ging.

Op eens werd hem dit alles duidelijk. Hij was weggeroofd door een paar
kraaien. De witte ganzerik lag aan het strand op hem te wachten, en
de wilde ganzen zouden vandaag naar Oost-Gothland op reis gaan. Zelfs
werd hij naar het zuidwesten meêgenomen; dat begreep hij, doordat
hij de zon achter zich had.

"Hoe zal het nu met den witten ganzerik gaan, als ik niet op hem
passen kan?" dacht de jongen, en hij begon de kraaien toe te roepen,
dat ze hem dadelijk naar de ganzen terug moesten brengen. Hij was
heelemaal niet bezorgd over zichzelf. Hij meende, dat ze hem bij
vergissing meênamen.

De kraaien stoorden zich geen zier aan zijn geroep, maar vlogen voort,
zoo hard ze konden. Een poos later sloeg een van hen met de vleugels
op een manier, die beteekent: "Pas op, er is gevaar!" Dadelijk daarna
doken ze neer in een dennenbosch, drongen door de reusachtige takken
heel tot op den grond in het woud, en zetten den jongen neer onder
een grooten tak, waar hij zoo goed verborgen was, dat zelfs geen valk
hem in het oog had kunnen krijgen.

Vijftig kraaien gingen om den jongen heen staan, met de snavels naar
elkaar toe gekeerd, om hem te bewaken.

"Nu kan ik zeker wel gewaarworden, kraaien, waarom jelui me hebt
meêgenomen?" Maar hij had nauwelijks uitgesproken, voor een groote
kraai hem toesnauwde: "Houd je stil! Anders pik ik je de oogen uit!"

't Was duidelijk, dat de kraai meende wat hij zei, en de jongen kon
alleen gehoorzamen. Toen zat hij daar en keek de kraaien aan, en de
kraaien keken hem aan.

Hoe langer hij ze aankeek, hoe minder hij met ze ingenomen werd.

't Was vreeselijk, zoo stoffig en slecht onderhouden hun vleugels
waren, precies alsof ze van geen baden of invetten wisten. Hun
teenen en pooten waren vuil van aangedroogde aarde, en ze hadden
overblijfselen van eten in de mondhoeken. 't Waren andere vogels
dan wilde ganzen, dàt kon hij wel merken. Hij vond, dat ze er wreed,
valsch, uitgeslapen en brutaal uitzagen, als boeven en landloopers.

"'t Is zeker een echte rooverstroep, waar ik tusschen geraakt ben,"
dacht hij.

Op 't zelfde oogenblik hoorde hij den lokroep van de wilde ganzen boven
in de lucht: "Waar ben je? Hier ben ik! Waar ben je? Hier ben ik!"

Hij begreep, dat Akka en de anderen waren uitgegaan om hem te zoeken,
maar eer hij antwoorden kon, snauwde de groote kraai, die de aanvoerder
van de bende scheen, hem in 't oor: "Denk aan je oogen!" En hij kon
niet anders dan zwijgen.

De wilde ganzen wisten zeker niet, dat hij zóó dicht bij hen was,
maar vlogen stellig toevallig over dit bosch. Hij hoorde hun roepen
nog een paar keer; toen stierf het weg.

"Ja, nu moet je jezelf redden, Niels Holgersson," zei hij tot
zichzelf. "Nu moet je toonen, dat je wat geleerd hebt in die weken,
dat je in de wildernis hebt gewoond."

Een poos later maakten de kraaien aanstalten om op te breken, en toen
ze ook nu van plan schenen hem op dezelfde manier meê te nemen, dat de
een hem bij den hemdkraag vasthield en de andere bij een kous, zei de
jongen: "Is er nu niemand onder jelui kraaien, die zoo sterk is, dat
hij mij op den rug kan dragen? Jelui hebt me al zoo slecht behandeld,
dat ik een gevoel heb, alsof ik in stukken gebroken ben. Laat me maar
rijden. Ik zal niet van den kraaienrug springen, dat beloof ik jelui."

"Verbeeld je maar niet, dat we er iets om geven hoe je het hebt,"
zei de aanvoerder; maar nu kwam de grootste kraai, een slordige,
grove, die een witte veer in den vleugel had, naar voren en zei:
"'t Zou toch voor ons allemaal beter zijn, Windsnel, als Duimelot
in zijn geheel overkwam, dan dat hij stuk ging, en daarom wil ik
probeeren hem op mijn rug te dragen."

"Als je dat kunt, Haspel, heb ik er niets tegen," zei Windsnel;
"maar laat hem niet vallen."

Hiermeê was al veel gewonnen, en de jongen voelde zich weer recht in
zijn schik.

"'t Is niet noodig, dat ik den moed verlies, omdat ik door de kraaien
ben meêgenomen," dacht hij. "Met die stakkers zal ik 't wel vinden."

De kraaien vlogen steeds naar het zuidwesten over Smaland. 't Was
een prachtige morgen, zonnig en kalm, en de vogels beneden op de
aarde waren ijverig bezig hun liefdesliederen te zingen. In een hoog,
donker bosch zat de lijster zelf met hangende vleugels en een dikke
keel boven in een dennetop, en sloeg wat hij kon.

"Wat ben je mooi, wat ben je mooi!" zong hij. "Niemand is zoo mooi,
niemand is zoo mooi!" En zoodra hij dat liedje uitgezongen had,
begon hij opnieuw.

Maar toen werd de jongen juist over 't bosch gedragen, en toen hij dat
liedje een paar keer gehoord had, en begreep, dat de lijster geen ander
kende, zette hij de beide handen voor den mond, en riep naar beneden:
"Dat hebben we meer gehoord! Dat hebben we meer gehoord!"

"Wie is dat? wie is dat? wie houdt me voor den gek?" vroeg de lijster,
en probeerde te zien, wie geroepen had.

"Dat is Kraaienroof, die met je liedje spot," antwoordde de jongen. De
kraaienaanvoerder keerde toen den kop om, en zei: "Pas op je oogen,
Duimelot." Maar de jongen dacht: "Neen, daar geef ik niet om. Ik wil
je juist toonen, dat ik niet bang voor je ben."

Steeds verder vlogen ze het land in, en bosschen en meren waren
overal. In een berkenhaag zat een houtduif op een kalen tak, en
voor haar stond de doffer. Hij zette zijn veeren op, boog den hals,
liet zijn lichaam op en neer gaan, zoodat zijn borstveeren langs
den tak ruischten. Soms kirde hij. "Jij, jij, jij bent de mooiste in
't bosch. Niemand is zoo mooi als jij, jij, jij!"

Maar boven in de lucht vloog de jongen voorbij, en toen hij den
doffer hoorde, kon hij zich niet stilhouden. "Geloof hem niet,
geloof hem niet," riep hij. "Wie... wie... wie is dat, die zegt,
dat ik jok?" kirde de doffer, en probeerde te zien, wie daar tegen
hem schreeuwde.

"Dat is de kraaienvangst! die zegt, dat je jokt!" antwoordde de
jongen. Weer keerde Windsnel den kop naar den jongen, en beval hem
te zwijgen. Maar Haspel, die hem droeg, zei: "Laat hem toch praten,
dan denken de vogeltjes, dat wij, kraaien, aardige, grappige vogels
geworden zijn."

"Zij zijn toch zoo dom niet," zei Windsnel, maar hij vond dat idee
toch wel goed, want van toen af liet hij den jongen roepen, zooveel
hij wilde.

Zij vlogen meest over bosschen en boschrijke streken, maar er
waren natuurlijk ook kerken en dorpen en hutjes aan den zoom van
't bosch. Zij zagen een oude, welvarende hoeve. Die lag met het
bosch achter zich en 't meer voor zich, had roode muren en een dak
met gebroken lijnen, geweldige ahornboomen om de plaats, en groote
kruisbesplanten vol lange takken in den tuin. Boven op den windhaan
zat de spreeuw, en zong zoo hard, dat het wijfje, dat in 't nestje
in den pereboom zat te broeden, elken toon kon hooren. "We hebben
vier mooie eitjes," zong de spreeuw. "We hebben vier mooie ronde
eitjes. We hebben 't heele nest vol met prachtige eieren."

Toen de spreeuw dit liedje voor den duizendsten keer zong, vloog de
jongen over de hoeve. Hij zette de handen voor den mond als een pijp,
en riep: "De ekster zal ze opeten, de ekster zal ze opeten!"

"Wie is dat, die me bang wil maken?" vroeg de spreeuw, en sloeg
onrustig met de vleugels.

"Dat is de kraaienvangst, die je bang maakt," zei de jongen. En
dien keer probeerde de kraaienaanvoerder niet den jongen stil te
houden. Integendeel vonden hij en de heele troep het zoo aardig,
dat ze krasten van pleizier.

Hoe verder ze het land invlogen, hoe grooter de meren werden, en hoe
rijker de streek aan eilanden en landtongen werd. En aan het strand
stond de woerd te buigen voor zijn bruidje. "Ik zal je mijn heele leven
trouw blijven, ik zal je mijn heele leven trouw blijven," zei hij.

"Dat duurt maar, tot de zomer voorbij is," riep de jongen in 't
voorbijgaan.

"Wie ben jij?" riep de woerd.

"Ik heet, "door de kraaien gestolen"," schreeuwde de jongen.

Tegen den middag sloegen de kraaien neer op een openbare weide. Ze
liepen rond om eten te zoeken, maar niemand van hen dacht er aan den
jongen wat te geven.

Toen kwam Haspel op den hoofdman toe met een tak van een doornstruik,
waar een paar rozebottels aan zaten.

"Dat is voor jou, Windsnel," zei hij. "Dat is lekker eten, dat goed
voor je is."

Windsnel blies verachtelijk. "Meen je, dat ik dorre, oude rozebottels
eten wil?" zei hij.

"Ik dacht, dat je er blij meê wezen zou," zei Haspel mismoedig,
en gooide den tak met rozebottels weg. Maar die viel vlak voor den
jongen neer, en hij pakte hem gauw, en at ervan, tot hij genoeg had.

Toen de kraaien gegeten hadden, begonnen zij te praten.

"Waar denk je aan, Windsnel? Je bent zoo stil vandaag," zei een van
hen tot den aanvoerder.

"Ik denk er aan, hoe hier in deze streek eens een kip leefde, die
zooveel van haar meesteres hield, en om haar eens echt pleizier te
doen, legde zij een massa eieren, die ze onder den vloer in de schuur
verstopte. En al dien tijd, dat ze zat te broeien, dacht zij er aan,
hoe blij de vrouw met die kuikentjes zou zijn. Haar meesteres was
natuurlijk nieuwsgierig, waar zij al dien tijd bleef. Ze zocht haar,
maar vond ze niet. Kun je raden, Langsnavel, wie haar en de eieren
vond?"

"Ik geloof wel, dat ik het raden kan, Windsnel, maar nu je daarover
spreekt, zal ik iets dergelijks vertellen. Herinner je je die groote
zwarte kat wel, uit de pastorie van Hinneryd? Zij was ontevreden met
haar volk, omdat die haar al haar pasgeboren jongen afnamen en die
verdronken. Maar ééns gelukte het haar ze te verbergen, en dat was,
toen zij ze in een stroobos buiten op het veld had gebracht. Ze was
zoo blij met de jongen, maar ik geloof, dat ik meer pleizier van hen
had, dan zij."

Nu werden ze allemaal zoo opgewonden, dat ze elkaar voortdurend in
de rede vielen:

"Wat is daar nu aan, om eieren en jongen te stelen," zei de een. "Ik
heb eens op een jongen haas gejaagd, die bijna volwassen was. Ik
moest hem van den eenen struik naar den anderen jagen...."

Verder kwam ze niet, want een ander nam het woord: "'t Kan nu wel
prettig zijn om kippen en katten te plagen, maar ik vind het nog
merkwaardiger, dat een kraai een mensch ergeren kan. Ik heb eens een
zilveren lepel gestolen...."

Maar nu achtte de jongen zich toch te goed om naar zulke praatjes
te luisteren.

"Neen, hoor eens, jelui kraaien," zei hij, "ik vind, dat jelui je
schamen moest, om over al jelui leelijke streken te praten. Ik heb drie
weken lang onder de wilde ganzen geleefd, maar ik heb niets anders dan
goeds gehoord en gezien. Jelui moet wel een slechten aanvoerder hebben,
die je laat rooven en moorden op die manier. Jelui moesten een ander
leven beginnen, want ik kan jelui dit wel zeggen, dat de menschen zóó
genoeg van jelui boosheid hebben, dat ze met alle macht probeeren je
uit te roeien. En dan zal het wel gauw met jelui gedaan zijn."

Toen Windsnel en de kraaien dat hoorden, werden ze zóó boos, dat ze
van plan waren op den jongen aan te vliegen om hem te verscheuren. Maar
Haspel kraste en schreeuwde, en ging voor hem staan.

"Neen, neen, neen!" riep hij, en zag er doodverschrikt uit. "Wat
meen je wel, dat Windkara zeggen zal, als jelui Duimelot verscheurt,
vóór hij ons het zilvergeld bezorgd heeft?"

"Wat ben jij bang voor vrouwvolk, Haspel!" zei Windsnel, maar hij
liet hem toch met rust, en ook de anderen deden Duimelot niets.

Kort daarop trokken de kraaien verder. Tot nu toe had de jongen
gedacht, dat Smaland niet zoo'n arm land was, als hij wel gedacht
had. Wel was het met bosch begroeid en vol bergtoppen, maar langs
de beken en meren lagen bebouwde velden, en werkelijk woesten grond
had hij niet gezien. Maar hoe verder zij het land in kwamen, hoe
zeldzamer de steden en hutjes werden. Eindelijk vond hij, dat hij
over een echte woestenij heen vloog, waar hij niet anders zag dan
moerassen, heiden en heuvels, met jeneverbessen begroeid.

De zon was ondergegaan, maar het was nog helder dag, toen de kraaien
de groote heide bereikten. Windsnel zond een kraai vooruit, om te
vertellen, dat het hem goed gegaan was, en toen dat bekend werd, vloog
Windkara met honderd kraaien op van het kraaienveld, om de aankomenden
te gemoet te gaan. Onder het oorverdoovend gekras, dat de kraaien
aanhieven, toen ze elkaar ontmoetten, zei Haspel tegen den jongen:
"Je bent zoo vroolijk en grappig geweest op reis, dat ik veel van je
ben gaan houden. Daarom wil ik je een goeden raad geven. Zoodra we
beneden komen, zullen ze je vragen een werkje te doen, dat je heel
gemakkelijk zal voorkomen. Maar pas op, dat je het niet doet!"

Onmiddellijk daarna zette Haspel Niels Holgersson neer in een
zandkuil. De jongen liet zich op den grond vallen, en bleef liggen,
alsof hij doodaf van vermoeidheid was. Er vlogen zóóveel kraaien om hem
heen, dat de lucht bruiste als door een storm, maar hij keek niet op.

"Duimelot," zei Windsnel, "sta nu op! Je moet ons helpen met iets,
wat je heel gemakkelijk doen kunt."

Maar de jongen bewoog zich niet. Hij deed, alsof hij sliep. Toen nam
Windsnel hem bij den arm, en sleepte hem voort over het zand, tot bij
een aarden pot van een ouderwetsch model, die midden in den kuil stond.

"Sta op, Duimelot," zei hij, "en doe dien pot open."

"Waarom laat je me toch niet slapen?" zei de jongen. "Ik ben te moe
om vanavond nog iets te doen. Wacht tot morgen."

"Doe dien pot open!" zei Windsnel, en schudde hem heen en weer. De
jongen ging toen recht overeind zitten, en bekeek den pot nauwkeurig:
"Hoe kan ik, arm kind! zoo'n pot openkrijgen. Die is immers even
groot als ik zelf."

"Doe hem open!" beval Windsnel nog eens, "anders zal 't je niet
best gaan!"

De jongen stond op, ging wankelend naar den aarden pot, voelde aan
het deksel, en liet de armen weer zinken.

"Ik ben toch anders zoo zwak niet," zei hij. "Als jelui me maar tot
morgen wilt laten slapen, denk ik wel, dat ik het met dat deksel
klaar zal spelen."

Maar Windsnel was ongeduldig; hij vloog vooruit, en pikte den jongen
in het been. Maar zóó wou de jongen zich niet door een kraai laten
behandelen. Hij rukte zich snel los, sprong een paar pas achteruit,
trok zijn mes uit den gordel, en hield dat voor zich uit. "Pas op,
jij!" riep hij Windsnel toe.

Maar die was zoo verbitterd, dat hij het gevaar niet telde. Alsof hij
blind was, stoof hij op den jongen af, en kwam recht op het mes toe,
zoodat het door zijn oog in zijn hersens drong. De jongen trok wel
het mes terug, maar Windsnel sloeg nog even met de vleugels, en zonk
toen dood neer.

"Windsnel is dood! De vreemdeling heeft Windsnel, onzen hoofdman,
vermoord!" riepen de kraaien, die het dichtste bij stonden, en daarop
ontstond een vervaarlijk rumoer.

Sommigen jammerden, anderen riepen om wraak! allen sprongen of
fladderden op Duimelot af, met Haspel aan 't hoofd. Maar die gedroeg
zich, als naar gewoonte, averechts verkeerd. Hij fladderde maar met
uitgespreide vleugels boven den jongen, en verhinderde de anderen
hem met hun snavel te doorboren.

Nu vond de jongen toch, dat hij 't erg voor zich had bedorven. Hij
kon van de kraaien niet weg komen, en er was geen plaats, waar hij
zich zou verbergen. Maar toen dacht hij op eens aan den pot.

Hij rukte hard aan het deksel, en kreeg dat er af. Toen sprong bij
in den pot om zich daarin te verbergen. Maar dat was een slechte
schuilhoek; want die was bijna tot den rand gevuld met zilveren
penningen. De jongen kon er niet diep genoeg inkomen. Daarom boog
hij zich neer, en begon de geldstukken er uit te gooien.

Tot nu toe hadden de kraaien in een dichten zwerm om hem heen gevlogen,
en naar hem gepikt. Maar toen hij de geldstukken uit den pot gooide,
vergaten ze op eens hun wraakzucht, en begonnen 't zilver op te
rapen. De jongen gooide het geld met handenvol weg, en alle kraaien,
zelfs Windkara, vingen het op. En elk, die een muntje te pakken kreeg,
vloog naar zijn nest om dat op te bergen.

Toen de jongen al het geld uit den pot had gegooid, keek hij op. Nog
maar één kraai was er over in den zandkuil. Dat was Haspel met de
witte veer in den vleugel, die hem op den rug had gedragen.

"Je hebt mij een grooter dienst bewezen, dan jezelf kunt begrijpen,
Duimelot," zei de kraai op een heel anderen toon dan vroeger, "en ik
wil je leven redden. Ga op mijn rug zitten, dan zal ik je naar een
schuilplaats brengen, waar je van nacht veilig zult zijn. Morgen zal
ik er voor zorgen, dat je bij de wilde ganzen terugkomt."



HET HUTJE.


Den volgenden morgen, toen de jongen wakker werd, lag hij in een
bed. Toen hij zag, dat hij in een huis was, met vier muren om hem
heen en een zolder boven zijn hoofd, meende hij, dat hij thuis was.

"Zou Moeder niet gauw komen met de koffie?" mompelde hij, nog half
dommelend. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij in een verlaten
hutje op het kraaienveld lag, en dat Haspel met de witte veer hem
daar den vorigen avond had heengebracht.

De jongen had pijn in al zijn ledematen na den tocht van den vorigen
dag, en hij vond het heerlijk stil te blijven liggen, terwijl hij op
Haspel wachtte, die beloofd had hem te komen halen.

Er hingen gordijntjes van geruit katoen om het bed, en hij schoof ze
op zij, om de kamer in te kijken.

Hij merkte al gauw, dat hij nooit een gebouwtje als dit had gezien. De
wanden bestonden enkel uit een rij boomstammen; daarboven begon
het dak, dat van binnen niet beschoten was: men zag dadelijk de
nok van het dak. De heele kamer was zoo klein, dat ze eerder voor
zulke kleintjes als hij, dan wel voor echte menschen scheen gebouwd,
maar toch waren de haard en de muur voor den haard zóó ruim genomen,
dat hij zich niet herinnerde die ooit zoo groot te hebben gezien. De
deur was in den gevelmuur naast den haard gemaakt, en was zoo klein,
dat ze wel een luikje leek. In den anderen gevelmuur zag hij een laag
en breed venster met veel kleine ruitjes. In de kamer waren bijna
geen losse meubels. De bank langs den eenen muur en de tafel onder
het venster waren aan den wand vastgebouwd, en ook het groote bed,
waarin hij lag, en de bonte kast aan den muur.

De jongen kon niet laten zich verwonderd af te vragen, van wien dit
hutje wel wezen zou, en waarom het leeg stond. 't Zag er wel uit,
alsof de menschen, die daar hadden gewoond, van plan geweest waren
weer terug te komen. De koffiekan en de breipan stonden nog op den
haard, en er lag wat brandhout in een hoek. De pook en de kolenschop
stonden ook in den hoek; het spinnewiel was op een bank gezet, op de
plank boven het venster lagen werk en vlas, een paar strengen garen,
een vetkaars en een bos zwavelstokken.

Ja, 't zag er hier zeker uit, alsof zij, die de kamer bewoond hadden,
van plan waren geweest terug te komen. Er lagen dekens en lakens in
't bed, en aan den wand zaten nog repen doek, waarop drie mannen
te paard: Kasper, Melchior en Balthasar waren geschilderd. Dezelfde
paarden en ruiters waren er dikwijls afgebeeld. Zij reden om de heele
kamer heen, en zetten hun tocht zelfs langs de dakbalken voort.

Maar aan het dak zag de jongen iets, wat hem in eens op de been
bracht. Dat waren een paar oude sneedjes brood, die daar aan een spil
hingen. Ze zagen er wel oud en duf uit, maar 't was toch brood. Hij
gaf ze een slag met de kolenschop, zoodat er een stuk op den grond
viel. Hij at ervan, en stopte zijn zakken vol. 't Was ongelooflijk
hoe lekker dat brood toch altijd smaakte.

Hij keek nog eens rond in de kamer om te zien, of er niet nog wat
bij was, dat hij gebruiken en meênemen kon.

"Ik mag zeker wel nemen, wat ik noodig heb, als niemand anders erom
geeft," dacht hij. Maar het meeste van al, wat hij daar zag, was te
groot en te zwaar. Het eenige, wat hij meê kon nemen, zou hoogstens
een paar stukjes lucifer kunnen zijn.

Hij klauterde op de tafel, en sprong later, met behulp van de
gordijnen, met een zwaai in de vensterbank. Terwijl hij daar stond
en de lucifers in zijn zak stopte, kwam de kraai met de witte veer
door het venster binnen.

"Ziezoo, hier ben ik nu," zei Haspel, en streek op de tafel neer. "Ik
kon niet eerder komen, omdat wij kraaien een nieuwen aanvoerder hebben
gekozen, als opvolger van Windsnel."

"Wie hebben jelui gekozen?" vroeg de jongen.

"Wij hebben Garm Witteveer gekozen, die vroeger Haspel heette,"
antwoordde hij, en rekte zich uit, zoodat hij er heel majestueus
uitzag.

"Dat was een goede keus," zei de jongen, en feliciteerde hem.

"Ja, je mag me wel feliciteeren," zei Garm, en begon den jongen te
vertellen, hoe akelig hij het vroeger met Windsnel en Kara had gehad.

Midden onder dit verhaal hoorde de jongen buiten een stem, die hij
meende te herkennen.

"Is hij hier?" vroeg Smirre, de vos.

"Ja, hier is hij verstopt," antwoordde een kraaienstem.

"Pas op, Duimelot!" riep Garm. "Windkara staat buiten met dien vos,
die je wil opeten!"

Meer kon hij niet zeggen, want Smirre deed een sprong naar het
venster. Het oude, vermolmde vensterkozijn gaf mêe, en Smirre stond
een oogenblik later op de vensterbank. Garm Witteveer, die geen tijd
had om weg te vliegen, beet hij meteen dood. Toen sprong hij op den
vloer, en keek rond naar den jongen.

Die probeerde zich achter den grooten hoop werk te verstoppen, maar
Smirre had hem al gezien, en kroop in elkaar om een sprong te doen. En
het hutje was zoo klein, dat de vos hem zonder eenige moeite zou kunnen
pakken. Maar op dit oogenblik was hij niet ongewapend. Haastig streek
hij een lucifer aan, stak die in het werk en toen dat in brand vloog,
gooide hij het op den vos. En toen 't vuur hem raakte, werd de vos
door een waanzinnigen schrik aangegrepen. Hij dacht niet meer aan
den jongen, maar vloog half zinneloos van angst de kamer uit.

Maar het scheen, dat de jongen aan 't eene gevaar ontsnapt was, door
een nog grooter over zich te brengen. Van den prop werk, waarmeê hij
Smirre had gegooid, had de vlam de bedgordijnen bereikt. Hij sprong
op den grond, en trachtte het te dooven, maar het brandde al veel
te fel. De heele hut was al gauw vol rook, en Smirre, die buiten het
venster stond, begon te begrijpen, hoe het daar binnen gesteld was.

"Nu, Duimelot," riep hij, "wat kies je nu? Gebraden te worden, of bij
mij te komen? Ik zou je wel het allerliefst opeten, maar hoe de dood
je ook te pakken krijgt, is 't mij goed!"

De jongen dacht niet anders, of de vos had gelijk, want de brand nam
met vliegende vaart toe. 't Heele bed brandde al, uit den vloer kwam
de rook op, en op de geschilderde houten latten kroop de vlam van den
eenen ruiter naar den anderen. De jongen was op den haard gesprongen,
en probeerde de deur van den oven open te krijgen, toen hij op eens een
sleutel in het slot hoorde steken en zachtjes omdraaien. Dat moesten
menschen zijn, die aankwamen, en in den nood, waarin hij nu verkeerde,
werd hij niet bang, maar alleen blij. Hij stond al op den drempel, toen
de deur eindelijk open ging. Hij zag een paar kinderen vóór zich, maar
wat ze voor gezichten zetten, toen zij het hutje in brand vonden, hij
had geen tijd, om er naar te kijken; hij vloog ze voorbij, naar buiten!

Hij durfde niet ver weg te loopen. Hij wist wel, dat Smirre, de vos,
op hem loerde, en hij begreep, dat hij in de buurt van de kinderen
moest blijven. Hij keek om, om te zien wat het voor kinderen waren,
maar hij had ze nog geen seconde aangezien, voor hij ze tegemoet vloog,
en riep: "Kijk eens hier! Dag Asa, dag Mads!"

Want toen de jongen die kinderen zag, vergat hij heelemaal, waar
hij was. De kraaien, de brandende hut, de sprekende dieren verdwenen
uit zijn herinnering. Hij liep op een stoppelveld in 't westen van
Vemmenhög, en hoedde de ganzen, en op het veld naast hem liepen die
kinders uit Smaland met hùn ganzen. En zoodra hij ze zag, sprong hij
op het steenen walletje, en riep. "Dag Asa, dag Mads!"

Maar toen de kinderen zoo'n klein dwergje op zich af zagen komen met
uitgestrekte hand, hielden ze elkaar vast, deden een paar stappen
achteruit, en zagen er doodverschrikt uit.

Toen de jongen hun schrik zag, kwam hij tot zichzelf, en herinnerde
zich, wie hij was. En toen vond hij, dat hem niets ergers
kon overkomen, dan dat juist die kinderen zouden zien, dat hij
betooverd was. Schaamte en verdriet, omdat hij geen mensch meer was,
overweldigden hem. Hij keerde zich om, en liep weg--hij wist zelf
niet waarheen.

Maar een blijde ontmoeting wachtte den jongen, toen hij op de heide
kwam. Want daar in het heikruid, kwam hem de witte ganzerik met Donsje
tegemoet. Toen de witte den jongen zóó hard zag loopen, meende hij,
dat gevaarlijke vijanden hem vervolgden. Hij gooide hem haastig op
zijn rug, en vloog met hem weg.



XV.

DE OUDE BOERIN.


Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten
avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van
Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden,
moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens,
die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden. "Als een
van de lange bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat
een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede
slaapplaats," zei de een.

"Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo
zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een
best nachtverblijf zijn," zei de andere.

"Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van
't land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist
gevonden, wat wij zoeken," zei de derde.

't Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers
zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den
grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger,
al naarmate de nacht naderde.

"'t Is toch ongelukkig," dacht hij, "dat wij in een land zijn gekomen,
waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen
kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar
nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de
lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om
een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats
vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt."

Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar
hij kon binnengaan. En 't was een donkere, koude avond met wind en
stofregen. 't Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen.

't Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen
te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze
waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te
kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme
reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de
verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben,
omdat ze de hulp, die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen.

Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwlijks een
streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee, die aan
slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij
een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen,
dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in 't geheel niet bewoond te
zijn. Geen rook steeg uit den schoorsteen op, geen licht scheen uit de
vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie,
hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij:
"'t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen
te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden."

Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee
van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar
de derde zag haastig rond, om te ontdekken, hoe hij onder dak komen
kon. 't Was geen kleine hoeve. Behalve 't woonhuis, den stal en de
schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren,
voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen.

Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe,
met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te
vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan
kapotte scharnieren. 't Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite
had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij.

Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de
koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze
bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak,
dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte
van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden
zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsend openging, hoorde hij,
dat een koe begon te loeien.

"Kom je daar eindelijk, Vrouw," zei de koe. "Ik dacht, dat ik vanavond
niets te eten zou krijgen."

De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte,
dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer
dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed.

"Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar
geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunnen vangen,"
zei hij. "We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor
ons was."

"Dat zou ik wel denken," antwoordde de koe. "Wel zijn de muren slecht,
maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude
vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wie
zijn jelui eigenlijk?" ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal
omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien.

"Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter
is veranderd," antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen,
"en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans."

"Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest," zei de koe,
"en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen
was, om mij mijn avondvoer te brengen."

De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en
zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor
zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook
gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme
koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik
stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal,
en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar
lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste
dagen was overkomen.

Hij dacht aan Asa, 't kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads,
die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het
hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest
zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo'n hutje
hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren
zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze er bij kwamen,
sloegen de vlammen er uit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij
hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een
mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden.

Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht,
die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als
aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in
de oogen kreeg.

Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was 't
een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden.

De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt
hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleine dieren in 't bosch
naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep
kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw
mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee
verschillende kanten uit zouden vliegen, om hem te zoeken. Maar nadat
ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij--of ze hem hadden gevonden of
niet,--bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop,
die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun
de beste aanwijzingen had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig
beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen.

De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden
hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder
dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop
gezeten, riep en bromde over iemand, die zich "kraaienroof" had genoemd
en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek
aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was
uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet,
alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord,
en "door de kraai gestolen," "kraaienvangst" en "kraaienroof" geheeten
had. Op die manier hadden zij Duimelot's spoor gevonden, tot bij de
heide van Sunnerbo.

Zoodra de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar
het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan,
en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht
kregen.

"Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij," dacht
de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden.

De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op
eens tegen den jongen te praten.

"Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat
hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe
hij een koe moet behandelen."

"Wat scheelt je dan?" vroeg de jongen.

"Mij scheelt van alles," zei de koe. "Ik ben niet gemolken en niet
verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch
stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk,
maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan,
en ze is niet meer terug gekomen."

"'t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben," zei de jongen. "Ik
geloof niet, dat ik je helpen kan."

"Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je klein bent,"
zei de koe. "Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken, waren
zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één
vuistslag doodslaan."

De jongen kon niet laten te lachen. "Dat waren zeker andere kabouters
dan ik," zei hij. "Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor
je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen
op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te
klimmen en hooi in je krib te gooien."

"Ja, dat zou altijd wel wat helpen," zei de koe.

De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde
krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar
pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten:

"Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag,"
zei de koe.

"Neen, dat zal ik niet, als 't maar iets is, wat ik doen kan," zei
de jongen.

"Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het
met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is."

"Neen, dat kan ik niet doen," zei de jongen. "Ik durf me niet aan
menschen te vertoonen."

"Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw," zei de
koe. "Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de
deur staan, en kijk door een kier."

"Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen,"
zei de jongen.

Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. 't Was een
vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde,
en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote
uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. 't Was akelig ze
te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over 't weer. En nog erger
was het te denken, dat--als maar één van hen hem in 't oog kreeg,
het met hem gedaan zou zijn.

"Die arme kleintjes," zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat
mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis
was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat
hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch.

Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel,
en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was
een gat voor de kat om er uit en in te gaan. 't Was dus voor den jongen
niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was. Nauwelijks
had hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer
terug. Een oude vrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer
uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht
was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof een onzichtbare maan er een
bleek licht over liet vallen.

De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn
gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat
het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen
moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet
eens meer naar bed had kunnen gaan.

Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den
donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de
stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde,
wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op.

"O zoo! is de vrouw dood?" zei ze, "Dan is het ook gauw met mij
gedaan?"

"Er zal wel iemand voor je zorgen," zei de jongen troostend.

"Je weet niet," zei de koe, "dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe
gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er
ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen."

Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet
sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten.

"Ligt ze op den grond?" vroeg ze.

"Ja, dat doet ze," zei de jongen.

"Ze had de gewoonte in de schuur te komen," ging de koe voort,
"en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik
haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over,
dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze
was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken, of de
armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil
jij dat wel gaan doen?"

De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader
gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat
dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in
dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet:
"neen"; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur.

Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord
wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek
niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken.

Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen,
die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur
geweest, en 's zomers gingen ze met het vee naar 't moeras en langs
de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze
waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel,
of haar hoeders flinke menschen waren.

En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd
zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar
het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er
was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende
weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden,
en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in 't huis en in de
stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur open deed,
had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen
geloeid, als zij haar hoorden komen.

Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat
ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al 't werk,
en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en
ze had geploegd en geoogst. 's Avonds, als ze in den stal kwam om
te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze
aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen
uit de oogen, en zei: "Dat is niets. Ik zal 't ook wel goed krijgen,
als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!"

Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen
over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar
vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de
kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun
kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de
vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij
hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En 's avonds,
als de vrouw zoo moe was, dat ze onder 't melken bijna insliep,
werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. "Ik zal 't wel weer
goed krijgen," zei ze, en wreef zich den slaap uit de oogen, "als ze
maar eerst groot zijn."

Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in
't vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De
oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit
om bij haar te blijven.

"Vind je, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze
de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?" placht zij te zeggen,
als zij in de schuur bij de oude koe stond. "Hier in Smaland kunnen
ze niet anders dan armoe verwachten."

Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen
kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder
't loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte
niet meer. Ze wilde de hoeve niet meer verzorgen, maar liet alles
vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen
en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met
Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen
haar gekend hadden.

Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die
haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich
heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En
misschien had ze maar 't liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu
geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij
arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang,
dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had.

"Als de kinderen 't maar niet hooren! Als de kinderen 't maar nooit
hooren!" zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde.

De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen,
maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar
had afgenomen. Ze haatte het.

"'t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo
goed voor hen was," zei ze. "Maar ik wil het niet zien."

Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze
waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten,
om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den
heelen dag aan den kant van 't moeras, met de handen in den schoot;
en als ze naar huis ging, zei ze: "Zie je Rödlina, als hier groote,
vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden
ze niet hoeven weg te gaan."

Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen
nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had,
dat haar kinderen van haar waren weggegaan.

Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan
ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had
tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij
haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken,
en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden.

"Hoor je wel, Rödlina?" had ze gezegd, "hoor je, dat ze zeiden, dat
er rogge op 't moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven,
dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu
kunnen ze hun brood hier thuis verdienen."

Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan.

De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de
schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer
met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest.

Eerst stond hij een poos stil rond te kijken.

De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was
rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen,
die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche
schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed,
een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten
van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten,
op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke,
gedraaide kaarsen.

De jongen zocht een lucifersdoos, en stak die kaarsen aan, niet omdat
hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode
eer te bewijzen.

Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen
gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar
gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij
was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en
verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht
bij haar lijk waken.

Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid
voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder.

Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen
verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven
voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze
thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw
naar haar kinderen!

Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij
was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat
hij niet geweest was, kon hij misschien worden.

Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. 't
Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. 't Waren
bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met
krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als
blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien.

"Arme menschen!" zei de jongen tegen de portretten. "Jelui moeder is
dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maar
mijn moeder leeft."

Hier hield hij even op, en glimlachte.

"Mijn moeder leeft," zei hij. "Vader en Moeder leven allebei!"



XVI.

VAN TABERG NAAR HUSKVARNA.


De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den
morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze
bijna niet herkennen. Beiden hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde
gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden,
dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden
verlangd. Hij was hierdoor bewogen en er over verbaasd, want hij had
nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen
de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder
weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf
toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open,
opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze
daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht
stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan,
om te zien, hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden
en haar begraven.

Nauwlijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven,
of ze kregen een hoogen berg in 't oog, met bijna loodrechte wanden
en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest
wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met IJksi en Kaksi,
Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen
op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een
fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen,
dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden.

Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven
op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek
men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets
anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen,
bruine moerassen, met ijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De
jongen kon niet laten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat
geschapen had, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar
het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden,
dan was het iets heel anders. Hier zag het toen eruit, alsof het met
de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter
mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende
stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs
en stralend helder daar lag te glanzen, alsof 't niet met water,
maar met blauw licht was gevuld.

't Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo
mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer
was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen
en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien
waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen
gloed gehuld, dat het oog streelde. Als er landen in den hemel waren,
zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende,
dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in 't Paradijs uitzag.

Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze
naar dat blauwe dal. Ze waren in 't allerbeste humeur, schreeuwden en
waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken.

Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die
streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder
regen en wind, en toen 't nu op eens mooi weer werd, kwam er onder
de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen,
dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen
vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één,
die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag.

De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op
Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen,
hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep
de vogels toe:

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?"

De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over
den ganzerug, en antwoordde in hun plaats:

"Daarheen, waar geen houweel of hamer is!"

Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen
verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.

"Neem ons meê, neem ons meê!" riepen ze.

"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen.

De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munkmeer, en
altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook
land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn
groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek
van 't Munkmeer. 't Was juist na den middagschafttijd, en de groote
scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde
ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.

"Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?" riep een arbeider. De wilde
ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:

"Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!"

Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen
verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.

"Neem ons mee! Neem ons mee!" riepen ze.

"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen.

Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek, die
aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar
hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich
op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters
de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het
zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde
ganzen. Zij, die het dichtst bij 't venster zat, keek eruit met een
lucifersdoosje in de hand, en riep:

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?"

"Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn," riep
de jongen.

't Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was,
maar ze antwoordde: "Neem me meê! Neem me meê!"

"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen.

Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste
plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft
hooge, steile, zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak
in 't zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken
voor een groote poort, waardoor men aan 't meer komt. En midden in
die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en
't Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.

De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten 't zelfde
spektakel daar als buiten op 't land. Maar in de stad antwoordde hun
niemand. 't Was niet te verwachten, dat de stadsbewoners naar buiten
zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.

De tocht ging verder langs 't Wettermeer en na een poosje kwamen de
ganzen bij 't Sanatorium van Sanna. Eenige van de zieken waren op een
veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij
het ganzengekakel.

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" vroeg een van hen met zulk
een zwakke stem, dat het nauwlijks hoorbaar was.

"Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!" antwoordde de jongen.

"Neem ons mee!" zei de zieke.

"Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen. "Van 't jaar niet!"

Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan
Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd
daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange smalle
watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de
bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen
verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het
dal lag de school.

Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en
een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren
er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd.

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" schreeuwden de kinderen.

"Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!" antwoordde de jongen.

"Neem ons meê!" schreeuwden de kinderen. "Neem ons meê!"

"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" riep de jongen, "maar later!"



XVII.

EEN GESCHIEDENIS UIT HALLAND.


Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend
roepen werd meer gehoord. En de jongen zat, in herinneringen verdiept,
op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.

De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt
en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een
Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde,
waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders
te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden
kunnen maken.

Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed,
op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage
en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de
groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.

Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder,
maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het
andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen
wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele
stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er
nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote
wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van
Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op
een opengehakte plaats in 't bosch gelegen, en de boomen hadden er
om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt,
en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in
de heele streek, ja in heel Halland waren vernield.

Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van
dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steeds verder uitbreiden
en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon
worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit
meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden,
en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout
moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand
dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.

Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee,
en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu
wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt,
de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte,
beneden aan het strand. Onder 't gras lag fijn, licht zeezand. Dat
bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes,
die tot 't allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen
van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te
stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer
met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht
niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den
wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag,
dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos
rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw.

Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor 't eerst zagen, vonden
ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de
akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt.

't Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid
niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en
winderig. 't Koren kon niet groeien; 't verdorde en verschrompelde. De
aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de
wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne
aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met
den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm
heele groote velden om meê te spelen. In de stad Brendane zaten de
boeren en zagen, hoe hij de zandmassa's oplichtte, ze naar den hemel
deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes,
die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde.

Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens
minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten
schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze
ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te
zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó,
dat er geen grassprietje groeien kon.

En 't was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam
geen eind aan den last, dien het gaf. 't Lag in hoopen op den drempel
in den morgen, als men de huisdeur open deed; 't striemde de menschen
in 't gezicht, als ze uitgingen, 't stoof door den schoorsteen en
viel in het eten, en 't lag in zulke dikke lagen op wegen en paden,
dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.

Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar
jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder
op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en
eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte
men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met
stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de
hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. 't
Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou
kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar
hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen;
hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden.

Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van
den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren,
dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog
een spa konden opheffen om het weg te graven. En 't was geen lichte
strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde,
hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten
vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met
het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij
het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.

De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van
hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles
hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden,
die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een
enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog
bij machte, stand te houden.

Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den
strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich
niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een
volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man
te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden.

Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de
menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het
zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van
zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was niet ouder dan vijftien
jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het,
die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich
tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde,
dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te
strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en
mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo
lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld,
zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn
leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er
over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden,
en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.

Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe
knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den
herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den
afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar
zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger,
zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving
hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht:
griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en
brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De
jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou,
dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak
hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel
grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo'n pleizier,
dat ze soms slap van lachen waren.

Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte
niet.

De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen,
en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den
nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou
zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat
kon hij niet over zich verkrijgen.

"Is hij niet een Tater?" vroeg hij.

"Hij!" antwoordde de moeder. "Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je
niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar."

"Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest."

"Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen," zei de
moeder, en scheen verdrietig te zijn.

De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen,
en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat
hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in één dag meer deed,
dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer
werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij
brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er
was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier
had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het
in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om
het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al
't werk ging onder scherts en gebabbel. 't Was niet te ontkennen,
dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was.

Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in
Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een
dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken.

"Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien," zei Jan.

De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over,
maar gaf hem meteen een wenk.

Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig
weer neer.

"Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen,"
zei hij. "Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden."

Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij
wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan
die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had
niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij,
dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven.

Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon
Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak
en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had
Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij
langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond,
maar op eens had hij 't hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren
begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over
de snaren. 't Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij
goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten,
maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en
luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij
genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen
de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren,
overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op,
en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals
die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden:
een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopen vodden schenen
geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden
getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten
vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een
eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen,
en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest,
en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te
geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en
kleeren moeten geven, zoodat--toen ze eindelijk weg waren,--het huis
als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest,
nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen,
maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende
vagebondenstemmen herinnerde.

Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar
zijn moeder zat te spinnen.

"Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is," zei hij.

De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.

"Neen, wat zeg je!" antwoordde zij. "Dat is een wonderlijk nieuwtje!"

Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.

"Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op
de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun."

"'t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken," zei de moeder,
en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen.

"Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij
antwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan."

"En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu
ook zelf een Tater moet zijn," zei de moeder op den meest onbezorgden
toon van de wereld, en zonder met haar werk op te houden.

"Gelooft u het dan ook niet?" vroeg de jongen.

Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam.

"Moet u hem nu niet wegsturen?" vroeg hij weer, want hij had altijd
gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij
herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest
waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomst.

"Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had," zei hij. "Ik
dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog
over ons komen."

Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen.

Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over
de Taters te spreken.

"Onthoud nu wat ik je zeg," zei hij, "en vergeet dat nooit! Je moet
er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want
ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van
wilden in zich, zoodat ze 't niet kunnen uithouden onder een dak te
wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam
worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van
paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden
stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul
je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude
dingen oplappen en opknappen."

Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij
dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar
en dreigend geklonken.

"Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze
hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek
laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met
ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij,
maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze
lijken ook daarin op 't heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen,
en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons,
boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden;
maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat
krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen,
maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende
over allen, die op hen vertrouwd hebben."

Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij
zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.

"'t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt," drong hij
nog eens aan.

Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd
diep in de oogen:

"Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is," zei ze. "Ik
ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en
zullen aanteekenen."

Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu 't meest pijn deed, was, dat hij
buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had,
zonder te vragen, wat hij er van dacht.

"Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer
te zeggen," barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.

Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan
kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De
meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen.

"Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben,"
zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om
afscheid te nemen. "Voor mij blijft niet anders over dan weer langs
den weg te zwerven."

"Je hoeft je aan Sigurd niet te storen," zei de huismoeder. "Ik
heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan
te teekenen."

"Daar kunnen we niet aan denken," zei de knecht. Hij zonk op een bank
neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak
naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. "Het helpt niet,
of je al probeert er uit te komen," zei hij. "Je kunt je uiterste
best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch
teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat
het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor
mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels
vertinnen."

Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.

"Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan," zei ze. "Ik geloof, dat
Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is
om op je te vertrouwen."

"Neen, dat kun je niet verlangen," zei de knecht.

"Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen," ging de huismoeder
voort.

"Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil," antwoordde
Jan. "De hoeve is toch van hem, en 't zou maar verwijdering geven
tusschen hem en u, als ik bleef."

Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd
begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te
blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér
geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van
de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn
hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder
de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet
een heel ander mensch was dan al de andere.

Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de
hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze
ruimte vol ongeluk overzag.

Toen verbrak de moeder de stilte.

"Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons
had kunnen blijven," zei ze. "En ik wil niet, dat je weer in ellende
zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat."

"Dat moogt u nooit doen," riep de knecht dadelijk. "Zoudt u als de
vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer
is geweest!"

"Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt
blijven."

"Neen, dat doe ik nooit," barstte de knecht uit. "Ik dank u, omdat
u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!"

Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te
schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was,
en hij was hard en wantrouwend.

Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.

"Goeden dag dan, Sigurd!" zei hij. "Je moet niet denken, dat ik boos op
je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik
wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons."

Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó
overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen
hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit
te barsten.

Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog
naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching,
en hij schreide luid.

Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den
eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig
op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet
naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt
tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af
was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor
hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. 't Was alsof hij
iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle
liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan
overgedragen te hebben.

't Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk
verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals
het plan was. 't Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren
genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig,
hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met
oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op
weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch
mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden.

Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd
op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond
groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop
lag een dunne korst vruchtbare aarde daaronder een laag zeezand, en
daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en
sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder
't werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard
ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten
er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen
ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand,
en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een
schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de
vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.

"Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!" barstte hij uit.

"Wat heb je dan gevonden?" vroeg Sigurd.

"Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben," antwoordde de Tater.

Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.

"Je moet boven komen, en mij helpen, Jan," zei ze.

Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen,
dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De
bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in 't gezicht,
de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er
ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans
gezicht somber werd.

"Kun je ze niet wegjagen, Jan?" vroeg de huismoeder bekommerd.

"Dat gaat niet best," zei Jan lachend. "'t Zijn Vader en Moeder,
en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe 't me gaat."

Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was
nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn
familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen
in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand,
die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij,
dat hij allerlei dwaasheden beging.

Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde
daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen
met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in
den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde
jonge goed.

't Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan
vioolspelen. 't Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet
veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen,
en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.

Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als
vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken,
en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en
zorgeloozer hij zich voelde. 't Was, alsof hij nu voor 't allereerst
begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn. 't Had hem altijd
gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,--hij,
evenals zijn voorvaderen,--dat hij de hoeve moest zien in stand te
houden,--hij, evenals zij--maar omdat je eens een enkelen keer blij
was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.

Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan
toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn
familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den
middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den
rijksten boer in de gemeente. 't Was een verzoek, of Jan hem wou
komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar
de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had
hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen,
maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven
drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos,
en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken,
meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een
roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking,
dat het leven zóó heerlijk kon zijn.

't Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken,
weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal
waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle
Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als
hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en
op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd
alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den
bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de
meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot
kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van
hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had
verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk
gegaan was.

De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat
Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. 't Was alsof dit opeens
zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.

Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig
was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het
beheer van Jan, den Tater. 't Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste
jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers
verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In
't voorjaar had Jan in 't kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes
waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild.

Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te
spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met
een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand
kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware
leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen,
en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.

Plotseling hield Jan met spelen op.

"Zeg me nu één ding, Sigurd," zei hij met ongewoon vriendelijke
stem. "Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?"

Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten
denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.

"Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen," zei Jan.

Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat
Jan en hij zouden scheiden.

"Neen, ik wil liever, dat je hier blijft," zei hij.

"Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel
gaat," zei Jan, "want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend."

Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met
den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de
provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in
de schuur.

Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan
niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te
leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en
pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor
't vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten
met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.

Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er
onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor
de reis.

"Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten," dacht hij. "Al
zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe."

Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te
beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook
meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het
oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en
beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden,
zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de
angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep
met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen
en hen niet achterna te vliegen. Op dat zelfde oogenblik keerde Jan
zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat
merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was
Sigurd bij den wagen en er boven op.

Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door
het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd
naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de
nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den
weg. Sigurds moeder ging dan naar 't huis, en bedelde om eten en koren,
en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden,
maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts
onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel
te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar
markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in 't Zuiden
in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele
troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan
een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen,
en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het
al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden
naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was
van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna
trokken zij er weer op uit.

Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in
Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te
zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest,
te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest
ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.

Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap
tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en
ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd
verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar
alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook
prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.

Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote
velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag,
toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:

"Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. 't
Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden."

"De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker
weggegaan, en hebben 't land aan zijn lot overgelaten," antwoordde
Sigurd bitter.

"Denk je dat?" zei Jan heftig. "Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar
huis kunt gaan en 't zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier."

"Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken,"
zei Sigurd weer. "Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik
houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik
ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt."

Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant
van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast
te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan
groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam,
schopte hij het om met zijn voet.

"Wat doe je daar?" vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd,
en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.

"Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere
ook om te schoppen."

"Wat zou je daar nu aan hebben?" vroeg Sigurd.

"Ik weet niet hoe het komt," zei Jan, "maar in de landen, waar groote,
kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar
waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen
wij het op den duur niet uithouden."

"Dat kan wel wezen," zei Sigurd "maar je zult toch dat denneboompje
weer in den grond zetten."

Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar
voor zich uit te kijken.

"Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt,
als ik meerderjarig word!" schreeuwde Sigurd.

Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij
opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht,
maar hij zei niets.

Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van
zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en
velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig
werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet
ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd,
nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan
op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt,
en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op
een feest moest spelen bij den dans.

"Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen."

Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs
den weg stond. Vroeger had hij zichzelf probeeren wijs te maken, dat
hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig
werd, maar nu voelde hij, dat hij er geen kracht toe had. De heele
hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij,
en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij
begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te
verspillen aan een hopelooze zaak?

Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten,
of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil,
en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. 't Was een nieuw
paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd
gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu
bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed,
werd gevangen genomen als paardendief.

Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele
massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet
in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest,
en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn
zaak behandeld werd.

't Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan,
die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.

"Jan is hier gekomen om mij te helpen," dacht hij, want hij wist,
dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag,
dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden
opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den
ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij
de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij
met het gestolen paard was komen aanrijden.

Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor,
dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al
die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en
naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht
meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun
oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een
ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is.

Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar
kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien,
dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had
gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen
nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.

Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een
gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd
over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep, dat hij tot
verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde
zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.

Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten
was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van
het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en 't hem
duidelijk geworden was, dat hij in 't diepst van zijn ziel valsch en
hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was
in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel,
omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op 't zelfde oogenblik, dat
hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was
geweest, en hij schrikte daar hevig van.

Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht,
trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan,
of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als
een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden
wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden
van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen
het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het
eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te
veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van
zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.

En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde,
en 't werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij 's winters naar
Skaane trok, als dorscher, en in 't voorjaar kwam hij weer thuis
met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den
herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te
leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hij
zichzelf had opgelegd te doen.

Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in
de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde
plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep
gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar
mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden,
raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het
zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu
was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop
en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote,
rijke hoeve.

Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om
een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd,
dat hij goud had gevonden.

"Hij wist dat van den mergel," dacht Sigurd. "Hij heeft het aldoor
geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis
blijven en ons allen rijk maken."

Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen
diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken
en handelen, zooals hij had behooren te doen.



XVIII.

HET GROOTE VOGELMEER.


JARRO, DE WILDE EEND.


Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt
zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.

't Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest
te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte
van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te
malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het
gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel
gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit
uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan
een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden,
en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.

Nu is er iemand, die graag met de voeten in 't water staat, als hij 't
hoofd en 't lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat
kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust
en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer
dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met
een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene,
omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele
plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.

Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft
daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het
riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar
kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen
en klompen wormen in eindelooze massa's geteeld worden. En aan de
kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen
plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnen uitbroeden en hun jongen
opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun
voedsel gekweld te worden.

Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van 't Takermeer,
en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate 't meer bekend wordt,
wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden,
waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze
bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met
zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een
heele massa anderen.

Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in
het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen,
zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker,
hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken
zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer
zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer
op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als
die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels
gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.

In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen,
was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was
een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter
geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika
thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs
nog op het meer lag.

Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten
met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar
schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende,
dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem
niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het
kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar
deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten
hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer
boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den
ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het
Takermeer liggen.

Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het
oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in
vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet
den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.

Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede
uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij
droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hem de huismoeder zien,
een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen
dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af,
dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig,
en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden
kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe
vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen,
als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij
den vogel in neerlei als in een bedje.

Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen;
maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem
dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand
liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en
bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een
hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet,
had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.

Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht
aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt,
dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond
hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand
anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig
besnuffelde.

Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog
een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door
het rietveld had geklonken, "daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar
aan!" Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door
het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te
zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven,
dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.

Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer
te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.

"Wie ben jij?" bromde hij. "Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor
jij niet thuis op het rietveld?"

Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.

"Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen,"
zei hij. "Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen
zelf hebben mij hier in deze mand gelegd."

"O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd," zei Caesar. "Dan
is 't zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken,
dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in
elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te
kijken. We zijn hier niet op het Takermeer."

Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammenden
haard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was,
kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.

Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor
zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te
eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem,
en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene
dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.

Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam,
en door de kamer ging loopen.

Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef
liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem
op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar
Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor
kreeg Jarro zoo'n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht
door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na
dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken
dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.

Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was
hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand,
als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte
hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar "welkom"
toe in zijn eigen taal.

Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen
en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze
lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had
kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude
vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor
hen hoefden te wezen.

Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen
hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer,
die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij
deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook
kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.

"Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden," zei
Klorina. "Wacht maar, tot je vet bent. Dan draaien ze je den nek
om. Ik ken ze wel, die menschen!"

Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd
bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen,
dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets
ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon
zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even
liefhadden als hij hen.

Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard
lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend
te kibbelen.

"Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, 't
volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt,
en in een akker veranderd," zei Klorina.

"Wat zeg je daar, Klorina?" riep Jarro, en sprong op van schrik.

"Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal
verstaat," zei de kat. "Anders zou je wel hebben gehoord, dat de
knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het
water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna
even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel
eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten."

Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.

"Je bent even akelig als een zwart waterhoen," zei hij tegen
Klorina. "Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat
ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer
van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en
ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan 't
schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik
wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!"

Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.

"Zoo! Geloof je, dat ik lieg?" zei ze. "Vraag het Caesar dan, hij
was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!"

"Caesar!" zei Jarro. "Jij verstaat de menschentaal veel beter dan
Klorina. Zeg nu eens, dat zij 't niet goed gehoord heeft. Stel je nu
eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen
droogmaken en van den bodem van 't meer een akker maken. Dan zou
daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden,
en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan
zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu
kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten
verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit
zoo'n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina
het niet mis heeft!"

't Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat
gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro
hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten,
en sliep vast in een oogenblik.

De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.

"Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil," zei ze tegen
Jarro. "'t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen,
dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn
woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het
Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas
waren op 't meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog
wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en
andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen,
en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet
te behouden."

Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den
kop op, en riep Caesar in 't oor:

"Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn,
dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is,
dat de menschen van plan zijn al die eenden dakloos te maken."

Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina,
dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.

"Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil," schreeuwde
Caesar. "Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van
't jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over
gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik
heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als
het Takermeer wordt droog gemaakt? En jij bent een stoffel, als je
je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen
vogels meer op het Takermeer zijn?"



DE LOKVOGEL.


Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon
vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine
jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes,
die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat
al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen
vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had
er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.

Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort
teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf
hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen
nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.

Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet
van 't vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes,
maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte, en de groene
toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle
trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen
uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om
den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.

De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan,
en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu
gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen
Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was,
omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem
niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop
antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.

Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen
zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van
die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te
schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen
op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.

"Het is verboden in dezen tijd," zei hij, "maar dat geldt natuurlijk
niet voor mij."

De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet
omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet
opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over
de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten
rond loopen.

Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê
hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg,
maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die,
en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen,
begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid
van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter
hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in
't water en haalde ze op.

Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als
lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren
door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van
schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk
aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den
hond gaan liggen slapen.

Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het
meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij
merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: "Weg! weg! Pas op. Ga
een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik
ben maar een lokvogel!"

En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.

Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij
het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in
de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een
hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken
verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door
hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen
naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.

Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen
de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard,
en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.

Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij
leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als
de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen,
stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.

Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet,
en hij was al over 't heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op
een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: "Pas op, vogels! Kom niet
in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel," dat er een duikernest kwam
aandrijven naar 't eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu
niet zooveel bizonders. 't Was een nest van het vorige jaar, en de
duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven;
dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef
toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op
het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.

Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje,
het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het
met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe:
"Kom zoo dicht bij 't water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om
weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!"

Een oogenblik later lag het duikernest bij 't land, maar de kleine
roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en
strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als
verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.

Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam
weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij
maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn
hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar
de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks
waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een
mesje uit de scheede aan zijn zij, en sneed het net, dat Jarro's
vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. "Vlieg nu weg,
Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden," riep hij, terwijl
hij weer in 't nest sprong, en van land afzette.

De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd
was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En
juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en
greep hem bij den nek.

Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had,
zei met de grootste kalmte tegen Caesar:

"Als jij zoo eerlijk bent, als je er uitziet, kun je toch niet een
goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun
ongeluk te lokken."

Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar
een oogenblik later liet hij Jarro los. "Vlieg maar weg, Jarro," zei
hij. "Je bent zeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je
ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer."



HET DROOGMAKEN VAN HET MEER.


't Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond
en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over
te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als
zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde,
was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud,
en had in zijn heele leven nog niet zoo'n speelkameraad gehad als
Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de
andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen,
maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.

Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje
lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg
Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel
zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat
niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.

Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op
de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op
de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd:
"Let op Peer Ola, Caesar."

Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel
opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden, dat hij
niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen
zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden,
weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna
toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer
op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit
ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.

En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat
nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en
met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer,
op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van
huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij
kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou,
zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij
wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel,
dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.

Toen Peer Ola aan den oever van 't meer was gekomen, riep hij meer
dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar
Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken,
maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus,
dat zij de rechte niet waren.

Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker
gemakkelijk zou vinden, als hij maar op 't meer kon komen. Er lagen
veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De
eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar
zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar
Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem
onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon
met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen
mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op
het Takermeer, maar als 't water hoog is, en 't ongeluk het wil,
hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op 't water te
komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.

Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe
langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer
Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven,
riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro
niet kwam.

Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde,
dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had
gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen
om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijk blij, omdat
een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer
Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich
door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander
weer zagen.

Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was
halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer
Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest
zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte
Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij
kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel
kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich
bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat
dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest
opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee
voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde
onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al
gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen 't riet, en nu kreeg
Peer Ola 't bevel aan land te stappen. Op 't zelfde oogenblik, dat
hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.

Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op
hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet
dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens
een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland,
en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat
ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.

Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer
Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in
den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen,
naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen
verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar
hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.

Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht,
maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil
liggen, alsof hem dat alles niet aanging.

Verder op den dag vond men Peer Ola's voetstappen bij de booten. En
toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag,
en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.

De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen
te zoeken. Ze roeiden over 't meer heen en weer tot den avond, zonder
een glimp van hem te zien. Ze konden niet anders denken, dan dat de
oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem
van het meer lag.

Dien avond zwierf Peer Ola's moeder aan den oever. Alle anderen
waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het
niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen,
en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken,
hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.

Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze
schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide,
klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden
en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden
en jammerden.

"Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren," dacht ze. Maar dan
bedacht ze zich. 't Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die
hadden toch zeker geen zorgen. 't Was vreemd, dat ze niet stil werden
na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het
Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar,
waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele
lucht was vol klachten en gejammer.

Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond,
dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de
menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren,
hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis
en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo'n groot verschil
tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.

Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt
was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis
hier bij het Takermeer zouden moeten missen. "Dat wordt toch moeielijk
voor hen," dacht ze. "Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?"

Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig
werk--een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel
een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel
duizenden dieren woonden.

Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken
van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien
daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het
misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen
voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad
weer goed te maken.

Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit
alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei
hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola's dood een straf voor hen beiden
was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.

Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt,
zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat
hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer
ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van
de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd
voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou
gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij
hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen
gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, die tweemaal
zoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.

En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling
van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op
den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken
zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor
hij antwoordde:

"Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen
veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel,
dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is."

Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij
hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker
van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet,
en trok haar naar de deur.

"Maar Caesar toch!" riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen
barstte ze uit: "Weet je, waar Peer Ola is?"

Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open,
en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van,
dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En
nauwelijks waren zij aan den kant van 't meer gekomen, of ze hoorden
het schreien van een kind over 't meer.

Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot
en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had,
en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en
Caesar hem kwamen halen.



XIX.

DE VOORSPELLING.


Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in 't Takermeer,
maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen
geopend, of er viel hem zoo'n schelle lichtgloed in 't gezicht,
dat hij ze weer dichtkneep.

Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op
't meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen 't riet aan
den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op
een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel
spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere
meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want
rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien,
die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.

In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere
stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove
weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme
visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje,
en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon
was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou
gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als
een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.

"Houd nu hier stil," zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren
gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in
het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling
meê uit de diepte.

"Ziezoo!" zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker
losmaakte. "Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we
zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan."

Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken.

"'t Is zoo mooi hier op 't meer vanavond," zei hij. En dat was het
ook. 't Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde
rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te
glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was
diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. 't Strand lag verscholen
achter de rietbossen in 't Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog
en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot,
driehoekig stuk uit het hemelgewelf.

De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden,
en keek rond.

"Ja, 't is hier mooi in Östergyllen," zei hij. "Maar het beste van
het landschap is niet, dat het zoo mooi is."

"Wat is het dan?" vroeg de roeier.

"Ja,--dat het een land is, dat in eer en aanzien staat."

"Ja, dat kan wel zijn."

"En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal."

"Hoe ter wereld kan men dat weten?" vroeg hij, die bij de riemen zat.

De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.

"Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is
overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal
gaan," zei hij.

"Dat kon je me wel eens vertellen," zei de roeier.

"We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar
voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden."

"Op Ulvasa, hier in Oostgothland," ging hij voort, en nu was het aan
zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen
had gehoord, en dat hij van buiten kende, "woonde jaren geleden een
vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen
te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en
nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in
't rond beroemd, en 't is te begrijpen, dat de menschen van heinde
en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze
zouden moeten doormaken aan lief en leed.

Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen,
zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de
kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.

"Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe,"
zei de boer na een poosje.

"Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken," antwoordde zij.

"Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan
't hart gaat," zei de boer.

"Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op
je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe
't met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels
worden zal."

"Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden," zei de
boer. "Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden
te zijn met wat hij moest hooren."

Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de
lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.

"Zoo," zei ze, "heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren
mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet
zoo kan antwoorden, dat je tevreden bent."

Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij
zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met
Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn
geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog
gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.

"Is er niet anders, dat je weten wilt," zei de wijze vrouw, "dan denk
ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik
je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd
iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen."

"Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe," zei de boer, "en ik
zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets
mogelijk wezen kon."

"Waarom zou dat niet mogelijk zijn?" zei de vrouw van Ulvasa. "Weet
je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er
een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van
twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo'n mooie
domkerk heeft als die in Linköping?"

"Dat kan wel zoo zijn," zei de boer, "maar ik ben een oud man, en
ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren,
noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk."

"Daar kun je gelijk aan hebben," zei de vrouw van Ulvasa, "maar daarom
hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een
nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het
meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen
en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen,
dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft."

De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist
immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het
land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens
in discrediet kwam.

"'t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken," zei de vrouw
van Ulvasa. "Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je
kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal
daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd
zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze
streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten."

"Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor," zei de boer. "Maar
ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle
heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal
dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?"

"Het is geen kleinigheid, wat je wil weten," zei de vrouw van Ulvasa,
"maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe
er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie,
dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele
land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt."

De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te
hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs
fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat
er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.

"Je bent niet gemakkelijk te voldoen," zei de vrouw van Ulvasa, "maar
ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers
van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van
heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof,
dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen,
als al het andere, waarover ik heb gesproken."

"Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer
prijst?" hield de boer aan.

"Je hoeft niet zoo bang te wezen," zei de vrouw van Ulvasa. "Ik zie,
hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi,
bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo
beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt."

"Dat is een gewichtig ding om te hooren," zei de boer. "Maar als er nu
een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?"

"Daar moet je niet bezorgd over wezen," antwoordde de vrouw van
Ulvasa. "Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken,
van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land,
en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen."

Maar de boer bleef er ongerust uitzien.

"Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging
gaan zetten," zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode
plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. "Ik hoor
hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping."

"Ja, het is goed, dat ik dat weet," zei de boer, "maar alles is
veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden."

Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw
van Ulvasa ten eind.

"Je zegt, dat alles vergankelijk is," zei ze, "maar nu zal ik je
toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke
trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in 't land
zullen zijn tot aan 't eind van de wereld."

Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op,
tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk
was hij voldaan, zei hij.

"Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent," zei de vrouw van Ulvasa.

"Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe," zei de boer, "dat alles wat
koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of
bouwen,--dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat
er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben,
en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal
behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid
in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle
tijden heen."



XX.

HET BAAIEN KLEED.


De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte
van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die
boven kleine boschjes uitstaken.

Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee
verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich
over verbaasde.

"Er moeten in dit land geen boeren wonen," zei hij in zichzelf,
"want ik zie nergens boerderijen."

Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; "Hier wonen de boeren als
heeren! Hier wonen de boeren als heeren!"

Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was
begonnen.

"Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers
kruipen?" vroeg de jongen na een poos.

"Ossen en ploegen! ossen en ploegen!" antwoordden alle wilde ganzen.

De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het
haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen
hun toe. "Jelui komt van 't jaar niet klaar! Jelui komt van 't jaar
niet klaar!"

Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek
hoog in lucht en loeiden: "Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in
't heele jaar!"

Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die
liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden
niet laten ook hen te plagen.

"Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?" riepen zij de paarden
toe. "Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?"

"Schaam jelui je niet zoo te luieren?" hinnikten de paarden terug.

Terwijl de paarden en ossen buiten aan 't werk waren, liep de hamel
op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij
stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn
hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.

"Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?" riepen de wilde ganzen,
die boven in de lucht voorbij vlogen.

"Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd,"
antwoordde de hamel met een lang geblaat.

"Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?" vroegen de ganzen.

Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men
kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong
een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos
werd hij.

Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche
biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en
op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los,
zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om
elkaar te beschermen.

"Knor, knor!" riepen de biggetjes. "Wij zijn te vroeg van Vader en
Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!"

Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers
den gek te steken.

"'t Zal je beter gaan, dan je denkt," riepen zij in 't voorbijgaan.

De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een
vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene
hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren.

Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in,
dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet
goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat
half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat
kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen
en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat.

Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een
groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige
streken ingesloten, een in 't noorden en een in 't zuiden. De beide
boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden
in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de
vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was
op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai.

Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed
en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te
versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij,
dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen
als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken
schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen,
glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende
plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om
zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en
de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er
was niet veel orde en regel in 't patroon, maar het was een pracht,
waar je nooit genoeg naar kijken kon.

De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het
oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken
voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk,
en teerden de groote sluispoorten.

Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de
steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers
voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het
open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil-
en stoombooten in orde gemaakt.

Bij Norrköping verlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den
kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen
landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden
slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten
heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.

"Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen."

De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen
zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp
hadden opgeraapt.

"Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan
mijn klomp niet terug krijgen!"

Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de
kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.

"De wilde ganzen lieten het vallen," zei kleine Mads.

Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te
peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: "Herinner jij je wel,
Mads, dat we, toen we voorbij 't Övedklooster liepen, er over hebben
hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een
leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En
herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje
hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwerg met klompen aan had gezien, die
op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen,
Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was,
en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel,
die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor."

"Ja, dat moet zeker zoo wezen," antwoordde kleine Mads.

Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt
niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden.

"Wacht! wacht eens, Mads," zei Asa. "Hier staat iets op den eenen
kant."

"Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters."

"Laat eens zien. Ja, daar staat.... daar staat: Niels Holgersson,
V. Vemmenhög."

"Dat is wel 't wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb," zei Mads.



XXI.

DE GESCHIEDENIS VAN KARR EN GRAUWVEL.


KARR.


Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met
de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een
van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen,
zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat
men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen,
die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen
naar het bosch, en hem dood te schieten.

De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats
in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed
gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man,
maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat
hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar
al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.

De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij
heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen
zeiden. Terwijl de boschwachter hem door 't bosch bracht, wist hij
heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan
hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag
er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch
liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang
was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een
groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de
eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze
't bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout
te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en in
toom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar
het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd,
een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren
er dan ook bij massa's. Ze noemden het onder elkaar het "Vrijbosch",
en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen
nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij
de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.

"Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze
wisten wat me wachtte," dacht hij. En hij kwispelde met den staart,
en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of
gedrukt was.

"Wat zou er aan 't leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens
had mogen jagen?" dacht hij. "Wie berouw hebben wil, mag dat voor
mijn part. Ik doe niet meê!"

Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering
over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had
te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar
liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams
in den zin gekomen was.

Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren,
en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet
meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een
moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk
niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te
vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort
na het ontdooien van den grond, en dat het zoo'n groot dier, als zij
was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant
staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep
zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê,
en keerde weer terug.

De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen
en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden
aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk
een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging
meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat
gelukte niet,--ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken,
en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland
zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij
dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij
een eland in 't ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan,
vóór hij thuis was.

Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed
hem op een heel andere manier verdriet, dan al het kwaad, dat hij
ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland,
noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat
hij het wilde, om het leven had gebracht.

"Maar ze leven misschien nog," dacht de hond op eens. "Ze waren
immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog
wel uitgeraakt."

Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te
komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf
vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen
rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe,
dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij
verdwenen was.

De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij
bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een
paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond,
dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette
het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was
nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder
zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar
was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het
kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde
hij luid, alsof hij om hulp riep.

Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te
sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij
buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen,
likte hem de handen, en blafte van vreugd.

De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje
in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het
moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich,
dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien
tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.

Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar
onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde
hij om, en ging naar het landgoed terug.

Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de
boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De
boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had
gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden,
vóór hij zou sterven.

Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag
Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij
op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.

De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.

"Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê
aankomt?" zei hij. "Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al
lang dood."

Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte
zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den
boschwachter weg om zich te verstoppen.

Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere
manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het
duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden,
en hen had willen redden.

"Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,"
zei hij eindelijk.

De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet
gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou,
hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou
het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust
over de elanden was geweest?

De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat
hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet,
wat hij doen moest.

"Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt,
dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven," zei hij eindelijk.

Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de
boschwachterswoning.



DE VLUCHT VAN GRAUWVEL.


Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij
geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet
alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde,
dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn
leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den
boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te
waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den
weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield
toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.

Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen
voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig
was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met
het elandkalfje te spelen.

Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem te bemoeien. Maar
doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in
de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het
hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel,
omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was
dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit
zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne
beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was
groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat
in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor
hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar,
vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten
het hok zag, alsof het er blij om was, dat hij kwam.

Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het
laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de
hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even,
alsof een groote wensch van hem was vervuld.

Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht
uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees
hem zoo'n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.

't Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het
elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En
toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo
groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten
in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden
had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de
omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter
verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het
stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene
jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap
zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen
hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig,
en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de
kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.

Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd,
toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland
kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het
voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets
aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr
hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te
vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in den
grootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de
zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen.

"Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?" vroeg Karr.

"Wat zou het helpen, als ik me verzette?" zei Grauwvel. "Ik zou 't
liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier
wel vandaan moeten."

Karr stond hem aan te zien. 't Was merkbaar, dat de eland nog niet
volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een
hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren
onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid
te strijden.

"Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden,"
dacht Karr, maar hij zeide niets.

Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist,
dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield.

"Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen," zei Karr,
en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. "Je zult in een grooten tuin
gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen,
dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch
gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben,
dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een
bosch geweest."

Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten.

"Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining
komen?" zei hij met zijn gewone slapheid.

"Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen
heeft," zei Karr.

De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als
hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong.

Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten,
bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan.

Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. 't Was een mooie nacht
met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de
boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam.

"'t Is misschien 't beste, dat we teruggaan," zei Karr. "Jij, die nog
nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken."

Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht
den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen
groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen
dringen kon.

"Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou
en den storm," zei Karr. "Hier staan zij onder den blooten hemel,
den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je
krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os."

Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken
dennengeur in.

Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de
grasboschjes en het weeke moeras.

"Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar
zijn," zei Karr. "Ik weet niet hoe zij 't aanleggen, maar zoo groot en
zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij
zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar
dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen."

Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op
't moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder
hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en
kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.

"Hebben wij nu het heele bosch gezien?" vroeg hij.

"Neen, nog niet," antwoordde Karr.

Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige
loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.

"Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast," zei Karr. "Zij
houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel
krijgen in het buitenland."

Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene
koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en
de abeelenbast.

"Dat smaakt sterk en goed," zei hij. "Dat is beter dan klaver."

"'t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg," zei de hond.

Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar
heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte
nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.

"Wat is dat, Karr?" vroeg hij. 't Was voor 't eerst, dat hij een
meer zag.

"Dat is een groot water, dat is een meer," zei Karr. "Je familie zwemt
gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen,
dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan
om een bad te nemen."

Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een
heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van
welbehagen, toen het water zich zacht en koel om zijn leden sloot. Hij
wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde,
dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen,
en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden,
vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan?

"'t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het
bosch rond blijven loopen," zei Grauwvel.

Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een
open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen,
glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote
dieren te grazen. 't Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien
en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij
zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar
den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge
bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals.

"Wat is dat voor een dier?" vroeg Grauwvel met een stem, die beefde
van verwondering.

"Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt
zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in
't bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden."

"Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem
bekijken," zei Grauwvel. "Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon
zijn." Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij
Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was.

"Je bent zeker niet vriendelijk ontvangen," zei Karr.

"Ik zei hem, dat het voor 't eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette,
en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me
af, en dreigde me met zijn horens."

"'t Was goed, dat je wegging," zei Karr. "Een jonge stier, die nog
maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht
met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in 't heele bosch
gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten,
maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het
buitenland zult gaan."

Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over
het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan
het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en
Grauwvel werd over 't heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn
kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het
bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig
met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel
vocht zwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland
werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens
hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden
eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel,
en sprong het bosch in.

Karr stond nog aan den zoom van 't bosch, toen Grauwvel terugkwam.

"Nu heb je gezien, wat er in het bosch was," zei hij. "Wil je nu meê
naar huis gaan?"

"Ja, nu zal het wel tijd zijn," zei de eland.

Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof
hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd,
en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder
de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij
tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over
de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten
grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had
gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.

"De elanden zijn één met het bosch!" riep hij, wierp den kop achteruit,
zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.



HELPMIJ.


Diep in 't groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in
't lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort,
dat men "Nonvlinders" noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige,
en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in 't bosch een
paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren
op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.

Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren,
en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden
nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels
werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.

Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de
takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken
als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de
helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en
klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.

Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in
het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo
weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze
gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.

Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de
boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen
dag, na zijn vlucht, in 't bosch rondgeloopen om te maken, dat hij
er zich thuis zou gaan voelen.

In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter
een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden
in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge
dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat
ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die
gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in
't oog had gekregen, die bij den poel groeiden.

Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote,
zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr
hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de
slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste,
meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij
schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den
kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.

Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart
als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn
tong over den verbrijzelden kop gaan.

"Is dat werkelijk mogelijk, dat je dood bent, oude Karnlösa?" siste
de slang. "Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het
zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we
ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was
het ergste verdriet, dat me treffen kon."

De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het
gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor
hen leefden, hadden medelijden met hem.

"Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die
zich niet kan verweren!" siste de slang, "hij verdient zeker een heel
harde straf." Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet,
maar op eens hief hij den kop op. "Ik zal me wreken, zoowaar ik
Helpmij heet, en de oudste slang in 't bosch ben! Ik zal niet rusten,
voor die eland dood op 't veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!"

Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen
nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang,
dan wraak te bedenken op een grooten, krachtigen eland, en de oude
Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.

Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept
lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn
hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes,
die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen,
toen begon hij luid in zichzelf te sissen, maar eindelijk sliep hij
in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.

Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een
steenachtige en hooggelegen streek van 't Friedsbosch woonde. Aan hem
vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem,
die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule
was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.

"Als ik een eland aanviel," zei hij, "zou hij me dadelijk doodslaan. Je
oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom
zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?"

Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog
van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.

"Wisch, wasch! wisch, wasch!" zei hij. "'t Is jammer, dat jij zulke
wapens hebt, jij, die zoo laf is, dat je ze niet gebruiken durft."

Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.

"Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!" siste hij. "'t Vergif loopt
me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet,
liefst sparen."

De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander
hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet
meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak,
begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.

"Ik had eigenlijk nog een boodschap," zei hij, en begon zacht te
fluisteren; "maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet
helpen wilt."

"Als je me maar niet iets onzinnigs vraagt, wil ik je wel van dienst
zijn."

"In de dennen dicht bij mijn poel," zei de slang, "woont een
vlindervolk, dat in den nazomer 's nachts rondvliegt."

"Ik weet wel wie je meent," zei Krule "wat wou je met hen?"

"'t Is het kleinste insectenvolk in het bosch," zei Helpmij, "en
de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van
dennebast tevreden stellen."

"Ja, dat weet ik," zei Krule.

"Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijn
uitgeroeid," zei de slang. "Er zijn zooveel dieren, die de larven in
de lente opeten."

Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen
gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: "Wil je, dat ik
aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?"

"Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in 't bosch, daarvoor zorgen
kon, zou het wel goed zijn."

"Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,"
zei de adder. "Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets
onmogelijks begeert."

"Dat is een goede belofte, Krule," zei Helpmij, "en ik ben blij,
dat ik bij je gekomen ben."



XXII.

DE NONNEN.


Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de
stoep. 't Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten,
en 't was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr
wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.

"Ben jij het, Grauwvel?" vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland
hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord,
maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende
de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het
geluid af.

Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet
inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het 't dichtste was,
zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het
spoor niet te verliezen.

"Karr, Karr," hoorde hij roepen, en 't was de stem van Grauwvel,
maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.

"Ik kom, ik kom! Waar ben je?" antwoordde de hond.

"Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?" vroeg Grauwvel.

Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een
lichte regen.

"Ja, dat zie ik!" riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den
eland te zoeken.

Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr
was opnieuw bijna het spoor bijster.

"Karr, Karr!" schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, "merk je niet,
hoe het ruikt in 't bosch?" Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst
niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur
verspreidden, dan ze anders deden.

"Ja, ik merk, hoe het ruikt," zei hij, maar gaf zich niet den tijd
om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna.

De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet
kon inhalen. "Karr, Karr!" riep hij een poos later, "hoor je niet
hoe het knapt in de takken." Nu klonk de stem zóó droevig, dat die
steenen zou kunnen vermurwen. Karr bleef staan om te luisteren,
en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het
klonk als het tikken van een horloge.

"Ja, ik hoor het knappen," riep Karr, en ging nu niet verder. Hij
begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat
hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.

Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove,
donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het
was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam,
ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten
langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op
elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom;
dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend
op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk,
dat de hond er last van had.

"Die den daar zal niet veel naalden behouden," dacht hij, en keerde
zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den,
maar die zag er ook zoo uit. "Wat kan dat wezen?" dacht Karr. "Dat
is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid
hebben verloren."

Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter
te komen, hoe 't met hen was. "Dat daar is een spar, die hebben ze
misschien niet aangedurfd," dacht hij. Maar ze hadden ook de spar
aangetast. "En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den
boschwachter wel niet aanstaan," dacht Karr.

Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de
verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken,
rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde
niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. 't
Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.

Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles
doodstil was.

"Hier is hun rijk uit," dacht de hond, bleef staan, en keek rond.

Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al
voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en
het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde
draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen
te gebruiken.

Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karr te
wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden,
de aanzienlijkste in 't bosch. Karr kende hen. 't Waren Kromrug, een
kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn,
de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en
een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk
driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in
den herfst een kogel in de dij gekregen had.

"Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?" vroeg Karr, toen hij
bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende
bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.

"Dat kan niemand zeggen," antwoordde Grauwvel. "Dit insectenvolk
hier is het meest machtelooze in 't heele bosch geweest, en heeft
vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het
snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele
bosch zullen vernielen."

"Ja, het ziet er leelijk uit," zei Karr, "maar ik merk, dat de wijzen
uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er
misschien iets op gevonden."

Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op,
klapte met de lange ooren, en zei: "We hebben je hier geroepen, Karr,
om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting."

"Neen," zei Karr, "zoover in 't bosch komt immers geen mensch,
wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk."

"Wij, die in 't bosch oud geworden zijn," zei toen Kroonhoorn,
"gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk
kunnen verweren."

"Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere,"
zei Ruigmaan. "Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit."

"Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven," zei
Grootsterk. "We hebben geen keus."

Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen
met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.

"Is 't misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten,
hoe het hier gaat?"

Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.

"'t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen,
maar we weten geen anderen raad."

Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep,
diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem
een groote, zwarte slang te gemoet.

"Welkom in 't bosch," siste de slang.

"Goedendag," blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar
de slang keerde om, en probeerde hem in te halen.

"Misschien is hij ook ongerust over 't bosch," dacht Karr, en bleef
staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken.

"Als de menschen hier komen, is 't uit met onze rust en vrede,"
zei hij.

"Daar ben ik ook bang voor," zei Karr, "maar de oude elanden in
't bosch weten wel, wat ze doen."

"Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet," zei de slang, "als ik
maar het loon kreeg, dat ik verlang."

"Ben jij 't soms, die ze Helpmij noemen?" vroeg de hond verachtelijk.

"Ik ben al een oude boschbewoner," zei de slang. "Ik weet, hoe je
dat ongedierte wegkrijgen kunt."

"Als je 't maar wegkrijgen kunt," zei Karr, "denk ik wel, dat niemand
je weigeren zal, wat je ook begeert."

Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette
het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag.

"Groet dan Grauwvel van mij," zei hij, "en zeg hem, dat, als hij van
het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver
naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in 't bosch groeit,
en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en
dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en
er van eten."

"Wat zeg je daar?" vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op
te staan. "Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?"

"Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was," zei de
slang. "En ik wil me op hem wreken."

Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem,
maar hij lag veilig onder den boomwortel.

"Lig daar zoolang je wilt," zei Karr eindelijk. "Wij zullen die
denneneters zonder jou wel wegkrijgen."

Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs
het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween
hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch.

"Dat is Karr, die weer aan 't jagen is," zei de ijzerfabrikant. De
boschwachter wilde het niet gelooven.

"Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden," zei
hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte,
en de ijzerfabrikant volgde hem.

Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar
toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staan om te
luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven
werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en
roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren
aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden,
die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.



DE GROOTE NONNENOORLOG.


Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. "Karr,
Karr!" riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed
gehoord. 't Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.

"Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!" zei de vos.

"Ja, wees daar maar zeker van," zei Karr. "Zij werken er voor, zoo
hard zij kunnen."

"Ze hebben mijn heele familie vermoord," zei de vos. "En zij zullen mij
ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden,
als zij het bosch maar helpen."

Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand
hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. 't Was niet zoo
gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten
zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.

Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden [2]
was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man
dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang
te redden. Zij velden de boomen, die 't meest beschadigd waren, kapten
het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet
zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede
paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken
stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen
nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze
lijmringen aan te leggen om de boomen. 't Was de bedoeling, dat men
op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die
ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren,
en daar dood te hongeren.

De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren
vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af, dat de larven
uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo
goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.

Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren
oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet
toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden
vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel
waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren
massa's, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar
beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten
waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren
overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze
zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten
van Kolmarden.

"Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn," zeiden
de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het
bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.

Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het
bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een
dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij
sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met
den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij
het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.

"Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?" vroeg
de slang.

Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.

"Doe dat in ieder geval," zei de slang. "Je ziet immers wel, dat de
menschen geen raad weten voor deze verwoesting."

"Ja, jij ook niet," antwoordde Karr, en liep verder.

Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij
nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. "Ik
weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,"
zei hij.

"Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt," zei Karr,
en bracht nu de boodschap van de slang over.

"Als 't iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik
dadelijk in ballingschap gaan," zei de eland. "Maar hoe zou nu een
arme slang zoo'n macht hebben?"

"'t Is natuurlijk maar pocherij," zei Karr. "Slangen doen altijd,
alsof ze meer weten dan andere dieren."

Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr
hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen:
"Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield."

Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik
later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag,
bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:

"Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!" Toen rende
hij weg, zoo hard hij kon.

"Wat bedoelen ze daarmeê?" vroeg Karr.

"Dat weet ik niet precies," zei Grauwvel. "Ik denk, dat het kleine
volkje in 't bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de
hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen
zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt."

Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten
werd geroepen: "Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield."

Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te
begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.

"Zeg, Grauwvel," vroeg Karr snel, "wat meent de slang daarmeê, dat
je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?"

"Hoe kan ik dat weten?" zei Grauwvel. "Je weet, dat ik nooit iemand
doodsla."

Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn,
Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen,
achter elkaar.

"Welkom in 't bosch," riep Grauwvel ze tegen.

"Goeden dag," antwoordden de elanden. "We zochten je juist, Grauwvel,
om met je over het bosch te spreken."

"We hebben gehoord," zei Kromrug, "dat er hier een misdaad in 't
bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die
daad niet gestraft is."

"Wat is dat voor een misdaad?"

"Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet
eten kon. Zooiets wordt hier in 't Friedsbosch voor een misdaad
gehouden."

"Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?" vroeg Grauwvel.

"Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je
weet, wie dat wezen kan."

"Neen," zei Grauwvel, "ik heb nooit over een eland hooren spreken,
die een onschadelijk dier heeft gedood."

Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij
werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule,
de adder, die daar in zijn hol lag.

"Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield," siste Krule,
zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op
de adder toe, en lichtte den voorpoot op.

"Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt
doodgeslagen?"

"Heb ik een slang doodgeslagen?" vroeg Grauwvel.

"De eerste dag, toen je in 't bosch kwam, sloeg je de vrouw van de
slang, Helpmij, dood," zei Krule.

Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens
stond hij stil:

"Karr, ik heb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier
doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest."

"Wat zeg je toch?" viel Karr hem in de rede.

"Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in
ballingschap gaat."

"Dat zeg ik nooit," zei Karr. "'t Is een gevaarlijk land voor elanden,
daar in 't noorden."

"Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo'n ongeluk heb
aangericht?" vroeg Grauwvel.

"Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet."

"Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch," zei
Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.

Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en
al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te
ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook
niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord
had gehouden, en in ballingschap was gegaan.

Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet
begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet
wegpraten. Hij had nooit van zoo'n dwaasheid gehoord. Wat kon die
Helpmij nu voor macht hebben?

Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den
boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.

"Waar kijk je naar?" vroeg een man, die naast hem stond.

"Er is een ziekte onder de larven uitgebroken," zei de boschwachter.

Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog
meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu
zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want
die slang zou wel nooit sterven.

Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in,
die hem een beetje troostte.

"De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden," dacht hij. "Hij
zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar
eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal."

Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den
eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken,
of de larven hadden zich verpopt. Uit de poppen kwamen millioenen
vlinders. Zij vlogen 's nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de
boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon
men nog grooter verwoesting verwachten.

De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de
larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van 't eene bosch naar
het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van
den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot,
toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.

Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in
zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.

Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid,
en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven
leven, tot ze poppen en vlinders werden.

Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap,
dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in
vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd
was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.

Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee
zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.

Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten
gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij
in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon
niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij
kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom
over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had
gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet
in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.



DE WRAAK.


Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den
oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden
Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De
lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs
dekte 't geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De
ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel
te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klomp
verloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den
oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.

De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond,
en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van 't bosch. "Neen,
dan heb ik de vlakte en de zee liever," dacht hij. "Daar kun je zien,
waar je op afgaat. Als 't nog een beukenbosch was, kon 't er nog door,
want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen,
die zoo woest en ongebaand zijn--ik begrijp niet, hoe de menschen
het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken."

Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in 't oog, en stond dat juist
om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij
keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem
aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen
zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef
rustig staan. "Dat is maar een slang," dacht hij. "Die kan mij toch
niets doen."

Maar 't volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo'n sterken stoot
voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been,
en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken
en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem
dicht op de hielen.

Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile
kanten, en hij klauterde er op.

"Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen," dacht hij,
maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij,
dat de slang probeerde achter hem aan te komen.

Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen,
bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal
los op een smallen kant. 't Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon
blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter
dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden,
vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den
slangenkop liggen.

"Die heeft zijn werk netjes gedaan," dacht de jongen, en haalde
diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken,
stil bleef liggen.

"Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar
ben geweest."

Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij
een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast
de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo
groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een
metaalachtigen glans er over. De jongen kroop voorzichtig weg in een
spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur,
toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder
noodzaak vertoonen.

De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam
van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij
met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed
in de ooren: "Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood
ligt!" Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe
gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.

"'t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in 't bosch
kunnen zijn," zei hij. "Hij is het zeker!"

Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens
hield hij zich in. "Je moet geen ezel zijn, Bataki," zei hij. "Je
kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier
geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is,
als hij hem niet zelf ziet."

De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo
vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten,
dat hij het lachen niet laten kon.

De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den
steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. "Ben jij niet
Bataki, de raaf, een goede vriend van Akka van Kebnekaise?" vroeg
de jongen.

De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.

"Jij bent toch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt,
en dien ze Duimelot noemen?"

"Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis," zei de jongen.

"Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen,
wie die slang heeft dood geslagen?"

"Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,"
antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.

"Dat was flink voor zoo'n kleintje als jij," zei de raaf.

"Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang
dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen."

"Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,"
zei de jongen.

"Och," antwoordde de raaf, "dat is een lang verhaal. Je hebt toch
geen geduld daarnaar te luisteren."

Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf
de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen
hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken.

"Ik dank je wel," zei hij. "'t Is alsof ik het bosch beter begrijp,
nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog
iets van het groote Friedsbosch over is."

