Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
Author: Lennep, J. van (Jacob), 1802-1868, Hofdijk, W. J. (Willem Jacobszoon), 1816-1888
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)" ***


                  Merkwaardige Kasteelen in Nederland.


                                  Door

                  Mr. J. van Lennep en W. J. Hofdijk.


                                  II.



                     Amsterdam, G. W. Tielkemeijer.

                                 1854.



HET KASTEEL VAN HEUSDEN.


In de ruimte, welke ten noorden door de Maas, ten oosten en ten zuiden
door de Meiery van den Bosch en ten westen door het Land van Altena
omgrensd wordt, liggen ruim tienduizend bunders laag bouwland bevat,
die het hoofdbestaan verschaffen aan een bevolking van nagenoeg 15000
zielen, over een kleine stad en zeventien dorpen verspreid. Ofschoon
noch die stad, noch de daar om heen gelegen vlas-, hennep-, en
hopvelden den reiziger veel bekoorlijks of merkwaardigs aanbieden,
by den geschiedvorscher en by den dichter wekt de aanblik daarvan
herinneringen op, die niet van belangrijkheid ontbloot zijn, al ware
het maar om de wisselingen, welke de streek ondergaan heeft. Maakt zy
thands een deel uit van de Provincie Noord-Brabant, en onder Napoleon
van het Departement der Monden van den Rijn, in 1801 was zy in tweën
gesplitst en voor de helft by Brabant, voor de wederhelft by Holland
ingedeeld geweest, na vijf d'halve eeuw lang tot dit laatstgenoemde
en vroeger een geruimen tijd tot het eerstgenoemde Gewest behoord te
hebben. Die streek is nog heden ten dage bekend onder den naam van
het Land van Heusden: die stad is Heusden: die dorpen zijn Engelen,
Vlijmen, Honsoirt of Onsenoord, Hedikhuizen, Herpt, Oud-Heusden
en Baardwijk, die van ouds den naam van »bovendorpen," Heesbeen,
Genderen, Doeveren, Drongelen, Eethen, Meeuwen, Babyloniënbroek,
Veen, Wijk en Aalburgh, die den naam van »benedendorpen" dragen.

Maar had die streek dikwijls in de laatste eeuwen van meester
verwisseld, en, eer zy aan Holland kwam, tot een twistappel gestrekt,
waar hevig om gestreden werd, er had een tijd bestaan toen zy haar
eigen, schier onafhankelijke Heeren had, en wel zoodanigen, die,
ondanks de beperktheid van hun grondgebied, rijk, aanzienlijk en by
hun naburen geducht waren, die zich reeds vroeg door verbintenissen
met machtige Vorsten en Heeren versterkt hadden, zoo dat wederkeerig
de hunne met yver gezocht werd.

Wat den oorsprong en afkomst dier Heeren betreft, die zijn even
onzeker als die onzer meeste adelijke Huizen en het daaromtrent
vermelde evenzeer met tastbare fabelen doormengd. Buiten twijfel
echter schijnt het, dat het Land van Heusden oorspronkelijk een deel
uitmaakte van het Graafschap Teisterbant, en in vervolg van tijd,
by broederdeeling, onder Cleve kwam, aan welk laatste Graafschap
het tot op het einde der dertiende eeuw leenroerig schijnt geweest
te zijn. Een jongere zoon uit het Teisterbantsche of Kleefsche
Huis, Robbert geheeten, wordt voor den eersten Heer van Heusden
gehouden. Het was voorwaar niet onder gelukkige voorteekenen, dat
deze nieuwe dynastie begon. Nog duurde de eeuw van plondering en
geweld, toen onze nog onbeschermde kusten gedurig bloot stonden aan
de herhaalde invallen dier Noordsche Zeekoningen, die eerlang aan
Nederland, aan Normandyen, aan Engeland, aan Siciliën, zijn vorsten
zouden schenken: en by eenen dier strooptochten was het, dat in 839
de stad en 't slot, waar Heer Robbert zijn zetel had, door de vreemde
zeeschuimers verwoest werden. Schooner en sterker dan te voren echter,
rezen beiden weder op onder de regeering van Boudewijn, die in 857
zijn vader Robbert opvolgde. Was het vroegere kasteel niet sterk
genoeg geweest, om aan een onverwachten aanval weêrstand te bieden,
het nieuwer zoû dien beter kunnen verduren; want het paarde nu de
zwaarte en omvang van dubbele wallen en torens aan de sterkte zijner
natuurlijke ligging: terwijl het een natuurlijke verdediging bezat in
de breede Maas, die er voorby stroomde, en in de oude of zoogenaamde
verloren Maas, die er langs kronkelde, om zich hooger op, by Aalburg,
te verliezen. Ook het stichten der Sloten van Poederoyen, van Brakel,
en van Aelst wordt aan Boudewijn van Heusden toegeschreven; waaruit
men zoû moeten opmaken, dat hy, ook elders dan in het eigentlijke
Land van Heusden, Heerlijkheden bezeten heeft.

Maar vrij wat belangrijker, of liever behagelijker herinneringen,
dan die het bouwen van kasteelen oplevert, biedt ons de legende
met betrekking tot Boudewijn aan. Van hem toch verhaalt zy, hoe hy,
in zijn jeugd met Reinout Grave van Angiers naar Engeland getogen,
den Koning Edmund in den krijg bystond, door zijn dappere daden de
liefde won der schoone Sofia, 's Konings dochter, en deze heimelijk
ontvoerde. Lang treurde de Koning om zijn spruit en zocht vergeefs
den naam van haren roover en het oord, waar zy zich onthield, te
ontdekken. In 't eind gelukte hem dit, en vonden zijn zendelingen haar
te Heusden, aan 't spinnewiel gezeten. Een verzoening had plaats,
en onder de voorwaarden daarvan was er eene, dat Heusden voortaan
een rad van keel als wapen voeren zoû, ter gedachtenis aan het roode
spinnewiel, waarby Sophia teruggevonden was.

Zoodanig, met eenig gering verschil in byzonderheden by sommigen,
luidt de legende. Nu weet ik vooraf, dat er ongeloovigen zijn, die
haar als geheel fabelachtig zullen verwerpen; die met een glimlach
de schouderen zullen ophalen, en zeggen, dat alle geslachtboomen van
onze oude Hollandsche Huizen reeds in den beginne een verbintenis
aantoonen met het een of ander vorsten-geslacht, de eene nog meer
uit de lucht gegrepen dan de andere: dat er geen Koning van Engeland
onder den naam van Edmund in de dagen van Boudewijn van Heusden
geregeerd heeft, maar wel, achtereenvolgends, Egbert en Ethelwolf,
en dat de geschiedenis van Engeland niets vermeldt van het wegloopen
der dochter van een van beiden met een Ridder uit Neder-Duitschland:
eindelijk, dat er in de negende eeuw nog geen blazoenen bekend waren,
en dat het wiel van Heusden in allen gevalle niets anders is, dan de
acht schepters van Cleve, met een band omringd.

Al moge ik de beide laatste aanmerkingen gedeeltelijk toegeven, zoo
zie ik in de rest van 't verhaal niets, dat zoo onbepaald verworpen
behoeft te worden. Of is er iets onwaarschijnlijks in, dat Boudewijn,
gedurende het leven zijns vaders, en vooral toen zijn door de Noren
verwoest erfgoed hem weinig aanlokkelijks aanbood, even als zoo vele
andere jonge Edellieden van dien tijd, zijn fortuin heeft zoeken te
maken in een uitheemschen oorlog? En wat dien Koning van Engeland
betreft, wy behoeven hier niet aan een Koning over dat gandsche
Rijk te denken. Op het tijdstip, dat Boudewijn van Heusden Engeland
bezocht zoû hebben, waren er nog maar weinige jaren verloopen, sedert
Koning Egbert de Vorsten der Heptarchy onderworpen had, en enkelen
hunner bleven waarschijnlijk levenslang hun tytel behouden. Onder
die Vorsten treffen wy, omstreeks dien zelfden tijd, een Koning van
Oost-Engeland aan, die den naam van Edmond droeg, van wien gemeld
wordt, dat hy zich door byzondere vroomheid onderscheidde (zoo zelfs,
dat hy heilig werd verklaard) en dat hy sneuvelde in den krijg tegen
de Denen of Noormannen. En waarom nu, vraag ik, zou het ongelooflijk,
waarom niet integendeel zeer aannemelijk zijn, dat onze Boudewijn aan
de zijde diens Konings Edmond gestreden zoû hebben tegen diezelfde
zeeschuimers, die zijn erfslot in puin verwoest hadden?--Waarom
ongelooflijk, dat hy een schoone vorstendochter verleid zoû hebben,
hem over zee te volgen?--Er is nog in 1841 wel een Infante van Spanje
geweest, die zich heeft laten schaken.--En wie door die redenen niet
overtuigd is, die leze de bekoorlijke Romance van Bilderdijk, Het
Wiel van Heusden getyteld [1], en hy zal niet meer willen twijfelen
aan de echtheid van een verhaal, dat de stof tot zulk een meesterstuk
van poëzy heeft opgeleverd.

In 870 overleed Boudewijn van Heusden en werd, daar zijn oudste zoon,
Edmond, in Engeland by zijn grootvader verbleven en tot grooten staat
geraakt was, opgevolgd door zijn tweeden zoon, Robbert II, die tot
huisvrouw nam des Graven van Zutfen dochter, welke my veel apokryfer
voorkomt dan die Engelsche princes. Robbert streed heel dapper.... in
't Heilige Land, een anakronismus, aan welken de kronijkschrijvers
zich met betrekking tot al de Edele Heeren uit die dagen schuldig
maken: hy stierf in 914, en liet de Heerlijkheid na aan zijn zoon
Edmond, die getrouwd was met een dochter des Graven van Seyn. 'k Wil
't liever blind gelooven dan dat ik het zoû gaan onderzoeken.

Op Edmond volgde in 929 zijn zoon Jan I, wiens huisvrouw al wederom
een Gravedochter was, en wel van dien van Loon; op Jan I die in 956
overleed, Robert III, die de dochter des Graven van Spanheim tot
vrouwe nam, en in 972 stierf: op dezen, Boudewijn II, met een dochter
des Graven van Gennep getrouwd.

Hier begint de kronijk een meer historische kleur aan te nemen;
en, even als dit met de meeste oude geslachtnamen het geval is,
zien wy allengskens de Gravedochters door eenvoudige Jonkvrouwen
afgewisseld. Zoo trouwt Jan II, die in 1028 aan de regeering kwam, met
Machtelt van Steenvoorde, en Robbert IV, die hem in 1073 opvolgde,
met een dochter uit den Huize van Arkel. Boudewijn III, die in
1092 Heer werd, kreeg tot echtgenote een dochter des Graven van der
Lippe. Hy stierf in 1100, en liet de Heerlijkheid aan zijn zoon Jan
III, met een Jonkvrouwe van Arentsbergh gehuwd. Na Jan III kwam in
1135, zijn zoon Willem, die, in 1153 overleden, Heusden naliet aan
zijn broeder Aernout. Deze verwekte by een dochter des Graven van
Salm Jan IV, die hem in 1168 opvolgde. Een tweede zoon van Aernout,
Boudewijn Knijf geheeten, was de stamvader der Heeren van Heeswijk,
en voerde twee raderen van keel op een half sabel half gouden schild.

Op Jan IV volgde in 1192 Robbert V, uit wiens broeder Wouter, bygenaamd
Spiering, het geslacht der Spieringen sproot, die een gouden rad in
een veld van sabel voerden. Robbert stierf in 1202: hy had by zijn
Huisvrouw, een dochter des heeren van Diest, verwekt Jan V, die,
tochtgenoot van Graaf Willem van Holland, twee malen het Heilige Land
bezocht. Van zijn broeder Willem sproot het geslacht der Hedikhuysens,
die een gouden rad op lazuur voerden.

Jan VI, zoon van Jan V en van de dochter des Graven van Vernenburgh,
volgde in 1235 zijn vader op; hy zelf verkreeg de hand eener Gravinne
van Loon, zuster van dien Graaf van Loon, wiens huwelijk met Ada van
Holland zoo veel rampen verwekte. Zijn broeder, die mede den naam
droeg van Jan, wordt gezegd de eerste Heer van Veen geweest te zijn.

Meer dan van Jan VI, die in 1279 overleed, valt van zijn zoon Jan
VII, te vermelden. Nog naauwelijks was hy aan de regeering gekomen,
of hy vond zich in krijg gewikkeld met een machtigen nabuur. Deze
was Hertog Jan I van Brabant, die, te recht of te onrecht, zich
beklaagde over geweldenarijen, door die van Heusden tegen ingezetenen
der Meiery gepleegd, en zijn Drossaart met krijgsbenden afzond om
Heusden in te sluiten. De bezetting, 't ergste duchtende, gaf zich
over, en de Hertog, eerlang de stad binnengetrokken, liet er zich tot
Heer huldigen: zoo dat Jan VII, wilde hy anders in 't bezit zijner
Heerlijkheid blijven, zich genoodzaakt zag, daarvan hulde te doen aan
Brabant, en den Hertog als zijn Leenheer te erkennen. Hierby bleef
het niet; toen kort daarna die geweldige oorlog om 't bezit van
Limburg uitbarstte tusschen Reinout van Gelre en Jan van Brabant,
toen volgde Jan van Heusden zijn nieuwen Leenheer in den strijd;
en met hem togen zijn broeders, Aernout van der Sluyse, die het rad
van zilver voerde op het veld van keel, Jan, Heer van Heesbeen,
die het rad van goud droeg op een veld van keel, en Diederik, de
eenige van zijn geslacht, die niet uit den krijg terug zoû keeren:
voorts zijn zonen, Jan, die later zijn opvolger werd, en Aernout,
die, ofschoon tot den geestelijken stand behoorende, geen zijner
ridderlijken stamgenooten in heldenmoed week. Het was by de banier
van Jan van Kuik, dat zy de hunne opstaken, en onder de aanvoering
van dien wakkeren krijgsman, dat zy in 't jaar 1286 den tocht begonnen.


Te Senne

(d. i. Sennewyne, in de Thielerwaard) verhaalt Jan van Heelu in
zijn heldendicht,


    Te Senne, daer vergadert lagen
    Des Graven (van Gelre) lieden te dier tide,
    Daer socht se coenlike met stride
    Heer Jan van Cuyck met sine gesellen,
    Daer men wonder af mach tellen.
    Soe eerlike ende soe scone
    Waegden syt. Daer was de heere
    Van Hoesdinne (Heusden) met ende her Jan
    Van Hesbinne (Heesbeen) een vromich man,
    Ende van der Sluys her Arnout,
    Een coene ridder ende een stout
    Ende van Hoesdinne her Dideric.


Hevig was de strijd.


    Ende menegen helm mogt men scouwen,
    Seere gescoort ende dorhouwen
    Eer die sege gewonnen wart.


Ja in den aanvang scheen de kans ongunstig voor den Heer van Kuik te
loopen, toen hem Jan uten Hove met zijn Bredasche krijgsknechten ter
hulpe kwam. Otto van Bueren en Allart van Driel, die de Gelderschen
aanvoerden, werden gevangen, en Tiel, waarop zy 't gemunt hadden,
voor Brabant bewaard. Dan dit gevecht, hoe veel het ook tot den roem
der overwinnaars bybracht, was maar een voorspel van den gewichtigen
veldslag, waaraan zy later zouden deel nemen. Het was op den 5en July
1288, dat by Woeringen dat hevig samentreffen plaats had tusschen de
legers van den Aartsbisschop van Keulen, den Graaf van Luxemburg en
dien van Gelre ter eener, en die van den Hertog van Brabant en zijn
bondgenooten aan den anderen kant. Reeds zoo menigmalen is die slag
beschreven, dat het noodeloos kan geächt worden die beschrijving hier
te herhalen: alleen moet hier medegedeeld worden, in hoeverre Heusden
en de zijnen aandeel hadden in den zege, door Brabant behaald. De
eerste aanval, door den Aartsbisschop gedaan op den linker vleugel,
die door Graaf Adolf van den Bergh werd aangevoerd, had dezen doen
wijken. Toen was het, dat Kuik, met Arkel en Heusden, de orde hielp
herstellen, en den vyand een wijl tot staan bracht. Luxemburg, die mede
toegeschoten was, wordt teruggedrongen; doch Bernard van Halloy, tot
zijn hulp gekomen, doet voor een wijl de kans wederom keeren. Het was
nu, dat drie wakkere helden een nieuwen uitval tegen de Luxemburgers
waagden; zy waren de Heer van Frambach, die van Ysele, en


    Des heren broeder [2] van Hoesdinne,
    Arnout hiet hi ende was clerck,
    Maer ridderlike was syn werc.
    Van groote persse ende meswinde (tegenspoed)
    Leet hi: daer bleef ooc een inde
    Van sinen nase, dat hi vercochte
    Eerlike daer hi den stryt sochte.


Doch niet alleen had Aernout van Heusden zijn neus in den strijd
verkocht, of, als wy nu zouden zeggen, verspeeld, zijn vader was
in erger gevaar, ja een wijl in 's vyands handen geweest: men hoore
slechts:


    Hier noemic nu eenen van de besten,
    Die in des hertoghen side
    Met banieren was ten stride.
    Dat was van Kuc her Jan
    Die in den stryt, doe men began,
    Comen was in grooten noot.
    Met hem waren in syn convoot
    Twee baenroetse, twee vromige man,
    Beide her Jan ende her Jan
    Van Ercle (Arkel) ende van Hoesdinne
    Die beide in dien beghinne
    Waeren ooc in selke pine
    Comen, dat si in scine
    Waender mede ondergaen
    Dat eerlyc wert wederstaen;
    Want het wederbrachte (hy herstelde dit)
    Met grooter daden die hi wrachte
    Van Kuc die vrome ridder alsoe,
    Wert, inder viande side,
    Doe die here van Kuc met stride
    Overhant dus weder nam
    Maer eert alsoe vere quam
    Dat hi die plaetse weder wan
    Was bleven gevaen her Jan
    Van Hoesdinne, die stoute heere
    Die hem weerde alsoe seere
    Als ridderen mochte doen, met stride
    Maer noch doen te dien tide
    Reden met so sterken roten
    Die gene die gerne hadden genoten
    Maselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders)
    Dan si vingen [3]; maer sine baniere [4]
    Bleef gehouden in den tas
    Ontploken; met gheninde,
    Eerlyc ende wale toten inde:
    Want daer waren bi bleven
    Vromighe ridderen sinen neven,
    Dese hilden met gewout
    Van der Sclues her Arnout
    Dire vroomster ridder een
    Van den conroete, dat wale sceen
    Aen groote dade, die hi dede:
    Maer daer was syn neve mede
    Her Diederic van Hoesdinne
    Die men te Ceulen inne
    Vueren moeste, na den stryt,
    Daer hi sterf in corten tijt.
    Want hem coste syn leven
    Vromicheit, die hy gedreven
    Hadde in den stryt, met groeten daden.
    Die siele moet varen te genaden
    Soo dat si hemelrike vercrighe!


Hoe en door wie Heusden weder uit de handen der Maaslanders geraakte,
wordt niet gemeld; doch by de volkomen nederlaag, die Gelre en
zijn bondgenooten leden, mogen wy hoogst waarschijnlijk aannemen,
dat hy reeds voor het einde van den slag weder aan de zijnen was
teruggegeven.--De opgevolgde vrede tusschen de twistende partyen deed
Heusden eerlang weder huiswaart keeren.

Niet weinig had de oorlog, dien zijne naburen tegen elkander voerden,
gestrekt om de macht van den wakkeren Floris V, die toen in Holland de
gravekroon droeg, te bevestigen. Niet alleen was hy door Hertog Jan,
die zijn bondgenootschap zocht, van alle leenhulde voor Zuid-Holland
ontheven; maar hy had zich, terwijl het krijgstooneel op een verwijderd
grondgebied was overgebracht, in staat gezien, zijn onrustige Edelen te
fnuiken, de erfgoederen van de meesten hunner in leen te verkeeren, de
Westfriezen te tuchtigen, landbouw en handel in zijn Graafschap te doen
bloeien. Wel zag hy zich eerlang in twist gewikkeld met de Zeeuwsche
Edelen, en dien ten gevolge met den Graaf van Vlaanderen; doch twee
malen werd een zoen getroffen, de eerste reis, door bemiddeling van
Hertog Jan, de tweede reis, in 1295, toen deze brave Vorst overleden
was, door die van Jan van Kuik.

Het was te dezer gelegenheid, dat Jan van Heusden, 't zij gewillig,
't zij door dwang, zijn stad aan Floris opdroeg en weder van hem in
leen ontfing. Hoe hy dit kon rijmen met de vroegere opdracht, aan
Brabant gedaan, en of die opdracht al dan niet met toestemming van
den nieuwen Hertog Jan II geschiedde, zie daar, wat we niet kunnen
beslissen. Zeker is het, dat Graaf Floris zijn aanspraak op den tytel
van Leenheer niet bloot uit die opdracht ontleende, maar uit een gift,
hem door Diederik, Grave van Kleef, in 1290 gedaan. Immers volgends
de oude overlevering berustte, als wy gezien hebben, het leenrecht
by dezen. Intusschen, de verknochtheid van Heusden aan zijn nieuwen
Leenheer was niet van langen duur. Reeds toen smeulde, onder schijn
van trouw en dienstbetoon, by een aantal Hollandsche Edelen hevige
verbittering tegen den Graaf, die hen van zoo vele voorrechten had
beroofd. Die verbittering werd in 't geheim gevoed door Koning Eduard
van Engeland, wiens ongenoegen was opgewekt door de naauwe verbintenis,
door Floris met Frankrijk aangegaan. Tot werktuig bediende zich de
Koning van Jan van Kuik, die meer dan eens in Engeland geweest was,
en zijn vol vertrouwen genoot. Kuik had zich mede genoodzaakt gezien,
zijn slot te Tongelare als leen aan Floris op te dragen, en hem dat
van ter Horst in vollen eigendom af te staan; en zoo wel hieruit,
als uit de geschenken, welke hy van Eduard ontfing, laat zich zijn
vijandelijke handelwijze jegends den Graaf verklaren. Heusden,
aan wiens zoon Jan hy zijn dochter ten vrouwe geschonken had, was
van ouds zijn vriend en wapenbroeder, en liet zich, vermoedelijk
door hem, overhalen om aan een geheim verbond tegen Floris deel te
nemen. Vroegere schrijvers hebben de reden van Heusdens toetreding tot
het verbond toegeschreven aan zijn verbolgenheid, omdat de Graaf de
eer zijner dochter zoû hebben geschonden. Latere nasporingen hebben
echter bewezen, dat de overlevering op dat punt wel niet op zoo
valsche en logenachtige gronden als die betreffende



                            't Schandelyck omhelzen,
    Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;--



maar toch evenzeer uit een dwaling is gesproten. De schoone Agneta,
voor welke Floris in liefde ontstak, en die hem en 't Vaderland den
edelen Witte van Holland schonk, was wel een telg uit het Huis van
Heusden, maar geen dochter van Heer Jan. Haar vader was die Aernout
van der Sluyse, van wiens heldendaden voor Woeringen wy vroeger hebben
gewach gemaakt, doch wiens naam ons verder in de geschiedenis niet
is voorgekomen: en schier alle getuigenissen vereenigen zich, om in
Witte geen spruit van bastaardy, maar een zoon uit wettigen echt te
erkennen. De geslachtlijst der Elshouten--mede een stam der Heusdens,
als wy later zullen zien--vermeldt met ronde woorden, dat Agneta den
Graaf huwde: haar zoon voerde van den aanvang af en overal den naam
van Witte van Holland, en, wat meer zegt, den leeuw van Holland,
gebroken met het rad van van der Sluyse, doch zonder eenig filet of
ander teeken van bastaardy: iets dat hy zich niet zoû hebben durven
onderstaan, zonder zich aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig
te maken, indien zijn geboorte onwettig ware geweest. Wat echter
van de betrekking tusschen Floris en Agneta zij, genoeg, dat zy de
aanleiding niet geweest kan zijn om Heusden in het eed-verbond tegen
den Graaf te doen treden.

Onder de diensten, welke Eduard van de Hollandsche Edelen verwachtte,
was voornamelijk begrepen het verydelen van het bondgenootschap
tusschen Frankrijk en Holland, en hiertoe deed zich geen beter middel
aan de hand, dan den Graaf op te lichten en naar Engeland te zenden,
terwijl hem dan zijn zoon als vasal van Eduard, zou opvolgen. De
afspraak tot het plegen dier schanddaad geschiedde te Bergen-op-Zoom,
op een byeenkomst, waartoe Velzen, Woerden, Heusden en anderen
door Kuik genoodigd waren. Hier verzekerde hy de wankelmoedigen
van den bystand des Konings van Engeland niet alleen, maar ook van
die van Hertog Jan II en van Graaf Gwy van Vlaanderen, terwijl hy
hen waarborgde, dat zy niets van de zijde van 's Graven zoon, Jan,
die zich in Engeland bevond, te vreezen hadden. Een schriftelijk
verbond tot verderf van Floris werd thands bezegeld, en later te
Kamerijk het plan nader overwogen en vastgesteld. Kuik wilde nog zijn
snood verraad met den schijn van kordaatheid bestempelen, en zond
aan Floris een ontzegbrief: of Heusden dit voorbeeld gevolgd heeft,
vinden wy niet gemeld: by de gevangenneming en moord des Graven was
hy niet tegenwoordig: intusschen schijnt het vrij zeker, ofschoon de
kronijkschrijvers het niet bepaald vermelden, dat ook hy ten lande
heeft moeten uitwijken, toen de wrekende hand der gerechtigheid de
moordenaars vervolgde. Nog beleefde hy 't, dat Holland aan 't Huis
van Henegouwen verviel, en overleed in den jare 1303. Twee malen was
hy gehuwd geweest: de eerste reis met Aleid, 's Graven dochter van
Wybestein, die hem Jan, zijn opvolger gebaard had, en Jan, eersten
heer van Drongelen, die een zilveren rad op lazuur voerde: de tweede
reis met Ermgard van Wickeloo, die hem mede een zoon schonk, insgelijks
Jan geheeten, en die de stamvader werd van het geslacht van Elshout.



Wat Jan VIII betreft, van hem is het zeker, dat hy met Kuik, zijn
schoonvader, naar Engeland week en aldaar een geruimen tijd ten dienste
van Eduard de wapens tegen Frankrijk voerde. Wy vinden ook, dat hem,
voor de diensten aan Engeland bewezen, door Hertog Jan van Brabant,
twee duizend pond Tornoois en een rente van honderd pond Brabantsch
werden toegezegd. Jaren verliepen er, eer Heusden van zijns vaders
erfgoed bezit kwam nemen: en niet lang had hy er genot van, daar hy
reeds in 1318 overleed, by zijn tweede gemalin Sofia, van Kranendonk,
een zoon nalatende, die hem opvolgde als Jan IX.

Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering
te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar
1318, waarin Jan, Heer van Saffenbergh, en zijn vrouw Sofia, die
uit het huwelijk van Jan VIII met Margaretha van Kuik geboren was,
als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach over
Heusden aanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, dat Jan IX,
wiens huwelijk met Cunigunda van Arkel door geen kinderen gezegend
werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus
maar zaak was, zich by voorraad in 't bezit daarvan te stellen. 't
Kan echter ook zijn, dat Jan IX zwak van geestvermogens was, en
buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van
hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in
't Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van
zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by het letten op tijden en
omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten
moet. Jan IX stierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van
Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier van
Heusdens torentrans hadden laten waaien.

Sofia van Sassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht
de Heerlijkheid aan Hertog Jan III van Brabant op te dragen, in de
hoop van er wederkeerig 't verlij van te bekomen; doch de Hertog,
die liever de vrije beschikking over Heusden aan zich behouden wilde,
sloeg 't haar af; waarop zy aan den Graaf van Holland, Willem den
Goede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot
daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker
een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den
Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd door Jan van
Elshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan de Heusdens was
vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees
hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden,
en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy
met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen
vredebreuk met Brabant, onderwierp Graaf Willem de zaak aan de
beslissing van den Graaf van Gulik, die ten voordeele van den Hertog
uitspraak deed: waarop deze de stad en 't land van Heusden in leen
gaf aan den Graaf van Kleef. Wel berustte Sassenbergh niet in deze
schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel
hy in Brabant, en plunderde en verbrandde Turnhout; maar hy begreep
toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen
zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd
gouden realen, waar de stad 's Hertogenbosch borg voor bleef.

Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die op Heusden
aanspraak maakte. Deze was Jan van Drongelen, die, oom van Jan IX,
en, in geval Heusden niet als een spilleleen beschouwd kon worden,
het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde
hy zich tot Willem van Holland, om door dezen in zijn aanspraak
gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, en Drongelen stierf,
eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het
niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten.

Hertog Jan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe
aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken
en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed
hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen
toren rijzen, die--langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een
diepe gracht, welke de geheele vest omgaf--gemeenschap had met het
ruim betimmerde nederhof, 't welk niet alleen geschikte woningen voor
de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten,
en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware
ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige
binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder
vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan
de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam,
verstrekte tot gevangenis.

Het was echter eerst onder de regeering van 's Hertogen dochter
en opvolgster Johanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel
voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed,
dat Brabant er tot driemaal toe voor geschat werd.

Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker
de plaats--hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder,
dat die van Holland haar niet dan met leede oogen in de macht des
Hertogs bleven zien. Willem III, hoezeer hy van den Graaf van Kleef
diens rechten op Heusden had afgekocht, had zijn aanspraken na den
gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten
alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven. Willem
van Drongelen, even als zijn vader Jan hakende naar 't bezit van
wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den
wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen
hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren
niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaands Willem van Drongelen
en zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had
er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone
hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch
die gekocht werd met het bloed van Robbert van Drongelen, den oudsten
zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord.

De staat van zaken was echter met betrekking tot Heusden de zelfde
gebleven, toen in 1355 Jan III overleed, en zijn dochter Johanna, gade
van Wenceslaus van Luxemburg hem in 't Hertogdom opvolgde. Naauwlijks
echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf
van Vlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem
wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor
hy, tien jaren te voren, zijn recht op Mechelen aan Hertog Jan III
had afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle
onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg
begon: de Vlamingen rukten, terwijl Wenceslaus te Maastricht zijn tijd
in werkeloosheid doorbracht, Brabant binnen, vermeesterden Brussel,
Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachten Wenceslaus op den
rand des verderfs. De moed van Evert 'Tserclaes, die Brussel weêr
verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheel Brabant
onder 't gezach van Wenceslaus terug. Niet te min bleef de Graaf van
Vlaanderen den krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen,
het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van
Graaf Willem V van Holland te onderwerpen. Met blijdschap nam deze
het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in
elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn
uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel by varen zoû. Hy begon daarom
met aan Wenceslaus den afstand van Heusden als voorwaarde te stellen,
zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd
toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede,
welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die van Brabant
was, hy wees echter Wenceslaus Mechelen toe, tegen allen schijn van
billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren
zeggen tot den Hertog: »Heusden mijn, Mechelen dijn;" woorden die
van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als:
»de eene dienst is de andere waard."

Nu was Heusden met Holland vereenigd; maar ook Willem van Drongelen
moest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de
gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy
liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den
zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen
bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom
van Heusden voor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren van
Drongelen de Heerlijkheid van Eethen en Meeuwen tot een Hollandsch
erfleen, en stelde Jan van Drongelen tot Baljuw van Zuid-Holland
aan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot
en Heerlijkheid van Heusden voor eeuwig afstand deden ten zijnen
behoeve. Wat zouden de Drongelens doen? Zy onderwierpen zich aan wat
zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel het wijste.

Nu dacht Graaf Willem de rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd
te hebben!--en echter, geen drie jaren waren er verloopen, of
Heusden moest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het
deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg
ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid. Willem
V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder,
Hertog Aelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de
bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen
geschonken. Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die
vernedering getroost. Heemskerk riep Kennemerland in de wapens,
Delft stond openlijk tegen den Ruwaard op, en Floris van Borselen
bracht Zeeland in rep en roer.

Laatstgenoemde Edelman was door Willem V tot Burggraaf van Heusden
aangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des
Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy
door Hertog Aelbrecht belegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over
te geven. Maar kort was de rust, welke Heusden genoot. Toen in 't
zelfde jaar Delft zich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige
Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronder
Gijsbert van Nyenrode en Jan Kervena genoemd worden, de wijk naar
Heusden en verschansten zich op 't slot. Op nieuw werd dit belegerd;
doch zoo hardnekkig was de verdediging, dat Nyenrode en de zijnen
het een rond jaar tegen de macht van Aelbrecht uithielden. Toen
werd er, door bemiddeling van Otto van Arkel een zoen getroffen,
en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen
twee jaren naar Jeruzalem in bedevaart te gaan.

Na 't vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang
over Heusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten,
door Aelbrecht of door zijn opvolger Willem van Beyeren aan de stad
geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein
aangestelden Willem van Kroonenburg gedaan. By het uitbarsten van
den twist tusschen Hertog Jan van Beyeren en Gravin Jakoba, hield
Heusden de zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt,
door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in 't volgend jaar
verscheen Jakoba met haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor
een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd
lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers van Heusden
stof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar
gevangenschap op Teylingen worden opgedischt; namelijk, dat zy gewoon
was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben,
over 't hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later
het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs door Wagenaar en andere
deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig
gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat
my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling,
althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het
vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen.

In 1446 werden de President of Stadhouder van Holland, Gozewijn de
Wilde, en Filip Banjaart, Kastelein van het slot te Medemblik, die
elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, te Heusden
gevangen gezet. De eerste werd naderhand te Loevestein onthoofd,
en de andere vrijgelaten.

Sedert Filips van Bourgondiën de Hertogskroon van Brabant en de
Gravenkroon van Holland tevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan,
of Heusden hem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van
tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid
zulks geschiedde. Immers, toen Graaf Jan van Nassau, Heer van Breda,
na 't overlijden van Dirk van Merwede door Filips tot kastelein van
Heusden werd aangesteld, brachten die van Holland bezwaren daartegen
in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart van Brabant was, en die
aanstelling schijnbaar te kennen gaf, dat Heusden gerekend werd onder
Brabant te behooren. Filips begreep zich echter aan die bezwaren niet
te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die
van Heusden te kennen, dat zy Grave Jan zouden hebben te gehoorzamen,
zonder daaruit af te leiden dat zy meer aan Brabant dan aan Holland
verbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de
plaats behoorde, geheel in 't midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo
hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten van Brabant
voortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten
lieten zweeren, dat zy Heusden weder aan Brabant zouden hechten,
lieten die van Holland hen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy
het nooit van Holland zouden scheiden.

In den Gelderschen oorlog, die in 't jaar 1497 begon, had het platte
land rondom Heusden veel van de Gelderschen onder den Overste Boudewijn
te lijden; doch die van Heusden versloegen hen tusschen Herp en
Hedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter
getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren. Boudewijn zelf
sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven,
ter plaatse, die sedert den naam van Boukens-kerkhof droeg. Men wil,
dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze
in zwang bleef: »'t Spookt als Boukens geest."

Het was ook te Heusden, dat, op den 4en July 1524, een stilstand
van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en
vijftien jaar later had de stad het voorrecht, Keizer Karel V binnen
haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn
vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor
de poort, en wel geen ander dan de gevreesde Maarten van Rossum,
die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen
voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok.

Geen jaar meer duurde het echter, of al de Nederlanden waren onder
Keizer Karel gebracht, en mochten zich een geruimen tijd in 't
genot eener zoete rust verheugen. Op den 24en September 1549 was het
wederom feest op het hooge slot te Heusden: de pektonnen brandden op de
burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken
van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en
blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, Prins Filips, des
Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een
bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der
stad aanbood was Jonker Gerard Spieringh van Wel, uit het geslacht
van Heusden gesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd
aan Jonker Wynand Maschareel.

Toen Alva in de Nederlanden kwam, en alle vaste plaatsen door zijne
troepen in bedwang werden gehouden, ontfing Heusden een bezetting
Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onder Nicolao
de Basto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den
noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf
was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de
trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen
drie burgers, Geraert Geraertsen van Ghesel, Jan Bruer en Huybert
Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567
buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken
ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige
gasten ontslagen; maar op den 17en January 1569 bekwamen zy Francisco
Vargas met een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks
vrij onbehoorlijk huis hielden.

De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging,
door de anti-Spaansche party aangewend, om Heusden te verrassen. Op
een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok de Hopman
Waerdenburgh met Joost Hoeck (een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk
de stad binnen: waarop de Drossaert Spieringh, bygenaamd Quaedtael,
met eenige arbeidslieden op 't kasteel weken. Hier werd hy door
Waardenburg belegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk
uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende
lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte,
ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar
ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk
en 't Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt
volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad
week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te
overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich
genoodzaakt, Heusden weder te verlaten, op de aankomst van Jan Hol,
opperste Ritmeester des Hertogen van Holstein, die op 16 September
met troepen uit 's Hertogenbosch was afgezonden. Hoewel als vriend te
Heusden ontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde
de stad; terwijl ettelijken van Waerdenburghs volk door de zijnen
achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog van
Holstein zelf binnen Heusden, ontfing de inwoners in genade, en nam
hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend
Duitsche en Waalsche bezetting bleef.

Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is
opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons
apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, door Oranje, Graaf
Lodewijk en anderen aangewend, om de Nederlanden van Alvaas juk
te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden--te
lande namelijk--niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier
betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een
binnenstad als Heusden zou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben
kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en
in verband gestaan hebben met den inval, door Hoogstraten en Kuilenburg
in Gelderland beproefd:--of later, na 1572: welk laatste men schier
zoude aannemen, omdat Spieringh van Wel, genaamd Quaedtael, eerst in
1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft
het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en
archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt.

Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, 't welk
wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoe Joost Hoeck en de
Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by 't
beleg van Bommeneede; doch, by 't innemen der stad door de Spaanschen
op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om 't leven
werden gebracht.

Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht van Heusden,
dat Walcheren zijn bevrijding van 't Spaansche juk te danken had,
en wel aan Jan van Kuik, Heer van Herp, die in 1571 Vlissingen tot
's Prinsen zijde deed overslaan; voor welke kloeke daad hy later met
de Heerlijkheid Domburg beleend werd.

Eerst in 1577 werd Heusden, ten gevolge der Pacifikatie van
Gent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de
Kastelein-Drossaart en de Schout naar Brabant metter woon, en werd
in de plaats van eerstgemelde aangesteld Jonker Johan Bax, een
der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze
militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid
verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toen Parma, na 't innemen
van Maastricht, Valdez afzond om Heusden te verrassen. Reeds had
hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen,
door Bax gedaan, om het omliggende land onder water te zetten,
werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen er gelukkig een
stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed,
zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te
doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen.

Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam,
bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en
werd de Hervormde leer alleen op 't kasteel gepredikt. In 't jaar
1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naar Heusden
geweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst
uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd.

In 1588 leed Heusden wederom last; doch deze reis niet van een vyand
van buiten. Leycester had de stad met een zware bezetting voorzien,
onder bevel van Christoffel van Ysselstein. De wanbetaling der
soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan
't muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet,
en Ysselstein zelf op 't kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31
January tot 23 Maart, toen het Nikolaas Blanckaert, die in 1584 aan
Bax als Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den Burgemeester Dierck
Hamel Diercksz gelukte, de rust te herstellen.

Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnen Heusden lag, onthield
zich de Drossaart niet langer op 't kasteel, maar liet, waarschijnlijk
om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over
aan den Kommandant. Karel van Levin, Heer van Famars, had Ysselstein
als zoodanig vervangen, toen Graaf Karel van Mansveld zich in 1589 aan
't hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in
's Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak,
en Famars drong by Prins Maurits aan op versterking. Deze voldeed
gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver van Hedikhuizen,
eenige benden over de Maas voeren; maar nu kwam het er nog op aan,
hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand
was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens
in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen
te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig
gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag
bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar
naam het aandenken van dezen strijd, en heet de Spanjaartsslag. Vijf
maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot
verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen te Doeveren,
Elshout en Hemert alle door den vyand bemachtigd waren; doch toen
kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp,
zoodat de troepen van Mansveld zich niet alleen gedwongen zagen
van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te
breken. De schansen, door hen bezet, werden in 't volgende jaar door
Maurits ingenomen.

Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20en Oktober 1603 te
Heusden voor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden
krijgsoverste Olivier van den Tempel, Heer van Corbecke, die voor
's Hertogenbosch door een kanonschot van 't leven was beroofd
geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk
ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door
Prins Maurits, Grave Willem van Nassau, den Vorst van Anholt, en een
aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren.

