Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Haarlemmer-Meer-Boek
Author: Leeghwater, Jan Adriaansz, 1575-1650, Hasselt, Willem Jan Cornelis van, 1795-1864
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Haarlemmer-Meer-Boek" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



produced from scanned images of public domain material


                                  HET
                          HAARLEMMER-MEER-BOEK

                                  VAN
                          J. Asz. Leeghwater.

                            Dertiende Druk.

                           MET AANTEEKENINGEN
                                  VAN
                          EN VOORAFGEGAAN DOOR
             EENIGE LEVENSBIJZONDERHEDEN VAN DEN SCHRIJVER
                                   EN
                        EEN HISTORISCH OVERZIGT
                   DER PLANNEN TOT EN DER WERKEN OVER
                HET DROOGMAKEN VAN HET HAARLEMMER-MEER,
                                  DOOR

                       Mr. W. J. C. van Hasselt,

     LID VAN DE REGTBANK VAN EERSTEN AANLEG TE AMSTERDAM EN VAN DE
         MAATSCHAPPIJ DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE TE LEIDEN.

                 Met Portret, Kaarten, Fac-Simile, enz.



                           TE AMSTERDAM, BIJ
                          G. J. A. BEIJERINCK.
                                 1838.



                        GEDRUKT BIJ C. A. SPIN.



                            J. A. LEEGHWATER
                                   EN
                          HET HAARLEMMER-MEER.



        OP HET UITMALEN VAN 'T HAERLEMMERMEIR.

        AEN DEN LEEUW VAN HOLLANT.



        Uitheemsche vyanden te zitten in de veeren,
          Te slingeren den staert groothartigh over zee;
        Is ydel, als uw long, geslagen aen het teeren,
          Inwendigh vast vergaet; en gy, van hartewee,
        Zoo deerlijk zucht, en kucht, en loost, by heele brokken,
          Het rottende ingewant te keel uit in de golf.
        Wat baet het met uw' klaen al 't oost en west te plokken,
          Naerdien u bijt in 't hart dees wreede Waterwolf,
        Belust om over u eerlang te triomfeeren?
          o Lantleeuw, waek eens op, en wek met eenen schreeu
        Al 't Veen, de Kennemaer, en Rynlands oude Heeren,
          Met d'Aemsterlanders op, tot noothulp van hun' Leeuw,
        Men sluite met een' dijk dees pest, die u komt plagen.
          De Wintvorst vliegh' er met zyn molewieken toe.
        De snelle Wintvorst weet den Waterwolf te jagen
          In zee, van waar hy u quam knabblen, nimmer moê.
        De Veenboer zit en wenscht dees waterjaght te spoeien,
          En 't Veenwijf roept: hy ruimt, de Lantleeuw weit op 't ruim
        En zuight zyn long gezont aen d'uiers van de koeien.
          Zoo wint de Lantleeuw lant: zoo puurt hy gout uit schuim.


                                                        Vondel.



De aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal voorgestelde wet,
ter uitgifte van losrenten op een gedeelte der schuld, ten laste
der overzeesche bezittingen, tot het doen van voorschotten voor
openbare werken, is in de zitting dier Kamer van den 2den April
j.l. afgestemd en met haar alzoo ook het, bij die wet voorgedragen,
plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer. Van de vijftien Leden,
die over die wet het woord hebben gevoerd, is er echter niet één
geweest, die zich tegen die droogmaking heeft verklaard, ja de meeste
hunner hebben het verwezenlijken van dit zoo lang reeds beraamde
plan wenschelijk genoemd, en alleen één der sprekers heeft bezwaren
tegen hetzelve in het midden gebragt, welke meer uit bijzondere
plaatselijke belangen, dan uit de zaak zelve hunnen oorsprong namen,
zoodat men gerust mag vaststellen, dat, indien de droogmaking van
het Haarlemmer Meer bij eene afzonderlijke wet ware voorgesteld, die
wet door de Tweede Kamer zoude aangenomen zijn geworden, en dat zij
alleen, zoo als een geacht Lid der Kamer zeide, »om den vorm en om de
daarbij voorgestelde wijze van voorziening in de benoodigde gelden,"
niet om de daarbij voorgestelde zaken, is afgestemd geworden.

Wij vleijen ons alzoo, dat nog eenmaal, en, zoo wij hopen, binnen
kort, het zoo vaak beraamde plan tot droogmaking van het Haarlemmer
Meer zal verwezenlijkt worden; want wie, die, in den aanvang van het
vorige jaar, den toestand des lands rondom Amsterdam met aandacht
heeft gadegeslagen; die het water van het Meer over de landen in
den Binnenpolder tusschen Sloten en Sloterdijk, ja over den weg
zelven tusschen Haarlem en Amsterdam, heeft zien stroomen; die den
zwakken staat der dijken en middelen kent, welke dat water moeten
keeren, waarvan sommige niet veel meer dan enkele Zomer-kaden zijn,
wier onderhoud voor de eigenaren der naburige landen drukkender en
bezwaarlijker is, dan zij dragen kunnen, vreest niet met Leeghwater,
en met nog meer grond dan hij, dat het kind al geboren is, die het
zal beleven, dat het Meer voor de poort van Amsterdam zal komen? ja
vreest niet, dat hij zelf dit weldra zal ondervinden? en zegt niet
met den dichter [1]?


            Wilt, eer uw ijver deez' landouwen
              Met ijzren gordel prijken doet,
            ô! Wilt de jammerplaag beschouwen,
              Die kank'rend in heur binnenst wroet.
            Of, moet ik ze u nog kennen leeren?--
            Ziet, hoe de inééngevloeide meiren,
            Door zwakke dammen niet te keeren,
              Het land, dat land van melk en room,
            Waar eens het vette rundvee loeide,
            Waar Slotens vruchtbre moeshof groeide,
              Herschiepen in een' waterstroom!

            Wat zal voor de opgeperste vloeden,
              Daar zelfs geen dijk hunn' voortgang stuit.
            Het zinkend Aemstelland behoeden?
              Verzwelgend breiden zij zich uit.

            De teugellooze golven zwellen,
            Gevoed uit 's afgronds diepe wellen:
            Ras laat zich 't oogenblik voorspellen,
              Wanneer zij haar verbolgen nat
            In 's Aemstels bedding overgieten,
            Met vaart en Slochter samenvlieten,
              En stroomen binnen d'Aemstelstad.


Er zijn, wij weten het, die ons zullen toevoegen: reeds meer dan twee
eeuwen is dit schrikbeeld opgehangen, en nóg heeft het Meer Amsterdam
niet bereikt! Maar moet het dan eerst zóó ver komen? moet de water-wolf
dan nog eerst meer lands hebben ingezwolgen, vóór men tot het besluit
kome, om hem den muil te breidelen? Dat hij jaarlijks aan de randen
knabbelt, en jaarlijks meer en meer inzwelgt; dat het jaarlijks
schatten kost, om hem zijnen roof te betwisten, is overbekend [2].

In de XVIde eeuw was het Haarlemmer Meer nog slechts een plas van 3040
morgen, en afgescheiden van het Leidsche-, het Spiering- en het oude
Meer, uit welke het sedert is zamengesteld. Al deze Meren besloegen
in den jare 1531, volgens de kaart door den Landmeter van Rhijnland,
Melchior Bolstra, opgemaakt, te zamen 6585 morgen. Weldra werden deze
Meren door de kracht hunner wateren veréénigd; zij bedekten in 1591
reeds 12375, in 1647, 17082, en in 1687, 18100 morgen. Toen voormelde
Bolstra in de jaren 1739 en 1740, op hoog bevel, de vier Meren mat,
vond hij, dat 19,500 morgen lands door die wateren waren bedekt,
en bij de opmeting in 1808, door den Heer A. Blanken Jsz., is het
vereenigd Meer, thans bekend onder den naam van Haarlemmer Meer, met
het Kager Meer bevonden eene oppervlakte van 20872 morgen te beslaan,
zonder daarbij te rekenen het Lutke Meer, dat 323 morgen groot is
[3]. Een aanwas alzoo van bijna 15000 morgen op 6000, gedurende den
tijd van drie eeuwen.

Daarenboven zijn van het Haarlemmer Meer, aan den zuid-oostkant,
verscheidene zeer wijde uitgeveende plassen slechts door smalle
strooken lands afgescheiden, zoodat, indien men er deze bijvoegt,
de uitgestrektheid waters op 30000 morgen kan geschat worden, en
gewoonlijk geschat wordt.

Het door ons hierbij gevoegde kaartje toont den toestand van het
Haarlemmer Meer, zoo als het in 1531 was, en duidt tevens aan, hoe het
Meer van tijd tot tijd is vergroot en toegenomen: de buitenste streep
wijst de grootheid aan van dezen plas in den jare 1808. Al het land,
hetwelk tusschen die streep en die, welke met 1531 gemerkt is, ligt,
of liever, lag, is gedurende die drie eeuwen door het water verzwolgen.

Het is nog geen 250 jaren geleden, dat Zwanenburg (halfweg Haarlem
en Amsterdam) meer dan 700 Rhijnlandsche roeden van het toenmalig
Spiering-Meer, thans geheel met het Haarlemmer veréénigd, verwijderd
was, en nu ligt Zwanenburg aan het Meer en wordt door zijne wateren
bespat. Het is naauwelijks 200 jaren geleden, dat de dorpen Nieuwkerk
en Rijk, welig bewoond, hunne torens in het omliggend land omhoog
staken. Nieuwkerk en Rijk, toen meer dan drie honderd roeden van het
Meer verwijderd, zijn verdwenen, en hunne kerken en torens in hetzelve,
even als vroeger het dorp Vijfhuizen, bedolven, en de namen Nieuwkerk,
Rijk en Vijfhuizen zijn van de kaart des Lands en uit de geheugenis
der menschen weggevaagd.

Maar het Meer is nog zeven honderd roeden van Amsterdam verwijderd! wij
zeiden het zoo even, zeven honderd roeden was in 1591 Zwanenburg van
het Meer gelegen, en geen vijftig jaren daarna klotsten zijne golven
tegen Zwanenburg aan; zij zullen welligt weldra tegen en in Amsterdam
klotsen. De inwoners dier stad zullen ter eeniger tijd, (misschien is
die tijd niet verre verwijderd,) bij hun ontwaken vreemd ophooren,
dat het Meer over den Amsteldijk en bij de Beerenbijt stroomt. Dan
vergoeden Rhijnland en Leiden aan het Rijk de verliezen van Amstelland
en Amsterdam, Maar kunnen Rhijnland en Leiden ook niet eenmaal eene
prooi van dit vernielend gedrogt worden?

Meermalen heeft men dan ook, uit besef der onberekenbare gevolgen,
die dat ontzettend water voor Holland zou kunnen hebben, en bij het
denkbeeld, hoe vele morgen goeden, bruikbaren gronds door de golven
bedekt zijn, het plan beraamd om het Meer te bedijken, en, even als
zulks zoo vele andere meren zijn gedaan, droog te malen. Niet slechts
geldelijk belang, maar ook het afweren van een te vreezen onheil, was
het doel dier ontwerpen. Nu eens werd zoodanig een plan door bijzondere
personen, dan weder, gelijk bij voorbeeld in 1742 [4] en 1808, op
openbaar gezag beraamd. Maar die plannen bleven alle zonder gevolg. In
het begin van 1819 leverden de Heeren F. G. Baron van Lijnden van
Hemmen, W. F. Baron Roëll en O. Repelaer van Driel, de beide laatste
door den eersten hiertoe opgewekt, aan Z. M. een verzoekschrift in,
ten einde octrooi te erlangen, om, volgens een nader over te geven
plan, het Haarlemmer Meer te doen droogmaken en verlof te bekomen,
om deze onderneming bij wijze van associatie ten uitvoer te brengen,
als eene private en particuliere zaak, zonder dat het Gouvernement
met subsidiën, voorschotten of garantie zou worden bezwaard.

Z. M. gaf aan de verzoekers verlof, om een plan van droogmaking
te beramen, met last, om dienaangaande de belangen der Hoog
Heemraadschappen van Rhijnland en Amstelland in acht te nemen, en
gaf hun vrijheid, om, nadat het plan door Hoogstdenzelven zou zijn
goedgekeurd, hunne landgenooten tot medewerking en deelneming in dit
ontwerp te mogen uitnoodigen [5].

Dit plan van de Heeren van Lynden, Roëll en Repelaer kwam echter nimmer
in werking, en de zaak bleef wederom slepende, tot dat de stormen
van December 1836 en de niet te ontveinzen voor Amsterdam hoogst
bedenkelijke toestand van het Meer in Jan. 1837, het Gouvernement
ernstig bedacht maakten, om dien inlandschen vijand, tegen wien men
reeds eeuwen lang eenen kostbaren oorlog, en steeds met een ongelukkig
gevolg, voert, met kracht ten onder te brengen en zoo mogelijk ten
onder te houden. De voordragt hiertoe is thans verworpen en de zaak
zal wederom slepende blijven, tenzij het Gouvernement, bij eene
afzonderlijke wet, haar op nieuw aan de Staten-Generaal voordrage,
of wel, hetgeen welligt wenschelijker ware, bijzondere personen op
nieuw zich vereenigen, om, onder goedkeuring van het Gouvernement,
dit grootsch ontwerp ten uitvoer te brengen. Indien men bedenkt,
welke schatten de Heemraadschappen en de Ingelanden der polders, die
door het Meer bespoeld worden, jaarlijks moeten betalen, om dat water
in bedwang te houden, dan verwondert men zich, dat niet reeds lang
de eigenaren dier landen de handen in één hebben geslagen, om dien
gemeenschappelijken vijand te beteugelen. Hoe zouden hunne eigendommen
in waarde stijgen, indien zij van de jaarlijksche omslagen, die zij
thans tot het bedwingen van het Meer, dat met toom en breidel spot,
opbrengen, bevrijd waren! Men berekent de tegenwoordige jaarlijksche
kosten, tot onderhoud der Meerwerken, voor Rhijnland alléén, op meer
dan f 30,000. En vraag het den Ingelanden van den Binnen-Polder,
tusschen Sloten en Sloterdijk eens, wat het hun kost, om hunne
landen, en om Amsterdam tegen het Meer te beveiligen! vraag hun
eens, wat het jaar 1837 hun gekost heeft, en gij zult verbaasd
staan. Voor de Ingelanden der rondom het Meer liggende Polders zou
dus het droogmaken van dien plas mede hoogst gewigtig zijn. Bijzondere
belangen kunnen hiertegen in geene aanmerking komen, evenmin of deze
of gene stad, dit of dat collegie, deze of gene persoon voordeelen
uit het aanwezen van het Meer trekt. Bijzondere belangen moeten voor
het algemeen belang zwijgen, en de wet van onteigening, met hare niet
ongunstige schadeloosstelling, is daar en kan ook hier van toepassing
zijn. Het grootste bezwaar is, naar mijn inzien, de vrees, dat bij
sterke opzetting van water Rhijnland geene voldoende uitwatering zou
hebben. Maar zoo dat bezwaar, waarover ik niet kan noch mag oordeelen,
gegrond mogt zijn, dan vraag ik, of in den tegenwoordigen staat
der wetenschappen, en bij het veelvuldig en krachtig gebruik der
stoomwerktuigen, niet een middel is uit te denken, om Rhijnland in
dat geval van het overtollig water te ontheffen? Dit is zeker, dat,
indien het Meer blijft, zoo als het is, Amstelland vroeg of laat de
prooi zijner golven moet worden.

Maar de meeste schrijvers, die over het droog maken van het Haarlemmer
Meer geschreven hebben, zijn van meening, dat het opgegeven bezwaar
voor Rhijnland niet bestaat; immers zoo geducht niet is, als men het
wel wil voorstellen, en dat het ligtelijk zou zijn af te wenden.

Onder de schrijvers, die over het nut, de noodzakelijkheid en de
mogelijkheid der bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer
schreven, behoort in de eerste plaats Jan Adriaansz. Leeghwater, die,
vóór nu bijna twee eeuwen, in zijn beroemd Haarlemmer-Meer-Boek,
een volledig en, voor zoo ver bekend is, het eerste plan tot dit
onderwerp uitgaf.

Deze Jan Adriaansz. Leeghwater werd, in den jare 1575, in het dorp
de Rijp geboren [6]. Zijn vader Adriaan Symonsz. was aldaar timmerman
en had in 1594 het opzigt over het leggen van de eerste houten sluis
in de Rijp [7], en zijn grootvader, Symon Ruts, was aldaar brouwer,
en had tot vrouw Griet Maartensz., mede van de Rijp, die in den jare
1604, in den ouderdom van 90 jaren, stierf [8].

Waarschijnlijk, ja bijna zeker is het, dat zijne voorouders den
naam van Leeghwater niet voerden, maar naar het gebruik dier dagen,
dat nog lang ten platten lande, vooral in Noord-Holland, het langst
echter in Vriesland, heeft aangehouden, alleen den naam hunner vaders
bij den hunnen voegden, en alzoo slechts Adriaan Symonsz., Symon
Rutsz. enz. genoemd werden. Zoo ook komt Leeghwater in een octrooi van
den jare 1605, waarvan wij nader zullen gewagen, alleen onder den naam
van Jan Adriaansz. voor. Eerst in later tijd, en in meer gevorderden
ouderdom, schijnt hij den naam van Leeghwater te hebben aangenomen,
waarschijnlijk door dezen of genen hem toegevoegd, om de veelvuldige
wateren, die hij in Noord-Holland en elders had helpen leêgen [9].

Zijne moeders-moeder was Pietje Pieters Schoute, en eene dochter der
zuster van eenen Abt van het klooster van Egmond [10].

Hij zelf schijnt eene vrouw uit de Schermer te hebben gehad; want in de
kleine kronijk zegt hij (bl. 11, No. 11): "De huisluiden van Schermer
waren in mijne jonkheit, toen ik aldaar eerst getrouwd was, wat ruw van
manieren en zeden; daar waren weinig huizen, die schoorsteenen hadden."

Van zijne eerste jeugd en van zijne opvoeding is ons weinig of niets
bekend; hij noemt zich op de titels der door hem uitgegeven werken:
Molenmaker en Ingenieur van de Rijp; doch hij bezat in zeer vele
vakken eene groote ervarenheid, en men zou hem een' duizend-kunstenaar
kunnen noemen.

Hij verhaalt in zijne kleine kronijk [11], dat het hem heugde, dat
er in Holland niet één achtkante oliemolen met stampers bestond, en
dat hij voor eigen gebruik den eersten zoodanigen molen tegen Rijp en
Graft getimmerd en gemaakt heeft; dat die molen, toen hij dit schreef,
bijna 45 jaren gebruikt en nog gangbaar was.--Hij schijnt dus ook
olieslager te zijn geweest.

Toen in het jaar 1630 het raadhuis in de Rijp zou worden gebouwd,
vervaardigde hij het bestek en de daartoe behoorende teekeningen,
waarna het werd afgewerkt [12].

Doch als Molenmaker muntte hij voornamelijk uit, en zijne bekwaamheid
in het vervaardigen en stellen van Molens werd niet slechts binnen
's Lands, maar ook daar buiten beroemd. Van hoeveel belang die
bekwaamheid is, weten zij, die zich met het droogmaken van plassen of
polders immer hebben moeten onledig houden. Maar die bekwaamheid kwam
vooral in den tijd, waarin Leeghwater leefde, te stade. In de XVIe
en in het begin der XVIIe eeuw was Holland bijna meer dan de helft
water. De kaart van J. J. Beeldsnijder, gedrukt in 1575, kan er u
van overtuigen. Reeds in de laatste helft der eerstgenoemde eeuw,
werden eenige dier plassen drooggemaakt; men begon in 1553 met de
Zijp; maar in het begin der XVIIe eeuw, toen het land, van vreemd,
uitheemsch gezag ontslagen, eenigzins tot rust begon te komen, was
men er ernstig op bedacht, om die binnenlandsche wateren uit te malen
en in bruikbaar land te herschapen. Droogmaking op droogmaking volgde
elkander op. Bij de meeste dier ondernemingen was Leeghwater door raad
of daad behulpzaam; vooral was hij werkzaam bij het bedijken van de nu
bloeijende Beemster, waarbij hij was aangesteld, om, zoo als hij zegt:
»waer te nemen het fabrijken en stellen van de watermolens." Het is
bekend, dat dit Meer, met welks bedijking men in 1608 een' aanvang
nam, (niettegenstaande het eens doorbrak) in 1612 geheel droog was
gemaakt. Ook bij het droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Bijlmer,
de Waard, de Schermer en van meer andere meren, moerassen en polders
was hij werkzaam [13], en zijn genie wist vaak de hinderpalen te
overkomen, welke zich van tijd tot tijd opdeden. De roem zijner
bekwaamheid in het leêgmalen van plassen was zóó groot, dat hij door
den Stadhouder Frederik Hendrik, in den jare 1629, in het leger vóór
's Hertogenbosch werd ontboden, om, zoo als Leeghwater het uitdrukt:
»het water uit het leger te malen en de watermolens bij Engelen weder
gangbaar te maken." Hetgeen hij naar wensch volvoerde, en niet weinig
tot het bemagtigen dier belangrijke stad heeft toegebragt [14].

Maar ook buiten 's Lands werden zijne bekwaamheden op prijs gesteld:
in den jare 1628 werd hij naar Bourdeaux geroepen, om zijnen goeden
raad te geven tot het droogmaken van een moeras, 4500 morgen groot,
toebehoorende aan den Hertog van Epernon, en niet ver van dáár gelegen
[15]; waaraan hij naar wensch voldeed, eene kaart van dat Moeras
vervaardigde en dezelve aan den Hertog, die toen met het leger van den
Koning van Frankrijk vóór Rochelle lag, overhandigde [16]. Twee jaren
hierna ontbood men hem naar Metz, om raad te geven tot het droogmaken
van een aldaar gelegen moeras [17]. Ook in het gebied van den Hertog
van Holstein, in Emderland, in Friesland en elders werd hij geroepen,
om behulpzaam te zijn in het droogmaken van moerassen en meren, om,
zoo als hij zegt, »te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaijen,
heulen, molens, molen-togten, kolken, wateringen, enz."

Maar zijne bekwaamheden en werkzaamheden bepaalden zich niet tot
het hierboven opgenoemde: wij zeiden reeds boven, dat hij in zeer
vele vakken van wetenschap eene groote ervarenheid bezat. Hoor wat
hij er zelf van zegt:--»Ik heb (dus schrijft hij in zijn kleine
Cronijkje No. 49) in mijnen tijd gemaakt verscheidene soorten van
molens, ook huizen en sluizen en verscheidene notabele stukken van
kassen en schrijnwerken, alsmede vele uurwerken in dorpen en steden,
ook mede twee groote notabele speelwerken te Amsterdam, staande op
den Wester- en Zuiderkerks-toren. Ik heb ook mede gemetseld aan het
nieuwe stadhuis te Amsterdam, en mede aan den toren van de Nieuwe Kerk,
alsmede aan de brug bij Jan-Roodepoorts-toren. Behalve dien heb ik nog
verscheidene notabele handwerken gedaan in hout en steen, in koper,
in ivoor en metaal, hetwelk te lang zou wezen om alles te verhalen."


            »Ook somtijds met de pen te speelen,
            Te teekenen kerken en kasteelen,
            Daar bij te schrijven grof en fijn,
            Dat kan (God-lof!) nog heel wel zijn."


Dit schreef hij toen hij 74 jaren oud was. Dat hij elf jaren vroeger
nog heel wel met de pen kon omgaan, blijkt uit onderstaand fac simile
van eene door hem in den jare 1638 vervaardigde teekening.


                    Een Can die veel te-water gaet.
                 Int eijnd noch wel aen stucken slaet.

                               1638 JALW


Maar Leeghwater verstond daarenboven eene kunst, die sedert geheel
schijnt verloren te zijn geraakt, de kunst namelijk van onder water
te duiken, aldaar eenen geruimen tijd te vertoeven en verschillende
verrigtingen ten uitvoer te brengen [18].

Hij gaf met Pieter Pietersz. [19] van deze bekwaamheid in den
jare 1605, in de nabijheid van 's Gravenhage, eene proeve in
tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeders Frederik Hendrik,
van de Graven Willem en Ernst van Nassau, van vele Edelen en andere
personen. Welke proefneming hij in het volgende jaar buiten Amsterdam
herhaalde, in tegenwoordigheid van vele menschen. Hij bleef alstoen
drie kwartiers onder water, waar hij at, de schalmei bespeelde,
ja zelfs op een papier schreef en andere verrigtingen ten uitvoer
bragt, zoo als zulks door hem, op eene hoogst eenvoudige wijze, met
vermelding van vele kleine omstandigheden, in zijn kleine Kronijk
aldus is te boek gesteld [20]:



            »Van het onder-water gaan, geschiet in den Hage
               in bijwezen van Prins Mauritius en andere
                groote Heeren, een konst nooit te voren
                           gehoort of gezien.

»1. In 't jaar 1605, in 't laatste van April, zoo is daar een
Wijnkooper tot Alkmaar geweest, genaamt Dirk Thomasz., die met den
Prince Mauritius zeer familiaar was, en verscheiden redenen met den
Prince hadde, waarvan hij mede verhaalde, dat in Noort-Hollant in de
Rijp twee of drie jongelingen waren, die onder het water konden gaan,
waarvan den Prince zeer begeerig was om 't zelve te zien; waarop
den Wijnkooper tot antwoord gaf: »Ik zal de luiden verschrijven,
dat zij bij zijne Vorstelijke Genade in den Hage zullen komen."

»2. Ende alzoo door het schrijven zijn wij na den Hage gereist, en
zijn aldaar bij den Prince gekomen, die ons zeer vriendelyk groette
ende ons vraagde, of wij de luiden waren, die onder 't water konden
gaan? waarop wij antwoordden: Ja mijn Genadigen Heer; waarop de
Prince wederom zeide: Hoe zoude men dat konnen weten, of men zoude
dat moeten zien? waarop wij wederom antwoordden en zeiden: Zo het
mijn Heer morgen belieft te zien, wij willen 't alhier morgen in den
Vijver wel doen; waarop de Prince wederom zeide: dat hij dat in den
Vijver niet en begeerde; daar zouden wel duizent menschen bij komen;
dat en zoude niet dienen.

»3. Doen heeft de Prince een Valkenier bij hem ontboden, genaamt
Henderik Evertsz., die met ons zoude gaan buiten den Hage, om een
water te zoeken, daar 't bequaam was om de konst te doen, 't welke
wij alzo gedaan hadden, welke water is een weinig buiten den Hage
aan de slinkerhand, in een Molentocht, als men naar Delft vaart.

»4. Den eersten dach doen wast een storm ende heel kout weder, zo dat
wij den Prince doen niet en spraken, maar den tweeden dach daaraan
heeft den Prince ons een zeker uure gestelt, als den maaltijt gedaan
was na den middag, dat wij dan op de plaatze gereet zouden staan,
waarbij dat de Prince ook tegen ons zeide: Mannen, ik heb gisteren
wel om u gedocht, ik en zoude niet gaarne hebben, dat gij een ziekte
zoude halen om mijnent wille.

»5. Alzo den tijt bestemt was, zoo zijn wij op de plaatze gegaan,
ende gereetgestaan; doen is den Prince Mauritius, met zijn broeder
Prins Henderik, met Graaf Willem van Vrieslant, met Graaf Ernst,
ende meer andere groote Heeren en Edelluiden met de koetzen bij
ons gekomen, ende daar alzo gelijk bij ons staande, doen zeide den
Prince Mauritius: Mannen, ik ben nu gereet om te zien; waarop ik Jan
Adriaansz. Leeghwater met een goede couragie in 't water gesprongen
ben, en zeide: Adieu, mijn vroome Heeren; ende ik was daar zo lange
onder het water, dat den Prince Mauritius met d'andere Heeren wel
vernoegt waren, en doen ik weder boven 't water quam, doen vraagde
mij den Prince Mauritius: Wat was dat geluit dat ik hoorde? waarop ik
zeide: Ik heb luide geroepen; heeft mijn Heer dat ook verstaan? waarop
de Prince zeide: Ik meende, dat het het brullen van een koe was.

»6. Daarna is Pieter Pietersz., een van onze medemakkers, in 't water
gesprongen een stuks weegs verscheiden, dewelke alzo lang onder het
water was als ik, waarover Pieter Pietersz. met zijne vingeren een
weinig boven 't water speelde; doen zeide Graaf Willem van Vrieslant:
Den kerel werd verzoepen; hij en kan hem nigt langer holden.

»7. Ende alzo Pieter Pietersz. mede op 't land komende, wij beide nog
fris ende wel waren, zoo heeft den Prince Mauritius tegen ons gezeit:
Mannen, ik zie dat de konste goet is; gaat niet uit den Hage aleer ik
u gesprooken heb, en gaat in een goede herberge en maakt goede cier,
hetwelke wij alzo gedaan hebben, ende daarna zijn wij weder bij den
Prince gekomen op het Hof, daar hij ons een vereeringe gegeven heeft,
ende ook mede Octroy van onze konste, hetwelke ik nog tot dezen dag
bewaart heb."


»De tweede onderwaterduiking, geschiet tot Amsterdam.

»1. In 't jaar 1606, op Amsterdamsche kermis, zo is daar een
koopman van de Rijp geweest, geheeten Meinert Cornelisz. Salm,
die tot Amsterdam zeer wel bekent was, die van de konste van onder
water te gaan tegen zommige bekende Borgers van Amsterdam gezeit
hadde, dat de konste op de Wetering, buiten de Heilige Wegs-Poort,
aan de slinkerhant, gedaan zoude werden in prezentie van 10 of 12
perzonen, aldaar mede prezent was Meinert Salm van de Rijp, Albert
Verspek van Antwerpen, Dirk van Os van Amsterdam met zijn Soon,
die nu Dijk-Graaf van de Beemster is, Frederik Jansz. met zijn Soon,
Jacob Frederiksz. van Amsterdam, beide Olijslagers, Jacob Wrogt van
Amsterdam, met Jan Louwen van de Rijp met zijn Huisvrouw, ende meer
andere goede bekenden.

»2. Ende alzo dit geschiedde nabij de stad Amsterdam, zo is aldaar een
grooten toeloop van volk gekomen ende vergadert van verscheiden steden,
dorpen en plaatzen, so dat daar wel zeven of agt hondert menschen bij
malkander waren, of meer: zo was daar een onder allen, die het niet
geloofde, en zeide: Het zal wezen gelijk die man die vliegen zoude;
wie is malder, de man die vliegen zal, of die gene die het zien
zullen? waarop ik Jan Adriaansz. wederom zeide: Ik zal het volk niet
bedriegen; ik zal 't voor haar oogen doen, dat zij dat zien zullen.

»3. Zo is 't dat ik een linnen kleed bij mij genomen hadde, hetwelke
ik aandede, waarvan ik de zakken uittrok, en dede daar tien of twaalf
peeren in, dat zij het voor hare oogen zagen, ende ik zeide tegen
het volk: Deze peeren zal ik half op-eeten, opdat gij luiden niet en
zegt dat ik de peeren in den grond gesteken heb. Ook hadde ik mede
een schalmey bij mij, daar ik wel op konde speelen, dien ik mede bij
mij in mijn zak dede, en zeide: Daar zal ik verscheiden voizen en
Psalmen op speelen, dat gij dat boven water, op het land hooren ende
verstaan zult; waarbij Pieter Pietersz. op het land bij het volk bleef;
om het volk reden te geven en te onderregten.

»4. Onder allen was daar mede een Makelaar onder het volk, geheeten
Lems, die hadde een schoon blad pampier bij hem, daar schreef hij zijn
naam op, hetwelke hij mij gaf, waarop ik tegen hem zeide: Ik zal daar
onder water op den grond op dat pampier met pen ende inkt schrijven,
dat gij dat boven water op het land zult konnen lezen.

»5. Ende doen ik gereed was, ende wel wakker konde zwemmen, ende ook
mede een jongman was, zoo gaf mij den Almogenden God de vrijmoedigheit,
dat ik met een goede couragie in 't water sprong, mijn aangezigt na het
volk toewendde, ende zeide: Adieu, gij vroome Borgers van Amsterdam,
dat is u ter eeren, daar ga ik onder.

6. Zo is dat alzo geschied, dat ik de peeren onder water half
op-gegeten heb, en vertoonde de peeren onder het volk, doen ik op
het land quam; ende op hetzelve pampier schreef ik mede zo veel:
dit heb ik voor Amsterdam in de Wetering ende onder water geschreven;
ende op de schalmey speelde ik mede onder water op den grond, dat het
volk, die op het land stonden, boven water gemakkelijk hooren ende
verstaan konden; onder allen speelde ik mede den 23 Psalm: Mijn God
voet mij als mijn Herder geprezen, dat die luiden, die op de kant van
de sloot stonden, zeiden: Hoort eens mannen, dat speelt hij nu! Alzo
had ik mijn plaizier ende recreatie onder 't water op den grond.

»7. Ende doen ik dogte dat ik aldaar lang genoeg geweest was, dat
het volk wel vernoegt zoude wezen, zo ben ik met een goede couragie
weder opgekomen, mijn aangezigt na het volk, en doen ik nog in 't
water was, zo heb ik tegen het volk met een luide stemme geroepen:
Wat dunken de luiden van de konst? waarop het volk antwoordde en zeide:
De konst is goet.

»8. Ende doen ik weder op het land quam, doen vertoonde ik mijn
geschrift, het pampier nog droog wezende, hetwelke veel luiden gezien
en gelezen hebben, ende daarover zeer verwondert waren: ende den
Makelaar Lems weder behandigt hebbende, die het nog zommige jaren
daar naar bewaarde; ende als ik nog onder water was, zo was alreeds
de tijdinge al in de stad, die man is al verdronken, hij en komt zijn
leven niet weder: en doen ik weder op het land quam, zo hadde Frederik
Jacobsz., Olijslager van Amsterdam, een nagt-glas bij hem genomen, en
zeide tegens mij: Jan Adriaansz., weet gij wel hoe lange dat gij onder
water geweest hebt?--Neen ik, Frederik Jacobsz., zeide ik. Doen zei
hij weder tot mij: Dat glas is eens uit-geloopen ende eens half uit,
dat is drie quartier van een uur. Doen waren daar verscheiden luiden,
die tegen malkanderen zeiden: Hebt gij wel gezien wat dat hij gedaan,
hadde doen hij in 't water ging? hij hadde hem met olij bestreken;
ende d'andere zeide: hij hadde een root lapken in zijn mond genomen; in
zomma, elk een zeide het zijne. Ik hadde gedaan gelijk de Comedianten
doen, ik speelde het spel te regt, zonder iets te haperen ofte te
manqueren; die het spel niet en kan, die en speel het niet. Ende
als het werk gedaan was, zo waren daar veel liefhebbers, die haar
milde hand toonden: ende onder allen was daar een man uit Zeeland,
die zeide; omdat de konste zoo fraay is, zoo schenke ik u daartoe
nog een Zeeusche Daalder.

»9. Daarna heb ik mijne kleederen weder aangetrokken, ende ben weder
na de stad gegaan, aldaar ik een groot getal van volk bij mij hadde,
die zeer begeerig waren om de man te zien, waarvan nu nog verscheiden
luiden in de stad van Amsterdam zijn, die het gezien hebben ende
daarvan konnen getuigen.

»10. Nu voort wat de konste belangt, men vint in 't Boek Jobs
geschreven in het 28 cappittel in het 12 vers: Men keert den stroom
des waters, ende brengt dat daar verborgen in is aan 't licht. So
dat ik niet en weet eenige konsten te bedenken, die zo bequaam ende
zo goet zijn om verborgen schatten van den grond te halen; men kan
aldaar onder water een wijl tijds leven, ende zijne handen en voeten
wel gebruiken, hetzij dat het een vadem diep is, ofte meer: al waar
't agt of tien vadem diep, de konst is even goet."


Indien dit verhaal alleen in de Kronijk van Leeghwater werd gevonden,
zou men genegen zijn, de waarheid van hetzelve in twijfel te trekken;
maar nog op den huidigen dag wordt het oorspronkelijk Octrooi, door
de Staten-Generaal aan Leeghwater en twee andere daarbij vermelde
personen, wegens die kunst, den 5den Mei 1605, en dus kort nadat zij
in 's Hage proeven van hunne bekwaamheid gegeven hadden, verleend,
en waarvan Leeghwater (hierboven bl. 19) gewag maakt, nog bij de
nazaten van Leeghwater bewaard, en ik ben het aan de vriendelijke
tusschenkomst van den Wel-Eerwaarden Zeer Geleerden Heer J. van
Gilse verschuldigd, dat ik in staat ben gesteld, een fac-simile van
hetzelve hier bij te voegen. Dit Octrooi werd reeds door wijlen den
Heer J. Meerman in den jare 1807, in den Konst- en Letterbode [21],
aan het licht gebragt. Het oorspronkelijke is op parkement of francyn
geschreven en van den volgenden inhoud:


»Die Staten Generael der Vereenichde Nederlanden, Allen den ghenen die
desen jegenwoordige sullen sien ofte hooren lesen. saluyt.--Doen te
weeten, dat wy ontfangen hebben de supplicatie, aen ons gepresenteert
by Pieter Pietersz., Jan Adriaensz. ende Wilhem Pieters, alle woonende
in de Rype, inhoudende hoe dat sy supplianten geinventeert ende by
Zyne Princelycke Excellentie geprobeert hebben, seker waterconste, soo
om onder twater te gaen, staen, sitten, liggen, eeten ende drincken,
lesen ende scryven, singen ende spreken, voorts om eenige bruggen ende
sluysen te repareren off te nyente [22] te doen, cabels onder schepen
die gesoncken zyn, vast te maken, om die uuyten gront te winden, item
om peerlen, ende andere costelycke goederen op ten gront te soucken,
mitsgaders om eenige missiven ofte brieven heymelyck onder twater
te dragen ende brengen, boven dien zyn Asem bequamelyck te mogen
halen, tzy oft het diep is een, twee, vyff, sess offe meer vademen,
verzoeckende ende biddende oitmoedelyck, (nademael zy beducht zyn,
dat men haerlieder inventie soude namaecken), dat Wy hen souden
willen verleenen onse openen brieven van Octroy, om de voorsz. heure
Inventie voor eenige jaren alleene in de Vereenichde Provincien
te mogen maken, met verboth van deselve na te maken, in geenerlye
wyse, int geheel ofte ten deele, by verbeurte van sulcke nagemaecte
Inventie, ende daerenboven van seekere groote Penen, by ons daertoe
te ordonneren. Waerom Soo ist, dat Wy, genegen wesende ter Bede van de
voorsz. Supplianten, deselve geoctroyeert hebben, ende octroyeren mits
desen, dat zy voor den tyt van thien jaeren naestcommende, alleene
in de Vereenichde Provincien sullen mogen maken ende gebruycken de
voorsz. Waterconste, by hen geinventeert om onder twater te gaen,
staen, sitten, liggen, eeten ende drincken, lesen ende scryven, singen
ende spreken, voorts om eenige bruggen ende sluysen te repareren
offe te nyeuwte te doen, cabels onder schepen, die gesoncken zyn,
vast te maken, om die uuyten gront te winden. Item om peerlen, ende
andere costelycke goederen opten gront te soucken, mitsgaders om eenige
missiven offe brieven, heymelyck onder twater te dragen ende brengen,
bovendien zyn Asem bequamelyck te mogen halen, tzy off diep is een,
twee, vyff, sefs offe meer vademen, verbiedende een yegelyck van wat
qualiteyt offe conditie hy zy, de voorsz. geinventeerde Waterconste
int geheel ofte ten deele in de Vereenichde Provincien natemaken,
ofte elders nagemaect inde selve te brengen, om die te gebruycken,
op te verbeurte van het nagemaecte werck, ende daerenboven van de
somme van twee hondert Guldens, tappliceren deen derddendeel daervan
tot behoeff van den Aenbrenger, een ander derddendeel tot behoeff
van den officier, die de executie doen sal, ende het resterende
derddendeel tot behoeff van de voorsz. supplianten, ende dit alles
mits dat het zy eene nieuwe Inventie, te vooren in dese Landen niet
gepractizeert, ende sonder preiuditie van alle voorgaende generale,
ende particuliere concessien. Gegeven onder onsen cachette [23],
in Sgravenhage, den vyffden Mey XVIc ende vyff."

Ter ordonnan. van de voorn. Heeren Staten-Generaal.

(was geteekend:)

AERSSEN.
1605.



De waarheid van het verhaal van Leeghwater is alzoo boven allen
twijfel verheven; maar zonderling is het, dat nergens elders blijkt,
dat hij, die meer dan 40 jaren na het bekomen van dit Octrooi leefde,
of zijne makkers naderhand eenig gebruik van hetzelve hebben gemaakt,
of dat bij het eindigen van dit Octrooi hunne kunst de eigendom van het
publiek zou zijn geworden, of dat zij die kunst naderhand aan anderen
zouden hebben medegedeeld. Men zou bijna moeten vermoeden, dat het
geheim met het overlijden der Geoctroijeerden is verloren gegaan. Wij
stemmen het den Heer Meerman [24] gereedelijk toe, dat men zich moet
verwonderen, in het Octrooi te hooren gewagen van eene inventie, die
men na zou kunnen maken, of elders gemaakt in het land invoeren van
een werk, dat verbeurd zou kunnen worden verklaard enz., daar men uit
het bovenvermeld verhaal van Leeghwater zou moeten opmaken, dat hij
en zijne makkers zonder eenig toestel in het water sprongen. [25]
Een mijner vrienden vermoedt, dat het toestel van Leeghwater en
zijne makkers eene duikerklok zou zijn geweest, welke zij bevorens
heimelijk ter plaatse, waar zij hunne kunst zouden vertoonen, onder
water bragten. Ik ben niet ongenegen dit zijn vermoeden te deelen,
hoezeer mij echter het heimelijk brengen van brieven naar elders,
alsdan nog niet duidelijk is.

Hoe dit zij, uit al het hiervoren gezegde kan men opmaken, dat
Leeghwater een bekwaam waterbouwkundige was: dat hij tevens Landmeter,
Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker,
Waterduiker--ja wat niet al?--is geweest. Ik mogt hem dus met regt een'
duizend-kunstenaar noemen.

Hij was daarenboven ervaren in de Fransche en Duitsche talen, en,
naar de veelvuldige aanhalingen te oordeelen, ook niet geheel onbekend
met de Latijnsche.

Veelvuldige reizen zijn door hem gedaan. Behalve al de zeven toenmalige
Vereenigde Provinciën, bezocht hij Braband, Vlaanderen, Henegouwen,
Duitschland en zoo als hij het noemt, Oostland, waartoe hij Riga,
Elzeneur, Elzenberg enz. brengt. Ook reisde hij in Westphalen,
Lotharingen, Frankrijk en Engeland. Achter zijne Kleine Kronijk
vindt men een breed register van de meeste door hem, tot zijnen
vierenzeventigjarigen ouderdom, bezochte plaatsen. [26]

Maar dit is niet alles. Wij spraken van tijd tot tijd van zijne
schriften; ook als schrijver heeft hij verdiensten. Het is waar,
zijn stijl is hoogst eenvoudig, en »zijne werken dragen de kenmerken
van geschreven te zijn door een' ongeletterd man, die door zijne
eigene verdiensten uit eenen geringen stand opgekomen was. Maar zij
getuigen," zoo als de Heer Van Lijnden te regt zegt: »niettemin van
's mans kunde en bekwaamheid." [27]

Drie gedrukte werkjes worden van Leeghwater vermeld, en wel:

1º. Korte beschrijving en klein Kronykje van Haarlem; een boeksken,
waarvan mij in Boekenlijsten twee uitgaven [28] voorkwamen, doch
hetwelk ik nimmer gezien heb.

2º. Een kleyne Cronyke en voorbereiding van de afkomst  en het
vergroten van de dorpen Graft en de Rijp, en van meer verscheiden
notabele oude stukken en gebeurtenissen.--»Het is," zoo als de Heer
De Wind naar waarheid zegt, »eene Kronijk van al wat hij hoorde,
vernam en deed; alles voorgedragen in eenen eenvoudigen, maar zeer
naïven stijl, zoodat dit boekje zich met het grootste genoegen lezen
laat." Gezegde Heer De Wind heeft, in zijne Bijdrage over Leeghwater,
het een en ander uit dit werkje overgenomen. Ook van deze Kronijk
bestaan verschillende uitgaven. Wij vonden melding gemaakt van
eenen druk van den jare 1654; doch deze was waarschijnlijk niet de
eerste, omdat op den titel, even als op dien der volgende drukken,
vermeld staat: »en nu op nieuws hier by gedaen de beschrijving van den
grooten brand, voorgevallen in de Rijp, op den 6den Febr. 1654." [29]
Waarschijnlijk bestaat er eene uitgave van den jare 1649. De door mij
gebruikte is van den jare 1714 en die van den Heer De Wind van 1727
[30].