"'t Meeste is al verwoest," zei Bataki. "De boomen zien er uit,
alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het
duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is."

"Die slang daar heeft zijn dood verdiend," zei de jongen. "Maar hoe
wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?"

"Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,"
zei Bataki.

"Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder
geval een heel verstandig dier was."

De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop
afgewend te luisteren naar iets anders.

"Hoor," zei hij. "Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn,
als hij hoort, dat Helpmij dood is."

De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.

"Hij spreekt met de wilde ganzen," zei hij. "Ja, hij heeft zich
zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel
te hooren."

De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel
naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden
te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men
den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.

"Daar heb je Karr," zei Bataki tegen den jongen.

"Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te
vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is."

Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:

"'t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden," zei
de gans. "We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van
Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen
Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het
zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen,
de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak,
en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We
zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die
's winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende
boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs
hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.

Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch
wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen,
messen in den gordel, maar geen geweren. Er was een hard bevroren
korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden,
maar liepen rechtuit.

Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden,
wat ze zochten.

Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden 't heele
bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag
het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de
takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat
op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het
toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.

We daalden snel naar beneden, en streken midden in 't kreupelhout
neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. 't Waren drie elanden,
die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.

De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. 't
Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar
toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren,
die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.

"Neen, vadertje, ga niet liggen slapen," zei ik toen tegen
hem. "Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in 't bosch, en ze
komen recht op dit elandleger aan."

"Dank je wel, ganzenmoedertje," zei de eland, en het was, alsof hij
weer insliep onder 't praten, "maar je weet wel, dat wij, elanden,
hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers
zijn zeker op de vossenjacht."

"Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers
niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen
hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat
ze geen schot in 't bosch durven te lossen in dezen tijd van 't jaar."

De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig,
"'t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen," zeiden ze, en begonnen
op te staan.

"Blijven jelui maar stil liggen," zei de stier. "Er komen hier geen
jagers in 't kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn."

Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven
heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met
de elanden zou gaan.

Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen,
dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle
richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij
voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid
gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daar liep hij heen,
en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.

Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom
van 't bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant,
dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en
liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.

De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de
snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die
in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter
hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze
weer in 't gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen,
dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats,
waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in
't gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen
heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.

De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons
over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet
met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het
tegen zulk een draver als hij konden volhouden.

Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in 't
begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze
optrok, zagen we bloed in het spoor.

Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de
hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij
deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst
daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af,
en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de
pooten neerzette.

De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst
konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte
telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en
struikelend. Hij blies heftig. 't Was niet genoeg, dat hij zooveel
pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.

Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en
honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij
daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl
we boven hem zweefden, riep hij: "Blijf nu hier, wilde ganzen! tot
alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr,
den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood
gestorven is!""

Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee
stappen naar haar toe. "Grauwvel heeft een goed leven geleid," zei
hij. "Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik
blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel
me nu hoe...."

Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding
aan te nemen, maar hij zonk weer neer.

"Karr, Karr!" riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude
hond stond haastig op. "Dat is de baas, die me roept," zei hij,
"en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en
nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je,
wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden
den dood te gemoet te gaan."



XXIII.

IN NÄRKE.


In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en
dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.

Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind
te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden,
en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.

Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze
vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heel
Närke kon men zeker wezen haar niet tegen te komen.

Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en
waar ze 't allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het
maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.

Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide
bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar
uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.

Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en 't
land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels
door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan
rent hij voort over de vlakte, maar vlak in 't westen bonst hij tegen
den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan
kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar
daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat
hij naar 't oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar
't noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al
kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte
staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden
over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stond ze midden
in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in 't rond
op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een
stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.

's Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen
spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de
vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze
zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en
torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite
's avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer,
zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren,
en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag
een eind aan het werk maakten.

't Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht,
dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen
durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte
kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge
vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå
's avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in
zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen,
en de zware sleden in poelen en moerassen reden.

Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de
koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het
tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel,
wie er weer aan 't grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in
Örebro van 't hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt
moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten
in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen
waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook 's avonds de
kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was
't niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan 't pret maken was.

Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke
plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel
merken, dat ze 't meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en
gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme
kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen,
dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam
aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek,
en 't gevaar afweerde.

In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsa dikwijls
hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te
plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat
vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven
op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de
langzaam stroomende Svartå en de ondiepe vischrijke meren in de vlakte,
met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude
kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben:
"Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet
was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand
zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt."

En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg,
dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den
anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep
over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want
lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. 't Was even
verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben,
als voor 't veld door den stormwind te worden gezweept.

Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even
goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat
klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan
stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen
zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens.

Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar
hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over
het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten.



DE AVOND VOOR DEN MARKTDAG.


't Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende,
dat het goot.

't Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen
uit de wolken, en menigeen dacht: "'t Is precies, als in den tijd
van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de
marktdagen. 't Zou juist iets voor haar zijn, zoo'n stortregen te
brengen op den avond vóór de groote markt."

Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte
wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met
hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen in Örebro te zijn, hadden
het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer
wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg
liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan
den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers,
en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.

't Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen
en schuren.

Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de
herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet
in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de
schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef
niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te
laten staan. 't Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder
dak konden komen.

't Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het
verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden
niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om
op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die
in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten,
waar ze voor zorgen moesten.

De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den
Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van
het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge
voeten over kon komen, als het laag water was.

Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De
jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem
neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij
vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.

Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in
het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop
zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. 't Was een
oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien
had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat
alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel,
droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. 't
Was duidelijk, dat 't hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.

't Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden
te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.

"Waar moet je heen? Kijk toch uit!" riep hij.

"Zoo, ben jij daar," zei het paard, en kwam op den jongen af. "Ik
heb bijna een uur geloopen om je te vinden."

"Heb je over mij hooren spreken?" vroeg de jongen verbaasd.

"Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel
over je gesproken."

Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien,
en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en
een zachten fijnen neus had.

"Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu,
op zijn ouden dag, akelig aan toe," dacht hij.

"Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen," zei het paard. De
jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig
uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.

"Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit," zei
het paard. "Maar je durft misschien niet met zoo'n schooier van een
knol meê, als ik ben."

"O ja, dat durf ik wel," zei de jongen.

"Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je
morgen zullen komen halen," zei het paard.

Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg,
beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange
tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote
herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren
zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken
zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep,
waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden,
zonder eenige beschutting voor den regen, en in 't midden van de
plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren,
varkens en hoenders opgesloten zaten. 't Paard ging naar het hek, en
bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen,
die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.

"Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?" vroeg hij.

"Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier
binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel
reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen."

De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet
veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen
van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was
nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen
zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept
neerviel, was met sneeuw vermengd. 't Was niet moeilijk te begrijpen,
wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou.

"Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?" vroeg het
paard.

"Ja," zei de jongen, "die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet
gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar
misschien ook al vol?"

"Neen, daar zijn geen gasten," zei het paard. "Zij, die daar wonen,
zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt,
als ze daar om huisvesting vragen."

"O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent."

"Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed," zei het paard. "Ik weet,
dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel
leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken,
dat we daar binnen kwamen."

"Ik geloof niet, dat ik dat durf," zei de jongen. Maar toen had hij
toch zoo'n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde
probeeren.

Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle
bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij
stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant,
van waar hij die niet verwacht had. 't Was een windvlaag, die kwam
aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak
voor hem opengooide.

De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.

"'t Is niet mogelijk in de stallen te komen," zei hij, "maar er is
een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten,
en daar kan ik jelui in brengen."

"Ja, graag," zei het paard. "'t Zal prettig zijn nog eens op de oude
plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van
't leven verwachten kan."

In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen
dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.

De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang,
en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij
was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle
andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die
nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard
wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had
daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren
ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn
jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op
den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in
't vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder
een beweging te maken, dan alleen om nu en dan een stuk brandhout op
den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn
bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en
dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon,
die daar bij 't vuur stond, en niet naar bed ging.

"'t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger," zei hij.

De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een
paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij
een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien,
dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was,
dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.

"Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad
hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen,
want dien heeft het wel noodig," had de paardenkooper geantwoord.

Toen had hij 't paard bekeken en het herkend. 't Was een dier,
dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet
in den zin zoo'n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen,
zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in
ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij
hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker,
dat hij niet naar bed kon gaan.

Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem
heelemaal laten oppassen. Hij had hem 't eerst gereden, en hij hield
meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd,
dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte
haver gegeven.

Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard
had; hij had altijd gereden. 't Was alleen om met dat jonge paard te
pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren,
en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het
mooiste, dat op 't kerkplein kwam.

Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen
lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had
verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte
zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan 't verstand te brengen,
dat hij, als hij zoo'n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch
ook een beetje knap uit moest zien.

Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met
het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.

Dat was hard! Maar 't was duidelijk, dat Vader bang was geweest,
dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu,
zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vader gelijk had gehad. Zoo'n
paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in 't
begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar
Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan,
en 't paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te
sluipen met een klontje suiker.

"Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg," had hij gedacht, "koop ik
allereerst mijn paard weer terug."

Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar
hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had
in lang niet aan het dier gedacht, voor nu, vanavond.

't Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar
Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil,
en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had
Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen,
dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de
hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen,
als Vader zou gedaan hebben.

Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar
het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld
onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men
niet door nalatigheid verwaarloozen. 't Was beter gierig te heeten,
en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen
gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.

Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat
hij iets vreemds hoorde. 't Was alsof een schelle, spottende stem
precies herhaalde wat hij dacht:

"'t Is 't beste je beurs stijf toe te houden. 't Is beter gierig te
heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen
gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars."

't Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was
op 't punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing
was. 't Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo
slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor
werkelijk spreken gehouden had.

Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware
slagen. 't Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden.

"'t Wordt tijd, dat je naar bed gaat," dacht hij. Maar toen herinnerde
hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen
avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht
waren, en alle lichten uit.

Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar
was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten
in den storm.

Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuur door
den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te
halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn
jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit,
en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar
begon in de kamer heen en weer te loopen. 't Was vreeslijk weer buiten,
met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En
zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje
als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel
een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in
de buurt gekomen was.

Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende
klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee
los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.

Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen;
maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met
de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.

Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats
rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was,
toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen,
hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den
sleutel zien te bemachtigen.

"Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel
te halen," zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.

Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis
zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers
over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.

De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij
liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar
hulp zou kunnen krijgen.

"Zie zoo Brita Maja," zei de eene, "nu moet je niet meer schreien! Nu
zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen."

Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe:
"Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is
heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen
gasten. Daar moet jelui heengaan."

De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien,
wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was
immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk:

"We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen,
zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den
weg moeten loopen bedelen."

"Dat kan wel wezen," zei de jongen, "maar jelui moet daar in ieder
geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat."

"Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens
binnengelaten," zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe,
en klopten aan.

Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij
hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het
was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen
om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het
slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets
speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den
muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken,
en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.

't Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige,
vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen,
even groot als zijzelf.

"Wat zijn jelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten
rondzwerft?" vroeg de boer onvriendelijk.

De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken
neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te
begroeten. "Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!" zei de oudste,
"en we wilden om nachtverblijf vragen."

Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die
bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem
opkwam. Engärde,--was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met
haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een
paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen,
had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland
gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste
waren ten laste van de gemeente gekomen.

Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men
het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld had opgeëischt,
dat toch zijn rechtmatig eigendom was.

"Wat voeren jelui tegenwoordig uit?" vroeg hij de kinderen op strengen
toon. "Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui
nu te bedelen?"

"Dat kunnen wij niet helpen," zei het oudste meisje. "De menschen,
waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen."

"Nu, jelui hebt de zakken vol," zei de boer, "je hebt dus niet te
klagen. Nu is 't maar 't beste, dat je er uit neemt, wat je bij je
hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De
vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan
liggen, dan hebben jelui 't ten minste niet koud."

Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde,
en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest
immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken
paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met
den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.

Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij
dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij
luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in
den schoorsteen.

Maar dat was het wonderlijke:--als de wind zoo zijn gedachten
herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.

De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan
liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.

"Wil jelui wel eens stil wezen!" zei hij. Hij was zoo prikkelbaar,
dat hij ze wel had willen slaan.

Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat
ze moesten zwijgen.

"Toen Moeder van ons wegging," antwoordde daarop een helder stemmetje,
"heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou
opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben
opgezegd van: "Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt" zullen we
stil zijn."

De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje
opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te
loopen,--heen en weer,--en hij wrong de handen, alsof hij in grooten
angst was.

Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot
zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was 't werk van zijn
vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles,
wat hij deed.

Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op
eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen
in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die
hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.

Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide
gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest
toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter
hem, alsof ze verwachtte, dat hij iets tegen haar zou zeggen. Toen
dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken
van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.

Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote
gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil
naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar
eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. "Zeg
eens, Lars," zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide,
"je moet mij die twee kinderen laten."

"Wat, Moeder?" zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.

"Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af,
dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook."

"Ja, maar..."

"Ik wil ze hier houden en flinke menschen van hen maken. Ze zijn te
goed om te loopen bedelen."

Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare
kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde
die.

Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.

"Wat zou Vader hiervan zeggen?"

"Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw
tijd gekomen," zei de moeder. "Zoolang Vader leefde, moesten we hem
gehoorzamen. Nu moet jij je toonen, zooals je bent."

De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met
schreien.

"Ik toon me toch, zooals ik ben," zei hij.

"Neen," antwoordde zijn moeder. "Dat doe je niet. Je probeert aldoor
op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft
hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen
was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars
doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig
hebt, en 't zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht."

Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze
nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje
verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in
't oog kreeg, die uit den jaszak stak. "Als nu de boer de kinderen
de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg," dacht hij.

Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog
in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.

De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij
op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo'n goede uitdrukking op
zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde
hij die oude gerimpelde hand.

"Ja, nu moeten we toch naar bed," zei de oude vrouw, toen ze zag,
dat hij weer kalm was.

"Neen," zei hij, en stond snel op. "Ik kan nog niet naar bed gaan. Er
is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag."

Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een
lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind,
en 't was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te
neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of
het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.

Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.

"Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid," dacht hij, en ging
er heen om die te sluiten.

Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur
sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.

Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten
te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het
vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een
sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en
hen onder dak gebracht, maar 't was het geluid, dat de jongen maakte,
toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de
lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend
vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden,
maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers,
en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken,
en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze
niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond,
was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.

Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier
van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het
dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.

En de boer begon hem te streelen. "Mijn best paard," zei
hij. "Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal
je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het
goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen
hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je
zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte
hoef te doen. Je bent ook nog niet heelemaal op. Je zult nog eens het
mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest."



HET KRUIEN VAN HET IJS.


Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke
wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu
droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens
van den vorigen dag.

Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het
ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van
Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever
van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat
het grootste gedeelte van het meer nog bedekte.

De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet
donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar
het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het
vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en
spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet
anders dan het prachtige ijs.

Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden,
en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich
konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats
van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk
is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den
kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen
liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoo dichtbij,
dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken.

"Kom, laten we het probeeren," zei kleine Mads. "Als we maar goed
voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel."

En zoo gingen ze op weg over het meer. 't IJs was niet heel glad,
maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze
dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er
door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen,
maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen
zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze
spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs
te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort
te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de
buurt van Vinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit
haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen,
en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel,
dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij,
die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. 't
Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.

Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans
over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen,
dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel
prettig. Ze deden om 't hardst hun best om uit te vinden, waar het
ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze
hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe
moeilijkheden kwamen.

Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te
wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd
over, dat het meer zoo breed was.

"'t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt," zei de kleine Mads.

Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut
heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze
zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt
onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde,
was, dat die wind zoo'n leven maakte. 't Was alsof die 't lawaai van
een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke
dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de
westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch
te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar
de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust
begonnen te worden.

Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden,
van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen,
maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.

Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen,
bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over 't ijs
liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was,
maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het
ijs sloegen.

Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te
loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in 't westen was
open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig
naar 't oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken
zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.

Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd, juist op de
plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand
er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen,
en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door
het ijs zien schieten.

Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer
gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze
het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten
kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen.

"Asa," zei kleine Mads, "dit is zeker het kruien van 't ijs."

"Ja Mads, dat is het," antwoordde Asa, "maar we kunnen nog aan land
komen. Loop maar flink door."

De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het
meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het
ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw
verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld
en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote
gave velden vormde.

Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet
konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren,
dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de
groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze
heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter
bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs,
dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.

Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen
strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de
kinderen onder al 't gekakel door de woorden hoorden: "Jelui moet
rechts loopen, rechts, rechts, rechts!"

Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde
niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet
wat ze doen moesten.

Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in 't gekakel
onderscheidden ze de woorden: "Blijf stil staan, waar je bent, blijf
stil staan, waar je bent!"

De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze
gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer
naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze
elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang
voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen.

Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer
een stem, die tot hen doordrong: "Recht door! Recht door!" zei de stem.

Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij
de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land
waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den
vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug
te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten,
maar ze liepen hard door.

Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens
staan.

"Wacht hier even, Mads," zei ze. "Ik heb wat vergeten." En Asa, het
ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van 't meer terug. Daar
ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje
uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in 't oog viel. Daarna
ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om
te kijken.

Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote,
witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de
klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven.



XXIV.

DE IJZERFABRIEK.


Een felle westenwind blies bijna den heelen volgenden dag, toen de
wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra ze probeerden
naar het noorden te vliegen, werden zij naar het oosten gedreven, maar
Akka meende, dat Smirre de vos, in 't oosten van 't land rondzwierf. Ze
wilde daarom niet dien kant uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw,
en werkte zich met moeite vooruit in de richting naar het westen. Op
die manier kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren
dien middag nog in de mijndistricten van Westmanland. Tegen den avond
ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers begonnen te
hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen doorvliegen vóór
zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige windvlaag. Die wierp de
ganzen als ballen voor zich uit, en de jongen, die zorgeloos neerzat,
en niet op gevaar bedacht was, werd van den rug van den ganzerik
gelicht, en in de lucht geslingerd.

Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo'n hevigen wind
niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met
den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zoo als
een blad van een boom valt.

"Nu, dat loopt wel goed af," dacht de jongen nog onder het
vallen. "Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje
papier was. Maarten, de ganzerik, zal wel gauw komen en me oprapen."

Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts
afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien,
waar hij was.

"Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik, waar ben jij?" riep hij. En
hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast
hem stond.

Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde
ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos
verdwenen.

Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of
onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten
hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker
meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen,
om hem te halen.

Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij
alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om
zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar
in een breede bergspleet, of iets dergelijks. 't Was een ruimte, zoo
groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en
heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote steenblokken,
en daartusschen groeiden mos en roode boschbessestruiken en kleine lage
berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden, en vandaar hingen
oude verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de eene zijde was
de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te loopen.

De jongen had niet voor niet een heelen dag over de mijndistricten
gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan,
doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald.

"Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren," dacht hij,
"want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden."

Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van
achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde
brommen:

"Wat ben jij er voor een?"

De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende
hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos
begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had
om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond.

Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook
niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en
weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem
in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep:
"Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje
voor jelui."

Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de
pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jonge honden.

"Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?" riepen ze.

"O zoo! ben ik bij de beren gekomen," dacht de jongen. "Dan ben
ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij
te jagen."

De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en
een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door,
want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken,
vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te
nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop
van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en
sloegen elkaar, en bromden.

Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon
naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na,
klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het
mos als een bal.

"Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van
een kat is gevallen," dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te
komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter
de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem,
waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem
los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem
weer te vangen.

Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond
bleef liggen.

"Loop nu weg, anders eten we je op," bromden de beertjes.

"Ja, doe dat maar," zei de jongen. "Ik kan niet meer wegloopen."

Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin.

"Moeder, Moeder, hij wil niet meer spelen!" klaagden ze.

"Dan moet jelui hem samen deelen," zei de berin. Maar toen de jongen
dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen.

Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij
haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo'n pleizier gehad,
dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen
tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich
niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk
in, en de jongen dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen
weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en
weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe,
dat hij ook insliep.

Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De
jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl
hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te
bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den
beer kon zien. 't Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude
beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke
kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden
boschkoning zag.

"'t Ruikt hier naar menschen," zei de beer, zoodra hij bij de berin
kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer.

"Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?" zei de berin, en bleef rustig
liggen. "We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad
meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met
de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten,
dat jij hem kon ruiken."

De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet
recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in 't rond te snuffen.

"Schei nu uit met dat gesnuffel!" zei de berin. "Je kent me toch
genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten
komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele
week niet gezien."

"Ik heb naar een nieuwe woning omgezien," zei de beer. "Eerst ben ik
naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het
daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol
meer in 't heele bosch."

"Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn," zei
de berin. "Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van
boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in 't bosch
blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten
verhuizen om rust te hebben."

"Hier in de groeve hebben we 't immers jaren lang best gehad," zei de
beer. "Maar ik kan 't hier niet uithouden, nu die groote lawaaiige
fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik 't laatst ten
oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel
oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er
daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten..."

Op 't zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde
om zich heen.

"'t Is vreemd,--maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht
weer," zei hij.

"Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft," zei de berin. "Ik
zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou
kunnen zijn."

De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk
ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen.

"Zei ik 't niet?" zei de berin. "Maar jij gelooft natuurlijk, dat
niemand, behalve jij, neus en ooren heeft."

"Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier
hebben," zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van
de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgerssons gezicht
gelegd, zoodat de stakker niet kon ademhalen, maar begon te snuiven. Nu
kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen
rechts en links, en kreeg Duimelot in 't oog, vóór hij op kon staan.

Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet
tusschen hen in geworpen had.

"Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!" riep ze. "Ze hebben den
heelen avond zoo'n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten,
maar hem voor morgen bewaren."

Maar de beer duwde haar op zij.

"Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt," schreeuwde
hij. "Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch
ruikt? Ik zal hem direct opeten, anders speelt hij ons nog eens een
leelijke poets."

Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en
hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat
was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een
aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in
den bek van den beer.

De beer snoof en proeste, toen hij de zwavellucht rook en--uit was de
vlam. De jongen hield een tweede zwavelstok klaar, maar--wonderlijk
genoeg--de beer deed geen aanval.

"Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?" vroeg de beer.

"Ik kan er zooveel aansteken, dat ze 't heele bosch kunnen vernielen,"
antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer
bang kon maken.

"Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?" vroeg
de beer.

"Dat zou voor mij in 't minst geen kunst zijn," blufte de jongen,
en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen.

"Dat is best," zei de beer. "Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu
ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb."

Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de
tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem
onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat
hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij
hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat
hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn
zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water.

De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van 't bosch
kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen,
zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten
vast. "Kijk nu naar die groote lawaaifabriek," zei hij tegen den
jongen.

De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen
aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte
rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden,
en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren
hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo'n kracht, dat de
lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen
lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen,
stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder
stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa's, scholen,
vergaderlokalen en winkels. Maar al dat andere was stil, en scheen
te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de
fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich
prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit
schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht
en rook uit, en vuur en vonken. 't Was het meest overweldigende,
wat hij ooit had gezien.

"Je zult toch niet beweren, dat je zoo'n groote fabriek ook in brand
kunt steken," zei de beer.

De jongen stond daar tusschen de berenpooten geklemd, en hij meende,
dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken
indruk van zijn macht en kracht kreeg.

"Dat is me 't zelfde, of het groot of klein is," zei hij. "Ik kan
dat best laten afbranden."

"Dan zal ik je wat zeggen," zei de beer. "Mijn voorouders hebben in
deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in 't land groeiden,
en ik heb het jachtgebied en 't veld om te grazen, het nest en
alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijn leven lang
gewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze
liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier
bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de
hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een
paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de
laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde
vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger
woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo
vol menschen, dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel
gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht."

De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij
kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw
tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon
niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch,
dat ze dichter bij de fabriek kwamen.

De beer kende die heele fabriek goed. Hij had daar veel donkere
nachten omheen geloopen, opgemerkt wat daar binnen gebeurde, en er
over gedacht, of dat werk daar nooit eens zou ophouden. Hij had de
muren met de voorpooten betast, en gewenscht, dat hij zóó sterk was,
dat hij het heele gebouw naar den grond zou kunnen slaan met één slag.

Hij was niet gemakkelijk te onderscheiden tegen den zwarten grond,
en als hij bovendien in de schaduw van de muren bleef, liep hij
geen gevaar ontdekt te worden. Nu liep hij onbevreesd tusschen de
werkplaatsen door, en klauterde op een hoop slakken. Daar ging hij op
de achterpooten staan, hield den jongen tusschen de voorpooten omhoog,
en zei: "Probeer eens, of je in dat huis kunt zien."

Binnen in de fabriek waren ze bezig met het smelten van Bessemer-ijzer.

In een grooten, zwarten, ronden kogel, die aan den zolder hing, en met
gesmolten ijzer gevuld was, persten zij een sterken luchtstroom. En
als de lucht met een vreeselijk gedreun in de ijzermassa drong,
sprongen daar groote zwermen vonken uit. De vonken kwamen in kwasten,
in bundels, in lange trossen. Ze hadden allerlei kleuren, waren groot
en klein, stoven tegen den muur en door de geheele groote ruimte. De
beer liet den jongen naar dat prachtig tooneel kijken, tot het blazen
voorbij was, en het roode, vloeibare, mooi lichtende staal uit den
ronden kogel neerstroomde in een paar emmers. De jongen vond, wat
hij daar zag, zóó overweldigend, dat hij er heelemaal van onder den
indruk kwam, en bijna vergat, dat hij tusschen een paar berenklauwen
gevangen zat.

De beer liet den jongen ook in de cylinderwerkplaats zien. Daar nam
een arbeider een kort, dik, wit gloeiend stuk ijzer uit een oven,
en stopte het onder een cylinder. Als het stuk ijzer daaronder uit
kwam, was het samengedrukt en uitgetrokken. Dadelijk nam een andere
arbeider het over, en stopte het onder een nog zwaarder cylinder,
die het nog langer en smaller maakte.

Zoo ging het van de eene naar de andere, en werd steeds weer
uitgetrokken en geperst, tot het eindelijk als een vele meters lange,
roode glinsterende draad over den vloer kronkelde. Maar terwijl het
eerste stuk ijzer geperst werd, was er al weer een nieuw uit den
oven gehaald, en als dat een eind op weg was, kwam er een derde. En
onophoudelijk slingerden zich nieuwe roode draden over den vloer,
als sissende slangen. De jongen vond, dat het prachtig was het ijzer
te zien, maar nog prachtiger vond hij de arbeiders, die vlug en handig
de gloeiende slangen met hun tangen aanpakten, en ze onder de cylinders
staken. 't Scheen voor hen een spel, met dat sissende ijzer om te gaan.

"Ik moet zeggen, dat dit hier echt mannenwerk is," dacht de jongen.

De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij,
en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de
smeden met ijzer en vuur omgingen.

"Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen," dacht
hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen
leken, en daarom konden ze zeker 't ijzer buigen en vervormen naar
welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren,
die zulk een macht hadden.

"Kijk! Zoo gaan ze nu maar door--dag aan dag, nacht op nacht!" zei de
beer, en ging op den grond liggen. "Je kunt wel begrijpen, dat zooiets
je verveelt. 't Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan."

"Zoo, kun je dat?" vroeg de jongen. "Hoe wil je dat doen?"

"Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken,"
zei de beer. "Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer
hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen."

De jongen werd ijskoud van schrik. 't Was dus daarom, dat de beer
hem hierheen had gebracht.

"Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag
blijven leven," zei de beer. "Maar als je niet doet, wat ik wil, is
't gauw met je gedaan."

De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht,
dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die
toch niet zou kunnen uitvoeren.

Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht
bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand
kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de
kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die
in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek
vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden
barsten door de hitte, en de machines vernield worden.

"Nu, wil je--of wil je niet?" zei de beer.

De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat
hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de berenklauwen, die hem
vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij:

"Ik mag me zeker nog wel even bedenken."

"Nu ja, dat mag je wel," zei de beer, "maar ik moet je zeggen, dat het
juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren,
geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden."

De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of
andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang, dat hij
zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te
denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze
hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in den ploeg,
die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd,
in de zeis, die het koren maaide, in het mes, dat voor alles te
gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde,
aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij
elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: 't geweer, dat de
wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve
openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona
had gezien, op ijzeren rails rolde de locomotief door het land, van
ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar,
waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd
gekookt. 't Groote en 't kleine, al het nuttige en onontbeerlijke,
van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat
het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven.

"Nu, wil je, of wil je niet?" vroeg de beer.

De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over
allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden
om zich te redden.

"Je moet niet zoo ongeduldig wezen," zei hij. "Dat is een zaak van
gewicht, en ik moet tijd hebben om mij te bedenken."

"Nu, bedenk je dan nog een poosje," zei de beer. "Maar ik wil je wel
zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel
wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier
weg hebben."

Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken
om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze
wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij
meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden
moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer
uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte
smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken,
hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. 't Was misschien, omdat
ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was
gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen,
dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de
menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten.

"Nu, hoe is het?" zei de beer. "Wil je, of wil je niet?"

Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in
onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest
om weg te komen.

"'t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt," zei hij. "Je
moet me bedenktijd geven."

"Ik kan nog wel een poos wachten," zei de beer. "Maar dan krijg je
geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de
menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen,
dat ik die fabriek hier weg wil hebben."

De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een
redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was,
zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met
alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten
had gezien. 't Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging,
zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam
het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de
werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven, al van 't
oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich
heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden
hadden meegebracht, die..."

"Nu, hoe is het?" vroeg de beer. "Wil je--of wil je niet?"

De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had
hij bedacht, maar zooveel wist hij--dat hij niets tegen het ijzer
wou doen, dat zoo'n steun voor arm en rijk was, en dat aan zooveel
menschen in dit land brood gaf.

"Ik wil niet," zei hij.

De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen.

"Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen,"
zei de jongen. "Want het ijzer is zoo'n groote zegen, dat het niet
aangaat daar kwaad aan te doen."

"Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven," zei de beer.

"Neen, dat verwacht ik niet," zei de jongen, en keek den beer vlak
in de oogen.

De beer kneep nog harder. Dat deed zoo'n pijn, dat de jongen tranen
in de oogen kreeg, maar hij zei niets.

"Nu dan!" zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij
hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven.

Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en
hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en
de beer waren zóó in gedachten verdiept geweest, dat ze niet gemerkt
hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was.

"Beer!" riep de jongen. "Hoor je die geweerhaan niet overgaan? Maak,
dat je weg komt, of ze schieten op je!"

De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen mee te
nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels
floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid.

Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat
hij zeker nooit zoo dom was geweest, als dien nacht. Als hij maar had
gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar
hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het
deed, zonder er over te denken.

Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan,
en zette den jongen op den grond.

"Ik dank je wel, klein ventje," zei hij. "Die kogels zouden wel beter
hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook
een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet
je hem zeggen, wat ik je nu influister,--dan raakt hij je niet aan."

Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor,
en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en
jagers hem vervolgden.

En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon
zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was.



De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen,
gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen
door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het
eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze
heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde,
dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in 't bosch lag, waar
ze hem niet konden vinden.

Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en
de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in
te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd,
en hen in hun verwondering hoorde kakelen.

Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen
van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij hun zijn heele geschiedenis
had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur
onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen.

"Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker wel," zei hij.

"Neen, we weten niets; we dachten, dat je dood gevallen was!"

"Dat is vreemd," zei de jongen. "Toen de beer weg was, klom ik in een
den, en viel in slaap. Maar bij 't eerste aanbreken van den dag werd
ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte
met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met
me gedaan was. Maar hij deed me niets; hij vloog regelrecht hierheen,
en gooide me neer midden tusschen jelui in."

"Zei hij niet, wie hij was?" vroeg de groote witte ganzerik.

"Hij was weg, voor ik hem nog bedanken kon. Ik meende, dat Moeder
Akka hem had gezonden om me te halen."

"Dat was wonderlijk," zei de witte ganzerik. "Ben je er zeker van,
dat het een arend was?"

"Ik heb nog nooit een arend gezien," zei de jongen. "Maar hij was
zóó groot, dat ik hem geen andere naam kan geven."

Maarten, de ganzerik, keerde zich om naar de wilde ganzen, om te
hooren, wat ze daarvan zeggen zouden. Maar ze stonden in de lucht te
kijken, alsof ze aan heel andere dingen dachten.

"We moeten toch niet heelemaal ons ontbijt vergeten," zei Akka,
en vloog haastig op.



XXV.

HET BROEDERDEEL.


DE OUDE GROEVESTAD.


Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield
als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in
de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de
oude groevestad.

Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine
rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder,
klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd
wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken
heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met
allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels,
die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken;
de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van
de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen
bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen,
als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote
ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.

De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de
rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop
ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen,
die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken,
het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de
bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie
villa's en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat,
kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van
planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten,
midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met
hijschmachines en pompen, met ouderwetsche gebouwen, die scheef op
den ondermijnden grond staan, met zwarte, steile hoopen slakken en
lange rijen droogovens voor het erts.

Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de
stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van
't kleine meertje Tisken.

Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat
aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging
bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het
was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen,
waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle
andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang
de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven
staan. Hij had gepeinsd over de groote "vijzel", de reusachtige
opening in den grond midden in 't veld om de groeve, en was tot op
den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege
ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen
slakken, die om de "vijzel" en het mijngebouw heen lagen, en ze
als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine
signaalbelletje, dat met korte sombere slagen 't heele jaar door slaat,
met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en 't allermeest
had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien,
waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en
de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk
Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen,
zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te
denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij
vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat
hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in 't
geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in
beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker,
omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in 't meer viel,
blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne
van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen,
dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd,
tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.

In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het
land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een
eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat
daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. 't Was
een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand
bruingrijs was geworden. Het had geen venster, maar enkel een rij
kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met
boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en
daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong
rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den
hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.

Op een dag ging het Bataki al heel slecht. 't Had sterk gestormd. Een
kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er
dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was
hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij
verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die
scheen daar in 't geheel geen plan op te hebben.

Er viel vrij wat licht in 't gebouw door spleten in den muur,
en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe 't
er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote
oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw
voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het,
dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer
opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De
raaf was doodeenvoudig gevangen.

Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er
zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in 't leven maken als
raven, en al gauw werd het ver in 't rond bekend, dat hij gevangen
zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het
ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe
aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien,
duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar
de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden
diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om
hem te helpen.

Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem:
"Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen
wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en
haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van 't jaar in Dalecarlië
zijn. Vertel Akka hoe 't met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de
eenige bij zich heeft, die me helpen kan."

Agar, de postduif, de beste bode in 't heele land, vond den troep
wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka
en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat
op Akka's rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland
in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden
hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.

Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam
ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de
zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen,
die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden
keken. 't Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon
waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze
vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde
een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen
een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en
daarnaast een bosje touw.

Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het
touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed
er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel
mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in
den muur te hakken met den beitel.

De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met
iederen houw maar een splintertje los--zóó dun, dat een rat het met
zijn voortanden wel had kunnen losknagen. 't Was duidelijk, dat hij
den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij
zoo'n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.

De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar
onder het werk naast den jongen bleef staan. In 't begin was Niels
heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds
met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.

"Je bent zeker moe," zei de raaf. "Je kunt misschien niet langer
werken!"

"Neen, ik ben niet moe," zei de jongen, en nam den beitel weer op,
"maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik
weet niet, hoe ik me wakker zal houden."

Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer
met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker,
maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier
wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was--niet
alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.

"Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal
vertelde?" vroeg hij.

"Ja, dat kon wel," zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was
zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden.



DE SAGE VAN DE FALUNMIJN.


"Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot," zei Bataki. "Ik heb al een
lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en
verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier
heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van
hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in 't land is,
die zooveel weet van je stamgenooten als ik.

Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter
hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.

Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters
had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij
zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschen hen te verdeelen.

Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper
waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. "Maar eer ik die
erfenis afgeef," zei hij, "moet jelui me beloven, dat als ooit
een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult
doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien."

De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde
zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter
karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte
aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl
de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.

"Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart," zei de reus. "En
daarom zul jij het broederdeel hebben."

Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide
dochters even getrouw aan hun woord. 't Gebeurde meer dan één armen
houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene
kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was
hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd
door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem
neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd
aan een ander den schat te wijzen, die op 't woeste veld te vinden was.

In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee
diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om
op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen
en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren
een plaats open midden in 't bosch, en bouwden daar een paar hutjes,
die zij zomerweihutten noemden.

Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente
Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van 't meer Runn,
waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien
te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden
naar de zomerweide, om te helpen 't vee, de botervaten en kazen naar
huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een
van de bokken heelemaal rood aan de horens was.

"Wat heeft de Karebok voor horens?" vroeg de boer aan de herderin.

"Dat weet ik niet," antwoordde zij. "Hij is van den zomer elken avond
met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi."

"Zoo, geloof je dat," zei de boer.

"Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens
afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt."

"Schuur dan die roode verf nog eens af," zei de boer, "dan kan ik zien,
hoe hij dat doet."

Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het
bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die
zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de
steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen,
dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond
te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij
hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar
de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de
boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw,
die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem
gemunt was.

"Wat doe je toch?" riep de boer. "Ik heb jou noch je familie ooit
kwaad gedaan."

"Neen, dat weet ik wel," zei de reuzenvrouw. "Maar ik moet je
doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt."

Dat zei ze met zóó'n bedroefde stem, alsof ze in 't geheel geen
lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te
spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die
ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.

"Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken,
die mijn koperberg ontdekken," zei ze, "dat ik wou, dat ik die erfenis
nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden."

Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.

"Maak nu zoo'n haast niet!" riep de boer. "Om die belofte hoef je mij
niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En
dien heb je al dood gemaakt."

"Vind je, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?" vroeg de reuzendochter
aarzelend.

"Ja zeker vind ik dat," zei de boer. "Je hebt je belofte zoo goed
gehouden, als je maar kunt."

En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.

Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar
de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk
hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok
gestorven was. In 't begin was hij bang, dat hij ook gedood zou
worden, maar 't was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van
haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De
ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van
den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te
breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden
groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het
eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn
hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.

Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan
nu. 't Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn
bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve
in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als
hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen,
en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van
twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.

In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats,
en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het
gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch
veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op
reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed
ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet
hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer
knechts hij aan 't werk kon zetten, hoe rijker hij werd.

Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met
houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed
ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem
wilden werken, zeiden ze kortaf: "Neen."

"We willen voor eigen rekening werken," zeiden ze.

"Ja, maar deze koperberg is van mij," zei de boer.

"We zijn niet van plan in jouw mijn te graven," antwoordden de
vreemden. "De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de
wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij."

Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden
gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken,
vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen
ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.

"Er is hier veel erts in den berg," zei hij.

"Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht
is," zei een van de vreemden.

"Dat begrijp ik wel," zei de boer. "Maar ik vind toch, dat jelui mij
belasting betalen moet voor het erts, dat je uitgraaft, omdat het
door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan."

"Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt," zeiden de mannen.

"Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij
gemaakt," zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters
en het broederdeel.

De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij
iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.

"Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is
dan zij, die jij ontmoette?" vroegen ze.

"Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,"
antwoordde de boer.

Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in 't oog, en hij
zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.

Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten,
hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het
huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De
boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben
om meê te gaan.

"'t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd
werd," zeiden de knechts.

"We moeten toch helpen wie in nood zijn," zei de boer, en trok met
alle vijftig knechts uit.

Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in 't oog,
die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De
knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen,
die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze
waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.

Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na
den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten
gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze in één jaar opdolven,
verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in
zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars,
en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun
erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het
ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe,
en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige
woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in
de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd:
het district van den grooten koperberg genoemd.

Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op
te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam
en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep
onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en
lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en
den berg te doen springen. 't Is altijd een zwaar, moeielijk werk
erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet
kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs
steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden
doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke
waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak
van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte
het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig
wilde doen.

Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die
vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis
voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun
wilden worden.

In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar
onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen,
waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een
avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop
het te vinden.

Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er
is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat
bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware
ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen
gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden
dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch
gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het
was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer
Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen
die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zich
de oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was,
wat de mannen hadden gevonden.

Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars
zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren,
en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die
het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen
geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel
geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader
ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op
een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde,
dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten
rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte
hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk,
danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten,
en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.

Uit den grooten koperberg werd steeds zoo'n massa erts gehaald, dat
de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die
verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en
de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp
in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun
gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd,
dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te
bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.

Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die
oude mijn te voorschijn was gekomen, is 't geen wonder, dat zij,
die geloofden, dat een koperschat--dubbel zoo groot--in de buurt was,
er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn
leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.

Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge
mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en
een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter
uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen:
maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde
wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend
over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.

De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was
hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en
hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te
leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote
mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware,
verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heele stad in mist. De rook
belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen
lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van
zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de
heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat
wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende
Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.

Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij
wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep
door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over
te denken, waar hij liep.

Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde
als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige
ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar
toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in
het ongeluk had gestort, en hij werd bang.

"Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt," dacht
hij. "Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden
heb."

Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette
hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke
mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar
vroeger had gezien.

"Ik zou wel eens willen weten, wat je in 't bosch hebt uitgevoerd,"
zei ze. "Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven."

"Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!" antwoordde
de mijneigenaar, "want het meisje, waar ik van houd, wil niet in
Falun wonen."

"Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo
pas gevonden hebt?" vroeg ze verder.

"Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar,
die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen."

"Ja, houd nu maar woord," zei de vrouw. "Dan zal je geen kwaad
overkomen."

Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden
waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet
een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad,
er niets op tegen bij hem te komen wonen."

Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker
gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met
groote snelheid gebruikt.

"Nu, en hoe ging het verder?" vroeg hij, toen de raaf zweeg.

"Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er
nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heele streek is vol oude
mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw
of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. 't
Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden."

"Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was,
die het zag," zeide de jongen.

"Ik zal je zeggen, wie het 't laatste gezien heeft, als je een gat
in den muur hebt gemaakt, en mij bevrijdt," zeide de raaf.

De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond,
dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. 't Klonk
bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf,
de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis
met een bepaalde bedoeling verteld?

"Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven," zei de jongen,
om wat meer licht in de zaak te krijgen. "Je hebt zeker wel een en
ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde."

"Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar
klaar was met je werk," antwoordde de raaf.

De jongen begon met zoo'n ijver te hakken, dat de splinters om hem
heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel
had gevonden.

"'t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier
kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden," zei hij.

"Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een
gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden," zei de raaf.

De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende,
dat hij Bataki's bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.

De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was 't
zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat
was 't waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen
't geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een
mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld
genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar
een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou
hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op 't
kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen:
"Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is." En ze zouden
hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie
die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.

"Zoudt u niet graag op zoo'n mooie plaats wonen?" zou hij dan zeggen.

"Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons," zouden ze antwoorden.

"Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling
voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,"
zou hij dan zeggen.

De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn
geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo
te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter
en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij 't heele Takermeer
koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...

"Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt," zei de raaf. "Ik
geloof, dat het gat al groot genoeg is."

Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na
en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.

"Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot," zei Bataki heel plechtig,
"en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet
raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost,
eer ik het te weten kwam."

"Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat
ik je uit je gevangenschap heb bevrijd," zei de jongen.

"Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van
het broederdeel vertelde," zei Bataki. "Anders zou je zooiets zeker
niet hebben verwacht. Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend
maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki
heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden."

Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond
op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang,
eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig
en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond,
dat hij niets had om zich op te verheugen.

"Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,"
zei hij in zichzelf. "En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke
ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader
midden in 't woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde
werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof,
dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet konden
uithouden. Want zoo voel ik het nu."



XXVI.

DE OVERSTROOMING.


Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van 't Mälermeer. De
hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de
ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen
kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was.

Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa's in de
dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in
beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen
de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in,
moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg
te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden
zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om
de watermassa's naar 't Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle
kleine meertjes in Uppland en in de mijndistricten op één en denzelfden
dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden
gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot,
wierpen de rivieren zich in 't Mälermeer, en het duurde niet lang,
of dat had zooveel water als het bergen kon. In 't meer ontstond
een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien 't had, maar dat
was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren,
als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het
zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond,
toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de
rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de
stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen
voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden.

Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers
niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellend
zijn, duurde het niet lang, of het water was verscheidene meters het
land in gekomen, en meer was niet noodig, om de grootste opschudding
teweeg te brengen.

't Is eigenaardig met het Mälermeer. Het bestaat uit louter nauwe
fjords, baaien en inhammen. Nergens heeft het breede watervlakten, door
den storm gezweept. Het is, alsof 't voor niets dan pleiziertochten
en zeiltochtjes gemaakt is, en voor vroolijke hengelpartijen. En
het heeft zooveel vriendelijke, met boomen bekleede eilanden,
schiereilanden en landtongen. Nergens vertoont het naakte, eenzame
en verwaaide oevers. Het is, alsof het zich nooit had voorgesteld,
dat het iets anders dan kasteelen, zomervilla's, landgoederen en
ontspanningslokalen zou dragen. Maar misschien is het, omdat het meer
er gewoonlijk zoo vriendelijk en zacht uitziet, dat er zoo'n spektakel
ontstaat, als nu en dan in de lente zijn glimlach wegsterft, en het
toont, dat het werkelijk gevaarlijk kan worden.

Toen het nu inderdaad tot een overstrooming scheen te komen, werden
alle schuiten en platte booten, die in den winter op het land waren
getrokken, in haast dichtgemaakt en geteerd, om zoo gauw mogelijk in
het water te kunnen worden neergelaten. De vlonders werden op 't land
gezet, en de bruggen op den landweg werden versterkt. De baanwachters,
die op gedeelten van de spoorlijn langs den oever moesten letten,
durfden 's nachts niet slapen, maar liepen aldoor heen en weer langs
de lijn.