Op den 6en September 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke
al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623
zond de Landvoogdes Izabella heimelijk zekeren Priester, Michiel
van Ophoven genaamd, Prior der Preekheeren te Antwerpen, tot Willem
Adriaan van Hoorne, Heer van Kessel, destijds Gouverneur der stad,
met belofte, dat, indien hy Heusden in hare handen leverde, zy hem
den tytel van Graaf van Hoorne, de ridderorde van 't Gulden Vlies,
en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen
tot hoogen rang verheffen. Kessel, dit voorstel gehoord hebbende,
wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten
des Konings van Spanje geen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den
Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan
ook Ophoven naar den Hage gezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op
de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later
Bisschop van 's Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering
dier stad door Frederik Hendrik.

Gedurende het beleg van Breda door Spinola, in de jaren 1624 en
1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit
vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die van Haarlem en aan
eenige Hagenaars het lot te beurt, in Heusden gelegerd te worden. Deze
bezettelingen waren aangevoerd door Jan Klaasz. Loo, Burgemeester van
Haarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stad
Heusden, in 't koper gebracht door den beroemden Matham.

Gedurende het beleg van 's Hertogenbosch, in den jare 1629, werden
nogmaals te Heusden twee voor die stad gevallen krijgshelden begraven:
de een was de Ritmeester Nikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren
den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden van
Overyssel voor den Prins van Oranje, en het Voorzitterschap van den
krijgsraad bekleed had. Zijn lichaam, geleid door den Vorst van Nassau,
de Graven Ernst en Willem van Nassau, en andere Legerhoofden, werd
in Mei van genoemd jaar in 't zelfde graf gelegd, waarin Olivier van
den Tempel begraven was.--De andere was de Kolonel Louis de Levin,
Heer van Famars, zoon van den reeds genoemden Charles de Levin,
en broeder van Filips de Levin, die beiden Gouverneurs van Heusden
waren geweest. Onder 't doen eener ronde in den rug door een kogel
getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot
buiten het leger vergezelschapt door den Prins van Oranje, den Koning
van Bohemen, en de meeste krijgsoversten.

Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige
pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks
van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634-35,
en de derde reis in 1664.

In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch
werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het
kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot
gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing,
die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven,
geheel vruchteloos bleef.

Het verdient opmerking, dat Heusden, nadat het Staatsch geworden
was, noch in den oorlog tegen Spanje, noch in dien tegen Frankrijk
gevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en
zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den
vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos
afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de
algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondom Heusden
gelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren
Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die
een toeleg op Heusden in den zin had, in 't dorp Baartwyk gekomen,
dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen
huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennen gevende, dat zy
onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede
zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy over Oud-Heusden
wellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter,
't zij uit misverstand, 't zij met opzet, wees hun den weg aan door de
Baartwyksche steeg op het dorp Doeveren, waar mede een schans lag, toen
geslecht, en zoo tot Heesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters
naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen, Heusden in naam des
Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun
dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was,
om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de
valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte
in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver:
het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg
mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de
aandacht der Staten op Heusden vestigen, en werd het Gouverneurschap
over die stad, 't welk sedert 1663 door den Heer van Schagen, by
wijze van sinecure, bekleed was geworden, aan den Veldmaarschalk
Paulus Würtz opgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef.

Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar, Jan Beens
genaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een
vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit,
toen hy, te Heesbeen gekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen
willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naar Genderen
brengen moest; doch in de zoogenaamde Groensteeg gekomen, reed hem
een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde,
dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echter Jan
Beens niet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter
verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die op
Jan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar,
zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiter aanlegde,
hem van 't paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met
paard en rusting, tot aller verwondering, binnen Heusden voerde.

De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats,
hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen
aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van
de rampen van den krijg.

Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat
op den 24en July des jaars 1680 boven Heusden losbarstte, wanneer
de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het
buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in
vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels,
van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag
uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien
schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot
zes dooden, jammerlijk omgekomen onder 't puin hunner verbrijzelde
woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch
meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden 't leven. Het jammer, de
schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent
het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De
plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen
kolk, vol zwart water, 't welk, door het geweld des poeders beroerd,
al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting
was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder
zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had:
dewijl anders de stad een algeheele vernieling zou hebben ondergaan.

Aan Willem Adriaan, Grave van Hornes, die Würtz als Gouverneur
vervangen had, volgde in 1688 Daniel de Tafin de Torsay. Tijdens
diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en
schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken
aangelegd, terwijl een der torens tot kruitmagazijn werd ingericht. Na
het overlijden van Tafin, in 1709, werd Johan Theodoor Baron van
Friesheim tot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen
die van Gouverneur van 's Hertogenbosch verwisselde. Hem vervingen
achtereenvolgends in 't zelfde jaar Jacob Harduïn Palm en Statius
Filip Grave tot Benthem.

De stad Heusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de
Dagvaarten beschreven werd en teekende vóor Purmerend, had zich, even
als vele andere kleinere Steden, dit recht--waarvan de uitoefening met
geen geringe kosten gepaard ging--van lieverlede laten ontnemen. Ten
tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder
gelden, 't welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid
bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden
zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden
gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De
oorlog tegen Frankrijk was uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons
Land gevallen, hadden Breda en Geertruidenberg veroverd, en eischten
nu ook Heusden op. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad
zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken
toch waren sterk, de schansen te Doeveren en Hemert in goede orde, en
de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins van Oranje (later
Koning Willem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart te Heusden zijn
hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn
broeder Frederik vervangen.

Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in 't volgende jaar
waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktober den Bosch overmeesterd,
en men was te Heusden hun aanval verwachtende; weshalve men, ter
meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk te
Hedikhuizen gemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap met Holland, door
de om Heusden zwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst
viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging
werden hierdoor grootendeels verzwakt. Van Liesvelt, die het bevel
over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting
nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn
krijgsvolk, de stadsgrachten en de Maas open te houden, waarmede,
den 28sten December, door veertig burgers tevens, een aanvang werd
gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting
in 't ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad op Heusden gemunt
had. Dan op den vijfden dier maand deed de Generaal Daendels de
vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien
men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan
een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten
bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg
men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een
aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals
opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te
hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen,
verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden
voorraad krijgs- en mondbehoeften, welke Daendels in handen vielen.

Onder het bewind van Napoleon lagen er veteranen in bezetting te
Heusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen,
de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken
of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheen Heusden eensklaps uit den
doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest,
herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van
Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de Generaal
Bulow had er een tijd lang zijn hoofdkwartier.

Maar weldra zou de tijd aanbreken, dat Heusden uit den rij van
Neêrlands sterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad
ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd
en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne
bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingen onderging: voorts een
arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het
Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders
van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht,
en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap,
maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens,
met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert.



HET KASTEEL TE GEMERT.


De witte mantel met het roode kruis, die kenmerkende dracht des
roemruchtigen Tempeliers, was reeds lang in de wentelende golven van
den tijdstroom ondergegaan, of liever: in de vlammen, door Clemens den
Vijfde en Filips den Schoone ontstoken, verteerd--toen eene andere
Ridder-orde, jonger van erkenning, maar weinig minder beroemd dan
die van den Tempel, nog in vollen bloei stond: wy bedoelen de Orde
der Marianen of Duitsche Ridders, ook Kruisheeren, Teutonisten,
en Ridders van den Duitschen Huize genoemd.

Nadat Jeruzalem in 1099 door de Kruisvaarders veroverd was, deed
een Duitsch Edelman aldaar een huis inrichten, ter verpleging van
zoodanige pelgrims en Ridders onder zijne landgenoten, als zulks
mochten behoeven. Zijn voorbeeld vond navolging: eenige andere edele
Duitschers, wier hart warm sloeg voor zelfopofferende menschenliefde,
sloten zich by hem aan, voegden de inkomsten hunner goederen by die der
zijnen, en vormden alzoo weldra eene broederschap van barmhartigheid,
die, door geen anderen regel dan onderlinge overeenkomst verbonden,
hare weldaden uitdeelde zonder veel geruchts, en in tijden van gevaar
weder even snel naar het zwaard greep als voorheen, en het niet minder
wakker voerde.

Toen het meerendeel dezer Ridders in de moedige maar onbedachte
verdediging van Tiberias, 1187, was gevallen, en de overigen daarop
by het verlies van Jeruzalem die stad moesten verlaten, zou de
Vereeniging geheel onder zijn gegaan, indien eenige medelijdende
kooplieden van Lubeck en Bremen haar niet hadden ondersteund. Nadat
er in 1190 eene versterking door nieuwe leden had plaats gevonden,
besloot men zich, naar het voorbeeld der Tempeliers en Hospitaliters
of Sint-Jans-Ridders, tot eene gesloten Geestelijke Ridderorde te
vereenigen, en wendde zich om vergunning daartoe tot Keizer Hendrik
den Zesde en Paus Celestinus den Derde, welke laatste by een bul van
den 12en Februari 1191 zijne toestemming gaf, en bepaalde, dat zy
den naam zouden dragen van Ridders der H. Maagd Maria, of Broeders
van het Duitsche huis onzer Lieve Vrouwe te Jeruzalem; zy zouden
aan de kloosterregelen van Sint Augustinus onderworpen zijn, en hun
onderscheidend gewaad moest bestaan uit een zwart kleed, waarover
een witte mantel met een zwart kruis op den linker schouder. De
Keizer schonk bovendien den Ordemeester, waartoe Henrik van Walpott
van Bassenheim reeds in 1190 gekozen was, het recht om ridders te
slaan, met eenige andere gunstbewijzen daarenboven, en zoo zag de
nieuwe Orde, niet zonder nayver der Johannieten en Tempeliers, haar
bestaan gevestigd.

By de verovering van Akkaron (Ptolemais) kocht de Ordemeester daar
een uitgestrekten hof, en stichtte er eene kerk en een hospitaal,
benevens een kloostergebouw voor de broeders; en nu ging de Orde
rustig, en aanvankelijk zonder veel opzien te baren, haren weg, niet
minder dapper, maar veel minder begiftigd, veel minder weelderig door
rijkdom dan beide genoemde orden.

De zaak der Christenen was echter in Palestina, na den val
van het Koningrijk Jeruzalem verloren: daarom besloot de vierde
Ordemeester, Herman van Salza, den zetel der Orde naar Venetië over
te brengen. Herman van Salza, een der edelste en grootste mannen
van zijnen tijd, was de adelaar, op wiens stoute vleugelen de Orde
zich tot eene ongekende hoogte verhief. De roep zijner onkreukbare
goede trouw en rechtschapenheid was zoo groot, dat Keizer Frederik
de Tweede en Paus Honorius de Derde een onderling geschil aan zijn
oordeel onderwierpen, en zich naar zijne uitspraak gedroegen;
beide waren evenzeer over hem voldaan, en de Orde oogstte er de
voordeelen van in: Honorius ontsloeg haar van het geven van tienden
en van onderworpenheid aan het geestelijk gericht, en Frederik
begiftigde haar met voorrechten en goederen; daarenboven verhief
hy Herman, die van den Paus een kostbaren ring, in 't vervolg het
Ordemeesterschap eigen, ontfangen had, voor hem en zijne opvolgers
in den Rijksvorstenstand. Van toen af breidden de bezittingen der
Orde in Europa zich snel uit. In 1226 door den Hertog der Masoeren
naar Pruissen gebeden, om er de wilde heidensche bewoners ten onder te
brengen, met toezegging van de landstreken, die zy zoude overwinnen, in
eigendom te zullen ontfangen, werd Herman van Balco derwaart gezonden
aan het hoofd van eenige Ridders en knechten, wier heldhaftigheid met
zoo goed gevolg werd bekroond, dat de geheele Orde, na het verlies van
Akkaron in 1291, zich in het overwonnen land aan de Oostzee vestigde,
en in 1309 Marienburg tot Hoofdzetel koos. In de laatste helft dier
eeuw bedroegen hare inkomsten, alleen van gemelde landstreek, 900,000
Rijnsguldens, eene som, waarover geen Europesche Staat van die dagen
beschikken kon, terwijl de bloeiende toestand harer bezittingen en
de welvaart der onderhoorigen de beschuldiging weerspreken, dat zy
een tyranniesch bestuur voerde.

Hare bezittingen werden verdeeld in 12 Landschappen, Balyen of
Landkommanderyen genaamd, die door Landkommandeurs werden bestuurd, en
waarvan er 2 in Nederland lagen. De hoofdzetels daarvan stonden, voor
het noorderdeel, te Utrecht, en, voor het zuiderdeel, te Aldenbiezen,
in Limburg, zijnde de laatste, die reeds in 1220 voorkomt, de oudste
[5]. De onderafdeelingen die te zamen eene landkommandery uitmaakten,
werden eenvoudig kommanderyen genoemd, en stonden onder het beheer
van een Orde-ridder, die den tytel van Kommandeur voerde. Tot Utrecht
behoorden 12 kommanderyen, waarvan wy de vermelding, met byvoeging
der weinige tot ons gekomen byzonderheden, hier geheel op hare
plaats achten.

1. Middelburch, waar het huis der Orde in 1249 werd gesticht op
een erf, haar door Niclaes van Putten geschonken. Graaf Floris de
Vijfde heeft deze kommandery mild begiftigd, »en 't zelve huis is
metter tijd zoo magtig geworden, dat, wanneer de Graaf van Holland,
of deszelfs oudste zoon, ter hooge vierschaar binnen Middelburg zaten,
de Abt van Middelburg aan de rechter, en de Kommandeur der Duytsche
orden aan de slinkerzijde van den Graaf gezeten waren."

2. Leyden, mede een gift van Grave Floris den Vijfde: hy schonk er
in 1268 de St. Pieterskerk, en de Orde richtte er het gebouw der
kommandery by op.

3. Dieren, op de Veluwe, een kasteel, met vele daartoe behoorende
landerijen. Graaf Adolf van Bergen schonk het der Orde in 1240, waarop
het aan de kamer des Grootmeesters werd getrokken, tot in 1420, toen
het aan den Landkommandeur van Giessen overging; maar Heer Herman
van Keppel, Landkommandeur van Utrecht, kocht het in 1433 voor eene
som van 3000 Rijnsguldens, en voegde het by zijne eigene Baly.

4. Oetmarsen, weleer tot de landkommandery van Munster behoord
hebbende, maar in de eerste helft der vijftiende eeuw onder die
van Utrecht gebracht. Het huis was gesticht in het jaar 1290, door
zekeren Leffard, een schildboortig poorter van Oldensael, die zich
mede in de Orde begaf.

5. Valckenburch. Graaf Willem de Tweede schonk der Orde in 1251 de
kerk aldaar, waaronder twee parochiën behoorden, nl. Katwijc op Zee en
Katwijc op den Rijn. In 1378 verplaatste Splinter uten Eng, toenmaals
aan het hoofd der Baly van Utrecht staande, den kommandeurszetel van
Valckenburch naar Katwijc op den Rijn, ten gerieve der zeedorpers,
en liet de eerstgenoemde plaats als eene pastory op zich-zelf. Sints
dien tijd wordt er gewoonlijk van de kommandery van Katwijc gesproken.

6. Hofdijc, die mede aan Grave Willem, door het schenken der kerk te
Maesland, in 1251, haar oorsprong dankt. Zijn zoon Floris begiftigde
later de Orde met eenige landerijen aan den Hofdijk, waarop de
Utrechtsche Baly er een huis deed stichten voor een Kommandeur. In
1365 deed de Landkommandeur Henric van Alckemade, met toestemming
van Graaf-Hertog Aelbrecht, het huis ten Hofdijc afbreken, en een
ander by de kerk van Maesland oprichten. De goederen aan den Hofdijk
werden aan de landkommandery gehecht, en de Ridders mede derwaart
verplaatst. Sedert stond de kommandery van Maesland op zich-zelf.

7. Doesborch, die in 1266 een aanvang nam: De Regulieren van het
klooster Bethlehem, zich tegen de Orde misgrepen hebbende, en tot
voldoening genoodzaakt, schonken haar in dat jaar de kerk dezer plaats,
waarover zy te beschikken hadden.

8. Rhenen, waar Graaf Egbert van Bentheim de kerk in 1268 aan de
Orde maakte; eene aanzienlijke schenking, die door zijn zoon Otto
bevestigd werd.

9. Schoonhoven. Gwy van Blois gaf der Orde in 1390 de keuze tusschen
de kerk van Gouda en die van Schoonhoven; zy koos de laatste, welke
hy daarop met eenige andere goederen afstond.

10. Scaluynen, of Schelluynen, eene heerlijkheid, geschonken door Heer
Dirc van Altena, met de kerk en de tienden van het dorp, benevens de
ten deele onder Giessen behoorende visscherij, en drie landhoeven.

11. Bunen, in Drenthe, was eerst een konvent van zusteren der Duitsche
Orde, en omstreeks 1271 opgericht. Het kwam toen onder de Westfaalsche
Baly te Munster, maar werd door den Utrechtschen Landkommandeur
Gosewijn van Gaerne, die in het midden der veertiende eeuw vermeld
wordt, voor eene som van 1500 pond aangekocht.

12. Nesse, almede ontstaan uit de gift der kerk, door eenige Friesche
Edelen in 1298, schijnt de geringste der kommanderyen geweest te zijn;
ten minste werd het huis, naby de kerk gesticht, slechts door Priesters
en dienende broeders, geenszins door Ridders bewoond.

En nog waren deze bezittingen niet de eenigen der Utrechtsche Baly:
te Hemert in Gelderland, en te Scoten in Friesland, vond men nog een
konvent. Het huis en konvent te Scoten, waar aanvankelijk slechts
zusteren der Orde woonden, was gesticht omstreeks den aanvang der
veertiende eeuw. Later werden er Priesters en dienende broederen in
geplaatst. Het huis te Hemert was in 1270 gesticht. De Landkommandeur
Johan van Hoenhorst verwisselde het in 1328 tegen andere goederen
te Thiel, toebehoorende aan de Kanunniken van de St. Walburgskerk
aldaar, die zich vervolgends te Aernhem neêrsloegen, en de St. Walburg
aan de Orde schonken, waarop de Landkommandeur het huis te Hemert
deed afbreken, en een nieuw gebouw by gemelde kerk binnen Thiel
oprichten. [6]

Tot de landkommandery van Aldenbiesen (Vieux-Joncs), in de nabyheid
van Tongeren gelegen, behoorden de volgende kommanderyen:

1. Jongebiesen, te Maestricht; 2. Rebsdorf in Gulick; 3. St. Gilis
te Aken; 4. Biesen te Keulen; 5. Ramesdorf by Bonn; 6. Bernesheym,
en 7. Ordingen, beide by St. Truden; 8. St. Petersvoren in Limburg;
9. Gruytrode in de Luyksche Kempen; 10. Beckevoort by Diest; 11. Feucht
of Vught, en 12. Gemert, beide in de Meiery van 's Hertogenbosch.

En behalven al deze goederen, bezat de Orde nog op verschillende
plaatsen het patronaatschap, dat is het recht tot aanstelling van
een pastoor.

Nadat wy dus de Orde in het algemeen met betrekking tot Nederland
hebben beschouwd, wenden wy ons tot een harer bezittingen in het
byzonder, en kiezen daartoe, als eene der niet onbelangrijksten de
kommandery van Gemert.

Reeds in het begin der dertiende eeuw bezat de Orde aan deze plaats
eenige goederen, waarover in 1249, volgends een brief van dat jaar,
nog op het archief van Postel aanwezig, een Provisor bestuurde. Uit
een charter van 1270 blijkt, dat Gemert toen voor de eene helft
als vrij land aan Jonkheer Diedryc van Gemert, voor de andere aan
de Ridders van het Duitsche Huis behoorde. Te dien tijde bestond er
reeds een Kommandeur, want in het genoemde archief berust mede een
document van 1261, waarby Broeder Henric, Kommandeur van Gemert, met
toestemming van den Luykschen Kommandeur de Prenthage, eenige goederen
aan het huis van Postel verkocht, die gedeeltelijk door den Hertog van
Brabant, gedeeltelijk door den Beschermvoogd van Mol aan de Kommandery
geschonken, en in de dorpen Lommel en Hilvarenbeec gelegen waren.

In 1366 was broeder Gheryt van Audenhoven Kommandeur. Op den 21en
Juni van dat jaar kocht hy van den toenmaligen Diedryc van Gemert
dat gedeelte der Heerlijkheid, dat tot hiertoe nog door dit geslacht,
sedert 1364 als leen, bezeten was, waardoor het Duitsche Huis alzoo
in het volledig bezit geraakte. Kort daarna, het zij onder zijn
bestuur, het zij onder dat van zijn opvolger Henric Reynart van
Husen, in 1387 vermeld, werd er ten zuiden van de dorpskapel een ruim
gedeelte gronds, aan den zoom van het watertjen de Rups, afgebakend,
en daarop het sterke kasteel gebouwd, dat sints den Kommandeurs met
de hunnen ten verblijf diende. Het hoofdgebouw rees als een zwaar
vierkant gevaarte, uit drie of vier andere gebouwen bestaande, met
steile daken, en alleen slechts door trapgevels en hoektorens ietwat
verlevendigd, kloosterachtig somber uit de diepe gracht op, en werd
nog door buitenwallen en eene versterkte voorpoort beschermd. De
inwoners van Gemert zullen zich evenwel waarschijnlijk niet over den
afstand van Heer Diedryc beklaagd hebben: de Duitsche Ridders waren
geen harde heeren voor hunne onderzaten; en zoo men al beproefd heeft
hen daarvan te beschuldigen--de wetten van den Grootmeester Siegfried
van Feuchtwangen [7], 1309-1312, zijn daar, om den aanklager, dien
het om waarheid te doen zij, te beschamen: de wijsheid van den Regent
spreekt er u op iedere bladzijde uit tegen; en waar ze strengheid
ademen, daar is het om een vergrijp te voorkomen, of te straffen,
opdat de goedgezinde onderdaan in vrede en veiligheid het zijne
bezitten moge, en orde en zedelijkheid bevorderd worde. Welke eene
naauwlettende zorg spreekt zich uit in verordeningen, by de Art. XX,
XXIV, XXVII, inhoudende:

Vee, den eigenaar tot zijn daaglijkschen arbeid noodig, mag voor
geenerlei schuld in pand worden genomen.

Jaarlijks zullen de dorpsrechters met hunne byzitters de grenzen
hunner gemeente omrijden, en de marksteenen en grensteekens, waar deze
onkenbaar mochten geworden zijn, vernieuwen, op straffe van vergoeding
der schade, die door nalatigheid in deze verplichting mocht ontstaan.

De voogden van weduwen en weezen zullen de goederen hunner pleeglingen
schriftelijk doen opteekenen en beschrijven, en het hun toevertrouwde
gants zoo als zy het hebben ontfangen, by het einde hunner voogdijschap
te rug leveren, op verlies van hunne eer.

Zulk eene naauwlettende zorg kan niet worden overschaduwd door eene
strenge strafbepaling, als die, waarby vrijheid gegeven wordt, om
een wechgeloopen dienstknecht by het oor vast te spijkeren (Art. VI):
de laatste verordening had niets wreeds naar de zienswijze van dien
tijd--de eersten zijn nog weldadig en billijk in het oog van den onze.

Het zou zeker de moeite waardig zijn, zoo men kon nasporen, in
hoeverre het bestuur der Orde over hare goederen in ons land, van
invloed mag geweest zijn op de denkwijze van de hooge Regeering
omtrent de regeling van dezer gemeentebelangen.

De Orde scheen hier echter gee grooten prijs te stellen op het volle
bezit van allen eigendom, want de kommandeur Iwan van Cortenbach
verkocht op den 1en Augustus 1421 de gemeente Gemert aan de
ingezetenen, voor eene erfpacht van 50 kroonen 's jaars. Heer Iwan
(ook Ywan genoemd), die voor het eerst als Kommandeur van Gemert
gemeld wordt in een schepenbrief van 25 November 1418, was tevens
Landkommandeur van Aldenbiesen.

Als Iwans opvolger wordt genoemd Heer Dirc van Betenhausen, of
Bergenhuysen. Blijkends eene aanteekening in het pastoreele register
der gemeente, kocht hy de moerige Peellanden van Gemert van den
Brabantschen Hertog Filips, en gaf ze vervolgends voor een pacht van
61 karolusguldens aan de ingezetenen weder uit. Daarna benoemd tot
Landkommandeur van Aldenbiesen, werd hy in de kommandery van Gemert
opgevolgd door Heer Henric van Eynatten. Het was onder het bestuur
van dezen Kommandeur, dat de kapel te Gemert [8], grootendeels door
bemoeiïng en tusschenkomst van den Landkommandeur Bergenhuysen, tot
eene parochiekerk verheven werd, waarvan de wijding op den 18en Maart
1437, door den Luykschen Bisschop Johan van Heynsbergen, met groote
plechtigheid plaats vond. Heer Henric, overleden 17 Juli 1444, en in
de kerk te Gemert voor het hoog-altaar begraven, werd als Kommandeur
opgevolgd door Niclaes van der Dussen, uit het Hollands-Brabantsch
geslacht van dien naam. Hy was de tweede zoon van Jan van der Dussen,
Heer van Dussen, Aertwaerde, en Munsterkercke. Vóor 1439 in de Orde
getreden, bekleedde hy, onder andere aanzienlijke betrekkingen, de
waardigheid van Kommandeur te Gemert tot in het jaar 1467, toen hem
het Landkommandeurschap werd opgedragen, weshalven hy naar Aldenbiesen
vertrok, en daarna in 1476 overleed. Zijn bloedverwant Aernout van
der Dussen, die te Gemert zijn plaats verving, deed er het nieuwe
parochiale kerkgebouw vergrooten met een aanzienlijk choor, waarop
een klein torentjen geplaatst is.

In vrede en rust ging het leven op het kommanderykasteel doorgaands
steeds voorby; hoewel de Ridders voor 't overige de strenge
onthoudingsregelen niet meer zoo naauwgezet hielden als in den beginne:
de Grootmeester Wallenrode b.v. gaf zijnen Duitschen gasten eens
een zoo prachtig eeremaal, dat de onkosten daarvan, zoo men zegt,
de verbazende som van 500,000 markzilvers bedragen hebben. Ook
moeten wy niet voorby zien, dat de beöefening der wetenschappen
aan de Orde volstrekt niet vreemd was. En al is het ontwijfelbaar
dat sommige Grootmeesters zekere historische documenten opzettelijk
hebben vernietigd, en bepaalde plaatsen in kronijken, waar van de Orde
gesproken werd, doen wechnemen--de Grootmeester Winrich van Kniprode
daarentegen, die van 1351 tot 1382 regeerde, was een voorstander en
beschermer van wetenschappelijken vooruitgang. Hy deed de weinige
bestaande scholen in Pruissen verbeteren, en nieuwe oprichten, opdat
het zijnen jongen Ridderen, wanneer zy in rijd- en strijdkunst volkomen
bedreven waren, aan geen onderricht van den geest ontbreken zoû. Wy
zijn dus volkomen gerechtigd tot de onderstelling, dat er buiten het
Breviarium, of de Orde-statuten, of den Blaffert van eigendommen,
nog wel eens een andere foliant of kwartijn door den Kommandeur van
Gemert, of diens Ridders, zal zijn opengeslagen; dat een Bestiaris
van Maerlant, of een Slag by Woeronc van Heelu er geen onbekende
verschijnselen zullen zijn geweest; ja dat, al gedoogden de ernst van
het verblijf en de eerwaardigheid der Krijgsmonniken niet altoos, als
op de kasteelen der waereldlijke Edelen, open hof en blijde ontfangst
voor een reizenden Minstreel of Sprookspreker--Heynrycs Roman der
Kinderen van Limborch behoeft er wel zoo min een onbekende gast te
zijn geweest, als Dirc Potters sproken van Der Minnenloep. Ook was
het den Kommandeurs en Ridders volstrekt niet ontzegd, om aan een
waereldsch feest of vreugdebedrijf, op den een of anderen burch,
of aan het Hertooglijk hof gegeven, deel te nemen, evenmin als het
genot van den wandelrid of dat van het weidspel,


                Hair met hair, en veêr met veêr,


onder de verboden uitspanningen werd gerekend. Dit alles te zamen
genomen, vinden wy dus redenen te over om te gelooven, dat het
verblijf in de zalen en gewelven der kommandery (al vond men ze,
naar de gewoonte der Orde, door het overal aangebrachte zwarte kruis
meer versomberd dan vercierd) zoo min als de landstreken daar rondom,
niet zoo eentonig en van alle afwisseling ontdaan zal zijn geweest,
als eene oppervlakkige beschouwing zou kunnen doen vermoeden.

Toen Aernout van der Dussen in 1482 overleden was, werd hy opgevolgd
door Heer Maximiliaen van Eynatten, die er tot in 1503 zijn ambt
bekleedde, om het toen, als zoo menig een zijner voorgangers, met
dat van Landkommandeur van Aldenbiesen te verwisselen.

Van de Kommandeurs Wynand van Breyl (benoemd 1536, overleden 1554)
en Wynand van Eynatten (overleden 25 Mei 1570) vinden wy niets
merkwaardigs opgeteekend. Zy schijnen, niettegenstaande de klimmende
onrust der tijden, zonder stoornis bestuurd te hebben.

Minder rustig liep het onder Heer Wynands opvolger Godaert van Aere. In
1588 deed de onvertsaagde maar woeste Marten Schenck een strooptocht
in het dorp Gemert, waarby de inwoners veel van zijne wapenknechten
te lijden hadden. Niettegenstaande de bemanning van het kasteel te
gering was om een uitval te doen en de dorpelingen by te springen,
werd er toch zoo vinnig van de wallen geschoten, dat de plunderaars
het niet waagden om den ingang der kerk, die naar de kasteelzijde
lag, te bemachtigen. Toen, om toch de gehoopte buit der kerkelijke
kostbaarheden niet te verliezen, braken zy aan de noordzijde van het
gebouw een opening waardoor zy binnendrongen, het inwendige van al
zijne cieraden beroofden, en de kenteekenen der eeredienst baldadig
vernielden. De toen gemaakte opening werd niet weder dichtgemetseld,
maar slechts bygewerkt, en sedert tot een gewonen ingang in orde
gebracht.

Een dergelijk onheil herhaalde zich in 1599 in nog veel grootere mate,
toen de Spanjaarden in het dorp vielen, en het geheel uitplonderden.

Henrik van Holtorp, dien wy na Godaert van Aere vermeld vinden,
overleed te Gemert in 1630, en werd voor het hoog-altaar in de kerk
begraven.

Zijn opvolger was de Kommandeur Ulrich van Hoensbroek, een fier en
hooghartig man, die zich door trotschheid en heerschzucht by velen
gehaat, by niemant, zelfs zijner Orde, bemind maakte. Hy berokkende
zoowel der kommandery als het dorp veel onaangenaamheid. Reeds stond
hy te Gemert aan het hoofd der zaken, toen hy naar het opengevallen
Landkommandeurschap dong, en zien moest dat men hem voorby ging, en
een jongeren Ridder, Graaf Godfried van Huyn de Geleen aanstelde. Vol
van verbittering, weigerde hy nu diens bevelen te volbrengen; en toen
hy in 1648 over dezen inbreuk op de wetten der Orde ter verandwoording
gedagvaard werd, beriep hy zich op de Staten der Vereenigde Provinciën,
aan wie sedert den 30en Januari van dat jaar te Munster de Meiery van
's Hertogenbosch was afgestaan. Op den 24en Juli nam eene Staatsche
bende van Gemert bezit, en verjoeg er terstond de Dominicanen, die,
in 1629 reeds eenmaal uit 's Hertogenbosch verdreven, zich onder de
schaduwe der kommandery hadden nedergeslagen. In 1649 schijnen eenigen
hunner weer heimelijk naar Gemert te rug gekeerd te zijn; ten minste
het gerucht daarvan liep rond, en kwam ter ooren van den Schout van
Peelland, Prouninck gezegd Deventer, die gants niet monniksgezind
was. Of het nu waar of onwaar mocht zijn--Prouninck sloeg er geloof
aan, en viel op een vroegen morgen in den zomer, kort na pinksteren,
met eene ruiterbende in het dorp. Het klooster [9] werd terstond
aangevallen, de vensters stuk geslagen, en--torschte men er al geen


                        kelcken uit, kassuiffelen, en kappen,
    Die stijf staen van gesteente, en paerlen en root gout,
    Om 't heerelijckst, als 't placht, wanneer men hooghtyd houdt--


de plonderaars keerden toch niet met ledige handen uit het ontwijde
gebouw. Maar wat erger was dan deze moedwil, aan levenlooze voorwerpen
gepleegd--de geprikkelde baldadigheid koelde zich ook aan een grijzen
leekebroeder, die byna naakt door de vensters werd gesleurd, naar de
markt gevoerd, en daar, van de ruwe ruiters omringd, der bespotting
prijs gegeven. De pastory en des kapellaans woning werden mede
geplunderd; de pastoor, benevens de prioor der Dominicanen, gevangen
naar 's Hertogenbosch gebracht, en niet, dan tegen betaling van een
groot losgeld, weder ontslagen; de kerk bleef in handen der hervormden.

Zoodra deze handelingen den Landkommandeur waren kenbaar geworden,
bracht hy terstond zijne klachten in by den toenmaligen Grootmeester
der Orde, den Aarts-Hertog Leopold van Oostenrijk, die zonder eenig
vertoef zijn Licentiaat Verheye naar  's Gravenhage zond, om de
kommandery te rug te eischen. De Staten waren daartoe echter volstrekt
niet genegen: zy beweerden, dat Gemert noch eene vrije Heerlijkheid
was, noch tot het Rijk kon worden gerekend, maar onder de Meiery
van den Bosch, en alzoo onder het recht van hunne soevereiniteit
behoorde. Zy grondden dit op het volgende:

»Uit verschillende oude brieven bleek het, dat Gemert by het kwartier
van Peelland ingesloten was, zijnde het in 1572 onder het Bisdom
's Hertogenbosch, en wel onder het Landdekenschap van Helmond, de
hoofdplaats van 't kwartier Peelland, gesteld. Gemert was weleer een
gehucht van het dorp Bakel, en de kerk een dochterkerk van die der
laatste plaats geweest. De Koning van Spanje had, als Hertog van
Brabant, den Bisschop van Luyk (die zich over het onttrekken van
Brabant aan zijn geestelijk rechtsgebied beklaagde) ten andwoord
gegeven, dat hy in zijn eigen land, met toestemming van den Paus,
zooveel Bisdommen kon oprichten als hem goed dacht. Men had zich van
alle vonnissen, te Gemert gewezen, altijd op de hoofdbank des kwartiers
van Peelland, te Helmond, van dáar op Schepenen van 's Hertogenbosch,
en vervolgends op den Raad van Brabant, te Brussel, beroepen, als uit
twee brieven, van 1434 en 1451, bewijsbaar was. Het op-, of afzetten
der munt was te Gemert altijd door den Hertog van Brabant geschied. De
maten en gewichten, die men er bezigde, waren te Helmond geijkt. De
gantsche Gemertsche gemeente of heide was eigen goed van den Hertog
van Brabant geweest, die het op den 6en Juli 1450 aan de Heerlijkheid
had verkocht, behoudens een cijns van 50 oude grooten tornois. De
inwoners van Gemert stonden onder het ingebod van 's Hertogenbosch,
dat eene der vier hoofdsteden van Brabant was, en de Judicatuur van
Gemert kwam den Staat toe, gelijk de Orde zelf bekende."

De Grootmeester daarentegen beweerde, dat Gemert niet in Peelland
geënclaveerd was, en vestigde deze stelling op het volgende:

»Gemert grensde aan het land van Ravesteyn, aan het opperkwartier
van Gelderland, en aan Spaansch-Brabant. De Landkommandeur Johan van
Cortenbach had, als gemachtigde van den Grootmeester, in 1421 aan de
ingezetenen van Gemert zekere gemeente- en peelvelden verkocht. Toen
in het jaar 1270 eenig geschil tusschen den Hertog en die van
Gemert gerezen was, had de eerste verklaard, dat hem noch hooge,
noch lage heerlijkheid, noch eenig recht te Gemert toekwam, maar
begeerden zy van hem hulpe, dan was hy als opperste Beschermheer
verplicht hun die te verleenen. Gemert was door den Raad van Staten
in 1621, toen de brandschattingen in de Meiery waren uitgeschreven,
erkend als niet behoorende onder Brabant. De Kommandeurs te Gemert
hadden kwijtschelding van doodslag gegeven, en wel in de jaren 1603
en 1607. Verschillende aan doodslag schuldigen uit de Meiery waren
naar Gemert gevlucht, en er onvervolgd gebleven. De Landkommandeur
der Orde had er in het jaar 1613 een vrije jaarmarkt opgericht. Het
beroepen van vonnissen op Schepenen van Helmond, en van daar op die
van 's Hertogenbosch, was geen bewijs van onderhoorigheid, omdat men
zich in verschillende plaatsen der Meiery van aldaar gevelde vonnissen
op Schepenen van Antwerpen beriep; die van Nymegen, Stevenswaert en
andere beriepen zich op de Wethouderschap van Aken; voorheen was men
in verschillende plaatsen van Brabant gewoon zich van de vonnissen op
de Wethouders van Luyk te beroepen, totdat zulks in 1469 door Hertog
Karel den Stoute afgeschaft werd. Dat Gemert onder het Duitsche Rijk
behoorde bleek daaruit, dat het zijn aandeel in de oorlogen tegen
de Turken had betaald, zoowel als in de vijf millioen rijksdaalders,
door het Ryk by den vrede van 1648 aan Zweden toegestaan: dit zouden
de Algemeene Staten niet toegelaten hebben, indien het zeker was,
dat Gemert tot de Meiery behoorde. Dat het, eindelijk, onder het
Bisdom van 's Hertogenbosch gelegen was, bewees niets, omdat het
grootste gedeelte van Brabant, Limburg, en Namen, vóor de oprichting
der nieuwe Bisdommen in 1565, onder den Bisschop van Luyk behoord had."

Het onderzoeken, uiteenzetten en bepleiten dezer bewijsgronden vorderde
op zich zelf reeds veel tijd, en het geding werd bovendien traag
voortgezet. Welk deel de Kommandeur Hoensbroeck, die zich meestal in
's Gravenhage ophield, er in had, wordt niet gemeld. Hy beleefde het
einde van het geschil niet, maar overleed in 1654; zijn lijk werd
naar Gemert vervoerd, en in het choor der kerk aldaar begraven.

Ambrosius, Baron van Wirmundt, die na hem Kommandeur werd, liet
zich veel aan de regeling der zaak gelegen liggen; en het was voor
een groot deel aan zijne rustelooze bemoeiïngen dank te wijten,
dat er eindelijk tusschen de Staten der Vereenigde Provinciën en den
Grootmeester een concordaat tot stand kwam, waarby de laatste, onder
zekere voorwaarden, in zijn recht op Gemert werd erkend. Het besluit
daartoe, door de Staten op den 8en Juni 1662 in den Haag geteekend,
bevatte hoofdzakelijk het volgende:

»De Staten Generaal verklaarden, dat Gemert onder het Duitsche Ryk
behoorde, en zy derhalven daarover geen gezach, hoegenaamd, behouden
of op nieuw eischen zouden. Dat zy de opperheerschappij volkomen
afstonden, met beding echter, dat de Heerlijkheid onder het appèl
en ingebod des gerichts van 's Hertogenbosch zoû blijven, gelijk tot
hiertoe gebruikelijk was geweest. De Grootmeester en de Orde zouden
voortaan de vrije oefening der hervormde godsdienst moeten toelaten,
en daartoe ten hunnen koste, en naar genoegen der Staten eene geschikte
kapel, benevens woningen voor predikant en schoolmeester doen bouwen;
het recht tot benoeming van een predikant zou aan de Orde blijven,
doch het onderhoud zijner woning voor rekening der Staten komen. De
Orde mocht er geen kloosters, het zij van geördende monniken of andere
geestelijken, toelaten. Zy zoude voor den afstand aan de Staten 40,000
gulden betalen: een derde zes maanden na de onderteekening van het
verdrag, en de twee overige derdedeelen telkens een jaar daarna. De
Algemeene Staten zouden nergends in gehouden zijn, indien de twee
laatste betalingen niet op den bepaalden termijn geschiedden."

Op den avond van den 28en Juni, 1662, werd de geslotene voorwaarde
te Gemert afgekondigd, de parochiekerk den volgenden feestdag van
Petrus en Paulus door de roomschgezinden weder in bezit genomen, en
het kerkjen der Dominicanen aan de hervormden afgestaan. De Baron
van Wirmundt bestuurde vervolgends de kommandery nog ruim twintig
jaren in rust: hy overleed te Gemert, op den 18en Maart, 1684, en
werd ter linkerzijde van het hoogaltaar begraven onder een zerk,
wier latijnsch inschrift zijne deugden en verdiensten vermeldde.