Doch het vermaardste zijner werken is:

3º. Zijn Haarlemmer-Meerboek, hetwelk een ontwerp tot bedijken en
droogmaken van het Haarlemmer-meer bevat, door hem, naar het schijnt,
aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan
de Burgemeesteren en Raden van Amsterdam, Leiden, Haarlem en Gouda,
en aan den Dijkgraaf en de Heemraden van Rhijnland, in den jare 1641,
aangeboden. Of de eerste druk van dit werk reeds in 1641 verscheen,
is wel waarschijnlijk, doch niet zeker. Op den titel van dien eersten
druk [31] vindt men geene vermelding van het jaar der uitgave, maar op
de laatste (de 35ste) bladzijde staat onder de letters J. A. L. W. het
jaartal 1641. [32] Zeker is het, dat reeds in 1642 de derde druk het
licht zag, [33] en de Heer Van Lijnden spreekt (bl. 42) van eenen
vierden, die in 1643 uitkwam. [34]

De Heer Mr. J. T. Bodel Nyenhuis noemt in de 3de lijst zijner opgave
van beschrijvingen der Gewesten, Steden en Plaatsen, in het Koningrijk
der Nederlanden, geplaatst in het VIIIe Deel van het Tijdschrift de
Vriend des Vaderlands, No. 11, eenen vijfden druk (Amst.) van den
jare 1654.

Het jaar waarin de 6de druk verscheen heb ik niet gevonden; doch de
7de zag in 1669, [35] de 8ste in 1714 [36] het licht.

In 1724 verscheen reeds weder eene nieuwe uitgave [37]; welke in
1727 door eene tiende werd gevolgd [38]. De elfde verscheen negen
jaren daarna in 1736, [39] terwijl eindelijk eene twaalfde in 1749
het licht zag [40].

Al de vermelde drukken zijn in quarto.

Toen Leeghwater zijn Meerboek schreef, was hij zes en zestig jaren
oud: hoe lang hij hierna nog leefde is mij niet gebleken; maar in
1649 was hij nog in leven, blijkens de laatste bladzijde van zijne
kleine Kronijk. Hij was echter reeds in den jare 1654 overleden, want
op den titel der uitgave van dat jaar staat: in zijn leven Ingenieur
en Molenmaker in de Rijp [41].

Leeghwater behoorde tot het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, hetwelk
destijds zeer talrijk in de Rijp en andere Noord-Hollandsche plaatsen
was. Dat hij een Godvruchtig man was en 's menschen afhankelijkheid
van den wil des Allerhoogsten diep gevoelde, bewijzen zijne schriften.

Meerdere bijzonderheden heb ik wegens onzen verdienstelijken landgenoot
niet kunnen vinden, de opgegevene zijn grootendeels uit zijne eigene
schriften ontleend [42].

Uit het Haarlemmer-Meerboek, No. 24, blijkt, dat Leeghwater eenen
zoon had, Simon genaamd, dien hij den oudsten noemt; uit de kleine
Kronijk leeren wij bl. 36, No. 35, eenen tweeden, met name Adriaen,
en bl. 30, No. 7, eenen derden, Jan genaamd, kennen.

Nog heden bestaan er afstammelingen van den beroemden man, en wel:

1º. Pieter Leeghwater, wonende te Koog, geboren in 1786, die een zoon
is van den in 1807 overledenen Jan Cornelisz. Leeghwater en diens
eerste vrouw Ariaantje Heertjes.

2º. Trijntje Leeghwater, geboren in 1797, eene dochter van voorn. Jan
Cornelisz. Leeghwater en diens 3de vrouw Maartje Kuik. Deze is gehuwd
aan Pieter Haremaker te Zaandijk; [43] en

3º. Cornelis Jansz. Honig, zoon van den Heer Jan Cornelisz. Honig,
te Zaandijk, en diens overledene echtgenoot, Neeltje Leeghwater,
welke was eene dochter van Louwrens Leeghwater en Aaltje Ouwerijk, en
eene kleindochter van Cornelis Louwrensz. Leeghwater en Trijntje Peper.

Behalve deze leeft er te Wormerveer, in den ouderdom van 80 jaren,
een Jan Louwrensz. Groot, wiens moeder mede Leeghwater genaamd was.

De éénige mannelijke afstammeling van Leeghwater, die dien naam
voert, is, voor zoo verre ik heb kunnen nagaan, gemelde Pieter
Jansz. Leeghwater, daar deze ongetrouwd is, staat het te vreezen,
dat met hem het geslacht van Leeghwater zal uitsterven.

Bij de voornoemde afstammelingen van den beroemden man is zijne
nagedachtenis nog in eere: behalve een exemplaar van het Meerboek en
van de kleine Kronijk, zijn aan mij, namens den voornoemden Heer Jan
C. Honig, door bemiddeling van den Heer van Gilse, ter hand gesteld:

1º. Het origineele Octrooi van den jare 1605.

2º. De bovenvermelde, met de pen vervaardigde, eigenhandige teekening.

3º. Een koperen Alidade (liniaal met vizieren) van een werktuig om
hoeken te meten, met het jaartal 1619, afkomstig van onzen Leeghwater.

4º. Een zilveren vergulden Penning, geslagen op de overwinningen van
Prins Frederik Hendrik, en die, volgens het verhaal van vader tot zoon,
mede van onzen Leeghwater afkomstig is, als door hem óf ten geschenke
ontvangen, óf gekocht ter gedachtenis van zijne verrigtingen voor
's Hertogenbosch. [44]



Behoef ik wel te doen opmerken, dat zoo vele herhaalde uitgaven van
het Haarlemmer-Meerboek als ik opnoemde, twaalf in den tijd van iets
minder dan eene eeuw, getuigen van de belangstelling, die het werk
van Leeghwater verwekte? Nog is die belangstelling niet geweken. Zijn
werk is nog altijd belangrijk voor ieder, die over de droogmaking van
het Haarlemmer Meer wil spreken of schrijven. Nog steeds wordt zijn
Haarlemmer-Meerboek gezócht, en de schaars voorkomende exemplaren
worden op boekverkoopingen ruimschoots betaald.

Het kwam mij alzoo niet ongepast voor, om eene dertiende uitgave
van dit werk het licht te doen zien, vooral in deze dagen, waarin de
belangstelling in het ontwerp der droogmaking van het Haarlemmer Meer,
dat groote plan van Leeghwater, weder meer algemeen is. Het kan toch
niet onwelgevallig zijn te weten, wat over dit onderwerp vóór nu twee
eeuwen gezegd is, door eenen man, grijs geworden hij het droogmaken
van zoo vele meren, wier bloei en welvaart thans het sieraad en den
rijkdom van Noord-Holland uitmaken; door eenen man, die sprak uit
eigene ondervinding, niet naar theoriën, dikwerf slechts fraai op
het papier, maar minder geschikt om ten uitvoer te worden gebragt.

Ik heb bij deze uitgave gebruik gemaakt van den hierboven vermelden
achtsten druk. Op verzoek van den uitgever, die zulks voor ons lezend
publiek noodig oordeelde, heb ik hier en daar den stijl een weinig
veranderd, doch mij hieraan slechts zeldzaam schuldig gemaakt. Ik
wilde den eenvoudigen, naïven, ongekunstelden stijl van Leeghwater
zoo min mogelijk bederven. De spelling heb ik naar de thans in gebruik
zijnde gewijzigd.

Het Lofdicht van Heyndrik Albertsz., dat voor het Meerboek gevonden
wordt, heb ik weggelaten, omdat het geene kunstwaarde bezit. Om
dezelfde reden heb ik de gedichten, die Leeghwater in en achter
zijn werk gevoegd heeft, niet overgenomen, omdat zij wel van 's
mans rijmlust, maar geenszins van zijne dichterlijke bekwaamheid
getuigen. Enkele rijmpjes heb ik echter vermeend te mogen overnemen.

Het kaartje en de afbeelding van den Schrijver, welke ik bij deze
uitgave heb gevoegd, worden in den eersten druk niet gevonden. Men
zal ze, zoo ik mij niet vergis, hier met welgevallen aantreffen. De
afbeelding is naar eene teekening van J. de Keyser en gegraveerd door
J. Lamsveld; onder dezelve staan de volgende niet zeer dichterlijke
regels van J. J. Schipper [45].


        »Dit is Leegwaters Beeldt, Aenschouwers, siet vry toe,
        Zyn geest, die altyt werckt en nimmer meer wort moê;
        Aen 't geen zyn Vaderlandt tot welstant kan verstrecken,
        Zich in syn Meerboek zal ten deel aen u ontdecken:
        Wat d' ander rest belangt, die spreyt zich wyt en breet,
        En vat, in zijn vernuft, wat yemand wist off weet."


Ook in den 2den en 3den druk van het Meerboek wordt de afbeelding van
Leeghwater niet gevonden. Waarschijnlijk verscheen zij het eerst in den
4den of 5den druk. In den 7den vond ik haar, doch niet door Lamsveld,
maar door S. Savrij gegraveerd. Daar deze in een' der hoeken het getal
43 heeft, vermoed ik, dat Leeghwater in 1643 door Keyser is geteekend,
toen hij 68 jaren oud was.



Na Leeghwater verschenen er verscheidene andere geschriften over het
Haarlemmer Meer, welke ik kortelijk zal vermelden.

Bijna gelijktijdig met het werkje van Leeghwater, kwam er nog een
ander plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer in het licht,
opgesteld door Jacob Bartelsz. Veeris. Dit werk maakte echter minder
opgang. »Volgens den Heer Van Lijnden (Verhand. bl. 43), verschilde het
plan van Veeris in zoo verre van dat van Leeghwater, dat bij hetzelve
bepaald was een voorboezem, met een' dijk over het eiland Ruigoord,
op welken dijk 15 bovenmolens zouden gesteld worden."

De plannen van Leeghwater en Veeris vonden al dadelijk tegenstand,
vooral bij de Ingelanden van Rhijnland, welke vermeenden, dat, door het
droogmaken van het Meer, de boezem van hun gewest te klein zou worden;
en reeds in 1642 gaf N. van Haegh, onder den titel: C. A. Colevelt's
[46] bedenckingen over het drooghmaken van de Haarlemmer en de
Leydtsche Meer, Honderd Twee en Zeventig articulen in het licht, welke
hij, zoo als hij in het voorberigt zegt: als een liefhebber van het
Gemeenebest, had gecopieerd uit eenige Bedenkingen zamengesteld door
Coleveld, handelende op het uit- en droogmaken van de Haarlemmer en
Leidsche Meer, waarbij hij, naar zijn goeddunken, nog eenige punten
had bijgevoegd, hetgeen hij hoopte dat de schrijver hem niet ten
kwade zou duiden. Uit dit voorberigt zou men dus opmaken, dat deze
bedenkingen zonder voorkennis, immers zonder medewerking van Coleveldt
zijn uitgegeven. Hoe dit zij, de bedenkingen van Coleveldt werden door
Leeghwater in den 4den en volgende drukken van zijn Meerboek bestreden.

Toen de tiende druk van het werk van Leeghwater in 1727 uitkwam,
werd ook in dat jaar het tegenschrift van Coleveldt herdrukt
[47]. Deze herdruk gaf aanleiding, dat C. Velsen, Landmeter van
Rhijnland, in dat zelfde jaar, onder den titel van Aanmerkingen over
de tegenwoordige staat van de Haarlemmer Meer [48], een werkje in het
licht gaf, waarin hij het plan van Leeghwater tegen de bedenkingen van
Coleveldt verdedigde, op de noodzakelijkheid van het droogmaken van
het Meer aandrong en de wijze aan de hand gaf, waarop dit zou kunnen
geschieden, »in voege, dat de steden Haarlem, Leiden en Amsterdam,
alsmede het Hoogheemraadschap van Rhijnland, van veel beter natuur,"
(het zijn 's mans woorden) »omtrent de waterstaat en scheepvaart
zullen wezen, als tegenwoordig."

Dit werkje van Velsen vond zoo veel belangstelling, dat nog in
hetzelfde jaar 1727 van hetzelve een tweede druk in het licht kwam
[49].

Hij oordeelde zoo ongunstig over de Bedenkingen van Coleveldt, dat
hij in de voorrede van zijn werkje zegt: »dat hij er niet anders in
kon vinden, als een deel opgeraapte schimpredenen, op papier gebragt
zonder order en met groote drift; dat het doorzaaid is met zoo vele
belagchelijke stellingen, dat hij niet begrijpt, hoe het in den tijd
van zijn geboorte, zoo veel geloof heeft kunnen verdienen, en dat
men het nu heeft waardig geacht, om het weder het licht te doen zien."

Het werkje van Velsen is zeer lezenswaardig.

Vijftien jaren hierna, in Julij 1742, overhandigden Nicolas Cruquius,
en Jan Noppen, Toeziener en Melchior Bolstra, Landmeter van Rhijnland,
als hiertoe gelast, aan Dijkgraaf en Hoogheemraden van dat Collegie,
een uitvoerig plan wegens de bedijking der Haarlemmer Meer; hetwelk
te vinden is in de nieuwe Nederlandsche jaarboeken van April 1773,
(bl. 385-405); en waarvan de hoofd-inhoud wordt medegedeeld in
de tegenwoordige staat van Holland, (VIe deel der Teg. Staat der
Vereenigde Nederlanden, bl. 186-196) [50].

Tegen dit plan opperde de stad Leiden bedenkingen, welke door de
gemelde Toeziener en Landmeter, bij eene Memorie van het jaar 1745,
werden wederlegd; zoo als gelezen kan worden in de voorm. jaarboeken
van 1773, bl. 406-419.

Intusschen verscheen te Leiden, in het jaar 1743, een ander plan tot
droogmaking van het Meer, van Conradus Zumbach de Koesfeld, Med. en
Stads Dr., Lid van de Koninklijke Societeit van Wetenschappen te
Berlijn, hetwelk volgens den Heer van Lijnden [51] dit bijzonders
had, dat de schrijver, tot uitsparing der kosten, wilde beginnen
met alleen de wateren, die in het meer uitkomen, af te dammen, en,
eerst na de droogmaking, een' ringdijk, uit de klei van het Meer,
daar te stellen [52].

Maar behalve de opgenoemde [53] werden er nog verschillende andere
plannen tot droogmaking van het Haarlemmer Meer gevormd, welke door den
druk niet zijn gemeen gemaakt. Zoo spreekt de Heer Baron van Lijnden,
(verh. bl. 43), van een ongedrukt werkje, dat in 1659 of 1660 schijnt
geschreven te zijn, waarin een plan voorkomt verschillend van die
van Leeghwater en Veeris, en maakt vervolgens (bl. 44 en 45) melding:

1º. Van een plan opgemaakt, ten gevolge van een verzoekschrift door
Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, om te worden gemagtigd
tot het maken van eene uitwatering te Katwijk en tot het bedijken
van de Haarlemmer en Leidsche Meren, aan de Staten van Holland in
1750 ingediend.

2º. Van een plan door de Landmeters D. Klinkenberg en B. Goudriaan,
bij eene Memorie aan gecommitteerde Raden van Holland, benevens aan den
Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, den 31 Jan. 1769 ingeleverd
[54].

3º. Van een plan in den jare 1808, op last van den toenmaligen Minister
van Binnenlandsche Zaken [55], opgemaakt door den Inspecteur A. Blanken
Jansz.; hetwelk in de archiven van den waterstaat berust.

Geen tijdvak echter leverde zoo vele schriften over het droogmaken
van genoemd Meer, als dat tusschen de jaren 1819 tot 1823.

In het eerst gezegde jaar, in 1819, gaf de Heer Mr. J. C. Baron du
Tour, ten gevolge van het bekend geworden plan der Heeren van Lijnden,
Roëll en Repelaar, eene verhandeling over het Haarlemmer Meer in
het licht [56], welke eene historische beschrijving van de wording,
vergrooting en gesteldheid van dat water, en eene uiteenzetting der
plannen van Leeghwater, Veeris en Bolstra bevat.

In het volgende jaar verscheen te Zutphen een werkje, onder den
titel: verhandeling over de droogmaking van het Haarlemmer Meer en
aangelegen veenplassen, doormengd met landbouwkundige aanmerkingen,
door J. Engelman, Oud-Landmeter bij 's Lands Waterstaat [57], waarin de
noodzakelijkheid en nuttigheid van het droogmaken van dien ontzettenden
plas wordt betoogd, en een ontwerp tot droogmaken wordt opgegeven.

Doch al wat tot dus verre over het Haarlemmer Meer en over het
droogmaken van dien plas was geschreven en uitgegeven, werd in
uitgebreidheid en uitvoerigheid overtroffen door het belangrijke werk
van den Heer F. G. Baron van Lijnden van Hemmen, Commandeur van de Orde
van den Nederl. Leeuw, Lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal,
enz. enz. enz., onder den titel van verhandeling over de droogmaking
der Haarlemmer Meer [58].

Dit werk, hoe men ook over de uitvoerbaarheid en nuttigheid van het
daarbij voorgesteld plan, en over de juistheid der daarbij gevoegde
berekeningen, moge denken, zal steeds bij de behandeling van dit
onderwerp onschatbaar blijven.

Alles is hier duidelijk, op eene hoogst, ook voor de in het vak van
den waterstaat oningewijden, bevattelijke wijze, en met kennis van
zaken ter nedergesteld. Het is voorzien van onderscheidene hoogst
nuttige staten en tafels; en bij het werk is gevoegd een atlas met
vier kaarten en eene afzonderlijke plaat.

De 1ste kaart wijst den voormaligen staat van Holland aan, met
zijne Meren en Plassen, vóór die bedijkt waren. Bijna de helft was
toen water.

De 2de toont ons dat zelfde Holland in 1820, met zijne drooggemaakte
Meren en Plassen. Welk een lagchend gezigt!

De 3de geeft ons, in 6 vakken, de onderscheidene gedaanten en grootten
van het Haarlemmer Meer: sedert 1531 tot 1808. Welk eene schrikwekkende
vertooning!

De 4de kaart stelt voor, hoedanig, volgens het plan des Heeren van
lijnden, na de droogmaking het Meer met vaarten doorsneden en in
kavels verdeeld zou kunnen worden. Aangename voorstelling! Terwijl
eindelijk op de plaat eenige werktuigen ter uitmaling zijn afgebeeld.

Dit werk des Barons van lijnden gaf aanleiding tot het ontstaan van
verschillende geschriften. Nog in hetzelfde jaar 1820 kwamen er vier
stukken in het licht.

Al dadelijk verscheen een werkje, tot titel voerende: Het ontwerp
van droogmaking van het Haarlemmer Meer, beknopt, maar volledig
voorgedragen in eenen brief van een' Heer te Utrecht aan zijnen
vriend te Amsterdam [59]. Het bevat eene naauwkeurige opgave van den
zakelijken inhoud des werks van den Heer van lijnden.

Kort hierop volgde een stukje, getiteld: vrye gedachten van een
ingeland van Rijnland over de Verhandeling van droogmaking der
Haarlemmer Meer, uitgegeven door den Heer F. G. Baron van Lijnden
van Hemmen [60].

Waartegen de Heer van Lijnden nog hetzelfde jaar uitgaf: antwoord op
de vrije gedachten van een ingeland van Rijnland [61].

Doch op het einde van dat jaar verscheen in het licht eene Memorie van
den Hoogleeraar Jacob de Gelder, overgegeven aan het Hoogheemraadschap
van Rijnland, behelzende deszelfs consideratie over het ontwerp van
den Heer Baron van Lijnden tot Hemmen, strekkende ter droogmaking
van het Haarlemmer Meer [62].

Op welke Memorie de Baron van Lijnden, in den jare 1822, aanteekeningen
in het licht gaf [63], ter wederlegging van de bedenkingen des
Hoogleeraars.

Indien ik wèl onderrigt ben, heeft de Heer de Gelder eene tweede
Memorie ter perse gezonden; doch deze is, zoo verre mij bekend is,
niet uitgegeven. Mij ten minste kwam zij nimmer in handen.

In den jare 1829 verscheen te Brussel [64] een werkje van Alex. de
Stappers, Mémoire sur le desséchement du lac de Harlem, et sa
conversion en forêt. De schrijver zegt in het Voorberigt, dat hij
in Mei 1829 aan het Gouvernement het voorstel heeft gedaan, om aan
hem voor altijd het Meer en eenige nabijgelegene plassen af te staan,
ten einde ze door eene Maatschappij, zamengesteld uit 12000 Aandelen,
ieder van f 500.--, droog te maken, en wel door middel der pompen, voor
welke hij op den 9den dier maand een Octrooi van uitvinding gedurende
15 jaren heeft bekomen. Hij stelt voor, tusschen Bennebroek  en Lis een
Kanaal naar de Noord-Zee te graven, om, in geval de sluizen van Katwijk
en Sparendam niet voldoende mogten zijn, door hetzelve het water van
het Meer en van Rhijnland te doen afloopen. Een groot gedeelte van
het drooggemaakte Meer wil hij in bosch herscheppen, en geeft hoog
op van de voordeelen, die de droogmaking zou opleveren. De politieke
omstandigheden schijnen den Heer Stappers te hebben belet, verdere
pogingen ter bereiking van zijn doel in het werk te stellen. Het
werkje, schoon wat winderig, is niet onbelangrijk.

Eindelijk moeten wij nog melding maken van het onlangs uitgekomen werk
van den Heer G. J. Pool, Med., Chir. en Stads Doctor te Amsterdam,
onder den titel: de droogmaking der Haarlemmer Meer, mits met de
noodige voorzorgen in het werk gesteld, voor de gezondheid der naburige
bewoners en arbeiders niet schadelijk [65]. Moetende strekken ter
bestrijding van het gevoelen van velen, dat de droogmaking van eenen
zoo grooten plas, als het Haarlemmer Meer, tot heerschende ziekten
in de omliggende plaatsen aanleiding zou kunnen geven. Welk gevoelen
ook de Heeren van Lijnden en Stappers in hunne werken hebben bestreden.

Deze talrijke geschriften over het droogmaken van het Haarlemmer Meer
en over de gevolgen, die zulk eene onderneming zou kunnen hebben,
getuigen van het belang, hetwelk men te allen tijde in deze zaak
heeft gesteld. Maar aan Leeghwater komt de eer toe, van, zoo ver
men kan nagaan, het eerst een plan tot droogmaking wereldkundig te
hebben gemaakt. Dit plan is door de meeste der volgende schrijvers,
maar bijzonder door den Baron van Lijnden, ten hoogste geprezen,
en zijn werk is, na al wat er na zijnen tijd over dit onderwerp
is geschreven en na al de vorderingen, welke men sedert dien tijd
in bijna alle Wetenschappen, voornamelijk in de waterbouwkunde en
aanverwante vakken, ook door het gebruik van stoom heeft gemaakt,
nog altijd eene vraagbaak voor hem, die over het droogmaken van het
Haarlemmer Meer wil schrijven of spreken.

Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer, en over het
droogmaken van dezen plas, was en is nog aan de orde van den dag
[66], nadat Z. M. bij besluit van den 7den Augustus 1837, No. 51 [67],
»in aanmerking nemende," (het zijn de woorden van het besluit zelf)
»dat de ondervinding van den laatsten winter de noodzakelijkheid
heeft doen geboren worden, om de droogmaking van het Haarlemmer
Meer op nieuw in opzettelijke overweging te nemen," eene commissie,
bestaande uit de Heeren: H. Ewijk, Raad-adviseur bij het Departement
van Binnenlandsche zaken, Voorzitter, Jonkr. W. Barnaart van Bergen,
Lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, M. G. Beijerinck,
Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Zuid-Holland, C. J. de Bruijn
Kops, Burgemeester der stad Haarlem, Jonkheer L. R. Gevaerts,
Lid van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, P. T. Grinvis,
Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Noord-Holland, Jonkheer D. Hooft
Jacobsz., Lid van den Raad der stad Amsterdam, D. Mentz, Inspecteur
van den Waterstaat en P. A. du Pui, Hoogheemraad van Rhijnland,
had benoemd, ten einde de verschillende reeds bestaande ontwerpen
van droogmaking van dat Meer te onderzoeken, vervolgens een bepaald
eindontwerp en begrooting van kosten dezer onderneming op te maken
en van hare werkzaamheden uiterlijk op den eersten November 1837 aan
Z. M. verslag aan te bieden.

Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer is niet verminderd,
nadat in de Zitting van de Tweede Kamer der Staten Generaal van den
28sten Februarij j. l., met eene Koninklijke boodschap, een ontwerp
van wet, omtrent de uitgifte van losrenten op een gedeelte der schuld
ten laste der overzeesche bezittingen tot het doen van voorschotten
voor openbare werken, was ingekomen, waarbij onder anderen eene som
werd bestemd en aangewezen, tot het bedijken en droogmaken van het
Haarlemmer Meer, alzoo Z. M. in overweging had genomen, (het zijn
de woorden van het ontwerp) dat het belang van den Staat vordert,
om eerlang tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer
over te gaan [68].



Hoezeer die wet is afgestemd, kan het echter voor elk, die belang in
deze zaak stelt, niet onwelgevallig zijn, al hetgeen omtrent dezelve is
voorgevallen te kennen, en de gevoelens der volks-vertegenwoordigers
over dit belangrijk onderwerp te vernemen. Meenig een' zal het,
dunkt mij, welkom zijn, alles wat over deze zaak, ten gevolge van de
voorgestelde Wet in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, is verhandeld,
voor zoo ver het openbaar is gemaakt, alhier bijeen verzameld aan
te treffen.

Bij de voornoemde Wet was gevoegd eene memorie ter toelichting,
welke ten opzigte van het punt der droogmaking van het Haarlemmer
Meer aldus luidt [69]:

"Wat de droogmaking van het Haarlemmer Meer betreft, vermeent men,
dat het wenschelijke en nuttige dezer onderneming geen breed betoog
zal behoeven."

»Het is algemeen bekend, hoe grootelijks deze waterplas gedurende de
laatste eeuwen zich heeft uitgebreid, en hoe vele vruchtbare gronden
daardoor zijn verslonden geworden. Met opoffering van zware kosten
heeft men daaraan dan wel eenigermate paal en perk gesteld; doch nog
jaarlijks moeten aanzienlijke sommen worden aangewend, om het verder
inbreken voor te komen, en in weerwil daarvan heeft de ondervinding nog
onlangs geleerd, hoe groote verwoestingen door het geweld van dezen
plas kunnen worden, aangerigt, welke eenmaal zoodanig kunnen worden,
dat de rampen niet dan met enorme kosten zouden kunnen worden hersteld,
of zelfs onherstelbaar zouden worden."

»Daarbij nu komt, dat in het midden des lands eene onvruchtbare
waterplas of liever binnenlandsche zee van omtrent 18,000 bunders
lands gevonden wordt, die voor den landbouw, de industrie en
de bevolking verloren is, en die, wanneer zij eenmaal mogt zijn
drooggemaakt, en in vruchtdragenden grond herschapen, ook door
deszelfs gunstige gelegenheid nieuwe bronnen van welvaart openen
kan, en in de gevolgen voor het algemeen of het Rijk aanzienlijke
voordeelen moet opleveren, door het verschaffen van arbeid en middelen
van bestaan aan duizende handen en nijvere menschen, en het daardoor
in evenredigheid vermeerderen van 's Rijks inkomsten; in één woord,
door het toenemen van den publieken rijkdom, hetwelk van het een en
ander het natuurlijk gevolg moet zijn."

»De ondervinding en het besef van het een en ander moest natuurlijk
leiden tot het denkbeeld, om door het droogmaken van dezen waterplas
het eene voor te komen en het andere te bewerken; en in der daad zijn
daartoe in vroegere en in latere tijden ontwerpen te berde gebragt en
beraamd, waarvan de uitvoering echter steeds is achterwege gebleven,
hetzij dat tijden en omstandigheden daartoe hebben medegewerkt,
hetzij dat zich daartegen bedenkingen opdeden, voornamelijk ontleend
uit den physieken toestand van het Hoogheemraadschap van Rhijnland,
die niet altijd gereedelijk waren uit den weg te ruimen."

»De omstandigheden, waarin dit distrikt ten aanzien van deszelfs
uitwatering verkeert, zijn echter in de latere tijden zóódanig
veranderd, en de middelen, die men thans kan aanwenden, om alle
bedenking daaromtrent weg te nemen, zóó gereed, dat men alsnu tot de
onderneming der droogmaking veilig zal kunnen overgaan."

»De opzettelijke en naauwkeurige overweging, die ten aanzien hiervan
is ingesteld, heeft dit ontegenzeggelijk doen zien, en dienvolgende is
dan ook het ontwerp beraamd, welks uitvoering thans gereed is om te
kunnen worden ondernomen, om weldra de heilrijke vruchten te dragen,
die daaruit moeten voortvloeijen."

»Eene onderneming van dezen aard, mitsgaders al de voorzorgen,
die daarbij moeten worden in acht genomen, kunnen niet anders dan
aanzienlijke kosten vereischen, zijnde de geheele som, hiertoe noodig,
berekend op ruim acht millioenen gulden, welke som nogtans natuurlijk
niet op éénmaal zal worden vereischt, maar successivelijk zal moeten
besteed worden, en voor een goed gedeelte slechts als voorschot kan
worden beschouwd en zal worden gerecouvreerd uit den verkoop der
drooggemaakte gronden en de verdere voordeelen, die de onderneming
gedurende de bewerking zal opleveren; terwijl, al mogt uit het een en
ander de geheele uitgeschoten som niet kunnen worden teruggevonden,
het ontbrekende als uitnemend wel besteed geld zal moeten worden
aangemerkt, en door de vermeerdering van de algemeene welvaart en
rijkdom rijkelijk zal worden vergoed."

»Behalve enz."

Met betrekking tot dit onderwerp van wet, werden aan de Kamer drie
verzoekschriften ingediend, waarvan één in de vergadering van 7 Maart
ingekomen, als niet voldoende aan de vereischten van de grondwet,
ter zijde werd gesteld. Het tweede was van Jonkheer N. J. Steengracht
van Duivenvoorde; waarop door de commissie van de verzoekschriften,
in de zitting van den 23sten Maart, bij monde van den Heer van Welderen
Rengers, werd uitgebragt het navolgend verslag:

»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van
jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorde, landeigenaar onder
Rijnland. Verzoeker geeft te kennen, dat aan de Staten-Generaal
een ontwerp van leening van 30 millioen is aangeboden, om daaruit,
onder andere werken van openbaar nut, ook de Haarlemmer Meer droog
te maken; dat de landeigenaars onder Rijnland, vertegenwoordigd
door hunnen dijkgraaf, hoogheemraden en hoofd-ingelanden, over dit
belangrijk onderwerp niet zijn gehoord geworden; dat deze echter een
verkregen regt vermeenen te hebben op de Haarlemmer Meer, als boezem
voor hunne landen."

»Hij beweert, dat het voor al de landen ten zuiden van den Rijn
gelegen, die door eenen dijk van den algemeenen boezen zijn
afgescheiden en uit hoofde van derzelver lagere verkaaijingen aan
een maalpeil zijn onderworpen, van het hoogste belang is, dat de
voorgestelde maatregelen van droogmaking alle die waarborgen opleveren,
welke ten voordeele van dezelve worden verlangd. Requestrant vermeent,
dat uit het gemaakte plan van droogmaking blijkt, dat de boezem twee
derden in zijnen omvang zal worden verkleind; dat daardoor de berging
voor het water, hetwelk door de molens op den Haarlemmer Meer-boezem
thans wordt uitgemalen, even zoo veel beperkter wordt. Hij betoogt,
dat het gevolg hiervan zal worden, dat de landen zoo voor de kultuur
van granen, als voor het weiden van beesten, onbruikbaar zullen
worden, en meer dan tachtig duizend bunders zullen verloren gaan. Hij
beweert, dat dit eene van de voorname redenen is, om welke men in
vroegere tijden nimmer heeft durven overgaan tot het droogmaken van
de Haarlemmer Meer. Hij geeft verder te kennen, dat het groot nadeel,
hetwelk de landeigenaren bij eene eventuëele droogmaking van die meer
zouden lijden, door het gemis van eenen genoegzamen boezem tot berging
van het uitgemalen water, en door het even groot verlies van ontlasting
van dat water op het IJ, konde worden voorgekomen, wanneer gebruik werd
gemaakt van genoegzame stoomwerktuigen, om den winterboezem te houden
op 14, 15 à 16 duimen beneden A. P., op welke hoogte die boezem altijd
wordt gehouden en tot de cultuur der landen moet worden gehouden. Hij
vraagt al verder, door wien het daarstellen en het onderhoud van zoo
vele benoodigde werktuigen zouden moeten worden bekostigd, en vermeent,
dat die kosten alleen ten laste van dezulken, door wie de Haarlemmer
Meer zoude worden drooggemaakt, behooren gebragt te worden, en niet
ten laste van Rijnlands eigenaren zoude kunnen komen, hetwelk uit
de stelling van den requestrant schijnt te zijn eene der voornaamste
grieven, waarom het request wordt aangeboden. Adressant eindigt met
het verzoek, dat het U Ed. Mogenden behage, de belangen van Rijnlands
landeigenaren ten deze in vaderlijke overweging te willen nemen en te
zorgen, dat de Haarlemmermeer niet worde drooggemaakt, dan nadat de
daartegen militerende grieven der landeigenaren onder Rijnland zullen
zijn opgeheven en geheel weggenomen; dat zij in hunne belangen mogen
worden gehoord en als eigenaren van de Meer, als boezem van geheel
Rijnland beschouwd, voor de uitwatering der landen, in dat hun regt
mogen worden gemaintineerd."

»Uwe Commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking
hebbende tot eene wet bij deze Vergadering aanhangig, ter inzage van
de leden, behoort te worden nedergelegd ter griffie." [70]

Het derde verzoekschrift was van den Heer G. J. A. A. Baron van
Pallandt, waarop door de voornoemde Commissie mede bij monde van den
Heer Rengers, in de zitting van den 26sten, werd gedaan het volgend
verslag:

»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van
G. J. A. A. van Pallandt."

»Verzoeker geeft te kennen, dat hij, doordrongen van en vervuld met
het gewigt eener zaak van zoo veel belang als de droogmaking van de
Haarlemmer Meer, en geheel ingenomen met dit grootsche plan, zich tot
U Ed. Mogenden wendt, om, als een der belanghebbende grondeigenaren,
onmiddellijk aan dien thans zoo gevreesden waterplas grenzende,
zijne bedenkingen tegen de wijze waarop en de middelen waardoor die
droogmaking waarschijnlijk zal plaats hebben, met allen eerbied aan
deze vergadering bloot te leggen, in de hoop, dat U Ed. Mogenden hem
mogen gerust stellen, door betere inlichtingen, of de bezwaren opheffen
en keeren, of door andere meer doelmatige hulpbronnen doen vervangen."

»Hij geeft in de eerste plaats te kennen, dat, hoezeer de droogmaking
van de Haarlemmer Meer, bij welgelukken, als een zegen mag worden
beschouwd, echter proefnemingen, bij gelegenheid van die verbazende
en kostbare onderneming, al de in- en aangelanden in eene groote
ramp zouden storten.--Hij vermeldt, dat het hem uit het rapport
der commissie van de droogmaking der Haarlemmer Meer, ingesteld bij
Koninklijk besluit van 7 Aug. 1837, No. 51, is kenbaar geworden, dat
men de kanalen van Sparendam en Katwijk verbeteren en sluizen wil
bijbouwen, en, bij onvoldoende bevindingen, een stoomwerktuig van
180 paardenkracht te Sparendam wil plaatsen.--Hij geeft te kennen,
dat men dus, in plaats van met wiskundige zekerheid een werk van
dien omvang en van zoo groot gewigt te beginnen en te voltooijen,
eene proeve wil nemen, of, nadat de genoemde Meer zal zijn bedijkt,
de kleinere boezems de massa's water, die thans op den grooten boezem
worden uitgemalen, zullen kunnen verzwelgen.--Hij merkt aan, dat men
eerst dán, wanneer de molens zullen moeten stilstaan en de heerlijke
en vruchtbare landerijen geheel of ten deele met water zullen zijn
overdekt, waardoor het bestaan van den landman, althans voor een
gedeelte van het jaar, zal zijn weggenomen, een stoomwerktuig zoude
willen plaatsen."

»Adressant beschouwt zoodanige proefneming strijdig met het regt van
den grondeigenaar, die daaraan have en goed ziet prijs gegeven.--Hij
zegt, dat de ondervinding hem heeft geleerd, dat in het voor- en
najaar, wanneer er eenige dagen stilte is geweest, de groote meerboezem
met eene stevige koelte in één' dag een' Rijnlandschen duim en soms
hooger wordt opgemalen; dat in het najaar, bij aanhoudende westewinden,
dikwijls in verscheidene weken, door den hoogen stand der zee, noch
te Katwijk, noch te Sparendam of elders kan worden gestroomd, dat dan
de Haarlemmer Meer, door aanhoudend malen, zoo hoog wordt opgezet,
dat de onbedijkte landen en ook die in zomerkaden zijn gelegen,
overstroomd worden, of dat bij storm de polders, door het woedend
opzetten van het water, onderloopen;--hij vraagt, wat dan zoo vele
sluizen kunnen helpen, en vermeent, dat dezelve zonder nut zullen
dáár zijn, omdat wanneer de Haarlemmer Meer nu in weinige weken zoo
hoog kan worden opgezet, alsdan de kleinere boezem in weinige dagen
boven peil zal moeten zijn."

»Requestrant geeft in de tweede plaats te kennen, dat hij zich
niet zal vermeten eenige berekening te maken of het stoomwerktuig
te Sparendam voldoende zal bevonden worden, alsmede of de kanalen,
op zoodanige uitgestrekte ruimte, al het water, dat in zijne streken
en ook achter Leijden en in dien omtrek wordt opgemalen, zullen
kunnen bergen, en spoedig genoeg naar hunne uitwatering te Sparendam
en elders afleiden?--Hij vermeent evenwel, dat het doelmatiger
zoude zijn, wanneer dadelijk bij den aanvang van het werk, zoo te
Sparendam als ook te Katwijk, een stoomwerktuig wierd opgerigt, dat
dan de Spieringermeer niet tot vóórboezem zoude behoeven te worden
gehouden.--Hij gelooft tevens, dat het voorzigtiger zoude zijn, den
duiker, die hen, bij gebrek aan water, uit den IJssel daarvan zoude
voorzien, dadelijk daar te stellen; en vraagt, voor wiens rekening,
wanneer eens de meer droog zal zijn, en daarna het nut van zoodanigen
duiker wordt ingezien, dit nawerk zal komen, alsmede het onderhoud
der stoomwerktuigen?--Hij beweert, dat de aangrenzende landbezitters
met billijkheid een' genoegzamen waarborg mogen vragen, en schadeloos
behooren gesteld te worden, even als bij eene onteigening hunner
gronden,--dat de meer hun eigendom is, en dat de bedijking van
dezelve met eene onteigening gelijk staat.--Hij geeft te kennen
dat hun regt op de Haarlemmer Meer van uitmaling en boezem sedert
eeuwen onbetwistbaar is gebleven,--dat zij sinds onheugelijke jaren
in Rhijnland tot onderhoud der kostbare Meerwerken betalen, alleen om
in die Meer altoos het overbodige water vrij en onverhinderd te mogen
uitmalen,--dat zij nooit op eenig peil zijn gezet,--dat zij hunne
landerijen met die voorregten hebben gekocht, en dat de directie
van Rhijnland altijd met de meeste en onvermoeide zorgen voor de
uitwatering heeft gezorgd.--Hij vermeent verder, dat de voornaamste
grondeigenaren in Rhijnland, immers eene commissie uit hun midden,
mogt worden gehoord, ten einde zoodanige maatregelen te beramen,
als waardoor elke vrees voor onzekere uitkomst wierd weggenomen en
hunne duurgekochte landerijen tegen groote onheilen wierden verzekerd."

»Adressant geeft eindelijk te kennen, dat de geopperde bedenkingen
en zwarigheden hem gewigtig genoeg zijn voorgekomen, om dezelve aan
U Edel Mogenden met allen eerbied, in het belang van het algemeen,
maar vooral ook voor hen, die in Rhijnland hun land en bestaan vinden,
kenbaar te maken, in de hoop en het vaste vertrouwen, dat dezelven in
uwe vergadering zullen worden overwogen en velen met hem mogen worden
gerust gesteld, door meer voldoende maatregelen op vaste gronden,
zonder proefnemingen."

»Uwe commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking
hebbende tot eene wet bij deze vergadering aanhangig, ter inzage van
de leden, behoort te worden nedergelegd ter griffie [71]."

Beide verzoekschriften werden ter griffie nedergelegd en de verslagen
gedrukt en rondgedeeld.

Inmiddels werd het Ontwerp der Wet in de onderscheidene Afdeelingen der
Kamer behandeld; uit de Proces-Verbalen der beraadslagingen bleek onder
and., dat de Afdeelingen, alvorens zich met de zaak bezig te houden,
eenparig verlangd hebben, dat, aangezien het tegenwoordig Voorstel
drie onderwerpen bevat, welke met elkander niets gemeens hebben,
hetzelve in drie Ontwerpen van Wet mogt worden gesplitst, waarvan
het eerste zou handelen over den IJzeren Spoorweg, het tweede over
het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en het derde over
het aanleggen en verbeteren van andere werken van algemeen nut, enz.

»Nopens het droogmaken van het Haarlemmer Meer, heeft men de vraag
geopperd, of daartoe nu werkelijk noodzakelijkheid bestond; welke
de waarschijnlijke gevolgen zouden zijn, indien hiertoe niet spoedig
werd overgegaan, en of er ook andere middelen aanwezig zijn, om die
bezwaren uit den weg te ruimen? Voorts heeft men verlangd te weten,
hoe veel kosten er, gemiddeld, in de laatste 10 jaren zijn aangewend,
om de uitbreiding van het Haarlemmer Meer tegen te gaan; door wie
de kosten zijn gedragen, en op welke wijze het Rijk vergoeding zal
bekomen voor de ontlasting, welke uit eene bedijking en droogmaking
zal voortvloeijen? Welke bezwaren, uit den physieken toestand van het
Hoogheemraadschap Rijnland ontleend, het droogmaken tot nog toe in
den weg stonden, en op welke wijze die uit den weg zijn geruimd. Hoe
veel bunders men hierdoor voor cultuur denkt te verkrijgen, en of deze
dadelijk, dan wel eerst na verloop van vele jaren, vruchtdragend kunnen
zijn? Welke de voordeelen zijn, die, volgens de memorie, gedurende
de bewerking door de onderneming zullen worden opgeleverd? Of het
drooggemaakte Meer eventueel bij Rijnland zal worden gevoegd, en of
er behoorlijk zal worden zorg gedragen voor het voortdurend onderhoud
van de dijken, opdat dit niet ten laste van het Rijk moge komen?"

»Intusschen vermeenden onderscheidene leden reeds nu in het midden te
moeten brengen, dat zij het droogmaken van het Haarlemmer Meer in vele
opzigten als zeer nuttig beschouwen, niet alleen ter bevordering van de
gezondheid der in de nabijheid wonende ingezetenen, als ten behoeve van
Rijnland en van de Hoofdstad, en tot voorkoming van overstroomingen
en uitbreiding van dit Meer. Eenige leden waren van gevoelen, dat,
aangezien die droogmaking eigenlijk strekte ten nutte van Holland,
de onderneming ook moest komen ten laste van de provinciale kas van
Holland, en niet tot die van het Rijk, daar de Regering b. v. verklaard
had, dat ten aanzien van de verbetering van rivieren, waarmede het
belang en de welvaart van vier Provinciën in het naauwste verband
staat, en de conservatie van de zeeweringen in Groningen en Vriesland
de Rijksfinanciën niet toelieten, daartoe bij te dragen, terwijl
overigens de ondervinding b. v. bij den Zuidplas geleerd had, dat de
kosten bij de droogmakingen de ramingen verre overtroffen enz." [72].

De antwoorden der Regering betreffende dit onderwerp waren van den
volgenden inhoud:

»1º. Het zoude, naar het inzien der Regering, overbodig zijn, om de
nuttigheid en noodzakelijkheid van de onderworpen droogmaking in het
breede te betoogen."