De boeren, die hooi of dorre bladen bewaarden in schuren op de lage
eilandjes, haastten zich dat aan land te brengen. De visschers namen
hun fuiken en netten weg, opdat ze niet door de overstrooming zouden
worden weggespoeld. Bij de ponten wemelde het van reizigers. Allen,
die naar huis moesten, of op reis wilden, moesten zich haasten,
om er zeker van te zijn, dat hun overtocht niet zou worden verhinderd.

In de buurt van Stockholm, waar het strand met rijen zomerhuizen bedekt
is, heerschte nog de grootste drukte. De meeste villa's lagen wel
zóó hoog op het strand, dat ze niet in gevaar waren, maar er waren
steigers en badhuizen bij elk huis, en die moesten in veiligheid
worden gebracht.

Maar 't waren niet alleen de menschen, die in zorg kwamen, omdat
het Mälermeer buiten zijn oevers trad. De eenden, die hun eieren
tusschen de struiken aan het strand hadden gelegd, de veldmuizen en
veldratten, die aan 't strand woonden, en kleine hulpelooze jongen in
het nest hadden, werden door den grootsten angst aangegrepen. Zelfs
de trotsche zwanen werden ongerust, dat hun nesten en eieren zouden
worden verwoest.

En al die angsten waren niet overbodig, want met ieder uur steeg
het Mälermeer.

De wilgen en elzen, die aan den kant groeiden, hadden het water al tot
hoog om de stammen. In de tuinen was het water gedrongen, en hield
in den groentetuin huis op zijn eigen manier, en in de roggeakkers,
die zoo lagen, dat het water ze kon bereiken, richtte het de grootste
schade aan.

Het meer bleef stijgen, dagen achtereen. De lage weiden om het kasteel
Gripsholm kwamen onder water, zoodat het groote huis niet alleen
door een smalle gracht, maar door een breed water van het land was
gescheiden. In Strängnäs werd de mooie wandelplaats aan het meer in
een bruisenden stroom veranderd, en in Westerås bereidde men er zich
op voor, in een boot door de straten te moeten varen.

Van een paar elanden, die op een eilandje in 't Mälermeer hadden
overnacht, werd de standplaats onder water gezet, zoodat ze naar land
moesten zwemmen. Heele voorraden brandhout, massa's stokken en planken,
een menigte brouwvaten en kuipen waren vlotgeraakt, en overal waren
menschen in booten bezig ze uit het water te halen.

In dien moeielijken tijd gebeurde het, dat Smirre, de vos, op een
dag kwam aansluipen door een berkenboschje, dat ten noorden van
het Mälermeer lag. Hij liep, als gewoonlijk aan de wilde ganzen te
denken en aan Duimelot, en vroeg zich af, hoe hij 't moest aanleggen,
om hen te vinden, vóór hij hun spoor heelemaal had verloren.

Terwijl hij nu daar liep, en zich 't allermeest moedeloos voelde,
kreeg hij Agar, de postduif, in 't oog, die was neergestreken op
een berketak.

"Dat is uitstekend, dat ik je hier ontmoet, Agar," zei Smirre. "Je
kunt me misschien zeggen, waar Akka van Kebnekaise en haar troep zich
nu ophoudt."

"Ja, ik weet misschien wel, waar ze zijn," zei Agar, "maar ik wil
het je niet zeggen."

"Dat doet er ook niet toe," zei Smirre, "als je maar een boodschap
wilt overbrengen, die ik voor hen heb. Je weet wel hoe leelijk het
er nu aan het Mälermeer uitziet. Daar is een groote overstrooming,
en de vele zwanen, die in de Hjälstabaai wonen, zijn bang, dat hun
nesten en eieren vernield worden. Maar Dagaklar, de zwanenkoning,
heeft over dien dwerg hooren spreken, die met de wilde ganzen reist,
en die overal raad op weet, en hij heeft mij gestuurd om Akka te
vragen, of zij met Duimelot naar de Hjälstabaai wil komen."

"Ik kan die boodschap wel overbrengen," zei Agar. "Maar ik begrijp
niet, hoe die kleine dwerg de zwanen zal kunnen helpen."

"Dat begrijp ik ook niet," zei Smirre. "Maar hij kan immers van alles."

"'t Verbaast me ook, dat Dagaklar zijn boodschap door een vos stuurt,"
merkte Agar op.

"Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn," sprak Smirre met
zachte stem, "maar als er zoo'n groote nood in 't land heerscht,
moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te
vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel
wat wantrouwend."



DE ZWANEN IN DE HJÄLSTABAAI.


Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het
Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft,
ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is
op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is
't een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren
lang beschermd worden. 't Is namelijk een woonplaats voor een groot
zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de
nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen
niet verontrust of gestoord zullen worden.

Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig
hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met
den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken
waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in
den sterken wind over 't water. Enkele nesten waren al uit elkaar
geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren,
lagen te glimmen op den bodem van de baai.

Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden,
bijeen op den oostelijken oever, waar ze 't best tegen den wind waren
beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren
ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.

"'t Geeft niet of men al treurt," zeiden ze. "Er zijn wortels en
stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen."

Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen,
en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap
naar de wilde ganzen had gezonden.

Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de
jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen
verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning,
en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de
voorouders van de meeste zwanen waren.

Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken, dat zwanen
van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als
tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar
zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in
de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.

Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van
't Mälermeer, en ook in 't Takermeer en 't Hornborgameer. Al die
nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar
woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde,
van het eene meer naar het andere.

De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen
Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te
zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten
roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen,
waarin ze hen konden helpen.

Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te
zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke
tusschenruimten zwommen.

"Zwem nu flink en vlug," zei ze. "Kijk niet naar de zwanen, alsof
je nog nooit zooiets moois had gezien, en stoor je niet aan wat ze
tegen je zeggen."

't Was niet voor 't eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar
bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een
aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig
tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit
voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen
in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden
over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen,
of je dat niet hoorde.

Dezen keer scheen alles bijzonder goed te gaan. De zwanen gingen
heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat,
omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. 't Was mooi te zien,
hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich
goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele
aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.

"Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd,
dat ze beleefd moeten zijn," dacht de leidster-gans.

Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te
zijn, kregen ze den witten ganzerik in 't oog, die achteraan kwam in
de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen
door 't gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.

"Wat is dat?" riep een van hen. "Zijn de wilde ganzen van plan witte
veeren te gaan dragen!"

"Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden," riepen ze
van alle kanten.

Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle
stemmen. 't Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme
ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam.

"'t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt," riepen ze honend.

"'t Is toch àl te onbeschaamd!"

"'t Is geen gans. 't Is maar een tamme eend."

De groote, witte ganzerik dacht aan Akka's bevel: zich niet te storen
aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij
kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler.

"Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?" vroeg
een van hen. "Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een
kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed."

De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen
nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden
vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. "Die witte ganzerik
daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te
komen vertoonen."

"Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een
meelhoop gevlogen op een of andere boerderij."

Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat
voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding
onder het zwanenvolk opmerkte.

"Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen
vreemden moeten zijn?" zei hij, en keek ontevreden.

Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren,
en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug,
en zag er heel verontwaardigd uit.

"Kun je niet maken, dat ze zwijgen?" riep de zwanenkoning haar toe.

"Daar ginds is een witte, wilde gans," antwoordde Sneeuwrust. "Dat
is immers een schande. 't Verbaast me niet, dat hun dit ergert."

"Een witte, wilde gans!" zei Dagaklar. "Dat is al te erg! Zooiets
kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien."

Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en
de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze
werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken.

De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich
toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een
weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk
een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos
als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrecht op Maarten,
den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit.

"Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen
te komen!" riep hij.

"Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!" riep Akka, want zij begreep,
dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En "Vlieg weg,
vlieg weg!" riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd
tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te
slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit,
om hem de veeren uit te trekken.

Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te
bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen
de zwanen te vechten. Maar 't was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen
zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen.

't Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te
kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep
hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een
havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen,
of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels,
in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine
zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de
ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels,
ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war
door te roepen: "Schaam je, zwanen! Schaam je toch!"

De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken,
maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen,
zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan
de overzijde van de baai.



DE NIEUWE KETTINGHOND.


Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de
wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De
wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen.

Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen
slapen.

"Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten
te krijgen," dacht hij.

In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven,
was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te
vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op een stuk van een plank,
die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op,
en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen.

Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in
't water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan,
die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van
hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan,
om naar het zwanennest te sluipen.

"Hei! Ho! Sta op! sta op!" schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn
stok in 't water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of
de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht
zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af.

Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de
open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen
gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij
kon goed loopen, maar 't was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een
vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had.

Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit
de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit,
maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel
zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat
hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels
sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door
het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den
jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die
den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om
ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren.

De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den
jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De
jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen,
maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen.

"De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen," dacht hij.

Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat
de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen.

"Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!" zei toen een van
de mannen. "Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil." De
andere bleef staan, en keek om. "Weg met jou! Wat wil je hier?" zei
hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van
dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep
toch steeds meê.

De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een
van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan,
maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen,
langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester
te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef
buiten staan.

"Luister eens, kettinghond!" zei de jongen zacht, zoodra de mannen
de deuren hadden gesloten. "Zou je me willen helpen om vannacht een
vos te vangen?"

De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat
hij zoo lang gebonden had gestaan: "Zou ik een vos moeten vangen,"
blafte hij boos. "Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor
den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je
die gekheid wel afleeren!"

"Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen," zei de jongen,
en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd,
dat hij geen woord kon zeggen.

"Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde
ganzen," zei de jongen. "Heb je nooit van mij gehoord?"

"Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt," zei de hond. "Je
schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als je bent."

"Tot nu toe gaat het tamelijk goed," zei de jongen. "Maar nu is het
met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de
hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek."

"Ja, zoowaar, ik ruik hem al!" zei de hond. "Dien zullen we wel
gauw wegjagen."

En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde
een heele poos.

"Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen," zei de hond.

"Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken,"
zei de jongen. "Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed
zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen
nemen moet."

"Begin je mij nu weer voor den gek te houden?" zei de hond.

"Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan,"
zei de jongen, "dan zal ik je zeggen wat je doen moet."

De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te
fluisteren.

Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil
was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het
spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand
daarvan zitten nadenken, hoe hij hem uit het hok zou lokken. Op eens
stak de hond den kop naar buiten, en bromde:

"Ga weg. Anders pak ik je!"

"Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!" zei de vos.

"Ga weg!" zei de hond nog eens op dreigenden toon. "Anders ben je
van nacht voor 't laatst op de jacht geweest."

Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.

"Ik weet wel hoever je ketting reikt."

"Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd," zei de hond, en kwam uit het
hok. "Nu moet je maar oppassen."

Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte
hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband
losgemaakt.

Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De
hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich
niet bewegen.

"Houd je nu stil," zei de hond. "Anders bijt ik je dood."

Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar
kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee
keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij
goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich
niet verroeren.

"Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden,"
zei de jongen, toen hij klaar was.



XXVII.

IN UPPSALA.


DE STUDENT.


In den tijd toen Niels Holgersson door het land trok met de wilde
ganzen, was er in Uppsala een buitengewoon flinke jonge student. Hij
woonde op een klein dakkamertje, en was zoo zuinig, dat de menschen
zeiden, dat hij van den wind leefde. Studeeren was zijn lust en zijn
leven, en hij kwam vlugger vooruit dan al de anderen. Maar hij was
daarom toch geen blokker of suffer, hij had er ook slag van met zijn
kameraden plezier te maken. Hij was juist, zooals een student behoort
te zijn. Hij had geen ander gebrek, dan dat het aan hem te merken was,
dat alles hem meêliep. Maar dat kan den besten gebeuren. 't Is niet
zoo gemakkelijk voorspoed te dragen.

Op een morgen, toen de student juist wakker was geworden, lag hij er
over te denken, hoe goed hij het toch had.

"Alle menschen houden van mij, mijn kameraden en mijn leeraars,"
zei hij in zichzelf. "En wat gaat het toch prachtig met mijn
studie! Vandaag moet ik voor het laatst naar mijn tentamen, en
dan ben ik gauw klaar. En als ik maar op tijd klaar ben, krijg ik
dadelijk een betrekking met een groot tractement. 't Is merkwaardig,
zooals alles me meeloopt. Maar ik doe ook zoo mijn best, dat het niet
anders dan goed en gelukkig met me kan gaan."

De studenten in Uppsala zitten niet in een schoolkamer om samen te
leeren als schoolkinderen, maar ze studeeren ieder apart thuis op
hun kamer. Als ze met een onderwerp klaar zijn, gaan ze naar hun
professoren, en die nemen hun een examen af over het heele onderwerp
tegelijk. Zulk een examen wordt "tentamen" genoemd, en 't was juist
het laatste en 't moeilijkste, dat de student dien dag doen moest.

Zoodra hij gekleed was, en ontbeten had, ging hij aan zijn schrijftafel
zitten, om voor het laatst nog zijn boeken eens in te zien.

"Ik geloof wel, dat het onnoodig is, want ik heb me zoo goed
voorbereid," dacht de student, "maar ik moet maar zoo lang mogelijk
werken; dan heb ik me niets te verwijten."

Hij had nog niet lang zitten werken, of er werd aan de deur geklopt,
en een student kwam binnen met een dik, oud boek onder den arm. Dat
was een heel ander soort student dan hij, die daar aan de schrijftafel
zat. Hij was verlegen en bedremmeld, en zag er armoedig uit. 't Was
iemand, die verstand van boeken had, maar ook van niets anders. Men
zei van hem, dat hij heel geleerd moest zijn, maar hij was zoo bang en
verlegen, dat hij nog nooit gewaagd had een tentamen te doen. Allen
dachten, dat hij een "overblijver" zou worden, dat is: een student,
die jaar in jaar uit in Uppsala blijft studeeren, maar waar nooit
wat van terecht komt.

Nu kwam hij zijn kameraad vragen, of hij een boek wou lezen, dat
hij geschreven had. 't Was niet gedrukt, maar alleen met de hand
geschreven.

"Je doet me een grooten dienst, als je dit eens wilt inkijken,"
zei hij, "en eens zien of het goed is."

De student, wien alles zoo meêliep, dacht: "Is 't nu niet waar,
wat ik zeg, dat alle menschen van me houden? Daar komt nu ook die
kluizenaar, die 't niet over zich heeft kunnen verkrijgen zijn werk
aan iemand anders te laten zien, en wil, dat ik het beoordeelen zal!"

Hij beloofde zoo gauw mogelijk het handschrift te lezen, en de andere
legde het voor hem op de schrijftafel.

"Wil je er heel voorzichtig meê zijn?" zei hij. "Ik heb hier vijf
jaar lang aan gewerkt, en als het wegraakt, kan ik het niet overmaken."

"Er zal hier bij mij niets aan komen," zei de student, en de ander
ging heen.

De student trok het dikke boek naar zich toe.

"Ik ben benieuwd, wat hij daar heeft zitten krabbelen," zei hij. "O
zoo, "De geschiedenis van de stad Uppsala." Dat klinkt nog zoo
gek niet."

Nu hield die student meer van Uppsala dan van alle andere plaatsen, en
hij verlangde te lezen, wat de overblijver over de stad had geschreven.

"Als ik er goed over denk," mompelde hij, "kan ik even goed zijn
geschiedenis dadelijk lezen! 't Geeft toch niet, of ik tot het laatste
oogenblik zit te blokken. Daar gaat het toch niet beter om, als ik
eenmaal bij den professor zit."

De student ging zitten lezen en keek niet op van de papieren, eer
hij het laatste blad gelezen had. Toen hij het uit had, was hij
heel tevreden.

"Zie eens!" zei hij. "Dat is een drommelsch knappe vent. Als dit boek
uitkomt, is zijn naam gemaakt. 't Zal heerlijk zijn, hem te vertellen,
wat dat voor een mooi stuk werk is!"

Hij nam alle losse bladen, waaruit het handschrift bestond, bij elkaar,
en schikte ze weer in volgorde op de tafel. Terwijl hij daarmeê bezig
was, hoorde hij een klok slaan.

"Lieve hemel! 't Is al tijd om naar den professor te gaan," zei hij,
en liep haastig de kamer uit om zijn zwart pak te halen, dat in een
kamertje op den zolder hing. Zooals het dikwijls gaat, als men haast
heeft: slot en sleutel waren onwillig, en het duurde een poosje,
eer hij weer terugkwam.

Toen hij op den drempel stond, gaf hij een schreeuw. In de haast had
hij de deur open laten staan, toen hij heen ging, en het venster,
waar de schrijftafel voor stond, was ook open. Er was een hevige tocht
ontstaan, en nu zag de student de losse bladen van het handschrift
door het venster naar buiten dwarrelen. Hij was met een sprong bij de
tafel, en legde de hand op de papieren, maar er was niet veel meer
van te redden. Nog maar een tien of twaalf lagen op de tafel. Al de
andere dansten in den wind over huizen en daken.

De student boog zich over de vensterbank, en zag de papieren na. Een
zwarte vogel zat op het dak buiten 't dakvenster, en zag hem spottend
plechtig aan.

"Is dat niet een raaf?" dacht de student. "Men zegt immers, dat een
raaf ongeluk voorspelt."

Hij zag enkele papieren op het dak liggen, en zeker had hij ten
minste een gedeelte van het verlorene nog kunnen redden, als hij
zijn tentamen niet had gehad om aan te denken. Maar hij meende, dat
hij allereerst voor zijn eigen zaken moest zorgen. "Het gaat hier om
mijn heele toekomst," dacht hij.

Hij trok gauw zijn andere kleeren aan, en liep zoo hard hij kon naar
zijn professor. Onderweg dacht hij aan niets anders, dan aan het
verloren handschrift.

"'t Is een ellendige geschiedenis," dacht hij. "'t Was ook ongelukkig,
dat ik het zoo druk had."

De professor begon hem vragen te doen, maar hij moest maar aldoor
aan dat verloren handschrift denken.

"Wat zei de stumper ook weer?" dacht hij. "Had hij niet vijf jaar
aan dat boek gewerkt, en had hij nu geen kracht meer om het over te
schrijven? Ik weet niet, hoe ik hem zal durven zeggen, dat het weg is."

Hij was zóó vol van wat er gebeurd was, dat hij zijn gedachten niet
bij elkaar kon houden. Al zijn kennis was spoorloos verdwenen. Hij
hoorde niet, wat de professor vroeg, en wist heelemaal niet wat hij
zelf antwoordde. De professor was verstomd over zoo'n onwetendheid,
en kon niet anders dan hem laten druipen.

Toen de student weer buiten kwam, voelde hij zich diep ongelukkig.

"Nu krijg ik mijn betrekking niet," dacht hij, "en dat is de schuld
van dien overblijver. Waarom moest hij ook juist vandaag met het
handschrift komen! Maar zoo gaat het, als men behulpzaam is."

Op hetzelfde oogenblik zag de student, den jongen man, aan wien hij
dacht, aankomen. Hij wilde er niet over spreken, dat het handschrift
verloren was, eer hij een poging had gedaan om het terug te krijgen,
en was van plan hem voorbij te loopen. Maar de ander liep daar
bekommerd en ongerust, en wilde graag weten, wat de student van zijn
boek zou zeggen. En toen hij hem voorbij zag loopen met een niet al
te vriendelijk knikje, werd hij heel angstig. Hij klopte den student
op den arm, en vroeg hem of hij iets had gelezen.

"Ik heb tentamen gehad," zei de student, en wilde snel doorloopen. Maar
de andere meende, dat hij hem ontwijken wilde, om niet te hoeven
zeggen, dat hij niet met zijn boek was ingenomen. 't Was hem, alsof
zijn hart zou breken, omdat het werk, waar hij vijf jaar lang meê
bezig was geweest, niet deugde, en hij zei tegen den student in zijn
groot verdriet:

"Onthoud nu wat ik je zeg. Als mijn boek niet deugt, wil ik het
niet meer zien. Lees het zoo gauw je kunt, en zeg me, wat je er van
vindt. Maar als het niet deugt, moet je 't verbranden. Dan wil ik
het niet meer zien."

Hij liep haastig door. De student zag hem na, alsof hij hem had willen
terugroepen, maar hij bedacht zich, en ging naar huis.

Daar trok hij haastig zijn daagsche kleeren aan, en liep rond om naar
het handschrift te zoeken. Hij zocht in de straten, op de markt en
in het plantsoen. Hij ging de binnenplaatsen in, en liep zelfs tot
buiten de stad.--Hij kon geen enkel blad vinden.

Toen hij op die manier een poos was doorgegaan, kreeg hij zoo'n
honger, dat hij moest gaan eten. Maar aan tafel ontmoette hij alweer
den overblijver. Deze kwam dadelijk naar hem toe, om iets van zijn
boek te hooren. "Ik kom vanavond bij je, om er over te praten,"
zei de student knorrig en stug. Hij wilde niet bekennen, dat hij het
verloren had, vóór hij er heelemaal zeker van was, dat het niet kon
worden teruggevonden. De andere werd doodsbleek.

"Denk er maar aan, dat je het moet vernietigen, als het niets waard
is," zei hij en ging heen. Hij was er nu heel zeker van, dat de
student niet over zijn werk tevreden was.

De student liep weer haastig de stad in, en bleef zoeken, tot het
heelemaal donker was, zonder iets te vinden. Toen hij op weg naar
huis was, kwam hij een paar kameraden tegen.

"Waar heb jij gezeten, dat je niet op ons lentefeest was?" vroegen ze.

"Ach, is het lentefeest geweest?" zei de student, "dat heb ik heelemaal
vergeten."

Terwijl hij met zijn kameraden stond te praten, kwam een jong meisje,
waar hij veel van hield, voorbij. Ze keek niet naar hem, maar liep met
een anderen student te praten, en lachte bizonder vriendelijk tegen
hem. Toen herinnerde de student zich op eens, dat hij haar had gevraagd
op het lentefeest te komen, opdat hij haar daar zou ontmoeten. En nu
was hij zelf niet gekomen! Wat moest ze wel van hem denken!

Hij voelde een steek in 't hart, en wilde haar gauw naloopen. Maar
toen zei een van zijn vrienden: "Het is niet goed met Steenberg,
dien overblijver, je weet wel. Hij is vanavond ziek geworden."

"'t Is toch niet ernstig?" vroeg de student snel.

"'t Was iets aan 't hart. Hij had een leelijken aanval, en het kan
ieder oogenblik terugkomen. De dokter dacht, dat hij een of ander
verdriet had. Of hij beter worden kan, hangt er van af, of dat verdriet
kan worden weggenomen."

Een oogenblik later kwam de student bij den overblijver binnen. Hij
lag in bed, heel bleek en zwak, en was nog niet heelemaal hersteld
van dien ernstigen aanval.

"Ik ben gekomen, om met je over je boek te spreken," zei de
student. "Dat is een uitstekend werk, moet je weten. Ik heb zelden
zooiets moois gelezen."

De overblijver ging recht overeind zitten, en keek den student
strak aan.

"Waarom deed je zoo vreemd van middag?"

"Ik had het land, omdat ik voor mijn tentamen gedropen was. Ik dacht
niet, dat je er zooveel om gaf, hoe ik je boek vond. Ik vond het
bizonder mooi."

De zieke zag hem onderzoekend aan, en werd steeds meer overtuigd,
dat de student iets voor hem wilde verbergen.

"Dat zeg je nu maar, omdat je hebt gehoord, dat ik ziek was, en je
wilt me troosten."

"Neen zeker niet! 't is een uitstekend werk, daar kun je zeker
van zijn."

"Heb je 't wezenlijk niet verscheurd, zooals ik 't je vroeg?"

"Maar ik ben toch zoo dwaas niet, dat ik dat zou doen."

"Haal het dan hier! Laat me zien, dat je 't niet hebt verscheurd, dan
zal ik je gelooven," zei de zieke, en zonk weer in 't kussen terug, zoo
zwak en mat, dat de student bang was, dat hij een nieuwen aanval kreeg.

't Was vreeselijk! De student voelde zich zoo ellendig. Hij nam de
handen van den zieke tusschen de zijne, en vertelde hem, dat zijn
handschrift uit het raam was gewaaid; hij zei hem hoe ongelukkig hij
dien heelen dag was geweest, omdat hij hem zooveel schade had gedaan.

Toen hij dat alles gezegd had, streelde de zieke zijn hand.

"Je bent goed, heel goed," zei hij. "Maar je hoeft geen verhaaltjes
te verzinnen om me te sparen. Ik begrijp heel goed, dat je hebt
gedaan, wat ik gezegd heb, dat je mijn handschrift hebt vernietigd,
omdat het niets waard was. En dat wil je nu niet zeggen. Je meent,
dat ik het niet kan verdragen."

De student verzekerde en bezwoer hem, dat hij de waarheid had gezegd,
maar de andere hield vol, en wilde hem niet gelooven.

"Als je me 't handschrift terug kunt geven, zal ik je gelooven,"
zei hij.

Hij werd steeds zieker, en eindelijk moest de student wel heengaan,
omdat hij zag, dat hij den andere maar erger maakte. Toen hij thuis
kwam voelde hij zich plotseling zoo uitgeput van vermoeidheid, dat
hij zich nauwelijks kon voortsleepen. Hij zette thee, en ging toen
naar bed. Toen hij de dekens over zich heentrok, dacht hij er aan
hoe gelukkig hij zich dien morgen had gevoeld. Nu had hij veel voor
zichzelf bedorven, maar dat kon hij wel dragen.

"Het ergste is, dat ik er mijn heele leven aan zal moeten denken,
dat ik een mensch ongelukkig heb gemaakt," zei hij.

Hij meende, dat hij dien nacht niet zou hebben kunnen slapen, maar
vreemd genoeg, hij sliep in, zoodra hij het hoofd op het kussen
had gelegd.

Hij had niet eens de tijd om de lamp uit te doen, die op het
nachttafeltje naast zijn bed stond.



HET LENTEFEEST.


Maar nu gebeurde het, terwijl de student insliep, dat een dwergje,
met een geel leeren broek aan, een groen vest en een wit puntmutsje
op het hoofd, op het dak voor het venster zat, en dacht, dat hij,
als hij maar in de plaats van dien jongen student was, die daar in
bed lag, al heel gelukkig zou zijn.

Dat Niels Holgersson, die een paar uur geleden had liggen uitrusten
op een toef dotterbloemen bij de Ekalsundbaai, nu in Uppsala was,
kwam door dat Bataki, de raaf, hem mee had gelokt om op avonturen uit
te gaan. De jongen zelf had er niet aan gedacht. Hij had tusschen
de bloemen gelegen, en naar de lucht gekeken, toen hij Bataki zag
aankomen tusschen de wegtrekkende wolken door. De jongen had liever
voor hem willen wegkruipen, maar Bataki had hem al lang gezien, en
een oogenblik later stond hij midden tusschen de dotterbloemen in,
en begon een praatje, alsof Duimelot en hij, de beste vrienden van
de wereld waren.

Hoe somber en plechtig Bataki er ook uitzag, de jongen had wel gemerkt,
dat zijn oogen ondeugend schitterden. Hij had een gevoel gehad, alsof
de raaf gekomen was, om hem op een of andere wijze voor den gek te
houden, en hij was besloten zich niet te storen aan wat hij zou zeggen.

De raaf had gezegd, dat hij er wel over had gedacht, dat hij Duimelot
een vergoeding schuldig was, omdat hij hem niet had kunnen vertellen,
waar het broederdeel was, en daarom kwam hij nu om een ander geheim
meê te deelen, Bataki wist namelijk hoe iemand, die betooverd was,
zooals hij, weer een mensch kon worden.

Dit is zeker, dat de raaf gedacht had, dat de jongen dadelijk op het
lokaas zou toebijten, als hij met zóó'n lekker hapje hengelde. Maar
de jongen had heel afwijzend geantwoord, dat hij wist, hoe hij weer
mensch zou worden. Hij had alleen maar den witten ganzerik ongedeerd
eerst naar Lapland en dan naar Skaane te brengen.

"Je weet, dat het niet zoo gemakkelijk is, een ganzerik behouden en
wel door het land te brengen," had Bataki toen gezegd. "Je kon nog
wel eens een anderen uitweg noodig hebben, als je dat niet lukte. Maar
als je het niet weten wilt, zal ik wel zwijgen."

En toen had de jongen weer gezegd, dat hij er niets tegen had, als
Bataki over dat geheim wilde spreken.

"Dat zal ik ook doen," had Bataki verklaard, "maar niet voor het juiste
oogenblik is gekomen. Kom op mijn rug zitten, en ga meê op mijn tocht,
dan zullen we zien, of er zich niet een geschikt geval kan voordoen."

Toen had de jongen weer geaarzeld, want hij wist niet recht, wat hij
aan Bataki had.

"Je durft je niet aan mij toe te vertrouwen," had toen de raaf gezegd.

Maar de jongen kon er niet tegen, dat men hem verdacht ergens bang
voor te zijn, en een oogenblik later zat hij op den rug van de raaf.

Toen had Bataki hem naar Uppsala gebracht. Hij had hem op een dak
neergezet, en hem verzocht rond te kijken, en hem gevraagd, wie hij
wel meende, dat hier in deze stad woonde en regeerde.

De jongen had de stad overzien. Die was tamelijk groot, en lag prachtig
midden op een wijde, onbebouwde vlakte. Daar waren veel huizen, die
er aanzienlijk en voornaam uitzagen, en op een bergtop lag een vast
gemetseld slot met twee grove torens.

"Misschien wonen de koning en zijn gevolg hier," had hij gezegd.

"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord. "Dit
is vroeger een koningsstad geweest, maar nu is het uit met die
deftigheid."

De jongen had nog eens rondgekeken, en hij had vooral gelet op de
groote domkerk, die in de avondschemering lag te schitteren met drie
hooge torenspitsen, mooie portalen en versierde muren.

"Misschien wonen daar de bisschop en zijn priesters."

"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord. "Hier hebben
eens aartsbisschoppen gewoond, die even machtig waren als koningen,
en hier woont nu nog een aartsbisschop, maar niet hij is 't, die
hier regeert."

"Dan weet ik niet, wat ik bedenken moet," had de jongen gezegd.

"Het is de geleerdheid, die hier in de stad woont en regeert," had
de raaf verklaard, en toen hadden ze heen en weer gevlogen en naar de
groote huizen gekeken. Hier en daar hadden vensters open gestaan. De
jongen kon dan naar binnen kijken, en hij zag, dat de raaf gelijk had.

Bataki had hem de groote bibliotheek laten zien, die van den kelder
tot den zolder vol boeken was. Hij had hem naar de statige hoogeschool
gebracht, en hem de prachtige voordrachtzalen laten zien. Hij was
voorbij een oud gebouw gevlogen, dat Gustavianum heette, en den
jongen had er door de vensters allerlei opgezette dieren gezien. Ze
waren gevlogen over de groote kassen, met de vele vreemde planten,
en ze hadden op de sterrenwacht neergezien, waar veel sterrenkijkers
naar den hemel gericht stonden.

Ze waren ook voorbij veel vensters gevlogen, waar oude heeren met
brillen op, zaten te lezen of te schrijven in kamers, waar de muren
vol boeken stonden, en ze waren voorbij dakkamertjes gevlogen, waar
de studenten op hun sofa's lagen te werken uit dikke boeken.

Eindelijk was de raaf op een dak neergestreken.

"Zie je nu wel, dat het waar is, wat ik zei: dat de geleerdheid
hier in de stad regeert?" had hij gezegd, en de jongen had erkend,
dat hij gelijk had.

"Als ik geen raaf was," had Bataki verder gezegd, "maar een mensch
als jij, dan zou ik hier gaan wonen. Ik zou dag in dag uit in een
kamer vol boeken zitten, en alles leeren, wat er in stond. Zou je
daar ook geen lust in hebben?"

"Neen, ik geloof, dat ik liever met de wilde ganzen zou rondreizen,"
had den jongen geantwoord.

"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die ziekten kan
genezen?"

"Ja, misschien wel."

"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die alles weet,
wat er in de wereld gebeurd is, die alle talen spreekt, en zeggen
kan welke wegen zon, maan en sterren langs den hemel nemen?"

"Ja, dat kon ook wel prettig zijn."

"Zou je niet graag het verschil tusschen goed en kwaad, tusschen
recht en onrecht willen weten?"

"Dat zou wel noodig zijn," had de jongen gezegd, "dat heb ik dikwijls
gevoeld."

"En zou je niet voor predikant willen leeren, en bij je thuis in de
kerk preeken?"

"Vader en Moeder zouden wel erg blij zijn, als ik zoover kwam,"
had de jongen geantwoord.

Op die manier had de raaf den jongen doen begrijpen, dat zij, die
in Uppsala mochten wonen en studeeren, gelukkig waren, maar Duimelot
had nog niet gewenscht een van die menschen te zijn.

Maar toen was het gebeurd, dat het groote feest ter eere van de lente,
dat ieder jaar in Uppsala gevierd wordt, juist dien avond plaats had.

En zoo had Niels Holgersson de studenten gezien, die optrokken naar
den Botanischen Tuin, waar het feest zou gevierd worden. Zij waren
aangekomen in een breeden, langen optocht, met witte mutsen op het
hoofd, en de heele straat had er uitgezien als een donkere stroom
vol witte waterlelies. Witte zijden, met goud geborduurde vaandels
hadden ze gedragen, en ze hadden lenteliederen gezongen onder het
marcheeren. Maar Niels Holgersson had gevonden, dat het was, alsof ze
niet zelf zongen, maar alsof het gezang boven hun hoofden zweefde. Hij
vond, dat het was, alsof niet de studenten voor de lente zongen, maar
alsof de lente ergens verborgen zat, en voor de studenten zong. Hij
had niet gedacht, dat menschengezang zóó mooi kon klinken. Het was als
het suizen in de naalden van de denneboomen, als de klank van staal,
als het zingen van wilde zwanen aan den oever van de zee.

Toen de studenten in den tuin waren gekomen, waar de grasvelden in
licht, teer lentegroen stonden, en de blaren van de boomen op 't punt
waren de knoppen te doen openspringen, waren ze blijven stilstaan
voor een spreekgestoelte, en een jonge, deftig uitziende man was
daarop geklommen, en had gesproken.

Dat spreekgestoelte was opgericht op de stoep van de groote broeikas,
en de raaf had den jongen op het dak van de kas neergezet. Daar had hij
rustig gezeten, en de eene toespraak na de andere gehoord. Eindelijk
was een oud man op 't spreekgestoelte geklommen. De oude had gezegd,
dat het beste in 't leven was: jong te zijn en je jeugd in Uppsala te
mogen doorbrengen. Hij had gesproken over het heerlijke, vredige werken
in de boeken, en de rijke, zonnige, jeugdige vreugde, die nergens zoo
goed genoten kon worden, als in den kring van de kameraden. En telkens
was hij teruggekomen op het genot, te mogen leven met vroolijke,
edelgezinde kameraden. Dat was het, wat de inspanning zoo prettig
maakte, het verdriet zoo snel deed vergeten, en de hoop zoo deed
schitteren.

De jongen had naar de studenten zitten kijken, die in een halven cirkel
onder het spreekgestoelte zaten, en hij begon te begrijpen, dat het
heerlijkste in de wereld was tot dien kring te behooren. Dat was een
hooge eer, een groot geluk. Ieder van hen werd iets meer, dan hij
alleen zou zijn geworden, omdat hij bij zulk een groep menschen hoorde.

Na de toespraak hadden de liederen weer geklonken, en na de liederen
waren nieuwe toespraken gekomen. De jongen had nooit gedacht of
begrepen, dat woorden zóó bij elkaar konden worden gevoegd, zoodat ze
zulk een macht kregen om te ontroeren, op te wekken en blij te maken,
als deze toespraken hadden.

Niels Holgersson had het meest naar de studenten gekeken, maar hij
merkte wel, dat ze niet alleen in den tuin waren. Er waren daar jonge
meisjes in lichte japonnetjes, met mooie zomerhoeden op, en nog vele
andere menschen ook. Maar het ging als met hemzelf: ze schenen daar
alleen gekomen te zijn, om naar de studenten te zien.

Nu en dan was er pauze tusschen de toespraken en de liederen, en toen
had de menigte zich over den heelen tuin verspreid. Maar al gauw was
er een nieuwe spreker opgetreden, en dadelijk hadden de hoorders zich
weer om hem heen verzameld. En op die manier was het doorgegaan tot
den avond.

Toen alles voorbij was, had de jongen diep adem gehaald, en zich de
oogen uitgewreven, zooals men doet bij het wakker worden. Hij was
in een land geweest, dat hij nog nooit te voren had bezocht. Van al
die jonge menschen, die blij waren met het leven, en in de toekomst
zagen, met de zekerheid te zullen overwinnen, waren vroolijkheid en
geluk uitgegaan over allen, en de jongen was met hen in het land der
vreugde geweest. Maar toen het laatste lied was weggestorven, had de
jongen gevoeld, hoe droevig zijn eigen leven was, en het had hem tegen
de borst gestuit nu weer naar zijn arme reisgenooten terug te keeren.

De raaf had naast den jongen gezeten, en was toen begonnen in zijn
ooren te krassen.

"Nu Duimelot, nu zal ik je zeggen hoe je een mensch kunt worden. Je
moet wachten, tot je iemand ontmoet, die tegen je zegt, dat hij graag
in jouw schoenen wou staan, en met de wilde ganzen rondreizen. Dan
moet je goed oppassen, dat je dit tegen hem zegt:...."

En toen had Bataki den jongen een paar woorden geleerd, die zóó
sterk en gevaarlijk waren, dat ze niet hardop gezegd kunnen worden,
maar moeten worden gefluisterd, als men ze niet in vollen ernst
wil gebruiken.

"Meer dan dat is niet noodig, als je een mensch wilt worden," had
Bataki eindelijk gezegd.

"Neen, dat geloof ik graag," antwoordde de jongen, "want iemand,
die verlangt in mijn schoenen te staan, zal ik wel nooit ontmoeten!"

"Dat is niet zoo onmogelijk," had de raaf gezegd, en toen had hij
den jongen de stad ingebracht, en hem op het dak, voor een dakvenster
gezet. Een lamp brandde in de kamer, het venster stond op een kier,
en de jongen had daar nu al een heel poosje gestaan, en er over gedacht
hoe gelukkig de student wezen moest, die daar binnen lag te slapen.



OP DE PROEF GESTELD.


De student schrikte wakker uit zijn slaap, en zag, dat de lamp nog
op het nachttafeltje stond te branden.

"Kijk eens, nu heb ik vergeten de lamp uit te doen," dacht hij, en
richtte zich op zijn elleboog op, om de lamp neer te draaien. Maar eer
hij dat kon doen, merkte hij, dat er iets bewoog op zijn schrijftafel.

De kamer was heel klein. De tafel stond niet ver van zijn bed, en hij
kon die duidelijk zien, met al de boeken en papieren, den inktkoker
en de photografieën, die er op stonden. Zijn spiritustoestel en 't
theeblaadje had hij daar laten staan, en die zag hij ook. Maar het
wonderlijkste was, dat hij even duidelijk als dat alles, een dwergje
zag, die bij het botervlootje stond, en bezig was zich een boterham
te maken.

De student had zooveel beleefd den vorigen dag, dat het hem bijna
onverschillig was, wat hem nu verder overkwam. Hij was niet bang of
verbaasd, maar vond, dat het heel natuurlijk was, dat de dwerg was
binnengekomen om een hapje te eten.

Hij ging weer liggen, zonder de lamp uit te doen, en bekeek het dwergje
met halfgesloten oogen. Die was nu gaan zitten op een presse-papier,
en zat daar zich heel genoegelijk te goed te doen aan de overblijfselen
van het avondeten van den student. 't Was te zien, dat hij zich in
het minst niet haastte. Hij zat met de oogen te knippen, en smakte
met de tong. De oude broodkorstjes en de droge stukjes kaas waren
zeker zeldzame lekkernijen voor hem.

De student wilde hem niet storen, zoolang hij at, maar toen het
dwergje eindelijk genoeg had, begon hij met hem te praten.

"Hallo, jij daar!" zei hij. "Wat ben je voor een ventje?"

Het dwergje schrikte op, en sprong naar het venster, maar toen hij
merkte, dat de student stil in bed bleef liggen, en hem niet vervolgde,
bleef hij staan.

"Ik ben Niels Holgersson van West Vemmenhög," zei hij, "en ik ben
een mensch, net als jij. Maar ik ben in een dwerg veranderd, en nu
reis ik rond met de wilde ganzen."

"Dat is een zonderling verhaal," zei de student, en begon den jongen
te vragen en uit te hooren, tot hij ongeveer alles wist, wat die had
beleefd, sinds hij van huis ging.

"Jij hebt het maar goed," zei de student. "Menigeen zou wel in jouw
schoenen willen staan, en wegvliegen van alle zorgen en bekommeringen."

Bataki, de raaf, stond buiten op de vensterbank, en toen de student
dat zei, pikte hij met den bek tegen het venster. De jongen begreep,
dat hij zijn aandacht wilde trekken, zoodat hij niets zou verzuimen,
als de student de rechte woorden zou zeggen.

"Och, je zou niet met mij willen ruilen," zei hij. "Wie eenmaal
student is, kan toch nooit iets anders willen wezen."

"Dat dacht ik vanmorgen ook, toen ik wakker werd," zei de
student. "Maar je moest maar eens weten, wat mij vandaag is
overkomen. Met mij is 't nu uit! 't Was wezenlijk het beste voor me,
als ik met de wilde ganzen kon wegvliegen."

De jongen hoorde Bataki aan het venster pikken, en zelf werd hij
duizelig en kreeg hartklopping, want nu leek het wel, of de student
de juiste woorden zou zeggen.

"Ik heb je nu verteld, hoe 't mij ging," zei hij tegen den
student. "Vertel me nu ook, hoe jij het hebt."

En de student was blij, dat hij een vertrouweling had, en vertelde
eerlijk wat hem was gebeurd.

"Dat alles zou nu wel weer overgaan," zei hij eindelijk. "Maar
waar ik niet tegen kan--dat is, dat ik een kameraad ongelukkig heb
gemaakt. 't Was veel beter voor mij, dat ik in jouw schoenen stond,
en met de wilde ganzen mocht rondvliegen."

Bataki pikte hard tegen de ruiten; maar de jongen zat lang zwijgend,
recht voor zich uit te kijken.

"Wacht even! Je zult gauw meer van me hooren," zei hij zacht tegen
den student, en toen liep hij wat langzaam over de schrijftafel en
het venster uit. Juist toen hij op het dak kwam, ging de zon op,
en het roode morgenlicht stroomde over Uppsala. Alle daken en torens
glansden en glinsterden, en weer moest de jongen erkennen, dat het
een echte vreugdestad was.

"Wat bezielt je toch?" vroeg de raaf. "Nu heb je de gelegenheid laten
voorbijgaan om een mensch te worden."

"Met dien student wil ik niet ruilen," zei de jongen. "Dan kreeg ik
immers maar verdriet over die weggewaaide papieren."

"Daar hoef je geen zorg over te hebben," zei Bataki. "Die kan ik je
terug bezorgen."

"Ik geloof wel, dat je dat kunt," zei de jongen, "maar ik ben er
nog niet zoo zeker van, dat je het doen zult. Daar wil ik eerst van
overtuigd zijn."

Bataki antwoordde niet. Hij sloeg de vleugels uit, en vloog weg. Kort
daarna kwam hij terug met een paar papieren. Hij vloog nu een heel uur
lang heen en weer, zoo vlijtig als een zwaluw, die haar nest bouwt,
en bracht den jongen het eene blad na het andere.

"Zie zoo, nu geloof ik, dat je zoowat alles hebt," zei hij eindelijk,
en ging hijgend op de vensterbank zitten.

"Ik dank je hartelijk," zei de jongen. "Nu zal ik naar binnen gaan
en met den student spreken."

Toen keek Bataki in de kamer, en zag hoe de student de bladen
rangschikte en glad streek.

"Jij ben toch de grootste stoffel, dien ik ooit gezien heb," stoof
Bataki op tegen den jongen. "Heb je nu dat handschrift aan den student
gegeven? Dan hoef je niet meer bij hem binnen te gaan. Hij zal nooit
meer zeggen, dat hij zoo wil worden als jij."

De jongen stond ook naar den student te zien, die zoo blij was, dat hij
in zijn kamertje ronddanste in zijn hemd. En toen keek hij naar Bataki.

"Ik begrijp wel, dat je me op de proef hebt willen stellen," zei
hij. "Je dacht zeker, dat ik Maarten, den ganzerik, aan zijn lot zou
overlaten op die moeielijke reis, zoodra ik het zelf goed zou kunnen
krijgen. Maar toen de student mij zijn geschiedenis vertelde, dacht
ik er aan, hoe leelijk het toch is een kameraad ontrouw te worden. En
dat wou ik niet doen."

Bataki begon zich met den poot in den hals te krabben, en zag er
bijna verlegen uit. Hij kwam er niet toe iets te zeggen, maar vloog
met den jongen regelrecht naar de wilde ganzen terug.



XXVIII.

DONSJE.


Niemand kan liever en zachter wezen dan de kleine grauwe gans,
Donsje. Alle wilde ganzen hielden veel van haar, en de witte ganzerik
zou voor haar door het vuur gaan. Als Donsje ergens om vroeg, kon
zelfs Akka niet weigeren.

Donsje had twee zusters: Mooivleugel en Goudoogje. Dat waren sterke en
wijze vogels, maar ze hadden niet zoo'n zacht en glanzend veerenkleed
als Donsje, en ook niet zoo'n lief en zacht karakter. Al sinds den
tijd, dat ze kleine, gele jonge gansjes waren, hadden ook de ouders en
familieleden, ja, nu en dan ook de oude visschers duidelijk getoond,
dat ze meer van Donsje hielden, dan van hen, en daarom hadden de
zusters haar altijd gehaat.

Toen de wilde ganzen op de rots bij Stockholm aankwamen, waar Donsje's
familie woonde, liepen Mooivleugel en Goudoogje te grazen op een klein
groen plekje bij het strand, en kregen al gauw de vreemdelingen in
het oog.

"Kijk eens, zuster Goudoogje, wat komen daar prachtige, wilde ganzen
op het eiland neer, zei Mooivleugel. "Ik heb zelden vogels gezien met
zoo'n sierlijke houding. En zie je wel, dat ze een witten ganzerik
bij zich hebben? Heb je ooit een mooier vogel gezien? Je zoudt hem
bijna voor een zwaan houden."