Een Edelman uit Hollands oudst geslacht voerde daarna te Gemert den
staf: Baron Hendrik van Wassenaer, zoon van Johan van Wassenaer en
Maria van Erckel. Reeds Kommandeur van Gruytrode, verwisselde hy die
kommandery, na Wirmundts dood, met Gemert, van waar hy in 1690 naar
Aldenbiesen vertrok, om daar de waardigheid van Landkommandeur te
aanvaarden. In het eerste jaar van zijn bestuur, 1685, was Gemert
geteisterd geworden door een zwaren brand, die honderd huizen
vernielde.

Bertram Wessel, Baron van Loë, Heer van Wissen, by Kevelaar, kwam
daarop te Gemert, stierf den 21en Maart 1710, een jaar na zijn
voorganger, en werdt opgevolgd door

Bertram Antonie, Baron van Wachtendonk, die tevens Kommandeur was
van Ramersdorff, by Bonn. Deze wakkere krijgsman hield echter op geen
zijner beide kommanderyen verblijf, daar hy als Keizerlijk Bevelhebber
by het leger van Karel den Zesde stond. Ook verwierf hy er zich geene
rustplaats aan de zijde van zoovele hem reeds voorgegane Ordebroeders:
hy overleed op Sicilië.

Het afzijn van den Kommandeur was intusschen den goederen niet zeer
voordeelig geweest: het kasteel, dat nu reeds ruim twee eeuwen het
kruis der Orde gedragen had, was verouderd, en behoefde noodzakelijke
herstellingen.

Er werd derhalven besloten om voor als nog geen nieuwen Kommandeur te
benoemen, en met de op deze wijze uitgespaarde gelden in de onkosten
der vernieuwing van het gebouw te voorzien. De Landkommandeur van
Aldenbiesen, Damian Hugo, Graaf van Schönborn, Kardinaal-Bisschop
van Spiers en Constans, beheerde zoo lang de kommandery; en onder
zijn toezicht werd in 1740 alles weder in goeden staat gebracht,
en zelfs, in den smakeloozen stijl der achttiende eeuw, zoogenaamd
opgecierd. Drie jaren later deed men den Kommandeur van Bernesheim,
Baron van der Noot, zijn standplaats met die van Gemert verwisselen;
maar na zijn overlijden werd het Kommandeurschap nogmaals eenige jaren
onvervuld gelaten, om de landkommandery, die door den successie-oorlog,
waartoe zy heur contingent moest leveren, in zware schulden stak,
in de afdoening daarvan te kunnen ondersteunen.

Eerst in 1770 vinden wy Gemert dan weder bezet, en wel door Nicolaes
Bernhard de Borggrave, die in 1777 werd opgevolgd door den Baron
van Plettenberg.

Deze moest zijn plaats later weder afstaan aan den Landkommandeur
van Aldenbiesen, Baron Frans Jozef Nepomuc Fidelis van Reisschag,
onder wiens bestuur werd aangevangen met het bouwen van een schoonen
toren, aan de westzijde der kerk. Reeds waren de fondamenten gelegd,
toen in 1794 het werk werd gestoord door de verschijning der Fransche
driekleur op den Nederlandschen bodem. De woeste republikeinen, die
der Orde ontnamen wat zy konden bemachtigen, maakten zich ook van
de kommandery Gemert meester, en nu ging deze den Duitschen Huize
voor altijd verloren. In 1810, toen Napoleon het Koninkrijk Holland
by Frankrijk had ingelijfd, schonk hy de bouwhoeven en eenige losse
gronden der kommandery aan den Maarschalk Oudinot, Hertog van Reggio,
die er ook, hoewel korten tijd, de opbrengsten van trok [10]. Het
kasteel werd echter gerekend tot de domeingoederen te behooren,
en als zoodanig door de Keizerlijke regeering in 1812 verkocht aan
Jonkh. Mr. Adrianus van Riemsdijk, die er in 1832, mede door aankoop,
eenige molens, bouwhoeven en landerijen byvoegde, weleer onder het
bestuur der Orde er reeds toe behoord hebbende.

De zichtbare herinnering aan het oude is te Gemert niet gants
verloren gegaan. Nog bestaat de voorpoort van het kasteel nagenoeg
in den ouden toestand. Is men door deze echter op het binnenplein
gekomen, dan ontwaart men groote verandering: de gracht is wel ten
deele overgebleven, maar het hoofdgebouw vertoont zich veel minder
luisterrijk dan vroeger: de torens met hunne ranke spitsen, die in het
begin dezer eeuw nog allen aanwezig waren,--de levendige trapgevels en
hooge schoorsteenen--zy zijn voor goed verdwenen; 't is regelmatiger,
maar veel minder indrukwekkend geworden. En het inwendige?.... Wanneer
ge met eenige liefde voor onze monumentale geschiedenis bezield, den
drempel wilt overschrijden, in de hoop daar nog een spoor van verleden
dagen aan te treffen; met het voornemen om in eene oude zaal, waar
de zonnestraal den rij zwart ingelijste, fiere en ernstige gestalten,
in hunne witte mantels met zwarte kruisen gehuld, gelukkig-spaarzaam
verlicht, u te verdiepen in niet altoos onvruchtbare droomen van een
nog niet genoeg gekenden tijd--dan raden wy u: »bewaar uwe illusiën
en treed te rug."

Maar maakt de levendige werkzaamheid eener katoenspinnerij
(in onze dagen ontegenzeggelijk van grooter praktiesch nut dan
een ridderkasteel) een aangenamen indruk op uw gemoed--ga dan het
westelijk gedeelte binnen, en verheug u by de overtuiging, dat daar
eene minder bevoorrechte klasse door eigene vlijt in haar onderhoud
voorziet, en de welvaart van waardige en edeldenkende meesters met
dien arbeid  ondersteunt.



HET KASTEEL VAN MONTFOORT.


Godfried van Rhenen, Bisschop van Utrecht, was geen man des vredes;
zijne regeering (1156-1178) is ten minste een aaneenschakeling van
oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam
[11], gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel
onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet
gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te
kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste
plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en
deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden
bezwijken. Om de muitzieke Edelen van Aemstel in bedwang te houden,
stichtte hy een kasteel te Woerden. Om de Friesche grenzen te dekken,
deed hy er een te Vollenhoven bouwen; en tegen de Gelderschen richtte
hy by Rhenen het geduchte kasteel ter Horst op. Hy had echter een
te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien,
dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd,
zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats
hiertoe scheen hem de landstreek beöosten Oudewater, aan den linker
Yssel-oever, tegenover het Yssel-veld, en slechts drie uren van zijn
zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnen last
het sterke slot, dat, zoo men wil, door hem Mons fortis werd genoemd,
maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam van Montfoert
of Montfoort bekend staat.

Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in
handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener
genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders
af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den
tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding
gemaakt voor 1227, wanneer wy Everaert Burchtgraaf van Montfoort
vinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en
sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief
van Bisschop Otto van der Lippe hing. Vervolgends wordt er gewach
gemaakt van eenen Willem, zonder bepaling of hy tot het geslacht
zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van Bisschop
Henric den Eerste, 1260, van den Burchtgraaf Wouter, Geraerts zone
uit den huize van der Goude.

Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de
handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer
helder licht ons voor het oog.

Bisschop Johan van Nassau, die van 1267 tot 1288 [12] regeerde, was
een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een
kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur
zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen:

»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is 't er zeer holbollig
in het Bisdom toegegaan. De regeering van 't gemeenebeste is tenemaal
t'onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede
uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd
altijd, uyt het gemeene volk gekozen; ambachtsgilden ingestelt,
die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben;
ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest."

Trouwens--er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk
besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht
grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst,
in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende
partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten
van het eerste steunde--om er dikwijls zelf, het zij reeds in zich,
het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.

Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo
ging het ook Bisschop Johan; en by een der maatregelen tot
voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het
slot Vreeland en dat van Montfoort, welks Burchtgraaf overleden
was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer
allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom: Gijsbrecht van Aemstel,
en Herman van Woerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam
weldra ten duidelijkste aan den dag, toen Gijsbrecht by Vreeland een
tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel
bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig
gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan--maar hier had
de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in
't eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen,
riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen
Burchtgraaf van Montfoort in. Herman van Woerden sammelde niet lang,
en kwam met eene aanzienlijke krijgsbende Aemstels leger versterken,
waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by den Soester eng,
tegentrokken. Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed
eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of
verslagen; maar Woerden, daarop met zijne versche benden uit Holland
aanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der
Bisschoppelijken. Ofschoon Woerden reeds in den eersten aanval
zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic"; en
zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over
het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag:
Bisschop Johan verliet in haaste het veld, met verlies van vele
kloeke strijders, waaronder vooral Steven en Frederyk van Zuylen
moeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnen Amersfoort.

In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren
Hollander, Graaf Floris den Vijfde, te hulp; en het bleek, dat
hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had. Floris zond den
beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voor Vreeland; zijne
moedige Zeeuwen, onder Costijn van Renesse, sloegen den tot ontzet
aangesnelden Gijsbrecht geheel, en namen hem zelfs gevangen; Arent
van Aemstel zag zich toen genoodzaakt tot de overgave van Vreeland,
en Floris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te
hebben, sloeg den weg in naar Montfoort.

Hier had Herman van Woerden hem niet afgewacht. 's Graven krijgsmacht
duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht
wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het
einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme
dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen" [13], die reeds
voor Vreeland hadden gediend, werden ongetwijfeld ook voor Montfoort
gebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur
beuken. Toen bleek het, dat Godfried van Rhenen goede bouwmeesters in
't werk gesteld, en te gelijk, dat Herman van Woerden zijne ongerechte
zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden
de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal
der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan
blyde en stormram. Telkens vinniger trokken de Hollanders, by het
schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut-
en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen,
en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op--telkens
werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk
de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder
den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering
van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en--»Holland! Holland!" is
de zegekreet, die binnen Montfoorts wallen den val vermeld der
burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy
ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende,
velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier
van Woerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had,
en de klimmende liebaart van Holland


    Zag fier van de transen langs d' Yssel-boord rond:


want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het
door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent
de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles
naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279,
en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.

Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds,
en de Aemstellaers [14] ter anderer zijde, op den 27en Oktober 1285
tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven,
en kwam Montfoort alzoo weder in handen van den Bisschop.

Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die Graaf Floris
omringden een Brabantsch Ridder, Henric van Roden of Royen, jonger
zoon uit het geslacht der Graven van Roden, en om manslag uit zijn
vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296
Henric de Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade
lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latere
Henric van dien naam, kleinzoon van Burchtgraaf Sweder den Eerste,
zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.

De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl
Heer Henric van Roden zich nog in Brabant bevond, stierf daar zijn
oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds
zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel
aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve
Kanunnikdijen: te Roden, te Hilvarenbeec, en te Oirschot; begiftigden
er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der
Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op 't hoogst Heer
Henric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken,
de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy
verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery
tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig,
dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg
daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en
huns levens lang ballingen van Brabant blijven: sommigen begaven zich
naar Vlaanderen, en verbleven te Brugge, hy-zelf week naar Holland,
en begaf zich tot Graaf Floris den Vijfde, by wien hy een goede
ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben
gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van
eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche
zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later
juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene
wijze, den Edelman waardig.

De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóor Herman van Woerden
Montfoort bezeten had, was nog in leven, en de waardigheid heurs
overledenen vaders onvervuld. Graaf Floris wendde zich daarop tot
Bisschop Johan van Syric, en wist door zijne voorspraak te bewerken,
dat Heer Henric van Roden de hand der verweesde Jonkvrouwe van
Montfoort bekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke
wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en Heer Herman
bezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als
gewoon-, Henric echter als erfleen, schoon 't niet blijkt, dat een
van beide zich daarover verklaard heeft.

Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader,
ofte Heer Herman van Woerden oyt geweest hadde," gaf evenwel
aanleiding tot eene botsing met Johans opvolger Willem van Mechelen,
die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd
geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop
daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe,
om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer
hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy
zich Erf-Borchman op het Slot te Montfoort wist, en dat de goederen,
tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos,
gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een
dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop
stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan
de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.

Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen
de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk
paleis te Utrecht, waar hy met den Bisschop ook de Ridders Hubrecht
van Bosinchen, Ghysebrecht van Schalcwijc, Ghysebrecht uten Goye,
Hubrecht van Vyanen, en Lambrecht de Frese vond, benevens de Heeren
Jacob van Lichtenberch, Herman Teutelaer en Ghysebrecht Pellencussen,
Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil
zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends
hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, het gebrek aan bescheiden
ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen
van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn
erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en
zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen
legde Heer Henric met zijne getuigen de hand op een voorgebracht
reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door
allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop
en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.

Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten
zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een
zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van
graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam
van Royen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van
keel. [15]

In 1300 was Burchtgraaf Henric niet meer in leven, en te Montfoort
heerschte zijn oudste zoon Sweder. Deze, zegt men, huwde met eene
Jonkvrouwe van Holland; maar het proza der geschiedenis wordt hier
zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor
de poëzy der sage, die dus luidt:



    EEN DOCHTER VAN HOLLAND.

    --»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,"
      »Wy zoeken Holland weer."
    Zoo sprak in 't hof van Engeland
    Graaf Willems Edele Gezant,
      Volyvrig voor zijn Heer.

    Maar ijlings trad, met biddend oog,
      Een jonker hem ter zij.
    Die droeg in 't oog een vurig hart;
    Een wapen, wit en rood en zwart,
      Gestikt op zijn kleedij.

    --»Ter wille van uw Edelvrouw
      »Die gy in 't hart vereert--
    »Twee enkle dagen nog getoefd,"
    Zoo bad hy: »schoon 't mijn ziel bedroeft--
      »En dan--naar gy begeert."

    --»Die bede zy u toegestaan
      »Mijn Jonker van Montfoort!"--
    En ijlings was de Jonker heen,
    Te paard, en voort, en gants alleen;
      Men wist niet naar wat oord.--

    Aan Medways blaauwen waterstroom
      Daar rijst een landkasteel.
    Daar staart een Jonkvrouw van den trans.
    Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans,
      Als ducht zy 't lot niet veel.

    Nu wuift zy snel ten toren af,
      Met hoog-gebloosd gelaat:
    Een ruiter nadert, gants verhit...
    Zijn wapen, zwart en rood en wit,
      Gestikt op zijn gewaad.

    Hy stijgt van 't paard--en ijlings op,
      En zy daalt ijlings neer.
    Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart,
    En zy, van zoete vreugd verward,
      Zy stelt zich niet te weer.

    Hy sprak: »Een tijding droef--en blij:
      »Ras keer ik naar mijn land.
    »Nu zeg my, Ellen! dierbre Maagd!
    »Van wat geslacht den naam gy draagt,
      »En 'k spoed my om uw hand."

    Zy bloost--zy siddert--zy ontzet--
      Zy slaakt een droeve kreet;
    Zy meldt met diepe droefenis:
    »Ik weet niet wie mijn moeder is,
      »Noch hoe mijn vader heet!...."

    --»Ik ben van onbetwijfeld bloed!"
      Zoo borst hy angstig uit:
    »Mijn vader is een Hooge Heer....
    »Toch, Ellen! toch--ik zie u weêr,
      »En als mijn dierbre bruid!"--

    Straks joeg een strijdros langs den weg
      Die recht naar Londen gaat.
    Zijn Ruiter reed met rustloos hart;
    Een wapen, wit en rood en zwart,
      Gestikt op zijn gewaad.

    En later reed er, eer de schaaûw
      Nog heenkroop naar het oost,
    Een droeve Jonkvrouw langs die baan.
    Toch blonk er door zoo menig traan
      Een stille hoop van troost.

    Zy wisselde in de ruime stad
      Met niemant woord of taal;
    Maar waar 't arduin paleisbordes
    't Blazoen droeg van de Rijks-princes,
      Daar steeg zy uit het zaal.

    Zy vroeg geen lijftrawant den weg,
      Geen knaap of kamervrouw:
    Zy ging er tot in 't rijk klozet,
    En boog zich neêr, als ten gebed,
      Alleen met de Edelvrouw,

    Zy bad met woorden uit de ziel,
      Maar diepe eerbiedenis:
    »O zeg, Mevrouwe! hoog van staat,
    »Die my steeds gunstig gade slaat,
      »Zeg wie mijn vader is?"

    De Rijksprinces verschoot van blos,
      En siddrend boog ze saâm:
    »Wat raadslen, Ellen! vraagt ge my...
    »Wat weet ik wie uw vader zij?
      »Wie noemde me ooit zijn naam?"--

    En zichtbaar greep het Ellen aan
      Met zielsontroerenis;
    En dieper, dieper boog ze neêr,
    En schreide, en smeekte naamloos teêr:
      »Zeg wie mijn vader is."--

    Dat brak het hart der Rijksprinces:
      Zy snikte op schellen toon:
    »Weet!..." maar toen duizelig en dof:
    »Aan Hollands machtig Gravenhof
      »Daar draagt hy-zelf de kroon!..."

    En Ellen brak in jubel uit,
      En viel haar aan de borst.
    --»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God:
    »Dat spelt me een eindloos zoeter lot
      »Dan ik ooit hopen dorst.

    »Neem nu mijn droef en blij vaarwel:
      »Ik trek naar ander oord;
    »En zoo gy ooit my wederziet,
    »Dan is 't in Hollands rijksgebied,
      »En Vrouwe van Montfoort!"

    Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk;
      Maar zy verhief zich ras:
    »Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart...
    »Maar wat dan..." en zy kreet van smart:
      »Zoo ik... uw moeder was?..."

    En Ellen trad versteend te rug:
      »Mevrouw! wat zegt ge my?
    »Gy, die steeds aan mijn eigen haard
    »My goedig--maar als vreemde waart,
      »Myn moeder, moeder gy?"--

    Toen kromp het moederhart in een:
      »U afstaan!..." rilde zy:
    »Neen, Ellen! spreek dat woord niet weêr:
    »Al kostte 't my mijn rang, mijn eer--
      »Kies tusschen hem en my!..."

    --»Ik heb... gekozen..." sprak zy zacht
      (Van smart bestierf heur stem):
    »Mijn moeder... heeft my... nooit bemind:
    »Zy was een vreemde voor heur kind.
      »Mevrouwe!... ik ga met hem."--

    Wie vraagt gehoor by Hollands Graaf?
      De Jonker van Montfoort.
    --»Al wat ik Uw Genade breng,
    »Wanneer ze 't my in gunst geheng,
      »Dat is een luttel woord:

    »Een groete van de Rijksprinces,
      »Een vorstelijke groet;
    »Daarby een bede, koen en stout:
    »Een Jonkvrouw, twintig jaren oud,
      »Die drukt ze u op 't gemoed.--"

    Graaf Willem sloot zijn kind aan 't hart,
      Geroerd en blij te moê:
    »Nu spreek, mijn dochter! gul en rond:
    »Ik zie, een beê zweeft om uw mond;
      »'k Zweer u verhooring toe."

    Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw bad
      Na 's Graven plechtig woord?
    Daar gingen luttel weken om,
    Toen was zy bruid; de bruidegom
      Was Sweder van Montfoort.

    Maar wie, wie schepen flux daarna
      In 't heimlijk zich aan boord,
    En houden koers naar 't Britsche strand?
    Het wapen, schittrend aan het want,
      Is 't wapen van Montfoort.

    Men vraagt, met hoofsche plechtigheid,
      Der Rijksprinces gehoor;
    Maar als geheel den gang bewust,
    Treedt de Edelvrouw van Hollands kust
      Heur eedlen gade voor.

    Zy knielde voor de Rijksprinces,
      Wel kinderlijk gezind:
    »Doof niet aan 't Hof uw gloriekrans,
    »Maar, moeder! wees in 't heimlijk thands
      »Gelukkig met uw kind!"


Sweder van Montfoort gingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van
den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne
eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen Bisschop
Willem van Mechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het
byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den
ijzeren handschoe zag, koos Sweder de partij van Hubrecht van Vianen,
Jan van Linschoten, Jacob van Lichtenberch, en andere samenspannende
Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen
Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De
Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan
door den Aartsbisschop van Keulen, en nog veel meer vrijwillig
door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame
stad Utrecht, waar de Burgemeester Jacob van Lichtenberch thands
het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche
Ridders, Diederic van Wassenaer, Henric, Burchtgraaf van Leyden,
Filips van Duvenvoirde, Simon van Benthem, en Jacob van der Woude,
rukten daarop hunne dienstmannen by een, om Lichtenberch ter hulp te
komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op de Hooge-woerd,
eene vlakte, omstreeks den oever des Ouden-Rijns. Met schetterende
klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers
tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder
aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds
vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw
een trompet van de zijde van Montfoort, en de banier, weldra boven de
aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers
gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een
nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een
groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde
manlicken, om den seghe te vercryghen." Maar de moedige Bisschop gaf
het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche
heir, als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne
waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde,
viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze
strijd geschiedde op den 12en Juli, 1301. Sweder van Montfoort had
de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.

In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl Bisschop Jan van Arckel voor
het kasteel Woudenburch, en zijn Maarschalk voor dat van Ruwiel lagen,
zonden de Ridders Jan van Culemborch en Gijsbrecht van Vianen hem een
ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen
en kasteelen. Burchtgraaf Sweder deed daarin dapper meê, zonder dat wy
weten of hy er oorzaak toe had; maar Jan van Arckel was geen Bisschop
om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers
van Woudenburch gebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had,
ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad
en het kasteel Montfoort, beide door Sweder bezet en verdedigd.

De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de
bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker
en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het
beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als
van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig:
hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen
een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen
ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en
lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende,
getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men
om zijne groote goederen Sweder den rijke noemde, eene belangrijke
som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het
doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar
het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge
recht in de Heerlijkheid Montfoort, voor altoos, terwijl hy het lage
recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder
ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining
van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag
met Schout, Schepenen en gemeene buren van Montfoort, waarby deze
beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met
niemant, wie 't ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den
Bisschop van Utrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.

Het zij nu dat Sweder edel genoeg dacht, om ook eene door den nood
afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den
geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield--het blijkt niet,
dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig
te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan
zijn voorgevallen.

Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoon Henric [16]. Deze
Burchtgraaf, die zich den tytel van Heer van Montfoort aanmatigde,
verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk van Abcou, Heer Willem,
tegen Bisschop Floris van Wevelichoven, en eigende zich met kracht
van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby
het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop
niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te
berooven, en belegerde het slot van Abcou; toen hy dit overmeesterd,
en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich tot
Henric van Montfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het
Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den
verdragsbrief van 1297: Bisschop Floris wilde, als een voorzichtig
Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen
gebied meer dan gevaarlijk werd, en thands de machtigste zijnde,
maakte hy, als 't gewoonlijk gaat, van die macht misbruik.

Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van
de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond,
werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen
de banne van Montfoort meer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy
er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de
stad Montfoort te komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken;
en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende
tegen de bisschoppelijke leenheerschappij. Henric verdedigde zich
met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd
jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de
stad Utrecht in leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen
uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond
uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch,
en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid
voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak
zou worden uitgesproken volgends het Landrecht van Utrecht, door den
Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge
waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen,
en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring
volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen
Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden;
maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten
nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men
niet voornemens was te onderzoeken, maar wel te oordeelen. De Bisschop
bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar
tegen in: dat de Burchtgraaf zich  het hooge rechtsgebied willekeurig
had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan,
waarover voldoening gegeven moest worden. Heer Henric verklaarde die
gaarne te willen geven--mits zijn schuld uit het onderzoek blijken
zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig
bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak
wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. Maar Henric was
te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog
gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht,
of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche
schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en
den meesten van den lande." En daar hem zulks niet werd toegestaan,
verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men
hem opzettelijk zijn recht onthield.

Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht,
nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf
had Heer Henric verlijd met het Dijkgraafschap »tusscen den nywen-Dam
ende Sevenhoven, die Lecke langens, ende tusscen den nywen-Dam ende
Haestrecht, weder die Ysel langens," gelijk dit van ouds Stichtsch
eigendom geweest, en steeds door de Montfoorts al van over honderd
jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder
eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de
Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met
brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen,
Leenmannen en Steden van 't Sticht met den Burchtgraaf te breken;
en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een
bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen
naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor
goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende
meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met
een sterk leger voor Montfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde
oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde
er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte
schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werking werden
gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een
aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de
bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen,
deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte
sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd
gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen
gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en
een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde
niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen
als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het
gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht
te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche,
thands Luyksche, Bisschop Aernout van Hoorn, oom van Heer Henrics
gemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te
bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde
voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het
hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen
toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:

Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden
door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen
zich nimmermeer Heeren, maar Burchtgraven van Montfoort schrijven. De
stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en
diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar
te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot
het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het
Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet
meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten,
of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich te Montfoort
neêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader
uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en
andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet
verandwoord had, terstond uitbetalen; ook moest hy de oirconde van
Bisschop Jan van Nassau aan den Luykenaar in handen geven, waarvoor
hy een andere van Bisschop Willem zou ontfangen, inhoudende de nieuw
gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen
uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden
tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden
worden.

Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest
zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder
hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen,
blootshoofds en in 't openbaar, dragende in zijne hand de sleutels
van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven,
daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed
van trouwe doende [17]. En totdat deze zoen geheel geregeld was,
mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig
man in Utrecht legeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van
den Bisschop van Utrecht en van Amersfoort zoo wel op der stede als
op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen
dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde
gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan
komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemde
Henric van Montfoort, Heer Henrics neef, die daarom van zijne anders
denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten,
den toenaam »de Rover" ontfing. Wy lezen ten minste: »dese Heer Henric
de Rover, Heer Willems soon, bleef doot in het besit van Montfoort,
t'welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des
Vrydaechs nae Pinsterdach."

Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraaf weer huiswaart
rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan
nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop van Utrecht te
dienen, deszijds den IJssel met 25 speeren [18], op eigene kosten,
en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe.

Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn
»lieven, geminden Heer", en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags
na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387." Nogtans verklaarde hy, en
wel, zonderling genoeg, tevens in 't volle kapittel, by zijn eed en
ridderschap, dat hy 't alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid,
vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook
schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde
Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends
des Ridders sterke bewoordingen in 't kapittel.--»Daarmeê neem ik
geen vrede," sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop,
en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht
niet benadeelen:--omdat allen, die hierover moeten zitten, niet
tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den
vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die
men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen,
Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht
verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap
beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende,
daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten
oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren
beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken;
omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft,
en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in
't bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest."

Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo
knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed
en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw
van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was
hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste
gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen
recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnen Montfoort,
door zekeren Jan Jans van Boemel, een manslag gepleegd op eenen Arent
den Schermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en
maakte er zich meester van den moordenaar, die, naar Utrecht gevoerd,
daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.

Van Henrics twee zonen, Sweder, Ridder, en Jan, Domdeken en Proost te
Utrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch
wel billijk ware geweest. Bisschop Frederic van Blanckenheym weigerde
dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in
't openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig
was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, 't zij nu dat
deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op
zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde,
ter strengere handhaving van zijn gezach--hy liet zich eindelijk door
bidden en dreigen van Sweder en diens vrienden bewegen, om hem met het
Burchtgraafschap te beleenen, maar--op de zelfde voorwaarden, waarop
Heer Henric dat ontfangen had. Heer Sweder bleef geen andere keuze,
en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor,
waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel
aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop,
thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en
hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van
gewelde" te zullen laten.

Toen Sweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de
zelfde strijd. Zijn broeder Jan, de Utrechtsche Domdeken, had de kap
aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon
echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap,
waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel
almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil
tusschen hem en Bisschop Frederic, over het verbreken der overeenkomst
van 1387, waarin Graaf Willem van Holland, als scheidsman, hem echter
in 't gelijk stelde.

De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel
werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden
tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beieren tot dadelijken
krijg overgingen, en de Montfoorters des Bisschops partij kozen. In
dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijc
van Montfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:

By een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijc
in der haast te Montfoort zoo vele manschappen samen, als er uit
de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde
deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand
tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver Van der Beke,
toen Heer Lodewijc  met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als
een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de
vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en
streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en
stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal
volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden,
want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die van Oudewater moesten
't eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man
aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf
met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinte
Martyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren."

Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos
behandelde Jacoba van Beieren zoo menig goede dienst, dat zy hem
uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie
Heerlijkheden, palende aan het Land van Montfoort, namelijk: Linscoten,
Hekendorp en Snelrewaerd, die hy later, schoon eerst onder Filips
van Borgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy
ook bezittingen in Holland verkregen: de Heerlijkheid Purmerende,
die hy in 1431 van den Ridder van Sijl had gekocht.

Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman,
van den Bisschop van Utrecht tot den Burchtgraaf van Montfoort, in eene
omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende
oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschen Rudolf
van Diepholt en Sweder van Culemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag
tusschen Bisschop Frederic en Jan van Beieren buiten gesloten, vond
zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak,
waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door 't groote
meerendeel der Stichtenaars gehaten, Bisschops Sweder koos. Hy leende
dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000
Hollandsche Wilhelmsschilden [19], en ontfing daarvoor ten jare 1430
in pandschap de hooge Heerlijkheid van Montfoort, met uitdrukkelijke
voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo
dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en
krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te
rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden
zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren van Montfoort,
wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk
hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde.

Heer Jan van Montfoort had alzoo door zijne rijkdommen verworven,
wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden
getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet
gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te
feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.

Uit zijn huwelijk met Cunigonde van Bronchorst waren hem drie
zonen geboren, Henric, Willem, en Sweder. Henric, een heethoofdig
en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voor
Agnes van IJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het
huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare
bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aan
Blocland, de andere in Benscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy,
ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden,
een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van
geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd
geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te
onterven.

De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene
omstandigheden, kwam Henric tot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen
vader te dwingen. Gants in 't heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen,
waaronder voornamelijk de verwanten van zekeren Jan van Naerden,
poorters van Woerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale
op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen
naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken"
gevangen hield. Zyn broeder Willem, wien dit verdroot, begaf zich, daar
de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos
was, naar Holland, en klaagde Filips van Borgondiën wat er te Montfoort
plaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den
ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling
noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk,
waarby Johan in het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd,
onder voorwaarde, dat hy Jonker Henric noch onterven, noch ook maar
een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men
echter daarby op eene andere plaats: »deselve Heer Johan Voorsz. sterf
daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach," dan
heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, dat Henric in
zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken,
het gezach over 't Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder
zich aan de gemaakte bepalingen te storen.

In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn
broeder Willem voor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen te
Utrecht zoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier
stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden
voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne
handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed
verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige
staatkunde evenwel van Filips den Goede, die in de toekomst alreeds den
opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoon David zag bekleeden,
sloot zich den Montfoorters aan, en maakte hen, door een verbond
van onderlingen bystand met hem en de Edelen van Mynden, Zuylen,
Cronenborch en anderen, waarby zich ook de Stad Amersfoort voegde,
zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en Bisschop
Rudolf de hand konden bieden, om hem weder in 't bezit zijner met hem
in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed
op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den
slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort
te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed
hem toch eene belangrijke boete betalen. Willem van Montfoort hield,
na de bevrediging door Filips, geheel de zijde zijns broeders, en
beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen van Utrecht
te vertoonen, eene opschudding binnen de Stad ten voordeele van Rudolf
te verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.

En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.

Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche
gewoonte, het bestuur binnen Utrecht veranderd, en de poorters
hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en
drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van
den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer,
waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy
eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort
en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in 't
heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam--en,
in hare duisternis verborgen, ook Bisschop Rudolf. Met hem waren zijn
neef Proost Coenraad van Diepholt, de Domproost Sweder van Culemborch,
Burchtgraaf Henric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene
bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der
krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene
ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop
de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers
den toegang. De Utrechtenaars, door 't gerucht en de kreten thands
gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker
te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht
greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die
van Utrecht niet in den rug gevallen--de Bisschoppelijken hadden de
stad waarschijnlijk niet behouden. Rudolf behaalde de overwinning,
maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank
ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van
belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de
voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden,
en waarin natuurlijk zijn broeder Willem deelde, wiens banvonnis door
den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.

Na den dood van Bisschop Rudolf schijnen de broeders minder eenstemmig
geweest te zijn: Heer Willem wordt gevonden op de lijst dergenen,
wien, als tegenstanders van Bisschop Gijsbrecht van Brederode, in 1456
by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat
zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos,
met Reynout van Brederode en Johan van Cleve naar Leyden begaven,
om Hertog Filips met den Bisschop en diens stad te bevredigen.

Twee jaar later, 1458, overleed Henric, en werd opgevolgd door zijn
zoon Johan den Tweede, bekend onder den naam van Johan de Rijke,
thands Heer van Montfoort, Lynschoten en Purmerende, en, door zijn
huwelijk met Willemyne, Erfdochter van Naeltwyc, na 1496 tevens Heer
van Naeltwyc, Cappelle en Wateringhe, en Erfmaarschalk van Holland. Het
verlij met Montfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel
en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen,
die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide Heren Florens
van Wevelkoven, Bisscop te Utrecht an die een zyde, ende Heeren
Henrick Borchgrave tot Montfoirde an die ander zyde, gededingt was,
begrepen syn." Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrecht niet
onder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste
vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der
Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel
meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn
vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469
te rug keerde. De oversten der gilden te Utrecht gaven hem toen,
met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over
zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die
door den Domproost, door Heer Jan van Renesse, en andere voorname
leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden
van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond, en waarvan
de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn,
eene som van 10 rijnsguldens (f 13.) en 14 stuivers beliepen.

Bisschop David van Borgondiën, die niet zeer by zijne poorters
gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel
eenige achterdocht geraapt hebben [20]; hy vond ten minste goed om hem
naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van
trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474. Johan
gaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter
goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy,
in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te
steunen, zijne onderzaten in 't algemeen minder van zich verwijderd,
en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit
evenwel niet--en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met
zijne stad Utrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman
verkoos. Johan was voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnen
Utrecht te vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was
er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam
dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der
Hoekschen in Holland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig
inwerkte. Toen Reynier van Broechusen in 1481 de stad Leyden voor die
partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok,
spoedde hy zich over Woerden naar Montfoort, wel wetende daar eene
goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de
Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene
zware proef werd gesteld. De Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk
zette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na,
kwam voor de stad, eischte vrijen ingang, en daarby de uitlevering
van Heer Reynier met diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander
andwoord dan hy verwacht had: die van Montfoort stelden zich te weer,
en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche
benden spelen, zoodat Maximiliaan zelf byna door een serpentijnkogel
gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon 't Palmzondag was,
te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen,
tot de eigendommen van Montfoort behoorende, aan de vlammen te hebben
opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in den Hage, of hy vaardigde
tegen Broechusen, Henric van Nyevelt en anderen, waaronder ook Johan
behoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy
onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam
dit op het verlies zijner Heerlijkheid Purmerende te staan, met wier
inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond.

Maximiliaans maatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten
zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust
maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den
Aartshertog af te bidden. David stelde ter voorwaarde de uitdrijving
van den Burchtgraaf, 'tgeen den Raad in groote ongelegenheid en
tweespalt bracht, en ten gevolge had dat Johan, die in den laatsten
tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen
verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neef Henric van
Zuylen van Nyevelt voor het stadhuis trok, waar hy de stads banier
plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen
deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam
tot handdadigheid; het staal besliste--de Burchtgraaf verdreef zijn
tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.

Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half
genoodzaakt, de zijde van Maximiliaan, stelde Frederyc van Egmond
van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als
Legeroverste aan, ontfing uit Holland, behalven 400 wapenknechten
onder Jan van Cats en Jacob van Boshuzen, den bekenden Ridder
Petit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het
mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en
hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den
Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een
Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den Stadhouder
La Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10en dier
maand het beleg sloeg voor het blokhuis te Vreeswijc aan de vaart,
dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die van Utrecht
de noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf
terstond de reizige-ruiters [21] en voetknechten uit Montfoort en
Amersfoort lichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok,
met zijn oom Sweder van Montfoort, Henric van Zuylen van Nyevelt,
Dirc van Zuylen van der Haer, Vincent van Swanenburch, en Willem van
Wachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat
het leger by Engelenburch was gerangschikt, werden Vincent, Willem,
en Dirc (Henric weigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de
vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat
het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen
weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene
achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den
eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door
een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste
verwarring op de vlucht. Op de wegen naar Schoonhoven, Oudewater,
Woerden, en IJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne
wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in
de Leck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan
te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot
in het duister van den laten avond zettenden Montfoort en de zijnen
hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad,
geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde
vanen van Dordrecht, Delft, Rotterdam, en Heusden, trokken zy in triomf
hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door
gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed
niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche
steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de
Burchtgraaf van Montfoort niet tegen den Aartshertog van Oostenrijk,
op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen
over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren
afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever
de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad
zou zien gaan,--dat hy en zijne aanhangers liever den nood van
honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle
poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, dat Utrecht
ongeschonden onder de heerschappij van Bisschop David zou te rug komen.

Een listige aanslag tegen Naerden, 8 Dec. 1481, met goed gevolg
bekroond, maar door toeval zonder ondersteuning gebleven, werkte
meer kwaads dan goeds, daar de Hollanders terstond daarop de plaats
bezet hielden, en van daar uit herhaalde strooptochten deden. Ook
hielp het Eemnes weinig, of een honderdtal Stichtsche krijgers het
kwam versterken:--de bloeiende plaats werd door het Hollandsch leger
ingenomen en zoo deerlijk verwoest, dat zy zich nooit weder heeft
kunnen herstellen. Evenmin baatte het Baern en Soest, dat hunne
inwoners beroemd waren om heldenmoed zoowel als om bekwaamheid
in het voeren van den boog:--beide dorpen werden overvallen, en de
gloed hunner vlammen lichtte tot op den Amersfoortschen berg, vanwaar
Engelbert van Cleve ze aanschouwde, juist toen hy naar Utrecht trok om
het hem aangeboden ruwaardschap over het Sticht te aanvaarden. Tot
die aanbieding was men overgegaan op raad van den Burchtgraaf,
die de noodzakelijkheid van een machtigen bondgenoot al te wel
inzag, sedert hy zich overtuigd hield, dat de vrede met Maximiliaan
zonder herstelling van den Bisschop onmooglijk werd. Engelbert-zelf
was slechts negentien jaar, zijn broeder, Hertog Jan, een machtig
Heer.--Waarlijk! de vroede, maar al te heerschzuchtige Burchtgraaf
had geen beter bondgenoot kunnen kiezen.

De Stichtsche zaken werden er evenwel niet gunstiger door. Die van
Utrecht, by een uitval in eene hinderlaag gelokt, verloren 150 dooden
en 100 gevangenen [22]. Dat gaf eene droevige verslagenheid binnen de
stad, waar de lagere klasse alreeds gebrek, de kleine burger behoefte
begon te lijden, en de meer-gegoeden en rijken de toekomst beängst
gingen inzien. Montfoort ging onwankelbaar zijn weg: hy versterkte de
wallen, deed scherpe wacht houden, en de landstreek rondom onder water
zetten. Den 15en Januari 1482 verscheen de Stadhouder van Holland met
zijn leger naby Utrecht, maar trok, na eene vruchtelooze opeisching,
drie dagen later weder te rug. Twee maanden verder, 18 Maart, deed de
Burchtgraaf, door Vincent van Swanenburch, Vianen innemen en bezetten;
maar den Raad der Bisschopsstad was dit weinig naar den zin, en hare
burgers droegen er eerder meer dan minder oorlogskosten om: beiden
morden in stilte, en de wolken, die boven de kim van Montfoorts gezach
oprezen, werden hoe langer hoe zwarter en dreigender. Een mislukte
toeleg op Dordrecht, in April, beterde daar niet aan. De Burchtgraaf
meende zelfs op het spoor eener samenzwering te zijn, deed eenige
burgers de stad ruimen, en haalde er verscheidene vroegere ballingen
weder in; een burger, die kwalijk van hem gesproken had, werd openlijk
onthalsd. In kleine, afmattende strooptochten en schermutselingen
(by een van welke Jan van Schaffelaer die grootheid van ziel toonde,
die wy nog met eerbied bewonderen) ging de oorlog steeds voort,
meestal met verlies aan de zijde der Stichtschen. Eindelijk meende
men dat de tijd voor groote handelingen aangebroken was: de Cleefsche
hulpbenden zouden weldra opdagen, en in afwachting daarvan, om tot eene
bestorming over te gaan, sloeg de Burchtgraaf het beleg voor de stad
IJsselsteyn. Maar zelfs hierin maakten onvoorziene omstandigheden zijne
kloeke maatregelen weer te schande: toen de Cleefschen nu ook werkelijk
waren aangekomen, verklaarden zy gezonden te zijn om te stroopen, niet
om steden te bestormen, en weigerden volstandig alle meêwerking. Hy
moest dus met bittere teleurstelling weder aftrekken, daar zijne
eigene manschap te weinig in getal was. Beter integendeel dan deze
onderneming slaagde die der Hollanders, in de maand September, op het
blokhuis Gildenburch aan de vaart: de tijding van de overmeestering
en volkomen vernieling dezer sterkte baarde te Utrecht weder nieuwe
angst en bekommering.