»Men moet zich aan den eenen kant voorstellen een' uitgestrekten
waterplas van duizenden bunders, die voor de publieke welvaart
niet alleen geene de minste vruchten oplevert, en voor de som des
algemeenen rijkdoms verloren is, maar die bovendien, in weêrwil van de
aanzienlijke kosten, die, ter verhoeding van rampen, moeten worden
aangewend, de verwoesting steeds verder dreigt uit te strekken,
zoodat de vrees geenszins ongegrond is, dat hij zich eenmaal tot
voor de poorten der hoofdstad zal uitbreiden, onherstelbare rampen
zal veroorzaken, en in eenen staat kan geraken, die de droogmaking,
waartoe men eenmaal zal moeten besluiten, meer en meer moeijelijk en
kostbaar maken zoude."

»Men stelle zich aan den anderen kant voor, dezen uitgestrekten en
dreigenden waterplas in vruchtbare velden herschapen, door nijvere
bewoners bevolkt, rijke producten opleverende, en door die producten
den algemeenen rijkdom toegenomen, en den Staat in zijne inkomsten
in velerlei opzigten aanmerkelijk bevoordeeld."

»De keus kan dan zeker niet twijfelachtig zijn, al ware het, dat er
eenige opoffering daarvoor moest plaats hebben."

»Het heeft in vorige tijden niet aan ontwerpen, noch aan het voornemen
ontbroken, om tot deze droogmakerij over te gaan; doch er waren
daarmede zwarigheden verbonden, die niet gereedelijk konden worden
uit den weg geruimd.

»Gelukkiglijk is dit thans het geval niet meer, en de Regering
vermeent, dat, zoo ooit, dan thans, het oogenblik geboren is, dat
tot deze zoo weldadige en verlangende onderneming, zonder bedenking
zal kunnen worden overgegaan."

»2º. Eene onderneming van dezen aard zou echter geenszins aan eene
Provincie kunnen worden opgedragen; zij is daarvoor volstrekt niet
vatbaar, en dit te minder: vermits de voordeelen, die er uit moeten
voortspruiten, niet uitsluitend zouden zijn voordeelen voor eene
enkele Provincie, maar wel degelijk voor den geheelen Staat."

»De Regering heeft er zich steeds voor verklaard, om de algemeene
verbetering der rivieren, als eene zaak van algemeen belang, voor hare
rekening te nemen; alles wat daaromtrent geschiedt wordt uit 's Rijks
kas bekostigd, en ook thans is men nog onledig met de overwegingen
omtrent eene uitgestrekte verbetering der rivieren: met zulke groote
ondernemingen laat zich het onderhavig plan het naast vergelijken;
terwijl, wat de conservatie der zeeweringen betreft, dit eene zaak is
van eenen anderen aard; want, over het algemeen, is het onderhoud van
alle rivier- en zeedijken ten laste van de belanghebbenden, en alleen
dan, wanneer de kosten van dit onderhoud hun vermogen te boven gaan,
kan het Rijk met eenen bepaalden onderstand tusschen beiden komen."

»3º. Het kan niet gezegd worden, dat de kosten van uitvoering van
waterstaats-werken in den regel de ramingen overtreffen. Bij verre
de meeste werken is dit het geval niet, en ook is dit tot nog toe
bij de droogmaking van den Zuidplas geenszins gebleken."

»Men meent dan ook, met genoegzamen grond, als zeker te kunnen
stellen, dat de droogmaking van het Haarlemmer Meer voor de geraamde
som zal kunnen worden bewerkstelligd. Het zou overbodig zijn, omtrent
alle berekeningen deswege in de bijzonderheden te treden, daar deze
gegrond zijn op veelal kunstmatige onderzoekingen, en onderworpen
zijn geweest aan eene kommissie, uit de voornaamste belanghebbenden
en deskundigen zamengesteld."

»4º. Het kan niet wel met volkomen waarschijnlijkheid worden voorzien,
welke de opbrengst zal zijn van den verkoop der droog te maken landen,
vermits zulks van zeer vele omstandigheden kan afhangen, die vooraf
moeijelijk te berekenen zijn."

»Daar evenwel de waarschijnlijkheid bestaat, dat de gronden zeer goed
voor weilanden en de veeteelt zullen geschikt zijn, en de situatie ook
daartoe alle aanleiding geeft, zoo mag men met eenigen grond eenen
redelijken prijs voor den eventuelen verkoop der landen verwachten;
terwijl in allen geval de aanzienlijke voordeelen, die het Rijk door
de onderneming niet ontgaan kunnen, nog eene rijke vergoeding zouden
opleveren, indien de opbrengsten der gronden zelve beneden de bestede
kosten blijven mogten."

»5º. De kosten om de oevers van het Haarlemmer Meer volledig
te beveiligen, zijn zeer groot, en gaan verre het vermogen der
onmiddellijk belanghebbenden te boven."

»De geheele oostelijke oever moet thans door eene steenen glooijing
voor verdere inbraak worden beschermd. De som van omtrent f 30,000
wordt daartoe jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rijnland
aangewend, zonder dat men zeggen kan, dat hiermede alle gevaar kan
worden voorgekomen."

»6º. Onder de droogmaking zal worden begrepen het geheele eigenlijke
Haarlemmer-Meer, benevens het Leidsche- en Kager Meer, met uitzondering
echter van het Spiering-Meer, hetwelk men algemeen gemeend heeft niet
in de droogmaking te moeten begrijpen, zoo om den boezem van Rijnland
niet te veel te verkleinen, als om voor de uitlozing eenen gereeden
toegang naar de sluizen te behouden."

»De uitgestrektheid der droog te maken gronden zal dien ten gevolge
een aantal van omtrent 16,700 bunders lands bedragen, die dadelijk
als vruchtdragend moeten worden beschouwd."

»7º. De Regering vermeent, dat zij niet zal behoeven te verzekeren,
dat alle bijzondere belangen en verkregene regten op de volledigste
wijze zullen worden onder het oog gehouden. Zij is zoo zeer overtuigd,
dat zulks behoort te geschieden, dat daaromtrent reeds overwegingen
hebben plaats gehad, en zij acht het een harer voornaamste pligten
te zijn, om hiervoor in alle gevallen te waken."

»8º. De onderneming moet geacht worden zeer uitvoerlijk te zijn,
en, in vergelijking met andere uitgevoerde droogmakingen, zelfs
geene bijzondere zwarigheden op te leveren. Het spreekt van zelf,
dat de waterplas geheel moet worden bedijkt, terwijl de uitmaling,
hetzij door windmolens, vereenigd met de kracht des stooms, hetzij
door stoomwerktuigen alleen (waaromtrent nog overwegingen plaats
hebben), zal moeten geschieden; de juiste tijd, binnen welken de
uitvoering zal kunnen worden tot stand gebragt, kan intusschen
niet worden bepaald, aangezien dit van vele meer of min gunstige of
ongunstige omstandigheden afhangt, en zijnde de keuze, ten aanzien
van het in meerdere of mindere mate aanwenden van stoomwerktuigen,
tot uitvoering en het duurzaam drooghouden van het Meer, daaromtrent
van een' grooten invloed."

»9º. Hierboven is reeds vermeld, welke sommen jaarlijks door het
Hoogheemraadschap van Rijnland, ter beveiliging der oevers, moeten
worden aangewend. Daarvan zal dit district bevrijd worden; doch dit
is niet het éénige voordeel, dat hetzelve door de droogmaking bekomt;
het aantal van 16,700 bunders zal, in zoodanige evenredigheid als
billijk zal worden bevonden, althans voor de uitlozing van deszelfs
water, moeten bijdragen, zoo dat dit district het uitzigt verkrijgt,
dat in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt."

»10º. De belangen van het gemelde Hoogheemraadschap hebben vroeger de
uitvoering dezer onderneming in den weg gestaan, vermits men vermeende,
dat deszelfs uitlozing daardoor zoude worden belemmerd."

»Men heeft daarin nu echter, door deze gemaakte ontwerpen, op de
meest voldoende wijze kunnen voorzien, zoo door een' overblijvenden
ruimen boezem, als de stichting van meerder uitlozende sluizen, de
volledige verbetering van het Katwijksche Kanaal, en het aanwenden
der stoomkracht, om, ingeval van nog bestaande noodzakelijkheid,
den boezem onmiddellijk naar vereisch te ontlasten."

»11º. De voordeelen gedurende de bewerking, bestaan in de verhuring
der dijken, de verpachting der visscherij, die der van tijd tot tijd
droogkomende landen, en eenige opbrengsten van dien aard."

»12º. De uitlozing van den toekomstigen polder zal op den boezem van
Rijnland plaats hebben; doch de vraag, of deze polder ook onmiddellijk
tot dat Hoogheemraadschap behooren, en, even als alle andere polders,
een gedeelte daarvan zal uitmaken, zal later, overeenkomstig de
bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen,
kunnen worden uitgemaakt."

»13º. De dijken van het droog te maken Haarlemmer Meer komen
natuurlijk ten laste van den eventuëelen polder, en moeten door
denzelven onderhouden worden, even als zulks in alle andere gevallen
plaats heeft, en er is geene de minste reden, om te vermoeden, dat
dit niet naar behooren zoude geschieden, daar het bestaan der droog
te maken landen hiervan afhankelijk is, en overigens daaromtrent ook
een zorgvuldig toezigt plaats heeft [73]."

Nadat deze antwoorden wederom in de Afdeelingen van de Tweede Kamer
waren onderzocht, en, in de vergadering van 31 Maart, de Centrale
Afdeeling een nader Verslag had uitgebragt [74], werd in de Zitting
van den 2den April over de voorgestelde Wet beraadslaagd. Acht en
Veertig Leden [75] waren tegenwoordig, waarvan vijftien over de wet
het woord hebben gevoerd.

De eerste spreker was de Heer van Swinderen, welke zeide:  [76]

»Is ten allen tijde in ons vaderland het groot belang, hetwelk
de ingezetenen hebben in den waterstaat, in vaarten en wegen,
levendig gevoeld; zijn in het bijzonder de menigvuldige bedijkingen,
en de in de laatste jaren aanmerkelijk vermeerderde en verbeterde
vervoermiddelen daarvan sprekende bewijzen; het heeft ons dan ook niet
kunnen bevreemden, dat de Regering hare aandacht gevestigd heeft,
zoo wel op het droogmaken en in eenen vruchtbaren grond herscheppen
van eenen grooten, van tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en
daardoor dreigenden waterplas, als op het meer snel en minder kostbaar
vervoer van personen en goederen over ijzerbanen, die reeds in andere
landen in gebruik zijn gesteld. In tegendeel, wanneer wij ons met
de Regering dien uitgestrekten en dreigenden waterplas voorstellen
als in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt,
rijke producten opleverende, en hierdoor den algemeenen rijkdom
vermeerderende, en den Staat in zijne inkomsten in velerlei opzigten
aanmerkelijk bevoordeelende,--wanneer wij tevens het hooge belang
gevoelen van den buitenlandschen handel, en denzelven wenschen te
behoeden voor een gevaar, hetwelk geenszins hersenschimmig wordt
genoemd,--dan kunnen de ontwerpen van wet tot zulke gewigtige oogmerken
strekkende, ons niet dan welkom zijn, en de zorg, met welke het thans
in openbare beraadslaging zijnde ontwerp in alle de afdeelingen is
overwogen, levert een ondubbelzinnig bewijs op, dat het gewigt van
hetzelve levendig door U Ed. Mogenden wordt gevoeld."

»Geen wonder dus, dat de inlichtingen, welke ons ter dezer zake
door de Regering zijn gegeven, vooral ook de op ons aanzoek ons
ter inzage verleende memoriën en berekeningen van die kundige
en vaderlandslievende mannen, welke over deze onderwerpen zijn
geraadpleegd, en welke hunne gevoelens en inzigten zoo uitgewerkt aan
de Regering hebben medegedeeld, door ons met de meeste belangstelling
zijn ontvangen geworden."

»Ik wenschte dan ook, Ed. Mog. Heeren! dat het ontwerp van wet mijne
geheele toestemming mogt kunnen erlangen, en dat ik niet in den
tijd en de wijze waarop, zoowel als in de middelen door welke, de
uitvoering van de in dat ontwerp, alsmede in de toelichtende memorie
en in de beantwoording der ingebragte bedenkingen, omschrevene werken
zal plaats hebben, zoo vele bezwaren vond, dat ik daardoor van die
toestemming, immers voor alsnog, wierd weêrhouden."

»Daar echter die bezwaren reeds in de processen-verbaal van
de beraadslagingen der afdeelingen zijn te berde gebragt, zoude
ik vreezen de aandacht van U Ed. Mogenden te misbruiken, indien ik
thans in eene breede ontwikkeling van alle dezelven wilde treden, en
ik zal daarom trachten deze bezwaren, zoo verre die in het verhaal
der vierde afdeeling voorkomen, doch naar mijne meening door de
antwoorden der Regering niet zijn opgelost of genoegzaam toegelicht,
zoo kort mogelijk voor te dragen."

»En dan vallen in de eerste plaats in het oog drie algemeene
bedenkingen, welke in de genoemde afdeeling zijn vooruitgezet,
en die ik daarom thans slechts zal opnoemen, namelijk 1º. dat de
tijd nog niet gekomen is, om zulke groote en kostbare ondernemingen,
als zijn die van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer,
en van het daarstellen van ijzerbanen, voor rekening van het Rijk
tot stand te brengen, maar dat werken van dien aard, voor zoo veel
dezelven niet door particuliere personen of maatschappijen onder
toevoorzigt der Regering kunnen worden daargesteld, en niet door den
drang van omstandigheden gebiedend worden geeischt, dan eerst behooren
in overweging te worden genomen, als de Belgische zaak geschikt,
de oorlogskosten verminderd, en de jaarlijksche vermeerdering van
schuld opgehouden zal zijn; 2º. dat werken van zoo onderscheiden
aard niet te zamen in één wetsontwerp behooren te worden vereenigd,
maar in afzonderlijke ontwerpen vervat, opdat niet het goed en nuttig
geoordeelde werk om het afgekeurd wordende verworpen, of omgekeerd
het afgekeurd wordende om het goedgekeurde aangenomen mogt worden;
3º. dat het niet raadzaam schijnt, om tot zoodanige werken fondsen
te bezigen, welke tot een ander doel zijn bestemd geworden, en door
welker gebruik het reeds zoo ingewikkeld geldelijk beheer nog meer
zoude worden gecompliqueerd; wordende deze bedenking, mijns oordeels,
nog versterkt door de aanmerking in het slot der beantwoording van
de Regering te vinden, volgens welke de openlegging van den staat
van het Amortisatie-Syndicaat spoedig op handen is, en men dan met
meerdere kennis van zaken over gebruik en restitutie van kapitalen,
en over te nemen maatregelen van voorziening, zal kunnen oordeelen."

»Bij deze algemeene bedenkingen komen nog vele bijzondere, ten aanzien
der onderscheidene werken bij dit wetsontwerp bedoeld, waarvan ik
slechts eenige voorname zal in het midden brengen, en wel vooreerst
ten aanzien van den spoorweg of ijzerbaan van Amsterdam naar Arnhem."

»Ik sprak enz.",

»Ook de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer beveelt zich
van onderscheidene zijden aan. De herschepping van eenen grooten, van
tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en daardoor dreigenden
waterplas in eenen vruchtbaren met nuttig vee beslagen' grond, kan met
treffende kleuren worden afgeschilderd: en ook het Rijk heeft daarbij
zóó veel belang, dat het verstrekken van eenige sommen van staatswegen
tot dat einde niet onaannemelijk worden geacht. Verder, ofschoon ik
niet overtuigd ben van de gegrondheid van het bij sommige ingelanden
van Rijnland bestaande bezwaar in eene droogmaking van het geheele
Haarlemmer Meer, en ik zelfs eene zoodanige geheele droogmaking boven
eene partiëele, om verschillende redenen, thans niet te ontwikkelen,
verkieslijk houde, kan ik toch genoegen nemen met de ter gemoetkoming
aan dat bezwaar door de benoemde belanghebbenden en deskundigen
voorgestelde wijze van bedijking, in voege dat een klein gedeelte
van dien grooten plas, onder den naam van Spieringermeer bekend,
buiten bedijking blijft, om te dienen tot een' boezem, in welken
het water wordt opgemalen, ten einde alzoo door sluizen te worden
geloosd. Die boezem is, ook naar mijn oordeel, groot genoeg, om bij
dagelijksche ontlasting al het dagelijks opgemalen of opgestoomd
wordende water te kunnen bevatten; terwijl de door het opmalen of
opstoomen veroorzaakte hooge stand des waters de lossing daarvan in
diezelfde mate zal vermeerderen, als het boezem-water zal rijzen."

»Dan ook tegen dit werk doen zich eenige bedenkingen op. Want
om, ter bekorting mijner rede, niet terug te komen op alles,
wat daaromtrent reeds in de verbalen der beraadslagingen van de
afdeelingen nopens het hooren der belanghebbenden, de verzekering
van wettig verkregene regten, de berekening van het productive des
werks, en meer andere punten is gezegd, en naar mijn oordeel in de
beantwoording der Regering niet tot bevrediging en geruststelling van
U Edel Mogenden is opgelost; om al verder niet te treden in een betoog
van de noodzakelijkheid, dat nieuwe wetsbepalingen, op het stuk van
de onteigening, het daarstellen van zulke groote werken, als in dit
wetsontwerp worden voorgedragen, dienen vooraf te gaan; wil ik thans
alleen opmerken, dat de gegrondheid van het gevoelen van velen onzer,
dat dit werk, hoe nuttig hetzelve ook wezen moge, echter meer uit
het oogpunt van plaatselijk, districts- en gewestelijk, dan wel uit
dat van algemeen belang moet worden beschouwd, onder anderen dááruit
blijkt, dat Rhijnland, volgens het overgelegde plan en teekening,
eene volledige verbetering in het Katwijksche kanaal zoude erlangen,
eene verbetering, waartoe anders, zoo als door de vijfde afdeeling te
regt is aangemerkt, bij den onvolmaakten toestand, waarin dat kanaal
zich bevindt, Rhijnland toch verpligt zoude zijn, vroeger of later
over te gaan. Ook is dit gevoelen niet alleen door de beantwoording
der Regering niet wederlegd, maar zelfs aanmerkelijk versterkt door
hetgeen aldaar sub 5º. en 9º. te lezen is, namelijk »dat de kosten,
om den oever van het Haarlemmer Meer volledig te beveiligen, thans
zeer groot zijn; dat de geheele oostelijke oever door eene steenen
glooijing voor verdere inbraak moet worden beschermd; dat daartoe
de som van omtrent f 30,000 jaarlijks door het Hoogheemraadschap van
Rhijnland wordt aangewend; dat dit district door de bedijking van het
Meer daarvan zal worden bevrijd; en dat dit niet het éénige voordeel
is, hetwelk hetzelve door de droogmaking zal bekomen, maar dat ook
het aantal van 16,700 bunders voor de uitlozing van deszelfs water
zat moeten bijdragen, zoodat dit district het uitzigt verkrijgt, dat
in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt.""

»Kan het wel duidelijker, Ed. Mog. Heeren! dan hier geschiedt,
uiteengezet worden, dat niet alleen het algemeene Rijks-belang, maar
ook wel degelijk een meer bijzonder belang in dit werk is betrokken,
en kan dan het gevoelen van de zoodanigen onzer, die van oordeel zijn,
dat hetzelve niet voor rekening en op kosten van het Rijk alleen
dient te worden ondernomen, maar dat ook plaatselijke, districts-
en gewestelijke bijdragen daartoe in billijke evenredigheid behooren
te worden aangewend, ongegrond worden genoemd?"

»In sommige afdeelingen is te kennen gegeven, dat het door de Regering
geopperde, doch niet aangenomen denkbeeld, om de ondernemingen
aan particulieren over te laten, en dus de kosten der werken uit
particuliere negotiatiën te vinden, alles onder het oppertoezigt
der Regering, niet geheel verwerpelijk voorkwam, althans in het
geval, dat er uitzigt bestaan mogt, dat zich daarvoor associatiën van
bijzondere personen mogten opdoen. Ten aanzien van de spoorwegen, zijn
daartegen in de beantwoording gewigtige bedenkingen, vooral uit de
noodzakelijkheid, dat de Regering van het tarief der regten meester
blijve, ontleend, ingebragt: dan ten aanzien van de bedijking en
droogmaking van het Haarlemmer Meer bestaan die bedenkingen niet, en ik
zoude daarom dit werk wel aan eene maatschappij van bijzondere personen
willen overgelaten zien, alles onder genot van zoodanige Rijks-,
provinciale en districts-bijdragen, en verdere aanmoedigingsmiddelen,
als noodig mogten worden geoordeeld, om dit gewigtige werk met een
gegrond uitzigt op goed gevolg tot stand te kunnen brengen."

»Wat de verdere werken enz. [77]."

Daarna sprak de Heer Donker Curtius en zeide over dit onderwerp:

»Ten aanzien van de droogmaking van het Haarlemmer Meer denk ik
minder ongunstig, (dan over den Spoorweg); maar de zamenvoeging van
dit onderwerp met de Spoorwegen verhindert mij, om mijne stem bij
dit onderwerp alleen te bepalen."

»Doch ook, wanneer het mij op zich zelf werd voorgelegd, zoo als
het thans is voorgesteld, zou ik, bij gemis van oplossing van vele
ingebragte bezwaren, huiverig zijn, daaraan voor als nog mijne
toestemming te geven, 1º (en dit alles is ook toepasselijk op de
ijzerbanen) omdat ik het oogenblik onzer Staatkundige positie en
geldelijke aangelegenheden daartoe min geschikt acht; 2º omdat mij de
zaak, tot hiertoe, meer vatbaar schijnt voor particuliere onderneming,
des noods met subsidie uit 's Lands Kas, dan voor eene onderneming
der Regering; en 3º omdat ook dan, wanneer ik de onderneming, zoo
als zij wordt voorgedragen, als volkomen aannemelijk keurde, ik niet
van oordeel ben, dat daartoe eene disponibelstelling van het gansche
benoodigde fonds bereids nu vereischt wordt, veel minder dat het eene
behoefte zou zijn, om tot dat einde casu quo toegestemde fondsen van
derzelver wettelijke bestemming te detourneren [78]."

De Heer Romme was de derde spreker, en zeide:

»Evenmin wil ik, door de afstemming der onderwerpelijke Wet, gehouden
worden als tegen het droogmaken der Haarlemmer Meer op te treden;
ook deze onderneming beschouw ik als nuttig en wenschelijk, en zoude
mij aangaande de mogelijke uitvoering van dat belangrijke werk op
de ervarenheid en het beleid van de directie van onzen algemeenen
waterstaat willen verlaten; maar dewijl bij deze onderneming algemeene,
gewestelijke en plaatselijke belangen betrokken zijn, zoo behooren
ook deze in verhouding tot het voordeel, hetwelk de onderneming
eventueel voor hen kan doen ontstaan, of den last, waarvan zij dien ten
gevolge ontheven worden, daartoe bij te dragen. In zoo verre dezelve
echter niet door eene oogenblikkelijke en dringende noodzakelijkheid
mogt geboden worden, zoo wordt de verdaging van dien, mede uit een
finantiëel gezigt, aanbevolen [79]."

Breedvoerig sprak de Heer Luzac over dit onderwerp, hetgeen hem,
als inwoner der stad Leijden, natuurlijk moest ter harte gaan. Zie
hier zijne redevoering:

»Ik was voornemens geweest, bij de uiteenzetting mijner gedachten
over het onderhavig wetsontwerp, en de redegeving van mijn ongunstig
votum, de orde, waarin de diverse onderwerpen zijn opgenoemd, te
volgen, en na eene algemeene consideratie te hebben vooropgezet,
mitsdien: 1º. over den spoorweg van Amsterdam op Arnhem; 2º. over
den zijtak van Rotterdam op Utrecht;--in de derde plaats over het
bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, te spreken, om, in
de vierde plaats, de overige bedoelde werken te behandelen, en met
de beoordeeling van het voorgestelde finantiëel middel te besluiten."

»Ik zal dit voornemen echter laten varen en mijne taak aanmerkelijk
beperken: het onderwerp der spoorwegen zal ik stil ter zijde laten
liggen, en mij bij de tweede hoofdbedoeling der wet, het droogmaken
van het Haarlemmer Meer, ééniglijk bepalen; ik kan mij toch ook met
de bedenkingen van U Ed. Mogenden omtrent de spoorwegen, zoodanig
als dezelve door de Regering zijn voorgesteld, in al de afdeelingen
bestreden, evenzeer vereenigen, als met vele der gezigtspunten,
zoo even door ons geacht medelid uit Holland (Donker Curtius) uit
een gezet."

»De algemeene consideratie, welke, naar mijn oordeel, de
beraadslagingen over dit wets-ontwerp domineert, is de finale
ongepastheid en ongeschiktheid van het tegenwoordig oogenblik tot
het aanvangen der bedoelde werken. Het komt mij voor, dat, bij de
verwachte schikking onzer quaestiën met België, de voorzigtigheid ons
moet gebieden, de verwezenlijking derzelve af te wachten, alvorens
ons in ondernemingen te steken, welke (de nuttigheid volkomen eens
aangenomen), aanvankelijk toch reeds op ene uitgaaf van 24 millioen
geraamd worden, en ons tot beschikbaarstelling van nog vele andere
millioenen zullen kunnen noodzaken."

»Ik wil de spoedige en gunstige beëndiging onzer geschillen verwachten,
en vraag, of wij, na dezelve, niet beter het standpunt zullen kennen,
waarop wij ons staatshuishouden zullen kunnen en moeten inrigten;
of wij dan niet beter zullen kunnen beoordeelen, welke middelen wij
tot verbetering onzer inwendige communicatiën moeten aanwenden; of
en hoe wij Hollands grooten waterplas in welige landsdouwen zullen
kunnen herscheppen?"

»Doch, enz."

»Ten opzigte van het droogmaken van het Haarlemmermeer is mijne
bedenking echter van de meeste kracht; daar deze onderneming, welke
reeds meer dan twee eeuwen ter sprake gebragt is, voorzeker wel in
zeer rustige tijden mag ondernomen worden, en het uitstellen daarvan
het algemeen waarlijk niet met zoo vele en zoo eminente gevaren
bedreigt, als men dit soms wil doen gelooven. Bedenken wij toch, dat
bij het opkomen van ieder plan tot bedijking, in 1617, 1632 enz.,
de ondergang van Holland door het Meer steeds als zeer aanstaande
werd aangekondigd. In 1742 voorspelde doctor Zumbag de Koesvelt dien
ondergang als zeer nabij, indien men zijne droogmakings-projecten
niet volgde; zij bleven achter, en reeds bijna eene eeuw is nu gunstig
over zijne profetie heengevlogen."

»Eenig uitstel zal hier weinig schaden, terwijl het onvoltooid laten
des werks, ten gevolge van moeijelijkheden, waarin het vaderland nu kan
gewikkeld worden, de schromelijkste gevolgen na zich kan slepen. De
intempestiviteit alleen zoude mij dus reeds doen huiveren, aan het
ontwerp van wet mijne toestemming te geven."

»Doch ik wil mij achter dit algemeen bezwaar niet verschuilen, en
tot de wet zelve overgaan:--ik laat, zoo als ik zeide, de quaestie
der spoorwegen geheel ter zijde liggen, om dadelijk en uitsluitend
het onderwerp van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmermeer
te behandelen."

»Hierbij doet zich al dadelijk eene zeer belangrijke vraag op,
welke ik de aandacht en het onbevangen oordeel van U Ed. Mogenden
moet aanbevelen,--zij is deze: »kunnen en mogen de Staten-Generaal de
Regering in deze ondersteunen;--kunnen en mogen zij dit, in den stand,
waarin de quaestie van het droogmaken van het Haarlemmermeer zich thans
nog bevindt?" Ik houde mij overtuigd, dat deze vragen niet wel anders
dan ontkennend kunnen beantwoord worden, en zal aan U Ed. Mogenden
mijne redenen openleggen.--Wat is »hetgeen men het Haarlemmer- of
Leijdschemeer noemt?" Is het een waterplas, welke, als b. v. de
Zuiderzee, kan gezegd worden, aan het algemeen te behooren?--Is
het een waterplas, welke onbeheerd, onverzorgd ligt--welke aan het
domein vervallen is; over welken de algemeene Regering des Lands
eenige onmiddellijke administratie heeft? Voorzeker neen!--Het
is een waterplas, geheel in de provincie van Holland gelegen, tot
deze alleen behoorende: hij is, en was van de overoudste tijden af,
onder het oppertoezigt van een bijzonder collegie gesteld, hetwelk
de zorg heeft en volbrengt, van hem, in het belang van het geheel
hem omgevend district van Rhijnland, gade te slaan, en naar gelang
der hiertoe bestaande middelen te beteugelen."

»Het is, en dit is opmerkingswaardig, als eene rentegevende bezitting
van de stad Leijden te beschouwen; een bezit, door die stad titulo
oneroso verkregen, hetwelk haar, zonder de grootste onregtvaardigheid,
niet eigendunkelijk en zonder voorafgaande voldoende schikkingen, kan
of mag ontnomen worden.--De Hooge Regering, Ed. Mog. Heeren! kan en
moet over de bedoelde droogmaking niet beslissen, zonder voorafgaand
bepaald overleg en medewerking der steden Haarlem en Leijden, zonder
hierin het Hoogheemraadschap van Rhijnland, zonder bepaaldelijk ook
de Staten der provincie gekend te hebben."

»Dit klinkt U Edel Mogenden welligt vreemd; doch die bevreemding zal
spoedig ophouden, wanneer ik U Edel Mogenden eenige feiten uit onze
Geschiedenis zal hebben kenbaar gemaakt, en U Edel Mogenden eene
authentieke akte, door Willem den eersten en de Staten des Lands
verleden, zal hebben doen zien: zij zal ophouden, zoodra ik U Edel
Mogenden omtrent de waarachtige en nog ten huidigen dage standhoudende
omstandigheden zal hebben toegelicht."

»In het werk van den beroemden Frans van Mieris, in den jare 1770,
door Mr. Daniel van Alphen te Leijden uitgegeven, onder den titel van
Beschrijving der stad Leijden, deel II, pag. 605, leest men:--»dit
groote water (het Meer) draagt thans zijn' naam naar de steden tusschen
welke het gelegen is: doch eertijds bestont het uit verscheidene kleine
meeren, die van elkanderen gescheiden lagen, in dier voegen dat men
langs het land van de Vennip en het uiterste van den Ruigenhoek,
daar men met een schouw over het Meer gezet wierdt, op Aalsmeer of
ander waard in Amstelland, of naar Woerden en Utrecht geraken konde:
doch men vindt aangeteekend, dat deze weg, door overstrooming in het
jaar 1496 onbruikbaar geworden, en de menigte der kleine meeren tot
eenen geweldigen plas gemaakt is, nogtans zijn de namen der eertijds
afgezonderde wateren tot heden overgebleven.""

»Al deze wateren waren nu, onder den algemeenen naam van Vroonwateren,
dat is te zeggen, vrij onbelaste wateren, bekend, en werden in den
jare 1433 door Hertog Philips van Bourgondië in erfpacht aan de stad
Leijden gegeven: zoo als te vinden is in het Groot Charterboek van
van Mieris, IV deel, pag. 1017."

"Margaretha, weduwe van Graaf Willem VI, herhaalde deze uitgifte in
1434 en 1435, en Philips, Hertog van Bourgondië, stelde, in de maand
Junij 1451, orde, »dat die van Leijden in de gepachte vroonwateren
niet verkort of beschadigd zouden worden."

»De stad Leijden namelijk had veel nadeel door het visschen van
bijzondere personen ontvangen, en nu beval Hertog Philips in gezegd
jaar 1451, wel uitdrukkelijk: »dat niemand in het gemelde water
zonder bewilliging van de stad Leijden zoude visschen, noch eenige
ruigte mogt snijden noch vervoeren, op zekere boeten, door den schout
van Leijden, van de overtreders te vorderen." Men leze de handvest,
bij van Mieris pag. 699."

»Op dezen voet, bij welken de vrije of vroonwateren tusschen Leijden
en Haarlem nog geheel in eigendom aan den souverein verbleven, is
de stad Leijden, voor 75 Wilhelmus schilden, jaarlijks te betalen,
pachter geworden en gebleven, tot na de afzwering van Philips II en
de vestiging van dezen Staat, door Willem den Eersten."

»En wat is toen gebeurd?--Ik bid U Ed. Mogenden hierop uwe aandacht te
willen vestigen: »toen is," zegt Van Mieris, Beschrijving van Leijden,
pag. 605, »het vroon tusschen Haarlem en Leyden, in het jaar 1583,
geheel aan de stad Leyden verkocht geworden, en die stad is sedert
in dat uitgebreide gebied door de Hooge Overheid gehandhaafd."

»Dit is geen sprookje, mijne Heeren! geene onzekere overlevering: de
acte van verkoop is voorhanden, en te vinden in de Handvesten der stad
Leijden, door Van Mieris, in 1759, uitgegeven, pag. 705.--Het zij mij
vergund de belangrijkste periodes aan U Ed. Mogenden mede te deelen."

»De akte is van den 31sten December 1583; boven aan leest men:
»Door den Prins van Oranje, de Ridderschap, Edelen en Gedeputeerden
van Holland, representerende de Staaten van 't Land, aan de stad
Leijden verkogt het vroon tusschen Haarlem en Leijden, &c. &c.--en
zij begint aldus:"

»»Willem, bij der gratien Goodts, Prince van Orangnen, Grave van Nassou
&c. &c.--mitsgaders die Ridderschappen, Edelen en Gedeputeerden van de
steden van Hollandt, representerende de Staten van den selven Lande:
Doen te wetenen, dat naerdyen bevonden is de Domeynen van Hollandt,
in voorleden tyden, ende verscheyden jaeren successivelycken, zoo by
't vercoopen ende versetten van dien, als belastinge van renten daer
op gestelt, zeer vermindert, becommert ende beswaert te zijn, in der
vougen, dat uyt die jaerlycxe vruchten ende incomsten derzelver de
voorsz. renten ende lasten daer op staende nyet en mochten worden
voldaen, waerdeur &c. Omme hier tegens te voorsien,--wy raetsaem
bevonden hebben, by zeeckere commissarissen, soo uyt de Edelen ende
Gedeputeerden van de steden, als uyt den Raide Provinciael--te doen
procederen, tot vercoopinge van diversche partyen van Domeynen. Welcke
commissarissen onder andere overcomen zyn met die Burgermeesteren,
ende Regeerders der stede van Leyden, als dat sy luyden in coope
hebben ende behouden zullen, ten behouve van heurluyden stede, de
partyen van Domeynen hier naer verklaert.""

»»Eerst, d'erffpacht van vyff en 't zeventich Wilhelmus schilden,
verscheynende tot twee termynen 't jaer--die de voorschreven stede
jaerlycks schuldig is, van 't vroon tusschen Leyden ende Haarlem,
voor de somme van twee duysent achhondert ponden van XL grooten
Vlaemsch 't pondt:--Item, &c."--Vervolgende de akte, na de opnoeming
van andere verkochte recognitiën, thijnsen en regten, aldus: »Ende
alzoo de voornoemde stede van noode is daervan te hebben haerder
verseekertheyt, Onze open brieven daertoe dienende; soo ist, dat Wy,
hebbende de voorsz. vercoopinge voor aengeneem, ende willende te goeder
trouwe procederen mitte voornoemde stede, ende haer verseeckeren zoo
't behoort, hebben denselven verkoft, gecedeert en getransporteert,
vercoopen, cederen ende transporteren bij desen, de voorsz. partyen
van Domeynen, hier vooren geroert, vry, zonder opstal van eenige
renten, omme deselye voor haer, off actie van haer hebbende,
in vryen eygendom te besitten ende gebruycken, sonder dat daervan
eenige nacoop, naestinge off lossinge zal mogen geschien.--Beloven
voorts de voorsz. coope by alle tractaten van peyse te houden staen,
ende te doen approberen, ende de voorn. stede--te garanderen vry,
costeloos ende schadeloos te houden van alle actien, aenspraken ende
pretensien, die selve ter cause van de voorsz. coope gemoveert sullen
mogen worden. Oock en sullen de voorz. partyen van domeyen bij geen
mesuren ofte delicten verbeurt mogen worden, ten ware d'eygenaer van
dien eenige verraderye tegen 't gemeen Vaderland aanrichte." Dat nu de
stad Leijden deze domeinen, zegt de acte, gekocht heeft, zal hierdoor
wel bewezen zijn, even zeer als het buiten kijf is, dat de stad zich
aan geene verraderije tegen het gemeene Vaderland heeft schuldig
gemaakt, en ze hierdoor kan verloren hebben; doch het blijkt ook,
dat zij de kooppenningen voldaan heeft, want de quitantie, in dato
14 November 1584, is bij Van Mieris, pag. 707, achter het bedoelde
stuk gedrukt."

»Na deze lecture veroorloof ik mij nu deze eenvoudige vraag, quo
titulo de Hooge Regering, welker predecesseuren dezen verkoop gedaan
hebben, en tegen alle aanmaningen plegtig gegarandeerd, nu zonder
toestemming van den eigenaar dezer regten, tot het droogmaken van het
Meer, het doelloos worden van het verkochte, kan besluiten? Hoe zij
deze vergadering hiertoe kan willen doen medewerken? Is het eerste
gedeelte van art. 164 der grondwet dan zonder kracht geworden?"

»En nu kan men niet over de uitgestrektheid van dit vroon twisten;
want van deze blijkt weder uit eene keure van den 28 Februarij 1594:
»duidelijk leerende, zoo als Van Mieris zegt, pag. 707, hoeverre zich
het vroon der stad Leyden uitstrekt, en uit welke wateren hetzelve
bestaat.""

»De aanhef dezer keure luidt aldus:"

»»Alsoo de stad Leyden in den jaere 1433 van H. M. Hertoge Philip
van Bourgongien, in der tyd Grave van Hollandt, het recht vercreghen
heeft tot de visserien van de Meeren, ghelegen aen verscheyden partien
tusschen Leyden, Haerlem, ende Amsterdam: ende sulcx van den selven
tyd aen, in geduyrighe ende vreedsamighe possessie, ende gebruyk is
gheweest, van de volgende wateren ende visscheryen, die men van oudts
mit eenen name ghenoemt heeft het vroon--als de Zyl, 't Zweylant,
de Norremeer, de Hemmeer, de Valckemeer, of 't Vennemeertgen, de
Spriet, de Kever, de Zeven, 't Hellegat, de Zassemeer, de Greveling,
de Aa, Huykersloot, de Cagermeer, de Astermeer, de Leydtschemeer, de
Haarlemmermeer, de Hellemeer, de Verremeer, de Stommeer, 't Griet, de
Brasemeer, de Oudeweteringhe, de Gooch, ende de Nieuweweteringhe.""--

»Hoe, in het vervolg van tijd, over die regten, over die bezitting,
is gedacht geworden, alsmede hoe onze voorvaders het bedijken en
droogmaken van het Meer beschouwden, is overtuigend te lezen uit eene
resolutie van de Groote Vroedschap der stad Leijden, van den 6den
October 1632 (bij van Mieris pag. 710), waarin deze woorden voorkomen:
»Hebben de H. H. Burgemeesteren van dese stadt Leijden, de Grote
Vroedschap derzelver stede voorgedragen dat--gemerkt de voorsz. Meeren
dese stadt in eigendom toebehooren, ende dat de bedijkinge van dien,
extreme groote schaden en interesten, jaa (dat Godt verhoede), den
geheelen ondergang van de voorsz. stadt soude konnen veroorsaaken,
of daarom niet goed en dienstig en ware in tijds vast te stellen, dat
voortaan op 't stuk van de bedijckinge der voorz. Meeren--van wegen
dese stadt niet en sal mogen werden gedelibereert nog geresolveert,
dan bij de voorsz. Vroedschappen, ende alle de leden van dien
tegenwoordig, of immers daartoe geconvoceerd zijnde: mitsgaders bij
eenparige stemmen van alle deselve, sonder dat overstemminge daarinne
plaatse sel mogen hebben."

»Nu moet men niet zeggen, dat die Leijdenaren zich hieromtrent te
veel aanmatigden, en in deze resolutie, als getuigen in derzelver
eigene zaak, reprochabel zijn; want ook de regterlijke Autoriteiten
van dien ouden tijd erkenden en handhaafden de regten der stad op
't vroon, zoo als weder te zien en te lezen is, door eene uitspraak
van commissarissen van den Hove van Holland, van Julij 1656, gegeven
tegen den Bailluw van Kennemerland, »welke meende geregtigd te zijn
het vischwant en de fuiken in de vroonwateren der stad Leijden,
met geweld te mogen weghalen. (Zie van Mieris pag. 713.)"

»Ik vertrouw, dat U Ed. Mogenden, na de mededeeling dezer stukken,
mij toch zullen toestemmen, dat hier van iets meer, dan van verouderde
vooroordeelen quaestie is, en dat met zegel en brief kan bewezen
worden, dat zonder de stad Leijden hierin te kennen, naar regt en
billijkheid, niets behoort ondernomen te worden; ten zij wij weder
wilden terugkeeren tot die ongelukkige tijden, toen de dienaren van
Philips II, op de klagten onzer voorvaders over het schenden hunner
regten, geen beter antwoord wisten te geven, dan hun in derzelver
verbasterde taal toe te voegen: non curamus vestros privilegios."

»Onze voorvaders, die reeds in 1617, daarna weder in 1632, over het
droogmaken der bedoelde plassen hoorden spreken, en deswege allerhande
plans zagen maken, overdachten deze zaak met ernst en bedaardheid,
en oordeelden haar van zoodanige veruitziende gevolgen, dat zij eene
resolutie namen, op den 14den November 1662, bij de Groote Vroedschap
der stad Leijden, »omme haar bij 't aankomen van ieder veertig (of
raadslid), na het doen van den eed in die qualiteit, voor te lezen
van namelijk niet te resolveren in het bedijken van de Leijdsche en
naast aangelegen meeren." (Zie van Mieris, pag. 714.)"

»Ten slotte moet ik opmerken, dat de gestrengheid dezer resolutie
op den 13den Julij 1750 is opgeheven geworden, de leden der groote
Vroedschap van de gedane belofte toen zijn ontslagen, en wij sedert
dien tijd weder over het droogmaken van het Meer ons gevoelen te
Leijden vrijelijk mogen uiten."

»Tot verdere toelichting, Ed. Mog. Heeren! dezer belangrijke
quaestie, moet ik hierbij voegen, dat even min als de bedoelde koop
kan betwijfeld worden, even min quaestieus is, wat in de bedoelde
regten aan de stad Haarlem, wat aan Leijden toebehoort.--Uit eene
overeenkomst toch, door de Regenten van beide deze steden op den 6den
November 1698 aangegeven, en almede bij van Mieris, pag. 715 en 716 te
vinden, blijkt, dat alleen aan de stad Haarlem de visscherij in het
Spieringermeer toekomt, terwijl het vroon van al de overige wateren
en plassen, het Haarlemmer- of Leijdsche-meer, geheel ten bate en
voordeele van Leijden kwam."

"En is nu dit regt verloren gegaan, heeft men deze revenuen niet
geteld en ze soms laten varen?--In geenen deele, mijne Heeren!--De
stad Leijden is nog, tot op den huidigen dag, de belangrijke vruchten
van haren koop plukkende:--nog wordt de visscherij in de vroonwateren
door de stad Leijden gepacht, en brengt zij een bruto jaarlijksch
inkomen van f 2000 op;--tot op den huidigen dag staan, der stads regt
aanduidende, palen rondom de geheele uitgestrektheid van het Meer,
tot aan den ingang van het Nieuwe Meer toe, tot digt aan de poorten
van Amsterdam; nog tot op den huidigen dag is een lid van den Raad met
het Vroonheerschap te Leijden belast, en bestaat aldaar een speciaal
stedelijke opzigter over al de vroonwateren: en hetgeen mede opmerking
verdient, nog tot op den huidigen dag verleent de stad Leijden, tegen
betaling van zekere geldelijke retributiën, verlof tot het baggeren,
het uitdiepen dus van den grond zelven, in de vroonwateren der stad."