Goudoogje gaf haar zuster gelijk, en meende, dat het zeker zeer
aanzienlijke vreemdelingen waren, die op het eiland waren gekomen. Maar
plotseling viel zij zichzelf in de rede, en riep: "Zuster Mooivleugel,
zuster Mooivleugel! Zie je niet, wie ze bij zich hebben?"

Op datzelfde oogenblik kreeg ook Mooivleugel Donsje in het oog, en was
zoo verbaasd, dat ze een heele poos met den snavel open bleef staan,
en niets kon dan sissen.

"'t Is toch niet mogelijk, dat zij het is," zei ze eindelijk. "Hoe
is ze bij zulk soort volk gekomen. We meenden immers, dat ze zou
doodhongeren op Öland."

"Het ergste is, dat ze bij Vader en Moeder zal gaan babbelen en
vertellen, dat wij zoo hard tegen haar aanvlogen, dat haar vleugel
uit het lid ging," zei Goudoogje. "Je zult zien, dat wij van de rotsen
hier worden weggejaagd."

"We hebben niets dan ergernis te verwachten, nu dat mismaakte wicht
terug gekomen is," zei Mooivleugel. "Maar ik denk toch, dat het
om te beginnen 't verstandigst is, dat we ons zoo blij toonen over
haar thuiskomst, als 't ons maar mogelijk is. Ze is zoo dom, dat ze
misschien niet eens gemerkt heeft, dat we haar met opzet duwden."

Terwijl Mooivleugel en Goudoogje zoo samen praatten, hadden de wilde
ganzen op het strand gestaan, en hun veeren in orde gemaakt na den
tocht. Nu trokken ze in een lange rij van het rotsige strand naar de
kloof, waar Donsje wist, dat haar ouders zich gewoonlijk ophielden.

Donsje's ouders hoorden tot de besten en aanzienlijksten onder de
ganzen. Zij hadden langer op het eiland gewoond dan een van de anderen,
en ze waren gewoon alle nieuwelingen te raden en te helpen. Ze hadden
ook de wilde ganzen zien aankomen, maar ze hadden Donsje niet herkend
in de menigte.

"Hoe vreemd, dat de wilde ganzen hier op de klippen landen," had de
oude ganzerik gezegd. "Wat een prachtige troep! Dat kun je al aan
het vliegen zien. Maar 't zal niet gemakkelijk zijn weiden voor zoo
velen te vinden."

"'t Is hier nog niet zoo overvol, dat we hen, die hier komen, niet
kunnen ontvangen," antwoordde zijn vrouw. Zij was even zacht en goed
van karakter als Donsje.

Toen Akka aankwam met haar optocht, gingen Donsje's ouders haar te
gemoet, en wilden haar juist welkom heeten op het eiland, toen Donsje
opvloog van haar plaats achter in de rij, en midden tusschen haar
ouders neerstreek.

"Vader, Moeder, hier ben ik! Kent u Donsje niet meer?" riep zij.

Eerst konden de ouden niet goed begrijpen, wat zij zagen, maar toen
herkenden zij hun dochter, en waren natuurlijk verbazend blij.

Terwijl nu de wilde ganzen en Maarten, de ganzerik, en Donsje zelf
zoo ijverig mogelijk kakelden om te vertellen, hoe Donsje gered was,
kwamen Mooivleugel en Goudoogje aanvliegen. Zij riepen al van verre
haar zuster welkom toe, en toonden zich zoo blij, dat Donsje thuis was,
dat ze er van aangedaan werd.

De wilde ganzen voelden zich goed thuis op de klippen, en er werd
besloten, dat ze niet verder zouden trekken voor den volgenden
morgen. Na een poosje vroegen de zusters Donsje, of ze met haar
meê wilden gaan, om te zien, waar ze van plan waren haar nesten
te bouwen. Zij ging dadelijk meê, en zag, dat ze goed verborgen en
beschutte broeiplaatsen hadden gekozen.

"En waar zul jij je nu vestigen, Donsje?" vroegen zij.

"Ik?" zei Donsje. "Ik ben niet van plan hier op de klippen te
blijven. Ik ga met de wilde ganzen meê naar Lapland."

"Hoe jammer, dat je weer weg moet," zeiden de zusters.

"Ik was graag bij jelui en onze ouders gebleven," zei Donsje. "Maar
ik heb den witten ganzerik al beloofd..."

"Wat!" riep Mooivleugel. "Krijg jij dien mooien, witten ganzerik? Dat
is toch..."

Maar Goudoogje stootte haar hard aan, en ze zweeg.

De twee slechte zusters hadden veel om over te praten dien heelen
morgen. Ze waren heelemaal buiten zichzelf, dat Donsje zoo'n verloofde
had, als de witte ganzerik. Zelf waren ze ook verloofd, maar dat
waren gewone grauwe ganzen, en sinds ze Maarten, den ganzerik, hadden
gezien, vonden ze die zoo leelijk en onbeschaafd, dat ze niet naar
hen wilden kijken.

"Daar treur ik me nog dood om," zei Goudoogje. "Als jij het ten minste
nog was, die hem kreeg, zuster Mooivleugel."

"Ik zou liever zien, dat hij dood was, dan dat ik er den heelen zomer
aan zal moeten denken, dat Donsje een witten ganzerik gekregen heeft,"
zei Mooivleugel.

De zusters bleven toch heel vriendelijk voor Donsje, en op den middag
nam Goudoogje Donsje meê, opdat ze kennis zou maken met hem, met wien
Goudoogje zou trouwen.

"Hij is niet zoo mooi als dien jij krijgt," zei ze. "Maar daarentegen
weet je ook zeker, wie hij is."

"Wat meen je, Goudoogje?" vroeg Donsje.

Eerst wilde Goudoogje niet uitleggen, wat ze bedoelde, maar toen
kwam het uit, dat Mooivleugel en zij wel eens zouden willen weten,
of alles wel in orde was met dien witten ganzerik. Wij hebben nog
nooit een wilde gans met tamme ganzen zien vliegen, en wij zouden
wel eens willen weten, of hij niet betooverd is."

"Jelui zijn toch al heel dom," zei Donsje geërgerd. "Hij is immers
een tamme gans."

"Hij heeft iemand bij zich, die betooverd is," zei Goudoogje, "en dus
kan het ook wel zijn, dat hij zelf betooverd is. Ben je niet bang,
dat hij een zwarte zeeraaf is?"

Ze wist haar woorden goed te kiezen, en maakte het arme Donsje bang.

"Je meent niet, wat je zegt," zei het grauwe gansje. "Je wilt me
alleen maar bang maken."

"Ik zeg het om je eigen bestwil, Donsje," zei Goudoogje. "Ik kan me
niets ergers voorstellen, dan je te zien wegvliegen met een zwarte
zeeraaf. Maar ik zal je wat zeggen. Probeer hem over te halen, een
paar van de wortels te eten, die ik hier heb uitgetrokken. Als hij
betooverd is, dan blijkt dat gauw. Is hij het niet, dan blijft hij
zooals hij is."

De jongen zat tusschen de ganzen, en luisterde naar Akka, die met
den ouden ganzenhoeder praatte, toen Donsje aan kwam vliegen.

"Duimelot, Duimelot!" riep ze. "Maarten, de ganzerik, is op 't punt
te sterven. Ik heb hem vermoord."

"Neem me op je rug, Donsje, en breng me bij hem," riep de jongen.

Ze vlogen weg, en Akka ging meê met de wilde ganzen.

Toen ze bij den ganzerik kwamen, lag hij op het veld. Hij kon niets
zeggen, maar snakte naar adem.

"Kittel hem onder aan den hals, en klop hem op den rug!" zei Akka.

Dat deed de jongen, en dadelijk hoestte de witte ganzerik een grooten
wortel op, die in zijn keel was blijven zitten.

"Heb je daarvan gegeten?" vroeg Akka, en wees op een paar wortels,
die op den grond lagen.

"Ja," zei de ganzerik.

"Dan is 't maar goed, dat ze je in de keel zijn blijven steken,"
zei Akka. "Ze zijn vergiftig. Als je ze had ingeslikt, zou je zeker
gestorven zijn."

"Donsje vroeg me, of ik er van eten wou," zei de ganzerik.

"Ik heb ze van mijn zuster gekregen," zei Donsje.

"Dan moet je oppassen voor je zusters, Donsje," zei Akka, "want ze
meenen het zeker niet goed met je."

Maar Donsje was zoo geschapen, dat ze van niemand iets kwaads denken
kon, en toen Mooivleugel haar een poos later kwam vragen, of ze haar
verloofde wilde zien, ging ze dadelijk meê.

"Ja, hij is niet zoo mooi als de jouwe," zei de zuster. "Maar hij is
des te dapperder en onversaagd."

"Hoe kun je dat weten?" vroeg Donsje.

"Ja, dat zal ik je zeggen. De meeuwen en eenden hebben hier op
de klippen een tijd lang zooveel geleden, want elken morgen voor
zonsopgang komt hier een vreemde roofvogel, en neemt een van hen weg."

"Wat is dat voor een vogel?" vroeg Donsje.

"Dat weten we niet," antwoordde haar zuster. "Er is nooit zoo'n vogel
hier op de klippen gezien. En het vreemde is, dat hij nooit een van
ons ganzen aanvalt. Maar nu heeft mijn verloofde zich voorgenomen
morgen met hem te vechten, en hem weg te jagen."

"Als dat maar goed gaat," zei Donsje.

"Neen, dat geloof ik niet," zei de zuster. "Als nu mijn ganzerik
maar even sterk en groot was als de jouwe, dan zou ik wel een beetje
hoop hebben."

"Zou je graag willen, dat ik Maarten vroeg, dien vreemden vogel aan
te vallen?" vroeg Donsje.

"Ja, dat zou ik zeker!" zei Mooivleugel. "Je kunt mij geen grooter
dienst bewijzen."

Den volgenden morgen was de witte ganzerik wakker, vóór de zon opkwam,
en ging op de hoogste klip staan uitkijken naar alle kanten. Al
gauw zag hij een grooten, donkeren vogel van het westen komen. Zijn
vleugels waren reusachtig groot, en 't was gemakkelijk te zien,
dat het een arend was. De ganzerik had geen gevaarlijker vijand
verwacht dan een uil. En nu begreep hij, dat hij hier niet levend
zou afkomen. Maar het kwam niet in hem op den strijd met een vogel,
die zooveel sterker was dan hij, te ontwijken.

De arend schoot neer op een meeuw, en sloeg zijn klauwen in het dier.

Eer hij het nog had kunnen oplichten, stoof Maarten, de ganzerik,
op hem toe.

"Laat hem los!" riep hij. "En kom hier nooit meer terug! Anders krijg
je met mij te doen."

"Wat ben jij voor een dwaas?" zei de arend. "Je treft het, dat ik
nooit met ganzen vecht. Anders zou 't gauw met je gedaan zijn."

Maarten, de ganzerik, dacht, dat de arend het beneden zich achtte
met hem te vechten, en vloog in drift op hem aan, beet hem in de
keel, en sloeg hem met de vleugels. Dat kon de arend natuurlijk niet
verdragen. Hij begon te vechten, maar niet met volle kracht.

De jongen lag te slapen op dezelfde plaats als Akka en de wilde
ganzen, toen hij Donsje hoorde roepen: "Duimelot! Duimelot! Maarten,
de ganzerik, wordt door een arend verscheurd!"

"Neem mij op je rug, Donsje! en breng me bij hem," zei de jongen.

Toen hij bij hem kwam, was Maarten bebloed en erg gekwetst, maar hij
vocht nog. De jongen kon niet met den arend vechten, en er was niet
anders te doen, dan beter hulp halen.

"Gauw, Donsje! Roep Akka en de wilde ganzen!" riep hij.

Maar op eens hield de arend met vechten op.

"Wie spreekt daar over Akka?" vroeg hij.

En toen hij nu Duimelot zag, en het gekakel van de wilde ganzen hoorde,
sloeg hij de vleugels uit.

"Zeg aan Akka, dat ik niet verwachtte haar, of iemand van haar troep
hier aan zee te ontmoeten," zei hij, en zweefde weg in snelle en
fraaie vlucht.

"Dat was dezelfde arend, die mij eens bij de wilde ganzen heeft
teruggebracht," zei de jongen, en zag hem verwonderd na.

De wilde ganzen waren van plan vroeg van de klippen te vertrekken,
maar eerst wilden ze nog wat grazen. Terwijl ze liepen te eten,
kwam een bergeend op Donsje af.

"Ik moet je de groeten van je zusters doen," zei ze. "Ze durven zich
niet aan de wilde ganzen te vertoonen, maar ze vragen me, je er aan
te herinneren, dat je niet van de klippen weggaat, voor je bij den
ouden visscher ben geweest."

"Dat is waar ook," zei Donsje.

Maar nu was ze toch zoo bang geworden, dat ze niet alleen wilde
gaan. Ze vroeg den ganzerik en Duimelot met haar meê naar de hut
te gaan.

Daar stond de deur open. Donsje ging naar binnen, maar de twee anderen
bleven buiten. Kort daarna hoorden ze Akka het sein van vertrek geven,
en ze riepen Donsje. De grauwe gans kwam uit het hutje, en vloog met
de wilde ganzen weg van de klippen.

Ze waren al een vrij groot eind naar zee gevlogen, toen de jongen zich
over de grauwe gans begon te verwonderen, die meê vloog. Donsje vloog
gewoonlijk zacht en licht. Deze werkte zich voort met zware ruischende
vleugelslagen. "Akka, keer om, Akka, keer om!" riep hij snel. "We
zijn in verkeerd gezelschap geraakt. Mooivleugel vliegt met ons meê!"

Nauwelijks had hij dat gezegd of de grauwe gans gaf zoo'n akeligen,
boosaardigen schreeuw, dat allen begrepen, wie ze was. Akka en de
anderen keerden zich tegen haar, maar de grauwe gans vluchtte niet
dadelijk. Zij stormde op den grooten witten ganzerik aan, pakte
Duimelot, en vloog met hem in den bek verder voort.

't Werd een felle jacht over de klippenrijen. Mooivleugel vloog snel,
maar de wilde ganzen waren vlak op de hielen, en er was geen hoop meer,
dat zij zouden kunnen ontkomen.

Op eens zagen zij een beetje witten rook uit de zee opstijgen en
het knallen van een schot werd gehoord. In hun ijver hadden ze niet
gemerkt, dat ze vlak boven een boot waren gekomen, waarin een eenzamen
visscher zat.

Niemand werd door het schot getroffen, maar juist daar, midden boven
de boot, deed Mooivleugel den bek open, en liet Duimelot in zee vallen.



XXIX.

STOCKHOLM.


Voor eenige jaren was er in de "Schans", den grooten tuin buiten
Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht,
een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van
Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere
oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar 't was 't meest 's middags,
dat hij als speelman moest optreden; 's morgens zat hij gewoonlijk
op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken
van het land naar de Schans waren overgebracht.

Klement meende in 't begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had
gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij
zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder 't wacht houden. 't Ging
nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms
zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk,
dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij
was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente
zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden,
hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde.

Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en
was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden
loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den
rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans
kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen,
en Klement had hem vaak ontmoet.

De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur
van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg
hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.

"Je mag zien, wat ik heb, Klement," antwoordde de visscher toen, "als
je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan."

Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog
eens, en ging toen snel een stap achteruit.

"Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken
gekregen?" vroeg hij.

Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren
spreken van 't kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht
niet schreeuwen en niet stout zijn, om 't kleine volkje niet boos
te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die
verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den
duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van
Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van 't
kleine volkje.

Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een
rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn
merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de
zaak heel ernstig op.

"Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?" vroeg hij.

"Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken," zei
Asbjörn. "Hij is bij mij gekomen. Ik was vanmorgen vroeg uitgezeild, en
had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken,
toen ik een troep wilde ganzen in 't oog kreeg, die met vervaarlijk
geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar
trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden,
en viel in 't water, zóó dicht bij de boot, dat ik maar de hand had
uit te steken om hem te pakken."

"Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?"

"O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist
hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond
een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon
wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was."

Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles
wat hij als kind had gehoord van 't kleine volkje, van hun wraakzucht
tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam
weer bij hem boven. 't Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een
van hen gevangen had willen houden.

"Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn," zei hij.

"Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen," zei de
visscher. "Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan
mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen,
en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen,
maar 't heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels,
die geen schot kruit waard zijn, kwamen neerstrijken op de klippen
en bliezen; en als ik uitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik
weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten,
maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En
toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster,
stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten
zeker, dat hij daar in 't venster stond, want ze lieten me heengaan
zonder me te vervolgen."

"Zegt hij niets?" vroeg Klement.

"Ja, in 't begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest
ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht."

"Maar Asbjörn," zei Klement. "Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp
je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?"

"Ik weet niet, wat hij is," zei Asbjörn kalm. "Dat moeten anderen
maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg
me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem
zou willen geven."

Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst
geraakt ter wille van dat dwergje. 't Was hem precies, alsof zijn
moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor
't kleine volkje wezen moest.

"Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn," zei hij. "Maar
als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven."

Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die
groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje
een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was
er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem
had, en zoo'n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod
van Klement aan.

De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken,
liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen,
waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter
zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig
op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in
den mond.

"Luister nu naar wat ik zeg," zei Klement. "Ik weet wel, dat volkje
als jij 't niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever
op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik
van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den
tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan. Wil je dat,
knik dan drie keer met je hoofd."

Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde
zich niet.

"Je zult het goed hebben," zei Klement. "Ik zal elken dag eten
voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doen
zult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt
nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken
afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je
blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan."

Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar
hij bewoog zich niet.

"Ja, dan zit er niets anders op," zei Klement, "dan dat ik je aan mijn
baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje,
en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken."

Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had
hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.

"Zie zoo, nu is 't in orde," zei Klement, nam zijn mes, en sneed het
touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging
hij haastig naar de deur.

De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit
den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om
Klement Larsson te danken, was die al weg.



Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud
heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke
uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet
herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar
die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde,
want hij bleef staan, en sprak hem aan.

"Goeden dag Klement," zei hij. "Hoe gaat het? Je bent toch niet
ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben."

Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer,
dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met
zijn verlangen naar huis.

"Wat?" zei de oude heer. "Verlang je naar huis, als je in Stockholm
ben? Dat is toch niet mogelijk."

En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht
hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman
sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.

"Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist,
zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê,
naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen."

Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op
Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.

Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen,
hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waar nu de stad op
eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed
in 't water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met
dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En
hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar
kwam, er graag wilde blijven.

Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig
op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met
de hand, en de andere bleef op een afstand staan.

De deftige oude heer zei nu tegen Klement:

"Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer
met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm,
en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank
gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en
hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de
bekoring komen."

Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot,
rood boek en een brief aan Klement.

Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was
haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een
week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij
moest absoluut naar huis, zei hij.

"Waarom? Kun je hier niet wennen?" zei de directeur.

"Ja, ik heb het hier best," zei Klement. "Ik heb nu geen heimwee
meer. Maar ik moet toch naar huis!"

Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had
gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden
te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had
gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het
Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning
zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde
bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem,
een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn
heimwee te genezen.

't Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de
Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het
thuis te vertellen?

Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo
akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij
zou heel anders geacht en geëerd worden.

En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten
naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest.



XXX.

GORGO, DE AREND.


IN HET ROTSDAL.


Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras,
dat uitstak uit een steilen bergwand. 't Was van dennetakken gemaakt,
die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt
en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter
breed en bijna even hoog als een Lappenhut.

De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot
dal, dat 's zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal
was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. 't Lag zoo tusschen de
bergen verborgen, dat er niet velen waren, die 't kenden, niet eens
onder de Laplanders. Midden in 't dal lag een klein rond meertje,
waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras
begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde
berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar
begeeren kon.

Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen
in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen,
maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde
ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.

Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de
arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een
afstand.

Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok,
stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in
het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk
even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in 't dal had
doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht,
om te zien of ze in 't dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze
weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te
wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon,
maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting
naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.

De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen
groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met
van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over
't broeden en over 't verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit,
niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle
andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.

Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo
had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had
gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden
gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag
zag zij de arenden niet terugkomen.

"Ik word zeker oud en suf," dacht ze, toen ze een poos op hen had
gewacht. "De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn."

Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te
zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten
om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen 's avonds in 't oog
te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze
was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden,
dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.

Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden
te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de
stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk,
en die uit het arendsnest scheen te komen.

"Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het
arendsnest?" dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog,
dat ze in het arendsnest kon zien.

Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In 't heele nest lag
alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.

Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was
een griezelig oord om te komen. 't Was te zien wat voor roovervolk
daar thuis hoorde. In 't nest en op het rotsterras lagen verbleekte
beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en
gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag,
was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp,
donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen
als takken van uitstaken.

Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den rand van het nest
zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want
ze verwachtte ieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.

"Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt," riep het
arendsjong. "Breng me dadelijk eten!"

"Nu, nu, maak niet zoo'n haast," zei Akka. "Vertel me eerst, waar je
vader en moeder zijn."

"Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten
me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je
kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. 't Is schande, dat moeder
me zoo'n honger laat lijden."

Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren
geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood
lieten hongeren, misschien voor goed 't heele roovervolk kwijt zou
zijn. Maar toch ging het haar aan 't hart een verlaten jong niet te
helpen, zoo goed 't haar mogelijk was.

"Waar zit je zoo naar te turen?" zei de jonge arend. "Hoor je niet,
dat ik eten wil hebben?"

Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden
in 't dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in 't arendsnest,
met een jonge zalm in den bek.

De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.

"Meen je, dat ik zooiets eten kan!" zei hij, schoof den visch op zij,
en probeerde Akka te pikken. "Breng me een hoen of een muis, hoor je!"

Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken
pik in den nek.

"Ik zal je eens wat zeggen," zei de oude gans. "Als ik je eten zal
geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en
moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil
je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht,
dan zal ik je dat niet beletten."

Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele
poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten,
en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk
op, hoewel 't aan hem te zien was, dat hij 't allerakeligst vond.

Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden
zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten
bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die
kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij
vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder
was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde
hem een goede opvoeding te geven, en hem zijn wildheid en overmoed
af te leeren.

Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze
zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang
zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou
moeten verhongeren.

"Gorgo," zei Akka op een dag tegen hem. "Nu kan ik niet meer bij
je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in 't dal kunt
komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen
hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in 't dal. Maar
ook dàt kan je het leven kosten."

Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand
van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar
naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit,
en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht,
maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd
op den grond kwam.

Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes,
en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge
gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij,
en als ze in 't meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna
verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen
zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.

"Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?" vroeg hij.

"Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je
daar boven op de rotsen lag," zei Akka. "Maar wees daar maar niet
bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden."

Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze
hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes
leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te
vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel
was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht,
dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende
zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij
tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch
allerlei op, dat hem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.

"Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op
de rotsen zien?" vroeg hij. "Ze zijn niet zoo bang voor de andere
jonge ganzen."

"Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde," zei
Akka. "Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar
niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden."

Toen de arend goed kon vliegen, leerde hij zichzelf visschen en
kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.

"Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?" zei
hij. "Dat doen de andere jonge ganzen niet."

"Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je
boven op de rotsen woonde," zei Akka. "Maar wees er maar niet bedroefd
om, je zult toch wel een flinke vogel worden."

Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo
midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van
hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken,
en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde,
met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend
door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te
kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk
zóóveel rappe tongen te binden.

"Waarom noemen ze mij toch een arend?" vroeg Gorgo onophoudelijk,
en werd meer en meer geprikkeld. "Zien ze dan niet, dat ik een wilde
gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe
durven ze mij zoo'n leelijken naam geven?"

Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den
mesthoop liepen te pikken.

"Een arend, een arend!" riepen ze, en begonnen hard weg te loopen,
om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had
hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op 't veld, en sloeg
zijn klauwen in een van de kippen.

"Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!" riep hij boos en pikte
naar haar met den snavel.

Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht,
en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe,
en begon hem te tuchtigen.

"Wat doe je daar," riep ze, en pikte naar hem. "Was je misschien van
plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?"

Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans
aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de
groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde
zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar
hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog
in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken,
en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.

Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde
ganzen.

"Nu weet ik wie ik ben," zei hij tegen Akka. "Omdat ik een arend ben,
moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we
toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik
nooit aanvallen."

Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken,
een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden,
en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.

"Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een
vogelverslinder?" vroeg ze. "Leef, zooals ik het je heb geleerd. En
dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan."

Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde
toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in
haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand
zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.

Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen
verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd,
en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende,
dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjes
speelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij
zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve
voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat
hij nooit een wilde gans had aangedurfd.



IN GEVANGENSCHAP.


Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht,
een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag
werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al
een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van
ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht,
en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en
een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden
voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen
dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en
dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.

De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig,
maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef
stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht
voor zich uit zonder iets te zien, en had er geen besef meer van,
hoe de dagen voorbijgingen.

Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde
hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig,
dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.

"Wie roept me daar?" vroeg hij.

"Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde
ganzen rondvloog."

"Is Akka ook gevangen?" vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn
gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.

"Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker
behouden en wel in Lapland op het oogenblik," zei de jongen. "Ik
alleen zit hier gevangen."

Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en
rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.

"Koningsarend!" riep de jongen. "Ik ben nog niet vergeten, dat je
me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven
van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een
of andere manier kan helpen!"

Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.

"Stoor me niet, Duimelot!" zei hij. "Ik zat te droomen, dat ik vrij
rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen."

"Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt,"
vermaande de jongen. "Anders zul je er gauw even ellendig uitzien,
als de andere arenden."

"Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen,
dat niets hen meer kan storen," zei de arend.

Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen
langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee
oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen,
maar Gorgo werd wakker.

"Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?" vroeg hij.

"'t Is Duimelot, Gorgo," antwoordde de jongen. "Ik zit hier het
staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen."

De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen
aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen
was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid
weer de overhand.

"Ik ben een groote vogel, Duimelot," zei hij. "Hoe zou je zooveel
draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. 't Is beter, dat
je met dat werk ophoudt, en me met rust laat."

"Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij," antwoordde de jongen. "Ik
kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren
je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben."

Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden
morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden
waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den
vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en
weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.

Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den
hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.

"Probeer het nu, Gorgo," zei hij.

De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld,
dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de
vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte
het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig
naar buiten in de vrije lucht.

Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot
zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er
ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.

De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren,
die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap
gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was,
en dat 't hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel
gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten,
den ganzerik, en de andere reisgenooten.

"Was ik maar niet door mijn belofte gebonden," dacht hij, "dan zou
ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou."

't Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid
niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine
speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen
hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in
een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen
kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de
Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen,
om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om
den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen,
en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen
Laplander om hulp te vragen.

"Een van 't kleine volkje woont hier op de Schans," had hij gezegd,
"en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen,
die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen,
en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit
Bollnäs te zetten?"

De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te
verklaren, want hij moest naar den trein.

De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, om een schotel
te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een
witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo
was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist,
dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.

Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en
dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij
had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij
eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed
was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren,
als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden,
het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als
van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen--ja, alle mogelijke
vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine
vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen
los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.

"Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn," dacht de jongen. "Ik
zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo'n mooien
morgen. 't Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden,
en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en
getooid met groen gras en mooie bloemen."

Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht
neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.

"Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren,"
zei Gorgo. "Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap
achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je
reisgenooten terugbrengen."

"Neen, dat is onmogelijk!" zei de jongen. "Ik heb mijn woord gegeven,
dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan."

"Wat vertel je toch voor onzin," zei Gorgo. "Eerst hebben ze je tegen
je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te
blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo'n belofte niet hoeft
na te komen."

"Ja, dat moet ik toch," zei de jongen. "Ik dank je wel, want je meent
het goed, maar je kunt me niet helpen."

"Zoo, kan ik dat niet?" zei Gorgo. "Dat zul je eens zien." En meteen
pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met
hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting
van het noorden.



XXXI.

OVER GÄSTRIKLAND.


DE KOSTBARE GORDEL.


De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm
gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in 't bosch, en liet
den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.

Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als
hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten
sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.

"Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?" vroeg hij.

"Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je
hebt niets over mij te zeggen," zei de jongen, en probeerde weg te
komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op,
en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland,
en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby
kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak
onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.

De jongen zag dadelijk, dat 't hier niet mogelijk was, den arend te
ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten,
en om hem heen bruiste wild 't water van den stroom. Hij was er
verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was
gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met
hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet,
vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka
van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder
had gehad.

"En nu begrijp je misschien, Duimelot," zei hij eindelijk, "waarom ik
je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij
Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van plan je te vragen,
of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden."

Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid
had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. "Ik zou je heel
graag helpen met wat je me vraagt," zei hij, "maar ik ben door mijn
belofte gebonden."

En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was
geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem
zijn vrijheid te geven.

Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. "Luister nu,
Duimelot!" zei hij. "Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook
wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel
me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem
zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je
de vrijheid teruggeeft."

Dat vond de jongen een goed voorstel.

"Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo'n wijzen vogel als Akka tot
pleegmoeder hebt gehad," zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson
heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren
zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.

"We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer,
van den grooten berg tot Hornsland," zei de arend. "En morgen zal je
met den man kunnen spreken."

"Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden," zei de jongen.

"Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon,"
antwoordde Gorgo.

Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede
vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.

Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden
gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen
de jongen op 't veld was neergesprongen, zei de arend: "Hier is wild
in 't bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten,
en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Je bent
toch niet bang, als ik je alleen laat?"

"O neen," zei de jongen.

"Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang
terug ben," zei de arend, en vloog weg.

De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een
steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen,
die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij
gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen
keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij
zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door
het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een
heelen optocht van menschen werd uit gedragen, maar het duurde lang,
eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen
langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij
en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet
gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen,
waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn
uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg
had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte,
en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen
oogenblik verveelde.



DE DAG VAN 'T BOSCH.


Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor
tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren
geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten
weer met groen begroeid, dat grensde aan 't frissche bosch. Maar het
grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De
zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van,
dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong
kreupelhout kwam er op.

De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die
berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan,
dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte,
zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen
verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de
boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de
aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los
asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht,
en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere
schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde
weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den
berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken,
dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.

Maar op een dag in 't begin van den zomer kwamen alle kinderen van
de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de
scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een
zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen
stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en
onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een
paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en
sparrezaad trok.

De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die 't dichtst
bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude
weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen,
en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude
kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd,
en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en
vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch
binnendrongen.

Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande
bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne
vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun
mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.

Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen,
vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes
grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven,
lagen daar zonder wormen, zonder boschsterren, zonder witbloeiend
wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en
sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van 't bosch bekleedt.

Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging,
toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was
weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets,
wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten
stumper weer aan een beetje leven helpen.

Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar
hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen
hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op
alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.

Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig
over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten,
de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe
er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En
hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden
ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel
kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden
langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout
groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.

Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat
aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en
't water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.

"Ja, 't was maar goed, dat we kwamen," zeiden de kinderen. "'t Was
hoog tijd!"

En ze voelden zich verbazend gewichtig.

Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder
thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden
zouden. 't Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een
bosch zouden planten, maar 't zou toch wel aardig wezen te zien, hoe
't ging.

En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar 't bosch. Toen ze op
den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.

"Gaan jelui naar de brandplaats?"

"Ja."

"Om naar de kinderen te kijken?"

"Ja, om te zien hoe ze zich redden."

"Dat wordt toch maar een spelletje."

"Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen."

"We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen,
want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen."

Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen
aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe
steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten,
hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden,
en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet
zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen,
en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.

Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid
uit te trekken. Maar zoo'n beetje voor de grap. De kinderen waren
de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen
Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.

En nu ging 't zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar
de kinderen te kijken, aan 't werk gingen meêdoen. Toen werd het
natuurlijk veel prettiger, dan 't eerst was geweest. En na een poosje
kregen de kinderen nog meer hulp.

Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen
werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij
de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen:
"Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?"

"O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan
't boomen planten!"

Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst
stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten
meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in 't voorjaar
te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen,
maar dit was nog uitlokkender.

't Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden
opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. 't
Was niet alleen te doen om 't gewas van een zomer, maar om den groei
van vele jaren. 't Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en
't spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste
bergvlakte. En dan ook 't was als een gedenkteeken, dat men voor
't komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte
als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een
prachtig bosch krijgen.

En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen,
dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest,
en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken.



XXXII.

EEN DAG IN HÄLSINGLAND.


EEN GROOT GROEN BLAD.


Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden
hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof
aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de
akkers. 't Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging
een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere
dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.

"Dit land lijkt wel een blad," dacht de jongen. "Want het is zoo
groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier,
als de nerven over een blad."

't Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat
de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal
naar hem uitkeek.

Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de
boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug,
liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand,
hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de
koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande
een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen
en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de
dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.

Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de
meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De
dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en
zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier
van den rechten weg afweek. 't Allerlaatste kwam de boer en zijn
knecht. Ze liepen naast de kar, om te zorgen, dat die niet omviel,
want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.

De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op
denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit
jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen
en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch
intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in 't
bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van
de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen,
en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke
moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken
takken heen, en hoe 't dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen
stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen
namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.

Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in 't bosch,
waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de
koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk,
alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van 't groene,
sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water
en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste
huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de
veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om
een platten steen buiten, en begonnen te eten.

Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden
onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep
menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en
monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar 't eene uur na het andere
ging voorbij, zonder dat hij hem vond.

Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige
en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag
hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al
aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters
melkten de koeien.

"Zie daar eens heen," zei Gorgo. "Nu geloof ik, dat we hem hebben."

Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat
de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson
brandhout te hakken op de zomerweide.

Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.

"Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb," zei hij, en boog fier
den kop achteruit. "Nu moet je probeeren met den man te spreken. Ik
zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten."



DE NIEUWJAARSNACHT VAN DE DIEREN.


't Werk op de zomerwei was afgeloopen en 't avondeten gebruikt, maar
de menschen zaten nog te praten. 't Was lang geleden, dat ze op een
zomernacht in het bosch waren geweest, en 't scheen, dat ze er niet
toe konden komen te gaan slapen. 't Was helder dag, en de veehoedsters
waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze
't hoofd op, zagen 't bosch in, en lachten in zichzelf.

"Ja, nu zijn we hier weer," zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar
gedachten, en 't bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze
er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in
het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat
uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze,
dat ze hier toch haar besten tijd hadden.

Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen
gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in
het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet
recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan,
en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op
voor bekenden in 't dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd.

Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt:

"We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben
hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier
naast me, en de andere Bernhard van 't Sunnanmeer, die naar den
Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen
ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons
't meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien."

Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd
werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven
gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er
niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde,
dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen,
en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren,
scheen het hem 't verstandigste om iets dergelijks te kiezen.

"Honderden jaren geleden," begon hij, "gebeurde het, dat een proost
hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch
reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op,
en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker,
zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in
een dorp in 't bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den
avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij
dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen.

Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed
mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te
zijn. 't Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De
volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht,
al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet
geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want
het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint.

Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld
was. 't Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een
mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van
alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls
opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den
weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in
den grauwen nacht in 't wilde bosch, met de teugels los neerhangende,
en zijn gedachten ver weg.

De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou
houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang,
eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op
den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het
bosch nog even dicht om hem heen stond als aan 't begin van de reis,
was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan
't bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen.

't Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote
hoeven en dorpen lagen in 't noorden van de gemeente om de Dellen heen,
en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag,
dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus,
dat hij nog in 't zuiden van de gemeente was, en dat hij naar 't
noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat
hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten,
maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd
hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar 't zuiden, en niet
naar het noorden reed. 't Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk te
keeren, maar hij bedacht zich. 't Paard was vroeger nooit verdwaald,
en dat was het ook nu zeker niet. 't Was waarschijnlijker, dat hij
zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest,
en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde
richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins.

Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem
aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij,
dat hij opletten moest, waar hij gekomen was.

Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed,
waar nog geen vastgetrapt pad was. 't Paard liep toch door, en toonde
geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich
overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging.

Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het
paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug
te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg,
en liep opnieuw regelrecht het bosch in.

De proost was er zoo zeker van, als 't maar kon, dat het paard verkeerd
liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien
een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan.

't Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen
kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven,
zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij
de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af.

"Als hij maar thuiskomt voor kerktijd," dacht de proost.

"Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden
zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam."

Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel
gauw op een plaats, die hij herkende. 't Was een klein boschmeertje,
waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat
het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek,
en 't paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen
zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de
pastorie te brengen, als 't maar mogelijk was.

De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die
manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar
huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot
hij te voet te gaan, en 't paard te leiden, tot ze weêr op bekende
wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling.

Dat was geen kleinigheid, door 't bosch te loopen met een zwaren
pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor
inspanning.

't Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer,
het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.

Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en
hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep
van het dier weg.

"We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan,"
zei hij.

Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na,
pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen
te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen,
als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.

Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk
geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was,
het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen,
alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in
vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op,
die smeekend en verwijtend was.

"Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde," scheen het
te zeggen. "Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?"

De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. 't
Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere
manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê
te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen,
om weer op te kunnen stijgen.

"Ga je gang maar," zei hij. "Ik zal je niet alleen laten, nu je me
meê wilt hebben. Niemand zal van den proost in Delsbo kunnen zeggen,
dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was."

Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er
alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. 't Werd een
gevaarlijke en moeilijke tocht, en 't ging bijna den heelen tijd
naar boven. 't Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen
twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat
ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile
hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het
nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo'n terrein
te laten loopen.

"Je bent toch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te
gaan," zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat
de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.

Onder 't rijden begon de proost te merken, dat hij en 't paard niet
de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen
rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dieren zich een weg
baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in
de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met
de wilde dieren zou brengen.

Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner
het bosch werd.

Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar
alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden
land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was
met sombere bosschen. 't Was zóó donker, dat hij moeite had het te
onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was.

"Ja ja! 't Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben,"
dacht hij. "Dit kan geen andere berg zijn. Daar in 't westen zie
ik den heuvel van 't Järomeer, en in 't oosten glanst de zee om 't
Ag-eiland heen. In 't noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn
zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den
Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat
is toch een avontuur!"

Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het
paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen
wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg,
zoodat hij vrij kon uitzien.

De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en
verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een
groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het
leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort
Ting te houden.

't Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar
en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze
waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men
kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het
Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter
hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet
slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in
den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond
met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek
hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen,
en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich
niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand
hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten,
die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden
niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten,
en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over
de geheele plaats, heel tot den zoom van 't bosch speelden vossen,
wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van
gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen
dan de groote dieren.

Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht
was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree,
en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam
brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in 't bosch, en had
een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in 't haar. Ze stond
doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.

Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd,
dat hij er zich als 't ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen
oogen niet kon gelooven.

"Dit is immers volkomen onmogelijk!" dacht hij. "Ik heb zeker te lang
in 't donkere bosch gereden. 't Is mijn verbeelding, die me de baas
is geworden."

Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij
was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.

Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch
een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij
't gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte
dieren door een woest veld baan braken.

't Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken
voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de
zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier,
daarachter de andere koeien en daarna 't jonge vee en de kalven. De
schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en
't laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast
de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren
er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme
dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel
voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar
hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den
optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.

't Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te
gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe,
die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden
kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden
probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van
angst. 't Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den
staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.

De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree,
die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en
dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar
aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de
wilde dieren voorbij.

Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar
dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde.

Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul
uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was,
dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich
zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in
't vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in
klagen uit.

Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al
van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht
bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme
dieren aanwijst, die in 't volgend jaar een prooi van de roofdieren
zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten,
die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen
andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen.

Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van
de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde
den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar
de boschree, die daar streng en ernstig stond, en 't eene dier na het
andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere,
zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één
koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar
geiten. 't Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen,
maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard.

De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun
huisdieren houden.

"Ze moesten 't maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo
gebeuren," dacht hij. "Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen,
dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten
veroordeelen door de boschree."

De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost
herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. 't
Begon over alle leden te beven, en baadde in 't zweet.

"O zoo, nu is 't jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en
geoordeeld te worden," zei de proost tegen 't paard. "Maar wees jij
maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht,
en ik zal je niet in den steek laten."

De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het
bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in
de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had
gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet
zich door het dier naar de boschree dragen.

Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn
misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt,
nu hij in den strijd met dat booze ging.

In 't begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de
pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere
troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de
dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging,
als om dat aan te wijzen voor den dood.

Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En
de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree
gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand
op den grond.

De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht
naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem
heen heerschte dezelfde diepe stilte, die 's winters gewoonlijk op
't woeste veld rust.

Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van
elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar
licht over 't veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen
op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde
dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden,
die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor
zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.

Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie,
wist hij niet meer of 't een droom, een visioen of werkelijkheid was
geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning
voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van
de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo
krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en
wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen
te zijn teruggekomen, nadat hij weg was."

Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer
geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest
hebben. De meesten vonden 't bijna jammer voor Klement, dat hij met
hem om den prijs dingen moest.

Maar Klement begon onvervaard te vertellen. "Op een dag liep ik op
de Schans, en verlangde naar huis," zei hij. En toen vertelde hij van
het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat het niet in een kooi zou
komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder
over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er
voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders
werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken
lakei en 't mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar
schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken,
die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.

Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster,
dat hij den halsdoek krijgen zou: "Bernhard heeft maar iets verteld,
dat een ander is overkomen," zei ze. "Maar Klement heeft zelf een
echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik."

Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere
oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning
had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch
hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen,
wat hij met het dwergje had gedaan.

"Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten,"
zei Klement. "Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het
te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet."

Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam
aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en
geen van de menschen had hem gegooid. 't Was onmogelijk te begrijpen,
waar die vandaan kwam.

"O wee! Klement!" zeide de veehoedster, "'t lijkt wel, of 't kleine
volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een
ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten."



XXXIII.

EEN MORGEN IN ANGERMANLAND.


HET BROOD.


Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland
vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te
krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een
hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.

Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had
gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn
wit brood uit, en begon te eten.

"Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd," dacht hij. "'t
Is zeker, omdat ik het op zoo'n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel
van houd."

Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland
was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen,
of de jongen had een rivierdal in 't oog gekregen, zóó statig, dat
het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.

Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er
over geklaagd, dat hij zoo'n honger had. Hij had in twee dagen al
niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.

Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder
goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk
zijn vaart vertraagd.

"Waarom heb je dat niet eerder gezegd?" had hij gevraagd. "Je kunt
zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden,
als je een arend tot reisgenoot hebt."

Dadelijk daarop had de arend een boer in 't oog gekregen, die een akker
liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg
koren in een mand, die hij voor de borst had hangen, en telkens als
die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel
stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het
beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de
mand neergedaald.

Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk
leven om hen heen ontstaan. 't Waren kraaien, musschen en zwaluwen,
die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de
arend van plan was op een vogel neer te schieten.

"Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!" riepen ze.

En ze hadden zoo'n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op
werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de
jongen had geen korrel gekregen.

't Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet
alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog
een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep
gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden
in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo's. En
de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.

En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op 't veld had willen
neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te
eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo
gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.

Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de
huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken
broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op
te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.

De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor
de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer
gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag
gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in
de hoogte gevlogen.

Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd
opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.

"Wat deed die vreemd," had ze gezegd. "Ik geloof, dat hij een van
mijn weitebroodjes wilde hebben."

't Was zoo'n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open
gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat
genomen en 't boven haar hoofd gehouden.

"Kom 't maar halen, als je 't hebben wilt," riep ze.

De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk
begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. In vliegende vaart was
hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de
lucht ingevlogen.

Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte,
had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van
blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te
lijden, maar 't had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan
den wilden roofvogel had gegeven.

En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde
vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood
omhoog hield. Zij had 't zeker wel geweten, dat de groote vogel een
koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe
schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg
gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht,
wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze
haar goed brood met hen gedeeld.

"Als ik ooit weer een mensch word," had de jongen gedacht, "zal ik
die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat
ze zoo goed voor ons was."



DE BOSCHBRAND.


Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een
flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om
naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een
boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de
daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste
bosch, maar 't kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de
meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.

't Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch
niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in
het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt
gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze
bosschen waren. Maar dat was toch zeker 't meest in den herfst en in
den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.

De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen
bergrug. 't Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een
kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa
vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren
en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo'n
grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.

De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid,
die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En
er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men
een roode vlam in den rook zien. 't Was wel een geweldige brand, die
daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar
kon toch ook geen groote boerderij in 't bosch verborgen liggen!

't Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo'n brand te doen
ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook
uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de
dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa's op. Er
was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.

Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon
branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch
was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? 't Was niet
waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. 't
Zou toch zeker 't beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de
brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.

't Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens
hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die 't dichtste bij hem lag. Daar
stond op 't hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij
zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere
boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in 't morgenlicht
gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó
mooi was hij nog nooit geweest, maar 't was ook voor 't laatst, dat
hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de
vlakte, die vuur vatte, en 't was onbegrijpelijk hoe de brand hem
had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die
langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De
brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.

Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de
bergvlakte. 't Vuur in 't bosch was zeker allebei: vogel en slang. 't
Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. 't
Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.

De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den
rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op
de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich
op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat
zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet
eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet
begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog
ook boven in den top van den den, ging op de punt van een tak zitten,
en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak
naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.

Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende
storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den
eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij
eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden
tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.

Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen
en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden
zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De
boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide
en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan
de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.

Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een
lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond,
en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de
beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op
de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend
als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand
de bergvlakte op.

Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar
beneden uit den boom. 't Zou zeker niet lang meer duren, voor 't vuur
in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. 't
Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom
weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed
heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op
den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook
had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. 't Vuur sloeg
als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten
was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de
andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde
een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.

Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren
gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand
te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar
de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar
de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en
een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de
menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen
stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond,
en trokken het heikruid uit, opdat het vuur niet in de kleine takjes
zou kunnen voortkruipen.

Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam
stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door,
zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten
niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs
de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze
stonden met groote dennetakken, die ze in 't water hadden gedoopt,
en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren
niet zoo heel veel menschen. 't Was merkwaardig hen daar te zien staan,
klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.

Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en
ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den
muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken,
zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit,
alsof ze 't niet uit konden houden. Maar 't werd geen lange vlucht;
ze keerden weer om.

De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als
een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit
den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.

Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de
menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden
het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle
bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen. Waar het vuur
door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken,
en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was
niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen,
dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand
verder vooruit zou dringen.

Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van 't vuur,
en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren
verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen
waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand
was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht
over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat
was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.

De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het
vuur gebluscht werd. Maar nu 't bosch gered was, begon 't gevaar voor
hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.

Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de
koningsarend, suisde neer door 't bosch. En spoedig zweefde de jongen
boven in de wolken, ver van alle gevaar.



XXXIV.

IN LAPLAND.


Alleen al weer veilig op Gorgo's rug te zitten, na al den angst,
dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze
maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind
uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem
achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm,
dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.

"Nu komen we in Lapland," had Gorgo gezegd, en de jongen had zich
voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van
had gehoord.

Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan
groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar
af. De groote eentonigheid had hem op 't laatst zóó slaperig gemaakt,
dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.

Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon
zitten, en dat hij een poos slapen moest.

Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in 't mos
neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwen om hem heen geslagen,
en was weer met hem de lucht ingevlogen.

"Slaap jij maar, Duimelot," riep hij. "De zonneschijn houdt me wakker,
en ik wil de reis voortzetten."

En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch
ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij
op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes
hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken
met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met
zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten;
appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen
kwamen vol uitgegroeide booneranken, groote witte margrieten, en
een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken,
eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg,
fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen
zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien,
witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.

Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg
trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De
insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs
den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende
boomen, tamme en wilde dieren liepen om 't hardst, en daartusschen
door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen,
weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.

De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet,
nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan
de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend
hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van
vroolijkheid en goedheid glansde.

"Vooruit," riep ze onophoudelijk. "Niemand hoeft bang te wezen,
als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!"

"Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen," zei de jongen
in zichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden
gehoord, en antwoordde dadelijk: "Ze wil ons naar Lapland brengen,
naar den grooten versteener."

De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden,
langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote
beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen,
en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes
en de patrijzen.

Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen
achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was,
maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.

Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te
hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen,
en stond toen heelemaal stil.

"Waarom gaat de eik niet verder meê?" vroeg de jongen.

"Hij is bang voor den grooten versteener," zei een jonge lichte berk,
die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.

Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die
met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds
voor den stoet uit, lachte, en riep: "Vooruit, vooruit! niemand hoeft
bang te wezen, zoolang ik er bij ben!"

De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij
in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De
appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.

De jongen keerde zich naar de achterblijvers.

"Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den
steek?" vroeg hij.

"We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in
Lapmarken woont," antwoordden ze.

Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen
waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De
rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken,
de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden
naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou
zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij
waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout
sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen,
rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.

Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. 't Waren allerlei
stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.

"Waarom hebben ze zoo'n haast?" vroeg hij.

"Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen
woont," antwoordde een sneeuwhoen.

Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur
verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen
allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend
gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek
het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich
achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn,
en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.

"Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!" riep de zon,
en rolde de steile wanden van de bergen op.

Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk,
de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier,
de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop
was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.

De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed,
en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan
tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij
iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude
toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn
mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven,
die opstonden, en den bek opensperden, toen de zon zich vertoonde. En
uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende
noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.

"Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn," dacht de
jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten,
maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen
de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.

De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn
griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan
lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende
te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn
sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer
zoo erg. Maar op eens riep de zon: "Nu is mijn tijd uit!" en rolde
achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los,
en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof,
en begonnen achter de zon aan te vliegen.

"Jaag ze weg! Drijf ze voort," riep de toovenaar. "Jaag ze zoover weg,
dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!"

Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat
de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker
werd. En toen hij tot zichzelf gekomen was, had hij gemerkt, dat hij
op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe
zou hij er achterkomen, waar hij was?

Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk
gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.

"Dat is zeker zoo'n arendsnest, als Gorgo..."

Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van
't hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: "Hoera!" Hij begreep,
waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op
de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij
wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en
alle reisgenooten weerzien.



DE AANKOMST.


De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. 't Was
heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen,
en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat
de wilde ganzen nog niet wakker waren. Hij had nog niet lang geloopen,
of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. 't Was
een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast
haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar 't was duidelijk, dat
hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in
geval van nood.

De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine
wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw
ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, 't waren
vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën,
alleen omdat hij wilde ganzen zag.

Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk
een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn, die daar
lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja
zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.

Hij had zoo'n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen,
en liep verder.

In 't volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar
Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij,
zonder ze wakker te maken.

Toen hij bij 't volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien
schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja,
het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden,
en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem
kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat
hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.

Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij
ging verder.

Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar
toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje
gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het
grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond
rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.

"Goeden morgen, Moeder Akka!" zei de jongen. "Dat is heerlijk, dat
u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te
maken, want ik wou u graag alleen spreken."

De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze
hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op
en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze
zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.

Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon
hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar
gevangen gehouden.

"Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor,
gevangen zat in het vossenhol op de Schans," zei de jongen. "En
hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten
medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat
groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel
bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel
goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond,
dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij
kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid,
maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer
vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre,
en zei tegen hem: "Morgen komen hier menschen om een paar vossen te
halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen
wordt, dan krijg je je vrijheid terug." En hij volgde mijn raad,
en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder
Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?"

"Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan," zei de leidstergans.

"Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is," zei de jongen. "Nu is er
nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend,
dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar
de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig
en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven
de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er
ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist
niet, of ik goed deed met zoo'n misdadiger los te laten, en ik meende,
dat het misschien 't beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt
u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?"

"Neen, dat was niet goed," zei Akka. "Men mag zeggen wat men wil van
de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan
andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je,
wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra je bent uitgerust,
een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden."

"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka," zei de jongen. "Er
zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien
u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend
leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien
of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een
paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft
gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden
kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden."



ASA, HET GANZENHOEDSTERTJE EN DE KLEINE MADS.


In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd
er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje,
die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente
Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in
een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein
waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt,
en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen,
die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar
een bed op den grond gemaakt. 's Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat
de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en 's morgens
was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.

Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als 't hun maar
mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op
den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een
drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel
in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had
nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden,
ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt,
dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar
laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen,
had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met
een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter
van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters
meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was
geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog
niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat
't zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar
onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte
zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om
te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen,
als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden 't niet gedaan. Misschien
waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo,
dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.

Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger
was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm
geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en
Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den
kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de
kleine kinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van
den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral
wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hij ver weg in vreemde landen
geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt,
dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.

De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen
als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had
geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest
was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven
en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier
gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon 't toch niet geweest zijn,
maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk
was het stil en treurig in de hut geworden. 't Was of daar elken dag
een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden,
maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken,
en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het
hoofd in de handen te peinzen. Op een keer--dat was na de derde
begrafenis--was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen
van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij,
waarom er zoo'n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat
het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers
een goede daad gedaan door de zieke te helpen!

Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had
hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.

Een paar dagen later was het uit met Vader. Maar hij was niet
gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek
geworden, en van haar had Vader altijd 't meest gehouden. En toen hij
zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder
had niet anders gezegd, dan dat het 't beste was voor Vader, dat hij
weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij
tobde er over, zoodat hij op 't punt was zijn verstand te verliezen,
hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.

Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In 't begin
had hij hun geld gestuurd, maar daarna was 't hem zeker slecht
gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat
de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was
weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane
gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de
suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest,
en was opgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er
zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had
ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als
iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich
had, zei ze alleen: "Zij zullen ook gauw sterven."

Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen
te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.

Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in
plaats daarvan over haarzelf gekomen. 't Was gauw gegaan met Moeder,
nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in 't begin van
den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de
kinderen alleen gelaten.

Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze
goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze
de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven,
had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten
sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je 't er na
maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.

Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar
kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven
wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen
maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor
zichzelf zorgen, dat wist ze.

De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen
te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat
werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had
gezegd: ze zorgden voor zichzelf. 't Meisje kon balletjes maken, en de
jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze
hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter
en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek
verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon
toevertrouwen. 't Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was,
kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil
en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster
zei van hem, dat hij om 't hardst kakelde met de ganzen op 't veld.

Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er
op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk
voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten
onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen,
en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van
die vreeslijke ziekte, die ieder jaar zooveel menschen in Zweden deed
sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken,
en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.

Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de
spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel
plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.

De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten
zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen,
als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel
vriendelijk naar hen geluisterd.

De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den
spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren
gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.

Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een
andere ziekte wezen.

Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond
hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren
van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden
gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven
zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had
geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde
wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze
geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.

Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen
niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was
het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden,
omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet
iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?

Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar
was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te
zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte 't heele land over werd
aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze
zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem,
en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.

Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen
hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.

Waar moesten ze dan naar toe?

Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en
de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het
niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze
waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord. En nu was het hun plicht
dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over
loopen tobben.

De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote
verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar
de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was
geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij
had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je
niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun
vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar
den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden,
dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van
huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten
naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.

Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet
gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg
te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een
bijzonder mooien tocht.

Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een
boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt
en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar
ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.

"Neen maar! Neen maar!" zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen
werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en
mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en
heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente
niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette,
en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.

"Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen
is," zei de boerin.

Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij
den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de
volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als
ze van een boerderij weggingen, zei men: "Als jelui daar en daar komen,
moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen."

In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een
borstlijder. En zonder dat ze 't zelf wisten, gingen die twee kinderen
door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke
ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het
beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg
was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de
spons en den borstel, de groene zeep en de witte gebruiken. Binnen
en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf
wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.



DE DOOD VAN KLEINE MADS.


Kleine Mads was dood. 't Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem
voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch
was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.

Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn
zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.

"Ga niemand anders roepen," had hij gezegd, toen het einde naderde,
en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.

"Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa," had hij
gezegd. "Jij ook niet?"

En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: "Ik vind het niet erg
om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder
en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit
hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had
weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien."

Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer,
kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat
hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze
dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En
het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden,
dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot
mensch.

't Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles
probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien
hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat
ongewoon was.

Asa zat er aan te denken hoe 't hun was gegaan, toen ze naar den
Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die
Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die
wenkbrauwen waren 't merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en
maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen
hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had
gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan
een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist
niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar weken
zou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren,
konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op
hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel
opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over
verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd
te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het
zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.

Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden,
den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven.



XXXV.

BIJ DE LAPLANDERS.


De begrafenis was voorbij. Alle gasten waren vertrokken, en Asa was
alleen in de kleine hut, die aan haar Vader toebehoorde. Ze had de
deur gesloten, om ongestoord aan haar broer te kunnen denken. Ze
herinnerde zich alles, wat kleine Mads had gezegd en gedaan, het
eene na het andere, en dat was zóóveel, dat ze er niet toe kwam om
naar bed te gaan, maar den heelen avond en nog een groot gedeelte
van den nacht opbleef. Hoe meer ze aan haar broer dacht, hoe beter
ze begreep, hoe moeilijk het voor haar zou zijn zonder hem te leven,
en eindelijk legde zij het hoofd op de tafel, en schreide bitter.

"Wat zal ik beginnen, nu ik kleinen Mads niet meer heb," snikte zij.

't Was al laat in den nacht, en Asa had een vermoeienden dag gehad,
zoodat het geen wonder was, dat ze in slaap viel, zoodra ze haar
hoofd neerlegde. En 't was ook geen wonder, dat ze droomde, van dat,
waar ze juist over had zitten denken. Ze droomde, dat kleine Mads
springlevend bij haar in de kamer kwam.

"Nu, Asa, nu moet je Vader gaan zoeken," zei hij.

"Hoe kan ik dat doen, als ik heelemaal niet weet waar hij is,"
antwoordde ze.

"Wees daar maar niet ongerust over!" zei kleine Mads vlug en vroolijk,
zooals gewoonlijk. "Ik zal je iemand sturen, die je helpen zal."

Juist op dat oogenblik, toen Asa droomde, dat kleine Mads dat tegen
haar zei, werd er op de deur van haar kamer geklopt. Dat was echt
kloppen, en geen droom. Maar ze was nog zóó vol van wat ze gedroomd
had, dat ze niet uit elkaar kon houden, wat werkelijkheid en wat
verbeelding was, en toen ze opstond om de deur open te doen, dacht ze:
"Dat is zeker iemand, die Mads beloofd heeft me te sturen."

Als het nu zuster Helma, de pleegzuster, die in de buurt woonde, was
geweest, of een ander gewoon mensch, die op den drempel stond, toen ze
opendeed, zou Asa wel begrepen hebben, dat haar droom nu uit was. Maar
dat was zoo niet. Er had niemand anders geklopt, dan een dwergje, niet
meer dan een handbreed groot. Hoewel het zoo laat in den nacht was,
was het buiten even licht als overdag, en Asa zag dadelijk, dat het
't zelfde dwergje was, dat Mads en zij, een paar keer hadden ontmoet,
terwijl ze door 't land zwierven. Toen was ze bang voor hem geweest, en
dat zou ze ook nu geworden zijn, als ze goed wakker was geweest. Maar
ze meende, dat ze nog altijd droomde, en daarom bleef ze kalm staan.

"Ik dacht wel, dat hij het juist zou zijn, die kleine Mads me sturen
zou, om me te helpen Vader te vinden," dacht ze.

En ze had gelijk. Want het dwergje kwam juist, om met haar over haar
vader te spreken. Toen hij zag, dat ze niet bang voor hem was, zei
hij haar kort, waar haar vader te vinden was, en hoe ze moest doen
om bij hem te komen.

Terwijl hij sprak, kwam Asa zoo langzamerhand tot haar volle
bewustheid, en toen hij zweeg, was ze volkomen wakker. En toen
schrikte ze er zóó van, dat ze daar stond te praten met iemand,
die in een heel andere wereld thuishoorde dan zij, dat ze hem niet
kon danken of iets anders tegen hem zeggen, maar naar binnen vloog
en de deur hard toesloeg. Ze meende te zien, dat de dwerg een heel
bedroefde uitdrukking in zijn gezicht kreeg, toen ze dat deed, maar
ze kon het niet laten. Ze was buiten zichzelf van schrik; ze kroop
dadelijk in bed, en trok de dekens over de oogen.

Maar hoewel ze zoo bang voor den dwerg was, begreep ze toch, dat hij
het goed met haar meende, en den dag daarop deed ze gauw precies,
wat hij had geraden.



Aan den westelijken oever van Luossajaure, een meertje, dat veel mijlen
ten noorden van den Malmberg lag, was een klein Lappenkamp. Ten zuiden
van het meer verhief zich een geweldige berg, die Kirunavara heette
en, zooals men zei, bijna uitsluitend uit ijzererts bestond. Ten
noordoosten lag een andere berg, de Luossavara, die ook veel ijzererts
bevatte. Tegen die bergen op begon men een spoorweg aan te leggen,
van af Gellivare, en bij de Kirunavara werd een station gebouwd,
een hôtel voor reizigers, en een massa woningen voor alle arbeiders
en ingenieurs, die hier moesten wonen, als het ertsbreken goed aan
den gang was. 't Was een heele stad met vroolijke, gezellige huisjes,
die gebouwd werd in een streek, zóó ver naar 't noorden gelegen, dat
de kleine verschrompelde berkjes, die 't veld bedekten, hun bladen
niet uit de knoppen konden krijgen voor midden in den zomer.

Ten westen van het meer lag 't veld vrij en open, en daar hadden een
paar Laplandsche families zich gevestigd. Zij waren daar een paar
maanden geleden gekomen, en hadden niet veel tijd noodig gehad, om
hun woning in orde te maken. Ze hadden geen rotsen laten springen en
niet gemetseld, om goeden en effen bouwgrond te krijgen. Ze hadden zich
eerst maar een droge en prettige plaats bij 't meer uitgezocht, en toen
hadden ze alleen een paar wilgestruiken weggehakt en een paar bosjes
gras weggesneden, om hun bouwterrein in orde te maken. Ze hadden ook
geen dagenlang getimmerd en hout gehakt, om flinke houten wanden op te
trekken, ze hadden geen zorgen gehad, om 't dak te leggen en te dekken,
of om balken en vensterkozijnen te maken, of om deuren en sloten in
te zetten. Ze hadden alleen maar een paar tentstangen stevig in den
grond te slaan en het tentzeil er over te hangen, om hun huis zoo
goed als klaar te hebben. En ook hadden ze niet veel moeite genomen,
om hun huis in te richten of te meubileeren. 't Voornaamste was,
dat ze wat dennetakken en een paar huiden op den grond spreidden,
en de groote pan, waarin ze hun rendiervleesch plachten te koken,
aan een ketting ophingen, die boven aan den top van de tentstangen
werd vastgemaakt.

De kolonisten aan den oostkant van 't meer, die zoo ijverig werkten
om hun huizen klaar te krijgen vóór de strenge winter zou invallen,
verbaasden zich over de Laplanders, die nu hier in 't hooge noorden al
veel honderden jaren hadden rondgezworven, zonder er aan te denken,
dat er beter bescherming tegen de kou en den storm noodig was, dan
dunne tentmuren. En de Laplanders verbaasden zich over de kolonisten,
die zooveel zwaar werk deden, terwijl er toch niet meer noodig was
dan een paar rendieren en een tent om te kunnen leven.

Op een middag in Juli regende het ontzettend bij Luossajaure,
en de Laplanders, die anders in den zomer niet veel binnen waren,
kropen allemaal in een van de tenten, en gingen om het vuur zitten
koffiedrinken.

Terwijl de Laplanders druk aan 't praten waren onder de koffie,
kwam er een roeiboot van den kant van Kiruna, en legde aan bij het
Laplanderskamp. Uit de boot stapten een arbeider en een meisje tusschen
de dertien en veertien jaar.

De honden van de Laplanders vlogen hun te gemoet met luid en schel
geblaf, en een van de Laplanders stak het hoofd buiten de tent om te
zien, wat er gaande was. Hij was blij, toen hij den arbeider zag. 't
Was een goede vriend van de Laplanders, een vriendelijk en spraakzaam
man, die Lapsch kon spreken, en de Laplander riep hem toe, dat hij
in de tent moest kruipen.

"Je komt als geroepen, Söderberg!" zei hij. "De koffiepot staat op
't vuur. Niemand kan wat uitvoeren in den regen. Kom binnen, en vertel
ons wat nieuws."

De arbeider kroop naar binnen, en met veel moeite en onder veel gelach
werd er plaats gemaakt voor hem en het meisje in de kleine tent, die
al te voren vol menschen was. De man begon al gauw Lapsch met zijn
gastheeren te praten. Het meisje, dat bij hem was, verstond niets
van het gesprek. Ze zat stil en verwonderd naar alles om haar heen
te zien; naar de pan en de koffietafel, naar 't vuur en den rook,
naar de Laplandsche mannen en vrouwen, naar de kinderen en de honden,
naar de wanden en den vloer, naar de koffiekoppen en de tabakspijpen,
naar de bonte kleeren en uitgesneden werktuigen. 't Was alles nieuw
voor haar. Niets was, zooals zij het gewend was.

Op eens moest ze ophouden met rondkijken, en sloeg de oogen neer,
want ze merkte, dat allen in de tent haar aankeken. Söderberg moest
iets van haar verteld hebben, want nu namen de Laplandsche mannen
en vrouwen de korte pijp uit den mond, en keken naar de plaats,
waar zij zat. De Laplander, die naast haar zat, klopte haar op den
schouder, knikte en zei in 't Zweedsch: "Goed, goed." Een Laplandsche
vrouw schonk een grooten kop koffie in, die haar met veel moeite werd
toegereikt, en een Laplandsche jongen, die ongeveer even oud was als
zij, kroop tusschen de anderen door, tot hij bij haar kwam. En daar
lag hij haar maar aan te kijken.

't Meisje begreep, dat Söderberg aan de Laplanders vertelde, hoe
ze een groote begrafenis had gehouden voor haar broer, de kleine
Mads; maar zij had liever gehad, dat hij niet zooveel over haar had
gesproken, maar in plaats daarvan aan de Laplanders had gevraagd,
of ze wisten waar haar vader was. De dwerg had gezegd, dat hij bij
de Laplanders moest wezen, die ten westen van Luossajaure hun kamp
hadden opgeslagen, en ze had gevraagd, of ze daarheen mocht rijden
met een grinttrein (want gewone treinen liepen nog niet op die baan)
om hem te zoeken. Allen, de arbeiders en de chef hadden haar zoo
goed mogelijk geholpen, en een ingenieur van Kiruna had Söderberg,
die Lapsch kon spreken, met haar over 't meer gestuurd, om naar
haar vader te vragen. Ze had gehoopt hem te ontmoeten, zoodra ze in
't kamp kwam. Ze had van den een naar den ander gekeken in de tent,
maar allen waren 't Laplanders. Haar vader was daar niet.

Ze zag, dat de Laplanders en Söderberg al ernstiger werden, hoe langer
zij samen praatten, en dat de Laplanders het hoofd schudden en zich op
't voorhoofd klopten, alsof ze over iemand spraken, die niet bij zijn
volle verstand was. Toen werd ze zoo ongerust dat ze het niet langer
kon uithouden, zoo stil te zitten wachten, maar Söderberg vroeg,
wat de Laplanders van haar vader wisten.

"Ze zeggen, dat hij uit visschen is gegaan," zei de arbeider. "Ze
weten niet, of hij nog vanavond hier in 't kamp terug kan zijn,
maar zoodra 't weer beter is, zal een van hen hem gaan zoeken."

Daarop wendde hij zich weer tot de Laplanders, en bleef druk met hen
praten. Hij wilde niet, dat Asa gelegenheid zou hebben hem nog meer
over Jon Assarsson te vragen.



't Was morgen, en mooi weer. Ola Serka zelf, de voornaamste onder
de Laplanders, had gezegd, dat hij Asa's vader zou gaan zoeken, maar
hij maakte geen haast. Hij zat voor de tent op den grond gehurkt, en
dacht aan Jon Assarsson, en vroeg zich af, hoe hij hem de boodschap
zou brengen, dat zijn dochter was gekomen om hem te zoeken. 't Moest
zóó gebeuren, dat Jon Assarsson niet bang werd, en wegliep, want
hij was een zonderling man, en bang om kinderen te ontmoeten. Hij
zei altijd, dat hij zulke sombere gedachten kreeg, als hij ze zag,
dat hij 't niet verdragen kon.

Terwijl Ola Serka zoo zat te peinzen, zaten Asa en Aslak, de
Laplandsche jongen, die haar den vorigen avond zoo had zitten
aankijken, op de plaats voor de tent samen te praten. Aslak was
op school geweest en kon Zweedsch spreken. Hij vertelde Asa van 't
leven in Sameland, en verzekerde haar, dat de menschen 't daar beter
hadden dan ergens anders. Asa vond, dat ze het verschrikkelijk hadden,
en dat zei ze ook.

"Je weet niet, wat je zegt," zei Aslak. "Blijf maar een week bij ons,
en dan zul je zien, dat wij het gelukkigste volk op de wereld zijn."

"Als ik hier een week bleef, zou ik zeker gestikt zijn van den rook
in de tent," zei Asa.

"Zeg dat niet," zei de Laplandsche jongen. "Je weet niets van ons. Ik
zal je wat vertellen, waaruit je misschien begrijpen kunt, dat hoe
langer je hier bleef, hoe beter je je bij ons thuis zou voelen."

Daarop begon Aslak Asa te vertellen, hoe 't hier was in den tijd
toen een ziekte, die ze "de zwarte dood" noemden, door 't land was
gegaan. Hij wist niet, of die ook in 't echte Sameland was geweest,
waar ze nu waren, maar in Jämtland was 't zoo vreeselijk geweest,
dat van de Samelanders, die daar in bosschen en op de rotsen woonden,
allen waren gestorven, behalve een jongen van vijftien jaar, en van
de Zweden, die in de rivierdalen woonden, niemand was overgebleven
dan een meisje, dat ook vijftien jaar oud was.

"De jongen en 't meisje hadden een heelen winter door 't eenzame
land gezworven om menschen te zoeken, en tegen de lente hadden ze
eindelijk elkaar ontmoet," vertelde Aslak verder. "Toen vroeg het
Zweedsche meisje den Laplandsche jongen, of hij met haar meê naar
't zuiden wou trekken, zoodat ze bij menschen van haar eigen stam
kon komen. Ze wilde niet langer in Jämtland blijven, waar niets dan
verlaten hoeven te vinden waren.

"Ik wil je brengen, waarheen je maar wilt," zei de jongen. "Maar
niet vóór den winter. Nu is 't lente, mijn rendieren trekken naar
't westen over de rotsen, en je weet, dat wij, die in Sameland thuis
hooren, moeten gaan, waar de rendieren ons leiden."

't Zweedsche meisje was een kind van rijke ouders. Ze was gewend
onder een dak te wonen, en in een bed te slapen, en aan een tafel
te eten. Ze had altijd arme menschen veracht, en vond, dat zij, die
onder den blooten hemel moesten wonen, heel ongelukkig waren. Maar ze
was er bang voor naar haar landgoed terug te gaan, waar niemand was,
dan de dooden.

"Laat me dan ten minste met je naar boven op de rotsen trekken," zei
ze tegen den jongen, "zoodat ik hier niet alleen hoef rond te loopen,
zonder ooit een menschenstem te hooren."

Daar zei de jongen graag "ja" op, en zoo mocht het meisje met de
rendieren meêgaan op hun tocht over de rotsen. De kudde verlangde naar
de goede rotsweiden, en liep elken dag groote afstanden. Er was geen
tijd om een hut op te slaan. Ze moesten maar in de sneeuw gaan liggen
slapen in de uren, dat de rendieren stilstonden, om te grazen. De
dieren voelden den zuidenwind door hun pels gaan, en wisten, dat
die over een paar dagen de sneeuw van de rotshellingen zou vegen. De
jongen en 't meisje moesten ze hard naloopen door de sneeuw, die aan
't smelten was, en over het barstend ijs.

Toen ze zoo hoog op den berg gekomen waren, dat het naaldbosch ophield,
en de verschrompelende berkjes zich vertoonden, rustten ze een paar
weken uit, en wachtten, of de sneeuw op de andere bergvlakten zou
smelten. Daarna trokken ze die op. 't Meisje klaagde en hijgde,
en zei vaak, dat ze zóó moe was, dat ze naar de rivierdalen terug
moest, maar ze ging toch meê; liever deed ze dat, dan alleen gelaten
te worden, zonder een levend mensch in haar nabijheid.

Toen ze op de rotsvlakten waren gekomen, sloeg de jongen een tent
op voor 't meisje, op een mooie, groene plek, die bij een rotsbeek
lag. Toen het avond was, ving hij de rendieren met de lijn, melkte
ze, en gaf haar melk te drinken. Hij zocht droog rendiervleesch en
rendierkaas, dat zijn volk boven op de hoogte had verborgen, toen ze
daar den vorigen zomer waren. 't Meisje klaagde altijd, en was nooit
tevreden. Ze wou geen gedroogd rendiervleesch eten en geen rendierkaas,
en geen rendiermelk drinken. Ze kon er niet aan wennen neergebukt
onder de tent te zitten, of op 't veld te liggen, met niets dan een
rendierhuid en wat takjes als bed. Maar de zoon van de rotsbewoners
lachte wat om haar verdriet, en bleef altijd even goed voor haar.

Na een paar dagen kwam het meisje bij den jongen, terwijl hij bezig
was rendieren te melken, en vroeg of ze hem helpen mocht. Ze begon
ook 't vuur aan te maken onder de pan, waarin 't rendiervleesch zou
gekookt worden, water te dragen, en kaas te maken. 't Was nu een goede
tijd. 't Weer was warm, en 't was makkelijk om aan eten te komen. Ze
gingen samen strikken zetten voor de vogels, hengelden forellen uit
den waterval, en plukten wilde frambozen op 't moeras.

Toen de zomer voorbij was, verhuisden ze zoover naar beneden op
de rotsen, dat ze de grens tusschen 't naaldbosch en de loofboomen
bereikten, en daar sloegen ze weer hun kamp op.

't Was nu slachttijd, en ze hadden hard werk alle dagen, maar 't
was ook een goede tijd, met nog grooter overvloed van voedsel dan in
den zomer. Toen de sneeuw kwam, en ijs op de meren lag, trokken ze
verder naar het oosten in 't dichte dennenbosch. Zoodra ze de tent
hadden opgeslagen, begonnen ze met het winterwerk. De jongen leerde
het meisje draden van rendierpeezen maken, huiden bereiden, kleeren
naaien en schoenen van rendiervel, op sneeuwschoenen loopen, en rijden
in de slee met rendieren bespannen. Toen ze het donkere gedeelte van
den winter door waren gekomen, en de zon bijna den heelen dag scheen,
zei de jongen tegen 't meisje, dat hij haar nu naar het zuiden kon
brengen, zoodat ze menschen van haar stam kon vinden. Maar toen zag
het meisje hem verwonderd aan.

"Waarom wil je me wegsturen?" zei ze. "Verlang je om alleen met je
rendieren te wezen?"

"Ik dacht, dat jij verlangde," zei de jongen.

"Ik heb nu bijna een jaar het leven van de menschen in Sameland
geleid," zei het meisje. "Nu kan ik niet meer naar mijn volk teruggaan,
en in kleine huizen leven; nu ik zoolang vrij op de rotsen en in
't bosch heb rondgezworven. Jaag me niet weg, maar laat me hier
blijven. Jelui manier van leven is beter dan de onze."

"'t Meisje bleef haar heele leven bij den jongen, en verlangde nooit
meer terug naar de rivierdalen. En als jij, Asa, hier maar een maand
bleef, zou je nooit meer van ons weg kunnen gaan."

Met die woorden eindigde Aslak, de Laplandsche jongen, zijn verhaal,
en op datzelfde oogenblik nam zijn vader, Ola Serka, de pijp uit den
mond, en stond op. De oude Ola verstond meer Zweedsch dan hij wel
wilde laten merken, en hij had de woorden van zijn zoon begrepen. En
terwijl hij luisterde, was het hem op eens duidelijk geworden, hoe
hij doen moest, om aan Jon Assarsson te vertellen, dat zijn dochter
was gekomen om hem op te zoeken.



Ola Serka ging naar Luossajaure, en volgde den oever een poos, tot
hij bij een man kwam, die op een steen zat te visschen. De visscher
had grijs haar, en zijn rug was gebogen, de oogen zagen moe rond, en
er was iets slaps en hulpeloos over hem. Hij zag er uit als iemand,
die had geprobeerd iets te dragen, dat hem te zwaar was geworden,
of iets uit te denken, dat hem te moeilijk was, en die gebroken en
moedeloos was geworden, doordat het hem niet gelukte.

"Je hebt zeker nog al wat gevangen, Jon, nu je zoo den heelen nacht
hebt zitten visschen?" zei de rotsbewoner in 't Lapsch, toen hij bij
hem kwam.

De andere kreeg een schok, en zag op. 't Aas van zijn hengel was weg,
en geen enkele visch lag naast hem. Hij stak gauw een nieuw aas aan
den haak, en legde in. Intusschen ging de rotsbewoner naast hem in
het gras liggen.

"Ik wou je wat vertellen," zei Ola. "Je weet, dat ik een dochter had,
die verleden jaar is gestorven, en haar hebben we altijd in onze
tent gemist."

"Ja, dat weet ik," zei de visscher kortaf, en er gleed een schaduw
over zijn gezicht, alsof hij liever niet aan een dood kindje herinnerd
had willen worden. Hij sprak goed Lapsch.

"Maar 't geeft niets, of je je leven met treuren bederft," zei de
Laplander.

"Neen, dat doet het ook niet."

"En nu heb ik er over gedacht om een ander kind aan te nemen. Zou je
dat niet verstandig vinden?"

"Dat hangt er van af, wat voor kind het is, Ola!"

"Ik zal je vertellen, wat ik van het meisje weet, Jon," zei Ola en
vertelde den visscher nu, dat midden in den zomer een paar kinderen,
een jongen en een meisje, naar den Malmberg waren komen wandelen,
om hun vader te zoeken, en dat ze, omdat hun vader weg was, daar
waren gebleven om hem op te wachten. Maar terwijl ze daar waren, was
de jongen gestorven, door dat hij bij 't springen van een rots door
een steenblok was getroffen, en toen had het meisje hem een groote
begrafenis willen geven. Daarop beschreef Ola heel mooi, hoe dat
kleine meisje allen had overgehaald om haar te helpen, en dat ze zoo
moedig was geweest, dat ze zelf naar den onderdirecteur was gegaan,
om hem te spreken.

"Is dat het meisje, dat je bij je in de tent wilt nemen?" vroeg
de visscher.

"Ja," zei de Laplander. "Toen we dit hoorden, konden geen van ons zijn
tranen inhouden, en we zeiden tegen elkaar, dat zoo'n goede zuster ook
een goede dochter worden zou, en we hopen, dat ze bij ons zal blijven."

De andere bleef een poos zwijgend zitten. Men kon wel merken, dat
hij het gesprek alleen voortzette, om zijn vriend, den Laplander,
pleizier te doen.

"Ze hoort zeker tot je stam, dat meisje."

"Neen," zei Ola, "ze behoort niet tot de Samelanders."

"Misschien is ze de dochter van een kolonist, zoodat ze gewoon is aan
't leven hier in 't noorden?"

"Neen, ze komt ver uit het zuiden," zei Ola, en keek, alsof dit niets
met de zaak te maken had. Maar nu begon de visscher belang in de zaak
te stellen.

"Dan denk ik niet, dat je haar kunt aannemen," zei de visscher. "Ze
kan er zeker niet aan wennen in een tent te wonen, als ze er niet
bij is opgevoed."

"Ze krijgt goede ouders en goede broers en zusters," zei Ola Serka
koppig. "'t Is erger om alleen te zijn, dan 't koud te hebben."

Maar de visscher scheen steeds meer besloten te zijn die zaak te
verhinderen. Het was alsof hij de gedachte niet kon verdragen, dat
een kind van Zweedsche ouders bij de Laplanders zou worden opgevoed.

"Je zei immers, dat ze een vader heeft, die bij den Malmberg woont."

"Hij is dood," zei de Laplander knorrig.

"Heb je daar wel goed naar onderzocht, Ola?"

"Daar hoef je toch niet naar te vragen," zei de Laplander
verachtelijk. "Dat kun je toch wel begrijpen. Zou dat meisje met
haar broer alleen door 't heele land gezworven hebben, als ze een
vader in leven hadden gehad? Zouden twee kinderen zichzelf hebben
moeten verzorgen, als ze een vader hadden? Zou dat kleine meisje
alleen naar den onderdirecteur hebben hoeven te gaan, als haar vader
nog leefde? Zou ze nu nog maar een oogenblik alleen zijn, nu heel
Sameland er over spreekt, wat ze voor een flink meisje is, als haar
vader niet al dood was? 't Meisje zelf meent, dat haar vader nog leeft,
maar ik zeg, dat hij dood moet wezen."

De man met de vermoeide oogen keerde zich naar Ola.

"Hoe heet het meisje, Ola," zei hij.

De rotsbewoner dacht na.

"Dat herinner ik me niet. Ik zal 't haar vragen."

"Zal je 't haar vragen? Is ze er dan al?"

"Ja, ze is bij ons in de tent."

"Maar Ola! Heb je haar dan al bij je genomen, vóór je weet, of haar
vader 't hebben wil?"

"Ik hoef me toch aan haar vader niet te storen. Als hij niet dood is,
hoort hij toch tot die menschen, die niets van hun kinderen willen
weten. Hij mag blij zijn, dat een ander zich om haar bekommert."

De visscher wierp zijn hengel neer, en stond op. Er kwam beweging in
hem, alsof er een nieuw leven over hem was gekomen.

"Ik denk, dat haar vader niet is als andere menschen," zei de
rotsbewoner weer. "Misschien is hij iemand, die door sombere gedachten
wordt vervolgd, zoodat hij 't niet bij zijn werk kan uithouden. Wat
heeft ze nu aan zoo'n vader?"

Terwijl Ola dat zei, was de visscher het strand verder opgegaan.

"Waar wil je heen?" vroeg de Laplander.

"Ik ga eens naar je pleegdochter kijken, Ola."

"Dat is goed," zei de Laplander. "Kom jij maar eens naar haar
kijken. Ik denk wel, dat je vinden zult, dat ik een goede dochter
krijg."

De Zweed liep zoo haastig voort, dat de Laplander hem nauwelijks kon
volgen. Na een poos zei Ola:

"Nu herinner ik me, dat het meisje, dat ik aannemen wil, Asa
Jonsdochter heet."

De andere begon nog harder te loopen, en de oude Ola Serka was zoo
blij, dat hij wel hardop had willen lachen. Toen ze zoover geloopen
hadden, dat ze de tenten in 't zicht kregen, zei Ola nog:

"Ze is hier in Sameland gekomen om haar vader te zoeken, en niet
om mijn pleegdochter te worden, maar als ze haar vader niet vindt,
wil ik haar graag bij mij in de tent houden."

De andere liep nog harder.

"Ik dacht wel, dat hij bang zou worden, als ik hem dreigde zijn
dochter onder de Samelanders op te nemen," dacht Ola.

Toen de man uit Kiruna, die Asa, 't ganzenhoedstertje naar 't
Lappenkamp had gebracht in zijn roeiboot, in den loop van dien dag
terugkwam, had hij twee menschen bij zich in de boot, die dicht naast
elkaar zaten, en elkaar trouw bij de hand hielden, alsof ze nooit
meer wilden scheiden. 't Waren Jon Assarsson en zijn dochter. Beiden
waren heel anders dan een paar uur geleden. Jon Assarsson zag er
minder gedrukt en moe uit, en zijn oogen zagen helder en zacht rond,
alsof hij nu antwoord had gekregen op wat hem zoo lang angstig had
gemaakt, en Asa keek niet meer zoo wijs en waakzaam rond, als ze
vroeger deed. Ze had nu een groot mensch om op te steunen en op te
vertrouwen, en 't was, alsof ze nu weer een kind werd.



XXXVI.

NAAR 'T ZUIDEN, NAAR 'T ZUIDEN.


De jongen zat op den rug van den wilden ganzerik, en reed voort hoog
in de wolken. Dertien wilde ganzen vlogen in een goed geordenden
troep snel naar 't zuiden. Hun veeren bruisten, en de vele vleugels
sloegen door de lucht met zoo'n sterk geluid, dat men nauwelijks zijn
eigen stem kon hooren. Akka van Kebnekaise vloog vooruit, en achter
haar kwamen IJksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi, Maarten
de ganzerik en Donsje. De zes jonge ganzen, die den troep den vorigen
herfst vergezelden, hadden dien nu verlaten, en redden zichzelf. In hun
plaats nam de oude gans nu tweeëntwintig jonge ganzen meê, die dezen
zomer in het rotsdal waren opgegroeid. Elf vlogen links en elf rechts,
en ze deden hun best om op gelijken afstand van elkaar te blijven,
zooals ook de groote deden.

Die arme jonge dingen hadden nog nooit een lange reis gedaan, en in
't begin hadden ze moeite om meê te komen in die snelle vaart.

"Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!" riepen ze jammerend.

"Wat is er?" vroeg de leidstergans.

"Onze vleugels zijn te moe, onze vleugels zijn te moe!" schreeuwden
de jongen.

"Dat wordt beter, als je maar volhoudt!" antwoordde de leidstergans,
en vloog heelemaal niet zachter, maar ging door als te voren. En
't was wezenlijk, alsof ze gelijk had, want toen de gansjes een paar
uur gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over vermoeidheid. Maar
in het rotsdal waren ze gewend geweest den heelen dag door te eten,
en het duurde niet lang, voor ze naar eten begonnen te verlangen.

"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise," riepen de jongen klagend.

"Wat is er nu?" vroeg de leidstergans.

"We hebben zoo'n honger, dat we niet langer vliegen kunnen,"
schreeuwden de jonge ganzen.

"Wilde ganzen moeten leeren lucht te eten en wind te drinken,"
antwoordde de leidstergans, en hield niet op, maar vloog door als
te voren.

En 't scheen wel, alsof de jonge ganzen geleerd hadden van lucht en
wind te leven. Want toen ze een poos gevlogen hadden, klaagden ze
niet meer over honger.

De troep wilde ganzen was nog boven de rotsen, en de oude ganzen
riepen de namen op van alle bergtoppen, die ze voorbij kwamen,
opdat de jongen zouden leeren, hoe ze heetten. Maar toen ze een
poos geroepen hadden: "Dit is Porsotjokko, dat is Sarjektjokko, dat
is Sulitelma....!" werden de jongen weer ongeduldig. "Akka, Akka,
Akka!" riepen ze met hartverscheurende stem.

"Wat is er?" vroeg de leidstergans.

"We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd," schreeuwden de
jongen. "We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd!"

"Hoe meer er in een hoofd komt, hoe meer plaats er komt," antwoordde
de leidstergans, en ging voort met de merkwaardigste namen op te
roepen als te voren.

De jongen dacht, dat het wel tijd was, dat de wilde ganzen op weg naar
't zuiden gingen, want nu lag er zooveel sneeuw, dat het veld wit was,
zoover hij zien kon.

't Was ook niet te ontkennen, dat zij 't stormachtig hadden gehad
den laatsten tijd in 't rotsdal. Regen en storm en mist hadden
elkaar zonder ophouden opgevolgd, en als 't eens helderder werd,
was het dadelijk koud geworden tegen 't vriespunt aan. Bessen
en paddenstoelen, waar de jongen den zomer door van had geleefd,
waren bevroren en gerot, zoodat hij eindelijk visch had moeten eten,
en daar hield hij in 't geheel niet van. De dagen werden kort, en 't
was saai en vervelend geweest met die lange avonden en late morgens,
voor hen, die niet in staat waren precies even lang te slapen, als
de zon beneden den horizont was.

Nu waren eindelijk de vleugels van de jonge ganzen volwassen, zoodat de
reis naar het zuiden had kunnen beginnen, en de jongen was zoo blij,
dat hij lachte en zong, terwijl hij daar op den ganzenrug reed. Zie,
't was niet alleen om de kou en de duisternis en 't weinige eten,
dat hij verlangde uit Lapland, maar ook nog ergens anders om.

In de eerste weken, die hij daar had doorgebracht, had hij wezenlijk
niet verlangd. Hij vond, dat hij nog nooit in zoo'n heerlijk mooi
land was geweest, en hij had geen andere zorgen gehad, dan om te
beletten, dat de muggen hem zouden opeten. De jongen had niet veel
gezelligheid aan Maarten den ganzerik gehad, want de groote witte
vogel dacht alleen aan het bewaken van Donsje, en week geen stap van
haar weg. Maar daarentegen had hij zich aan de oude Akka en aan Gorgo
den arend gehouden, en die drie hadden met elkaar veel prettige uren
gehad. De vogels hadden hem meegenomen op groote tochten. De jongen
had op den top van de besneeuwde Kebnekaise gestaan en op gletschers
neergezien, die zich beneden den steilen witten kegel uitbreidde,
en hij had veel andere hooge rotsen bezocht, die niet dikwijls
door menschenvoeten betreden werden. Akka had hem verborgen dalen
tusschen de bergen gewezen, en hem in rotskloven laten neerzien,
waar de wolvinnen hun jongen grootbrengen. Natuurlijk had hij kennis
gemaakt met de tamme rendieren, die in groote troepen grazen aan de
oevers van het mooie Torne-moeras, en was hij beneden bij den grooten
meerwaterval geweest en had den beren, die daar in de buurt wonen, de
groeten van hun familie in de mijndistricten gebracht. Waar hij kwam,
had hij een mooi, grootsch land gevonden. Hij was heel blij, dat hij
't had mogen zien, maar hij had er niet graag willen wonen. Hij moest
toegeven, dat Akka gelijk had, toen ze zei, dat de Zweedsche kolonisten
dit land maar met rust moesten laten, en 't overlaten aan de beren
en wolven, en rendieren en wilde ganzen en rotsuilen en aardmuizen,
en Laplanders, die geschapen waren om daar te leven.

Op een dag had Akka hem bij een van de groote mijnsteden gebracht,
en daar had hij kleinen Mads, door een rotsblok getroffen, vinden
liggen voor een mijnschacht. En de volgende dagen had de jongen aan
niets anders gedacht, dan om de arme Asa te helpen, maar toen zij
haar vader had teruggevonden, zoodat hij niets meer voor haar hoefde
te doen, was hij 't liefste thuisgebleven in het rotsdal. En van dien
dag af had hij loopen verlangen naar den dag, dat hij met Maarten den
ganzerik naar huis zou gaan, en een mensch zou worden. Hij wou graag
weer zoo worden, dat Asa met hem zou durven praten, en niet de deur
voor zijn neus dichtslaan.

Ja, hij was heel gelukkig, nu hij op weg was naar 't zuiden. Hij
zwaaide met zijn muts en riep hoera, toen hij 't eerste dennenbosch
zag, en op dezelfde manier begroette hij de eerste grijze
kolonistenhuizen, de eerste geit, de eerste kat, de eerste kip. Hij
vloog over prachtige watervallen, en rechts zag hij mooie rotsen,
maar aan zooiets was hij zoo gewend, dat hij haast niet de moeite
nam er naar te kijken.

Iets anders was het, toen hij ten oosten van de rots de kapel van
Kvickjock zag, met de kleine pastorie, en het dorpje; dat vond hij
zoo mooi, dat hij tranen in de oogen kreeg. Onophoudelijk kwamen
ze trekvogels tegen, die nu in veel grooter troepen vlogen dan in
de lente.

"Waar ga jelui heen, wilde ganzen?" riepen de trekvogels. "Waar ga
je heen?"