De roem van des Burchtgraven persoonlijke dapperheid leed toch
volstrekt niet onder de gedurige mislukking zijner kloekberaamde,
maar door anderen slecht uitgevoerde of ondersteunde plannen. De
koene Ridder Jan van Egmond [23], wiens gebrek aan den voet door
eene dubbele mate van kracht in de borst meer dan opgewogen werd,
voelde begeerte om zich met den Montfoorter, man tegen man, in
het strijdperk te meten. Hy zond hem daarom eene uitdaging tot een
ridderlijken tweekamp; de overwinnaar zou van den overwonnene een
losgeld van 1000 kroonen erlangen. De Burchtgraaf liet zich echter
niet overhalen. Misschien achtte hy het ongeraden, om het vertrouwen
op zijne dapperheid aan den onzekeren uitslag van zulk een strijd prijs
te geven, vooral in een tijd, waarop hy het getal zijner aanhangelingen
met den dag verminderen zag. Zelfs Engelbrechts gezindheid te hemwaart
nam af, blijkends diens goedkeuring op de verkiezing van Aernt Ram tot
Schout en Schepen-Burgemeester der stad, 12 Nov. 1482, in de plaats
van den overleden Jan de Coningh:--Rams goed-hoekschgezindheid was
niet buiten verdenking.

De volkomen nederlaag deed zich niet lang wachten. Op den 4en April van
het volgende jaar, terwijl de Ruwaard zich te Amersfoort bevond, brak
er eene omwenteling uit, die Bisschop David in de stad, en Johan van
Montfoort met eenigen der zijnen in de gevangenis bracht. Gelukkig
voor den Burchtgraaf was Henric van Zuylen van Nyevelt nog in
vrijheid. Deze wakkere bondgenoot (dien de kronijk »een cloeck,
stout, vroom man" noemt) verzamelde met den Ruwaard en Gijsbrecht
Baes een deel gewapenden, overviel de stad op Hemelvaartsdag, en
verloor er wel het leven, maar sprak nog stervende zijnen volgers zoo
vurigen moed in, dat zy werkelijk boven des Borgondiërs aanhang meester
bleven. De Bisschop, in 't onzekere over den afloop, had intusschen den
Burchtgraaf voor zich doen brengen, en was met dezen overeen gekomen,
dat de een des anderen lijf zou schutten, wiens partij ook overwon. De
Burchtgraaf hield woord: hy beschermde het leven van den Kerkvoogd,
die naar Amersfoort gevoerd en aldaar gevangen gehouden werd.

Nu begreep men in Holland om tot afdoende maatregelen over te
moeten gaan--en de stad Utrecht zag zich weldra door eene sterke
belegering onder Maximiliaan geheel ingesloten. Vergeefs waren alle
onderhandelingen, en de Aartshertog was eindelijk oneerlijk genoeg, om
de afgezonden onderhandelaars, Engelbrecht van Cleve en Burgemeester
Gerrit Soudenbalch, gevangen te houden. De Burchtgraaf, die met hen
was, ontkwam by geluk. Door een heimelijken vriend gewaarschuwd, nam
hy den schijn aan als of hy, ter uitbreiding van hunnen lastbrief,
spoedig naar de stad moest gaan, en terstond te rug zou keeren; zoodra
hy echter in 't zaal zat gaf hy zijn ros de spooren, en rende heen in
volle vaart. Dat mag achterdocht verwekt hebben: eenige reizige-ruiters
zetteden hem terstond na, en waren hem dicht op den voet, toen hy
gelukkig naby de boomgaarden was, van 't paard sprong, en dwars door
't geboomte, over slooten en greppels, langs bypaden en heimelijke
wegen voortsnellende, behouden de poort bereikte. Zondag daarop werd de
stad heftig bestormd door de Hollandsche benden, maar de Burchtgraaf
sloeg ze wakker af. By eene volgende bestorming werd de voorstad de
Waard verloren, waar de vijanden zich nestelden, en vooral geschut
plaatsten. Op het einde neep het gebrek in de stad gevoelig; men kwam
tot een verdrag, en op den 6en September 1483 trok Maximiliaan als
overwinnaar, door eene gemaakte bres in de wallen, Utrecht binnen. De
tot overmoed aangegroeide heldhaftigheid van Johan van Montfoort had
niet geholpen: in genade aangenomen, vertrok hy naar zijne eigene stad,
maar peinzende hoe hy den Cabiljaauwschen toch verder afbreuk zou doen.

De gelegenheid daartoe kwam.

Een klein uur zuidwaart van Montfoort hief steeds het zware kasteel van
Woerden de grijze spitsen boven het geboomte. De Burchtgraaf vernam,
dat de Hollandsche Slotvoogd Aernout, bastaart van Ysselsteyn, een
schraapziek Ridder was, die, bouwende op de sterkte der burcht, de
door hem genotene inkomsten niet, gelijk het zijn moest, ten deele
tot het uitrusten en in standhouden eener goede bezetting besteedde,
maar ze geheel voor zich-zelven behield, zoodat er slechts éen man
de nachtwake deed en ieder uur éenmaal de wallen rond ging, om onraad
of kwaden aanslag te verspieden. Toen was zijn plan gemaakt.

De lange nacht na den tweeden Kersdag, 1488, hing met hare doodsche
stilte op het kasteel van Woerden, toen Heer Aernout door wapenklank en
staalgekletter werd gewekt. En eer hy nog zijne echtgenote opmerkzaam
kon maken, ging de deur van het slaapvertrek open, vertoonden zich de
Burchtgraaf met diens oom Sweder en eenige andere Hoeksche Edelen, in
volle harnas en met getrokken zwaard, voor den ontstelden Kastelein,
en verklaarden hem hun gevangene. 's Morgens zagen de omwoners van
het kasteel met verwondering en schrik, dat er niet meer de liebaart
van Holland, maar de banier van Montfoort in de koude Decemberlucht
wapperde. Zoo onverwacht en ijlings was de burcht in de nacht beklommen
en overmeesterd geworden.

De Burchtgraaf zorgde beter voor eene goede bezetting, en hield
er zich dikwijls op, zendende zijne gewapende knechten tegen de
Hollandsche dorpen uit. »Ende dair geschieden veel rovingen, branden
ende brantscattingen ende andere dingen, alsmen in zulken feiten
van orlogen plach te gebruiken: van scepen ende scuiten, die na der
Goude ende Utrecht voeren te beroven ende te bescadigen. Ende alle
dye dorpen, ghelegen tusschen Leyden, Hairlem, ende Amstelredamme
mosten allegader meest brantscattyngen gheven: dair hy alten groten
swaren goet of creech."

Een aanslag op Leyden, met den uit Rotterdam afgezonden Heer van
Naeltwijc beraamd, mislukte, even als later een op Naerden. Maar
in dien tusschentijd overmeesterde de Burchtgraaf het blokhuis by
Woerden, en verwoestten zijne krijgslieden, op een helderen Oktoberdag
in het natte najaar van 1489, het versterkte Bodegraven. Kort daarna
overvielen zy Stolwijc, en legden het mede in de asch; ja zy trokken
door de veenen tot Nyeberch, en plunderden het, niettegenstaande de
dorpelingen aan den Burchtgraaf brandschatting betaalden.

De klachten, over dezen onophoudelijken moedwil gerezen, deden
eindelijk den Stadhouder-Generaal, Hertog Aelbrecht van Saxen,
gehoor geven aan het verlangen van Edelen en steden, om Montfoort,
het brandpunt dezer verzengende stralen, te belegeren. In het laatst
van Mei, 1490, kwam hy met vele Ridderen, Heeren, en knechten, in 't
geheel een groote macht volks, en sloeg zich om de stad en het kasteel
neder. Terstond werden de donderbussen en andere schietwerktuigen
opgericht, en weldra dreunde de grond onophoudelijk van den donder des
geschuts niet alleen, maar ook van de vallende steenklompen van muren,
poorten, en torens: het geschut werd goed bestierd, en richtte geduchte
verwoestingen aan. In 't begin van Juli werd tot den storm besloten,
en de Henegouwsche knechten deden den eersten aanval; maar daar zy door
de Duitsche benden niet behoorlijk werden ondersteund, en de wakkere
Montfoorters zich hunnen Burchtgraaf waardig toonden en hen vromelijk
te lijf gingen, werden zy met verlies te rug geslagen. De Hertog liet
zich echter door eene eerste mislukking niet ontmoedigen. Nog in het
laatst der zelfde maand gelastte hy eenen tweeden storm--maar die
niet beter afliep: de brug, door de bestormers met groote moeite over
de gracht gelegd, begaf hun en zonk; daar ontstond groote verwarring;
zy werden nogmaals afgeslagen, en verloren een groot aantal gekwetsten
en dooden. Onder de laatsten telde men den Grave van 'Tsoorle, wiens
broeders reeds in den Utrechtschen oorlog waren gevallen.

De moed van den Burchtgrave en der zijnen werd door den gelukkigen
uitslag van hunnen weerstand niet weinig gestijfd. Herhaaldelijk
deden zy onverwachte uitvallen in het Hollandsche heir, sloegen er
menigen vijand neder, en keerden gemeenlijk met buit en gevangenen
te rug. Zeker, de Hertog mocht al de overtuiging hebben, dat stad
en burcht, steeds ingesloten door een macht als de zijne, eenmaal
zouden moeten overgaan--maar hoe lang zouden zy 't nog volhouden,
aangevoerd en aangevuurd door een stouten bevelhebber als Johan van
Montfoort? Eene dergelijke overweging mag wel hebben bygedragen tot het
leenen van een gunstig oor, toen in Augustus de Graven van Nassau en
van Chimay in Holland kwamen, en den Hertoge woorden van bevrediging
toespraken, ten einde »dese twist, schade, hinder ende grote
verderflijcke oncosten ende dye grote bloedstortinghe te beletten."

En werkelijk kwam het nu spoedig tot eenen zoen, nadat de belegering
byna vier maanden geduurd had. De beide strijdende partijen werden
vereenigd, maar hoe of op wat wijze, zegt de kronijkschrijver, dat is
onder de Heeren geheim gebleven, en het algemeen is er onkondig van
geweest; alleen weet men, dat de Burchtgraaf beloofde geen Hollandsche
ballingen op zijn burcht meer te herbergen. Voor 't overige deed
hy hulde en manschap aan Maximiliaan en diens zoon, en leverde het
kasteel van Woerden te rug in handen des Hertogs, die het terstond
van een waakzamer Kastelein en behoorlijke bezetting voorzag.

Nu haalde Holland weder ruim adem: de belemmering van wegen en vaarten
werd opgeheven, zoodat men overal weder vrij en veilig reizen en
trekken kon.

Ongestoord en rustig bleef de rijke Burchtgraaf thands in het bezit
zijner goederen. Dat er echter geheime vijanden waren, die hem dit
misgunden, mag worden opgemaakt uit een vreemd voorval van eenige
jaren later, waarby men moeielijk alleen aan al te koene vrijbuiters
denken kan.

Het was in 1495, kort na den 14en Juli, waarop er zulk een ontzettend
onweder gewoed had. De nacht was gedaald, en mag wel niet zeer helder
geweest zijn, toen eenige mannen, aan de gracht van het kasteel te
Montfoort genaderd, er eene schouw te water brachten, kennelijk met
het doel om de wallen te beklimmen. Maar het was hier niet, zoo als te
Woerden: De naauwlettende wacht werd opmerkzaam, en in een oogenblik
was de gantsche bezetting op de been. Haastig namen de vijanden de
vlucht, en wie of wat zy geweest zijn, is altoos een raadsel gebleven.

Bisschop Davids opvolger, Frederic van Baden, in 1499, kort na het
ten onder brengen van de Heeren van Wisch, met den Hertog van Cleve
in oorlog geraakt, behoefde herhaaldelijk geld, dat hy wel voor een
groot deel, maar toch niet geheel en al, by zijne getrouwe steden van
het Bovensticht vinden kon. Hy wendde zich daarom ook tot Burchtgraaf
Johan, die hem met vier duizend gouden rijnsguldens bystond, en
daarvoor het recht der hooge heerlijkheid weder in pand ontfing voor
zich en zijn geslacht, tot zoolang de pandsom weder te rug betaald
zou zijn. De oirconde daarvan werd den 21en Augustus 1499 bezegeld,
en op Sint-Andries [24] daarna beloofde de Bisschop, by open brieve,
dat hy-voor-zich het pand nimmer zou doen lossen.

De Burchtgraaf maakte zich ook nog in zijn ouderdom by den Bisschop
verdienstelijk, want het was vooral aan zijne onverpoosde bemoeiïngen
te danken, dat de vrede tusschen Utrecht en Holland in het voordeel
van den Prelaat tot stand kwam, en in het laatst van Juli, 1511, met
de Landvoogdes Margareta van Oostenrijk gesloten werd. Verder vindt
men niets byzonders meer van hem opgeteekend. De juiste datum van
zijn overlijden schijnt niet bekend te zijn; hy leefde nog in 1512,
maar zijne echtgenote was hem reeds in 1506 door den dood ontvallen.

Hun zoon Joost van Montfoort, gehuwd met Anna van La-Layng, volgde hem
op, en werd in 1530 door Keizer Karel den Vijfde in alle voorrechten
bevestigd, hoewel het Hoogheerlijk recht, waarop de Burchtgraven
zoo grooten prijs stelden, merkelijk was besnoeid door het sedert
eenigen tijd te Utrecht gevestigde provinciaal Gerechtshof. Heer
Joost overleed reeds in 1539, terwijl zijne kinderen Johan en Filippa
nog minderjarig waren, weshalven Vrouwe Anna ten hunnen behoeve het
Burchtgraafschap bestuurde.

De Stichtsche zaken waren thands onder het waereldsch beheer
allengs op een geregelder voet gekomen, zoodat men de vroeger
gemaakte pandschulden kon beginnen af te lossen. Zoo werden in
1545 aan de voogden van Joosts oudsten zoon Johan de vier duizend
rijnsguldens te rug betaald, die in 1499 aan Bisschop Frederyc waren
voorgeschoten. Daarmede werd natuurlijk de vergunning tot uitoefening
van het hoog gerecht ingetrokken. Te vergeefs trachtte Johan dit
later weder in bezit te krijgen; en toen hy eene proeve waagde,
om het eigenmachtig weder uit te oefenen, werd hy in 1551 door het
provinciaal Gerechtshof van Utrecht daarin belet.

Hy overleed kinderloos, en het Burchtgraafschap kwam alzoo op
zijne zuster Filippa. Deze huwde met Heer Jan van Merode, geboren
uit het aanzienlijk Grafelijk geslacht van dien naam, uit Gulik
herkomstig, en aldaar reeds in 1250 bekend. Hy werd in 1583 met
het Burchtgraafschap verlijd, maar bezat het niet zoo lang als zijn
schoonvader. Zijn huwelijk had hem geen zonen, slechts eene dochter,
Anna, geschonken. Anna van Merode was dus Erfdochter van Montfoort,
en trad in den echt met Filips van Merode, Baron van Petershem,
die op den 8en December 1593 als Burchtgraaf werd erkend. Onder zijn
bestuur, in 1617, werd met goedkeuring der Staten-Generaal en die van
Holland de gracht gegraven, die van het water de Linschoten tot aan
de IJsselpoort loopt, en der scheepvaart vrij wat gemaks verschafte.

Zijn zoon, naamgenoot, en opvolger, Filips van Merode, van wien wy
niets meer weten, dan dat hy, Vrijheer van Merode en Markgraaf van
Westerloo zijnde, in 1628 Burchtgraaf van Montfoort werd, stierf na
een twaalfjarig bezit, nalatende Ferdinand Filips van Merode, Vrijheer
van Merode, Graaf van Olem, Markgraaf van Westerloo, Burchtgraaf van
Montfoort, Heer van IJsselmonde, Ridderkercke, enz.

Met dezen Ferdinand Filips eindigt de rij der Burchtgraven van
Montfoort, wier historische figuur, na Johan den Rijke, ook hoe langer
zoo kleurloozer wordt. In 1648 verkocht hy het Burchtgraafschap en
de Heerlijkheid van Montfoort aan de Provinciale Staten van Utrecht,
voor eene som van 225,000 gulden.

Uit den belangrijken koopbrief van 4 Juli des gemelden jaars, zien wy
volledig wat toenmaals tot het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van
Montfoort behoorde, waarvan het voornaamste eene mededeeling verdient.

Allereerst: het recht van patroonschap over de kerk van Montfoort en
verschillende vicaryen, zoowel dáar als te Woerden en te Linschoten,
enz. Vervolgends:

De stad en vrijheid van Montfoort, met het rechtsgebied, het aanstellen
van Schout, Burgemeesteren, Schepenen, Sekretaris, Kerk-, Huis-,
en Schoolmeester, Bode, Organist, en Koster, en nog andere ambten en
bedieningen. Verder:

Het kasteel met grachten en verdere aanhoorigheden; de hof of boomgaard
in de stad, voor de poorten van 't kasteel; twee boomgaarden, waarvan
de een, het Cingel genoemd, binnen, de ander, tusschen de groote en
kleine grachten, buiten de stad gelegen is; het aan deze laatste
palende wilde bosch, met gebouwen, beplantingen en kunstheuvelen,
mitsgaders de opperhof, het olmboomenbosch, en de cingels daar buiten,
met de visscherij in de kleine gracht, al hetwelk in jaarlijksche pacht
werd uitgegeven; de visscherij in de grachten van het kasteel en de
stad, en gedeeltelijk in den IJssel, van Snadelenhoeck tot Oudewater;
de zwanendrift, het recht van den wind, de wind- en de roskorenmolen
met het molenaarshuis en erf, voor zoover dit den Burchtgrave behoort;
alle thynsen die hem toekomen, van verschillende huizen, boomgaarden,
en erven, binnen het Burchtgraafschap, jaarlijks bedragende 132
gl. en 5 st.; het heerenrecht van een aantal leenen en vasallagiën,
tot het Burchtgraafschap, de stad en het kasteel behoorende: Achthoven,
Heeswijck, Kattenbroeck, Papencop, enz.; het Erfdijkgraafscbap langs
de Leck, tusschen den Nieuwen-dam en Schoonhoven, en langs den IJssel
tusschen den Nieuwen-dam en Haestrechter-Were; de aanstelling van
Sekretaris en dijkbode by het kollegie van Dijkgraaf en Heemraden
van Lopickerweerd; enz. Bovendien blijkt uit den zelfden brief,
dat de Burchtgraven binnen de stad Utrecht bezaten een huis en erve,
genaamd: de Huizinge van Montfoort.

Het grootste gedeelte van al deze rechten en bezittingen kwam door
dezen koop aan de Staten, en alzoo werd het land van Montfoort voor
goed aan de provincie verbonden; de stad op zich-zelf was overigens
reeds stellig in 1530, en nog duidelijker in 1585, tot de leden van
het Neder-Sticht gerekend, en als zoodanig in de Provinciale Staten
vertegenwoordigd geworden. De burchtgrafelijke praal »metten aencleve
van dien," was nu voor altijd verdwenen, en men kon het kasteel
vergelijken by een grijzen eik, die het laatste groen, dat hem nog
tooide en vrolijk maakte, thands verloren had. Zeker, de landzaat
had nog eerbied voor zijne eerwaardigheid; maar wanneer daar eens
vreemden kwamen en te machtig werden, zou men dan de vernielende bijl
kunnen weeren?

Den 7en April 1672, verklaarde Frankrijk [25] aan het Gemeenebest den
oorlog, en, ten gevolge van de jammerlijke bekrompenheid der Algemeene
Staten (te laat ingezien!) waren de Franschen reeds in Juni meester
van Utrecht. Het spreekt van zelf, dat het bezit van eene plaats als
Montfoort, door een zwaar kasteel versterkt, den overweldigers niet
onverschillig was: den 21en Juni woei dan ook de lelievaan van den
burchttrans. De Montfoorters hadden aanvankelijk van deze eerste
vestiging niet lang te lijden: Lodewijk, in de eerste helft der
volgende maand ziende, dat de voorlanden van Noord-Holland allen
onder water werden gezet, gaf bevel om de voorposten uit Woerden
en Montfoort op Utrecht te rug te trekken. In de laatste helft van
September echter, toen de Maarschalk Luxemburg Utrecht door eene
lijn van versterkte posten beschermen deed, lag ook Montfoort in
die rij, en werd het kasteel van eene bezetting voorzien, die op den
7en Oktober 70 man bedroeg. In die zelfde maand trokken zy weder af,
maar niet zonder er eene altoosdurende herinnering aan hun verblijf
achter te laten: zy deden het kasteel door buskruit springen, en in
een verwarden puinhoop veranderen. Daarmede was echter de stad niet
van hunne plaag bevrijd, want toen de winter kwam, en Luxemburg zijn
voornemen, om over het ijs in Holland te trekken, ging bewerkstelligen,
was Montfoort in het laatst van December de verzamelplaats van 2000
man. Zoo duurde het by afwisseling met minder en meerder kwelling, tot
in de maand November des volgenden jaars, toen de snoevende vijand,
door de uitmuntende maatregelen van onzen grooten Willem den Derde
tot den aftocht genoodzaakt, het Sticht moest verlaten, en derhalven
ook Montfoort ontruimd werd.

Maar waar nu ook de geliefde Oranjevlag zegevierend mocht
wapperen--niet van het verdelgde kasteel, waaraan de stad haren
oorsprong dankte. Slechts de voorpoort, weêrszijds door een
dikken ronden toren beschermd, was staande gebleven, het gebouw
byna volstrekte ruïne geworden; de sterke muren waren gescheurd en
samengestort, de grachten ten deele met het puin gevuld. Metter tijd
werd een deel der bouwvallen wechgeruimd, een ander, gering gedeelte,
hersteld en tot woonverblijf geschikt gemaakt.

Die huizinge werd nog in 1833 bewoond door het geslacht Gobius,
dat toenmaals in het bezit van den opstal des kasteels was, en
dien op gemeld jaar aan de stad Montfoort verkocht. Later kocht
deze ook den kasteelgrond, aan het domein behoorende, en richtte
het huis tot eene kostschool in, die onder het bestuur van den
vroegeren hoofdonderwijzer aan de stadsschool eenig aanzien begon
te verkrijgen. De toenemende bloei der nieuwe inrichting bracht
der overigens arme en vervallene stad talrijke voordeelen aan,
en de stedelijke regeering, van gevoelen dat de inwendige goede
toestand zich ook wel in uitwendige verbeteringen mocht uitspreken,
besloot om daartoe het vervallen gebouw en den grond meer naar den
tegenwoordigen smaak in te richten. Ten gevolge daarvan, werden de
hier en daar nog overgebleven ringmuren wechgeruimd; de oude houten
stallen naast de voorpoort deed men door ruime steenen gebouwen,--de
knotwilgen langs de moerassige grachten door net plantsoen vervangen;
de brug over de gracht werd afgebroken en hare plaats gedempt, en zoo
ging er byna alle zichtbare herinnering aan het verledene verloren. En
waren niet nog de beide torens daar als proeven van den ouden bouwtrant
overgebleven--niemant zoude er aan een alouden slotbodem denken.

Sic tempora mutantur! Op de plaats, die dikwerf van krijgsgeschrei en
soldatenliederen weergalmde, klinkt thans de stem van dartele knapen;
en de grond, zoo vaak van het bloed der strijders doorweekt, brengt
kleurige bloemen voort. Zoo volgen de gebeurtenissen elkander op;
zoo wisselen de tijden van gelaat--en de geschiedenis van het Kasteel
der Burchtgraven van Montfoort eindigt met eene kostschool.



HET KASTEEL VAN IJSSELSTEYN.


Daar zijn oogenblikken in het leven, waarop men waarlijk in verzoeking
komt om te wenschen, dat sommige sprookjens uit de kinderkamer
zich mochten verwerkelijken. Dat zijn wel het minst oogenblikken van
kortswijl en luim--meer van hoogen ernst, en verreweg de meesten onzer
hebben ze wel eens doorleefd. Het zij ge koopman zijt, en u een (want
ge zijt Hollander! [26]) rechtvaardigen mammon tracht te verwerven;
krijgsman, en de rust onzer dagen verwenscht, wijl ze u belet bloedige
lauweren te winnen; geleerde, en dus het recht hebt om aan alles,
soms ook aan u-zelf, te twijfelen; staatsman, en zoo doordrongen
van de voortreffelijkheid uws stelsels, dat ge des noods den throon
uws Konings zoudt ondermijnen, om u-zelf op het republikeinsch
presidents-kussen te plaatsen--ja, schoon ge dit alles te gelijk
waart--dan nog is er wel eens een oogenblik in uw leven geweest,
waarop ge gewenscht hebt:--»dat toch steenen eens konden spreken!"

Het was dan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de
eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van
den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels,
die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt
hebben willen ondervragen, indien ge ook maar half verzekerd waart
geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen.

Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn--zoo hy Holland
bewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen van Brederode; zoo
hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen
van het Kasteel te IJsselsteyn--en ik vrees niet, dat hy, van daar
wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal.

Intusschen, wat de geschiedenis ook maar met eenige zekerheid van
het eerste vermelden kon, hebben wy reeds getracht in het geheugen
te rug te roepen [27]; beproeven wy dit thands ook met betrekking
tot het laatste.

De oorsprong van het edel geslacht IJsselsteyn kan met redelijkheid
niet vroeger dan op het midden der dertiende eeuw worden gebracht,
en wijst op eene afstamming uit het toenmaals zoo machtige Huis van
Aemstel. Wel vinden wy melding gemaakt van een Heer van IJsselsteyn,
in den Grimbergschen oorlog, 1144, gesneuveld, maar dit moet eene
vergissing zijn [28], terwijl Jan van IJsselsteyn, wiens erfdochter
Bertrande met Aernout van Aemstel zou gehuwd zijn, moedwillig uit
de lucht gegrepen is, om tusschen de beide geslachten een verband te
brengen, dat door historische documenten geheel wordt weêrsproken.

Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by
drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage
of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben.

Heer Gijsbrecht (de Derde) van Aemstel, die in 1251 overleed, had,
behalven eene dochter Badeloch, die met Herman van Woerden gehuwd was,
nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht,
hem opvolgde, de jongste, Willem, Proost van St. Jan was, en de
middelste, Aernout of Arent, wellicht verstandig zou hebben gedaan,
indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had
verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet
groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan
zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam, Janne,
of Joanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene
eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok
uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267
legde hy den grondslag tot de latere Heerlijkheid IJsselsteyn. Hy
pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel,
eenige goederen aan den IJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich
toen reeds met de Leck vereenigde. Het voornaamste daarvan was het
oude Eyteren of Heteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend
en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een
burch of stein, dien hy IJsselsteyn noemde, welke naam, vervolgends
op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van
het Graafschap Holland, als in die van het Bisdom Utrecht, byna even
spoedig vermaard als bekend werd.

Aanvankelijk legde Aernout zich vooral op het vermeerderen en
inrichten zijner bezittingen toe. In 1278 kocht hy van den Abt van
Oostbroec eenige goederen in het naby gelegene Geyn, en in het laatst
des volgenden jaars pachtte hy de tienden over de landerijen rondom
zijn kasteel gelegen, die aan het Maria-kapittel te Utrecht behoorden,
voor vijf jaren, tegen 154 pond 's jaars. De vijandelijkheden over den
Vreelandschen tol, door zijn broeder Gijsbrecht eigenmachtig geheven
[29], hadden inmiddels een einde gemaakt aan deze rustige bemoeiïngen
van het landleven. Aernout, Gijsbrechts partij kiezende, en mede breed
opgevende van de grieven, hun door den Bisschop aangedaan, ontzegde
zijn leenmanschap aan het Sticht, en nam in zijns broeders plaats het
bevelhebberschap van Vreeland op zich. Graaf Floris, den 5en September
1278 met Utrecht een verbond gesloten hebbende, sloeg weldra het beleg
voor dat kasteel, maar zag zich door Aernouts wakkere verdediging tot
den aftocht gedwongen. Maar toen de strijd by Loenen voorgevallen,
en Gijsbrecht daarby door Costijn van Renesse gevangen genomen was,
werd Aernout onmachtig om zich alleen staande te houden, en leverde
Vreeland in 's Graven handen. Daarop werd hy met zijne broeders naar
Zeeland gevoerd, en moest daar blijven in eerlijke gevangenschap, tot
zy zich hadden onderworpen aan de voorwaarden van den strengen zoen,
die op den 27en Oktober 1285 bezegeld werd, waarby zy hunne goederen
ten volle aan Floris moesten opdragen, en ze slechts gedeeltelijk
weêr in leen te rug ontfingen.

Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans
den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in 's Graven hechtenis
hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht
ontslagen zijn. Wy vinden Aernout ten minste in de voorhelft dier
zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid:
Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden
verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht
en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond
en vijf zalmen verhoogd werd.

Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds
in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. Vrouwe Joanna
(die door Grave Jan in het tijdelijk bezit harer weduwgoederen
bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste,
Heer van Benscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering
tegen Floris den Vijfde verkregen heeft, en de oudste, Gijsbrecht,
als tweede Heer van IJsselsteyn optrad.

Gijsbrecht van IJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich
op den 25en Oktober, 1294, benevens tien andere voorname Utrechtsche
Edelen, met Graaf Floris, om dezen, ware 't nood, te dienen tegen elk
zijner vijanden, den Bisschop van Utrecht daar buiten gesloten. Hy
heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van
meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan
den moord. Dat hy met den Heer van Zuylen zich voegde by Loef van
Cleve en de Hollandsche benden, die de moordenaars op Cronenburch
belegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn
broeder Benscoep toch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van
den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om
toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die
adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen
moest. En schoon Arent van Benscoep geen beter lot verdiende dan
Willem van Zaenden--ter wille van Gijsbrechts broederhart is het ons
toch lief, dat Loef van Cleve den verrader nog heeft kunnen behoeden,
en Gijsbrecht hem in veiligheid te Kervenheym wist.

Maar weldra werd gijsbrechts toestand zelf hachelijk. Wolfaert van
Borssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijken Jan den
Eerste, de bondbreukigheid van Bisschop Willem van Mechelen bemerkende,
begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de
kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met
het slot van Ameide, door Dirc van Herlaer by overeenkomst daartoe
afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, was Gijsbrecht
van IJsselsteyn.

»Dat ware schande!" andwoordde hy op Borsseles aanzoek: »wanneer ik den
Grave van Holland mijn huis ruimde, daar ik Maarschalk van 't Sticht
ben [30], en de Bisschop mijn rechte Heere is. 't Bracht my oneere,
zoo ik dat toestond--des weiger ik, er moge van komen wat er wil!"

Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zocht Wolfaert
nu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk
werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen,
Hubrecht van Vyanen en diens verwanten, op aanstoken uit Holland; en
werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon
men hem naar het Kasteel van Culemborch bracht, en aldaar in hechtenis
hield--dat van IJsselsteyn was daarom nog niet gewonnen: Bertrade,
of Baerte, van Heuckelom, Gijsbrechts gemalin, was een kloekhartige
vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht
weigerde als hy 't zelf had gedaan. Dat men hem geen leed zou doen,
daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht
van Vyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het
op den IJsselsteyn gebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene
gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd een Wolfaert van Borssele
haar zou hebben overgeleverd, indien Vyanen niet in Gijsbrecht den
borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad.

Borssele deed 's Graven banier voor het Kasteel planten, en het
dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave,
op den forschen toon van stormtuig en staal:


    Straks wordt het schaatrend aanvals-teeken
      Van rij tot rij in 't rond gehoord,
    En onder luid gejubel breken
      De benden op en rukken voort.
    Als golven die het strand beklimmen,
      Door barsche winden voortgestuwd,
    Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmen
      En werpgesteente paart en huwt
    Zich aan 't gedrang. 't Klaroengeschetter
      En 't rofflen van de holle trom
    Dreunt samen met het staalgekletter
      En krijten van den strijdbren drom.

    De hooge trans--de borstweer--'t kraakt
    Van steenen, 't werptuig uitgebraakt.
      De stormram beukt de poort.
    Het rijs, in bergen aangebracht,
    Bevloert welras de diepe gracht,
      En stijgt er tot den boord.
    De ladders worden saamgetast,
    En hechten aan den muur zich vast;
      De strijders dringen voort,
    En klautren op, met sterke hand,
    En klemmen zich met knie en tand
      Aan stijl en sporten vast.
    En stuift een dichte pijlenregen
    Uit schietgat en kanteel hun tegen--
      Het aantal groeit en wast.

    En 't scherp en gierend strijdgeluid
    Galmt boven gil en jammer uit,
      Al valt er menig een.
    En dondert ook een raatlend heir
    Van keien langs de wallen nêer
      En morselt hoofd en leên;
    En storten krakend, splintrend daar
    De ladders op en door elkaâr,
      De klimmers onder een,
    Verplet, verbrijzeld of verwond--
    Wie kan, verrijst weêr van den grond,
      Ten nieuwen storm gereed.
    En steeds vergroot zich weêr 't getal
    Dat opstijgt naar kanteel en wal,
      Met luider oorlogskreet.


Maar Bertrade stond (om met Vondel te spreken) als eene heldin op de
haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe
scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten
een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een
verdediger dooden--zy maakten geen bres in de muren, die niet werd
gedekt met trouwe in 't staal gehulde borsten, tot dat de opening
weer gevuld was.

Nogmaals beproefde Wolfaert den weg der onderhandeling, maar met geen
beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar
eerst toestond met Gijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken,
opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien
ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list
achter zochten, of dat zy Gijsbrecht genoeg kenden om van zijn raad
geene verandering te wachten--hare voorwaarde werd niet aangenomen,
en--schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw
bestreed!--er werd besloten om haar door uithongering te dwingen.

Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek
aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechts zeventien
weerbare mannen op 't kasteel--en in welken toestand nog!--Zoo de
vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy
ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de
overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor
zich en de ingenoten.

Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest,
waarmeê Wolfaert dien voorslag ontfing. Dat Hubrecht van Vyanen,
die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief
wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was
het van Borssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der
verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien
harden eisch beraadslaagd.--»De helft die aan my komt, zal die vrij
zijn en van alles kwijtgescholden?" vroeg Bertrade.--»Dat zal zy,"
andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood,
die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de
brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover 's Graven
leger binnentrok. Hubrecht van Vyanen sloot zijn kind ongedeerd in de
armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed
hem op het rad leggen. Bertrade moest aanvankelijk hare burchtzaten
naar Dordrecht volgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarin
Wolfaerts gemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak.

De verachtelijke Baljuw van Zuid-Holland, Aloud, Wolfaerts
oogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot
worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee
zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden
verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en
gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die
ten leven--het ander een Leuvenschen die ter dood wees. Aloud maakte
Bertrade met dat doel bekend.--»Nu zie, minnelijke Vrouwe!" sprak hy:
»wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben 't lijf verbeurd;
wien de Hollandsche komt, zullen het behouden."--

Baljuw Aloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen;
zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid
verraden, want--nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene
woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als
ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal,
naast den beul--zult ge dan sterven als acht van dézen: met het
bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?...

Maar niemant voorzag dit nu nog; Aloud allerminst. Het lot besliste,
hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen;
de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de
andere volgde Bertrade naar Heuckelom, indien ten minste dit bericht
meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter:


    Dandre dedemen doe ghevaen.


waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen:


    Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!--


Het kasteel en de landerijen van IJsselsteyn (met Benscoep en Woerden
daarby) gingen uit Bertrades handen in die eener andere Edelvrouw
over: Graaf Jan beleende ze, op Wolfaerts bede, aan diens gemalin
Sybille, die er zich toch niet lang Vrouwe van schrijven mocht: 1
Augustus, 1299, viel haar echtgenoot onder de moorddadige handen der
verbitterde Delftenaren, en den 21 Mei 1300 ontfing Gwy van Avennes
van zijn broeder Graaf Jan den Tweede in rechten leen al de goederen
op Stichtschen bodem [31] van diegenen, die met raad of daad schuldig
waren aan Grave Floris dood, en hiertoe werd ook Gijsbrecht gerekend.

Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde
slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder
meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring,
door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd op
Duveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe
weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand
weder in bezit nam, is onbekend. Stoke meldt alleen in twee regels
den uitslag, niet de handeling van het feit, en zingt, als nam hy de
slotwoorden van een volkslied over,


    En Ghisebrecht is op IJselsteine,
    Dat sine hadde geweest te voren.


Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13en
Juni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen,
en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht
nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) van
IJsselsteyn, van Merlo, en van Marnedijc, met de tienden en visscherij,
tegen 126 pond 's jaars.

In Augustus daarop stierf graaf Jan de Tweede, en bekwam de dappere en
edelmoedige Willem de Derde den stoel van Holland. Gijsbrecht haastte
zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder
geslagen: op den 11en Augustus 1305, by eene dagvaart te 's Gravenhage
tegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, 's Graven lieve en
getrouwe mannen" genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn
oudste zoon, Aernout, in 't huwelijk trad met 's Graven nicht Maria,
bastert-dochter van Bisschop Gwy van Avennes, ontfing Gijsbrecht-zelf
het kasteel van IJsselsteyn met de 32 morgen lands waar 't op stond,
een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht te IJsselsteyn,
7.5 hoeven in 't Geyn, 60 morgen lands te Rypikerwaert, 44 morgen
te Benscoep, 75 te Polsbroec, 18 te Hoenscoep, en 12 te Bloclant, in
rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten
onder den eersten Gijsbrecht vermeld, benevens die op blz. 118
voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten
toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen.

Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en
dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel
neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van
dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner van Eyteren
had die plaats verlaten, en zich onder den IJsselsteyn neêrgezet;
zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de
uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte
begon te gevoelen aan eene kerk. Heer Gijsbrecht verplaatste daarom,
met toestemming van Bisschop Gwy, en onder erkenning van het recht
der Kanunniken van St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk van
Eyteren naar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den
grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt,
schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven.

By dit alles vergat hy de ridderlijke wapenoefening niet: nog in het
zelfde jaar, 1310, op het beroemd tornier van Bergen, waar omstreeks
190 Graven, Baanderheeren, Ridders, en Knapen, uit Engeland, Frankrijk,
Duitschland en de Nederlanden saamgevloeid waren, pronkte ook zijn
wapenbord: een gouden schild, beladen met een balk van sabel, alles
gedekt door een sint-andries-kruis, van zilver en keel geschakeerd
[32]. Hoeveel aanzien hy aan Graaf Willems hof genoot, blijkt daaruit,
dat deze hem in 1314 toestond om jaarlijks in het groene woud van
Haerlem een hert te mogen dooden, en dit voorrecht zelfs erfelijk op
zijn geslacht over te brengen. Ook werd hy tot 's Graven Raad verheven,
welke waardigheid hy tevens by den Bisschop schijnt bekleed te hebben;
en in Maart 1317 beleende de Graaf hem met het gerecht, de tienden,
de kerkbegeving, en eenige landerijen te Benscoep, met het gerecht en
de tienden van Polsbroec, en met de helft van het gerecht en van de
visscherij te Opburen. Deze bezittingen vermeerderde hy nog in November
1319 met de Cuyksche leengoederen, ook reeds door zijne ouders bezeten,
strekkende, langs deze zijde des IJssels, van Opburen tot Snadelenhoec,
aan gene zijde, van 't Geyn tot Fellenoirde, en verder bestaande uit
het hooge en lage recht in den IJssel, de putten en palen, waarden en
visscherijen aldaar, met alles wat tot eene Hooge Heerlijkheid behoort.

In 1326 verkocht de Heer van Cuyk al zijne eigendommen in het Sticht
aan Graaf Willem, en deze bevestigde het volgende jaar Heer Gijsbrecht
in het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen
daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge
rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche
leenen ontstaan.