»Ik moet vooronderstellen, dat deze facta, welke waarachtig zijn,
dat deze regten, op onloochenbare bewijzen steunende, aan de Hooge
Regering, hoe vreemd dit ook klinken moge, onbekend zijn geweest, en
zij vermeend heeft, dat dit groote water zonder vruchttrekkend eigenaar
was;--ware het anders mogelijk geweest, dat zij, onder de voordeelen,
welke gedurende de bewerking door het Meer zullen opgeleverd worden,
ook de verpachting der visscherij (zie no. 11 der beantwoording)
zoude opgenoemd hebben? Het zal toch moeijelijk zijn, weder tot de
verpachting eener visscherij over te gaan, waarvan de eigendom reeds
over meer dan twee eeuwen geleden door hare predecesseuren aan Leijden
is verkocht geworden, en welke visscherij reeds voor verscheidene
jaren door deze stad zelve is verpacht."

»Ik trek uit dit alles deze conclusie, welke zeker niemand van
overdrijving zal kunnen beschuldigen:--dat men, alvorens tot de
bedoelde onderneming te besluiten, de laatstgenoemde stad in haar
belang had moeten hooren, en over de schadevergoeding, op welke zij
eventueel de gegrondste aanspraak maken kan, eenige opening had moeten
geven. Niets van dit alles is geschied;--men leze al onze stukken,
de meegedeelde memorie der Meer-commissie, nergens zal men eenige
vermelding van de bedoelde regten vinden, nergens eenig bewijs,
dat men hieraan gedacht heeft."

»Evenmin als men de voorafgaande belangen der stad Leijden heeft
in acht genomen, evenmin heeft men het collegie van Dijkgraaf en
Hoogheemraden van Rhijnland opgeroepen tot het geven van zijn
advies, of verzocht zijne bedenkingen en raadgevingen in het
midden te brengen. Het is waar, dat twee Heeren ook Hoogheemraden
van Rhijnland zijnde, bij het besluit van den 7den Augustus 1837,
tot de commissie zijn geroepen;--doch het is tevens waar, dat die
commissie niet gemagtigd was met de belanghebbenden de quaestie over
het principe te onderzoeken, maar slechts geroepen, om een bepaald
eindontwerp dier droogmaking en eene begrooting van kosten op te
maken, terwijl het nog opmerking verdient, dat de Heer de Bruijn
Kops, een der twee Hoogheemraden, bij het besluit als Burgemeester
van Haarlem wordt aangeduid, en de Heer P. A. du Pui alleen met de
bijvoeging van Hoogheemraad van Rhijnland voorkomt, en, vreemd genoeg,
van het Bestuur, van de Regering van Leijden zelve, niemand bij de
commissie was geroepen.--Het mandaat, aan de Heeren leden gegeven,
was ook geheel personeel; het collegie van Dijkgraaf en Hoogheemraden
werd, volgens mijne berigten, met niets officiëel bekend gemaakt,
en het konde dus ook in geenen deele over de zaak zelve officiëel
met bedenkingen tusschen beiden komen."

»Als wij nu echter nagaan, dat dit collegie meer dan zes eeuwen
lang het wijd uitgestrekte district van Rhijnland heeft beheerd, en
met zoo krachtige regten en privilegiën der oudste Heeren des Lands
is beschonken geworden, dat het maakt en verzorgt al de belangrijke
uitlozingen van deze vruchtbare landstreek,--dat het, onder zijn gebied
en surveillance, 268 watermolens, die alle op den boezem van deszelfs
district uitmalen, geplaatst ziet, waardoor van zijnen ingewikkelden
waterstaat, en het getal der polders op hetzelve uitlozende, te
oordeelen is; als wij nagaan, dat onder deszelfs bestier de sluizen
op halfweg Haarlem staan, welke men, volgens het gemaakte project,
met eene vierde opening wil vermeerderen en de reeds in den jare 1253
aan hetzelve toevertrouwde sluizen op Sparendam, alwaar men ook eene
nieuwe bouwen wil, en eventueel, als het noodig bevonden wordt, een
stoomgemaal van 180 paardenkracht zal oprigten;--als wij bedenken,
dat onder deszelfs directie de sluizen van Katwijk behooren, waarvan
men den aan- en toevoer ook verbeteren wil;--als wij ons herinneren,
dat het de superintendentie over het geheele Meer voert, al de werken
ter beteugeling besteedt en bekostigt, en hieraan--om het cijfer,
door de Regering zelve opgegeven, te behouden--jaarlijks meer dan
f 30,000 te kosten legt,--dan mag ik zeker vragen, hoe men bij de
Regering heeft kunnen besluiten tot eene onderneming van dien omvang,
van dit gewigt, van zoo veel gevaar, zonder het genoemde collegie,
ik zal niet zeggen in deszelfs belang te hebben gehoord, want dat
belang is en kan niet anders zijn, dan dat van het algemeen, van de
grondeigenaars van Rhijnland, onder welke al de leden eene eerste
plaats bekleeden,--maar zonder met hetzelve alles bedaardelijk te
hebben gewikt en gewogen, zonder deszelfs voorlichting verzocht,
zonder deszelfs ondervinding geraadpleegd, zonder deszelfs bezwaren
te hebben uitgelokt?

»Het klinkt schoon, Ed. Mog. Heeren! 16,600 bunderen water in
welige landsdouwen te herscheppen; het is aangenaam, zich, in den
drooggemaakten polder, fraaije bouwmanswoningen en vette landerijen en
dartelend vee voor te spiegelen, en niemand van Rhijnlands ingezetenen,
veel min het collegie van Rhijnland, zoude niet gaarne zeer veel
toebrengen om dit heerlijk tafereel te verwezenlijken en hunne
bundergelden, zoo door een groot accres van contribuerende deelgenooten
in deze gemeenschap, als door het wegvallen der onkosten, welke het
Meer jaarlijks veroorzaakt, aanzienlijk te zien verminderen. Doch die
verwezenlijking is, helaas! nog hoogst problematiek, en de vreeze,
dat deze onderneming, in stede van 16,600 bunderen water tot land
te brengen, de oorzaak zal zijn, dat meerdere duizende bunders goed
vruchtbaar land in het vervolg zullen bedorven worden, heeft ons
deze onderneming altijd, ik zeg niet met weerzin tegen de zaak zelve,
doch met schroomvalligheid doen beschouwen."

»Tot verdediging van die schroomvalligheid hebben wij nu slechts het
rapport der staats-commissie zelve in handen te nemen, in hetwelk
wij met duidelijke woorden geschreven vinden, dat zij zelve niet
geheel gerust, niet zeker is »van den invloed, dien de droogmaking
van het Haarlemmermeer (dit zijn de eigene woorden van het rapport)
nog altoos op den stand van Rhijnlands boezemwater hebben zal, en de
noodzakelijkheid, die daaruit om tot het stichten van een stoomgemaal
van 180 paardenkracht te Sparendam over te gaan, mogt geboren worden,
hetwelk onder de bewerking eerst met volledige zekerheid zal kunnen
blijken.""

»Let wel, Ed. Mog. Heeren! op deze woorden: onder de bewerking zal
eerst de invloed der droogmaking op den stand van Rhijnlands boezem met
volledige zekerheid kunnen blijken."--Maar dan zal het misschien veel
te laat zijn, dan zal de droogmaking begonnen, de geregelde waterloop
gestremd, de dijk gelegd zijn,--en wat zal er dan kunnen gebeuren,
indien die invloed eens zóódanig ware, dat geene stoomkracht van 180
of meerder paarden het overtollige water tijdig genoeg, want hierop
komt het aan, zal kunnen aftappen?--Alsdan zullen de verst afgelegene
polders kunnen onderloopen, Rhijnlands algemeene waterstaat voor lang
bedorven zijn, en nieuwe poelen en meren de oude komen vervangen!"

»Dit tijdig genoeg van het overtollige water verlost zijn, is het
voorname punt, waarop alles aankomt,--dat wordt door hen, die denken
alles met de stoomkracht te zullen kunnen dwingen, te veel over
het hoofd gezien: zij verliezen uit het oog, dat door de ringvaart
het water wel eindelijk in zee te Katwijk, of op Spaarndam of op
Halfweg kan uitgepompt worden, doch dat de weg, welken het water
nemen moet, te lang is, dat er te veel tijd verloren gaat, voordat de,
bij de droogmaking zoo zeer verminderde en versmalde toevoermiddelen,
het overtollige water bij de eindelijke uitlozing zullen aangebragt
hebben, en dat mitsdien die landerijen, welke in de verder afgelegene
hoeken van Rhijnland, achter den Rhijndijk en ten zuiden dier rivier
gelegen zijn, niet dan zóó laat in den zomer zullen droog geraken,
dat zij, geene voldoende vruchten kunnende opleveren, zullen moeten
verlaten worden."

»Men schijnt hier geheel de lessen der praktijk, ons door het
Katwijksche kanaal en de aldaar gevestigde sluizen gegeven, te
vergeten: vier eeuwen lang sprak men over de weder-opening van den
mond des Rhijns bij Katwijk, tot verbetering, tot herstelling van
Rhijnlands waterstaat; de theorie sprak luid, en toonde, hoe alles met
die weder-opening zoude gered zijn: ten koste van millioenen schats,
waaronder Rhijnlands ingelanden lang zuchtten, werden die schoone
sluizen, de bewondering des vreemdelings, gesticht en het kanaal
gegraven,--en wat heeft nu de ondervinding geleerd? Dat de theorie
gefaald heeft; dat het nut, op verre na, niet zóódanig geweest is als
men gehoopt en gewacht had; dat zulke kanalen, waarbij in dit gedeelte
van ons laag gelegen land niet die voortstrooming kan plaats hebben,
welke het water snel doet uitloopen, maar zeer zwakke hulpmiddelen
zijn."

Dáárin is vooral de bedenkelijkheid der onderneming gelegen, en het is
mij onmogelijk hier de openhartigheid niet te prijzen van den steller
van het rapport, die, door eene enkele periode, alle vroegere en
tegenwoordige bekommeringen over den invloed der onderneming volkomen
regtvaardigt. Ik hoop dan ook, dat die van onze geëerde medeleden, uit
de 5de sectie, die het bij het laatste proces-verbaal doen voorkomen,
alsof de Meer-commissie, »om Rhijnland te believen, de zaak voor
hetzelve smakelijk te maken en aan zijne vooroordeelen te gemoet te
komen, bepalingen in het plan had opgenomen, die afkeuring verdienen,"
hieruit zullen ontwaren, dat men ook zonder met oude en belagchelijke
vooroordeelen behebt te zijn, veel zwarigheid in deze zaak vinden kan,
hoe weinig men ook genegen is hare wenschelijkheid te betwisten."

»Ik noemde zoo even, met een woord, de Staten der provincie, alsmede
in deze, op eene onverklaarbare wijze, voorbij gezien, en beroep mij
op de art. 223 en 224 der grondwet, waarbij het toezigt over alle
indijkingen en droogmakingen aan de Staten der provinciën, binnen
welke zij gelegen zijn, verbleven is, om hieruit af te leiden, dat de
deliberatie over het al of niet ondernemen der droogmaking, welke toch
de basis der aanwijzing van de fondsen zijn moet, grondwettiger bij
de Staten der provincie dan bij de Staten-Generaal te huis behoorde."

»Er ligt voor mijn gevoel iets stuitends in, om eens een ander
voorbeeld te kiezen, dat de Staten-Generaal zouden delibereren over de
al of niet droogmaking van het Sloter- of Tjeuke-Meer in Vriesland,
zonder dat de Staten dier provincie collegialiter van het plan en
de wijze van uitvoering eenige officiëele kennis zouden dragen:
het bevreemdde mij, nergens in de gewisselde en overgelegde stukken
eenig bewijs gevonden te hebben, dat de Staten van Holland over deze
onderneming zijn gekend geworden."

»Bij dit alles, waarmede ik de geëerde aandacht van U Ed. Mogenden
reeds veel te lang heb bezig gehouden, zij het mij nog vergund,
met weinige woorden het denkbeeld te bestrijden, bij de antwoorden
der Regering, onder no. 12, aangegeven, alsof het nog eenigzins
twijfelachtig zoude zijn, waaronder de eventueel drooggemaakte polder
zoude behooren; men zegt namelijk, »dat dit later overeenkomstig de
bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen zal
kunnen worden uitgemaakt."--Dit kan en moet, dunkt mij, niet quaestieus
gesteld worden:--wanneer wij toch in dezelfde periode lezen, »dat de
uitlozing van den toekomstigen polder op den boezem van Rhijnland
zal plaats hebben," en wanneer wij, het oog op de kaart van het
hoogheemraadschap werpende, zien, dat de nieuwe polder geheel omgeven
zoude zijn van Rhijnlands werken, van Rhijnlands grondgebied, dan
gelooven wij, dat niet het interieure polderbeheer, het huishoudelijk
bestuur, maar die superintendentie, welke Rhijnland over al de polders,
in het hoogheemraadschap gelegen, uitoefent,--aan niemand beter en
geregelder dan aan dat collegie kan overgelaten worden.--Wat hier de
grondwet of andere bestaande wettelijke verordeningen anders leeren
kunnen, verklaar ik niet te begrijpen!"

»Over het financiëel oogpunt, en de eventuëele voordeelen der
onderneming, zal ik in geene bijzonderheden treden. Ik wil alleen,
door mijn stilzwijgen, niet doen gelooven, dat ik de gevraagde som van
ruim 8 millioen voldoende acht; ik geloof integendeel, dat zij veel te
laag is genomen, en dat, om maar een enkel punt te kiezen, de enorme
dijk, welken men, ter afsluiting van het Spieringermeer, dwars door
het groote meer heen leggen wil, zóódanig kan tegenvallen, dat hierop
alleen misrekeningen voor tonnen schats kunnen plaats hebben.--Ik ben
overtuigd, dat wanneer men eens aan den gang zijn zal, het rubriek der
onvoorziene gebeurtenissen tot in het oneindige zal gechargeerd worden,
en merk hierbij op, dat bij het rapport zelf nog werken zijn opgenoemd,
als bijv. de duiker, welke tot inlating van water eventuëel in den
IJssel zoude gelegd worden, waarvoor geene kosten zijn uitgetrokken."

»Ja maar," zegt men, »uit den verkoop van 16,600 overschoone bunders
land zullen al die extra-kosten, met de primitief uitgelegde 8 1/2
millioen, gevonden worden. Leest slechts in de memorie van antwoord
der Regering, hoe »die dreigende waterplas, in vruchtbare velden
herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten zal
opleveren," en zijt dan overtuigd, dat de drooggemaakte bunders
het uitgeschoten kapitaal ruim zullen teruggeven.--Geloove dit die
wil, ik niet: ik kan het mij zelven niet wijs maken, wanneer ik de
geschiedenis naga van zoo vele droogmakerijen, als vroeger in ons
Gewest van Zuid-Holland ondernomen werden. Deze geschiedenis leert
ons, dat eerst bij de tweede en derde generatie van nijvere bewoners,
en nadat de eerste ondernemers zich bedorven en geruïneerd hebben, de
landen eenige waarde bekomen, en zij aanvankelijk zeer magere produkten
opleveren. Levendig herinner ik mij, uit de jaren toen ik als advokaat
te Leijden werkzaam was, hoe ik de nijvere pachters in de Nieuwkoopsche
droogmakerij voor de eigenaars der kavels heb moeten vervolgen, niet
ter verkrijging van eenigen billijken interest der betaalde gelden,
hieraan was niet te denken, maar tot bekoming van het noodige, om
de polderlasten aan te zuiveren; vele fiksche boerenwoningen heb ik
aldaar door eenen eigenaar zien stichten, bij wiens overlijden men,
tegen aanzuivering der achterstallige polderlasten en de kosten des
transports, woningen met de landerijen en al, bijna om niet konde
bekomen."

»Nu waren al die vorige droogmakingen nog van beperkten omvang, in
vergelijking van die, welke bij het wetsontwerp wordt beoogd: vele
van deze werden door associatie van particulieren ondernomen, die
bij het bovenkomen der landen genoodzaakt waren dezelve in cultuur
te brengen:--maar hier, waar de Regering met 16,600 bunders dras
moerassig land, in kort opeenvolgenden termijn, zal voor den dag
komen, is het niet te gelooven, dat iedere bunder de waarde van f
 100--zal kunnen gelden, en het is eer te verzekeren, dat bijaldien
het Amortisatie-Syndicaat zóó lang zal moeten bestaan, totdat de
kapitalen, welke men hetzelve bij deze gelegenheid wil ontnemen,
uit de bedoelde onderneming zullen zijn terug gekeerd, de aanneming
van deze wet aan de bedoelde institutie tot een certificaat van het
ver uitgestrektste leven zal kunnen verstrekken [80]."

»Over, enz."

De vijfde spreker was de Heer Mr. Frets, welke zeide:

»Over het uitdroogen van het Haarlemmermeer en over andere werken
spreek ik niet. Het wenschelijke van een en ander is in mijne oogen
groot: maar niet genoeg, om daarvoor het minder wenschelijke van den
geprojecteerden spoorweg ter zijde te stellen. Indien de Regering
had kunnen goed vinden om de onderwerpen te splitsen, had ik daarover
een afzonderlijk oordeel kunnen uitbrengen [81]."

De Heer op den Hooff liet zich over dit onderwerp dus uit:

»Over de droogmaking van het Haarlemmermeer zal ik niet spreken, ik
laat dat aan andere leden over. Een geacht spreker uit Leyden heeft
ons daarover veel gezegd, wat mij toeschijnt opmerking te verdienen."

»Ik twijfel verder met een gedeelte der vijfde afdeeling, waartoe ik
de eer had te behooren, of, wanneer men daartoe mogt overgaan, de zaak
niet met inbegrip der Spieringmeer op eene betere en min kostbare
wijze zou kunnen worden uitgevoerd, dan nu is voorgesteld.--.--Ik
eindig, Ed. Mog. Heeren! met den opregten wensch, dat het tegenwoordig
ontwerp van wet,-- --weldra wederom geheel of gedeeltelijk, en wel
gesplitst, veranderd en gewijzigd, aan deze vergadering moge worden
aangeboden, en dat hetzelve alsdan de goedkeuring moge wegdragen,--
 -- --waardoor het belang van het Vaderland, naar mijne overtuiging,
zal worden bevorderd [82]."

De Heer Sandberg zeide, »dat hij tegen het droogmaken van het
Haarlemmermeer enz. zou moeten stemmen, vermits de gelden uit de bij
de wet voorgestelde 30 millioen zouden moeten worden besteed [83]."

De Heer Backer »betwistte de nuttigheid en het voordeel niet,
dat eenmaal de droogmaking van het Haarlemmermeer aan Holland zal
toebrengen, maar vond zwarigheden in de financiëele schikkingen, die
de Regering tot het volvoeren ook van deze onderneming voorstelt. Ook
had hij wel gewenscht, dat men het voornemen om het Meer droog te
maken, nog eenigen tijd had vertraagd, totdat over deze zaak meerder
licht zoude zijn verspreid; dat men met de opiniën der onderscheidene
belanghebbenden meer bekend zal zijn geworden, en de betrekkingen
tusschen den droog te malen polder en Rhijnland beter geregeld zouden
zijn [84]."

De Heer van Reenen behandelde dit onderwerp uitvoerig en zeide
hoofdzakelijk:

»Met blijmoedige dankbaarheid vernamen vele inwoners der polders,
welke sedert zoo vele jaren geteisterd zijn geworden door het dagelijks
toenemend geweld van het Haarlemmer-water, dat de beveiliging tegen
hetzelve een onderwerp uitmaakte van de zorg des Konings. Gedurende
ruim twintig jaren had ik het bestuur over een poldertje, dat op zich
zelf klein is, doch al de nadeelen gevoelt, welke de omliggende polders
van Sloten door het Haarlemmermeer-water lijden. Natuurlijk waren
dus de lotgevallen van die landstreek en de geweldige uitwerkingen,
welke het Haarlemmermeer, bij westelijke en zuid-westelijke winden,
op dezelve uitoefent, zoowel als de middelen om dien geduchten
vijand te weren, een punt bij mij van gedurig onderzoek. Ik zag,
dat de geschiedenis en de physieke aard der gronden zelve bewijzen,
hoe groot het gevaar is, dat van dien kant eene landstreek dreigt,
welke, tusschen het Meer en het IJ gelegen, boven de 18000 guldens in
de grondbelasting van het Rijk draagt; aan Rhijnlands bundergeld meer
dan 9600 guldens opbrengt; jaarlijks groote sommen tot polderlasten
moet dragen; en geene hulp van Rhijnland ontvangt in deszelfs
verdediging tegen het Haarlemmermeer. De verwoestingen, welke die
plas in de aan denzelven grenzende polders, zoowel in vroegeren tijd
als in de laatste jaren, en ook onlangs in 1837 heeft aangerigt,
zijn te wèl bekend, dan dat ik de oplettendheid van U Edel Mogenden
zoude behoeven te vermoeijen met eene beschrijving der rampen, die
dezelve, ten gevolge der jaarlijks toenemende kracht van dat water,
op verschillende tijden hebben geleden."

»Groot was de hoop van die polders en van vele ingezetenen des lands,
die zoo dringend van de Hooge Regering hulp hadden afgesmeekt, toen
zij vernamen, dat de droogmaking van het Meer, welke zij als het
éénige middel tot het bewaren van een belangrijk gedeelte des Rijks
beschouwden, het onderwerp van een voorstel van wet uitmaakte."

»Ook ik verheugde mij, dat zoo doende, nu, terwijl het nog tijd is,
een maatregel zoude worden genomen, die, indien dezelve vroeger
had plaats gevonden, kostelijke landen en dorpen zoude hebben
bewaard en het nutteloos verspillen van vele schatten zoude hebben
uitgewonnen: doch die ook nu nog ten minste het gevaar kan wegnemen,
dat, wel in een verwijderd, doch niettemin physiek zeker verschiet,
duizende bunders land, verscheidene dorpen, ja zelfs de hoofdstad
bedreigt: het gevaar namelijk, dat het Haarlemmermeer, vereenigd met
de Veenplassen en het IJ, eene zee zouden daarstellen ten Zuiden en
Westen der hoofdstad, weinig minder dreigende en gevaarlijk dan die,
welke ten Noordoosten dier stad is gelegen. Wat daarvan de gevolgen
zouden zijn, moge de geschiedenis van het ontstaan der Zuiderzee en
van het Haarlemmermeer beslissen."

»Maar groot was mijne teleurstelling, toen ik, het ontwerp van
wet inziende, en de medegedeelde stukken omtrent de droogmaking
onderzoekende, bevond, dat die wet door mij niet kon worden aangenomen:
niet alleen uithoofde van de middelen, waaruit de kosten gevonden
zouden worden; maar ook om de wijze, waarop het droogmaken van dien
plas werd voorgesteld, daar deze het gevaar van die noordelijke
polders en van de hoofdstad niet alleen niet afweert, maar in zeker
opzigt vermeerdert, door het niet droogmaken van het Spieringmeer. Ik
zal thans niet treden in andere bedenkingen tegen het werk, zoo als
het voorgesteld wordt, noch aanwijzen, hoe de bezwaren kunnen worden
weggenomen; want de zaak, op welke het heden voornamelijk neder komt,
is het financiëele punt."

»Gaarne had ik gezien, enz."

»Indien ik mij overigens met de wet konde vereenigen, zoude ik den
spreker uit Leijden op zijne gemaakte bedenkingen in het breede
antwoorden. Ik ben zóó zeer overtuigd van zijn verlicht oordeel
en rondborstig karakter, dat ik geenszins twijfel, of hij zoude
toestemmen, dat de door hem gemaakte bedenkingen het droogmaken van
het Haarlemmermeer niet behooren tegen te houden, indien dit op goede
grondslagen ondernomen kan worden; eenige aanmerkingen moet ik evenwel
ook thans maken."

»Uit oude stukken toont ons de spreker, dat aan Leijden het vroon
van vele meertjes in oude tijden door de souvereinen dezer landen
is geschonken en dat vervolgens titulo oneroso anderen door die stad
zijn verkregen. Maar welk regt is verkregen? Niet het eigendoms-regt,
maar de visscherij: dit blijkt uit de door dien spreker aangehaalde
oorkonden zelve [85]. Ook was het de gewoonte der Graven in dien tijd,
dit weten wij ook uit andere voorbeelden, niet om het eigendoms-regt
op die wateren aan iemand te schenken, maar om de visscherij aan
gemeenten, kerken of pieuse instellingen, ter verpachting, toe te
staan: zoo is ook in dien tijd de visscherij in het Sloterdijkermeer
aan de kerk te Sloterdijk geschonken: en evenwel heeft dit niet belet,
dat de Staten van Holland en West-Vriesland, op den 7den December 1641,
octrooi hebben verleend tot het droogmaken van dien polder. Deze
is dan ook sedert dien tijd in zeer vruchtbaar land veranderd,
doch thans weder, ten gevolge der stormen van 1836 en 1837, in een'
waterplas herschapen, met welks droogmaking men bezig is."

»Maar hoe het ook zij: uit het regt, dat Leijden heeft op een
gedeelte van het Meer, volgt niet, dat het droogmaken van dien plas
ongeoorloofd zoude zijn; maar, dat het droogmaken niet behoort te
geschieden, zonder behoorlijke schadeloosstelling. Of zoude men,
om eene visscherij te behouden, welke 's jaarlijks, volgens den
spreker, twee duizend guldens opbrengt, geheele landstreken aan een
wis verderf moeten overgeven en eene stad als de hoofdstad des Rijks
in het grootste gevaar moeten brengen? En dit toch zal eenmaal het
geval zijn, indien het Haarlemmermeer niet wordt beteugeld. Zoo ooit
onteigening ten algemeenen nutte billijk en regtvaardig is, dan is
zij het in dit geval."

»Het verdient hier opgemerkt te worden, dat vele van die meertjes,
welke de spreker heeft opgenoemd, niet op de kaarten, die in later tijd
gemaakt zijn, gevonden worden; waarschijnlijk heeft het inéénloopen
van sommigen derzelve het Leijdsche meer doen ontstaan, even zoo als
dit vroeger door welige landsdouwen van de meer noordelijk gelegen
meren afgescheiden, naderhand met dezelve in één is gesmolten, zoodat
het Leijdsche meer in vervolg van tijd ook met het Haarlemmermeer,
met het Oudemeer en het Spieringmeer vereenigd zijnde, meer en meer
tot het IJ is genaderd en thans dien geduchten plas uitmaakt, over
welken wij handelen."

»Het is waar, hetgeen de spreker zegt, dat reeds zoo dikwerf de
klagten over het gevaarlijke van dat Meer zijn opgerezen, dat men
bijna twijfelen zoude, of dat gevaar wel zoo groot zij. Maar juist dat
herhalen dier klagten bewijst het gevaar; want dit bewijst, dat de
landerijen, welke in de golven zijn verzonken, niet in ééns en door
eene groote en onvoorziene omwenteling der natuur zijn vernietigd;
maar door de langzamerhand voortgaande uitbreiding dier wateren. Zoo
dikwerf als zware stormen in de waterkeeringen doorbraken en verlies
van land veroorzaakten, werden die klagten opgeheven. Wanneer de
wateren wederom geweken, de waterkeeringen óf hersteld óf met de
vóórliggende landen verdwenen waren en de eigenaars derzelve het
verlies, als door eene vis major veroorzaakt, hadden moeten dragen,
dan, ja, zwegen die klaagstemmen voor het oogenblik; maar nieuwe
rampen deden nieuwe klagten ontstaan, en nieuwe landeigenaars deden
op nieuw dezelfde klagten hooren; doch ook dán werden deze stemmen
wederom gesmoord. Intusschen bleef de vijand niet rusten, zijn geweld
vermeerderde met zijne uitbreiding: de dorpen Nieuwerkerk, Rijk en
Vijfhuizen verdwenen; de visscherij moge er bij gewonnen hebben;
maar het gevaar werd hoe langer hoe grooter. In de vorige eeuw was de
Akerweg nog tot waterkeering dienende tegen het Meer; het herstellen
der doorbraken in denzelven, en van de waterkeering, werd toen door de
landmeters van Rhijnland begroot op f 140,400 of f 188,660, naar mate
dat het werk meer of minder volkomen zoude zijn. Doch men heeft toen
tot andere min kostbare maatregelen de toevlugt genomen:--die Akerweg
is geheel vernield,--vóór- en achterliggende landen zijn verdwenen:
wij zien omtrent den Osdorper-weg, die veel meer noordelijk gelegen,
toen een binnenweg was, thans dezelfde zwarigheden ontstaan;--wij
zagen dien ook verschillende malen dóórbreken, en wij zagen het
Haarlemmermeer de landerijen en noordelijke polders tot aan de poorten
van Amsterdam en den Haarlemmerweg met groot geweld innemen."

»Aan den Koning, aan de Staten van het gewest, aan Rhijnland is
hulp verzocht tegen het gevaar, waarin het land, tusschen het IJ
en het Haarlemmermeer gelegen, verkeert. De Koning, de Staten van
het gewest hebben zich hulpvaardig betoond: ook de onderhavige wet
is een bewijs van de gezindheid der Hooge Regering om te helpen;
maar de wijze, waarop het droogmaken van het Meer wordt voorgesteld,
is niet voldoende, om het gevaar te weren. Ook behoeft men hier geene
proefnemingen te doen, waar men zich met genoegzame zekerheid tegen
de kwade gevolgen, welke uit de onderneming voor Rhijnlands boezem
gevreesd worden, kan waarborgen. Het gevaar, dat men in het verkleinen
van dien boezem door het droogmaken van het Meer veronderstelt, moet
door andere middelen worden weggenomen, dan door het onaangeroerd
laten van het Spieringmeer; want om dit aan die bedoeling te doen
beantwoorden, zoude het voor de polders, die tegen den Haarlemmerweg
gelegen zijn, en voor den toekomstigen polder zelven, dubbel gevaarlijk
worden. Ik eindig dus met den wensch, dat, welke ook de gevolgen
van het tegenwoordig ontwerp van wet zijn, het Z. M. den Koning moge
behagen, dit punt in bijzondere overweging te nemen [86]".

De tiende spreker was de Heer Druyvensteyn, welke aldus sprak:

»Dat ik mij verpligt vinde mijne stem aan het voorgedragen wetsontwerp,
tot uitgifte van losrenten ten laste van de overzeesche bezittingen,
tot het doen van voorschotten voor openbare werken te ontzeggen,
is niet om mij daardoor te verklaren tegen het aanleggen van
spoorwegen, veel minder om mij te verzetten tegen het droogmaken van
het Haarlemmermeer, en zelfs niet om aan de Regering de gelegenheid
te ontnemen, door bijdragen, verschillende werken van algemeen nut
en belang te helpen verbeteren, maar, al in de eerste plaats, omdat
ik het oogenblik, waarin wij zijn, voor dergelijke belangrijke werken
niet gelukkig gekozen vind, en een verwijl, al ware het dan ook maar
van korten duur, wenschelijk en voorzigtig beschouw, en ten andere,
maar ook bepaaldelijk, omdat ik mij met het aangewezen fonds niet
kan vereenigen."

»Of een spoorweg in ons land enz."

»Wat de droogmaking van het Haarlemmermeer betreft, hoe vele ontwerpen
zijn daartoe niet reeds gemaakt, met Leeghwater en welligt reeds
vroegere te beginnen; hoe vele wenschen zijn daartoe gedaan; hoe
dikwerf is het noodzakelijke aangetoond, en hoe is dit Meer, onder
het maken van al die plannen en berekeningen, uitgebreid, in werking
en kracht toegenomen, en hoe zal hetzelve eindelijk bij zoodanigen
voortgang gevaarlijk worden en eene droogmaking gebiedend vorderen?"

»Ik ben zeer voor het droogmaken van het Haarlemmermeer, en behalve
het hiervoren gezegde, vereenig ik mij met de woorden der Regering
in de eerste antwoorden op dit onderwerp gegeven, dat de keus niet
twijfelachtig kan zijn, dezen uitgestrekten en dreigenden waterplas
in vruchtbare velden herschapen te zien; maar ik verschil van opinie
omtrent de wijze van uitvoering: ik wenschte de onderneming aan
partikulieren toebetrouwd te zien en, om daarbij eens in den geest
van het onderwerp in eenen landelijken zin te spreken, bezig ik het
spreekwoord: wien de koe behoort vat ze bij de hoornen. Bij eene
eigen onderneming wordt die spreuk met ernst voor oogen gehouden,
en de bewustheid van voor het groote kantoor te werken leidt niet
tot nuttelooze kosten."

»In Noordholland zijn in vroegere eeuwen veertig, en welligt meer,
zoo groote als kleine waterplassen, door particuliere ondernemingen
in land herschapen, en mogen wij hierin den ondernemenden geest onzer
voorvaderen opmerken, het tegenwoordig geslacht mag er ook op roemen,
dat de moed voor groote zaken nog niet is verloren, en het droogmaken
van het Haarlemmermeer nog geen onderwerp is om tegen op te zien;
maar door ondervinding wijs geworden, kan zoodanige onderneming niet
onvoorwaardelijk plaats vinden: bijna alle droogmakingen, ten minste in
Noord-Holland, hebben, zelfs bij de geringere arbeidsloonen en bij zeer
lage prijzen der levensmiddelen, óf eene ongunstige óf hoogstens eene
zeer matige uitkomst opgeleverd, en bij eene vrij zeker schadelijke
uitkomst, zoo als bij de droogmaking van het Haarlemmermeer toch
wel het geval zal wezen, zoude de onderneming door particulieren,
zonder gunstige conditiën, eene dwaasheid zijn."

»Maar de Regering kan hierin te gemoet komen: laat dezelve voor deze
droogmaking, ook met inbegrip van het Spieringmeer, dat, zoo ik mij
niet vergis, ook het idee der commissie is, eene billijke bijdrage
aanbieden, vrijdommen verleenen en al wat tot deze zaak wenschelijk
kan zijn, gemakkelijk maken, en daartegen bepalingen vasthouden,
die van de zijde der Regering niet verloren mogen gaan."

»Zoo zal bij voorbeeld Rhijnland in deszelfs bestuur en regten
bescherming behoeven, het zal van belangrijke bezwaren ontheven,
maar ook met andere moeten belast worden; voor de ontlasting
van het boezemwater, dat zich op een' veel kleineren omtrek zal
beperkt vinden, zal met naauwgezetten ernst moeten gezorgd worden;
de landerijen, die aan dezen verkleinden waterboezem zullen grenzen,
en na de bedijking van het Meer als oude landen zullen voorkomen,
zullen welligt tegemoetkoming behoeven voor het aanleggen, verhoogen
of verzwaren hunner waterkeerende dijken; de plaatsing der watermolens
en stoommachines, de verbetering en vermeerdering van sluizen, zal
niet naar willekeur moeten geschieden; het getal der beide eerste
zal aanvankelijk onzeker, maar nader in verband met de blijkbare
behoefte worden vastgesteld, en meer dergelijke zaken, als door de
ondervinding zullen aangewezen worden, noodzakelijk te zijn."

»Onder het voorbehoud van alle zoodanige bepalingen aan de zijde der
Regering, zal het Haarlemmermeer worden drooggemaakt, zonder andere
belangen te kort te doen of te benadeelen, en hoe hoog de bijdrage
der Regering ook moge worden bepaald, ze zal niet onzeker en altoos
minder zijn, dan de kosten eener eigene onderneming; de regten van
Rhijnland zullen bewaard, de belangen der omgelegen landen zullen
beschermd worden, een gevaarlijke plas zal niet meer bestaan, en aan
het algemeen belang wordt eene hoogstwenschelijke en nuttige bijdrage
gebragt.--Ik herzegge, aan het algemeen belang, want de provincie
mag er door verbeteren, en van de mogelijkheid eener gedeeltelijke
overstrooming bevrijd worden, maar 's Rijks kas alleen zal éénmaal, al
moge zulks nog verre verwijderd zijn, de vruchten van het drooggemaakte
Meer plukken."

»Wat eindelijk het laatste gedeelte der wet betreft, enz. [87]."

Hierop volgde de Heer de Bordes, welke zeide:

»Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer betreft, ben ik overtuigd
van al het heilzame van hetzelve, en ik erken tevens, dat dit gedeelte
van het ontwerp van wet zich om zeer vele redenen, uitgedrukt in de
memorie van toelichting van het Gouvernement, aanbeveelt."

"Het betoog van het geëerd lid uit Leijden voor het uitsluitend
regt van de genoemde stad op het Haarlemmermeer, hetzij dan op den
grond van hetzelve, hetzij op de visscherij in dien waterplas, uit
oude stukken ontwikkeld, is mij zeer belangrijk en wetenswaardig
voorgekomen;--maar wanneer ik ook bij nader onderzoek dier stukken
eene nog meer volledige overtuiging van dat regt mogt verkrijgen,
zoude het voor mij geene genoegzame beweegredenen opleveren, omdat naar
mijn inzien het regt der stad Leijden dan gelijk zoude staan met alle
andere particuliere eigendommen, die tot bevordering van algemeen nut,
behoudens eene billijke schadevergoeding, onteigend kunnen worden."

»Doch, hoezeer ik dan aan de eene zijde overtuigd ben van het
nuttige der zaak, gevoel ik aan den anderen kant de billijkheid,
dat een werk van zoo veel nut voor deze provincie, en waarbij het
Hoogheemraadschap van Rhijnland ook zoo zeer betrokken is, niet
uitsluitend worde daargesteld ten, koste van de algemeene schatkist."

»Het is wel waar, de voordeelen, welke uit die droogmaking zullen
voortvloeijen, zijn niet alleen eigen aan de provincie Holland,
maar ook de algemeene Staat heeft er belang bij, om die gevaarlijke
binnenlandsche zee uit het midden van den vaderlandschen grond te
doen verdwijnen; doch dat belang is toch meer bijzonder dat van het
gewest, waarin die waterplas zich bevindt, en vooral ook dat van het
Hoogheemraadschap, hetwelk daardoor zal bevrijd worden van de groote
kosten, die de beveiliging van de oevers van het Haarlemmermeer
jaarlijks vordert."

»Ik zoude derhalve met velen mijner medeleden instemmen, dat wel de
Rijks schatkist zich met een aanzienlijk gedeelte van de vereischte
kosten bezwaren kan, maar meen tevens, en wel vooral ook, omdat
de toestand van 's lands kas zoo veel uitsparing vereischt, dat de
mede-geïnteresseerden in die kosten moeten deelen."

»En daar ik dit in de concept-wet niet aangetroffen heb, en vooral
ook, daar ik voor de algeheelheid der kosten hetzelfde fonds vind
aangewezen, hetwelk ik voor den ijzeren spoorweg moet afkeuren,
heb ik ook gemeend aan dit aangelegen werk, hoe wenschelijk op zich
zelf, mijne stem niet te kunnen geven;--moetende ik daarbij aan de
beoordeeling van meerkundigen overlaten, in hoe verre de geprojecteerde
uitvoering van het ontwerp aan gegronde bedenkingen, of aan die,
welke wij in deze zitting hebben hooren aanvoeren, onderhevig is,
en of de raming der kosten als voldoende kan worden geacht."

»De wijze van voorziening in de vereischte kosten belet mij ook te
stemmen voor de werken van verschillenden aard, en ik oordeel tevens
met de afdeeling, tot welke ik behoord heb, dat die werken in de
wet zelve hadden behooren uitgedrukt te worden, en dat ten aanzien
der kosten, voor ieder derzelve vereischt, eene afzonderlijke opgave
van hetgeen de algemeene lands-kas daarin zoude behooren te dragen,
in de wet had behooren gevoegd te worden."

»Eene geregelde toestemming der Staten-Generaal in deze buitengewone
credieten scheen mij zulks te vorderen."

»Het alles te zamen trekkende, is het dus niet, omdat ik het nuttige
der voordragt niet gevoel, maar om den vorm, waarin hetzelve is
voorgesteld, en vooral om de wijze van voorziening in de benoodigde
kosten, dat ik mij gedrongen zie Zijne Majesteit eerbiedig te verzoeken
deze wet in nadere overweging, te nemen [88]."

De Heer van Hoorn van Burgh »achtte de droogmaking van het
Haarlemmermeer hoogst wenschelijk en heilzaam, en wees bij het betoog
hiervan vooral ook op de polders van Woubrugge en anderen, die nog
onder de gevolgen zuchtten der stormen van November en December 1836,
en de daardoor veroorzaakte overstroomingen van het Haarlemmermeer. De
vermenging echter van twee ongelijksoortige onderwerpen en het
onraadzame der voorgedragen financiëele maatregelen, deden hem tegen
de wet stemmen [89]."

De Heer Repelaer zeide: »Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer
aangaat, hoe wenschelijk die zaak op zich zelve ook beschouwd moge
worden, en in de gevolgen van belang voor het Rijk moge zijn, zoo
doet zich echter alhier de vraag op, of het raadzaam is, zoodanige
onderneming juist in de tegenwoordige omstandigheden te beginnen:
indien er toch geen periculum in mora bestaat, zoude men dan die
bewerking niet tot geschikter gelegenheid kunnen uitstellen? zijn er
zoodanige dringende redenen aanwezig, welke de droogmaking van dat
Meer zonder uitstel en gebiedend vorderen; waarom dan dezelve, het zij
met eerbied gezegd, aan deze vergadering niet kenbaar gemaakt? Mogten
er echter geene zoodanige overwegende redenen bestaan, ware het dan
niet beter een gunstiger tijdstip daartoe uit te kiezen [90]?"

De veertiende spreker was de Heer Hooft, welke dus sprak:

»Ik was voornemens, om een uitgebreid advijs uit te brengen over de
onderhavige wet; maar toegevende aan het verlangen van vele leden en
in aanmerking nemende de lang gerekte aandacht van U Edel Mogenden,
waarvan ik geen misbruik wil maken, zoo zal ik, daar vele van mijne
bedenkingen reeds door andere leden zijn opgenomen, verder van het
woord afziende, mij alleen bepalen tot één punt, waartoe ik mij
verpligt gevoel. Daar het U Ed. Mogenden bekend is uit de stukken,
welke wegens het Haarlemmermeer zijn medegedeeld, dat ik behoord
heb tot de commissie, welke daarover rapport heeft uitgebragt,
en als strijdig met de bemoeienissen dier commissie, voor dezelve,
maar vooral voor de Regering, welke die commissie heeft benoemd,
eenigzins grievend is voorgedragen, namelijk alsof het Bestuur van
Rhijnland ten deze niet ware gekend; iets dat niet alleen in de
afdeelingen, maar ook bij de beraadslaging van heden, en wijders
in een adres aan deze Kamer gerigt en in de dagbladen opgenomen en
publiek geworden, is beweerd: hierover nu moet ik U Ed. Mogenden
zeggen, dat op gevraagde voordragt van Rhijnland door Z. M. de Heer
du Pui, Secretaris van de stad Leijden, in die commissie is benoemd
geworden, even als de Heer de Bruyn Kops, Burgemeester van Haarlem,
welke ook is lid van het Bestuur van Rhijnland, zoodat twee leden van
dat Bestuur in de commissie zitting hadden; dat die Heeren, even als
ik voor Amsterdam daarin zitting hebbende, met ruggespraak met onze
committenten hebben gehandeld, zoodat die Heeren den Heer opzigter van
Rhijnland, Hanegraaff, in onze deliberatiën en ter visie der stukken
hebben medegevoerd, zoowel als ik een' deskundige uit de hoofdstad;
dat al de bezwaren van Rhijnland tegen het ontwerp der droogmaking zijn
overwogen en geweken, voor het namens dat Bestuur aan onze commissie
ingeleverd en door dezelve in deszelfs geheel overgenomen plan met
teekening en raming van kosten voorzien, (thans nog ter inzage op de
griffie van deze Kamer liggende), van de geprojecteerde verbeterde
uitwatering te Katwijk; en dat wijders het bij onze commissie ook
door mij sterk aangedrongen voornemen om de droogmaking van het
Spieringmeer aan te raden, is opgegeven, alleen toen wij de zekerheid
meenden te hebben, dat bovengemelde medewerking van Rhijnland getuigde
van de goede gezindheid ten deze van dat Bestuur, en hetzelve daardoor
genoegzamen waterboezem erkende te hebben."

»Na al dat aangevoerde, laat ik het beoordeelen, of Rhijnland al dan
niet gehoord is, over aan de natie. Ik heb gezegd  [91]."