"We gaan naar 't buitenland, net als jelui," antwoordden de wilde
ganzen. "We gaan naar 't buitenland."

"Jelui jongen kunnen nog niet vliegen," riepen de anderen. "Ze komen
nooit over de zee met hun zwakke vleugels."

Laplanders en rendieren waren ook bezig van de rotsen naar beneden
te komen. Ze liepen in goede orde: een Laplander liep vooraan in den
stoet, en dan kwam de kudde met de groote stieren in de eerste rijen,
dan een rij lastrendieren, die de tent en de overige bagage droegen, en
eindelijk een zeven, acht menschen. Toen de wilde ganzen de rendieren
zagen, daalden ze neer en riepen: "We danken je voor dezen zomer!"

"Goeie reis en tot weerziens!" antwoordden de rendieren. Toen de
beren de wilde ganzen zagen, wezen ze die aan hun jongen en bromden:
"Kijk zij eens! Ze zijn zoo bang voor een beetje kou, dat ze in den
winter niet thuis durven blijven."

En de oude wilde ganzen bleven hun geen antwoord schuldig, maar
ze riepen tegen de jonge gansjes: "Kijk zij eens, ze liggen liever
een half jaar te slapen, dan dat ze de moeite nemen naar 't zuiden
te verhuizen."

Beneden in de dennenbosschen zaten de jonge korhoenders ineengedoken,
ruig en koud, en keken naar al die groote troepen vogels, die met
vreugde en gejuich naar 't zuiden vlogen.

"Wanneer mogen wij gaan?" vroegen de korhoendertjes. "Wanneer mogen
wij gaan?"

"Jelui mogen thuis blijven bij Vader en Moeder," antwoordde de
korhen. "Jelui moogt thuisblijven bij Vader en Moeder."



Ieder, die op de rotsen geweest is, weet wel hoe lastig de mist
wezen kan, die nevels, die komen aanrollen, en het uitzicht wegnemen,
zoodat je heelemaal niets ziet van al die mooie rotsen, die om je heen
zijn. Je kunt mist hebben midden in den zomer, maar in den herfst
kun je hem bijna niet vermijden. Wat Niels Holgersson betreft, hij
had vrij mooi weer, zoolang hij in Lapland was, maar de wilde ganzen
hadden nauwelijks geroepen, dat ze in Jämtland waren, of de nevels
kwamen dicht om hem heen, zoodat hij niets van het land zag. Hij
vloog er een heelen dag over, zonder te weten of 't een bergland of
een vlakte was, waar ze over heen vlogen.

Tegen den avond streken de wilde ganzen neer op een groene plaats,
die naar alle zijden afhelde, zoodat hij begreep, dat hij op den
top van een heuvel stond, maar of die groot of klein was, kon hij
niet met zekerheid zeggen. Hij meende, dat ze in een bewoonde streek
moesten wezen, maar hij was bang, dat hij in den mist zou verdwalen,
en durfde niets anders doen dan bij de wilde ganzen blijven. Alles
was vochtig en druipend nat. Er hingen droppeltjes aan elken grashalm
en aan ieder klein plantje, zoodat hij een flink regenstortbad kreeg,
als hij zich maar bewoog.

"'t Is hier niet veel beter dan in het rotsdal," dacht hij.

Maar een paar stappen waagde hij toch te doen, en nu onderscheidde
hij flauw een gebouw dicht bij hem. 't Was niet heel groot, maar
verscheiden verdiepingen hoog. Hij kon er den top niet van zien. De
deur was gesloten en het huis scheen onbewoond. Hij begreep, dat dit
niet anders dan een Belvédère was, en dat hij daar geen warmte of
eten zou vinden. Maar hij liep toch, zoo hard hij kon, naar de wilde
ganzen terug.

"Lieve Maarten," zei hij tegen den ganzerik, "neem me op je rug,
en draag me naar den top van dien toren daar. Hier is alles zoo nat,
dat ik niet slapen kan, maar daar vind ik wel een droog plaatsje om
te rusten."

Maarten, de ganzerik, wilde hem heel graag helpen. Hij bracht hem naar
't balkon op den toren van de Belvédère, en daar ging de jongen rustig
liggen slapen, tot de morgenzon hem wekte.

Maar toen hij nu de oogen opsloeg, wist hij niet waar hij was. Hij
was zoo gewend aan woeste velden, dat hij, wat hij nu zag: een
sterk bebouwde streek, eerst bijna voor een schilderij hield. Maar
daar was ook nog een andere reden voor. Niets van al, wat hij zag,
had een gewone kleur. Het gebouw, waar hij was, stond op een berg,
die op een eiland lag, en 't eiland lag bij den oostelijken oever van
een meer. Maar dat meer was niet grijs, zooals meren meestal zijn,
maar even helder als de morgenhemel, en in de diepe inhammen was het
bijna glanzend zwart. De oevers om het meer heen waren niet groen,
maar lichtgeel, door al de afgemaaide akkers en de herfstkleurige
bosschen, die ze bedekten. Om dat gele heen liep een breede streep
zwart naaldbosch. 't Kwam misschien, omdat de loofboomen zoo licht van
kleur waren, maar de jongen dacht, dat hij nog nooit de naaldbosschen
zóó zwart had gezien, als dien morgen. Achter dat zwarte zag hij in
't oosten lichtblauwe heuvels, maar langs den heelen wester horizont
liep een lange schitterende boog van puntige rotsen van allerlei
vormen, die zoo'n mooie kleur hadden, dat hij ze niet rood, of wit
of blauw kon noemen. Hij kon er geen naam aan geven.

Terwijl hij daar naar stond te kijken, schrikte hij op eens en
keek om. Hij was zoo verdiept geweest in wat hij zag, dat hij niet
gemerkt had, dat er menschen op 't balkon gekomen waren. Hij kon
zich nog juist bijtijds verstoppen. 't Waren jonge menschen, die een
voetreis deden. Ze bewonderden het prachtige uitzicht en bleven lang
staan praten.

De jongen werd onrustig, omdat die reizigers zoo lang bleven. Maarten,
de ganzerik, kon hem niet komen halen, terwijl zij er waren, en hij
wist, dat de wilde ganzen haast hadden. Hij meende ganzengekakel te
hooren en sterke vleugelslagen, alsof de wilde ganzen wegvlogen. Maar
hij durfde niet te voorschijn komen om te zien wat er gebeurde.

Toen de voetreizigers eindelijk weg waren, en de jongen uit zijn
schuilhoek durfde kruipen, zag hij geen wilde gans meer op het veld,
en geen Maarten de ganzerik kwam hem halen.

Hij riep: "Waar ben je? Hier ben ik!" zoo hard hij kon, maar zijn
reisgenooten vertoonden zich niet. Hij dacht geen oogenblik, dat ze
hem in den steek zouden laten, maar hij was bang, dat ze een ongeluk
hadden gekregen, en zat er over te denken, hoe hij dat zou kunnen
onderzoeken, toen Bataki, de raaf, naast hem neerstreek.

De jongen had nooit gedacht, dat hij er toe zou komen Bataki zoo
hartelijk welkom te heeten, als hij nu deed.

"Lieve Bataki," zei hij, "dat is heerlijk, dat je hier komt. Je
weet misschien, wat er van Maarten den ganzerik en de wilde ganzen
geworden is."

"Ik kom je juist hun groeten brengen," antwoordde de raaf. "Akka
merkte, dat hier een jager op den berg rondzwierf, en daarom durfde
ze niet hier blijven en op je wachten, maar is vast vooruitgegaan. Ga
nu op mijn rug zitten, dan ben je in een uurtje bij je vrienden."

De jongen sprong vliegensvlug op den rug van den raaf, en Bataki zou
de wilde ganzen wel gauw hebben ingehaald, als de mist het hem niet
had belet. Maar 't was, alsof de morgenzon de nevels opnieuw ten leven
wekte. Kleine lichte dampsluiertjes kwamen opeens uit het meer, van
de akkers en uit de bosschen. Ze werden dichter, en spreidden zich
verwonderlijk snel uit, en al gauw was de aarde verscholen achter
witte golvende nevelen.

Bataki vloog boven den mist in heldere lucht en stralenden zonneschijn,
maar de wilde ganzen vlogen zeker onder de nevelmassa's. 't Was
onmogelijk hen in 't oog te krijgen. De jongen riep, en de raaf kraste,
maar ze kregen geen antwoord.

"Dat is toch een leelijke tegenval," zei Bataki eindelijk.

"Maar we weten immers, dat ze naar 't zuiden trekken en zoodra het
helder wordt, zal ik ze wel vinden!"

De jongen was heel bedroefd, dat hij juist nu van Maarten den ganzerik
weg was geraakt, terwijl zij op reis waren, en de groote witte vogel
in allerlei gevaar kon komen. Maar toen hij daar een paar uur over
in angst gezeten had, zei hij tot zichzelf, dat er immers nog geen
ongeluk was gebeurd, en dat het niet hielp, of hij den moed al verloor.

Juist toen hoorde hij een haan kraaien beneden op de aarde, en dadelijk
boog hij zich over den rug van den raaf, en riep:

"Hoe heet dit land?"

"Dit land heet Härjedal, Härjedal, Härjedal!" kraaide de haan.

"Hoe ziet het er daar bij jou uit?" vroeg de jongen.

"Rotsen in 't westen, bosschen in 't oosten, en een breed rivierdal
midden door 't heele land," antwoordde de haan.

"Dank je wel! Je antwoordt flink!" riep de jongen.

Toen hij een eind verder was, hoorde hij een kraai krassen, beneden
in den mist.

"Wat zijn 't voor menschen hier in 't land?" riep hij.

"Flinke, brave boeren!" antwoordde de kraai. "Flinke en brave boeren!"

"Wat doen ze?" vroeg de jongen. "Wat doen ze?"

"Ze verzorgen hun vee en hakken hout!" kraste de kraai.

"Dank je wel. Je antwoordt flink!" riep de jongen.

Een eind verder hoorde hij een mensch zingen en neuriën beneden in
den mist.

"Is hier ook een stad in dit land?" vroeg de jongen.

"Wat... Wat? Wie roept daar?" antwoordde de mensch.

"Is hier ook een stad in dit land?" herhaalde de jongen.

"Ik wil weten, wie me roept!" schreeuwde de mensch terug.

"Ik dacht wel, dat ik geen goed antwoord zou krijgen, als ik een
mensch wat vroeg," riep de jongen.

Het duurde niet lang, of de mist verdween, even gauw als hij gekomen
was, en de jongen zag nu, dat Bataki over een breed rivierdal vloog. 't
Was een mooi landschap met hooge rotsen, maar er lag geen groote en
vruchtbare, bebouwde streek onder aan den berg. De dorpen lagen ver
van elkaar, en de akkers waren klein. Bataki volgde de rivier naar
't zuiden, tot ze in de buurt van een dorp kwamen. Daar streek hij
neer op een stoppelveld, en liet den jongen afstappen.

"Op dit veld groeide koren van den zomer," zei Bataki. "Kijk eens of
je niet iets eetbaars kunt vinden."

De jongen volgde zijn raad, en het duurde niet lang, voor hij een
korenaar vond. Terwijl hij de korrels eruit haalde, en ze opat,
begon Bataki met hem te praten.

"Zie je die mooie rots daar, vlak in 't zuiden?" vroeg hij.

"Ja, die zie ik altijd door," zei de jongen.

"Die heet de Sonrots," ging de raaf voort. "Je kunt er van op aan,
dat hier heel wat wolven waren vroeger."

"Dat was een beste schuilplaats voor hen," zei de jongen.

"De menschen, die hier beneden in 't rivierdal woonden, hadden 't
vaak heel moeielijk door hun schuld," zei Bataki.

"Kun je misschien een paar mooie wolvengeschiedenissen vertellen?" zei
de jongen.

"Ik heb gehoord, dat lang geleden de wolven van de Sonrots een man
moeten hebben overvallen, die er op uit was gegaan om hout voor duigen
te verkoopen," zei Bataki. "Hij kwam van Hede, een dorp, dat hier in
't rivierdal ligt, een paar mijlen hooger, dan we zijn. 't Was winter,
en de wolven vervolgden hem, toen hij over 't ijs van Ljusnan reed. 't
Waren wel een negen of tien stuks, en de man uit Hede had geen best
paard, zoodat hij niet veel hoop had om weg te komen.

Toen de man de wolven hoorde huilen, en zag, hoeveel er waren, die
achter hem aankwamen, verloor hij heelemaal zijn kalmte, en dacht er
niet aan, dat hij zijn vaten en tobben van de kar moest gooien om de
lading lichter te maken. Hij sloeg zijn paard maar, en dat liep al zoo
hard, als het kon, maar de man merkte toch, dat de wolven dichter bij
kwamen. De oevers van 't meer waren eenzaam, en de dichtstbijzijnde
hoeve lag nog een paar mijlen ver. Hij verwachtte niet anders,
dan dat zijn laatste ure zou komen, en voelde, dat hij van angst
verstijfde. Terwijl hij daar als verlamd neerzat, zag hij, dat zich
iets bewoog tusschen de dennetakken, die op 't ijs waren neergezet
om den weg aan te wijzen. En toen hij zag wie het was, die daar liep,
werd hij nog véél angstiger, dan hij eerst was. 't Waren geen wolven,
die hem te gemoet kwamen, maar een arme, oude vrouw. Ze heette Finn
Malin, en placht vaak op paden en wegen rond te zwerven. Ze was wat
mank en gebocheld, zoodat men haar al van verre kon herkennen.

De oude vrouw liep regelrecht de wolven te gemoet, en de man uit
Hede begreep dadelijk, dat als hij haar voorbij reed zonder haar
te waarschuwen, ze vlak in den muil van de wilde dieren zou loopen,
en terwijl ze haar verscheurden, zou hij kunnen ontkomen.

Ze liep langzaam, over een stok gebogen. 't Was duidelijk, dat ze
verloren was, als hij haar niet hielp. Maar ook al hield hij stil,
en liet haar in de slee stappen, dan was 't nog niet gezegd, dat ze
gered zou zijn. Nam hij haar op in de slee, dan was 't waarschijnlijk,
dat de wolven hen zouden inhalen, en dat én zij én hij én het paard
gedood zouden worden. En hij dacht er over, of 't niet het beste was
één leven op te offeren om twee anderen te redden.

Dat alles ging hem op 't oogenblik door 't hoofd, toen hij de oude
vrouw zag. En bovendien dacht hij er ook aan, hoe hij het later hebben
zou, of hij er berouw van zou krijgen, dat hij de oude vrouw niet had
geholpen, of dat de menschen zouden weten, dat hij haar had ontmoet,
en haar niet had bijgestaan.

't Was een vreeselijke verzoeking, waar hij in was!

"Ik wou veel liever, dat ik haar niet had ontmoet," dacht hij.

Op 't zelfde oogenblik hieven de wolven een wild gehuil aan, 't
paard nam een sprong, en vloog voorbij de oude vrouw. Ook zij had
het wolvengehuil gehoord, en toen de man uit Hede haar voorbij reed,
zag hij, dat ze wist wat haar wachtte. Ze stond stil, den mond open
als om te schreeuwen, de armen uitgestrekt, naar hulp grijpend, maar
ze had niet geroepen, en ook niet geprobeerd op de slee te komen. Er
moest iets geweest zijn, dat haar versteende.

"Dat zal ik wel geweest zijn. Ik zal er wel hebben uitgezien als een
spook, toen ik haar voorbij rende," dacht hij.

Hij probeerde er blij om te zijn, dat hij nu zeker zou ontkomen. Maar
tegelijk begon het te branden en te trekken in zijn borst. Hij had
nog nooit iets onteerends gedaan, en nu meende hij, dat zijn heele
leven was verwoest.

"Neen, 't mag gaan, zooals het wil," zei hij, en hield de teugels in,
"maar ik kan haar niet alleen laten met de wolven."

Met de grootste moeite bracht hij zijn paard tot staan; maar eindelijk
gelukte het hem toch, en hij reed in vliegende vaart naar de oude
vrouw toe.

"Kom gauw in de sleê!" zei hij hard, want hij was boos op zichzelf,
omdat hij de vrouw aan haar lot had overgelaten! "Je kon toch een
enkelen keer wel eens thuis blijven, ouwe heks," zei hij. "Nu moeten
zwartje en ik er aan gelooven om jou."

De oude vrouw antwoordde niets, maar de man uit Hede was niet in een
bui om haar te sparen, "Zwartje heeft vandaag al vijf mijl geloopen,"
zei hij, "zoodat je wel begrijpen kunt, dat hij gauw moe zal worden,
en de lading is niet lichter, sinds jij er bij bent gekomen."

De ijzers onder de slee knarsten over 't ijs, maar toch hoorde hij de
wolven blazen, en hij begreep, dat de dieren hem nu hadden ingehaald.

"Nu is 't uit met ons," zei hij. "'t Is noch voor mij, noch voor jou
een geluk geweest, dat ik geprobeerd heb je te redden, Finn Malin."

Tot nu toe had de oude vrouw gezwegen, als iemand, die aan onheuschheid
was gewend. Nu zei ze een paar woorden: "Ik begrijp niet, dat je je
duigenhout niet uit de sleê gooit, om de lading te verlichten. Je
kunt immers morgen terugkomen en het ophalen."

De man uit Hede begreep, dat het een goede raad was, en was er verbaasd
over, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Hij liet de oude vrouw
de teugels houden, maakte het touw los, dat het duigenhout bijeenhield,
en gooide het van de sleê af. De wolven waren vlak achter hen. Maar
nu hielden ze stil, om te onderzoeken wat daar over 't ijs gleed,
en de reizigers kwamen ze opnieuw een eindje vooruit.

"Als dit niet helpt, begrijp je wel, dat ik me zelf aan de wolven
geef," zei de oude vrouw, "zoodat je kunt wegkomen."

Toen ze dat zei, was de man bezig een groot zwaar biervat van de sleê
te schuiven. Terwijl hij daarmeê aan 't werk was, hield hij op, alsof
hij er niet toe kon besluiten 't vat weg te gooien. Maar eigenlijk
waren zijn gedachten met heel wat anders bezig.

"Een man en een paard, waar niets aan mankeert, hoeven toch om
hunnentwil een oude vrouw niet door de wolven te laten opeten,"
dacht hij. "Er moet toch een andere manier zijn om ons te redden. Ja,
natuurlijk is er die. 't Is maar, dat ik er niet op kan komen."

Hij begon weer aan dat biervat te schuiven, maar op eens hield hij
weer op, en barstte in lachen uit.

De oude vrouw keek hem verschrikt aan, en meende, dat hij krankzinnig
geworden was, maar de man uit Hede lachte om zichzelf, omdat hij aldoor
zoo dom was geweest. 't Was 't eenvoudigste wat je maar bedenken kon,
om alle drie te redden, hij kon niet begrijpen, dat hij daar niet
eerder aan had gedacht.

"Luister nu goed, Malin," zei hij. "'t Was flink van je, dat je
jezelf aan de wolven wou geven. Maar dat hoef je niet te doen, want
ik weet nu hoe we alle drie gered zullen worden, zonder iemands leven
in gevaar te brengen. Onthoud nu goed, dat--wat ik ook doe--jij stil
op de sleê blijft zitten en naar 't dorp Linsäll rijdt. Daar maak je
de menschen wakker, en zegt, dat ik hier alleen op het ijs lig met
tien wolven om me heen, en vraagt hun, of ze me willen komen helpen."

Nu wachtte de man, tot de wolven heel dicht bij de sleê waren. Toen
gooide hij het groote vat op het ijs, sprong zelf van de sleê en
kroop onder het vat.

't Was een geweldige ton. Die was zoo groot gemaakt, dat al het
kerstbier er in kon. De wolven sprongen er tegen op, beten in de
banden, en probeerden het vat om te gooien, maar het was te zwaar en
stond te vast. Ze konden niet bij hem komen, die er onder lag.

De man uit Hede wist, dat hij veilig lag, en hij lachte om de
wolven. Maar na een poos werd hij ernstig.

"Zoodra ik in 't vervolg in een of andere moeilijkheid kom," zei
hij in zichzelf, "zal ik aan deze ton denken. Ik zal er aan denken,
dat ik mezelf geen kwaad hoef te doen, noch een ander. Er is altijd
een derde uitweg, als je dien maar vinden kunt."

Daarmeê eindigde Bataki zijn verhaal. Maar de jongen had al lang
gemerkt, dat de raaf nooit iets zei, zonder dat hij er een bepaalde
bedoeling meê had, en hoe langer hij naar hem luisterde, hoe meer
hij nadacht.

"Ik zou wel eens willen weten, waarom je me dat verhaal vertelt,"
zei de jongen.

"Och, dat kwam me zoo maar weer voor den geest, terwijl ik hier naar
de Sonrots stond te kijken," zei de raaf.

Ze reden nu verder langs Ljusna, en een poos later kwamen ze aan
't dorp Kolsätt, dat vlak bij de grens van Helsingland ligt. Hier
streek de raaf neer bij een klein hutje. 't Had geen venster, enkel
maar een luik. Uit den schoorsteen steeg rook op, met vonken vermengd,
en sterke hamerslagen klonken uit het huis.

"Als ik die smidse daar zie," zei de raaf, "moet ik er aan denken,
dat er vroeger zulke goede smeden in Härjedalen waren, en vooral in
deze stad hier, dat ze hunsgelijken niet hadden in 't heele land."

"Misschien weet je daar ook wel een verhaal over, dat je me wilt
vertellen," zei de jongen.

"Ja, ik weet er wel een van dien smid in Härjedalen," zei Bataki,
"die twee andere meestersmeden, een van Dalecarlië en een van
Wermeland, uitnoodigde tot een wedstrijd in 't spijkers maken. De
uitnoodiging werd aangenomen, en de drie smeden kwamen hier in
Kolsätt bij elkaar. De Dalecarliër begon. Hij smeedde een dozijn
spijkers, zoo glad en scherp en gelijk, dat niemand ze beter maken
kon. Na hem kwam de Wermelander. Ook hij maakte een dozijn spijkers,
die voortreffelijk waren, en daar kwam bij, dat hij ze in de helft
van den tijd maakte, dien de Dalecarliër noodig had. Toen zij, die
't werk moesten beoordeelen dat zagen, zeiden ze tegen den smid uit
Härjedalen, dat het niet de moeite waard was voor hem om meê te dingen;
want beter dan de Dalecarliër en vlugger dan de Wermelander kon hij
toch niet smeden.

"Ik geef het niet op. Er zal nog wel een andere manier zijn om zich
te onderscheiden," zei de man.

Hij legde het ijzer op het aanbeeld, zonder het eerst in 't vuur te
houden, hamerde het warm, en smeedde den eenen spijker na den anderen,
zonder kolen of blaasbalg noodig te hebben. Niemand had ooit een smid
meesterlijker den hamer zien hanteeren, en de smid uit Härjedalen
werd verklaard de eerste in 't land te zijn."

Na deze woorden zweeg Bataki, maar de jongen werd nog nadenkender.

"Ik zou wel willen weten, wat voor bedoeling je met dat verhaal hebt,"
zei hij.

"Die geschiedenis kwam me in den zin, toen ik de oude smidse zag,"
zei Bataki heel onverschillig.

De beide reizigers verhieven zich weer in de lucht, en de raaf
bracht den jongen naar 't zuiden, naar de gemeente Lillhärdal, die
aan Dalecarlië grenst. Daar streek hij neer op een heuvel, met boomen
begroeid, die op den hoogsten top van een bergvlakte lag.

"Weet je wel wat dat is voor een hoogte, waar je nu op staat?" zei
Bataki.

Neen, de jongen moest erkennen, dat hij dat niet wist.

"Dat is een grafheuvel," zei Bataki. "Die is opgehoogd over een man,
die Kärjulf heette, en de eerste was, die zich in Härjedalen vestigde
en het land ging ontginnen."

"Weet je misschien ook een verhaal van hem?" vroeg de jongen.

"Ik heb niet veel van hem gehoord, maar ik geloof, dat hij een Noorman
was. Eerst was hij in dienst bij een Noorschen koning, maar daar kreeg
hij twist meê, en nu moest hij uit het land vluchten. Hij begaf zich
naar den Zweedschen koning, die in Uppsala woonde, en ging in dienst
bij hem. Maar na een poosje begeerde hij de zuster van den koning
tot vrouw, en toen de koning hem zoo'n voorname bruid niet wou geven,
vluchtte hij met haar.

Hij had 't nu zoo gemaakt, dat hij niet in Noorwegen en niet in Zweden
kon wonen, en naar het buitenland wilde hij niet gaan.

"Maar er moet nog wel een uitweg zijn," dacht hij, en trok met zijn
knechten en schatten naar 't noorden door Dalecarlië, tot hij de
groote, woeste bosschen daar aan de grens bereikte. Daar zette hij
zich neer, bouwde een huis, ontgon de streek, en werd zoodoende de
eerste, die zich in deze streken vestigde.

Toen de jongen dat laatste verhaal hoorde, werd hij nog nadenkender
dan vroeger.

"Ik zou wel eens willen weten, met welke bedoeling je me dat alles
verteld hebt," zei hij nog eens. Bataki antwoordde een tijdlang niets,
maar draaide den kop heen en weer, en kneep de oogen dicht.

"Nu we hier toch alleen zijn," zei hij eindelijk, "moet ik toch
de gelegenheid waarnemen, om je iets te vragen. Heb je ooit goed
onderzocht, welke voorwaarden de kabouter, die je heeft betooverd,
heeft gesteld, om je weer een mensch te laten worden?"

"Ik heb niet van andere voorwaarden gehoord, dan dat ik den witten
ganzerik ongedeerd naar Lapland en weer terug naar Skaane zou brengen."

"Ik dacht het wel," zei Bataki, "want toen we elkaar het laatst
ontmoetten, sprak je er zoo trotsch over, dat er niets zoo leelijk
was, als een vriend ontrouw te worden, die op je vertrouwt. Je moest
Akka eens naar de voorwaarden vragen. Je weet, dat ze bij je thuis
geweest is, en den kabouter heeft gesproken."

"Daar heeft Akka me niets van verteld," zei de jongen.

"Ze heeft zeker gevonden, dat 't beter voor je was niet te weten,
wat de kabouter precies gezegd had. Ze wou natuurlijk liever jou
helpen dan den ganzerik."

"'t Is vreemd, Bataki, dat je er altijd slag van hebt me uit mijn
humeur en ongerust te maken," zei de jongen.

"Dat kan wel zoo schijnen," zei de raaf, "maar dezen keer geloof ik,
dat je er me dankbaar voor zult wezen, dat ik je zeg, dat de kabouter
het zoo heeft bepaald: dat je een mensch zoudt worden, als je Maarten,
den ganzerik, weer thuis bracht, zoodat je moeder hem op de slachtbank
kon leggen."

De jongen stoof op.

"Dat is niets anders dan een ellendig bedenksel van jou!" riep hij.

"Je kunt het Akka zelf vragen," zei de raaf, "ik zie haar aankomen met
haar heelen troep. Vergeet nu niet, wat ik je vandaag heb verteld. Er
is een uitweg uit alle moeilijkheden; de vraag is of je dien kunt
vinden. Ik verheug er me op, te zien, hoe jou dat zal gelukken."



XXXVII.

WERMELAND.


Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur,
toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep
te grazen, om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had
verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen
de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou
vertellen. Want de groote witte was zoo dapper en edelmoedig, dat de
jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de
voorwaarden van den kabouter hoorde.

En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug,
liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. Hij hoorde
de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen
lust dat alles te zien.

"Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen,
en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is," dacht hij.

Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen,
dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar
't Zuiden volgden, de Klarelf was.

"Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven," dacht hij. "Ik
behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken."

De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij
Munkfors. Toen sloegen ze af naar 't westen naar Fryksdalen. Eer ze
nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden,
en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch.

't Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de
jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een
betere slaapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was,
had hij gezien, dat er eenige hoeven beneden bij de hoogte lagen,
en hij ging gauw op weg om die te zoeken.

't Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking
weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen,
en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van
den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar
dadelijk op af.

De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt,
en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was,
zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een
groot plein er voor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een
lommerrijken tuin er achter. 't Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk,
maar 't plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó
dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond,
dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De
hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren
geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen,
maar 't was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met
zooveel glans over 't gras, dat het wit scheen als zilver.

Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen,
waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat
hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom
geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had
bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed
vlug uit den stam van den sorbeboom en klauterde in de vogelkers,
maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan
nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol
kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels
en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de
planten en 't gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar
op het pad--hij had het zeker mis,--maar jawel! daar lag een mooie
groote appel, en glom in den maneschijn.

De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich
en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes.

"'t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als
er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier," dacht hij.

Hij zat te peinzen onder 't eten, en eindelijk dacht hij, of 't niet
goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar
't zuiden liet trekken zonder hem.

"Ik weet niet, hoe ik Maarten den ganzerik aan 't verstand zal brengen,
dat ik niet naar huis kan gaan," dacht hij. "'t Is beter, dat ik
me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me een wintervoorraad kunnen
verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in
den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven te vriezen."

Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven
zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein
kort berkestompje leek, naast hem op den grond. 't Stompje wrong en
draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als
vuurkolen. 't Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat
het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende
oogen had, en toen werd hij kalm.

"Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten," zei
hij. "Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet, Mevrouw
Katuil, en wat hier voor menschen wonen."

De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst,
op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond,
en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten
te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel
grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek,
maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen.

"Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt," dacht de katuil. "Wat
ter wereld kan dat toch zijn."

"'t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel," dacht zij
verder. "Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude
hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld
was. Maar dit gaat mijn verstand te boven."

Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op 't pad
bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid
de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde
van dichtbij te bekijken.

Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem
te bekijken.

"Hij heeft geen klauwen en geen horens," dacht hij, "maar wie weet, of
hij geen gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren
er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan
hem waag."

"Deze hoeve heet Mårbacka," [3] zei de uil, "en hier hebben vroeger
deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?"

"Ik denk er over om hierheen te verhuizen," zei de jongen, zonder op de
vraag van den uil te antwoorden. "Zou je denken, dat het lukken zou?"

"Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve, als vroeger. Maar
je kunt het hier toch best uithouden. 't Komt er maar op aan, waarvan
je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?"

"Goeie hemel, neen!" zei de jongen. "Er is meer kans, dat de ratten
mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen."

"Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt,"
dacht de katuil. "Maar ik geloof toch, dat ik 't eens probeeren zal."

Hij vloog op, en 't volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels
Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen
hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich
vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij
kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei
in zichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan.



Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat
jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch
was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven,
dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had
er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog
geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe
geworden, dat ze tegen zichzelf zei: "Dat kun je niet! Ga zitten,
en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een
ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn,
dat er geen onwaar woord in mag voorkomen."

't Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze 't plan zou opgeven, maar
ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden
te schrijven, en ze had moeite dat werk aan anderen over te
laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam,
doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich
heen had, dat ze niet aan 't schrijven kon komen. Als ze naar buiten
ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou 't misschien beter gaan.

Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze 't boek beginnen
moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats,
waar ze was opgegroeid. 't Was een klein landgoed, dat ver van de
bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten
bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor
de kinderen, om te hooren van de verschillende bezigheden, die 't heele
jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en
Nieuwjaar, en Paschen, en 't zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd,
wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe 't er in de keuken en
provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had
uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet
voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar
't was zoo. Toch was 't wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog
even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar
ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze
misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien,
eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond
het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk
verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel,
dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die
veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten.

Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen,
als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen,
die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden
ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met
vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren,
hoe 't er vroeger was geweest. Daarom legde ze 't zoo aan, dat ze er
's avonds laat zou aankomen, als 't werk was afgeloopen, en de menschen
in huis zouden zijn.

Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te
komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was
't alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer
een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein
meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze
daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet
begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder
en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen,
de oude huishoudster zou gauw naar 't keukenvenster loopen om te zien,
wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden,
zouden komen aandraven en tegen haar opspringen.

Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was 't herfst,
en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar 't was juist al dat
verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of
eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan 't aardappels
rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu
allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te
maken. 't Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over,
of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten
staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud?

Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep
tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal
schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de
dienstboden. 't Was ook op den avond voor den marktdag een lust om
in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes
bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden
koperen ketel aan den zolder.

En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan
begonnen ze met vlasbraken. 't Vlas had lang op een wei gelegen om
te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote
badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog
genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar
geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te
braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels, om de fijne, witte
vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen
grijs van 't stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van
't vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden
de dorschvlegels, en het praten ging zóó best, dat als men bij 't
oude badhuis kwam, men een geluid hoorde, alsof een bruisende storm
daar huis hield.

Na 't werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad,
het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In
November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en
't worst maken, het bakken van bloedbrood en 't maken van kaarsen. De
naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en 't waren een paar
gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De
schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook
in de knechtenkamer te werken, en 't was altijd even interessant om
te zien, hoe hij 't leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op
de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg.

Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag,
als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in 't haar
en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen
vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken
niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen,
en visch in 't zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en
bakken voor Kerstmis.

Ze was druk aan 't bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes
om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan 't begin van
de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een
droom. 't Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar,
die zich zoo pas nog te midden van al de haren had gedroomd. Toen
ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt
bij haar oude huis te komen, voelde zij 't verschil tusschen 't
verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze 't liefst had willen
omkeeren. "Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan 't immers toch
niet zijn als in den ouden tijd," dacht ze.

Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats
moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap
bedroefder werd.

Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en
dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond
eerder, dat alles er nog wel 't zelfde uitzag. Daar was de vijver,
die in haar jeugd vol visschen was, en waar niemand durfde hengelen,
omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was
de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den
eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor
het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht,
zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het
hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen.

Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan
naar 't huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond
gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek.

Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want
duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de
mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het
dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in
de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een
mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg
moest wijzen.

Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar
ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in
zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van
't slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur.

Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis
te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht
waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten,
dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad.

Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had
gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in
haar vroeger tehuis kwam.

Toen ze dat dacht, kwam er zoo'n sterk verlangen naar den ouden tijd
over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. 't Was een goed leven,
dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad,
maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond
hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg, Mevrouw
Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen
en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder
't spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst geblokt, maar
ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor
't fornuis gestaan en eten gekookt, maar ze hadden ook geleerd piano
en fluit, guitaar en viool te spelen. Ze hadden in den tuin kool en
rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol
appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd,
maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze
hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en
zorgeloos geleefd.

"Nergens in de wereld weten de menschen zoo'n goed leven te leiden,
als op zoo'n klein landgoed in mijn jeugd," dacht ze. "Daar was werk
en plezier in overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel
graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me
zwaar van hier weg te gaan."

En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei--terwijl ze om
zichzelf lachte:

"Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis
verlang. Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem
of hij 't niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk
huis terugkomen kan."

Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op
en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen
dadelijk. 't Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende
lucht oploste.

De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten
uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel
vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter, dan
een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd,
dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker
schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar.

De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad,
zonder zich te verbergen of weg te loopen.

"Ik dank u wel voor uw hulp," zei hij. "Maar 't was heel dom, dat u
de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit
zij boven in den boom op me te loeren."

"Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu
niet thuisbrengen?" vroeg ze.

Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu
onverwachts in gesprek met een van 't kleine volkje was geraakt. Maar
in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. 't Was, alsof ze
aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze
daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep.

"Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op 't landgoed
te blijven," zei de dwerg. "Als u me maar een veilige slaapplaats
wilt wijzen, zou ik liever niet vóór 't aanbreken van den dag naar
't bosch terug willen."

"Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?"

"Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van 't kleine volkje ben,"
zei nu de dwerg, "maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik
in een kabouter veranderd."

"Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet
willen vertellen, hoe 't je zoo slecht is gegaan?"

De jongen had er niets tegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl
ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd,--verbaasd en
blij--al naar 't verhaal was.

"Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug
van een gans over heel Zweden reisde," dacht ze. "Juist, wat hij me
vertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer
bezorgd te zijn. 't Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd
toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam."

Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit
durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven,
dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen
voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd...

Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had?



XXXVIII.

DE SCHAT OP DE KLIPPEN.


OP WEG NAAR ZEE.


Al van 't begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar
het zuiden gevlogen, maar toen ze 't Fryksdal verlieten, sloegen ze
een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland
naar Bohuslän.

't Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan 't
vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen
begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij,
omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan,
en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde
manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette
op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet
kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar
ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was
het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten
witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan.

"Weet je wel, Maarten," zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen,
"dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter
thuis te blijven, nu we zoo'n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit
er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar 't buitenland
zullen gaan."

"Dat kun je toch niet meenen," zei de ganzerik, en keek heel
verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde
ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug
te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson.

De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle
berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roode herfstkleuren
waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de
gele oevers.

"Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien
liggen als vandaag," zei hij. "De meren zijn als blauwe zijde, en de
oevers als breede gouden banden. Vind je niet, dat het jammer zou
zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de
wereld zagen?"

"Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen
wat je voor een flinke jongen bent geworden," zei de ganzerik.

Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk
oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor 't huis van Holger
Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen
aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder
Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel
van den jongen.

De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal
zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden
komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze
vlogen over het noordwestelijk gedeelte van 't landschap, en daar was
het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het
land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. 't
Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te
beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. 't Was alsof
er iets in de lucht of in 't water was, dat het zonlicht vasthield,
ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud
speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over 't veld
trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken,
helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken.

"Vind je zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets
moois als dit te zien," zei de jongen.

"Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere
bergakkers hier," antwoordde de ganzerik. "Maar je begrijpt wel, dat
als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan."

"Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen," zei de jongen, en 't
was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven.

Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten
dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven
in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart,
alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend
landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep
zonneschijn, dan weer in de schaduw, vond hij, dat er iets wilds,
iets eigenaardigs over lag.

Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger
sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke
en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige
streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd
bij hem wakker.

"'t Zou best mogelijk wezen, dat ik 't zou missen, als ik niet elken
dag in levensgevaar was," dacht hij. "'t Is 't beste maar tevreden
te zijn met mijn leven, zooals 't nu is."

Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän
met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij
geen antwoord had kunnen geven.

De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen
heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo'n vaart, dat ze haar
telkens weer te zien kregen.

Eindelijk zagen ze in 't westen een glanzende streep, die steeds
breeder werd bij elken vleugelslag. 't Was de zee, die melkwit en
met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze
voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over 't
water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken.

Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon,
die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde
hij vrede en rust in zijn ziel komen.

"'t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson," zei de zon. "De
wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. 't Is ook iets
heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor
je te hebben."



HET GESCHENK VAN DE WILDE GANZEN.


De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de
Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan
den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond
om Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. 't Laatst
stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd.

"Wat is er, Moeder Akka?" vroeg hij, en sprong verschrikt op.

"Er is niets gevaarlijks," antwoordde de leidstergans. "Wij, de
zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen,
en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan."

De jongen begreep wel, dat Akka zoo'n voorstel niet zou hebben gedaan,
als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijk op
haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde
ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die
dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water
en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die 't verste
in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den
maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren
gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de
jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek
daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in
't midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand
en wat slakkenhuizen had geworpen.

Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich
iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde
oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogel was, die de klip
als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad
er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig
waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam
met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend.

't Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen
van beide was er verbaasd over den ander te zien.

"Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hier bent," zei
Akka. "Ben je hier al lang?"

"Ik kwam hier vanavond," antwoordde Gorgo, "maar ik ben bang, dat
ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. 't Ging
verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen."

"Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen
wilt," zei Akka. "Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd,
wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat
hier op de klip moet verborgen zijn."

De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen
Akka zijn naam noemde, keek hij op.

"Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg
afweken, en hier naar 't westen vlogen," zei Akka.

"Ik vond het wel vreemd," antwoordde de jongen. "Maar ik wist immers
wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet."

"Je denkt goed over mij," zei Akka, "maar ik vrees, dat je dat nu
wel eens zou kunnen tegenvallen, want 't is best mogelijk, dat we
deze reis tevergeefs hebben gemaakt."

"'t Gebeurde heel lang geleden," ging Akka voort, "dat ik met een
paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm
werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we
niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo
ver weggedreven te worden, dat we nooit weer aan land zouden komen,
en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene
dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger,
en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We
vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die
goed dichtgebonden waren, en half in 't zand begraven. We hoopten,
dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan,
tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen
zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij,
wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben
in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er
iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel,
dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we
zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe
't met de zaak gesteld is."

De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand,
en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen
hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag,
dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over
den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte
zich naar Akka terug. "De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen,"
zei hij, "zoodat het geld in 't zand gestrooid ligt, maar ik geloof,
dat al het goud er nog is."

"Dat is goed," zei Akka, "maak nu het gat weer dicht en strijk het
zand zoo glad, dat niemand kan zien dat er in gegraven is."

De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op
de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka
voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig
tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene
malen de halzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig
de muts afnam, en voor hen boog.

"De zaak is deze," zei Akka, "dat wij, die oud zijn, tegen elkaar
hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart
geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden
ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven."

"Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd," zei de jongen.

"Wij vonden ook," ging Akka voort, "dat als een mensch die heele reis
met ons meêgemaakt had, zou die zeker niet even arm van ons weggaan,
als hij gekomen was."

"Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is
dan goed of goud," zei de jongen.

"Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen, is het
wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat," zei de leidstergans,
"en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt."

"Maar hadt u zelf den schat niet noodig?" vroeg de jongen.

"Ja, wij hadden dien noodig, om je zoo'n belooning te kunnen geven,
dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een
ordentelijke familie hebt gediend."

Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek
toen Akka vlak in de glanzende oogen. "Ik vind het wel vreemd, Moeder
Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór
ik mijn dienst heb opgezegd," zei hij.

"Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven,
dat je bij ons blijft," zei Akka, en vervolgde: "Maar ik wilde je
graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder
een al te grooten omweg te maken."

"Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf
verlang," zei Duimelot. "Na zoo'n goeden tijd, als wij samen hadden,
vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het
buitenland te mogen gaan."

Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun
lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te
kijken met half open snavels.

"Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht," zei Akka, toen ze weer
tot bezinning was gekomen. "Maar vóór je besluit met ons meê te gaan,
is het 't beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je
moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere
voorwaarden voor je te bewerken."

"Ja, dat is waar," zei Gorgo. "Maar, zooals ik u al zei, het is
me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg,
en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats,
zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik
sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om
ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van
Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson
geen betere voorwaarden kon stellen.

"Ik zou wel willen, dat ik het kon," antwoordde hij, "want ik heb
gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat
niet in mijn macht."

Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit
te pikken, als hij niet toegaf.

"Je kunt met mij doen, wat je wilt," zei hij. "Met Niels Holgersson
blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten,
en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen,
want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een
borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wien hij zoo vast
vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd
kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft
hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn
ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van
de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen."

Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de
vuisten, zoodat de knokkels wit werden.

"'t Is wreed van den kabouter," zei hij, "dat hij me zulke voorwaarden
stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar
't zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te
maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze
liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten."



XXXIX.

EEN GROOT LANDGOED.


DE OUDE EN DE JONGE HEER.


Voor een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gothland een
onbeschrijfelijke goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het
onderwijzen, en kon goed orde houden; de kinderen hielden zóóveel van
haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De
ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet
begreep hoe goed ze was, en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen
wijzer en knapper waren dan zij, en treurde er over, dat ze niet zoo
kon worden.

Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde
het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan,
zoodat ze de kinderen voortaan niet met het hoofd, maar ook met de
handen zou kunnen leeren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrikte
van die uitnoodiging.

Nääs lag in 't geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij
dat mooie, statige gebouw geloopen, en ze had vaak den slöjdcursus
hooren roemen, die op dat groote landgoed werd gegeven. Onderwijzers
en onderwijzeressen uit het heele land kwamen daar bijeen, om te
leeren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs menschen uit het
buitenland. Ze wist vooruit, hoe vreeselijk bang ze zich voelen zou
tusschen zooveel uitstekende menschen. Ze vond, dat het meer was,
dan ze zou kunnen uithouden.

Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren,
en zond haar aanvrage om plaats in.

Ze werd als leerling aangenomen, en op een mooien Juni-avond, den
dag vóór het begin van de zomercursussen, pakte ze haar kleeren in
een klein zakje, en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond
onderweg--en zichzelf mijlen ver wenschte, eindelijk kwam ze daar
toch aan.

Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de
cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten, en nu zouden hun kamers
worden aangewezen in villa's en hutjes, die bij het groote landgoed
hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving,
maar de onderwijzeres vond, zooals gewoonlijk, dat niemand zoo raar en
onhandig deed als zij. Ze had zich zoo overstuur gemaakt, dat ze niets
meer hoorde of zag. Ze moest ook al heel wat moeilijks doormaken. Haar
werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest deelen met
een paar jonge meisjes, die ze in 't geheel niet kende, en ze moest
het avondeten gebruiken met zeventien vreemde menschen. Aan haar eene
zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam,
en aan den anderen kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat
en gelach geweest om heel de lange tafel heen van 't eerste oogenblik
af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de eenige,
die niets had durven zeggen.

Den volgenden morgen begon het werk. Hier, zoo als in een gewone
school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur
van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders
gegeven, en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan,
stond ze op eens voor een schaafbank met een stuk hout in de eene,
en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleeraar probeerde haar
te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.

Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd. Ze was er niet handig meê. En
zoo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leeraar
was heengegaan, legde ze 't mes en 't hout neer op de schaafbank,
en stond recht voor zich uit te staren.

In de rondte in de kamer stonden schaafbanken, en bij allen zag ze
menschen staan, die met frisschen moed aan 't werk begonnen. Een paar
van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar, en
wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze
stond er aan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd
ze deed, en dat maakte haar zoo ongelukkig, dat ze als verlamd was.

't Koffieuurtje kwam, en na de koffie kwam er nieuw werk. De
directeur hield een voordracht, toen volgde gymnastische oefeningen,
en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust,
met middagmaal en koffie in de groote vroolijke vergaderzaal, en
dan in den namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open
lucht. De onderwijzeres was den heelen dag in beweging, ging met de
anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later
terugdacht aan de eerste dagen, die ze in Nääs had doorgebracht,
was het haar, alsof ze in den mist had geloopen. Alles was donker en
gesluierd geweest, en ze had in 't geheel niets gezien of begrepen,
van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar den
tweeden dag 's avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.