In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoon Herbarn,
Ridder, Heer van den Bussche, door eene noodlottige gebeurtenis
te verliezen. Herbarn was met Johan van den Zande in oneenigheid
geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin
beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des
Heeren van den Zande geweest te zijn, want in den zoen, tusschen de
aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost
van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten van Johan opgelegd om een
altaar en vicary te stichten in de kerk van IJsselsteyn, met opdracht
van het begevingsrecht aan Herbarns zoon Gijsbrecht en diens nazaten,
en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig
grooten tornois, op de Maria-kerk te Utrecht, voor het doen van
zielmissen ten behoeve van Heer Herbarn.

Gijsbrecht van IJsselsteyn overleed tusschen 1341 en 1344, en werd
opgevolgd door Aernout, den oudsten zijner drie toen nog levende zonen
[33]. Deze was, als wy weten, in 1308 gehuwd met Maria van Avennes,
en werd kort daarop tot de Ridderlijke waardigheid verheven, schoon
sommige Edelen er laag op neêr zagen, dat hy zich aan eene Jonkvrouwe
uit onechten bedde verbond. Hy voer er intusschen wel by; ontfing
van zijn schoonvader nog op diens onverwacht doodbed (29 Mei 1317)
de voogdij van het kasteel Goye; vermeerderde zijne inkomsten met
eenige dagelijksche gerichten en schout-ambten, en was reeds een
gezien Edelman, toen hy de Heerlijkheid van zijn geslacht beërfde,
waarmede hy zich niet alleen door Gravin Margareta deed beleenen
(1346), maar ook nog daarenboven door Bisschop Jan van Arckel, voor
zoo ver deze te eeniger tijd in het bezit dier goederen mocht komen;
ten opzichte van den Bisschop verbond hy zich daarentegen om te
zorgen dat een verlangd huwelijk tusschen diens broeder Robbrecht,
den Ruwaard van 't Sticht, en Aleyde [34], Heer Otto van Arckels
Erfzuster van Asperen en Hagesteyn, tot stand kwam, hetgeen ook
werkelijk geschiedde. De goede verstandhouding tusschen hem en den
Kerkvoogd ging echter in de oneenigheden tusschen den laatste met het
Beiersch Gravenhuis van Holland ten onder: Aernout die de Hollandsche
zijde hield, verkreeg daarvoor wel van Hertog Willem het belangrijk
voorrecht om Utrechtsche ballingen tot poorters van IJsselsteyn te
mogen toelaten, maar de uitoefening daarvan duurde niet lang, want
toen zijn bestand met Bisschop Jan ten einde geloopen was, terwijl
deze zich te Rome bevond, trok de Maarschalk van het Sticht op maandag
na beloken Paschen voor IJsselsteyn en sloeg er zijne tenten om heen.

Vijf weken lang werd de plaats met allerlei stormtuig aangetast,
en toen zag Aernout zich gedwongen tot de overgave, en genoodzaakt
om met eede te bezweren, dat hy en de zijnen in 't vervolg goede
en getrouwe Stichtsmannen zouden blijven, en nimmer weder tegen den
Bisschop of de stad oorlog voeren. Hy hield echter zeer slecht woord,
voegde zich spoedig weder aan de Hollandsche zijde, en werd door Hertog
Willem, die hem »zwager" [35] noemde, met gunsten overladen, ja zelfs,
met den tytel van Baanderheer, tot Hertooglijken Raad benoemd.

De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te
vergeefs; en in Holland was Aernouts aanzien zoo gestegen, dat hy,
met Heer Jan van Drongelen en de stad Dordrecht, in 1358 gemachtigd
werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van
Hertog Aelbrecht.

Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen
verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen
als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschen Eduard, des
Hertogen broeder van Gelre, en Hertoge Aelbrecht; tusschen Hertog
Aelbrecht en Jan, den Heere van Arckel; tusschen den Heer van Arckel
en Jan, Heer van Polanen en van de Leck. Ook schijnt er tusschen hem
en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn:
toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk te IJsselsteyn schonk,
en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen
bloedverwant en Baanderheer."

Hy stierf, hoog bejaard, in 1362 of 1363, en werd in het volledig bezit
der Heerlijkheid en alle goederen opgevolgd door zijne Erfdochter
Guyotte of Gwyda [36], die sedert 1330 gehuwd was met den rijken,
machtigen, en onvertsaagden Jan van Egmond, van wiens daden reeds
by de behandeling der Egmonder burcht gesproken is, en die, nevens
zijne echtgenote, in 1366 door Hertog Aelbrecht met de Heerlijkheid
verlijd werd.

Ook hunnen oudsten zoon en opvolger, Aernout, behoeft hier slechts
herinnerd te worden. Als Heer van Egmond en IJsselsteyn bewees hy,
in 1380, Bisschop Floris van Wevelichoven groote diensten by den
oorlog met den overmoedigen Ridder Everaert van Essen, en het beleg
van diens kasteel van Eerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in
1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van
Heer Willem van Rees, Krijgsoverste van Bisschop Aernout van Hoorn,
veel geleden had.

Heer Aernout stierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste,
Jan, Heer van Egmond werd, terwijl de tweede, Willem, in het bezit
van IJsselsteyn geraakte.

Willem van Egmond van IJsselsteyn, gehuwd met Jacob van Borssele van
Brigdammes weduwe, Anna van Hennin, eene dochter van Gauthier, Heer van
Bossu, werd weldra in de oneenigheden gewikkeld, die tusschen zijnen
broeder en Willem den Zesde ontstaan waren, en reeds onder Egmond door
ons vermeld zijn [37]. Toen namelijk Jan van Egmond onder vrij geleide
voor den Hoogen-raad van Holland was gedaagd, maar niet verscheen,
werd hy ten gevolge daarvan gevonnisd als schuldig aan hoog verraad,
en, met verbeurtverklaring zijner goederen, uit den lande gebannen. Hy
achtte zich daarop in Holland niet langer veilig, maar vertrok ijlings
naar IJsselsteyn, en zocht er by zijn broeder eene schuilplaats. De
Graaf-Hertog zond, zonder lang te toeven, zijne gezanten derwaart,
en deed kasteel en stad opeischen, maar ontfing een weigerend
andwoord. Hierop verzamelde hy een deel zijner Ridderen en knechten,
en zond ze, omstreeks Sint-Maria Magdelena, 1416, met een groot aantal
poorters uit de Hollandsche steden naar de weêrspannige plaats, om die
te belegeren. Egmonds vrienden en verwanten, waaronder voornamelijk
Heer Jan van Vyanen, Jonker Jacob van Gaesbeec en Heer Hubrecht van
Culenborch, maakten zich nu over zijn lot bezorgd, wel inziende dat
hy op den duur geen tegenstand zou kunnen bieden, en gevaar liep om,
wanneer hy den Graaf-Hertog als gevangene in handen viel, als een
landverrader het lijf te verliezen. Zy besloten om eene poging tot
verzoening te wagen; begaven zich in allerijl naar Schoonhoven, waar
Willem van Beieren nog vertoefde, en werkelijk gelukte het hun hem te
verbidden, mits de Egmonders zich onderwierpen. Zoo terstond lieten
deze zich echter niet vinden. De bemiddelaars reden menigmaal over
en weêr, dàn naar den vertoornden Landsheere, dàn naar de oproerige
broeders, en brachten het eindelijk tot een vergelijk. Zeker hebben zy
den overmoedigen Ridders het wanhopige van een gewapenden weêrstand,
en het noodlottig einde eener dwaze volharding, doen inzien, want de
voorwaarden der bevrediging waren zoo goed als verkoop hunner rechten
en goederen:

»De Heer van Egmond en Heer Willem zijn broeder zouden rijden uit
IJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden,
en blijven uit den lande van Holland en Zeeland, en daar niet weder
in komen, ten zij by wille en meêweten van Hertoge Willem. En de
Heer van Egmond zou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen,
dat hy had aan den huize en aan der stede van IJsselsteyn, en aan
der Heerlijkheid, tot 's Hertogen Willems behoef. En de Hertog zou
jaarlijks doen uitreiken aan den Heer van Egmond, hem en den zijnen,
ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan Heere Willem, zijnen
broeder van IJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder,
Vrouwe Jolande van Linningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht."

De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde
bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en
tilbare have de stad en het kasteel van IJsselsteyn, die onmiddellijk
overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet
werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem
hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen."

Den 31en Mei, 1417, stierf Willem de Zesde te Bouchain--en toen
bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op
geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich
niet gebonden achtten om hem te houden.

Naauwlijks was den Egmonders de doodsmare ter oore gekomen, of zy
verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê Heer Willem
naar IJsselsteyn toog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den
dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen,
die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond
eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf
dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de
Hertogin Jacoba bewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde
allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der
mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang,
of hy kreeg vaste hoop op ontzet.

Jan van Montfoort en Walraven van Brederode, de natuurlijke vijanden
van IJsselsteyn en Egmond, vernamen niet zoodra der broederen feit,
en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere
zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te
winnen. Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk
naar Utrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde
den Raad voor, om zich het belang van Jacoba in deze aan te trekken,
hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegen
IJsselsteyn op te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou
goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel
te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen van
Utrecht, om het te kunnen weerstaan: IJsselsteyn was hun te lang
een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene
opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten
worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na
Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats.

Toen Montfoort hunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede
derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop
zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar 't kasteel, om den
slotvoogd by te springen, maar--het vaandel van den trans woei hun
eene slechte tijding tegen: Heer Willem had in dien tusschentijd
mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich
meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt.

Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse
waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het
veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde
niet lang, of ook Brederode kwam met de zijnen aan, en sloeg zich by
hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en
de poorters van Amersfoort verschenen en zich by hen voegden, werd
het inderdaad een insluitings-leger, waarover IJsselsteyn zich wel
verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy
zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts
vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een
oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen
en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan
moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:--hy had
geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien
mocht, en zijn broeder van Egmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy
was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen
vloeken op »Jan met de bellen."--hy vermocht toch geen gantsch leger
te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen
der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt;
de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was,"
werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig
een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige
plaatsen geen boogschot ver meer was.

Een deel der stede-bannelingen van Utrecht, met den Domdeken Herman van
Lochorst, Johan van den Spiegel, en eenige vijanden van het sticht,
hadden zich intusschen by Heer Willem gevoegd, en waren de bezetting
van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een
nieuwen bondgenoot in Jan van Beieren, die, als mede zorg schijnende
te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had
uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten.

Heer Willems kans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel
in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan--en
hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van Heer
Jan van Heynsbergen gevoerd, duurde kort, want het was als overmacht
tegen onmacht.

En veertien dagen na den aanvang van 't beleg trokken de broeders,
met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang,
waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden,
ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid tot Nyendam, van
waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen
moesten zoeken.

De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde
waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren
getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking van Jacoba gesteld, met
uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde.

Toen de Hertoginne kort daarna in Holland kwam, herinnerden de
Stichtschen Montfoort aan zijne belofte omtrent de vernieling van
IJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst
van Brederode het daarheen te brengen, dat Jacoba, die nog weinig
blik in 's Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare
goedkeuring schonk. Vervolgends kwam Heer Walraven op Sint Pieter en
Pauwels daarna te Utrecht, en nam een hoop volks van daar met zich
naar IJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu
speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen
zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de
eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere
bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich
der baldadige poorters van Utrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige
vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten--zonder er
zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten
doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding
zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede
en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn
hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, na alle steen
tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden
plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en
het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was het
IJsselsteyn van 1417 het Egmond van 1315 gelijk geworden.

Heer Willem van Egmond van IJsselsteyn overleed op den 31en December
1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter, Belia,
gehuwd met Berthout van Rietwijc, en een zoon, Aernout van IJsselsteyn
genoemd, die in den echt trad met Barbara van Borssele, en in wien
wy den schraapzieken Slotvoogd van Woerden hervinden, wiens vrekkige
aart het der kloekheid van Johan van Montfoort zoo gemakkelijk maakte,
om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken.

Na Heer Willems dood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg,
de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenoot Willem, tweede zoon van
den vurigen Jan van Egmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den
krijgshaften »Jan met de Bellen" hebben leeren kennen.

Willem van Egmond was reeds door zijn ouderen broeder, Hertog
Aernout van Gelder, beschonken met de goederen van Willem van Buren,
in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer van Buren, Leerdam,
Schonerwoert en Haestrecht, en des lands van Mechelen. In den slag
met Hertog Gerhard van Berg, 10 November, 1444, die vooral door de
lafhartigheid van Geraert van Culenborch verloren ging, toonde Willem
van Egmond een ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich,
door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat
tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijand
Willem van Buren, sints 1430 Veldheer van den Hertog van Berg, was
gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol
jaar krijgsgevangen, en Hertog Aernouts geldelijke toestand had het
betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toon Buren hem op den 13
November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelastte zich over acht
maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stad Berchem te begeven,
er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn
tollenaar Koenraed van Boelendorp, en niet van daar te vertrekken
buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven
voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren.

Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds,
maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voor Egmond
en Gelder beiden. Hertog Aernout nam daarop zijne maatregelen, en de
loskooping volgde eerstdaags.

Toen de laaghartige Adolf, Hertog Aernouts zoon, in verbond met zijne
onnatuurlijke moeder Catherine van Cleve en een deel verraderlijke
Edelen, zijn vader in 1465 te Grave gevangen nam, deed hy ook den
niets kwaads vermoedenden Frederic van Egmond, Heer Willems zoon, in
hechtenis nemen. Vergeefs trachtte Heer Willem, die ter goeder trouw
maar al te dikwijls Adolfs voorspraak by diens vader was geweest,
thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zou hy, die de vaderlijke
weldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben
voor de weldaden van den oom!

Het duurde zelfs niet lang, of Adolf, die de wederspannigheid
der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef,
liet al diens leenen in Gelderland aanslaan, en viel hem met
allerlei betichtingen lastig. Graaf Vincent van Meurs, Heer Willems
schoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toen
Willem te Arnhem kwam om zich te verandwoorden, en daartoe met Vincent
naar 's Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en
liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op
aan drong, om te weten hoe het dan toch met Heer Willems zaak gaan
moest, voer Adolf toornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche
goudgulden--tenzij hy de inkomsten van den tol te IJsseloord zal
betalen, of dien tol laten varen."

Toen de Graaf dit woord overbracht, sprak Willem met bitterheid: »Zie,
dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de
verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven
broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my
thands ook van mijne inkomsten te berooven."--En nadat hy den Grave
gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy
zich netelig in 't zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld,
naar zijn Slot van Baer, waar hy zich terstond maatregelen nam,
om Hertog Jan van Cleve, de stede Wageningen, en eenige anderen,
met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid van
Adolf bekend te maken.

Gedurende den daarop gevolgden oorlog met den Clevenaar, zond Adolf
eene bende krijgslieden onder Otho van Weeren naar IJsselsteyn,
waar men allengs weder was beginnen aan te bouwen, maar nog altoos
zonder beschutting van muren lag. Het viel den Geldersman derhalven
niet moeielijk de plaats te overrompelen. De kerk en het klooster,
door de Stichtenaars nog gespaard, werden thands met de herbouwde
woningen en hutten mede aan de vlammen overgegeven, en de weerlooze
menigte werd schandelijk en laaghartig mishandeld. Deze boosaartigheid
bleef niet gants ongestraft: vijfenveertig der plunderaars op hun
keertocht toevende binnen Gorcum, waar zy zich veilig waanden [38],
werden onverhoeds gevangen genomen en in de ijzers gezet. Negentien
hunner, uit den stok brekende, zochten deels in het Minoritenklooster,
voor een ander deel in de H. Geesthuiskerk een toevlucht. Maar te
vergeefs: de stadhouder van Holland deed hen van daar en naar 's
Gravenhage voeren, waar zy op den 26en en 29en Mei, 1466, ondanks
alle smeekingen en voorbeden hunner verwanten en betrekkingen,
onthalsd en geraderd werden.

Jonkheer Frederic was intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt,
en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunne volgers gewapend,
en zich by het leger des Hertogen van Cleve gevoegd hadden, van waar
zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten,
en zelfs Arnhem verrasten.

Na den vrede van Gent, 1469, begon de roekelooze Adolf weder de oude
treken tegen zijnen oom. Heer Willem, evenzeer verontwaardigd als
verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar Hertog Karel van
Borgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden
verwisseld: Adolf in hechtenis geraakte, en Aernout op vrije voeten
kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder
en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen van IJsseloort en
Arnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel van Buren,
geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven
benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel te Grave, waar
hy, na zijn afstand van het Hertogdom aan Karel, gewoonlijk verblijf
hield en ook, op den 23en Februari 1473, overleed.

By het verzet der Gelderschen tegen Hertog Karel, sloot Heer Willem
zich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen
en hunne wapenknechten zelf in 't Hertooglijk heir, waar hy groote
diensten bewees, en in het beleg van Nymegen, 1473, zijne tenten
opsloeg aan de overzijde van de Waal in 't dorp Lent, aan de zijde van
zijn ouden vriend den Hertog van Cleve, met wien hy de overmoedige stad
zeer in de engte bracht. Hertog Karel toonde hoezeer hy de diensten
en bekwaamheden van Willem op prijs stelde, en stelde hem, na de
onderwerping van Gelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan.

De dood van Karel den Stoute, 5 Januari 1477, bracht Willem in
ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, en Catharyne
van Gelre, op verlangen van heur geslaakten broeder Adolf (kort
daarna echter voor Doornic gesneuveld) als Voogdesse aannamen. In
de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide
jongere zonen Frederic en Willem door de poorters van Nymegen gevangen,
en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over het Valkhof in
hechtenis gehouden.

De Aarts-Hertog Maximiliaan, in deze zaak gemoeid, wierp zelf een oog
op het bestreden Hertogdom, en nam Heer Willem, om hem aan zich te
verbinden, in 1478, te Brugge, onder de Ridders van het Gulden-vlies
op. De grijze Ridder, in wien wy thands moeielijk den ranken Edelman
met de zwarte krullende hairen kunnen herkennen, dien wy in 1451
op het kasteel te Egmond aantroffen [39], droeg het vorstelijk
onderscheidingsteeken nog byna vijf jaren op de fiere borst. Toen
overleed hy op het kasteel van Grave, 19 Januari 1483, en werd aan
de zijde van zijnen broeder Aernout begraven.

Frederic van Egmond, zijn opvolger als Heer van IJsselsteyn, en
gehuwd met Jonkvrouwe Aleyde, Heer Geraerts dochter van Culenborch,
had intusschen reeds overvloedig van zich doen spreken. Ook wy hebben
hem reeds ontmoet by de Utrechtsche onlusten, waarin de Burchtgraaf
van Montfoort, zijn erfvijand, zulk een overmoedige rol speelde [40],
en Frederic als Opperbevelhebber het leger des Bisschops aanvoerde.

Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan
de Catrynepoort buiten Utrecht, het rooven van vee uit de landerijen
aan den Rijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy
deed uitschudden en naar IJsselsteyn voeren, dat door hem reeds onder
Karel den Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt
was geworden. Een inval der Montfoorters onder Jan van Middachten werd
door den IJsselsteynschen Bevelhebber Lambrecht Myllinck gekeerd. In
de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarby
Middachten met negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd,
terwijl Myllinck, zijn behaald voordeel vervolgende, de landen van
Montfoort en Utrecht met vuur en staal verwoestte. Eene onderneming
der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het
kasteel Oudegein, aan de vereeniging van Lec en IJssel gelegen,
en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een
tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters van IJsselsteyn
langs den vaartschen Rijn legden, wanneer zy den voorraad, die van
tijd tot tijd naar het blokhuis aan de Vaart werd gevoerd, wilden
onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had,
werd het sein gegeven aan het kasteel Vronesteyn en aan de Vaart,
en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder
voort. Te vergeefs mochten die van IJsselsteyn zich een poos afmatten,
wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht,
en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag,
16 Juni 1482, overvielen zy den Oudegein, verjoegen de bezetting,
plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit
triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit
verlies grooten last, want van nu aan legden Heer Frederics mannen
hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de
vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester.

De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze
onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en
klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en
het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel
diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den
verdrukten Kennemer van 885 klagen:


    »Des vlegels maatslag op den dorschvloer,--op de velden
    Het vrolijk arbeidslied by spade of zeis--hoe zelden
    Wordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord!
    Ach! 't land brengt doornen meest en ruige distlen voort!"--


Toen de Burchtgraaf van Montfoort eindelijk meende den oorlog
op grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de
eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden,
de Heeren van IJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst
en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt--en
zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27en Augustus 1482,
ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne
wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen,
stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien,
dat het Cleve en Montfoort met de bestorming ernst was. Het leger
werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs
den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naar
Lopic voerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der
Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdat
Reynier van Broechusen met de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen,
liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die
reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren
opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel
de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er
het leven by verloren.

De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns
Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van
de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen
sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen
niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht
kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar
toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.

Intusschen was Broechusen met zijne Clevenaars den 31en Augustus
over Utrecht naar IJsselsteyn getogen; en het leger alzoo voltallig
geworden. Montfoort naderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte
uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou
kunnen overmeesteren--maar toen het er nu op aan kwam om dien storm
te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een
praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst
gewonnen ware, »want," zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn
herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om
steden te bestormen."

En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was
mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar
duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis
der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte
zijn warm bed binnen de veilige muren van Utrecht weder op te zoeken,
zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds
den 1en September eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts
4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.

De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde,
want de Burchtgraaf wist zeer wel, dat Frederic te Schoonhoven
lag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige
versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm
alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid
daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en,
hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben--een
spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiere Johan
van Montfoort thands besluiten kon.

En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste
uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten,
die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden
vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6
September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht
scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten
werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek
bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by
dezen vruchteloozen aanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het
verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.

Die van IJsselsteyn maakten zich terstond van het achtergelaten
krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een
al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen,
lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den
brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen
ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de
stad inruimden.

Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der
wallen van IJsselsteyn ingemetselde steen, die tot aan het einde der
vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:


    Wech, Uytersen met uw tuten en blasen,
    Doet uyt twee leuwen en set twee hasen,
    Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt,
    Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.


Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop
Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien
nog ligt.

Heer Frederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer
bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedige Utrecht
te verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in
eene herberg »de Sleutel" samenkomende, vonden daar in de dienstboden
gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen
Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam
echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden
gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad,
ter stad uit gebannen.

Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door
de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy
zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de
poorters koelden hunne verbittering op negen zijner krijgsknechten, die
zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en
hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.

De Geldersche oorlog, waarin zijne stad Buren overweldigd, en het
kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen
hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert
meester, en sloot Utrecht zoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd
om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000
goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een
afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te
doen begraven.

Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk
erkend door Keizer Maximiliaan, die de Heerlijkheid Buren tot een
Graafschap verhief, zoodat de broeders van Egmond nu beiden den
Graven-tytel voerden.

Frederic van Egmond van IJsselsteyn, Graaf van Buren en Leerdam,
Heer van IJsselsteyn, Sint Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq,
en Jaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk van
IJsselsteyn bygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds
op den 26en Juli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier
stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende
houding draagt, deed oprichten.

Hun oudste zoon Floris, gehuwd met Margareta van Zevenberghe, volgde in
het bezit van het Graafschap Buren en Leerdam. De jongste, Wennemaer,
kwam aan de Heerlijkheden IJsselsteyn, St.-Maertensdijc, Cortgene,
Cranendoncq, en Jaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder
andere kinderen dan een natuurlijken zoon, Willem van IJsselsteyn,
zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld op Floris over,
die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg,
en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.

In 1510 trachtten de Stichtschen zich van IJsselsteyn meester te maken,
't geen hun echter mislukte. Niet beter voer Floris van zijnen kant
in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich
een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te
verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte
land van 't Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de
stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.

Toen Hertog Karel van Egmond daarop als Beschermheer van Utrecht was
aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en
Stichtsche wapenen tegen IJsselsteyn gekeerd. Drie weken lang duurde
het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters van
Utrecht lagen gedurende dien tijd onder den standaart van Karel
rondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant van Schoonhoven,
staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en
de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en
den Crimpenerwaert veroorzaakt, kostte Holland meer dan honderdduizend
kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen,
waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteel Jaersvelt,
aan de Lec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld van
Floris ten einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van Graaf
Henric van Nassau, en noodzaakte den vijand, op den 1en Juni 1511,
tot het opbreken van 't beleg. In die zelfde maand overviel hy,
in vereeniging met den Heer van Wassenaer, aan het hoofd van 200
ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting van Jutfaes,
die hy tot aan de poorten van Utrecht voor zich uit dreef, er velen
van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.

Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar
de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde
zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de
opbrengsten der Utrechtsche bezittingen in IJsselsteyn de soudeniers
te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden
te wijten, dat hy in de wandeling Floortjen Dunbier werd genoemd,
schoon 't ook zijn kan, dat hy dezen schimpnaam aan de Stichtenaren
te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen
Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel
eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van Hertog Karel
van Oostenrijk of van Margareta niet met zijne zienswijze strookten,
stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens
belang handelde.

Des niettegenstaande stelde Karel van Oostenrijk een groot vertrouwen
in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder in Holland was, en zond
hem in 1515 naar Friesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen
van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En
hier was Floris vastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen,
hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om den
Oostenrijker als Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks
in Friesland te erkennen en aan te nemen.

De huldiging geschiedde op den 1en Juni, 1515, met veel plechtigheid te
Leeuwarden. Floris vertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan
door den Herout (wiens dalmatiek Karels wapens droeg) en gevolgd
door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar
den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor
de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook
den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en
eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden
bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen
onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen
tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom
den koolstruik tot ridder geslagen had!

Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden,
en droeg er veel toe by, om Karel, die inmiddels (1519) de Duitsche
Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen
verkrijgen.

Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikte Floris toch
den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust
schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20en Oktober, 1539,
nalatende drie kinderen, een zoon, Maximiliaen, en twee dochters, Anna
(die door heur huwelyk met Jozef van Montmorency moeder was van Floris
en Filips van Montmorency, zoo bekend in onze historie) en Walburga.

Maximiliaen van Egmond van IJsselsteyn, thands Graaf van Buren en
Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Jaersvelt, St.-Maertensdijc, Cortgene
en Cranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns
vaders dood door den Keizer in de plaats van den overleden Joris
Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal
van Friesland, Overijssel, Groningen, en Groningerland, waar hy
rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge
mate de gunst van Keizer Karel, dien hy in verschillende oorlogen
volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met
een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den
afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer,
zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf
diens Graafschap Buren tot een Hertogdom verheffen--zonder echter
daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste
bewoog Maximiliaen tot eene dankvolle afwijzing: »Liever," sprak hy:
»wil ik een rijke Graaf, dan een arme Hertog zijn."--

Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uit
Engeland in een gezantschap van 's Keizers wege was te rug gekeerd,
oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens te Brussel
overviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfarts Andries van Wesel
(Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven
naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten,
en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was
op den 22en December, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder
hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk
om zijne twee gemeenzaamste vrienden, de Heeren van Ligne en van
Granvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.

Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het
onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke
bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar
zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar
het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen,
voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en
ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal
komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige
huivering bevangt hen--Maximiliaen van Egmond, geheel in 't harnas
gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies
omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe;
beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf
hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt
hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te
drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin
met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken
heeft, reikt hy den Heer van Ligne zijn Ordeteeken over, om het den
Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen
ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was
een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.

Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen
voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts,
en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen
zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het
lichaam reeds verlaten.

Zijne weduwe, Françoise, Heer Hugoos Erfdochter van Lannoy, overleefde
hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het
geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd
door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van
gelijken ouderdom, van Vorstelijken Huize, en sinds zijn elfde jaar
aan het Keizerlijk hof te Brussel opgevoed: in 1551 huwde Willem
van Nassau-Dillenburg, Prins van Oranje, Baron van Breda en Diest,
met Anna van Egmond van IJsselsteyn, Erfdochter van Buren en Leerdam
en der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.

Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat
zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon, Filips Willem, in 1554,
en een dochter, Maria, in 1556, die later de echtgenote des Graven
Filips van Hohenlo werd.

Hierdoor kwam IJsselsteyn alzoo in handen van het doorluchtig Huis van
Oranje-Nassau, waarin het ook tot aan Willem den Derde bleef, zonder
dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend,
dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van
1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal
dragonders van de Fransche bezetting uit Utrecht naar IJsselsteyn, om
het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer
onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald,
»dat de meeste part het weder-komen vergaten"; de overige helden
spoedden zich ijlings weder naar Utrecht, »blasende en trommelende voor
de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt."

De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf
gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel
en stad, zonder eenigen weêrstand, in 's vijands handen overgegaan,
en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen
uit Utrecht.

Na Koning Willems plotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond
er tusschen Frederik den Tweede, Koning van Pruissen, en Johan Willem
Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door
hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd. IJsselsteyn
kwam toen aan Willem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder van
Friesland, Groningen, Drenthe en Gelderland, en in 1747, als Willem
de Vierde, Stadhouder der Vereenigde Provinciën. Zijne moeder, de
beminnelijke Maria Louisa van Hessen-Cassel, die, na gade en zoon
overleefd te hebben, eerst in 1765 te Leeuwarden overleed, hield
zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat,
en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare
herinnering van de edele Vorstin.

Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost van
IJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid
bekleed door den Heer de Beaufort, die er toen afstand van moest doen,
en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen
des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek
werd gebracht.

Nu moest het, dàn als hospitaal--dàn als kazerne dienen, en speelde
de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het
eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends
werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten,
en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van de Capelle als
huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van der
Duin van Maasdam heur verblijf vestigde.

Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van de Capelle, in
1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer
Mr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer van Bunnik en Vechten,
wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.

Intusschen heeft de uitwendige vorm van den IJsselsteyn natuurlijk
veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den
tegenwoordigen toestand wordt gevonden in Robidé van der Aas
»Oud-Nederland," en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men
kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht,
wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer
dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5
N. el dikte heeft.

De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich
daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoe wenschelijk dit ook
ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder
het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde
klooster te onderhouden." De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf
geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen
en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.

Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men
met den dichter spreken:


      Wel, zeker, wie 't herdenken mint
    Van lang voorleden, schooner dagen--
    Wie een weemoedig-zoet behagen
      In de eeuwig groene Erinring vindt,
    Heeft slechts die muren te ondervragen,
      Die 't merk van koninklijke pracht,
      Van oude--eilaas! verlamde--kracht--
    In reuzenschrift aan 't voorhoofd dragen.

    o, Fluisterstem van dat Voorleden,
      Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord,
      Die, als een zangrig harpaccoord,
      Ter helft geraden, half gehoord,
    Den avondwandlaar langs gegleden,
      De stilte van den bouwval stoort!
    Hoe woei mij dàar de Erinring tegen
      Van Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht,
      Van Riddereer en Riddermagt,
    Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!

      Dan rijst voor mijn verwonderd oog
      Op nieuw het burggewelf omhoog,
    Zoo als 'et prijkte in vroeger dagen;
      Dan krijgt die slotpoort als weleer
      Zijn ijzren vleugeldeuren weêr;
    Dán wappert van den hoogen toren
      Op nieuw de slanke baanrol uit;
    Dan is 't, of 't avondzonnegloren
      Op 't blankgeslepen borstschild stuit,
    En blikkert op de stormhelmetten,
    En 't flikkrend staal der krijgsgenetten,
      Die zich verdringen in het krijt
          En joken naar den strijd!

    Dán treedt een sleep die hallen binnen
      Van Edelvrouwen, jonk en schoon,
    Van Ridders, vurig in 't beminnen,
    Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen,
    En Minstreels, die den zang beginnen
      Voor Vrouwengunst en Minneloon!

    Waar is uw luister heêngevaren,
      En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?

      Gij spreekt de vreeselijke taal
    Van moeilijke Opkomst, vroeg Verderven,
    Van korten Bloei en langzaam Sterven;
      Gij zingt het slepend grafgezang
      Van eeuwgen, eeuwgen Ondergang!

    Doch neen, geen Dood!
                          De geest blijft leven,
    Die, eens dier stichting ingedreven,
      Nog scheemrig in den bouwval gloort.--
    Want wat des menschen vinding stichtte,
    Want wat de kracht zijns wils verrigtte,
      De daad die is duurt altoos voort!



JACHTSLOT HET LOO.


Schoon ik een open zin en een warm hart voor het oude heb, ben ik
toch volstrekt niet ingenomen met het verouderde, en van weinige
dingen heb ik een zoo volstrekten afkeer, als van verouderde klachten.

En niettegenstaande dit, wil ik echter nog eenmaal op eene verouderde
klacht terug komen, omdat de ergelijke grond van haar ontstaan met
iederen zomer weer op nieuw herleeft:

»Wy--neen, Goddank! nog niet wy, maar toch, helaas! nog velen
onzer--zoeken de oorspronkelijke schoonheid der natuur nog altoos
buiten, niet in ons vaderland; en wie onder ons aanspraak maakt op den
naam van man van beschaving en opvoeding, kent, zoo hem Zwitserland en
Italië nog vreemd zijn, ten minste de Maas- en Rijn-streken door eigene
aanschouwing; ook nog, by toeval, de omstreken eens buitenverblijfs
van verwant of vriend, en heeft waarlijk ook wel eens hooren beweren
dat Nederland zelfs rijk aan natuurschoonheid is--maar onder dit
laatste schrijven zijne verbaasde blikken: »quod est demonstrandum!"

De arme dwaas!--

Ik erger my over hem, meent ge? Waarlijk niet: den man, die f 50.000
jaarlijksch inkomen bezit, en zich nog altijd misdeeld waant, omdat
hy geen f 500.000 heeft--beklaag ik slechts; en--in een zeer netelige
luim zou ik misschien zeggen, dat hy voor Meerenberg rijp is, als
zoo menige politieke Tinnegieter onzes tijds.

Nederland arm aan waarachtige natuurschoonheid!

»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven
en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof
ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!--Schaduw
en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer in Holland
overvloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont
zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer
met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van
olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een
welriekende balsemgeur toe--niet minder streelt ons in het voorjaar de
balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.--Naast de
hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas,
met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en
eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen,
dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen
loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden,
dat Vondel ze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken
kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open
plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar
met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen,
gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of
het malsche klavergroen der weiden afsteken.--Zoo groeien hier op
Hollands bodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze
weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze
wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen,
op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort
bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken:
de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en
het varenkruid.--Over de kelken dezer in het wild verspreide bloemen
zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in
de zomerzon.--Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.--Maar
als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen
lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide,
waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de
klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en
van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of
vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen;
als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven,
het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling
afwisselen--dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons
gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al
dien wellust te bevatten." [41]

Laat hem in den vreemde gaan reizen, die misdeeld genoeg is om
Hollands weelderigen rijkdom aan schilderachtig natuurschoon te
kunnen ontkennen; laat hem in den vreemde gaan reizen--hy zal 't
ook dáar niet vinden: zijn gemoed mist den open zin, den spiegel die
't weerkaatsen moet.

En valt er zooveel reeds in de natuur aan den Hollandschen duinzoom
te genieten--hoeveel meer dan nog in dat uitnemend gewest, dat
(door onze vervelende zucht naar vergelijking met den vreemde) den
naam van Neêrlands Zwitserland, of eener dergelijke Nederlandsche
vreemdigheid, draagt!

»O!" wordt er gezegd: »ook daar zijn we geen vreemdelingen; wy kennen
Arnhem en zijne verrukkelijke omstreken zeer goed!"

Maar ge zult toch in waarheid niet meenen, dat ge het oorspronkelijk
schoon van Gelderland dáar te zoeken hebt?--Zoo ge my toestemmend
andwoorden moet, dan bewijst ge daarmêe, dat ge genoegen smaakt in
wandelen tusschen groene bergen en fraaie dreven, onder prachtige
beuken zoowel als onder cierlijke acaciaas, door kunstelijk grotwerk
zoowel als langs klaterende fonteinen--maar uw gevoel voor de
natuur spreekt er nog volstrekt niet uit.--Zijt ge zoo gelukkig
dit te bezitten, en weet ge alzoo vruchtbaarheid van produktiviteit,
statigen ernst van eentoonigheid, vrije natuurschakeering van kunstige
afwisseling te onderscheiden--ga dan naar dat deel van Gelderland,
dat door een zijner eigene Hertogen [42] werd gekenmerkt als »een
wilt en bijster lant, daer veel overgrepen in geschiên plegen."--

Dáar, op de Hooge-Veluwe, zal de reiziger, die gewoon is in vreemde
gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigene oogen gaan
overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon
is. Met welgevallen zal hy opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling
van land- en veldgezichten die landstreek oplevert; hoe ook daar de
kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon,
hoe schilderachtig vele dorpen en gehuchten dáar zijn gelegen;
hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der
zoogenaamde Woldbergen; hy zal verbaasd staan over die uitgestrekte
heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt; in
die heide, waarop de veelsoortige erica met hare zacht en helder
purperen bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde
van onze planeet, te weten in Jutland, Holstein, Hanover, Westfalen,
en Nederland, wordt gevonden:--en niet zonder belangstelling zal hy
die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in
hunnen natuurstaat bevinden.

En hoe vele boeiende overleveringen zijn niet verbonden aan dien
belangwekkenden bodem; hoe vele herinneringen uit lang vervlogen
dagen doemen dáar op voor onze verbeelding; hoe wordt daar de geest
gestemd tot ernst en overdenking!-- [43]

En juist dáarom is die woeste, purperbruine, met donkergroen
geschakeerde Veluwe zoo dubbel aantrekkelijk voor den beschaafden
Nederlander (wie de geschiedenis zijns lands niet kent, zal men
natuurlijk niet beschaafd heeten!). En hoe eindeloos in getal, hoe
veelsoortig en afwisselend zijn hier de historische herinneringen! By
iederen voetstap: uit elken tijd: van toen de eerste Germaan er het
zand boven de urne zijner dooden ten heuvel opwierp, tot toen de
hervorming er de Sint-Jans Ridders uit hun rustig verblijf wechdreef;
van dat een Koning van Engeland er ter verpoozing van staatszorg zijne
valken opschoot, tot toen een Koning van Nederland, door staatszorg
vermoeid, er den scepter nederleî.--Hoe veel voor het hart; hoeveel
voor het hoofd! Hoe veel voor de wetenschap; hoe veel voor de poëzy!--

Wie onzer schilders zal nog eenmaal by zijne gave ook wetenschappelijk
genoeg gevormd zijn, om er ons de historische landschappen van te
schenken? Wie onzer dichters, om die landschappen met de handelingen
van het voorgeslacht te bezielen?

By zoo grooten rijkdom wordt de keuze van onderwerp zeker moeielijk;
maar niet alleen voor den dichter, of den schilder--ook voor den
geschiedschrijver, wanneer hy zich ten taak heeft gesteld om slechts
enkele onderwerpen te behandelen. Dus is het thands my, nu ik op de
Veluwe tusschen de eeuwen rondwandel, en niet naar eenig merkwaardig
overblijfsel zoek, maar deze zich by menigten aan my opdringen.

En wanneer ik dan den vinger zet op eene plaats, waar de herinneringen
zich ten naauwste aan het Huis van Oranje verbinden, dan vreeze ik
geenszins naar het minder belangrijke te hebben gegrepen.



Een halfuur noordwaart van het grijze Apeldoorn ligt eene heerlijke
plek gronds; niet, gelijk men ze wel eens heeft aangeduid, als een


    Blinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand;


maar


    Als in glansend goudgevonkel 't flonkren van den diamant.


Van heuvelige heide, en dichte, eeuwenheugende wouden omgeven, rees
daar in de 16e eeuw het jachtslot van den Hertooglijken Maarschalk
Johan Bentynck, uit de heldere gracht omhoog.

Heer Johan was een zoon uit het oud en edel Geslacht van Bentync, dat
reeds in de veertiende eeuw in groot aanzien stond. Zijne echtgenote,
Joanna, des Heeren dochter van Appeltern, ontsproot mede uit een der
edelste geslachten van het Gelreland. Zy schonk hem vier dochters,
waarvan de twee oudsten in den geestelijken staat--de beide jongsten
in het huwelijk traden; en vier zoons, waarvan drie ongehuwd, en de
eenige die gehuwd was, toch kinderloos overleed. [44]

Reeds in 1503 werd hy met de Heerlijkheid Arensberghe (thands
Berrinkhuizen) en de tienden in Engeland, op de Veluwe, beleend,
en omstreeks dien zelfden tijd verlijd met het Jagermeesterschap op
Veluwe en in het Nederrijkswald, waarin hy vervolgends in 1511 weder
bevestigd werd.