In de Nederlandsche Staats-Courant van den 21 April 1838, No. 95,
heeft de Heer Hooft dan ook de redevoering, welke hij had vermeend
in de Kamer uit te spreken, doen drukken; ik neem uit dezelve hier
over hetgeen tot het Haarlemmermeer betrekking heeft en aldus luidt:

»Heb ik iets gezegd over de ijzerbaan, althans zullen U Edel
Mogenden dit van mij verwachten van het Haarlemmermeer, eene zaak,
die ik daarentegen gaarne derzelver beslag zag verwerven, door deze
hoogst gevaarlijke en al meer en meer toenemende vernielingskracht
uitoefenende binnenlandsche zee te zien droog gemaakt en herschapen in
eene welige vlakte, waartoe de wensch van allen, die de zaak kennen,
zich zoo ernstig uitstrekt; en ook daaronder mag ik mij rangschikken,
zoowel als grondeigenaar, alsook als belastingschuldige van Rhijnland,
en vermeen dus mijne stem in die betrekking, met mijne mede-slagtoffers
van de woelingen van dat Meer, zoowel voor de droogmaking te mogen
verheffen, als andere bunderpligtigen aan Rhijnland, die tot dus verre
gespaard zijn, er tegen willen spreken. Maar, Ed. Mog. Heeren! wat
zal ik al veel bijvoegen bij hetgeen staat in het u bekend rapport
der commissie van onderzoek deswege, waar ik de eer gehad heb
van mijne teekening onder te stellen, en dat het noodzakelijke,
het uitvoerlijke, en, in één woord, het aannemelijke daarvan vrij
overtuigend moet bewijzen."

»Ik beken, dat ik gaarne gezien had, dat deze onderneming zich ook had
kunnen uitstrekken over het zoogenaamde Spieringmeer; maar toegevende
in dezen aan de zwarigheden, die zich in de uitvoering opdeden bij
een zeer gewigtig waterbestuur in die streken, welks medewerking veel
waard was en waarvan de tegenwerking niet verkieslijk was, zoo heb
ik dat stuk geteekend in de volle verzekering, dat het Bestuur van
Rhijnland, waarvan twee leden het rapport mede geteekend hebben, en
na gehoudene ruggespraak met hunne medebestuurders, aan die commissie
hoogst belangrijke hulpmiddelen hebben gesuppediteerd en door deze
zijn overgenomen;--ik beroep mij, om niets meer of anders te noemen,
op het project met teekening en raming van de uitbreiding van het
Katwijksche kanaal, ter griffie dezer Kamer in natura aanwezig en
door Rhijnlands Bestuur opgemaakt, aan de commissie overgegeven:
is dit hooren van dat Bestuur, of is het dit niet? (Ik vraag dit
tot wederlegging van het ongegronde van den kreet, alsof dat Bestuur
onkundig van de zaak was).--Zoo heb ik, zeg ik, dat stuk geteekend,
al wordt de droogmaking niet zoo volledig als ik die wenschte: andere
leden dier commissie met mij het wenschelijke van het droogmaken van
het Spieringmeer opgegeven hebbende, alleen omdat wij op Rhijnlands
medewerking staat maakten. Maar ik zie, dat ik uit ijver voor de
zaak te verre ga, en mij inlaat in eene aanprijzing van dezelve,
die minder het onderwerp onzer beoordeeling moet zijn: de vraag,
of er gelden uit de schatkist voor moeten gegeven worden, is alleen
van onze competentie, en ja antwoord ik daarop."

»Het is geen werk voor nageburen of omliggende grondbezitters,
deze zijn reeds óverbelast in al de Rijks lasten: dit is één- en
andermaal bewezen, toen wij over de grondlasten beraadslaagden;
deze zijn bovendien nog zóódanig gedrukt door molen-, polder-
en andere ongelden, dat abandonneren van hunne bezittingen eerder
het voornemen zoude zijn, dan nieuwe lasten te dragen; met grond
dus mag men 's Rijks hulp in dezen zoo goed vragen en verwachten,
als wij jaarlijks andere provinciën, zoo als Zeeland en Overijssel,
in verhouding tot de overige, overwigtige aandeelen zien trekken bij
de begrooting in de waterwerken van het geheel; en let men er dan op,
aan wie de eindelijke voordeelen van de opbrengsten der drooggemaakte
gronden zullen baten, is het dan niet in de Rijks cassa, dat verre het
meerendeel van al de directe en indirecte belastingen, die door de zich
aldaar te vestigen bevolking zullen opgebragt worden, zullen vloeijen?"

»Eene zwarigheid nog moet ik opnemen, die noch bij de commissie
bovengemeld, waar de bezwaren der stad Leijden door de welwillendheid
van Z. M. zijn ingezonden geweest, noch in de aanmerkingen der
afdeelingen is geopperd, maar nu voor het eerst in de beraadslaging
is opgekomen tegen de droogmaking van het Haarlemmermeer,  en deze
is: dat dit Meer een eigendom dier stad zoude zijn, en die stad niet
gehoord zoude zijn in dezen."

»Het is waar, er was in die commissie geen lid van de Regering dier
stad, hoezeer de Secretaris van dezelve als lid van Rhijnland daarin
zitting had. Het punt van eigendom is niet geopperd, zeide ik;
doch was dat opgegeven, wel nu, het antwoord zoude zijn geweest,
als men dan dien eigendom bewees: Gij, eigenaar! zorg dan, dat uw
eigendom niet schade aan derden. En hoe hoog dit nu opgevijzeld is,
even sterk zoude die stad dit eigendoms-regt zoeken af te schuiven,
wanneer al de gelden, die het Rijk, Rhijnlands bunderpligtigen en
alle zij, die schade door de Meer-wateren geleden hebben of lijden,
moeten dragen, betaald zijn, op die stad eens verhaald wierden. Ik
geloof dus weinig aan dat bezwaar te mogen hechten, en juiche toe, dat
wij eene grondwet hebben, die in art. 215 het toezigt over die werken
aan den Koning opdraagt, om die eigenaren, die door veronachtzaming
van het onderhoud van hunnen eigendom anderen schaden, op den regten
weg te brengen. Wat het hooren betreft, kan ik hier nog bijvoegen, dat
de commissie, alléén op de vraag dier stad, een' duiker ter inlating
van water van den IJssel heeft voorgedragen, en daartoe is besloten,
al zijn de kosten niet in de raming opgenomen. En waarom niet? omdat
die stad niet, even als Rhijnland voor de verbetering van het ja thans
niet voldoende, maar nu verbeterd zullende worden Katwijks kanaal,
eene begrooting en raming van kosten heeft opgegeven."

»Er is in de afdeelingen ook gesproken van den wederstand, welken die
droogmaking ondervindt bij twee adressen aan deze Kamer ingezonden. Wat
betreft het eene van den Heer van Pallandt, dit is eigenlijk niet
tegen de droogmaking zelve, maar tegen de wijze hoe, en behoort dus
geheel bij de administrative en niet bij de wetgevende magt; deze Kamer
kan toch wel niet beslissen, of er een stoomwerktuig te Sparendam al
dan niet moet komen. Het andere van eenige grondeigenaars, waaronder
een lid van Rhijnlands Bestuur, een Bestuur dat, hoe groot in magt
en hoe groot in dezen ook opgevijzeld, inderdaad dan toch maar is
een Polderbestuur in het groot, alleen in de middelen van uitvoering
werkzaam door omslag en poldergelden door de grondbezitters opgebragt:
ik zeg dit om te doen gevoelen, dat al die grondbezitters met ernst
moeten wenschen, dat die al klimmende omslagen mogen verminderen,
en dat vooruitzigt is er nu, dat er een breidel zal gelegd worden
aan de verwoestingen van dien waterplas. Elk hunner te hooren was
onmogelijk, hun aller vertegenwoordigers zijn gehoord, heb ik gezegd
en herhaal ik; dus zal dat adres dan ook wel van geen overwigtig
belang te beschouwen zijn."

»Stond deze zaak nu eindelijk op zich zelve, met ernst en ijver
zoude ik de wet voor aannemelijk verklaren; maar, helaas! al te veel
bezwaren ontmoet ik om over te stappen, om er dit ééne deel van te
verkrijgen. Want behalve het reeds vroeger door mij gezegde over andere
bezwaren, zoo is er nog een hoofdargument tegen, en dat is wel het
voornaamste; (want over die kleine wegen en andere werken zal ik nu
kortheidshalve maar niet spreken:) ik bedoel het financiëel gedeelte
zelf en niet zoo zeer de grootte der sommen, die benoodigd verklaard
worden; want geene sommen zijn te groot, als de vruchten daarvan zoo
blijkbaar zijn te verwachten, dat alle twijfel over dezelve wegvalt;
maar over het bezigen hiertoe van gelden, die moeten voortspruiten
uit fondsen, aan welke eene vaste bestemming is gegeven en niet dan
onzeker terug zullen zijn gekomen, dán en wanneer die benoodigd zullen
zijn. Dit onderwerp nu nader te ontwikkelen zoude ik met welgevallen
doen; maar in de processen-verbaal der afdeelingen en door vorige
sprekers is hetzelve reeds zóó uiteen gezet, dat ik mij daarvan als
nu vermeen te mogen onthouden, te meer, daar ik U Edel Mogendens
aandacht welligt reeds te lang heb bezig gehouden."

»Ik moet tot mijn leedwezen derhalve Z. M. verzoeken, de wet in nadere
overweging te nemen, enz."

Eindelijk verdedigde Z. E. de Minister van Financiën Jr. Beelaerts van
Blokland, die tevens Lid der Kamer is, de wet, en zeide met betrekking
tot het Haarlemmermeer:

»Een ander gewigtig doel van het in beraadslaging zijnde wets-ontwerp
is het droogmaken van de Haarlemmermeer. Deze groote waterplas,
die reeds in vroeger jaren, ja, ik mag wel zeggen in vroeger eeuwen
(want reeds ten tijde van Prins Maurits werd de noodzakelijkheid
ingezien), zoo veel stof tot bezorgdheid heeft opgewekt, is hoe
langer hoe dreigender geworden, en de stormen in 1836 en het begin
van 1837 hebben het gevaar al meer en meer aanschouwelijk gemaakt. De
Regering, aan haren pligt tot 's Lands behoud getrouw, heeft dan deze
gewigtige zaak tot een onderwerp van gezet en naauwkeurig onderzoek
gemaakt, waarvan het ontwerp, aan U Ed. Mog. bekend, de uitkomst is;
alle belangen zijn daarbij in het oog gehouden en zoo veel mogelijk
vereenigd. Dit is het voordeel van een Bestuur op éénheid gegrond,
dat tegenstrijdige, plaatselijke of bijzondere belangen, die in onze
vorige staatsgesteltenis zoo dikwijls algemeen nuttige inrigtingen
tegenhielden of dwarsboomden, aan het algemeen belang ondergeschikt
kunnen worden, of liever, zonder schending van bijzondere regten zich
in het algemeen belang en in het algemeen welzijn oplossen. Dezelfde
redenen, die ten aanzien der ijzeren spoorwegen mij wederhielden
in vele bijzonderheden te treden, wederhouden mij ook daarvan met
betrekking tot dit groote werk, welks nut en noodzakelijkheid door
kundige en bevoegde beoordeelaars algemeen is erkend: zoodra de
commissie, met die taak belast, dezelve had afgewerkt, heeft de
Regering niet gedraald in hare poging tot verwezenlijking eener
zaak, die voor het geheele Rijk van het grootste belang is, omdat
zij een groot gevaar zal afwenden, omtrent 17,000 bunderen lands
aan het water zal ontwoekeren, en den algemeenen lands rijkdom zal
vermeerderen. Maar is die noodzakelijkheid dan thans zoo dringend? Ik
antwoord zonder aarzeling, ja: die noodzakelijkheid was reeds lang
dringend, en wordt het dagelijks meer; vroeger konde de zaak niet
worden bij de hand genomen, omdat het onderzoek moest voorafgaan;
tot langer uitstel is geene reden, want dezelfde vraag, of het nu
zoo dringend noodig is, kan even goed in een volgend, in een tweede,
in een derde jaar, enz. gedaan worden, en zoude een uitstel tot een'
onbepaalden tijd kunnen worden gerekt, tot het welligt te laat zoude
zijn, en de verwezenlijking moeijelijker en kostbaarder zoude worden:
gelijk één laatste druppel waters eindelijk den emmer doet overloopen,
die lang vermeerdering bij stralen heeft verdragen, zoo kan één
noodlottig oogenblik, door niemand te berekenen, onherstelbare rampen
veroorzaken. Om deze of gene beschouwingen van ondergeschikt belang,
behoort het aanvangen der zaak niet te worden uitgesteld, die kunnen
in den voortgang der uitvoering worden in aanmerking genomen, en naar
bevind van zaken daaromtrent worden te werk gegaan; want men zal toch
de Regering niet zoo gedachteloos vooronderstellen, van niet op alle
belangen, die ten dezen in aanmerking kunnen en moeten komen, te hebben
gelet of te zullen blijven letten. Dat handelen naar bevind van zaken,
gedurende het werk, verdient daarom niet met den naam eener gevaarlijke
proefneming te worden bestempeld, zoo als in een der requesten is
geschied; want wel verre, dat men de zaak aan proefnemingen zoude
willen blootstellen, heeft men bij eene mogelijke gebeurtenis het
hulpmiddel nevens de kwaal aangewezen. Dat ondertusschen dit gewigtig
werk betere uitkomsten, in korteren tijd en met mindere kosten, dan wel
vroeger was berekend, belooft, zal niemand behoeven te verwonderen,
die de kracht van den stoom in aanmerking neemt: eene beweegkracht,
welke onze voorouders niet gekend hebben, maar almede van den voortgang
in beoefenende wetenschappelijke kennis getuigt, en zoo veel toebrengt
tot de vervulling van tallooze behoeften en genietingen des levens."

»Maar heeft de Regering, met gemeen overleg der Staten-Generaal, wel
het regt tot deze droogmaking? Deze bedenking, door een' geacht spreker
in het midden gebragt, is zeker van gewigt, en verdient dus eene
bijzondere beantwoording: aan de stad Leijden zoude de eigendom der
Haarlemmermeer toebehooren; zij had dien titulo oneroso verkregen, en
kon derhalve, zonder hare toestemming, daarvan niet worden ontzet; zij
was ondertusschen in hare belangen niet gehoord, evenmin als Haarlem
en het Hoogheemraadschap van Rhijnland. Ik antwoord daarop: 1º. dat
het niet juist is te zeggen, dat die steden en het Hoogheemraadschap
niet zouden gehoord, of niet in de gelegenheid gesteld zijn geweest,
derzelver belangen te doen gelden; het collegie van Rhijnland is
geraadpleegd over het benoemen van twee leden uit deszelfs midden in
de commissie om dit werk te onderzoeken en daaromtrent te advijzeren;
de Heeren de Bruijn Kops en du Pui zijn daarop gedesigneerd en benoemd,
omdat de eerste was Burgemeester van Haarlem, de tweede Secretaris
van Leyden, en dus, zoo in die hoedanigheid, als in betrekking van
Hoogheemraden, in staat waren, de belangen dier steden en van Rhijnland
te doen gelden, gelijk die ook in aanmerking zijn genomen. 2º. Wat
den eigendom van Leyden betreft, wilde ik wel eens weten, of die stad
voor de Haarlemmermeer zich in de grondbelasting heeft aangegeven,
gelijk zij verpligt zoude zijn indien zij eigenaresse was van dien
waterplas, want water is zoowel in het kadaster begrepen als land;
maar te regt is zij in de grondbelasting niet aangeslagen, omdat zij
geen' eigendom van de Meer heeft. 3º. Al wat uit de voorgelezene oude
oorkonden blijkt, is, dat zij indertijd gekocht heeft het vroon, dat
is de visscherij in een groot gedeelte van de Meer: wat kan daaruit
op zijn hoogst volgen? Dat zij het regt op die visscherij behoudt,
zoo lang de Meer water blijft. Zij is van dezelfde conditie als ieder
ander visscher, arm of rijk; maar de droogmaking dáárom tegen te
houden, daartoe bestaat geen regt; indien hier een eigendom bestaat,
dan staat daartegen over het regt van onteigening ten algemeenen nutte,
en de uitoefening van dat regt, volgens de nog bestaande wet van 1810,
kan niet verhinderd worden, maar eene vraag van schadeloosstelling doen
ontstaan volgens de grondwet en het gemeene regt. Dergelijke belangen
zijn ook niet uit het oog verloren: opzettelijk is daarover in het
algemeen het Departement van Justitie geraadpleegd, en de uitkomst
van dat onderzoek is geweest, dat de zaak daarom niet behoefde
opgehouden te worden, maar dat elke opkomende reclame zoude moeten
worden onderzocht, elks regten, hetzij bij den gewonen regter, hetzij
elders, overwogen, en daarop regt gedaan, zoo als bevonden zoude worden
te behooren. 4º. Geen bijzonder belang kan het algemeen belang in den
weg staan; zij zijn voorbij, die rampzalige tijden, toen eene enkele
stad de nuttigste en in het algemeen belang noodzakelijkste werken
konde verhinderen; zij zijn voorbij, en gelukkig voorbij, die tijden,
toen de stad Leijden aan hare gedeputeerden ter staatsvergadering van
Holland de instructie konde geven en met eede doen beloven, dat zij
nooit in de droogmaking der Haarlemmermeer zouden toestemmen. Wij,
Ed. Mog. Heeren! hebben een' anderen eed afgelegd: wij zijn als leden
der Staten-Generaal verbonden, het algemeen belang met al ons vermogen
te bevorderen, zonder ons door provinciale, plaatselijke of bijzondere
belangen daarvan te laten aftrekken."

»Welke, de voordeelen dezer droogmaking zullen zijn, behalve het
beveiligen van een groot gedeelte des lands, en daaronder de hoofdstad
des Rijks, tegen een onherstelbaar verderf, is niet wel a priori met
eene volledige, dat is onbetwistbare juistheid te berekenen; maar
wanneer men aanneemt, dat de droog gemaakte landen, door elkander
gerekend, f 200,--per bunder kunnen opbrengen (door sommigen wordt die
prijs op veel meer, door anderen op minder berekend), dan verkrijgt men
voor de 16,700 bunders eene som van drie millioen drie honderd veertig
duizend gulden; dit mag wel eene goede opbrengst geacht worden voor
een werk, waarvan de kosten negen millioen kunnen hebben beloopen:
maar dit is slechts een aanvankelijk voordeel uit de eerste schepping
(om het zoo te noemen) dier landen te verwachten; die landen nemen
ná de droogmaking en bebouwing in waarde toe; kudden vee worden op
dezelve ter grazing geweid; het zuivel wordt in eene groote hoeveelheid
vermeerderd; veldvruchten van verschillenden aard worden er geteeld;
fabrijken worden er welligt hier en daar gevestigd; woningen en andere
getimmerten worden er gebouwd; dorpen rijzen op; allerlei neringen en
bedrijven komen er aan den gang; en terwijl het land aan het water
zal ontwoekerd zijn, vinden daar duizende nijvere ingezetenen werk,
duizenden worden aan armoede onttogen; van al deze vermeerderingen van
welvaart, plukt het algemeen de schoonste vruchten, en deze werken
weldadig op de schatkist terug, aan welke onderscheiden opbrengsten
in reëele en personeele, directe en indirecte lasten toevloeien,
welke dus ongevoelig de gemaakte kosten vergoeden. Eene verlichte
Regering, welke dit werk zal hebben te weeg gebragt, en eene even
verlichte volksvertegenwoordiging, welke door eene onbekrompene
medewerking de Regering daartoe zal hebben in staat gesteld, zullen
zich bij eene dankbare nakomelingschap eene eerzuil hebben gesticht,
duurzamer dan metaal of marmer."

»Eene derde soort, enz. [92]"



»Ik heb de hiervorenstaande redevoeringen gegeven, zoo als zij in de
Nederlandsche Staats-Courant zijn geplaatst [93]. Men ziet uit dezelve,
dat ik bij den aanvang niet ten onregte zeide, dat van de vijftien
Leden, »die over de voorgestelde wet het woord hebben gevoerd, er
niet één is geweest, die zich tegen de droogmaking van het Meer heeft
verklaard, ja dat de meeste hunner het het vewezenlijken van dit zoo
lang reeds beraamd plan wenschelijk hebben genoemd."--De voorgedragene
wet is met 46 stemmen tegen 2, zijnde die van de Heeren Beelaerts van
Blokland en Weerts, afgestemd.--Mag men geruchten gelooven, dan houdt
de Regering zich nog steeds onledig om dit plan te verwezenlijken,
en zou Z. M.--wiens belangstelling in alle nuttige ondernemingen nog
dezer dagen, door het Besluit tot het aanleggen van eenen ijzeren
spoorweg naar Arnhem, op nieuw gebleken is,--den Minister van
Binnenlandsche Zaken hebben gelast, om eenige proeven te doen nemen,
ten einde te geraken tot de bepaling der beste wijze van uitvoering
dier onderneming, ingeval men mogt besluiten, om daarmede eenen
aanvang te maken. Is dit zoo, dan mogen wij ons vleijen, dat nog in
onzen leeftijd die inwendige vijand, gelijk men het Haarlemmermeer
met regt mag noemen, zal worden ten ondergebragt: en dat nog eenmaal
het nageslacht, het alsdan bloeijend Haarlemmermeer, welig bebouwd en
talrijk bewoond, aanschouwende, met dankbaarheid aan de zorgen van het
voorgeslacht zal denken. De Allerhoogste schenke hiertoe Zijnen zegen!


Amsterdam, 1838.


Candore et ardore.



                          HAARLEMMERMEER-BOEK.



                              BESCHRIJVING
                                   EN
              VOORBEREIDING TOT HET BEDIJKEN EN DROOGMAKEN
                                 VAN DE
                            HAARLEMMER-MEER.


Om te vertoonen aan de Edele, Wijze, Voorzienige Heeren, de Staten
van Holland, en aan Zijne Hoogheid den Prins van Oranje, enz. Ook
mede aan de Edele Heeren Burgemeesteren, Raden en Regenten van de
groote Steden Haarlem, Leiden, Amsterdam en Gouda. Desgelijks aan
de Edele Heeren Dijkgraaf en Heemraden van Rhijnland. Dat zij, als
overste bewindhebbers, gelieven hierin een weinig te speculeren, en
mede helpen handhaven eendragtelijk te zamen met goeden raad en daad,
om dit groote, treffelijke, heerlijke en lofbaarlijke noodwendige
werk eens bij de hand te nemen en met Gods hulpe te mogen bedijken
en voltrekken. Hetwelk zou dienen tot nut, profijt en voordeel van
het gemeene beste voor het Vaderland.

Concordiâ res parvae crescunt.--Eendragt maakt magt.



Voorzienige Heeren!


Aan vele lieden, die in de nabijheid van Haarlem, Leiden en Amsterdam
woonachtig zijn, is het wel bekend, dat de Haarlemmer Meer nu
tegenwoordig een groot, verderfelijk en schadelijk water is, gelijk
eene binnenlandsche zee, die alle jaren eene groote afbreuk doet aan
de omliggende landen en ingezetenen, gelijk een verslindende wolf,
zoodat de vrees niet ongegrond is, dat het kind al geboren is, dat
het zou kunnen beleven, dat die zelfde meer zoo veel zou inslijten,
dat ze nabij de poort van Amsterdam zou komen, en verscheidene
dorpen daar rondom geruïneerd zouden wezen. Dat men ook mede den
Haarlemmerdijk aan de zuidzijde op verscheidene plaatsen met groote
kracht van paalwerk tegen de Meer zou moeten houden. Hetwelk ik alhier
navolgende bij verscheidene exempelen zal verhalen.

2. Verscheidene lieden van Aalsmeer hebben mij verhaald, dat bij hun
leven, door deze Meer, eene groote menigte van Morgen-talen weggesleten
is, bijna een kenning van het land af. Daarenboven is mij nog door
twee geloofwaardige lieden verteld, dat het huis van hunnen vader
had gestaan honderd roeden van de Meer, bij eenen landmeter gemeten,
en dat tien jaren daarna het water van de Meer kwam tot aan het huis,
zoodat men genoodzaakt werd het af te breken, zoodat in een jaar tien
Roeden in de breedte werd weggespoeld. Te dien tijde gebeurde het ook,
dat aldaar een bouwakker was gelegen van vijftien Roeden lang, die
met een' grooten storm op éénen nacht gansch en geheel was weggespoeld.

3. Nog heeft mij Willem Jansz. Brechten van Aalsmeer verhaald,
dat zijn grootvader zich herinnerde, dat het land van de Vennep
en het land van den Ruigenhoek zoo nabij elkander kwamen, dat men
de slooten daartusschen met een' stok kon overspringen. Deze en
dergelijke voorbeelden zijn er vele; doch het zou te lang zijn ze
alle te verhalen.

4. Maar ik kan niet nalaten te melden, hetgeen mij de Secretaris
van Sloten onlangs verhaalde, dat namelijk de Meer in de nabijheid
van Sloten vijftig roeden lands in de breedte op één jaar weggenomen
heeft. Dat, met een' ijsgang, het ijs, 45 treden in de breedte, onder
het zwoord van het land was doorgeloopen. En wat meer is, zekere Cryn
Pietersz, van Nieuwerkerk, had des avonds eene fuik in de Meer gezet,
aan de schor van het land; toen hij des morgens de fuik wilde halen,
vond hij het land door eenen grooten storm des nachts tien vadems
weggesleten en ingeloopen.

5. Cornelis Jonklaas van Aalsmeer, oud 64 jaren, bij mij wel bekend,
heeft mij in de maand Maart 1641 verhaald, dat hij met zijnen vader
op den Ruigenhoek gegaan heeft, dat zijn vader hem aanwijzing deed
van een huis en erve, dat aldaar gestaan had, en dat zijn vader zich
herinnerde, dat daar nog van de Meer af 500 roeden lands vóór het
huis waren, en dat, bij zijn leven, het huis en de erve met die 500
roeden lands gansch en geheel was weggesleten.

6. Nog heeft de voorzegde Jonklaas mij bij die gelegenheid verhaald,
dat zeker oud man, genaamd Gerritje Fel, zich herinnerde, dat op eenen
nacht een zeker getal verdolven akkers was weggeloopen, hetwelk wel
40 roeden in de breedte was. Zoodat er deze wolf altijd zijne klaauwen
inslaat, en niet schroomt den eigenaars hunne landen te benemen.

7. In hetzelfde jaar, nu onlangs geleden, in de maand van October,
ben ik geweest te Haarlem, alwaar ik met verscheidene burgers veel
heb gesproken over den inhoud van mijn Haarlemmer-Meerboek, en over
het bedijken van de Meer; toen ben ik ook gekomen bij eene oude vrouw,
geheeten Angenietje Jacobs, wonende in de kleine Houtstraat, die mij
verhaalde, dat haar vader in zijn' tijd een stuk lands had, gelegen
bij Hillegom, tegenover de Vennep, en dat daar nog twee groote stukken
lands aan den Meerkant vóór lagen, en dat bij haars vaders leven die
groote stukken lands gansch en geheel waren weggesleten.

8. Nog wist deze vrouw te verhalen, dat zij van hare voorouders
dikwijls had hooren zeggen, dat het land van de Vennep en het land
van Hillegom zoo digt aan elkander kwamen, dat men met een rafter of
plank over de slooten kon gaan van de eene plaats op de andere.

9. Nog een zeker burger van Haarlem, geheeten Jacob Joosten, die
heeft mede, in den tijd van drie jaren, bij de veertig morgen lands
op het westend van Aalsmeer verloren, die door het water van de Meer
zijn weggespoeld.

10. Omtrent eene week daarna, alzoo ik begeerig was van de oude
gelegenheid van de Haarlemmer Meer nog meer te weten, ben ik bij
eenen ouden huisman gekomen van Aalsmeer, dien ik voor dezen lang
gekend heb, met wien ik veel heb gesproken. Deze verhaalde mij, dat
hij in zijne jonkheid dikwijls met eene turfpont met zijn' vader
over de Haarlemmer Meer gevaren had, en dat hij zich herinnerde,
dat de oude kerk van Rijk bijkans een kenning van de Meer af stond,
van welke kerk het kerkhof thans gansch en geheel is gesleten, en
verre in de Meer ligt, omtrent honderd roeden van het land af. Ook
wist deze oude man te verhalen, dat de mond van de Spiering-Meer in
dien tijd naauwelijks half zoo wijd was, als hij nu tegenwoordig is.

11. Allen, die in deze omstreken van de Haarlemmer Meer bekend zijn,
en eenige jaren daar van daan zijn geweest, en alsdan eens weder
terug komen, zijn verwonderd, en staan bijkans of zij vreemd zijn,
en die plaats nooit gezien hadden, door de groote verandering, die
daar dagelijks geschiedt.

12. Nog een weinig tijds daarna hen ik gekomen bij den Secretaris van
Sloten, aan wien ik dit voorgaande verhaalde, die tegen mij zeide,
dat zijne voorouders wisten te zeggen, dat er nog eene kerk buiten
deze weggesleten kerk van Rijk gestaan had, en dat toen men deze
buitenste zuidersche kerk niet langer tegen het slijten van de Meer
kon behouden, de Boeren besloten de kerk, die nu ook weggesleten is,
meer landwaarts in te zetten, zoo verre als men een wit paard kon zien
of beoogen, en meenden alsdan dat zij nu en altijd van het water van
de Meer bevrijd zouden wezen, hetwelk daarna geheel anders gebleken
is, en te bezorgen staat, dat het hoe langer hoe slimmer zal worden.

13. Nog wist de Secretaris mede te verhalen, dat aldaar omtrent nog een
oude dijk-stal in de Meer ligt, die de Konings- of Keizers-weg genoemd
wordt, vermits de Keizer in dien tijd er wel over gewandeld heeft.

14. Dit is mede nog heel notabel om aan te teekenen: na datum van dien
heb ik eene groote kaart van Rhijnland gezien, welke geteekend was zoo
als de Haarlemmer Meer van ouds geweest is, waarbij ook schriftelijk
verhaald stond van de gelegenheid der zaken; dat in dien tijd de
mond van de Spiering-Meer geheel digt was, en al te zamen heel land,
en dat daar toen geene waterlozing bij het huis ter Hart was, en dat
men toen met wagens van Haarlem af kon rijden, benoorden den Meerkant
om, door Vijfhuizen en Nieuwerkerk op Amsterdam; desgelijks kon men
mede rijden met den wagen van Haarlem af naar Vennep, met eene schouw
over het Vennepper veer, naar den Ruigenhoek, en alzoo door Aalsmeer
naar Amsterdam of naar Utrecht. Zoodat in alle manieren wel is te
vooronderstellen en te verstaan, dat deze voorzegde Meer van oude
tijden zeer klein en ondiep geweest is.

15. Zie hier nog eene verklaring, welke ik niet heb kunnen
voorbijgaan. In de maand van November 1641 heb ik met een' zeker man
gesproken, die mij verhaalde, dat hij in de maand van October tot
Leimuiden geweest is, en gevaren van Leimuiden tot de Wetering toe,
en voorts van de Wetering door het Griet weder naar Leimuiden, en
heeft het werk aldaar zoo ellendig en afgrijselijk gezien en bevonden,
dat (God betere het!) zeer te beklagen is, dat die landen aldaar alle
jaren zoo dapper afnemen, verminderen en smal worden, en dat aldaar
maar een Weerlands vóór de veendobben in de lengte vóór ligt; dat men
dáár naauwelijks een' ringdijk en eene ringsloot zou kunnen maken,
en dat, zoo de Meer nog eenige jaren zoodanig blijft liggen, en er
dan een zware ijsgang uit het noordoosten of noorden komt, gelijk
als ligtelijk gebeuren kan, de Meer alsdan dáár zou kunnen inbreken;
zoo zou de Meer met de Drecht gemeen wezen, en alsdan zou de zeewolf
zijne passagie in de veenen nemen, en doorwroeten dezelve aldaar zoo
dapper met zijn onbesturig wezen, dat velen, die daaromtrent wonen,
zouden moeten opbreken, en hunne woonplaatsen ruimen.

16. In het jaar 1642, omtrent Mei, ben ik weder over de Haarlemmer
Meer gevaren naar Aalsmeer, en alzoo door het veld het oosteinde
inkomende, heb ik die landen aldaar zoo ellendig bevonden, aan stukken
en brokken. Een groot deel was met den beugel van de boeren uitgehaald,
en het andere resteerende werd van de Meer gansch en geheel vernield en
verslonden, hetwelk zeer droevig is om te zien. Ik ben alstoen weder
bij mijne oude kennissen, Willem Jansz Brechten en Arent Brechten,
gekomen, met wie ik veel gesproken heb van de omstandigheid van de
Meer, welke mij verhaalden, dat daar bij een mans leven wel zóó veel
lands, benoorden Aalsmeer, van de Meer weggesleten is, als het land
nu tegenwoordig breed is, dat tegen de Meer en het dorp Aalsmeer ligt.

17. Nog verhaalden mij deze lieden mede, dat zij wel 13 of 14
huislieden gekend hadden, die op den Ruigen-hoek woonden, die zij bij
namen noemden, die aldaar huizen, erven en groote landerijen gehad
hadden, dat welhebbende lieden waren, welke huizen, erven en landen
nu gansch en geheel van de Meer weggespoeld en vernield zijn. Is
dit niet droevig, en zeer beklagelijk, dat men in het midden van
ons vaderland dit groote verderf moet zien en lijden, hetwelk men,
menschelijker wijze, met Gods hulp wel beschutten kan?

18. Nog daarenboven verhaalden zij mij, dat zij een' oud man gekend
hadden, wien het heugde, dat de Zuid-Vennep wel dertig morgen lands
groot was, waar nu niet één voetstap van te vinden is.

19. Nog een notabel stuk, hetwelk onlangs geleden is, dat aldaar
omtrent een stuk lands weggedreven is, daar vijf boomen op stonden
en wiessen, gelijk de schippers getuigen, die over de Meer voeren en
het zelve gezien hebben.

20. Nog in het jaar 1642 een zeker getuigenis, dat daar bij den
Ruigen-hoek, achter Burgerveen, de Meer in twee nachten met een
sterk onweder vijf en twintig roeden lands in de breedte afgenomen
heeft, in de maand van Maart, den 13en en 14en, zijnde donderdag
en vrijdag. Zoodat deze waterwolf alles verslindt en vernielt wat
daaromtrent is.

21. Nog bovendien, wat zijn daar al menschen bij mijn leven door
het water van de Meer verdronken! Voor eenige jaren een koopman van
Haarlem, genaamd Joost Cromlijn, met nog meer gezelschap, die bij
hem waren, welke mede in de Haarlemmer Meer hun leven hebben gelaten.

22. Nog dat meer is, verscheidene burgers en huislieden, al hetwelk
niet is op te noemen. Nog onlangs geleden, een visscher met zijnen
zoon; behalve dien, eenige jaren geleden, een Oostindisch-vaarder,
wien zoo vele groote zeebaren over het hoofd waren geloopen, die
moest mede zijn leven op de Haarlemmer Meer zoo ellendig laten.

23. Dit komt mij nog in den zin, hetwelk ik niet kan voorbij gaan,
van hetgeen dat mij zelven op de Meer wedervaren is.

24. Omtrent 22 jaren geleden, ben ik, Jan Adriaansz. Leegwater,
met mijn' oudsten zoon Simon Jansz. in den Haag geweest, om Zijne
Hoogheid onzen Prins van Oranje Maurits, zaliger gedachtenis, iets
te communiceren en te spreken.--Toen ik mijne zaken gedaan had,
zijn wij wederom gereisd naar Leiden, en des achtermiddags tot Leiden
gekomen zijnde, zijn wij tegen den avond in een bierschip gegaan van
Hoorn, nog meer gezelschap bij ons in het schip hebbende, om alzoo
naar Haarlem te varen, en des avonds bij de Kaag komende, met een'
sterken zuidelijken wind, en vermits de donkere nacht ons overviel,
door de donkerheid een weinig vóór ons moesten zien, en alzoo de wind
zoo dapper aanstijfde, zoo zijn wij tegen den lager wal aangekomen,
en is het schip in den grond gesmeten, en een groot deel van het bier
gespoliëerd; onze spriet van boven nedervallende, zeer vervaarlijk
en tot groot gevaar voor ons leven, en alzoo het land ondergevloeid
was door den aanpars van den sterken wind, zoo konden wij nergens
ontvlugten, en zagen geene uitkomst om ons te bergen, zoodat ons
gezelschap den moed geheel verloren gaf, en riep: »hier zijn wij, daar
wij sterven moeten, laat ons nu den Heere bidden!" Zoodat wij aldaar
den ganschen winterschen nacht met groot gevaar, kommer en verdriet
moesten overbrengen, en eindelijk toen de dageraad begon op te komen,
en de wind begon te leggen, de schipper het schip herstelde met pompen
en baleijen, zoo is het eindelijk daartoe gekomen, dat wij met ons
gezelschap het schip hebben begeven, op het land gekomen zijnde,
door het water heen geslobt, en zijn het alzoo door de genade Gods
met het leven ontkomen.

25. Daarom laat ons deze perijkelen niet altijd ter zijde stellen en
te ligt achten, daar het spreekwoord waar is:


        Qui amat periculum peribet in illo.
        Wie het perijkel bemint, die zal daardoor vergaan.


26. Dit is zeer schadelijk en bedenkelijk voor alle huislieden, die
daaromtrent in de veenen wonen. Heeft deze Meer toen zij nog klein
en ondiep was, en weinig kracht had, gelijk een kind, dat jong is,
al deze geheele landen en lieden weggenomen en vernield, wat zal zij
nu voortaan doen, nu dat zij groot en magtig geworden is, gelijk
een jongeling, die kloek en vroom (dapper) is, en nog alle jaren
toeneemt tot zijne mannelijke kracht, en dan begint te komen aan de
smalle stukken en brokken, die meest allen aan turf ondergraven zijn,
en van zich zelve niet wel kunnen staande blijven, en alle dagen hoe
langer hoe meer tot niet gemaakt en verdolven worden. Zij verslindt
wel al de landen, die daaromtrent zijn, zoodat daar naauwelijks een
tuinstaak op zijne regte plaats zal kunnen blijven, en zal de boeren
aldaar tot arme slaven en bedelaars maken, zoodat zij kwalijk zullen
weten waar zij henen zullen. In somma gelijk het al gezegd is, zoo
de Meer in deze voortgaat:


                Zoo moet het veen daar heen,
                En de Boer komt in geween.


27. Dit is klaarblijkelijk te begrijpen en te verstaan, dat al dit
weg-gesleten land meestal door de sluizen van het huis Ter Hart en
Sparendam naar het IJ geloopen is, en dat niemand daarvan profijt
gehad heeft, gelijk ook te bedenken staat, dat de droogte van Pampus
daar nog dagelijks door gevoed wordt, vermits de Zuiderzee zich dáár
in de breedte begeeft, en de stroom geene scheuring of kil kan maken
of houden, hetwelk zeer schadelijk is voor de zeevaart.

Bij voorbeeld:

28. Neem een' emmer en schep dien vol troebel water, en laat dan den
emmer een' dag stil staan, en giet daar dan het klare water stillekens
af, zoo zal daar eene groote kade slibber op den bodem blijven zitten,
hetwelk notoir is, en bij velen wel bekend. Even zoo is het met het
vuile water en de slibber, dat uit de Haarlemmermeer komt; hetzelve
moet mede zijne plaats hebben hier of daar, achter in die inwijken
en in de hoppen, waar de stroom zijn' loop en gang niet heeft; want
waar de kil naauw is, daar moet zij noodwendig hare scheuring en
diepte houden.

29. Dit zal ik mede hierbij verhalen: de regte kil, te weten, het
naauw tege den Volenwijk en Amsterdam, hetwelk, naar mijn gevoelen,
zoo wèl en bekwaam van wijdte en diepte is, als men het redelijker
wijze naar de natuur zou kunnen begeeren en wenschen, tot voordeel
en profijt van de Zeevaart en van den Staat, hetwelk veel tonnen
gouds voor Amsterdam waardig is, heeft daarbij zulk een' grooten
achterboezem, het IJ en de Wijker Meer, dat de stroom daar altijd met
eb en vloed heen en weêr voorbij Amsterdam moet zwieren, en mijns
oordeels nog hoe langer hoe beter zal worden, vermits de zeegaten,
het Texel en het Vlie hoe langer hoe wijder en grooter worden.

30. Om nu weder tot mijn voorgaand onderwerp, het bedijken van de
Meer, te komen. Zoo iemand lust heeft mijn Meerboek door te lezen,
zal hetzelve hem kundig maken, hoe men die groote schade kan voorkomen
en verhoeden, en ook hoe men die treffelijke voordeelen en beneficiën,
met Gods hulp, kan vinden en bekomen.

31. Merkt nu op alle liefhebbers, die het Vaderland beminnen, en neemt
uw profijt wèl waar, en wacht niet zoo lang tot dat het te laat is,
opdat onze nakomelingen ons niet beschuldigen, dat wij den schoonen
tijd verzuimd hebben, dien God ons gegeven heeft. Wie oogen heeft,
die kan dit wel zien en bemerken, zonder verrekijker, dat het nu de
regte tijd is, om dit groote werk bij de hand te nemen.

32. Naar mijn oordeel kan ik niet verstaan noch begrijpen, dat iemand
tegen het bedijken van de Haarlemmer Meer iets zou kunnen hebben, of
daardoor eenige schade zou kunnen lijden, maar wel dat men hierdoor
grootelijks in alle manieren verbeterd, en niemand verhinderd noch
verminderd zal zijn.

33. Even als het allernoodigst is, te zoeken en te zorgen voor de
behoudenis der ziele, even zoo is ook de dagelijksche onderhoud en
nooddruft noodwendig voor 's menschen leven.

34. Als dit schadelijk water aldus voort zal gaan, en hier geen schut
wordt voor geschoten, zoo zal het land in weinige jaren zoo ellendig en
schandelijk bedorven zijn, dat het niet zal zijn te remediëren. Want
als de Meer begint te komen aan de smalle bedolven akkers, van welke
vele geen vadem breed zijn, hetzij tot Kudelsteert, Kalslagen, het
westeinde van Aalsmeer en vele andere plaatsen daaromtrent, zoo zal
het wezen gelijk de kanker, of een kwaadzeer, dat altijd in zich zelf
verrot en nimmermeer ophoudt, zoodat daar weinig of geen land aan de
Meer zal blijven, om hier namaals een' dijk te kunnen maken, ingeval
het hierna gebeurde, dat men de Meer door nood zou moeten bedijken,
of het ware, dat men verscheidene dorpen dáár wilde inhalen, hetwelk
ongerijmd voorkomt en gansch niet gelegen. Derhalve zal het noodig
zijn, zonder langer te beiden, deze groote schade en bederf uit te
keeren, terwijl het nog tijd is.

35. Sommigen hebben voorgeslagen, om de Meer aan de kanten te bezetten,
zoodat het water verder geene afbreuk zou kunnen doen, en geen land
meer zou wegnemen; maar dit is naar mijn oordeel bijkans ondoenlijk.

36. Zal men de kanten rondom de Meer met hout beschieten, zal zulks,
naar mijne rekening, wel kosten met alle materialen, het zijhout,
ijzerwerk, steenwerk en rijswerk, met het arbeidsloon, op iedere
Rhijnlandsche roede in de lengte vijf en zeventig gulden, hetwelk
bedraagt in den omgang 16,000 roeden, dat is in het geheel twaalfmaal
honderdduizend gulden.

37. Zal men de Meer met een strand maken, dat zal meer kosten dan met
hout te beschoeijen. Haar met riet te beplanten, zou verloren arbeid
zijn, vermits in veenlanden, waar zulke sterke waterslag tegen komt,
de grond van onderen altijd, tot aan de klei toe, opbreekt, en men
dien grond niet wel bezetten of bewaren kan. Ja wat meer is, daar
breken wel somtijds groote gaten, een stuk wegs van den kant van de
Meer af, waar de koebeesten in verdrinken.

38. Het is een ieder bekend, dat het zand altijd drijfachtig van
natuur is, en altijd weg zou spoelen, zoodat men dit werk bij de
zeestranden niet kan vergelijken, welke geheel vlak zijn, en hier geene
overeenkomst mede hebben, vermits de zeestranden dikwijls zoowel op-
als afspoelen.

39. Wat betreft houtwerk en schoeijingen, deze zouden groot gevaar
hebben, om met zware stormwinden weg te spoelen. Kortom, goede
raad is hier duur, om de kanten van deze Meer te bezetten. En of
het al gebeurde, dat deze voorgeslagen middelen eenige jaren konden
bestaan, zoo weet ik niet, wie de eerste onkosten zou willen doen,
of zoodanige lasten zou kunnen dragen. De Polders, elk in zijn' ban,
zijn niet magtig hetzelve uit te voeren. Die van Rhijnland zullen ook
geen' lust hebben dit te doen. De groote steden zullen zich mede vrij
willen houden, en voor het gemeene land is het mede ongeraden. Kortom,
het beste dat is, als voren gezegd is:


                Het water te malen uit de Meer,
                Dan ligt de vijand heel ter neêr.