Toen ze 't avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer,
die al meermalen op Nääs was geweest aan een paar nieuwelingen
verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan, en doordat ze dicht bij
hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.

Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar
meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude
heer, die 't nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man,
en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij,
om het kasteel en 't park mooier te maken, en de woningen van de
ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven,
en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de
groote hoeve. Hij haalde dus een jongen neef, waar hij heel veel van
hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.

Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het
besturen van 't landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog
tusschen de ondergeschikten, en zag hoe er geleefd werd in de hutten
der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt,
dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen, en
vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange
winteravonden. Vroeger hadden de menschen hun handen vlijtig moeten
gebruiken om hun kleeren en huisraad te maken, maar nu kon men dat
alles koopen, en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu
meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk
soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart
was verdwenen.

Nu en dan vond hij een huis, waar Vader stoelen en tafels maakte, en
Moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de menschen
er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.

Hij had hier met zijn oom over gesproken, en de oude heer had ingezien,
dat het een groot geluk zou wezen, als de menschen zich in hun leege
uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zoover kon komen, was
het een eerste vereischte, dat ze al van hun kindsheid af hun handen
hadden leeren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet
beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te
richten. Ze wilden hun leeren eenvoudige dingen van hout te maken,
omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen 't meest voor de hand
lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handen had geoefend
om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker den smidshamer of
het werktuig van den schoenmaker zou hanteeren. Maar hij, die zijn
handen niet aan 't werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien
nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle
anderen te boven ging.

Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs,
en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zoo goed en nuttig voor de
kleintjes was, dat ze wenschten, dat alle kinderen in Zweden zulk
onderwijs konden krijgen.

Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinderen
in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen
om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!

Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor,
dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen een slöjdschool voor
onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen
van 't heele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden, en dan weer
slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!

Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen
evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die
gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten,
maar trachtten ze uit te voeren.

De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjdzalen,
een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die
naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge
man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs,
controleerde het werk, en hield voordrachten. En meer dan dat, hij
leefde voortdurend met de leerlingen meê, onderzocht hoe ieder van
hen het had, en werd hun warmste en trouwste vriend.

En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er
werden ieder jaar vier cursussen gehouden, en voor alle meldden zich
meer leerlingen aan, dan er geplaatst konden worden. De school was ook
in het buitenland bekend geworden, en onderwijzers en onderwijzeressen
uit alle landen der wereld kwamen naar Nääs om te leeren, hoe ze
de ontwikkeling der handen konden bevorderen. Er was geen plaats in
Zweden, zóó bekend over de heele wereld als Nääs, en geen Zweed had
zooveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.

De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren, en hoe meer ze
hoorde, hoe lichter 't om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen,
waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht,
dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden
doen. Ze had heelemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets
te verdienen, dat ze alles opofferden, wat ze maar konden om menschen
beter en gelukkiger te maken.

Toen ze nu aan de groote welwillendheid en menschenliefde dacht, die
achter dit alles lag, maakte dat zoo'n sterken indruk op haar, dat
ze wel had willen schreien. Aan zooiets had ze nog nooit meêgewerkt.

Den volgenden dag begon ze aan 't werk met een heel ander gevoel. Nu
haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan
tot nu toe waardeeren. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht
alleen aan 't slöjd, en aan het groote doel, wat daarmeê bereikt
moest worden.

En van dat oogenblik ging alles uitstekend, want ze kon uitstekend
leeren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar oogen van
de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die groote, wonderbare
welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen,
die de school bezochten. De deelnemers aan den cursus ontvingen veel
meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten
over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereeniging, en
bijna elken avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En
ook waren er boeken, booten, een piano en een badhuis te hunner
beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en
gelukkig zijn.

Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de
mooie zomerdagen op een groot Zweedsch landgoed te mogen zijn. Het
kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna
geheel omsloten door een lang, kronkelend meer, en was met het land
verbonden door een mooie steenen brug. Ze had nog nooit zoo iets
moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel,
als de oude eiken in 't park, als de wegen langs de oevers van 't
meer, waar de boomen over 't water hingen, of als 't paviljoen op de
rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land,
vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht
vrij door 't park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze
nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze dien had
mogen genieten op zoo'n mooie plaats.

't Was niet zoo, dat er een groote verandering met haar
gebeurde. Ze werd niet moedig of zelfbewust, maar ze voelde zich
blij en gelukkig. Ze voelde zich door en door verwarmd door al
die welwillendheid. Ze kon zich nu niet meer bang voelen op een
plaats, waar allen haar 't beste gunden, en allen trachtten haar te
helpen. Toen de cursus was afgeloopen en de leerlingen Nääs verlieten,
was ze een beetje jaloersch op hen, die de beide heeren hartelijk
konden bedanken, en hun met mooie woorden konden zeggen wat ze
voelden. Zoo ver zou ze nooit komen!

Ze keerde naar huis terug, begon met haar schoolwerk als vroeger, en
was er even opgewekt onder als altijd. Ze woonde zoo dicht bij Nääs,
dat ze er heen kon wandelen, als ze een middag vrij had, en dat deed
ze ook heel vaak in 't begin. Maar er kwamen telkens nieuwe cursussen,
nieuwe gezichten, en haar oude verlegenheid kwam terug. Ze werd meer
en meer een zeldzame gast op de school. Maar de tijd, dien ze zelf
op Nääs had doorgebracht, stond steeds voor haar geest, als de beste,
dien ze ooit had beleefd.

Op een lentedag hoorde ze, dat de oude heer op Nääs overleden was. Toen
dacht ze aan dien heerlijken zomer, dien ze op zijn landgoed had
genoten, en ze werd er bedroefd over, dat ze hem nooit voldoende had
bedankt. Hij zou wel dankbaarheid genoeg hebben ontvangen van hoog en
laag, maar ze zou zich gelukkiger hebben gevoeld, als zij ook met een
paar woorden hem had kunnen zeggen, hoe veel hij voor haar had gedaan.

Op Nääs ging het onderwijs op dezelfde manier voort na den dood van
den ouden heer. Hij had namelijk zijn heele landgoed aan de school
gegeven, en zijn neef bleef aan het hoofd, en bestuurde alles.

Telkens, als de onderwijzeres er kwam, zag ze wat nieuws. Nu waren
het niet alleen slöjdcursussen, die er gegeven werden, maar de
directeur wilde ook de oude zeden en genoegens weer opwekken, en
daarom richtte hij cursussen in zangspelen op en allerlei ander soort
spelen. Maar dit was er toch 't zelfde gebleven, dat de menschen er
zich verwarmd voelden door welwillendheid, en voelden hoe alles zóó
in orde gemaakt en geleid werd, dat allen gelukkiger zouden zijn,
en niet alleen kennis, maar ook vreugde in hun werk zouden meênemen,
als ze terugkwamen bij de schoolkindertjes in 't heele land.

Maar enkele jaren na den dood van den ouden heer hoorde de
onderwijzeres op een Zondag bij de kerk, dat de directeur op Nääs
ziek was. Ze wist, dat hij den laatsten tijd meermalen een aanval van
hartziekte had gehad, maar ze had niet gedacht, dat er levensgevaar
was. Maar nu meende men, dat dit het geval was.

Van het oogenblik af, dat ze dat hoorde, dacht ze aan niets anders,
dan dat de directeur misschien zou sterven--hij even als de oude
heer, zonder dat ze er toe had kunnen komen hem te danken. En ze
liep er steeds over te peinzen hoe ze doen moest, om hem nog met haar
dankbaarheid te bereiken.

Op dien Zondagmiddag ging de onderwijzeres rond bij de buren,
en vroeg hun of hun kinderen met haar meê mochten naar Nääs. Ze
had gehoord, dat de directeur ziek was, en ze dacht, dat het hem
misschien plezier zou doen, als de kinderen een paar liedjes voor hem
zongen. 't Was nu wel al wat laat op den dag, maar 't was zoo'n mooie,
heldere maneschijn in dezen tijd, dat het niet moeilijk zou zijn te
wandelen. De onderwijzeres had een gevoel, dat ze juist dezen avond
naar Nääs moest. Ze was er bang voor, dat het den volgenden dag te
laat zou kunnen zijn.



De wilde ganzen hadden Bohuslän verlaten, en stonden te slapen in een
moeras in 't westen van West-Gothland. De kleine Niels Holgersson was
op den kant van een landweg gekropen, die dwars door het moeras liep,
om uit de vochtigheid te zijn. Hij wilde zich juist een slaapplaats
uitzoeken, toen hij een troepje menschen langs den weg zag aankomen. 't
Was een jonge onderwijzeres met twaalf of dertien kinderen om zich
heen. Ze kwamen in een dichte massa op elkaar gedrongen, met de
onderwijzeres in 't midden. Ze praatten zoo vroolijk en vertrouwelijk,
dat de jongen lust kreeg een eindje mee te gaan, en te hooren wat ze
tegen elkaar zeiden.

Dat kon hij gemakkelijk doen, want als hij in de schaduw aan den kant
van den weg liep, was het bijna onmogelijk, dat iemand hem zag. En
waar vijftien menschen liepen, was 't zoo'n geraas van voetstappen,
dat niemand kon hooren hoe 't grint onder zijn klompjes knarste.

Om de kinderen moedig te houden onder de lange wandeling, begon de
onderwijzeres hun oude sagen te vertellen.

Onder 't vertellen waren ze snel doorgeloopen, en toen 't laatste
verhaal uit was, waren ze bijna bij 't oude landgoed. Ze zagen de
groote bijgebouwen al in de schaduw van mooie boomen liggen. En eer
ze die voorbij waren, schemerde het kasteel al door de boomtoppen
hoog op het terras.

Tot nu toe was ze met haar voornemen ingenomen geweest, en had niet
geaarzeld, maar nu ze het huis zag, begaf haar plotseling de moed.

Als 't nu eens heelemaal verkeerd was, wat ze doen wou! Er was zeker
niemand, die zich om haar dankbaarheid bekommerde. Misschien zouden
ze haar maar uitlachen, omdat ze daar in den laten avond met haar
schoolkinderen aankwam. Ze zouden met elkaar toch niet zoo mooi kunnen
zingen, dat iemand er wat om gaf.

Ze begon langzamer te loopen. Ze vond, dat alles er zoo deftig en
voornaam uitzag, dat zij daar eigenlijk niets te maken had. Toen
herinnerde ze zich, dat het heele groote kasteel nu voor schoolgebouw
was ingericht. En dat maakte haar moediger. Hier, waar zoo'n groot
geschenk aan een school gegeven was, moesten ze toch school-onderwijs
op prijs stellen. Juist hier moest ze zich niet verlegen voelen.

Maar toen ze zoover gekomen was, dat ze de villa van den directeur zag,
bleef ze staan.

"Ja kinders, ik geloof, dat we niet verder moeten gaan," zei ze. "Ik
heb daar nog niet aan gedacht, maar misschien is de directeur wel
zóó gevaarlijk ziek, dat we hem hinderen met ons gezang. 't Zou toch
vreeselijk zijn, als we hem erger maakten."

Niels Holgersson was aldoor met de kinderen meêgeloopen, en had alles
gehoord wat de onderwijzeres had gezegd. Hij wist dus, dat ze waren
uitgegaan om voor iemand te zingen, die in die villa daar ziek lag,
en hij begreep nu, dat er niets van dat gezang zou komen, omdat ze
bang waren den zieke te verontrusten en te storen.

"Wat jammer, dat ze heengaan zonder te zingen," dacht hij. "'t Zou
immers een kleinigheid zijn even te gaan vragen, of hij daarbinnen
het zou kunnen verdragen. Waarom gaat er niemand naar de villa om
dat te vragen?"

Maar daar scheen de onderwijzeres niet aan te denken. Ze keerde om,
en liep langzaam terug. De schoolkinderen maakten tegenwerpingen,
maar zij wilde niet toegeven.

Toen dacht Niels Holgersson, dat hij wel mocht onderzoeken of de
zieke te zwak was om naar 't zingen te luisteren, en hij liep op het
huis toe.

Er stond een rijtuig voor 't huis, en een oude koetsier stond bij de
paarden te wachten. Pas was de jongen bij den ingang, of de deur ging
open, en een meisje met een blaadje kwam uit het huis.

"Je moet nog even op den dokter wachten, Larsson," zei ze. "Mevrouw
stuurt je wat warms."

"Hoe gaat het met Mijnheer?" vroeg de koetsier.

"Hij lijdt nu niet meer, maar 't is of 't hart stil staat. Mijnheer
ligt al een uur onbewegelijk. We weten nauwelijks of hij dood of
levend is."

"Zegt de dokter dat het afloopen zal?"

"'t Gaat op en neer, Larsson, op en neer. 't Is alsof Mijnheer ligt
te wachten, tot hij geroepen wordt. Als van boven 't bevel komt om
heen te gaan, is hij bereid."

Niels Holgersson liep zoo hard hij kon, om de onderwijzeres en
de kinderen in te halen. Hij dacht er aan hoe 't was, toen zijn
grootvader stierf. Die was zeeman geweest, en toen hij sterven zou,
had hij gevraagd of ze 't venster wilde openzetten, opdat hij nog
eens den wind zou hooren suizen.

En als nu deze man, die zoo ziek was, eens verlangde de jeugd om zich
heen te hebben, en hun zang en spel te hooren.

Aarzelend ging de onderwijzeres door de groote laan. Nu ze heenging
zou ze willen omkeeren, en toen ze kwam, had ze ook willen omkeeren.

Ze was heel angstig, en wist niet wat ze moest doen. Ze sprak niet
meer met de kinderen, maar liep zwijgend voort. Er was zoo'n donkere
schaduw in de laan, dat ze niets kon zien. Maar 't was, alsof ze
een massa stemmen om zich heen hoorde. 't Was een angstig roepen van
verschillende kanten, dat tot hier doordrong:

"Wij zijn zoo ver weg," zeiden de stemmen. "Maar jij ben dicht bij. Ga
toch, en zing wat we allen voelen!"

En ze herinnerde zich den een na den anderen, die de directeur had
geholpen, en met zorg omringd. 't Was bovenmenschelijk, zooals hij
zich had ingespannen om te helpen wie in nood waren.

"Ga toch en zing voor hem," werd er om haar heen gefluisterd. "Laat
hem niet sterven, zonder een groet van zijn school. Denk er niet aan of
je klein en onbeduidend ben. Denk aan allen, die achter je staan. Laat
hem voelen, eer hij van ons heengaat, hoe nog allen hem liefhebben."

De onderwijzeres liep àl langzamer. Toen hoorde ze iets, dat niet
alleen stemmen en klanken in haar eigen ziel was, maar wat van de
wereld om haar heen kwam. 't Was als 't tjilpen van een vogel of
't geluid van een sprinkhaan. Maar ze hoorde heel duidelijk roepen,
dat ze omkeeren moest.

En meer was er niet noodig om haar moed te geven het te doen.

De onderwijzeres en de kinderen hadden een paar liederen gezongen
voor het venster van den zieke. Ze vond zelf, dat hun gezang zoo
wonderlijk mooi had geklonken. 't Was alsof vreemde stemmen meê
gezongen hadden. De ruimte was vol sluimerende klanken en geluiden
geweest. Ze hadden maar den toon aan te geven, en allen waren wakker
geworden en hadden meêgeklonken.

Toen werd snel de voordeur opengedaan, en iemand liep hard naar buiten.

"Nu komen ze me zeggen, dat ik moet uitscheiden met mijn gezang,"
dacht de onderwijzeres. "Als ik er maar geen kwaad meê heb gedaan!"

Maar 't was niet zoo. 't Was een boodschap, dat ze binnen moest komen
om uit te rusten, en dan nog een paar liederen zingen.

Op de stoep kwam de dokter haar tegemoet.

"'t Gevaar is voorbij voor dezen keer," zei hij. "Hij lag bewusteloos
en 't hart klopte steeds zwakker. Maar toen u begon te zingen, was het,
alsof hij een roepen hoorde van allen, die hem noodig hebben. Hij
voelde, dat het voor hem nog geen tijd was om te rusten. Zing meer
voor hem. Zing! en wees blij, want ik geloof, dat uw zingen hem tot
't leven heeft terug geroepen. Nu mogen we hem misschien nog een paar
jaar behouden."



XL.

DE REIS NAAR VEMMENHÖG.


Op een dag, in 't begin van November, vlogen de wilde ganzen om
Hallandsaas Skaane binnen. Ze hadden zich eenige weken opgehouden
op de wijde vlakte om Falköping heen, en daar waren verscheidene
andere groote troepen wilde ganzen gekomen. Zoodoende hadden ze er
een prettigen tijd gehad, met veel gesprekken met de oude vogels,
en allerlei wedstrijden en spelen van de jongen onderling.

Wat Niels Holgersson betreft, hij was niet zoo ingenomen geweest met
dat lange dralen in West-Gothland. Hij probeerde den moed erin te
houden, maar hij had moeite zich met zijn lot te verzoenen.

"Als ik nu Skaane maar achter me had, en in 't buitenland was,"
dacht hij, "dan wist ik, dat ik niets meer te hopen had, en zou ik
wel kalmer worden."

Toen braken de wilde ganzen eindelijk op, en vlogen in de richting
van Halland. En dien heelen dag vloog Akka met haar troepje heen en
weer over Skaane. Tegen den avond streek ze neer in een moeras in de
gemeente Vemmenhög.

De jongen kon niet laten te gelooven, dat ze dien dag haar weg zoo
genomen had, om hem te laten zien, dat zijn land zich wel meten kon
met alle andere landen in de wereld. Maar dat had ze niet hoeven
te doen. De jongen dacht er niet aan, of zijn land welvarend of arm
was. Van het oogenblik af, dat hij de eerste wilgen om de weiden, en
't eerste lage houten huisje had gezien, deed er iets in zijn hart
pijn van verlangen.



't Was een paar dagen later. 't Was stil en mistig weer. De wilde
ganzen hadden op de groote akkers om de kerk van Skurup gegraasd, en
hielden staande hun middagslaapje, toen Akka naar den jongen toekwam.

"'t Schijnt wel, of we nu stil weer zullen krijgen," zei ze, "en ik
denk, dat we morgen over de Oostzee zullen vliegen."

"Zoo," zei de jongen kortaf, want de keel snoerde hem samen, zoodat
hij niet spreken kon. Hij had toch nog gehoopt, dat hij uit zijn
betoovering zou verlost worden, terwijl hij op Skaane was.

"We zijn wel vrij dicht bij West Vemmenhög nu," zei Akka, "en ik dacht,
dat je misschien een poosje naar huis zoudt willen gaan. Misschien
duurt het lang, eer je je familie weerziet."

"'t Is misschien beter, dat ik het niet doe," zei de jongen, maar
aan zijn stem was het te hooren, dat hij er erg veel lust in had.

"Als de ganzerik bij ons blijft, kan er immers geen ongeluk gebeuren,"
zei Akka. "Me dunkt je moest eens gaan zien hoe je ouders het
hebben. Misschien kun je hen toch op de een of andere manier helpen,
al wordt je ook geen mensch."

"Ja, daar hebt u gelijk aan, Moeder Akka. Daar had ik eerder aan
moeten denken," zei de jongen levendig.

Een oogenblik later waren hij en de leidstergans op weg naar Holger
Nielssons huis, en 't duurde niet lang of Akka streek neer achter
't steenen walletje, dat om de kleine boerderij liep.

"'t Is wonderlijk zooals alles 't zelfde is gebleven," zei de jongen,
en klom gauw tegen 't walletje op om rond te kunnen zien. "'t Is
net, alsof het geen dag geleden is, dat ik hier zat, en u zag komen
aanvliegen boven in de lucht."

"Ik zou wel eens willen weten of je vader een geweer heeft," zei
Akka plotseling.

"Ja, dat heeft hij," zei de jongen. "'t Was juist om dat geweer, dat
ik thuis bleef, in plaats van dien Zondagochtend naar de kerk te gaan."

"Dan durf ik niet hier op je blijven wachten," zei Akka. "'t Is 't
beste, dat je ons morgen vroeg bij Smygehuk ontmoet, dan kun je den
nacht over thuisblijven."

"Neen, gaat u nu nog niet weg, Moeder Akka," zei de jongen, en sprong
haastig van den wal naar beneden. Hij wist niet hoe het kwam, maar
hij kreeg een gevoel, dat er òf de wilde ganzen, òf hemzelf iets zou
overkomen, zoodat ze elkaar nooit meer zouden ontmoeten.

"U ziet wel, dat ik bedroefd ben, omdat ik niet meer een mensch kan
worden," ging hij voort. "Maar ik wil u dit toch zeggen, dat ik er
geen berouw van heb, dat ik in 't voorjaar met u meêging. Neen, ik
wil liever nooit meer een mensch worden, dan dat ik die reis niet
zou hebben gemaakt."

Akka haalde een paar keer diep adem, voor ze antwoordde.

"Er is iets, waar ik vroeger met je over had willen spreken, maar
omdat je niet naar je familie zoudt teruggaan, vond ik, dat het geen
haast had. Maar 't kan toch geen kwaad het te zeggen."

"U weet wel, dat ik graag wat voor u doen wil," zei de jongen.

"Als je wat goeds bij ons hebt geleerd, Duimelot, vind je misschien
niet, dat de menschen alleen recht hebben om op de wereld te zijn,"
zei de leidstergans heel ernstig. "Denk er aan, dat jelui een groot
land hebt, en dat je dus wel een paar kale klippen, een paar ondiepe
meren, drassige moeraslanden, of een paar eenzame rotsen en afgelegen
wouden te missen hebt voor ons, arme dieren, waar we met rust worden
gelaten! Mijn leven lang ben ik gejaagd en vervolgd. 't Zou goed zijn
te weten, dat er ergens een vrijplaats was, ook voor iemand als ik."

"Ik zou blij geweest zijn, als ik u daarmeê had kunnen helpen," zei de
jongen, "maar ik zal wel nooit veel macht onder de menschen krijgen."

"Neen maar... we staan hier te praten, alsof we elkaar nooit meer
zullen zien," zei Akka, "en we zullen toch morgen weer bij elkaar
zijn. Nu moet ik naar de anderen terug."

Ze sloeg de vleugels uit, maar ze kwam weer terug, streek met
den snavel een paar keer op en neer langs Duimelot, en vloog toen
eindelijk weg.

't Was helder dag, maar niemand was te zien op de hoeve, en de jongen
kon gaan, waar hij wilde. Hij liep gauw naar den koestal, want hij
wist, dat hij van de koeien 't beste de waarheid zou hooren. 't Zag
er droevig uit in den stal. Dit voorjaar hadden er drie prachtige
koeien gestaan; nu stond er nog maar één. 't Was Meiroos, en men kon
merken, dat ze naar haar kameraden verlangde. Ze liet den kop hangen,
en had nauwelijks het voer aangeroerd, dat voor haar lag.

"Dag Meiroos!" riep de jongen, en sprong zonder angst bij haar in
den stal. "Hoe gaat het met Vader en Moeder? Hoe maken het de kat,
de ganzen en de kippen, en waar heb je Sterretje en Goudlelie gelaten?"

Toen Meiroos de stem van den jongen hoorde, schrikte ze, en het
was alsof ze van plan was hem te stooten; maar ze was nu niet meer
zoo heftig als vroeger: ze nam den tijd Niels Holgersson eens goed
aan te kijken, eer ze toestootte. Hij was even klein als toen hij
heenging, en hij was precies zoo gekleed, maar hij was toch heelemaal
veranderd. De Niels Holgersson, die was heengegaan in 't voorjaar,
liep zwaar en langzaam, en zag er slaperig uit, maar hij, die daar
stond, was vlug en behendig, sprak verstandig, en had oogen, die
vlamden en straalden. Hij had zoo'n flinke houding, dat men respect
voor hem hebben moest, zoo klein als hij was, en hoewel hij zelf er
niet opgewekt uitzag, werd men blij alleen door hem te zien.

"Boe!" loeide Meiroos. "Ze zeiden, dat hij veranderd was, maar ik kon
het niet gelooven. Welkom thuis, Niels Holgersson, welkom thuis! Dit
is een van de prettigste oogenblikken, die ik in lang heb gehad."

"Dank je wel, Meiroos," zei de jongen, en was zoo blij, dat hij zoo
goed ontvangen werd. "Vertel me nu hoe 't met Vader en Moeder gaat."

"Ze hebben niet anders dan zorgen gehad, van 't oogenblik af, dat je
wegging," zei Meiroos. "'t Allerergste is 't met dat dure paard, dat
den heelen zomer heeft staan eten. Je Vader wil hem niet doodschieten,
en hij kon hem niet verkoopen. 't Is om dat paard, dat Sterretje en
Goudlelie hier allebei vandaan moesten."

Dat was eigenlijk wat anders dan wat de jongen wilde weten, maar hij
was te verlegen om 't ronduit te vragen. Daarom zei hij:

"Moeder vond het zeker heel vervelend, toen ze zag, dat Maarten,
de ganzerik was weggevlogen."

"Ik geloof niet, dat ze zoo erg om den ganzerik zou hebben getreurd,
als ze had geweten, hoe het was gegaan, toen hij wegvloog. Nu klaagt
ze er 't meest over, dat het haar eigen zoon was, die met den ganzerik
wegliep."

"Zoo! Gelooft ze, dat ik hem gestolen heb?" zei de jongen.

"Ja, wat moest ze anders denken?"

"Vader en Moeder verbeelden zich zeker, dat ik dezen zomer als een
landlooper heb rondgezworven."

"Ze denken, dat het niet goed met je is," zei Meiroos, "en ze hebben
over je getreurd, zooals men doet, als het liefste wat men heeft,
verloren gaat."

De jongen liep snel uit den koestal weg, toen hij dat hoorde en ging
naar den paardenstal. Die was klein, maar gezellig en mooi. 't Was
aan alles te zien, dat Holger Nielsson het zoo had willen maken,
dat de nieuweling goed tieren zou. Daar stond een groot, mooi paard,
glanzend van welvaren.

"Goeiendag," zei de jongen. "Ik heb gehoord, dat hier een ziek paard
moet zijn. Dat kun jij toch niet wezen. Je ziet er best en welvarend
uit."

't Paard keerde den kop om, en zag den jongen oplettend aan.

"Ben jij de zoon des huizes?" vroeg hij. "Ik heb veel kwaad van hem
gehoord. Maar jij hebt zoo'n goed gezicht, dat ik niet zou gelooven,
dat jij 't zijn kon, als ik niet had gehoord, dat hij in een dwerg
was veranderd."

"Ik weet wel, dat ik geen goeden naam heb hier op de hoeve," zei
Niels Holgersson. "Mijn eigen moeder gelooft, dat ik wegliep als
een dief. Maar dat doet er niet toe, want ik zal hier niet lang
blijven. Voor ik weer heenga, zou ik toch graag weten, wat je scheelt."

"Jammer, dat je niet hier blijft," zei het paard, "want ik voel, dat
we goede vrienden zouden worden. Mij scheelt niet anders, dan dat ik
iets in mijn poot heb gekregen, een mespunt, of zooiets. 't Zit zoo
goed verstopt, dat de dokter het niet kan vinden, maar het steekt, en
ik heb zoo'n pijn, dat ik niet loopen kan. Als je aan Holger Nielsson
zoudt willen zeggen wat me scheelt, geloof ik, dat hij me gemakkelijk
zou kunnen helpen. Ik zou me graag nuttig willen maken. Ik schaam me er
genoeg over, dat ik hier maar sta te eten, zonder iets uit te voeren."

"'t Is goed, dat je geen ziekte hebt," zei Niels Holgersson. "Ik zal
probeeren te zorgen, dat je geholpen wordt. Ik mag zeker wel met mijn
mes wat op je hoef krassen?"

Niels Holgersson was juist klaar met het paard, toen hij stemmen op
de hoeve hoorde. Hij zette de staldeur wat op een kier, en keek naar
buiten. 't Waren Vader en Moeder, die van den weg kwamen, en naar
het huis gingen.

't Was duidelijk, dat ze door zorgen waren gedrukt. Moeder had veel
meer rimpels in 't gezicht dan vroeger, en Vaders haar was grijs
geworden. Moeder liep er met Vader over te spreken, dat hij moest
probeeren, of haar zwager hem niet wat geld kon leenen.

"Neen, ik wil geen geld meer leenen," zei Vader, juist toen hij voorbij
den stal ging. "Niets is zoo erg als schulden te hebben. 't Is beter
ons huis te verkoopen."

"Ik zou daar niet zooveel tegen hebben, dat we dat wegdeden," zei
Moeder, "als 't niet om den jongen was. Maar waar moet hij heen,
als hij op een goeden dag thuiskomt, arm en ellendig, zooals je wel
kunt begrijpen, dat hij worden zal, en wij zijn hier niet meer."

"Ja, daar heb je gelijk aan," zei Vader. "Maar we moeten hen, die
hier dan komen, vragen hem vriendelijk te ontvangen, en hem te zeggen,
dat hij ons welkom zal wezen. We zullen hem geen onvriendelijk woord
zeggen, hoe hij ook terugkomt, wel Moeder?"

"O neen! Als ik hem maar terughad, als ik maar wist, dat hij geen
kou of honger leed ergens op den weg, dan zou ik niets meer begeeren."

Toen Vader en Moeder dat gezegd hadden, gingen ze naar binnen, en
de jongen kon hun gesprek niet verder hooren. Hij was heel blij en
bewogen geweest, toen hij hoorde, dat ze hem zóó liefhadden, hoewel
ze geloofden, dat hij op den verkeerden weg gekomen was, en hij had
wel naar hen toe willen vliegen.

"Maar misschien is 't een nog grooter verdriet voor hen, als ze me
zien, zooals ik nu ben," dacht hij.

Terwijl hij daar stond, en niet recht wist, wat hij doen moest,
kwam er een rijtuig aan, en hield voor het hek stil. De jongen had
bijna een schreeuw van verbazing gegeven, want zij, die uitstapten
en de hoeve binnengingen, konden niemand anders zijn dan Asa,
't ganzenhoedstertje en haar vader. Ze hielden elkaar bij de hand,
toen ze naar 't huis liepen. Ze liepen stil en ernstig, maar met een
mooien glans van geluk in hun oogen. Toen ze ongeveer midden op de
hoeve waren, hield Asa haar vader staande, en zei:

"U denkt er wel aan, Vader, dat u niets moogt zeggen van die klomp,
of van de ganzen en het dwergje, dat zoo op Niels leek, dat, als hij
't zelf niet was, toch zeker iets met hem te maken moest hebben."

"Foei neen!" zei Jon Andersson. "Ik zal alleen zeggen, dat je meermalen
zoo goed door hun zoon werd geholpen, terwijl je naar mij zocht, en
dat we daarom hierheen zijn gekomen, om te vragen of we niet iets
voor hen kunnen doen, nu ik weer een man ben, die er boven op is,
en meer bezit dan hij noodig heeft, door de mijn, die ik gevonden heb."

"Ja, ik weet wel, dat u 't goed zult zeggen," zei Asa. "Ik wou alleen
maar, dat u dat eene niet zei."

Ze gingen het huis binnen, en de jongen had graag willen hooren wat
ze daar in de kamer bepraatten, maar hij durfde niet op de plaats te
komen. 't Duurde niet zoo heel lang, voor ze weer buiten kwamen, en
toen brachten Vader en Moeder hen naar het hek. 't Was opmerkelijk hoe
blij ze nu waren. Ze zagen er uit, alsof ze opnieuw begonnen te leven.

Toen de gasten weg waren, bleven Vader en Moeder nog aan het hek
staan om hen na te zien.

"Ja, nu ben ik niet bedroefd meer," zei Moeder, "nu ik zooveel goeds
van Niels heb gehoord."

"Maar ze vertelden toch niet zoo heel veel van hem," zei Vader
nadenkend.

"Was het niet genoeg, dat ze alleen hierheen kwamen om te zeggen,
dat ze ons wilden helpen, omdat Niels hun zoo groote diensten had
bewezen? Ik vind, dat je hun aanbod had moeten aannemen, Vader."

"Neen, Moeder. Ik wil van niemand geld aannemen, niet als geschenk
en niet te leen. Ik wil van mijn schulden af komen, dàt allereerst,
en dan zullen wij ons wel weer opwerken. We zijn toch nog niet zoo
stokoud, wel Moeder?" En Vader lachte hartelijk, terwijl hij dat zei.

"Ik geloof, dat je 't nog prettig vindt deze hoeve te verkoopen,
waar we zoo aan gewerkt hebben," zei Moeder.

"Je begrijpt toch wel, waarom ik lach," zei Vader. "Dat ik dacht, dat
onze jongen verloren was, drukte me zoo, dat ik heelemaal machteloos
ben geweest, maar nu ik weet, dat hij leeft en zich goed gedraagt,--nu
zul je zien, dat Holger Nielsson nog wel wat kan!"

Moeder ging in huis, maar de jongen kroop zoo gauw hij maar kon,
weg in een hoek; want Vader kwam den stal binnen. Hij ging naar het
paard en nam, zooals gewoonlijk den zieken poot op, om te zien of
hij niet kon ontdekken, wat er aan scheelde.

"Wat is dat?" zei Vader, want hij zag, dat er letters op het hoefijzer
waren ingekrast.

"Neem het ijzer uit de hoef!" las hij, en keek verbaasd en vragend
rond. Toch begon hij te kijken en te voelen onder aan de hoef.

"Daar geloof ik zoowaar, dat iets scherps zit," mompelde hij na
een poosje.

Terwijl hij met het paard bezig was, en de jongen in een hoek van
den stal weggedoken zat, kwamen er weer andere bezoekers op de hoeve.

't Was namelijk zoo gegaan, dat nu Maarten de ganzerik, zóó dicht bij
zijn vroeger thuis was, hij de lust niet kon weerstaan, om zijn vrouw
en kinderen te vertoonen aan de oude kameraden op de boerderij. Hij
had eenvoudig Donsje en de kleine gansjes meêgenomen, en was er
heen gewandeld.

Er was geen mensch op de hoeve bij Holger Nielsson toen de ganzerik
er aankwam. Hij streek dus heel kalm neer, en liep rustig rond,
en liet Donsje zien hoe heerlijk hij 't had gehad, toen hij nog een
tamme gans was. Toen ze de heele plaats hadden bekeken, merkte hij,
dat de deur van den koestal open stond.

"Kijk hier nu eens in!" zei hij, "dan zul je zien waar ik vroeger
woonde, dat is heel wat anders, dan je in moerassen op te houden,
zooals we nu doen."

De ganzerik stond op den drempel en keek in den koestal. "Er is
hier geen mensch," zei hij. "Kom mee, Donsje, dan zal ik je het
ganzenhok laten zien. Wees maar niet bang. Het is hier heelemaal
niet gevaarlijk."

Toen gingen de ganzerik, Donsje en alle zes de jonge gansjes regelrecht
het ganzenhok in, om te zien in welk een pracht en heerlijkheid de
groote witte had geleefd, eer hij zich bij de wilde ganzen aansloot.

"Kijk, zoo was het hier. Daar was mijn plaats, en daar stond de
voederbak, die altijd vol haver en water was," zei de ganzerik. "Wacht
eens, er zit nu ook nog wat in," en hij liep gauw naar den bak,
en begon van den haver te smullen.

Maar Donsje was onrustig.

"Laat ons nu weer naar buiten gaan," zei ze.

"Nog maar een paar korreltjes!" zei de ganzerik. Maar meteen gaf hij
een schreeuw, en vloog op den uitgang aan. Maar het was te laat. De
deur klapte dicht, de huismoeder stond buiten, en deed den haak er
op. Ze waren opgesloten!



Vader had een scherp stuk ijzer uit den poot van den zwarte gehaald,
en stond heel vergenoegd zijn paard te streelen, toen Moeder haastig
den stal binnenliep.

"Vader! Kom eens kijken wat een goede vangst ik daar deed!" zei ze.

"Neen, wacht even, Moeder. Kijk eens hier," zei Vader. "Nu ben ik
erachter gekomen, wat ons paard scheelde."

"Ik geloof, dat het ons nu weer eens meêloopt," zei Moeder. "Stel je
voor, de groote ganzerik, die van 't voorjaar verdween, is teruggekomen
met zeven wilde ganzen! Ze gingen het ganzenhok binnen, en daar heb
ik ze allemaal opgesloten."

"Dat is wonderlijk!" zei Holger Nielsson. "En weet je Moeder,
't allerbeste van dit alles is, dat we nu niet meer hoeven denken,
dat de jongen den ganzerik meênam, toen hij van ons wegging."

"Ja, daar heb je gelijk aan! Maar ik ben bang, dat we ze nu vanavond
al slachten moeten. 't Is over een paar dagen al St. Maarten, en we
moeten ons haasten, als we ze nog op tijd naar de stad willen krijgen."

"'k Vind 't zonde den ganzerik te slachten, nu hij met zoo'n groot
gevolg hier thuis komt," zei Holger Nielsson.

"Als 't ons beter ging, zou hij wel mogen blijven leven, maar als we
van hier weg moeten, kunnen we toch immers de ganzen niet houden."

"Ja, dat is waar ook."

"Help me nu maar ze in huis te brengen," zei Moeder.

Ze gingen heen, en een oogenblik later zag de jongen Vader aankomen
met Maarten onder den eenen, en Donsje onder den anderen arm, en
met Moeder in huis gaan. De ganzerik riep, zooals altijd, als hij in
gevaar was: "Duimelot, Duimelot, help me!" hoewel hij niet weten kon,
dat de jongen in zijn buurt was.

Niels Holgersson hoorde hem wel, maar hij bleef achter de staldeur
staan. Hij deed dat niet, omdat hij wist, dat het goed voor hem zelf
wezen zou, als de ganzerik op de slachtbank kwam te liggen,--daar
dacht hij op dat oogenblik heelemaal niet aan--maar omdat hij--als
hij den ganzerik redden wou, zich aan Vader en Moeder moest vertoonen,
en dat vond hij vreeselijk.

"Ze hebben het al moeielijk genoeg," dacht hij. "Moet ik hun nu ook
dat verdriet doen?"

Maar toen de deur achter den ganzerik dichtviel, kwam er leven in
den jongen. Hij vloog over 't grasveld, sprong op het eikenhouten
plankje voor de huisdeur en de gang in. Daar deed hij ouder gewoonte
zijn klompen uit, en liep naar de kamerdeur. Maar hij vond het nog
aldoor zóó akelig zich aan Vader en Moeder te vertoonen, dat hij niet
de kracht had de hand op te heffen en te kloppen.

"'t Is om Maarten, den ganzerik, te doen," dacht hij toen, "hij,
die mijn beste vriend was, sinds ik hier voor 't laatst stond."

En in dat oogenblik herinnerde hij zich alles, wat de ganzerik en
hij hadden doorgemaakt, op bevroren meren en stormachtige zeeën en
onder gevaarlijke roofdieren. Toen klopte zijn hart van dankbaarheid
en liefde. En hij overwon zichzelf, en bonsde op de deur.

"Is daar iemand?" zei Vader, en deed open.

"Moeder, u moet den ganzerik niet aanraken!" riep de jongen, en op
't zelfde oogenblik gaven de ganzerik en Donsje, die op een bank
gebonden lagen, een schreeuw van blijdschap, zoodat hij hoorde,
dat ze nog in leven waren.

Maar wie ook een uitroep van vreugde liet hooren--dat was Moeder.

"Neen, wat ben je flink en groot geworden!" riep ze.

De jongen was niet in de kamer gekomen, maar bleef op den drempel
staan, als iemand, die er niet zeker van is, hoe hij ontvangen
zal worden.

"Goddank, Goddank, dat ik je terug heb," zei Moeder. "Kom toch binnen,
kom binnen!"

"Wees welkom," zei Vader. Hij kon geen woord meer uitbrengen.

Maar de jongen bleef nog op den drempel staan. Hij kon niet begrijpen,
dat ze zoo blij waren met hem, zooals hij nu was. Maar toen kwam
Moeder, en sloeg de armen om zijn hals, en trok hem mee in de kamer. En
toen eerst begreep hij wat er gebeurd was.

"Moeder, Vader! Ik ben groot! Ik ben weer een mensch geworden!" riep
hij.



XLI.

'T AFSCHEID VAN DE WILDE GANZEN.


De jongen stond den volgenden morgen vóór zonsopgang op en ging naar
het strand. Hij stond daar een eind ten oosten van 't visschersdorp
Smyge, vóór 't nog goed licht was. Hij was alleen. Hij was in 't
ganzenhok geweest om Maarten, den ganzerik, te roepen, maar die had
niet van huis gewild. Hij had geen woord gezegd, maar alleen het
hoofd onder den vleugel gestoken, en was weer ingeslapen.

't Scheen een heerlijke heldere dag te worden. 't Was bijna even mooi
weer, als op dien lentemorgen, toen de wilde ganzen naar Skaane waren
gekomen. De zee lag rustig en onbewegelijk. De lucht was doodstil,
en de jongen dacht er aan wat een goeden overtocht de ganzen zouden
hebben.

Hij zelf leefde nog als in een soort bedwelming. Nu eens dacht hij
als dwerg, dan weer als mensch. Als hij een steenen walletje langs
den weg zag, was hij bang om verder te gaan, eer hij er zich van had
overtuigd, dat daar achter geen roofdier op den loer lag. En dadelijk
daarna lachte hij zichzelf uit, en verheugde er zich over, dat hij
groot en breed en sterk was, en nergens bang voor hoefde te wezen.

Toen hij bij de kust kwam, ging hij, zoo groot als hij was, vlak
aan 't strand staan, opdat de wilde ganzen hem zouden zien. 't Was
een groote trekdag. Onophoudelijk klonken er loktonen vanuit de
lucht. Hij glimlachte, toen hij er aan dacht, dat niemand zoo goed
als hij verstond, wat de vogels elkaar toeriepen.

Nu kwamen ook de wilde ganzen aanvliegen. De eene groote troep volgde
op den anderen.

"Als 't nu maar niet mijn ganzen zijn, die weggaan zonder me goedendag
te zeggen," dacht hij. Hij zou hun zoo graag vertellen, hoe alles
gegaan was, en hun laten zien, dat hij weer een mensch was geworden.

Daar kwam een troep, die sneller vloog en luider riep dan de andere,
en er was iets, dat hem zei, dat het deze troep moest zijn. Maar hij
kon ze niet zoo zeker herkennen als den vorigen dag.

De troep vloog langzamer, en streek heen en weer langs het strand. Toen
begreep de jongen, dat zij het wezen moesten. Hij kon alleen niet
begrijpen, waarom de wilde ganzen niet bij hem neerkwamen. 't Was
toch onmogelijk, dat ze hem niet zagen.

Hij trachtte den loktoon te roepen, die hen bij hem zou brengen,
maar zijn tong was onwillig. Hij kon het rechte geluid niet krijgen.

Hij hoorde Akka hoog in de lucht roepen, maar hij begreep niet wat
ze zei.

"Wat is dat? hebben de wilde ganzen een andere taal gekregen?" vroeg
hij zich verbaasd af.

Hij wenkte hen met zijn muts, hij liep langs het strand en riep:
"Hier ben ik! Waar ben jij?"

't Scheen, dat hij ze alleen maar bang maakte. Ze vlogen hooger op,
en verder de zee in.

Toen begreep hij het eindelijk!

Ze wisten niet, dat hij een mensch was geworden. Ze herkenden hem niet!

En hij kon ze niet roepen, omdat een mensch de taal van de vogels niet
spreken kan. Hij kon die niet meer spreken, en ook niet meer verstaan.

Hoewel de jongen zoo blij was, dat hij uit de betoovering verlost was,
voelde hij 't als een bitter verdriet, dat hij op die manier van zijn
goede kameraden moest scheiden. Hij ging in 't zand zitten en verborg
zijn gezicht in zijn handen. Wat hielp het of hij ze al nakeek?

Maar dadelijk daarna hoorde hij vleugels ruischen. Het was Moeder Akka
zwaar gevallen van Duimelot weg te gaan, en ze kwam nog eens terug. En
nu de jongen stil zat, waagde ze 't hem te naderen. Plotseling had
zeker 't een of ander haar oogen geopend, zoodat ze zag, wie hij
was. Ze streek neer op de landpunt vlak bij hem.

De jongen deed een uitroep van blijdschap, en omhelsde de oude Akka. De
andere wilde ganzen omringden hem, en streken met hun snavels langs
hem heen. Ze kakelden en praatten allen door elkaar, en wenschten hem
allen hartelijk geluk. En hij sprak ook, en dankte hen voor de heerlijk
mooie reis, die hij met hen had gemaakt. Maar op eens werden de wilde
ganzen wonderlijk stil, en trokken zich van hem terug. 't Was alsof
ze wilden zeggen: "Och, hij is een mensch! Hij verstaat ons niet,
en wij verstaan hem niet."

Toen stond de jongen op, en ging naar Akka. Hij streelde en liefkoosde
haar. Dat deed hij ook met Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en
Kuusi, de ouden, die van 't begin af bij hem waren geweest.

Toen ging hij van 't strand weg, het land in. Want hij wist wel,
dat vogelverdriet nooit lang duurt, en hij wilde van hen weggaan,
terwijl ze nog bedroefd waren, omdat ze hem missen moesten.

Toen hij op den dijk gekomen was, keerde hij zich om, en keek naar
de vele vogeltroepen, die over zee vlogen. Alle riepen hun loktonen,
alleen één troep wilde ganzen vloog stil voort, zoolang als hij ze
zien kon.

Maar de troep was goed geordend, en vloog met flinke vaart, en hun
vleugelslagen waren sterk en krachtig. En de jongen voelde zóó'n
verlangen naar hen, die wegvlogen, dat hij bijna wenschte, dat hij
weer Duimelot was, die over land en zee kon rijden met een troep
wilde ganzen.



AANTEEKENINGEN


[1] Een groote zandvlakte op Öland.

[2] Berg- en boschstreek in Oost-Göthland, Södermanland en Nerike.

[3] Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Niels Holgersson's Wonderbare Reis" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home