Wanneer, en door wie zijn huis het Loo gesticht was, en of het leven
zijner vroegere bewoners in rust of in onvrede was voorby gegaan,
daarvan weet de historie, noch de overlevering te spreken. Dat het
een lust- en jachtslot der Geldersche Hertogen zou geweest zijn,
is eene opvatting van lateren tijd, in den onze wederlegd, en voor
goed vernietigd.

Onder het toenmalig kerspel Apeldoirn gelegen, was het tot in 1537
een vrij, eigen goed, en werd den 31en Augustus van dat jaar door
Johan in leen opgedragen aan Karel van Egmond, zijn Hertog en Heer,
dien hy sints veertig jaren getrouwelijk gediend had.

De Hertog nam die opdracht willig aan, en maakte uit erkentelijkheid
voor dit en menige trouwe dienst, het ambt van Jagermeester op
Veluwe en in het Nederrijks-wald, »mit allen sijnen rechten, renten
ind toebehoir" erfelijk in het Geslacht van Bentynck. Te voren was
aan deze waardigheid ook het bezit van het Huis en de Heerlijkheid
Hoeckelom verknocht geweest; maar daar dit sedert 1481 met Herman van
Hoeckelom vervallen was, verbond Karel er andere, nieuwe voordeelen
aan, en regelde de inkomsten van het ambt voor goed; 31 Augustus
1537. Tevens bepaalde hy de erfopvolging in dezer voege:


    »Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op
    sijnen altsten soen Adolph Bentynck, in soe voirtaen then
    euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnen
    Adolffs ind Kairls sijnen sone, van lijven gekoemen. Ind
    ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal
    dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op
    onsen diener ind lieven getrouwen Seger van Arnhem, ind op
    sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouwe Anna
    Bentynckx toe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall
    datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen
    koemen ind vallen."


En de omstandigheid, by deze laatste bepaling geregeld, had weldra
plaats.

Johan Bentynck, die als eerste Edelman uit de Veluwe de overeenkomst
van 27 Januari 1538, omtrent de vereeniging van Gelder en Sutphen met
Gulick en Cleve mede bezegelde, bekleedde zijne waardigheid tot in
1543, toen hy op den 16en Oktober overleed, en ze, met het bezit van
't Loo, aan zijn oudsten zoon Adolf naliet.

Heer Adolf, nu Erf-Jagermeester van de Veluwe, werd terstond beleend
met de Heerlijkheden Arensberghe en Westerhof, en met de tienden
van Engeland. Het liep echter tot den 19en September 1547, eer hy
door Keizer Karel den Vijfde, sedert 1543 Hertog van Gelder, met het
Jagermeesterschap der Veluwe en de Heerlijkheid het Loo verlyd werd,
waarby het heergewaad, ook voor 't vervolg, werd vastgesteld op twee
witte windhonden en een jachthoorn.

Hy overleefde de bevestiging van zijn erfrecht niet lang, want
hy stierf reeds den 30en Mei des volgenden jaars, en liet zijne
kinderlooze gade, Margareta van Valck, als eene eenzame weduwe achter.

Daar nu zijn broeder Karel, gelijk wy gezien hebben, reeds ongehuwd
overleden was, viel het Jagermeesterschap, ingevolge de door Hertog
Karel van Egmond gemaakte bepalingen, op hun schoonbroeder Seger van
Arnhem, gehuwd met Anna Bentynck, na wier (mede kinderloos) overlijden,
het weder aan het Hertogdom te rug kwam. [45]

De Heerlijkheid het Loo bleef echter nog een wijle aan de vrouwelijke
zijlinie van het geslacht: Aleyde Bentynck, Heer Filips echtgenote
van Varick, bekwam het by erfenis van haren broeder, te gelijk met
de Heerlijkheid Westerhof.

In hoeverre het, nu wy dit alles met zekerheid weten, nog daarenboven
aan te nemen zij, dat Gelderlands meest beruchte Maarschalk, Marten
van Rossum, de bouwheer van het kasteel wezen mag, kunnen wy niet
meer verdedigen, al schijnt zijn wapen, met het jaartal 1538, op het
binnenplein boven den ingang van den linker zijvleugel [46] te staan.

En al moeten wy nu in de prachtige bosschen, of op de heuvelige
heide rondom het Loo, den forsch-gebouwden krijgsman en jager by
uitnemendheid, den ruwen brandstichter met zijn toch zoo open en
welwillend gelaat, missen--de Bentyncks en hunne verwanten en vrienden
(of wat Edelman, vroeger of daarna, het gezellige jachtslot moge
bewoond hebben) zullen de groene wouden en paersche heivelden niet
steeds eenzaam, en het ranke horendragend-, het knorrende tandmachtig-,
of het schuwe kleine wild, niet steeds in rust gelaten hebben. Daarom
willen wy ons dan ook eens geheel in de eigenaardige woeling rondom
een jachtslot verplaatsen,--den bezitters en hunne gasten in hun
geliefkoosd vermaak volgen, en ons daar in laten geleiden door twee
uitmuntende gidsen. Volgen wy eerst den Heer Haasloop Werner, wanneer
hy de jacht in 't woud vergezelt.

»Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige
rossen en vurige telgangers, op de hand den afgerichten sperwer of
den vluggen valk houdende, doortrok toen meermalen deze foreesten. De
trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan
lederen leibanden de slanke hazewindhonden, de brakken en speurhonden
voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat het hunnen
geleiders veel moeite kostte, hen in hunne vaart te betoomen. Dan
weergalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas
en horengeschal; de grond daverde van het getrappel van paarden, en
onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens,
die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne
schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuze hert,--dat nog
op den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop
opgeheven, en met een zekeren trotsch het veld (dat met heuvelen en
bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed) had overzien--opgejaagd
en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand
voorspeld; éen oogenblik had het luisterend stil gestaan; was toen
met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar de nog snellere
pijlen en jachtsprieten, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand,
bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door
de bloeddorstige honden te worden afgemaakt."

Niet minder levendig was de hartstocht voor de valkenjacht, dat
voorrecht en lievelingsbedrijf der Edelen, in het genieten waarvan
de Heer Verster van Wulvenhorst ons geleiden zal.

»Naauwelijks heeft de rijzende zon de nevelen van den ochtendstond
voor zich heen gedreven, of alles is op het binnenplein van den
ridderlijken burg reeds vol leven en beweging. De knapen hebben
de fiere rossen opgetoomd, en de stallingen der ongeduldige honden
ontsloten; de valkeniers de valken uit het valkenhuis gedragen en,
van hunne fraaie kappen en schelklinkende belletjens voorzien, op het
raam geplaatst; terwijl de havikken hunne gewone plaats in de keuken,
voor de vuist van den rustigen weidman hebben verwisseld.

»Uit de hooge poort van het burchtgebouw treden nu de edele Vrouwen
en Jonkers, door de luidblaffende spagnoelen (oude naam der spaansche
honden, Espagneuls) omringd, in cierlijk gewaad te voorschijn. De
eersten bestijgen de fraaie hakkenijen, of telgangers, met eerbiedige
hulp der Jonkers, terwijl de geliefkoosde vogel de adelijke hand
verciert. Behendig werpen zich de Ridders in den zadel der moedige
rossen, en onder vrolijk jachtgeschal en het blaffen der honden trekt
de statige trein over de breede ophaalbrug in het vrije veld.

»Op de ruime vlakte hebben de yverige honden pas een reiger uit het
moeras opgedaan, of even spoedig stijgt de edele vogel met pijlsnelle
vaart van de hand der Burchtvrouw. Te vergeefs tracht de reiger in
eene bespoedigde vlucht zijn heil te zoeken. Een tweede opgeworpen valk
dwingt hem tot het opklimmen in het luchtruim. Immer hooger en hooger
stijgende, begint, onder het bemoedigend geroep der jagers, de felle
kamp. Met de scherpe neb verdedigt de reiger zich onverschrokken tegen
zijne machtige aanvallers, en de zege blijft onbeslist. Een daverend
gejuich van den jachtstoet kondigt het opwerpen van den derden vogel,
den ouden beproefden geervalk, aan. Een pijl gelijk, stijgt hy, terwijl
aller oogen op hem gevestigd zijn, boven den reiger en diens bekampers.

»In éen oogenblik heeft zijn geoefend oog het juiste punt gekozen,
en eensklaps stort de reiger, door een krachtigen stoot als verlamd,
van zijne overwinnaars gevolgd, uit het luchtruim. Ras ijlen de
Jonkers toe; bevrijden den reiger uit de scherpe klaauwen, en bieden
de buit aan hunne gebiedsters, terwijl een welgevallige blik van deze,
het edel jachtvermaak verhoogt."



En wilt ge, na de bywoning dezer beide jacht-dagen, nog die van een
derde, en wel de vervolging van den ever, dat grimmige dier, dat nog
lang op de Veluwe gevonden, en waarvan waarschijnlijk de laatste in
1826 door den Baron van Lijnden van Oldenaller geschoten werd--zoo
wil ik, by gebrek aan een anderen gids, zelf u voorgaan.


    Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch,
    En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.--
    Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren,
    Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,--
    Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot,
    Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend rood
    Om 't bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen.

    Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen,
    Op 't uur des dageraads, die met zijn zilverglans
    Reeds opstijgt tegen 't blaauw van d' oostelijken trans.
    De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken,
    Door 't windgeruisch verspat, laat zich door 't loover zakken
    Op 't geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid,
    Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit.
    Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken,
    Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken.
    By wijlen steekt hy 't oor door 't nat gebladerte op,
    En richt van 't laauwe mosch den borsteligen kop.
    Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoeven
    Verheft hy 't bovenlijf, en blijft beweegloos toeven,
    Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld,
    Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:--
    Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammen
    Genaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammen
    Hem aan:--de speurhond is aan 't einde van zijn spoor;
    Hy koos zijn richting goed--en is zijn vijand voor.

    Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogen
    Niet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen,
    Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst,
    En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd:
    De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtig
    En schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig,
    Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht...

    Een blaffen schalt hem na--en plotslijk trilt de lucht
    Van 't bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen,
    En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzen
    En seinen plaats en spoor. 't Gevogelt krijscht in 't rond.
    Al 't wild, vervaard, schiet op van 't leger, langs den grond.
    Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven;
    De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven--
    't Is alles éen rumoer.

                            Voort, jaagt het boschzwijn, voort!
    De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord,
    De diepste wildernis en dreven om en over.
    Het schaaft door 't reuzig riet; het sproeit het dorre loover
    Met schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door--
    De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor.
    Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen,
    Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren:
    Dan verre, en dan naby--maar immer onvermoeid,
    En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid.

    De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen.
    Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollen
    Om d' opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloed
    Doorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet.
    Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers,
    Hem tot op 't lijf genaakt in 't blinde vuur huns ijvers,
    Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid,
    En hun op 't lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaait
    Den groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmig
    Gescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig,
    Den heeten honden dwars door buik en ingewand,
    En werpt hen krimpend in 't met bloed gekleurde zand.

    Maar 't spoor blijft ongewischt. En 't huilen der gewonden
    Is slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden,
    Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. Wild
    Van woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt,
    Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,--
    Het rankrigst kreupelgroen,--de dichtste hazelaren,
    En breekt een hollen gang door 't ruige struikgewelf.
    Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf:
    De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd.
    Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomt
    De jachtstoet altoos na.

                              De felle drijvers winnen
    Met ingespannen kracht, en louter vuur van binnen.
    Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor,
    En 't hijgend zwijn ter zij. Het voelt in 't siddrend oor
    De heete tanden. 't Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zich
    Ten doodelijken houw--maar thands vergeefs.

                                                Daar drukt zich
    Een tweede hondenmuil 't gebit in 't ander oor....
    En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in 't spoor,
    En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarte
    Van wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte.
    Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om;
    De zweetdamp walmt in 't rond; geblaf, gehuil, gebrom
    Galmt schor en wild door een. De doggen slaan de tanden
    In rug en schoft en zij.

                              Van dolle woede aan 't branden,
    En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond,
    En kwetst in 't wilde, en sleurt een enklen dog ten grond...
    Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rilling
    Die hem naar 't harte schiet--en strekt met woeste trilling
    De grove leden uit, voor immer:--

                                      En nu toog
    De jager 't staal, dat tusschen schouderblad en oog
    Het hart getroffen had, te rug, en wischte 't rustig
    In 't zweet der borstlen af.


Zulke tafreelen rijzen u onwillekeurig voor den geest, wanneer ge
in de ruime keuken, aan den rechter vleugel van 't gebouw, voor den
breeden met hertshorens vercierden schoorsteen staat, en nog half onder
den indruk ligt van het statig en geurig lommer, dat ge pas verlaten
hebt. Want, zoo als de dichter van den »Hollandschen Duinzang" zingt:


    Nog is jacht hier genoeglijk, en 't weidspel in eer,
        By wie rustig de leden wil reppen;


en de vergaderde buit wordt natuurlijk in de keuken saamgebracht,
thands nog zoo wel als in de dagen der Edelen van Arnhem, van Voorst,
van Isendoorn, van Stepradt, en van Dornick, die slot en Heerlijkheid
achtereenvolgend bezaten.

In het midden der zeventiende eeuw, trok het de aandacht van den
Prins-Stadhouder Willem den Derde, die, even als zijn vader, dikwerf
op de Veluwe de genoegens der jacht genoot. De toenmalige eigenaar
was Heer Johan Carselis van Dornick, met wien de Prins onderhandelen
deed over den verkoop, die in 1656 tot stand kwam.

Willem de Derde was een te voortreffelijk jager, om niet aan
de uitmuntende omstreken zijner nieuwe bezitting by voorkeur te
hechten. Maar ook als lustplaats trok ze hem aan, en hy besloot tot
de oprichting van een nieuw gebouw, in de nabyheid van het eerste,
'tgeen ook weldra onder het geoefend opzicht van zijn vriend Godart
van Reede, later Graaf van Portland, verrees, en naar den toenmaligen
bouwtrant schoon mocht genoemd worden, al kon men niet zeggen dat
die stijve bouwlijnen zoo goed met de weelderig-trotsche natuur daar
rondom samenstemden, als het oude jachtslot, dat met zijn bus- en
klokvormige torenspitsen zoo rustig tusschen het reusachtig geboomte
in de heldere gracht lag. Het was toen echter geen smaak om de kunst
met de natuur te doen harmoniëren: men waande het genialer, om de
natuur naar regelen, door de kunst voorgeschreven, te vervormen,
en zoo ging het ook hier. De tijdgeest vond dat schoon, vond dat
prachtig--en de grootste mannen der eeuw bogen hun fier hoofd voor
het corset en den hoepelrok.

En de rijke en weelderige lokken van het krachtige Veluw-landschap
vielen onder de spichtige vingeren van een Franschen kapper, die
ze besnoeide, verknipte, tot averechts krullen of sluik neerhangen
dwong--kortom: ze ten eenenmale tot een magere pruik vernielde--alles
volgends de dorre en ijskoude metriek van den vernuftigen
natuur-verminker le Notre, den toenmaligen wetgever in de hofbouwkunst.

In 1672 bedreigde echter de uitgebroken oorlog al dit kunstwerk met
vernietiging. Een bende Franschen kwam stroopende in de nabyheid
van het Loo, en scheen wel voornemens zich er meester van te maken,
toen zekere Jan van Sprang, achter boomen en struiken verborgen,
zoo wakker zijn trom roerde, dat de stroopers, geregelden weêrstand,
misschien zelfs wel aanval duchtende, ijlings aftrokken. Nog wijst
men er u zijn graf, op de zelfde plek, die eenmaal getuige zijner
kloekmoedige beradenheid was.

Toen de Prins later den troon van Engeland beklom, vormde hy al
spoedig het plan, om zijn princelijk lusthuis tot een echt koninklijk
buitenverblijf te verheffen.

De gebouwen, lusthoven, beplantingen, fonteinen en waterwerken
verkregen, naar den eisch des tijds, een nieuwen luister. De
gantsche plaats, met al de lanen en dreven, besloeg ongeveer eene
ruimte van 160 morgen lands. Drie tuinen, die de geheele breedte
van het hoofdgebouw met zijne zijvleugels besloegen, van elkander
afgescheiden door rechte, lommerrijke lanen, en allen omringd door
terrassen en beplantingen, volgden elkander achter het paleis op,
en verrukten den toenmaligen beschouwer door hunne regelmatigheid,
door hunnen rijkdom van watersprongen, marmerbeelden, grotwerken,
taxis-figuren, palm-pyramiden en andere hofcieraden--schoon ze ons
thands, ondanks hunne schaduwloosheid, zouden doen huiveren. En om
dat alles de kroon op te zetten, werd er besloten om van den Asselt,
een hoogen heuvel, door middel van steenen potten, een waterleiding
naar den tuin te brengen, om eene fontein te vormen, wier waterstralen
zich in den sprong boven het paleis zouden verheffen. Van deze potten,
die, den weg van een uur lang, in eene doorloopende richting onder
den grond zitten, wordt tegenwoordig nog menig een opgegraven.

De vorstelijke Stadhouder, op wiens schouderen zoo groote en zoo
moeielijke staatszorgen rustten, kwam byna jaarlijks naar herwaart
over, om er in zijn geliefkoosd jachtbedrijf eene verkwikkende
uitspanning te vinden; en de krachtige hand, die in die dagen
het evenwicht van Europa omklemde, en Frankrijks trotschen Koning
onverwrikt diens plaatse aanwees--schoot hier met vrolijke behendigheid
den valk op, of loste het jachtroer op den borsteligen ever of
het snelvoetige hert. Nog wijst men in het Gardersche bosch een op
zich-zelf staanden eik aan, den Konings-eik genoemd, waar Willem zijne
jachtmaaltijden hield, en die, naar het schijnt, ook wel eens voor
schijf moet hebben gediend: scheuren in de schors toch, doen hier en
daar menigen kogel bespeuren. Niet verre van daar, in het zoogenaamde
Heidendal, ligt ook nog de hertenbron, een schilderachtige waterkom,
waar, rustig en eenzaam, het statig geboomte zich weêrzijds van den
rand en uit de diepte verheft, en den vlakken spiegel met een verheven
lommer dekt.

De reigerjacht was het evenwel by uitnemendheid, die er door den Vorst
werd uitgeoefend, waartoe de ruime heivelden rondom de Udeler-meir zoo
gunstige en uitlokkende gelegenheid aanboden, terwijl het vischrijk
water-zelf de reigers uit het Soerensche bosch by menigte aan zijn
kalmen oeverzoom lokte.

De Staten van Gelderland gaven den Koninklijken jager intusschen een
bewijs hunner hulde, door het Loo en de buurschap Noord-Apeldoorn,
op de 10en December 1694, te verheffen tot eene hooge Heerlijkheid,
ten behoeve van hem en zijne nakomelingen.

Vroeger dan men vermoed had, viel deze verheffing weder in een. Zes
jaren later, in de eerste dagen van Maart, deed de Koning zijn
noodlottigen wandelrid naar Hamptoncourt; plotselijk struikelt
het paard,--de ruiter valt,--breekt het sleutelbeen--en reeds
op den 19en dier zelfde maand beweent Engeland het verlies zijns
Konings,--Nederland dat zijns Stadhouders, aan wien het zoo groote,
en niet altoos naar waarde erkende, verplichtingen had.

Daar Willem de Derde geen kinderen naliet, werd de hooge-Heerlijkheid
van het Loo ook terstond vervallen verklaard, en op den 4en April
1702 weder aan het Landdrost-ambt der Veluwe gehecht.

Nu behoorde het Loo, even als IJsselsteyn [47], onder de goederen
der nalatenschap, waarvan het bezit door de erfgerechtigden, Koning
Frederik van Pruissen en Johan Willem Friso, onderling betwist
werd. Na den dood des laatsten, 1711, geraakte het slechts tot eene
voorloopige bemiddeling; maar by de meerderjarigheid van Prins Willem
Carel Hendrik Friso kwam men op de zaak te rug, en deed moeite tot
eene bepaalde afdoening.

Baron Diederik van Lynden, Heer van de Park, 's Princen
Opperhofmeester,--Baron Hobbe van Aylva, Drossaat van 't Graafschap
Buren, 's Princen Opperstalmeester, en Johan Duncan, zijn gewone Raad
en Rekestmeester, en Raad en Rekenmeester zijner domeinen, werden als
gevolmachtigden naar Berlijn gezonden, en sloten er in 's Princen naam
eene overeenkomst, die zy vervolgends op den 16en Juni 1732 te Dieren
onderschreven, nadat de onderteekening van 's koningswege reeds den
14en der vorige maand te Berlijn had plaats gevonden.

By deze schikking geraakte het Loo gelukkig in handen van den Prins,
en werd alzoo weder het eigendom van den Nassauschen stam. [48]

Na 's Princen benoeming tot Stadhouder der geünieerde Provinciën,
beschonken de Staten van Gelderland nogmaals, en wel by besluit van
13 Januari 1748, het Loo met de rechten eener hooge Heerlijkheid, en
vergrootten er het gebied van, door de byvoeging van het geheele Ambt
van Apeldoorn en der Udeler-meir. Thands werd het weder levendiger in
de zalen, dreven, tuinen en pleinen der lustplaats; want ook Willem de
Vierde vertoefde er van tijd tot tijd, en deed verbeteren en verfraaien
waar hy dat noodig rekende. En toen de wakkere en bedrijvige Vorst
»die zich ook zonder den oorlog voor het Vaderland opofferde,"
onder zijn onvermoeiden arbeid voor het belang der Nederlanden,
op den 24en Oktober, 1751, bezweek, keerden stilte en eenzaamheid
op het Loo te rug, en hielden er weder gedurende eenigen tijd een
ongestoord verblijf.

's Princen eenige zoon, de goedaardige Willem de Vijfde, die reeds
op achttienjarigen leeftijd de waardigheden en--staatszorgen zijns
vaders erfde, verpoosde zich gaarne op het Loo, en deed er vooral de
diergaarde uitbreiden, waartoe het geschenk van den Admiraal van Braem,
na de verovering van Malabar, van twee schoone Aziatische olifanten,
hem uitmuntend te stade kwam. Zijne zachte geaartheid deed hem in
de jacht weinig aanlokkelijks vinden, zoodat hy die byna geheel ter
zijde stelde voor zijn meer geliefkoosd vermaak der visscherij, die
door de nabyheid der Udeler meir, met hare verbazend groote snoeken,
steeds uitlokkende bevrediging vond. Van deze vischpartijen wist
de geleider, die nog voor korte jaren den bezoeker van het paleis
en der tuinen vergezelde, veel te verhalen; en de goede Prins, wiens
verlangde komst telkens door hardloopers met hunne mytervormige mutsen
en geslingerde staven werd aangekondigd, en die zoo lieftallig en
gemeenzaam jegens allen was, stond hem, hoewel toen pas een knaap
zijnde, nog helder voor den geest.

Het bleven intusschen niet immer pleziertochten, die reizen naar
het Loo: Toen heerschzucht en vrijheidskoorts den Staten van Holland
dermate benevelden, dat zy het Stadhouderschap vervallen verklaarden,
en den Prins daarenboven het bevel over de Haagsche bezetting
ontnamen--waren het zeker geene genoeglijke denkbeelden van uitspanning
en verpoozing, die den edelen Vorst door het hoofd dwaalden, toen hy
de onstuimige hofplaats voor zijne stille lustplaats ontweek.

Dit was nog niet de treurigste slag die hem trof.

De tusschenkomst der Pruissische benden, onder den Hertog van
Brunswijk, herstelde het geschonden gezach slechts voor een tijd. Op
den 18en Januari, 1795, verliet de miskende Stadhouder het misleide
Nederland, en het Loo zag hem nimmer weder rustig en nadenkend door
de dreven dwalen.

En hoe het toen met Gelderlands prachtigst buitenverblijf
geschapen stond, blijkt uit de woorden van den Baron van Spaen, wier
aandoenlijkheid in hunne eenvoudigheid spreekt: »Thands heeft deeze
Heerlijkheid het lot van alle de goederen van het huis van Oranje
ondergaan; en de vriend van zijn Vaderland moet de eenzaamheid van
die uitgestrekte gebouwen, van die kunstige waterwerken, van die
aangename wandeldreven betreuren, dewijl die, door eene talrijke
Hofhouding in den zomer bewoond, vreemdelingen aanlokten en veel
vertier veroorzaakten; 'twelk voor de ingezetenen der schrale hooge
Veluwe een bron van welvaart was, die nu uitgedroogd is."

En die toestand van verlatenheid was nog de ergste niet; zelfs
niet de baldadigheden, door de Engelschen gepleegd, toen zy uit de
zuidelijke Nederlanden terug, en hier door trokken, brachtten er zoo
veel verwoesting, als de naar geld grijpende hand van het Bestuur der
eerlijke Bataafsche-Republiek: De zwaarste boomen werden omgehouwen,
het lood der daken en fonteinpijpen afgeworpen en opgegraven, en met
de prachtige meubelen, en wat door kostbaarheid van waarde was.... te
gelde gemaakt!

En indien dit geschiedde door den Staat-zelf--hoe kon men dan
verwachten, dat de vreemdeling minder dorre gevoelloosheid verraden
zou! Zeker--wanneer Johan Bentynck zijn fieren gebieder op zijn
jachtslot onthaalde, en alles daar wemelde van den rijkdom en de
pracht des Hertooglijken aanhangs--dan heeft hy wel nooit, ook maar
niet van verre, vermoed, dat het eenmaal tot een »armzalig hospitaal"
voor soldaten zou worden verlaagd. En wanneer Graaf Godart van
Portland de door hem aangelegde zalen en vertrekken voor Nederland
zag gewijd door de voetstappen van zijn vorstelijken vriend, dien
men thands erkent een der grootste Koningen van Groot-Britanje te
zijn geweest--toen heeft hy zeker ook nooit gedacht, dat eenmaal een
deel der armee van die zelfde Franschen, door een Willem den Derde
zoo nadrukkelijk in toom gehouden, de leden, met eene walgelijke
huidziekte overdekt, daar zouden neêrstrekken, en somtijds, door
verregaande onvoorzichtigheid hunne eigene krijgsgenoten, gevaar
zouden loopen om met het gebouw-zelf in vlammen te verteeren.

En toch--het jachtslot werd tot een hospitaal verlaagd; en toen het
getal der kranken tot byna zes duizend geklommen was, vervulde het
ook voor een groot deel de zalen en vertrekken van het paleis. En
toen eenmaal, nog steeds in 1795, Deventer, Zutphen, Doesburg en
Arnhem nalatig waren in het voldoen der vorderingen ten behoeve
van dat hospitaal, dreigde de Generaal van Damme, met de volmaakte
onbeschaamdheid van een Franschen veroveraar, dat hy een deel der
besmettelijke huidzieken van het Loo by de burgers dier steden zou
doen inlegeren.

De herschepping van de Noordelijke Nederlanden in een Koninkrijk
Holland, was voor het Loo eene weldaad. De goede Lodewijk--een andere
Willem de Vijfde, maar met minder begrip eener voormalige Hollandsche
deugd, die spaarzaamheid heette--had niet zoodra kennis met de
vernielde lustplaats gemaakt, of hy verlangde dat ze in beteren staat
gebracht, en weder tot een vorstelijk verblijf zou ingericht worden.

Op dien koninklijken last togen nu alle handen aan het werk; en
weder naar den toenmaligen, wel ietwat kleingeestigen, maar minder
onnatuurlijken, smaak ingericht--was het Loo weldra in staat, zijn
vroegeren roem te handhaven. Jammer slechts, dat Lodewijks bygeloovige
zwakheid het jachtslot (waar intusschen reeds voor 1730 de peer- en
klokvormige torendaken in de tegenwoordige spitsen veranderd waren)
een der grootste cieraden ontnam, door het doen dempen der gracht,
wijl hem gezegd was, dat hy zich in 't algemeen voor water zou
hebben te hoeden. Het voorkomen van het jachthuis is er merkelijk
door verminderd, en het maakt thands meer den indruk van een zware
en versterkte poort, dan van een klein kasteel. Op het paleis, weldra
door zijn bekwamen bouwmeester Tibault hersteld en verbeterd, deed hy
de eetzaal tot kapel inrichten; dit is later weder veranderd en op
den ouden voet gebracht, maar de gedempte gracht zal waarschijnlijk
wel immer in den tegenwoordigen toestand blijven. Onder Lodewijks
belangrijkste verbeteringen behoort voorzeker het aanleggen van den
straatweg, die de tot op dien tijd gebezigde mulle heibaan verving. De
koning, hoe wisselziek van aart ook, bevond zich dikwerf op het Loo;
en in den zomer van 1808 konden de omwoners zich elken zondag te goed
doen aan het vreemde en schitterende schouwspel, dat de parade van
de garde, de ruiterij, en het voetvolk hun opleverde.

Maar ook dit ging weldra voorby. Het jaar 1810 was daar; het Koningrijk
Holland werd by het Keizerrijk ingelijfd, en met Lodewijks vertrek
bleven van den voormaligen drokken en woeligen stoet in paleis en
jachtslot niet dan slechts weinige beambten over.

Toen echter de groote veroveraar Napoleon in het volgende jaar door
Gelderland trok, kreeg alles op het Loo weder voor korten tijd een
vorstelijk aanzien. In de maand Oktober was de Keizerin, vergezeld
van den Prins Neufchatel, de schoone Hertogin Monte-Bello, en geheel
een schitterenden hofstoet, aangekomen, en men verwachtte er ook
den Keizer-zelf. Deze, den 29e dier maand onder het geleide van
talrijke gewapenden van Zwolle vertrekkende, kwam nog dien zelfden
dag op het paleis aan, met den Maarschalk Duroc, Hertog van Frioul,
en een aanzienlijk gevolg, waarvan een deel hem op zijne wandelingen
door de lustplaats vergezelde, nadat alvorens de paden en lanen van
tuin en park door eene gewapende wacht van alle andere bezoekers
was ontruimd. Geen arbeider zelfs was dan het blijven vergund. »Zoo
bevreesd was de man, op wiens wenk duizenden zich in het stof
bogen, dat de Hollanders, dien hy onlangs de weldaad bewezen had,
van hen met het Groote Rijk te vereenigen, hem met ondank beloonen,
en wellicht door gehuurde moordenaars een aanslag op zijn leven
ondernemen zouden." [49]--In de nacht tusschen 30 en 31 Oktober kwamen
twee koeriers, met haastigen spoed, op het Loo aan, en de rust in de
koninklijke slaapkamer, waar slechts de wit-satijnen ledikant-gordijnen
Napoleons sluimer bespiedden, werd voor goed gestoord. Onverwacht gaf
de Keizer bevel om nog dien zelfden dag te vertrekken; en op den avond
sprak men er van zijne kortstondige verschijning, als van een bonten en
wonderlijken droom, die van eene zonderlinge rust was opgevolgd. Kort
daarna was de rust van geheel Europa weder gestoord, en werden alom
de geduchte toebereidselen gemaakt tot den tocht naar Rusland.

En deze tocht naar Rusland legde den grondslag tot de opeenvolging
van gebeurtenissen, die den oranjeboomen op het Loo weder eene
eigenaardige en vrolijke beteekenis gaven: in 1813 zette het Huis
van Oranje vasten voet op den Nederlandschen bodem, en Willem de
Eerste kende weldra geen uitlokkender oord tot ontspanning en rust,
dan de schepping van Willem den Derde.

»Sedert dien tijd werd het Loo de geliefkoosde lustplaats onzer
vorstelijke familië, die hier meer dan op het kasteel te Laeken
aan hare zucht voor eene burgerlijke levenswijze gehoor gaf." Nog
toont de gids die u er rond leidt »al de plekjens aan, waar Koning
Willem van zijne wandelingen door het park uitrustte, vooral aan den
grooten vijver, in de nabyheid van een zacht-ruischenden waterval,
en maakt u opmerkzaam op het kleine eilandjen, waar de Vorstelijke
familië dikwijls op schoone zomeravonden in de open lucht de thee
gebruikte. De regtschapen Vorst, die steeds het goede wilde, ook
schoon hy misschien dikwijls faalde in de keuze der middelen om het
te bereiken, zocht hier, vooral gedurende het laatste tiental jaren
zijner regeering, dikwerf verpoozing van de zorgen, die by voorkeur
de hooggewelfde paleizen omzwerven."

Voorwaar! Wie ook thands dat prachtige park doorwandelt, hy zal nog
het woord bestemmen, reeds in 1841 gesproken: Het is zoo aangenaam
er rond te dolen met iemant, die er zich thuis vindt, en nog iets
weet te verhalen van gintsche tijden, toen Princes Louize hier nog
haar geliefkoosd verblijf hield, en een dier bekoorlijke tentjens
bewoonde; toen onze Koningin met zooveel blijdschap hare rust genoot
in deze stille afgescheidenheid van de waereld; toen Princes Marianne
zich nog in het liefelijk hofjen verblijdde, dat ter zijde van het
paleis nog de dagen harer kindsheid vertoont; toen de boerderij, die
zoo vriendelijk door het groen bedekt is, haar een zoo beminnelijk
Nederlandsch karakter deed bezitten.--O, het Loo bevat een waereld
van gedachten, niet uit te spreken, maar die menigmaal een traan in
ons oog deed opwellen!--

Onder Willem den Eerste werden ook de ruime vijvers gegraven, wier
oevers zulk een prachtig gezicht opleveren, en die in onze dagen door
zijn kleinzoon aanmerkelijk werden verbeterd en verfraaid, zoodat zy
thands een der grootste cieraden van het trotsche park uitmaken.

Ook de oude en reeds lang vergeten valkenjacht werd er weder in
het leven terug geroepen, en met koninklijke vergunning aangelegd
door den Baron d' Offemont, Sir Charles Stuart Wortley, en de beide
Heeren Newcombe, en wel van den 1en Juni 1839, tot in den aanvang
der volgende maand.--Tot den jachtstoet behoorden 16 edelvalken en
2 tertsels, onder het opzicht der gebroeders Both, Valkeniers van
Valkenswaard. De heide rondom de Soerensche bosschen was ook weder de
streek die door de ervaren jagers gekozen was. Wanneer regen, of te
sterke wind, den valken het snel vliegen niet verhinderden, en de jacht
alzoo onbelemmerd plaats kon vinden, werden de terugkeerende reigers
op een kwartier afstands van het woud, en onder den wind daarvan,
opgewacht: gedurende het tijdsverloop van 2 ure in den namiddag,
tot aan het vallen van den avond. Telkens werden er twee valken naar
een reiger geworpen, waarvan er echter altoos éen hem ving, en nooit
beiden te zamen; somtijds werd er slechts een enkele valk opgeworpen,
die om zijne byzondere vlugheid en kracht Bulldog heette. Het getal
der gevangen reigers bedroeg in het geheel 104.

Ernstiger herinnering bewaart het Loo van het volgende jaar 1840. De
Koning, moede van de zorgen eener regeering, die sedert 1830 vooral
door de schandelijke trouweloosheid der Mogendheden verbitterd was,
en vergeefs worstelende tegen een tijdgeest, waarmede hy zich niet
vereenigen kon, kwam tot een besluit, zeldsaam onder gekroonde
hoofden: hy wilde van zijn kroon afstand doen. In het laatst van
September vertrok hy uit 's Gravenhage naar het Loo. En op Woensdag
den 7en Oktober daaraanvolgende, ten 12 ure op den middag, stond hy
in de groote receptie-zaal van het paleis voor de marmeren tafel,
omgeven van zijne kinderen en kleinkinderen, in tegenwoordigheid
van de Ministers, de Leden van den Raad van State, en die van den
Geheimen-Raad voor Luxemburg, en teekende er de acte van abdicatie,
ten behoeven van zijnen oudsten zoon, wien Nederland sints by voorkeur
zijn ridderlijken Koning noemt.

Zonderling is men te moede, wanneer men in die rijke zaal staat, en
zich dat belangrijk en plechtig oogenblik voor den geest stelt. Maar
als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het ruime met
acaciaas beplante voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den
ingang, door de lange beukenlaan staart--dan gevoelt ge zoo levendig,
hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu ze
het persende harnas had afgegespt.

Koning Willem de Tweede had eene voorliefde voor het door hem
byna omgeschapene Tilburg, en was derhalven niet zoo dikwerf als
zijn vorstelijke vader op de oude lustplaats der Oranjes te vinden,
schoon de valkenjachten nog eenigen tijd in wezen bleven. Toen echter
zijn onverwachte en te vroege dood hem wech nam van een volk dat hem
vereerde en liefhad; en dat diep en ongekunsteld rouwe droeg by de
mare van zijn spoedigen dood--toen werd op het Loo weder eene oude
herinnering als opgewekt met den naam van Willem den Derde.

Met dezen Vorst is ook werkelijk weder een nieuw tijdperk van
bloei voor het Loo aangevangen. Talloos zijn de veranderingen en
verfraaiïngen, door hem aan dit uitstekende landgoed aangebracht,
waarvan, behalven de reeds gemelde opluistering der groote vijvers
achter in het park, vooral de verbetering der wegen opmerking
verdient. Natuur en kunst gaan thands op de uitnemendste wijze hand
aan hand; en by het eenzaam omdwalen onder dat prachtig geboomte, die
trotsche beuken, die eerwaardige eiken, die statige linden, die donkere
dennen: allen reusachtige scheppingen der krachtige natuur, vergeet
ge haast, dat de kunst juist daar is geweest, om u dat alles in die
weelde te doen genieten. Byna 400 bunders grond zijn thands omperkt;
en de moestuin, die geen gelijke in Europa heeft, beslaat 7 bunders.

Een geheel nieuw schouwspel vertoonde zich op het Loo in 1851, door den
wedstrijd der Boogschutterijen, die op het ruime, daartoe opzettelijk
ten vorigen jare ingerichte grasperk by den ijskelder, de proeven
hunner behendigheid aflegden,--feestelijk werden onthaald, en uit de
Vorstelijke hand de hun toegezegde prijzen ontfingen. Later diende
dit perk voor de tentoonstelling, door de Geldersche maatschappij van
landbouw gehouden. In het zelfde jaar 1851, werd ook de smaakvolle
schouwburgzaal ingewijd, die onder 's Konings toezicht aan den rechter
vleugel der voorgebouwen is opgericht.

Alzoo is het Loo een kolossaal en prachtig gedenkteeken, dat de
geschiedenis van het Huis van Oranje omvat, van den eersten Willem
den Derde af, tot aan den tweeden Willem den Derde toe, van wien het
nageslacht eenmaal moge kunnen getuigen, als het thands van zijnen
grooten voorvader doet. En gaarne spreekt de rechtschapen Nederlander
den dichter na, die den Vorst uit de warmte zijns harten toebidt:


      Een derde Willem stichtte 't Loo.
    Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?--
      O Derde Willem! moge ook zoo
    De naam Uws Vaders op U wezen!
      Hy was het borstschild van Euroop--
    Wees gy Oud-Nederlands beschermer!

    En Gy, Oud-Nederlands Ontfermer!
      Vervul door Willem Neêrlands hoop!--



HET KASTEEL AMMERSODE.


Voor wie de geschiedenis van zijn land lief heeft,--voor wie beseft,
dat groote handelingen en bewegingen zich in duizend kleinere splitsen,
daarvan zijn voorafgegaan, daarmeê samenhangen, daardoor gevolgd
worden,--voor wie alzoo begrijpt dat elke uiting eener eeuw, niet
alleen in het openbaar--, maar ook in het huisselijk leven en wat
zich daaraan vasthecht, eene historische belangrijkheid bezit, die
vooral dáar in waarde klimt, waar vele dier enkele verschijnselen nog
zijn samengebleven in een groot geheel, dat het eigenaardig kenmerk
van zijn bepaalden tijd draagt--voor hem is het meer dan een bloot
genoegen, nog eens rond te wandelen in de zalen en vertrekken en
gewelven van een dier weinige kasteelen, die in ons vaderland aan de
geduchte handen des tijds en der sloopers ontkomen zijn: voor hem is
het wetenschappelijk genot.

En wie nu dit genot nog eens in ruime mate wenscht te doorleven, wende
den voet naar dat gedeelte van het aloude Teisterbant, dat thands den
naam van Bommelerwaard draagt, en wel dáar heen, waar aan den rechter
Maas-oever het dorp Ammerzode zich in het welige geboomte verbergt,
en niet verre van de rivier een kasteel ernstig en statig oprijst.