40. Niet dat men deze Meer alleen zal bedijken om de groote voordeelen,
die daarin te vinden zijn, maar ook mede om de groote schade, die
door het nalaten te wachten is.

41. Alzoo ik, Jan Adriaansz. Leegwater, een beminnaar en liefhebber
ben van bedijkingen (dycagie) en droogmaken van Meren, ook een groot
gedeelte van mijn leven daarmede heb doorgebragt en versleten, zoo
aan het bedijken, ordineren, stellen en fabrijken van de watermolens
van de Beemster, desgelijks ook mede van de Purmer, Wormer, Bijlmeer,
de Waard, de Schermer en meer andere Meren, moerassen en polders, zoo
ben ik mede ontboden geweest, van de Edele Hoogmogende Heeren Staten
en Zijne Hoogheid den Prins van Oranje, om in het Leger te komen voor
's Hertogenbosch, om aldaar te inventeren om het water uit het leger
te malen, en de watermolens bij Engelen weder gangbaar te maken,
hetwelk ik met Gods hulp gedaan heb, gelijk bij velen wel bekend is.

42. In het jaar onzes Heeren, op hetzelfde pas, als het leger van den
Koning van Frankrijk voor Rochelle lag, zoo ben ik verzocht geweest
van een' Fransch Edelman, genaamd Abraham Fabert St. de Molin, een
raadsheer van de stad Metz in Loreyne, (Lotharingen), welke op last
kwam van den Hertog van Epernon (Mr. Duc de Parnon), om te komen te
Bordeaux (Bordeus), alwaar ik Mr. Fabert gevonden heb met zijn' knecht,
om zamen te gaan 12 mijlen buiten Bordeaux (Bordeus in Gasconie),
bij een moeras, dat aan den Hertog behoorde, groot omtrent 4500
morgen, gelegen bij een klein stedeken, genaamd la Sparre, waarvan het
moeras genaamd is: Le Marais de la Sparre, daar wij inspectie van het
voorzegd moeras genomen hebben, gepeild, geboord, gemeten, en alles
van de uitwatering wèl onderzocht, tot goed contentement van St. de
Molin. Dit gedaan zijnde, zoo heb ik eene zekere kaart met een verhaal
daarvan gemaakt in de Fransche taal, en wij zijn daarmede in het leger
geweest voor Rochelle, bij Mijnheer den Hertog (Mr. Duc de Parnon),
die aldaar als opperste Veldheer was, en hebben hem alles vertoond,
en verscheidene malen met hem gesproken van de gelegenheid van dien,
hetwelk hem wel beviel en hij voor goed heeft opgenomen, en eindelijk
heeft hij mij tot Bordeaux, door zijnen rentmeester Constantyn, met
pistoletten eerlijk doen betalen, waarvoor ik hem nog hoogelijk bedank.

43. Nog omtrent twee jaren daarna ben ik weder door St. de Molin tot
Metz ontboden, om met hem te gaan in Lotteringen, omtrent twee dagen
reizens boven de stad Metz, op een zeker moeras gelegen in de lengte,
bij drie kleine steden, geheeten; Vic, Moien-Vic en Merzaal, alwaar
ik met St. de Molin inspectie genomen heb, en daarna in het stadje
Vic bij de zes weken gelogeerd geweest ben, bezonjeerende over het
werk met den kanselier van diezelfde plaats en jurisdictie, en heb
aldaar eene kaart van dit moeras gemaakt en andere teekeningen van
de gelegenheid der zaak, waarvan ik kopij aan den kanselier gelaten
heb aan Mr. Fabert, mede kopij tot Metz heb gebragt, en eenige dagen
tot Metz bij hem gelogeerd, en alzoo een goed afscheid met hem heb
genomen; en ben alstoen den Moezel afgevaren naar Trier, en zoo voort
naar Coblens, van daar tot Keulen, en den Rhijnstroom afgevaren tot
Arnhem en zoo voort naar Holland.

44. Nog ben ik mede verscheidene malen in Oostland geweest, in het
gebied van den Hertog van Holstein, om aldaar mede te helpen fabrijken
en te ordineren om moerassen en meren te helpen droog maken door
het ordineren van dijken, dammen, sluizen, kaaijen, heulen, molens,
molentogten, kolken,  wateringen en andere affairen, al te zamen
dienende tot zoodanige werken, gelijk in Holland bij vele lieden wel
bekend is.

45. Nog ben ik verscheidene malen verzocht, en ben ook geweest
op onderscheidene Meren, Polders en Moerassen, zoo in Holland,
Vriesland, Embderland als in andere omliggende landen en plaatsen,
om zoodanige werken mede te helpen in goede orde te brengen, hetwelk
al te lang zou wezen om te verhalen, willende het voor dezen tijd
daar nu bij laten rusten en mij voegen tot de navolgende artikelen
en onderwerpen en alzoo met mijn Meerboek voortgaan, om het tot een
goed einde te brengen.

46. Alzoo nu in Noord-Holland meest al de Meren bedijkt, droog
gemaakt en tot land gebragt zijn, en vele lieden in Holland gezind
zijn in bezigheid (in het labeur) te wezen, en meest altijd wat bij
de hand nemen, voornamelijk als daar profijt is te halen, zoo is het,
dat ik voor dezen daar menigmaal op gespeculeerd en gepractiseerd
heb, om de Haarlemmer Meer te bedijken en tot goed land te brengen,
hetwelk mij zeer doenlijk voorkomt, als de Almogende God ons Zijn'
zegen en goede gratie wil verleenen, zonder welke wij niets kunnen
verrigten, gelijk in den 127en Psalm geschreven staat:


    Nisi Dominus aedificaverit domum in vanum laborant qui
        aedificant eam.
    Zoo de Heere het huis niet bouwt, zoo arbeiden zij te vergeefs,
        die daaraan bouwen.


47. Zoo is hiertoe (mijns oordeels) zeer goede gelegenheid en bekwame
middelen, om hetzelve met menschenarbeid te verrigten en te weeg te
brengen, en ik twijfel niet, of er gebrek zal zijn aan eenige stof,
aarde of ronde Goden, als het werk slechts ordelijk, met goeden
raad en accoord wordt aangelegd en begonnen. Ook kan ik niet anders
gevoelen noch bemerken, of het zou de allerprofijtelijkste bedijking
wezen, die er ooit in Holland gedaan is, en dat voornamelijk om het
groote ligchaam en menigte van land, dat in de Meer begrepen ligt,
en er weinig of geene Meren in Holland bedijkt zijn, die zoo veel
goede gelegenheid hebben, als deze Haarlemmer Meer, hetwelk ik hierna
met goede voorbeelden zal doen blijken en verhalen, naar de gaven,
die mij de Heere gegeven heeft.

48. Zeker is, dat de grootste Meren altijd de minste onkosten hebben
te dragen en het profijtelijkst uitvallen. Blijkende tegenwoordig
aan de groote, heerlijke, lofwaardige, profijtable, kostelijke,
bedijking van de Beemster, die in het eerst het ongeluk gehad heeft
om in te breken, doch daarna weder door Gods hulp met goede orde en
moed is aangevangen en voltrokken en in kavelingen gebragt is, zoodat
zij genoegzaam anderhalfmaal bedijkt is. Ná de bedijking heeft ieder
morgen omtrent 250 Gulden gekost, behalve den koop van het water,
en de kosten van de gansche Beemster hebben omtrent 1,900,000 Gulden
bedragen. Maar alle Meren, die naderhand bedijkt zijn, en kleiner
waren, hebben veel meer gekost op ieder morgen. De oorzaak, hiervan is,
dat de kleine Meren altijd de meeste roeden dijks op de morgentalen
hebben, en andere  onkosten, die de kleine Meren niet dragen kunnen.

Hier volgt zeker bewijs van de grootheid van verscheidene Meren.

49. De Ringdijk van de Beemster is groot in het rond omtrent 10,000
Rijnlandsche roeden, de Beemster zelve is groot 7545 Rijnlandsche
morgen gekaveld land, behalve de wegen, wateringen, molentogten en
de Ringdijk, hetwelk bedraagt op ieder morgen land omtrent een en
een kwart roede dijks.

50. De Purmer is groot ongeveer 3000 morgen en heeft omtrent 6000
roeden dijks, dat is op ieder morgen 2 roeden dijks.

51. De Wormer is groot 1800 morgen min tien, en heeft stijf derdehalve
roede dijks op ieder morgen, dat is nog eens zoo veel roeden dijks
op ieder morgen als de Beemster.

52. Nog zijn er verscheiden andere Meren, die mij wel bekend zijn,
die omtrent 5 of 600 morgen groot zijn, die omtrent vijf of zes roeden
dijks per morgen hebben.

63. Het poeltjen of weeltjen bij Hoorn, alsmede het Schalsmeer bij
Knollendam, zijn elk omtrent groot 75 morgen en hebben op ieder morgen
omtrent 12 roeden dijks.

Derhalve blijkt klaarlijk, dat de kleinste meren altijd de grootste
onkosten hebben te dragen, alsmede de kosten van andere bijvallende
zaken, te weten van Dijkgraaf en Heemraden, Landmeters, opzieners,
werkmeesters, schuitevoerders, Boden, knechts, enz., hetwelk niet
al te beschrijven is, waarvan altijd de grootste de meeste lasten en
onkosten gemakkelijker dragen kan.

54. Een klein voorbeeld en zekere Geometrische kunst zal ik alhier
verhalen, hetwelk een vaste regel is.

55. Neem een koordje, dat eene elle lang is, en vult dat met kleine
stukjes hout, die gelijke grootte hebben. Stel, dat daar 25 stukjes
in kunnen, wanneer de einden van dat koordje aan elkander komen. Neem
dan een koord, dat 2 ellen lang is, zoo zullen daar honderd zoodanige
stukjes in kunnen, voordat de einden van dat laatste koord aan
elkander komen. Alzoo is het ook met eene kleine of groote Meer, naar
evenredigheid. Wel te verstaan, dat hoe beter de Meer of bedijking
in het ronde gelegen is, hoe de inhoud grooter valt.


[Afbeelding: Twee concentrische cirkels verdeeld in vierkanten.]


56. Nog een ander voorbeeld, om zekere vierkante stukken te
bedijken. Neem een vierkant stuk, dat een morgen groot is, zoo moet
gij vier zijden bedijken. Neem twee stukken aan elkander, zoo zult
gij niet meer dan zes zijden bedijken. Neem dan vier vierkanten aan
elkander, gelijk als hierboven geteekend staat, zoo zult gij niet
meer dan acht zijden bedijken, en alzoo voort naar evenredigheid,
zoo heeft altijd de grootste Meer den minsten dijk op de morgentallen.


                    +---------+---------+
                    |         |         |
                    |    1    |    3    |
                    |         |         |
                    +---------+---------+
                    |         |         |
                    |    2    |    4    |
                    |         |         |
                    +---------+---------+


57. Nog een voorbeeld. Gelijk ik hier voorgesteld en bewezen heb,
dat eene groote bedijking vele morgentallen in zich heeft, en weinig
roeden dijks op ieder morgen bedraagt, zoo zal ik alhier nog een
kluchtig stukje voorstellen, hetwelk niet mogelijk schijnt te wezen;
datzelve zal ik van de hoogte nemen en brengen het in de breedte,
en wordt nog eens zoo groot.

Neem eene ton, die langwerpig van fatsoen is, en vult die tweemaal vol
met water, of drooge waar, en zaag dan de duigen regt in het midden
door, en neem dan al die halve duigen, voeg ze dan in de wijdte, in het
rond aan elkander, en maak daar dan een' bodem in dezelfde kroosing,
waar de bodem te voren in geweest is, zoo zullen in die duigen die
twee gemeten tonnen waters in kunnen. Hetgeen ik zelf beproefd heb,
en Probatum est.

58. De Haarlemmer Meer is voorheen groot bevonden omtrent 20,000
morgen, en is in het rond omtrent 16,000 roeden, hetwelk bedraagt
op ieder morgen omtrent drie vierendeels van eene roede dijks,
bijna eene halve roede minder dan de Beemster per morgen. Hetgeen
niet slechts een voordeel is bij het leggen van den dijk, maar ook
in het dagelijksche onderhoud, dat altijd en voortdurend blijft.

59. De voorzegde Haarlemmer Meer heeft nog verscheidene andere goede
conditiën en gelegenheden, die andere Meren niet hebben.

60. In de eerste plaats heeft deze Meer eenen bodem en grond van
goede klei, welke kleibodem doorgaans dik is 7, 8 à 9 voeten en meer,
gelijk ik denzelven heb doen peilen, beugelen en diepen, zoo als ik
hierna klaarder zal doen blijken en verhalen.

61. Ten tweede heeft de Haarlemmer Meer de schoonste en beste
gelegenheid om het water te lossen, die men maar bedenken kan,
omdat de winden, in Holland meestal zuiden, zuidwest en zuidoost
waaijen en het water alsdan komt toezakken en vallen naar het IJ
en de sluizen, en dan is het meest altijd laag water op het IJ en
in de Zuider-Zee. Daarenboven is daar nog zulke schoone gelegenheid
om sluizen en uitwateringen te maken bij het huis ter Hart, ook te
Sparendam en andere gelegene plaatsen, alle naar wensch; als ook om
een' vóórboezem of kolk te maken benoorden het huis ter Hart, op het
IJ, over de eilanden heen, waar de molens op zouden kunnen malen,
om de Spiering-Meer mede te mogen bedijken, opdat al die oude landen
om de Meer mogten bevrijd wezen van de afbreuk en het slijten van
dat groote, verderfelijke water.

62. Ten derde, zoo heeft deze Meer weinig plempwerk naar evenredigheid
van hare grootte, waarin geene andere Meren haar gelijk zijn.

63. Ten vierde, hetwelk nog het principaalste is, zoo is deze
Haarlemmer Meer zoo bekwaam gelegen als zij redelijkerwijze doen
kan. Zoodat de Burgers van Haarlem, Leiden en Amsterdam zouden kunnen
hunne landerijen en goederen op éénen dag bezigtigen, en hunne zaken
verrigten, en des avonds weder elk in zijne stad te huis komen,
en met gemak in hunne huizen mogen logeeren.

64. Ten vijfde, en ten laatste, zoo is het land om de Meer zoo weinig
van prijs en onkostelijk om den dijk daarop te leggen, veel minder dan
zulks bij andere Meren het geval is; bovendien zijn daar zeer weinige
huizen in den weg, zoodat men den Ringdijk en de ringsloot bekwamelijk
zonder verhindering zal kunnen rooijen, maken en leggen naar behooren.


    Zoodat in alle manieren dit wel te verstaan is,
    De Haarlemmer Meer het best zal zijn dat ooit gedaan is.


65. Het bedijken van Meren, en het brengen van schadelijke,
verderfelijke wateren tot goed land, is een van de noodwendigste,
profijtabelste en Godzaligste dingen in Holland; want Holland is met
vele groote steden en dorpen bezet, wordt daarbij sterk bewoond,
en daarenboven is er geen land, alwaar men de boter en kaas zoo
schoon, goed, smakelijk en rein kan maken, zoodat in andere Landen
de voorzegde  waren zoo begeerd zijn en getrokken worden, dat ze
om hare deugd nimmer overvloedig genoeg schijnen te zijn, zoodat de
oude landen niet minder van prijs werden, maar altijd meer en meer
gelden gelijk blijkt uit de veelvuldige Meren en Moerassen, die in
Noord-Holland vóór en na de Beemster bedijkt en tot land gemaakt zijn,
welke ik hier navolgende zal verhalen

Het eerste is bedijkt:


    De oude en nieuw Zijp.
    De Berger-Meer.
    De Boekeler-Meer.
    De Diepe-Meer.
    De Daal-Meer.
    De Slootgaard.
    De Wog-Meer.
    De Wout-Meer.
    De Bleek-Meer.
    De Schaaps-Kuijl.
    De Benne-Meer.
    De heerlijke lofwaardige bedijking van de Beemster.
    De schone vruchtdragende Purmer.
    De Wormer.
    De Oosthuyzer-Braak.
    De Heer Huyge-Waard.
    De welgeordineerde en geformeerde bedijkte Schermer.
    De Schager-Waard.
    De Broeker-Meer.
    De Buiksloter-Meer.
    De Bel-Meer.
    De Braak: bij Medenblik.
    De Hoornsche Waal.
    De Schals-Meer.
    De Enge Wormer.


Met nog meer andere kleine Meren, en eindelijk nog de Starre-Meer.

Men zegt en vermoedt, dat er na den troebelen tijd in Holland, in
Zeeland en andere omliggende plaatsen, omtrent 80,000 morgen lands
bedijkt zijn. Voornamelijk blijkt dit mede uit de groote, heerlijke,
lofwaardige bedijking van de Beemster, die het eerste jaar, toen zij
droog was geworden, door des Heeren zegen zoo overvloedige vruchten
heeft gedragen, dat het niet wel met de pen is te beschrijven.

66. Mij is verhaald door Dirk van Os, die het mij ook schriftelijk
heeft overhandigd, dat hij op zijn eigen land in de Beemster, met
zijnen broeder Hendrik van Os, het eerste jaar toen de Beemster
droog geworden was, geteeld en gewonnen heeft zeven duizend zeven
honderd drie en vijftig zakken Koolzaad, alsmede Raapzaad, behalve
nog veel meer andere granen, zoo van Tarwe, Garst en Haver, die mede
in overvloed op hunne landen gewassen waren. Nog heeft de zoon van
Dirk van Os, te weten François van Os, mij zelven verhaald, dat hij in
eene zaaijing in de Beemster gewonnen had, op 400 Rhijnlandsche roeden
lands, drie gemeene lasten haver, dat is 108 zakken. Voornamelijk heeft
het gewas van het Koolzaad het eerste jaar zoo veel en overvloedig
in de Beemster opgebragt, dat men vermoedde, dat al de oliemolens in
Holland, in dien tijd, wel een jaar lang daarop konden gaande blijven,
en genoeg hadden om op te werken.

67. Naderhand heeft de Almogende God de Beemster van alles zoo
overvloedig gezegend, dat het nu genoegzaam het groote Lusthof van
Noord-Holland is, zoo in weiden, bouwlanden, boomgaarden, huizen,
lusthoven, enz. Daar wordt ook gezegd en voor waarheid gehouden,
dat er geen vermakelijker en lustzinniger weg in Holland is, dan de
volgerweg in de Beemster, daar al die schoone heerlijke huizen en
boomgaarden gebouwd zijn, te weten het huis van den Dijkgraaf Dirk
van Os, François van Os, van Meerman, van Carel Loten, van Jan Loten,
van Alewijn en meer anderen.

68. Daarenboven geeft deze Beemster in overvloed vette ossen, koeijen
en schapen, met vele schoone paarden en hengsten; als ook overvloedig
boter en kaas, met meer andere toespijzen, die in alle manieren
deugdzaam en goed zijn, waar men duizend menschen mede kan spijzen
en voeden, hetgeen aan de eigenaars der gronden goede inkomsten en
renten geeft:


        Omnia dat Dominus, non habet ergo minus.
        God geeft alle ding, en houdt zelf niettemin.


69. De Beemster in het gemeen kan ieder jaar nu wel opbrengen
aan landhuur tweemaal honderd en vijftig duizend gulden aan vrij
geld, en dan zijn alle ongelden, mede het molen- en dijkgeld,
betaald. Daarenboven worden hierdoor ook grootelijks verbeterd de
gemeene middelen van het land.

70. Dit kleine notabel stukje zal ik hier nog bij verhalen, dat men
vermoedt, dat de eijeren van de hoenderen en Eenden in de Beemster
thans meer opbrengen dan te voren al de visch, die in de Beemster
werd gevangen.


Der Beemsters kruid, doet groot viertuil, is waardig om te prijzen;
Haar stof geeft lof, fijn ende grof, 't is wel te bewijzen.
Haar roem die gaat, ver over straat; verstaat mijn reden:
Men vindt in 't Rijk, nooit haars gelijk, in land noch steden.


71. Alle liefhebbers en beminnaars van bedijkingen, die gezind
zijn om dit groote, heerlijke, treffelijke en lofbaarlijke werk,
de Haarlemmer Meer, mede te willen helpen handhaven om te bedijken,
en tot goed land te maken, zullen gelieven te weten, dat men hetzelve
niet slappelijk zal moeten beginnen, maar met een' voorbedachten zin
en goeden moed. Dat men het werk ook met goede raad en daad zal moeten
aantasten en mannelijk doordrijven. Gelijkerwijs een wijs Koning of
dapper Prins eene sterke stad zoekt te beleggen en te winnen met alle
vlijt, naarstigheid en moed, alle amunitie van oorlog daartoe zoekt te
prepareren en te bereiden, met schepen en wagens alle voerage zoekt aan
te brengen, zijn leger en omheining met wateringen, vesten, bolwerken,
transementen, schansen, redouten, halve manen, contre-escarpes,
hoornwerken, batterijen, loopgraven, traversen, stormbruggen, en
al hetgeen daartoe is dienende, ook mede hout en ijzer, victalie,
bier en brood, alsmede geschut, kruid en lood, en van alles zich zoo
verzorgt, dat er in geene manieren iets moet mankeeren. Dus doende
durft hij zijnen vijand onder de oogen zien, en toch mede de stad
getroost zijn, om alzoo op de oorlogsmanier dapper te strijden en te
volharden, zoo lang totdat hij de stad gewonnen heeft, en daarvan
meester mag blijven. Opdat al de officieren, ruiters en knechten,
prijs en eer bevochten hebbende, hunne soldij met eere zouden mogen
ontvangen, en alzoo het harnas afleggen, gelijk als in het boek der
Koningen beschreven staat.


    Ne glorietur accinctus, aeque ut discinctus.
    Die het harnas aandoet, zal zich niet beroemen, gelijk degene
        die het afgelegd heeft.
    De kroone ligt niet in het begin, noch in het midden: maar het
        einde kroont het werk.


Men zegt gemeenlijk: wèl begonnen is half gewonnen.

Maar veeleer is dit spreekwoord goed:


            Vincit assiduus labor.
            Aanhouden is het regte middel zoo men zeit,
            Om te verkrijgen 't geen dat er verborgen leit.


Gelijk ook mede de geleerden voor een spreekwoord hebben:


            Absque labore gravi non venit ulla seges.
            Zonder arbeid komt er geen koren in de schuur.


72. Het zou kunnen gebeuren, daar groote werken ook hunne zwarigheid
hebben, dat het fortuin niet altijd naar wensch liep, even als een
schipper van een groot schip, die de zee gebruiken moet, soms wel
onvoorziens met een' zwaren storm overvallen wordt, en daardoor zijn
anker en touw moet verliezen, en niet altijd voor den wind gaat; doch
daarom geeft hij den moed niet verloren, maar schept nieuwe courage
met zijn bootsvolk, om het schip wederom te maken, te heelen en te
boeten, en denkt alzoo, gelijk de Franschman zegt:


        Si la fortune me tourmente, l'espérance me contente.


73. Vele menschen zijn welgezind tot groote rijkdommen, kostelijke
schatten en juweelen, tot groote klompen goud en zilver, daar men
boter voor kan koopen. Dit blijkt dagelijks, daar velen hun leven
daarvoor wagen en in groot gevaar stellen, om te varen naar Oost- en
West-Indiën, Groenland, IJsland, Guinea, Angole, Turkije, Barbarijë,
Grieken, Perzië, Alexandrië, de Archipel, Moscovië, het Weygat,
Magalena, Peruana, Zweden, Denemarken, Riga, Revel en meer andere
vreemde eilanden, steden en plaatsen, Oost en West gelegen, die te veel
zijn om op te noemen. Waar maar eenigzins vermoeden is, om voordeel en
winning te doen, daaraan wordt geen arbeid, kosten of moeiten gespaard,
om hetzelve te aanvaarden, te onderzoeken en te volbrengen,

74. Maar laat ik voortvaren en tot mijn eigenlijk onderwerp komen,
om hetwelk ik begonnen ben te schrijven, te weten over die groote
zilver- en goudmijn, de Haarlemmer-Meer, waar zoo vele kostelijke
schatten in verborgen zijn. Welke Meer reeds voor vele jaren heeft
bestaan, in het beste en in het middelste gedeelte van Zuid-Holland
ligt, naar mijn oordeel, op de allergeschiktste en gewenschte plaats
der Zeventien Provinciën, nabij Haarlem, Leyden en Amsterdam, wèl
bedijkt binnen de Zeedijken, op de hoogte van twee en vijftig graden,
om welke men niet behoeft naar vreemde landen te varen om haar te
zoeken. Ik waarschuw en vermaan alle minnaars van bedijkingen, dat
ieder hunner  zijn voordeel zoeke waar te nemen, en medewerke, om een'
nagel, spijker of bout aan dit schip te slaan, en raad te geven.

75. Om met de hulp van God hiertoe te kunnen komen, en om deze
groote zilver- en goudmijn te vinden, en de kostelijke schatten
en juweelen op te graven, bestaat voornamelijk uit twee of drie
merkwaardige dingen. Het eerste is, een zware, breede, digte,
sterke, wèlgeformeerde en gemaakte Ringdijk. Het tweede is, dat men
daar nog bij moet hebben goede, bekwame, groote, sterke, achtkante
water-molens, die alle in goede orde gezet, gemaakt en gesteld zijn,
waar men het land mede uit de valleijen moet zoeken. Het derde is,
goede, bekwame sluizen en uitwateringen ter gelegener plaats en op
het IJ, om alle belanghebbenden van de groote steden en ook de oude
landen voldoende te bevredigen. Daarbij nog geschikte (bekwame)
wateringen en vaarten door de Meer.


Beschouwing (Propoost) van den dijk.

76. Gelijk de planken of de huid van een schip het voornaamste is,
waar het schip op moet zeilen, alzoo is het ook met een' sterken
digten Ringdijk, die het water van de Meer moet keeren.


Van de watermolens.

77. Een sterke digte cementbak is met pompen haast ledig te halen;
desgelijks is eene wèlbedijkte digte meer met watermolens wel droog
te malen.



Dit is ook noodig om aan te teekenen.

78. Alzoo ik mede in het begin van het bedijken van de Beemster
gediend heb als Ingenieur en Fabrijk van het zetten en stellen van de
watermolens, tot het voltrekken toe, zoo is het, dat ik, op verzoek
van Dirk van Os, en de Hoofd-Ingelanden, altijd zekere aanteekeningen
(notici) daarvan gehouden heb, en dikmaals gepeild heb en bevonden,
dat de molens van de Beemster in een etmaal, met goeden wind, een'
duim waters op de geheele Beemster in de hoogte konden uitmalen, en
ook somtijds wel anderhalven duim, en dat op vijf- of zesthalf honderd
Rijnlandsche morgen, een' gang molens. Zoodat men de Beemster in twee
jaren drooggemaakt heeft, wel verstaande de inbraak niet medegerekend;
en dat het derde jaar malens gekaveld werd, en elk zijn land bij
loting ontvangen heeft.

79. Ik heb mede in het bedijken van de Beemster, en ook naderhand,
niet kunnen bemerken, dat de grond iets lek was, zoodat het water
nimmer gewassen of verhoogd is, als het niet regende.

80. Nog zekere calculatiën alhier gemaakt, hoe vele tonnen waters
een bekwame groote achtkante watermolen op een etmaal uitmalen
kan. Hetwelk ik Jan Adriaansz. in mijne jonkheid, in den tijd van
mijn' zaligen vader Adriaan Symonsz. Leegwater, van de Rijp, in den
polder van Rijp en Graft menigmaal gepeild heb, en bevonden met twee
watermolens, gerekend een' voet in het vierkant, en zes voet hoog
voor eene tonne waters.

81. De voorschreven polder van Rijp en Graft is groot, omtrent 1400
morgen, Geest-meer, Ambachts-maat, en is omtrent zoo veel water als
land, dat is 700 morgen waters, hetwelk twee watermolens, in een
etmaal, een' duim in de hoogte konden uitmalen.

82. Die zelfde morgentalen gebragt in vierkante roeden, en daarna tot
vierkante voeten, waarvan 72 duim in de hoogte gerekend en dat een
voet vierkant voor eene ton waters, zoo is het, dat twee molens, naar
deze rekening, in een etmaal uit kunnen brengen 896,000 ton waters,
en een molen 448,000.

83. Zoo iemand in deze zaak omtrent het droogmaken van de Haarlemmer
Meer eenigzins twijfelmoedig mogt wezen, vreezende voor eenige
zwarigheid van den grond of lekking van den Ringdijk, zoo zal ik
alhier, met Gods hulp, om alle twijfelmoedigheid weg te nemen,
goede en duidelijke (klare) voorbeelden verhalen, welke mij door
ondervinding bekend geworden zijn.


                        Experentia docet.


84. Aangaande den duinkant of de westzijde van de Haarlemmer Meer,
alzoo het gemeene spreekwoord is, dat zandgronden lek zijn: dat is
eensdeels alzoo; maar hiervan is eene goede verzekering, en dat,
uithoofde onder dat zand goed veen en klei liggen, gelijk zulks
dagelijks blijkt en bevonden wordt, vermits onder het zand of de
nollen goede turf gegraven en gedolven wordt, en onder het veen geen
zand ligt tot aan de klei toe.

85. Dit zelfde blijkt mede aan den Lisser-poel: deze, schoon nabij
de duinen gelegen en nog onlangs bedijkt, wordt ook wel droog gehouden.

86. De Soetermeersche Meer, die aan de zijde aan de veenen ligt,
is mede onlangs bedijkt en wordt ook wel droog gehouden.

87. Zoo ook werd uit de Hem-meer, die aan het harde gelegen is,
tegenover de Kaag, met geringe moeite het water uitgemalen, en het
land zeer goed droog gehouden, welke Meer meerendeels toebehoort aan
Sr. Jan van Baarle.

88. De ringdijk van de Beemster is in het begin meestal uit veenlanden
gemaakt. Die van de Purmer desgelijks. De dijken van de Wormer en
Waterlandsche Meren zijn mede al tezamen van veenlanden gemaakt, zij
worden alle digt bevonden en goed droog gehouden. Bij het bedijken
is vooral hoog noodig, dat men het zwoord- of grasveld, dat onder
den dijk komen zal, goed wegneme, opdat de aarde te beter sluite,
en de dijk digt zou wezen.

89. Eindelijk de Schermer, die ten naaste bij van gelijke natuur is als
de Haarlemmer Meer, en aan de noordzijde bijkans van gelijke diepte,
zal ook met vier molens boven elkander moeten malen; zoo ook heeft de
kil van de Beemster twee molens in het diep staan, die vier hoog malen.

90. Aan de Oostzijde, aan de Noordoostzijde en aan de Zuidoostzijde
van de Schermer, is de ringdijk geheel van veenland gemaakt;
aan de Westzijde van die Meer van Jan Boies af, tot aan den
Akerslooter-koorn-molen toe, is de ringdijk geheel van zand of
geest-land gefondeerd en gemaakt, en daar is naauwelijks eene Meer
van al de bedijkte Meren in Noord-Holland, die zoo spoedig en ras
droog gemalen is, als deze Schermer.

91. Het is mij wel bekend, dat er eenige Meren zijn, wier droogmaking
niet wil gelukken; maar daar, is de reden van: óf omdat de klei te
diep ligt, óf omdat die Meren aan een bergachtig land, of grof zand
gelegen zijn, dat geen water schut, zoo als ik hetzelve wel gezien
en bevonden heb; óf omdat de grond met struiken of bladen van boomen
opgehoogd en bezet is, en hierdoor lek en sponsieus blijft. Gelijk
het ook blijkt, dat eenige dezer Meren niet vast toevriezen, al vroor
het bijkans nog zoo sterk; hetgeen een teeken is, dat de grond open,
sponsieus en lek is.

92. Aangaande den grond van de Haarlemmer Meer, kan ik anders niet
bevinden en verstaan dan alles goeds, alzoo ik haar voorheen met den
Burgemeester van Aalsmeer en eenige arbeiders, op vele verschillende
plaatsen, gepeild, gebeugeld, gediept, getast en wèl onderzocht
heb, en anders niet kan bemerken of bevinden, of deze Meer heeft
een' bodem van goede klei, doorgaans dik 7, 8 en 9 voeten, gelijk
bevorens verhaald is. En de Haarlemmer Meer is doorgaans diep negen
Rhijnlandsche voeten, of tien houtvoeten, bijkans van gelijke diepte
als de kil van de Beemster of Schermer. Op sommige plaatsen is de grond
aan de kanten van de Meer met veenachtige slibber vermengd, een voet
of anderhalf dik; dezelve is bekwaam, om met den ploeg door malkander
in de klei te vermengen, en alzoo tot goed land te maken. Daarenboven,
hetgeen een goed teeken is, als het eene gewone vorst is, vriest de
Haarlemmer Meer zoowel en zoo vast toe als eenig ander water, zoodat
men daar overal met paard en sleê over rijden kan zonder treuren. Het
blijkt daaraan, dat de grond digt en vast moet wezen.

93. Dat de grond van de Haarlemmer Meer goede klei is: dat is de
allerbeste, waar men op betrouwen kan, dat de grond digt zal wezen. Het
is mede een goed fondament voor den Ringdijk en in alle manieren heel
goed voor het dóórlekken en opwellen, zoo als te voren gezegd is.

94. Van de watermolens zal ik alhier mede een weinig verhalen en
noteren.

95. Dit is de gewone gang en wijze in Noord-Holland bij het bedijken
van meren, zoo als de ondervinding het geleerd heeft.

96. Als men zoo hoog moet opmalen, als men aan de Beemster en Schermer
op het diepst heeft moeten doen, dan stelt men vier molens boven
elkander tot een' gang, die elkander toemalen van vier of vijf en
dertig voeten stijls, en dat gemeenlijk op vijf honderd Rhijnlandsche
morgen een' gang molens, wèl verstaande, hoe meer gangen molens
op eene kolk malen, hoe beter, en het zal noodig wezen, dat men op
de Haarlemmer Meer zoo veel gangen molens op eene kolk brengt als
immer doenlijk is, en dat om de volgende oorzaak: als er een molen,
twee of drie onklaar zijn, zoo kunnen de overige molens nog malen,
en op den gang blijven, en ook mede dan wordt de ringdijk te minder
gebroken  met de kleine sluisjes, die in den ringdijk moeten liggen,
waar de bovenmolens moeten doormalen.

97. Het is ook eene hoognoodige zaak, dat men verscheidene kruisvaarten
door de Meer maakt, even als in de Schermer, en zulks tot gerief van
de Deelhebbers en huisluiden, om hunne waren met kleine schuitjes
aan den ringdijk te kunnen brengen, als ook vooral de materialen,
die men tot het bouwen en timmeren noodig heeft, en mede ook tot eene
gemeene onderkolk of boezem van de laagste molens.

Om nu te komen tot het principaalste, waar alles aan gelegen is.

98. Als dit groote, heerlijke en lofwaardige werk, met de hulpe Gods,
voltrokken en gekaveld zal zijn, dan zal men met den zegen des Heeren
daarop kunnen telen en vinden de allerbeste, kostelijkste schatten en
juweelen, die tot 's menschen nooddruft en onderhoud van doen zijn. Als
men het land behoorlijk ploegt, bebouwt en bereidt, gelijk als in den
beginne Adam, onzen eersten vader, opgelegd was, toen hij het gebod
van God overtreden had, dat hij in het zweet van zijn aanschijn zijn
brood zou eten. Gelijk ook mede in de H. Schrift geschreven staat:
Zoodanig als de akkerman is, zoodanig is ook de bouwing.


        Bouwt op het nieuw, zaait niet onder den doorn,
        Werpt dan in uwen akker het goede koorn:
        Zoo zal God u geven, tot een baat,
        Eene overvloedige, opgehoopte, volle maat.


        In manibus Domini sorsque, salusque mea.
        Mijn heil en mijn geluk staat in den zegen des Heeren.



Volgt nu van de heerlijke vruchten des velds.

99. In de eerste plaats zal in deze Meer zijn te vinden velerhande
granen, als tarwe, rogge, gerst, haver, erwten, boonen, boekweit,
koolzaad, raapzaad en meer andere gewassen; ook gemeste kalveren en
vette schapen, meer dan twintig duizend hoornbeesten, met nog daarbij
velerhande vee en gevogelte, mede in overvloed. Boter en kaas, honig
en melk, met velerhande toespijs, fruit en wijnbeziën, hetwelk niet
alles is te bedenken en te noemen. Het zou zulk eene verandering
in Zuid-Holland geven, dat men het wel het achtste wonder zou mogen
noemen: dat te voren eene schadelijke Meer, een bederfelijke poel,
een verslindende wolf is geweest, dat zou men alsdan den grooten
Zuid-Hollandschen lusthof wel mogen noemen; of het Hollandsch Tresoor,
waar men eene menigte van menschen, door den zegen des Heeren, mede
zou kunnen spijzen en voeden, hetgeen tevens de gemeene landsmiddelen,
met zoo vele duizenden zou stijven en verbeteren, dat het niet wel is
te zeggen. Hiertoe zullen ook wel noodig zijn duizend boeren met hun
gezin, knechten en dienstboden, om het land te bouwen en te bearbeiden,
hetgeen te zamen wel zes duizend menschen zal bedragen.

100. Alzoo ik voor dezen gehoord en verstaan heb, dat sommige burgers
van Haarlem en van Leiden in eenige zaken wat zwaarhoofdig zijn,
meenende, dat hunne vaarten en wateringen eenigzins zouden verminderen
of verslimmen; zoo zal ik hier met goede redenen bewijzen, dat heel
anders en contrarie het geval zal zijn, op grond der ervarenheid van
hetgeen ik voor dezen dikwerf gezien en opgemerkt heb.

101. Eertijds, voordat de Beemster en Purmer bedijkt waren, heb ik
dikwerf gezien en bevonden, dat de doorvaart of haven van Purmerend zoo
verdroogd was, dat daar naauwelijks eene ongeladen schuit kon vloten,
en dat gebeurde telkens als er een stormwind uit het noord-westen
woei; dan kwam het dikke water in de haven, en zette zich daar neder,
en hoezeer men het met den beugel uithaalde, was het met iederen
storm weêr hetzelfde. Desgelijks ook de Meer, beoosten Purmerend;
welke slibber met een' ooste-wind uit de Purmer kwam. Maar nadat de
beide meren, de Beemster en de Purmer, bedijkt zijn, heeft men dit
gebrek niet bevonden.

102. Desgelijks de haven van Edam, alsmede de doorvaart van Nek
en meest alle havens, die op zoodanige wateren of meren liggen;
deze vervuilen altijd door het dikke, modderachtige water, dat met
stormwinden inspoelt.

103. Daarenboven heb ik ook meermalen gezien (en er mede aan
geholpen), dat men ten tijde, vóórdat de Beemster bedijkt was,
als er eene geladen schuit in de haven van de Rijp in kwam varen,
met groote krachten die schuit moest intrekken, om ter plaatse te
komen, waar men moest lossen; en dat de haven zoo opgedroogd was,
van den modder of de slibber, die uit de Beemster kwam, dat men het
met beugelen en baggeren niet goed kon maken, uithoofde dat telkens,
als het weêr uit het oosten sterk woei, het weêr even zoo vervuilde
als te voren; wij moesten dikwerf en waren genoodzaakt de sluis van
de Rijp open te zetten, en het water door de haven in den polder te
laten stroomen, en den grond met stokken en beugels om te roeren,
en alzoo de haven te verdiepen. Naderhand toen de Beemster bedijkt
was en de watermolens klaar water uit de Beemster hebben gemalen,
heeft men dergelijke gebreken niet gezien, noch vernomen; want als
nu de haven eens uitgediept is, dan vervuilt zij zelden of nooit,
en men heeft daarenboven nu altijd klaar water in de haven van de Rijp.

104. Als men met reden mag spreken, zoo is het (mijns oordeels en
gevoelens), dat die van Haarlem en Leiden weltevreden behooren te
wezen met het bedijken van de Haarlemmer Meer, en dat zij geene reden
hebben zoodanige klagten en questiën in te brengen, maar grootelijks
daardoor verbeterd zullen zijn en in het minst geene schade zullen
lijden, maar veel eerder groot voordeel, gelijk ik hier met navolgende
redenen zal bewijzen.

105. Met betrekking tot de doorvaart van Haarlem, zal dezelve in
alle manieren beter en bekwamer zijn dan te voren; het gebeurt nu
dikwerf, dat er schepen zijn, die met kostelijke koopmansgoederen zijn
geladen, welke, als zij voor de Meer, bij de ton, komen, met eenen
hoog-zuidenwind en storm genoodzaakt zijn aldaar te moeten blijven
liggen, uit vrees dat zij groote schade zouden lijden. Ook mede met
een' noordelijken wind in de Kaag insgelijks;  men kan alsdan met
schepen en waren niet voortkomen, vermits men het water van de Meer
alsdan niet kan gebruiken, waardoor de koopman dikwerf groote schade
lijdt en mede groot perijkel van zijne schepen te verliezen, hetgeen
zich heel anders en beter zal toedragen, als de Meer bedijkt is.

106. Als er eene bekwame, wijde, diepe ringsloot of kanaal zal gemaakt
zijn, van zestien of twintig roeden wijd, of zoo wijd als men dan met
goede orde ordonneren zal, zal men die altijd met halven wind kunnen
zeilen, en ook mede met gewone schepen oplaveren; en heel zelden zal
het zijn, dat men die niet gebruiken kan, wel te verstaan, als er mede
een bekwame trekweg zal worden gemaakt, om de schepen altijd met gemak
en gerief met paarden in den wind te kunnen optrekken; de kooplieden
zullen alsdan zelden of nimmer verkort of verhinderd zijn of schade
lijden. Welke trekweg en kanaal mede zullen gemaakt worden, tot aan
de stad Leiden toe, alsmede van de Zijlpoort af tot aan de Kaag of
tot aan de Nieuwe Vaart, zoo als men het dan best geraden zal vinden.

107. Aangaande het water, dat nu dikwijls heel vuil en troebel is,
dat zal zich heel anders begeven, dan het nu tegenwoordig doet,
waardoor die van Haarlem en van Leiden grootelijks verbeterd zullen
zijn, en het werk alsdan zullen moeten prijzen.

108. Vooreerst is het notoir, en men kan het ook ligtelijk begrijpen,
dat er alsdan nimmermeer in de steden Haarlem en Leiden eenig vuil,
stinkend of troebel water zal kunnen komen; want als de Haarlemmer
Meer bedijkt en droog gemaakt zal zijn en tot land gebragt zal wezen,
zal er geen ander dan klaar regenwater in de Meer komen, hetwelk zal
staan op kleigrond, vermits de slooten en molen-togten in de Meer
mede in de klei gedolven en gemaakt zullen worden, en de watermolens
van de Meer alsdan het klare water in de ringsloot zullen malen; en
daarenboven zal het duinval, dat aan de west-zijde van de Meer is,
in de ringsloot door verscheidene kanalen komen zakken. Dat water zal
alsdan in de ringsloot behouden wezen en niet vervuilen noch troebel
worden door het stormen van de Meer.

109. Dat water komt mede in de steden Haarlem en Leiden; doch de
principaalste uitwatering van Rhijnland moet door Haarlem en Sparendam
komen, en aldaar uitgeleid worden, als ook mede bij het huis ter
Hart. Hier staat nog op te letten, dat als de Meer tot land zal
gebragt wezen, de omliggende plaatsen en landen nimmermeer gekweld
zullen wezen door buitengewone hooge aanpersen en afpersen, waardoor
de straten van Leiden nu dikwerf onder loopen, als de wind sterk uit
het noord-oosten waait, en het Sparen een' voet 2 of 3 minder is dan
gewoonlijk, zoodat de schepen er niet over kunnen komen, maar dikwerf
drie of vier dagen tegen Haarlem en Sparendam moeten blijven liggen en
toeven door gebrek aan water, waardoor de kooplieden dikwerf verkort
worden en groote schade lijden, door het bederven van hunne waren.

110. Welligt zal iemand zeggen: als het een drooge zomer is, zoo zal
er ook weinig water in de Ringsloot zijn. Maar datzelfde heeft plaats
of de Meer bedijkt is of niet; want als het een drooge zomer is,
dan is er nimmer veel water in de binnenpolder, noch op de Meer.