En wie zich nu, ondanks zijn goeden wil, tot dien tocht belemmerd
vinde--hy vergezelle met ons den Heer van Engelen, waar deze
kennisrijke en smaakvolle verhaler, wien wy reeds op het Loo eenige
voetstappen ter zijde gingen, zich naar den Ammersode richt:--

Een diepe gracht, nog voor een gedeelte van een aarden wal voorzien,
omgeeft het kasteel. Een brug verleent den toegang, eerst op een
uitgestrekt voorplein, van oude, thands grootendeels onbewoonde
nevengebouwen omringd, waaraan slechts een talrijke duivenslag leven
byzet. Vervolgends komt men door eene poort op een binnenhof; en
thands het hoofdgebouw betredende, treffen al aanstonds de verbazende
dikte der muren en de buitengewone omvang der hooggezolderde
vertrekken de opmerkzaamheid des bezoekers. De uitstekende netheid
die overal heerscht, en talrijke voorwerpen, tot de hedendaagsche
huishouding behoorende, mogen al voor een oogenblik het denkbeeld
aan vroegere eeuwen, door de eerste beschouwing van het gebouw
opgewekt, verwijderen--toch zullen spoedig de vele overblijfselen
van een huisraad, dat een geheel ander tijdperk aanduidt, en dat te
midden van meer moderne voorwerpen verspreid is, den eersten indruk
hernieuwen. Vooral zullen de fraai gestikte tapijten langs den wand,
vercierd met de wapens van het stamhuis van Arckel, dat in de zestiende
en zeventiende eeuw de Heerlijkheid bezat,--de groote spiegels met
hunne blinkende stalen lijsten, een cieraad van vroegere tijden,
dat al te zeer in vergetelheid is gekomen,--de met kunstig snijwerk
voorziene schoorsteenranden, en de ouderwetsche stoelen, met hooge
ruggen en lage zittingen--den bezoeker telkens herinneren aan een
tijd die lang voorby is.

Tot vóor korten tijd waren, behalven het belangrijk archief in
een onbewoond gedeelte van het slot, ook nog eenige oude wapenen
en een aantal familië-portretten hier aanwezig. Dit een en ander
was echter door den tegenwoordigen eigenaar der Heerlijkheid, den
Baron de Woelmond, Lid der Provinciale Staten van Limburg, en aldaar
woonachtig, meerendeels van hier wech gevoerd. Intusschen waren er
nog enkele familië-stukken achter gelaten, meestal vrouwenportretten,
in de stijve kleederdracht van een vroeger tijdperk, benevens een
groot familië-tafreel, eenige spelende kinderen voorstellende. Men
vermaande my, toch vooral den hoofdtoren van het slot te beklimmen,
boven welke zich een zoogenaamde peer of pijnappel verheft, die
een keurig vergezicht over den omtrek aanbiedt. De wind, die vrij
hevig woei, deed dit hoogste gedeelte van het kasteel eene gedurige
schudding ondergaan, hetgeen my echter niet verhinderde, een geruimen
tijd mijne blikken door de kleine torenvensters over deze vruchtbare
landstreek te laten rond weiden. Aan de eene zijde vertoonden zich
de breede Waal-stroom en de statige toren van Bommel, schijnbaar
in de onmiddelijke nabyheid; terwijl aan den anderen kant de stad
's Hertogenbosch zich met hare vestingwerken en forten, torens en
kerkspitsen uitbreidde. Den geheelen Bommelerwaard, met zijne talrijke
dorpen, korenrijke akkers, weiden, en boomgaarden, kon men van hier
met een enkelen blik omvatten. Na my met moeite aan dit gezicht
onttrokken te hebben, voerde men my uit de hoogte naar de diepte:
in de verbazend ruime overwelfde kelders van het slot namelijk,
thands tot dienstbodenvertrekken, provisiekamers, enz. ingericht,
maar in vroeger tijden voor een gedeelte tot een kerker dienende,
gelijk men nog een blok, waaraan de gevangenen gekluisterd werden,
als eene rariteit bewaart.-- [50]



Staat ons alzoo nu het ernstig en kolossaal gebouw in deze duidelijke
omtrekken levendig voor den geest--werpen wy dan den blik te rug,
en zien wy, welke historische herinneringen zich daaraan verbinden,
welke feiten aan die muren zijn verknocht, welke lotgevallen hunne
bewoners of eigenaars hebben ondergaan.

Wanneer, en op wiens last, hier de spade in den grond werd gestoken,
om de rooiïng der grondslagen in vasten steen te verwerkelijken, is
onbekend. Zeker weet men echter, dat de sterke burcht in het laatste
gedeelte der dertiende eeuw in eigendom behoorde aan Johan van Herlar
(uit het oud en edel geslacht van Lo), daarna op zijn zoon Dirc,
en vervolgends weder op diens zoon Gerard overging.

Gerard, die het in 1351 bezat, was een aanhanger van den Hollandschen
Graaf Willem den Vijfde, wiens kleederen hy droeg; en dat hy Jonker
Eduard van Gelre genegen was boven diens broeder, den Hertog,
blijkt uit het aandeel dat hy nam in 't verzet van eenige Edelen
tegen Reynald, ten behoeve van Eduards verkort recht, in 1353. Na
zijn kinderloos overlijden kwam het kasteel, by magescheid of
broederdeeling, in handen van Johan van Herlar, Heer van Ameyde, die
er zyn jongsten broeder Arndt meê verlijdde, wiens Erfdochter het door
huwelijk weder aan Arnold van Hoemen, Heer van Hoemen en Midlar bracht.

In den oorlog tusschen den Gelderschen Hertog Willem van Gulich
en Joanna, de Hertogin-weduwe van Brabant, koos Heer Arnold, met
voorbyzien van zijn leenmansplicht, de partij der laatste, en yverde
zeer voor hare zaak. Hy was er echter niet gelukkig in. Op den 24en
Juni, 1386, krijgsvoorraad en levensmiddelen van 's Hertogenbosch naar
zijn kasteel van Midlar geleidende [51], werd hy by het uitkomen van
een bosch, zuidwaart van Grave, door Gerard van Oyen aan het hoofd
eener talrijke bende Gelderschen overvallen, en met zijn zoon Reynald
en eenige Brabantsche ridders gevangen genomen. Hertog Willem, hiermede
zijn voordeel trachtende te doen, deed den gevangene voor zich brengen,
en gaf hem de keuze tusschen de oogenblikkelijke overgave van den
Ammersode, of--de dood. Maar ook in dien nijpenden oogenblik begaf
den heldhaftigen Ridder zijne fierheid niet:--»Moet ik sterven,"
gaf hy onvertsaagd ten andwoord: »ik zal het met eere weten te
doen--maar de bezworen trouw aan mijn Vrouwe van Brabant verbreek ik
niet."--'s Hertogs scherp voorstel bleef toen een bloote bedreiging,
't zij hy getroffen was door de moedige taal des Edelmans, of dat
hy wellicht diens dood nooit in den zin had gehad, maar slechts op
deze wijze de bemachtiging van 't kasteel wilde beproeven. Thands
schoot hem hiertoe niets anders over dan een beleg. Hy liet Heer
Arnold het leven, maar wendde zich met de wapenen voor den Ammersode,
die, niettegenstaande een kloekmoedigen weêrstand, na weinige dagen,
in Augustus gewonnen, en met het kasteel Midlar, dat in de volgende
maand het zelfde lot onderging, verbeurd verklaard werd. En schoon hun
dappere eigenaar later by Hertog Willem in aanzien geraakte--hy ontfing
zijn fraai goed aan de Maze, zoo min als zijn schoone Heerlijkheid in
Bommelerwaert weder te rug [52]. Evenmin kwam ze in handen van Gherit
van Bruechem, die er aanspraak op maakte (waarschijnlijk uit hoofde
van bloedverwantschap), maar in 1391 afstand van deed, behoudens zijn
recht op eenige morgen lands, die zijner moeder behoorden.

Toen de Hertog zich in 1392 tot zijn derden tocht naar Pruissen gereed
maakte, stelde hy het kasteel in hoede van zijn oversten rentmeester
Godart van Stamprade, die zich daartoe verbond »mit op gerichten
vingheren ende mit ghestaefden eden ten heiligen gheswoeren."--En
toen hy, in Januari 1402, zijn einde voelde naderen, en de verdeeling
zijner bezittingen by testament regelde, schonk hy slot en Heerlijkheid
Midlar, met uitzondering van den tol, aan zijn oudsten bastertzoon
Willem van Cuyc; en den tweeden, Johan, begiftigde hy met Ammersode,
onder voorwaarde dat dit, in geval van kinderloos overlijden, weder op
's Hertogs rechte erfgenamen zou te rug komen,--ten allen tijde voor
hen open staan,--en tegen uitkeering van 1000 Rijnsche guldens steeds
losbaar zou zijn.

Men vindt echter niet, dat Johan ooit in 't bezit der hem beschikte
heerlijkheid gekomen is. Waarschijnlijk heeft hy zich daaromtrent
verstaan met zijn oom Reynald, die ten minste in 1405, tegen ruiling
met het kasteel ter Knype, en het hoog en laag gericht van Beecke
en van Sterckerode, aan Johan Steck van Beecke, Heer van Beecke, en
Hertooglijk Raad, overlevert: »slot, borch ende herlicheit Amersoyen,
mit hogen gerichte ende degelixschen gerichte, mit mannen, mit
dyenstmannen, horigen luden, wastijnsigen luden, coirmetschen luden,
eygenen luden, mit hoenren, capuenen, gansen, mit renthen, mit paichte,
mit theenden, mit tijnse, mit gulden, mit jairgulden, mit wijnde,
mit watere, wijhere, mit busschen, mit broeken, mit artlande, mit
beemde, visscherijen, forefeyten, mit allen opkomyngen, mit heyden,
mit weyden, hoge ende lege, ende mit allen anderen goiden ende
erven, tot der voirscr. herlicheit van Amersoye gehoirende." [53]
Zeven jaren later deed Heer Johan er weder afstand van, tegen een
bepaalde som. Het moet hier echter aan een of andere voldoening van
's Hertogs wege gehaperd hebben; want Meralda Steck van Beecke,
Johans erfdochter, gehuwd met Heer Goossen van Rossem, deed zich na
heurs vaders dood met de Heerlijkheid beleenen, schoon zy overigens
evenmin in 't bezit getreden schijnt te zijn, als Willems Johan.

Een andere Bastert van Gelre werd er meê beschonken, en wel Hertog
Reynalds zoon Willem van Wachtendonc, die op den 25en April 1424, in
overeenstemming »mit Hermanna van Batenborch, sijn echte huysvrouw,
Johan Heer tot Broeckhuysen ende tot Weerdenburch verkocht 't slot
van Amersoyen, mit den voorburchte ende graven, mit der heerlijcheyt
van Amersoyen, mit den dorpe" enz., verder gelijk reeds in Hertog
Willems brief van ruiling werd omschreven. Hertog Reynald keurde
dezen overgang goed, en gaf het in 't volgend jaar aan Broeckhuysen
en diens erven tot een onversterfelijk leen, te verheergewaden met
éen pond goed geld. De goede luiden van Ammersode hadden reden om
zich over dezen verkoop te verheugen: hun nieuwe Heer toonde zich
hunnen belangen niet onverschillig, en gaf hun in 1428 landrechten
en keuren, met die van Tielre- en Bommelerwaert overeenstemmende,
terwijl hy de ingenoten van het kasteel meer gemaks verschafte,
door er eene slotkapel te stichten.

Heer Johan van Broeckhuysen van Waerdenburch overleed vervolgends
in 1443, en liet zijn eenigen zoon Gerard, die met Walravina, Heer
Walravens dochter van Brederode [54], gehuwd was, en de waardigheid
van Erf-Hofmeester des Hertogen van Gelder bekleedde, den Ammersode.

Wanneer zijne onderzaten met goede hope hem zijne goederen hebben zien
aanvaarden--zy zagen die hoop niet verwezendlijkt: reeds het volgende
jaar viel de bekende slag van Sint-Hubert voor, waarin Willem van
Egmond van IJsselsteyn gevangen genomen werd [55], en in dezen strijd
sneuvelde Heer Gerard, die, edeler dan zijn lafhartige naamgenoot van
Culemborch, dus zijn ridder-eer en leensmans-trouwe met zijn dood
staafde. Hy mocht sterven in het vertrouwen dat zijn bloed zich in
zijn kroost niet verloochenen zoû: slechts weinige uren te voren,
vóor den aanvang van 't gevecht, zag hy zijn oudsten zoon Johan op
het slagveld ridder geslagen, en alzoo tot de hoogste waardigheid
van den adel verheven.

Het geluk was den jongen held echter niet gunstig: strijdende werd hy
krijgsgevangen gemaakt, en moest zich eenigen tijd het gemis zijner
vrijheid getroosten.

De listige Jan van Rossem, dien Sweder van Culemborch later »die
alde cat" noemde, had de laagheid om zich met dit dubbel onheil te
bevoordeelen. Hy zond, eensdeels misschien op grond der verouderde,
aanspraak van zijn vader Goossen, anderdeels uit wraakzucht, omdat
Heer Johan hem zijn verloofde ontvrijd had, zekeren Jacob Ottens,
om den Ammersode te vermeesteren. De aanslag gelukte, maar zijne
vreugde daarover was slechts van korten duur. Heer Jan van Culemborch,
een verwant der vrouwe van Broechuysen, Elisabeth van Haeften, had
naauwelijks het feit vernomen, of hy besloot om de weduwe, die wellicht
van hare vier jongere zonen nog geene hulp verwachten kon, in dien
nood by te springen.--Vóor het kasteel stond een rosmolen, en in de
deur der kasteelpoort schijnt geen winket of tralievenster geweest
te zijn; op deze toevallige omstandigheden bouwde de naauwlettende
Ridder zijn plan tot herovering.

Op eenen dag in 1445, zeker niet laat in den morgen, komt er een bode
van Culemborch, met de bus, het teeken van zijn ambt, op de borst,
voor 't kasteel aan, en klopt er op de poort. Den poortier, die hem
te woord staat, verzoekt hy een brief te willen ontfangen, om dien
zijn Heer, by diens komst op 't huis, te overhandigen. De thands
geen kwaad vermoedende poortwachter opent de deur ten deele--maar nu
brengt de bode er vaardig zijn arm tusschen, en weert de sluiting;
en daarop schieten Culemborchs krijgsknechten, heimelijk in den
rosmolen verborgen en op de loer liggende, haastig toe, stormen de
poort binnen, vermeesteren het kasteel, en brengen het op deze wijze
weder in handen der rechtmatige bezitters.

In hoeverre nu Ammersode, dat, blijkends Schotels onderzoek, den
tweeden zoon, Walraven, »aenbestorven ende toegeleeghen was van doode
Gerits sijnen vader," nu nog door den oudsten, Johan, op hem verlijd
moest worden, is duister; maar in elk geval zijn de stukken daarvan nog
voor handen, en de bepalingen der broederdeeling, van 20 Januari 1457,
worden bevestigd door den leenbrief van acht dagen later, waarby Johan
van Walraven »beleent ende verlijt die leenweer mit allen rechts ende
toezeggens, dat hij gehadt heeft oft hebben mochte aen dat slot tot
Amersoyen metter heerlijcheyt, leenmannen, renten, gueden, bezegelde
brieven ende allen zijnen toebehoiren, nyet daer van vuytgescheyden, te
houden tot eenen rechten onversterffelijken erffleen, met al dusdanige
voorwaarden, oft saecke waer dat Walraven voirs ofte sijne kinderen
storven, sonder wettelijcke blijvende geboorte after hem te laten,
dat Godt verhueden wil, soo sal dese voirs. heerlijcheit mit allen
horen toebehoiren voirs. wederom besterven aen Jan voirs. oft sijnen
rechten leenvolgeren, in der tijt, in levende lijve wesende."

De onverhoopte omstandigheid, in de gevolgen waarvan deze laatste
bepaling voorzag, vond werkelijk plaats: Heer Walraven overleed
kinderloos, in 1480. Ammersode ging toen over op Johans zoon Gerhard
van Broechuysen van Weerdenburch, wiens Heerlijkheid van den laatsten
naam, benevens de dorpen Hiern en Neerijnen, door den Aartshertog
Maximiliaan in 1481 verheven werd tot eene Hooge-heerlijkheid, met
het recht van galg en put. Heer Gerhard, een getrouw aanhanger van
Hertog Karel van Egmond, by wien hy de waardigheid van Hofmeester
bekleedde, stierf in 1494, zonder ooit gehuwd geweest te zijn,
waardoor Weerdenburch en Ammersode by erfenis overgingen op zijne
zuster Walravina, die ze in het geslacht der Arckels bracht.

Zy was namelijk in 1480 gehuwd met Otto van Arckel, een Edelman voor
't overige, die den beroemden naam van zijn Huis tot weinig eere
was, en zijn eigenen te schande maakte. Samenspannende met Gherit
van Culemborch, zijn oom van moeders zijde, had hy zijn vader
gevangen genomen, en op het kasteel van zijn oom in verzekerde
bewaring gebracht, terwijl hy-zelf dat van Heuckelom bezet hield,
en van daaruit zijne soudeniers roovende en ruitende door gantsch
Zuid-Holland zond. Maar--een andere Adolf van Egmond, trof hem weldra
ook gelijke straf. De Graaf van Charlois, deze strooperijen moede,
deed zijn Drossaart Valckesteyn Heuckelom overmeesteren, en dwong
Otto tot afstand der Heerlijkheid, waarvan hy zich-zelf tot Heer liet
huldigen. Later, volgends sommigen nog by des Borgondiërs leven,
ontfing de onwaardige zoon zijne goederen te rug. Hy stierf op ver
gevorderden ouderdom, in het jaar 1505; Vrouwe Walravina huwde twee
jaren later weder met Heer Herman van Wachtendoncq, en overleed
in 1511.

Heur oudste zoon uit het eerste huwelijk, Johan van Arckel, Heer
van Heuckelom, bekwam toen den Ammersode, maar overleed reeds ten
volgenden jare, en zijn huwelijk met Adriana, des Heeren van Alsten
dochter, was kinderloos gebleven.

Op den 24en Juni 1513 werd het kasteel door Henrick van Nassau voor
Hertog Karel van Borgondiën gewonnen, maar schijnt niet lang in
diens bezit gebleven te zijn, want weldra vindt men het weder als
een eigendom van Johans broeder, hoewel niet van den tweeden broeder,
maar van den jongsten, Walraven, wien Hertog Karel van Egmond in 1514
ook met Weerdenburch beleende; blijk van eene gunstige gezindheid,
die niet immer duurde. Hy viel by den argwanenden Prins in ongenade,
waarop eene verzoening volgde, die, 25 Augustus 1520 bezegeld,
hem weder in het bezit stelde van alle breuken, wapenschouwing,
waakzetting en waakschouwing, verder alle rechten en privilegiën,
met uitzondering van lijfgoed en klokkenslag, om ze te genieten tot
wederopzeggens toe. Intusschen--ter zelfde maand van het volgende
jaar weder, dwong de Hertog hem tot afstand aan zijn ouderen broeder
Gerhard, van Weerdenburch met het dagelijksch gericht, van Ammersode
met het hoog en laag gericht, en van de tienden van Rossem, Driel
en Herwaerden, met bepaling, dat Weerdenburch altijd aan den rechten
stam versterven, en nimmer overgebracht worden zou.

Toch bleef hy 's Hertogen dienst houden. Ten minste in den oorlog met
Bisschop Henric van Beiëren, was hy met den Stadhouder van Meurs binnen
Utrecht, en aan diens zijde, toen hy by de overrompeling van 1528 de
stad ontweek; maar zy werden, te gelijk met den Hertooglijken Raad
Wynand van Arnhem, »van het boerengespuys aen de Vecht bekend, en weder
naer de stad gebraght," waar hun echter verder geen leed, dan dat der
gevangenschap weêrvoer. Na het treffen van den vrede werden zy weder
ontslagen. Vier jaren later, en wel op den 27 September 1532 verbond
hy zich in den echt met Jonkvrouwe Catharyne van Gelder, natuurlijke
dochter van Hertog Karel en Anna van Merwijc, die hem acht kinderen
schonk, vier zonen en vier dochters, waarvan drie ongehuwd overleden.

Intusschen bezat zijn broeder Gerhard, Heer van Heuckelom en
Weerdenburch steeds ook den Ammersode, en ontfing van het laatste
in 1539 de bevestiging van Keizer Karel den Vijfde, »met bedingh,
dat het zelve altoos voor den Keyser zoude open staen, als zijnde
niet alleen Hertogh van Braband, maer ook van Gelder."

Gerhard, sedert 1512 gehuwd met Margareta, Erfdochter van Heer
Daniel van Praet van Moerkercken, Heer van Merwede, en Baliuw van
Zuid-Holland, bleef zonder kinderen, zoodat by zijn dood, die in 1547
plaats vond, de vaderlijke erfgoederen weder te rug vielen op Heer
Walraven, die ze nu tot op zijn sterfdag, in 1557, behield.

Zijn oudste zoon, Otto, erfde Heuckelom, en stierf in 1567 door een
noodlottigen val met het oor in zijn zwaard, toen hy met een wagen by
Herwynen omstortte [56]. De tweede zoon, Karel, bekwam Weerdenburch;
de derde, Joris of George, de Heerlijkheid Ammersode.

Joris van Arckel was nog een kind, toen zijn vader overleed,
waarom Goirt van Gellekom zijne plaats bekleedde by het doen der
leenhulde. Later, in 1569, legde Heer Joris persoonlijk den leen-eed
af, en werd toen namens Filips den Tweede, als Hertog van Gelderland,
met de Heerlijkheid verlijd, en alzoo bevestigd in het bezit van
zijn vaderlijk erfgoed. Hy trad in 't huwelijk met Anna, Heer Johans
dochter van Lockhorst, waardoor hy de Heerlijkheden van Heemstede en
van Lockhorst verkreeg. De beide echtgenoten verzekerden elkander,
by testament van 24 Februari 1581, »in lijftochte duysent guldens
siaers, wt elcx haer respective goederen haer leven lanck gedurende
van lancst leven." Vrouwe Anna overleed vóor haren echtgenoot, die
in 1590 stierf; maar de oorzaak van zijn noodlottigen dood is zoo
zonderling, en van zoo veel raadselachtigs en onverklaarbaars omweven
en doorvlochten, dat de tastbare vormen der historie zich hierby in
de zwevende gestalten der overlevering verliezen, en de gloed der
poëzy vereischt wordt, om een meer helder licht te werpen op die



SAGE VAN DEN AMMERSODE.


Glad is de ijskorst van den winter, die den rug der waatren dekt,
En den helder-blaauwen hemel tot een blanken spiegel strekt;
Maar wie meldt het, wat daaronder in den schoot dier waatren huist?
Wat er in de donkre diepte langs den bodem woelt en bruist?--

Feest is 't op den Ammersode, schoon geen dartel looffestoen
Poort of brug omzwiert met bloemen, nis noch zuil met lachend groen.
Schoon geen zang der burchtgenoten klinkt met vrolijk maatgeluid--
Feest is 't op den Ammersode: Jonkvrouw Ada is de bruid.--

--»Dartle lijfknaap! hoe zoo somber? Waarom in uw oog die traan?
Aan het feestmaal zit uw Jonkvrouw; gy doolt eenzaam door de laan?
'k Ben een vergereisde zanger, vreemd in Arckels burchtgebied.
Sneeuwt het daar geen roode rozen? Is de bruid uw Jonkvrouw niet?"

--»Och! al sneeuwt het roode rozen, tranen reegnen daar door heen!
Maar ze duchten er geen jammer: Ik ben angstig, ik-alleen.
't Proefjaar is ten end geloopen; 't is heur laatst banket op 't slot:
Morgen volgt heur nonnenwijding... morgen, morgen! o mijn God!...

--»Maar waarom die siddrende angstkreet?--Lijfknaap! gy, nog half een kind!
Hebt gy dan uw schoone Jonkvrouw licht in 't heimelijk bemind?
Was ze u meer dan rijke bloeme, bloeiende in een vreemde gaard,
Waar gy slechts de zorg mocht deelen, die haar voor het
weêr bewaart?

--»Heb ik haar mijn hart geschonken--'t was, gebogen op mijn kniên;
't Was met kinderlijken eerbied, zoo ik tot haar op dorst zien.
Neen--dat drukt niet op mijn boezem... maar een geest waart om my rond,
Die in 't kleppren van zijn vlerken my een naamloos wee verkondt.

»Sints dees dag aan 't oosten lichtte, toeft een vreemde op 't slot als gast--
En mijn pols krimpt wech van vreeze, waar zijn aanblik my verrast.
Zeven knechten, even somber als hun meester, naar den schijn,
Hangen zwijgend aan zijn wenken; hy mag wel de Boze zijn!"...

En een huivring van verschrikking greep den vreemden zanger aan.
Blaauw scheen hem het zwijmend maanlicht in de dorre lindelaan.
Zwijgend week hy naar den landweg, die naar 't eenzaam klooster bracht,
Waar men hem geen maal zou weigren en geen schuilplaats voor de nacht.--

Feest is 't op den Ammersode. Buiten zwijmt de maanlichtstraal--
Binnen flikkren honderd toortsen door de hooge burchtslotzaal.
Buiten klaagt door 't naakt geboomte slechts het slepend uilgesteen--
Binnen klinken pijp en cymbel door de hooge welfsels heen.

Twintig Eedlen, hoog van wapen, tusschen Maze en Leek vermaard,--
Twintig Jonk- en Edelvrouwen, aan dien Ridderstoet gepaard,--
Veertig knapen, hooggeboren, dienende aan den rijken disch--
Wie nog vraagt er van dat feestmaal, of 't een Arckel waardig is?--

Aan de zij' des grijzen Burchtheers, Vrouw Joannaas plaats weleer,
Voor haar de englen tot zich riepen, zit de grijze Abdisse neer.
Aan de zij der teedre Jonkvrouw, wie nu 't waereldsch haast ontging,
Zit de gast van d' Ammersode, zit de sombre vreemdeling.

Ravenzwarte lokken rollen langs zijn bleeke wangen heen;
Ravenzwarte wimpers zoomen zijner donkere oogen leên;
Ravenzwarte knevels dekken 't plooien van zijn bleeken mond.
Affaytadies wapen voert hy--maar wie zegt het met wat grond?--

Goudblond worstlen nog de tressen aan de huif der Jonkvrouw uit;
Goudblond is de zijden wimper, die heur teêr-blaauw oog omsluit;
En heur zacht-gebloosde trekken ademen zoo kalm een rust,
Of er de engel van den vrede haar het voorhoofd had gekust.

Bleek zijn Affaytadies wangen, als daar buiten 't licht der maan.
Duister staan zijn donkere oogen, blikt hy soms de Jonkvrouw aan.
Heel een waereld van verlangen, van verlating, van verdriet,
Trilt er in dien neevlend' oogstraal, dien hy naar de Jonkvrouw schiet.

Hooger bruist de klank der pauken; vrolijk schettert de cymbaal.
Lust en leven, vrede en vreugde stroomen zonlicht door de zaal.
Luider klinkt de toon der gasten by hun levendig gebaar.
Affaytadi fluistert somber, of hem 't spreken moeilijk waar':

»Jonkvrouw Ada! Bruid des hemels! wilt ge luistren naar een droom?
't Was, als doolde ik in 't verleden, en aan d' oever van een stroom:
't Was de Maas, wier blonde golven vloeiden langs een eilandzoom,
En een oude grenssteen rustte er aan een grijzen wilgeboom."--

Bevend zag de Jonkvrouw opwaart, en heur fijne blos verschoot.
Affaytadies wangen kleurden langsaam tot een scheemrend rood.
»Luister, Jonkvrouwe! en blijf rustig," sprak hy met een kouden lach:
»Zoudt ge huivren om een landschap dat ik in mijn droomen zag?"--

Zwijgend zag ze voor zich neder. Fluistrend boog hy tot haar heen:
»'k Zag een jeugdig tweetal zitten op dien graauw bemoschten steen.
't Was een meisjen, blond van lokken, blaauw van oogen, zoet van leest;
't Was een knaap, met zwarte hairen, bleek van wangen, droef van geest."

Siddrend zag de Jonkvrouw opwaart, en thands bleeker dan de dood.
Affaytadies wangen kleurden tot een hoog en donker rood.
»Luister, Ada! en blijf rustig," sprak hy met een bittren lach:
»Zoudt ge voor twee kindren siddren, die ik in mijn droom slechts zag?"

IJzend zag ze voor zich neder. Somber fluistrend sprak hy weêr:
»Zy was dochter van den huize; hy--een vondling, en niets meer.
Maar toch zwoer ze hem heur trouwe, by den weedom van heur ziel
En der zielen van heure oudren, zoo ze van heur trouw verviel!"--

--»Maar dat was voor twalef jaren!" riep zy met gesmoorden kreet:
»En hy is van hier verdwenen--en vergeten is die eed....."
--»Maar hy is te rug gekomen!" sprak hy, met een oog vol glans:
»En de vondling van 't verleden--is Graaf Affaytadi thands!"--

--»Heere Jezus!" kreet ze rillend; maar dien kreet vernam men niet,
Toonloos als hy ging verzwonden in het schaatrend tafellied.
Half bezwijmd zonk ze in heur zetel; maar de woeling aan den disch
Bond den blijden geest der gasten--en daar was geen stoorenis.

--»'t Is te laat thands, Affaytadi!".... En 't vloot biddend van heur mond:
»Morgen treed ik in het klooster, morgen met den uchtendstond.
Affaytadi, Affaytadi!..... hebt gy ook mijn rust vermoord--
Geef my d' eed van trouwe weder, 't onbedachte kinderwoord!"--

--»'t Is te laat thands, Ada!" ruischte weer zijn sombre fluisterstem:
»By het welzijn van drie zielen! houdt ge uw eed--of breekt ge hem?
Laadt ge een eeuwigheid van jammer op 't onschuldig ouderhoofd--
Of bewijst ge een Affaytadi, wat ge een vondling hebt beloofd?"--

--»O! daar is, daar is geen redding!" riep ze met een luiden gil.
En het dischgedruisch verstomde, zang en feestmuziek zweeg stil.
Roerloos lag zy in heur zetel, als een offer van den dood.
Affaytadies oogen vlamden, en zijn wang was gloeiend rood.

Hy was ijlings opgesprongen; maar hy scheen het niet te zien
Wie er snelden tot den zetel, om der Jonkvrouw hulp te biên.
En hy achtte, half-gebogen in een diepe vensternis,
Noch op 's vaders handenwringen, noch op 't schreien der Abdis.

Bleek was weer zijn wang geworden, en zijn mond stond strak en kil.
»Nog gaat gy my niet verloren--daar is redding, als ik 't wil"....
Sprak hy momplend.--»En ik wil het!" sprak hy ijlings voor zich heen.
--»Waar is Affaytadi?" vroeg men.... In de zaal vond hem niet een.

En een droevige verwarring heerschte in die verlichte zaal.
Buiten was het stil en zwijgend: alles schaduw, alles vaal.
In de handen 't hoofd verborgen,--in het oog een stillen traan,--
Zat de Lijfknaap op een boomtronk, in de dorre lindelaan.

Ruischte daar geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgestamp,
Half gesmoord en gants verborgen in den vochten avonddamp?
Gonsde 't van den kant van 't burchtslot als een nachtgeest niet voorby?
Angstig staart hy door het duister naar de onzichtbare overzij.

Hoe!.. ging reeds de nacht ten einde? Breekt de purpren uchtendgloor
Met een vloed van rossche stralen plotslijk dus de wolken door
En verlicht de kruin der linden?... Hy blikt om naar d' oosterkant--
En springt gillend overende, met den ijsbren kreet van »brand!"

Brand!... Als stof voor wervelwinden, breekt uit raam en torentrans
Gloeiend rood een wolk van vonken, met een schrikkelijken glans.
Zwarte rookkolommen rijzen om 't gevonkel, dicht in een--
En dan breken wilde vlammen door de rookkolommen heen.

Poort en valbrug staan in vuurgloed; 't water kookt er in de gracht.
»Redding! Redding!" is het gillen... maar hoe redding toegebracht?
Als een onverdoofbre krater spuwt de burch zijn vlammen uit,
En in 't kraken van de muren smoort het kermend angstgeluid.

't Raafgebroed, van 't nest verdreven, krijscht en krast om trans en tin,
En het kleppen van de noodklok valt er ijzingwekkend in.
Louter vuur is de Ammersode,--lucht en water louter vuur.....
God bewaar' de burchtgenoten! want de redding kost er duur.

En de Zanger uit den vreemde, die naar 't gintsche klooster trad,
Wendt ontzet en schuw zijn blikken, en houdt stand op 't eenzaam pad.
En hy stort er op de kniën; en hy bidt, met bang gemoed,
Voor zoo menig deerniswaarde, die een graf vond in den gloed.--

Rammelde er geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgedruisch,
Toen hy neêr lag, innig biddend voor wie omkwam op het huis?
Gonsde 't van den kant van 't burchtslot als een nachtwind niet voorby?
Met een angstig voorgevoelen staart hy naar de kloosterzij.

En hy duizelt van ontzetting, en hy steunt zich aan een stam:
Is de jongste dag verschenen? Staat heel de aarde reeds in vlam?
Dreigend rees de kloostertoren als een donkre geest omhoog--
Maar te midden van een vuurgloed, barstende uit gewelf en boog:

Vuurgloed, die het nachtlijk donker van den zwarten hemel joeg,--
Die heel d' omtrek op deed waken, en het hart met siddring sloeg.
Raadloos woelt de ontzette menigt, waar geen redding mooglijk was...
En de burcht gaat op in vlammen; en het klooster zinkt in asch.

In de borst van welken duivel rijpte, met die gruwzaamheid,
Zoo afschuwelijk een denkbeeld tot zoo schrikkelijk een feit?
Waarom is die dubble moordbrand in de zelfde nacht geschied?
Huivrend gaat de vraag in 't ronde--maar een andwoord is er niet.--

Treurig werpt het uchtendzonlicht over 't rookend puin zijn glans.
Als een wrak, ter helft versplinterd, rijst er nog een enkle trans,
Rijst er nog een enkle toren, rijst er nog een enkle boog
Van de burcht der Ammersoden uit de laauwe gracht omhoog.

Snikkende, en met schreiende oogen, zag men 't bitter schouwspel aan:
Zooveel jeugd, en zooveel grijsheid--in den wilden gloed vergaan!
Snikkende, en met schreiende oogen, groef men lijken en gebeent
Uit de zwart-gerooste puinen--al te droevig grafgesteent!--

Menig nog herkenbaar teeken: wapentooi of pronkcieraad,
Dat van 't stofflijk overblijfsel nog geslacht en naam verraadt.
En toen 't al was opgedolven, wat zoo wreed begraven waar,
Miste men met stille ontzetting nog een enkel lijken-paar.

Waar bleef Affaytadi? waar de Jonkvrouw?--En een kille schrik
Deed er aller wang verbleeken by die vraag, dat oogenblik:
Spoorloos waren beiden henen; en geen teeken, dat verried,
Wat er, na dees nacht vol jammer, met die beiden zij geschied.--

Jaren kwamen, jaren gingen--en de burch rees uit zijn puin,
En het drietal zware torens hief er weêr de trotsche kruin.
Maar, wat ooit van verre of vreemde weêr op 't burchtslot werd gehoord
Nooit een woord van Affaytadi; van de Jonkvrouw nooit een woord.



Volgends eene overlevering op de plaats-zelve, spaarden de felle
vlammen nog een ronden toren, met een gering deel van het hoofdgebouw,
en den buitengevel eener poort, die thands nog, onder een wapenschild
dat in het laatst der voorgaande eeuw met gipskalk onkennelijk werd
gemaakt, het jaartal 1564 draagt.

Eene verklaring van den Secretaris Moll te Ammersode, 15 Augustus
1606 opgemaakt [57], zegt echter, »datter in timmeragie nauwelyx een
splinter en was overgebleven." En verder: »dat daer benevens d' Edele
Welgeboren Heere, Heere George van Arckel onze lieve weerden Heere,
wiens ziele God genadigh zij, ende met sijne Edele Huys off sloth
voors. ter selver tijt mede verbrant is worden en den sesden dagh daer
na deser weerelt over leeden, gelijk ook in den voors. brand te niete
gegaen ende tot assche gekomen is Zijne Edele huysraat, meubilen,
juweelen, boeken, brieven en papieren, als doen op den voors. Huyse
weesende, behalve dat eenig gout en zilver naderhand uyten assche
ende gruys wederom nog sijn bevonden, item dat dergelijke fortune
en ongeluk ook gevuelt hebben de nabuiren en inwoonders, die meest
alle hun gelt, goederen, huysraat, klederen, klijnodien, boeken en
brieven, overmits den pereyculeusen tijt, op het voors. sloth, als
ten eenre en ter andere zijde vrij zittende, gevlugt hadden, en niet
gewoon en waren in hun eygen huyse yet te behouden, dan 't geene sij
't allen uure ten eenemaal nodig hadden."

Nadat Heer Joris op zoo treurige wijze was omgekomen, werd hy opgevolgd
door zijn eenigen zoon Otto [58], die omstreeks 1600 de verwoesting
liet herstellen, het kasteel uit zijn puinen deed ophalen, en weder als
een waardig gedenkteeken van voorvaderlijke macht en aanzien herrijzen.

Deze Otto van Arckel was thands de eenige »overblijvelingh van manlijk
oir, van den Arkelsen stam, gesproten uyt de Heeren van Heukelem,
de xj in 't dalend getal van Heer Jan de Sterke, de tweede Heer van
Heukelem." In 1614 huwde hy met Jonkvrouw Francelina, dochter van Heer
Cosmo degli Affaytadi, Baanderheer tot Ghistelle, Hilst en Lavenacker
[59]; de bruid ontfing daarby als huwelijksgave van haren vader »vijf
honderd gulden 's jaars zuijvere renthe tot laste van de domeijnen
van Zeelandt." Zy overleefde haren echtgenoot, die zich in den strijd
met Spanje als een rechtgeaart Nederlander en wakker krijgsman kweet,
en by voortduring te velde trok. Hy liet drie dochters na en éen zoon,
Thomas Walraven, die Heer van Wordragen en Well, den Ipelaer en ter
Lucht wordt genoemd, en in 1641 met Ammersode beleend werd.

Thomas Walraven was gehuwd met Jonkvrouwe Joanna Barbara, Heer
Lodewijks dochter van la Kethulle, Heer van Rijhove en Tamers, Kolonel
te paard, Ritmeester over eene kompagnie kurassiers in dienst van den
Staat, en Gouverneur van Bergen-op-Zoom. De krijgshaftige voorbeelden
zijns vaders en schoonvaders schijnen echter op hem geen invloed
te hebben gehad: men vindt niet dat hy den Staat heeft gediend. Dat
kon hem evenwel niet immer een vreedzaam leven waarborgen: de inval
der Franschen in 1672 brachten hem menige moeielijkheid, waarvoor de
sauvegarde, hem door Prins Willem den Derde op den 29en Juni vereerd,
evenmin behoeden kon. Wel ontkwam de burcht het lot dat zoo vele
anderen in die dagen trof, en werd voor vernieling bewaard--maar
niet dan ten koste van groote opofferingen, evenzeer drukkende voor
de onderdanen als voor hun Heer, wien het verblijf op het kasteel
soms maar al te bitter werd gemaakt. Alleen in 1672 moest hy eene
schatting betalen van byna 7000 gulden aan geld, haver, gerst, hooi,
stroo, kapotten, en schoenen. De arme boeren werden geprest, om drie
maanden lang te arbeiden aan de versterking van het fort Crevecoeur. In
het volgende jaar waren de afpersingen in geen geringer mate, en by
de minste vertraging volgden er oogenblikkelijk brutale aanmaningen,
zoowel van den bevelhebber van Crevecoeur als van dien der sterkte
St. Andries, waarby gedreigd werd »het slot en de woningen der
onderhoorigen zonder genade aan de vlammen ter prooi te zullen
geven, indien de geëischte som of voorraad van voeder en vee niet
oogenblikkelijk werd opgebracht."

Waarlijk! de Franschen van 1672 gingen het die van 1795 waardig voor;
en de Luitenant-Generaal der Koninklijke Armee, Graaf de l'Orge,
behoefde voor den Generaal van Damme in onbeschaamdheid niet te wijken.

In die treurige dagen hield Heer Thomas Walraven niet altoos zijn
verblijf op het kasteel, maar was ook dikmaals te 's Hertogenbosch. Het
zal hem gewis geen rouwe hebben gebracht, toen de roemrijke lelievaan
eindelijk den Nederlandschen bodem ontwijken moest.

Op den 1en Juni 1683 gaf hy, ten behoeve van Willem den Derde, die
in een verschil over jachtrecht was met den Heer van Broeckhuysen, de
verklaring, dat hy toenmaals was »het laatste en eenighste mans-oir,
gesproten in wettigen huwelijk uyt het opgemelte Huys van Arckel,
wel willende ende begeerende dat de posteriteyt hier aff kennisse
hebbe." Hy bleef ook de laatste mannelijke nazaat van wettigen bloede,
en overleed kinderloos, op den 23en Oktober 1693. Drie jaren later
volgde hem zijne weduwe.

Nu kwam Ammersode in het geslacht der Baronnen van Lichtervelde,
door Renesse van Elderen aan Arckel vermaagschapt. Catharyne, Heer
Joris dochter, had namelijk de derde harer kinderen, hare oudste
dochter Anna van Renesse van Elderen, in 1626 ten huwelijk geschonken
aan Pieter van Lichtervelde, Heer van Beaurevant, Vellenaere, Croix,
Caeskerke, Vrijlandt enz., uit welk huwelijk Johan Ferdinand, Baron
van Lichtervelde, Heer van Vellenaere en Beaurevant geboren werd. Ten
gevolge eener bepaling van Heer Otto van Arckel, door Thomas Walraven
bekrachtigd, om »gene off gesubstitueerde erffgenaemen feudael, als
den oltsten en naeste van sijnen bloede, met seclusie van alle andere
aen te stellen," erfde deze Baron thands de heerlijkheid Ammersode,
Well en Wordragen, en werd er wettig meê beleend. Hy vestigde met zijne
echtgenote Maria Catharina de Belveer zijn verblijf op het kasteel,
en overleed er op den 22en Oktober 1711.

Zijne nog minderjarige dochter, Jonkvrouwe Maria Isabella Catharina,
werd er reeds het volgende jaar mede beleend, doch hare moeder,
vrouwe Maria Catharina, genoot tot in 1754 het vruchtgebruik.

De Jonkvrouw huwde vervolgends met den Vlaamschen Edelman Jacques
Joseph de Vilsteren, Baron van Laerne, wien zy, behalven eene
dochter, drie zonen schonk, waarvan de eerste, Jean Joseph François de
Vilsteren, na den dood zijner moeder den Ammersode met de Heerlijkheid
aanvaardde. De tweede zoon, Nicolas Joseph Guislain de Vilsteren,
Baron van Laerne, werd er daarna meê beleend, en eindelijk ook de
derde der broeders, Theodore Joseph François, Baron de Vilsteren van
Laerne, die in 1792 stierf.

Het scheen alzoo, als of het bestemd was dat Ammersode beurtelings in
handen van Jacques gantsche gezin moest overgaan: want nu met Theodore
ook de jongste der zonen overleden was, erfde de Heerlijkheid over op
hunne zuster Marie Theodore Genoveve Collette, Baronnesse de Vilsteren,
echtgenote van Lebert François Christien, Graaf de Ribaucourt.

Dus was de heerlijkheid weder in een nieuw stamhuis gekomen, waaraan ze
echter slechts twee geslachten bleef. Christien, Graaf de Ribaucourt,
die zijne moeder opvolgde, had by zijne gemalin, eene Baronesse du
Quarré, twee kinderen, een zoon, Prosper Christien de Ribaucourt,
gehuwd met eene Baronnesse de Thiennes de Lombise, en eene dochter,
Eugènie Françoise Sidonie Marie Guislaine. De laatste werd by het
kinderloos overlijden haars broeders, Vrouwe van Ammersode, Well en
Wordragen, en bracht daarmede de Heerlijkheid over op de familië van
haren echtgenoot, Jonkheer Louis Alexandre Alphonse, Baron de Woelmond,
in België verblijvende, die het thands nog in bezit heeft.

Het kasteel, dat tegenwoordig door een Rentmeester bewoond wordt,
heeft in den loop der tijden, en by zoo vele verschillende bezitters,
natuurlijk herstellingen en verbeteringen noodig gehad, maar is in
hoofdvorm weinig veranderd, en komt thands nog zoo goed als in alles
overeen met de hierby gevoegde afbeelding, waarvan echter de voeting
der torens, door onnaauwkeurigheid van den steenteekenaar, niet breed
genoeg uit het water der slotgracht oprijzen. Welke lotgevallen het
in den tachtig-jarigen oorlog heeft doorgestaan--daarvan is niets
in byzonderheden bekend. Men vindt alleen in 't algemeen vermeld,
dat het in den aanvang der onlusten te lijden heeft gehad. Dit was
echter vóor den brand, en bracht dus geene verandering in de gedaante
van den lateren bouw, die, zoo als wy reeds opmerkten, nog een gering
overschot van het oude kasteel in zich opnam. Die vleugel (zegt de Heer
Schotel) waarin zich de kapel en de archiven-kamer bevinden, sedert
menschengeheugen niet bewoond, schijnt, ofschoon inwendig hersteld,
in zijn oorspronkelijk muurwerk gebleven te zijn. De dikke muren,
de diep daarin uitgehakte vensters, de steenen vloeren, de verwulfde
vertrekken, heugen meer dan twee eeuwen. De bouwvallige staat, waarin
zich deze overblijfselen bevinden, doet ons vreezen, dat zy welhaast
een prooi van hamer en moker zullen moeten worden, waardoor het statige
voorkomen van den ridderlijken Ammersode niet weinig zoude verliezen.



INHOUD.


                                            Bladz.

    Het Kasteel van Heusden                     1.
    Het Kasteel te Gemert                      35.
    Het Kasteel van Montfoort                  57.
    Het Kasteel van IJsselsteyn               105.
    Jachtslot Het Loo                         145.
    Het Kasteel Ammersode                     175.



OPHELDERING.


Bladz. 42 staat: Scoten in Friesland; lees: Oudescoot (een dorp van
de gemeente Schoterland) in Friesland.



NAAMLIJST DER INTEEKENAREN.


Zijne Majesteit de Koning.

Hare Majesteit de Koningin.

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden.

Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Prinses Frederik der Nederlanden.

Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Prinses Marianne der Nederlanden.



Aarsse, (Mej. A. J.) Huisonderwijzeres te 's Gravenhage.
Ahlers Jr., (A.) te Amsterdam.
Allart, (D.) te Amsterdam.
Altman, (J. D.) te Amsterdam.
Anemaet, (J. K. B.) Instituteur te Amsterdam.
Arrenberg, (C.) Boekhandelaar te Rotterdam.
Artler, (Mej. A. C. C.) te Amsterdam.
Asher & C., (A.) te Berlijn voor de K. K. Hofbibliotheek te Weenen.
Avis, (C.) te Krommenie.



Backer, (S.) te Amsterdam.
Bähler, (P. P.) te Nijmegen.
Balveren, (Baron van) te Nijmegen.
Baud, (J. C.) te 's Gravenhage.
Becking, (W.) Boekhandelaar te Doesburg.
Beek, (Dr. A. van) te Utrecht.
Beer, (Johs. de) te Amsterdam.
Bek, Wijnhandelaar in de Rijp.
Berchuys, (Mr. A. van) te Groningen.
Berg Jr., (J. H.) te Amsterdam.
Berkhout, (Mr. P. J. Teding van) Regter bij de Arrondissements Regtbank
te Amsterdam.
Beusichem van Harmelen, (Mevr. van) te Harmelen.
Beynen, (Dr. L. R.) te 's Gravenhage.
Biben, (Chn.) te Amsterdam.
Bierman, (M. A.) Notaris te Waardenburg.
Blaauw, (J.) te Amsterdam.
Blikman Kikkert, (D.) te Amsterdam.
Bodel Nijenhuis, (Mr. J. T.) te Leijden.
Boekeren, (W. van) Boekhandelaar te Groningen.
Boellaard, (M. C.) te Utrecht.
Bogaard, (P. Th.) te Hees bij Eindhoven.
Böhtlingk, (Mr. F.) Procureur te Arnhem.
Bok Jr., (J. H.) Notaris te Amsterdam.
Bom, (G. Theod.) Boekhandelaar te Amsterdam, 2 Ex.
Bombled, (K. F.) te 's Gravenhage.
Boon Hartsinck, (M. S.) te Amsterdam.
Boonzajer, (C. G.) Notaris te Gorinchem.
Bormeester, (C.) te Amsterdam.
Bos, (J.) te Amsterdam.
Bosch, (Mr. Graaf E. van den) te 's Gravenhage.
Bosscha, (J.) Hoogleeraar.
Bouberg Wilson, (W.) te 's Gravenhage.
Braam, (P. T.) Boekhandelaar te Rotterdam.
Brakel, (van Dam van) te Brakel.
Brakell van Doorwerth, (Baron)
Brantsen, (Mevr. Baronesse) huize de Zijp bij Arnhem.
Breda, (J. G. S. van) Hoogleeraar, Secretaris van de Holl. Maatschappij
der Wetenschappen te Haarlem.
Brederode, (J. J. van) Boekhandelaar te Haarlem.
Breijer, (H. B.) Boekhandelaar te Arnhem.
Breuninghoff, (H.) te Amsterdam.
Broekhuizen, jr., (C.) te Amsterdam.
Brugmans, (Mr. A.) te Amsterdam.
Bruin, jr., (W.) Boekhandelaar te Wormerveer.
Brunet, (L. de) te Amsterdam.
Bruyn, (Mej. de) Landgoed Warnsborn bij Arnhem.
Bruyn, (Mr. J. H. de) Advocaat te Amsterdam.
Bruyn, (A. de) Onderwijzer te Batavia.
Büchler, (D. D.) te Amsterdam.
Burnier, (G. A.) te 's Gravenhage.
Bijlandt, (E. J. A. Graaf van) te 's Gravenhage.
Bijlandt, (W. Graaf van) te Nijmegen.
Bijleveld, (H.) te Middelburg.
Bijsterbos, jr. (N. van Berkum) Secretaris der stad Kampen.



Cantzlaar, (G.) te Utrecht.
Casembroot, (Jonkhr. J. L. de) Rentmeester van 's Konings particulier
Domein en Burgemeester der Gemeente St. Maartensdijk, eiland Tholen.
Casembroot, (Jonkhr. E. A. O. de) Majoor, Gouverneur van Z. K. H. Prins
van Oranje, Buitengew. Adj. van Z. M. de Koning.
Castro, Mzn., (d. H. de) te Amsterdam.
Citters, (Mr. C. van) te Utrecht.
Charbon, (E.) te Amsterdam.
Charbon, (J. A.) te Amsterdam.
Chijs, (P. O. van der) Professor te Leyden.
Cleef, (Gebrs. van) Boekhandelaar te 's Gravenhage.
Crommelin, (G. C.) Huize de Lathmer bij Deventer.



Dam, (J. H. van) te Rotterdam.
Dapperen, (J. W. van) Directeur van het Instituut tot Onderwijs van
Blinden te Amsterdam.
Deketh, (Mr. A.) te 's Gravenhage.
Derfelden van Hinderstein, (Baron van) Kamerheer des Konings.
Dishoeck, (A. M. E. van) Boekhandelaar te Zierikzee.
Dittlinger, (J. v. D.) 1e Luit. bij de Gen. Staf.
Doesburgh, (Ds. H. G. J. van) te Rotterdam.
Doorman, (J. D.) Boekhandelaar te Utrecht. 2 Ex.
Drieling, (Mr. F. H.) te Utrecht.
Driest (van) te Heerde.
Driest, (J. C. van) te Lienden.
Duivenvoorde, (Jonkhr. steengracht van) Hoogheemraad van Rijnland te
's Gravenhage.
Dunlop, (D.) Koopman te Rotterdam.
Dyserinck, (J. H.) te Haarlem.



Ebeling, (A.) te Amsterdam.
Ebeling, (W.) te Amsterdam.
Eckhardt, (Jonkhr. van Harenkarspel) op den huize Baarschot te Esch,
N. Braband.
Eeghen, (Mevr. de Wed. P. van) te Amsterdam.
Eeghen, (C. P. van) te Amsterdam.
Ekker, (Dr. A. H. A.) Praeceptor aan de Latijnsche School te Utrecht.
Elias (G. H.) te Amsterdam.
Ellinkhuizen, (Mej.) te 's Gravenhage.
Embden, (van) te Zeist.
Engelen van Pylsweert, (Jonkhr. W.) te Nijmegen.
Ermerins, (R. C.) Jur. Student.
Evekink, (F. N.) te Arnhem.
Eversz, (J. W.) Boekhandelaar te Zeist.
Everwijn, (Ds.) huize Presikhaaf bij Arnhem.
Eyssel, (M.) te 's Gravenhage.



Fabius, (F. W.) te Amsterdam.
Fabricius van Heukelom, (Mevr. Douairière A. L. C.) te Soest.
Fabricius van Leijenburg, (J. C. W.) te Amsterdam.
Feije, (R. H. J.) te Amsterdam.
Fiedeldij, (J. C.) te Amsterdam.
Fock, (J.) te Amsterdam.
Fodor, (J. C.) te Amsterdam.
Foreest v. d. Palm, (Mevr. Douairière van) te Alkmaar.
Frohwein, (J. O.) te Amsterdam.
Fuchs, (F. G.) Koopman te Amsterdam.
Furstner, (J. M.) te Amsterdam.



Gaarlandt, (G. L.) te Bussem.
Gelder, (G. A. de) 1e Luitenant der Infanterie te Hoorn.
Gelder, (P. H. van) te Wormerveer.
Gockinga, (Mr. C. H.) te 's Gravenhage.
Gori, (G. T. N.) te Utrecht.
Goslings, (O.) Lid van den Gemeenteraad en Kassier te Dokkum.
Gunckel, (P. G.) te Amsterdam.
Guijot, (P. C. G.) te 's Gravenhage.
Hajenius, (P. G. C.) te Amsterdam.
Hamininck Schepel (J. G. P.) Kapitein Infanterie.
Hana, (H.) Architect te Amsterdam.
Harinxma Thoe Slooten (D. J. A. Baron) Raadsheer in het
Prov. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.
Harpen Kuijper, (Mevr. de Wed. A. L. van) te Amsterdam.
Heeckeren van Walien, (W. F. Baron van) Luitenant ter Zee.
Heeckeren van de Heest, (W. Baron van)
Heineken, (C. A.) te Amsterdam.
Heineken, (A. G.) te Amsterdam.
Herbschleb, te Amsterdam.
Hesselink. (J.) in q. q. voor een Leesgezelschap te Groningen.
Heukelom, jr., (J. van) te Pouderoijen.
Heuvel Rijnders, (J. W. van den) te Oostburg.
Hinlopen, (J.) Wethouder te Utrecht.
Hinsbeek, (J. A.) te Amsterdam.
Hoffmann, (A.) te Amsterdam.
Holst, (C. P.) te Amsterdam.
Hooft van Woudenberg en Grovestein, (Jonkhr. N. D.) te Amsterdam.
Hoop, Jz., (A. van der) te Rotterdam.
Hoorn, (L. G. van) Stedelijk Ontvanger te Amsterdam.
Hooij, (A. J.) te Beverwijk.
Huidekoper, (A.) te Amsterdam.
Huurkamp van der Vinne, (V. H.) te Haarlem.
Huijdecoper van Nigtevecht, Jonkhr. (E.) te Utrecht.



Iterson, (A. A. G. van) Apothecaris te Gouda.



Jacobs & Meijers, Boekhandelaars te Amersfoort. 2 Ex.
Jeune, (P. F. J. le) te Amsterdam.
Jochems, (Mevr.) te 's Gravenhage.
Jolles, (Mr. J. A.) te Amsterdam.
Jolles, (J. A.) te Amsterdam.
Jongh, (C. de) te Tiel.
Jordens, (Mr. C. A. van Munster) als bestuurder van een Leesgenootschap
te Deventer.



Karsten, (E. H.) Litt. Hum. Stud. te Utrecht.
Kater, (P.) Monnickendam.
Keer, (Otto) te Amsterdam.
Kempenaar, (Mr. J. M. de) te Amsterdam.
Kesper, (L. A.) Makelaar te Amsterdam.
Kesteren (H. J. van) Boekhandelaar te Amsterdam.
Klasing, (J.) te Amsterdam.
Klein, (J.) te Nijmegen.
Kleinpenning, (J. S.) te Amsterdam.
Kleinpenning, (H. C.) te Amsterdam.
Klinkert, (R. L.) Boekhandelaar te Amsterdam. 2 Ex.
Klerck, (G. de) te Amsterdam.
Klijnsma, (S. F.) Luit.-Kolonel Ingenieur, op de Lyclama Stins bij
Wolvega Prov. Friesland.
Kneppelhout van Starkenburg, (K. J. F. C.) te Leyden.
Knoll, (P.) te Amsterdam.
Koch, (G. F.) Boekhandelaar te Utrecht. 2 Ex.
Koker Bz., (J.) Boekhandelaar te Monnickendam.
Komans, (W.) te Abcoude.
Kooijker, (W. N.) Instituteur te Bergen op Zoom.
Kop, (Mevr. de Wed. C. A.) te Rotterdam, 2 Ex.
Kotzé, (J. J.) Theol. Student te Utrecht.
Krabbendam Bzn., (J.) te Alkmaar.
Kremer, (A. J. C.) Med. Student te Utrecht.
Krook van Harpe, (A. L.) te Amsterdam.
Kroon, (C. F.) te Amsterdam.
Kruseman, (A. C.) Boekhandelaar te Haarlem.
Kruijf, (J. de) Boekhandelaar te Utrecht.



Lange, (G. C.) te Amsterdam.
Langenhuysen, (Gebrs. van) Boekhandelaars 's Gravenhage.
Lans, geb. Wintgens, (Mevr.) te 's Gravenhage.
Leesgezelschap, Lust en Rust te Soetermeer.
Leesgezelschap, tot Oefening en Vermaak te Medemblik.
Leesgezelschap, Leerzaam Vermaak te Amsterdam.
Leesgezelschap, Disce Legenda te Utrecht.
Leesgezelschap, Oefening bevordert Wetenschap te Amsterdam.
Leesgezelschap, (Het Hollandsche) te St. Petersburg.
Leesgezelschap, tot Nut en Verpoozing te Amsterdam.
Leesgezelschap, tot Nut en Vermaak te Moordrecht.
Leesmuseum (Het) te Amsterdam.
Lennep, (H. A. van) te Amsterdam.
Lenshoek, (C. P.) Jur. Stud. te Utrecht.
Leuveling Tjeenk, (D.) te Amsterdam.
Lichtenbelt Jr., (J. H.) Notaris te Aalsmeer.
Limburg Stirum, (Graaf van) te Amsterdam.
Linse, (F. A.) te Amsterdam.
Löben Sels, te Zutphen.
Loder J. Mzn., (C. L.) te Amsterdam.
Loder, (C. L.) 1e Luitenant Adjud.
Loofs, (Mr. W. M.) Advocaat te Amsterdam.
Loon, (Mevr. Douarière van) te Amsterdam.
Lorraine Holling, (C. H. de) te 's Gravenhage.
Ludolph, (L. J. C.) Onderwijzer te Rotterdam.
Lutgers, (J. P.) te Loenen.
Lycklama a Nyeholt, (Jonkhr. J. A.) Burgemeester van Opsterland,
te Beesterwaag.
Lynden van Lunenburg, (J. H. Baron van) te Utrecht.



Macaré, (Jonkhr. Rethaan) te Utrecht.
Made, (P. M. van der) te Amsterdam.
Maire, (Mr. G. E. le) Regter in de Arr. Regtbank te Heerenveen.
Maurik, (J. van) te Amsterdam.
Mebius, (J. E.) voor het Leesgezelschap de Harmonie te Kollum.
Meerburg, (Dr. P. C.) te Rotterdam.
Meijer, (Wed. H.) Boekhandelaar te Zwolle.
Meijer, (J. M. E.) Boekhandelaar te Amsterdam.
Meijes, (F.) Predikant te Leersum.
Mensing, (J. C. W.) te 's Gravenhage.
Metman, (Mr. L.) te 's Gravenhage.
Middelhoff, (A. M.) te Purmerende.
Moens van Bloois, (Mr. A.) te Zierikzee.
Mohr, (E.) te Amsterdam.
Molengraaff, (Ds.) te Nijmegen.
Montauban van Swijndregt, (W. H.) te Rotterdam.
Morrees, (Mr. C. W.) te Utrecht.
Moulin, (J.) Deurwaarder bij het Kantongeregt te Kampen.
Muller, (Fr.) Boekhandelaar te Amsterdam.
Mumm, (S. T.) te Amsterdam.



Nahuijs, (P. H.) Jur. Student te Deventer.
Nauta, (Mr. G. R.) President van de Arr. Regtbank te Heerenveen,
Ridder van de orde van den Nederl. Leeuw.
Nepveu (J. J. D.) te Utrecht.
Nepveu, (Roosmale) te Utrecht.
Nispen van Pannerden, (Baron van) te Zevenaar.
Nolet, (J. D.) Boekhandelaar te Utrecht.
Nomen, (Dk.) Houtkooper te Zaandam.
Noortbergh van Brandwijk, (J.) Gep. Luit. Kolonel, Ridder der Orde
v. d. Ned. Leeuw, te Amsterdam.
Nooten, (S. J. van) Burgemeester te Lopik.
Noteboom, (C. J. Q.) te Amsterdam.
Notten, (F. H. van) te Amsterdam.
Nouhuijs, (H. J. C. van) te Amsterdam.
Nout, (F.) Instituteur te Amsterdam.



Ontijd, (Dr. C. G. R.) te Brummen.
Ooster, (M. C.) te Amsterdam.
Otterloo, (W. F. van) Secretaris van Z. K. H. Prins Frederik der
Nederlanden, te 's Gravenhage.
Oudermeulen, (E. van) te 's Gravenhage.
Oudermeulen, (F. van der) te Amsterdam.



Pabst Rutgers, (van) Wethouder te Hoorn.
Pallandt van Walfort, (Mevr. Baronesse Douairière van)
Pallandt van Waardenburg van Neerynen, (H. H. Baron van Aijlva van)
Lid van de eerste kamer der Staten-Generaal, Opperkamerheer van
Z. M. de Koning, enz. op den huize Neerynen.
Panhuijs, (Jonkhr. J. E. van) Commissaris des Konings in de Provincie
Friesland te Leeuwarden.
Paris, (G.) Theol. Stud. te Amsterdam.
Patijn, te 's Gravenhage.
Poll, (A. v. d.) Chirurgijn te Amsterdam.
Poll, (Mr. W. van de) Kantonregter te Geldermalsen.
Post Jr., (C. v. d.) Boekhandelaar te Utrecht.
Post, (C. G. v. d.) Boekhandelaar te Amsterdam.
Post Uiterweer, (G.) te Schiedam.
Prill Morell, (Dr. W. C. de) te Nijmegen.
Proes, (Ds.) voor het Leesgezelschap Amica Veritas te Leeuwarden.
Punt, (P.) Watergraafsmeer.



Quarles van Ufford, (Jonkh. L. I.) Lid van de Prov. Staten van
Noord-Holl. Wethouder der stad Haarlem, enz.



Rahusen, (A.) te Amsterdam.
Ramaer, (E. H.) Ontvanger der Registratie, te Wageningen.
Rappard, (Jonkhr. F. A. L. van) te 's Gravenhage.
Remmelink, (J. H.) te Amsterdam.
Rengers, (Baron Aylva) Kolonel te Bergen op Zoom.
Revers, (C.) te Utrecht.
Reynvaan, (A. J.) te Amsterdam.
Rhemen van Gelder's Toren. (Baron van)
Rhemen van Rhemenshuizen, (Mr. C. H. Baron van) te Brummen.
Riboulleau, (J. P.) te Amsterdam.
Rieke, (J. G. L.) te Amsterdam.
Rochussen, (W. F.) Jur. Student te Amsterdam.
Rochussen, (Chs.) te Amsterdam.
Roëll, (Jonkhr. Mr. H. H.) te Haarlem.
Rossem, (E. J. van) te Rotterdam.
Rotta, (Jonkhr. N. de) te Amsterdam.
Rijnbende, (S. W. M.) te Utrecht.



Sant, (D. van 't) Instituteur te Gorinchem.
Schaafsma, (A.) Boekhandelaar te Dokkum. 2 Ex.
Schaap, (J.) Burgemeester te Krommenie.
Schade van Westrum, (A. T.) te Schiedam.
Schalk, (P. C. v. d.) Boekhandelaar te Dordrecht.
Schierbeek, (R. J.) Boekhandelaar te Groningen.
Schotsman, (L. H.) Predikant te Papendrecht, voor het Leesgezelschap
aldaar.
Schuylenburch van Wisch. (Mevr. Baronnesse Douairière)
Schuyt, (A. A. W.) te Utrecht.
Senden, (G. H. van) Predikant op de Leur.
Sillem, (E.) te Amsterdam.
Sirtema van Grovestins, (Mevr. Baronesse Douairière) te 's Gravenhage.
Six, (J. P.) te Amsterdam.
Sloet van Tautenburg, (Baron) te 's Gravenhage.
Sluiter, (J. W.) te Rotterdam.
Sluys, (C. v. d.) te Gouda.
Sminia, (Jonkhr. Mr. H. B. van) Burgemeester van Tietjerksteradeel,
te Bergum.
Smith, (A. G. F.) te Amsterdam.
Snoeck, (Mevr. de Douairière Jonkhr. M.) 's Hertogenbosch.
Snoeck, (S. van Reyn) Boekhandelaar te Rotterdam.
Someren Brand, (J. van) te Amsterdam.
Someren Greve, (K. van) Steen- en Beeldhouwer te Sneek.
Spegnler, (F. H.) Burgemeester v. d. Bilt.
Spree, (I. A.) te Amsterdam.
Stachelhausen, (Mej. A.) te Amsterdam.
Steeden, (J. W. C. van) Predikant te Banda.
Steenbergen, (H. C.) Officier van Gezondh. bij de Marine te
Helvoetsluis.
Steineken, (D.) te Amsterdam.
Stemler, (C. F.) Boekhandelaar te Amsterdam.
Sterr, (C. van der) aan den Helder.
Stibolt, (N. C.) te Amsterdam.
Stockum, (P. W. C. van) te 's Gravenhage.
Stokbroo van Hoog en Aarswoud, (L.) voor het Leesgezelschap: Varietas
Delectat.
Stoppelaar, (Mr. J. H. de) Burgemeester van Veere en Zanddijk binnen,
Gapinge en de Vrouwe Polder c. a., Advocaat te Veere.
Stoppelaar, (Mr. G. N. de) Advocaat te Middelburg.
Storm van 's Gravesande, (N. J.) te Rotterdam.
Stronck, (W. H.) te Rotterdam.
Strijen, (C. E. van) Notaris te Wijk bij Duurstede.
Swalue, (E. B.) Theol. Dr. en Predikant te Amsterdam.



Taets van Amerongen (Freule L. A.) te Utrecht.
Taets van Amerongen van Natewisch, (J. Baron) Lid van Gedeputeerde
Staten van Utrecht.
Tak, (Adn.) te Middelburg.
Tienhoven, (G. van) te Werkendam.
Tilanus, (C.) te 's Gravenhage.
Tulleken, (Mr. J. B.) op Brakensteyn bij Nijmegen.



Uitwerf Sterling, (Mw. de Wed.) te Amsterdam.
Umbgrove, (Mr. W. J. L.) te Zutphen.
Vas Visser, (D.) Jur. Stud. te Amsterdam.
Veen, (Mr. J. E. Nuhout van der) Kantonregter te Alkmaar.
Verbeek, (W. I. L.) voor het Leesgezelschap te Wijk bij Duurstede.
Verbrugge, (W. J.) te Rotterdam.
Verdam, (G. J.) Professor te Leyden.
Verheije van Sonsbeek, (J. C.) te Delft.
Verkouteren, (A.) te Arnhem.
Verschuur van Heilo, (Jonkhr. D. C. de dieu fontein) lid van den Raad
te Alkmaar.
Villars, (Baron di constant rebecque) bij Wageningen.
Visser, (J.) te Heeg in Vriesland.
Vlielander, (A.) Burgemeester te Niemansdorp.
Vlierboom, (M.) te Rotterdam.
Vogel, (Mej. G. M.) te Zwalue.
Vorstman, (J. G.) te 's Gravenhage. 2 Ex.
Vos, (A.) te Dordrecht.
Vos Jacobzn., (Jacob de) Lid van den Raad van Bestuur der Koninklijke
Academie van Beeldende kunsten te Amsterdam.
Vos, (Mr. C. L. de) President aan de Arrondissements Regtbank te
Utrecht.
Vos, (W. de) te Amsterdam.
Vries, (Dr. M. de) Hoogleeraar te Leyden.
Vroom, (C.) te Amsterdam.



Waal, (K. de) te Arnhem.
Waanders, (J. M. W.) Boekhandelaar te Zwolle.
Warnsinck, te Amsterdam.
Wehlburg, (Ths.) Cargadoor te Amsterdam.
Wehlburg, (A. F.) Essaijeur van Goud en Zilv. te Amsterdam.
Wesseling, (Johs.) te Amsterdam.
West, (J. H. van) te Amsterdam.
Westbroek, (G. H.) Instituteur te Schoonhoven.
Weijtingh, (J.) Koopman te George d' Elmina.
Wijtingh en Van der Haart, Boekhandelaars te Amsterdam. 6 Ex.
Weijerman, (J. W.) te Haarlem.
Willems, (W.) Boekhandelaar te Amsterdam. 4 Ex.
Willems, (H. W.) Boekhandelaar te Amsterdam.
Willink, (H.) te Amsterdam.
Wind, (S. de) te Middelburg.
Wolfs, (J. J.) te Amsterdam.
Wolterbeek, (R. Daniel) te Amsterdam, voor de Leesvereeniging.
Wolterbeek, (J. G. W.) te Utrecht.
Wor, (Ds.) voor het Leesgezelschap te Zwolle.
Wor, (Mej. H. M.) Institutrice te Assen.
Woude, (v. d.) te Amsterdam.
Wundt, (Mej. S.) op Standwijk bij Leiden.
Wijngaarden, (W. J. C. van) te Rijssen.



AANTEEKENINGEN


[1] Voorkomende in den Muzen Almanak van 1821, pag. 149.

[2] Namelijk van Jan VIII die regeerde, toen Heelu schreef; want
Aernout, broeder van Jan VII, was geen klerk.

[3] De zin is: »die liever zich (genoten) vereenigd hadden, dan den
Heer van Heusden te vangen.

[4] Die van Heusden namelijk.

[5] De Baly van Utrecht werd opgericht in 1231, tijdens Bisschop
Otto den Derde; de eerste Landkommandeur aldaar was Antonie van
Ledersake, een Edelman van Prinshagen, daarom verkeerdelijk ook wel
Ant. v. Prinshagen genoemd.

[6] Dat het Duitsche Huis ook eene kommandery te Oudewater zou bezeten
hebben, berust op eene valsche opvatting van Van Rijn, in zijn aant. op
Van Heussen (Kerkel. Outh. II, 87). De door hem aangevoerde brief
»beroerende de Heeren van S. Catharynen, en de electie van den Balier"
behoort by de Ridders van Sint-Jan te huis. Deze bezaten reeds in 1250
de Balie van Sinte Catheryne te Utrecht, waardoor de Landkommandeur
den naam van Baljuw van Sint Catheryne droeg.

[7] De Poolsche kronijken maken van dezen Grootmeester een gruwzaam
en half waanzinnig tyran; de Pruissische daarentegen heeten hem een
voortreffelijk regent.

[8] Deze Kapel was beroemd om het bezit van een stuk des kruises, door
een Ridder van het Duitsche Huis, by zijne terugkomst uit Palestina
aldaar geschonken. De offergaven der bedevaartgangers, die weldra in
groot aantal derwaart trokken, hadden de Kapel zeer verrijkt, zoodat
de eerste pastoor der parochiekerk, Joan Attendoren, priester der
Duitsche Orde, zich reeds in staat zag gesteld, om het oude gebouw te
doen vervangen door een geheel nieuw, dat omstreeks 1450 werd ingewijd.

[9] De gantsche Priory bestond slechts uit een kloosterwoning met een
klein kerkgebouw, maar was evenwel door het provinciaal Kapittel der
orde in 1643 als een volkomen klooster erkend.

[10] By den vrede van Weenen, 1809, was de Orde reeds vormelijk
opgeheven, en werden hare goederen geschonken aan de verschillende
Vorsten, binnen wier grenzen zy gelegen waren.

[11] Zijn gebeente, in 1580 in zijn graf gevonden, toonde een man
van buitengewone grootte aan.

[12] In 1288 heeft hy, die wèl gekozen was en bestuurd heeft, maar
nooit van 's Pausen wegen bevestigd is, afstand gedaan, tegen een
jaargeld van 1000 pond Hollandsch, d. i. het pond tegen 75 cts. Een
pond goed geld stond met onzen gulden gelijk.

[13] Zie Dl. I. blz. 11-17. Magneelen zijn muurbrekers; echter geene
soort van ram, maar van blyde.

[14] Behalven Gijsbrecht en Arent van Aemstel, welke laatste Heer van
IJsselsteyn was, wordt hierby ook nog Willem van Aemstel, Proost van
St. Jan, genoemd.

[15] De geschiedenis der Montfoortsche Burchtgraven, zoo als wy die tot
hiertoe bezitten, de een door den ander nageschreven, is vol verwarring
en tegenstrijdigheden, waarvan de ontleding hier niet aan de plaats
is. Ik hoop er later, afzonderlijk, uitvoeriger op te rug te komen,
en geef hier voorloopig slechts de slotsom mijner vergelijking van
de verschillende opgaven.

[16] Sweder van Montfoort liet twee zonen na, Henric en Willem. De
laatste had drie kinderen: een zoon, Henric de Rover, en twee dochters,
waarvan de eene in het geslacht van Haestrecht, de andere in dat van
Winssen huwde.

[17] Ook moeten »alle de gene die binnen Montfoort beseten hebben
geweest, die uten gesticht ende twaelf jaren out zijn, bloets
hoefts uitcomen, ende vallen den Bisscop te voeten, ende bidden hem
vergiffenis."

[18] Dat zijn speerruiters, die gewoonlijk gevolgd werden van nog
twee gewapenden te voet.

[19] 9000 Gulden volgends onze tegenwoordige munt.

[20] Burchtgraaf Johan was bovendien zeer bevriend met den Utrechtschen
Burchtgraaf Reynout van Brederode en diens broeder Gijsbrecht, die
David tot vijanden rekende.--Zie Dl. I, blz. 69-71.

[21] Gemeenlijk ook stalbroeders, en rijzigers, genaamd.

[22] Het aantal dooden en gevangenen te zamen wordt door sommigen
zelfs tot op 1500 overdreven.

[23] Zie van hem Dl. I, blz. 42-44.

[24] Waarschijnlijk 30 November.

[25] En daarby te gelijk, als men weet, ook Engeland, Keulen en
Munster.

[26] In de ruime beteekenis van Nederlander.

[27] Zie Dl. I. blz. 49-80.

[28] Zal het misschien een Heer van IJsselborch zijn geweest?

[29] Zie Blz. 61-63.

[30] Maarschalk, niet in de beteekenis van Veldheer, maar van Rechter,
gelijk staande met Baljuw in Holland.

[31] Met uitzondering van 't reigerbosch in »Aemstellelant," en
de manschap der beleende goederen in 't algemeen, die de Graaf aan
zich behield.

[32] De andere Nederlandsche Heeren waren die van Voorn, van der
Lecke (Aelbrecht en Pieter) van Arckel, van Merode, Otto van Cuyk,
Daniël van Goor, Robbrecht van Appeltern, Warnaer van Merode, Peter
van Diest en Walram van Luxemborch.

[33] Heer Gijsbrecht had in 't geheel zeven kinderen, vijf zoons en
twee dochters gehad. Twee dier zonen, de genoemde Herbarn, en Jan,
Domproost te Utrecht, waren hem in den dood voorgegaan.

[34] Zy wordt ook Elisabeth, en zelfs Jenne genoemd.

[35] d. i. Aangehuwde bloedverwant; toen gold het b. v. evenzeer voor
schoonzoon als thands alleen voor schoonbroeder.

[36] Van Catharyne van IJsselsteyn, die mede in dezen tijd leefde,
is het onzeker of zy eene dochter of wel eene zuster van Heer Aernout
geweest zij.--Gwyda is, Dl. I. blz. 35, ten onrechte, in navolging
van anderen, Erfzuster geschreven.

[37] Dl. I. blz. 38.

[38] Gorcum behoorde aan den Grave van Charlois, Karel den Stoute, en
lag op Hollandsch grondgebied, dat door Otho van Weeren geschonden was.

[39] Zie Dl. I, blz. 41.

[40] Blz. 29, enz.

[41] Zie Prof. van Lenneps boeiende Verhandeling over het belangrijke
van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding.

[42] Hertog Arnold.

[43] Haasloop Werner.

[44] Henrick Bentynck overleed in 1530.--Margareta was Prioresse
van het klooster te Sutphen.--Fenne werd Non in het klooster te
Ysendoorn.--Adolf volgde zijn vader op.--Jan werd Proost van Arnhem,
en Deken van Deventer.--Anna huwde met Heer Seger van Arnhem; en
Aleyde met Filips van Varick. Karel overleed in 1536 ongehuwd.

[45] Filips van Lalaing, Grave van Hoogstraten, 's Keizers Stadhouder
over Gelderland, en na hem zijne opvolgers ook onder het bestuur
der Staten, hebben er tytel en voordeelen van genoten, tot op de
omwenteling van 1795.

[46] En niet, zoo als men, zelfs by Gelderschen, geschreven vindt,
in den voorgevel.

[47] Zie blz. 141.

[48] De zoon en opvolger des konings van Pruissen, Frederik de
Derde, heeft in 't jaar 1754, alles wat zijn vader by dit verdrag
in de Provincie Holland toebedeeld was (zijnde de Heerlijkheden der
Hooge- en Lage Zwaluwe met Klein-Waspik en Twintighoeven, en de
Heerlijkheden Naaltwijk, Hoenderland, Wateringen, Oranje-polder,
's Gravesande en Zand-ambacht, het Huis in den Hage, genaamd het
Oude-Hof, en het Huis te Hondsholredijk), ten behoeve van den zoon
en opvolger des Prinsen van Oranje, Prins Willem den Vijfde, voor f
700,000 verkocht.--Wagenaar.

[49] Engelen.

[50] In een der torens kan men, langs een verborgen ladder, die, meen
ik, door het wegnemen van een gedeelte van den vloer zichtbaar wordt,
naar beneden dalen. In de dikke muren vindt men geheime bergplaatsen
voor goederen.--Schotel.

[51] Gelegen op den rechter Maas-oever, tusschen Gennep en Mook.

[52] Zijn zoon, Guyart van Hoemen, Burchtgraaf van Odenkercke,
verdroeg zich met Anthony van Borgondiën, Ruwaard van Brabant, over
de schade die zijn vader in den Gelderschen oorlog geleden had, ten
opzichte van een mansleen van 200 oude schilden 's jaars, die hy als
Heer van Ammersode van den Hertog plach te honden.--v. Spaen.

[53] »Also als ons dat van onsen seligen alderen ende vervaeren
anverstorven ende angekomen is," zegt de Hertog in den brief van
erfwissel (Nyhoff III, 268). Ik geloof niet, dat deze uitdrukking
voor iets anders dan een gewoon formulier op te vatten is.

[54] Zie Dl. I, bl. 67.

[55] Zie hiervan bl. 127.

[56] Volgends de huwelijksvoorwaarden van den 13 Juni 1534 kwam hy
weder in 't bezit der Hooge Heerlijkheid [van Weerdenburch], en werd
daarmede beleend. Maar na den dood van Hertog Karel, ontstond deswegens
verschil tusschen de stad Bommel en den Heer van Weerdenburch; en de
Landschap vonnisde den 29 Juni 1538, dat in Tielreweerd niet meer dan
twee banken moesten zijn; dat dus de bank van Weerdenburch afgeschaft
zou worden, maar dat de Heer behouden zal de visscherije, de breuken,
en alle oude gerechtigheden.--v. Spaen.

[57] Naar deze acte zou de brand in de maand April 1590 hebben
plaats gehad.

[58] Joris van Arckel liet drie kinderen na: behalven Otto nog twee
dochters: Anna en Catharyne; de eerste huwde met een Nederlandsch
krijgsman, Walraven, Baron van Gent, Heer van Dieden en Oyen; de
tweede met René van Renesse, Heer van Raucourt, Wasnes, Brumorher,
Hern en Schalckhoven.

[59] Cosmo degli Affaytadi, Baron van Ghistelles in Vlaanderen,
gesproten uit een aanzienlijk geslacht in 't Hertogdom Milaan. Hy
was, naar alle vermoeden, een zoon van Carlo d' Affaytadi, een
Milaneesch Edelman, die in 1545 te Antwerpen woonde, en door koop
de Baronny Ghistelles verkreeg, die door Koning Karel den Tweede
tot een Graafschap verheven werd, 21 Januari 1676, ten behoeve van
Jean François d' Affaytadi, Baron van Ghistelles, Heer van Hilst,
Lavenacker en Braduc, misschien een kleinzoon van Cosmo.--Te Water.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home