111. Daartegen zal ik een goed middel stellen: Men make de
buitensluizen met contradeuren, of schore die deuren toe, en late
niet meer water uitloopen, dan men in het schutten van de schepen van
nooden heeft, gelijk men in Noord-Holland doet, als er weinig water
is. Op die wijze laat men de nieuwe sluis of? dijker tot Sparendam
en te Nauwerna? toestaan, om het water in te houden.

112. Dit zou ik ligtelijk hebben vergeten: Als het klare water in de
Ringsloot staat, gelijk bevorens verhaald is, dan zullen de brouwers
van Haarlem en Leiden dat water kunnen gebruiken, om daarvan te
brouwen, en weinig of geen onderscheid in hetzelve kunnen vinden met
het water, dat zij thans met groote kosten en moeite moeten halen.

113. Het principaalste en beste is nog, (wat kan er ter wereld
beter wezen!) dat men in de nabijheid van een heerlijk, lofbaarlijk,
gebenedijd land zal wonen, waarvan meestal des menschen nooddruft,
door den zegen des Heeren, komen moet.

114. Alzoo de stad Haarlem aan twee zijden duinen heeft en aan de
zuid-oost-zijde het groote water, en er niet veel goed land om de
stad ligt, waardoor ook marktdagen sober en weinig moeten wezen, zoo
zal het bedijken van de Haarlemmer Meer zulk een merkelijk profijt
en voordeel geven, dat men het niet kan uitspreken.

115. In het beginsel, als het werk zal worden aangetast, zullen de
werkmeesters (werkbazen), arbeiders en knechts dagelijks van doen
hebben gereedschappen tot hun werk, hetzij hout, ijzerwerk, kordewagens
en andere nooddruftige dingen, daarenboven kost en kleeding; al hetgeen
zij uit de steden zullen moeten halen. In het kort, meest al hetgeen
aan de Meer geconsumeerd en verarbeid zal worden, dat zal meestal in
Holland blijven en weinig in andere landen gevoerd worden.

116. Alsdan dit groot, heerlijk, lofbaarlijk, notabel werk met de hulp
van God bedijkt en in goede orde gebragt zal zijn en voltrokken, zoo
zullen er eene menigte van boeren en huisluiden in de naaste steden
komen met ros en wagens, ook mede met hunne granen: desgelijks met
boter en kaas en met andere waren, hetwelk te lang zou wezen om te
verhalen. Zoodat een iegelijk ligtelijk begrijpen kan (zoo als ook
het gemeen spreekwoord waar is): waar het volk is, daar is nering
en welvaart.

117. Hierbij zal ik nog achteraanstellen de calculatie van deze
bedijking, wat ieder morgen lands, mijns oordeels, omtrent zal
kosten. Voordezen heb ik dit nog eens gesteld; maar over sommige
werken was ik wat te ligt geloopen, en hoop nu op alles te letten,
zoo veel als doenlijk is, naar de genade, die mij de Almogende God
gegeven heeft.

118. Vooreerst zullen er moeten wezen omtrent 160 kloeke achtkante
watermolens, waarvan elk omtrent zal kosten 5600 gulden, bedragende
te zamen 869,000 gulden.

119. De Haarlemmer Meer is omtrent in het ronde 25 duizend roeden,
zoo als bij raming in den omgang is bevonden, behalve het plempwerk;
als men nu rondom koopt in de breedte 40 roeden lands, om daarvan te
gebruiken 10 roeden tot den ringdijk, en 12 of 14 roeden tot de gemeene
ringsloot, dan blijft er omtrent 16 roeden achter den dijk liggen,
waar men de molens op kan zetten en stellen, en waarvan men ook de
kolken en kolkdijken bekwamelijk van zal kunnen maken, en van welk
overgebleven achterland men den ringdijk mede kan onderhouden. Als
iedere roede lands kost 10 stuivers in koop, dat is 20 gulden iedere
roede in de lengte, en men dit vermenigvuldigt met 15000 roeden,
bekomt men te zamen 300,000 gulden.

120. De ringsloot zal zijn twaalf roeden in de wijdte, en acht voeten
diep, is, op de lengte van eene roede, omtrent 84 schaft aarde, om
den dijk mede te maken. Iedere schaft zal aan arbeidsloon omtrent
kosten 10 stuivers, bedraagt iedere roede in de lengte 42 gulden,
en dat vermenigvuldigd met 15000 roeden in de rondte van den geheelen
omgang van den dijk, bedraagt te zamen 630,000 gulden.

121. Voor alle zaken, zal het beste wezen, dat men den ringdijk in
de breedte make; want het is beter daarna den dijk op te hoopen,
dan ter zijde aan te klampen of te verbreeden, en ook mede, dat men
den achterdijk van binnen, van de kruin af, vijf à zes roeden breeder
make, dan die van de Beemster of andere bedijkte Meren, en de notsloot
op halve diepte en op half water keerende, voor het dóórlekken en
aanpersen van den ringdijk, en het water van de ringsloot, met eenen
suffisanten kadijk van achteren tot eene waterkeering en separatie
van de landen; want de dijk blijvende voor het gemeen, is alzoo
bekwaam en vruchtbaar tot hooilanden, als anderzins, om voor het
gemeen te verhuren.

122. Ook moet de ringsloot aan de westzijde, of den geestkant, vier
roeden worden verwijd, hetwelk de principale vaart en uitwatering
zal wezen, die ook het eerst moet gemaakt worden, om de doorvaart van
Haarlem niet te beletten, noch te verhinderen; ook niet die van Gouda,
ten einde ieder wèl te contenteren; en dat wel van de Ton van Haarlem
af, tot aan de Wetering toe, hetgeen is omtrent lang 7000 roeden, en
iedere roede in de lengte, met den aankoop van het land en arbeidsloon,
zal omtrent kosten 15 gulden, bedraagt nog 105,000 gulden.

123. De Plempwerken zijn omtrent lang 1600, iedere roede zal omtrent
kosten 200 gulden. Te weten, de vóórboezem over de eilanden van
Ruigoord, met het gat bij den Overtoom over te plempen, ook mede
bij de Ton van Haarlem, desgelijks mede bij de Kaag. De Wetering,
met nog meer andere kanalen en slooten, bedraagt nog, als het te
zamen gemultipliceerd is, de somma van 320,000 gulden.

124. Den Ringdijk aan de westzijde, daar de principaalste vaart zal
wezen, van de Haarlemmer Ton af, tot aan de Wetering toe, van buiten
aan de ring-sloot geheel te beschoeijen, zal iedere roede in de lengte
omtrent kosten twaalf gulden, bedraagt de 7000 roeden in de geheele
lengte 84000 gulden.

125. De binnenwerken, te weten, die wegen en slooten, molen-togten en
vaarten, kolken en kolkdijken en andere affairen, worden doorgaans
gerekend een derde deel te kosten van de buitenwerken, en bedragen
dus nog omtrent 778,000 gulden.

126. Nog voor het maken van sluizen en uitwateringen, bij het huis
Ter Hart en andere geschikte plaatsen, ook mede de kleine sluisjes,
door den ringdijk, waar de molens door zullen malen, 102,000 gulden.

127. Nog voor eene rekening, indien het gebeurde, dat men de Meer
het eerste jaar, als de plempwerken gemaakt zijn, niet kon sluiten,
en dat men de ringsloot zoo spoedig niet op hare behoorlijke diepte
kon krijgen, en dat de plempwerken daarom groote schade zouden lijden,
zoo zal men genoodzaakt wezen, vier of vijf greenen sassen of kolken
te maken, ter bekwamer plaatsen, om in en uit de Meer te kunnen varen,
zoo lang totdat de Ringsloot op hare behoorlijke diepte gemaakt zal
zijn, en de molens zoo veel water uit de Meer gemalen zullen hebben,
dat alle plempwerken ontlast zijn, wanneer men de sassen weder zal
kunnen opbreken en den ringdijk rondom in haar geheel digt sluiten. Dit
zal nog omtrent kosten 42,000 gulden.

128. Nog aan noordshout, om desgelijks te gebruiken tot klein
schoeiwerk, met het onderhoud en het betimmeren van de watermolens,
aleer men aan het kavelen komt, 83,000 gulden.

129. Nog voor den Dijkgraaf en de Heemraden, Bewindhebbers, Landmeters,
Opzieners, Schuitevoerders, Boden, Knechts, enz. tot aan de kaveling
toe, voor drie jaren 80,000 gulden.

130. Nog aan vier Heerenhuizen of Keten ter bekwamer plaatsen,
op onderscheidene kanten van de Meer, om desgelijks residentie te
houden, met vier of vijf heerenschuiten tot gerijf, (om van het eene
werk naar het andere te varen,) met nog sommige houttuinen daarbij,
10,000 gulden.

131. Nog tot een' toeslag en meer andere kwade kosten in voorraad,
hetzij riet, rijs, takken, hout, ijzerwerk, spijkers en arbeidsloon,
als men in het bedijken is; om de plempwerken dagelijks te onderhouden,
zoo lang als het water in de Meer nog kracht baren kan; om in den
ringdijk de kwade steden te voorzien en nog andere kosten meer. Idem.

132. Eenige vergaderingen met de groote steden, desgelijks mede met
de Heeren van Rhijnland, en andere huislieden van omliggende dorpen,
om alzoo gelijkerhand in het goede met elkander te accorderen, en
om alzoo dit groote, heerlijke, lofbaarlijke werk met Godes hulp
te beginnen, en tot een goed einde, met alle orde, in kavelingen te
brengen, 70,000 gulden.

133. Nog zijn twee voorname zaken, die wel bedacht dienen te wezen. De
eene is, dat de ringsloot en de trekweg mede door de stad Leiden moeten
gaan, opdat het stroomende water van de molens mede door Leiden heen
en weêr zou zwieren en stroomen.

134. De andere is: indien het gebeurde, dat de grond of slibber voor
Sparendam begon op te droogen en te vervuilen (vermits Sparendam
in eene hop of inwijking gelegen is), hetwelk de scheepvaart zou
verhinderen en beletten (waarvoor ons God wil verhoeden), zoo zal men
verpligt zijn de Nieuwe vaart, van Haarlem af, tot aan het huis Ter
Hart toe, te verwijden, zoo vele roeden, als het noodig zal zijn, om
aldaar eene kolk te ordonneren, en sluizen te maken, waar men altijd
behoorlijk kan doorschutten op het IJ, om alzoo eene bekwame diepe
vaart te behouden tot welstand van de stad Haarlem en van anderen,
die deze vaart moeten gebruiken en van doen hebben. Voor deze twee
notabele stukken wordt nog gerekend 100,000 gulden.

135. Dit alles bedraagt al te zamen zes en dertigmaal honderd duizend
gulden. En als de Meer uitbrengt 20,000 morgen, zoo komt ieder morgen
te kosten 180 gulden.


                     No. 118    f   896,000.
                     »   119    »   300,000.
                     »   120    »   630,000.
                     »   122    »   105,000.
                     »   123    »   320,000.
                     »   124    »    84,000.
                     »   125    »   778,000.
                     »   126    »   102,000.
                     »   127    »    42,000.
                     »   128    »    83,000.
                     »   129    »    80,000.
                     »   130    »    10,000.
                     »   132    »    70,000.
                     »   134    »   100,000.
                                  ---------
                                f 3,600,000.



                              KORT VERHAAL
                                  VAN
              DE MEREN, DIE IN NOORD-HOLLAND BEDIJKT ZIJN,
                                 TEGEN
                        SARDAM EN DEN HUIGENDIJK


           HETWELK AL TE ZAMEN GESCHIED IS NA HET JAAR 1608,
            EN OOK MEDE VAN DE SLUIZEN EN UITWATERINGEN, DIE
           UIT DIEN HOOFDE GEMAAKT EN GELEGD ZZIJN, WELKE DE
         NIEUW-BEDIJKTE MEREN HEBBEN DOEN MAKEN EN BEKOSTIGEN.


136. In den Eersten zoo is de Beemster bedijkt, is groot zuiver land
7545 morgen.
Nog de Purmer bedijkt is groot 3000 morgen.
De Wormer, groot 1790 morgen.
De Schermer, groot omtrent 6000 morgen.
De Enge Wormer, groot 190 morgen.
De Schalsmeer, groot 75 morgen.

137. Dit alles bedraagt 18,600 morgen, zoodat de boezem aldaar nu
tegenwoordig kleiner is, dan eer de meren bedijkt waren.

138. Hiertegen hebben de Heeren van de Beemster doen maken een kanaal
of eene uitwatering, beginnende van de Schermer af, voor Ursem,
langs den Walegsdijk, loopende mede voorbij Avenhorn en den ouden
dijk, tot aan den kant van de Zuiderzee, met nog eene nieuwe sluis
of duiker aldaar in den zeedijk gelegd, om het water te lossen.

139. Nog heeft de Beemster doen maken den grooten steenen Duiker
op Sarendam.

140. De bedijkers van de Purmer hebben doen maken het Sas, op het
Oost-einde van de haven van Edam.

141. De Heeren bedijkers van de Schermer hebben doen maken het kanaal
of de uitwatering door het Kromenier en Wessaner veld, strekkende
tot aan Nauwerna toe, alsmede nog de steenen sluis, die op Nauwerna
gelegd is op het IJ.

142. De bedijking van de Wormer heeft doen maken eene sluis op den
Nieuwendam, die uitwatert op de Wijker-meer.

143. Tegen deze nieuwgemaakte sluizen en uitwateringen malen
tegenwoordig 45 watermolens meer dan te voren op den grooten boezem
deden, welke boezem omtrent 18,600 morgen kleiner is, dan toen de
meren nog niet bedijkt waren. De drie sluizen, te weten de Duiker op
Saardam, de sluis op Nauwerna en die op Nieuwendam zijn geheel tegen
de Natuur aangelegd.

144. Vele menschen in Noord-Holland kennen deze gelegenheid en
uitwateringen zeer wel, en weten, dat meest altijd en doorgaans in
deze kwartieren de wind zuid-west, zuid en zuid-oost waait.

145. Dit maakt veel laag water op het IJ; maar daartegen perst de Zaan
altijd afwaarts en ten noorden aan. Desgelijks doet mede de nieuwe
vaart van Nauwerna, als ook mede de uitwatering naar den Nieuwen dam,
die toch zeer weinig nut en profijt kan doen, en zulks vermits die
uitwatering door de Wijker-meer altijd vol geslikt en verdroogd is.

146. Alzoo is het ook mede met meest al de polders, die in
Zuid-Holland liggen, die op de Schie en de Rotte malen en hare
uitwatering hebben op de Maas; deze hebben eenen kleinen boezem en
kunnen met zuid-weste-winden weinig water door hunne sluizen lozen,
door het aanparsen van de Maas en het afparsen der kanalen.


NOTA.

147. Indien de Heeren bedijkers van de Beemster, in het begin der
bedijking, met de Heeren van de uitwaterende sluizen, en met de
stad Hoorn waren overeengekomen (hetwelk in het begin op een' zeer
goeden voet stond), om de uitwatering te maken door Avenhorn en de
Naamsloot, welke een zeer schoon, diep, regt kanaal en wijde sloot is,
loopende ten naaste bij noord-oost-waarts aan, tot op den hoek van
den Zeedijk bij de watermolens, staande bij het Hulkjen, strekkende
voort tot aan de stad Hoorn bij den Zeedijk langs, dan hadden al
deze nieuwbedijkte meren, met de oude landen daar omtrent gelegen,
tegen den Huigendijk en Spaardam, al te zamen volkomen wel gediend
en met hare uitwateringen wel geholpen geweest; ja zouden zelden
of nimmermeer des winters verlegen geweest zijn met het hooge water,
komende de afpersing van de Naamsloot en de afpersing van de Zuiderzee,
geheel volgens de Natuur naar wensch.

148. Waarmede ik alhier wil te kennen geven, dat al de sluizen
en uitwateringen, die van de Haarlemmer Meer tegenwoordig bij het
Huis ter Hart, op Sparendam  en elders zijn, al te zamen goed op
zoodanige winden leggen, gansch en geheel met de Natuur zoo geschikt,
als men maar zou kunnen begeeren en wenschen tot bekwame en volkomene
uitwateringen.

149. Bij het bedijken der Haarlemmer Meer kan men nog overvloedig
bekwame sluizen maken.

150. Zoodat men, naar mijn oordeel, dit voorschreven groot,
noodwendig, lofbaarlijk, heerlijk en profitabel werk, het bedijken
van de Haarlemmer Meer, niet behoort achterwege te houden, maar alle
vlijt en naarstigheid behoort te doen en aan te wenden, om het werk te
bevorderen, en dat buiten schade van de groote steden en van de oude
landen van Rhijnland, of van iemand anders, aldaar omtrent gelegen.

151. Ik heb met reden klaarlijk aangewezen, dat, door het bedijken
der Meren, meestal de boezems tegen den Huigendijk, het IJ en Saardam
in Noord-Holland zijn weggenomen, en het water alsnu in zee lossen
moet door de smalle, naauwe, lange uitwateringen en kanalen, hetgeen
nog redelijker wijs gaan kan, alhoewel het met de zuid-weste-winden,
die meest in Holland waaijen, tegen de Natuur komt, waarmede ik hier
te kennen wil geven, dat de boezem van de Haarlemmer Meer hier niet
mede te vergelijken is, welke het water wijd en breed kan verspreiden,
en dat voornamelijk in den voorboezem benoorden het Huis ter Hart,
hetwelk op den kant van het IJ ligt; desgelijks mede in eene groote
wijde ringsloot, van omtrent zestien duizend roeden in het rond,
en omtrent zestien roeden wijd, min of meer; als ook in de vaart
tusschen Haarlem en Amsterdam; in het Sparen tot aan Sparendam toe,
dat mede digt aan de sluizen ligt; desgelijks mede in den Amstel,
de Braassem-Meer, in de vaart naar Leiden, en meer andere slooten
en wateringen, zoodat, mijns bedunkens, men zelden meer dan bevorens
verlegen zal zijn met het hooge water in de ringsloot. Daarenboven kan
men ligter een half vat leêg tappen dan een okshoofd; het spreekwoord
zegt: het water loopt waar het laagst is; hetgeen ook waar is: de
eb moet lager loopen dan het binnenwater, indien het water in zee
gelost kan worden; en het water kan genoegzaam in de Noordzee en in
de Spaansche zee (oceaan) ontlasten, welke de moeder is van al de
wateren, waar al de rivieren in uitloopen, zoo als de Schriftuur zegt,
en de zee hoogt daar niet van.

152. Nog is het volgende mede een zekere regel, als het in den
herfst of winter veel nat weder is en het sterk regent, zoodat de
binnen-polders met hun water verlegen zijn, dan is de Haarlemmer Meer
ook altijd vol water, en of dáár dan al eens eb komt, kan dit zeer
weinig op zoodanigen grooten  waterplas bedragen. Zoodat de regte
zin van al het werk is:


        »Veel bekwame goede sluizen op den IJ-kant,
        Doet het water wel aflossen uit het oude land."


153. Vermits ik in mijn voorgaand Haarlemmer-Meerboek zeer vele
verschillende notabele artikelen voorgesteld en bewezen heb, wegens
het bedijken en droogmaken dier meer, zoo is het, dat zich eenige
tegensprekers opgedaan hebben, die dit niet kunnen lijden, en die dit
noodwendig, treffelijk, heerlijk werk omver zoeken te stooten, en den
octroyanten en verzoekers van dien een' bullebak voor oogen pogen te
stellen, schermende met blinde slagen naar hunne eigen schaduw; gelijk
aan een schip, dat zonder stuurman en zonder kompas roerloos door
de zee vaart, met onbevaren volk heen en weêr zwierende, en de regte
haven niet vinden kan, eindelijk door kwaad beleid geheel moet vergaan.

154. In de maand Junij 1642 is mij een boeksken ter hand gesteld,
hetwelk is uitgegaan op naam van zekeren Claes Arentsz. Colevelt,
Landmeter tot Leiden, of van eenen anderen wargeest, die sustineert en
voorgeeft, dat het beter zou wezen, dat men de Haarlemmer en Leidsche
meren water liet blijven, dan dat men haar tot goed land zou maken,
hetgeen gansch en geheel is strijdende tegen mijne natuur en gevoelen.

155. Gelijk als hij hetzelve afbeeldt met een schip op het eerste
blad, waarmede hij zijn gevoelen wil bewijzen, daar hij lust en
pleizier schijnt te hebben, om nog met groote schepen in het midden
van Holland door de veenen te varen, al zou ook alles bederven en in
ruïne loopen wat daaromtrent is.

156. Daarbij stelt hij, dat verandering en nieuwigheid zwarigheid
baren.

157. Als dat waar zou zijn, dat men geen ding zou mogen veranderen,
vernieuwen of verbeteren, zoo zouden onze voorouders in vele zaken
dapper gemist en gedoold hebben, welke voor ons den weg bereid hebben,
waardoor nu Holland, door den zegen des Heeren, in vele treffelijke
werken opgekomen en verbeterd is.

158. Omtrent drie honderd jaren geleden, was Holland nog gansch en
gaar weinig, en was op vele plaatsen weinig met volk bewoond. Toen
ter tijd lagen de lage landen in Zuid- en Noord-Holland nog met de
buiten-wateren gelijk, en vele dammen en zeedijken waren nog niet
gesloten noch gestopt, zoodat meest al die landen weinig goede vruchten
konden dragen, anders als riet, rap, bobelen, biezen, dompen en ander
onkruid, zoodat men daar weinige koebeesten op kon houden.

159. Het is omtrent honderd vijf en zeventig jaren geleden, dat er
niet één watermolen in Zuid- of Noord-Holland was, om de landen droog
te houden, gelijk mij van verscheiden geloofwaardige lieden van Delft
verhaald is. Was dat in het eerst ook niet eene groote verandering
en nieuwheid? Daardoor zijn nu al die voortreffelijke landen, door
Gods zegen, opgekomen, verbeterd en gebeneficeerd, gelijk ook mede
door de watermolens zoo vele groote meren en moerassen droog gemaakt
en tot land gebragt zijn, zoo als hiervoren verhaald is.

160. Is dit niet een der principaalste middelen, waardoor Holland
opgekomen is? Alsmede door de zeevaart: welke middelen onze voorouders
met groote naarstigheid behartigd hebben, en waartoe de Almogende
God Zijnen zegen heeft gegeven.

161. Waarmede ik alhier te kennen wil geven en aan Colevelt gevraagd
wil hebben, of deze veranderingen eenige zwarigheid of schade
baren? Ik kan zulks niet zien noch bemerken. Wat waren meest al
de steden in Noord-Holland? Wat was Amsterdam voor drie honderd en
vijftig jaren? Maar een visschersdorp, hetwelk nu, door Gods zegen,
door verscheiden middelen en nieuwigheid, eene treffelijke koopstad
is geworden, waar nu al die heerlijke, schoone, treffelijke gebouwen
getimmerd zijn en waar nu bijna de beste gelegenheid tot de scheepvaart
is, die in Europa te vinden is, en nog daarbij al die schoone,
heerlijke en sierlijke beplanting op de straten en burgwallen, gelijk
eene koningswarande, waardoor Amsterdam nu wel eene nieuwe wereld,
of eene wereld op zich zelve genoemd mag worden.

162. Indien Colevelt elke verandering en nieuwigheid omver wil smijten,
dan kan men ook wel zeggen, dat de handel op Oost-Indiën ook eene
nieuwigheid is, welke gedurende mijn leven is opgekomen, en waarvan
Dirk van Os, een van de eerste oprigters (auteurs) van is geweest,
zoo als ik hem zelven heb hooren verhalen, welke handel nu bijkans
zoo magtig is als menige Koning.

Om nu te komen tot de verandering van de andere Noord-Hollandsche
steden.

163. De stad Alkmaar heeft, gelijk men zegt, haren naam gekregen
van Al-meer, omdat zij rondom tusschen meren gelegen was; zij was
in dien tijd ook van geene beduidenis, maar nu is zij eene bekwame,
wèlgeordineerde Land-stad, met voortreffelijke marktdagen.

164. Wat was Hoorn in vroegeren tijd? Niets. Waar de stad Hoorn
nu ligt, waren eenige huizen en werden genaamd: het Hoorntje; zoo
als ik voorheen wel door een' oud man van Groosthuizen heb hooren
verhalen. Thans is Hoorn door de verandering eene bekwame stad en
wel eene zeestad.

165. Men zegt, dat Enkhuizen haren naam gekregen heeft van Enkele
huizen, omdat daar eenige huizen bij elkander stonden, welke plaats nu
door de verandering en den zegen des Heeren de principaalste zeestad
is, voor de groote visscherij en haringvangst.


        Hadden onze Voorouders voor ons niets gedaan,
        Holland had ook ligtelijk tot niet gegaan.
        Maar omdat zij voor ons gestreden hebben als helden,
        Zijn voor ons nu bereid veel schoone weiden en velden,
        Met nog daarbij, heerlijke woningen abondant,
        Zoodat wij nu veilig wonen in ons Vaderland.


166. Ik zal nog een weinig verhalen van Colevelt voorstellen, vermits
hij in zijn boeksken spreekt van den grooten boezem; welke zaak ik
reeds genoegzaam in het voorgaande heb afgedaan: ook vraagt hij,
wie zal verzekeren, dat het bedijken van de Haarlemmer Meer goed
gelukken zal? Is dit niet eene dwaasheid? het schijnt, of Colevelt
wel van alles verzekering zou willen hebben.

167. Waar is ter wereld eenig Keizer, Koning, Vorst, Prins of Heer;
die zoo rijk, zoo wijs, of zoo magtig is, dat hij iemand zekerheid kan
geven van rijkdom, tijdelijke middelen, goederen of haven? Staan wij
niet allen onder de hand Gods, en moeten wij niet alles van den zegen
des Heeren verwachten, en op Zijne Genade betrouwen? Bouwt de akkerman
niet, op hoop, dat hij vruchten zal genieten? Werpt de visscher zijn
net niet uit op hoop van goede vangst? Begint de schipper zijne reis
niet in hoop, dat hij dezelve zal volbrengen? Waren de Heeren bedijkers
van de Beemster al verzekerd, toen zij het werk aanvingen? welke
Beemster nu, God lof! eene zoo heerlijke en voortreffelijke landsdouwe
is. Waren de bedijkers van al die Meren, welke ik in mijn Meerboek
heb opgeteld, zes en twintig in getal, bij den aanvang, al verzekerd
van eenen goeden uitslag? welke Meren nu alle drooggemaakt en tot land
gekomen zijn. Waren de Bewindhebbers der O. I. Compagnie al verzekerd,
toen zij hunne zaken het eerst aanvingen? Ik denk neen. Wie is hier
ter wereld zoo dom (slecht) of zoo onverstandig, dat hij zijne zaken
op schade aanlegt? Niet dat ik hiermede zou willen beweren, dat men
zijne zaken ligtvaardig en onbedacht kan beginnen, maar dat ieder
zijn best behoort te doen, om zijne zaken zoo goed mogelijk aan te
leggen en te bezorgen, en alsdan het overige den Heere moet aanbevelen.

168. Nog, zegt Colevelt, heeft men het ongeluk in Holstein niet gezien,
hoe het met de Meggerzee, Butsloot en het Noorderstrand is gegaan? Maar
naar mijn oordeel is dit onbedacht gesproken.

169. Heeft de Almogende God niet duizende middelen om de menschen
te straffen, om der zonde wille, welke (God betere het!) in Oostland
veel geschiedt? Zijn Sodom en Gomorra niet om hare misdaad en zonde
ten onder gegaan? Daarom laat ons de zonde altijd vlieden en mijden,
opdat ons de plage mede niet over het hoofd kome!

170. Colevelt zegt mede, dat men, door het bedijken der Meer, het
grootste deel van de meervisch zal verliezen! Maar daarentegen zal
men wederom schoone vischvijvers bij de huizen en erven kunnen maken,
om daarin weder de visch te planten en te doen groeijen.

171. Behalve dat zal er in de molentogten, de kruisvaarten en
de slooten een overvloed van graauwe aal, karper en andere visch
komen. Zoo ook in de groote, wijde ringsloot rondom de Meer.

172. Daarenboven zijn de veenen, die nabij de steden Leiden, Amsterdam
en Haarlem gelegen zijn, zeer waterrijk, zoodat daarin nog genoeg
Meervisch zal te vinden zijn. Ook blijven de Zuiderzee en het IJ in
vollen stand en vorm, zoodat daar genoeg visch in kan groeijen als
te voren.

173. Denkt daarentegen, hoe vele schoone vruchten men in de bedijkte
meer zal kunnen genieten, boter, kaas, velerhande vleesch, gevogelte,
hoenders en eijeren, en vele gewassen, te lang om hier op te noemen
en hetgeen ik ook reeds vroeger verhaald heb. Met al hetwelk men wel
twintigmaal meer menschen zal kunnen voeden, dan met de Meervisch.

174. Alzoo nu mijn Meerboek bijna geëindigd is, en naar mijn oordeel
deze stof voldoende is afgehandeld, zal ik nog eens tot het voorgaande
terugkeeren, en stellen hier nog drie gedichten op het bedijken van
de Haarlemmer Meer.


(Nu volgen er drie gedichten, die geene de minste kunstwaarde bezitten
en die wij alzoo zullen achterlaten).


Alzoo ik, Jan Adriaansz. Leegwater, dit mijn Meerboek, en mijne
groote kaart, voor dezen met eene goede meening gedaan en gemaakt heb,
tot welstand en ter voorbereiding tot het bedijken en droogmaken der
Haarlemmer Meer, welke kaart ik aan verscheidene Heeren vertoond en
geschonken heb: al hetwelk ik gedaan heb niet door iemand hiertoe
aangespoord, maar als een liefhebber en minnaar der welvaart van
het Vaderland, zoo hoop ik, dat ik hiervoor nog zal genieten eenige
recompens of vereering voor mijnen langdurigen arbeid en moeite,
en dat het gewone spreekwoord waar zal zijn:


                    »laborem mitigat merces."
                    Het loon verzoet den arbeid.


Hiermede wil ik mijn schrijven afkorten. Zoo ik hierin wat gedwaald
mogt hebben, hetgeen niet zoo goed getroffen is, als in het bedijken
gevonden kon worden, dat bid ik UE. Heeren, mij ten beste en ten goede
te houden, en zoo ik in het vervolg nog iets goeds heb, hetgeen tot
profijt en voordeel van de bedijking en tot 's Lands welvaart zou
kunnen strekken, dat wil ik te allen tijde mededeelen en alzoo het
land dienen met de gaven, die mij de Heere geeft.

De Almogende, Goede, Barmhartige en Genadige God, die Hemel en aarde
geschapen en gemaakt heeft, die wil Zijnen zegen hierover uitstrekken,
en geven UE. al te zamen een gerust en vredig lang leven, en het
allerbeste naar ziel en ligchaam, en hier namaals, het alleropperste
goed hierboven in den Hemel met alle geloovigen en vromen, die hetzelve
uit genade zullen bezitten in der eeuwigheid. Amen.


(Nu volgen nog twee gedichten en voorts de spreuk:)


                    Nihil ab omni parte beatum.


(en daaronder:)


                    J. A. L. W., Ingenieur,
                    ende Molenmaker van de Rijp.
                    1643.



AANTEEKENINGEN.


Haarlemmer-Meerboek.--De titel van den eersten druk luidt woordelijk:
Ȉ dieu seul honneur et gloire. Haerlemmer-Meer-Boeck, dienende tot
remonstrantie, verklaringh ende voorbereydinghe om de Haerlemmer-
ende de Leytse-meer te bedijcken. Als oock van de diepten, gronden
en de nuttigheydt derselver. Midtsgaders: van meest alle de Meeren
die in Noort-Hollandt teghen den Huygendijck en Saerdam bedijckt en
tot land gemaeckt zijn, zedert het jaar 1608, geduerende tot het
jaer 1641. Beschreven door Jan Adriaenz Leech Water, Ingenieur en
Molenmaecker van de Ryp in Noort-Hollant."

Zoo ook luidt de titel van den derden druk; doch op denzelven slaat
nog: »door d' Autheur een vijfde part vermeerdert."

De 8ste druk, dien ik in deze heb gebruikt, mist de Fransche spreuk,
doch heeft de woorden: "den achtsten druk wederom met verscheyden
notable Artykelen een zesde part vermeerdert, ende ook met eenige
tegenspraak van Colevelts Boeksken." Hetgeen waarschijnlijk ook op
de titels der vierde en volgende uitgaven gevonden wordt.

De eerste druk is in geene paragraphen of nummers verdeeld. Men mist
er ook alles, wat in No. 7 tot en met No. 33, in No. 42 tot en met
No. 45, en in No. 57 is vermeld, alsmede de optelling der bedijkte
plassen in No. 65 en hetgeen men in No. 72, in No. 153 tot en met
No. 174 vindt. De verdeeling in Nummers of Paragraphen heeft echter
reeds in den derden druk plaats.



Bl. 3. De Haarlemmer Meer.--In het werk van Leeghwater heb ik
het woord Meer vrouwelijk gelaten, omdat hij het als zoodanig
heeft gebruikt. Het woord is in onze taal zoowel vrouwelijk als
onzijdig.--Men zie Bilderdijk's Geslachtlijst der Naamwoorden.--In
mijn eigen werk heb ik mij naar het thans algemeen gebruik gevoegd
en het woord als onzijdig gebezigd.

» Voorbereiding, dit is plan.

» Prins van Oranje, te weten Prins Frederik Hendrik, aan wien en aan
de overige bij de opdragt vermelde personen, waarschijnlijk al hetgeen
in den eersten druk staat, is ingeleverd. Misschien wel bij wijze van
verzoekschrift, om octrooi te erlangen tot het bedijken van het Meer.

» Lofbaarlijke, dit woord gebruikte Leeghwater veelvuldig, het is
lofwaardig; wij hebben nog in onze taal schrikbaarlijk, wonderbaarlijk,
enz.

Bl. 4, No. 1. Zoo dat de vrees niet ongegrond is.

Bij Leeghwater staat: hetwelk te bedenken staat, eene spreekwijze,
thans niet meer in gebruik; wij hebben echter hiervan nog het woord:
bedenkelijk, die zaak is bedenkelijk.

Ald. No. 2. Een kenning. Eene zeer onbepaalde maat, zoo ver als men
zien, kennen, herkennen kan, een gezigt ver. Het woord komt ook voor
bl. 7, No. 10.

» Geloofwaardige. Leeghwater zegt: loofwaardige, eene Noord-Hollandsche
spreekwijze.

Ald. Bij eenen landmeter, oude spreekwijze voor: door eenen landmeter.

Bl. 5, No. 3. 't Land van de Vennep en het land van den Ruigenhoek. Het
land van Vennep was eertijds zeer uitgestrekt, en aan het vaste
land vast; men kon van dáár over Aalsmeer en Amstelveen te voet
naar Amsterdam gaan. (Zie ook v. Leeuwen, Bat. Ill., bl. 140). Nog
tegenwoordig heeft men te Hillegom de Venneper laan, die naar het Meer
loopt. Vennep is een klein eilandje in het Meer, naast Beinsdorp. (Zie
over Vennep v. Mieris, Beschr. van Leyden, II D., bl. 601).

Het land van den Ruigenhoek ligt niet ver van Aalsmeer, eenigzins
westwaarts van dáár.

Ald. No. 4. Het zwoord van het land, is het bovenste gedeelte, de huid
van het land, de bovenste korst, waarschijnlijk van waren, bewaren.

» Nieuwerkerk, was weleer een welvarend dorp. Thans geheel, even
als Vijfhuizen, Rijk, Rijkeroort, Burgerveen en 's Greegelsgeregt,
door het Meer verzwolgen.

» De schoor van het land; men noemt schoor, schor, schorre den aanwas,
den aanworp van het land; het slijkland, gors. Het duidt in het
algemeen aan land, dat boven water ligt, ook wel strand of oever.

» No. 5. Dat zijn Vader zich herinnerde. Bij Leeghwater staat: 't
welk zijn vader mogte gedenken; verouderde spreekwijze, wij zeggen
nog in die beteekenis: gedenk mijner, voor herinner u mij.

Bl. 6, No. 7 tot en met 33 worden niet in den eersten druk gevonden.

Ald. No. 8. Rafter, is een stuk ruw hout. Zie Kiliaan op het woord. In
het taalkundig woordenboek van Weiland komt het niet voor.

Bl. 8, No. 14. Dat in dien tijd de mond van de Spiering-Meer geheel
digt was. Men zie de kaart door ons bij dit werk gevoegd, waar men zien
kan, dat het Spiering-Meer bevorens een geheel afzonderlijke plas was.

De kaart van 1531 zou, volgens G. Schoenmaker, in de aanteekening op
de Noord-Hollandsche Arcadia van Kl. Bruyn, bl. 481, vervaardigd zijn
door Pieter Bruinsen, Landmeeter van Rijnland en Kenmerland.

Bl. 8, No. 14. Dat daartoe geene waterlozing bij het huis ter Hart was.

Het is onzeker, wanneer de sluizen bij half weg Haarlem het eerst
gelegd zijn. In 1364 heeft Hertog Albrecht aan die van Rhijnland eene
Handvest verleend, om sluizen te mogen leggen tusschen Amsterdam
en Spaarndam, waarbij bepaald werd, dat door deze nimmer eenige
doorvaart zijn mogt van groote schepen; ook mogt hier nimmer een
overtoom gemaakt worden of eenige overslag van goederen over den dijk
plaats hebben. Welligt is alzoo de oorsprong der sluizen op Halfweg
aan deze handvest toe te schrijven.

Het Huis ter Hart is thans meer bekend onder den naam van Zwanenburg;
S. van Leeuwen zegt in zijne korte beschrijving der stad Leiden,
bl. 156, dat hier weleer het adellijke huis Polanen stond. (Zulks
is ook het gevoelen van Soeteboom in zijne Saanlandsche Arcadie,
IIIde Boek). Dit wordt echter door anderen betwijfeld, die beweren,
dat het huis Polanen een weinig meer naar de Amsterdamsche zijde,
niet ver van de tegenwoordige trekvaart, waar later de lustplaats
van den Heer Klaas Kornelisz Kalff was, heeft gestaan. Zwanenburg is
het gemeen-landshuis van Rhijnland; de tijd der stichting is mij niet
gebleken. G. Schoenmaker zegt, dat de naam Zwanenburg waarschijnlijk
eerst zal hebben aangevangen na de vertimmering in 1660, en ontleend
van de Zwanen, die boven ieder der stijlen van den ingang werden
geplaatst.

Bl. 9, No. 15. Zoo zou de Meer met de Drecht gemeen wezen. Over de
betrekking van het Haarlemmer Meer en de Drecht, kan men zien het
in den jare 1825 geschreven werkje van den kortelings overledenen
ijverigen en werkzamen Jacob de Jong, Dijkgraaf van het Heemraadschap
van den Amstel en Nieuwer Amstel, getiteld: De Amstel, de Drecht en
de Aar voor groote schepen bevaarbaar gemaakt.

Ald. Het Griet. De Griet is een polder, tusschen Leimuiden en het Meer,
waarvan zeer veel is weggespoeld, zoodat het gedeelte van het Meer,
dat er tegen aanspoelt, mede het griet wordt genoemd.

Bl. 10, No. 20. Zoo dat deze waterwolf alles vernielt wat daaromtrent
is. C. Velsen geeft, in zijne aanmerkingen over de tegenwoordige staat
van de Haarlemmer Meer, eene opgave van de landen, die na Leeghwater,
tot op zijnen tijd (1727), door het Meer zijn weggespoeld.

» 11, No. 24. Hoorn. Hoorn, niet ver van de stad Leiden.

» 12, No. 24. Begon te leggen, er staat slissen.--Slissen is eigenlijk
slechten, effen-glad maken, complanare. Zie Kiliaan.

Bl. 13, No. 27. Dat de droogte van Pampes daar nog dagelijks door
gevoed wordt.--Wijlen mijn vriend M. G. Biben heeft in den jare 1828
twee zeer belangrijke verhandelingen in het licht gegeven, over de
aanslibbing der haven van Amsterdam en de afdamming van Pampus.

Bl. 16, No. 36. Rhijnlandsche roede.--Eene Rhijnlandsche roede is 3
Ellen, 7 Palmen, 6 Duimen, 7-4/10 strepen Nieuwe Nederlandsche maat;
een Rhijnlandsche voet is 3 Palmen, 1 Duim, 3-9/10 Strepen.

» 17, No. 41. De waard.--Geene bedijking had met zoo vele tegenspoeden
te kampen als de Wieringer-waard, waartoe reeds 5 September 1595
verlof werd gegeven, doch welk meer eerst in 1611 is gekaveld.

Bl. 18, No. 41. Voor 's Hertogenbosch. In de kleine kronijk, bl. 40,
No. 49, zegt onze schrijver: »Nota, dezelve Jan Adriaansz. Leeghwater,
heeft ook gewerkt in 't leger voor 's Hertogenbosch, alwaar hij
grooten dienst gedaan heeft voor den Prins, met molens te ordineeren
en te stellen, om het water uit te malen, 't welk groot voordeel
heeft gegeven om dezelve onwinlijke stadt winlijk te maken, gelijk
gebleken is."

Ald. No. 42 tot en met No. 45 wordt in den eersten druk niet gevonden.

» No. 42. In het jaar onzes Heeren, te weten in 1628.

Bl. 20, No. 46. In het labeur wezen.--Zoo staat er bij Leeghwater:
het is het Latijnsche in laborem esse, bezig, werkzaam zijn.

» 21, No. 47. Ronde Goden.--Wat ronde Goden zijn, heb ik niet kunnen
ontdekken.

» 21, No. 48. De Beemster.--Leeghwater heeft de bedijking der Beemster,
in zijne kleine kronijk, bl. 27, aldus beschreven:

»In den eerste, de verzoekers en octrooijanten van de Beemster,
die met Gods hulp dit heerlijke treffelijke werk eerst bij der
hand genomen hebben, waren bij namen de navolgende perzonen; de
eerzame, vrome koopman, Dirk van Os met zijn broeder Hendrik van
Os, Burgemeester Boom, Arent Grootenhuis, met zijn broeder Heins
Grootenhuis, Jan Klaasz Krook, goutsmit; deze zes personen waren
woonachtig te Amsterdam, met nog den bailjou van Oosthuizen, genaemd
Vollenhoof, die mede een octrooijant was, die de eerste dijkgraaf
geweest is die de Beemster bediende.

»2. De namen van de vier principaalste Landmeters waren deze navolgende
personen, (die de Beemster, aldereerst de ringdijk, daarna de wegen
en sloten, en de cavelingen, met advys van de E. Heeren bedijkers,
gerooit en gesteld hebben) Mr. Luicas Jansz. Sink van Amsterdam,
met Mr. Jan Pietersz. Dan van Leiden, met Augustyn Bas van Alkmaar
en Schout Reier van Warmenhuyzen.

»3. De eerste Secretaris was van Purmerend, genaamd Riwert Claasz, een
zeer bekwaam man tot zoodanige diensten, en Jan Adriaansz. Leegwater
van de Rijp, was van de E. Heeren gesteld waar te nemen het fabrijken
en stellen van de watermolens.

»4. De Beemster was een water van omtrent zeven mijlen in het rond
en na mijne meting omtrent zes voeten diep. De bedijking van dezen
is een zeer treffelijk werk geweest, strekkende tot groot profijt,
niet alleen voor het gemeene Land, maar ook voor vele arbeiders,
die hun brood daaraan wonnen, en waardoor nu nog dagelijks, droog
geworden zijnde, vele duizend menschen gespijst worden.

»5. De besteding van de watermolens van de Beemster, is geschied in
het jaar 1608, op nieuwe jaarsdag, in het openbaar tot Amsterdam,
op den Nieuwen dijk tot Anna Franken, en die den eersten molen aannam
was van Delft, genaamd de Boer.

»6. De eerste aanbesteding van het dijkwerk werd gedaan tusschen
Purmerend en Nek, op den 10den April 1508, waarvan een groote
menigte van volk tot Purmerend op het kasteel vergaderd was. De
aannemer van het eerste park was van Burghorn, zijn naam was Jan
Adriaansz. Jongkint, welke een ton bier van de Heeren ten beste kreeg,
omdat hij het eerste park gemijnd had.

»7. Een zeker Engelschman, aangenomen hebbende een groot stuk dijks,
begon daaraan te werken, doch is, door het geweld van het water,
vermits de dijk zeer lang was, verhinderd hetzelve uit te voeren,
en moest tot zijn groote schade, de wijk nemen.

»8. Daarna heeft men beginnen te raadslagen hoe dat men het
Spijkerboorsgat zou stoppen, hetwelk kwaad om te doen was, overmits
de scheuring eene groote diepte aldaar maakte; dit werd met balken
en heiwerk, en aarde daartusschen ingeworpen voltrokken, zulks dat
men haast over dezen dam kon gaan.

»9. Daar is ook eene uitwatering besteed, die begonnen is voorbij
Ursem, langs Walingsdijk, daar nu de vaart tusschen Alkmaar en Hoorn
is; voorts liep het voor bij Avenhorn, en zoo allenskens in zee. De
andere uitwatering was na Sardam, alwaar de Heeren van de Beemster
eene nieuwe sluis lieten leggen, om het water te lossen.

»10. Men zag met er haast vele watermolens rondom de Beemster stellen,
om na het sluiten van den Ringdijk het water uit te malen, hetwelk
in vier jaren tijds volbracht is.

»11. Doen de Beemster ten naastebij droog was, zoo dat men daar niet
langer met schuiten over varen kon, zoo is aldaer in de zomer veel
volks in gegaen met manden en zakken, na de kil toe, door de slibber
en heeft aldaar bij menigte visch en aal met handen gegrepen, en t'
huis gebragt, gelijk ik zelfs mede gedaan heb.

»12. Doen de Beemster eerst droog geworden was in het jaer 1612,
den 4den July, dat men de wegen redelijker wijze kon gebruiken,
hebben de E. Heeren bedijkers van de Beemster, den Prins Mauritius,
met zijnen broeder, Prins Hendrik, met meer groote Heeren en Edelen
daer bij wezende, verzogt, en genoot om in de Beemster te komen,
om hunnen maaltijd aldaar te houden in 't Heeren huis; hetwelk ik
Jan Adriaansz. Leegwater mede gezien heb, en den tafel mede heb
helpen bedienen.

»13. Op den zelfden dag, voor den maaltijd, is de Prins Mauritius,
met zijn adel en suite na de Rijp getrokken, alwaar hij zeer treffelijk
ingehaald en ontvangen werd, waarvan Jan Sypersz., een braaf jongman,
eene fraaije vrijster bij hem hebbende, allereerst den Prins gewelkomd
heeft, en hij heeft haer elk met een stuk gouds vereerd.

»14. En alzoo daer nog geen brug bij Rijp over de ringsloot was, daar
men over gaan konde, zoo was schipper Jan IJsbrantsz. van de Rijp, die
een liefhebber van den Prins was, de aanlegger om een brug te ordineren
met schuiten en pramen, mede met planken en deelen op het spoedigste te
maken en te stellen, zoo dat die brug wel gereed lag doen die Prinsen
en Heeren in de Rijp kwamen, en daer bekwamelyk over gaen konden.

»15. Alzoo die loffelyke dykagie van de Beemster door den zegen
des Heeren alle jaren zeer treffelyk begon aen te wassen en te
vermeerderen, zoo waren die van Rijp zeer begeerig om een wagenbrug by
de Rijp over de Ringsloot te hebben, waarvan Meinert Cornelisz. Salm,
een van de vroedschappen van de Rijp was, die aan de E. Heeren Bedykers
van de Beemster verzogt en verkregen heeft, aldaar een wagenbrug te
leggen, waarvan de Heeren bedykers het hout daartoe gegeven hebben,
en die van de Rijp hebben die brug uit een goede gonste ter liefde
gemaakt, in twee halve dagen, waarvan ik, Jan Adriaansz. Leegwater,
het fabryk met het timmeren van de brug waargenomen heb.

»16. Zoo haast die brug gemaakt was, zoo was IJsbrant Jansz. de
Lange, zeer begeerig, en heeft zyn wagen en paard op den zelfden
dag gehaald op het spoedigste, en is allereerst over die brug in de
Beemster gereden, welke voorz. brug al daar sommige jaren tot een
behulp gelegen heeft. Deze voorz. brug is gelegen in het jaar 1613,
op den 29sten Maart, en doen is de eerste wagen uit de Beemster over
die brug in de Rijp eerst gekomen."


Men leze over de Beemster Le Francq van Berkhey, Nat. Hist. van
Holl., Iste Deel, bl. 76; A. Wolf, de bedijking van de Beemster;
Historisch berigt wegens Joost Jansz. Beeldsnijder, door J. Koning,
geplaatst in het Vde Deel der werken van de 2de klasse van het
Koninkl. Ned. Instituut, enz.

Ik kan mij niet onthouden hier te plaatsen de regels van Vondel,


    OP DEN BEEMSTER.

    De wintvorst, om den rouw van Hollants Maeght te paeien,
      Vermits door storm op storm zy schade en inbreuk leê,
    Schoot molenwieken aen, en maelde, na lang draeien,
      Den Beemster tot een' beemt, en loosde 't meir in zee.
    De zon verwondert, zagh de klay noch brak van baren,
      En drooghde ze af, en schonk ze een' groenen staetsikeurs,
    Vol bloemen geborduurt, vol lovren, ooft, en airen;
      En toiende heur hair, bestroide het vol geurs.
    De room en boterbron quam uit haer borsten springen,
      Het vissigh lyf wert vleesch, noch maeght en ongerept,
    Haer voorhoofts torenkroon quam door de wolken dringen,
      Gelijk gemeenlyk weelde in hoogheit wellust schept.
    Hier jaeght de winthont 't wilt: hier rijt de koets uit spelen.
      Men danst, men banketteert in 's koopmans ryke buurt.
    Hier lacht de goude tyt in lieve lustprieelen,
      Die voor geen oorlog schrikt, noch kiel op klippen stuurt.
    Verzier van Cypris hoe zy Cypers quam bekoren:
    Ik weet dat dees Godin uit zeeschuim is geboren.


                                                            Poezy II.


Bl. 21, No. 48. Na de bedijking heeft ieder morgen omtrent 250 gulden
gekost.--Een morgen lands is bij ons groot 600 Rhijnlandsche roeden,
oude maat, of 85 (vierkante) roeden, 15 el, 79 palmen, 16 duim nieuwe
maat; of 85157916/100000000 van een Bunder. Gewoonlijk geldt het
morgen lands in de Beemster thans tusschen de f 650 en f 750. De
grondlasten, polder-omslagen, dijkgelden, enz., kan men per jaar op
f 12 à f 14 stellen.

Bl. 24, No. 57. Hetgeen in dit No. staat wordt in den eersten druk
niet gevonden.

Ald. No. 57. Kroosing komt van kroos, kroes, kroost, kroost, intestina,
venter cum intestinis, het inwendige, ook ronding; kroes is een
ronde drinkbeker.

» No. 60. Welke kleibodem doorgaans dik is 7, 8 à 9 voet en meer.--Bij
den Heer Baron van Lynden vindt men bl. 302 een proces-verbaal van een
in den jare 1812 plaats gehad hebbend onderzoek der diepten van water
en van den aard en de gesteldheid der gronden beneden het water van
het Meer, opgemaakt door de Heeren A. Hanegraaff, S. Kros en J. van
Lakerveld Blanken, waaruit men echter moet opmaken, dat de kleibodem
doorgaans zoo dik niet is als Leeghwater hier opgeeft.

» No. 61. Dan is het meest altijd laag water op het IJ. Er staat in het
oorspronkelijke: dan is het meest altijd leeg-water, enz. Ook in No. 24
staat leger voor lager. Dit zou het vermoeden kunnen bevestigen van
hen, die meenen, dat Leeghwater zijnen naam van laag-water ontleende.

Bl. 26, No. 62. Plempwerk.--Van plempen, in de beteekenis van dempen,
digtmaken.

» 27, No. 65. De veelvuldige Meren en Moerassen, die in Noord-Holland
vóór en na de Beemster bedijkt zijn. De Heer Baron van Lynden geeft,
bl. 34 zijner verhandeling, eene staat der droogmakingen, zoo in Noord-
als in Zuid-Holland. De eerste bedijking was in 1440 van het Neschmeer
in Noord-Holland. Volgens dien staat zijn in dat gewest van 1440 tot
1645, als wanneer het Sapmeer is bedijkt, 43 meren en plassen tot land
gemaakt, te zamen ruim 42617 morgen uitmakende. En in Zuid-Holland,
met een klein gedeelte van Utrecht, vanaf de droogmaking van het
Soetermeersche Meer, in 1614, tot die van het Bijlmer-Meer, in 1820,
40 Meren en Polders, te zamen uitmakende ruim 35793 Morgen.

Helmers zingt in zijne Hollandsche Natie (Iste Zang) niet ten onregte:


    »Stijg, Beemster! Purmer stijg! meldt, welige valleijen!
    Op wier beklaverd veld thans vette kudden weijën;
      Vermeldt den voorspoed aan der oud'ren vlijt verpligt!
      Uw welvaart zegt ons meer dan 't schoonste lofgedicht.
    o Grond! in vroeger eeuw in schuimend nat bedolven!
    o Grond! door 't voorgeslacht gewoekerd uit de golven,
      Gij dondert ons in 't oor met onweêrstaanbre kracht:
      Bemint uw vaderland, vereert het voorgeslacht!
    Hun brein, dat tot uw nut heel d' aardbol had omvademd,
    Schiep 't land dat gij bewoont, den luchtstroom dien gij ademt."


Leeghwater noemt op zijne lijst de oude en nieuwe Zijp; deze werd
eigenlijk reeds in 1553 bedijkt, doch brak later in 1570. De tweede
bedijking had in den jare 1572 plaats; doch in het zelfde jaar bezweek
de dijk weder. In 1595 hervatte men de bedijking, die, hoezeer nog
eens ingebroken zijnde, echter in dat jaar tot stand kwam. Zie de
cronycke van Leeuwenhorn, uitgegeven door D. Asz. Valcooch, bl. 88.

De optelling dezer in No. 65 vermelde drooggemaakte Meren vindt men
in den eersten druk niet.

Bl. 28, No. 66. Dirk van Os met zijn broeder Hendrik van Os, het
eerste jaar toen de Beemster droog geworden was geteeld zeven duizend
zeven honderd drie en vijftig zakken koolzaad. Leeghwater geeft niet
op, hoe veel lands deze gebroeders van Os in de Beemster bezaten;
zeker is het, dat Dirk van Os de voornaamste belanghebbende in die
bedijking was. Men zie Extract uit het octrooi van de Beemster met
de cavelconditiën, gedrukt te Purmerend, 1696, in 8o.

Bl. 29, No. 67. De volger weg is de weg, die van Purmerend, of liever
van de kruissloot, tusschen die stad en Quadyck, naar Volger, bij
Spijker-boort, loopt; hij is bijna 2040 Rhijnlandsche roeden (7685
Nederlandsche ellen) lang.

Ald. No. 69. De Beemster kan ieder jaar nu wel opbrengen aan landhuur
twee maal honderd en vijftig duizend gulden aan vrij geld. Een mijner
vrienden gaf mij op, dat hij van zijn land in de Beemster rekende
jaarlijks f 33 à f 34 vrij geld per morgen te ontvangen. Hetgeen over
de 7645 morgen, die de Beemster groot is, wederom ten naaste bij de
door Leeghwater opgegeven som uitmaakt.

Bl. 31, No. 72. Hetgeen in dit No. staat mist men mede in de eerste
uitgave.

» 34, No. 78. Fabrijk.--Eertijds werd de opziener over de stadsgebouwen
de fabrijk genoemd. Dit heeft in sommige steden nog wel plaats.

Ald. No. 80. Mijn zaligen vader Adriaan Symonsz. Leeghwater.--Men
zou hieruit kunnen opmaken, dat de vader van onzen Schrijver zich
ook Leeghwater noemde; doch het komt mij waarschijnlijk voor, dat
Leeghwater, dien naam hebbende aangenomen, denzelven ook aan zijnen
vader toevoegde, die zich mede met het leegmaken van plassen schijnt
bezig te hebben gehouden.

Bl. 36, No. 87. Sr. van Baerle.--Eertijds,--geen vijftig jaren
geleden,--noemde men Sr. (Sinjeur,) iemand, wien men meende dat de
titel van Heer niet toekwam. Ik zag eens eene assignatie op eenen
kassier, luidende: Sr. N. N. gelieve te betalen, enz. Thans zijn alle
Sinjeurs Heeren, zoo niet Wel-Edel of Wel-Edelgeboren Heeren geworden,
nadat eerst de Heeren Burgers zijn geweest.--O quantum est mutatum
ab illo!

Bl. 37, No. 92. De Haarlemmer-Meer is doorgaans diep negen
Rhijnlandsche voeten.--Uit het hier boven opgenoemd proces-verbaal van
de Heeren Hanegraaff, Kros en Van Lakerveld Blanken blijkt, dat het
water in het Meer meestal 12, 12 1/2 en 13 voeten diep is, ja op eenige
plaatsen 15 voeten, schoon op enkele 8 en minder. Die Heeren hebben 256
peilingen en boringen in het Meer bewerkstelligd. De diepte is door hen
berekend onder het Amsterdamsche peil. De diepte op het door mij bij
dit werkje gevoegde kaartje aangeduid, is derhalve beneden dat peil.

» 38, No. 94. Van de watermolens.--Zeer breedvoerig handelt de Heer van
Lynden over dit onderwerp in het VIde Hoofdstuk zijner verhandeling,
bl. 70-144. Sedert den leeftijd van Leeghwater is men in de werktuigen
van uitmalen veel vooruitgegaan.

» 45, No. 112. De brouwers van Haarlem en Leiden.--Het getal der
brouwerijen te Haarlem, Leiden, Delft en elders in ons Land, was
bevorens zeer aanzienlijk.

» 46, No. 115. Kordewagens is het zelfde als kruiwagens. Zie Weiland
op het woord.

Ald. No. 117. Voor dezen heb ik dit (de berekening der bedijking)
nog eens gesteld.--Hieruit blijkt, dat Leeghwater reeds vroeger het
plan eener droogmaking van het Haarlemmer Meer heeft gevormd.

Bl. 47, No. 120. Een schaft aarde.--Eene schaft is 114 kubiek
voeten. Leeghwater berekent de schaft op 50 cents; in het midden der
vorige eeuw stelde men ze op 85 cents, en de Heer Van Lynden zegt
(bl. 178 zijner verhandel.), dat men dezelve thans, bij het graven van
groote en diepe kanalen, tusschen de 1 1/2 en 2 gulden moet berekenen.

Bl. 48, No. 121. Notsloot voor Nootsloot nog als zoodanig in gebruik,
alsmede notbrug, notweg, enz.

» 51, No. 134. Dit alles bedraagt al te zamen zes en dertigmaal honderd
duizend gulden.--De berekeningen van de kosten der droogmaking zijn
zeer uiteenloopende,


    Leeghwater stelt ze op                      f  3,600,000.
    Bolstra gaf die in zijnen tijd op als
    zullende bedragen                           »  6,600,000.
    de Heeren Goudriaan en Klinkenberg stelden
    in 1769                                     »  9,000,000.
    de Heer A. Blanken, Jsz.                    »  8,000,000.
    de Heer Engelman                            » 12,000,000.
    de Baron van Lynden                         »  7,000,000.
    en Al. Stappers slechts                     »  6,000,000.


Terwijl, volgens de berekening van het Gouvernement, tot die
droogmaking 8 Millioenen noodig zouden zijn.

Ald. No. 153. Al wat in No. 153 tot en met No. 174 staat wordt in
den eersten druk niet gevonden.

Bl. 63, No. 168. Heeft men het ongeluk in Holstein niet gezien, hoe het
met de Meggerzee, Butsloot en het Noorderstrand is gegaan?--Leeghwater
verhaalt dit ongeval, hetwelk in 1634, daags vóór Allerheiligen,
voorviel, en waarbij hij tegenwoordig was en groot gevaar liep om zijn
leven te verliezen, zeer breedvoerig in de kleine kronijk, bl. 36,
No. 35 tot en met 48.

» 65, de laatste regel: 1643.--Dit jaartal staat onder al de uitgaven,
die den vierden druk volgden.--Leeghwater heeft, na het uitkomen van
Colevelt's Bedenkingen, zijn werk in 1643 nog eens nagezien en eenen
IVden druk van zijn Meerboek uitgegeven, naar welken al de volgende
(met bijvoeging van de kleine kronijk) zijn afgedrukt.



DRUKFOUTEN IN HET VOORWERK.

                            staat:                      lees:
Bl. 22, laatste regel,      nog bij de nazaten          bij de nazaten.
 »  60, Aanteekening(3),    Lusac                       Luzac
 »  aldaar laatste regel    W. P. D. Baron van Sytzama  M. P. D. Baron van Sytzama
 »  99, regel 13,           zuchtten                    zuchten


De fouten, als b. v.: financiën, financiëel, enz. voor finantiën,
finantiëel, enz. of omgekeerd, naarmate men het verkiest, en andere
die er hoogstwaarschijnlijk in zijn, gelieve de Lezer te verschoonen.



Bij het vermelde op bl. 111, in de Noot(2), kan men nog voegen,
No. 181 van den Avondbode, van heden den 15den Junij 1838, waarin een
derde Artikel der Aanteekeningen op de Redevoeringen in de zitting der
Staten Generaal, van 2 April 1838, met betrekking tot de droogmaking
van het Haarlemmermeer, door F. W. C. is geplaatst.



AANTEEKENINGEN


[1] Mr. J. van Lennep, de IJzeren spoorweg van Amsterdam op
Haarlem, lierzang, den Aanleggeren en Begunstigers daarvan
toegezongen. Amsterdam 1837.

[2] Wij weten, dat Bilderdijk zeer ongunstig over de gevolgen van het
droogmaken van het Meer dacht (zie Geschiedenis des Vaderlands, I Dl.,
Blz. 25). Haar hij dacht even ongunstig over de vroegere bedijkingen
in ons Land en noemde onze vooronders vernuftige landbedervers, van
welke blaam de Heer Mr. S. de Wind hen in een stukje, geplaatst in
den Zeeuwschen Volks-Almanak voor dit jaar, Blz. 93-101, getracht
heeft te zuiveren.

[3] Tegenwoord. staat der Nederl., Deel VI, (Holland) Blz. 164 en
volg. De Baron van Lijnden, verhandel. over de Haarlemmer-Meer,
Blz. 38-40, en G. Nieuwenhuis, Algemeen Woordenboek, op het woord
Haarlemmer Meer.

[4] Volgens het plan van 1742, zou men rondom het Meer eenen dijk
hebben moeten leggen, ter lengte van 13830 roeden. Men berekende, dat
men alsdan 19000 morgen droogen grond, en hieronder 8000 morgen aan
landerijen zou bekomen en bovendien nog eenen verkleinden waterboezem
van 9000 morgen behouden, om daarin het overtollig polder- en ander
water van Rhijnland te lozen. Voorts zou men rondom den dijk eene
ringvaart doen loopen voor de schepen, die van Sparendam naar de
Oude Wetering varen. Men stelde, dat tot het uitmalen 112 zware
achtkante steenen molens benoodigd zouden zijn, en de kosten der
geheele onderneming 6,631,000 galden zouden bedragen.

[5] Verhandeling van den Baron van Lijnden, bl. 5 en 6.

[6] In de Vaderl. Letteroef. voor Dec. 1837, No. 15, is geplaatst
eene lezenswaardige bijdrage over J. A. Leeghwater, door den geleerden
Mr. S. de Wind, even als de onze getrokken uit 's mans werken. Ook in
het Aanhangsel op het Algemeen Woordenboek van G. Nieuwenhuis vindt
men een goed gesteld artikel over Leeghwater, en in den Avondbode
van 10 Jan. 1838, No. 53, wordt hij mede in het mengelwerk vermeld.

[7] Kl. Kron. bl. 11, No. 14.

[8] Kl. Kron. bl. 6, No. 5 en bl. 10, No. 5. Zij had, zoo als hij
No. 7 zegt, gezien zes van hare eigen kinderen, 47 kinds-kinderen,
63 over-kinds-kinderen en nog 26, die aan deze getrouwd waren,
makende te zaamen 142, behalve nog andere 26, die gestorven waren.

[9] Hij schreef zich ook wel Leeg-water en Leech-water. De Redacteur
van den Konst- en Letterbode, No. 18 van het jaar 1807, bl. 276,
wil den naam afleiden van Laagwater: »Ongetwijfeld," zegt hij, »is
die naam ontleend, hetzij van zijne kunst, om onder of beneden het
water zich eenigen tijd op te houden, en aldaar eene verscheidenheid
van werkzaamheden te verrigten, of van een' der voornaamste takken
van zijn beroep en velerlei handwerk: het woord leeg of leegh,
overeenkomstig de uitspraak bij de Noord-Hollanders, zelfs op vele
plaatsen tot heden, die de dubbele a, in verscheiden woorden, als
eene dubbele e uitspreken, en wel volgens oud gebruik met bijvoeging
van de h, leegh geschreven wordende."

[10] Kleine Kronijk, bl. 10, No. 9.

[11] Bl. 12, No. 23.

[12] Ald. bl. 14, No. 32.

[13] Haarl. Meerboek, No. 41; kl. kr. bl. 27 en volg. No. 1-16.

[14] Zie Haarl. Meerb. No. 41, kl. kron. bl. 40, No. 50 en vergelijk
Leven van Frederik Hendrik. (II Deelen in 8vo. van het jaar 1737). Iste
Deel, bl. 259, 269 en volg.

[15] Haarl. Meerb. No. 42.

[16] t. a. pl.

[17] t. a. pl. No. 43.

[18] Deze kunst schijnt echter geene nieuwe uitvinding te zijn geweest,
maar reeds bij de ouden bekend, zoo als men zien kan bij Witsen,
Aeloude en Hedendaagsche Scheepsbouw, bl. 287, gelijk de Heer Baron
Collot d'Escury, in het VIde Deel van Hollands roem, bl. 74, in de
noot opmerkt.

[19] Deze Pieter Pietersz. was den 20 Januarij 1574, en dus een jaar
vóór Leeghwater, te Alkmaar geboren en bekleedde verscheidene jaren
het Leeraarambt bij de Doopsgezinden, eerst in de Rijp en naderhand
te Oost-Zaandam, en stierf in 1651. Men vindt zijne afbeelding in
het IIde Deel der Nederduitsche Vertaling van de Geschiedenis der
Mennoniten van Hermannus Schijn, door Gerardus Maatschoen, alwaar
men ook (bl. 588-596) een verslag van de door hem uitgegevene werken
aantreft. Vóór 's mans Opera Omnia (tweemalen, in 1650 en 1666, in
4to. uitgegeven) is een kort levensberigt van hem geplaatst. Vergelijk
ook Konst- en Letterbode, t. a. pl. bl. 277.

[20] Aldaar bl. 41 en volg. Niet, zoo als de Heer Baron Collot
d'Escury, t. a. pl. bl. 73 zegt, achter het Haarlemmermeerboek. Zie
mede over dit waterduiken van Leeghwater: Meerman op De Groot,
Parall. Rerumpubl. Deel II, Hoofdst. 20, bl. 441 en volg., en Bijdrage
van den Heer De Wind, in het bovenvermeld No. der Letteroef.

[21] No. 18, bl. 278 en volg.

[22] Denkelijk te nyeuwte, gelijk hier onder.

[23] Dit cachet of zegel, hetwelk van rood was is geweest, is door
verloop van tijd en veelvuldige behandeling bijna geheel afgesleten
en verbrokkeld.

[24] Konst- en Letterbode t. a. pl. bl. 280.

[25] Zie boven bl. 18, No. 5 en bl. 22, No. 9.

[26] Niet onaardig zijn de aanmerkingen, welke hij bij sommige dier
plaatsen maakt: men kan er veelal den onderzoeker uit ontdekken. Zoo
zegt hij b.v. bij Keulen: »Eene treffelijke Stad, daar heb ik de
toren gemeten, die is 78 voet dik in het vierkant, hetwelk de dikste
toren is, dien ik gezien heb. Behalve dien, heb ik mede de torens van
Utrecht, Mechelen en Antwerpen wel gemeten, die zijn 68 voet dik, en de
nieuwe toren, die nu te Amsterdam aan de Nieuwe Kerk gemaakt wordt, is
64 voet dik." Bij Goddorp »'t Hof van Holstein, aldaer ik in de Hofkerk
het schoonste Muzijk gehoord heb, daar ik mijn leven bij geweest hen,
aldaar ik mede verscheiden malen met den Hertog van Holstein gesproken
heb, dewelke een zeer bequaam Man is van zeden en manieren."

[27] Verhand. bl. 42.

[28] Eene, Haarlem 1669 in 8o., in de opgave van Beschrijvingen der
gewesten, steden en plaatsen in het Koningrijk der Nederlanden, door
Mr. J. T. Bodel Nyenhuis, geplaatst in den Vriend des Vaderlands,
IV Deel, No. 4; en eene, Haarlem 1706, in 12mo. in het Naamreg. van
R. Arrenberg, bl. 243.

[29] Zie ook Avondbode van 16 Januarij 1838.

[30] Deze drukken van 1654, 1714 en 1727 worden ook vermeld door mijnen
vriend Bodel Nyenhuis in de 2de lijst zijner voornoemde opgave, Vriend
des Vaderlands, D. V., No. 3. Zij zijn alle in 4to. en te Amsterdam
uitgegeven. Ik zag ook een' druk van 1669, uitgegeven te Saerdam,
geplaatst achter den 7den druk van het Haarlemmer-Meerboek. Het is
niet onwaarschijnlijk, dat deze kronijk, na den jare 1654, telkens
gelijk met het Meer-boek is herdrukt.

[31] Amsterdam bij Dominicus van der Stichel, 35 bl. in 4o.

[32] De Heer Van Lijnden verh. bl. 43; en het aanhangsel op het
woordenboek van Nieuwenhuis zeggen, dat het werkje in 1640 voor het
eerst uitkwam; doch dit is eene vergissing. De Schrijver van het
artikel in den Avondbode noemt het jaar 1643; doch verkeerdelijk. De
Heer De Wind vermoedde te regt, dat die eerste uitgave vóór het
laatstgenoemde jaar heeft plaats gehad.

[33] Amst. bij V. d. Stichel, 42 bl. in 4o. Zie ook Colevelt's
bedenkingen.

[34] Deze wordt ook vermeld in den Catal. der boeken van Jacob Koning,
II Deel, bl. 214, No. 569. Hij was de laatste, die door Leeghwater
zelven werd nagezien, en naar welken al de volgende uitgaven zijn
gedrukt.

[35] Bij Willem Willemsz. te Saerdam, 48 bl., in 4o.

[36] Te Amsterdam, bij P. Visser, J. v. Heekeren en J. Graal, mede
48 bl. in 4o. Bodel Nyenhuis zegt, in zijne 2e lijst, te Haarlem.

[37] Amsterdam bij Visser. Zie Catal. der boeken, van J. Koning,
IIe Deel, bl. 214, No. 570 en 571.

[38] Amst. bij P. Visscher. Zie Naamregister van Joh. van Abkoude,
I Deel, bl. 209.

[39] Van deze maakt de Heer Van Lijnden (verh. bl. 43) gewag. Zij
komt ook voor in de Biblioth. Meerman. T. III, p. 180, No. 771.

[40] Amst. bij T. Beek; zie naamregister van R. Arrenberg,
bl. 243. Deze druk is waarschijnlijk dezelfde als die, welke door
Van Abkoude, in het 2e aanhangsel op zijn register, bl. 92, wordt
gezegd van 1750 te zijn; bij dezen of genen bestaat waarschijnlijk
eene drukfout. Nog kwam ons dezer dagen in handen een exemplaar,
op welks titel het jaartal 1764 wordt vermeld; doch daar mede op
dien titel staat twaalfde druk, houd ik die uitgave voor dezelfde
als die van 1749 of 1750, alleen met eenen nieuwen titel, hetgeen in
die dagen niet ongebruikelijk was, indien het kopij-regt van eigenaar
veranderde. De Heer Baron du Tour zegt in zijne verhandeling over het
Haarlemmermeer, bl. 40, dat de Boekhandelaar Joh. Schouten, te Alkmaar,
in 1819, eigenaar van het handschrift van Leeghwater was. Ik heb er
te vergeefs onderzoek naar laten doen.

[41] Zie ook den boven aangehaalden Avondbode.

[42] Men verwondere zich niet, indien men bij mij veel aantreft,
hetgeen ook de Heer De Wind in zijne meergen. Bijdrage heeft. Wij
hebben beide uit dezelfde bron moeten putten.

[43] In den Konst- en Letterbode, t. a .pl. bl. 277, worden behalve
van deze Pieter en Trijntje Leeghwater, nog melding gemaakt van hunne
broeders Sijmen en Cornelis. Beide laatsten zijn echter overleden,
gelijk ook de aldaar vermelde Wed. van Jan Cornelisz. Leeghwater in
1810 gestorven is.

[44] Men vindt eene afbeelding en beschrijving van dezen penning bij
Van Loon, Beschrijv. der Nederl. Histor. penningen, II Deel, bl. 193,
No. 1. Ook in den Konst- en Letterbode van 1807 wordt hij in de noot
bl. 277 beschreven.

[45] Deze afbeelding heb ik mede doen plaatsen in de mengelingen van
No. 5 van het Maandschrift de Gids voor dit jaar.

[46] Claes Arentsz. Coleveldt. Hij was publiek Landmeter.

[47] Te Leiden bij J. A. van Abcoude, in 4to.

[48] Te Leiden, bij Daniel Goetval, 40 bl. in 4to. met eene kaart.

[49] Deze C. Velsen was ook schrijver van een werkje tegen Van den
Burggraaf, in 8o. Leiden 1744; en van eene rivierkundige verhandeling,
afgeleid uyt water-wigt- en waterbeweegkundige grondbeginselen, en
toepasselijk gemaakt op de Rivieren: den Rhijn, de Maas, de Waal, de
Merwede en de Lek, waarin de aloude en tegenwoordige toestand dier
Rievieren overwogen, de gevaren die men uit derzelver verandering
te dugten heeft, aangewezen en middelen ter verbetering van dezelve,
en tot voorkoming van overstroomingen voorgesteld worden; opgeheldert
door naauwkeurige kaarten en platen, in gr. 8o., Amst. 1749 en 2de
druk merkelijk vermeerderd, Harlingen 1768.

[50] Men vindt in de Tegenwoordige Staat t. a. pl. eene zeer
naauwkeurige kaart van de Haarlemmer- en Leidsche-meren, met aanwijzing
der plaats gehad hebbende vergrootingen, van een plan van bedijking,
enz.

[51] Verh. bl. 44.

[52] Over het Haarlemmer-Meer en zijne vergrootingen kan men
wijders lezen bij S. van Leeuwen, Batav. Illustr., Ie Deel bl. 104,
en volg. bij L. Smids, Schatkamer der Nederl. Oudheid, op het woord
Meren, enz. De laatste maakt melding van een provisioneel concept der
bedijkingen van de Haarlemmer- en Leidsche-meren, in 1641 uitgegeven;
waarschijnlijk bedoelt hij hiermede het werk van Veeris of van
Leeghwater.

[53] Er bestaat nog een zeer zeldzaam gedicht, tot opschrift voerende:
De Haarlemmer-meer door D. Slob, gedrukt 1763 in 4o. Deze Slob
was Schout van Aalsmeer en Kudelstaart, zoo als hij in dit gedicht
zegt; de verzen zijn armzalig en geene vermelding waardig; doch uit
den inhoud en vooral uit de aanteekeningen leert men de vrees der
bewoners dier streken kennen, om eenmaal door het Meer geheel te
worden verzwolgen. Ik zag door de gedienstigheid van mijnen vriend
Bodel Nyenhuis het 1ste stukje van dit zeldzaam voorkomend gedicht,
doch weet niet of er een 2de van is.

[54] In het V en VI No. van den Recensent der Recensenten voor het
jaar 1819, (bl. 190-208 en bl. 247-258), vindt men eenige uittreksels
uit echte stukken van kundige mannen, rakende het Haarlemmer-meer,
alle getrokken uit de Nederl. Jaarboeken van 1767, 1772, 1773 en 1774.

[55] In de Documens Historiques de la Hollande van den voormaligen
Koning van Holland, wordt ook over dit plan gesproken. In het III Deel,
bl. 312 van de Hollandsche vertaling leest men: »Het droogmaken van het
Haarlemmer meer omtrent 60,000 morgen: een zeer groot ontwerp, doch
niet onuitvoerlijk en van een onbegrijpelijk nut. De plannen daartoe
waren gemaakt en onderzocht door het Committé Central, hetwelk door
den Koning was opgerigt." Voor 60,000 diende men hier 30.000 te lezen.

[56] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van Cleef,
88 bl., in 8o.

[57] Bij W. C. Wansleven 1820, VI en 208 bl. in 8o., met eene
afteekening van de bij het ontwerp voorgestelde molens, paalwerken,
den ringdijk enz.

[58] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van Cleef,
XII en 324 bl., in 8o.

[59] Leiden bij J. W. van Leeuwen, 71 bl., in 8o.

[60] Te Leiden bij D. du Mortier en Zoon, 1821, 123 bl., in 8o.

[61] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van cleef,
1821, 123 bl., in 8o.

[62] Te leiden bij D. du Mortier en Zoon 1821, 250 bl., in 8o. met
bijlagen en een plaatje.

[63] Te 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van cleef,
188 bl., in 8o. met tabellen en tafels.

[64] Chez L. F. de Greéf-Laduron; 47 pages, en 8e. avec une carte.

[65] Te Amsterdam bij C. G. Sulpke, 1838, 118 bl., in gr. 8o.

[66] Onder het afdrukken dezes zijn in den Avondbode twee Artikelen
over dit onderwerp geplaatst, en wel in die van 14 en 18 Mei 1838,
No. 154 en 158.

[67] Ned. Staats-Courant, van 10 Aug. 1837, No. 187.

[68] Ned. Staats-Courant van 1 Maart 1838, No. 52. De Koninklijke
Boodschap en het daarbij gevoegd Ontwerp luiden:


Edel Mogende Heeren!

»Bij het openen van de tegenwoordige zitting, is Ons voornemen
te kennen gegeven om de medewerking der Staten-Generaal in te
roepen, tot het nemen van maatregelen ten aanzien van wenschelijke
verbeteringen in onzen waterstaat en in onze wegen en vaarten, en
van eene meer bespoedigde gemeenschap met den Rhijn, door den aanleg
eener ijzerbaan."

»Tot verwezenlijking van dat voornemen strekt het ontwerp van wet,
hetwelk, vergezeld van eene Memorie van Toelichting, bij deze, door
Ons aan UEdel Mogenden wordt aangeboden.

»En hiermede bevelen Wij UEdel Mogenden in Godes heilige bescherming."


's Gravenhage, 26sten Februarij 1838.

(get..) WILLEM.



ONTWERP VAN WET, omtrent de uitgifte van Losrenten op een gedeelte
der schuld ten laste der Overzeesche Bezittingen, tot het doen van
voorschotten voor openbare Werken.


Wij Willem, enz.

»Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het aanleggen van een'
ijzeren spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een'
zijtak van Rotterdam naar Utrecht, bevorderlijk moet zijn, zoowel
voor de binnenlandsche gemeenschap, als voor het vertier naar buiten
's lands, gelijk ook dat het belang van den Staat vordert, om eerlang
tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer over te gaan,
en dat voorts tot de uitvoering en verbetering van andere ondernemingen
van openbaar nut maatregelen behooren genomen te worden."

»Dat tot al deze werken, welke aan den handel, de nijverheid en den
landbouw aanzienlijke voordeelen beloven, voorschotten gevorderd
worden van een kapitaal, waarvan de voldoening der renten en ook
later de teruggave van de hoofdsom uit de opbrengst van die werken
kunnen worden verwacht."

»Dat het nog onuitgegeven gedeelte ten bedrage van dertig millioenen
gulden van het kapitaal, daargesteld bij Art. 4 der wet van 24
April 1836, (Staatsblad No. 11), tot het doen van de voorschreven
voorschotten kan worden beschikbaar gesteld, doch tevens dienstbaar
moet blijven ter achtereenvolgende voldoening van de schuld, waartoe
hetzelve bij de gedachte wet is bestemd;"

»Dat tot de uitgifte van dat kapitaal nadere wettelijke bepalingen
worden vereischt en dat de tegenwoordige stand van de rente het
noodzakelijk maakt, om, ter verkrijging van de vereischte fondsen,
gelijke maatregelen te nemen, als zijn vastgesteld bij de Wet van 11
Maart 1837, (Staatsblad No. 9);"

»Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg
van de Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:

»Art. 1. Het hier bovengemelde kapitaal van dertig millioenen gulden,
zijnde het nog onuitgegeven gedeelte der schuld, ten laste van de
Overzeesche Bezittingen, vermeld bij Art. 4 der Wet van 24 April
1836 (Staatsblad No. 11), wordt bestemd en aangewezen tot voorloopige
voorschotten ter goedmaking der kosten, vereischt tot het aanleggen van
een' ijzeren Spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een'
zijtak van Rotterdam naar Utrecht; tot het bedijken en droogmaken van
het Haarlemmer Meer, en tot het aanleggen en verbeteren van andere
werken van openbaar nut."

»Art. 2. Op het voormelde kapitaal, tegen vier ten honderd opleverende
eene jaarlijksche rente van een millioen twee honderd duizend gulden,
zal successivelijk kunnen worden afgegeven een kapitaal van vier
en twintig millioen gulden losrenten, rentende vijf ten honderd,
waarvan de renten onvoorwaardelijk door het Rijk worden gewaarborgd;
zullende deze losrenten achtervolgens worden afgelost en vernietigd,
naar mate de uitgifte van de aandeelen in de schuld, ten laste van
de Overzeesche Bezittingen, rentende vier ten honderd, wanneer die
uitgifte tegen den cours van vier en negentig ten honderd of hooger
zal kunnen plaats hebben."

»Art. 3. Het meergemelde kapitaal van dertig millioenen gulden, met de
renten van dien, tot een millioen twee honderd duizend gulden, zal,
zoo spoedig mogelijk, uit de inkomsten en baten van de voorschreven
werken aan het Amortisatie-Syndikaat vergoed en tot het doel, waartoe
hetzelve oorspronkelijk is daargesteld, teruggebragt worden; behoudende
Wij Ons voor, om bij vroegere behoefte van het Amortisatie-Syndikaat,
in de vergoeding van het meergedacht kapitaal met de renten, of van
het dan nog onvoldaan gebleven gedeelte daarvan, te voorzien door
al zoodanige geldelijke maatregelen, als verder tot dat einde en ter
daarstelling, voltooijing of uitbreiding van de meer gemelde werken,
onder verband der baten en inkomsten van dezelve, bij de wet zullen
worden bepaald."

»Lasten en bevelen, enz."

[69] Ned. Staats-Courant van 1 Maart 1838, No. 52.

[70] Ned. Staats-Courant van 26 Maart 1838, No. 73.

[71] Ned. Staats-Courant van 28 Maart 1838, No. 75.

[72] Avondbode van 13 Maart 1838, No. 101 en A. Handelsbl. No. 1983.

[73] Avondbode, 27 Maart 1838, No. 113. A. Handelsbl. No. 1995.

[74] Ned. Staats-Courant van 2 April 1838, No. 79. A. H. B. No. 2000.

[75] Te weten de Heeren: Jr. E. P. de la Court, Mr. J. B. H. van
den Mortel, Mr. P. A. van Meeuwen, J. D. Baron van Tuyll
van Serooskerken van Heeze en Leende, Mr. R. P. Romme, wegens
Noord-Braband.--Jr. W. L. F. C. van Rappard, E. W. van Dam van Isselt,
Mr. J. Weerts, Mr. H. J. Dyckmeester, J. G. A. Baron van Nagell
tot Ampsen, Baron Schimmelpenninck van der Oye van de Pol, wegens
Gelderland.--Jr. Mr. A. Warin, Jr. H. Backer, Mr. J. H. van Reenen,
Jr. G. Beelaerts van Blokland, Jr. G. Clifford, Jr. M. W. de Jonge,
Mr. J. op den Hooff, Mr. W. J. Junius van Hemert, Jr. Mr. J. C. R. van
Hoorn van Burgh, F. C. W. Druyvensteyn, Mr. F. Frets, H. Baron Collot
d'Escury van Heynenoord, Jr. Mr. D. Hooft, Jsz., Jr. O. Repelaer van
Molenaarsgraaf, Mr. G. Verwey Mejan, Mr. L. C. Lusac, Mr. T. C. de
Bordes, Jr. D. F. van Alphen, W. Baron Roëll van Hazerswoude,
Mr. W. B. Donker Curtius van Tienhoven, Mr. J. Corver Hooft,
wegens Holland.--J. Snouck Hurgronje, Mr. J. G. Hinlopen,
wegens Zeeland.--J. van den Velden, W. R. Baron van Tuyll van
Serooskerken van Coelhorst, wegens Utrecht.--Mr. J. Cats Epz.,
W. P. D. Baron van Sytzama, C. Binkes, S. van Welderen Baron
Rengers, Mr. T. S. Tromp, wegens Vriesland.--Mr. W. H. Vijfhuis,
Mr. F. Lemker, Mr. A. Sandberg en Mr. R. S. van der Gronden, wegens
Overijssel.--Jr. O. van Swinderen van Rensuma, Mr. C. Star Busman
en Mr. W. J. Quintus, wegens Groningen.--Van dezen was de Baron van
Sytzama Voorzitter.--Er waren in het geheel 7 Leden afwezig, zijnde de
Heeren Mr. J. L. A. Luyben, Mr. A. J. Ingenhousz, van Noord-Braband;
J. J. H. van Wickevoort Crommelin, van Holland; Mr. P. J. Boddaert,
van Zeeland; Jr. Mr. H. M. A. J. van Asch van Wijck, van Utrecht;
Mr. J. Gockinga, van Groningen en Mr. G. Kniphorst van Drenthe.

[76] Het eerste blad van dit ons geschrijf was reeds afgedrukt,
toen de meeste der volgende redevoeringen in de Staats-Couranten het
licht zagen.

[77] Ned. Staats-Courant van 4 April No. 81.

[78] Ned. Staats-Courant van 7 April No. 84.

[79] Ned. Staats-Courant van 5 April 1838, No. 82.

[80] Ned. Staats-Cour. van 9 April, No. 85.

[81] Ned. Staats-Cour. 11 April 1838, No. 87.

[82] Ned. Staats-Cour. 12 April 1838, No. 88.

[83] Ned. Staats-Courant van 10 April 1838, No. 86.

[84] Ned. Staats-Courant van 14 April 1838, No. 90.

[85] Het vroon van; de visscherije genaamd het vroon van;
de vroonvisscherije van de Graaflijkheid: vroonmeester van de
Graaflijkheid,--zijn allen namen in oude plakkaten bekend en
betrekkelijk tot de visscherij. Gr. Plak. Bk. IIde deel, pag. 2927
en VIIde deel, pag. 875.

[86] Ned. Staats-Cour. van 17 April 1838, No. 91.

[87] Ned. Staats-Courant van 18 April 1838, No. 92.

[88] Ned. Staats-Courant van 19 April 1838, No. 93.

[89] Ned. Staats-Courant van 3 April 1838, No. 80.

[90] Ned. Staats-Courant van 20 April 1838, No. 94.

[91] Ned. Staats-Courant van 21 April 1838, No. 95.

[92] Ned. Staats-courant van 6 April 1838, No. 83.

[93] Onder het afdrukken dezer bladen zijn in den Avondbode (van 2 en
7 Junij No. 170 en 174) aanteekeningen geplaatst op de redevoeringen
in de zitting der Staten-Generaal, van 2 April 1838, met betrekking
tot de droogmaking van het Haarlemmermeer. Deze aantekeningen dragen
de blijken van door eenen in het vak van den Waterstaat kundige en
ervarene te zijn geschreven. Zij zijn hoogst lezenswaardig en zullen
(vergis ik mij niet) de ongunstige indrukken, die de bedenkingen van
het geacht Lid der Kamer, den Heer Luzac, mogten hebben doen ontstaan,
bij den lezer merkelijk verminderen.--

Na het afdrukken van bladz. 16, is mij in handen gekomen een
derde druk van de opera omnia van Pieter Pietersz. van den jare
1698, (Amst. in 4o.) In de Korte beschrijving van het leven diens
Doopsgezinden leeraars, vóór die opera geplaatst, vindt men geene
vermelding van zijne kunst van onder water te duiken. Alléén op gezag
van den Redacteur van den Konst- en Letterbode, van den jare 1807,
bl. 277, heb ik hem als denzelfden Pieter Pietersz., die in het
Octrooi van 1605, (hierboven bl. 23) wordt vermeld, opgegeven. In
gezegd Weekblad, van den jare 1819, vindt men het een en ander uit
het werk van Leeghwater medegedeeld.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Haarlemmer-Meer-Boek" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home